The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0027: Letter R. 100 This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. Title: Lord Lister No. 0027: Letter R. 100 Author: Theo von Blankensee Kurt Matull Release date: March 9, 2024 [eBook #73130] Language: Dutch Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910 Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0027: LETTER R. 100 *** LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE. NO. 27 LETTER R. 100. LETTER R. 100. EERSTE HOOFDSTUK. TIENDUIZEND POND STERLING. De directeur van de Bank van Engeland, John Ruster, was juist gereed met de uitgebreide ochtendcorrespondentie, toen zijn secretaris binnentrad, hem nog een brief overhandigde en sprak: „Mijnheer de directeur, ik heb dit schrijven apart gehouden, omdat het van zooveel gewicht is.” „Wat behelst het?” vroeg John Ruster. „Een ongehoorde brutaliteit,” sprak de directeur, toen hij van den inhoud had kennis genomen, „daar schrijft die beroepsmisdadiger, die door alle speurhonden wordt gezocht, die zoogenaamde onbekende, John Raffles, een vriendelijken brief, waarin hij mij meedeelt, dat hij zoo vrij zal zijn om, wegens onzen overvloed aan geld, een bedrag van minstens tienduizend pond sterling te komen weghalen. „Hij stelt ons voor om hem en onszelf alles gemakkelijker te maken door het bedrag aan contanten in een couvert post-restant, onder de letters R. 100 aan het postkantoor van het Victoriahotel te verzenden. „Zoo niet, dan zou hij gedwongen zijn, ons een massa onaangenaamheden te berokkenen. Maar dat is een ongekende schurkenbrutaliteit!” Mr. Griffin, de secretaris, antwoordde glimlachend: „Dat is de gewone manier, waarop deze meesterdief met zijn cliënten pleegt om te gaan. „In de meeste gevallen zendt hij hun van te voren bericht en schrijft: „„Hierbij heb ik de eer u mede te deelen, dat ik van plan ben om bij u in te breken—” of: „„Hierbij de mededeeling, dat ik zoo vrij ben geweest om bij u in te breken!” „En in beide gevallen, niettegenstaande politie, pers en publiek, is het hem steeds gelukt. „Het ontbreekt er nog alleen maar aan, dat hij zijn daden met groote aanplakbiljetten aan de huizen bekend maakt, ongeveer zooals een fabrikant van cacao of geconserveerde groenten reclame maakt. „Ik ben ervan overtuigd, dat hij zonder mankeeren zijn plan ten uitvoer zal brengen om, naar hij schrijft, van onzen geldovervloed, tienduizend pond te komen halen.” „Maar dan moest hij in verbinding staan met den duivel,” sprak de directeur, „als het dezen man bij onze uitstekende veiligheidsmaatregelen en de groote stiptheid van ons personeel zou gelukken, tienduizend pond van ons te stelen. „Dat is eenvoudig onmogelijk. Gij maakt mij zenuwachtig met uw glimlach, mr. Griffin!” Maar mr. Griffin, een der oudste beambten der Bank, bleef glimlachen, ondanks de woorden van zijn chef en antwoordde: „Op denzelfden toon als gij, mijnheer de directeur, hebben alle anderen gesproken, met wie John Raffles in verbinding is getreden. Maar steeds heeft Raffles zijn plan volvoerd.” „Dus gij denkt,” sprak de directeur der Bank, „dat het het verstandigste van mij zou zijn, als ik den wensch van dien man inwilligde?” „Ongetwijfeld,” antwoordde mr. Griffin, „wij mogen van geluk spreken, als wij dezen heer met zoo weinig kunnen tevreden stellen. Het zou best kunnen gebeuren, dat hij anders met een veel grooter bedrag van ons aan den haal ging. „Als gij de courantenberichten omtrent de daden van Raffles hebt gevolgd, zult gij weten, dat hij zich nooit met kleinigheden tevreden stelt. „Hij is een origineele kerel! „Voor zichzelf heeft hij weinig noodig, niet meer, dan een Engelsch edelman gewoonlijk gebruikt. De millioenen, die hij door zijn daden verkrijgt, besteedt hij voor liefdadige doeleinden en geeft hij op de allermildste wijze uit, alsof