The Project Gutenberg EBook of Max Havelaar, by Multatuli This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy Author: Multatuli Release Date: February 10, 2004 [EBook #11024] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MAX HAVELAAR *** Produced by Marc D'Hooghe. MAX HAVELAAR OF DE KOFFIVEILINGEN DER NEDERLANDSCHE HANDELMAATSCHAPPY DOOR MULTATULI AAN DE DIEP VEREERDE NAGEDACHTENIS VAN EVERDINE HUBERTE BARONESSE VAN WYNBERGEN DER TROUWE GADE DER HELDHAFTIGE LIEFDEVOLLE MOEDER DER EDELE VROUW "J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poete, et sans doute, pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualite n'est de trop. Le plus rare ensemble de merites n'est que le strict necessaire, et ne suffit meme pas toujours au commun bonheur. Voir sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, --recueiller dans ses bras et soigner ce poete qui est votre mari, quand il vous revient meurtri par les deceptions de sa tache;--ou bien le voir s'envoler a la poursuite de sa chimere ... voila l'ordinaire de l'existence pour une femme de poete. Oui, mais aussi il y a le chapitre des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagnes a la sueur de son genie, et qu'il depose pieusement aux pieds de la femme legitimement aimee, aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce monde a cet "aveugle errant;"-- Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les petits-fils d'Homere sont plus ou moins aveugles a leur facon;--ils voient ce que nous ne voyons pas; leurs regards penetrent plus haut et plus au fond que les notres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trebucher et de se casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces vallees de prose ou demeure la vie." (HENRY DE PENE) GERECHTSDIENAAR. Mynheer de rechter, daar is de man die _Barbertje_ vermoord heeft. RECHTER. Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd? GERECHTSDIENAAR. Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten. RECHTER. Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen. LOTHARIO. Rechter, ik heb _Barbertje_ niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n goed mensch ben, en geen moordenaar. RECHTER. Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het past niet aan iemand die ... van iets beschuldigd is, zich voor 'n goed mensch te houden. LOTHARIO. Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En daar ik nu beschuldigd ben van moord ... RECHTER. Ge moet hangen! Ge hebt _Barbertje_ stukgesneden, ingezouten, en zyt ingenomen met uzelf ... drie kapitale delikten! Wie zyt ge, vrouwtje? VROUWTJE. Ik ben _Barbertje_. LOTHARIO. Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb! RECHTER. Hm ... ja ... zoo! Maar het inzouten? BARBERTJE. Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch! LOTHARIO. Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mensch ben. RECHTER. Hm ... het _derde_ punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer dien man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van _Lessing's_ patriarch. _(Onuitgegeven Tooneelspel)_ EERSTE HOOFDSTUK[1] Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, No 37. Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen, omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag ik my af, waartoe zulke dingen dienen, en ik sta verbaasd over de onbeschaamdheid, waarmede een dichter of romanverteller u iets op de mouw durft spelden, dat nooit gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als ik in _myn_ vak--ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht No 37--aan een principaal --een principaal is iemand die koffi verkoopt--een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam, die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman nemen. Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten. Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven doe. Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen. Ik ben drie en veertig jaren oud, bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden, als men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen! En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven was in hun jeugd. Ik zeg: _waarheid en gezond verstand_, en hier blyf ik by. Voor de _Schrift_ maak ik natuurlyk een uitzondering. De fout begint al van Van Alphen af, en wel terstond by den eersten regel over die "_lieve wichtjes_." Wat drommel kon dien ouden heer bewegen, zich uittegeven voor een aanbidder van myn zusje Truitje die zeere oogen had, of van myn broer Gerrit die altyd met zyn neus speelde? En toch, hy zegt: "dat hy die versjes zong, door _liefde_ gedrongen." Ik dacht dikwyls als kind: "man, ik wilde u graag eens ontmoeten, en als ge my de marmerknikkers weigerde, die ik u vragen zou, of myn naam voluit in banket--ik heet _Batavus_--dan houd ik u voor een leugenaar. Maar ik heb Van Alphen nooit gezien. Hy was al dood, geloof ik, toen hy ons vertelde dat myn vader myn beste vrind was--ik hield meer van Pauweltje Winser, die naast ons woonde in de Batavierstraat--en dat myn kleine hond zoo dankbaar was. We hielden geen honden, omdat ze zoo onzindelyk zyn. Alles leugens! Zoo gaat dan de opvoeding voort. Het nieuwe zusjen is van de groenvrouw gekomen in een groote kool. Alle Hollanders zyn dapper en edelmoedig. De Romeinen waren bly dat de Batavieren hen lieten leven. De Bey van Tunis kreeg een kolyk als hy het wapperen hoorde van de nederlandsche vlag. De hertog van Alva was een ondier. De eb, in 1672 geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlyk, expres om Nederland te beschermen. Leugens! Nederland is _Nederland_ gebleven, omdat onze oude lui goed op hun zaken pasten, en omdat ze het ware geloof hadden. Dat is de zaak! En dan komen later weer andere leugens. Een meisjen is een engel. Wie dit het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid. Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde der aarde. De aarde heeft geen einden, en die liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen dat ik niet goed leef met myn vrouw--zy is een dochter van Last & Co, makelaars in koffi--niemand kan iets op ons huwelyk aanmerken. Ik ben lid van _Artis_, zy heeft een sjaallong van twee-en-negentig gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der aarde wil wonen, is toch tusschen ons nooit spraak geweest. Toen we getrouwd zyn, hebben wy een toertje naar den Haag gemaakt--ze heeft daar flanel gekocht, waarvan ik nog borstrokken draag--en verder heeft ons de liefde nooit de wereld ingejaagd. Dus: alles gekheid en leugens! En zou _myn_ huwelyk nu minder gelukkig wezen, dan van de menschen die zich uit liefde de tering op den hals haalden, of de haren uit het hoofd? Of denkt ge dat myn huishouden iets minder wel geregeld is, dan het wezen zou als ik voor zeventien jaar myn meisjen in _verzen_ gezegd had dat ik haar trouwen wilde? Gekheid! Ik had dit toch even goed kunnen doen als ieder ander, want verzenmaken is een ambacht, zeker minder moeielyk dan ivoordraaien. Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen zoo goedkoop wezen?--Frits zegt: "_Uhlefeldjes_" ik weet niet, waarom? --En vraag eens naar den prys van een stel billardballen! Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in gelid 't zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. "_De lucht is guur, en 't is vier uur_." Dit laat ik gelden, als het werkelijk _guur_ en _vier uur_ is. Maar als 't kwartier voor drieen is, kan ik, die myn woorden niet in 't gelid zet, zeggen: "_de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieen_." De verzenmaker is door de _guurheid_ van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist _een, twee_ uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. _Zeven_ en _negen_ is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weer moet veranderd, of de tyd. Een van beiden is dan gelogen. En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens in den schouwburg, en luister daar wat er voor leugens aan den man worden gebracht. De held van 't stuk wordt uit het water gehaald door iemand die op 't punt staat bankroet te maken. Dan geeft hy hem zyn halve vermogen. Dat kan niet waar zyn. Toen onlangs op de Prinsengracht myn hoed te-water woei--Frits zegt: _waaide_--heb ik den man die hem my terugbracht, een dubbeltje gegeven; en hy was tevreden. Ik weet wel dat ik iets meer had moeten geven als hy myzelf er uit gehaald had, maar zeker myn halve vermogen niet. 't Is immers duidelyk dat men op die wys maar tweemaal in 't water hoeft te vallen om doodarm te wezen. Wat het ergste is by zulke vertooningen op het tooneel, het publiek gewent zich zoo aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik had weleens lust zoo'n heel parterre in 't water te gooien, om te zien wie dat toe juichen gemeend had. Ik, die van waarheid houd, waarschuw ieder dat ik voor 't opvisschen van myn persoon geen zoo hoog bergloon betalen wil. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. Alleen Zondags zou ik iets meer geven, omdat ik dan myn kantilje ketting draag, en een anderen rok. Ja, dat tooneel bederft velen, meer nog dan de romans. Het is zoo aanschouwelyk! Met wat klatergoud en wat kant van uitgeslagen papier, ziet er dat alles zoo aanlokkelyk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor menschen die niet in zaken zyn. Zelfs als die tooneelmenschen armoede willen voorstellen, is hun voorstelling altyd leugenachtig. Een meisje wier vader bankroet maakte, werkt om de familie te onderhouden. Heel goed. Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu eens de steken die ze doet gedurende het heele bedryf. Ze praat, ze zucht, ze loopt naar 't venster, maar werken doet ze niet. De familie die van dezen arbeid leven kan, heeft weinig noodig. Zoo'n meisjen is natuurlyk de heldin. Ze heeft eenige verleiders de trappen afgeworpen, ze roept gedurig: "o myne moeder, o, myne moeder!" en stelt dus de deugd voor. Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar noodig heeft voor een paar wollen kousen? Geeft dit alles niet valsche denkbeelden van deugd, en "_werken voor den kost?_" Alles gekheid en leugens! Dan komt haar eerste minnaar--die vroeger klerk was aan 't kopieboek, maar nu schatryk--op-eens terug, en trouwt haar. Ook weer leugens. Wie geld heeft, trouwt geen meisjen uit een gefailleerd huis. En als ge meent, dat dit op het tooneel er door kan als uitzondering, blyft toch myn aanmerking bestaan, dat men den zin voor waarheid bederft by het volk, dat de uitzondering als regel aanneemt, en dat men de publieke zedelykheid ondermynt, door het te gewennen iets toetejuichen op het _tooneel_, wat door elk fatsoenlyk makelaar of koopman voor een bespottelyke krankzinnigheid wordt gehouden in de _wereld_. Toen _ik_ trouwde, waren wy op 't kantoor van myn schoonvader--Last & Co--met ons dertienen, en er ging wat om! En nog meer leugens op het tooneel. Als de held met zyn styven komediestap weggaat om 't verdrukte vaderland te redden, waarom gaat dan de dubbele achterdeur altyd vanzelf open? En verder, hoe kan de persoon die in verzen spreekt, voorzien wat de ander te antwoorden heeft, om hem 't rym gemakkelyk te maken? Als de veldheer tot de prinses Zegt: "_mevrouw, het is te laat, de poorten zyn gesloten_" hoe kan hy dan vooruit weten, dat zy zeggen wil: "_welaan dan, onversaagd, men doe het zwaard ontblooten?_" Want als zy nu eens, hoorende dat de poort toe was, antwoordde dat ze dan wat wachten zou tot er geopend werd, of dat zy een andermaal eens terug zou komen, waar bleef dan maat en rym? Is het dus niet een pure leugen, als de veldheer de prinses vragend aanziet, om te weten wat ze doen wil na 't poortsluiten? Nog-eens: als 't mensch nu eens lust had gehad te gaan slapen, in plaats van iets te ontblooten? Alles leugens! En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben sedert zeventien jaren makelaar in koffi--Lauriergracht, No 37--en heb dus al zoo-iets bygewoond, maar het stuit my altyd vreeselyk, als ik de goede lieve waarheid zoo zie verdraaien. Beloonde deugd? Is 't niet om van de deugd een handelsartikel te maken? Het _is_ zoo niet in de wereld, en 't is _goed_ dat het niet zoo is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd beloond werd? Waartoe dus die infame leugens altyd voorgewend? Daar is by-voorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht, die reeds by den vader van Last & Co heeft gewerkt--de firma was toen Last & Meyer, maar de Meyers zyn er lang uit--dat was dan toch wel een deugdzaam man. Geen boon kwam er ooit te-kort, hy ging stipt naar de kerk, en drinken deed hy niet. Als myn schoonvader te Driebergen was, bewaarde hy het huis, en de kas, en alles. Eens heeft hy aan de Bank zeventien gulden te veel ontvangen, en, hy bracht ze terug. Hy is nu oud en jichtig, en kan niet meer dienen. Nu heeft hy niets, want er gaat veel by ons om, en we hebben jong volk noodig. Welnu, ik houd dien Lukas voor zeer deugdzaam, maar wordt hy nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of een fee die hem boterhammen smeert? Waarachtig niet! Hy is arm, en blyft arm, en dit moet ook zoo wezen. _Ik_ kan hem niet helpen--want we hebben jong volk noodig, omdat er zooveel by ons omgaat--maar al _kon_ ik, waar bleef zyn verdienste, als hy nu op zyn ouden dag een gemakkelyk leven leiden kon? Dan zouden alle pakhuisknechts wel deugdzaam worden, en iedereen, hetgeen Gods bedoeling niet wezen kan, omdat er dan geen byzondere belooning voor de braven overbleef hier-namaals. Maar op een tooneel verdraaien ze dat ... alles leugens! _Ik_ ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor belooning? Als myn zaken goed gaan--en dit doen ze--als myn vrouw en kinderen gezond zyn, zoodat ik geen gemaal heb met dokter en apteker ... als ik jaar-in jaar-uit een sommetje kan ter-zy leggen voor den ouden dag ... als Frits knap opgroeit, om later in myn plaats te komen als ik naar Driebergen ga ... zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlyk gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor myn deugd eisch ik niets. En dat ik toch deugdzaam ben, blykt uit myn liefde voor de waarheid. Deze is, na myn gehechtheid aan het geloof, myn hoofdneiging. En ik wenschte dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de verontschuldiging is voor 't schryven van dit boek. Een tweede neiging, die my even sterk als waarheidsliefde beheerscht, is de hartstocht voor myn vak. Ik ben namelyk makelaar in koffi, Lauriergracht No 37. Welnu, lezer, aan myn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan myn yver voor de zaken, hebt gy te danken dat deze bladen geschreven zyn. Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik nu voor 't oogenblik afscheid van u neem--ik moet naar de beurs--noodig ik u straks op een tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus! Eilieve, steek het by u ...'t is een kleine moeite ... het kan te-pas komen ... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co ben ik, sedert de _Meyers_ er uit zyn ... de oude Last is myn schoonvader. _______________________________ | |§ | LAST & Co | | | | MAKELAARS IN KOFFI | | | | Lauriergracht, No 37 | |_______________________________| TWEEDE HOOFDSTUK Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal 't wel goed maken. Denk niet dat er niets by ons omgaat. By Busselinck & Waterman is 't nog slapper. Een vreemde wereld! Men woont zoo iets by, als men zoo'n twintig jaren de beurs bezoekt. Verbeeld u dat ze daar getracht hebben--Busselinck & Waterman, meen ik--my Ludwig Stern aftenemen. Daar ik niet weet of gy aan de beurs bekend zyt, wil ik u even zeggen dat Stern een eerst huis is in koffi te Hamburg, dat altyd door Last & Co is bediend geworden. Heel toevallig kwam ik daar achter ... ik meen achter de knoeiery van Busselinck & Waterman. Zy zouden een kwart procent van de courtage laten vallen--onderkruipers zyn het, anders niet!--en zie nu eens wat ik gedaan heb om dien slag afteweren. Een ander in myn plaats had misschien aan Ludwig Stern geschreven dat hy ook wat zou laten vallen, dat hy hoopte op konsideratie om de langdurige diensten van Last & Co ... ik heb uitgerekend dat de firma, sedert ruim vyftig jaren, vier ton aan Stern verdiend heeft. Die konnexie dateert van 't kontinentaal stelsel, toen wy dekoloniale waren insmokkelden van Helgoland. Ja, wie weet wat 'n ander al zoo zou geschreven hebben. Maar neen, onderkruipen doe ik niet. Ik ben naar _Polen_ gegaan[2] liet me pen en papier geven, en schreef: _Dat de groote uitbreiding die onze zaken den laatsten tyd genomen hadden, vooral door de vele geeerde orders uit Noord-Duitschland_ ... 't Is de zuivere waarheid! ..._dat die uitbreiding eenige vermeerdering van ons personeel noodzakelyk maakte_. 't Is de waarheid! Gister-avend nog was de boekhouder na elven op 't kantoor, om zyn bril te zoeken. _Dat vooral zich de behoefte deed gevoelen aan fatsoenlyke, welopgevoede jongelieden, voor de korrespondentie in het duitsch. Dat wel-is-waar veel duitsche jongelingen, in Amsterdam aanwezig, hiertoe de vereischte bekwaamheden bezaten, maar dat een huis dat zich respekteert_ ... 't Is de zuivere waarheid! ..._by de toenemende ligtzinnigheid en onzedelykheid onder de jeugd, by het dagelyks aangroeien van het getal fortuinzoekers, en met het oog op de noodzakeijkheid om soliditeit van gedrag, hand-aan-hand te doen gaan met soliditeit in de uitvoering, van de gegeven orders_ ... 't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid! ..._dat zulk een huis_--ik bedoel Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht No. 37--_niet omzichtig genoeg wezen kon met het engageeren van sujetten_. Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet ge wel, dat de jonge Duitscher, die op de beurs by pilaar 17 stond, weggeloopen is met de dochter van Busselinck & Waterman? Onze Marie wordt ook al dertien in September. ..._dat ik de eer had gehad van den heer Saffeler te vernemen_ --Saffeler reist voor Stern--_dat de geachte chef der firma, de heer Ludwig Stern, een zoon had, den heer Ernest Stern, die ter volmaking zyner kommercieele kennis, eenigen tyd in een hollandsch huis wenschte geemploieerd te zyn. Dat ik met het oog op_ ... Hier herhaalde ik weer al die onzedelykheid, en vertelde de geschiedenis der dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart te maken ... neen, bekladden ligt nu juist heelemaal niet in myn manier! Maar ... het kan nooit kwaad dat ze 't weten, dunkt me. ..._dat ik met het oog daarop, niets liever wenschte dan den heer Ernest Stern belast te zien met de duitsche korrespondentie van ons huis_. Uit kiesheid vermeed ik alle toespeling op honorarium of salaris. Maar ik voegde er by: _Dat, indien de heer Ernest Stern het verblyf ten onzen huize --Lauriergracht No 37--wilde voor lief nemen, myn vrouw zich bereid verklaarde als een moeder voor hem te zorgen, en dat zyn linnengoed in huis zou versteld worden_. Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En ten-slotte: _Dat by ons de Heer gediend werd_.[3] Die kan hy in zyn zak steken, want de Sterns zyn Luthersch. En ik verzond myn brief. Ge begrypt dat de oude Stern niet goedschiks by Busselinck & Waterman kan overgaan, als de jonge by ons aan 't kantoor is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord. Om nu terug te komen op myn boek. Voor eenigen tyd kom ik 's avends door de Kalverstraat, en bleef staan kyken naar den winkel van een kruienier, die zich bezighield met het sorteeren van een partytje _Java, ordinair, mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel_, dat me zeer interesseerde, want ik let altyd op alles. Daar viel my op-eenmaal een heer in 't oog, die daarnaast voor een boekwinkel stond en me bekend voorkwam. Hy scheen ook my te herkennen, want onze blikken ontmoetten elkander gedurig. Ik moet betuigen dat ik te verdiept was in 't veegsel, om terstond optemerken, wat ik namelyk later zag, dat hy vry kaal in de kleeren stak. Anders had ik de zaak daarby gelaten. Maar op-eens schoot my de gedachte in, dat hy misschien reiziger was van een duitsch huis, die een solieden makelaar zocht. Hy had dan ook wel iets van een Duitscher, en van een reiziger ook. Hy was zeer blond, had blauwe oogen, en in houding en kleeding iets dat den vreemdeling verraadde. In-plaats van een behoorlyken winterjas, hing hem een soort van sjaal over den schouder--Frits zegt "shawl" maar dit doe ik niet--alsof hy zoo van de reis kwam. Ik meende een klant te zien, en gaf hem een adreskaartje: _Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht No 37_. Hy hield het by de gasvlam, en zeide: "ik dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht het genoegen te hebben een ouden schoolkameraad voor me te zien, maar ... _Last_? Dit is de naam niet." --Pardon, zei ik--want ik ben altyd beleefd--ik ben m'nheer Droogstoppel, Batavus Droogstoppel. _Last en Co_ is de firma, makelaars in koffi, Lauriergr ... --Wel, Droogstoppel, kent ge my niet meer? Zie my eens goed aan. Hoe meer ik hem aanzag, hoe meer ik my herinnerde hem meer gezien te hebben. Maar, zonderling, zyn gelaat deed my de uitwerking alsof ik vreemde parfumerien rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult ge zien hoe dit kwam. Ik ben verzekerd dat hy geen drup reukwerk by zich droeg, en toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me herinnerde aan ... daar had ik het! --Zyt gy het, riep ik, die my van den Griek hebt verlost? --Wel zeker, zeide hy, dat was _ik_. En hoe gaat het _U_? Ik vertelde dat we met ons dertienen op 't kantoor waren, en dat er zooveel by ons omging. En toen vroeg ik hoe het hem ging, wat me later speet, want hy scheen niet in goede omstandigheden te verkeeren, en ik houd niet van arme menschen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt, daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. Had ik eenvoudig gezegd, "we zyn met ons dertienen, en ... goeien avend verder!" dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en antwoorden werd het hoe langer hoe moeielyker--Frits zegt: _hoe langs zoo_ moeielyker, maar dit doe ik niet--_hoe_ moeielyker dus, om van hem verlost te worden. Aan den anderen kant moet ik ook weer erkennen dat ge dan dit boek niet hadt te lezen gekregen, want het is een gevolg van die ontmoeting. Ik houd er van, het goede optemerken, en wie dit niet doen, zyn ontevreden menschen die ik niet lyden kan. Ja, ja, hy was het, die my uit de handen van den Griek had verlost! Denk nu niet dat ik ooit door zeeroovers ben genomen geweest, of dat ik twist heb gehad in den Levant. Ik heb u reeds gezegd dat ik na myn trouwen, met myn vrouw naar den Haag ben gegaan. Daar hebben wy het Mauritshuis gezien, en flanel gekocht in de Veenestraat. Dit is het eenige uitstapje dat de zaken my ooit hebben veroorloofd, omdat er zooveel by ons omgaat. Neen, in Amsterdam zelf had hy om-mynentwil een Griek den neus aan 't bloeden geslagen. Want hy bemoeide zich altyd met dingen die hem niet aangingen. Het was in drie of vier en dertig, geloof ik, en in September, want er was kermis te Amsterdam. Daar myn oude lui van voornemen waren een predikant van my te maken, leerde ik latyn. Later heb ik myzelf dikwyls afgevraagd, waarom men latyn moet verstaan, om in 't hollandsch te zeggen: "God is goed?" Genoeg, ik was op de latynsche school--nu zeggen ze _gymnasium_--en daar was kermis ... in Amsterdam, meen ik. Op de Westermarkt stonden kramen, en als ge een Amsterdammer zyt, lezer, en nagenoeg van myn leeftyd, zult ge u herinneren hoe daaronder een was, die uitmuntte door de zwarte oogen en de lange vlechten van een meisje, dat als een Griekin gekleed was. Ook haar vader was een Griek, of althans hy zag er uit als een Griek. Ze verkochten allerlei reukgoed. Ik was juist oud genoeg om het meisje mooi te vinden, zonder evenwel den moed te hebben haar aantespreken. Dit zou my ook weinig gebaat hebben, want meisjes van achttien jaren beschouwen een jongen van zestien, als een kind. En hierin hebben ze groot gelyk. Toch kwamen wy, jongens van _quarta_, altyd 's avends op de Westermarkt om dat meisje te zien. Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om naar de Griekin te kyken. Maar hy was de _primus_ van onze klasse--want knap was hy, dit moet ik erkennen--en hy hield veel van spelen, stoeien en vechten. Daarom was hy by ons. Terwyl we dus--we waren wel met ons tienen--vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken, werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te koopen. Maar toen was de goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou aantrekken om het meisjen aantespreken. Ieder wilde, maar niemand durfde. Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt, voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam optemerken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk ben gebleven, daar ik thans over zoo-iets nog juist dezelfde meening koester, als dien avend toen ik daar by de kraam van den Griek stond, met de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden, in de hand. Maar zie, uit valsche schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien, ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor de kraam. Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de oogen. Ik stamelde een _aoristus primus_ van ik weet niet welk werkwoord ... --_Plait-il?_ zeide zy. Ik herstelde my eenigszins, en ging voort: --_Meenin aeide thea_, en ... dat Egypte een geschenk van den Nyl was. Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet op dat oogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een zoo harden stoot in den rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzy van de kraam afsloot. Ik voelde een greep in myn nek ... een tweeden greep veel lager ... ik zweefde een oogenblik ... en voor ik recht begreep hoe de zaken stonden, was ik in de kraam van den Griek, die in verstaanbaar fransch zei dat ik een _gamin_ was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en bad om genade, want ik zat vreeselyk in angst. Maar het baatte niet. De Griek hield me by den arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers--we hadden juist dien morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand in 't vuur stak, en in hun latynsche opstellen hadden ze dit zoo heel mooi gevonden--jawel! Niemand was daar gebleven om voor _my_ een hand in 't vuur te steken ... Zoo meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn oogen flikkeren--anders zagen ze flauw--hy gaf den Griek een vuistslag, en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggeloopen. Ik heb het dus niet gezien. Ziedaar de reden waarom zyn trekken me zoo aan reukwerk herinnerden, en hoe men in Amsterdam twist kan krygen met een Griek. Als op latere kermissen die man weer met zyn kraam op de Westermarkt stond, ging ik my altyd elders vermaken. Daar ik veel van wysgeerige opmerkingen houd, moet ik u toch even zeggen, lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. Als de oogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze korter vlechten had gehad, of als men my niet tegen die winkelkast had aangeworpen, zoudt ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat dit zoo gebeurd is. Geloof me, alles in de wereld is goed, zoo als het is, en ontevreden menschen die altyd klagen, zyn myn vrienden niet. Daar hebt ge Busselinck & Waterman ... maar ik moet voortgaan, want myn boek moet af voor de voorjaarsveiling. Ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--was my het weerzien van dien persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen soliede konnexie was. Hy zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was, wist hy 't niet. Dit zyn dingen, waar een mensch op let, die zoo'n twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zooveel heeft bygewoond. Ik heb al wat huizen zien vallen! Ik meende dat hy rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie, hy ging ook links, en ik kon dus niet vermyden in gesprek te treden. Maar ik bedacht gedurig dat hy niet wist hoe laat het was, en bespeurde bovendien dat zyn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt--dat een zeer slecht merk is--zoodat ik den toon van ons onderhoud wat flauw blyven liet. Hy verhaalde my dat hy in Indie was geweest, dat hy getrouwd was, dat hy kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond er niets belangryks in. By de Kapelsteeg--ik ga anders nooit door die steeg, omdat het voor een fatsoenlyk man niet staat, vind ik--maar ditmaal wilde ik by de Kapelsteeg rechts-af-slaan. Ik wachtte tot wy dat straatje byna voorby waren, om goed te doen blyken dat zyn weg rechtuit leidde, en toen zei ik zeer beleefd ... want beleefd ben ik altyd, men kan nooit weten hoe men later iemand noodig heeft: --Het was me byzonder aangenaam u weer te zien, m'nheer ... _r_ ... _r_! En ... en ... en ... ik rekommandeer me! Ik moet hierin. Toen keek hy me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van myn jas ... --Beste Droogstoppel, zeide hy, ik heb u iets te vragen. Er ging my een rilling door de leden. Hy wist niet hoe laat het was, en wilde my iets vragen! Natuurlyk antwoordde ik dat ik geen tyd had, en naar de beurs moest, schoon het avend was. Maar als men zoo'n twintig jaren de beurs heeft bezocht ... en iemand wil u iets vragen, zonder te weten hoe laat het is ... Ik maakte myn knoop los, groette heel beleefd--want beleefd ben ik altyd --en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het niet fatsoenlyk is, en fatsoen gaat my boven alles. Ik hoop dat niemand het gezien heeft. DERDE HOOFDSTUK Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand geweest was om my te spreken. Naar de beschryving was het de Sjaalman. Hoe hy me gevonden had ... nu ja, 't adreskaartje! Ik dacht er over, myn kinderen van school te nemen, want het is lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de Westermarkt te gaan, als er kramen staan. Den volgenden dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal u den brief laten lezen: _Waarde Droogstoppel!_ Ik vind dat hy wel had kunnen zeggen: _Weledele Heer Droogstoppel_, omdat ik makelaar ben. _Ik ben gisteren ten-uwent geweest met het doel u een verzoek te doen. Ik geloof dat gy in goede omstandigheden verkeert_ ... Dit is waar: we zyn met ons dertienen op 't kantoor. ..._en ik wenschte gebruik te maken van uw krediet, om een zaak tot-stand te brengen, die voor my van groot gewicht is_. Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen was? _Door velerlei omstandigheden ben ik op 't oogenblik eenigszins om geld verlegen_. Eenigszins? Hy had geen hemd aan. Dat noemt hy _eenigszins_! _Ik kan myn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des levens noodig is, en ook de opvoeding myner kinderen is, uit een geldelyk oog, niet zooals ik wenschen zou_. Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hy voor zyn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zyn kinderen op een instituut doen te Geneve? 't Was najaar, en vry koud ... welnu, hy woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik dien brief ontving, wist ik dit niet, maar later ben ik by hem geweest, en thans nog ben ik verstoord over den zotten toon van zyn geschryf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen dat hy arm is! Armen moeten er zyn, dit is noodig in de maatschappy, en 't is Gods wil. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb ik er volstrekt niet tegen dat hy arm is, maar die opsiering van de zaak komt niet te-pas. Luister verder: _Daar op my de verplichting rust, in de behoeften der mynen te voorzien, heb ik besloten een talent aantewenden, dat, naar ik geloof, my gegeven is. Ik ben dichter_ ... Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige menschen daarover denken. ... _en schryver. Sedert myn kindsheid drukte ik myn aandoeningen in verzen uit, en ook later schreef ik dagelyks neder wat er omging in myn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles eenige opstellen zyn, die waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist het moeielyke. Het publiek kent my niet, en de uitgevers beoordeelen de werken meer naar den gevestigden naam van den schryver, dan naar den inhoud_. Juist zooals wy de koffi naar de renommee van de merken. Wel zeker! Hoe anders? _Als ik dus mag aannemen dat myn werk niet geheel zonder verdienste is, zou dat toch eerst na de uitgave blyken, en de boekhandelaars vragen de betaling van drukloon, enz. vooruit_ ... Daar hebben ze groot gelyk in. ... _wat my op die oogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel overtuigd ben dat myn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop myn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting van voorgisteren_.... Dat noemt hy aanmoedigen! ... _tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor my by een boekhandelaar zoudt willen borg-staan voor de kosten eener eerste uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien dat ik veel gedacht, gewerkt en bygewoond heb_ ... Ik heb nooit gehoord dat hy zaken deed. ... _en als de gaaf van wel zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is het gewis niet door gebrek aan_ indrukken, _dat ik niet slagen zou_. _In afwachting van een vriendelyk antwoord, noem ik my uw ouden schoolmakker_ ... En zyn naam stond er onder. Maar dien verzwyg ik, omdat ik er niet van houd, iemand in opspraak te brengen. Waarde lezer, ge begrypt hoe gek ik stond te kyken, toen men my daar zoo op-eens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die Sjaalman--zoo zal ik hem maar blyven noemen--als de man me by-dag had gezien, zich met zulk een verzoek niet tot my zou gewend hebben. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avend, en ik trek het me dus niet aan. Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zyn adres niet, en hy liet niets van zich hooren. Ik dacht dat hy ziek was, of dood, of zoo-iets. De vorige week was er krans by de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits was voor het eerst meegegaan. Hy is zestien jaar, en ik vind het goed dat een jong mensch in de wereld komt. Anders loopt hy naar de Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en gezongen, en by 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de voorkamer scheen gebeurd te zyn, terwyl wy achter aan 't _gentsch whisten_ waren, iets waarin Frits betrokken scheen. "Ja, ja, Louise, riep Betsy Rosemeyer, geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan 't schreien gemaakt." Myn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar den krans. Ze dacht dat hy Louise geknepen had, of zoo-iets wat niet te-pas komt, en ook ik maakte my gereed er een hartig woordje bytevoegen, toen Louise riep: --Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hy 't nog-eens deed! Wat dan? Hy had haar niet geknepen, hy had gereciteerd, daar hebt ge 't. Natuurlyk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer--de Rosemeyers laten zich _mevrouw_ noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een schip hebben--mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien had gemaakt, ook ons vermaken zou, en vroeg een dacapo aan Frits, die zoo rood zag als een kalkoen. Ik begreep om de wereld niet, wat hy dan toch opgesneden had, want ik kende zyn repertoire op een haar. Dat was: de _godenbruiloft, de boeken van het Oude-Testament op rym, en een epizode uit de bruiloft van Kamacho_, dat de jongens altyd zoo aardig vinden, omdat er iets van een "brillekiek" in komt. Wat er onder dit alles wezen kon dat tranen uitlokte, was my een raadsel. 't Is waar, zoo'n meisje schreit gauw. "Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!" Zoo ging het, en Frits begon. Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze te-huis het pak van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een neuswysheid en een sentimentaliteit geput, die me later veel last in huis gehaald hebben. Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlyk verantwoorden, want ik hecht er aan, dat men my beschouwe als iemand die de waarheid lief heeft, en die goed voor zyn zaken is. Onze firma is _Last & Co, Makelaars in koffi, Lauriergracht, No 37_. Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan-een hing. Neen 't hing niet aan-een. Een jong mensch schreef aan zyn moeder, dat hy verliefd was geweest, en dat zyn meisje met een ander getrouwd was--waarin ze groot gelyk had, vind ik--dat hy echter, in weerwil hiervan, altyd veel van zyn moeder hield. Zyn deze laatste drie regels duidelyk of niet? Vindt ge dat er veel omslag noodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik, meende dat hy een groot stuk had uitgevoerd, dat hy 't ding in dat pak had gevonden van den man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heeren uit, hoe dat in myn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat Frits er by was, en ook zeide ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat ik heel goed had gehandeld, me van dien man aftehelpen. Straks zult ge zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer solieden aard, en daarvan komt een-en-ander in dit boek, omdat de _Koffiveilingen van de Handelmaatschappy_ er mee in verband staan. Want ik leef voor myn vak. Later vroeg my de uitgever of ik hier niet by voegen wilde, wat Frits gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud met zulke dingen.[4] Alles leugens en gekheid! Ik houd myn aanmerkingen terug, anders wordt myn boek te dik. Ik wil hier alleen byzeggen, dat die vertelling zoo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is, en dat dit een inferieur merk is. De koffi, meen ik. Moeder, 'k ben wel ver van 't land Waar me 't leven werd geschonken, Waar myn eerste tranen blonken, Waar ik opwies aan uw hand... Waar uw moedertrouw der ziel Van den knaap haar zorgen wydde, En hem liefdryk stond ter-zyde, En hem ophief als hy viel... Schynbaar scheurde 't lot de banden Die ons bonden, wreed van-een.. 'k Sta hier wel aan vreemde stranden Met myzelf en God, alleen... Maar toch, moeder, wat me griefde, Wat me vreugd gaf of verdriet, Moeder, twyfel aan de liefde, Aan het hart uws zoons toch niet! 't Is nog nauwlyks twee paar jaren Toen ik 't laatst op gindschen grond Zwygend aan den oever stond Om de toekomst in te staren... Toen ik 't schoone tot my riep Dat ik van de toekomst wachtte, En het heden stout verachtte, En my paradyzen schiep... Toen, door alle stoornis heen Die zich opdeed voor myn schreen, 't Hart zich koen een uitweg baande, En zich droomend zalig waande... Maar die tyd, sints 't laatst vaarwel Hoe gezwind ook ons onttogen, Onbevatbaar bliksemsnel, Als een schim voorbygevlogen... O, hy liet in 't voorwaarts gaan, Diepe, diepe sporen staan! 'k Proefde vreugde en smart met-een, 'k Heb gedacht en 'k heb gestreden, 'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden: 't Is me als vlogen eeuwen heen! 'k Heb naar levensheil gestreefd, 'k Heb gevonden en verloren, En, een kind nog kort te-voren, Jaren in een uur doorleefd! Maar toch, moeder! wil 't gelooven, By den Hemel die my ziet, Moeder! wil het toch gelooven, Neen, uw kind vergat u niet! 'k Minde een meisje. Heel myn leven Scheen my door die liefde schoon. 'k Zag in haar een eerekroon, Als een eindloon van myn streven, My door God ten doel gegeven. Zalig door den reinen schat Die Zyn zorg my toegewogen, Die Zyn gunst geschonken had, Dankte ik met een traan in de oogen. Liefde was met godsdienst een... En 't gemoed dat opgetogen, Dankend opsteeg tot den Hoogen, Dankte en bad voor haar alleen! Zorgen baarde my die liefde, Onrust kwelde my het hart, En ondraaglyk was de smart Die my 't week gemoed doorgriefde. 'k Heb slechts angst en leed gegaard, Waar ik 't hoogst genot verwachtte, En voor 't heil waarnaar ik trachtte, Was me gif en wee bewaard... 'k Vond genot in 't lydend zwygen! 'k Stond standvastig hopend daar, Onspoed deed den prys my stygen: 'k Droeg en leed zoo graag voor haar! 'k Telde ramp noch onspoedsslagen, Vreugde schiep ik in verdriet, Alles, alles wilde ik dragen... Roofde 't lot my haar slechts niet! En dat beeld, _my_ 't schoonste op aarde, Dat ik omdroeg in 't gemoed Als een onwaardeerbaar goed, En zoo trouw in 't hart bewaarde... _Vreemd_ was 't eenmaal aan myn zinnen! En al houdt die liefde stand Tot de laatste snik van 't leven Me in een beter vaderland Eind'lyk haar zal wedergeven... 'k Had _begonnen_ haar te minnen! Wat is min die eens _begon_, By de liefde _met_ het leven 't Kind door God in 't hart gedreven Toen het nog niet staam'len kon? Toen het aan de moederborst, Nauw den moederschoot onttogen, 't Eerste vocht vond voor den dorst, 't Eerste licht in moederoogen? Neen, geen band die vaster bindt, Vaster harten houdt omsloten, Dan de band, door God gesloten Tusschen 't moederhart en 't kind! En een hart, dat zoo zich hechtte Aan het schoon dat even blonk, Dat me niets dan doornen schonk, En geen enkel bloempje vlechtte... Zou datzelfde hart de trouw Van het moederhart vergeten? En de liefde van de vrouw Die myn eerste kinderkreten Opving in 't bezorgd gemoed? Die my, als ik weende, suste, Traantjes van de wangen kuste, Die my voedde met haar bloed? Moeder! wil het niet gelooven, By den hemel die my ziet, Moeder! wil het niet gelooven, Neen, uw kind vergat u niet! 'k Ben hier ver van wat het leven Ginds ons zoets en schoons kan geven En 't genot van de eerste jeugd, Vaak geroemd en hoog geprezen, Kan wel hier myn deel niet wezen: 't Eenzaam harte kent geen vreugd. Steil en doornig zyn myn paden, Onspoed drukt me diep ter-neer, En de last my opgeladen Knelt me, en doet het hart me zeer... Laat het slechts myn tranen tuigen, Als zoo menig moed'loos uur Me in den boezem der Natuur, 't Hoofd zoo treurig neer doet buigen... Vaak, als my de moed ontzonk, Is de zucht me schier ontvloden: "Vader! schenk me by de dooden, "Wat het leven my niet schonk! "Vader! geef me aan gene zyde, "Als de mond des doods my kust, "Vader! geef me aan gene zyde "Wat ik hier niet smaakte... _Rust_!" Maar, bestervend op myn lippen, Steeg de bee niet tot den Heer... 'k Boog wel bei myn knieen neer, 'k Voelde wel een zucht me ontglippen, Maar het was: "_nog niet, o Heer! "Geef my eerst myn moeder weer!_" VIERDE HOOFDSTUK Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy _schwaermt_. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in den hollandschen styl. Ik ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor den jongen Stern, meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevischt. Een fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik_! Den dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en zedelykheid. Welnu, den vorigen avend, juist toen ik myn eerste peer had geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben, die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat fraaie stuk van den laatsten avend voorleggen, en ik vond heel spoedig den regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt--dit kan er door--maar: "dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit vond ik niet goed--om daarover te _spreken_, meen ik--en myn vrouw ook niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan huis niet gesproken, ook niet van den _Volewyk_, maar zoo de zaken by den naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zoo op zedelykheid gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal "uitwendig wist" zooals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou --althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen jonge meisjes komen--en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie, daar viel myn oog op een bundel: "_Verslag over de Koffikultuur in de Residentie Menado_." Myn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffi ben--_Lauriergracht, No 37_--en _Menado_ is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke onzedelyke verzen maakte, had ook in koffi gewerkt. Ik zag nu 't pak met een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle begreep, maar die werkelyk kennis van zaken aantoonden. Er waren staten, opgaven, berekeningen met cyfers, waaraan geen rym te bekennen was, en alles was met zulk een zorg en nauwkeurigheid bewerkt, dat ik, ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--op het denkbeeld kwam dat die Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel--wat gebeuren kan, daar hy oud en stuntelig wordt--heel goed diens plaats zou kunnen innemen. Het spreekt vanzelf dat ik eerst informatien nemen zou naar eerlykheid, geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor ik daarvan zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gy hebt het gezien uit myn brief aan Ludwig Stern. Ik wilde voor Frits niet weten dat ik eenig belang begon te stellen in den inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd my inderdaad duizelig, toen ik zoo den eenen bundel voor, den anderen na, opnam, en de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder, maar ik vond veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verscheidenheid der behandelde onderwerpen. Ik erken--want ik houd van de waarheid--dat ik, die altyd in koffi gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles te beoordeelen, maar, ook zonder deze beoordeeling, de lyst der opschriften alleen was reeds kurieus. Daar ik u de geschiedenis van den Griek verteld heb, weet ge reeds dat ik in myn jeugd eenigszins ben gelatinizeerd geworden, en hoezeer ik my in korrespondentie onthoud van alle citaten --wat op een makelaars kantoor ook niet te-pas komen zou--dacht ik echter by het zien van dat alles: _multa, non multum_. Of: _de omnibus aliquid, de toto nihil_. Maar dit was eigenlyk meer uit een soort van wrevel, en uit zekeren aandrang om de geleerdheid die voor my lag, in 't latyn aantespreken, dan wel omdat ik het precies meende. Want, waar ik 't een of ander stuk wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een groote soliditeit in zyn redeneeringen aan den dag legde. Ik vond daar verhandelingen en opstellen: _Over het_ SANSKRIT, _als moeder van de germaansche taaltakken_. _Over de strafbepalingen op kindermoord_. _Over den oorsprong van den adel_. _Over het verschil tusschen de begrippen_: ONEINDIGE TYD _en_: EEUWIGHEID. _Over de kansrekening_. _Over het boek van_ JOB. (Ik vond nog iets over _Job_, maar dat waren verzen.) _Over proteine in de athmospherische lucht_. _Over de staatkunde van Rusland_. _Over de klinkletters_. _Over cellulaire gevangenissen_. _Over de oude stellingen omtrent het_: HORROR VACUI. _Over de wenschelykheid der afschaffing van strafbepalingen op laster_. _Over de oorzaken van den opstand der Nederlanders tegen Spanje_, NIET _liggende in de begeerte naar godsdienstige of staatkundige vryheid_. _Over het_ PERPETUUM MOBILE, _de cirkelkwadratuur en den wortel van wortellooze getallen_. _Over de zwaarte van het licht_. _Over den achteruitgang der beschaving sedert het ontstaan des Christendoms_. (He?) _Over de yslandsche Mythologie_. _Over den_ EMILE _van_ ROUSSEAU. _Over de Civiele Rechtsvordering, in zaken van koophandel_. _Over_ SIRIUS _als middelpunt van een zonnestelsel_. _Over Inkomende-Rechten als ondoeltreffend, onkiesch, onrechtvaardig, en onzedelyk_. (Daarvan had ik nooit iets gehoord.) _Over verzen als oudste taal_. (Dat geloof ik niet.) _Over witte mieren_. _Over het tegennatuurlyke van School-Inrichtingen_. _Over de prostitutie in het huwelyk_. (Dat is een schandelyk stuk.) _Over hydraulische onderwerpen in verband met de rystkultuur_. _Over het schynbaar overwicht der westersche beschaving_. _Over kadaster, registratie en zegel_. _Over kinderboekjes, fabels en sprookjes_. (Dit wil ik wel eens lezen, omdat hy op waarheid aandringt.) _Over bemiddeling, in den handel_. (Dit bevalt me volstrekt niet. Ik geloof dat hy de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch ter-zyde gelegd, omdat er een-en-ander in voorkomt, dat ik gebruiken kan voor myn boek.) _Over successierecht, een der beste belastingen_. _Over de uitvinding der kuisheid_. (Dit begryp ik niet.) _Over vermenigvuldiging_. (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er staat veel in dit stuk, waaraan ik vroeger niet gedacht had.) _Over zeker soort van geest der Franschen, een gevolg der armoede van hun taal_. (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede ... hy kan het weten.) _Over het verband tusschen de romans_ van AUGUST LAFONTAINE _en de tering_. (Dit wil ik eens lezen, omdat er van dien _Lafontaine_ boeken op zolder liggen. Maar hy zegt, dat de invloed zich eerst openbaart in het tweede geslacht. Myn grootvader las niet.) _Over de macht der Engelschen buiten Europa_. _Over het Godsgericht in de middeleeuwen, en thans_. _Over de rekenkunde by de Romeinen_. _Over armoede aan poezie by toonzetters_. _Over pietistery, biologie en tafeldans_. _Over besmettelyke ziekten_. _Over den moorschen bouwtrant_. _Over de kracht der vooroordeelen, blijkbaar uit ziekten die door tocht veroorzaakt heeten te zyn_. (Heb ik het niet gezegd, dat de lyst kurieus was?) _Over de duitsche eenheid_. _Over de lengte op zee_. (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal wezen als op 't land.) _Over de plichten van de Regeering omtrent publieke vermakelijkheden_. _Over de overeenstemming tusschen de schotsche en friesche talen_. _Over prozodie_. _Over de schoonheid der vrouwen te Nimes en te Arles, met een onderzoek naar het stelsel van kolonisatie der Phoeniciers_. _Over landbouwkontrakten op Java_. _Over het zuigvermogen van een nieuw-modelpomp_. _Over legitimiteit van dynastien_. _Over de volksletterkunde in Javaansche rhapsoden_. _Over de nieuwe wyze van reven_. _Over de perkussie, toegepast op handgranaten_. (Dit stuk dateert van 1847, dus van voor Orsini.) _Over het begrip van eer_. _Over de apokriefe boeken_. _Over de wetten van_ SOLON, LYKURGUS, ZOROASTER _en_ CONFUCIUS. _Over de ouderlyke macht_. _Over_ SHAKESPEARE _als geschiedschryver_. _Over de slaverny in Europa_. (Wat hy hiermee bedoelt, begryp ik niet. Nu, zoo is er meer!) _Over schroefwatermolens_. _Over het souverein recht van gratie_. _Over de chemische bestanddeelen der ceylonsche kaneel_. _Over de tucht op koopvaardyschepen_. _Over de opiumpacht op Java_. _Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif_. _Over het doorgraven der landengten van Suez, en de gevolgen daarvan_. _Over de betaling, van landrenten in natura_. _Over de koffikultuur te Menado_. (Dit heb ik al genoemd.) _Over de scheuring van het romeinsche ryk_. _Over de_ GEMUeTHLICHKEIT _der Duitschers_. _Over de skandinavische_ EDDA. _Over den plicht van Frankryk, om in den indischen Archipel zich een tegenwicht tegen Engeland te verschaffen_. (Dit was in 't fransch, ik weet niet waarom?) _Over het azyn maken_. _Over de vereering van_ SCHILLER _en_ GOeTHE _in den duitschen middenstand_. _Over de aanspraken van den mensch op geluk_. _Over het recht van opstand by onderdrukking_. (Dit was in 't javaansch. Ik ben dien titel eerst later te weten gekomen.) _Over ministerieele verantwoordelykheid_. _Over eenige punten in de krimineele rechtsvordering_. _Over het recht van een volk, te eischen dat de opgebrachte belasting ten-zynen-behoeve worde aangewend_. (Dat was weer in 't javaansch.) _Over de dubbele_ A _en de grieksche_ ETA. _Over het bestaan van een onpersoonlyken God in de harten der menschen_. (Een infame leugen!) _Over den styl_. _Over een konstitutie voor het Ryk INSULINDE_. (Ik heb nooit van dat Ryk gehoord.) _Over het gebrek aan ephelkustiek in onze taalregels_. _Over pedanterie_. (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken geschreven is.) _Over de verplichting van Europa aan de Portugezen_. _Over boschgeluiden_. _Over brandbaarheid van water_. (Ik denk dat hy sterk water bedoelt.) _Over de melkzee_. (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schynt iets in de nabyheid van Banda te zyn.) _Over zieners en profeten_. _Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week yzer_. _Over ebbe en vloed der beschaving_. _Over epidemisch bederf in staathuishoudingen_. _Over bevoorrechte Handelmaatschappyen_. (Hierin komt een-en-ander voor, dat ik noodig heb voor myn boek.) _Over etymologie als hulpbron by ethnologische studien_. _Over de vogelnestklippen aan de javasche Zuidkust_. _Over de plaats waar de dag aanvangt_. (Dit begryp ik niet.) _Over persoonlyke begrippen als maatstaf der verantwoordelykheid in de zedelyke wereld_. (Bespottelyk! Hy zegt dat ieder zyn eigen rechter moet wezen. Waar zou dat heen?) _Over galanterie_. _Over den versbouw der Hebreen_. _Over de_ CENTURY OF INVENTIONS _van den Markies van Worcester_. _Over de niet-etende bevolking van het eiland Rotti by Timor_. (Het moet daar goedkoop leven zyn.) _Over het menschen-eten der Battah's, en het koppensnellen der Alfoeren_. _Over het wantrouwen op de publieke zedelykheid_. (Hy wil, geloof ik, de slotenmakers afschaffen. Ik ben er tegen.) _Over_ "het recht" _en de_ "rechten." _Over_ BERANGER _als wysgeer_. (Dit begryp ik weer niet) _Over den afkeer der Maleiers van den Javaan_. _Over de onwaarde van het onderwys op de zoogenaamde hoogescholen_. _Over den liefdeloozen geest onzer voorouders, blykbaar uit hun begrippen omtrent God_. (Alweer een goddeloos stuk!) _Over den samenhang der zintuigen_. ('t Is waar, toen ik hem zag, rook ik rozenolie.) _Over den puntwortel van den koffiboom_. (Dit heb ik ter-zy gelegd voor myn boek.) _Over gevoel, gevoeligheid_, SENSIBLERIE, EMPFINDELEI, _enz_. _Over het verwarren van Mythologie en Godsdienst_. _Over de saguweer in de Molukken_. _Over de toekomst van den nederlandschen handel_. (Dit is eigenlyk 't stuk dat me bewogen heeft, myn boek te schryven. Hy zegt dat er niet altyd zulke groote koffiveilingen zullen gehouden worden, en ik leef voor myn vak.) _Over Genesis_. (Een infaam stuk!) _Over de geheime genootschappen der Chinezen_. _Over het teekenen als natuurlyk schrift_. (Hy zegt dat een pasgeboren kind teekenen kan!) _Over waarheid in poezie_. (Wel zeker!) _Over de impopulariteit der ryst pelmolens op Java_. _Over het verband tusschen Poezie en mathematische wetenschappen_. _Over de Wajangs der Chinezen_. _Over den prys van de Java-koffi_. (Dit heb ik ter-zy gelegd.) _Over een europeesch muntstelsel_. _Over besproejing van gemeene velden_. _Over den invloed van de vermenging, van rassen op den geest_. _Over evenwicht in den handel_. (Hy spreekt daarin van wisselagio. Ik heb het ter-zy gelegd voor myn boek.) _Over het standhouden van aziatische gewoonten_ (Hy beweert dat _Jezus_ een tulband droeg.) _Over de denkbeelden van_ MALTHUS _omtrent het cyfer der bevolking, in verband met de onderhoudsmiddelen_. _Over de oorspronkelyke bevolking van Amerika_. _Over de havenhoofden te Batavia, Samarang en Soerabaja_. _Over bouwkunde, als uitdrukking van denkbeelden_. _Over de verhouding der europesche ambtenaren tot de Regenten op Java_. (Hiervan komt een-en-ander in myn boek.) _Over het wonen in kelders, te Amsterdam_. _Over de kracht der dwaling_. _Over de werkeloosheid van een Opperwezen, by volmaakte natuurwetten_. _Over het zoutmonopolie op Java_. _Over de wormen in den sagopalm_. (Die worden, zegt hy, gegeten ... bah!) _Over de Spreuken, den Prediker, het Hooglied, en de_ PANTOENS _der Javanen_. _Over het_ JUS PRIMI OCCUPANTIS. _Over de armoede der schilderkunst_. _Over de onzedelykheid van het hengelen_. (Wie heeft ooit daarvan gehoord?) _Over de misdaden der Europeers buiten Europa_. _Over de wapenen der zwakkere diersoorten_. _Over het_ JUS TALIONIS. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een gedicht voor, dat ik zeker allerschandelykst zou gevonden hebben, als ik 't uitgelezen had.)[5] En dit was nog niet alles! Ik vond, om van de verzen niet te spreken--er waren er in velerlei talen--een aantal bundeltjes waaraan het opschrift ontbrak, romancen in het maleisch[6] krygszangen in het javaansch, en wat niet al! Ook vond ik brieven, waarvan velen in talen die ik niet verstond. Sommigen waren aan hem geschreven, of liever het waren slechts afschriften, doch hy scheen daarmee zeker plan te hebben, want alles was door andere personen geteekend voor: _gelykluidend met het oorspronkelyke_. [7] Dan vond ik nog uittreksels uit dagboeken, aanteekeningen en losse gedachten ... sommigen werkelyk heel los. Ik had, zooals ik reeds zeide, eenige stukken ter-zy gelegd, omdat ze my toeschenen in myn vak te-pas te komen, en voor myn vak leef ik. Maar ik moet erkennen dat ik met de rest verlegen was. Hem het pak terugzenden, kon ik niet, want ik wist niet waar hy woonde. Het was nu eenmaal open. Ik kon niet loochenen dat ik 't had ingezien, en dit zou ik ook niet gedaan hebben, omdat ik zoo van de waarheid houd. Ook gelukte 't me niet het weer zoo te sluiten dat er van 't openen niets blyken kon. Bovendien mag ik niet ontveinzen dat eenige stukken die over koffi handelden, my belang inboezemden, en dat ik gaarne daarvan gebruik maken zou. Ik las dagelyks hier-en-daar eenige bladzyden, en ik kwam hoe langer hoe meer--Frits zegt: "_hoe langs zoo meer_" maar dit doe ik niet--_hoe_ meer, zeg ik, tot de overtuiging dat men makelaar in koffi moet wezen, om zoo juist te weten te komen wat er in de wereld omgaat. Ik ben overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit zoo-iets onder de oogen hebben gehad. Nu vreesde ik dat die Sjaalman op-eens weer voor me zou staan, en dat hy me weer iets te zeggen hebben zou. Het begon me nu te spyten dat ik dien avend de Kapelsteeg was ingegaan, en ik zag in, dat men nooit den fatsoenlyken weg verlaten moet. Natuurlyk had hy my om geld gevraagd, en van zyn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven, en als hy my dan den volgenden dag die massa schryvery had toegezonden, ware het myn wettig eigendom geweest.[8] Ik zou dan de tarwe hebben kunnen scheiden van het kaf, ik had er de nummers uitgehouden, die ik noodig had voor myn boek, en de rest verbrand, of in de papiermand geworpen, hetgeen ik nu niet doen kon. Want als hy terugkwam, zou ik het moeten leveren, en hy, ziende dat ik belang stelde in een paar stukken van zyn hand, zou zeker te veel daarvoor vorderen. Niets geeft den verkooper meer overwicht, dan de ontdekking dat de kooper om zyn waar verlegen is. Zulk een pozitie wordt dan ook door een koopman die zyn vak verstaat, zooveel mogelyk vermeden. Een ander denkbeeld--ik sprak er reeds van--dat bewyzen moge hoe ontvankelyk het bezoeken van de beurs iemand laten kan voor menschlievende indrukken, was dit. Bastiaans--dit is de derde bediende die zoo oud en stuntelig wordt--was den laatsten tyd, van de dertig dagen zeker geen vyf-en-twintig binnen geweest, en als hy aan 't kantoor komt, doet hy nog dikwyls zyn werk slecht. Als eerlyk man ben ik tegenover de firma--_Last & Co_, sedert de Meyers er uit zyn--verplicht te zorgen dat ieder zyn werk doe, en ik mag niet uit verkeerd begrepen medelyden of overgevoeligheid, het geld van de firma wegwerpen. Zoo is myn principe. Ik geef liever dien Bastiaans uit myn eigen zak een driegulden, dan dat ik voortga hem de zevenhonderd gulden 's jaars uittebetalen die hy niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man sedert vier-en-dertig jaren, aan inkomen--zoo van _Last & Co_, als vroeger van _Last & Meyer_, maar de Meyers zyn er uit--de som van byna vyftien duizend gulden genoten heeft, en dit is voor een burgerman een aardig sommetje. Er zyn er weinig in dien stand, die zooveel bezitten. Recht tot klagen heeft hy dus niet. Ik ben op deze berekening gekomen door dat stuk van Sjaalman over de multiplikatie. Die Sjaalman schryft een goede hand, dacht ik. Bovendien, hy zag er armoedig uit, en wist niet hoe laat het was ... hoe zou 't wezen, dacht ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem in dat geval zeggen dat hy my "m'nheer" moest noemen, maar dit zou hyzelf wel begrypen, want een bediende kan toch zyn patroon niet by den naam aanspreken, en hy ware misschien voor zyn leven geholpen. Hy zou kunnen beginnen met vier- of vyfhonderd gulden--onze Bastiaans heeft ook lang gewerkt voor hy tot zevenhonderd opklom--en ik had een goede daad gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hy wel kunnen beginnen, want daar hy nooit in zaken geweest is, zou hy de eerste jaren als leertyd kunnen beschouwen, wat dan ook billyk is, want hy kan zich niet gelyk-stellen met menschen die veel gewerkt hebben. Ik ben zeker dat hy met tweehonderd gulden tevreden zou zyn. Maar ik was niet gerust over zyn gedrag ... hy had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hy woonde. Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een boekverkooping geweest in _het Wapen van Bern_.