hij een keizer ware. „Het geld is goedkoop voor dezen man.” „Ja,” sprak de directeur, „zeer goedkoop, want het komt uit vreemde brandkasten. Maar ik ben toch niet van plan om tienduizend pond te boeken op de verliesrekening der Bank. „Laat hij zijn kunsten maar eens bij ons beproeven.” „En ons zooveel gezanik met de politie bezorgen,” viel Griffin uit, „dat wij dagenlang niets anders te doen hebben dan naar Scotland Yard te trekken om allerlei getuigenissen af te leggen.” „Nu, dat is dan niet anders,” antwoordde de bankdirecteur, „deel den inhoud van dezen brief aan al onze beambten mee en druk hun op het hart, uiterst voorzichtig te zijn. „Vooral de aangeboden chèques moeten nauwkeurig onderzocht worden!” „Gij vergist u!” sprak Griffin, „voor zoover ik mij herinner, heeft John Raffles nog nooit een chèque vervalscht! „Met die soort van misdaden houdt hij zich in ’t geheel niet op. Zijn manier van werken draagt steeds een geniaal karakter en het is bewonderenswaardig, zooals hij zijn plannen ten uitvoer weet te brengen. Altijd heeft hij een nieuwe manier en hoe hij zijn troeven ook uitspeelt, hij wint altijd het spel, terwijl de bedrogene behalve de schade, ook nog den spot van pers en publiek moet dragen, want John Raffles werkt altijd met een zekeren humor!” „Gij schijnt goed bekend te zijn met dien man,” vroeg John Ruster verbaasd. „Omdat ik met de grootste belangstelling zijn lotgevallen tot op den dag van heden, door de pers gepubliceerd, heb gevolgd.” De directeur der Bank stak een sigaar op en dacht, blauwe rookwolkjes uitblazend, eenige oogenblikken na. Toen had hij een besluit genomen. „Wees zoo goed, dien man te schrijven uit mijn naam, dat hij maar moet probeeren, zijn plan uit te voeren. Ik ben zeer nieuwsgierig naar den afloop. „Geef tegelijkertijd Scotland Yard kennis van het geval en tevens van het adres van den post-restant-brief; misschien lukt het, Raffles gevangen te nemen.” „Ik zal ervoor zorgen, mijnheer,” antwoordde mr. Griffin, „maar ik geloof niet, dat Scotland Yard, na alle vergeefsche pogingen om Raffles in handen te krijgen, veel moeite zal doen om het Victoria-Hotel te bewaken. Ik ben ervan overtuigd, dat, ondanks de aanwezigheid van meerdere politiebeambten, Raffles den brief af zal halen.” „Zend u een bericht aan de politie, zooals ik u zei!” De directeur der Bank maakte een handbeweging, waarmee hij mr. Griffin te kennen gaf dat deze het vertrek kon verlaten. TWEEDE HOOFDSTUK. R. 100. „Raffles is weer aan het werk,” sprak detective Marholm tot zijn college Roland, toen hij den brief van den directeur der Engelsche Bank had gelezen. Marholm verving tijdelijk den inspecteur van politie Baxter, die op reis was naar New-York en die reeds herhaaldelijk had verklaard, dat Raffles hem nog eens krankzinnig zou maken. Alle vindingrijkheid der politie had tot dusverre niet gebaat om Raffles gevangen te nemen en het oude, beroemde detectivebureau, dat bekend stond als het beste ter wereld, werd door Raffles steeds belachelijk gemaakt. „Wat zijt gij van plan te doen?” vroeg detective Roland. „Denkt gij, het Victoria-hotel te bezetten en de komst van Raffles af te wachten?” Marholm lachte. Hij was de persoon in Scotland Yard, van wien Raffles zei, dat hij den heldersten kop had en de eenige voor wien John Raffles achting gevoelde. Detective Marholm was klein van gestalte en bezat de eigenaardigheid, plotseling te voorschijn te komen uit gaten en schuilhoeken, waar men hem het minst vermoedde om zoodoende de door hem achtervolgde misdadigers gevangen te nemen. „Gij lacht,” sprak detective Roland, „en ik begrijp daaruit, dat gij het voor onmogelijk houdt, Raffles bij het afhalen van den brief in handen te krijgen.” „Juist,” antwoordde Marholm. „Houdt gij Raffles voor een idioot of voor iemand, die pas komt kijken? Gij miskent dezen genialen misdadiger. Maar ik stel er belang in om te zien, op welke wijze hij in het bezit van den brief zal komen. Zoo eenvoudig is de zaak niet. „Ik ken den postambtenaar in het Victoria-hotel als een zeer voorzichtig mensch. „Ik zal zelf met u daarheen gaan om te kijken, hoe John Raffles zijn post-restant-brief afhaalt.” Een half uur later bevonden de beide detectives zich bij den dienstdoenden ambtenaar aan het postkantoor „Victoria-hotel”. Het kantoor bevond zich in de nabijheid van den hoofdingang van het hotel. Aan het loket stond een ambtenaar. Langs den langsten muur zag men in een honderden vakjes ingedeelde kast, waarvan elke afdeeling een nummer van een der hotelkamers droeg. Naast de tafel bevond zich een kleine ingang voor den ambtenaar, buiten wien niemand het kantoorlokaal mocht binnengaan. Voor het loket was de doorgang naar den wintertuin van het hotel. Detective Marholm deelde den ambtenaar mede, waarom zij waren gekomen en vroeg hem meteen, of er reeds een brief onder de initialen R. 100 was aangekomen. De beambte zocht in een der vakken en ontdekte, dat de ochtendpost werkelijk een dergelijk stuk had meegebracht „Bij dezen brief moet gij opletten,” sprak detective Marholm, „op het oogenblik, waarop naar dit stuk wordt gevraagd, geeft gij ons een teeken. Wij zullen ons dan verder bezighouden met den persoon, die om den brief komt.” Zij hadden ongeveer twee uur gewacht, toen bijna op hetzelfde oogenblik verschillende kruiers en loopjongens aan het loket kwamen die alle denzelfden wensch hadden, namelijk den brief R. 100 af te halen. Besluiteloos stond de ambtenaar tegenover al deze menschen. Hij had slechts één brief en deze werd door vier verschillende menschen opgeëischt. Dat was een moeilijke zaak voor hem, die hij niet zoo dadelijk wist op te lossen. Onder de wachtenden ontstond twist, want ieder van hen eischte den brief met het adres R. 100, omdat Raffles, die hen had gezonden, aan elk van hen een pond had beloofd. Zij eischten den brief van den ambtenaar en detective Marholm, die de twistende groep was genaderd, amuseerde zich over deze truc van Raffles. „Wat moet ik doen?” vroeg de postambtenaar hem, „hier zijn vier menschen, die denzelfden brief komen afhalen. Hoe moet ik dit zaakje behandelen?” „Dat mag de duivel weten!” lachte Marholm. „Doe, zooals in een Oostersch sprookje wordt verteld en behoud den brief!” „Ja,” sprak de postambtenaar, „dat zal ik doen.” Hij wendde zich tot de vier mannen aan het loket. „Gaat terug, naar den heer, die u heeft gezonden en zegt hem, dat hij zelf den brief moet komen halen.” „Daar zult gij lang op kunnen wachten”, meende Marholm. Met veel lawaai ging het viertal heen. Na ongeveer een half uur herhaalde zich hetzelfde tooneel. Dezen keer werd echter brutaler opgetreden door de afgevaardigden van Raffles, die volgens strenge bevelen van dezen schenen te handelen. Zij stelden zich niet tevreden met het antwoord van den loketambtenaar en bedreigden dezen. Op dit oogenblik kwam een postbode het hotel binnen. Hij wilde naar het loket gaan om brieven af te geven, maar, daar de twistende mannen hem den weg versperden, opende hij de zijdeur en trad het kantoorlokaal binnen. De ambtenaar had zijn handen vol met de kerels, die aan het loket tegen hem stonden te tieren en lette niet op den binnenkomende. „Hier is de post,” sprak deze tot den ambtenaar, terwijl hij een bundel brieven voor hem neerlegde. Daarop ging hij heen. Detective Marholm en zijn collega hielpen bereidwillig om de twistende lieden naar buiten te brengen. Daarop ging Marholm naar het loket terug waar de postambtenaar met verbaasd gelaat bezig was, het hoopje brieven, dat de besteller hem juist had gebracht, na te zien. „Wat is dat voor een vervloekte nonsens?” bromde hij. „De besteller heeft bij mij een stapeltje open brieven neergelegd; ik