[9] Ik had Frits verboden iets te koopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met eenige prullen t'huis. Dit is zyn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hy Sjaalman gezien had, die by de verkooping geemploieerd scheen. Hy had de boeken uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven naar den afslager. Frits zei dat hy zeer bleek zag, en dat een heer die daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hy een paar jaargangen van de _Aglaia_ had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig vind, want dit is een allerliefste verzameling van dames handwerken. Marie heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit ... uit de _Aglaia_ meen ik. Maar onder dat kyven had Frits gehoord dat hy vyftien stuivers daags verdiende. "Denk je dat ik van plan ben vyftien stuivers daags aan jou weg te gooien?" had die heer gezegd. Ik rekende uit, dat vyftien stuivers daags--ik denk dat de zon-en feestdagen niet meetellen, anders had hy een maand of jaargeld genoemd--tweehonderd vyf-en-twintig gulden 's jaars uitmaken. Ik ben snel in myn besluiten--als men zoo lang in zaken is, weet men altyd terstond wat men te doen heeft--en den volgenden morgen vroeg was ik by Gaafzuiger. Zoo heet de boekhandelaar die de verkooping gehouden had. Ik vroeg naar den man die de _Aglaia_ had laten vallen. --Die heeft zyn conge, zei Gaafzuiger. Hy was lui, pedant en ziekelyk. Ik kocht een doosjen ouwels, en besloot terstond het met onzen Bastiaans nog wat aantezien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man zoo op-straat te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zachtmoedig, is altyd myn principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te vernemen wat te-pas kan komen in de zaken, en daarom vroeg ik aan Gaafzuiger waar die Sjaalman woonde? Hy gaf my 't adres, en ik schreef het op. Ik peinsde gedurig over myn boek, maar daar ik van waarheid houd, moet ik ronduit zeggen dat ik niet wist, hoe ik 't daarmee zou aanleggen. Een ding staat vast: de bouwstoffen die ik in Sjaalman's pak gevonden had, waren belangryk voor de makelaars in koffi. De vraag was maar, hoe ik handelen moest om die bouwstoffen behoorlyk te schiften en by-een te brengen. Ieder makelaar weet van hoeveel gewicht een goede sorteering der kavelingen is. Maar ... schryven--buiten de korrespondentie met de principalen--ligt zoo niet in myn kring, en toch voelde ik dat ik schryven moest, omdat misschien de toekomst van 't vak er van afhangt. De inlichtingen die ik in de bundels van Sjaalman vond, zyn niet van dien aard, dat _Last & Co_ het nut daarvan voor zich alleen kunnen houden. Als dit zoo ware, begrypt ieder dat ik niet de moeite zou nemen een boek te laten drukken dat Busselinck & Waterman ook te lezen krygen, want wie een konkurrent op den weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Neen, ik zag in dat er een gevaar dreigt, dat de heele koffimarkt bederven zou, een gevaar dat alleen door de vereende krachten van alle makelaars kan worden afgeweerd, en zelfs is 't mogelyk dat deze krachten daartoe niet eens voldoende zyn, en dat ook de suikerraffinadeurs--Frits zegt: _raffineurs_, maar ik schryf _nadeurs_. Dit doen de Rosemeyers ook, en die _doen_ in suiker. Ik weet wel dat men zegt: _geraffineerde_ schelm, en niet: _geraffinadeerde_ schelm, maar dit is omdat ieder die met schelmen te doen heeft, zich zoo kort mogelyk van de zaak afhelpt--dat ook de raffinadeurs dan, en de handelaren in indigo er by noodig zullen wezen. Als ik zoo al schryvende nadenk, komt het me voor, dat zelfs de scheepsreederyen er eenigszins in betrokken zyn, en de koopvaardyvloot ... zeker, dit is waar! En de zeilenmakers ook, en de minister van finantien, en de armbesturen, en de andere ministers, en de pasteibakkers, en de galanteriekramers, en de vrouwen, en de scheepsbouwmeesters, en de groothandelaars, en die in 't klein verkoopen, en de huisbewaarders, en de tuinlui. En--zonderling toch, hoe de gedachten onder 't schryven in iemand opkomen --myn boek gaat ook de molenaars aan, en de dominees, en hen die Holloway- pillen verkoopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers, en de menschen die van staatsschuld leven, en de pompenmakers, en de touwslagers, en de wevers, en de slachters, en de klerken op een makelaarskantoor, en de aandeelhouders van de Nederlandsche Handelmaatschappy, en eigenlyk, wel beschouwd, alle anderen ook. En den koning ook ... ja, den Koning vooral! Myn boek _moet_ de wereld in. Hiertegen is niets te doen! Laat dan Busselinck & Waterman het ook te lezen krygen ... afgunst is myn zaak niet. Maar knoeiers en onderkruipers zyn ze, dit zeg _ik_! Ik heb 't vandaag nog aan den jongen Stern gezegd, toen ik hem in _Artis_ introduceerde. Hy mag 't gerust schryven aan zyn vader. Zoo zat ik dan voor een paar dagen nog vreeselyk in den brand met myn boek, en zie, Frits heeft my op den weg geholpen. Ik heb dit hemzelf niet gezegd, omdat ik niet goed vind, iemand te laten merken dat men verplichting aan hem heeft--dit is een principe van me--maar waar is het. Hy zei dat Stern zoo'n knappe jongen was, dat hy zulke snelle vorderingen in de taal maakte, en dat hy duitsche verzen van Sjaalman in 't hollandsch vertaald had. Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn huis: de _Hollander_ had in 't duitsch geschreven, en de _Duitscher_ vertaalde in 't hollandsch. Als ieder zich by zyn eigen taal had gehouden, zou er moeite gespaard zyn. Maar, dacht ik, als ik myn boek door dien Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf ikzelf van-tyd tot-tyd een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hy heeft een lystje van woorden die met twee _e_'s geschreven worden, en Marie kan alles in 't net schryven. Dit is met-een voor den lezer een waarborg tegen alle onzedelykheid. Want dit begrypt ge toch, dat een fatsoenlyk makelaar aan zyn dochter niets in handen geven zal, wat niet strookt met zeden en fatsoen. Ik heb toen de beide jongens over myn plan gesproken, en ze vonden het goed. Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich heeft--zooals veel Duitschers--stem te willen hebben in de wyze van uitvoering. Dit beviel me nu wel niet zeer, maar omdat de voorjaarsveiling op-hand is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders heb, wilde ik hem niet te sterk kontrarieeren. Hy zei dat: "als de borst hem gloeide van gevoel voor het ware en schoone, geen macht ter-wereld hem beletten kon de tonen aanteslaan, die met zulk een gevoel overeenstemmen, en dat hy veel liever zweeg, dan zyn woorden omklemd te zien door de onteerende kluisters der alledaagsheid."--Frits zegt: _scheid_, maar dit doe ik niet. 't Woord is lang genoeg zoo.--Ik vond dit nu wel heel gek van Stern, maar myn vak gaat me voor alles, en de Oude is een goed huis. We stelden dus vast: 1e Dat hy alle weken een paar hoofdstukken zou leveren voor myn boek. 2e Dat ik in zyn geschryf niets zou veranderen. 3e Dat Frits de taalfouten verbeteren zou. 4e Dat ik nu-en-dan een hoofdstuk schryven zou, om aan 't boek een soliede voorkomen te geven. 5e Dat de titel zou wezen: _de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy_. 6e Dat Marie het net afschrift zou maken voor den druk, maar dat men geduld met haar hebben zou, als de wasch kwam. 7e Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op den krans zouden worden voorgelezen. 8e Dat alle onzedelykheid zou worden vermeden. 9e Dat myn naam niet op den titel zou staan, omdat ik makelaar ben. 10e Dat Stern een _duitsche_, een _fransche_, en een _engelsche_ vertaling van myn boek zou mogen uitgeven, omdat--zoo beweerde hy--zulke werken beter in 't buitenland worden begrepen dan by ons. 11e (_Hierop drong, Stern zeer sterk aan_) Dat ik Sjaalman een riem papier, een gros pennen, en een kruikjen inkt zenden zou. Ik nam met alles genoegen, want er was groote haast by myn boek. Stern had den volgenden dag zyn eerste hoofdstuk gereed, en ziedaar, lezer, de vraag beantwoord, hoe 't komt dat een makelaar in koffi--_Last & Co, Lauriergracht No 37_--een boek schryft, dat op een roman gelykt. Nauwelyks echter was Stern aan zyn werk begonnen, of hy stuitte op moeielykheden. Buiten de zwarigheid om uit zooveel bouwstoffen het noodige uittezoeken en te rangschikken, kwamen er gedurig in de handschriften woorden en uitdrukkingen voor, die hy niet begreep, en die ook mij vreemd waren. Het was meestal javaansch of maleisch. Ook waren hier-en-daar verkortingen aangebracht, die moeielyk te ontcyferen waren. Ik zag in, dat we Sjaalman noodig hadden, en daar ik het voor een jong mensch niet goed vind, dat hy verkeerde konnexien aanknoopt, wilde ik noch Stern noch Frits daarheen zenden. Ik nam suikergoed mee, dat overgebleven was van den laatsten krans-avend--want ik denk altyd aan alles--en ik zocht hem op. Schitterend was zyn verblyf niet, maar de gelykheid voor alle menschen, dus ook wat hun woningen aangaat, is een hersenschim. Hyzelf had dit gezegd in zyn verhandeling over de aanspraken op geluk. Bovendien, ik houd niet van menschen die altyd ontevreden zyn. Het was in de Lange-leidsche-dwarsstraat, op een achterkamer. In 't onderhuis woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht, kopjes, schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en zoo al meer. Ik was zeer bang iets te breken, want in zoo'n geval vorderen de menschen altyd meer geld voor de zaken, dan ze waard zyn. Een klein meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of m'nheer Sjaalman daar woonde? Ze liep weg, en de moeder kwam. --Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 'et eerste pertaal, en dan de trap na 'et tweede pertaal, en dan nog 'en trap, en dan is uwee-d-er, want uwe komt er vanzelf. Myntje, ga 'es eefe segge datter 'en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer? Ik zei dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, van de Lauriergracht, maar dat ik mezelf wel zou aandienen. Ik klom zoo hoog als gezegd was, en hoorde in het derde portaal een kinderstem zingen: _strakjes komt vader, die zoete papa_. Ik klopte, en de deur werd geopend door een vrouw of dame--ik weet zelf niet recht wat ik van haar maken moest. Ze zag zeer bleek. Haar trekken droegen sporen van vermoeidheid, en deden me denken aan myn vrouw als de wasch beredderd is. Ze was gekleed in een wit lang hemd, of jak zonder schoot, dat haar tot de knieen hing, en aan de voorzyde met een zwart speldje was vastgemaakt. In plaats van een behoorlyke japon of rok, droeg ze daaronder een stuk donker gebloemd lynwaad, dat eenige malen om het lyf gewikkeld scheen, en hare heupen en knieen vry nauw omsloot. Er was geen spoor van plooien, wydte of omvang, zooals dit by een vrouw toch behoort. Ik was bly dat ik Frits niet gezonden had, want haar kleeding kwam me zeer onkiesch voor, en het vreemde daarvan werd nog verhoogd door de losheid waarmee ze zich bewoog, als vond ze zich heel goed zoo. Het mensch scheen volstrekt niet te weten dat ze er niet uitzag als andere vrouwen. Ook kwam het me voor, dat ze volstrekt niet verlegen was over myn komst. Ze verborg niets onder de tafel, verschoof de stoelen niet, en deed niets van wat toch het gebruik is, als er een vreemdeling komt van een deftig voorkomen. Ze had, als een Chinesche, de haren achterover gekamd, en die achter het hoofd in een soort van strik of knoop saamgebonden. Later heb ik vernomen dat haar kleeding een soort van _indische dracht_ is, die ze daar-te-lande _sarong_ en _kabaai_ noemen, maar ik vond het heel leelyk. --Is u juffrouw Sjaalman? vroeg ik. --Wien heb ik de eer te spreken? zeide zy, en wel op een toon waarin iets lag, alsof ook ik wat _eer_ had moeten brengen in myn vraag. Nu, van komplimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders, en ik ben te lang by de zaken, om myn wereld niet te kennen. Maar om daar veel omslag te verkoopen op een derde verdieping, vond ik niet noodig. Ik zei dus kort-af, dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, _Lauriergracht, No 37_, en dat ik haar man spreken wilde. Wel ja, waarom zou ik omslag maken? Ze wees my een matten stoeltjen aan, en nam een klein meisje op den schoot, dat op den grond zat te spelen. De kleine jongen dien ik had hooren zingen, zag me strak aan, en bekeek me van 't hoofd tot de voeten. Die scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van een jaar of zes, ook al vreemd gekleed. Zyn wyd broekje reikte ter-nauwernood tot de helft van de dy, en de beentjes waren bloot van daar tot aan den enkel. Heel indecent, vind ik. "Kom je om papa te spreken?" vroeg hy op-eens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van dat knaapje veel te wenschen overliet, anders had hy: "komt u" gezegd. Maar omdat ik met myn houding verlegen was, en wel wat praten wilde, antwoordde ik: --Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hy spoedig komen, denk je? --Dat weet ik niet. Hy is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te koopen. (Frits zegt: _verwdoos_, maar dit doe ik niet. _Verf_ is _verf_, en geen _verw_.) --Stil, myn jongen, zei de vrouw. Speel wat met je prenten of met de chinesche speeldoos. --Je weet immers dat die m'nheer gister alles heeft meegenomen. Ook zyn moeder noemde hy: _je_, en er scheen een "heer" geweest te zijn, die alles "meegenomen had" ... een vroolyk bezoek! De vrouw scheen ook niet opgeruimd, want ter-sluik wischte zy haar oog af, terwyl zy 't kleine meisje by haar broertje bracht. "Daar, zeide zy, speel wat met Nonni." Een rare naam. En dit deed hy. --Wel juffrouw, vroeg ik, verwacht u spoedig uw man? --Ik kan 't niet bepalen, antwoordde zy. Daar liet op-eens de kleine jongen, die met zyn zusje _schuitjevaren_ gespeeld had, deze in den steek, en vroeg my: --M'nheer, waarom zeg je tegen mama: _juffrouw_? --Hoe dan, kereltje, zei ik, wat moet ik dan zeggen? --Wel ... zooals andere menschen! De _juffrouw_ is beneden. Ze verkoopt schotels en priktollen. Nu ben ik makelaar in koffi--_Last & Co, Lauriergracht, No 37_--we zyn met ons dertienen op 't kantoor, en als ik Stern meereken, die geen salaris ontvangt, zyn er veertien. Welnu, _myn_ vrouw is: _juffrouw_, en moest ik nu tegen dat mensch: _mevrouw_ zeggen? Dit ging toch niet! Ieder moet in zyn stand blyven, en wat meer is, gister hadden de deurwaarders den boel weggehaald. Ik vond myn: _juffrouw_ dus wel, en bleef er by. Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet by my had aangemeld om zyn pak terug te halen? Ze scheen er van te weten, en zei, dat zy op-reis waren geweest, en wel naar Brussel. Dat hy daar voor de _Independance_ gewerkt had, maar dat hy er niet had kunnen blyven, omdat zyn artikels oorzaak waren dat het blad aan de fransche grenzen zoo dikwyls werd afgewezen. Dat ze sedert eenige dagen in Amsterdam teruggekeerd waren, omdat Sjaalman hier een betrekking zou krygen ... --Zeker by Gaafzuiger? vroeg ik. Ja, dat was het! Maar dit was tegengeloopen, zeide zy. Nu, hiervan wist ik meer dan zyzelf. Hy had de _Aglaia_ laten vallen, en was lui, pedant en ziekelyk ... precies, daarom was hy weggejaagd. --En, ging ze voort, dat hy zeker dezer dagen by my komen zou, en misschien wel juist naar my toe was, om antwoord te vragen op 't verzoek dat hy my gedaan had. Ik zei dat Sjaalman maar eens komen zou, maar dat hy niet moest schellen, want dit is zoo lastig voor de meid. Als hy wat wachtte, zei ik, zou de deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging ik heen, en nam myn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het beviel me daar niet. Ik voelde me niet op myn gemak. Een makelaar is toch geen kruier, dunkt me, en ik beweer dat ik er fatsoenlyk uitzie. Ik had mijn jas met bont aan, en toch zat ze daar zoo eenvoudig, en praatte zoo kalm met haar kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien ze scheen geschreid te hebben, en ontevreden menschen kan ik niet verdragen. Ook was 't er koud en ongezellig --zeker omdat de boel weggehaald was--en ik houd veel van gezelligheid in een kamer. Onder het naar-huis gaan besloot ik het met Bastiaans nog eens aantezien, omdat ik niet gaarne iemand op-straat zet. Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in voorkomt, dat my niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel _twee_, en de Rosemeyers hebben 't goed gevonden. Ik geloof, dat ze Stern in de hoogte steken, omdat hy een oom heeft te Hamburg die in suiker doet. Sjaalman was er inderdaad geweest. Hy had Stern gesproken, en aan dezen eenige woorden en zaken uitgelegd, die hy niet begreep. Die Stern niet begreep, meen ik. Ik verzoek nu den lezer de volgende hoofdstukken doortebyten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer solieden aard, van _my_, Batavus Droogstoppel, makelaar in koffi: _Last & Co, Lauriergracht, No 37_. VYFDE HOOFDSTUK Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op den grooten weg die de afdeeling _Pandeglang_ verbindt met _Lebak_[10] "Groote weg" is misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid en by-gebrek aan beter, de "weg" noemde. Maar als men met een vierspannig rytuig vertrok van _Serang_, de hoofdplaats der residentie _Bantam_, met het voornemen zich te begeven naar _Rangkas-Betoeng_, de nieuwe hoofdplaats van 't _Lebaksche_, kon men nagenoeg zeker zyn, te-eeniger-tyd daar aantekomen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in den modder, die in de _Bantamsche_ laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was men telkens genoodzaakt de hulp interoepen van de bewoners der naastby gelegen dorpen--ook al waren ze niet zeer naby, want de dorpen zyn niet menigvuldig in die streken--maar als men er dan eindelyk in geslaagd was, een twintigtal landbouwers uit den omtrek by-een te krygen, duurde het gewoonlyk niet zeer lang, voor men paard en wagen weder op vasten grond had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de loopers--in Europa zou men, geloof ik, zeggen "palfreniers" of liever, er bestaat in Europa niets wat met deze loopers overeenkomt--die onvergelykbare loopers dan, met hun korte dikke zweepjes, huppelden weer aan de zyde van het vierspan, kreschen onbeschryfelyke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder den buik. Zoo hoste men dan eenigen tyd voort, tot het verdrietig oogenblik weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in den modder. Dan begon het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en ... sukkelde verder. Dikwyls, als ik dien weg langs ging, was 't my als zou ik hier of daar een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in den modder gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik veronderstel dus dat allen die ooit dezen weg langs kwamen, eindelyk zyn aangeland waar ze wezen wilden. Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van den geheelen grooten weg op Java, een denkbeeld vormde naar den maatstaf van dien weg in 't _Lebaksche_. De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de maarschalk Daendels met groote opoffering van volk deed aanleggen[11] is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de geestkracht van den man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders en tegenstanders in 't moederland hem in den weg legden, den onwil der bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iederen bezoeker opwekt en verdient. Geen paardenpostery dan ook in Europa--zelfs niet in Engeland, Rusland of Hongarye--kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hooge bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte reiswagen in een galop voort. De koetsier zit als op den bok genageld, uren, ja, gansche dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren arm. Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan dien hoek ... --Myn God, de weg is ... weg! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren reiziger, daar is geen weg ... daar is de diepte! Ja, zoo schynt het. De weg kromt zich, en juist als een galopsprong verder, vasten grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de paarden, en slingeren het voertuig den hoek om. Ze vliegen de berghoogte op, die ge een oogenblik vroeger niet zaagt, en ... de afgrond ligt achter u. Er zyn, by zulke gelegenheid, oogenblikken dat de wagen alleen rust op de raderen aan de buitenzyde van den boog dien ge beschryft: de middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van den grond geheven. Er behoort koelbloedigheid toe, de oogen niet te sluiten, en wie voor 't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om dien angst. Het is myn doel niet, vooral niet in het begin van myn vertelling, den lezer lang bezig te houden met het beschryven van plaatsen, landschappen of gebouwen. Ik vrees te zeer hem afteschrikken door wat zweemen zou naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hy voor my gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin die ergens van 't balkon eener vierde verdieping springt, hem belang inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der zwaartekracht, haar zweven tusschen hemel en aarde, tot ik myn hart heb lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schynt geplaatst te zyn om een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzydig vertoog over middeleeuwsche architektuur. Al die kasteelen gelyken op elkaar. Onveranderlyk zyn ze van heterogeene bouworde. Het _corps de logis_ dagteekent altyd van eenige regeeringen vroeger dan de aanhechtsels die onder dezen of genen lateren koning daarby zyn gevoegd. De torens zyn in vervallen staat ... Waarde lezer, er zyn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom, een ideaal, een verzinsel, onverdragelyke grootspraak! Er zyn halve torens, en ... torentjes. De geestdryvery die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die opgericht werden ter-eere van dezen of genen heilige, duurde niet lang genoeg om ze te voleinden, en de spits die de geloovigen naar den hemel moet wyzen, rust, gewoonlyk een paar omgangen te laag, op de massieve bazis, 'tgeen denken doet aan den man zonder dyen op de kermis. Alleen _torentjes, kleine naaldjes_ op dorpskerken, zyn afgewerkt. Het is waarlyk niet vleiend voor de westersche beschaving, dat zelden het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu niet van ondernemingen welker afwerking noodig was om de kosten te dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga den Dom te Keulen zien. Hy geve zich rekenschap van de grootsche opvatting van dat gebouw, in de ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl ... van 't geloof in de harten des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aantevangen en voorttezetten ... van den invloed der denkbeelden die zulk een kolos noodig hadden om als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig gevoel ... en hy vergelyke deze overspanning met de richting, die eenige eeuwen later het oogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk staakte. Er ligt een diepe kloof tusschen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters! Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen bouwt men weder aan den Dom. Maar zal men den afgebroken draad weer kunnen aanhechten? Zal men terugvinden in _onze_ dagen, wat _toen_ de kracht uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te bekomen zyn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan den kunstenaar betalen, die een plan ontwerpt, en den metselaar die de steenen legt. Maar niet voor geld te-koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat daar stond als een onbewegelyk voortdurend eeuwig gebed. Op de grens tusschen _Lebak_ en _Pandeglang_ dan, was op zekeren morgen een ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden bedekten den weg, en duizend menschen voor 't minst--wat veel was voor die plek--liepen in bedryvig wachten heen-en-weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en de distriktshoofden uit het _Lebaksche_, allen met hun gevolg, en te oordeelen naar den schoonen bastert-arabier die in zyn ryk tuig op den zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hoogeren rang op deze plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De Regent van _Lebak_, _Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_[12] had met groot gevolg _Rangkas-Betoeng_, verlaten, en ondanks zijn hoogen ouderdom de twaalf of veertien palen afgelegd, die zyn woonplaats scheiden van de grenzen der naburige afdeeling _Pandeglang_. Er werd een nieuwe adsistent-resident verwacht, en het gebruik, dat in Indie meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met het bestuur eener afdeeling belast is, feestelyk worde ingehaald by zyn aankomst. Ook de kontroleur, een man van middelbaren leeftyd, die sedert eenige maanden na den dood van den vorigen adsistent-resident, als eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar tegenwoordig. Zoodra het tydstip der komst van den nieuwen adsistent-resident bekend was, had men in-aller-yl een _pendoppo_ doen oprichten, een tafel en eenige stoelen daarheen gebracht, en eenige ververschingen gereed gezet. In deze _pendoppo_ wachtte de Regent met den kontroleur de aankomst van den nieuwen chef af. Na een hoed met breeden rand, een regenscherm, of een hollen boom, is een _pendoppo_ zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld: _dak_. Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in den grond geslagen, die aan de boveneinden met elkander verbonden zyn door andere bamboes, waarop een deksel is vastgehecht van de lange bladen van den waterpalm, die in deze streken _atap_ heet, en ge zult u dusdanige _pendoppo_ kunnen voorstellen. Het is, zooals ge ziet, zoo eenvoudig mogelyk, en het moest hier dan ook slechts dienen als _pied a terre_ voor de europesche en inlandsche beambten die daar hun nieuw opperhoofd kwamen verwelkomen aan de grenzen. Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik den adsistent-resident het opperhoofd, ook van den Regent, noemde. Een uitweiding over 't mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist begrip van hetgeen volgen zal, noodzakelyk.[13] Het dusgenaamd _Nederlandsch Indie_--'t adjektief _nederlandsch_ komt me eenigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangenomen[14]--is, wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te splitsen in twee zeer verschillende hoofddeelen. Een gedeelte bestaat uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappy van Nederland als _suzerein_ erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeksch bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe--met een zeer kleine, wellicht maar schynbare, uitzondering--geheel Java behoort, is rechtstreeks onderworpen aan Nederland. Van cyns of schatting of bondgenootschap is hier geen spraak. De _Javaan_ is _nederlandsch onderdaan_. De Koning van Nederland is zyn koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en heeren zyn _nederlandsche_ beambten. Ze worden aangesteld, verplaatst, bevorderd, door den Gouverneur-generaal die in-naam van den _Koning_ regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnisd naar een wet die van 's Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan opbrengt, vloeit in de schatkist van _Nederland_. Van dit gedeelte slechts der nederlandsche bezittingen, dat alzoo inderdaad deel uitmaakt van het _Koningryk der Nederlanden_, zal in deze bladen hoofdzakelyk sprake zyn. Den Gouverneur-generaal staat een Raad ter-zyde, die echter op zyn besluiten geen _beslissenden_ invloed heeft. Te Batavia zyn de onderscheidene bestuurstakken verdeeld in "departementen" aan welker hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die den schakel uitmaken tusschen het opperbestuur van den Gouverneur-generaal en de Residenten in de provincien. By behandeling evenwel der zaken van _politieken aard_, wenden zich deze beambten rechtstreeks tot den Gouverneur-generaal. De benaming _Resident_ is herkomstig uit den tyd toen Nederland nog slechts _middelyk_ als _leenheer_ de bevolking beheerschte, en zich aan de hoven der nog regeerende Vorsten door _Residenten_ liet vertegenwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de residenten zyn, als gewestelijke Gouverneurs of _Praefecten_, bestuurders van landschappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam is gebleven. Het zyn deze residenten, die eigenlyk het nederlandsch gezag tegenover de javaansche bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch den Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indie, noch, de Direkteuren te Batavia. Het kent slechts den _Resident_, en de beambten die onder hem het besturen. Een dusdanige residentie--er zyn er, die byna een millioen zielen bevatten--is verdeeld in drie, vier of vyf afdeelingen of regentschappen, aan welker hoofd _Adsistent-Residenten_ geplaatst zyn. Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs, opzieners en een tal van andere beambten die noodig zyn voor de inning der belastingen, voor het toezicht over den landbouw, voor het oprichten van gebouwen, voor de waterstaats-werken, voor de policie en voor het rechtswezen. In elke afdeeling staat een inlandsch hoofd van hoogen rang met den titel van _Regent_, den adsistent-resident ter-zyde. Zoodanig Regent, hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van een _bezoldigd beambte_, behoort altyd tot den hoogen adel des lands, en dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzoo gebruik gemaakt van hun alouden feodalen invloed--die in Azie over 't geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als punt van godsdienst wordt aangemerkt--dewyl door het benoemen dezer hoofden tot beambten, een hierarchie wordt geschapen, aan welker spits het nederlandsch gezag staat, dat door den Gouverneur-generaal wordt uitgeoefend. Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de _Ryks-, Mark-, Gau-_, en _Burggraven_ van het duitsche Ryk evenzoo door den Keizer aangesteld, en meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over den oorsprong des adels, die geheel in de natuur ligt, wensch ik toch plaats te geven aan de opmerking hoe in ons werelddeel en ginds in 't verre Indie, dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verren afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten noodig, die 't centraaal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de _Praefecten_, in den aanvang gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: _provincien_, dat is: _win_gewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitschen Ryks behoefte voelde, eenig ver gelegen volk aan zich te binden op andere wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zoodra een verwyderde streek werd beschouwd als door gelykheid in afkomst, taal en gewoonten tot het Ryk te behooren, deed zich de noodzakelykheid gevoelen, iemand met de leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers, gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger ten-laste der algemeene staatskas, of, zooals meestal geschiedde, ten-laste van de gewesten zelf, die door zoodanig leger moesten bewaakt worden. Zoo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands, en strikt genomen is dus 't woord _graaf_ geen adellyke titel, doch slechts de benaming van een met zeker _ambt_ belasten persoon. Ik geloof dan ook dat in de middeleeuwen de meening gold, dat de duitsche Keizer wel 't recht had, graven, d.i. _landschapsbestuurders_, en hertogen, d.i. _heiraanvoerders_, te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat hun geboorte aangaat, aan den Keizer gelyk te zyn en alleen van God aftehangen, behoudens de verplichting den Keizer te dienen, voor-zoo-ver deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf bekleedde een _ambt_ waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron beschouwde zich als baron "_door de genade Gods_." De graven vertegenwoordigden den Keizer, en voerden als zoodanig _diens_ banier, d.i. den Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder zyn eigen vaan, als _baanderheer_. De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in de schaal legden by den invloed dien zy aan hun geboorte ontleenden, en hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelykheid dezer betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, dien deze titels hadden boven dien van baron. Nog heden-ten-dage zou menige vryheerlyke familie--zonder keizerlyk of koninklyk patent, dat is een zoodanige familie, die haren adel afleidt van het ontstaan des lands, die _altyd_ van adel was _omdat_ ze van adel was--_autochthoon_--een verheffing tot den gravenstand, als derogeerend afwyzen. Er zyn voorbeelden van. De personen die met het bestuur van zoodanig graafschap belast waren, trachtten natuurlyk van den Keizer te verkrygen dat hun zoons, of, by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat ooit het recht op deze opvolging _organisch_ is erkend geworden, althans wat deze beambten in de _Nederlanden_ aangaat, by-voorbeeld, de graven van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant, Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte, en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet. Nagenoeg op gelyke wyze--wat de keus der personen aangaat, daar hier geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht zekere overeenstemming in 't oog valt--staat aan het hoofd eener afdeeling op Java, een inlandsch beambte die den hem door het gouvernement gegeven rang met zijn _autochthoonen_ invloed verbindt, om aan den europeschen ambtenaar die 't _nederlandsch_ gezag vertegenwoordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de erfelykheid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte geworden. Reeds by het leven van den Regent is deze zaak meestal geregeld, en 't geldt als een belooning voor dienstyver en trouw, indien men hem de toezegging geeft dat hy in zijn betrekking door zyn zoon zal worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige redenen bestaan, voor er van dezen regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht, kiest men toch gewoonlyk den opvolger uit de leden van dezelfde familie. De verhouding tusschen europesche ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste javaansche grooten, is van zeer kieschen aard. De adsistent-resident eener afdeeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktien, en wordt verondersteld het hoofd der afdeeling te zyn. Dit belet echter niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboorte, door invloed op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hiermede overeenstemmende levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als vertegenwoordiger van 't _javaansch element_ eener landstreek, en verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer duizend zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de oogen van 't Gouvernement een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige _europesche_ beambte, wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem vele anderen in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand. Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlyk de _mindere_ den _meerdere_ beveelt. De adsistent-resident gelast den Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen. Hy roept hem op, zitting te nemen in den landraad, waarin hy adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelyk gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch hartelykheid, noch, waar 't noodig blyken mocht, strengheid behoeven uittesluiten en ik geloof dat de toon die in deze verhouding heerschen moet, vry wel wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaangaande: de _europesche_ ambtenaar hebbe den _inlandschen_ beambte die hem ter-zyde staat, te behandelen als zyn _jonger broeder_. Maar hy vergete niet dat deze _jonger broeder_ by de ouders zeer bemind --of gevreesd--is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meerdere jaren zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen dat hy zyn _jonger broeder_ niet met meer inschikkelykheid of takt behandelde. De aangeboren hoffelykheid van den javaanschen groote--zelfs de geringe Javaan is veel beleefder dan zyn europesche standgenoot--maakt evenwel deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou. De Europeaan zy wel-opgevoed en kiesch, hy gedrage zich met vriendelyke waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte, rykdom, wordt uitgewischt door den Regent zelf, die den Europeaan, als vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en ten-slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer. Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom den voorrang hadden boven den europeschen ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Europeaan, als hy geroepen wordt tot het besturen eener provincie die in oppervlakte met vele duitsche hertogdommen gelyk staat, is gewoonlyk iemand van middelbaren of meer dan middelbaren leeftyd, gehuwd en vader. Hy bekleedt een ambt _om den broode_. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en zelfs vaak _niet_ voldoende, om aan de zynen het noodige te verschaffen. De Regent is: _Tommongong, Adhipatti_, ja zelfs _Pangerang_, d.i. javaansch prins. De vraag is voor hem niet dat hy leve, hy moet zoo leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de _Europeaan_ een huis bewoont, is dikwyls _zyn_ verblyf een _Kratoon_, met vele huizen en dorpen daarin. Waar de _Europeaan_ eene vrouw heeft met drie, vier kinderen, onderhoudt _hy_ een tal van vrouwen met wat daarby behoort. Waar de _Europeaan_ uitrydt, gevolgd door eenige beambten, niet meer dan er by zyn inspektiereis noodig zyn tot het geven van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden die tot het gevolg behooren, dat in de oogen des volks onafscheidelyk is van zyn hoogen rang. De _Europeaan_ leeft burgerlyk, de Regent leeft --of wordt verondersteld te leven--als een vorst. Doch dit alles moet _betaald_ worden. Het nederlandsch bestuur dat zich op den invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte die den _niet_-Indier overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van zoodanig inlandsch Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten die twee-ja driemaal honderd duizend gulden 's jaars inkomen hebben, in geldverlegenheid te zien verkeeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't ware vorstelyke, onverschiligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen, hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en _vooral_ het misbruik--dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt door Europeanen. De inkomsten der javaansche Hoofden zou men in vier deelen kunnen splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't nederlandsch bestuur. Ten-derde, een belooning in evenredigheid met de hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffi, suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de willekeurige beschikking over den arbeid en de eigendommen hunner onderhoorigen. De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen eenige opheldering. De Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden zyner _sawah's_ en _gagah's_ en _tipar's_[15] vergezelt reeds op zeer jeugdigen leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent den tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis onder de makkers die met hem _padie_ sneden[16] hy zoekt zyn vrouw onder de meisjes der _dessah_[17] die 's avends onder vroolyk gezang de ryst stampen om ze te ontdoen van den bolster ... het bezit van een paar buffels die zyn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht ... kortom, de rystbouw is voor den Javaan, wat in de Rynstreken en in het zuiden van Frankryk, de wynoogst is. Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen op de markten van _Europa_. Om den geringen man hiertoe te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde noodig. Hy gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door hun een gedeelte van de winst toetezeggen, en ... het gelukte volkomen. Als men let op de ontzettende massa javasche produkten die in Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen of de landbouwer zelf eene met deze uitkomst evenredige belooning geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regeering verplicht hem op _zyn_ grond aantekweeken wat _haar_ behaagt, ze straft hem wanneer hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy buiten haar, en _zyzelf_ bepaalt den prys dien ze hem daarvoor uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van een bevoorrecht handelslichaam, _zyn_ hoog. De aan de Hoofden toegelegde aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen den inkoopprys, en ... daar toch ten-slotte de geheele zaak winst afwerpen _moet_, kan deze winst niet anders worden gevonden dan door juist zooveel aan den javaan uittebetalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende kracht der natie verminderen zou. Ook aan de europesche beambten wordt een belooning uitbetaald in evenredigheid met de opbrengst.[18] Wel wordt dus de arme Javaan voorgezweept door dubbel gezag, wel wordt hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak 't gevolg van deze maatregelen, doch ... vroolyk wapperen te Batavia, te Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken. _Hongersnood_? Op het ryke vruchtbare gezegende Java, _hongersnood_? Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van honger.[19] Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders hebben hun kinderen gegeten ... Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding der dusgenaamde _europesche-marktprodukten_ voortaan niet weder zou voortzetten tot hongersnood toe ... Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke zaken kon neerschryven _zonder_ bitterheid? My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der inkomsten van inlandsche hoofden: het willekeurig beschikken over personen en eigendommen hunner onderhoorigen. Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azie, behoort de onderdaan met al wat hy bezit, aan den vorst. Dit is ook op Java het geval, en de afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar _Tommongong_ of _Adhipatti_ of _Pangerang_ thans een _bezoldigd ambtenaar_ is die zyn eigen en hare rechten voor een bepaald inkomen verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door de heeren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus gewoner dan dat honderde huisgezinnen van verren afstand worden opgeroepen om _zonder betaling_ velden te bewerken, die den Regent toebehooren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van levensmiddelen ten-behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men 't ongehoord vinden, als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde. Er zyn Regenten, die van zoodanige willekeurige beschikkingen een matig gebruik maken, en niet meer van den geringen man vorderen, dan tot het ophouden van hun rang volstrekt noodig is. Anderen gaan iets verder, en geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk ja onmogelyk, zoodanig misbruik _geheel_ uitteroeien, daar het diep geworteld is in den aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid aan zyn Hoofd, aan den afstammeling van hen wien zyn vaderen gehoorzaamden. Ja, hy zou meenen te-kort te doen aan den eerbied dien hy aan zyn erfelyken heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens _kratoon_ betrad. Zulke geschenken zyn dan ook dikwyls van zoo weinig waarde, dat het afwyzen iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzoo deze gewoonte eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot den vader tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan optevatten als schatting aan dwingelandsche willekeur. Maar ... aldus wordt door een _lief gebruik_, de afschaffing van _misbruik_ belemmerd. Indien de _aloen-aloen_[20] voor de woning van den Regent in verwilderden staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover beschaamd wezen, en er ware veel gezags noodig om haar te _beletten_ dat plein van onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met den rang des Regents overeenstemt. Hiervoor eenige betaling te geven, zou algemeen als een beleediging worden aangemerkt. Maar naast dien _aloen-aloen_, of elders, liggen _Sawah's_ die op den ploeg wachten, of op een leiding die het water daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver ... deze _Sawah's_ behooren den Regent. Hy roept, om _zyn_ velden te bewerken of te besproeien, de bevolking van gansche dorpen op, wier eigen _Sawah's_ evenzeer behoefte hebben aan bearbeiding ... ziedaar het _misbruik_. Dit is aan de Regeering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de wetten, instruktien en handleidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht de menschlievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben voorgezeten. Alom wordt den Europeaan, met gezag in de binnenlanden bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en de hebzucht der Hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting voorteschryven _in 't algemeen_, er wordt nog van de _adsistent-residenten_, by de aanvaarding van 't bestuur eener afdeeling, een _afzonderlyke eed_ gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen als een eersten plicht. Dit is voorzeker een schoone roeping. Rechtvaardigheid voortestaan, den geringe te beschermen tegen den machtige, den zwakke te beschutten tegen de overmacht van den sterke, het ooilam van den arme terug te vorderen uit de stallen des vorstelyken roovers ... zie, 't is om 't hart te doen gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zoo schoons! En wie in de javasche binnenlanden soms ontevreden moge zyn met standplaats of belooning, hy sla het oog op den verheven plicht die op hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de vervulling van _zulk_ een plicht met zich brengt, en hy zal geen andere belooning begeeren. Maar ... gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te beoordeelen, waar het _gebruik_ heeft opgehouden om voor _misbruik_ plaats te maken? En ... waar het misbruik _bestaat_, waar inderdaad roof of willekeur gepleegd _is_, zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees, hetzy uit wantrouwen op den wil of de macht der persoon die hen beschermen moet. Ieder weet dat de _europesche_ beambte elk oogenblik kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de _Regent, de machtige Regent_, daar blyft. Voorts zyn er zoo veel manieren om zich het eigendom van een arm onnoozel mensch toeteeigenen! Als een _mantrie_[21] hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van den Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen was--o, zeker!--daarvoor een hoogen prys te betalen ... te-eeniger-tyd. Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd, zonder daarvoor betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet geschieden ten _zynen_ behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun den oogst overtelaten uit de menschlievende berekening dat zyn grond beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder beloonen zou? Bovendien, vanwaar haalt de europesche beambte de getuigen die den moed hebben een verklaring te doen tegen hun heer, den gevreesden Regent? En, waagde hy een beschuldiging, _zonder die te kunnen bewyzen_, waar blyft dan de verhouding van _ouder broeder_, die in zulk geval zyn _jongeren broeder_ zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de gunst van de Regeering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat brood opzegt, hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hy een zoo hooggeplaatst persoon als een _Tommongong, Adhipatti_ of _Pangerang_ had verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid? Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat de neiging der inlandsche Hoofden om de grens van 't geoorloofd beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhoorigen te overschryden, overal volmondig erkend wordt ... dat alle adsistent-residenten den eed doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en ... dat toch slechts _zeer_ zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik van gezag. Er schynt dus wel een byna-onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om gevolg te geven aan den eed: "_de inlandsche bevolking te beschermen tegen uitzuiging, en knevelary_." ZESDE HOOFDSTUK De kontroleur Verbrugge was een goed mensch. Als men hem daar zag zitten in zyn blauw-lakenschen frak, met geborduurde eiken- en oranjetakken op kraag en mouw-opslagen, was 't moeielyk in hem den type te miskennen die voorheerscht onder de Hollanders in Indie ... een menschensoort, in 't voorbygaan gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in Holland. Traag zoolang er niets te doen viel, en ver van de beredderingzucht die in Europa voor yver geldt, maar yverig waar bezigheid noodig was ... eenvoudig maar hartelyk voor wie tot zyn omgeving behoorden ... mededeelzaam, hulpvaardig en gastvry ... welgemanierd zonder styfheid ... vatbaar voor goede indrukken ... eerlyk en oprecht, zonder evenwel lust te voelen de martelaar van deze hoedanigheden te worden ... in 't kort, hy was een man die, zooals men 't noemt, overal op zyn plaats zou wezen, zonder dat men echter op 't denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen, wat hy dan ook niet begeerde. Hy zat in 't midden van de _pendoppo_ by de tafel die met een wit kleed bedekt, en met spyzen beladen was. Wel eenigszins ongeduldig vroeg hy van-tyd tot-tyd, met de woorden der zuster van mevrouw Blauwbaard, aan den _mandoor_-oppasser, dat is het hoofd van de policie- en bureaudienaren der adsistent-residentie, of er niets in aantocht was? Dan stond hy eens op, beproefde vergeefs zyn sporen te doen kletteren op den gestampten kleivloer van de _pendoppo_, stak voor de twintigste maal zyn sigaar aan, en ging, als te-leurgesteld, weer zitten. Hy sprak weinig. En toch had hy kunnen spreken, want hy was niet alleen. Ik bedoel hiermee nu juist niet dat hy vergezeld was van de twintig of dertig Javanen, bedienden, _mantries_ en oppassers die op den grond gehurkt in en buiten de _pendoppo_ zaten, noch van de velen die aanhoudend uit-en inliepen, noch van 't groot aantal inlanders van verschillenden rang, dat daar buiten de paarden vasthield, of te-paard rondreed ... neen, de Regent zelf van Lebak, _Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara_, zat tegenover hem. Wachten is altyd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een halven dag, en zoo voort. Verbrugge had wel wat spraakzamer mogen zyn. De Regent van _Lebak_ was een beschaafd oud man, die over veel wist te spreken met verstand en oordeel. Men had hem slechts aantezien om overtuigd te wezen dat het meerendeel der Europeanen die met hem in aanraking kwamen, meer van hem, dan hy van hen te leeren had. Zyn levendige donkere oogen weerspraken door hun vuur de vermoeidheid der trekken van zyn gelaat en de grysheid zyner haren. Wat hy zeide, was gewoonlyk lang overdacht--een eigenaardigheid trouwens die by den beschaafden Oosterling algemeen is--en wanneer men met hem in gesprek was, gevoelde men dat men zyn woorden te beschouwen had als brieven, waarvan hy de minuut in zyn archief had, om zoo noodig daarop te verwyzen. Dit nu moge onaangenaam schynen voor wie niet gewoon is aan den omgang met javaansche grooten, 't is niet moeielyk alle onderwerpen van gesprek die aanstoot geven kunnen, te vermyden, vooral daar zy van hun kant nooit op bruske wyze aan den loop van 't onderhoud een andere richting geven zullen, omdat dit naar oostersche begrippen in-stryd wezen zou met den goeden toon. Wie dus oorzaak heeft het aanroeren van een bepaald punt te vermyden, behoeft slechts over onbeduidende zaken te spreken, en hy kan verzekerd zyn dat een javaansch hoofd hem niet, door een onbegeerde wending in 't gesprek, zal voeren op een terrein dat hy liever niet betrad. Over de beste wijze van omgang met die hoofden, bestaan overigens verschillende meeningen. Het komt my voor dat eenvoudige oprechtheid, zonder streven naar diplomatische voorzichtigheid, de voorkeur verdient.[22] Hoe dit zy, Verbrugge begon met een banale opmerking over 't weer en den regen. --Ja, mynheer de kontroleur, het is westmoesson. Dit nu wist Verbrugge wel: men was in Januari.[23] Maar wat _hy_ over den regen gezegd had, wist de Regent ook. Hierop volgde weder eenig zwygen. De Regent wenkte met een nauw zichtbare beweging van 't hoofd, een der bedienden die neergehurkt zaten aan den ingang der _pendoppo_. Een kleine jongen, allerliefst gevat in een blauw-fluweelen buis, witten pantalon, met gouden lyfband die zyn kostbaren _sarong_, vasthield om de lenden, en op 't hoofd den behagelyken _kain kapala_, waaronder zyn zwarte oogen zoo ondeugend te-voorschyn kwamen, kroop hurkende tot aan de voeten des Regents, zette de gouden doos neder, die de tabak, de kalk, de _sirie_, de _pinang_, en de _gambier_ bevatte, maakte den _slamat_, door beide handen saamgevoegd opteheffen tot aan het diep neergebogen voorhoofd, en bood daarop zyn heer de kostbare doos aan.[24] --De weg zal moeielyk zyn na zooveel regen, zei de Regent, als om 't lang wachten verklaarbaar te maken, terwyl hy een betelblad met kalk bestreek. --In 't _Pandeglangsche_ is de weg zoo slecht niet, antwoordde Verbrugge die, als hy ten-minste niets stuitends wilde aanroeren, dit antwoord wel wat ondoordacht gaf. Want hy had moeten bedenken dat een Regent van _Lebak_ niet gaarne de wegen van _Pandeglang_ hoort roemen, al zyn die dan ook werkelyk beter dan in 't _Lebaksche_. De _Adhipatti_ beging de fout van een te snel antwoord niet. De kleine _maas_[25] was reeds al hurkend achterwaarts teruggekropen tot aan den ingang der _pendoppo_, waar hy onder zyn makkers plaats nam ... de Regent had reeds zyn lippen en weinige tanden bruinrood geverwd met het speeksel zyner _sirie_, voor hy zeide: --Ja, er is veel volk in _Pandeglang_. Voor wien den Regent en den kontroleur kende, voor wien de toestand van _Lebak_ geen geheim was, had het duidelyk kunnen blyken dat het gesprek reeds een stryd was geworden. Een toespeling namelyk op den beteren staat der wegen in een naburige afdeeling, scheen het vervolg te wezen op vergeefsche pogingen om ook in _Lebak_ dusdanige betere wegen te doen aanleggen, of de bestaande beter te onderhouden. Doch hierin had de Regent gelyk, dat _Pandeglang_ dichter bevolkt was, vooral in verhouding tot de veel kleinere oppervlakte, en dat dus daar de arbeid aan de groote wegen, door vereende krachten ligter viel dan in 't _Lebaksche_, een afdeeling die op honderde palen oppervlakte, slechts zeventigduizend inwoners telde. --Dat is waar, zei Verbrugge, we hebben weinig volk hier, maar ... De _Adhipatti_ zag hem aan, als wachtte hy een aanval af. Hy wist dat er na dat "maar" iets volgen kon, dat onaangenaam zou te hooren zyn voor hem, die sedert dertig jaren Regent van _Lebak_ geweest was. Het scheen dat Verbrugge op dit oogenblik geen lust had den stryd voorttezetten. Althans hy brak 't gesprek af, en vroeg weder aan den _mandoor_-oppasser of hy niets komen zag? --Ik zie nog niets van den kant van _Pandeglang_, mynheer de kontroleur, maar daar-ginds aan de andere zyde rydt iemand te-paard ... het is de _toewan kommendaan_. --Welzeker, _Dongso_, zei Verbrugge naar buiten starende, dat is de kommandant! Hy jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg reeds uitgegaan. He, Duclari ... Duclari! --Hy hoort u al, mynheer, hy komt hierheen. Zyn jongen rydt achter hem, met een _kidang_[26] achter zich over 't paard. --_Pegang koedahnja toewan kommendaan_[27] gebood Verbrugge aan een der bedienden die buiten zaten. Bonjour, Duclari! Ben je nat? Wat heb je geschoten? Kom binnen! Een krachtig man van dertigjarigen leeftyd en flinke militaire houding, hoewel van uniform geen spoor was, trad de _pendoppo_ in. Het was de eerste-luitenant Duclari, kommandant van 't kleine garnizoen te _Rangkas-Betoeng_. Verbrugge en hy waren bevriend, en hun gemeenzaamheid was te grooter, daar Duclari sedert eenigen tyd de woning van Verbrugge betrokken had in afwachting der voltooiing van een nieuw fort. Hy drukte dezen de hand, groette den Regent beleefd, en ging zitten onder de vraag: "wel, wat heb je al zoo hier?" --Wil je thee, Duclari? --Wel neen, ik ben warm genoeg! Heb je geen klapperwater?[28] Dat is frisscher. --Dat laat ik je niet geven. Als men warm is, houd ik klapperwater voor heel nadeelig. Je wordt er styf en jichtig van. Zie eens de koelies die zware vrachten over de bergen dragen: zy houden zich vlug en lenig door heet water te drinken, of _koppi dahoen_. Maar _gemberthee_[29] is nog beter ... --Wat? _Koppi dahoen_, thee van koffibladen? Dat heb ik nog nooit gezien. --Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is 't de gewoonte. --Laat me dan maar thee geven ... maar niet van koffibladen, en ook niet van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest ... en de nieuwe adsistent-resident ook, niet waar? Dit gesprek werd in 't hollandsch gevoerd, een taal die de Regent niet verstond. Hetzy Duclari gevoelde dat er iets onbeleefds in lag, hem hierdoor van 't onderhoud uittesluiten, hetzyd-i hiermee een andere bedoeling had, op-eenmaal ging hy, zich tot den Regent wendende, in 't maleisch voort: --Weet mynheer de _Adhipatti_, dat m'nheer de kontroleur den nieuwen adsistent-resident kent? --Wel neen, dat heb niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hy diende eenige jaren voor my op Sumatra. Ik heb je maar gezegd dat ik daar veel over hem heb hooren spreken, anders niet! --Nu, dit komt op 'tzelfde neer. Men behoeft iemand juist niet te zien om hem te kennen. Hoe denkt m'nheer de _Adhipatti_ hierover? De _Adhipatti_ had juist noodig een bediende te roepen. Er verliep dus wat tyd voor hy zeggen kon: "dat hy met den heer kommandant instemde, maar dat het toch dikwyls noodig was iemand te zien voor men hem beoordeelen kon." --Over 't geheel genomen is dit misschien waar, ging nu Duclari in 't hollandsch voort--hetzy omdat deze taal hem gemeenzamer was en hy meende genoeg gedaan te hebben voor de beleefdheid, hetzy omdat hy alleen door Verbrugge verstaan wilde worden--dit moge in 't algemeen waar zyn, maar omtrent Havelaar heeft men waarachtig geen persoonlyke kennismaking noodig ... hy is een gek! --Dat heb ik niet gezegd, Duclari! --Neen, jy hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het na al wat je my van hem verteld hebt. Ik noem iemand die in 't water springt om een hond te redden van de haaien, een gek. --Nu ja, verstandig is 't zeker niet. Maar ... --En, hoor eens, dat versje tegen den generaal Vandamme ... 't kwam niet te-pas! --'t Was geestig ... --Tot je dienst! Maar een jong mensch mag niet geestig zyn tegen een generaal. --Je moet in 't oog houden dat hy nog zeer jong was ... het is veertien jaar geleden. Hy was toen maar twee-en-twintig jaar oud. --En dan de kalkoen dien hy stal! --Dat deed hy om den generaal te plagen. --Juist! Een jong mensch mag geen generaal plagen, die bovendien, als civiel gouverneur, zyn chef was. Dat andere versje vind ik aardig, maar ... dat eeuwige duelleeren! --Hy deed het gewoonlyk voor een ander. Hy trok altyd party voor den zwakste. --Wel laat ieder voor zichzelf duelleeren, als men het dan volstrekt doen wil! Ik voor my geloof dat een duel zelden noodig is. Waar 't onvermydelyk was, zou ook ik een uitdaging aannemen, en in zekere gevallen zelf uitdagen, maar om daarvan dagelyksch werk te maken ... dank je! Het is te hopen dat hy veranderd is op dit punt. --Wel zeker, daar is geen twyfel aan! Hy is nu zooveel ouder, daarby sedert langen tyd getrouwd, en adsistent-resident. Bovendien, ik heb altyd gehoord dat zyn hart goed was, en dat hy een warm gevoel had voor recht. --Nu, dat zal hem te-pas komen in _Lebak_! Daar is me juist iets voorgekomen, dat ... zou de Regent ons verstaan? --Ik geloof 't niet. Maar toon my iets uit je weitasch, dan denkt hy dat we daarover spreken. Duclari nam zyn weitasch, haalde daaruit een paar boschduiven, en die vogels betastende als sprak hy over de jacht, deelde hy Verbrugge mede dat hy zoo-even in 't veld was nageloopen door een Javaan, die hem gevraagd had of hy niet iets doen kon tot verligting van den druk waaronder de bevolking zuchtte?[30] --En, ging hy voort, dit is zeer sterk, Verbrugge! Niet dat ik me verwonder over de zaak zelf. Ik ben lang genoeg in 't Bantamsche om te weten wat hier voorvalt, maar dat de geringe Javaan, gewoonlyk zoo omzichtig en terughoudend waar 't zyn hoofden geldt, zoo-iets vraagt aan iemand die er niets mee te maken heeft, dit bevreemdt my! --En wat heb je geantwoord, Duclari? --Wel, dat het me niet aanging! Dat hy tot u moest gaan, of tot den nieuwen adsistent-resident, als die zou aangekomen zyn te _Rangkas-Betoeng_, en daar zyn klachten uiten. --_Ienie apa toewan-toewan datang!