weet niet, wat ik ermee moet doen. De couverts zijn gedeeltelijk met oude couranten gevuld, gedeeltelijk leeg.” Detective Marholm antwoordde: „Wat vertelt gij daar? Hoe kan een besteller nu leege couverts brengen?” „Kijk dan zelf,” antwoordde de beambte, „hier hebt gij,” en bij deze woorden schoof hij Marholm het pak brieven toe, „met couranten gevulde couverts en dergelijke rommel. Zoo’n post heb ik nog nooit in mijn leven ontvangen.” Detective Marholm keek de brieven door en zag, dat de beambte gelijk had. Haastig vroeg hij daarop: „Waar is de brief R. 100?” De beambte zocht in het bepaalde vak naar den brief, die daarin moest liggen, maar verschrikt week hij achteruit. „Dat is goochelarij, neen, hekserij!” riep hij vol verbazing uit, „zooeven lag de brief daarin en nu—” „Raffles!” sprak detective Marholm, „de besteller, die u zooeven de brieven bracht, was Raffles! „Hij heeft die lui op u afgezonden en had hun van te voren de noodige bevelen gegeven. In een onbewaakt oogenblik heeft hij den brief uit het vak genomen. „Kom, collega Roland, ik zei u reeds vooruit, dat er hier nog wel iets voor ons te leeren zou zijn!” DERDE HOOFDSTUK. HET GEDEPONEERDE KISTJE. „Ik heb hier een massa waardevolle stukken,” sprak Raffles tot zijn vriend Charly Brand, „welke ik bij de Engelsche Bank zou willen deponeeren. „Ik ben van plan, gedurende de feestdagen naar Brighton te gaan. „Daar ik nog nooit zaken heb gedaan met de Engelsche Bank, maar jij wel, verzoek ik je, dit kistje bij den kassier in bewaring te willen geven. „Let er vooral op, dat het touw goed door den beambte wordt verzegeld. „Ik ben er zeer op gesteld, dat de zegels van de Bank ongeschonden op het kistje zitten, als je dit weer afhaalt!” „Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand, terwijl hij vol nieuwsgierigheid zijn vriend en meester aankeek. „Ik heb gemerkt,” sprak Raffles lachend, „dat de toestand van mijn kas treurig is en men heeft geld noodig om te leven.” „Zeer zeker,” antwoordde Charly Brand, „hoogst noodig! Wil je door middel van dit kistje het geld, dat je noodig hebt, van de Engelsche Bank halen?” „Juist,” sprak Raffles. „Ik hoop stellig, het bagatel van tienduizend pond op deze wijze te verkrijgen. Doe nu, wat ik je zeg!” Eenige uren later bevond Charly Brand zich tegenover den hem bekenden kassier der Bank, zette het twee voet lange en één voet hooge kistje op tafel en sprak: „Ik wensch gedurende de feestdagen dit kistje bij u in bewaring te geven.” „Allright!” antwoordde de beambte der Bank. „Wat is de waarde van den inhoud?” „Er bevinden zich gewichtige documenten in,” sprak Charly Brand, „en ik kan geen juist bedrag opgeven. „Ik verzoek u alleen, het kistje goed te verzegelen, opdat geen onbevoegde gedurende den tijd, dat het zich hier bevindt, inzage van mijn papieren kan nemen.” „Ik zal het zoodanig verzegelen, dat het zelfs, den duivel niet zou gelukken, er een blik in te werpen,” antwoordde de kassier. Hij nam het kistje in ontvangst en verzegelde het op 18 plaatsen. Daarop gaf hij Charly Brand een ontvangbewijs. Deze betaalde een bedrag van twee pond en keerde naar Raffles terug. Met een onverschillig gelaat stak deze de quitantie in zijn borstzak. Daarop vertrok hij met zijn vriend naar Brighton, een uitstapje, dat de Londenaars gaarne maken. Na drie dagen kwam hij met Charly terug en gaf hem het bevel, het kistje van de Bank terug te halen. Hij drukte hem nogmaals op het hart, er op te letten, dat geen der zegels geschonden was! Toen Charly Brand met het kistje van de Bank terugkeerde, onderzocht Raffles het nauwkeurig; daarop nam hij een grooten leeren koffer en zette het kistje daarin. Het verdere van den koffer vulde hij met waschgoed, dat tevens moest dienen om de lakken van het kistje te beschermen. Charly Brand keek naar dit alles met het gelaat van iemand, die niet weet wat hij ervan denken moet. Raffles sloot den koffer, gaf den sleutel aan Charly Brand en sprak tot hem: „Ga nu eens zitten en luister aandachtig naar hetgeen ik je zal vertellen. „Je moet van hier naar Southampton reizen en van daar morgenochtend met de van New-York komende stoomboot „Keizer Wilhelm de Groote” naar Bremen varen. „Den koffer met het kistje erin moet je daar mee naar toe nemen als bagage. „Volgens alle waarschijnlijkheid zal je voor Bremerhaven bezoek krijgen van eenige heeren, die je zullen dreigen met in hechtenisneming en tegen wie je moet doen, alsof je hen en jezelf wilt doodschieten. „Een van deze heeren zal een zekere bankier Brackbush zijn, en hem moet je later op je knieën vergiffenis vragen voor je daad. Hij zal je geld geven en daarmee kom je bij mij terug.” „Dat alles moge de duivel begrijpen!” riep Charly Brand uit, „wat ben je van plan? Ik moet naar Bremen varen, ik zal gevangen genomen worden, ik moet doen alsof ik mijzelf wil doodschieten, alsof ik anderen wil vermoorden, eindelijk moet ik genade smeeken, ik moet een misdaad hebben begaan, ik zal geld krijgen en ik weet niet waarvoor. „Dat draait allemaal als een molenrad in mijn hersens rond!” „Dat hindert niet”, lachte Raffles, „maar ik zal je een beetje op de hoogte brengen, opdat je niet blindelings mijn bevelen behoeft op te volgen. „Welnu! Veronderstel dat het kistje, dat zich in den koffer bevindt, ongeveer twee millioen pond sterling bevatte en dat jij een kassier waart van de Bank van Engeland, die er van door is met dat kistje. „In Bremen wil men je gevangen nemen, je grijpt naar je revolver en krijgt als belooning voor je daad tienduizend pond sterling, welk bedrag je als borg had gedeponeerd bij de Engelsche Bank.” „Maar dat is immers klinkklare onzin!” riep Charly, Brand verbaasd uit, „men geeft een voortvluchtigen kassier toch geen geld toe! Dat zou een prachtig lokmiddel zijn voor ontrouwe ambtenaren!” „Neen”, antwoordde Raffles, met een vroolijk lachje, „de zaak is ook wel een beetje anders. „Bankier Brackbush is chef van het filiaal der Engelsche Bank daar ter stede. De Bank wenscht, evenals elke groote instelling, geen openbare ruchtbaarheid te geven aan het feit, dat zij zulk een schandelijk individu als jij bent, tot kassier heeft aangesteld. Denk wel, een dergelijke zaak kan den goeden naam van een financieel inrichting groote afbreuk doen. „De tienduizend pond worden jou dus gegeven om je den mond te snoeren en je zult het kistje teruggeven en doen alsof je met je verkregen borgtocht naar Amerika gingt.” „Dat is alles heel mooi,” merkte Charly Brand op, „maar begrijpen doe ik de zaak nog niet.” „Het is voldoende, als je alles doet, wat ik je zeg. Het overige in deze kwestie verzorg ik vanuit Londen.” Den volgenden dag vergezelde Raffles Charly Brand persoonlijk naar Southampton, waar hij hem aan boord bracht van de stoomboot „Keizer Wilhelm de Groote”, die van New-York naar Bremen voer. „Het is zeer lief van je”, sprak Charly Brand tot Raffles, „dat je mij aan boord hebt gebracht.” „O neen”, lachte Raffles, „ik ben niet om jou meegegaan, maar om het nummer te weten van de hut, die je betrekt. „Het is nummer 211.” Een heer, die een donkeren bril droeg, passeerde hen op dit oogenblik en keek vol belangstelling door een verrekijker naar de Engelsche haven en de daar stationneerende oorlogsschepen. Raffles noch Charly Brand hoorden, hoe de vreemde heer in het voorbijgaan mompelde: „Dus nummer 211. Ik had niet gedacht, dat ik zoo’n uitstekende vangst hier aan boord zou doen. „Een schitterend zaakje, waarop ik straks aan tafel,” het was tegen vijf uur in den namiddag, „een fijne flesch zal drinken.” Het was inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, die op deze stoomboot van New-York naar Bremen reisde, om een internationalen