_ riep op-eenmaal de oppasser _Dongso_. Ik zie een _mantrie_ die met zyn _toedoeng_ wuift.[31] Allen stonden op. Duclari, die niet door zyn tegenwoordigheid in de _pendoppo_ den schyn wilde aannemen als ware ook hy aan de grenzen ter verwelkoming van den adsistent-resident, die wel zyn meerdere doch niet zyn chef, en bovendien een gek was, steeg te-paard, en reed door zyn bediende gevolgd, heen. De _Adhipatti_ en Verbrugge stelden zich aan den ingang van de _pendoppo_, en zagen een door vier paarden getrokken reiswagen naderen, die weldra vry bemodderd by 't bamboezen gebouwtje stilhield. Het zou moeielyk geweest zyn te raden wat er zich al zoo in dien wagen bevond, voor _Dongso_, geholpen door de loopers en een tal van bedienden die tot het gevolg van den Regent behoorden, al de riemen en knoopsels hadden losgemaakt, die het voertuig hielden ingesloten met een zwart lederen foedraal dat aan de diskretie herinnerde, waarmee in vroeger jaren leeuwen en tygers de stad inkwamen, toen de zooelogische tuinen nog reizende dierenspellen waren. Leeuwen of tygers nu waren er in den wagen niet. Men had alles maar zoo zorgvuldig gesloten omdat het westmoesson was, en men dus op regen moest bedacht zyn. Nu is 't uitstappen uit een reiswagen waarin men lang over den weg gehotst heeft, niet zoo gemakkelyk als iemand die nooit of weinig gereisd heeft, zich verbeelden zou. Nagenoeg als de arme _Sauriers_ uit de voorwereld, die door lang wachten ten-laatste een integreerend deel uitmaken van de klei, waarin ze aanvankelyk niet gekomen waren met het plan om er te blyven, heeft er ook by reizigers die wat nauw op-een gedrukt en in gedwongen houding, te lang in een reiswagen gezeten hebben, iets plaats, wat ik u voorstel _assimilatie_ te noemen. Men weet eindelyk niet juist meer waar 't lederen kussen van den wagen ophoudt, en waar de ikheid aanvangt, ja, het denkbeeld is me niet vreemd dat men in zulk een wagen kiespyn of kramp hebben kan, die men voor mot in 't laken aanziet, of omgekeerd. Er zyn weinig omstandigheden in de stoffelyke wereld, die den denkenden mensch geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen op verstandelyk gebied, en zoo heb ik myzelf dikwyls afgevraagd of niet veel dwalingen die onder ons kracht van wet hebben, veel "scheefheden" die wy voor "recht" houden, hieruit voortvloeien, dat men te lang met hetzelfde gezelschap in denzelfden reiswagen heeft gezeten? Het been dat ge daar links uitsteken moest, tusschen de hoededoos en 't mandje met kersen ... de knie die ge tegen 't portier gedrukt hield, om de dame tegenover u niet te doen denken dat ge een aanval in den zin hadt op krinoline of deugd ... de gelikdoornde voet die zoo bang was voor de hakken van den _commis-voyageur_ naast u ... de hals dien ge zoo lang links moest wenden, omdat het drupt aan de rechterzyde.. zie, dat worden zoo alle ten-laatste halzen, en knieen, en voeten, die iets verdraaids bekomen. Ik houd het voor goed, van tyd tot-tyd eens te wisselen van wagens, zitplaats en medereizigers. Men kan dan zyn hals eens anders wenden, men beweegt nu-en-dan zyn knie, en misschien zit er eens een juffrouw naast ons met dansschoenen, of een jongetje wiens beentjes den grond niet raken. Men heeft dan meer kans om _recht_ te zien en _recht_ te loopen, zoodra men weer vasten grond onder de voeten krygt. Of er ook in den wagen, die nu voor de _pendoppo_ stilhield, zich iets verzette tegen de "oplossing der continuiteit" weet ik niet, maar zeker is 't dat het lang duurde voor er iets te voorschyn kwam. Er scheen een stryd van hoffelykheid gevoerd te worden. Men vernam de woorden: "als 't u belieft, mevrouw!" en "resident!" Hoe dit zy, eindelyk stapte er een heer uit, die in houding en voorkomen wel iets vertoonde dat denken deed aan de Sauriers waarvan ik zoo-even gesproken heb. Daar wy hem later zullen weerzien, wil ik u maar terstond zeggen dat zyn onbewegelykheid niet uitsluitend moest geweten worden aan de assimilatie met den reiswagen, want dat hy, ook als er op mylen afstands geen voertuig in de buurt was, een kalmte, een langzaamheid en een voorzichtigheid aan den dag lei, die menigen Saurier jaloersch maken zou, en die in de oogen van velen de kenmerken zyn van deftigheid, bezadigdheid en wysheid. Hy was, zooals de meeste Europeanen in Indie, zeer bleek, hetgeen echter in die streken geenszins voor een blyk van minder goede gezondheid wordt gehouden, en hy had fyne trekken die wel getuigden van verstandelyke ontwikkeling. Alleen was er iets kouds in zyn blik, iets wat u denken deed aan een logarithmentafel, en hoewel zyn voorkomen over 't geheel niet onbehagelyk of terugstootend was, kon men zich toch niet onthouden van de verdenking dat zyn vry groote magere neus zich op dat gelaat verveelde, omdat er zoo weinig op voorviel. Met beleefdheid bood hy zyn hand aan een dame, om haar by het uitstygen behulpzaam te zyn, en nadat deze van een heer die nog in den wagen zat, een kind had aangenomen, een klein blond jongetje van een jaar of drie, traden zy de _pendoppo_ in. Daarop volgde die heer zelf, en wien op Java bekend was, zou het als een byzonderheid in 't oog gevallen zyn, dat hy by 't portier wachtte om 't uitstygen gemakkelyk te maken aan een oude javaansche _baboe_.[32] Een drietal bedienden hadden zichzelf verlost uit het wasleeren kastje, dat achter den wagen was vastgeplakt als een jonge oester op den rug van zyn mama. De heer die het eerst was uitgestegen, had den Regent en den kontroleur Verbrugge de hand geboden, die zy met eerbied aannamen, en in hun geheele houding was te bespeuren dat zy gevoelden zich in de tegenwoordigheid te bevinden van een gewicht persoon. Het was de resident van _Bantam_, de groote landstreek waarvan _Lebak_ een afdeeling, een regentschap, of, zooals men officieel zegt, een _adsistent-residentie_ is. By 't lezen van verdichte verhalen, heb ik my meermalen geergerd over den weinigen eerbied der schryvers voor den smaak van 't publiek, en vooral was dit het geval, waar zy blyk gaven iets te willen voortbrengen dat koddig of burlesk heeten moest, om nu niet van _humor_ te spreken, een eigenaardigheid die byna doorgaande allerjammerlykst wordt verward met het _komieke_. Men voert een persoon sprekende in, die de taal niet verstaat of slecht uitspreekt, men laat een franschman zeggen: "ka kauw na de krote krak" of "krietje kooit keen kare kroente kraak wek." By-gebrek aan een franschman, neemt men iemand die stamelt, of men "schept" een persoon die zyn stokpaardje maakt van een paar telkens wederkeerende woorden. Ik heb een allerzotste vaudeville zien "reusseeren" omdat daarin iemand voorkwam, die gedurig zeide: "_myn naam is Meyer_." My komen zulke geestigheden wat goedkoop voor, en, om de waarheid te zeggen, ik ben boos op u als ge zoo-iets grappig vindt. Maar nu heb ikzelf u iets dergelyks voortestellen. Ik moet van-tyd tot-tyd iemand ten-tooneele voeren--ik zal 't zoo weinig mogelyk doen--die inderdaad een manier van spreken had, welke my doet vreezen verdacht te worden van een mislukte poging om u te doen lachen, en hierom moet ik u uitdrukkelyk verzekeren dat het niet _myn_ schuld is, als de hoogstdeftige resident van Bantam, van wien hier de rede is, iets zoo eigenaardigs vertoonde in zyn wyze van spreken, dat het me moeielyk valt dat weertegeven, zonder den schyn op me te laden dat ik effekt van geestigheid zoek in een _tic_. Hy sprak namelyk op een toon, alsof achter elk woord een punt stond, of zelfs een lang rustteeken, en ik kan de ruimte tusschen zyn woorden niet beter vergelyken dan by de stilte die er volgt op het "amen" na een lang gebed in de kerk, hetwelk zooals ieder weet, een sein is dat men den tyd heeft tot verzitten, hoesten of neussnuiten. Wat hy zeide, was gewoonlyk goed overdacht, en wanneer hy zich die ontydige rustpunten had kunnen afwennen, zouden zyn zinsneden, uit een redekunstig oogpunt althans, meestal een gezond aanzien gehad hebben. Maar al dat afbrokkelen, dat stooterige en hobbelige, maakte het aanhooren lastig. Men viel er dan ook dikwyls over. Want gewoonlyk, als men begonnen was te antwoorden in de goedige meening dat de zin uit was, en dat hy de aanvulling van 't ontbrekende aan de scherpzinnigheid van zyn toehoorder overliet, kwamen de nog ontbrekende woorden als _trainards_ van een geslagen leger achteraan, en deden u gevoelen dat ge hem in de rede waart gevallen, wat altyd onaangenaam is. Het publiek der hoofdplaats _Serang_, voor-zoo-ver men niet in dienst stond van 't gouvernement--een verhouding die den meesten iets omzichtigs geeft--noemde zyn gesprekken "slymerig." Ik vind dit woord niet zeer smaakvol, doch moet erkennen dat het de hoofdeigenschap van des residents welsprekendheid vry juist uitdrukte. Ik heb van Max Havelaar en zyn vrouw--want dit waren de beide personen die na den resident met hun kind en de _baboe_ uit den wagen gekomen waren--nog niets gezegd, en misschien ware het voldoende, de kenschetsing van hun voorkomen en karakter aan den loop der gebeurtenissen en des lezers eigen verbeelding overtelaten. Daar ik evenwel nu eenmaal aan 't beschryven ben, wil ik u zeggen dat mevrouw Havelaar niet schoon was, dat zy echter in blik en spraak iets zeer lieftalligs bezat, en door de gemakkelyke ongedwongenheid van haar manieren het onmiskenbaar teeken gaf, dat zy in de wereld was geweest, en in de hoogere klassen der maatschappy te-huis behoorde. Zy had niet dat styve en onbehagelyke van 't burgerlyk fatsoen dat, om voor "gedistingeerd" doortegaan, zich en anderen meent te moeten plagen met _gene_, en ze hechtte dan ook niet aan veel uiterlyks wat voor sommige andere vrouwen waarde schynt te hebben. Ook in haar kleeding was zy een voorbeeld van eenvoudigheid. Een wit _baadjoe_ van moesselien, met blauwe _cordeliere_--ik geloof dat men in Europa zulk een kleedingstuk _peignoir_ noemen zou--was haar reiskleed. Om den hals had zy een dun zyden koordje, waaraan twee kleine medaljons, die ge echter niet te zien kreegt, daar ze verscholen waren in de plooien voor hare borst. Overigens, de haren _a la chinoise_, en een kransje _melatti_ in den _kondeh_ ... ziedaar al haar toilet.[33] Ik zeide dat ze niet schoon was, en toch wilde ik niet gaarne dat ge haar voor het tegendeel hieldt. Ik hoop dat ge haar schoon vinden zult, zoodra ik gelegenheid zal hebben haar voortestellen, gloeiend van verontwaardiging over wat zy de "miskenning van 't genie" noemde, als haar aangebeden Max in 't spel was, of wanneer haar een denkbeeld bezielde, dat in-verband stond met het welzyn van haar kind. Te dikwyls reeds is er gezegd dat het gelaat de spiegel der ziel is, om nog prys te stellen op de portretwaarde van een onbewegelyk gezicht, dat niets heeft aftespiegelen omdat er geen ziel in weerschynt. Welnu, _zy_ had een schoone ziel, en wel moest men blind zyn, om niet ook haar gelaat voor schoon te houden als die ziel daarop te lezen stond. Havelaar was een man van vyf-en-dertig jaren. Hy was slank, en vlug in zyn bewegingen. Buiten zyn korte en bewegelyke bovenlip, en zyn groote flauw-blauwe oogen die, als hy in kalme stemming was, iets droomerigs hadden, maar vuur schoten als een groot denkbeeld hem beheerschte, viel er in zyn voorkomen niets byzonders optemerken. Zyn blonde haren hingen sluik langs de slapen, en ik begryp zeer goed dat weinigen, hem voor 't eerst ziende, op het denkbeeld komen zouden iemand voor zich te hebben, die wat hoofd en hart beide aangaat tot de zeldzaamheden behoorde. Hy was een "vat vol tegenstrydigheids." Scherp als een vlym, en zacht als een meisje, voelde hyzelf altyd het eerst de wonde die zyn bittere woorden geslagen hadden, en hy leed daaronder meer dan de gekwetste. Hy was vlug van begrip, vatte terstond het hoogste, het ingewikkeldste, speelde gaarne met de oplossing van moeielyke vragen, had daarvoor alle moeite, alle studie, alle inspanning veil ... en dikwyls toch begreep hy de eenvoudigste zaak niet, die een kind hem had kunnen uitleggen. Vol liefde voor waarheid en recht, verwaarloosde hy menigmaal zyn eenvoudigste naastbyliggende verplichtingen, om een onrecht te herstellen dat hooger of verder of dieper lag, en dat door de vermoedelyk grootere inspanning van den stryd hem meer aanlokte. Hy was ridderlyk en moedig, maar verspilde, als die andere Don Quichot, zyn dapperheid dikwyls op een windmolen. Hy gloeide van onverzadelyke eerzucht die hem alle gewone onderscheiding in 't maatschappelyk leven, als nietig deed voorkomen, en toch stelde hy zyn grootst geluk in een kalm huiselyk vergeten leven. Dichter in den hoogsten zin van 't woord, droomde hy zich zonnestelsels by een vonk, bevolkte die met schepsels van zyn maaksel, voelde zich heer van een wereld die hyzelf had in 't leven geroepen ... en kon toch zeer goed terstond daarop zonder de minste droomery een gesprek voeren over den prys van de ryst, de regels der taal, of de oekonomische voordeelen eener egyptische hoenderbroeiery. Geen wetenschap was hem geheel vreemd. Hem _ahnde_ wat hy niet wist, en hy bezat in hooge mate de gaaf om 't weinige dat hy wist--ieder weet weinig, en hy, misschien meer wetende dan sommige anderen, maakte op dezen regel geen uitzondering--om dat weinige aantewenden op een wys die de maat zyner kennis vermenigvuldigde. Hy was stipt en ordelyk, en daarby buitengewoon geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem moeielyk vielen, daar zyn geest iets wilds had. Hy was langzaam en omzichtig in 't beoordeelen van zaken, hoewel dit niet zoo scheen aan wie hem zoo haastig zyn slotsommen hoorden uiten. Zyn indrukken waren te levendig, dan dat men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hy dikwyls dat ze duurzaam waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem aan, en tegelyker-tyd was hy onnoozel en naif als een kind. Hy was eerlyk, vooral waar eerlykheid in 't grootmoedige overging, en zou honderden die hy schuldig was, onbetaald laten omdat hy duizenden had weggeschonken. Hy was geestig en onderhoudend wanneer hy gevoelde dat zyn geest begrepen werd, maar anders stug en teruggetrokken. Hartelyk voor zyn vrienden, maakte hy--wat te snel soms--zyn vriend van al wat leed. Hy was gevoelig voor liefde en aanhankelykheid ... trouw aan zyn gegeven woord ... zwak in kleinigheden, maar standvastig tot hoofdigheid toe, waar 't hem de moeite waard scheen karakter te toonen ... nederig en welwillend voor wie zyn geestelyk overwicht erkenden, doch lastig wanneer men poogde zich daartegen te verzetten ... rondborstig uit trots, en by vlagen achterhoudend, waar hy vreesde dat men zyn oprechtheid zou aanzien voor onverstand ... evenzeer vatbaar voor zinnelyk als voor geestelyk genot ... beschroomd en slecht bespraakt waar hy meende niet begrepen te worden, maar welsprekend als hy gevoelde dat zyn woorden op willigen bodem vielen ... traag als hy niet werd aangespoord door eenigen prikkel die voortkwam uit zyn eigen ziel, maar yverig, vurig, en doortastend waar dit wel het geval was ... voorts, vriendelyk, beschaafd in zyn manieren, en onberispelyk van gedrag: ziedaar nagenoeg Havelaar! Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen moeyelyk zyn, geldt dit vooral van de beschryving van een persoon die zeer ver van den dagelykschen grondvorm afwykt. Het zal dan ook wel hierom wezen, dat romandichters hun helden gewoonlyk tot duivels of engelen maken. Zwart of wit laat zich gemakkelyk schilderen, maar moeielyker is 't juist weergeven van schakeeringen die daartusschen liggen, wanneer men aan waarheid gebonden is en dus noch te donker noch te licht mag kleuren. Ik gevoel dat de schets die ik van Havelaar trachtte te geven, hoogst onvolkomen is. De bouwstoffen die voor me liggen, zyn van zoo uiteenloopenden aard, dat ze my door overmaat van rykdom in myn oordeel belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het ontwikkelen der gebeurtenissen die ik wensch meetedeelen, ter-aanvulling terugkomen. Dit is zeker, hy was een ongewoon mensch, en wel de moeite van 't bestudeeren waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een zyner hoofdtrekken optegeven, dat hy de belachelyke en de ernstige zyde der dingen met dezelfde snelheid en te-gelykertyd opvatte, aan welke eigenschap zyn wyze van spreken, zonder dat hyzelf dit wist, een soort van _humor_ ontleende, die zyn toehoorders gedurig in twyfel bracht, of ze getroffen waren door 't diep gevoel dat in zyn woorden heerschte, of dat ze te lachen hadden over de koddigheid die op-eenmaal den ernst daarvan afbrak. Opmerkelyk was 't dat zyn voorkomen, en zelfs zyn aandoeningen, zoo weinig sporen droegen van zyn doorgebracht leven. Het roemen op ondervinding is een belachelyke gemeenplaats geworden. Er zyn lieden die vyftig of zestig jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze beweren te zwemmen, en die van al dien tyd weinig anders zouden kunnen verhalen dan dat ze verhuisd zyn van de A-gracht naar de B-straat. Niets is gewoner dan op ervaring te hooren bogen, juist door hen die hun gryze haren zoo gemakkelyk verkregen. Anderen weer meenen hun aanspraken op ondervinding te mogen gronden op werkelyk ondergane lotwisseling, zonder dat echter uit iets blykt dat ze door die veranderingen werden aangegrepen in hun zieleleven. Ik kan me voorstellen dat het bywonen, of ondergaan zelfs, van gewichtige gebeurtenissen weinig of geen invloed heeft op zeker soort van gemoederen, die niet zyn toegerust met de vatbaarheid om indrukken optevangen en te verwerken. Wie hieraan twyfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen toekennen aan al de bewoners van Frankryk, die veertig of vyftig jaren oud waren in 1815? En zy allen waren toch personen die 't belangryk drama dat in 1789 aanving, hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer of min gewichtige rol, dat drama hadden meegespeeld. En, omgekeerd, hoe velen ondergaan een reeks van aandoeningen, zonder dat de uiterlyke omstandigheden hiertoe schenen aanleiding te geven. Men denke aan de Crusoe-romans, aan Silvio Pellico's gevangenschap, aan 't allerliefste _Picciola_ van Saintine, aan den stryd in de borst eener "oude vryster" die haar geheel leven door, een liefde koesterde, zonder ooit door een enkel woord te verraden wat er omging in haar hart, aan de aandoeningen van den menschenvriend die, zonder uiterlyk in den loop der gebeurtenissen betrokken te zyn, vurig belang stelt in 't welzyn van medeburger of medemensch. Men stelle zich voor, hoe hy beurtelings hoopt en vreest, hoe hy elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een schoon denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging, als hy het ziet wegdringen en vertrappen door de velen die, voor een oogenblik althans, sterker waren dan schoone denkbeelden. Men denke aan den wysgeer die van uit zyn cel aan 't volk tracht te leeren wat waarheid is, als hy bemerken moet dat zyn stem overschreeuwd wordt door pietistische huichelary of gewinzoekende kwakzalvers. Men stelle zich Sokrates voor--niet als hy den gifbeker ledigt, want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en niet die welke rechtstreeks door uiterlyke omstandigheden veroorzaakt wordt--hoe bitter bedroefd zyn ziel moet geweest zyn, toen hy die 't goede en ware zocht, zich hoorde noemen "een bederver der jeugd en een verachter der goden." Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hy zoo treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt "dat het niet gewild heeft." Zulk een kreet van smart--voor gifbeker of kruishout--vloeit niet uit een ongedeerd hart. Daar moet geleden zyn, veel geleden, daar is _ondervonden_! Deze tirade is me ontsnapt ... ze staat er nu eenmaal, en blyve. Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt tegen de verhuizing van de A-gracht! Hy had schipbreuk geleden, meer dan eens. Hy had brand, oproer, sluikmoord, oorlog, duellen, weelde, armoede, honger, cholera, liefde en "liefden" in zyn dagboek staan. Hy had vele landen bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en stand, zeden, vooroordelen, godsdienst en gelaatskleur. Wat dus de levensomstandigheden aangaat, _kon_ hy veel ondervonden hebben. En dat hy werkelyk veel ondervonden had, dat hy 't leven niet was doorgegaan zonder de indrukken _optevangen_ die 't hem zoo ruimschoots aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zyn geest borg wezen, en de ontvankelykheid van zyn gemoed. Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen konden hoeveel hy had bygewoond en geleden, dat hiervan zoo weinig op zyn gelaat te lezen was. Wel sprak er uit zyn trekken iets als vermoeienis, doch dit deed eer denken aan vroegrype jeugd dan aan naderenden ouderdom. En naderende ouderdom had het toch moeten zyn, want in Indien is de man van vyfendertig jaar niet jong meer. Ook zyn aandoeningen, zeide ik, waren jong gebleven. Hy kon spelen met een kind, en als een kind, en meermalen klaagde hy dat "kleine Max" nog te jong was om vliegers optelaten, omdat hy "de groote Max" daarvan zoveel hield. Met jongens sprong hy "haasjen-over" en hy teekende heel gaarne een patroon voor 't borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hy dezen meermalen de naald uit de hand, en vermaakte zich met dat werk, ofschoon hy dikwyls zei dat ze wel wat beters konden dan dat "machinale steken tellen." By jongelieden van achttien jaren was hy een jong student, die gaarne zyn _Patriam canimus_ zong, of _Gaudeamus igitur_ ... ja, ik ben niet geheel zeker, dat hy niet nog zeer kort geleden, toen hy met verlof te Amsterdam was, een uithangbord heeft afgebroken, dat hem niet behaagde omdat er een neger op geschilderd was, geboeid aan de voeten van een Europeaan met een lange pyp in den mond, en waaronder natuurlyk te lezen stond: _de rookende jonge koopman_. De _baboe_ die hy uit den wagen had geholpen, geleek op alle baboes in Indie, als ze oud zyn. Wanneer ge deze soort van bedienden kent, behoef ik u niet te zeggen hoe zy er uitzag. En als gy ze niet kent, kan ik het u niet zeggen. Dit alleen onderscheidde haar van andere kindermeiden in Indie, dat ze zeer weinig te doen had. Want mevrouw Havelaar was een voorbeeld van zorg voor haar kind, en wat er voor of met de kleine Max te doen viel, deed zyzelf, tot groote verwondering van veel andere dames, die niet goedkeurden dat men zich maakte tot "slavin van zyn kinderen." ZEVENDE HOOFDSTUK De resident van _Bantam_ stelde den Regent en den kontroleur aan den nieuwen adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten hoffelyk. Den kontroleur--er is altyd iets pynlyks in de ontmoeting van een nieuwen chef--zette hy door eenige vriendelyke woorden op zyn gemak, als wilde hy terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die 't verkeer zou gemakkelyk maken. Met den Regent was zyn ontmoeting zooals dit behoorde met een persoon die den gouden _pajong_ voert[34] maar die te-gelykertyd zyn "jonger broeder" wezen zou. Met deftige minzaamheid berispte hy hem over zyn te vurigen dienstyver, die in zulk een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeeling gevoerd had, 'tgeen dan ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had behoeven te doen. --Waarlyk, mynheer de _Adhipatti_, ik ben boos op u dat ge u zooveel moeite gegeven hebt om-mynentwil! Ik dacht u eerst te _Rangkas-Betoeng_ aantetreffen. --Ik wenschte den heer adsistent-resident zoo spoedig mogelyk te zien om vriendschap te sluiten, zei de _Adhipatti_. --Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te-paard nogal! --Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog altyd vlug en sterk. --Dit is te veel van uzelf gevergd! Niet waar, resident? --De heer _Adhipatti_. Is. Zeer. --Goed, maar er is een grens. --Yverig, sleepte de resident achterna. --Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nogeens zeggen, als om 't vorige terugteslikken. Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats in den wagen maken. De _baboe_ kan hier blyven, we zullen haar een _tandoe_[35] zenden van _Rangkas-Betoeng_. Myn vrouw neemt Max op den schoot ... niet waar, Tine? En dan is er plaats genoeg. --Het. Is. My. --Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in ... --Wel! zei de resident. --Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te-paard door den modder zoudt klepperen ... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan met-een terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel schikken? Hier, Max ... kyk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig kereltje? Dat is myn kleine jongen ... dat is Max! De resident had met den _Adhipatti_ in de _pendoppo_ plaats genomen. Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wien die schimmel behoorde met roode schabrak? En toen Verbrugge naar den ingang van de _pendoppo_ trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy dezen de hand op den schouder, en vroeg: --Is de Regent altyd zoo dienstyverig? --'t Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat hy gaarne een goeden indruk op u maken zou. --Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord ... hy is beschaafd, niet waar? --O ja ... En hy heeft een groote familie? Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy dezen overgang niet. Dit was dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeielyk. De vlugheid van zyn geest deed hem in gesprekken meermalen eenige schakels der redeneering overslaan, en hoe geleidelyk ook deze overgang plaats vond in _zyn_ gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: ben je gek ... of hoe is het? Zoo-iets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest de vraag herhalen, voor hy antwoordde: --Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie. --En zyn er _Medjiets_ in aanbouw in de afdeeling? ging Havelaar voort, alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf, scheen aanteduiden dat er verband bestond tusschen die _moskeen_ en de "groote familie" van den Regent. Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeen gearbeid werd. --Ja, ja, dat wist ik wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, of er veel achterstand is in de betaling van de landrenten? --Ja, dat kon wel beter zyn ... --Juist, en vooral in het distrikt _Parang-Koedjang_, zei Havelaar, als vond hy 't makkelyker zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit jaar? ging hy voort, en bemerkende dat Verbrugge eenigszins weifelde, als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in een adem aldus vervolgde: --Goed, goed, ik weet het al ... zes-en-tachtig duizend en eenige honderden ... vyftien duizend meer dan in 't vorige jaar ... doch maar zesduizend boven '45. We zyn sedert '43 maar achtduizend vooruit gegaan ... en ook de bevolking is zeer schraal ... nu ja, Malthus! In twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag, want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig ... en nog! Van '50 op '51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit ... dat is een slecht teeken, Verbrugge![36] Wat drommel, zie dat paard eens springen, ik geloof dat het koldert ... kom eens kyken, Max! Verbrugge bemerkte dat hy den nieuwen adsistent-resident weinig zou te leeren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door "lokale ancienneteit" wat de goede jongen dan ook niet begeerd had. --Maar 't is natuurlyk, ging Havelaar voort, terwyl hy Max op den arm nam. In het _Tjikandische_ en _Bolangsche_ zyn ze er heel bly om ... en de opstandelingen in de _Lampongs_ ook.[37] Ik beveel me zeer aan voor uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en dus moeten we ... zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd? Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid verdient ... de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zoo achterlyk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blyven. Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkeerende naar de tafel waar de resident, de _Adhipatti_ en mevrouw Havelaar gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf minuten vroeger, dat "die Havelaar zoo gek niet was" als de kommandant meende. Verbrugge was volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeeling _Lebak_ kende, nagenoeg zoo goed als een zoo groote landstreek, waar niets gedrukt wordt, door een persoon gekend worden kan, begon intezien dat er toch verband was tusschen de schynbaar niet samenhangende vragen van Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsistent-resident, hoezeer hy nooit de afdeeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy nog altyd die vreugde niet over de armoede in _Lebak_, maar hy drong zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel, toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en edels er was in die vreugde. Havelaar en Verbrugge namen plaats by de tafel, en onder 't gebruiken van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso den resident kwam berichten dat de versche paarden waren voorgespannen. Men pakte zich zoo goed mogelyk in den wagen, en reed heen. Door 't hotsen en stooten viel 't spreken moeielyk. Kleine Max werd rustig gehouden met _pisang_[38] en zyn moeder die hem op den schoot had, wilde volstrekt niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van den zwaren jongen te ontlasten. In een oogenblik van gedwongen rust in een moddergat, vroeg Verbrugge den resident, of hy met den nieuwen adsistent-resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering? --M'nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd. --Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou niet gaarne ... --Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite by. --Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in haar omstandigheden! Zoo-iets spreekt vanzelf ... niet waar, Tine? Ook Tine meende dat het vanzelf sprak. --U heeft twee huizen te _Rangkas-Betoeng_, zei Verbrugge. Er is ruimte in overvloed voor twee familien. --Maar, al was dit zoo niet. --Ik. Durfde. Het. Haar. --Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, er is geen twyfel aan! --Niet. Toezeggen. Want. Het. Is. --Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen by ons. --Een. Groote. Last. En. Zy. Is. --Maar het reizen in haar pozitie is onmogelyk, resident! Een hevige schok van den wagen die ontmodderd werd, zette een uitroepingsteeken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke _he_! geroepen, dat op zulk een stoot volgt, Max had in den schoot zyner moeder de _pisang_ weergevonden, die hy door den schok verloor, en reeds was men een heel eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er bytevoegen: --Een. Inlandsche. Vrouw. --O, dit is volkomen hetzelfde, trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus geregeld was, en daar het spreken zoo moeielyk viel, brak men 't gesprek af. Die Mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorloopig belast met het ambt van adsistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende dien tyd de ruime woning te betrekken, die te _Rangkas-Betoeng_, zooals in elke afdeeling, van-landswege voor 't hoofd van het gewestelyk bestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk misschien uit vrees dat hy te spoedig op-nieuw zou moeten verhuizen, gedeeltelyk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen overtelaten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry groote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde "erf" nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in-weerwil van den eenigszins bouwvalligen staat, nog altyd zeer geschikt was ter bewoning. Mevrouw Slotering had den resident verzocht haar voorspraak te zyn by den opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te bewonen tot na haar verlossing, die zy over eenige maanden te-gemoet zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zoo gereedelyk was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvry en hulpvaardig waren zy in de hoogste mate. We hoorden den resident zeggen dat mevrouw Slotering een "inlandsche vrouw" was. Dit vereischt voor niet-indische lezers eenige opheldering, daar men al licht tot de onjuiste meening geraken zou hier met een eigenlyk-javaansche te doen te hebben. De europesche maatschappy in Nederlandsch Indien is vry scherp in twee deelen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die--hoezeer wettelyk in geheel denzelfden rechtstoestand verkeerende--niet in Europa geboren zyn, en min of meer inlandsch bloed in de aderen hebben. Ter-eere der begrippen van menschelykheid in Indie, haast ik me hier bytevoegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in 't maatschappelyk verkeer wordt getrokken tusschen de twee soorten van individuen, welke tegenover den inlander gelykelyk den naam van _Hollander_[39] dragen, deze afscheiding evenwel geenszins 't barbaarsch karakter vertoont, dat in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft bestaan, en dat het woord _liplap_ my meermalen in de ooren klonk als een bewys hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by-uitzondering in gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: "niet voor vol wordt aangezien" maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting hooren voorstellen en verdedigen als een _grondbeginsel_. Het staat natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men mag het den eigenlyken Europeaan niet euvel duiden, wanneer hy den omgang met lieden van zyn landaard voortrekt boven 't verkeer met personen die--hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waarde in 't midden gelaten--zyn indrukken en denkbeelden niet deelen, of--en dit is misschien by vermeend verschil van _beschaving_, zeer dikwyls de hoofdzaak--wier _vooroordeelen een andere richting hebben genomen_ dan de zyne.[40] Een _liplap_--om den term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden, zou ik moeten zeggen een "_dusgenaamd inlandsch kind_" maar ik vraag vergunning my te houden aan 't spraakgebruik dat uit allitteratie. geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beleedigends bedoel, en wat beteekent het woord dan ook?--een liplap heeft veel goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds, en ook hierin alzoo gelyken zy op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde dat aan beiden eigen is loopt te veel uit elkander, dan dat hun verkeering over 't algemeen tot wederzydsch genoegen kan strekken. Bovendien--en hieraan heeft de Regeering veel schuld--is de liplap dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen zou, als hy zoo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelyke ontwikkeling van den liplap _in 't algemeen_ zyn gelykstelling met den Europeaan in den weg staat, ook daar waar hy _als individu_ in beschaving, wetenschap of kunst, misschien den voorrang boven een bepaalden europeschen persoon verdienen zou. Ook hieraan is weder niets nieuws. Het lag ook, byv. in de staatkunde van Willem den Veroveraar, om den minstbeduidenden Normandier te verheffen boven den beschaafdsten Sakser, en elke Normandier beriep zich gaarne op 't overwicht der Normandiers _in het algemeen_, om zyn persoon ook daar te doen gelden, waar hy de minste zou geweest zyn _zonder_ den invloed zyner stamgenooten als bovenliggende party. Uit zoo-iets wordt natuurlyk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren. die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgeerige onbekrompen inzichten en maatregelen van het bestuur.[41] Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan den winnenden kant is, zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelyk schikt, spreekt vanzelf. Maar dikwyls is 't koddig, iemand die zyn beschaving en taal grootendeels opdeed in de rotterdamsche _Zandstraat_, den liplap te hooren uitlachen omdat deze een _glas water_ en 't _gouvernement_, mannelyk-, of _zon_ en _maan_ onzydig maakt. Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd--er zyn er zoo!--zoodra de Europeaan, die zich ziek hield om achterteblyven van 't schip waarop hy borden waschte, en die zyn aanspraken op beleefdheid bazeert op "uwee" en "verexkuseer" aan het hoofd staat van de handelsonderneming die zoo "enorm" gewonnen heeft op de indigo in 1800 zooveel ... neen, lang voor hy de "_toko_" bezat, waarin hy hammen en jachtgeweren verkoopt--wanneer zoo'n Europeaan opmerkt dat de beschaafdste liplap moeite heeft de _h_ en de _g_, uit elkaar te houden, lacht hy over de domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is tusschen een _gouden hek_ en een _houten gek_. Maar om hierover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het arabisch en maleisch de _cha_ en de _hha_ door een karakter worden uitgedrukt, dat _Hieronymus_ via _Geronimo_ in _Jerome_ overgaat, dat we van _huano_, _guano_ maken, dat een _want_ een _handschoen_ is, dat _kous_ van _hose_ afstamt, en dat we voor _Guild Heaume_ in 't hollandsch _Huillem_ of _Willem_ zeggen. Zooveel eruditie is te veel gevergd van iemand die zyn fortuin maakte "in" de indigo, en z'n beschaving haalde uit het welgelukken van dobbelary ... of erger! En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap! Ik begryp hoe _Willem_ van _Guillaume_ komt, en moet erkennen dat ik, vooral in de Molukken, zeer dikwyls "liplappen" heb leeren kennen, die me deden verbaasd staan over den omvang hunner kennis, en die my op 't denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook ten-dienste stonden, dikwyls--en niet vergelykender-wyze alleen--verre ten-achteren staan by de arme pariah's die van de wieg af hadden te stryden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en 't zot vooroordeel tegen hun kleur. Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fouten in 't hollandsch, omdat ze nooit anders dan maleisch sprak. We zullen haar later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleinen Max thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residents-woning te _Rangkas-Betoeng_, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stooten, eindelyk behouden aankwam. De resident, die slechts was meegekomen om den nieuwen adsistent-resident in zyn ambt te bevestigen, gaf den wensch te kennen nog dienzelfden dag naar _Serang_ terugtekeeren: --Omdat. Hy. Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot allen spoed ... --Het. Zoo. Druk. Had. ...en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de groote voorgalery der woning van den Regent zou by-eenkomen. Verbrugge, hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden, den _Patteh_, den _Kliwon_, den _Djaksa_[42] den belasting-kollekteur, eenige _mantries_, en voorts aan alle inlandsche beambten die deze plechtigheid moesten bywonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te verzamelen. De _Adhipatti_ nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de tuin groot was, 'tgeen haar zoo goed voorkwam voor kleinen Max die veel in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan om zich te verkleeden, want by de plechtigheid die er plaats hebben zou, scheen het officieel voorgescheven kostuum een vereischte te wezen. Rondom het huis stonden honderden menschen, die of te-paard den wagen van den resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen Hoofden behoorden. De policie-en bureau-oppassers liepen bedryvig heen-en-weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat vergeten plekje gronds in den javaschen Westhoek, voor een oogenblik werd afgebroken door wat leven. Weldra reed de fraaie wagen van den _Adhipatti_ 't voorplein op. De resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de woning van den Regent, waar ze met muziek van _gongs_ en _gamlangs_ ontvangen werden.[43] Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een grooten kring, naar oostersche wyze op matten op den grond, en aan 't eind van de lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de _Adhipatti_, de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal Hoofden plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige plechtigheid begon. De resident stond op, en las het besluit van den Gouverneur-generaal voor, waarby Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resident van de afdeeling _Bantan-Kidoel_ of Zuid-Bantam, zooals _Lebak_ door de inlanders genoemd wordt. Hy nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot de aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende: "_dat men om tot het ambt van ***** te worden benoemd of bevorderd, niemand iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en getrouw zal zijn aan zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; gehoorzaam aan zijner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal gedragen gelijk een goed_ ... (hier: adsistent-resident) _betaamt_." Hierop volgde natuurlyk het sakramenteele: "_zoo waarlijk helpe mij God Almachtig_." Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in dezen eed begrepen, had eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: _de inlandsche bevolking, te zullen beschermen tegen uitzuiging, en onderdrukking_. Want, zwerende dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om intezien dat eigenlyk een byzondere eed hieromtrent niet te-pas kwam. Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een afzonderlyken eed, waarby die verplichting omtrent den geringen man nogeens uitdrukkelyk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal "God Almachtig" tot getuige nemen by de belofte: dat hy de "_inlandsche bevolking, beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en knevelarij_." Voor een fynen opmerker zou 't de moeite waard zyn geweest, het onderscheid gadeteslaan tusschen houding en toon van den resident en van Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen veroorzaakt door 't uiteenloopende der karakters en begrippen van deze beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar hy 't besluit en de eeden slechts behoefde voortelezen, 'tgeen hem de moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde van zyn kant alles, met een deftigheid en een ernst, die den oppervlakkigen beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van 't gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met opgeheven vinger de eeden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding, alsof hy zeggen wilde: "dat spreekt vanzelf, ook _zonder God Almachtig_, zou ik dat doen" en wie menschkunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambtelyke deftigheid van den resident. Is 't niet inderdaad bespottelyk, te meenen dat de man die geroepen is recht te spreken, de man aan wien het wel of wee van duizenden is in handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen voelt door zyn eigen hart? Wy gelooven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by "God Almachtig" het tegendeel beloofd. Daarop volgde een toespraak van den resident tot de Hoofden, waarop hy hun den adsistent-resident als opperhoofd der Afdeeling voorstelde, hen uitnoodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt natekomen, en dergelyke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop een-voor-een by name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand, en de "installatie" was afgeloopen. Men gebruikte ten-huize van den _Adhipatti_ 't middagmaal, waartoe ook de kommandant Duclari genoodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte de resident die gaarne nog dien avend te _Serang_ wilde terug zyn: --Omdat. Hy. Het. Zoo. Byzonder. Druk. Had. ...weder in zyn reiswagen, en zoo keerde _Rangkas-Betoeng_ weldra terug tot een stilte, als te verwachten is van een javasche binnenpost die door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan den grooten weg gelegen was. De kennismaking tusschen Duclari en Havelaar was spoedig op een gemakkelyken voet gebracht. De _Adhipatti_ gaf blyken van ingenomenheid met zyn nieuwen "ouder broeder" en Verbrugge verhaalde later dat ook de resident, dien hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs-uitgeleide had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar doortocht naar Lebak eenige dagen ten-zynen-huize vertoefde, had uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regeering goed aangeteekend staande, hoogstwaarschynIyk spoedig tot een hooger ambt bevorderd, of althans naar een meer "voordeelige" afdeeling verplaatst worden zou. Max en "zyn Tine" waren eerst onlangs van een reis naar Europa teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer eigenaardig een koffertjes-leven heb hooren noemen. Zy achtten zich dus gelukkig, na veel omzwervens eindelyk weder eens een plek te bewonen waar zy zouden te-huis behooren. Voor hun reis naar Europa, was Havelaar adsistent-resident van Amboina geweest, waar hy met veel moeielykheden had te stryden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistenden en oproerigen toestand verkeerde ten-gevolge van de vele verkeerde maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren. Niet zonder veerkracht had hy dezen geest van verzet weten te onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin van-hoogerhand verleende, en uit ergernis over 't ellendig bestuur dat sedert eeuwen de heerlyke streken der Molukken ontvolkt en bederft ... De belangstellende lezer trachte te lezen te krygen wat over dit onderwerp reeds in 1825 door den baron Van der Capellen geschreven werd, en kan de Publikatien van dezen menschenvriend vinden in het Indische Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert dien tyd niet beter op geworden! Hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy mocht en kon, maar uit ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek geworden, en dit had hem bewogen naar Europa te vertrekken.[44] Strikt genomen had hy by wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins welvarende afdeeling _Lebak_, daar zyn werkkring te Amboina van grooter gewicht was, en hy daar, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok, spraak van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus sommigen dat hem thans het bestuur eener Afdeeling werd opgedragen, die aan kultuur-emolumenten zoo weinig opbracht, dewyl velen het belang eener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was geenszins van dien aard, dat hy bedelen zou om hoogeren rang of meer gewin.[45] En dit laatste ware hem toch goed te-stade gekomen! Want op zyn reizen in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had overgegaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in een woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt beschouwd als een geldwinning, en by zyn benoeming naar _Lebak_ nam hy zich met tevredenheid voor, het achterstallige door zuinigheid intehalen, in welk voornemen zyn vrouw die zoo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen ondersteunen zou. Maar zuinigheid viel Havelaar moeielyk. Hy voor zichzelf kon zich tot het strikt-noodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hyzelf zag dit zwak in, beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe _onrecht_ hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak zou gehad hebben op zyn eigen hulp ... gevoelde dit onrecht nog levendiger, wanneer ook "zyn Tine" en Max, die hy beiden zoo lief had, te lyden hadden onder de gevolgen zyner vrygevigheid ... hy verweet zich zyn goedhartigheid als zwakte, als ydelheid, als zucht om voor een verkleeden prins doortegaan ... hy beloofde zich beterschap, en toch ... telkens als deze of gene zich aan hem wist voortedoen als 't slachtoffer van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En dit in-weerwil der bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdryving tot fout geworden deugd. Acht dagen voor de geboorte van zyn kleinen Max, bezat hy 't noodige niet om 't yzeren wiegje te koopen waarin zyn lieveling rusten zou, en weinig tyds te-voren nog had hy de weinige versierselen zyner vrouw opgeofferd, om iemand bytestaan, die gewis in beter omstandigheden verkeerde dan hyzelf. Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zy waren aangekomen te _Lebak_! Met vroolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: "waar ze nu toch eenigen tyd hoopten te blyven." Met een eigenaardig genot hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zoo _comfortable_ en gezellig maken zouden. Zy toonden elkaar de plekken waar ze zouden ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan, waar hy 's avends haar zou voorlezen wat hy dien dag geschreven had, want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op 't papier ... en: "eens zou dat gedrukt worden, meende Tine, en dan zou men zien wie haar Max was!" Maar nooit had hy iets ter-perse laten leggen van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist dezen schroom niet beter te beschryven, dan door aan wie hem aanspoorden tot publiciteit, te vragen: "zoudt _gy_ uw dochter op-straat laten loopen zonder hemd?" Dit was dan weer een van de vele _boutades_, die zyn omgeving deden zeggen dat "die Havelaar toch een zonderling mensch was, en ik beweer het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zyn ongewone wyze van spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van een meisje, wellicht den tekst gevonden hebben voor een verhandeling over de kuisheid van den geest, die schuw is voor de blikken van den lompen voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke schroomvalligheid.[46] Ja, ze zouden gelukkig zyn te _Rangkas-Betoeng_, Havelaar en zyn Tine! De eenige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar Indie, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner inkomsten? Misschien ook, ja waarschynlyk, zou hy spoedig resident worden, en dan werd alles makkelyk geregeld in weinig tyds ... --Hoewel 't my erg spyten zou, Tine, _Lebak_ te verlaten, want er is hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy misschien alles afdoen, ook zonder bevordering ... en dan hoop ik lang hier te blyven, heel lang! Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefte hy tot haar niet te richten. _Zy_ had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid noodig was geworden, doch ze had zich zoo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was. Want Havelaar wist zeer goed dat _hy_ alleen gefaald had door zyn te ver gedreven vrygevigheid, en dat _haar_ fout--als er dan een fout bestond aan hare zyde--alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max altyd alles had goedgekeurd wat hy deed. Ja, _zy_ had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de _Nieuwstraat_, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren "uitgeweest" rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig voorwendsel dat de Koning hem belast had met: "het amuzeeren van oude vrouwtjes die zich zoo goed gedragen hadden". _Zy_ vond het goed dat hy de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. _Zy_ begreep volkomen dat hy de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zoo noodig hadden voor hun schamel bedryf. _Zy_ kon het niet afkeuren dat hy 't meisje tot haar bracht, dat 'savends op de straat hem had aangesproken ... dat hy haar te eten gaf en herbergde, en 't al te goedkoop "ga heen, en zondig niet meer!" niet uitsprak, voor hy haar dat "niet zondigen" had mogelyk gemaakt. _Zy_ vond het zeer schoon in haar Max, dat hy 't klavier liet terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hy had hooren zeggen hoe leed het hem deed dat de meisjes verstoken waren van muziek "na dat bankroet." _Zy_ begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie vrykocht te Menado, die zoo bitter bedroefd was te moeten stygen op de tafel des afslagers. _Zy_ vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan de Alfoeren in de _Minahassa_, wier paarden waren doodgereden door de officieren van de _Bayonnaise_. _Zy_ had er niet tegen dat hy te Menado en te Amboina de schipbreukelingen der amerikaansche _whalers_ by zich riep en verzorgde, en zich te _grand seigneur_ achtte om een herbergiersrekening voorteleggen aan 't amerikaansch Gouvernement. [47] _Zy_ begreep volkomen waarom de officieren van byna elk aangekomen oorlogschip grootendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd _pied-a-terre_ was. Was hy niet haar Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet ongerymd, hem die zoo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En bovendien, al mocht er dan soms voor 't oogenblik iets onevenredigs wezen tusschen inkomsten en uitgaven, was Max, haar Max, niet bestemd voor een schitterende loopbaan? Moest hy niet weldra in omstandigheden verkeeren, die hem zouden in-staat stellen zonder overschryding zyner inkomsten den vryen loop te laten aan zyn groothartige neigingen? Moest haar Max niet Gouverneur-generaal worden van dat lieve Indie, of ... een koning? Wast 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds koning was? Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid met Havelaar schuld daaraan, en zoo ooit, dan zou 't hier gelden: dat men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad! Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te deelen in de overdreven begrippen die zy van haren Max koesterde, mag men toch aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen zyner vrygevigheid weldra uit den weg te ruimen geweest zyn. Maar nog een reden van geheel anderen aard verontschuldigde hare en zyne schynbare zorgeloosheid. Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by hare familie opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele brieven van vroeger tyd, en uit eenige losse aanteekeningen die zy in een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zoo van vaders- als van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem evenwel duidelyk worden kon, waar, waardoor of wanneer die rykdom was verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van geldelyken aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by haar aandrong op eenige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem den vyfden naar Engeland uitgeweken en ridmeester geweest by 't leger des hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke familie een vroolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd opgegeven als oorzaak van den ondergang zyner fortuin. Later, by Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel. Aandoenlyk was het, de brieven te lezen van haar vader--toen een jongeling van achttien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hy acht jaren later krankzinnig sterven zou--brieven aan zyn moeder, waarin hy zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar 't lyk zyns vaders had gezocht.[48] Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar grootvader op zeer aanzienlyken voet geleefd had, en uit sommige papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posteryen in Zwitserland, op de wyze zooals thans nog in een groot gedeelte van Duitschland en Italie, die tak van inkomst de _apanage_ uitmaakt der vorsten van _Turn en Taxis_.[49] Dit deed een groot vermogen veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht. Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zyn huwelyk, en by zyn nasporingen wekte het zyn verwondering dat de kassette waarvan ik zoo-even sprak--met den inhoud uit een gevoel van _pieteit_ bewaarde, zonder te gissen dat daarin misschien stukken waren, die belang hadden uit een geldelyk oogpunt--op onbegrypelyke wyze was verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hy bouwde op deze en vele andere omstandigheden de meening dat hierachter een _roman intime_ verscholen lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat hy, die voor zyn duren inborst veel behoefde, met vreugde dien roman een bly einde had zien nemen. Hoe 't nu wezen moog met het bestaan van dien roman, en of er al dan niet _spoliatie_ had plaats gehad, zeker is 't dat er in Havelaars verbeelding iets geboren werd, wat men een _reve aux millions_ zou kunnen noemen.[50] Doch alweer was 't eigenaardig dat hy die zoo nauwkeurig en scherp het recht van een ander--hoe diep ook begraven onder stoffige akten en dikwebbige _chicanes_--zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hy hier waar zyn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het oogenblik verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hy scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zyn eigen voordeel gold, en ik geloof zeker wanneer "zyn Tine" gehuwd ware geweest met een ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag te verbreken waarin haar voorouderlyk fortuin was blyven hangen, dat hy geslaagd zou zyn "de interessante wees" in 't bezit te stellen van het vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees _zyn_ vrouw, haar vermogen was het _zyne_, hy vond er dus iets koopmansachtigs in, iets derogeerends, in haar naam te vragen: "zyt ge my niet nog iets schuldig?" En toch kon hy dien millioenendroom niet van zich schudden, al ware het dan ook slechts om een verontschuldiging by de hand te hebben, by het dikwyls voorkomend zelfverwyt dat hy te veel geld uitgaf. Eerst kort voor het terugkeeren naar Java, toen hy reeds veel geleden had onder den druk van geldgebrek, toen hy zyn fier hoofd had moeten buigen onder de _furca caudina_ van menigen schuldeischer, had hy zyn traagheid of zyn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de millioenen die hy meende nog te-goed te hebben. En men antwoordde hem met eene oude rekening-courant ... een argument, zooals men weet, waartegen niets valt intebrengen. Maar ze zouden zoo spaarzaam wezen te _Lebak_! En waarom ook niet? Er dwalen in zoo'n onbeschaafd land, op den laten avend geen meisjes over straat, die een weinig eer te verkoopen hebben voor een weinig voedsel.[51] Er zwerven daar zoo geen menschen rond, die van problematische beroepen leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin op-eens te-gronde gaat door wisseling van fortuin ... en van zoodanigen aard toch waren gewoonlyk de klippen waarop de goede voornemens van Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die Afdeeling was zoo gering dat het niet in aanmerking komen kon, en de javaan te _Lebak_ te arm om--by welke lotwisseling ook--belangwekkend te worden door nog grooter armoede. Dit alles overdacht Tine zoo niet--hiertoe toch had zy zich, juister dan zy uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden--maar er lag in hun nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen --met meer of min valsch-romanesken tint dan--die vroeger Havelaar zoo dikwyls hadden doen zeggen: --Niet waar, Tine, dat is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken kan? En waarop zy altyd geantwoord had: --Wel neen, Max, daaraan kanje je niet onttrekken! We zullen zien hoe't eenvoudige, schynbaar onbewogen _Lebak_ Havelaar meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zyn hart te-zamen genomen. Maar dit wisten zy niet! Zy zagen de toekomst met vertrouwen te-gemoet, en voelden zich zoo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van hun kind ... --Wat al rozen in den tuin, riep Tine, en ziedaar ook _rampeh_ en _tjempaka_, en zooveel _melati_, en zie eens al die schoone lelien ... En, kinderen als ze waren, vermaakten zy zich met hun nieuw huis. En toen 's avends Duclari en Verbrugge, na een bezoek by Havelaar, terugkeerden naar hun gemeenschappelyke woning, spraken zy veel over de kinderlyke vroolykheid van de nieuw aangekomen familie. Havelaar begaf zich naar zyn kantoor, en bleef daar den nacht door, tot den volgenden morgen. ACHTSTE HOOFDSTUK Havelaar had den kontroleur verzocht, de hoofden die te _Rangkas-Betoeng_, aanwezig waren, uittenoodigen daar tot den volgenden dag te vertoeven om de _Sebah_[52] bytewonen, die hy beleggen wilde. Zulk een vergadering had gewoonlyk eens in de maand plaats, doch hetzyd-i aan sommige Hoofden die wat ver van de hoofdplaats woonden--want de Afdeeling _Lebak_ is zeer uitgestrekt--het onnoodig heen-en weerreizen wilde besparen, hetzyd-i wenschte, terstond en zonder den vastgestelden dag aftewachten, hen op plechtige wyze toetespreken, hy had den eersten _Sebah_-dag op den volgenden morgen bepaald. Links voor zyn woning, doch op 'tzelfde "erf" en tegenover 't huis dat mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelyk de bureaux der adsistent-residentie bevatte, waartoe tevens de landskas behoorde, en gedeeltelyk bestond in een vry ruime open galery, die een zeer goede gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Daar waren dan ook den volgenden morgen de Hoofden vroegtydig vereenigd. Havelaar trad binnen, groette, en nam plaats. Hy ontving de geschreven maandelyksche berichten over landbouw, veestapel, politie, en justitie, en legde die tot nader onderzoek ter-zyde. Ieder verwachtte hierop een toespraak als die welke de resident op den vorigen dag had gehouden, en het is niet geheel-en-al zeker dat Havelaar zelf van voornemen was iets anders te zeggen, doch men moest hem by zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voortestellen hoe hy, by toespraken als deze, zich opwond en door zyn eigenaardige wyze van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich dan zyn houding oprichtte, hoe zyn blik vuur schoot, hoe zyn stem van 't vleiend zachte in 't vlymend scherpe overging, hoe de beelden van zyn lippen vloeiden als strooide hy iets kostbaars om zich heen dat toch hem niets kostte, en hoe, als hy ophield, ieder hem aanstaarde met open mond als om te vragen: "myn God, wie zyt ge?" Het is waar dat hyzelf, die by zulke gelegenheid sprak als een apostel, als een ziener, later niet juist wist hoe hy gesproken had, en zyn welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en te treffen, dan door bondigheid van redeneering te overtuigen. Hy zou den krygslust der Atheners, zoodra tot den oorlog tegen Philippus besloten was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed waarschynlyk zou hy geslaagd zyn, als zyn taak geweest ware hen door redeneering tot dien oorlog te bewegen. Zyn aanspraak tot de _Lebaksche_ hoofden was natuurlyk in 't maleisch, en ontleende hieraan een eigenaardigheid temeer, daar de eenvoudigheid der oostersche talen aan veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in onze idiomen door litterarische gekunsteldheid is verloren gegaan, terwyl aan den anderen kant het zoetvloeiende van 't maleisch moeielyk in eenige andere taal is weertegeven. Men bedenke bovendien, dat het meerendeel zyner hoorders uit eenvoudige, doch geenszins domme menschen bestond, en tevens dat het Oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze. Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben: Mynheer de _Radhen Adhipatti_, Regent van _Bantan-Kidoel_, en gy, _Radhens Dhemang_ die Hoofden zyt der distrikten in deze Afdeeling, en gy, _Radhen Djaksa_ die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gy, _Radhen Kliwon_ die gezag voert op de hoofdplaats, en gy _Radhens_, _Mantries_, en allen die Hoofden zyt in de afdeeling _Bantan-Kidoel_, ik groet u![53] En ik zeg u dat ik vreugde voel in myn hart, nu ik hier u allen vergaderd zie, luisterende naar de woorden van myn mond. Ik weet dat er onder u lieden zyn, die uitsteken in kennis en in braafheid van hart: ik hoop myn kennis door de uwe te vermeerderen, want zy is niet zoo groot als ik wenschte. En ik heb wel de braafheid lief, maar dikwyls bespeur ik dat er in myn gemoed fouten zyn, die de braafheid overschaduwen en daaraan den groei benemen ... gy allen weet hoe de groote boom den kleinen verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op degenen onder u, die uitstekend zyn in deugd, om te trachten beter te worden dan ik ben. Ik groet u allen zeer. Toen de Gouverneur-generaal my gelastte tot u te gaan om adsistent-resident te zyn in deze afdeeling, was myn hart verheugd. Het kan u bekend zyn dat ik nooit _Bantan-Kidoel_ had betreden. Ik liet my dus geschriften geven, die over uwe afdeeling handelen, en heb gezien dat er veel goeds is in _Bantan-Kidoel_. Uw volk bezit rystvelden in de dalen, en er zyn rystvelden op de bergen. En ge wenscht in vrede te leven, en ge begeert niet te wonen in de landstreken die bewoond worden door anderen. Ja, ik weet dat er veel goeds is in _Bantan-Kidoel_! Maar niet hierom alleen was myn hart verheugd. Want ook in andere streken zou ik veel goeds gevonden hebben. Doch ik ontwaarde dat uwe bevolking arm is, en hierover was ik blyde in het binnenste myner ziel. Want ik weet dat Allah den arme liefheeft, en dat Hy rykdom geeft aan wien hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hy wie zyn woord spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende. Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den bloemkelk die dorst heeft? En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken, die achterbleven na den arbeid en neerzonken langs den weg, daar hun knieen niet sterk meer waren om optegaan naar de plaats van het loon? Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie in de groeve viel, en een staf te geven aan wien de bergen beklimt? Zou niet myn hart opspringen als het ziet gekozen te zyn onder velen, om van klagen een gebed te maken en dankzegging van geween? Ja, ik ben zeer blyde geroepen te zyn in _Bantan-Kidoel_! Ik heb gezegd tot de vrouw die myne zorgen deelt en myn geluk grooter maakt: "verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van ons kind! Hy heeft my gezonden naar een oord waar niet alle arbeid is afgeloopen, en Hy keurde my waardig daar te zyn voor den tyd van den oogst. Want niet in het snyden der _padie_ is de vreugde: de vreugde is in het snyden der _padie_ die men geplant heeft. En de ziel des menschen groeit niet van het loon, maar van den arbeid die het loon verdient. En ik zeide tot haar: Allah heeft ons een kind gegeven, dat eenmaal zeggen zal: "weet ge dat ik zyn zoon ben?" En dan zullen er wezen in het land, die hem groeten met liefde, en die de hand zullen leggen op zyn hoofd, en zeggen zullen: "zet u neder aan ons maal, en bewoon ons huis, en neem uw deel aan wat wy hebben, want ik heb uwen vader gekend." Hoofden van _Lebak_, er is veel te arbeiden in uwe landstreek! Zegt my, is niet de landman arm? Rypt niet uw _padie_ dikwerf ter voeding van wie niet geplant hebben? Zyn er niet vele verkeerdheden in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering? Is er niet schaamte in uwe zielen, als de bewoner van _Bandoeng_[54] dat daar ten-oosten ligt, uwe streken bezoekt, en vraagt: "waar zyn de dorpen, en waar de landbouwers? En waarom hoor ik den _gamlang_ niet, die blydschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der _padie_ uwer dochters?" Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de Zuidkust, en de bergen te zien die geen water dragen op hunne zyden, of de vlakten waar nooit een buffel den ploeg trok? Ja, ja, ik zeg u dat uw en myn ziel daarover bedroefd is! En daarom juist zyn wy Allah dankbaar dat hy ons macht heeft gegeven om hier te arbeiden. Want wy hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners weinig zyn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen der bergen zuigen de wolken des hemels ter aarde. En niet overal zyn rotsen die plaats weigeren aan den wortel, want op veel plaatsen is de grond week en vruchtbaar, en roept om de graankorrel die hy ons wil weergeven in gebogen halm. En er is geen oorlog in het land die de _padie_ vertreedt als ze nog groen is, noch ziekte die den _patjol_ nutteloos maakt.[55] Noch zyn er zonnestralen, heeter dan noodig is om het graan te doen rypen dat u en uw kinderen voeden moet, noch _banjirs_ die u doen jammeren: "wys my de plaats waar ik gezaaid heb!"[56] Waar Allah waterstroomen zendt, die de akkers wegnemen ... waar Hy den grond hard maakt als dorre steen ... waar Hy Zyn zon doet gloeien ter verschroejing ... waar Hy oorlog zendt, die de velden omkeert ... waar Hy slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte die de aren doodt ... daar, Hoofden van _Lebak_, buigen wy deemoedig het hoofd, en zeggen: "Hy wil het zoo!" Maar niet aldus in _Bantan-Kidoel_! Ik ben hier gezonden om uw vriend te zyn, uw ouder broeder. Zoudt gy uw jongeren broeder niet waarschuwen als ge een tyger zaagt op zyn weg? Hoofden van _Lebak_, we hebben dikwyls misslagen begaan, en ons land is arm omdat we zooveel misslagen begingen. Want in _Tjikandi_ en _Bolang_, en in het _Krawangsche_, en in de ommelanden van _Batavia_, zyn velen die geboren zyn in ons land, en die ons land verlaten hebben.[57] Waarom zoeken zy arbeid, ver van de plaats waar ze hun ouders begroeven? Waarom vlieden zy de _dessah_[58] waar zy de besnydenis ontvingen? Waarom verkiezen zy de koelte van den boom die daar groeit, boven de schaduw onzer bosschen? En ginds in 't noordwesten over de zee, zyn velen die onze kinderen moesten zyn, maar die _Lebak_ hebben verlaten om rondtedolen in vreemde streken met _kris_ en _klewang_, en schietgeweer. En ze komen ellendig om, want er is macht van de Regeering daar, die de opstandelingen verslaat.[59] Ik vraag u, Hoofden van _Bantan-Kidoel_, waarom zyn er zoovelen die weggingen, om niet begraven te worden waar ze geboren zyn? Waarom vraagt de boom, waar de man is dien hy als kind zag spelen aan zyn voet? * * * * * Havelaar hield hier een oogenblik op. Om eenigszins den indruk te begrypen dien zyn taal maakte, had men hem moeten hooren en zien. Toen hy sprak van zyn kind, was er in zyn stem iets zachts, iets onbeschryfelyk roerends, dat uitlokte tot de vraag: "waar is de kleine? Reeds nu wil ik 't kind kussen, dat zyn vader zoo spreken doet!" Maar toen hy kort daarna, schynbaar met weinig geleidelykheid, overging tot de vragen waarom _Lebak_ arm was, en waarom er zooveel bewoners van die streken verhuisden naar elders, klonk er in zyn toon iets dat denken deed aan 't geluid dat een boor maakt, als ze met kracht wordt geschroefd in hard hout. Toch sprak hy niet luid, noch drukte hy byzonder op enkele woorden, en zelfs was er iets eentonigs in zyn stem, maar hetzy studie of natuur, juist deze eentonigheid maakte den indruk zyner woorden sterker op gemoederen die zoo byzonder ontvankelyk waren voor zulke taal. Zyn beelden, die altyd genomen waren uit het leven dat hem omringde, waren voor hem werkelyk hulpmiddelen tot begrypelyk maken van wat hy bedoelde, en niet, zooals vaak geschiedt, lastige aanhangsels die de zinsneden der redenaars bezwaren, zonder eenige duidelykheid toetevoegen aan 't begrip der zaak die men voorgeeft toetelichten. We zyn thans gewoon aan de ongerymdheid van de uitdrukking: "sterk als een leeuw" maar wie in Europa dit beeld het eerst gebruikte, toonde dat hy zyn vergelyking niet had geput uit de zielepoezie die beelden geeft voor redeneering en niet anders spreken _kan_, doch zyn aanvullende gemeenplaats eenvoudig had afgeschreven uit een of ander boek--uit den bybel misschien--waarin een _leeuw_ voorkwam. Want niemand zyner hoorders had ooit de sterkte des leeuws ondervonden, en 't ware dus veeleer noodig geweest hun die sterkte te doen beseffen door vergelyking van den leeuw met iets waarvan de kracht hun by ervaring bekend was, dan omgekeerd. Men erkenne dat Havelaar werkelyk dichter was. Ieder gevoelt dat hy, sprekende van de rystvelden die er waren op de bergen, de oogen daarheen richtte door de open zyde der zaal, en dat hy die velden inderdaad zag. Men beseft, als hy den boom liet vragen waar de man was die als kind aan zyn voet gespeeld had, dat die boom daar stond en voor de verbeelding van Havelaars toehoorders in werkelykheid vragend rondstaarde naar de heengegane bewoners van _Lebak_. Ook verzon hy niets: hy hoorde den boom spreken, en meende slechts natezeggen wat hy in zyn dichterlyke opvatting zoo duidelyk verstaan had. Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het oorspronkelyke in Havelaars wyze van spreken niet zoo onbetwistbaar is, daar zyn taal denken doet aan den styl der profeten van 't Oude-Testament, moet ik herinneren reeds gezegd te hebben dat hy in oogenblikken van vervoering werkelyk iets had van een ziener. Gevoed door de indrukken die 't leven in wouden en op bergen hem had meegedeeld, omgeven door de poezie-ademende atmosfeer van het oosten, en alzoo scheppende uit gelyksoortige bron als de Vermaners der Oudheid waarmee men soms zich genoopt voelde hem te vergelyken, gissen wy dat hy niet anders zou gesproken hebben, ook wanneer hy nooit de heerlyke dichtstukken van het Oude-Testament gelezen had. Vinden we niet reeds in de verzen die van zyn jeugd dagteekenen, regels als deze, die geschreven waren op den _Salak_--een der reuzen, maar niet de grootste, onder de bergen van de _Preanger Regentschappen_--waarin alweder de aanhef de zachtheid zyner aandoeningen teekent, om op-eens overtegaan in 't naspreken van den donder dien hy onder zich hoort: 't Is zoeter hier zijn Maker luid te loven... 't Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelrij... Veel meer dan ginds rijst hier het hart naar boven: Men is zijn God op bergen meer nabij! Hier schiep Hijzelf altaar en tempelkoren, Nog door geen tred van 's menschen voet ontwijd, Hier doet Hij zich in 't raat'lend onweer hooren... En rollend roept Zijn donder: Majesteit!(*) (*)Frits zegt: _ijd_ en _eit_ rijmt niet, althans niet in Friesland en Zeeland. Die Sjaalman schijnt dan niet eens verzen te maken, die deugen. 't Is waar, 't was in zijn jeugd. B. Droogstoppel[60] ... en gevoelt men niet, dat hy de laatste regels niet zoo had kunnen schryven, als hy niet werkelyk had meenen te hooren en te verstaan hoe Gods donder hem die regels in klaterende trilling tegen de wanden van 't gebergte toeriep? Maar hy hield niet van verzen. "Het was een leelyk ryglyf" zeide hy, en als hy er toe gebracht werd iets te lezen van wat hy "begaan" had, zooals hy zich uitdrukte, schiep hy er vermaak in, zyn eigen werk te bederven, of door 't voortedragen op een toon die 't belachelyk maken moest, of door op-eenmaal, vooral by een hoogst-ernstigen passus, aftebreken, en er een kwinkslag tusschen te werpen, die de toehoorders pynlyk aandeed, maar die by hem niets anders was dan een bloedige satire op de onevenredigheid tusschen dat keurslyf en zyn ziel die zich daarin zoo benauwd voelde. Er waren onder de Hoofden slechts weinigen die van de rondgediende ververschingen iets gebruikten. Havelaar had namelyk met een wenk gelast, de by zoodanige gelegenheid onvermydelyke thee met _maniessan_[61] rondtedienen. Het scheen dat hy met voordacht na de laatste zinsnede zyner toespraak een rustpunt wilde laten. En hier was reden toe. "Hoe, moesten de Hoofden denken, hy weet reeds dat er zoovelen onze Afdeeling verlieten, met bitterheid in 't hart? Reeds is hem bekend hoeveel huisgezinnen naar naburige landstreken verhuisden, om de armoede te ontwyken die hier heerscht? En zelfs weet hy dat er zooveel _Bantammers_ zyn onder de benden die in de _Lampongs_ de vaan des opstands hebben ontrold tegen 't nederlandsch gezag? Wat wil hy? Wat bedoelt hy? Wien gelden zyne vragen? En er waren er die _Radhen Wiera Koesoema_, het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ aanzagen.[62] Maar de meesten sloegen de oogen ter-aarde. "Kom eens hier, Max!" riep Havelaar, die zyn kind gewaar werd, spelende op het erf, en de Regent nam den kleine op den schoot. Maar deze was te wild om daar lang te blyven. Hy sprong weg, en liep den grooten kring rond, en vermaakte de Hoofden door zyn gekeuvel, en speelde met de gevesten van hun krissen. Toen hy by den _Djaksa_ kwam, die de aandacht van 't kind trok omdat hy sierlyker dan de anderen gekleed was[63] scheen deze iets op 't hoofd van kleinen Max te wyzen aan den _Kliwon_ die naast hem zat en een gefluisterde opmerking daarover scheen te beamen. --Ga nu heen, Max, zei Havelaar, papa heeft iets aan die heeren te zeggen. De kleine liep weg nadat hy met kushandjes gegroet had. Hierop ging Havelaar aldus voort: --Hoofden van _Lebak_! Wy allen staan in dienst des Konings van Nederland. Maar Hy, die rechtvaardig is, en wil dat wy onzen plicht doen, is ver van hier. Dertig-maal duizend-maal duizend zielen, ja, meer dan zooveel, zyn gehouden zyn bevelen te gehoorzamen, maar hy kan niet wezen naby allen die afhangen van zynen wil. De Groote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zyn plicht doe. Maar ook deze, machtig als hy is, en gebiedende over al wat gezag heeft in de steden en over allen die in de dorpen de oudsten zyn, en beschikkende over de macht des legers en over de schepen die op zee varen[64] ook hy kan niet zien waar onrecht gepleegd is, want het onrecht blyft verre van hem. En de resident te _Serang_, die heer is over de landstreek _Bantam_, waar vyf-maal-honderd-duizend menschen wonen, wil dat er recht geschiede in zyn gebied, en dat er rechtvaardigheid heersche in de landschappen die hem gehoorzamen. Doch waar onrecht is, woont hy verre. En wie boosheid doet, verschuilt zich voor zyn aangezicht omdat hy straffe vreest. En de heer _Adhipatti_, die Regent is van _Zuid-Bantam_, wil dat ieder leve die het goede betracht, en dat er geen schande zy over de landstreek die zyn regentschap is. En ik, die gisteren den Almachtigen God tot getuige nam dat ik rechtvaardig zou zyn en goedertieren, dat ik recht zou doen zonder vrees en zonder haat, dat ik zal zyn: "een goed adsistent-resident" ... ook ik wensch te doen wat myn plicht is. Hoofden van _Lebak_! Dit wenschen wy allen! Maar als er soms onder ons mochten zyn, die hun plicht verwaarloozen voor gewin, die het recht verkoopen voor geld, of die den buffel van den arme nemen, en de vruchten die behooren aan wie honger hebben ... wie zal ze straffen? Als een van u het wist, hy zou 't beletten. En de Regent zou niet dulden dat zoo-iets geschiedde in zyn regentschap. En ook ik zal het tegengaan waar ik kan. Maar als noch gy noch de _Adhipatti_ noch ik het wisten ... Hoofden van _Lebak_! Wie toch zal dan recht doen in _Bantan-Kidoel_? Hoort naar my, als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan worden. Er komt een tyd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen by het gereedmaken van ons doodkleed, en de voorbyganger zal zeggen: "daar is een mensch gestorven." Dan zal wie aankomt in de dorpen, tyding brengen van den dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt zal vragen: "wie was de man die gestorven is?" En men zal zeggen: "Hy was goed en rechtvaardig. Hy sprak recht en verstootte den klager niet van zyn deur. Hy hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. En wie den ploeg niet dryven kon door den grond omdat de buffel uit den stal was gehaald, hielp hy zoeken naar den buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hy den dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had onthield hy het loon niet, en hy ontnam de vruchten niet aan wie den boom geplant hadden. Hy kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel dat den arme behoorde." Dan zal men zeggen in de dorpen--"Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zyn wil geschiedde ... er is een goed mensch gestorven." Doch andermaal zal de voorbyganger stilstaan voor een huis, en vragen, "wat is dit, dat de _gamlang_ zwygt, en het gezang der meisjes?" En wederom zal men zeggen: er is een man gestorven." En wie rondreist in de dorpen, zal 's avends zitten by zyn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonen, en hy zal zeggen: "Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zyn, en hy verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hy mestte zyn akker met het zweet van den arbeider dien hy had afgeroepen van den akker des arbeids. Hy onthield den werkman zyn loon, en voedde zich met het voedsel van den arme. Hy is ryk geworden van de armoede der anderen. Hy had veel gouds en zilvers en edele steenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stillen van zyn kind. Hy glimlachte als een gelukkig mensch, maar men hoorde gekners tusschen de tanden van den klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zyn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden." Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: "Allah is groot ... wy vloeken niemand!" Hoofden van _Lebak_, eens sterven wy allen! Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wy gezag hadden? En wat door de voorbygangers die de begrafenis aanschouwen? En wat zullen wy antwoorden, als er na onzen dood een stem spreekt tot onze ziel, en vraagt: "waarom is er geween in de velden, en waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam den oogst uit de schuren, en uit de stallen den buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gy gedaan met den broeder dien ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zyner vrouw?" Hier hield Havelaar weder op, en na eenig zwygen ging hy op de eenvoudigsten toon van de wereld, en als had er volstrekt niets dat indruk maken moest, voort: --Ik wenschte gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom verzoek ik u my te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht hebben kan op een zacht oordeel van myn kant staat-maken, want daar ik zelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zyn ... niet althans in de gewone dienstvergrypen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van groveren aard ... over knevelary en onderdrukking, spreek ik niet. Zoo-iets zal niet voorkomen niet waar, m'nheer de _Adhipatti_? --O neen, mynheer de adsistent-resident, zoo-iets zal niet voorkomen in _Lebak_. --Welnu dan, myne heeren Hoofden van _Bantan-Kidoel_, laat ons verheugd zyn dat onze Afdeeling zoo verachterd en zoo arm is. Wy hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen wy zorg dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg, en de bevolking gewillig. Als ieder in 't genot wordt gelaten van de vruchten zyner inspanning, lydt het geen twyfel dat binnen weinig tyds de bevolking zal toenemen, zoo in zielental als in bezittingen en beschaving, want dit gaat veelal hand-aan-hand. Ik verzoek u nogmaals my te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hy kan, vooral waar onrecht moet worden te-keer gegaan. En hiermede beveel ik my zeer aan in uwe medewerking. Ik zal u de ontvangen berichten over Landbouw, Veeteelt, Politie en justitie met myn beschikkingen doen teruggeworden. Hoofden van _Bantan-Kidoel_! Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeeren, ieder naar zyne woning. Ik groet u allen zeer![65] Hy boog, bood den ouden Regent den arm, en geleidde hem over het erf naar 't woonhuis, waar Tine hem stond te wachten in de voorgalery. --Kom, Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom ... een glas Madera? En ... ja, dit moet ik weten, _Radhen Djaksa_, hoor eens! Havelaar riep dit, toen alle Hoofden na veel buigingen zich gereed maakten naar hun woningen terug te keeren. Ook Verbrugge stond op 't punt het erf te verlaten, doch keerde met den _Djaksa_ terug. --Tine, ik wil madera drinken, Verbrugge ook. _Djaksa_, laat hooren, wat hebt ge toch aan den _Kliwon_ over myn kleinen jongen gezegd? --_Mintah ampong_[66] mynheer de adsistent-resident, ik bezag zyn hoofd omdat mynheer gesproken had. --Wat drommel heeft zyn hoofd daarmee te maken. Ik weet zelf al niet meer wat ik gezegd heb. --Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ ... Tine schoof by: er werd over kleinen Max gesproken. --Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ dat de _Sienjo_[67] een koningskind was. Dat deed Tine goed: zy vond het ook! De _Adhipatti_ bezag 't hoofd van den kleine, en inderdaad, ook hy zag op de kruin den dubbelen haarwervel die, naar 't bygeloof op Java, bestemd is een kroon te dragen. Daar de etikette niet toeliet den _Djaksa_ een plaats aantebieden in tegenwoordigheid van den Regent, nam hy afscheid, en men was eenigen tyd by-een zonder iets aanteroeren dat betrekking had op den "dienst." Maar op-eenmaal--en dus in stryd met den zoo uitermate hoffelyken volksaard --vroeg de Regent of zekere gelden die de belasting-kollekteur te-goed had, niet konden worden uitbetaald? --Wel neen, riep Verbrugge, mynheer de _Adhipatti_ weet dat dit niet geschieden mag voor zyn verantwoording afgeloopen is. Havelaar speelde met Max. Maar er bleek dat dit hem niet belette op 't gelaat van den Regent te lezen dat Verbrugge's antwoord hem niet aanstond. --Kom, Verbrugge, laat ons niet lastig wezen, zeide hy. En hy liet een klerk van 't kantoor roepen. We zullen dat maar uitbetalen ... die verantwoording zal wel goedgekeurd worden. Nadat de Adhipatti vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de staatsbladen: --Maar, m'nheer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van den kollekteur is nog altyd te _Serang_ in onderzoek ... als nu eens daaraan iets ontbreekt? --Dan leg ik 't er by, zei Havelaar. Verbrugge begreep maar niet waaruit deze groote inschikkelykheid voor den belasting-kollekteur geboren werd. De klerk kwam weldra met eenig geschryf terug. Havelaar teekende, en zei dat men spoed moest maken met die uitbetaling. --Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! De Regent heeft geen duit in huis: zyn schryver heeft het my gezegd, en bovendien ... dat brusque vragen! De zaak is duidelyk. _Hyzelf_ heeft dat geld noodig, en de kollekteur wil 't hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen verantwoordelykheid een vorm, dan dat ik een man van zyn rang en jaren in verlegenheid laten zou. Bovendien, Verbrugge, er wordt in _Lebak_ gruwelyk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je 't? Verbrugge zweeg. Hy wist het.[68] --Ik weet het, ging Havelaar voort, _ik weet het_! Is niet m'nheer Slotering gestorven in November? Welnu, _den dag na zyn dood_ heeft de regent volk opgeroepen om zyn _Sawahs_ te bewerken ... zonder betaling! Ge hadt dit moeten weten, Verbrugge. _Wist_ je 't? Dit wist Verbrugge niet. Als kontroleur hadt je 't _moeten_ weten! Ik weet het, ging Havelaar voort. Daar liggen de maandstaten van de distrikten--en hy toonde 't pak geschryf dat hy ontvangen had in de vergadering--zie, ik heb niets geopend. Daarin zyn, onder andere zaken, de opgaven van op de hoofdplaats geleverde arbeiders tot heeredienst. Welnu, zyn die opgaven juist? --Ik heb ze nog niet gezien ... --Ik ook niet! Maar toch vraag ik je of ze juist zyn? Waren de opgaven van de vorige maand juist? Verbrugge zweeg. --Ik zal 't je zeggen: ze waren _valsch_! Want er was driemaal meer volk opgeroepen om voor den Regent te werken dan de bepalingen op de heerediensten toelaten, en dit durfde men natuurlyk in de staten niet opgeven. Is 't waar, wat ik zeg? Verbrugge zweeg. --Ook de staten die ik vandaag ontving, zyn valsch, ging Havelaar voort. De Regent is arm. De Regenten van _Bogor (Buitenzorg)_ en _Tjiandjoer_[69] zyn leden van 't geslacht waarvan hy 't hoofd is. Die laatste heeft slechts rang van _Tommongong_, onze Regent is _Adhipatti_, en toch laten zyn inkomsten, omdat _Lebak_ niet geschikt is voor koffi en hem dus geen emolumenten opbrengt, niet toe in praal en luister te wedyveren met een eenvoudigen _Dhemang_ in de _Preanger_, die den stygbeugel houden zou als zyn neven te-paard stygen. Is dit waar? --Ja, dit is zoo. --Hy heeft niets dan zyn traktement, en hierop is een korting ter afbetaling van een voorschot dat de Regeering hem gegeven heeft, toen hy ... _weet_ je 't? --Ja, ik weet het. --Toen hy een nieuwe _medsjid_ wilde laten bouwen, waartoe veel geld noodig was. Bovendien, veel leden zyner familie ... _weet_ je 't? --Ja, dat weet ik. --Veel leden van zyn familie--die eigenlyk niet in 't _Lebaksche_ te-huis behoort, en daarom ook by 't volk niet gezien is--scharen zich als een plunderbende om hem heen, en persen hem geld af. Is dit waar? --'t Is de waarheid, zei Verbrugge. --En als zyn kas ledig is, wat dikwyls gebeurt, nemen zy _in zyn naam_ de bevolking af, wat hun aanstaat. Is dit zoo? --Ja, het is zoo. --Ik ben dus goed onderricht, doch daarover nader. De Regent, die in jaren klimmende den dood vreest, wordt beheerscht door de zucht zich verdienstelyk te maken door giften aan geestelyken. Hy geeft veel geld uit voorreiskosten van pelgrims naar Mekka, die hem allerlei vodden van relieken, talismans en _djimats_[70] terugbrengen. Is 't niet zoo? --Ja, dat is waar. --Welnu, door dit alles is hy zoo arm. De _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_, is zyn schoonzoon. Waar de Regent zelf uit schaamte voor zyn rang niet durft nemen, is het die--_Dhemang_,--maar hy is 't niet alleen--die aan den _Adhipatti_ zyn hof maakt door 't afpersen van geld en goed aan de arme bevolking, en door de lieden wegtehalen van hun eigen rystvelden om ze heentedryven naar de _sawahs_ van den Regent. En deze ... zie, ik wil gelooven dat hy gaarne anders wilde, maar de nood dwingt hem gebruik te maken van zulke middelen. Is dit alles niet waar, Verbrugge? --Ja, 't is waar, zei Verbrugge, die hoe langer hoe meer begon intezien dat Havelaars blik scherp was. --Ik wist, vervolgde deze, dat hy geen geld in huis had, toen hy zoo-even over de afrekening met den onderkollekteur begon te spreken. Ge hebt heden morgen gehoord dat het myn voornemen is, myn plicht te doen. Onrecht duld ik niet, by God, dat duld ik niet! En hy sprong op, en er was in zyn toon geheel iets anders dan den vorigen dag by zyn _officieelen_ eed. --Maar, ging hy voort, ik wil myn plicht doen met zachtheid. Ik wil niet te nauwkeurig weten wat geschied _is_. Doch wat _van heden af_ geschiedt, is ter _myner_ verantwoording, daarvoor zal _ik_ zorg dragen! Ik hoop lang hier te blyven. Weet je wel, Verbrugge dat onze roeping heerlyk schoon is? Maar weet je ook wel dat ik alles wat ik je zoo-even zei, eigenlyk van _u_ had moeten hooren? Ik ken u even goed als ik weet wie er _garem glap_ maken aan de zuidkust.[71] Je bent een braaf mensch ... ook dit weet ik. Maar waarom heb je my niet gezegd dat hier zooveel verkeerds was? Gedurende twee maanden ben je waarnemend adsistent-resident geweest, en bovendien reeds lang hier als kontroleur ... je moest het dus weten, niet waar? --M'nheer Havelaar, ik heb nooit gediend onder iemand als u. Ge hebt iets zeer byzonders, neem het me niet kwalyk. --Volstrekt niet! Ik weet wel dat ik niet ben als alle menschen, maar wat doet dit tot de zaak? --Dat doet er dit toe, dat u iemand begrippen en denkbeelden meedeelt, die vroeger niet bestonden. --Neen! Die ingesluimerd waren door den vervloekten officieelen _slender_ die zyn styl zoekt in "_ik heb de eer_" en de rust van zyn geweten in "_de hooge tevredenheid van de Regeering_." Neen, Verbrugge! laster jezelf niet! Je behoeft van my niets te leeren. Heb ik je by-voorbeeld heden morgen in de _Sebah_ iets nieuws verteld? --Neen, nieuws niet, maar u sprak anders dan anderen. --Ja, dat komt ... omdat myn opvoeding wat verwaarloosd is: ik spreek te-hooi en te-gras. Maar je zoudt me zeggen waarom je tot-nog-toe zoo berust hebt in alles wat er verkeerds was in _Lebak_. --Ik heb nooit zoo den indruk gehad van een _initiatief_. Bovendien, dat alles is altyd zoo geweest in deze streken. --Ja, ja, dat weet ik wel! Ieder kan geen profeet of apostel wezen ... hm, 't hout zou duur worden van 't kruisigen! Maar je wilt me toch wel helpen alles te-recht te brengen? je wilt toch wel je _plicht_ doen? --Zeker! Vooral by u. Maar niet ieder zou dit zoo streng vorderen of zelfs goed opvatten, en dan komt men zoo ligt in de pozitie van iemand die windmolens bestrydt. --Neen! Dan zeggen zy die 't onrecht liefhebben omdat ze daarvan leven, dat er geen onrecht _was_, om 't vermaak te hebben u en my uittemaken voor Don Quichotten, en te-gelyker-tyd _hun_ windmolens draaiende te houden. Doch, Verbrugge, je hadt niet op _my_ hoeven te wachten om je plicht te doen! M'nheer Slotering was een bekwaam en eerlyk man: hy wist wat er omging, hy keurde het af en verzette zich er tegen ... ziehier! Havelaar nam uit een portefeuille twee vellen papier, en deze aan Verbrugge tonende, vroeg hy: --Wiens hand is dit? --Dat is de hand van m'nheer Slotering. --Juist! Welnu, dit zyn kladnotaas, bevattende blykbaar onderwerpen waarover hy met den resident spreken wilde. Daar lees ik ... zie: 1e_Over den rijstbouw_. 2e _Over de woningen der dorpshoofden_. 3e_Over het innen der landrenten, enz._ Daar achter staan twee uitroepingsteekens. Wat bedoelde m'nheer Slotering daarmee? --Hoe kan _ik_ dat weten? riep Verbrugge. --Ik wel! Dit beduidt dat er veel meer landrenten worden opgebracht, dan er in 'slands kas vloeien. Doch ik zal je dan iets tonen dat wy beiden weten, omdat het in letters en niet in teekens geschreven is. Ziehier: "12e_Over het misbruik dat door de regenten en mindere hoofden van de bevolking wordt gemaakt. (Over het houden van verschillende woningen ten-koste der bevolking, enz.)_" Is dit duidelyk? Ge ziet dat de heer Slotering wel iemand was, die een _initiatief_ wist te nemen, je had je dus by hem kunnen aansluiten. Luister verder: "15e _Dat vele personen van de familien en bedienden der inlandsche hoofden op de uitbetalingstaten voorkomen, die inderdaad geen deel nemen in de kultuur, zoodat de voordeelen hiervan hun ten-deel vallen, ten prejudice van de werkelijke deelhebbers. Ook worden zij gesteld in het onrechtmatig, bezit van sawah-velden, terwijl die alleen toekomen aan degenen, die aandeel hebben in de kultuur_." Hier heb ik een andere nota, en wel in potlood. Zie eens, ook daarop staat iets zeer duidelyks: "_De verloop van volk te Parang-Koedjang is alleen toeteschryven aan het VERREGAAND misbruik, dat van de bevolking wordt gemaakt_." Wat zegje daarvan? Ziet ge wel dat ik niet zoo excentriek ben als 't schynt, wanneer ik werk maak van recht? Zie je nu dat ook anderen dit deden?[72] --Het is waar, zei Verbrugge, de heer Slotering heeft den resident dikwyls over dat alles gesproken. --En wat volgde daarop? --Dan werd de Regent geroepen: er werd _geaboucheerd_ ... --Juist! En verder? --De Regent ontkende gewoonlyk alles. Dan moesten er getuigen komen ... niemand durfde tegen den Regent getuigen ...--och, m'nheer Havelaar, die zaken zyn zoo moeielyk! De lezer zal, voor hy myn boek heeft uitgelezen, even goed als Verbrugge weten waarom die zaken zoo byzonder moeielyk waren. --Mynheer Slotering had er veel ergernis over, vervolgde de kontroleur, hy schreef scherpe brieven aan de Hoofden ... --Ik heb ze gelezen ... heden nacht, zei Havelaar.[73] --En ik heb hem dikwyls hooren zeggen dat hy, als er geen verandering kwam, en als de resident niet _doortastte_ zich rechtstreeks zou wenden tot den Gouverneur-generaal. Dit heeft hy ook aan de Hoofden zelf gezegd op den laatsten _Sebah_ dien hy heeft voorgezeten. --Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan. De resident was zyn chef dien hy in geen geval mocht voorbygaan. En waarom zou hy dat ook? Het is toch niet te veronderstellen dat de resident van _Bantam_ onrecht en willekeur zou goedkeuren? --Goedkeuren ... neen! Maar men klaagt niet gaarne by de Regeering een Hoofd aan. --Ik klaag niet gaarne iemand aan, wien ook, maar als 't _moet_, een Hoofd zoo goed als een ander. Doch van aanklagen is nu hier, goddank, nog geen spraak! Morgen ga ik den Regent bezoeken. Ik zal hem 't verkeerde van onwettige gezagsoefening onder 't oog brengen, vooral waar 't om de bezitting van arme menschen te doen is. Maar in afwachting dat alles te-recht komt, zal ik hem in zyn netelige omstandigheden helpen zooveel ik kan. Je begrypt nu immers waarom ik dat geld aan den kollekteur dadelyk heb laten uitbetalen, niet waar? Ook ben ik van voornemen aan de Regeering te verzoeken, den Regent zyn voorschot kwytteschelden.[74] En u, Verbrugge, stel ik voor, gezamenlyk stipt onzen plicht te doen. Zoolang 't kan, met zachtheid, maar als 't _moet_, zonder vrees! Je bent een eerlyk man, dit weet ik, maar je bent beschroomd. Zeg voortaan flink uit waar 't op staat, _advienne que pourra_! Werp die halfheid van je, beste kerel ... en nu, blyf by ons eten: we hebben hollandsche bloemkool in blik ... maar alles is zeer eenvoudig, want ik moet heel zuinig zyn ... ik ben erg ten-achter in geldzaken: de reis naar Europa, weetje? Kom, Max ... sakkerloot, jongen, wat word je zwaar! En, met Max te-paard op zyn schouder, trad hy, gevolgd door Verbrugge, de binnengalery in, waar Tine hen wachtte aan den gedekten disch die, zooals Havelaar gezegd had, wel _zeer_ eenvoudig was! Duclari, die aan Verbrugge kwam vragen of hy al dan niet dacht thuis te zyn voor 't middagmaal, werd meegenoodigd aan-tafel, en wanneer de lezer gesteld is op wat afwisseling in myn vertelling, wordt hy naar 't volgend hoofdstuk verwezen, waarin ik meedeel wat er zoo-al gesproken werd by dat maal. NEGENDE HOOFDSTUK Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, by de beschryving van een kasteel, myn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te wachten tot het mensch op den grond kwam? Als ik in myn verhaal zulk een luchtsprong noodig had, zou ik voorzichtigheidshalve nog altyd een eerste verdieping kiezen als uitgangspunt van haar sprong, en een kasteel waarvan weinig te zeggen viel. Wees echter voorloopig gerust: Havelaars huis had geen verdieping, en de heldin van myn boek--goede hemel, de lieve trouwe _anspruchlose_ Tine, een heldin!--is nooit uit een venster gesprongen. Toen ik 't vorig hoofdstuk sloot met een aanwyzing op wat afwisseling in het volgende, was dit eigenlyk meer een oratorische kunstgreep, en om een slot te maken dat goed "knipte" dan wel omdat ik inderdaad meende dat het volgend hoofdstuk alleen "ter afwisseling" waarde hebben zou. Een schryver is ydel als ... een man. Spreek kwaad van zyn moeder of van de kleur zyner haren, zeg dat hy een amsterdamsch accent heeft--wat nooit een Amsterdammer toestemt--wellicht vergeeft hy u die dingen. Maar ... roer nooit aan de buitenzy van 't kleinste onderdeel eener byzaak van iets dat er lag naast zyn geschryf ... want dat vergeeft hy u niet! Als ge dus myn boek niet schoon vindt, en ge mocht my ontmoeten, houd u dan alsof wy elkander niet kenden. Neen, zelfs zulk een hoofdstuk "ter afwisseling" komt me door het vergrootglas myner schryvers-ydelheid, hoogst belangryk en zelfs onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behooren waart ingenomen met myn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te verwyten als oorzaak dat ge myn boek niet kondet beoordeelen, want dat ge juist het _essentieele_ niet gelezen hadt. Zoo zou ik--want ik ben man en schryver--elk hoofdstuk voor _essentieel_ houden, dat gy hadt overgeslagen met onvergeeflyke lezerslichtzinnigheid. Ik verbeeld me dat uwe vrouw vraagt: "is er nogal wat _aan_ dat boek?" En ge zegt by-voorbeeld--_horribile auditu_ voor my--met de woordenrykheid die eigen is aan gehuwde mannen: --Hm ... zoo ... ik weet nog niet. Welnu, barbaar, lees verder! Het belangryke staat juist voor de deur. En met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de omgeslagen bladen, en ik zoek op uw gelaat naar den weerschyn van 't hoofdstuk "dat zoo mooi is ... Neen, zeg ik, hy is er nog niet. Straks zal hy op springen, in vervoering iets omhelzen, zyn vrouw misschien. Maar ge leest verder. Het "mooie hoofdstuk" moet voorby wezen, dunkt me. Ge zyt in 't minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd. En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler wordt myn hoop op die omhelzing ... ja, waarachtig, ik had zelfs staat-gemaakt op een traan! En ge hebt den roman uitgelezen tot "waar ze elkaar krygen" toe, en ge zegt--een andere vorm, van welsprekendheid in den echtestaat--geeuwend: --Zoo ... zoo! 't Is een boek dat ... hm! Och, ze schryven zoo veel tegenwoordig! Maar weet ge dan niet, ondier, tyger, _Europeaan_, lezer, weet ge dan niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met byten op _myn_ geest als op een tandenstoker? Met knagen en kauwen op vleesch en been van uw geslacht? Menscheneter, daarin stak myn ziel, _myn_ ziel die ge hebt vermaald als eens gegeten gras! 't Was _myn_ hart dat ge daar hebt opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die ziel neergelegd, en er vielen zooveel tranen op dat handschrift, en myn bloed week weg uit de aren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers ... en ge zegt: _hm_! De lezer begrypt dat ik hier niet spreek van _myn_ boek. Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken ... --Wie is dat, Abraham Blankaart? vroeg Louise Rosemeyer, en Frits vertelde het haar, wat me groot genoegen deed, want dit gaf my gelegenheid eens optestaan en, voor dien avend althans, een eind te maken aan de voorlezing. Ge weet dat ik makelaar in koffi ben --_Lauriergracht No 37_--en dat ik alles over heb voor myn vak. Ieder zal dus kunnen nagaan, hoe weinig ik tevreden was met het werk van Stern. Ik had op koffi gehoopt, en hy gaf ons ... ja, de hemel weet, wat! Met zyn opstel heeft hy ons al drie kransavenden beziggehouden, en, wat het ergste is, de Rosemeyers vinden het mooi. Zoo zeggen ze, ten-minste. Als ik een aanmerking maak, beroept hy zich op Louise. "Haar goedkeuring, zegt hy, weegt hem zwaarder dan alle koffi van de wereld, en bovendien: "als 't hart me gloeit ... enz.--Zie deze tirade op bladzy zooveel, of liever, zie ze niet.--Daar sta ik dan, en weet niet wat te doen! Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaansch paard. Ook Frits wordt er door bedorven. Hy heeft, naar ik bemerk, Stern geholpen, want die Abraham Blankaart is veel te hollandsch voor een Duitscher.[75] Beiden zyn ze zoo pedant, dat ik waarlyk met de zaak verlegen word. Het ergste is, dat ik met Gaafzuiger een overeenkomst heb aangegaan voor het uitgeven van een boek dat over de _koffiveilingen_ moet handelen--heel Nederland wacht er op--en daar gaat me nu die Stern een heel anderen weg uit! Gister zeide hy: "wees gerust, alle wegen leiden naar Rome. Wacht nu eerst het slot van de inleiding af--is dat alles nog maar _inleiding_ --_ik_ beloof u--hy zeide eigenlyk: "ik verspreek u"--dat ten-slotte de zaak zal neerkomen op koffi, koffi, op niets dan koffi! Denk aan Horatius, ging hy voort, heeft niet hy reeds gezegd: _omne tulit punctum, qui miscuit_ ... koffi met wat anders? Handelt gyzelf niet even zoo, als ge suiker en melk in uw kopje doet?" En dan moet ik zwygen. Niet omdat hy gelyk heeft, maar omdat ik aan de firma _Last & Co_ verplicht ben zorgtedragen dat de oude Stern niet vervalle in Busselinck & Waterman, die hem slecht zouden bedienen omdat het knoeiers zyn. By u, lezer, stort ik myn hart uit, en opdat ge na het lezen van Stern's geschryf--heb ge 't werkelyk gelezen?--uwen toorn niet zoudt uitstorten over een onschuldig hoofd want ik vraag u, wie zal een makelaar nemen, die hem voor menscheneter uitscheldt?--hecht ik er aan, dat ge overtuigd zyt van myn onschuld. Ik kan toch dien Stern niet uit de firma van myn boek dringen, nu de zaken eenmaal zoover zyn dat Louise Rosemeyer, als ze uit de kerk komt--de jongens schynen haar optewachten--vraagt of hy wat vroeg komen zal dien avend, om toch recht veel van Max en Tine voortelezen? Maar omdat ge het boek hebt gekocht of gehuurd in 't vertrouwen op den deftigen titel die wat degelyks belooft, erken ik uw aanspraken op wat goeds voor uw geld, en daarom schryf ikzelf nu eens weer een paar hoofdstukken. Ge zyt niet in den krans van de Rosemeyers, lezer, en dus gelukkiger dan ik die alles moet aanhooren. U staat het vry, de hoofdstukken overteslaan, die naar duitsche opgewondenheid rieken, en u alleen bezig te houden met wat geschreven is door my, die een deftig man ben, en makelaar in koffi. Met bevreemding heb ik uit Stern's geschryf vernomen--en uit Sjaalman's pak heeft hy me aangetoond dat het waar was--dat er in die afdeeling _Lebak_ geen koffi wordt geplant. Dit is zeer verkeerd, en ik zal myn moeite ruim beloond achten, als de Regeering door myn boek op die fout wordt opmerkzaam gemaakt. Uit de papieren van Sjaalman zou blyken, dat de grond in die streken voor de koffikultuur niet geschikt is. Maar hierin ligt volstrekt geen verschooning, en ik beweer dat men zich schuldig maakt aan onvergeeflyk plichtverzuim omtrent Nederland in 't algemeen en de koffimakelaars in 't byzonder, ja omtrent de javanen zelf, door niet, of dien grond te veranderen--de Javaan heeft toch niets anders te doen--of, als men meent dit niet te kunnen, de menschen die daar wonen, te zenden naar andere streken waar de grond wel goed is voor koffi. Ik zeg nooit iets wat ik niet goed overwogen heb, en durf beweren dat ik hier met kennis van zaken spreek, daar ik over dit stuk rypelyk heb nagedacht, vooral sedert het hooren der preek van dominee Wawelaar in den bidstond voor 't bekeeren der heidenen. Dat was woensdag avend. Ge moet weten, lezer, dat ik myn plichten als vader stipt vervul, en dat de zedelyke opleiding myner kinderen me zeer na aan het hart ligt. Daar nu Frits sedert eenigen tyd in toon en manieren iets heeft aangenomen, dat me niet bevalt--'t komt alles uit dat verwenschte pak!--heb ik hem eens goed onder-handen genomen, en gezegd: "Frits, ik ben niet over je tevreden! Ik heb je altyd het goede voorgehouden, en toch wyk je van den rechten weg af. Je bent pedant en lastig, en maakt verzen, en je hebt Betsy Rosemeyer een zoen gegeven. De vreeze des Heeren is 't beginsel van alle wysheid, je moet dus de Rosemeyers niet zoenen, en niet zoo pedant wezen. Zedeloosheid brengt ten verderve, jongen. Lees in de Schrift, en let eens op dien Sjaalman. Hy heeft de wegen van den Heer verlaten: nu is hy arm, en woont op een klein kamertje ... ziedaar de gevolgen van onzedelykheid en slecht gedrag! Hy heeft verkeerde artikels in de _Independance_ geschreven en de _Aglaia_ laten vallen. Zoo gaat het, als men wys is in zyn eigen oogen. Hy weet nu niet eens hoe laat het is, en zyn jongetje heeft maar een half broekjen aan. Bedenk dat je lichaam een tempel Gods is, en dat je vader altyd hard heeft moeten werken voor den kost--'t is de waarheid!--sla dus 't oog naar boven, en tracht optegroeien tot een fatsoenlyk makelaar, als ik naar Driebergen ga. En let toch op al de menschen die niet hooren willen naar goeden raad, die godsdienst en zedelykheid met voeten trappen, en spiegel je aan die menschen. En stel je niet gelyk met Stern, wiens vader zoo ryk is, en die altyd geld genoeg zal hebben, al wil hy geen makelaar worden, en al doet hy nu-en-dan eens wat verkeerds. Bedenk toch dat al het kwade gestraft wordt: zie maar weer dien Sjaalman die geen winterjas heeft, en er uitziet als een komediespeler. Luister toch goed in de kerk, en zit daar niet zoo heen-en-weer te draaien op je bank, alsof 't je verveelde, jongen, want ... wat moet God daarvan denken? De kerk is _Zyn_ heiligdom, zie je? En wacht geen jonge meisjes op als 't uit is, want dit neemt de stichting weg. Maak ook Marie niet aan 't lachen, als ik by 't ontbyt uit de Schrift lees. Dat komt in een fatsoenlyk huishouden niet te-pas. Ook heb je poppetjes geteekend op 't legblad van Bastiaans, toen de man weer niet binnen was--omdat hy telkens de jicht heeft--dat houdt de menschen op 't kantoor van hun werk, en er staat in Gods Woord dat zulke dwaasheden ten-verderve leiden. Die Sjaalman deed ook verkeerde dingen toen hy jong was: hy heeft als kind op de Westermarkt een Griek geslagen ... nu is hy lui, pedant en ziekelyk, ziedaar! Maak dus niet zoo altyd grappen met Stern, jongen: _zyn_ vader is ryk, moet je denken. Houd je alsof je 't niet zag, als hy gezichten trekt tegen den boekhouder. En als hy buiten 't kantoor met verzen bezig is, zeg hem dan zoo-eens, dat hy 't hier by ons zoo goed heeft, en dat Marie pantoffels voor hem heeft geborduurd met echte floszy. Vraag hem--zoo-eens uit jezelf, weetje?--of hy gelooft dat zyn vader by Busselinck & Waterman gaan zal, en zeg hem dat het knoeiers zyn. Zieje, dat is men zyn naaste schuldig--zoo breng je hem op den goeden weg, meen ik--en ... al dat verzenmaken is gekheid. Wees toch braaf en gehoorzaam, Frits, en trek de meid niet aan de rokken, als ze thee brengt op 't kantoor, en maak me niet te-schande, want dan stort ze, en Paulus zegt dat nooit een zoon verdriet moet doen aan zyn vader. Ik bezoek twintig jaar de beurs, en durf zeggen dat ik geacht ben by myn pilaar. Hoor dus naar myn vermaningen, Frits, en wees braaf, en haal je hoed, en trek je jas aan, en ga mee naar den bidstond, dat zal je goed doen!" Zoo heb ik gesproken, en ik ben overtuigd dat ik indruk op hem gemaakt heb, vooral daar dominee Wawelaar tot onderwerp van zyn rede had gekozen: _de liefde Gods, blykbaar uit Zyn toorn tegen ongeloovigen_, naar aanleiding van Samuels berisping aan Saul: _Sam. XV: 33b_. By 't aanhooren van die predikatie, dacht ik gedurig hoe hemelsbreed toch het verschil is tusschen menschelyke en goddelyke wysheid. Ik zeide reeds dat er in het pak van Sjaalman, onder veel vodden, toch ook een en-ander was, dat in 't oog viel door degelykheid van redeneering. Maar, och, hoe weinig heeft toch zoo-iets te beduiden, als men 't vergelykt by een taal als van dominee Wawelaar! En niet uit eigen kracht--want ik ken Wawelaar, en houd hem voor iemand die waarlyk niet hoog vliegt--neen, door de kracht die van boven komt. Dit onderscheid bleek te duidelyker, omdat hy sommige punten aanroerde, die ook door Sjaalman behandeld waren, want ge hebt gezien dat er in zyn pak veel over javanen en andere heidenen voorkwam. Frits zegt dat de javanen geen heidenen zyn, maar ik noem ieder die een verkeerd geloof heeft, een heiden. Want ik houd me aan Jezus Christus, en dien gekruist, en dit zal elk fatsoenlyk lezer ook wel doen. Zoowel omdat ik uit Wawelaars redevoering myn meening heb geput omtrent het ongeoorloofde der intrekking van de koffikultuur te _Lebak_, waarop ik straks zal terugkomen, als omdat ik als eerlyk man niet wil, dat de lezer volstrekt niets ontvange voor zyn geld, zal ik hier eenige brokstukken uit de preek meedeelen, die al byzonder treffend waren. Hy had kortelyk Gods liefde uit de aangehaalde tekstwoorden bewezen, en was al zeer spoedig overgegaan tot het punt, waarop 't hier eigenlyk aankwam, de bekeering namelyk van Javanen, Maleiers, en hoe al dat volk heeten moge. Ziehier wat hy daarvan zeide: "Zoo, myn geliefden, was de heerlyke roeping van Israel--hy bedoelde het uitroeien der bewoners van Kanaaen--en zoo is de roeping van Nederland! Neen, er zal niet gezegd worden dat het licht dat ons bestraalt, wordt weggezet onder de korenmaat, en niet ook dat wy gierig zyn in het meedeelen van het brood des eeuwigen levens! Slaat het oog op de eilanden des Indischen Oceaans, bewoond door millioenen en millioenen kinderen des verstooten zoons--en des te-recht verstooten zoons--van den edelen God gevalligen Noach! Daar kruipen zy rond in de walgelyke slangenholen van heidensche onkunde, daar buigen zy het zwarte kroesharige hoofd onder het juk van eigenbelangzuchtige priesters! Daar aanbidden zy God onder aanroeping van een valschen profeet, die een gruwel is voor de oogen des Heeren! En, geliefden, zelfs zyn er die, als ware het niet genoeg een valschen profeet te gehoorzamen, zelfs zyn er die een anderen God, wat zeg ik, die _goden_ aanbidden, goden van hout of steen, die zyzelf gemaakt hebben naar hun beeld, zwart, afschuwelyk, met platte neuzen en duivelachtig! ja, geliefden, byna beletten my de tranen hier voorttegaan, nog dieper is de verdorvenheid van Cham's geslachte! Er zyn er onder hen, die _geen_ God kennen, onder welken naam ook! Die meenen dat het voldoende is, de wetten te gehoorzamen der burgerlyke maatschappy! Die een oogstlied, waarin ze hun vreugde uitdrukken over het welslagen van hunnen arbeid, beschouwen als voldoenden dank aan het Opperwezen dat dien oogst rypen liet! Er leven daar verdoolden, myne geliefden--wanneer zulk een gruwelyk bestaan den naam van _leven_ dragen mag!--daar vindt men wezens die beweren dat het voldoende is, vrouw en kind lieftehebben en van hunnen naaste niet te nemen wat hun niet behoort, om 's avends gerust het hoofd te kunnen nederleggen ter-slape! Yst ge niet by dit tafereel? Krimpt uw hart niet in-een by het bedenken wat het lot wezen zal van al die dwazen, zoodra de bazuine schallen zal, die de dooden oproept ter scheiding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen? Hoort ge niet--ja, gy hoort het, want uit de voorgelezen tekstwoorden hebt gy gezien dat uw God is een machtig God, en een God der gerechte wrake--ja, gy hoort het gekraak der beenderen en het geknetter der vlammen in het eeuwig Gehenna waar weeninge is, en tandengeknars! Daar, daar branden zy, en vergaan niet, want eeuwig is de straffe! Daar lekt de vlam met nooit voldane tong aan de gillende slachtoffers van het ongeloof! Daar sterft de worm niet, die hunne harten door en door knaagt, zonder ooit die te vernietigen, opdat er steeds een hart te knagen overblyve in de borst van den Godverzaker! Ziet, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind dat, nauwelyks geboren, werd weggeslingerd van de borst der moeder, in den poel der eeuwige verdoemenis ... Toen viel er een juffrouw flauw ... "Maar, geliefden, ging dominee Wawelaar voort, God is een God van liefde! Hy wil niet dat de zondaar verloren ga, maar dat hy zalig worde _met_ de genade, _in_ Christus, _door_ het geloof! En daarom is Nederland uitverkoren om van die rampzaligen te redden wat er van te redden is! Daartoe heeft Hy in Zyn onnaspeurlyke Wysheid aan een land, klein van omvang, maar groot en sterk door de kennisse Gods, macht gegeven over de bewoners dier gewesten, opdat zy door het heilig nooit volprezen Evangelium worden gered van de straffen der helle! De schepen van Nederland bevaren de groote wateren, en brengen beschaving, godsdienst, Christendom, aan den verdoolden javaan! Neen, ons gelukkig Nederland begeert niet voor zich alleen de zaligheid: wy willen die ook mededeelen aan de ongelukkige schepselen op verre stranden, die daar gebonden liggen in de kluisters van ongeloof, bygeloof en zedeloosheid! Het beschouwen van de plichten die ten-dezen op ons rusten, zal het zevende deel myner rede uitmaken." Want, wat voorafging was het _zesde_. Onder de plichten die wy ten-aanzien van die arme heidenen te vervullen hebben, werden genoemd: 1e _Het geven van ruime bydragen in geld aan de zendelingsvereeniging_. 2e _Het ondersteunen der bybelgenootschappen, ten-einde deze in-staat te stellen, bybels op Java uittedeelen_. 3e _Het bevorderen van "Oefeningen" te Harderwyk, ten dienste van het koloniaal werfdepot_. 4e _Het schryven van preeken en godsdienstige gezangen, geschikt om door soldaten en matrozen aan de Javanen te worden voorgelezen en voorgezongen_. 5e _Het oprichten eener vereeniging, van invloedryke mannen, wier taak zoude zyn, onzen geeerbiedigden Koning te smeeken_: _a) Slechts zulke gouverneurs, officieren en beambten te benoemen, die geacht kunnen worden vasttestaan, in het ware geloof_. _b) Den Javaan te doen vergunnen de kazernes, alsmede de op de reeden liggende oorlogs- en koopvaardyschepen te bezoeken, om door 't verkeer met nederlandsche soldaten en matrozen te worden opgeleid tot het Godsryk_. _c) Te verbieden, bybels of godsdienstige traktaatjes in drankhuizen te doen aannemen in betaling_. _d) Te doen opnemen in de voorwaarden der amfioenpacht op Java, de bepaling: dat er in elke amfioenkit een voorraad bybels moet aanwezig zyn, in verhouding met vermoedelyk getal bezoekers van zoodanig gesticht, en dat de pachter zich verbinde geen opium te verkoopen, zonder dat de kooper een godsdienstig traktaatje daarby neme_. _e) Te gelasten dat de Javaan door arbeid tot God worde gebracht_. 6e _Het geven van ruime bydragen aan de zendelingsgenootschappen_. Ik weet wel dat ik dit laatste punt reeds onder nummer een heb opgegeven, maar hy herhaalde het, en deze overtolligheid komt my, in het vuur der rede, zeer verklaarbaar voor.[76] Doch, lezer, hebt gy op nummer 5, _e_ gelet? Welnu, juist die voorslag herinnerde my zoo aan de koffiveilingen, en aan de voorgewende onvruchtbaarheid van den grond te _Lebak_, dat het u nu niet meer zoo vreemd zal voorkomen, als ik verzeker dat dit punt sedert woensdag avend geen oogenblik uit myn gedachten geweest is. Dominee Wawelaar heeft de berichten der zendelingen voorgelezen, niemand kan hem dus een grondige kennis der zaken betwisten. Welnu, als hy, met die rapporten voor zich, en met het oog op God, beweert dat veel arbeids gunstig werken zal op de verovering der javaansche zielen voor het Godsryk, dan mag ik toch wel vaststellen niet zoo geheel bezyden alle waarheid te spreken, als ik zeg dat er te _Lebak_ zeer goed koffi kan geplant worden. En, sterker nog, dat misschien het Opperwezen juist hierom alleen dien grond voor koffikultuur ongeschikt heeft gemaakt, om door den arbeid die er noodig wezen zal om een anderen grond daarheen te verleggen, de bevolking van die streek vatbaar te maken voor de zaligheid. Ik hoop toch dat myn boek onder de oogen van den Koning komt, en dat er weldra door grootere veilingen blyken moge hoe nauw de kennisse Gods in-verband staat met het welbegrepen belang van de geheele burgery! Zie eens hoe de eenvoudige en nederige Wawelaar, zonder wysheid naar den mensch--de man heeft nooit een voet op de beurs gezet--maar voorgelicht door het Evangelie dat een lamp op zyn pad is, my, makelaar in koffi, daar op-eenmaal een wenk geeft, die voor heel Nederland belangryk is niet alleen, maar die my in-staat zal stellen, als Frits goed oppast--hy heeft redelyk stil gezeten in de kerk--wellicht vyf jaren vroeger naar Driebergen te gaan. Ja, arbeid, arbeid, dat is myn wachtwoord! Arbeid voor den Javaan, dat is myn principe! En myn principes zyn me heilig. Is niet het Evangelie 't hoogste goed? Gaat er iets boven de zaligheid? Is het dus niet onze plicht, die menschen zalig te maken? En wanneer, als hulpmiddel hiertoe, arbeid noodig is--ikzelf heb twintig jaar de beurs bezocht--mogen we dan den Javaan arbeid weigeren, waar zyn ziel daaraan zoo dringend behoefte heeft om later niet te branden? Zelfzucht zou het wezen, schandelyke zelfzucht, als we niet alle pogingen aanwendden om die arme verdoolde menschen te behoeden voor de verschrikkelyke toekomst die dominee Wawelaar zoo welsprekend geschetst heeft. Er is een juffrouw flauw gevallen toen hy van dat zwarte kind sprak ... misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag. Vrouwen zyn zoo! En zou ik niet aandringen op arbeid, _ik_ die zelf van den morgen tot den avend aan de zaken denk? Is niet reeds dit boek--dat Stern me zoo zuur maakt--een bewys hoe goed ik het meen met de welvaart van ons vaderland, en hoe ik daarvoor alles veil heb? En als ik zoo zwaar moet arbeiden, _ik_ die gedoopt ben--in de Amstelkerk--zou men dan van den javaan niet mogen vorderen dat hy die zyn zaligheid nog verdienen moet, de handen uitsteekt? Als die vereeniging--van nummer 5, _e_ meen ik--tot-stand komt, sluit ik me daarbij aan. En ik zal ook de Rosemeyers hiertoe trachten overtehalen, omdat de suikerraffinadeurs er ook belang by hebben, schoon ik niet geloof dat ze zeer zuiver zyn in hun begrippen--de Rosemeyers meen ik--want ze houden een roomsche meid. Hoe het zy, _ik_ zal myn plicht doen. Dit heb ik mezelf toen ik met Frits van den bidstond naar-huis ging. In myn huis zal de Heere gediend worden, daarvoor zal _ik_ zorgen. En dit met te meer yver, omdat ik hoe langer hoe meer inzie hoe wys alles geregeld is, hoe liefderyk de wegen zyn waarlangs wij worden geleid aan Gods hand, en hoe Hy ons behouden wil voor het eeuwige en voor het tydelyke leven, want die grond te _Lebak_ kan zeer goed geschikt worden gemaakt voor de koffikultuur. TIENDE HOOFDSTUK Hoewel ik, waar 't principes geldt, niemand ontzie, heb ik toch begrepen dat ik met Stern een anderen weg moet inslaan dan met Frits, en daar het te voorzien is dat myn naam--de firma is _Last & Co_, maar ik heet _Droogstoppel: Batavus Droogstoppel_--in aanraking komen zal met een boek waarin zaken voorkomen, die niet strooken met den eerbied dien elk fatsoenlyk man en makelaar zichzelf verschuldigd is, acht ik het myn plicht u meetedeelen, hoe ik getracht heb ook dien Stern terugtebrengen op den waren weg. Ik heb hem niet van den Heer gesproken--omdat hy Luthersch is--maar ik heb gewerkt op zyn gemoed en zyn eer. Ziehier hoe ik dit heb aangelegd, en merk daarby op, hoever men het brengt met menschkunde. Ik had hem hooren zeggen: _auf Ehrenwort_, en vroeg wat hy daarmee bedoelde? --Wel, zeide hy, dat ik myn eer verpand voor de waarheid van wat ik zeg. --Dat is zeer veel, hernam ik. Ben je zoo overtuigd, altyd de waarheid te zeggen? --Ja, verklaarde hy, de waarheid zeg ik altyd. Als de borst me gloeit ... De lezer weet de rest. --Dat is waarlyk zeer schoon, zei ik, en ik hield me heel onnoozel alsof ik het geloofde. Maar hierin lag juist de fynheid van den strik, dien ik hem spande met het doel om, zonder gevaar te loopen den ouden Stern in handen van Busselinck & Waterman te zien vallen, toch dat jonge kereltjen eens goed op zyn plaats te zetten, en hem te doen gevoelen hoe groot de afstand is tusschen iemand die pas begint--al doet dan ook zyn vader groote zaken--en een makelaar die twintig jaar de beurs bezocht heeft. Het was me namelyk bekend dat hy allerlei tuig van verzen uit het hoofd wist--hy zegt: "uitwendig"--en daar verzen altyd leugens bevatten, was ik zeker dat ik hem zeer spoedig zou betrappen op onwaarheid. Dit duurde dan ook niet lang. Ik zat in de zykamer, en hy was in de _suite_ ... want we hebben een _suite_. Marie was aan 't breien, en hy zou haar wat vertellen. Ik luisterde aandachtig toe, en toen 't uit was, vroeg ik hem of hy 't boek bezat, waarin het ding stond, dat hy daar zoo-even had opgedeund. Hy zei ja, en bracht het my. Het was een deeltje der werken van zekeren Heine. Den volgenden morgen gaf ik hem--aan Stern, meen ik--de onderstaande: _Beschouwingen omtrent de waarheidsliefde van iemand die het volgend prul van Heine voorzegt aan een jong meisje dat in de_ suite _zit te breien_. Auf Fluegeln des Gesanges, Herzliebchen, trag ich dich fort, _Herzliebchen_? Marie, jouw _Herzliebchen_? Weten je ouwelui daarvan, en Louise Rosemeyer? Is het braaf, dit te zeggen aan een kind, dat door zoo-iets al zeer ligt ongehoorzaam zou worden aan hare moeder, door zich in het hoofd te halen dat ze mondig is, omdat men haar: _Herzliebchen_ noemt? Wat beduidt dat: _voortdragen op je vleugels_? Je hebt geen vleugels, en je gezang ook niet. Probeer 't eens over de Lauriergracht, die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je dan zulke dingen voorstellen aan een meisje dat haar belydenis nog niet gedaan heeft? En al was 't kind aangenomen, wat beduidt dat aanbod van wegvliegen samen? Foei! Fort nach den Fluren des Ganges, Da weiss ich den schoensten Ort; Ga er dan alleen heen, en huur er een optrek, maar neem niet een meisje mee, dat haar moeder moet helpen in 't huishouden! Maar je meent het ook niet! Vooreerst heb je nooit den Ganges gezien, en kunt dus niet weten of 't daar goed leven is. Wil _ik_ je eens zeggen hoe de zaken staan? Het zyn alles leugens, die je alleen daarom vertelt, omdat je in al dat gevers je tot slaaf maakt van maat en rym. Als de eerste regel geeindigd was op _koek, wyn, kina_, zou je aan Marie gevraagd hebben of ze meeging naar _Broek, Berlyn, China_, en zoo voort. Je ziet dus dat je voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was, en dat alles neerkomt op een laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Hoe zou 't wezen, als Marie nu eens werkelyk lust kreeg om die malle reis te doen? Ik spreek nu nog niet eens van de ongemakkelyke manier die je voorstelt! Maar zy is, den Hemel zy dank, te verstandig om naar een land te verlangen, waarvan je zegt: Da liegt ein rothbluehender Garten Im stillen mondesschein; Die Lotosblumen erwarten Ihr trautes Schwesterlein; Die Veilchen kichern und kosen, Und schau'n nach den Sternen empor; Heimlich erzaehlen die Rosen Sich dueftende Maerchen in 's Ohr. Wat wou je in dien tuin by maneschyn met Marie uitvoeren, Stern? Is dat zedelyk, is dat braaf, is dat fatsoenlyk? Wil je dat ik beschaamd moet staan, evenals Busselinck & Waterman, met wie geen fatsoenlyk handelshuis iets te doen wil hebben, omdat hun dochter weggeloopen is, en omdat het knoeiers zyn? Wat zou ik moeten antwoorden, als men my op de beurs vroeg, waarom myn dochter zoo lang in dien rooien tuin is gebleven? Want dit begryp je toch, dat niemand me gelooven zou, als ik zei dat zy daar wezen moest om een bezoek te brengen aan de lotusbloemen die, zooals je zegt, haar al lang gewacht hebben. Even zoo zou ieder verstandig mensch my uitlachen, als ik gek genoeg was om te zeggen: Marie is daar in dien rooien tuin waarom _rood_, en niet _geel_ of _paars_?--om te luisteren naar 't snappen en giechelen van de viooltjes, of naar de sprookjes die de rozen elkaar heimelyk in 't oor blazen. Al _kon_ zoo iets waar zyn, wat zou Marie er aan hebben, als het toch zoo heimelijk geschiedt, dat zy er niets van verstaat? Maar leugens zyn het, flauwe leugens! En leelyk zyn ze ook, want neem eens een potlood, en teeken een roos met een oor, en zie eens hoe dat er uitziet? En wat beduidt het, dat die _Maerchen_ zoo _dueftend_ zyn? Wil _ik_ je dat eens zeggen in goed rond hollandsch? Dat wil zeggen dat er een luchtjen is aan die malle sprookjes ... zoo is het! Da huepfen herbei, und lauschen Die frommen, klugen Gazellen; Und in der Ferne rausche Des heiligen Stromes Wellen... Da wollen wir niedersinken Unter den Palmenbaum, Und Ruhe und Liebe trinken, Und traeumen seligen Traum. Kan je niet naar _Artis_ gaan--je hebt immers aan je vader geschreven dat ik lid ben?--zeg, kan je niet in _Artis_ terecht, als je dan volstrekt vreemde dieren zien wilt? Moeten het juist die gazellen aan den Ganges wezen, die toch in 't wild nooit zoo goed zyn waartenemen, als in een nette omheining van gekoolteerd yzer? Waarom noem je die dieren vroom en verstandig? Het laatste laat ik gelden--ze maken althans zulke zotte verzen niet--maar: _vroom_? Wat beteekent dat! Is 't niet misbruik maken van een heilige uitdrukking die alleen mag gebruikt worden voor menschen van 't ware geloof? En dan die heilige stroom? Mag je aan Marie dingen vertellen, die haar tot een heidin zouden maken? Mag je haar doen wankelen in de overtuiging dat er geen ander heilig water is, dan dat van den doop, en geen andere heilige rivier dan de Jordaan? Is dit niet ondermynen van zedelykheid, deugd, godsdienst, christendom en fatsoen? Denk over dit alles eens na, Stern! Je vader is een achtenswaardig huis, en ik ben zeker dat hy 't goedvindt dat ik zoo op je gemoed werk, en dat hy gaarne zaken doet met iemand die deugd en godsdienst voorstaat. Ja, principes zyn me heilig, en ik heb geen schroom om ronduit te zeggen wat ik meen. Maak dus geen geheim van wat ik je zeg, schryf 't gerust aan je vader dat je hier in een soliede familie bent, en dat ik je zoo op 't goede wys. En vraag jezelf eens af, wat er van je zou geworden zyn, als je by Busselinck & Waterman waart gekomen? Daar zou je ook zulke verzen opgezegd hebben, en daar had men niet op je gemoed gewerkt, omdat het knoeiers zyn. Schryf dit gerust aan je vader, want als er principes in 't spel zyn, ontzie ik niemand. Daar zouden de meisjes met je meegegaan zyn naar den Ganges, en dan lag je daar nu misschien onder dien boom in 't natte gras, terwyl je nu, omdat _ik_ je zoo vaderlyk waarschuwde, hier by ons kunt blyven in een fatsoenlyk huis. Schryf dat alles aan je vader, en zeg hem dat je zoo dankbaar bent dat je by ons zyt gekomen, en dat ik zoo goed voor je zorg, en dat de dochter van Busselinck & Waterman is weggeloopen, en groet hem zeer van my, en schryf dat ik nog 1/16 procent courtage zal laten vallen beneden hun bod, omdat ik geen onderkruipers lyden kan, die een konkurrent het brood uit den mond stelen door gunstiger voorwaarden. En doe me toch 't genoegen, in je voorlezingen uit Sjaalman's pak, wat meer degelyks te brengen. Ik heb er opgaven gezien van de koffi-produktie der laatste twintig jaren, uit alle residentien op Java: lees zoo-iets eens voor! Zieje, dan kunnen de Rosemeyers, die in suiker doen, eens te hooren krygen wat er eigenlyk omgaat in de wereld. En je moet ook de meisjes en ons allen niet zoo uitmaken voor kannibalen die wat van je hebben opgeslikt ... dit is niet fatsoenlyk, myn beste jongen. Geloof toch iemand die weet wat er in de wereld te koop is! Ik heb je vader reeds bediend voor zyn geboorte--zyn firma, meen ik, neen ... onze firma, meen ik: _Last & Co_--vroeger was het _Last & Meyer_, maar de _Meyers_ zyn er lang uit--je begrypt dus dat ik 't goed met je meen. En spoor Frits aan, dat hy wat beter oppast, en leer hem geen verzen maken, en houd je alsof je het niet zag, als hy gezichten trekt tegen den boekhouder, en al zulke dingen meer. Geef hem een goed voorbeeld, omdat je zooveel ouder bent, en tracht hem bedaardheid en deftigheid inteprenten, want hy moet makelaar worden. Ik ben je vaderlyke vriend Batavus Droogstoppel. (firma: _Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht, No_ 37.) ELFDE HOOFDSTUK Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken, dat ik dit hoofdstuk als "essentieel" beschouw, omdat het, naar ik meen, Havelaar beter doet kennen, en hy schynt nu toch eenmaal de held van de historie te zyn. --Tine, wat is dat voor _ketimon_?[77] Lieve meid, doe nooit plantenzuur by vruchten! Komkommers met zout, ananas met zout, pompelmoes met zout, al wat uit den grond komt, met zout. Azyn by visch en by vleesch ... er staat iets van in Liebig ... --Beste Max, vroeg Tine lachend, hoe lang meen je wel dat we hier zyn? Die _ketimon_ is van mevrouw Slotering. En Havelaar had moeite zich te herinneren dat hy pas gister was aangekomen, en dat Tine met den besten wil nog niets had kunnen regelen in keuken of huishouding. Hyzelf was reeds lang te _Rangkas-Betoeng_! Had hy niet den ganschen nacht doorgebracht met lezen in 't archief, en was er niet reeds te veel door zyn ziel gegaan, dat in-verband stond met _Lebak_, dan dat hy zoo terstond weten kon dat hy eerst sedert gisteren daar was? Tine begreep dit wel: _zy_ begreep hem altyd! --Ach ja, dat is waar, zeide hy. Maar toch moet je eens wat van Liebig lezen. Verbrugge, heb _jy_ veel gelezen van Liebig? --Wie is dat? vroeg Verbrugge. --Dat is iemand die veel geschreven heeft over 't inleggen van augurken. Ook heeft hy ontdekt hoe men gras in wol verandert ... je begrypt wel? --Neen, zeiden Verbrugge en Duclari tegelyk. --Wel, de zaak zelf was toch altyd bekend: stuur een schaap 't land in ... en je zult zien! Maar hy heeft de manier nagespoord, waarop het geschiedt. Andere wyzen zeggen weer dat hy er weinig van weet. Nu is men bezig met zoeken naar middelen om 't heele schaap in de bewerking overteslaan ... O, die geleerden![78] Moliere wist het wel ... ik houd veel van Moliere.[79] Als je wilt, zullen we samen een leerkursus houden, 's avends, een paar maal in de week. Tine doet ook mee, als Max naar bed is. Duclari en Verbrugge wilden dit gaarne. Havelaar zei dat hy niet veel boeken had, maar daaronder waren toch Schiller, Goethe, Heine, Vondel, Lamartine, Thiers, Say, Malthus, Scialoja, Smith, Shakespeare, Byron ... Verbrugge zei dat hy geen engelsch las. --Wat drommel, je bent toch over de dertig! Wat heb je dan al dien tyd gedaan? Maar dat moet nogal lastig voor je geweest zyn op Padang, waar zooveel engelsch gesproken wordt. Heb je miss _Mata-api_[80] gekend? --Neen, ik ken dien naam niet. --'t Was ook haar naam niet. We noemden haar zoo, in 1843, omdat haar oogen zoo schitterden. Ze zal wel getrouwd zyn ...'t is al zoo lang geleden! Nooit heb ik zoo-iets gezien ... ja toch, te Arles ... daar moet je eens heen gaan! Dat is 't schoonste wat ik gevonden heb op al myn reizen. Er bestaat niets, dunkt me, wat je zoo klaar de schoonheid in 't afgetrokkene voorstelt, als zichtbaar beeld van het _ware_, van 't _onstoffelyk-reine_, als een schoone vrouw. Gelooft me, gaat eens naar Arles en Nimes ... Duclari, Verbrugge en--ik moet het erkennen!--ook Tine, konden een luiden lach niet onderdrukken by de gedachte zoo op-eens uit den westhoek van Java overtestappen naar Arles of Nimes in 't zuiden van Frankryk. Havelaar, waarschynlyk in zyn verbeelding op den toren staande, die door de Saracenen gebouwd is op den omgang van de _arena_ te Arles, had zich eenigszins intespannen, voor hy de oorzaak van dien lach begreep, en toen ging hy voort: --Nu ja, ik meen ... als je daar in de buurt komt. Zoo-iets heb ik nooit ergens meer ontmoet. Ik was gewoon aan teleurstellingen by 't zien van alles wat zoo hoog wordt opgehemeld. Ziet eens, by-voorbeeld, de watervallen waarvan men zooveel spreekt en schryft. Wat my betreft, ik heb weinig of niets gevoeld te Tondano, te Maros, te Schafhausen, by den Niagara. Men moet zyn boekjen inzien om daarby de vereischte maat zyner bewondering by de hand te hebben, over "zooveel voeten vals" en "zooveel kubiek-voeten waters in de minuut" en als die cyfers dan hoog zyn, moet men _he_ zeggen. Ik wil nooit weer watervallen zien, althans niet als ik er een omweg voor moet maken. Die dingen zeggen me niets! Gebouwen spreken me wat luider toe, vooral wanneer 't bladzyden uit de geschiedenis zyn. Maar hierby spreekt een gevoel van heel anderen aard! Men roept de vergangenheid op, en laat de schimmen van 't verledene de revue passeeren. Hieronder zyn zeer afschuwelyke, en dus, hoe belangryk dit soms wezen moog, men vindt in zyn gewaarwordingen niet altyd voldoening voor schoonheidsgevoel ... onvermengd althans nooit! En _zonder_ de geschiedenis er byteroepen, is er wel veel schoons in sommige gebouwen, maar 't wordt gewoonlyk bedorven door gidsen--van papier, van vleesch en been ...'t komt overeen uit!--gidsen, die je den indruk wegstelen door hun eentonig: "deze kapel is opgericht door den bisschop van Munster in 1423 ... de zuilen zyn 63 voeten hoog, en rusten op ... ik weet niet wat, en het kan me niet schelen ook. Dat gebabbel is vervelend, want men voelt dat men dan juist drie-en-zestig voet bewondering moet gereed hebben, om niet in de oogen van sommigen doortegaan voor een Vandaal of _geschaefts_-reiziger ... dat is een ras! --De Vandalen? --Neen, die anderen. Nu zou men zeggen, houd dan je gids in den zak, als hy gedrukt is, en laat hem buiten staan of zwygen in 't andere geval, maar behalve dat men werkelyk tot eenigszins juist oordeelen, dikwyls inlichting noodig heeft, zoude men, ook al kon men die inlichting altyd missen, toch te-vergeefs in eenig gebouw iets zoeken, dat langer dan een zeer kort oogenblik beantwoordt aan ons verlangen naar het schoone, omdat het niet _beweegt_. Dit geldt, geloof ik, ook voor beeldhouwwerk en schilderstukken. Natuur is beweging. Groei, honger, denken, gevoelen, is beweging ... stilstand is de dood! Zonder beweging, geen smart, geen genot, geen aandoening! Beproef eens daar te zitten zonder u te verroeren, ge zult zien hoe spoedig je een spook-achtigen indruk maakt op ieder ander, en zelfs op je eigen verbeelding. By 't mooiste _tableau vivant_ verlangt men al gauw naar een volgend nummer, hoe heerlyk ook de indruk was in 't begin. Daar nu onze schoonheidszucht niet voldaan is met een blik op iets schoons, maar behoefte heeft aan een reeks van opvolgende blikken, op de _beweging van het schoone_, lyden wy aan iets onvoldaans by 't aanschouwen van _die_ soort van kunstwerken, en daarom beweer ik dat een schoone vrouw--mits geen portretschoonheid die stilstaat--het naast komt aan het ideaal van 't goddelyke. Hoe groot de behoefte is aan de beweging die ik bedoel, kan men eenigszins opmaken uit de walging die een danseres veroorzaakt, al ware zy Elssler of Taglioni, wanneer ze na een dans op haar linkerbeen staat en 't publiek toegrynst. --Dit geldt hier niet, zei Verbrugge, want dat is _absoluut_ leelyk. --Dat vind ik ook. Maar _zy_ geeft het toch als schoon, en als _climax_ op al 't vorige, waarin werkelyk veel schoons kan geweest zyn. Ze geeft het als de _pointe_ van 't epigram, als 't _aux armes!_ van de _marseillaise_ die zy zong met haar voeten, als 't ruischen van de wilgen op het graf der zoo-even besprongene liefde. O, misselyk! En dat ook de toeschouwers, die gewoonlyk--zooals wy allen, meer of min--hun smaak gronden op gewoonte en navolging, dat oogenblik beschouwen als het treffendste, blykt hieruit dat men juist dan uitberst in toejuiching, alsof men wilde te kennen geven: al het vorige was ook wel heel mooi, maar _nu_ kan ik 't waarachtig niet langer uithouden van bewondering!" je zei dat die slot-_pose volstrekt_ leelyk was--ik ook! doch vanwaar komt dit? Het is omdat de _beweging_ ophield, en daarmee de _geschiedenis_ die de danseres verhaalde. Geloof me, stilstand is de dood! --Maar, bracht Duclari in 't midden, ge hebt ook de watervallen verworpen als uitdrukking van het schoone. Watervallen _bewegen_ toch! --Ja, maar ... zonder _geschiedenis_! Ze bewegen, maar komen niet van de plaats. Ze bewegen zich als een hobbelpaard, minus nog het _va et vient_. Ze geven geluid, maar spreken niet. Ze roepen: _hrroe.. hrroe ... hrroe ..._ en nooit iets anders! Roep jy eens zesduizend jaar, of langer: _hrroe, hrroe ..._ en zie eens hoe weinigen je voor een onderhoudend mensch zullen aanzien. --Ik zal de proef niet nemen, zei Duclari, Maar ik ben het toch nog niet met u eens, dat de door u gevorderde beweging zoo volstrekt noodzakelyk wezen zou. Ik schenk u nu de watervallen, maar een goed _schilderstuk_ kan toch, dunkt me, veel uitdrukken. --Wel zeker, maar slechts voor een oogenblik. Ik zal trachten myn meening te verklaren door een voorbeeld. Het is van daag 18 Februari ... --Wel neen, zei Verbrugge, we hebben nog Januari ... --Neen, neen, het is heden de 18de Februari 1587, en je bent opgesloten in 't kasteel Fotheringhay ...[81] --_Ik_? vroeg Duclari, die meende niet goed verstaan te hebben. --Ja, gy. Ge verveelt u, en zoekt afleiding. Daar in dien muur is een opening, maar zy is te hoog om er doortezien, en dit wil je toch. Ge zet uw tafel er voor, en daarop een stoel met drie pooten, waarvan een wat zwak, je zag eens op de kermis een akrobaat die zeven stoelen op elkaar zette, en zich zelf daarop met het hoofd naar beneden. Eigenliefde en verveling dringen u iets dergelyks te doen. Ge beklimt waggelend dien stoel ... bereikt uw oogmerk ... slaat een blik door de opening, en roept: o, god! En je valt! Weet je me nu te zeggen waarom je: o god! riep, en gevallen bent? --Ik denk dat de derde poot van den stoel brak, zei Verbrugge sententieus. --Nu ja, die poot brak misschien, maar niet daarom ben je gevallen. Die poot is gebroken omdat je gevallen bent. Voor elke andere opening had je 't een jaar lang op dien stoel uitgehouden, en nu _moest_ je vallen, al waren er dertien pooten onder dien stoel geweest, ja, al had je op den grond gestaan. --Ik neem er genoegen mee, zei Duclari. Ik zie dat ge u in 't hoofd hebt gezet, my _coute que coute_ te laten vallen. Ik lig daar nu zoo lang ik ben ... maar ik weet waarachtig niet waarom? --Wel, dat is toch zeer eenvoudig! Ge zaagt daar een vrouw, gekleed in 't zwart, die geknield lag voor een blok. En ze boog het hoofd, en blank als zilver was de hals die afstak by 't zwart fluweel. En daar stond een man met een groot zwaard, en hy hield het hoog, en zyn blik staarde op dien blanken hals, en hy zocht den boog dien zyn zwaard beschryven zou, om daar ... daar, tusschen die wervels heen, te worden doorgedreven met juistheid en kracht ... en toen viel je, Duclari. je viel omdat je dat alles zag, en daarom riep je: o god! Volstrekt niet omdat er maar drie pooten aan je stoel waren. En lang nadat je uit Fotheringhay werd verlost--op voorspraak van je neef, denk ik, of omdat het de menschen verveelde je daar langer onverplicht den kost te geven, als een kanarievogeltje--lang daarna, ja, tot heden toe, droom je wakend van die vrouw, en in je slaap zelfs schrik je op, en valt met zwaren schok neer op je legerstede, omdat je den arm wilt grypen van den beul. Is dit niet waar? --Ik wil 't wel gelooven, maar bepaald zeker kan ik 't waarlyk niet zeggen, omdat ik nooit te Fotheringhay door een gat in den muur heb gezien. --Goed, goed! Ik ook niet. Maar nu neem ik een schildery die 't onthoofden van Maria Stuart voorstelt. Laat ons aannemen dat de voorstelling volmaakt is. Daar hangt ze, in vergulden lyst, aan een rood koord als je verkiest ... ik weet wat je zeggen wilt, goed! Neen, neen, ge ziet die lyst niet, ge vergeet zelfs dat ge uw rotting hebt afgegeven aan den ingang van de schilderzaal ... ge vergeet uw naam, uw kind, het nieuw-model politiemuts, en dus _alles_, om niet te zien een _schildery_, maar om werkelyk daarop Maria Stuart te aanschouwen: _geheel juist_ als te Fotheringhay. De beul staat er volkomen zoo als hy werkelyk moet gestaan hebben, ja, ik wil zoover gaan dat je den arm uitstrekt om den slag afteweren! Zoo ver dat je roept: "laat die vrouw leven, misschien betert zy zich!" je ziet, ik geef je _beau jeu_ wat de _uitvoering_ van 't schilderstuk aangaat ... --Ja, maar wat dan verder? Is dan de indruk niet even treffend, als toen ik 'tzelfde in werkelykheid zag te Fotheringhay? --Neen, volstrekt niet, en wel omdat je niet waart geklommen op een stoel met drie pooten. Je neemt een stoel--met vier pooten ditmaal, en liefst een fauteuil--je gaat voor de schildery zitten, om goed en lang te genieten--we _genieten_ nu eenmaal by 't aanschouwen van iets akeligs--en welken indruk meent ge dat zy op je maakt? --Wel, schrik, angst, medelyden, ontroering ... evenals toen ik door de opening van den muur zag. We hebben gesteld dat de schildery _volmaakt_ is, ik moet dus daarvan geheel denzelfden indruk hebben als van de werkelykheid. --Neen! Binnen twee minuten voel je pyn in je rechterarm, uit sympathie met den beul die zoo lang dat zwaar stuk staal onbewegelyk omhoog moet houden. --_Sympathie_ met den _beul_? --Ja! _evenlydendheid, gelykvoeligheid_, weetje? En tevens met de vrouw die daar zoo lang in ongemakkelyke houding, en waarschynlyk in onaangename stemming, voor dat blok ligt. Je hebt nog altyd medelyden met haar, maar ditmaal niet omdat ze onthoofd moet worden, maar omdat men haar zoo lang laat wachten voor ze onthoofd wordt, en als je nog iets zeggen of roepen zoudt, in 't eind--gesteld dat je aandrift voelt je met de zaak te bemoeien--zou 't niets anders wezen dan: "sla toch in-godsnaam toe, man, 't mensch wacht er op!" En wanneer je later die schildery weerziet, en _meermalen_ weerziet, is zelfs reeds je _eerste_ indruk: "is die historie nog niet afgeloopen? Staat hy, en ligt zy daar nog?" --Maar wat is dan voor beweging in de schoonheid der vrouwen te Arles? vroeg Verbrugge. --O, dat is iets anders! Zy spelen een geschiedenis _uit_ in haar trekken. Karthago bloeit en bouwt schepen op haar voorhoofd ... hoor den Hannibals-eed tegen Rome ... daar vlechten zy koorden voor de bogen ... daar brandt de stad ... --Max, Max, ik geloof waarlyk dat je te Arles je hart verloren hebt, plaagde Tine. --Ja, voor een oogenblik ...maar ik vond het terug: dat zult ge hooren. Verbeeldt u ... ik zeg niet, daar heb ik een vrouw gezien, die zoo of zoo schoon was, neen: allen waren zy schoon, en 't was dus een onmogelykheid daar _pour tout de bon_ verliefd te worden, omdat elke volgende weer de vorige uit je bewondering verdrong, en ik dacht daarby waarlyk aan Caligula of Tiberius--van wien vertellen ze 't fabeltje? --die 't heele menschelyk geslacht maar een hoofd toewenschte. Zoo namelyk kwam onwillekeurig de wensch in my op, dat de vrouwen te Arles ... --Maar een hoofd hadden samen? --Ja ... --Om 't afteslaan? --Wel neen! Om.. het te kussen op 't voorhoofd, wilde ik zeggen, maar dat is het niet! Neen, om er op te staren, en er van te droomen, en om ... _goed te zyn_! Duclari en Verbrugge vonden waarschynlyk dit slot weer byzonder vreemd. Maar Max bemerkte hun verrassing niet, en ging voort: --Want zoo edel waren de trekken, dat men iets als schaamte voelde, slechts een mensch te wezen, en niet een vonk ... een straal--neen, dat waar stof!--een gedachte! Maar ... dan zat daar op-eens een broer of een vader naast die vrouwen, en ... godbewaarme, ik heb er een gezien die haar neus snoot! --Ik wist wel dat je er weer een zwarten streep over halen zou, zei Tine verdrietig. --Kan _ik_ 't helpen? _Ik_ had ze liever dood zien vallen! Mag zulk een meisje zich profaneeren? --Maar, mynheer Havelaar, vroeg Verbrugge, als ze nu eens verkouwen is? --Wel, ze _moest_ niet verkouwen zyn met zulk een neus! --Ja, maar ... Alsof 't booze spel sprak, op-eens moest Tine niezen, en ... voor ze er aan dacht, had ze haar neus gesnoten! --Beste Max, wil je er niet boos om worden? vroeg ze met teruggehouden lach. Hy antwoordde niet. En, hoe gek het schynt of is ... ja, hy _was_ er boos om! En, wat ook vreemd klinkt, Tine was bly dat hy boos was, en van _haar_ vergde meer te zyn dan de Phoceesche vrouwen te Arles[82] al was 't dan ook niet omdat ze reden had grootsch op haar neus te wezen. Als Duclari nog meende dat Havelaar "gek" was, had men 't hem niet ten-kwade kunnen duiden wanneer hy zich in deze meening versterkt voelde, by 't bemerken der korte verstoordheid die er, na en om dat neussnuiten, op Havelaars gelaat te lezen was. Maar deze was teruggekeerd van Karthago, en hy las--met de snelheid waarmee hy lezen _kon_, als hy niet te ver van-huis was met zyn geest--op de gezichten van zyn gasten, dat zy de twee volgende stellingen opwierpen: 1e _Wie niet wil dat zyn vrouw haar neus snuit, is een gek_. 2e _Wie gelooft dat een in schoone lynen geteekende neus niet mag gesnoten worden, doet verkeerd dit geloof toetepassen op mevrouw Havelaar, wier neus een beetje_ en pomme de terre _is_. De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar ... de tweede! --O, riep hy, alsof hy te antwoorden had, schoon zyn gasten te beleefd waren geweest hun stellingen uittespreken, dat zal ik u verklaren. Tine is ... --Beste Max! zeide zy smeekend. Dit beteekende: "vertel toch niet aan die heeren waarom ik in uw schatting verheven moest zyn boven verkoudheid!" Havelaar scheen te verstaan wat Tine meende, want hy antwoordde: --Goed, kind! Maar weet je wel, heeren, dat men zich dikwyls bedriegt in 't beoordeelen der aanspraken van sommige menschen op stoffelyke onvolkomenheid? Ik ben zeker dat de gasten nooit van die aanspraken gehoord hadden. --Ik heb op Sumatra een meisje gekend, ging hy voort, de dochter van een _datoe_[83] ... welnu, ik houd het er voor dat _zy_ op die onvolkomenheid geen recht had. En toch heb ik haar in 't water zien vallen by een schipbreuk ... evenals een ander. Ik, een mensch, heb haar moeten helpen om aan land te komen. --Maar.. had ze dan moeten vliegen als een meeuw? --Wel zeker, of ... neen, ze had geen lichaam moeten hebben. Wilt ge dat ik u vertel hoe ik kennis met haar maakte? 't Was in '42. Ik was kontroleur van Natal ... ben je daar geweest, Verbrugge? --Ja. --Welnu, dan weet je dat er peperkultuur in 't Natalsche is. De pepertuinen liggen te _Taloh-Baleh_, benoorden Natal, aan de kust. Ik moest ze inspekteeren, en daar ik geen verstand van peper had, nam ik in de _prahoe_[84] een _datoe_ mee, die er meer van wist. Zyn dochtertje, toen een kind van dertien jaren, ging mee. We zeilden langs de kust, en verveelden ons ... --En toen hebt ge schipbreuk geleden? --Wel neen, t was mooi weer, al te mooi. De schipbreuk waarop je doelt, viel veel later voor. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zoo zeilden we langs de kust, en 't was stikheet. Zoo'n prauw biedt weinig gelegenheid tot afleiding, en daarby was ik juist in een verdrietige stemming, waartoe veel oorzaken het hare bydroegen. Ik had, _primo_, een ongelukkige liefde, ten-tweede, een ... ongelukkige liefde, ten-derde ... nu ja, nog iets van dien aard, enz. Och, dat hoort er zoo by. Maar bovendien bevond ik my in een statie tusschen twee aanvallen van eerzucht. Ik had me koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een toren geklommen, en weer op den grond gevallen ... ik zal nu maar overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur gezicht en slecht humeur, en was, wat de Duitschers noemen: _ungeniessbar_. Ik vond onder anderen dat het niet te-pas kwam my pepertuinen te laten inspekteeren, en dat ik lang had moeten aangesteld zyn tot gouverneur van een zonnestelsel. Hierby kwam het me voor als zedelyke moord, een geest als den mynen in een prauw te zetten met dien dommen _datoe_ en zyn kind. Ik moet je zeggen, dat ik anders de maleische Hoofden wel lyden mocht, en goed met hen overweg kon. Zelfs bezitten zy veel dat my hen doet voortrekken boven de javaansche Grooten. Ja, ik weet wel, Verbrugge, dat je dit niet met my eens bent, er zyn slechts weinigen die 't me toestemmen ... maar dit laat ik nu daar.[85] Als ik dat reisjen op een anderen dag gedaan had--met wat minder muizenesten in 't hoofd, meen ik--zou ik waarschynlyk terstond met dien _datoe_ in gesprek zyn gekomen, en misschien had ik gevonden dat hy myn omgang wel waard was. Wellicht had ik dan ook het meisjen aan 't spreken gebracht, en dit had my misschien onderhouden en vermaakt, want een kind heeft meestal iets oorspronkelyks ... schoon ik erkennen moet dat ikzelf toen nog te veel kind was, om belang te stellen in oorspronkelykheid. Thans is dit anders. Nu zie ik in elk meisje van dertien jaren een manuskript waarin nog weinig of niets is doorgestreken. Men verrast den auteur _en neglige_, en dit is dikwyls aardig. Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen al haar aandacht daarby noodig te hebben. Drie rooden, een zwarte ... drie rooden, een zwarte: 't was mooi! Ze heette _Si Oepi Keteh_. Dit beduidt op Sumatra zooveel als: _kleine freule_ ... ja, Verbrugge, jy weet het wel, maar Duclari heeft altyd op Java gediend.[86] Ze heette Si Oepi Keteh, maar in myn gedachten noemde ik haar "stumpert" of zoo-iets, omdat ik naar myn schatting zoo hemelhoog boven haar verheven was. 't Werd middag ... avend byna, en de kralen werden opgeborgen. Het land schoof langzaam naast ons weg, en kleiner en kleiner werd de _Ophir_ rechts achter ons.[87] Links in 't westen boven de wyde, wyde zee, die geen grens heeft tot waar Madagaskar ligt, en Afrika daar achter, zakte de zon, en liet haar stralen in gedurig stomper buiging kiskassen[88] over de golven, en zy zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was ook weer dat ding? --Wat voor ding ... de zon? --Ach, neen ... ik maakte verzen in die dagen! O, verrukkelyk! Hoor eens: Ge vraagt waarom toch de O Die Natals ree bespoelt, Schoon elders minzaam en gedwee, Ontstuimig slechts op Natals ree, Gedurig kookt en woelt? Ge vraagt, en de arme visschersknaap Heeft nauw uw vraag verstaan, Of wenkend met het donker oog, Wyst hy u aan d'onmeetbren boog Het verre Westen aan. Hy wendt den blik van 't donker oog En staart naar 't Westen heen, En toont u, daar ge rondsom ziet, Slechts water, water, in 't verschiet, En zee, en zee alleen! En daarom schuurt hier de Oceaan Zoo fel het oeverzand: 't Is zee slechts, waar ge rondsom ziet, En water, water, anders niet, Tot Madagaskars strand! En menig offer werd gebracht Ten zoen voor d'Oceaan! En menig kreet, in 't nat gesmoord, Door vrouw, noch kind, noch maag gehoord, Werd slechts door God verstaan! En menig hand voor 't laatst gestrekt Rees opwaarts uit het meer, En voelde en greep en plaste in 't rond, En zocht of ze ergens steunsel vond, En zonk voor eeuwig neer! En... --En ... en ... _ik weet de rest niet meer_. --Die is weertevinden door er om te schryven aan Krygsman, uw klerk te Natal. Hy heeft het, zei Verbrugge. --Hoe komt _hy_ daaraan? vroeg Max. --Misschien uit uw papiermand. Maar zeker is 't, dat hy het heeft! Volgt er niet de legende van de eerste zonde, die 't eiland zinken deed waardoor vroeger de reede van Natal werd beschermd? De geschiedenis van _Djiwa_ met de twee broeders? --Ja, dat is waar. Die legende ... was geen legende. Het was een parabel die ik maakte, en die misschien over een paar eeuwen legende worden zal als Krygsman dat ding wat veel opdeunt. Zoo begonnen alle mythologien. _Djiwa_ is: ziel, zooals je weet, _ziel, geest_ of zoo-iets. Ik maakte er een vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva ... --Wel, Max, waar blyft onze kleine freule met haar kraaltjes? vroeg Tine. --De kralen waren opgeborgen. Het was zes uur, en daar onder de evennachtslyn--_Natal_ ligt op weinige minuten noord: als ik over-land naar _Ayer-Bangie_ ging, stapte ik te paard over de linie heen, of nagenoeg ...'t was om er over te struikelen, waarachtig!--daar was zes uur 't sein tot avendgedachten. Nu vind ik dat een mensch 's avends altyd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan 's morgens, en dit is natuurlyk. 's Morgens houdt men zich te-zamen--ik weet wel dat dit een _germanismus_ is, maar hoe moet ik het zeggen in 't _hollandsch_? --men is ... deurwaarder of kontroleur, of ... neen, dit is genoeg! Een deurwaarder _haelt sich zusammen_ om dien dag eens terdeeg zyn plicht te doen ... god, welk een plicht! Hoe moet dat _zusammen gehalten_ hart er uitzien! Een kontroleur--ik zeg dit niet voor u, Verbrugge!--een kontroleur wryft zich de oogen uit, en ziet er tegen op den nieuwen adsistent-resident te ontmoeten, die een bespottelyk overwicht wil aannemen op een paar jaren diensttyd meer, en van wien hy zooveel zonderlings gehoord heeft ... op Sumatra. Of hy moet dien dag velden opmeten, en staat in dubio tusschen zyn eerlykheid--jy weet dit zoo niet, Duclari, omdat je militair bent, maar er zyn werkelyk eerlyke kontroleurs! --dan staat hy te waggelen tusschen die eerlykheid en de vrees dat _Radhen Dhemang_, zoo of zoo hem den schimmel zal terugvragen, die zoo goed _telt_. Of wel, hy moet dien dag kordaat _ja_ of _neen_ zeggen in antwoord op missive nummer zooveel. Kortom, 's morgens by 't ontwaken valt je de wereld op 't hart, en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avends heeft men een pauze. Er liggen tien volle uren tusschen nu en 't oogenblik dat men zyn rok weerziet. Tien uren: zes-en-dertig-duizend sekonden om mensch te zyn! Dit lacht ieder toe. Dit is 't oogenblik waarop ik hoop te sterven, om ginder aantekomen met een inofficieel gezicht. Dit is 't oogenblik waarop je vrouw iets weervindt in je gelaat, van wat haar _ving_ toen ze je dien zakdoek behouden liet met een gekroonde _E_ op de punt ... --En toen ze nog 't recht niet had, verkouwen te wezen, zei Tine. --Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avends _gemuetlicher_ is. Toen alzoo de zon langzamerhand verdween, ging Havelaar voort, werd ik een beter mensch. En als eerste blyk van die beterschap moge gelden, dat ik tot de kleine freule zei: "Het zal nu gauw wat koeler worden." "Ja, _toewan_!" antwoordde zy. Maar ik boog myn hoogheid nog dieper tot die "stumpert" neer, en ving een gesprek met haar aan. Myn verdienste was te grooter omdat zy heel weinig antwoordde. Ik had gelyk in al wat ik zei ... dat ook al vervelend wordt, al is men nog zoo verwaand. "Zou je graag een volgenden keer weer meegaan naar _Taloh-Baleh_?" vroeg ik. "Zoo als toewan kommandeur[89] beveelt." "Neen, ik vraag _u_ of _gy_ zoo'n reisjen aangenaam vindt?" "Als myn vader het verkiest." antwoordde zy. Zegt eens, heeren, was 't niet om dol te worden? Welnu, ik werd niet dol. De zon was onder, en ik voelde my _gemuethlich_ genoeg om nog niet afgeschrikt te worden door zooveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik begon vermaak te scheppen in 't hooren van myn stem--er zyn weinigen onder ons, die niet gaarne luisteren naar zichzelf--maar na myn _mutisme_ van den heelen dag, meende ik, nu ik eindelyk aan 't spreken geraakt was, iets beters te verdienen dan de al te onnoozele antwoorden van _Si Oepi Keteh_. Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik, dan hoor ikzelf het met-een, en ik heb niet noodig dat ze my antwoordt. Nu weet ge dat, even als by het lossen van een schip de laatst ingeladen _krandjang_ suiker[90] 't eerst weer voor den dag komt, ook wy gewoonlyk die gedachte of die vertelling 't eerst lossen, die 't laatst is ingeladen. In het _Tydschrift van Nederlandsch Indie_ had ik kort tevoren een verhaal gelezen van Jeronimus: _de Japansche Steenhouwer_ ... Hoort eens, die Jeronimus heeft lieve dingen geschreven! Hebt ge zyn _Vendutie in een sterfhuis gelezen_? En zyn: _Graven_? En, vooral: de _Pedatti_?[91] Ik zal 't u geven. Ik dan had pas _de Japansche Steenhouwer_ gelezen. Ach, nu herinner ik my op-eenmaal hoe ik zoo-even verdwaald ben geraakt in dat liedje, waarin ik 't "donker oog" van dien visschersknaap tot scheelwordens toe "rond-om laat dwalen" in een richting ... heel gek! Dat was een aaneenschakeling van denkbeelden. Myn verstoordheid van dien dag stond in verband met het gevaarlyke der Natalsche ree ... je weet, Verbrugge, dat geen oorlogschip die reede mag aandoen, vooral niet in Juli ... ja, Duclari, de westmousson is daar in Juli 't sterkst, juist andersom dan hier.[92] Welnu, 't gevaarlyke van die reede schakelde zich vast aan myn gekrenkte eerzucht, en die eerzucht hangt weer samen met dat liedjen over _Djiwa_. Ik had den resident herhaaldelyk voorgesteld te _Natal_ een zeewering te maken, of althans een kunsthaven in de monding van de rivier, met het doel om handel te brengen in de Afdeeling _Natal_, die de zoo belangryke Battahlanden met de zee verbindt. Anderhalf millioen menschen in 't binnenland wisten geen weg met hun produkt, omdat de Natalsche ree--en terecht!--in zulk een slecht blaadje stond. Welnu, die voorstellen waren door den resident niet goedgekeurd, of althans hy beweerde dat de Regeering ze niet zou goedkeuren, en je weet dat behoorlyke residenten nooit iets voorstellen, dan wat ze vooruit kunnen berekenen dat aan 't Gouvernement bevallen zal. Het maken van een haven te _Natal_ streed in principe tegen 't stelsel van afsluiting, en wel verre van schepen daarheen te lokken, was 't zelfs verboden--tenzy in geval van _force majeure_--raschepen op de reede _toetelaten_. Als er nu toch een schip kwam--'t waren meestal Amerikaansche walvischvangers, of Franschen die peper hadden geladen in de onafhankelyke rykjes op den noordhoek[93]--liet ik my altyd door den kapitein een brief schryven, waarin hy verlof vroeg om drinkwater intenemen. De verstoordheid over 't mislukken myner pogingen om iets ten-voordeele van _Natal_ te bewerken, of liever de gekrenkte ydelheid ... was 't niet hard voor me, nog zoo weinig te beteekenen dat ik niet eens een haven kon laten maken waar ik wilde? Nu, dit alles, in verband met myn kandidatuur voor 't regelen van een zonnestelsel, had me dien dag zoo onbeminnelyk gemaakt. Toen ik door 't ondergaan der zon eenigszins genas--want ontevredenheid is een ziekte--bracht juist die ziekte my den _Japanschen Steenhouwer_ voor den geest, en misschien dacht ik alleen daarom die geschiedenis overluid, om, mezelf wysmakende dat ik het deed uit welwillendheid voor dat kind, ter-sluik den laatsten druppel intenemen van het drankje dat ik voelde noodig te hebben. Maar zy, dat kind, genas me--voor een dag of wat althans--beter dan myn vertelling, die ongeveer aldus moet geluid hebben: "_Oepi_, er was een man die steenen hieuw uit de rots. Zyn arbeid was zeer zwaar, en hy arbeidde veel, doch zyn loon was gering, en tevreden was hy niet. Hy zuchtte omdat zyn arbeid zwaar was. En hy riep: och, dat ik ryk ware, om te rusten op een _baleh-baleh_ met _klamboe_ van roode zyde.[94] En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. En hy was ryk. En hy rustte op een baleh-baleh, en de _klamboe_ was van roode zyde. En de koning des lands toog voorby, met ruiters voor zyn wagen. En ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden _pajong_[95] boven het hoofd van den koning. En toen de ryke man dit zag, verdroot het hem dat er geen gouden _pajong_, werd gehouden boven zyn hoofd. En tevreden was hy niet. Hy zuchtte, en riep: ik wenschte koning te zyn. En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. En hy was koning. En voor zyn wagen reden vele ruiters, en ook waren er ruiters achter zyn wagen, en boven zyn hoofd hield men den gouden _pajong_. En de zon scheen met heete stralen, en verbrandde het aardryk, zoodat de grasscheut dor werd. En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht had boven hem. En tevreden was hy niet. Hy zuchtte, en riep: ik wenschte de zon te zyn. En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. En hy was de zon. En hy zond zyn stralen naar boven, en naar beneden, naar de rechterzyde en naar de linkerzyde, en alom. En hy verschroeide den grasscheut op het aardryk, en het gelaat der vorsten die op de aarde waren. En een wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen van de zon stuitten daarop terug. En hy werd toornig dat zyner macht weerstaan werd, en hy klaagde dat die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hy niet. Hy wilde de wolk zyn, die zoo machtig was. En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. En hy werd een wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde, en ving de stralen op, zoodat het gras groen werd. En de wolk regende in groote druppen op het aardryk, en deed de rivieren zwellen, en _banjirs_ voerden de kudden weg. En hy verwoestte door veel waters het veld. En hy viel neer op een rots, die niet week. En hy klaterde in groote stroomen, maar de rots week niet. En hy werd toornig omdat de rots niet wyken wilde, en omdat de sterkte van zyn stroomen ydel was. En tevreden was hy niet. Hy riep: aan die rots is macht gegeven boven my. Ik wenschte die rots te zyn. En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. En hy werd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het regende. En daar kwam een man met houweel, en met puntigen bytel, en met zwaren hamer, die steenen hieuw uit de rots. En de rots zeide: wat is dit, dat die man macht heeft boven my, en steenen houwt uit myn schoot? En tevreden was hy niet. Hy riep: ik ben zwakker dan deze ... ik wenschte die man te zyn. En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt. En hy was een steenhouwer. En hy hieuw steenen uit de rots, met zwaren arbeid, en hy arbeidde zeer zwaar voor weinig loons, en hy was tevreden." --Heel aardig, riep Duclari, maar nu zyt ge ons nog 't bewys schuldig dat die kleine _Oepi_ imponderabel had moeten wezen. --Neen, ik heb u dat bewys niet beloofd! Ik heb alleen willen vertellen hoe ik kennis met haar maakte. Toen myn verhaaltjen uit was, vroeg ik: "En jy, _Oepi_, wat zou jy kiezen, als een engel uit den hemel je kwam vragen wat je begeerde?" "Voorzeker, mynheer, ik zou hem bidden my meetenemen naar den hemel." --Is dat niet beeldig? vroeg Tine aan haar gasten, die 't misschien heel gek vonden ... Havelaar stond op, en vaagde iets weg van het voorhoofd. TWAALFDE HOOFDSTUK --Beste Max, zei Tine, ons dessert is zoo schraal. Zou je niet ... je weet wel ... Madame Geoffrin?[96] --Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben heesch. De beurt is aan Verbrugge. --Ja, m'nheer Verbrugge! Lost u Max wat af, verzocht mevrouw Havelaar. Verbrugge bedacht zich even, en begon: --Er was eens een man, die een kalkoen stal ... --O, deugniet, riep Havelaar, dat heb je van _Padang_! En hoe is 't verder? --'t Is uit. Wie kent het slot van die historie? --Wel, _ik_! Ik heb hem opgegeten, samen met ...iemand. Weet je waarom ik te _Padang_, gesuspendeerd was? --Men zei dat er een deficit was in uw kas te _Natal_, hernam Verbrugge. --Dit was niet geheel onwaar, doch _waar_ was 't ook niet. Ik was te _Natal_ door allerlei oorzaken heel slordig geweest in myn geldelyke verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar dit viel in die dagen zoo dikwyls voor! De omstandigheden in de Noord van Sumatra waren kort na 't innemen van _Baroes, Tapoes_ en _Singkel_ zoo verward, alles was zoo onrustig, dat men het een jong mensch, die liever te-paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet kwalyk nemen kon dat alles niet zoo ordelyk en geregeld ging als men zou kunnen vorderen van een amsterdamschen boekhouder die niet anders te doen heeft. De Battahlanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe altyd alles wat in de Battahs gebeurt, terugwerkt op 't Natalsche. Ik sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig by-dehand te zyn, wat dan ook dikwyls noodig was. Daarby heeft het gevaar--eenigen tyd voor myn komst was er een komplot ontdekt, om myn voorganger te vermoorden en opstand te maken--het gevaar heeft iets aantrekkelyks, vooral wanneer men slechts twee-en-twintig jaren oud is. Dit aantrekkelyke maakt dan iemand wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de styve nauwkeurigheid die noodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei gekheden in 't hoofd ... --_Traoessa_?[97] riep mevrouw Havelaar een bediende toe. --Wat hoeft niet? --Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken ... een omelet of zoo-iets. --Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van myn gekheden begin? je bent ondeugend, Tine! 't Is my wel, maar die heeren hebben ook een stem. Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie? --Dat is een moeielyke pozitie voor een beleefd mensch zei Verbrugge. --En ook ik zou liever niet kiezen, voegde Duclari er by, want het is hier te doen om een uitspraak tusschen m'nheer en mevrouw, en: _entre l'ecorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt_. --Ik zal u helpen, heeren, de omelet is ... --Mevrouw, zei de zeer beleefde Duclari, de omelet zal toch wel zooveel waard zyn als ... --Als de historie? Zeker _als_ ze wat waard was! Doch er is een bezwaar ... --Ik wed dat er nog geen suiker in huis is, riep Verbrugge. Och, laat toch by my halen wat ge noodig hebt! --Suiker is er ... van mevrouw Slotering. Neen, daaraan hapert het niet. Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zyn, maar ... --Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen? --Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in 't vuur vallen Ze is ... --Maar, Tine, riep Havelaar, wat is ze dan toch? --Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles ... wezen moesten! Ik heb geen omelet ... ik heb niets meer! --Dan in 's hemelsnaam de historie! zuchtte Duclari met koddige wanhoop. --Maar koffi hebben we, riep Tine. --Goed! Koffidrinken in de voorgalery, en laat ons mevrouw Slotering met de meisjes daarby roepen, zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar buiten toog. --Ik gis dat ze bedanken zal, Max! je weet dat ze ook liever niet met ons eet, en ik kan haar geen ongelyk geven. --Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel, zei Havelaar, en dat heeft haar afgeschrikt. --Wel neen, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen hollandsch. Neen, ze heeft my gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blyven voeren, en dit begryp ik heel goed. Weet je nog hoe je myn naam vertaald hebt? --_E.H.V.W: eigen haard veel waard_. --Daarom! Ze heeft groot gelyk. Bovendien, ze komt me wat menschenschuw voor. Verbeeld je dat zy alle vreemden die 't erf betreden, laat wegjagen door de oppassers ... --Ik verzoek om de historie of de omelet, zei Duclari. --Ik ook! riep Verbrugge. Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben aanspraak op een volledig maal, en daarom eisch ik de geschiedenis van den kalkoen. --Die heb ik je reeds gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen van den generaal Vandamme, en heb 't opgegeten ... met iemand. --Voor die "iemand" ten-hemel voer, zei Tine schalk. --Neen, dat is tricheeren: riep Duclari. We moeten weten waarom ge dien kalkoen ... weggenomen hebt. --Wel, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van den generaal Vandamme die me gesuspendeerd had. --Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgenden keer zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge. --Geloof me, er stak niets meer achter dan dat. Hy had zeer veel kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur ... ik nam er een, en zei tot den man die zich verbeeldde er op te passen: "zeg den generaal dat ik, Max Havelaar, dezen kalkoen neem omdat ik eten wil." --En dan dat epigram? --Heeft Verbrugge je daarvan gesproken? --Ja. --Dat had niets met den kalkoen uittestaan. Ik maakte dat ding omdat hy zooveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op _Padang_ zeker zeven of acht die hy met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De adsistent-resident van _Padang_ zelf was gesuspendeerd, en wel om een reden die, naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit opgegevene. Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzekeren kan dat ik alles juist weet, en alleen overzeg wat men in de _chinesche kerk_[98] te _Padang_ voor waar hield, en wat dan ook--vooral met het oog op de bekende eigenschappen van den generaal--waar _kan_ geweest zyn. Hy had, moet ge weten, zyn vrouw getrouwd om een weddingschap te winnen, en daarmee een anker wyn. Hy ging dus dikwyls 's avends uit, om ... overal rondteloopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje naby 't meisjesweeshuis zyn inkognito zoo stipt geeerbiedigd hebben, dat hy hem een pak slaag heeft gegeven even als een _gewonen_ straatschender. Niet ver van daar woonde _Miss_ X. Er liep een gerucht dat die _Miss_ 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat ... verdwenen was. De adsistent-resident was als hoofd der politie verplicht, en ook inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en schynt van dit voornemen iets gezegd te hebben op een whistparty by den generaal. Doch zie, den volgenden dag ontvangt hy den last zich naar zekere Afdeeling te begeven, welker gezagvoerende kontroleur wegens ware of veronderstelde oneerlykheid geschorst was in zyn beheer, om _in loco_ zekere zaken te onderzoeken en daarvan "te dienen van bericht." Wel was de adsistent-resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zyn Afdeeling in 't geheel niet aanging, doch daar hy strikt genomen deze opdracht kon beschouwen als een vereerende onderscheiding, en dewyl hy met den generaal op zeer vriendschappelyken voet stond zoodat hy geen oorzaak had aan een valstrik te denken, berustte hy in deze zending, en begaf zich naar ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem bevolen was. Na eenigen tyd keert hy terug, en biedt een verslag aan dat niet ongunstig luidde voor dien kontroleur. Doch ziet, er was gedurende dien tyd op _Padang_, door 't publiek--dat is: door niemand en iedereen--ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een gelegenheid te scheppen den adsistent-resident van de plaats te verwyderen, ten-einde zyn voorgenomen onderzoek naar de verdwyning van dat kind te voorkomen, of althans te verschuiven tot een tydstip dat die zaak moeielyker zou optehelderen zyn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of dit waar was, doch naar de kennis die ikzelf later van den generaal Vandamme opdeed, komt deze lezing van 't geval my geloofbaar voor. Op _Padang_ was er niemand die hem niet--wat het peil aangaat, waartoe zyn zedelykheid was afgedaald--tot zoo-iets in-staat keurde. De meesten kenden hem slechts een goede hoedanigheid toe, die van onverschrokkenheid in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien heb, van meening ware dat hy _apres tout_ een dapper man was, zou dit alleen my bewegen u deze geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, hy had op Sumatra veel laten "sabreeren" doch wie sommige gebeurtenissen van naby gezien had[99] voelde neiging om wat aftedingen op zyn dapperheid, en, hoe vreemd het schyne, ik geloof dat hy zyn krygsmansroem grootendeels te danken had aan de zucht tot tegenstelling, die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne: 't is waar dat Peter of Paul _dit_, _dit_ of _dit_ is, maar ... _dat_ is hy, _dat_ moet men hem laten! En nooit kan men zoo zeker zyn geprezen te worden, dan wanneer men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jy, Verbrugge, bent alle dagen dronken ... --Ik? vroeg Verbrugge die een voorbeeld was van matigheid. --Ja, _ik_ maak je nu dronken, alle dagen! je vergeet je zoo ver, dat Duclari 's avends in de galery over je struikelt. Dit zal hy onaangenaam vinden, maar terstond zal hy zich herinneren iets goeds in je gezien te hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en ik vind je zoo erg ... _horizontaal_, dan zal hy my de hand op den arm leggen, en uitroepen--"och, geloof toch dat hy overigens zoo'n beste brave knappe jongen is!" --Dat zeg ik toch van Verbrugge, riep Duclari, al is hy _vertikaal_. --Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dikwyls men hoort zeggen: "o, als _die_ man op zyn zaken wilde passen, dat zou iemand wezen! Maar ... en dan volgt het betoog hoe hy _niet_ op zyn zaken past en dus _niemand_ is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook van de dooden verneemt men altyd goede hoedanigheden waarvan we vroeger niets bemerkten. De oorzaak zal wel zyn dat ze niemand _in den weg staan_. Alle menschen zyn min of meer mededingers. We zouden gaarne elk ander _geheel_ en _in alles_ onder ons plaatsen. Dit echter te uiten, verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou niemand ons gelooven ook al beweerden wy iets waars. Er moet dus een omweg gezocht worden, en ziet hier hoe we dit doen. Als gy, Duclari, zegt: "de luitenant Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hy is een goed soldaat, ik kan je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat de luitenant Slobkous is ... maar een _theoretikus_ is hy niet ... Heb je niet zoo gezegd, Duclari? --Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien? --Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem. --Wel, ik schep hem, en zeg het. --Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jy, Duclari, _a cheval_ bent op de _theorie_. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen onrecht zoo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden onder ons zyn 't slechte zoo na! Laat eens de volmaaktheid nul heeten, en honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan--wy, die dobberen tusschen acht-en negen-en-negentig!--_haro_ te roepen over iemand die op honderd-en-een staat! En nog geloof ik dat velen dien honderdsten graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede eigenschappen, aan moed by-voorbeeld om geheel te zyn wat men is. --Op hoeveel graden sta ik, Max? --Ik heb een loep noodig voor de onderdeelen, Tine. --Ik reklameer, riep Verbrugge--neen, mevrouw, niet tegen uwe nabyheid aan de nul!--neen, maar er zyn ambtenaren gesuspendeerd, er is een kind zoek, een generaal in staat van beschuldiging ... ik vraag: _la piece_! --Tine, zorg toch dat er een volgenden keer wat in huis is! Neen, Verbrugge, je krygt _la piece_ niet, voor ik nog een beetje heb rondgereden op myn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk mensch in zyn medemensch een soort van konkurrent ziet. Men mag niet altyd laken--wat in 't oog vallen zou!--daarom verheffen wy gaarne een goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker openbaring ons eigenlyk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen, zonder den schyn op ons te laden van partydigheid. Als iemand zich by my beklaagt omdat ik gezegd heb: "zyn dochter is zeer schoon, maar hy is een dief" dan antwoord ik: "hoe kan je daarover zoo boos wezen! Ik heb immers gezegd dat je dochter een lief meisjen is!" Zieje, dat wint dubbel! Wy beiden zyn kruieniers, ik neem hem zyn klanten af, die geen rozynen willen koopen by een dief, en te-gelyker-tyd zegt men van my dat ik een goed mensch ben, omdat ik de dochter prys van een konkurrent. --Neen, zoo erg is 't niet, zei Duclari, dat is wat sterk! --Dit komt u nu zoo voor, omdat ik de vergelyking wat kort en brusk gemaakt heb. We moeten ons dat: "hy is een dief" eenigszins omzwachteld voorstellen. De strekking der gelykenis blyft waar. Wanneer we genoodzaakt zyn iemand zekere eigenschappen toe te kennen die aanspraak geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons genoegen naast die eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van den verschuldigden cyns voor een gedeelte of geheel ontslaat. "Voor _zulk_ een dichter zou men 't hoofd buigen, maar ... hy slaat zyn vrouw!"[100] Ziet ge, dan gebruiken wy gaarne de blauwe plekken van die vrouw als voorwendsel om ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons zelfs pleizier dat hy 't mensch slaat, wat toch anders heel leelyk is. Zoodra wy erkennen moeten dat iemand hoedanigheden bezit die hem de eer van een voetstuk waardig maken, zoodra we zyn aanspraken daarop niet langer kunnen loochenen zonder doortegaan voor onkundig, gevoelloos, of nayverig ... dan zeggen we ten-laatste: "goed, zet hem er op!" Maar reeds onder dat opzetten, en als hyzelf nog meent dat we verrukt staan over zyn uitstekendheid, hebben we reeds den strik gelegd in den _lazzo_ die dienen moet om hem by de eerste gunstige gelegenheid naar-beneden te halen. Hoe meer _mutatie_ onder de _inhabers_ der voetstukken, hoe grooter de kans voor anderen om ook eens aan de beurt te komen, en dit is zoo waar dat wy uit gewoonte en tot oefening--even als een jager die op kraaien schiet, welke hy toch liggen laat--ook _die_ standbeelden gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden. Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing in de klacht: "Alexander was niet groot ... hy was onmatig" zonder dat er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te konkurreeren in wereldverovering. Hoe dit zy, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen zyn, den generaal Vandamme voor zoo dapper te houden, als zyn dapperheid niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altyd daarby gevoegde: "maar ... zyn zedelykheid!" En tevens, dat deze onzedelykheid niet zoo hoog zou opgenomen zyn door de velen die zelf niet zoo onaantastbaar waren op dit stuk, wanneer men ze niet had noodig gehad tot het opwegen tegen zyn roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen. Een eigenschap bezat hy werkelyk in hooge mate: wilskracht. Wat hy zich voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlyk. Doch--zie je wel dat ik weer terstond de tegenstelling by-de-hand heb?--doch in de keuze der middelen was hy dan ook wat ... vry, en, zooals van der Palm--naar ik geloof, ten-onrechte--van Napoleon zeide: "hinderpalen der zedelykheid stonden hem nooit in den weg!" Nu, dan is 't zeker gemakkelyker zyn doel te bereiken, dan wanneer men zich door zoo-iets wel gebonden acht. De adsistent-resident van _Padang_, dan had een bericht uitgebracht, dat gunstig luidde voor dien gesuspendeerden kontroleur, wiens suspensie hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangsche praatjes duurden voort: men sprak nog altyd over 't verdwenen kind. De adsistent-resident voelde zich op-nieuw geroepen die zaak optevatten, maar voor hy iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hy een besluit waarby hy door den Gouverneur van Sumatra's Westkust werd gesuspendeerd "wegens oneerlykheid in ambtsbetrekking." Het heette dat hy uit vriendschap of medelyden de zaak van dien kontroleur, tegen beter weten aan, in een valsch daglicht had gesteld. Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen, maar ik weet dat de adsistent-resident niet in de minste betrekking met dien kontroleur stond, hetgeen reeds hieruit blykt dat men juist _hem_ had gekozen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hy een achtenswaardig persoon was, en dat ook de Regeering hem hiervoor hield, hetgeen blykt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die kontroleur is later geheel in zyn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die my 't puntdicht ingaf, dat ik op de ontbyttafel van den generaal liet neerleggen door iemand die toen by hem, vroeger by my in dienst was. Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert, Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen, Had zyn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd... Als 't niet voor langen tyd finaal reeds ware ontslagen. --Neem me niet kwalyk, m'nheer Havelaar, ik vind dat zoo-iets niet te pas kwam, zei Duclari. --Ik ook ... maar ik moest toch _iets_ doen! Verbeeld je dat ik geen geld had, niets ontving, en van-dag tot-dag vreesde te sterven van honger, wat dan ook naby genoeg geweest is. Ik had weinig of geen betrekkingen op _Padang_, en bovendien, ik had den generaal geschreven dat _hy_ verantwoordelyk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, vernemende hoe 't met my gesteld was, my uitnoodigden ten hunnent te komen, maar de generaal verbood dat men my daarheen een pas zou geven. Naar Java vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en misschien ook daar als men niet zoo bevreesd ware geweest voor den machtigen generaal. Het scheen zyn plan te zyn my te laten verhongeren. Dat heeft negen maanden geduurd! --En hoe hebt ge u zoolang in 't leven gehouden? Of had de generaal veel kalkoenen! --O ja! Maar dit hielp me niet ... zoo-iets doet men maar eens, niet waar? Wat ik gedurende dien tyd uitrichtte? Och ... ik maakte verzen, schreef komedies ... en zoo al voort. --En was daarvoor op _Padang_ ryst te-koop? --Neen, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet hoe ik geleefd heb.[101] Tine drukte hem de hand, _zy_ wist het. --Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschreven hebben achter op een kwitantie, zei Verbrugge. --Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen myn pozitie. Er bestond in die dagen een tydschrift, _de Kopiist_, waarop ik inteekenaar was. Het stond onder de bescherming van de Regeering--de redakteur was ambtenaar by de algemeene Sekretarie[102]--en hierom werden de inteekeningsgelden in 's lands kas gestort. Men bood my een kwitantie van twintig gulden aan. Daar nu dit geld op de bureaux van den Gouverneur moest worden verhandeld, en dus de kwitantie, als zy onbetaald bleef, die bureaux te passeeren had om te worden teruggezonden naar Batavia, maakte ik van die gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteeren tegen myn armoede: Vingt-florins... quel tresor! Adieu, litterature, Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin: Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin, Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture! Si j'avais vingt florins je serais mieux chausse, Mieux nourri, mieux loge, j'en ferais bonne chere... Il faut vivre avant tout, soit vie de misere: Le crime fait la honte, et non la pauvrete! Maar toen ik later te Batavia by de redaktie van den _Kopiist_ myn twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schynt dat de generaal zelf dat geld voor my betaald heeft, om niet gedwongen te zyn die geillustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia. --Maar wat deed hy na 't ... na 't ... wegnemen van dien kalkoen? 't Was toch ... een diefstal! En na dat epigram? --Hy strafte me vreeselyk! Wanneer hy my voor die zaken had laten terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens den Gouverneur van Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goeden wil had kunnen worden uitgelegd als "_pooging, tot ondermyning van 't nederlandsch gezag, en aanhitsing, tot opstand_" of aan "_diefstal op den publieken weg_" zou hy getoond hebben een goedhartig mensch te zyn. Maar neen, hy strafte me beter ... akelig! Aan den man die op de kalkoenen passen moest, liet hy gelasten voortaan een anderen weg te kiezen. En myn puntdicht ... ach, dat is nog erger zeide _niets_, en deed _niets_! Ziet ge, dit was wreed! Hy gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid! O, Duclari ... o, Verbrugge ...'t was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en kalkoenen! Zo weinig aanmoediging dooft de vlam van 't genie uit tot de laatste vonk ... inkluzief: ik heb 't nooit weer gedaan! DERTIENDE HOOFDSTUK --En mag men nu weten waarom ge eigenlyk gesuspendeerd waart? vroeg Duclari. --O ja, gaarne! Want daar ik alles wat ik u hiervan te zeggen heb, voor waar geven en zelfs nog gedeeltelyk bewyzen kan, zult ge daaruit zien dat ik niet lichtvaardig handelde toen ik myn verhaal over dat vermiste kind, de praatjes van _Padang_ niet verwierp als volstrekt ongerymd. Men zal ze zeer geloofbaar vinden, zoodra men onzen dapperen generaal leert kennen in de zaken die _my_ betreffen. Er waren dan in myn kasrekening te _Natal_ onnauwkeurigheden en verzuimen. Ge weet hoe elke onnauwkeurigheid op nadeel uitloopt: nooit heeft men door slordigheid geld over. De chef van de komptabiliteit te _Padang_--die nu juist myn byzondere vriend niet was--beweerde dat er duizenden te-kort kwamen. Maar let wel dat men my, zoolang ik te _Natal_ was, daarop niet had opmerkzaam gemaakt. Geheel onverwachts ontving ik een overplaatsing naar de Padangsche bovenlanden. Je weet, Verbrugge, dat op Sumatra een plaatsing in de bovenlanden van _Padang_ als voordeeliger en aangenamer wordt beschouwd dan in de noordelyke residentie. Daar ik nog slechts weinig maanden vroeger den Gouverneur by my had gezien--straks zult ge hooren waarom, en hoe?--en omdat er gedurende zyn verblyf te _Natal_, en zelfs in myn huis, zaken waren voorgevallen waarin ik meende my al zeer flink gedragen te hebben, nam ik die overplaatsing als een gunstige onderscheiding op, en vertrok van _Natal_ naar _Padang_. Ik deed de reis met een fransch schip, de _Baobab_ van Marseille, dat te Atjeh peper had ingeladen, en ... natuurlyk te _Natal_ "gebrek had aan drinkwater." Zoodra ik te _Padang_ aankwam, met het doel vandaar terstond naar de binnenlanden te vertrekken, wilde ik volgens gebruik en plicht den Gouverneur bezoeken, maar hy liet me zeggen dat hy me niet ontvangen kon, en tevens dat ik myn vertrek naar myn nieuwe standplaats moest uitstellen tot nader bevel. Ge begrypt dat ik hierover zeer verwonderd was, te-meer daar hy te _Natal_ my verlaten had in een stemming die me deed meenen nogal goed by hem aangeschreven te staan. Ik had slechts weinig kennissen te _Padang_, maar van deze weinigen vernam ik--of liever ik bemerkte het aan hen--dat de generaal zeer verstoord op me was. Ik zeg dat ik 't _bemerkte_ omdat op een buitenpost als _Padang_ toen was, de welwillendheid van velen dienen kon als graadmeter der genade die men gevonden had in de oogen des Gouverneurs. Ik gevoelde dat er een storm in aantocht was, zonder te weten uit welken hoek de wind komen zou. Daar ik geld noodig had, verzocht ik dezen en genen me daarmee te-hulp te komen, en ik stond werkelyk verbaasd dat men my overal een weigerend antwoord gaf. Op _Padang_, niet minder dan elders in Indie, waar over 't geheel het krediet een zelfs _te_ groote rol speelt, was de stemming op dat stuk anders vry ruim. Men zou in elk ander geval met genoegen eenige honderden guldens hebben voorgeschoten aan een kontroleur die op reis was en tegen verwachting ergens werd opgehouden. Doch my weigerde men alle hulp. Ik drong by sommigen op 't noemen der oorzaken van dit wantrouwen aan, en _de fil en aiguille_ kwam ik eindelyk te weten dat men in myn geldelyk beheer te _Natal_ fouten en verzuimen had ontdekt, die me verdacht maakten van ontrouwe administratie. Dat er fouten in myn administratie waren, bevreemdde me volstrekt niet. Juist het tegendeel zou me verwonderd hebben, maar wel vond ik 't zonderling dat de Gouverneur, die persoonlyk getuige was geweest hoe ik gedurig ver van myn bureau had te kampen gehad met de ontevredenheid der bevolking en aanhoudende pogingen tot opstand ... dat hy die zelf my geprezen had over wat hy "kordaatheid" noemde, aan de ontdekte fouten den naam geven kon van ontrouw of oneerlykheid. Niemand beter toch dan hy kon weten dat er in deze zaken nooit spraak kon zyn van iets anders dan van _force majeure_. En, al loochende men deze _force majeure_, al wilde men my verantwoordelyk stellen voor fouten die begaan waren op oogenblikken dat ik--in levensgevaar dikwyls!--ver van de kas en wat er naar geleek, het beheer daarvan moest toevertrouwen aan anderen, al zou men eischen dat ik, het eene doende, het andere niet had mogen nalaten, dan nog zou ik alleen schuldig geweest zyn aan een slordigheid die niets gemeens had met "ontrouw." Er bestonden bovendien, in die dagen vooral, talryke voorbeelden dat de Regeering deze moeielykheid der pozitie van de ambtenaren op Sumatra inzag, en 't scheen dan ook in grondbeginsel aangenomen by zulke gelegenheden iets door de vingers te zien. Men vergenoegde zich met van de betrokken ambtenaren de terugbetaling van 't ontbrekende te vorderen, en er moesten al zeer duidelyke bewyzen zyn voor men 't woord "ontrouw" uitsprak of zelfs daaraan dacht. Dit was dan ook zoo als regel aangenomen, dat ik te _Natal_ den Gouverneur zelf gezegd had bevreesd te zyn dat ik, na 't onderzoeken van myn verantwoording op de bureaux te _Padang_ veel zou te betalen hebben, waarop hy schouder-ophalend antwoordde: "och ... die geldzaken!" als gevoelde hyzelf dat het mindere voor 't meerdere wyken moest. Nu erken ik dat geldzaken gewichtig zyn. Maar hoe gewichtig ook, ze waren in dit geval onderschikt aan andere takken van zorg en bezigheid. Als er door slordigheid of verzuim eenige duizenden te-kort waren in myn beheer, noem ik dit _op-zichzelf_ geen kleinigheid. Maar als deze duizenden ontbraken ten-gevolge van myn gelukte pogingen om den opstand te voorkomen, die de landstreek van _Mandheling_ dreigde in vuur en vlam te zetten, en de Atjinezen te doen terugkeeren in de oorden waaruit wy hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan vervalt het gewicht van zoodanig te-kort, en 't werd zelfs reeds eenigszins onbillyk de terugbetaling daarvan opteleggen aan iemand die oneindig grooter belangen gered had. En toch had ik vrede met zoodanige terugbetaling. Want door die niet te vorderen, zou men een te wyde deur openstellen voor oneerlykheid. Na dagen toevens--ge begrypt in welke stemming!--ontving ik van de sekretarie des Gouverneurs een brief, waarin men my te kennen gaf dat ik van ontrouw werd verdacht gehouden, met last my te verantwoorden op een tal van aanmerkingen die er gevallen waren op myn beheer. Enkelen daarvan kon ik terstond ophelderen. Voor anderen evenwel had ik inzage van zekere stukken noodig, en vooral was 't voor my van belang die zaken natesporen te _Natal_ zelf, om by myn geemployeerden naar de oorzaken der gevonden verschillen onderzoek te doen, en waarschynlyk zou ik daar geslaagd wezen in myn pogingen om alles tot klaarheid te brengen. Het verzuim eener afschryving by-voorbeeld van naar _Mandheling_ gezonden gelden--je weet, Verbrugge, dat de troepen in 't binnenland uit de Natalsche kas worden betaald--of iets dergelyks, dat me hoogstwaarschynlyk terstond zou gebleken zyn als ik onderzoek had kunnen doen op de plaats zelf, had misschien tot die verdrietige fouten aanleiding gegeven. Maar de generaal wilde my niet naar _Natal_ laten vertrekken. Deze weigering deed my te meer letten op 't vreemde der wyze waarop die beschuldiging van ontrouw tegen my was ingebracht. Waarom toch was ik van _Natal_ onverwachts overgeplaatst, en wel onder verdenking van ontrouw? Waarom deelde men my dit onteerend vermoeden eerst mede, toen ik ver van de plaats was waar ik gelegenheid zou gehad hebben my te verantwoorden? En bovenal, waarom tegen my die zaken zoo terstond in het ongunstigst daglicht gesteld, in tegenspraak met de aangenomen gewoonte en de billykheid? Voor ik nog al die aanmerkingen, zoo goed me zonder archief of mondelinge inlichtingen mogelyk was, beantwoord had, vernam ik zydelings dat de Generaal zoo verstoord op me was: "_omdat ik hem te Natal zoo gekontrarieerd had, waaraan ik dan ook, voegde men er by, zeer verkeerd had gedaan_." Toen ging er een licht voor my op. Ja, ik had hem gekontrarieerd, maar in 't naif denkbeeld dat hy me daarom achten zou! Ik had hem gekontrarieerd, maar by zyn vertrek had niets me doen gissen dat hy daarover verstoord was! Dom genoeg had ik de gunstige overplaatsing naar _Padang_, aangenomen als een bewys dat hy myn "kontrarieeren" schoon gevonden had. Ge zult zien, hoe weinig ik hem toen kende. Maar zoodra ik vernam dat dit de oorzaak was van de scherpte waarmee men myn geldelyke administratie beoordeeld had, was ik in vrede met myzelf. Ik beantwoordde punt voor punt zoo goed ik kon, en eindigde myn brief--ik bezit daarvan nog de minuut--met de woorden: "_Ik heb de op myn administratie gevallen aanmerkingen, zoo goed het my zonder archief of lokale nasporing mogelyk was, beantwoord. Ik verzoek Uhoogedelgestrenge my van alle welwillende konsideratien te verschoonen. Ik ben jong, en onbeduidend in-vergelijking, met de macht der heerschende begrippen waartegen myn principes me noodzaken optestaan, maar blijf niettemin trotsch op myn zedelyke onafhankelykheid, trotsch op myn eer_." Den volgenden dag was ik gesuspendeerd wegens "ontrouwe administratie." Den Officier van justitie--we zeiden nog _fiskaal_ in dien tyd--werd gelast omtrent my "ambt en plicht" te betrachten. En zoo stond ik dus daar te _Padang_, nauw drie-en-twintig jaren oud, en staarde de toekomst aan, die my eerloosheid brengen zou! Men raadde my aan, me te beroepen op myn jonge jaren--ik was nog onmondig toen de voorgegeven vergrypen hadden plaats gehad--maar dit wilde ik niet. Ik had immers reeds te veel gedacht en geleden, en ... ik durf zeggen: te veel reeds gewerkt, dan dat ik me verschuilen zou achter myn jeugd. Ge ziet uit het zoo-even aangehaald slot van dien brief, dat ik niet wilde behandeld zyn als een kind, ik die te _Natal_ tegenover den generaal myn plicht had gedaan als een man. En tevens kunt ge uit dien brief zien hoe ongegrond de beschuldiging was, die men tegen my inbracht. Waarlyk, wie schuldig is aan lage vergrypen, schryft anders! Men nam me niet gevangen, en dit had toch moeten geschieden als het ernst ware geweest met die krimineele verdenking. Misschien echter was dit schynbaar verzuim niet zonder grond. Den gevangene immers is men onderhoud en voedsel schuldig. Daar ik _Padang_ niet verlaten kon, was ik in werkelykheid toch een gevangene, maar een gevangene zonder dak en zonder brood. Ik had herhaaldelyk, doch telkens zonder baat, aan den Generaal geschreven dat hy myn vertrek van _Padang_ niet beletten mocht, want dat, al ware ik schuldig aan 't allerergste, geen misdaad mocht gestraft worden met _hongerlyden_. Nadat de rechtsraad, die blykbaar met de zaak verlegen was, den uitweg had gevonden zich onbevoegd te verklaren, omdat vervolgingen wegens misdryf in dienstbetrekking, niet mogen plaats hebben dan op machtiging van de Regeering te _Batavia_, hield my de generaal, zooals ik zeide, negen maanden te _Padang_. Hy ontving eindelyk van-hooger-hand den last me naar _Batavia_ te laten vertrekken. Toen ik een paar jaren daarna wat geld had--beste Tine, _jy_ hadt het me gegeven!--betaalde ik eenige duizenden guldens om de Natalsche kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken, en toen zeide my iemand[103] die geacht kon worden de Regeering van Nederlandsch-Indie voortestellen: "dat had ik in uw plaats niet gedaan ... ik zou een wissel op de eeuwigheid gegeven hebben." _Ainsi va le monde!_ * * * * * Juist wilde Havelaar een aanvang maken met het verhaal dat zyn gasten van hem wachtten, en dat ophelderen zou waarin en waarom hy den Generaal Vandamme te _Natal_ zoo "gekontrarieerd" had, toen mevrouw Slotering zich in de voorgalery van haar woning vertoonde, en den politie-oppasser wenkte, die naast Havelaars huis op een bank zat. Deze begaf zich tot haar, en riep daarop iets tot een man die zoo-even het erf betreden had, waarschynlyk met het doel om zich naar de keuken te begeven die achter 't huis gelegen was. Ons gezelschap zou hierop waarschynlyk niet gelet hebben, wanneer niet Tine dien middag aan tafel gezegd had dat mevrouw Slotering zoo schuw was, en een soort van toezicht scheen uitteoefenen over ieder die 't erf betrad. Men zag den man die door den oppasser geroepen was, tot haar gaan, en 't scheen wel dat ze hem in een verhoor nam dat niet in zyn voordeel afliep. Althans hy wendde zyn schreden en liep naar-buiten terug. --'t Spyt me wel, zei Tine. Dat was misschien iemand die kippen te-koop had, of groente. Ik heb nog niets in huis. --Wel, laat dan daartoe maar iemand uitzenden, antwoordde Havelaar. Je weet dat inlandsche dames gaarne gezag oefenen. Haar man was vroeger de eerste persoon hier, en hoe weinig een adsistent-resident eigenlyk beduidt, in zyn afdeeling is hy een kleine koning: zy is nog niet gewoon aan de onttrooning. Laat ons die arme vrouw dit klein genoegen niet ontnemen. Houd je maar alsof je 't niet bemerkte. Dit nu viel Tine niet zwaar: _zy_ hield niet van gezag. Een uitweiding is hier noodig, en zelfs wil ik eens uitweiden over uitweidingen. Het valt een schryver soms niet gemakkelyk, juist doortezeilen tusschen de twee klippen van het te-veel of te-weinig, en deze moeielykheid wordt te grooter als men toestanden beschryft, die den lezer verplaatsen moeten op onbekenden bodem. Er is een te nauw verband tusschen plaatsen en gebeurtenissen, dan dat men de beschryving van die plaatsen geheel zou kunnen ontberen, en 't vermyden de beide klippen waarop ik doelde, wordt dubbel moeielyk voor iemand die Indie tot tooneel zyner vertelling gekozen heeft. Want waar een schryver die europesche toestanden behandelt, veel zaken als bekend kan veronderstellen, moet hy die zyn stuk in Indie spelen laat, zich gedurig vragen of de niet-Indische lezer deze of gene omstandigheid juist opvatten zal? Wanneer de europesche lezer zich mevrouw Slotering voorstelt als "logeerende" by de Havelaars, zooals dit zou plaats-vinden in Europa, moet het hem onbegrypelyk voorkomen dat ze niet tegenwoordig was by 't gezelschap dat de koffi gebruikte in de voorgalery. Wel heb ik reeds gezegd dat zy een afzonderlyk huis bewoonde, doch tot juist begrip hiervan en tevens van latere gebeurtenissen, is 't inderdaad noodig dat ik hem Havelaars huis en erf eenigszins doe kennen. De beschuldiging die zoo vaak wordt ingebracht tegen den grooten meester die den _Waverley_ schreef, dat hy dikwyls van 't geduld zyner lezers misbruik maakt door te veel bladzyden aan plaatsbeschryving te wyden, komt me ongegrond voor, en ik geloof dat men zich tot het beoordeelen van de juistheid eener zoodanige aanmerking, eenvoudig de vraag hebbe voorteleggen: was deze beschryving noodig tot juist opvatten van den indruk dien de schryver u wilde meedeelen? Zoo ja, men duide dan hem niet ten-kwade dat hy van u de moeite verwacht te _lezen_ wat hy zich de moeite gaf te _schryven_. Zoo neen, dan werpe men 't boek weg. Want de schryver die ledig genoeg van hoofd is, om _zonder noodzaak_ topografie te geven voor denkbeelden, zal zelden de moeite van 't lezen waard zyn, ook daar waar ten-laatste zyn plaatsbeschryving een eind neemt. Maar men vergete niet dat het oordeel van den lezer over 't al of niet noodzakelyke eener afwyking, dikwyls valsch is, omdat hy voor de katastrofe niet weten kan wat al of niet vereischt wordt tot geleidelyke ontwikkeling der toestanden. En wanneer hy na de katastroof 't boek weder opneemt--van boeken die men slechts eenmaal leest, spreek ik niet--en zelfs dan nog meent dat deze of gene afwyking wel had kunnen gemist worden zonder schade voor den indruk van 't geheel, blyft het altyd de vraag of hy van 't geheel denzelfden indruk zou verkregen hebben, wanneer niet de schryver op meer of min kunstige wyze hem daartoe gebracht had, juist door de afwykingen die den oppervlakkig oordeelenden lezer overtollig voorkomen. Meent ge dat Amy Robsart's dood U zoo treffen zou, als ge vreemdeling waart geweest in de hallen van Kenilworth? En gelooft ge dat er geen verband is--verband door tegenstelling--tusschen de ryke kleeding waarin de onwaardige Leicester zich aan haar vertoonde, en de zwartheid zyner ziel? Gevoelt ge niet dat Lester--ieder weet dit, die den man kent uit andere bronnen dan uit den roman alleen--dat hy oneindig lager stond dan hy geschetst wordt in den _Kenilworth_? Maar de groote romanschryver die liever boeide door kunstige rangschikking van kleuren dan door grofheid van kleur, achtte het beneden zich zyn penseel te doopen in al het slyk en in al het bloed dat er kleefde aan den onwaardigen gunsteling van Elizabeth. Hy wilde slechts een stip aanwyzen in den poel van vuil, maar verstond het, zulke stippen te doen in 't oog vallen door de tinten die hy in zyn onsterfelyke geschriften daarnaast legde. Wie nu al dat daarnaast gelegde als overtollig meent te kunnen verwerpen, verliest geheel uit het oog dat men dan, om effekt te-weeg te brengen, zou moeten overgaan tot de school die sedert 1830 zoolang in Frankryk gebloeid heeft, schoon ik ter-eere van dat land zeggen moet dat de schryvers die in dit opzicht het meest zondigden tegen den goeden smaak, juist in 't buitenland, en niet in Frankryk zelf, den grootsten opgang maakten. Die school--ik hoop en geloof dat ze uitgebloeid heeft--vond het gemakkelyk met volle hand te grypen in plassen van bloed, en daarmee groote kladden te werpen op de schildery, dat men die zien zou in de verte! Ze zyn dan ook met minder inspanning te schilderen, die ruwe strepen van rood en zwart, dan de fyne trekken te penseelen die er staan in den kelk eener lelie. Daarom dan ook koos die school meestal koningen tot helden van haar verhalen, liefst uit den tyd toen de volkeren nog onmondig waren. Zie, de droefheid des konings vertaalt men op 't papier in volksgehuil ... _zyn_ toorn biedt den schryver gelegenheid tot het dooden van duizenden op 't slagveld ... _zyn_ fouten geven ruimte tot het schilderen van hongersnood en pest ... dat alles geeft werk aan grove penseelen! Als ge niet getroffen zyt door de stomme akeligheid van een lyk dat daar ligt, er is plaats in myn verhaal voor een slachtoffer dat nog stuiptrekt en gilt! Hebt ge niet geweend by die moeder, vruchteloos zoekend naar haar kind ... wel, ik toon u een andere moeder die haar kind ziet vierendeelen! Bleeft ge ongevoelig by den marteldood van dien man ... ik vermenigvuldig uw gevoel honderdmalen door negen-en-negentig andere mannen te laten martelen naast hem! Zyt ge verstokt genoeg om niet te yzen by 't zien van den soldaat die in een belegerde vesting uit honger zyn linkerarm verslindt ... Epikurist! Ik stel u voor, te kommandeeren: "rechts en links, formeert den kring! Ieder ete den linkerarm op van zyn rechternevenman ... marsch!" Ja, zoo gaat de kunst-akeligheid over in zotterny ... wat ik in 't voorbygaan bewyzen wilde.[104] En daarin toch zou men vervallen door te spoedig een schryver te veroordeelen, die u geleidelyk wilde voorbereiden op zyn katastroof zonder zyn toevlucht te nemen tot die schreeuwende kleuren. Het gevaar evenwel aan den anderen kant is nog grooter. Ge veracht de pogingen der grove letterkunde die met zoo ruwe wapenen op uw gevoel meent te moeten instormen, maar ... als de schryver in 't ander uiterste vervalt, als hy zondigt door _te veel_ afwyking van de hoofdzaak, door _te veel_ penseel-gemanierdheid, dan is uw toorn nog sterker, en te-recht. Want dan heeft hy u verveeld, en dit is onvergeeflyk. Wanneer wy tezamen wandelen, en ge wykt telkens af van den weg, en roept my in 't kreupelhout, alleen met het doel om de wandeling te rekken, vind ik dit onaangenaam, en neem me voor, in 't vervolg alleen te gaan. Maar als ge me daar een plant weet aantewyzen die ik niet kende, of waaraan voor my iets te zien valt dat vroeger myn aandacht ontsnapte ... als ge my van-tyd tot-tyd een bloem toont, die ik gaarne pluk en meedraag in 't knoopsgat, dan vergeef ik u dat afwyken van den weg, ja, ik ben er dankbaar voor. En, zelfs zonder bloem of plant, zoodra ge my ter-zyde roept om me door 't geboomte heen het pad te wyzen, dat we straks zullen betreden, doch dat nu nog verre voor ons ligt in de diepte, en als een nauw merkbaar streepje zich slingert door 't veld daar-beneden ... ook dan neem ik u de afwyking niet euvel. Want als wy eindelyk zoo ver zullen gekomen zyn, zal ik weten hoe zich onze weg heeft gekronkeld door 't gebergte, wat de oorzaak is dat wy de zon die zoo-even daar stond, nu links van ons hebben, waarom die heuvel nu achter ons ligt, welks top we vroeger voor ons zagen ... zie, dan hebt ge my door die afwyking 't _begrypen_ myner wandeling gemakkelyk gemaakt, en begrypen is genot. Ik, lezer, heb u in myn verhaal dikwyls op den grooten weg gelaten, schoon 't my moeite kostte u niet meetevoeren in 't kreupelhout. Ik vreesde dat de wandeling u verdrieten zou, daar ik niet wist of ge vermaak zoudt scheppen in de bloemen of planten die ik u wyzen wilde. Maar omdat ik geloof dat het u later genoegen zal doen, het pad gezien te hebben dat we straks zullen betreden, voel ik me nu genoopt u iets te zeggen van Havelaars huis. Men zou verkeerd doen, zich van een huis in Indie een voorstelling te maken naar europesche begrippen, en zich daarby een steenmassa te denken van op-elkander gestapelde kamers en kamertjes, met de straat er voor, rechts en links buren wier huisgoden tegen de onzen aanleunen, en een tuintje met drie bessenboompjes er achter. Op weinig uitzonderingen na, hebben de huizen in Indie geen verdieping. Dit komt den europeschen lezer vreemd voor, want het is een eigenaardigheid van beschaving--of van wat hiervoor doorgaat--alles vreemd te vinden wat natuurlyk is. De indische huizen zyn geheel anders dan de onzen, doch niet _zy_ zyn vreemd, _onze_ huizen zyn vreemd. Wie 't eerst zich de weelde kon veroorloven niet in een kamer te slapen met zyn koeien, heeft de tweede kamer van zyn huis niet _op_, maar _naast_ de eerste gezet, want het bouwen gelykvloers is eenvoudiger en biedt ook meer gemak aan in 't bewonen. Onze hooge huizen zyn geboren uit gebrek aan ruimte: we zoeken in de lucht wat er op den grond ontbreekt, en zoo is eigenlyk elk dienstmeisje dat 's avends het venster sluit van 't dakkamertje waar ze slaapt, een levend protest tegen de overbevolking ... al denkt zyzelf aan iets anders, wat ik wel gelooven wil. In landen dus, waar beschaving en overbevolking nog niet door samenpersing beneden, 't menschdom naar-boven hebben opgeknepen, zyn de huizen zonder verdieping, en dat van Havelaar behoorde niet tot de weinige uitzonderingen op dezen regel. By 't binnentreden ... doch neen, ik wil een bewys geven dat ik afstand doe van alle aanspraken op schilderachtigheid. _Is gegeven_: een langwerpig vierkant dat ge wel wilt verdeelen in een-en-twintig vakken, drie breed, zeven diep. We nummeren die vakken, beginnende van den linker-bovenhoek rechts-uit, zoodat _vier_ onder _een_ kome, _vyf_ onder _twee_, en zoo vervolgens. De eerste drie nummers tezamen vormen de voorgalery die aan drie kanten open is, en welker dak aan de voorzyde op zuilen rust. Van daar treedt men door twee dubbeldeuren in de binnengalery die door de drie volgende vakken wordt voorgesteld. De vakken 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16 en 18 zyn kamers, waarvan de meesten door deuren met de daarnaast liggenden in verbinding staan ... De drie hoogste nummers vormen de open achtergalery, en wat ik oversloeg is een soort van ongesloten binnengalery, gang of doorloop. Ik ben recht grootsch op deze beschryving. Het is moeielyk te zeggen welke uitdrukking in Nederland het denkbeeld teruggeeft, dat men in Indie aan 't woord "erf" hecht. Erf is daar noch tuin, noch park, noch veld, noch bosch, maar of iets daarvan, of alles tezamen, of niets van dat alles. Het is de grond die tot het huis behoort, voor zoo-ver die niet door dat huis bedekt is, zoodat in Indie de uitdrukking: "tuin _en_ erve" zou doorgaan voor een pleonasmus. Er _zyn_ daar geen of weinige huizen zonder zoodanig erf. Sommige erven bevatten bosch en tuin en weiland, en doen aan een park denken. Anderen zyn bloemtuinen. Elders weer is 't geheele erf een groot grasveld. En eindelyk zyn er die, al zeer eenvoudig, geheel-en-al zyn gemaakt tot een gemacadamiseerd plein, dat misschien minder aangenaam is voor 't oog, doch de zindelykheid in de huizen bevordert, omdat veel insekten-soorten door gras en boomen worden aangetrokken. Havelaars erf nu was zeer groot, ja, hoe vreemd het klinke, aan een der zyden kon men 't oneindig noemen, daar het aan een ravyn grensde die zich uitstrekte tot aan de oevers van den _Tjioedjoeng_, de rivier die _Rangkas-Betoeng_, in een zyner vele bochten omsluit. [105] Het viel moeielyk te bepalen waar 't erf van de adsistent-residents-woning ophield, en waar de gemeentegrond aanving, daar 't groot verval van water in den _Tjioedjoeng_ die dan eens zyn oevers een gezichtsverheid terugtrok, en dan weer den ravyn vulde tot zeer naby Havelaars huis, gedurig de grenzen veranderde. Deze ravyn was dan ook altyd een doorn geweest in de oogen van mevrouw Slotering, wat zeer begrypelyk is. De plantengroei, reeds overal elders in Indie zoo snel, was op die plaats door de telkens achtergelaten slib byzonder welig, zoo zelfs dat, al had het op- of afloopen des waters plaats gehad met een kracht die 't kreupelhout ontwortelde en meevoerde, er maar zeer weinig tyds noodig was om den grond weer te bedekken met al de ruigte die 't reinhouden van het erf, ook in de onmiddellyke nabyheid van 't huis, zoo moeielyk maakte. En dit veroorzaakte geen gering verdriet, zelfs aan wie geen huismoeder was. Want zonder te spreken van allerlei insekten, die gewoonlyk des avends om de lamp vlogen in zoo groote menigte dat lezen en schryven onmogelyk werd--iets wat op veel plaatsen in Indie lastig is--hielden zich in dat kreupelhout een tal van slangen en ander gedierte op, dat zich niet bepaalde by den ravyn, maar telkens ook in den tuin naast en achter 't huis werd gevonden, of in het grasperk op 't voorplein. Dit plein had men recht voor zich als men in de buiten galery met den rug naar 't huis gekeerd stond. Links daarvan lag het gebouw met de bureaux, de kas en de vergaderzaal waar Havelaar dien morgen de Hoofden had toegesproken, en daar-achter breidde zich de ravyn uit, dien men overzag tot aan den _Tjioedjoeng_ toe. Juist tegenover de bureaux stond de oude adsistent-residents-woning die nu tydelyk door mevrouw Slotering bewoond werd, en dewyl de toegang van den grooten weg tot het erf plaats had door twee wegen die langs beide zyden van 't grasveld liepen, volgt hieruit vanzelf dat ieder die het erf betrad om zich naar de achter het hoofdgebouw gelegen keuken of stallen te begeven, of de bureaux of de woning van mevrouw Slotering moest voorbygaan. Terzyde van 't hoofdgebouw en daarachter, lag de vry groote tuin die de vreugde van Tine had opgewekt door de vele bloemen die ze daar vond, en vooral omdat kleine Max daar zoo dikwyls spelen zou. Havelaar had zich by mevrouw Slotering laten verontschuldigen dat hy haar nog geen bezoek had gebracht. Hy nam zich voor, den volgenden dag daarheen te gaan, maar Tine was er geweest en had kennis gemaakt. We vernamen reeds dat die dame een zoogenaamd "inlandsch kind" was, die geen andere dan de maleische taal sprak. Ze had haar verlangen te kennen gegeven haar eigen huishouding te blyven voeren, waarin Tine gaarne berustte. En niet uit ongastvryheid kwam deze berusting voort, doch voornamelyk uit de vrees dat zy, pas te _Lebak_ aangekomen, en dus nog niet "op orde" mevrouw Slotering niet zoo goed zou kunnen ontvangen als wenschelyk gemaakt werd door de byzondere omstandigheden waarin deze dame verkeerde. Wel zou ze--geen hollandsch verstaande--niet "gedeerd" worden door de vertellingen van Max, zooals Tine 't genoemd had, maar zy begreep dat er meer noodig was dan de familie Slotering niet te _deren_, en de schrale keuken in-verband met de voorgenomen zuinigheid deden haar werkelyk 't voornemen van mevrouw Slotering zeer verstandig vinden. Of nu overigens, wanneer de omstandigheden anders waren geweest, de omgang met iemand die slechts een taal sprak, waarin niets gedrukt is dat den geest beschaaft, geleid zou hebben tot wederzydsch genoegen, blyft twyfelachtig. Tine zou haar zoo goed mogelijk gezelschap gehouden, en veel met haar gesproken hebben over keukenzaken, over _sambal-sambal_[106] over 't inmaken van _ketimon_--zonder Liebig, o goden!--maar zoo-iets blyft toch altyd een opoffering, en men vond het dus zeer goed dat de zaken door mevrouw Sloterings vrywillige afzondering geschikt waren op een wyze die aan beide partyen volkomen vryheid liet. Zonderling echter was het, dat die dame niet alleen geweigerd had deeltenemen aan de gemeenschappelyke maaltyden, maar dat zy zelfs geen gebruik maakte van 't aanbod om haar spyzen te doen gereed maken in de keuken van Havelaars huis. "Deze bescheidenheid, zei Tine, was wat ver gedreven, want de keuken was ruim genoeg." VEERTIENDE HOOFDSTUK Ge weet, begon Havelaar, hoe de nederlandsche bezittingen ter Westkust van Sumatra aan de onafhankelyke ryken in den noordhoek grenzen, waarvan _Atjeh_ het aanzienlykste is. Men zegt dat een geheim artikel in het traktaat van 1824, ons jegens de Engelschen de verplichting oplegt, de rivier van _Singkel_ niet te overschryden. De generaal Vandamme, die met een _faux-air Napoleon_ gaarne zyn gouvernement zoo ver mogelyk uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelyken hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel gelooven, omdat het me anders bevreemden zou dat de Radjahs van _Troeman_ en _Analaboe_, wier provincien niet zonder gewicht zyn door den peperhandel die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder nederlandsche souvereiniteit zyn gebracht. Ge weet hoe gemakkelyk men een voorwendsel vindt om zulke landjes den oorlog aantedoen, en zich daarvan meester te maken. Het stelen van een landschap zal altyd makkelyker blyven dan van een molen. Ik geloof van den generaal Vandamme, dat hy zelfs een molen zou weggenomen hebben als hy daarin lust gevoeld had, en begryp dus niet dat hy die landschappen in de Noord zou hebben verschoond, wanneer niet daarvoor steviger gronden hadden bestaan dan recht en billykheid.[107] Hoe dit zy, hy richtte zyn veroveraarsblikken niet Noord- maar Oostwaarts. De landstreken _Mandheling_ en _Ankola_--dit was de naam der adsistent-residentie die gevormd was uit de pas tot rust gebrachte Battahlanden--waren wel nog niet gezuiverd van atjineschen invloed--want waar dweepzucht eens wortel schiet, is 't uitroeien moeielyk--maar de Atjinezen zelf waren er toch niet meer. Dit was evenwel den Gouverneur niet genoeg. Hy breidde zyn gezag tot aan de oostkust uit, en er werden nederlandsche beambten en nederlandsche garnizoenen gezonden naar _Bila_ en _Pertibie_, welke posten echter--zooals je weet, Verbrugge--later weer ontruimd zyn. Toen er op Sumatra een Regeeringskommissaris[108] aankwam, die deze uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wyl ze in stryd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland zoozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Vandamme dat die uitbreiding geen bezwarenden invloed behoefde te hebben op de begrooting, want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen waarvoor toch reeds gelden waren toegestaan, zoodat hy een zeer groote landstreek onder nederlandsch bestuur had gebracht, zonder dat hieruit geldelijke uitgaven waren voortgevloeid. En wat voorts het gedeeltelyk ontblooten van andere plaatsen aanging, voornamelyk in 't Mandhelingsche, meende hy genoeg te kunnen rekenen op de trouw en de aanhankelykheid van _Jang di Pertoean_, 't voornaamste hoofd in de Battahlanden, om hierin geen bezwaar te zien.[109] Met weerzin gaf de Regeeringskommissaris toe, en wel op de herhaalde betuigingen van den generaal dat hy _persoonlijk_ zich tot borg stelde voor _Jang di Pertoean's_ trouw. Nu was de kontroleur die voor my de afdeeling _Natal_ bestuurde, de schoonzoon van den adsistent-resident in de Battahlanden, welke ambtenaar met _Jang di Pertoean_ in onmin leefde. Later heb ik veel hooren spreken van klachten die tegen dien adsistent-resident waren ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloof-slaan aan deze beschuldigingen, omdat ze grootendeels uit den mond kwamen van _Jang di Pertoean_, en wel op een oogenblik toen deze zelf van veel zwaarder vergrypen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noopte zyn verdediging te zoeken in de fouten van zyn beschuldiger ... wat meer gebeurt. Hoe dit zy, de gezaghebber van _Natal_ omhelsde de party van zyn schoonvader tegen _Jang di Pertoean_, en dit te vuriger misschien omdat die kontroleur zeer bevriend was met zekeren _Soetan Salim_, een natalsch Hoofd dat ook zeer op den battakschen chef gebeten was. Sedert lang heerschte er een veete tusschen de familien dezer beide hoofden. Er waren huwelyksvoorstellen afgeslagen, er bestond yverzucht over invloed, trots aan den kant van _Jang di Pertoean_ die van beter geboorte was, en meer andere oorzaken nog liepen samen om _Natal_ en _Mandheling_ tegen elkander opgezet te houden. Op-eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in _Mandheling_ een komplot was ontdekt, waarin _Jang di Pertoean_ zou betrokken wezen, en dat ten-doel had de heilige vaan des opstands uittesteken en alle Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te _Natal_ plaats gehad, wat natuurlyk is, daar men in nabyliggende provincien altyd beter van den stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats zelf, dewyl velen die te-huis door vrees voor een betrokken Hoofd zich laten weerhouden van de openbaring eener hun bekende omstandigheid, die vrees eenigermate overwinnen zoodra ze zich op een grondgebied bevinden waar dat Hoofd geen invloed heeft. Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de zaken van _Lebak_, en dat ik redelyk veel wist van wat hier omgaat, voor ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't _Krawangsche_, en heb veel rondgedwaald in de _Preanger_ waar ik reeds in 1840 _Lebaksche_ uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met sommige eigenaren van partikuliere landen in 't Buitenzorgsche en in de Bataviasche ommelanden, en ik weet hoe van-oudsher die landheeren verheugd zyn over den slechten toestand dezer Afdeeling, omdat dit hun landeryen bevolkt.[110] Zoo ook zou dan te _Natal_ de samenzwering ontdekt wezen, die--_als_ ze bestaan heeft, wat ik niet weet--_Jang di Pertoean_ deed kennen als verrader. Volgens door den kontroleur van Natal afgenomen verklaringen van getuigen, zou hy gezamenlyk met zyn broeder _Soetan Adam_ de battaksche Hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bosch waarin zy zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der "christenhonden" in _Mandheling_ vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hy hiertoe een ingeving van den hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit by zulke gelegenheden nooit uitblyft.[111] Of nu inderdaad dit voornemen by _Jang di Pertoean_ bestaan heeft, kan ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelyk geloof mag worden geslagen. Zeker is 't dat de man, wat zyn islamsche dweepzucht aangaat, wel tot zoo-iets kan in-staat geweest zyn. Hy was, met de geheele battaksche bevolking, eerst kort te voren door de _Padries_ overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zyn gewoonlyk fanatiek.[112] Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat _Jang di Pertoean_ door den adsistent-resident van _Mandheling_, werd gevangen genomen en naar _Natal_ gezonden. Hier sloot de kontroleur hem voorloopig in 't fort op, en liet hy hem met de eerste geschikte scheepsgelegenheid gevankelyk naar _Padang_, vervoeren. Het spreekt vanzelf dat men den Gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zoo bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de genomen maatregelen moesten wettigen. Onze _Jang di Pertoean_ was dus van _Mandheling_, vertrokken als een _gevangene_. Te _Natal_ was hy _gevangen_. Aan-boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hy ook natuurlyk een _gevangene_. Hy verwachtte dus--schuldig of niet, dit doet niets tot de zaak, daar hy in wettigen vorm en door bevoegde autoriteit was beschuldigd van hoogverraad--ook te _Padang_, als een gevangene te zullen aankomen. Wel moet hy dus zeer verwonderd hebben gestaan, by de ontscheping te vernemen dat hy _vry_ was niet alleen, maar dat de generaal, wiens rytuig hem by 't aan wal stappen opwachtte, het zich tot een eer rekenen zou hem by zich aan huis te ontvangen en te herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer verrast geworden. Kort hierop werd de adsistent-resident van _Mandheling_, in zyn betrekking geschorst wegens allerlei vergrypen die ik hier niet beoordeel. _Jang di Pertoean_ echter, na op _Padang_, eenigen tyd ten-huize van den generaal te hebben vertoefd, en na door dezen met de meeste onderscheiding te zyn behandeld, keerde over _Natal_ naar _Mandheling_ terug, niet met het zelfgevoel van den onschuldig- verklaarde, maar met den trots van iemand die zoo hoog staat dat hy geen verklaring van onschuld noodig heeft. Immers, _onderzocht_ was de zaak niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor valsch hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereischt, teneinde de valsche getuigen te straffen, en vooral hen die blyken zouden zoodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schynt dat de generaal zyn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaats hebben. De tegen _Jang di Pertoean_ ingebrachte aanklacht werd beschouwd als _non avenu_, en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder de oogen der Regeering te _Batavia_ gebracht zyn. Kort na _Jang di Pertoean's_ terugkeer kwam ik te _Natal_ aan om 't bestuur van die afdeeling overtenemen. Myn voorganger verhaalde me natuurlyk wat er kort geleden in 't Mandhelingsche was voorgevallen, en gaf my de noodige inlichting over de staatkundige verhouding tusschen die landstreek en myn Afdeeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hy zich zeer beklaagde over de zyns inziens onrechtvaardige behandeling die zyn schoonvader ten-deel viel, en over de onbegrypelyke bescherming die _Jang di Pertoean_ van den generaal bleek te genieten. Noch hy noch ik wisten op dat oogenblik dat de opzending van _Jang di Pertoean_ naar _Batavia_, een vuistslag in 't gelaat van dien generaal zou geweest zyn, en dat deze--persoonlyk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan --gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrywaren tegen een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor den generaal des te belangryker, omdat inmiddels de zoo-even bedoelde Regeeringskommissaris zelf Gouverneur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschynlyk uit zyn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't ongegrond vertrouwen op _Jang di Pertoean_, en over de hierop steunende hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de Oostkust verzet had. "Doch, zei myn voorganger, wat ook den generaal moge bewegen al de beschuldigingen tegen myn schoonvader voetstoots aantenemen, en de veel zwaarder grieven tegen _Jang di Pertoean_ niet eens een onderzoek waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te _Padang_, zooals ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders dat niet vernietigd worden _kan_." En hy toonde my een vonnis van den Rappat-raad te _Natal_[113] waarvan hy voorzitter was, houdende: VEROORDEELING VAN ZEKEREN _Si Pamaga_ TOT DE STRAF VAN GEESELING EN BRANDMERK, EN--ik meen--TWINTIGJARIGEN DWANGARBEID, WEGENS POGING TOT MOORD OP DEN TOEANKOE VAN NATAL. "Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting, zei myn voorganger, en beoordeel dan of myn schoonvader niet zal geloofd worden te _Batavia_, als hy daar _Jang di Pertoean_ aanklaagt van hoogverraad! Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en "_de bekentenis van den beklaagde_" was _Si Pamaga_ omgekocht om te _Natal_ den _Toeankoe_, diens pleegvader _Soetan Salim_ en den gezaghebbenden kontroleur te vermoorden. Hy had zich, om dit opzet uittevoeren, naar de woning van den _Toeankoe_ begeven, en daar met de bedienden die op den trap der buitengalery zaten, een gesprek aangeknoopt over een _Sewah_[114] met het doel zyn tegenwoordigheid te rekken tot hy den _Toeankoe_ zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van eenige verwanten en bedienden, vertoonde. _Pamaga_ was met zyn _Sewah_ op den _Toeankoe_ losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zyn moorddadig opzet niet kunnen volvoeren. De _Toeankoe_ was verschrikt uit het venster gesprongen, en _Pamaga_ nam de vlucht. Hy verschool zich in 't bosch, en werd eenige dagen later door de natalsche policie opgevat. "Aan den beschuldigde gevraagd: _wat hem tot dezen aanslag en den voorgenomen moord op_ Soetan Salim _en den kontroleur van Natal had bewogen_?" antwoordt hy: "DAARTOE TE ZYN OMGEKOCHT DOOR SOETAN ADAM, UIT NAAM VAN DIENS BROEDER JANG DI PERTOEAN VAN MANDHELING." "Is dit duidelyk of niet? vroeg myn voorganger. Het vonnis is na _fiat exekutie_ van den resident, ten-uitvoer gelegd wat de geeseling en 't brandmerk aangaat, en _Si Pamaga_ is op weg naar _Padang_, om vandaar als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelyk met hem komen de processtukken van de zaak te _Batavia_, en dan kan men daar zien wie de man is, op wiens aanklacht myn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hy." Ik nam het bestuur der natalsche afdeeling over, en myn voorganger vertrok. Na eenigen tyd ontving ik bericht dat de generaal met een oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook _Natal_ bezoeken zou. Hy stapte met veel gevolg ten-mynen huize af, en verlangde oogenblikkelyk de oorspronkelyke processtukken te zien van: "den armen man dien men zoo vreeselyk mishandeld had." "Zyzelf hadden een geeseling en een brandmerk verdiend!" voegde hy er by. Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van den stryd over _Jang di Pertoean_ waren my toen nog onbekend, en 't kon dus niet in myn gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en wetens een onschuldige zou veroordeeld hebben tot zoo zware straf, als dat de generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig vonnis. Ik ontving den last, _Soetan Salim_ en den _Toeankoe_ te doen gevangen nemen. Daar de jonge _Toeankoe_ by de bevolking zeer bemind was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik den generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan. Doch voor _Soetan Salim_, den byzonderen vyand van _Jang di Pertoean_, was geen genade. De bevolking was in groote spanning. De Natallers vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van mandhelingschen haat, en 't was in _die_ omstandigheden dat ik van-tyd tot-tyd iets doen kon, wat hy "kordaat" vond, vooral daar hy de weinige macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan _my_ afstond ter bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb by die gelegenheid opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor zyn eigen veiligheid, en 't is daarom dat ik zyn roem van dapperheid niet onderschryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders. Hy vormde in groote overhaasting een Raad, dien ik _ad hoc_ zou kunnen noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de officier van Justitie of fiskaal, dien hy van _Padang_ had meegenomen, en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder myn voorganger 't proces tegen _Si Pamaga_ was gevoerd geworden. Ik moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe noodig waren. De generaal, die natuurlyk voorzat, ondervroeg en de proces-verbalen werden geschreven door den fiskaal. Daar evenwel deze beambte weinig maleisch verstond--en volstrekt niet het maleisch dat in de Noord van Sumatra wordt gesproken--was 't dikwyls noodig hem de antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf deed. Uit de zittingen van dien Raad zyn stukken voortgekomen, die ten-duidelykste schynen te bewyzen: dat _Si Pamaga_ nooit het voornemen gekoesterd had iemand, wien het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch _Soelan Adam_, noch _Jang di Pertoean_ ooit had gezien of gekend. Dat hy _niet_ op den _Toeankoe_ van _Natal_ was toegesprongen. Dat deze _niet_ uit het venster gevlucht was ... en zoo voort! Verder: dat het vonnis tegen den ongelukkigen _Si Pamaga_ was geslagen onder de pressie van den voorzitter--myn voorganger--en van 't Raadslid _Soetan Salim_, welke personen de voorgewende misdaad van _Si Pamaga_ hadden verzonnen om aan den gesuspendeerden adsistent-resident van _Mandheling_ een wapen ter zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun haat jegens _Jang di Pertoean_. De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken aan de whistparty van zekeren keizer van Marokko die zyn partner toevoegde: "speel harten, of ik sny je den hals af." Ook de vertalingen, zooals hy die den fiskaal in den pen gaf, lieten veel te wenschen over. Of nu _Soetan Salim_ en myn voorganger pressie hebben uitgeoefend op den natalschen Rechtsraad om _Si Pamaga_ schuldig te verklaren, is my onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft uitgeoefend op de verklaringen die 's mans _onschuld_ moesten bewyzen. Zonder op dat oogenblik nog de strekking daarvan te begrypen, heb ik me tegen die ... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zoo ver gegaan is dat ik heb moeten weigeren eenige verbalen mede te onderteekenen, en ziedaar nu de zaak waarin ik den generaal zoo "gekontrarieerd" had. Ge begrypt nu ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden waarin ik verzocht van alle welwillende konsideratien verschoond te blyven. --Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren, zei Duclari.[115] --Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is 't, dat de generaal Vandamme niet aan zoo-iets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, _berouwd_ heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou bepaald hebben tot eenvoudig protesteeren tegen de wys waarop de generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner handteekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf vastgestelden toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de generaal, overtuigd van _Si Pamaga's_ onschuld, zich liet meesleepen door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden van de gevolgen eener rechtsdwaling, voor-zoo-ver dit na de geeseling en 't brandmerk nog mogelyk was. Deze meening deed my wel in verzet komen tegen valsheid, maar ik was daarover niet zoo verontwaardigd als ik zou geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om ten-koste van de eer en 't welzyn myns voorgangers, de bewyzen te vernietigen die de politiek van den generaal in den weg stonden. --En hoe ging 't verder met uw voorganger? vroeg Verbrugge. --Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal te _Padang_, terugkeerde. Hy schynt zich by de Regeering te _Batavia_ te hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De resident van _Ayer Bangie_ die op 't vonnis _fiat exekutie_ verleend had, werd ... --Gesuspendeerd? --Natuurlyk! Ge ziet dat ik niet zoo heel onrecht had, in myn puntdicht te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde. --En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren? --O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke ambten bekleed.[116] --En _Soetan Salim_? --De generaal voerde hem gevankelyk mede naar _Padang_, en vandaar werd hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te _Tjanjor_ in de Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek gebracht. Weet je nog wat ik te _Tjanjor_ kwam doen, Tine? --Neen, Max, dat is me glad ontgaan. --Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heeren! --Maar, vroeg Duclari, daar ge nu toch aan 't vertellen zyt, mag ik vragen of 't waar is dat ge te _Padang_ zoo dikwyls geduelleerd hebt? --Ja, zeer dikwyls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat de gunst van den Gouverneur op zoodanigen buitenpost de maatstaf is, waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor my zeer _on_welwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van myn kant was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de "zotterny van iemand die 't wil opnemen tegen den generaal" een toespeling op myn armoede, op myn hongerlyden, op 't slechte voedsel dat er scheen te liggen in zedelyke onafhankelykheid ... dit alles, begrypt ge, maakte my bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand die zoo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus myn gevoeligheid met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander dien ik voor verongelykt hield. Hoe dit zy, het duel was daar in dien tyd aan de orde van den dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelyks in het duel, vooral met de sabel, of "op" de sabel, zooals ze 't noemen ... ik weet niet waarom. Ge begrypt echter dat ik nu zoo-iets niet meer doen zou, ook al ware daartoe zooveel aanleiding als in die dagen ... kom eens hier, Max--neen, vang dat beestje niet--kom hier? Hoor eens, je moet nooit kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst langen tyd als rups op een boom rondgekropen, dat was geen vroolyk leven! Nu heeft het pas vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich vermaken, en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed ... kyk, is 't niet veel aardiger het daar zoo te zien rondfladderen? Zoo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des rechtvaardigen over zyn vee, op het dieren plagen, op de _loi Grammont_, op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de republiek, en op wat niet al! Eindelyk stond Havelaar op. Hy verontschuldigde zich by zyn gasten, wyl hy bezigheden had. Toen de kontroleur hem den volgenden morgen op zyn kantoor bezocht, wist hy niet dat de nieuwe adsistent-resident den vorigen dag na de gesprekken in de voorgalery, was uitgereden naar _Parang-Koedjang_--het distrikt der "_verregaande_ misbruiken"--en eerst dien ochtend vroeg van daar was teruggekeerd. * * * * * Ik verzoek den lezer te gelooven dat Havelaar te wellevend was om aan zyn eigen tafel zooveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb opgegeven, en waardoor ik op hem den schyn laad alsof hy zich meester zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarloozing der plichten van een gastheer, die voorschryven aan zyn gasten de gelegenheid te laten of te verschaffen "zich te doen uitkomen." Ik heb uit de vele bouwstoffen die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde voldoende wezen zal om eenigermate de beschryving te rechtvaardigen, die ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem en de zynen wachtten te _Rangkas-Betoeng_. De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwyls over-dag uit, en bracht halve nachten op zyn bureau door. De verhouding tusschen hem en den kommandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook in den huiselyken omgang met den kontroleur was geen spoor te ontdekken van 't rangverschil dat anders in Indie zoo vaak het verkeer styf en vervelend maakt, terwyl bovendien Havelaars zucht om hulp te verleenen waar hy maar eenigszins kon, dikwyls den Regent te-stade kwam, die dan ook zeer met zyn "ouderen broeder" was ingenomen. En ten-slotte bracht de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de Inlandsche Hoofden. De dienstkorrespondentie met den resident te _Serang_ droeg blyken van wederzydsche welwillendheid, terwyl de bevelen van den resident, met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd. Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de meubels van _Batavia_ aangekomen, en waren _ketimon's_ in zout gelegd, en als Max aan-tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altyd de levenswys van 't klein gezin duidelyke blyken droeg dat de voorgenomen spaarzaamheid zeer werd in acht genomen. Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts eenige malen de thee by de familie Havelaar in de voorgalery. Ze sprak weinig, en bleef altyd een wakend oog houden op ieder die hare of Havelaars woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar _monomanie_ begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer. Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't vergelykenderwyze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op een niet aan den grooten weg gelegen binnenpost onvermydelyk zyn. Daar er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het van _Serang_ kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te hoog. Max wist zoo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden waren om zonder betaling brood naar _Rangkas-Betoeng_ te laten brengen, maar _onbetaalde arbeid_, die Indische kanker, was hem een gruwel. Zoo was er veel te _Lebak_, dat wel door gezag te verkrygen was om-niet maar niet te-koop voor billyken prys, en onder zulke gegevens schikten zich Havelaar en zyn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht aan-boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan 't scheepsdek zonder andere beschutting tegen zonnehitte en westmoessonsbuien, dan een tafeltje tusschen welks pooten ze zich moest vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een klein rantsoen droge ryst en vuil water? En was ze niet in die en vele andere omstandigheden altyd tevreden geweest, als ze maar mocht samen wezen met haar Max? Een omstandigheid echter was er te _Lebak_, die haar verdriet berokkende: kleine Max kon niet in den tuin spelen omdat daar zooveel slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich by Havelaar beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prys uit voor elke slang die ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hy zooveel aan premien dat hy zyn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zoo noodzakelyke zuinigheid, zou die betaling spoedig zyn middelen zyn te-boven gegaan. Er werd alzoo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou verlaten, en dat hy zich, om frissche lucht te scheppen, vergenoegen moest met spelen in de voorgalery. In-weerwil van deze voorzorg was Tine toch altyd angstig, en vooral 's avends, daar men weet hoe slangen dikwyls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de slaapkamers verbergen. Slangen en dergelyk ongedierte vindt men wel-is-waar in Indien overal, maar op de grootere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander woont, komen zy natuurlyk zeldzamer voor dan in meer wilde streken, zooals te _Rangkas-Betoeng_. Indien echter Havelaar had kunnen besluiten zyn erf van onkruid te doen reinigen tot aan den rand van den ravyn toe, zouden toch wel de slangen zich van-tyd tot-tyd in den tuin vertoond hebben, maar niet in zoo grooten getale als dit nu 't geval was. De natuur dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven 't licht van open plaatsen, zoodat, als Havelaars erf zindelyk ware gehouden, de slangen niet dan als 't ware haars ondanks en verdwaald, de ruigte in den ravyn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was niet zindelyk, en ik wensch de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een blik te meer doet slaan op de misbruiken die byna alom in de nederlandsch-indische bezittingen heerschen. De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gronden die aan de gemeenten toebehooren, voor-zoover men van gemeente-eigendom spreken kan in een land waar de Regeering zich alles toeeigent. Genoeg, dat die erven niet toebehooren aan den ambtelyken bewoner zelf. Deze toch zou, als dit het geval ware, zich wachten een grond te koopen of te huren, waarvan 't onderhoud boven zyn krachten ging. Wanneer nu het erf van de hem aangewezen woning te groot is om behoorlyk te worden onderhouden, zou dit, by den weligen tropischen plantengroei, binnen weinig tyds in een wildernis ontaarden. En toch ziet men zelden of nooit zoodanig erf in slechten staat. Ja dikwyls zelfs staat de reiziger verbaasd over 't schoone park dat een residentswoning omringt. Geen beambte in de binnenlanden heeft inkomen genoeg om den hiertoe noodigen arbeid te doen verrichten tegen behoorlyke betaling, en daar nu toch een deftig aanzien van de woning des gezaghebbers een vereischte is, opdat niet de bevolking die zooveel hecht aan uiterlykheden, in slordigheid grond vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel bereikt wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te beschikken over eenige ketting-gangers, dat zyn: elders veroordeelde misdadigers, een soort van werklieden echter dat in _Bantam_ om meer of min geldige redenen van politieken aard niet aanwezig was. Doch ook op plaatsen waar zich wel zoodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal, vooral met het oog op de behoefte aan anderen arbeid, zelden in evenredigheid met het werk dat zou vereischt worden tot het goed onderhouden van een groot erf. Er moeten dus andere middelen gevonden worden, en de oproeping van arbeiders tot het verrichten van _heeredienst_ ligt voor-de-hand. De Regent of de _Dhemang_ die zoodanige oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hy weet zeer goed dat het den gezaghebbenden ambtenaar die van dat gezag misbruik maakt, later moeielyk vallen zou een inlandsch Hoofd te bestraffen over een gelyke fout. En alzoo strekt het vergryp van den een tot vrybrief voor den ander. Het komt my echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber _in sommige gevallen_ niet al te streng, en vooral niet naar europesche begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou 't--misschien uit ongewoonte--zeer vreemd vinden als hy _altyd_ en _in alle gevallen_ zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor zyn erf bestemde heeredienstplichtigen voorschryven, daar er omstandigheden kunnen voorkomen die by deze bepalingen niet waren voorzien. Maar zoodra eenmaal de grens van 't strikt wettige is overschreden, wordt het moeielyk een punt vasttestellen, waarop zoodanige overschryding zou overgaan in misdadige willekeur, en vooral wordt groote omzichtigheid noodig zoodra men weet dat de Hoofden alleen wachten op een slecht voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding natevolgen. De vertelling over zekeren koning die niet wilde dat men de betaling verzuimde van een korrel zout die hy by zyn eenvoudig maal gebruikt had, toen hy aan 't hoofd zyns legers het land doortrok--omdat, naar hy zeide, dit het begin was van een onrecht dat ten-laatste zyn geheel ryk zou vernietigen--hy moge dan _Timoerleng_, _Noereddien_ of _Djengis-Khan_ geheeten hebben, zeker is of die fabel, of als 't geen fabel is, het voorval zelf, van aziatischen oorsprong. En even als 't aanschouwen van zeedyken aan de mogelykheid van hoog water doet gelooven, mag men aannemen dat er neiging bestaat tot _zulke_ misbruiken in een land waar _zulke_ lessen worden gegeven. Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht, konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zyn erf, in de onmiddellyke nabyheid der woning, van onkruid en kreupelhout vryhouden. Het overige was binnen weinig weken een volslagen wildernis. Havelaar schreef aan den resident over de middelen om hierin te voorzien, hetzy door een geldelyke toelage, hetzy door aan de Regeering voortestellen even als elders kettinggangers in de residentie _Bantam_ te doen arbeiden. Hy ontving hierop een weigerend antwoord, met de opmerking dat hy immers 't recht had de personen die door hem by policievonnis waren veroordeeld tot "arbeid aan den publieken weg" op zyn erf te-werk te stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem meer dan voldoende bekend dat zoodanige beschikking over gekondemneerden overal de gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hy, noch te _Rangkas-Betoeng_ noch te _Amboina_, noch te _Menado_, noch te _Natal_, van dat vermeend recht willen gebruik maken. Het stuitte hem, zyn tuin te laten onderhouden als boete voor kleine vergrypen, en meermalen had hy zich afgevraagd hoe de Regeering bepalingen kon laten bestaan, die den ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten te straffen, niet in evenredigheid met het vergryp, maar met den toestand of de uitgestrektheid van zyn erf? Het denkbeeld alleen dat de gestrafte, ook zelfs hy die rechtvaardig gestraft was, vermeenen zou dat er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hy straffen moest, altyd de voorkeur geven aan de anders zeer afkeurenswaardige opsluiting.[117] En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in den tuin, en dat ook Tine van de bloemen niet zooveel genoegen smaakte als ze zich had voorgesteld op den dag van haar aankomst te _Rangkas-Betoeng_. Het spreekt vanzelf dat deze en dergelyke kleine verdrietelykheden geen invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zooveel bouwstoffen bezat om zich een gelukkig huiselyk leven te verschaffen, en 't was dan ook niet toeteschryven aan zulke kleinigheden, wanneer Havelaar soms met een bewolkt voorhoofd binnentrad, by het terugkeeren van een uitstap, of na 't aanhooren van dezen en genen die verzocht hadden hem te spreken. We hebben uit zyn toespraak aan de Hoofden gehoord dat hy zyn plicht wilde doen, dat hy onrecht wilde te-keer gaan, en tevens hoop ik dat de lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leeren kennen als iemand die wel in-staat was iets uittevinden en tot klaarheid te brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't duister lag. Er was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in _Lebak_ omging zyn aandacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hy vele jaren vroeger op die afdeeling gelet had, zoodat hy reeds den eersten dag, toen Verbrugge hem ontmoette in de _pendoppo_ waar myn verhaal aanvangt, toonde in zyn nieuwen werkkring geen vreemdeling te zyn. Hy had door nasporing op de plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hy vroeger vermoedde, en vooral uit het archief was hem gebleken dat de landstreek waarvan het bestuur aan zyn zorg was toevertrouwd, werkelyk in een hoogsttreurigen toestand verkeerde. Uit brieven en aanteekeningen van zyn voorganger bemerkte hy dat deze dezelfde opmerkingen gemaakt had. De korrespondentie met de Hoofden bevatte verwyt op verwyt, bedreiging op bedreiging, en deden zeer goed begrypen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich rechtstreeks tot de Regeering te zullen wenden indien niet aan dien stand van zaken een einde werd gemaakt. Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geantwoord dat zyn voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de adsistent-resident van _Lebak_ in geen geval den resident van _Bantam_ mocht voorbygaan, en hy had daarby gevoegd dat dit ook door volstrekt niets zoude gewettigd zyn, daar het toch niet te denken was dat die hooge beambte party zou trekken voor afpersing en knevelary. Zoodanig partytrekken was dan ook waarlyk niet te veronderstellen in den zin zooals Havelaar 't bedoelde, niet namelyk alsof den resident eenig voordeel of gewin zou ten-deel vallen van die vergrypen. Doch wel bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de klachten van Havelaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe die voorganger meermalen met den resident over de heerschende misbruiken had gesproken--_geaboucheerd_, zei Verbrugge--en hoe weinig hem dit gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom een zoo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de geheele residentie evenzeer als de adsistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was te zorgen dat er recht geschiedde, byna altyd reden meende te hebben om den loop van dat recht te stuiten.[118] Reeds te _Serang_, toen Havelaar daar ten-huize van den resident vertoefde, had hy dezen over de Lebaksche misbruiken gesproken, en hierop ten-antwoord bekomen: "dat dit alles in meer of mindere mate overal 't geval was." Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou beweren een land te hebben gezien waar niets verkeerds geschiedt? Maar hy meende dat dit geen beweegreden was om misbruiken, waar men die vond, te laten bestaan, vooral niet wanneer men uitdrukkelyk tot het tegengaan daarvan geroepen was, en tevens dat, na al wat hy van _Lebak_ wist, hier geen spraak was van _meer of mindere_, doch van _zeer groote_ maat, waarop de resident hem onder anderen antwoordde: "dat het in de afdeeling _Tjiringien_--ook tot _Bantam_ behoorende--nog erger gesteld was." Wanneer men nu aanneemt, zooals men aannemen kan, dat een resident geen rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zoovelen beweegt in tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder daarvan aan de Regeering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet het al zeer vreemd vinden dat men zoo koelbloedig 't bestaan van die misbruiken erkent, als ware er spraak van iets dat buiten bereik of bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen. In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tydingen iets onaangenaams, en 't schynt wel of er van den ongunstigen indruk dien ze veroorzaken, iets blyft kleven op wien de verdrietige taak te-beurt viel zulke tydingen meetedeelen. Wanneer nu dit alleen reeds voor sommigen een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op den hals te halen die nu eenmaal 't lot schynt des overbrengers van slechte berichten, doch tevens als de _oorzaak_ te worden aangezien van den ongunstigen toestand dien men plichtshalve openbaart. De Regeering van Nederlandsch Indie schryft by-voorkeur aan haar meesters in 't moederland dat alles naar wensch gaat. De residenten melden dit gaarne aan de Regeering. De adsistent-residenten, die zelf van hun kontroleurs byna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden ook op hun beurt liefst geen onaangename tydingen aan de residenten. Hieruit wordt in de officieele en schriftelyke behandeling der zaken een gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de waarheid, maar ook met de eigen meening van die optimisten zelf, zoodra zy dezelfde zaken mondeling behandelen, en--nog vreemder!--dikwyls zelfs in tegenspraak met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel voorbeelden kunnen aanhalen van rapporten die den gunstigen toestand van een residentie ten-hoogste verheffen, doch te-gelyker-tyd, vooral waar de _cyfers_ spreken, zichzelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden, als niet de zaak om de eindelyke gevolgen te ernstig ware, aanleiding geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naiveteit waarmee vaak in zoodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en aangenomen, al biedt dan ook de schryver zelf weinig zinsneden verder de wapens aan waarmee die onwaarheden te bestryden zyn. Ik zal me tot een enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer velen zou kunnen vermeerderen. Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een residentie. De resident roemt den handel die daar bloeit, en beweert dat in de geheele landstreek de grootste welvaart en bedryvigheid worden waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende over de geringe middelen die hem ten-dienste staan om sluikery te weren, wil hy terstond den onaangenamen indruk wegnemen, die op de Regeering zou worden te-weeg gebracht door de meening dat er dus in die residentie veel Inkomend-Recht wordt ontdoken. "Neen, zegt hy, daarvoor behoeft men niet bezorgd te zyn! Er wordt in myn residentie weinig of niets ingevoerd ter-sluik, want ... er gaat in deze streken zoo weinig om, dat niemand hier zyn kapitaal in den handel wagen zou." Ik heb een dergelyk verslag gelezen dat aanving met de woorden: "in 't afgeloopen jaar is de rust rustig gebleven." Zulke zinsneden getuigen wel van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelykheid van de Regeering voor ieder die haar onaangename tydingen spaart, of die, zooals de term luidt: "haar niet bemoeielykt" met verdrietige berichten! Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toeteschryven aan onjuistheid der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stygen, maakt men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lagen aanslag den landbouw aantemoedigen, die zich juist _nu_ gaat ontwikkelen, en weldra--liefst als de berichtgever zal afgetreden zyn--onbegrypelyke vruchten moet afwerpen. Waar onordelykheid heeft plaats gehad die niet verborgen blyven _kon_, was dit het werk van eenige weinige kwalykgezinden die voor 't vervolg niet meer te vreezen zyn daar er een _algemeene_ tevredenheid heerscht. Waar gebrek of hongersnood de bevolking heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte, regen of zoo-iets, nooit van wanbestuur. De nota van Havelaars voorganger, waarin deze "het verloop van volk uit het distrikt _Parang-Koedjang_ toeschreef aan _verregaand_ misbruik" ligt voor my.[119] Deze nota was _in_officieel, en bevatte punten waarover die ambtenaar met den resident van _Bantam_ te _spreken_ had. Maar vergeefs zocht Havelaar in 't archief naar een blyk dat zyn voorganger diezelfde zaak ruiterlyk by den waren naam had genoemd in een _openbare dienstmissive_. Kortom, de officieele berichten van de beambten aan het Gouvernement, en dus ook de daarop gegronde rapporten aan de Regeering in 't moederland, zyn voor het grootste en belangrykste gedeelte: _onwaar_. Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en voel me volkomen in-staat haar met bewyzen te staven. Wie verstoord mocht zyn over dit onbewimpeld uiten myner meening, bedenke hoeveel millioenen schats en hoeveel menschenlevens er zouden gespaard zyn aan Engeland, indien men daar tydig de oogen der natie voor de ware toedracht der zaken in Britsch-Indie geopend had, en hoe groote dankbaarheid men zou schuldig geweest zyn aan den man die den moed had getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't verkeerde te herstellen op minder bloedige wyze dan nu wel noodzakelyk geworden was. Ik zeide, myn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't noodig is, zal ik aantoonen dat er vaak hongersnood heerschte in streken die geroemd werden als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevolking die als rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uittebersten in woede. Het is myn voornemen niet deze bewyzen te leveren in _dit_ boek, schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te gelooven dat ze bestaan. Voor 't oogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het belachelyk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door ieder, hy zy dan al of niet bekend met de zaken van Indie, gemakkelyk zal kunnen begrepen worden. Ieder resident dient maandelyks een opgaaf in van de ryst die in zyn landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. By deze opgave wordt dat vervoer in twee deelen gesplitst, naarmate het zich bepaalt tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de hoeveelheid ryst welke volgens die opgaven is overgevoerd _uit_ residentien op Java _naar_ residentien op Java, zal men bevinden dat deze hoeveelheid vele duizende pikols _meer_ bedraagt dan de ryst die, volgens dezelfde opgaven, _in_ residentien op Java _uit_ residentien op Java is ingevoerd. Ik ga nu met stilzwygen voorby, wat men te denken hebbe van het doorzicht der Regeering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil den lezer alleen opmerkzaam maken op de _strekking_ van deze valsheid. De procentsgewyze belooning aan europesche en inlandsche beambten voor produkten die in Europa moeten verkocht worden, had den rystbouw zoodanig op den achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een hongersnood geheerscht heeft, die niet voor de oogen der natie weggegoocheld worden kon. Ik heb reeds gezegd dat er toen voorschriften zyn gegeven, de zaken niet weder te laten komen tot zoo ver. Tot de vele uitvloeisels van deze voorschriften behoorden ook de door my genoemde opgaven van uit-en ingevoerde ryst, opdat de Regeering voortdurend het oog houden kon op de ebbe en den vloed van dat levensmiddel. _Uitvoer_ uit een residentie stelt welvaart voor, _Invoer_: betrekkelyk gebrek. Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelykt, blykt daaruit dat de ryst overal zoo overvloedig is, _dat alle residentien tezamen meer ryst uitvoeren dan er in alle residentien tezamen wordt ingevoerd_. Ik herhaal dat hier geen spraak is van uitvoer over zee, waarvan de opgaaf afzonderlyk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerymde stelling: _dat er op Java meer ryst is dan er ryst is_. Dat is toch welvaart! Ik zeide reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de Regeering meetedeelen, zou overgaan in 't belachelyke, als niet de gevolgen van dit alles zoo treurig waren. Welke verbetering immers is er te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen bestaat, in de berichten aan 't bestuur alles omtebuigen en te verdraaien? Wat is er by-voorbeeld te verwachten van een bevolking die, uit den aard zacht en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over onderdrukking, als zy den eenen resident voor, den anderen na ziet aftreden met verlof of met pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat er _iets_ geschied is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! Moet niet de gebogen veer eindelyk terugspringen? Moet niet de zoolang onderdrukte ontevredenheid--onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan ze te loochenen!--eindelyk overslaan in woede, in wanhoop, in razerny? Ligt er niet een _Jacquerie_ op 't eind van dezen weg? En waar zullen dan de beambten zyn, die sedert jaren elkander opvolgden, zonder ooit op 't denkbeeld te zyn gekomen dat er iets hoogers bestaat dan de "gunst der Regeering?" Iets hoogers dan de "tevredenheid van den Gouverneur-generaal?" Waar zullen zy dan wezen, de flauwe-berichten- schryvers die de oogen van 't Bestuur door hun onwaarheden verblindden? Zullen dan zy die vroeger den moed misten om een kordaat woord op 't papier te stellen, te-wapen vliegen en de nederlandsche bezittingen behouden voor Nederland? Zullen zy aan Nederland de schatten weergeven die er zullen noodig wezen tot demping van oproer, tot het voorkomen van omwenteling? Zullen zy 't leven weergeven aan de duizenden die er vielen door hun schuld? En die ambtenaren, die kontroleurs en residenten, zyn niet de _meest_ schuldigen. Het is de Regeering zelf die, als geslagen met onbegrypelyke blindheid, het indienen van gunstige berichten aanmoedigt, uitlokt en beloont.[120] Vooral is dit het geval, waar spraak is van onderdrukking der bevolking door inlandsche Hoofden. Door velen wordt dit beschermen van de Hoofden toegeschreven aan de onedele berekening dat zy, pracht en praal moetende ten-toon spreiden om op de bevolking den invloed uitteoefenen dien de Regering noodig heeft om haar gezag staande te houden, daartoe een veel hooger bezoldiging zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de vryheid liet het ontbrekende aantevullen door onwettige beschikking over de bezittingen en den arbeid van 't volk. Hoe dit zy, de Regeering gaat niet dan noode over tot het toepassen der bepalingen die den Javaan tegen afpersing en roof heeten te beschermen. Meestal weet men in onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde, een oorzaak te vinden om _dien_ Regent of _dat_ Hoofd te sparen, en 't is dan ook in Indie een tot spreekwoord geykte meening dat het Gouvernement liever tien residenten zou ontslaan dan een Regent. Ook die voorgewende politieke redenen--als ze op _iets_ gevestigd zyn--steunen gewoonlyk op valsche opgaven, daar ieder resident belang heeft by 't verheffen van den invloed zyner Regenten op de bevolking, om daarachter zich te verschuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te groote inschikkelykheid omtrent die hoofden.[121] Ik ga nu de afschuwelyke huichelary voorby van de menschlievend- luidende bepalingen--en van de eeden!--die den Javaan tegen willekeur beschermen ... op 't papier, en verzoek den lezer zich te herinneren hoe Havelaar by 't naspreken van die eeden iets te kennen gaf dat denken deed aan minachting. Voor 't oogenblik wil ik alleen wyzen op het moeielyke van den toestand des mans die, geheel anders dan uit kracht, eener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zyn plicht. En voor hem was deze moeielykheid grooter nog dan ze voor sommige anderen zou geweest zyn, omdat zyn gemoed zacht was, geheel in tegenspraak met zyn doorzicht dat de lezer nu wel als vry scherp zal hebben leeren kennen. Hy had dus niet alleen te stryden met vrees voor menschen of met de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen met de plichten die hy als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hy moest een vyand overwinnen in zyn eigen hart. Hy kon niet zonder lyden leed zien, en 't zou my te ver leiden als ik de voorbeelden wilde aanvoeren hoe hy immer, ook waar hy gekrenkt en beleedigd was, de party van een tegenstander beschermde tegen zichzelf. Hy verhaalde aan Duclari en Verbrugge hoe hy in zyn jeugd iets aantrekkelyks had gevonden in het duel met den sabel, 't geen de waarheid was ... doch hy zeide er niet by hoe hy na 't wonden van zyn tegenparty gewoonlyk schreide, en zyn gewezen vyand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik zou kunnen verhalen hoe hy te _Natal_ den kettingganger die op hem geschoten had[122] by zich nam, den man vriendelyk toesprak, hem voeden liet en vryheid gaf boven alle anderen, omdat hy meende te ontdekken dat de verbittering van dien veroordeelde 't gevolg was van een, elders geslagen, te streng vonnis. Gewoonlyk werd de zachtheid van zyn gemoed of ontkend, of belachelyk gevonden. Ontkend door wie zyn hart verwarde met zyn geest. Belachelyk gevonden door wie niet begrypen kon hoe een verstandig mensch zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastgeraakt was in het web eener spin. Ontkend weder door ieder--buiten Tine--die hem daarna hoorde schimpen op die "domme dieren" en op de "domme natuur" die zulke dieren schiep. Maar nog een andere wyze bestond er om hem neertehalen van 't voetstuk waarop zyn omgeving--men mocht hem beminnen of niet--wel gedwongen was hem te plaatsen. "Ja, hy _is_ geestig, maar ... er is vluchtigheid in zyn geest." Of: "hy _is_ verstandig, maar ... hy gebruikt zyn verstand niet goed." Of: "ja, hy _is_ goedhartig, maar ... hy koketteert er mee!" Voor zyn geest, voor zyn verstand, trek ik geen party. Maar zyn hart? Arme spartelende vliegjes die hy redde als hy geheel alleen was, wilt _gy_ dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie? Maar ge zyt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gy die niet weten kondet dat hy eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis! Was 't koketterie van Havelaar, toen hy te _Natal_ een hond--_Sappho_ heette het dier--nasprong in de riviermonding, omdat hy vreesde dat het nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwyken die daar zoo menigvuldig zyn? Ik vind zulk koketteeren met goedhartigheid moeielyker te gelooven dan de goedhartigheid zelf. Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt--wanneer ge niet verstyfd zyt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of verdroogd door de hitte daarginds onder de linie!--ik roep u op om getuigenis te geven van zyn hart, gy allen die hem hebt gekend! Thans vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer noodig hebt te zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neertehalen van welke luttele hoogte ook.[123] Intusschen, hoe bont het schyne, zal ik hier plaats geven aan eenige regels van zyn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken. Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hy had haar in Indie moeten achterlaten, en bevond zich in Duitschland. Met de vlugheid die ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht willen aantasten, maakte hy zich meester van de taal des lands waar hy eenige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die te-gelyker-tyd de innigheid schetsen van den band die hem aan de zynen hechtte. --Mein Kind, da schlaegt die neunte Stunde, hoer! Der Nachtwind saeuselt, und die Luft wird kuehl, Zu kuehl fuer dich vielleicht: dein Stirnchen glueht! Du hast den ganzen Tag so wild gespielt, Und bist wohl muede, komm, dein _Tikar_ harret.[124] --Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick! Es is so sanft zu ruhen hier... und dort, Da drin auf meiner Matte, schlaf' ich gleich, Und weiss nicht einmal was ich traeume! Hier Kann ich doch gleich dir sagen was ich traeume. Und fragen was mein Traum bedeutet... hoer, Was war das? --'s War ein _Klapper_ der da fiel.[28] --Thut das dem Klapper weh? --Ich glaube nicht. Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefuehl. --Doch eine Blume, fuehlt die auch nicht? --Nein, Man sagt, sie fuehle nicht. --Warum denn, Mutter, Als gestern ich die _Pukul ampat_ brach[125] Hast du gesagt: es thut der Blume weh? --Mein Kind, die _Pukul ampat_ war so schoen Du zogst die zarten Blaettchen roh entzwei, Das that mir fuer die arme Blume leid. Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefuehlt, _Ich_ fuehlt' es fuer die Blume, weil sie schoen war. --Doch, Mutter, bist du auch schoen? --Nein, mein Kind, Ich glaube nicht. --Allein _du_ hast Gefuehl? --Ja, Menschen haben's... doch nicht allen gleich. --Und kann _dir_ etwas weh thun? Thut dir's weh, Wenn dir im Schooss so schwer mein Koepfchen ruht? --Nein, _das_ thut mir nicht weh! --Und, Mutter, ich... Hab' _ich_ Gefuehl? --Gewis! Erinn're dich Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein Dein Haendchen hast verwundet, und geweint. Auch weintest du, als _Saudien_ dir erzaehlte[126] Dass auf den Huegeln dort, ein Schaeflein tief In eine Schlucht hinunter fiel, und starb. Da hast du lang geweint... das war Gefuehl. --Doch, Mutter, ist Gefuehl denn Schmerz? --Ja, oft! Doch... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst, Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift, Und kraehend dir 's Gesichtchen nahe drueckt, Dann lachst du freudig, das ist auch Gefuehl. --Und dann mein Schwesterlein... es weint so oft, Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefuehl? --Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht, Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann. --Doch, Mutter... hoere, was war das? --Ein Hirsch Der sich verspaetet im Gebuesch, und jetzt Mit Eile heimwaerts kehrt, und Ruhe sucht Bei andren Hirschen die ihm lieb sind. --Mutter, Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich? Und eine Mutter auch? --Ich weiss nicht, Kind. --Das wuerde traurig sein, wenn's nicht so waere! Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im Strauch? Seh' wie es huepft und tanzt... ist das ein Funk? --'s Ist eine Feuerfliege. --Darf ich 's fangen? --Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart, Du wirst gewiss es weh thun, und sobald Du 's mit den Fingern all zu roh beruehrst, Ist 's Thierchen krank, und stirbt, und glaenzt nicht mehr. --Das waere Schade! Nein, ich fang' es nicht! Seh', da verschwand es... nein, es kommt hierher... Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort, Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe! Da fliegt es... hoch! Hoch, oben... was ist das, Sind das auch Feuerflieglein dort? --Das sind Die Sterne. --Ein, und zehn, und tausend! Wieviel sind denn wohl da? --Ich weiss es nicht Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezaehlt. --Sag', Mutter, zaehlt auch _Er_ die Sterne nicht? --Nein, liebes Kind, auch _Er_ nicht. --Is das weit, Dort oben wo die Sterne sind? --Sehr weit! --Doch haben diese Sterne auch Gefuehl? Und wuerden sie, wenn ich sie mit der Hand Beruehrte, gleich erkranken, und den Glanz Verlieren, wie das Flieglein?--Seh', noch schwebt es! Sag, wuerd' es auch den Sternen weh thun? --Nein, Weh thut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit Fuer deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht. --Kann _Er_ die Sterne fangen mit der Hand? --Auch _Er_ nicht: das kann Niemand! --Das ist Schade! Ich gaeb so gern dir einen! Wenn ich gross bin, Dann will _ich so dich lieben das ich's_ kann. Das Kind schlief ein. Ihm traeumte von Gefuehl, Von Sternen die es fasste mit der Hand.... Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch traeumte Auch sie, und dacht' an den der fern war... Ja, op 't gevaar af van bont te schynen, heb ik aan die regels hier plaats gegeven. Ik wensch geen gelegenheid te verzuimen om den man te doen kennen die de hoofdrol vervult in myn verhaal, opdat hy den lezer eenig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken over zyn hoofd. VYFTIENDE HOOFDSTUK Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hooge ongenade van de Regeering eenigszins scheen gevreesd te hebben--de man had veel kinderen, en geen vermogen--had alzoo liever met den resident _gesproken_ over wat hyzelf _verregaande_ misbruiken noemde, dan die ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeeling hem zonder gevaar de keus laat tusschen 't al of niet gevolg geven aan een klacht. Zulke mondelinge mededeelingen hadden gewoonlyk een onderhoud ten-gevolge met den Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van den _Adhipatti_, baden zy om verschooning. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze geloofden wel dat daarvoor een dubbelen prys zou betaald worden." "Neen, ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden in de _Sawahs_ van den Regent, ze wisten zeer goed dat de _Adhipatti_ hen later ruim zou beloond hebben." "Ze hadden hun aanklacht ingebracht in een oogenblik van ongegronden wrevel ... ze waren waanzinnig geweest, en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande oneerbiedigheid!" Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schoone gelegenheid om den Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename taak bespaard de Regeering te "bemoeielyken" met een ongunstig bericht. De roekelooze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zoo goed "geschipperd" te hebben. Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als den volgenden dag weer andere klagers zich by hem aanmeldden? Of--en dit geschiedde dikwyls--als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken? Moest hy _weder_ die zaak op zyn nota schryven, om _weder_ daarover te spreken met den resident, om _weder_ dezelfde komedie te zien spelen, alles op 't gevaar af van in het eind doortegaan voor iemand die--dom en boosaardig dan--telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zoo noodige vriendschappelyke verhouding tusschen 't voornaamst Inlandsch Hoofd en den eersten europeschen ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te geven aan valsche aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als uitvoerder van des Regents willekeur? Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Daarom zwierven er zooveel Bantammers in de naburige provincien! Daarom waren er zooveel bewoners van _Lebak_ onder de opstandelingen in de _Lampongsche_ distrikten! Daarom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden gevraagd: "wat is dit, dat er zooveel huizen ledig staan in de dorpen, en waarom verkiezen velen de schaduw der bosschen elders, boven de koelte der wouden van _Bantan Kidoel_?" Doch niet ieder _kon_ vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier afdreef, nadat hy den vorigen avend, in 't geheim, schoorvoetend, angstig, verzocht had om gehoor by den adsistent-resident ... hy had geen behoefte meer aan vlucht.[127] Misschien ware het als menschlievendheid te achten, hem door oogenblikkelyken dood te onttrekken aan nog eenigen tyd levens. Hem bleef de mishandeling gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen die de straffe zyn voor al wie een oogenblik meenen kon geen beest te wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een aanval van dwaasheid geloofd had dat er _Recht_ in 't land was, en dat de adsistent-resident den wil had, en de macht, om dat Recht te handhaven ... Was 't, niet inderdaad beter dien man te beletten den volgenden dag by den adsistent-resident terugtekeeren--zooals deze hem 's avends zeggen liet--en zyn klachte te smoren in 't gele water van den _Tjioedjoeng_, dat hem zachtkens zou afvoeren naar hare monding, gewoon als ze was overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in 't binnenland aan de haaien in zee? En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor verantwoordelyk was aan een hoogere macht dan de macht van een Regeering die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd door twyfel, niet aan wat hem te doen stond, maar aan de _wyze waarop_ hy te handelen had?[128] Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot den _Adhipatti_ gesproken als: "ouder broeder" en wie meenen mocht dat ik, ingenomen met den held myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven maat, hoore hoe eens na zoodanig onderhoud, de Regent zyn _Patteh_ tot hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe nog lang daarna die _Patteh_, sprekende met den kontroleur Verbrugge--nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van _Lebak_ te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vreezen was--hoe die _Patteh_ by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: "nog nooit heeft eenig heer gesproken als hy!"[129] Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had medelyden met den Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken, vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van verschooning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op grooten voet leefde in naburige provincien, waar veel koffi geoogst en dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in levenswys zoo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten? Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerscht, by 't klimmen zyner jaren het heil van zyn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en voor aalmoezen aan gebedzingende leegloopers te kunnen inkoopen. De ambtenaren die Havelaar in _Lebak_ waren voorafgegaan, hadden niet altyd goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der _Lebaksche_ familie van den Regent, die geheel ten-zynen laste leefde, hem het terugkeeren tot den goeden weg moeielyk. Zoo zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uittestellen, en nog-eens en nog-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met zachtheid. En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de fouten herinnerde waardoor hy zoo arm gemaakt was, schoot hy den Regent gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zich zelf zoo ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt noodige te bekrimpen, om den Regent ter-hulpe te komen met het weinige dat hy nog van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen. Indien 't nog noodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewyzen waarmee Havelaar zyn moeielyken plicht vervulde, zou dit bewys kunnen gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy den kontroleur opdroeg, toen deze eens naar _Serang_ zou vertrekken: "zeg den resident, dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet geloove dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond officieele melding omdat ik den Regent, met wien ik medelyden heb, wensch te bewaren voor te groote strengheid, daar ik eerst beproeven wil hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen."[130] Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men hem meestal in de kamer die wy op onzen platten grond vinden voorgesteld door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer daarnaast ophield. Want zoo innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy bezig was met eenigen arbeid die aandacht en inspanning vorderde, gedurig behoefte voelde haar te zien of te hooren. Het was dikwyls koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder te weten wat hy behandelde, den zin van zyn meening wist te vatten, die hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide iets onvriendelyks tot haar ... die toch geen schuld had aan zyn ontevredenheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van berouw over zoodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn eigen hoofd. Zy kende hem dan ook zoo goed, dat ze juist wist wanneer ze daar moest zyn om hem een oogenblik verpoozing te verschaffen ... juist, wanneer hy behoefte had aan haren raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen moest laten. In die kamer zat Havelaar op zekeren morgen toen de kontroleur by hem binnentrad, met een zoo-even ontvangen brief in de hand. --Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar, zeide hy onder 't binnentreden. Zeer moeielyk! Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om optehelderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in 't beantwoorden van die eenvoudige vraag. Voor eenige jaren was er te _Rangkas-Betoeng_ een gevangenis gebouwd. Nu is 't van algemeene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van Java de kunst verstaan gebouwen opterichten die duizenden waard zyn, zonder meer dan even zooveel honderden daarvoor uittegeven. Men verkrygt daardoor den roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het verschil tusschen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalden arbeid. Sedert eenige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden. Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regeering zelf _wil_ dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend werken zou op de begrooting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel gaan zooals met veel andere voorschriften die er zoo menschlievend uitzien op 't papier. Nu moesten er te _Rangkas-Betoeng_ nog veel andere gebouwen worden opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der arbeidsloonen en materialen. Havelaar had den kontroleur belast met een nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen optegeven naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen Verbrugge aan dezen last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet overeen kwamen met de opgaven van eenige jaren vroeger. Van dit verschil nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zoo moeielyk. Havelaar, die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid schriftelyk zou meedeelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken een afschrift van den brief die 't gevolg schynt van deze toezegging. Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korrespondentie over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft, moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak is van geheel iets anders, _van den toestand namelyk der ambtelyke Indische huishouding_, en dat de brief dien ik meedeel niet alleen een straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te kampen had die zooals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg wilde gaan. "No 114 _Rangkas-Betoeng_, 15 Maart 1856. _Aan den Kontroleur van Lebak_. Toen ik den brief van den Direkteur der Openbare-Werken, van den 16den Februari l.l., No 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht het daarby gevraagde, na overleg met den Regent, te beantwoorden met in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer No 97. Die missive bevatte eenige algemeene wenken omtrent hetgeen als billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van, het Bestuur. By uwe missive van 8 dezer, No 6, hebt ge daaraan--en naar ik geloof, volgens uw beste weten--voldaan, zoodat ik, vertrouwende op uw lokale kennis en die des Regents, die opgaven, zooals ze door u waren gesteld, den resident heb aangeboden. Daarop volgde eene missive van dien hoofdambtenaar, van 11 dezer, No 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het verschil tusschen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853 en 1854 by het opbouwen eener gevangenis besteed werden? Ik stelde natuurlyk dien brief in uwe handen, en gelastte u mondeling, alsnu uwe opgave te justificeeren, hetgeen u te minder moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften u in myn schryven van den 5en dezer gegeven, en die we mondeling meermalen uitvoerig bespraken. Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk. Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met den gerenvoieerden brief des residents in de hand, en begon te spreken over de moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde by u wederom zekeren schroom om sommige zaken by den waren naam te noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder anderen onlangs in tegenwoordigheid van den resident, iets wat ik ter bekorting _halfheid_ noem, en waartegen ik u reeds dikwyls vriendschappelyk waarschuwde. Halfheid leidt tot niets. _Half_-goed is niet goed. _Half_-waar is _on_waar. Voor vol traktement, voor vollen rang, na een duidelyken _volledigen_ eed, doe men zyn vollen plicht. Is er soms moed noodig dien te volvoeren, men bezitte dien. Ik voor my zou den moed niet hebben dien moed te missen. Want, afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeerte om te "schipperen" meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op den rechten weg ontmoeten zal. Gedurende den loop eener zeer belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u stilzwygend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van-tyd tot-tyd daarop gezinspeeld. Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop schreef: "_dit alles moge de waarheid zyn, het is niet_ al _de waarheid, noch de_ voornaamste _waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper_" stemde gy dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn _recht_, te eischen dat ge dan ook die hoofdwaarheid _noemen_ zoudt. Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder anderen deze, dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van _U_ te vorderen, wat vele anderen in uw plaats evenmin zouden presteeren, _U_ te dwingen zoo op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en menschenvrees vaarwel te zeggen, die niet zoozeer _uw_ schuld is als wel die der leiding welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht _geheel_ te doen dan _half_." Thans echter, nu ik de eer heb u weder zooveel dagen langer onder myn bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde, principes te leeren kennen die--tenzy ik dwaal--ten-laatste zullen zegevieren[131] wenschte ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er noodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet dien onmannelyken schroom om flink voor een zaak uittekomen. Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar _volledige_ opgave van wat u voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tusschen _nu_ en 1853 of 1854. Ik hoop ernstig dat gy geen enkele zinsnede van dezen brief zult opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw dat ge my genoeg hebt leeren kennen om te weten dat ik niet meer of minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten-overvloede de verzekering dat myn opmerkingen eigenlyk minder _U_ betreffen, dan de _school_ waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zyt. Deze _circonstance attenuante_ zou echter vervallen wanneer ge, langer met my omgaande en 't Gouvernement onder myn leiding dienende, voortgingt den slender te volgen waartegen ik my verzet. Ge hebt opgemerkt dat ik my van het "_Uweledelgestrenge_" heb ontslagen: 't verveelde my. Doe het ook, en laat onze "weledelheid" en waar 't noodig is onze "gestrengheid" elders en vooral anders blyken, dan uit die vervelende, zinstorende titulatuur. _De Adsistent-resident van Lebak_ MAX HAVELAAR." Het antwoord op dezen brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers, en bewees dat hy niet zoo onrecht had, toen hy de "_slechte voorbeelden van vroegeren tyd_" mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter verschooning van den Regent. Ik ben in 't meedeelen van dezen brief den tyd vooruitgeloopen, om reeds nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van den kontroleur te verwachten had, zoodra geheel andere, meer belangryke, zaken zouden moeten genoemd worden by den rechten naam, wanneer reeds deze ambtenaar die zonder twyfel een braaf mensch was, zoo moest worden toegesproken om de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der pryzen van hout, steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzoo dat hy niet alleen te stryden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdryf, maar tevens met de beschroomdheid dergenen die--hoezeer dat misdryf evenzeer afkeurende als hy--zich niet geroepen of geschikt achtten daartegen met den vereischten moed optetreden. Misschien ook zal men na 't lezen van dien brief, eenigszins terugkomen van de minachting voor de slaafsche onderworpenheid van den Javaan die in tegenwoordigheid van zyn Hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zooveel oorzaak was tot vreeze, zelfs voor den europeschen beambte, die dan toch geacht kon worden iets minder bloottestaan aan wraak, wat wachtte dan den armen landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats geheel-en-al in de macht zyner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is 't wonder dat die arme menschen, verschrikt over de gevolgen van hun stoutheid, die gevolgen zochten te ontwyken of te verzachten door deemoedige onderwerping? En 't was niet alleen de kontroleur Verbrugge, die zyn plicht deed met een schuwheid als voegen zou aan plichtverzuim. Ook de _Djaksa_, 't Inlandsch Hoofd dat by den Landraad het ambt van publieke aanklager vervult, trad liefst 's avends, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars woning. Hy, die diefstal moest tegengaan, dien 't was opgedragen den sluipenden dief te betrappen, hy sloop, als ware hyzelf de dief die betrapping vreesde, met zachten tred het huis aan de achterzyde in, na zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting. Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit noodig had zyn kamer binnentetreden om hem optebeuren, als ze zag hoe hy daar zat met de hand onder 't hoofd? En toch was voor hem 't grootst bezwaar niet gelegen in de schroomvalligheid van wie hem ter-zyde stonden, noch in de medeplichtige lafhartigheid van wie zyn hulp hadden ingeroepen. Neen, geheel alleen des-noods zou hy recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja, _tegen_ allen, al ware 't ook tegen henzelf die behoefte hadden aan dat recht! Want hy wist hoe hy invloed had op het Volk, en hoe--als eenmaal de arme onderdrukten, opgeroepen om luide en voor 't gerecht te herhalen wat ze hem 's avends en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid --hy wist hoe hy de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de kracht zyner woorden sterker zyn zou dan de angst voor wraak van Distriktshoofd of Regent. De vrees dat zyn beschermelingen zouden afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus niet. Maar 't kostte hem zooveel dien ouden _Adhipatti_ aanteklagen: dat was de reden van zyn tweestryd! Want ook aan den anderen kant mocht hy niet toegeven in dezen weerzin, daar de geheele bevolking, afgescheiden nog haar goed recht, evenzeer aanspraak had op medelyden. Vrees voor eigen leed had geen deel in zyn twyfel. Want al wist hy hoe ongaarne in 't algemeen de Regeering een Regent ziet aanklagen, en hoeveel gemakkelyker 't sommigen valt den europeschen beambte broodeloos te maken dan een Inlandsch Hoofd te straffen, hy had een byzondere reden om te gelooven dat er juist op dit oogenblik by de beoordeeling van zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheerschen. Het is waar dat hy, ook zonder deze meening, evenzeer zyn plicht zou gedaan hebben, te liever zelfs als hy 't gevaar voor zich en de zynen grooter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeielykheid hem aantrok, en hoe hy dorstte naar opoffering. Doch hy meende dat de aanlokkelykheid van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde--als hy in 't eind zou moeten overgaan tot ernstigen stryd tegen 't onrecht--zich te moeten spenen van 't ridderlyk genoegen dien stryd te hebben aangevangen als de zwakste. Ja, dit _vreesde_ hy. Hy meende dat er aan 't hoofd van de Regeering een Gouverneur-generaal stond die zyn bondgenoot wezen zou, en 't was een eigenaardigheid te meer in zyn karakter, dat deze meening hem van strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aantegrypen op een oogenblik dat hy 't Recht voor sterker hield dan gewoonlyk. Ik zeide immers reeds in de proeve der beschryving van zyn inborst, dat hy naif was by al zyn scherpte? Laat ons trachten optehelderen hoe Havelaar tot die meening gekomen was. * * * * * Zeer weinig europesche lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van de hoogte waarop een Gouverneur-generaal staan moet als mensch, om niet beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en 't gelde dan ook niet als een te streng oordeel wanneer ik de meening aankleef dat zeer weinigen, geenen misschien, aan zoo zwaren eisch hebben kunnen beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen die daartoe noodig zyn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende hoogte waarop zoo eensklaps de man wordt geplaatst, die--gisteren nog eenvoudig burger--heden macht heeft over millioenen onderdanen. Hy die voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven uittesteken in rang of gezag, voelt zich op-eenmaal, onverwachts meestal, opgeheven boven een menigte, oneindig grooter dan de kleine kring die hem vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten- onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zyn de zenuwen van gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone sterkte. Indien alzoo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-generaal veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van denzulken die uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van personen die reeds voor die benoeming leden aan veel gebreken? En al stellen we voor een oogenblik dat de Koning altyd goed is voorgelicht, als hy zyn hoogen naam teekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te wezen van de "_goede trouw, den yver en de bekwaamheden_" des benoemden Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en bekwaam is, dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die _bekwaamheid_, by hem bestaat in eene _maat_, hoog genoeg verheven boven _middelmatigheid_, om aan de eischen van zyn roeping te voldoen. Want de vraag kan niet zyn of de man die te 's Gravenhage voor 't eerst als Gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dat oogenblik de bekwaamheid bezit die noodig zal wezen voor zyn nieuw ambt ... dit is _onmogelyk_! Met de betuiging van vertrouwen op zyn bekwaamheid kan slechts de meening bedoeld zyn dat hy in een geheel nieuwen werkkring, op een gegeven oogenblik, by ingeving als 't ware, weten zal wat hy te 's Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zyn zeldzaam, zelfs onder personen die in gunste staan by koningen.[132] Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil over slaan wat er zou te zeggen vallen van zoo menigen Landvoogd. Ook zou 't me stuiten in myn boek bladzyden intevoegen die 't ernstig doel van dit werk zouden blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorby maar als _algemeene_ ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-generaal, meen ik te mogen opgeven: _eerste stadium_. Duizeling. Wierook-dronkenschap. Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van "oudgasten." _Tweede stadium_. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op den Raad van Indie. Afhankelykheid van de Algemeene Sekretarie. Heimwee naar een hollandsche buitenplaats. Tusschen deze beide stadien in, en als overgang--misschien zelfs als oorzaak van dien overgang--liggen dyssenterische buikaandoeningen. Ik vertrouw dat velen in Indie me dankbaar zullen wezen voor deze diagnose. Ze is nuttig toetepassen, want men kan voor zeker houden dat de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een mug, later--na de buikziekte!--zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of, om duidelyker te spreken, dat een beambte die "_geschenken aanneemt, niet met het doel zich te verryken_"--by-voorbeeld een bos _pisang_ ter-waarde van eenige duiten--met smaad en schande zal worden weggejaagd in de _eerste_ periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft het _laatste_ tydperk aftewachten, zeer gerust en zonder eenige vrees voor straf, zich zal kunnen meester maken van den tuin waar de _pisang_ groeide, met de tuinen die daarnaast liggen er by ... van de huizen die in den omtrek staan ... van wat er in die huizen is ... en van nog een-en-ander meer, _ad libitum_.[133] Ieder doe met deze pathologisch-wysgeerige opmerking zyn voordeel, en houde myn raad geheim, ter voorkoming van te groote mededinging. Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich moeten kleeden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te zoeken by _Figaro_ of _Polichinel_? Styl ... ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is Styl die aantoonde dat er een _mensch_ in de buurt was, een _mensch_ wien het de moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die styl den armen Havelaar gebaat? _Hy_ vertaalde zyn tranen niet in gegryns, _hy_ spotte niet, _hy_ zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door de grappen van den uitroeper voor de kermistent ... wat heeft het hem gebaat? Kon ik schryven zooals hy, ik zou anders schryven dan hy. Styl? Hebt ge gehoord hoe hy sprak tot de Hoofden? Wat heeft het hem gebaat? Kon ik spreken zooals hy, ik zou anders spreken dan hy. Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius' _justum ac tenacem_! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit? Styl? _Hy_ had styl! Hy had te veel ziel om zyn gedachten te verdrinken in de "ik heb de eers" en de "edelgestrengheden" en de "eerbiedig-in- overweging-gevingen" die den wellust uitmaken van de kleine wereld waarin hy zich bewoog. Als hy schreef, doordrong u iets by 't lezen, dat u begrypen deed hoe er wolken dreven by dat onweder, en dat ge niet het gerammel hoorde van een blikken tooneeldonder. Als hy vuur sloeg uit zyn denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzy men geboren kommies was, of Gouverneur-generaal, of schryver van 't walgelykst verslag over "rustige rust." En wat heeft het hem gebaat? Als ik dus wil worden gehoord--en verstaan vooral!--moet ik anders schryven dan hy. Maar _hoe_ dan? Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat _hoe_? en daarom heeft myn boek een zoo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later zal ik u geel of blauw of rood geven naar uwen wensch. Havelaar had de Gouverneurs-ziekte reeds zoo dikwyls waargenomen by zoo veel lyders--en vaak _in anima vili_, want er zyn analogische residents-, kontroleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in verhouding staan als mazelen tot pokken, en eindelyk: hyzelf had aan die ziekte geleden! --reeds zoo dikwyls had hy dat alles waargenomen, dat hy de verschynselen daarvan vry-wel kende. Hy had den tegenwoordigen Gouverneur-generaal in 't begin van de ongesteldheid minder duizelig gevonden dan de meeste anderen, en hy besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een andere richting nemen zou. Het was om deze reden dat hy vreesde de sterkste te zullen zyn, wanneer hy in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der inwoners van _Lebak_. ZESTIENDE HOOFDSTUK Havelaar ontving een brief van den Regent van _Tjanjor_, waarin deze hem meedeelde dat hy een bezoek wenschte te brengen aan zyn oom, den _Adhipatti_ van _Lebak_. Deze tyding was hem zeer onaangenaam. Hy wist hoe de Hoofden in de _Preanger Regentschappen_ gewoon waren een groote weelde ten-toon te spreiden, en hoe de _Tjanjorsche Tommongong_ zulk een reis niet zou doen zonder een gevolg van vele honderden die allen met hun paarden moesten geherbergd en gevoed worden. Gaarne alzoo had hy dit bezoek verhinderd, doch hy peinsde vruchteloos op middelen die 't konden voorkomen zonder den Regent van _Rangkas-Betoeng_ te kwetsen, daar deze zeer trotsch was en zich diep beleedigd zou gevoeld hebben wanneer men zyn betrekkelyke armoede had opgegeven als beweegreden om hem niet te bezoeken. En wanneer dit bezoek _niet_ te ontwyken was, zou 't onmisbaar aanleiding geven tot verzwaring van den druk waaronder de bevolking gebukt ging. Het is te betwyfelen of Havelaars toespraak een blyvenden indruk op de Hoofden gemaakt had. By velen was dit zeker niet het geval, waarop hyzelf dan ook niet gerekend had. Doch even zeker is 't, dat er een roep was opgegaan in de dorpen, dat de _toewan_ die gezag had te _Rangkas-Betoeng_, recht wilde doen, en al hadden dus zyn woorden de kracht gemist om terugtehouden van misdaad, ze hadden toch aan de slachtoffers daarvan den moed gegeven zich te beklagen, al geschiedde dit dan ook slechts schoorvoetend en in 't geheim. Ze kropen 's avends door den ravyn, en als Tine in haar kamer zat, werd ze meermalen opgeschrikt door onverwacht geruisch, en ze zag door 't open venster donkere gedaanten die voorby slopen met schuwen tred. Weldra schrikte ze niet meer, want ze wist wat het beduidde als die gestalten zoo spookachtig om 't huis waarden en bescherming zochten by haren Max! Dan wenkte zy dezen, en hy stond op om de klagers tot zich te roepen. De meesten kwamen uit het distrikt _Parang-Koedjang_, waar des Regents schoonzoon Hoofd was, en hoewel dat Hoofd gewis niet verzuimde zyn aandeel van, 't afgeperste te nemen, was het toch voor niemand een geheim dat hy meestal roofde uit naam en ten-behoeve van den Regent. Het was aandoenlyk hoe die arme lieden op Havelaars ridderlykheid vertrouwden en overtuigd waren dat hy hen niet roepen zou om den volgenden dag in 't openbaar te herhalen wat ze des nachts of den vorigen avend in zyn kamer gezegd hadden. Dit toch ware mishandeling geweest voor allen, en voor velen de dood! Havelaar teekende aan wat ze zeiden, en daarna gelastte hy de klagers naar hun dorp terugtekeeren. Hy beloofde dat er recht zou geschieden, mits zy zich niet verzetten, en niet uitweken zooals 't voornemen was van de meesten. Meestal was hy kort daarna op de plaats waar 't onrecht geschiedde, ja, vaak was hy reeds daar geweest en had--gewoonlyk des-nachts--de zaak onderzocht, voor nog de klager zelf in zyn woonstede was teruggekeerd. Zoo bezocht hy in die uitgestrekte afdeeling, dorpen die twintig uren verwyderd waren van _Rangkas-Betoeng_, zonder dat noch de Regent noch zelfs de kontroleur Verbrugge wisten dat hy afwezig was van de hoofdplaats. Zyn bedoeling hiermede was, 't gevaar der wraak van de klagers aftewenden en tevens den Regent de schaamte te besparen van een openlyk onderzoek dat gewis onder hem niet als vroeger met een intrekking van de klacht zou afgeloopen zyn. Zoo hoopte hy nog altyd dat de Hoofden zouden terugkeeren van den gevaarlyken weg dien zy reeds zoolang betraden, en hy zou in dat geval zich vergenoegd hebben met het vorderen van schadeloosstelling aan de beroofden ... voor-zoo-ver 't vergoeden der geleden schade mogelyk wezen zou. Maar telkens nadat hy op-nieuw met den Regent had gesproken, deed hy de overtuiging op dat de beloften van beterschap ydel waren, en hy was bitter bedroefd over 't mislukken van zyn pogingen. We zullen hem nu eenigen tyd aan die droefheid en zyn moeielyken arbeid overlaten, om den lezer de geschiedenis te verhalen van den Javaan _Saidjah_ in de dessah _Badoer_. Ik kies de namen van dat dorp en dien Javaan uit de aanteekeningen van Havelaar.[134] Er zal daarin spraak zyn van afspersing en roof, en wanneer men--wat de hoofdstrekking aangaat --bewyskracht mocht willen ontzeggen aan een verdichtsel, geef ik de verzekering dat ik in-staat ben de namen optegeven van _twee-en-dertig personen_ in het distrikt _Parang-Koedjang_ alleen, aan welke in een maand tyds _zes-en-dertig buffels_ zyn afgenomen ten-behoeve van den Regent. Of, juister nog, dat ik de namen kan noemen van de twee-en-dertig personen uit dat distrikt, die zich in een maand _hebben durven beklagen_, en wier klacht door Havelaar _onderzocht en gegrond bevonden is_. Er zyn _vyf_ zoodanige distrikten in de afdeeling _Lebak_ ... Wanneer men nu verkiest aantenemen dat het getal geroofde buffels minder hoog was in de streken die niet de eer hadden bestuurd te worden door een schoonzoon van den _Adhipatti_, wil ik dit wel toegeven, hoezeer het de vraag blyft of niet de onbeschaamdheid van andere Hoofden op even vaste gronden rustte als hooge verwantschap? Het distriktshoofd, by-voorbeeld, van _Tjilang-kahan_ aan de Zuidkust kon, by-gebreke van een gevreesden schoonvader, steunen op de moeielykheid van 't inbrengen eener klacht, voor arme lieden die _veertig_ tot _zestig_ palen hadden afteleggen voor zy 's avends zich konden verbergen in den ravyn naast Havelaars huis. En als men hierby acht geeft op de velen die op weg gingen om nooit dat huis te bereiken ... op de velen die niet eenmaal vertrokken uit hun dorp, afgeschrikt als ze waren door eigen ondervinding of door 't aanschouwen van het lot dat anderen klagers te beurt viel, dan geloof ik dat men onrecht hebben zou in de meening dat de vermenigvuldiging met _vyf_ van 't getal gestolen buffels uit een distrikt, een te hoogen maatstaf opleverde voor wie naar de statistiek vraagt van 't getal runderen dat elke maand geroofd werd in _vyf_ distrikten, om te voorzien in de behoeften der hofhouding des Regents van _Lebak_. En 't waren niet buffels alleen die gestolen werden, noch zelfs was buffelroof 't voornaamste. Er is--in Indie vooral, waar nog altyd _heeredienst_ wettelyk bestaat--een geringer maat van onbeschaamdheid noodig om de bevolking onwettig opteroepen tot onbetaald werk, dan er vereischt wordt tot het wegnemen van eigendom. Het is gemakkelyker de bevolking diets te maken dat de Regeering behoefte heeft aan haren arbeid zonder dien te willen betalen, dan dat ze haar buffels eischen zou om-niet. En al _durfde_ de vreesachtige Javaan nasporen of de zoogenaamde _heeredienst_ dien men van hem vordert, overeenstemt met de bepalingen daaromtrent, dan nog zou hem dit onmogelyk wezen daar de een niet weet van den ander, en hy dus niet berekenen kan of 't vastgesteld getal personen tien-ja vyftigvoud overschreden is? Waar dus 't meer gevaarlyke, het lichter te ontdekken feit wordt uitgevoerd met zulke stoutheid, wat is er dan te denken van de misbruiken die gemakkelyker zyn aantewenden en minder gevaar loopen van ontdekking?[135] Ik zeide, te zullen overgaan tot de geschiedenis van den Javaan _Saidjah_. Vooraf echter ben ik genoodzaakt tot een der afwykingen die zoo moeielyk kunnen vermeden worden by 't beschryven van toestanden welke den lezer geheel vreemd zyn. Ik zal tevens daaruit aanleiding nemen tot het wyzen op een der beletselen die 't juist beoordeelen van indische zaken aan niet-indische personen zoo byzonder moeielyk maken. Herhaaldelyk heb ik van Javanen gesproken, en hoe natuurlyk dit den europeschen lezer moge toeschynen, toch zal deze benaming als een fout hebben geklonken in de ooren van wien op Java bekend is. De westelyke residentien _Bantam, Batavia, Preanger, Krawang_, en een gedeelte van _Cheribon_--tezamen genomen: _Soendahlanden_ genaamd--worden geacht niet tot eigenlyk Java te behooren, en om nu niet van de over zee gekomen vreemdelingen in die gewesten te spreken, de oorspronkelyke bevolking is inderdaad een geheel andere dan op midden-Java en in den zoogenaamden Oosthoek. Kleeding, volksaard en taal zyn zoo geheel anders dan meer oostwaarts, dat de _Soendanees_ of _Orang Goenoeng_[136] van den eigenlyk gezegden Javaan meer verschilt dan een Engelschman van den Hollander. Dusdanige verschillen geven dikwyls aanleiding tot oneenigheid in 't oordeel over indische zaken. Immers wanneer men nagaat dat Java alleen reeds zoo scherp is afgedeeld in twee ongelyksoortige deelen, zonder nog te letten op de vele onderdeelen van die splitsing, kan, men berekenen hoe groot het onderscheid moet wezen tusschen volkstammen die verder van elkander wonen en zelfs door de zee gescheiden zyn. Wie nederlandsch Indie alleen kent van Java, kan zich evenmin een juist denkbeeld vormen van den _Maleier_, den _Amboinees_, den _Battah_, den _Alfoer_, den _Timorees_, den _Dajak_, den _Boegie_, of den _Makassaar_, alsof hy nooit Europa verlaten had, en 't is voor iemand die in de gelegenheid was 't onderscheid tusschen deze volkeren waartenemen, dikwyls vermakelyk om de gesprekken aantehooren--grappig en bedroevend tevens, de redevoeringen te lezen!--van personen die hun kennis der indische zaken opdeden te _Batavia_ of te _Buitenzorg_. Meermalen heb ik me verwonderd over den moed waarmee, by-voorbeeld een gewezen Gouverneur-generaal, in de Kamer der Volksvertegenwoordiging, gewicht tracht bytezetten aan zyn woorden door voorgewende aanspraak op plaatselyke kennis en ondervinding. Ik stel hoogen prys op wetenschap die door ernstige studie in 't boekvertrek verkregen is, en vaak stond ik verbaasd over de uitgebreidheid der kennis van indische zaken, die sommigen toonen te bezitten zonder ooit indischen grond betreden te hebben. Zoodra nu een gewezen Gouverneur-generaal blyken geeft zich zulke kennis te hebben eigen gemaakt op _die_ wyze, behoort men voor hem den eerbied te gevoelen die 't rechtmatig loon is van veeljarigen nauwgezetten vruchtbaren arbeid. Grooter nog zy die eerbied voor hem dan voor den geleerde die minder moeielykheden te overwinnen had omdat hy, op verren afstand _zonder_ aanschouwing, minder gevaar liep te vervallen in de dwalingen die 't gevolg zyn eener _gebrekkige_ aanschouwing zooals onmisbaar ten-deel viel aan den gewezen Gouverneur-generaal. Ik zeide dat ik verwonderd was over den moed dien sommigen by de behandeling van indische zaken ten-toon spreiden. Zy weten immers dat hun woorden ook door anderen worden gehoord, dan wie meenen mochten dat het genoeg is een paar jaren te _Buitenzorg_ te hebben doorgebracht om Indie te kennen. Het moet hun toch bekend zyn dat die woorden ook gelezen worden door de personen die in Indie zelf getuigen waren van hun onbedrevenheid, en die evenzeer als ik verbaasd staan over de stoutheid waarmee iemand die nog zoo kort geleden vergeefs trachtte zyn onbekwaamheid wegtesteken onder den hoogen rang dien hem de Koning gaf, nu zoo op-eenmaal spreekt alsof hy werkelyk kennis droeg van de zaken die hy behandelt. Telkens hoort men dan ook klachten over onbevoegde inmenging. Telkens wordt deze of gene richting in de koloniale staatkunde bestreden door 't loochenen der bevoegdheid van hem die zulke richting vertegenwoordigt, en misschien ware het niet onbelangryk een gezet onderzoek intestellen naar de eigenschappen die iemand bevoegd maken om ... bevoegdheid te beoordeelen. Meestal wordt een belangryke vraag getoetst, niet aan de zaak waarover ze handelt, maar aan de waarde welke men toekent aan de meening van den man die daarover 't woord voert, en daar dit meestal de persoon is die doorgaat voor een _Specialiteit_, by-voorkeur iemand "die in Indie een zoo gewichtige betrekking heeft bekleed" volgt hieruit dat de slotsom eener stemming meestal de kleur draagt van de dwalingen die nu eenmaal schynen te kleven aan "die gewichtige betrekkingen." Indien dit reeds geldt waar de invloed van zoodanige specialiteit slechts wordt uitgeoefend door een lid der Volksvertegenwoordiging, hoe groot wordt dan niet de voorbeschikking tot verkeerd oordeelen, als zulke invloed gepaard gaat met het vertrouwen des Konings die zich dwingen liet zulk een specialiteit aan 't hoofd van zyn Ministerie van Kolonien te plaatsen. Het is een eigenaardig verschynsel--wellicht voortspruitende uit een soort van traagheid die de moeite van 't zelf oordeelen schuwt--hoe licht men vertrouwen schenkt aan personen die zich den schyn weten te geven van meerder kennis, zoodra slechts die kennis kan geput wezen uit bronnen die niet voor ieder toegankelyk zyn. De oorzaak ligt misschien hierin, dat de eigenliefde minder gekwetst wordt door 't erkennen van zoodanig overwicht, dan 't geval wezen zou wanneer men van dezelfde hulpmiddelen had kunnen gebruik maken, waardoor iets als wedyver ontstaan zou. Het valt den Volksvertegenwoordiger gemakkelyk zyn gevoelen optegeven, zoodra 't bestreden wordt door iemand die geacht kan worden een juister oordeel te vellen dan het zyne, wanneer slechts zulke veronderstelde meerdere juistheid niet behoeft te worden toegeschreven aan persoonlyke meerderheid--waarvan de erkenning moeielyker vallen zou--doch alleen aan de byzondere omstandigheden waarin zoodanige tegenstander verkeerd heeft. En zonder te spreken van hen "die zulke _hooge betrekkingen_ in Indie vervulden" het is inderdaad vreemd hoe men meermalen waarde toekent aan de meening van personen die volstrekt niets bezitten wat die toekenning rechtvaardigt dan de "herinnering aan een zooveeljarig verblyf in die gewesten." Dit is te meer zonderling omdat zy die gewicht hechten aan dusdanigen bewysgrond, toch niet gereedelyk alles zouden aannemen wat hun by-voorbeeld zou gezegd worden over de huishouding des nederlandschen staats, door ieder die aantoonde dat hy veertig of vyftig jaren in Nederland gewoond had. Er zyn personen die byna even zooveel tyd in Nederlandsch-Indie doorbrachten, zonder ooit in aanraking gekomen te zyn, noch met de bevolking, noch met inlandsche Hoofden, en 't is bedroevend, dat de Raad van Indie zeer dikwyls geheel of grootendeels uit zoodanige personen is samengesteld, ja dat men zelfs middel heeft gevonden, den Koning benoemingen te laten teekenen tot Gouverneur-generaal, van iemand die tot _deze_ soort van specialiteiten behoorde.[137] Toen ik zeide dat de veronderstelde bekwaamheid van een nieuwbenoemden Gouverneur-generaal moest geacht worden de meening intesluiten dat men hem voor een genie hield, was myn bedoeling geenszins het benoemen van genien aantepryzen. Buiten het bezwaar toch dat er liggen zou in 't gedurig onvervuld laten van een zoo gewichtige betrekking, pleit nog een andere reden hiertegen. Een genie zou niet kunnen werken onder het Ministerie van Kolonien, en dus als Gouverneur-generaal onbruikbaar wezen ... zooals genien wel meer zyn. Het ware misschien te wenschen dat de door my in den vorm eener ziektegeschiedenis opgegeven hoofdfeilen de aandacht trokken dergenen die tot de keuze van een nieuwen Landvoogd geroepen zyn. Op den voorgrond stellende dat al de personen die daarvoor worden in aanmerking gebracht, rechtschapen zyn, en in 't bezit van een bevattingsvermogen dat hen eenigermate zal in-staat stellen te leeren wat ze zullen moeten weten, houd ik 't voor hoofdzaak dat men met eenig gegrond vertrouwen van hen de vermyding kunne verwachten van die aanmatigende betwetery in 't begin, en vooral van die apathische slaperigheid in de laatste jaren van hun bestuur. Ik heb er reeds op gewezen dat Havelaar in zyn moeielyken plicht meende te kunnen steunen op de hulp van den Gouverneur-generaal, en ik voegde er by "dat deze meening naief was." Die Gouverneur-generaal wachtte zyn opvolger: de rust in Nederland was naby! We zullen zien wat deze neiging tot slaap berokkend heeft aan de _Lebaksche_ Afdeeling, aan Havelaar, en aan den Javaan _Saidjah_, tot wiens eentonige geschiedenis--een onder zeer velen!--ik thans overga. Ja, eentonig zal ze wezen! Eentonig als 't verhaal van de werkzaamheid der mier die haar bydrage tot den wintervoorraad moet opslepen tegen den aardkluit--voor haar een berg--die er ligt op den weg naar de voorraadschuur. Telkens valt ze terug met haar vracht, om telkens weer te beproeven of ze eindelyk vasten voet zou kunnen zetten op dat steentje daar-boven ... op de rots die den berg kroont. Maar tusschen haar en dien top is een afgrond die moet worden omgetrokken ... een diepte die duizend mieren niet vullen zouden. Daartoe moet zy, die nauwlyks kracht heeft haar last voortteslepen op gelyken grond--een last vele malen zwaarder dan eigen lyf--dien omhoog heffen, en zich overeind houden op een bewegelyke plek. Ze moet het evenwicht bewaren als ze zich opricht met haar vracht tusschen de voorpooten. Ze moet die omslingeren in schuinsche richting naar-boven, om ze te doen neerkomen op de punt die uitsteekt aan den rotswand. Ze wankelt, waggelt, schrikt, bezwykt ... tracht zich te houden aan den half ontwortelden boomstam die met zyn kruin naar de diepte wyst--een grasspriet!--ze mist het steunpunt dat ze zoekt: de boom slingert terug--de grasspriet wykt onder haren tred--ach, de tobster valt in de diepte met haar vracht. Dan is zy een oogenblik stil, wel een sekonde ... dat lang is in het leven van een mier. Zou ze verdoofd wezen van pyn door haar val? Of geeft ze toe in wat droefheid dat zooveel inspanning ydel was? Maar ze verliest den moed niet. Weder grypt ze haren last, en weder sleept zy dien naar-boven, om straks nogeens, en nogeens, neertevallen in de diepte. Zoo eentonig is myn verhaal. Maar ik zal niet spreken van mieren, welker vreugde of leed door de grofheid onzer zintuigen aan onze waarneming ontsnapt. Ik zal verhalen van menschen, van wezens die gelyke beweging hebben als wy. 't Is waar, wie aandoening schuwt en vermoeiend mede-lyden ontgaan wil, zal zeggen dat die menschen geel zyn, of bruin--velen noemen ze zwart--en voor dezulken is 't verschil van kleur beweegreden genoeg om hun oog aftekeeren van die ellende, of ten-minste als zy er op neerzien, daarop neertezien zonder aandoening. Myn vertelling is dus alleen gericht aan hen die in-staat zyn tot het moeielyk geloof dat er harten kloppen onder die donkere opperhuid, en dat, wie gezegend is met blankheid en de daarmee samengaande beschaving, edelmoedigheid, handels- en Godskennis, deugd ... zyn blanke hoedanigheden zou kunnen aanwenden op andere wyze dan tot nog toe ondervonden werd door wie minder gezegend zyn in huidskleur en zielevoortreffelykheid. Myn vertrouwen op medegevoel met de Javanen gaat echter niet zoo ver, dat ik by de beschryving hoe men den laatsten buffel rooft uit den _kendang_[138] by-dag, zonder schroom, onder bescherming van 't nederlandsch gezag ... als ik 't weggevoerd rund laat volgen door den eigenaar en zyn schreiende kinderen ... als ik hem laat neerzitten op den trap van 't huis des roovers, sprakeloos en wezenloos en verzonken in smart ... als ik hem van daar laat wegjagen met hoon en smaad, met bedreiging van rottingslag en blokgevangenis ... zie, ik eisch niet--noch verwacht, o Nederlanders!--dat ge daardoor zult aangegrepen zyn in gelyke maat als wanneer ik u het lot schetste van een boer wien men zyn koe ontnam. Ik vraag geen traan by de tranen die er vloeien op zoo donkere gezichten, noch edelen toorn als ik zal spreken van de vertwyfeling der beroofden. Evenmin verwacht ik dat ge zult opstaan, en met myn boek in de hand tot den Koning gaan, en zeggen: "zie, o Koning, dat geschiedt in _uw_ Ryk, in uw schoon ryk van Insulinde!" Neen, neen, neen, dat alles verwacht ik niet! Te veel leeds in de nabyheid maakt zich meester van uw gevoel, om u zoo veel gevoels overtelaten voor wat zoo ver is! Worden niet al uw zenuwen in spanning gehouden door de akeligheid der keus van een nieuw Kamerlid? Dobbert niet uw verscheurde ziel tusschen de wereldberoemde verdiensten van Nietigheid A en Onbeduidendheid B? En hebt ge niet uw dure tranen noodig voor ernstiger zaken dan ... maar wat hoef ik meer te zeggen! Was er niet gister slapte op de beurs, en dreigde niet ietwat overvoer de koffimarkt met daling? * * * * * "Schryf toch zulke zinnelooze dingen niet aan je papa, Stern!" heb ik gezegd, en misschien zei ik 't wat driftig, want ik kan geen onwaarheid lyden, dit is altyd een vast principe van me geweest. Ik heb dien avend terstond aan den ouden Stern geschreven dat hy haast moest maken met zyn orders, en vooral zich in-acht nemen tegen valsche berichten, want de koffi staat heel goed. De lezer gevoelt wat ik by 't aanhooren van die laatste hoofdstukken weer heb uitgestaan. Ik heb in de kinderkamer een solitairspelletje gevonden, en dat neem ik voortaan mee naar den krans. Had ik niet gelyk, toen ik zei dat die Sjaalman allen had gek gemaakt met zyn pak? Zou men in al dat geschryf van Stern--en Frits doet ook mee, dit is zeker!--jongelieden herkennen, die opgebracht worden in een deftig huis? Wat zyn dat voor malle uitvallen tegen een ziekte, die zich openbaart in 't verlangen naar een buitenplaats? Is dat op my gemunt? Mag ik niet naar Driebergen gaan, als Frits makelaar is? En wie spreekt van buikaandoeningen, in gezelschap van vrouwen en meisjes? Het is een vast principe van me, altyd bedaard te blyven--want ik houd dit voor nuttig in de zaken--maar ik moet erkennen, dat het me dikwyls veel moeite kostte, by 't aanhooren van al de gekheid die Stern voorleest. Wat wil hy toch? Wat moet het eind zyn? Wanneer komt er nu eindelyk iets degelyks? Wat gaat het my aan, of die Havelaar zyn tuin schoon houdt, en of de menschen voor of achter by hem binnenkomen? By Busselinck en Waterman moet men door een nauw gangetje, naast een oliepakhuis, waar 't altyd heel vuil is. En dan dat gemaal over die buffels! Wat hoeven ze buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zyn menschen die altyd klagen. En wat dat schimpen op gedwongen arbeid aangaat, men ziet wel dat hy de preek van dominee Wawelaar niet gehoord heeft, anders zou hy weten hoe nuttig dat werken is voor de uitbreiding van 't Godsryk. 't Is waar, hy is luthersch. O, zeker, als ik had kunnen gissen _hoe_ hy 't boek schryven zou, dat zoo gewichtig worden moet voor alle makelaars in koffi--en anderen--had ik 't liever zelf gedaan. Maar hy heeft een steun in de Rosemeyers, die in suiker doen, en dit maakt hem zoo boud. Ik heb ronduit gezegd--want ik ben oprecht in die dingen--dat wy de geschiedenis van dien _Saidjah_ wel kunnen missen, maar daar begon op-eens Louise Rosemeyer tegen my optestaan. Het schynt dat Stern haar gezegd heeft dat er van liefde zou inkomen, en daar zyn zulke meisjes dol op. Ik zou me echter hierdoor niet hebben laten afschrikken, als maar niet de Rosemeyers me gezegd hadden, gaarne kennis te willen aanknoopen met Sterns vader. Dit is natuurlyk om door den vader te komen tot den oom, die in suiker doet. Als ik nu te sterk party trek voor 't gezond verstand tegen den jongen Stern, laad ik den schyn op my, alsof ik hen van hem wil aftrekken, en dit is volstrekt het geval niet, want ze doen in suiker. Ik begryp volstrekt Sterns bedoeling niet met zyn geschryf. Er zyn altyd ontevreden menschen, en staat het hem nu fraai, hy die zooveel goeds geniet in Holland--van de week nog heeft myn vrouw kamillenthee voor hem gezet--om te schimpen op de Regeering? Wil hy daarmee de algemeene ontevredenheid aanvuren? Wil _hy_ Gouverneur-generaal worden? Hy is er verwaand genoeg toe ... om het te _willen_, meen ik. Ik vroeg hem dit eergister, en zei er ronduit by, dat zyn hollandsch nog zoo gebrekkig was. "O, dit is geen bezwaar, antwoordde hy. Er schynt maar zelden een Gouverneur-generaal daarheen gezonden te worden, die de taal van 't land verstaat." Wat moet ik nu doen met zoo'n wysneus? Hy heeft niet den minsten eerbied voor myn ondervinding. Toen ik hem van de week zei dat ik reeds zeventien jaar makelaar was, en al twintig jaar de beurs bezocht, haalde hy Busselinck & Waterman aan, die al achttien jaar makelaars zyn, en, zeide hy "die hebben dus een jaar ondervinding meer." Zoo ving hy me, want ik moet erkennen, omdat ik van de waarheid houd, dat Busselinck & Waterman weinig van de zaken weten, en dat het knoeiers zyn. Marie is ook in de war. Verbeeld u, dat ze van de week--het was haar beurt van voorlezen aan 't ontbyt, en we waren aan de geschiedenis van Loth--op eens stilhield en niet verder lezen wilde. Myn vrouw, die evenzeer als ik op godsdienst gesteld is, trachtte haar met zachtheid tot gehoorzaamheid overtehalen, omdat het toch voor een zedig meisje niet past, zoo hoofdig te wezen. Alles vergeefs! Toen moest ik als vader met groote strengheid haar beknorren, omdat ze door haar hardnekkigheid de stichting van 't ontbyt bedierf, wat altyd slecht werkt op den heelen dag. Maar er was niets aan te doen, en ze ging zoover, dat ze zeide, liever doodgeslagen te willen worden dan voorttelezen. Ik heb haar gestraft met drie dagen kamerarrest op koffi en brood, en hoop dat het haar goed zal doen. Om tevens die straf te doen strekken tot zedelyke verbetering, heb ik haar gelast, het kapittel dat ze niet lezen wilde, tien maal afteschryven, en ik ben tot deze strengheid vooral overgegaan, omdat ik bemerkt heb dat ze in den laatsten tyd--of 't van Stern komt, weet ik niet--begrippen heeft aangenomen, die me gevaarlyk voorkomen voor de zedelykheid, waarop myn vrouw en ik zoo byzonder gesteld zyn. Ik heb haar onder anderen een fransch liedje hooren zingen--van _Beranger_, geloof ik--waarin een arme oude bedelaarster beklaagd wordt, die in haar jeugd op een theater zong, en gister was zy aan 't ontbyt zonder korset --Marie, meen ik--dat toch niet fatsoenlyk is. Ook moet ik erkennen dat Frits weinig goeds heeft thuisgebracht van den bidstond. Ik was redelyk tevreden geweest over zyn stilzitten in de kerk. Hy verroerde zich niet, en wendde geen oog van den preekstoel, maar later vernam ik dat Betsy Rosemeyer in 't doophek had gezeten. Ik heb er niets van gezegd, want men moet voor jongelieden niet al te streng zyn, en de Rosemeyers zyn een fatsoenlyk huis. Ze hebben aan hun oudste dochter die met Bruggeman in drogeryen getrouwd is, iets heel aardigs meegegeven, en daarom geloof ik dat zoo-iets Frits van de Westermarkt afhoudt, wat me heel aangenaam is, omdat ik zoo op zedelykheid gesteld ben. Maar dit belet niet, dat het me ergert, Frits zyn hart te zien verharden, even als Pharao, die minder schuldig was dan hy, omdat hy geen vader had die hem zoo gedurig den rechten weg wees, want van den ouden Pharao zegt de Schrift niets. Dominee Wawelaar klaagt over zyn verwaandheid--van Frits, meen ik--op de katechisatie, en de jongen schynt--uit dat pak van Sjaalman alweer!--een neuswyzigheid gehaald te hebben, dat den gemoedelyken Wawelaar dol maakt. Het is aandoenlyk hoe de waardige man, die dikwyls koffi by ons drinkt, by Frits op 't gevoel tracht te werken, en hoe de kwajongen telkens nieuwe vragen gereed heeft, die de weerbarstigheid van zyn gemoed aantoonen ... 't komt alles uit dat vervloekte pak van Sjaalman! Met tranen van gevoel op de wangen, tracht de yverige dienaar des Evangeliums hem te bewegen, aftezien van de wysheid naar den mensch, om te worden ingeleid in de geheimenissen der wysheid Gods. Met zachtheid en teederheid smeekt hy hem, toch niet te verwerpen het brood des eeuwigen levens, en dusdoende te vervallen in de klauwen van Satan, die met zyn engelen het vuur bewoont, dat hem bereid is tot in eeuwigheid. "O, zeide hy gisteren--Wawelaar meen ik--o, jonge vriend, open toch de oogen en de ooren, en hoor en zie wat de Heer u geeft te zien en te hooren door myn mond. Let op de getuigenissen der heiligen die gestorven zyn voor 't ware geloof! Zie Stefanus, als hy nederzinkt onder de keien die hem verpletteren! Zie, hoe nog zyn blik ten hemel is gericht, en hoe nog zyn tong psalmzingt ... "Ik had liever weerom gegooid!" zei Frits daarop. Lezer, wat moet ik met dien jongen aanvangen? Een oogenblik later begon Wawelaar op-nieuw, want hy is een yverig dienstknecht, en laat niet af van den arbeid. "O, zeide hy, jonge vriend open toch ... de aanhef was als zooeven. "Maar, ging hy voort, kunt gy ongevoelig blyven by 't bedenken wat er van u worden zal, als gy eenmaal zult gerekend worden tot de bokken aan de linkerzyde ... Daar berstte de deugniet uit in gelach--Frits meen ik--en ook Marie begon te lachen. Zelfs meende ik iets wat naar lachen geleek, te bespeuren op 't gelaat van myn vrouw. Maar toen ben ik Wawelaar te-hulp gekomen, ik heb Frits gestraft met een boete uit zyn spaarpot, aan 't zendelinggenootschap.[139] Och, lezer dat alles treft me diep. En men zou, by zulk lyden, zich kunnen vermaken met het aanhooren van vertelsels over buffels en Javanen? Wat is een buffel in vergelyk met de zaligheid van Frits? Wat gaan my de zaken aan van die menschen in de verte, als ik vreezen moet dat Frits door zyn ongeloof myn eigen zaken zal bederven, en dat hy nooit een flink makelaar worden zal? Want Wawelaar zelf heeft gezegd, dat God alles zoo bestiert, dat rechtzinnigheid tot rykdom voert. "Zie maar, zeide hy, is er niet veel rykdom in Nederland? Dat komt door 't geloof. Is niet in Frankryk telkens moord en doodslag? Dat is omdat ze daar katholiek zyn. Zyn niet de Javanen arm? 't Zyn heidenen. Hoe langer de Hollanders met de Javanen omgaan, hoe meer rykdom er zal komen hier, en hoe meer armoede daarginder. Dat is Gods wil zoo!" Ik sta verbaasd over Wawelaars doorzicht in zaken. Want het is de waarheid dat ik, die stipt op de godsdienst ben, myn zaken zie vooruitgaan van-jaar tot-jaar, en Busselinck & Waterman, die om God noch gebod geven, zullen knoeiers blyven hun leven lang. Ook de Rosemeyers, die in suiker doen en een roomsche meid houden, hebben onlangs weer 27 percent moeten aannemen uit de massa van een jood die fout was. Hoe meer ik nadenk, hoe verder ik kom in 't doorgronden van Gods onnaspeurlyke wegen. Onlangs is gebleken dat er weer dertig millioen zuiver gewonnen is op den verkoop van produkten die door de heidenen geleverd zyn, en daarby is niet eens gerekend wat ik daarop verdiend heb, en de vele anderen die van deze zaken leven. Is dit nu niet alsof de Heer zeide: "ziedaar dertig millioen ter belooning van uw geloof?" Is dit niet duidelyk de vinger Gods, die den booze laat arbeiden om den rechtvaardige te behouden? Is dit niet een wenk om voorttegaan op den goeden weg? Om ginds veel te laten voortbrengen, en hier te volharden in 't ware geloof? Heet het niet daarom: "bidt en werkt" opdat _wy_ zouden bidden, en 't werk laten doen door 't zwarte goedje dat geen "Onze Vader" kent? O, hoe heeft Wawelaar gelyk, als hy Gods juk zacht noemt! Hoe licht wordt de last gemaakt aan ieder die gelooft! Ik ben pas in de veertig, en zou kunnen uitscheiden als ik wilde, en naar Driebergen gaan, en zie eens hoe 't met anderen afloopt, die den Heer verlieten? Gisteren heb ik Sjaalman gezien met zyn vrouw en hun jongetje: ze zagen er uit als spoken. Hy is bleek als de dood, zyn oogen puilen uit, en zyn wangen staan hol. Zyn houding is gebogen, schoon hy nog jonger is dan ik. Ook zy was zeer armoedig gekleed, en ze scheen weer geschreid te hebben. Nu, ik had terstond bemerkt dat zy ontevreden van natuur is, want ik behoef iemand maar eenmaal te zien om hem te beoordeelen. Dat komt van de ondervinding. Ze had een manteltje van zwarte zyde om, en 't was toch vry koud. Van krinoline was geen spoor. Haar licht japonnetje hing slap om de knieen, en aan den rand was franje. Hy had zelfs zyn sjaal niet meer om, en zag er uit alsof 't zomer was. Toch schynt hy nog een soort van trots te bezitten, want hy gaf iets aan een arme vrouw, die op de sluis zat--Frits zegt: _brug_, maar wat van steen is zonder een wip, noem ik _sluis_[140]--en wie zelf zoo weinig heeft, doet zonde als hy nog weggeeft aan een ander. Bovendien, ik geef nooit op straat--dit is een principe van me--want ik zeg altyd, als ik zoo arme menschen zie: wie weet of 't hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet styven in verkeerdheid. Zondags geef ik tweemaal: eens voor de armen, en eens voor de kerk. Zoo behoort het! Ik weet niet of Sjaalman me gezien heeft, maar ik ging snel voorby, en keek naar boven, en dacht aan de rechtvaardigheid van God, die hem toch niet zoo zou laten loopen zonder winterjas, als hy beter had opgepast en niet lui, pedant en ziekelyk was. Wat nu myn boek aangaat, moet ik waarlyk den lezer om verschooning vragen voor de onvergeeflyke wyze, waarop Stern misbruik maakt van ons kontrakt. Ik moet erkennen dat ik zeer opzie tegen den eersten kransavend en de liefdegeschiedenis van dien _Saidjah_. De lezer weet reeds, welke gezonde begrippen ik over liefde heb ... men denke slechts aan myn beoordeeling van dat uitstapje naar den Ganges. Dat jonge meisjes zoo-iets aardig vinden, kan ik wel begrypen, maar 't is my onverklaarbaar dat mannen van jaren zulke zotheden zonder walg aanhooren. Ik ben zeker, dat ik op den aanstaanden krans den triolet vind van myn solitairspel. Ik zal beproeven niets van dien _Saidjah_ te hooren, en hoop dat de man gauw trouwt, als _hy_ ten-minste de held is van de liefdehistorie. 't Is nog al wel van Stern, dat hy vooraf gewaarschuwd heeft, dat het een eentonige geschiedenis wezen zal. Zoodra hy dan later aan wat anders begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van 't Bestuur, verveelt me byna evenzeer als liefdegeschiedenissen. Men ziet uit alles, dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed te beoordeelen, moet men alles van naby zien. Toen ik trouwde, ben ik zelf in den Haag geweest, en heb met myn vrouw 't Mauritshuis bezocht. Ik ben daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappy, want ik heb den Minister van Financien zien voorbyryden, en we hebben samen flanel gekocht in de Veenestraat--ik en myn vrouw, meen ik--en nergens heb ik 't minste blijk bespeurd van ontevredenheid met de Regeering. Die juffrouw in den winkel zag er tevreden uit, en toen dus in 1848 sommigen ons trachtten wys te maken dat in den Haag niet alles was zoo als 't behoorde, heb ik op den krans over die ontevredenheid het myne gezegd. Ik vond geloof, want ieder wist dat ik by ondervinding sprak. Ook op de terugreis met de diligence heeft de kondukteur "schep vreugd" geblazen, en dat zou de man toch niet gedaan hebben, als er zooveel verkeerds was. Zoo heb ik op alles gelet, en wist dus terstond wat ik te denken had van al dat morren in 1848. Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een _toko_ doet in de Oost, zooals ze daar een winkel noemen. Wanneer dus alles zoo slecht ging als Stern zegt, zou zy er ook wel wat van weten, en 't schynt toch dat het mensch zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen. Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, dat hy lid is van den kerkeraad, en dat hy haar een pauwenveeren sigaarkoker heeft gezonden, dien hy zelf gemaakt had van bamboe. Dit alles toont toch duidelyk, hoe ongegrond dat geklaag is over slecht bestuur. Ook ziet men daaruit, dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat te verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook daar al lui, pedant en ziekelyk geweest is, anders zou hy niet zoo arm zyn thuisgekomen, en hier rondloopen zonder winterjas. En de neef van die juffrouw tegenover ons, is de eenige niet die in de Oost fortuin heeft gemaakt. In "Polen" zie ik velen die daar geweest zyn, en waarlyk heel knap in de kleeren steken. Maar dit begrypt zich, op de zaken moet men passen, ginder zoo goed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven niemand in den mond vliegen: er moet gewerkt worden, wie dat niet wil, is arm en blyft arm, dat spreekt vanzelf. ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141] _Saidjah_'s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de _sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan, en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den _lombong_ van het huis. Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigendom_ bestaat, wat elders niet het geval is.[142] _Saidjah_'s vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Saidjah_ die nog een kind was, en de broertjes en zusjes van _Saidjah_. Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat straf by de wet. Toen nam _Saidjah_'s vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader. De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen buffel kocht. _Saidjah_, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel: vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche _kerbo_ zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt. Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede hy is opgegroeid. Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Saidjah_ spoedig weten inteboezemen aan den nieuwen gast, en _Saidjah_'s aanmoedigende kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan 't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de _sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus. Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda_'s vader, den vader van 't kind dat met _Saidjah_ huwen zou. En als _Adinda_'s broertjes aankwamen aan de tusschenliggende grens, juist als ook _Saidjah_ daar was met zyn ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van _Saidjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede toespraak. _Saidjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor deze buffel aan _Saidjah_'s vader werd afgenomen door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_. _Saidjah_'s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel. Maar _Saidjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda_'s broertjes, dat de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy daar was om de _klamboe_-haken te verkoopen? Op welke vraag _Saidjah_'s vader niet had willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking. En _Saidjah_ schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want zyn keel was te nauw als hy slikte. Men bedenke dat _Saidjah_ een kind was. De nieuwe buffel leerde _Saidjah_ kennen, en nam in de genegenheid van 't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger ... al te spoedig eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige ... wel was 't oude juk te ruim voor zyn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zyn voorganger die geslacht was, en al kon dan _Saidjah_ niet meer roemen op de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda_'s broertjes aan de grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil. En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met zyn _patjol_, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een _oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er _ontong_ was in den loop van die haarwervels op de achterschoften. Eens, in 't veld, riep _Saidjah_ tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te maken. Het dier stond pal. _Saidjah_, verstoord over zoo groote en vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een beleediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indie geweest is, zal my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging spaar van een grove uitdrukking. _Saidjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten ... hy blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zyn blauw oog, en de bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag ... "Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal _Adinda_'s broertjes, _Saidjah_, vlucht! Daar is een tyger!" En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op de breede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs_, over _galangans_, door modder, door kreupelhout en bosch en _allang-allang_, langs velden en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp _Badoer_, was _Saidjah_ niet by hen. Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na ... _Saidjah_'s buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder gegaan dan _Saidjah_. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde, of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong ... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en _Saidjah_ was gered. Wel was er _ontong_, geweest in de _oeser-oeseran_ van dien buffel![143] Toen deze buffel aan _Saidjah_'s vader was afgenomen, en geslacht ... Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is. ... toen deze buffel geslacht was, telde _Saidjah_ twaalf jaar, en _Adinda_ weefde _sarongs_, en _batikte_ die met puntige _kapala_. Ze had reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze teekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Saidjah_ zeer treurig gezien. En ook _Saidjah_'s vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda_'s broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zoo ver indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet _Saidjah_'s _moeder_ was, die hem slachten liet. Eenigen tyd daarna vluchtte _Saidjah_'s vader uit het land. Want hy was zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn ouders altyd in _Parang-Koedjang_, woonden, en hem dus weinig hadden nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't bezit van eigen buffels geweest is. _Saidjah_'s moeder stierf van verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg uit _Lebak_ en uit _Bantam_, om werk te zoeken in 't _Buitenzorgsche_. Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer_. Hier werd hy in de gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een oogenblik van _matah-glap_, misschien _amokh_ maken of andere verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort daarop stierf. Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Saidjah_, weet ik niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer_, stond eenigen tyd ledig, en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en gedekt met _atap_. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak_. _Saidjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_ vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zooveel heeren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was, had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en deelde haar zyn plan mede. --Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te trouwen, en we zullen twee buffels hebben! --Heel goed, _Saidjah_! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt. Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken_, en heel vlytig zyn al dien tyd. --O, ik geloof je, _Adinda_! Maar ... als ik je getrouwd vind? --_Saidjah_, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn vader heeft me toegezegd aan uw vader. --En jyzelf? --Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van! --Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte ... --Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp? --Dat is waar. Maar _Adinda_ ... o ja, dit is beter: wacht me by het _djati_-bosch, onder den _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven. --Maar, _Saidjah_, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te wachten by den _ketapan_? _Saidjah_ bedacht zich een oogenblik, en zeide: --Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen ... deze maan rekent niet mee. Zie, _Adinda_, kerf een streep in je rystblok by elke nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den dag die daarop volgt, aankomen onder den _ketapan_. Beloof je, daar te zyn? --Ja, _Saidjah_! Ik zal onder den _ketapan_ by het djatibosch wezen als je terugkomt. Nu scheurde _Saidjah_ een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda_, dat ze 't bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer_. Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet de hoofdplaats was van _Lebak_, en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy _Pandeglang_ dat daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_, aan, en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. _Saidjah_ had nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar 's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang_ den volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy den grooten _toedoeng_, droeg dien zyn vader hem had achtergelaten. Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia_. Den volgenden dag tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou, haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die _Adinda_ hem gegeven had onder den _ketapan_-boom. Want hy was bedroefd geworden omdat hy haar niet zien zou in zoo langen tyd. Den eersten dag, en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alleen hy was, omdat zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten had dan een, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van _Adinda_, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den _ketapan_. Want zoo groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by 't verlaten van _Badoer_ dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde, als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende onder dien boom. Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer_, en hoe meer hy lette op den vreeselyken duur van een dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieen, en al was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat zou _Adinda_ zeggen van zoo weinig hart? Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zoo naby hem was en hy haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nu zou hy niet kalm wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om haar nog eenmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den _lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet_. "Hoe was 't mogelyk, dacht hy, hierover boos te worden op _Adinda_? Want al had zy een fout gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van _Badoer_ tegen _Tjipoeroet_ verloren daardoor, en niet door de glasscherf--zoo ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen _Djamien_ die zich verschool achter den _pagger_--had ik zelfs dan zoo hard mogen wezen tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zoo groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed dat _Saidjah_ stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen _Adinda_?" Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten. "Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met myn vader om zout te maken. Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe water, zullen er haaien komen. Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?" Ik zal 't niet hooren. Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe_, dat hyzelf had aangestoken omdat hy _mata-glap_ was. Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout neervallen op myn lyk. En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water werpen om het vuur te dooden. Ik zal 't niet hooren. Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb den kleinen _Si-oenah_ zien vallen uit den _klappa_-boom, toen hy een _klappa_ plukte voor zyne moeder. Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan den voet, in de struiken, als _Si-oenah_. Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen zullen roepen: "zie, daar ligt _Saidjah_! met harde stem. Ik zal 't niet hooren. Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe_, die gestorven was van hoogen ouderdom, want zyne haren waren wit. Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen om myn lyk staan. En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk. En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid. Ik zal 't niet hooren. Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb velen gezien te _Badoer_, die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond. Als ik sterf te _Badoer_, en men begraaft my buiten de _dessah_, oostwaarts tegen den heuvel, waar 't gras hoog is, Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens voortschuiven langs het gras... Ik zal het hooren." _Saidjah_ kwam te _Batavia_ aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy _Saidjah_ niet verstond. Want te _Batavia_ heeft men gaarne bedienden die nog geen maleisch spreken en dus nog niet zoo bedorven zyn als anderen die langer in aanraking waren met europesche beschaving. _Saidjah_ leerde spoedig maleisch, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels die hy koopen wilde, en aan _Adinda_. Hy werd groot en sterk omdat hy alle dagen at, wat te _Badoer_ niet altyd wezen kon. Hy was bemind in den stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van den koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zooveel van _Saidjah_, dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men zoo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had den roman van _Sue_ gelezen die zooveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins _Djalma_ wanneer ze _Saidjah_ zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter dan vroeger hoe de javaansche schilder _Radhen Saleh_ zoo grooten opgang had gemaakt te Parys. Maar men vond _Saidjah_ ondankbaar toen by, na byna drie jaren dienst, zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en _Saidjah_ ging met een vroolyk hart op reis. Hy ging voorby _Pising_, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar dit wist _Saidjah_ niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was, scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy voelde dit gaarne ... ik geloof 't wel! Daarin waren dertig _spaansche-matten_, genoeg om drie buffels te koopen. Wat zou _Adinda_ zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver beslagen scheede van een kris dien hy in den gordel droeg. Het gevest was zeker van fyn uitgesneden _kamoening_, want hy had het met veel zorg gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de wrong van den _kahin_ om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van breede zilveren schakels, met gouden _ikat-pendieng_. Het is waar dat de band kort was: maar ze was zoo slank ... _Adinda_! En aan een koordjen om den hals, onder zyn voor-_baadjoe_ droeg hy een zyden zakje, waarin eenige verdroogde _melatti_. Was 't wonder dat hy te _Tangerang_ zich niet langer ophield dan noodig was tot het bezoeken van den bekende zyns vaders, die zoo fyne stroohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op zyn weg, die hem vroegen: "waarheen, vanwaar?" zooals de groet is in die streken? Was 't wonder dat hy _Serang_, niet meer zoo voornaam vond, hy die _Batavia_ had leeren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de _Pagger_, zooals hy deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbyryden, hy die den veel grooteren heer had gezien, die te _Buitenzorg_ woont en de grootvader is van den _Soesoehoenan_ van Solo? Was 't wonder dat hy weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen en spraken van al 't nieuws in _Bantan-Kidoel_? Dat hy nauwelyks luisterde toen men hem verhaalde dat de koffikultuur na veel onbeloonde moeite geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ wegens roof op den publieken weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar _Rangkas-Betoeng_? Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat de vorige was gestorven, eenige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte gesproken had op de eerste _sebah_-vergadering? Hoe er sedert eenigen tyd niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed? Neen, schooner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht den _ketapan_-boom in de wolken, te ver nog als hy was om dien te zoeken by _Badoer_. Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de gestalte omvatten die hem wachten zou onder dien boom. Hy teekende zich _Adinda_'s gelaat, haar hoofd, haar schouder ... hy zag den zwaren _kondeh_, zoo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in haar hals ... hy zag haar groot oog, schitterend in donkeren weerschyn ... de neusvleugels die ze zoo fier optrok als kind, wanneer hy--hoe was't mogelyk!--haar plaagde, en den hoek van haar lippen waarin zy een glimlach bewaarde. Hy zag hare borst, die nu zwellen zou onder de _kabaai_ ... hy zag hoe de _sarong_, die zyzelf geweven had, haar heupen nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel in heerlyke golving op den kleinen voet ... Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere tonen. Hy hoorde hoe _Adinda_ zeggen zou: "zy wel gekomen, _Saidjah_! Ik heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myne hand. Hier ben ik onder den _ketapan_, den eersten dag der nieuwe maan. Zy wel gekomen, _Saidjah_: ik wil uw vrouw zyn!" Dat was de muziek die in zyn ooren weerklonk, en hem belette te luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg. Eindelyk zag hy den _ketapan_. Of liever hy zag een donkere plek die veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het _Djati_-bosch wezen, by den boom waar hy _Adinda_ zou weerzien, den volgenden dag na 't opgaan van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy legde den vinger in een gleuf die _Si-Panteh_ daarin gehakt had met zyn _parang_, om den _pontianak_ te bezweren die schuld had aan de tandpyn van _Panteh_'s moeder, kort voor de geboorte van zyn broertje. Dat was de _ketapan_ dien hy zocht. Ja, wel was dit de plek waar hy voor 't eerst _Adinda_ anders had aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst geweigerd had deeltenemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Daar had ze hem de _melatti_ gegeven. Hy zette zich neder aan den voet van den boom, en zag op naar de sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn wederkomst te _Badoer_. En hy dacht er aan, of _Adinda_ nu slapen zou? En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem zoo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg ware ... zes-en-dertig! En of ze schoone _sarongs_ en _slendangs_ zou _gebatikt_ hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor den geest, en zyne moeder, en hoe die buffel hem had gered van den tyger, en hy bepeinsde wat er toch zou geworden zyn van _Adinda_ als die buffel minder trouw ware geweest? Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't Westen, en by elke ster die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan haren Opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien van _Adinda_. Want zeker zou ze komen by den eersten straal, ja, by 't schemeren reeds zou ze daar zyn ... ach, waarom was ze niet reeds gekomen den vorigen dag? Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgeloopen, het schoone oogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met onbeschryfelyken glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner liefde, scheen 't hem toe dat _Adinda_ had moeten daar zyn, wachtende op hem, hy die zich nu beklaagde--voor den tyd reeds!--dat hy te wachten had op haar. Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan, nog had het oog van den dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind komen zou aan haar heerschappy ... wel vloeiden er vreemde kleuren over de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper afstaken op lichteren grond ... wel vloog er hier-en-daar door de wolken in het oosten iets gloeiends--pylen van goud en van vuur die heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim--maar ze verdwenen weer en schenen neertevallen achter de ondoordringbare gordyn die nog altyd den dag bleef verbergen voor de oogen van _Saidjah_. Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het _klappa_-boschje waarin _Badoer_ verscholen ligt ... daar sliep _Adinda_. Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat _Saidjah_ haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen den ganschen nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan hare deur, om te vragen waarom de _pelitah_ voortbrandde in haar huisjen, en met lieven lach had ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om den _slendang_ afteweven waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor den eersten dag der nieuwe maan ... Of ze had den nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok, en tellende met begeerigen vinger dat er wel waarlyk daarin zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had zich vermaakt met kunstigen schrik of ze zich misschien verrekende, of er wellicht nog eene ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel degelyk driemaal twaalf manen waren voorbygegaan sedert _Saidjah_ haar zag voor het laatst. Ook zy zou thans, nu 't al zoo licht werd, haar oogen inspannen met vruchtelooze vermoeienis om de blikken te buigen over de kim, opdat ze de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef ... wegbleef ... Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken, en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder ditmaal, ze hechtten zich vast op den donkeren grond, en deelden hun gloed mede in grooter en grootere kringen, en ontmoetten elkander, kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze vereenigden zich tot vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer, en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat alles ... o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van _Adinda_! _Saidjah_ had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem dat te leeren want heiliger gebeden vuriger dank dan er lag in de sprakelooze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menschelyke taal. Hy wilde niet naar _Badoer_ gaan. Het weerzien zelf van _Adinda_ kwam hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien. Hy zette zich aan den voet van den _ketapan_, en liet zyn oogen dwalen over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te heeten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane smart, by 't vertoonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het afzyn, liet ook _Saidjah_ zich vermaken door 't weerzien van zoovele plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn oogen of zyn gedachten ronddwaalden, telkens viel zyn blik en zyn verlangen terug op het pad dat van _Badoer_ leidt naar den _ketapan_. Alles wat zyn zinnen waarnamen, heette _Adinda_. Hy zag den afgrond links, waar de aarde zoo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden--want het is geen geringe zaak een jongen buffel te verliezen--en ze hadden zich neergelaten aan sterke _rottan_-koorden. _Adinda_'s vader was de moedigste geweest ... O, hoe zy in de handen klapte, _Adinda_! En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosboschje wuift over de hutten van het dorp, daar ergens was _Si-Oenah_ uit een boom gevallen, en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: "omdat _Si-Oenah_ nog zoo klein was" jammerde zy ... alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als _Si-Oenah_ grooter geweest ware. Maar klein was hy, dat is waar, want hy was kleiner en zwakker nog dan _Adinda_ ... Niemand betrad het wegje dat van _Badoer_ leidde naar den boom. Straks zou ze komen: o, zeker.. 't was nog zoo vroeg! _Saidjah_ zag een _badjing_ die met dartele vlugheid heen-en-weersprong tegen den stam van een _klappa_-boom. Het diertje--de ergernis van den eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging--klauterde onvermoeid op-en-neder. _Saidjah_ zag het, en dwong zich er naar te blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van den zwaren arbeid dien ze verrichtten sedert het opgaan der zon ... rust na 't afmattend wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen _voorlezen_ in 't maleisch, dat italiaansch van het Oosten[145] doch ziehier de vertaling: "Zie hoe de _badjing_ zyn levensonderhoud zoekt Op den _klappa_-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts, Hy draait om den boom, springt, valt, klimt, en valt weder: Hy heeft geen vleugels, en is toch zoo vlug als een vogel. Veel geluk, myn _badjing_, ik wensch u heil! Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt... Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch, Wachtende op levensonderhoud van myn hart. Reeds lang is het buikje van myn _badjing_ verzadigd... Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje... Maar nog altyd is myn ziel En myn hart bitter bedroefd.. _Adinda_!" Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den _ketapan_. _Saidjah_'s oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het begon warm te worden. "Zie hoe de vlinder daar rondfladdert. Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem. Zyn hartjen is verliefd op den bloesem der _kenari_. Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde. Veel geluk, myn vlinder, ik wensch u heil! Ge zult gewis vinden wat gy zoekt... Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch, Wachtende op wat myn hart liefheeft. Reeds lang heeft de vlinder gekust Den _kenari_-bloesem die hy zoozeer bemint... Maar nog altyd is myn ziel En myn hart bitter bedroefd... _Adinda_!" En er was niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom. De zon begon reeds hoog te staan ... er was al hitte in de lucht. "Zie, hoe de zon schittert daar omhoog, Hoog boven den _waringi_-heuvel! Ze voelt zich te warm, en wenscht neertedalen, Om te slapen in zee, als in de armen van een gade. Veel geluk, o zon, ik wensch u heil! Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden... Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch, Wachtende op rust voor myn hart. Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen, En slapen in de zee, als alles duister is... En nog altyd zal myn ziel En myn hart bitter bedroefd zyn.... _Adinda_! Nog was er niemand op den weg die er leidt van _Badoer_ naar den _ketapan_. "Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen, Als de sterren niet meer zullen schitteren, Als de _melatti_ niet meer welriekend zal wezen, Als er niet langer bedroefde harten zyn, Noch wild gedierte in het woud... Als de zon verkeerd zal loopen, En de maan vergeten wat oost en west is... Als dan _Adinda_ nog niet gekomen is, Dan zal een engel met blinkende vleugelen Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef. Dan zal myn lyk hier liggen onder den _ketapan_... Myn ziel is bitter bedroefd... _Adinda_!" Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den _ketapan_. "Dan zal myn lyk door den engel gezien worden. Hy zal het zyn broederen aanwyzen met den vinger: "Ziet, daar is een gestorven mensch vergeten, Zyn verstyfde mond kust een _melatti_-bloem. Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen, Hem, die op _Adinda_ gewacht heeft tot hy dood was. Gewis, hy mag niet daar achterblyven, Wiens hart de kracht had zoo te beminnen!" Dan zal nog eens myn verstyfde mond zich openen Om _Adinda_ te roepen, die myn hart lief heeft... Nog eenmaal zal ik de _melatti_ kussen Die zy me gaf... _Adinda_... _Adinda_!" En nog altyd was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom. O, ze was gewis tegen den morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't waken gedurende den nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker had ze niet geslapen sedert weken: zoo was het! Zou hy opstaan en naar _Badoer_ gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er twyfel was aan haar komst? Als hy den man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man was te ver. En bovendien _Saidjah_ wilde niet spreken _over Adinda_, niet vragen _naar Adinda_ ... hy wilde haar weerzien, haar alleen, haar het eerst! O zeker, zeker zou ze nu spoedig komen! Hy zou wachten, wachten ... Maar als ze ziek was, of ... dood? Als een aangeschoten hert vloog _Saidjah_ 't pad op, dat van den _ketapan_ leidt naar het dorp waar _Adinda_ woonde. Hy zag niets en hoorde niets, en toch had hy iets kunnen hooren, want er stonden menschen op den weg by den ingang van het dorp, die riepen: "_Saidjah_, _Saidjah_!" Maar ... was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette _Adinda's_ huis te vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van den weg waar het dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't hoofd omdat hy haar huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar weer was hy aan den ingang, en--myn God, was 't een droom?--weer had hy _Adinda_'s huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit den waanzin wegtepersen die hem beving, en riep luide: "dronken, dronken, ik ben dronken!" En de vrouwen van Badoer kwamen uit hare huizen, en zagen met deernis den armen _Saidjah_ daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat hy _Adinda_'s huis zocht, en wisten dat er geen huis van _Adinda_ was in het dorp Badoer. Want, toen het distriktshoofd van _Parang-Koedjan_ den buffel van _Adinda_'s vader had weggenomen ... Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is. ... toen was _Adinda_'s moeder gestorven van verdriet. En haar jongste zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En _Adinda_'s vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet betaalde ... Ik weet het wel, ik weet het wel, dat myn verhaal eentonig is! ... _Adinda_'s vader was heengegaan uit het land. Hy had _Adinda_ meegenomen, met hare broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van _Saidjah_ te _Buitenzorg_ was gestraft met rottingslagen omdat hy _Badoer_ verlaten had zonder pas. En daarom was _Adinda's_ vader niet gegaan naar _Buitenzorg_, noch naar _Krawang_, noch naar de _Preanger_, noch naar de _Bataviasche Ommelanden_ ... hy was gegaan naar _Tjilang-kahan_, het distrikt van _Lebak_, dat aan de zee grenst. Daar had hy zich verscholen in de bosschen, en gewacht op de komst van _Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma_ en nog eenige anderen die door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ beroofd waren van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht meester gemaakt van een visschersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd, en hielden het land rechts van zich, tot aan _Java-punt_. Vanhier waren zy noordwaarts gestevend tot ze _Tanahitam_ voor zich zagen, dat de europesche zeelieden _Prinsen-eiland_ noemen. Zy waren dat eiland omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de _Keizersbaai_, zich richtende op den hoogen piek in de _Lampongs_. Zoo althans was de weg dien men elkander fluisterend voorzei in 't _Lebaksche_, wanneer er gesproken werd over officieelen buffelroof en onbetaalde landrenten. Maar de verbysterde _Saidjah_ verstond niet duidelyk wat men hem zeide. Zelfs begreep hy niet goed het bericht van den dood zyn vaders. Er was een gegons in zyn ooren als had men op een _gong_ geslagen in zyn hoofd. Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder den druk van zoo zware uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoofden blik rond zonder te zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach. Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisjen en verpleegde den armen dwaas. Weldra lachte hy niet meer zoo akelig, maar toch sprak hy niet. Alleen 's nachts werden de hutgenooten opgeschrikt door zyn stem, als hy toonloos zong: "_ik weet niet waar ik sterven zal_" en eenige bewoners van _Badoer_ legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de _boaja's_ van den _Tjioedjoeng_ voor de genezing van _Saidjah_, dien men voor zinneloos hield. Maar zinneloos was hy niet. Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de _baleh-baleh_, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar _Adinda_ gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er zooveel huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen aan de wydte van den hoek dien sommige lichtlynen door 't geboomte vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zooals de zeeman peiling neemt op vuurtorens of uitstekende bergpunten. Ja, daar moest het zyn ...daar had _Adinda_ gewoond! Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk, hy vond nog iets terug van den opstaanden _Pagger_ waarnaast _Adinda_'s baleh-baleh_ gestaan had, en zelfs stak in dien _pagger_ nog de bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen legde ... Maar de _baleh-baleh_ was ingestort als het huis, en byna vergaan tot stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en ademde zeer diep ... Den volgenden dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar 't rystblok was dat er gestaan had op het erf van _Adinda_'s huis? De vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om dat blok te zoeken. Toen zy den nieuwen eigenaar aan _Saidjah_ kon aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy daarop twee en dertig ingekorven strepen ... Toen gaf hy die vrouw zooveel _Spaansche-matten_ als noodig was tot het koopen van een buffel, en verliet _Badoer_. Te _Tjilang-Kahan_ kocht hy een visschersprauw, en kwam daarmede na eenige dagen zeilens in de _Lampongs_ aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het nederlandsch gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om te stryden zoozeer als om _Adinda_ te zoeken. Want hy was zacht van aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid. Op zekeren dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en dus in brand stond.[146] _Saidjah_ wist dat de bende die daar vernietigd was geworden, grootendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond het lyk van _Adinda_'s vader met een _klewang_-bajonetwonde in de borst. Naast hem zag _Saidjah_ de drie vermoorde broeders van _Adind