meisjeshandel te vervolgen, waarvan de hoofdzetel in Londen was gevestigd. Baxter was veertien dagen geleden naar New-York vertrokken, omdat een bekend detective-bureau aldaar hem mededeelde, dat de gezochte misdadiger blijkbaar aan het hoofd stond van een groote bende handelaren in vrouwen en meisjes en dat hij zich naar Bremen zou begeven, om daar op zijn gewonen weg via Engeland een aantal ongelukkige schepsels naar Zuid-Amerika te voeren. Onder den naam van een zekeren Mr. Lobeck bevond zich de handelaar in blanke slavinnen als kajuitspassagier eerste klasse aan boord van het schip. Inspecteur Baxter, die zich goed had vermomd, zoo dat zelfs Raffles, die hij rakelings was voorbijgegaan, hem niet herkende, had den grooten meesterdief en diens gezel dadelijk ontdekt, toen zij aan boord kwamen. Het hart van den inspecteur barstte bijna van vreugde en opgewondenheid, als hij eraan dacht, welke groote vangst hij nu zou doen! Hij wist weliswaar niet, wat Charly Brand in Bremen wilde doen. „Maar,” zoo berekende hij, „hij gaat niet voor niets naar Bremen. Raffles zal zeker een van zijn plannen in Bremen inplaats van in Londen, willen uitvoeren.” Terwijl de stoomboot langzaam, zooals de scheepswetten dat voorschrijven, door het Kanaal voer, zat Raffles in het telegraafkantoor, dat in zijn huis was aangelegd, met het horloge in de hand om te berekenen, waar het stoomschip zich nu kon bevinden. Hij had een zeekaart van het Kanaal en de Noordzee voor zich liggen en telkens stak hij een speld met een rood knopje op die plek van de kaart, waar de boot moest zijn. Dit telegraafkantoor was door hem op vernuftige wijze met den kabel verbonden, welke onder het gebouw van de Engelsche Bank liep en stelde hem elk oogenblik in staat, de gesprekken en telegrammen der Bank op te vangen of te beluisteren. En hier lag de sleutel tot zijn plan. Tegen zeven uur des morgens, toen de speld op de zeekaart tot vlak bij Bremerhaven was genaderd, begaf Raffles zich naar het toestel en verbond zich met de telefoon van het Londensche telegraafkantoor. Hij sprak: „Hier Engelsche Bank—geef mij verbinding met het vaste land!” „Alstublieft!” luidde het korte antwoord van den ambtenaar. Raffles had zich gedurende de laatste weken voldoende op de hoogte gesteld omtrent de verhouding van de Bank met het hoofdtelegraafkantoor. Nu legde hij zijn vingers op den sleutel van het Morse-toestel en begon de cijfers over te seinen van een met getallen volgeschreven papier. Niemand, behalve Raffles en de Bank, kende de beteekenis van deze getallen. Alleen de Engelsche Bank en de chefs van haar filialen in verschillende plaatsen der wereld bezaten behalve Raffles, den sleutel tot dit geheime cijferschrift. Elk dezer getallen beduidde een woord of een zin. Het was ongeveer een half uur later, toen bankier Brackbush, de directeur van het Bremer filiaal de Engelsche Bank, een cijfertelegram van het hoofdbureau der Bank ontving en, nadat hij het met behulp van het door de Bank uitgegeven boek had ontcijferd, sprong hij op en begaf zich, zonder zijn ontbijt verder aan te roeren, naar de kade, om met zijn motorboot dadelijk naar Bremerhaven te varen. Eerst echter spoedde hij zich opgewonden naar het naastbijgelegen detectivebureau van Klinger, waarmee hij sinds jaren werkte. „Geef mij dadelijk een beambte mee, snel! Ik moet den „Keizer Wilhelm” nog vóór Bremerhaven bereiken!” riep hij tot den chef. Een corpulent man van rijperen leeftijd stond bij de woorden van den bankier op, nam zwijgend zijn hoed en stok, trok zijn overjas aan, nam uit een la van de schrijftafel een revolver en volgde den bankier. Het was een van de beste geheime agenten, waarmee Brackbush op zijn motorboot naar Bremerhaven voer. Onderweg gaf de bankier hem eenige inlichtingen. „Ik wil de zaak,” sprak Brackbush, „zonder inhechtenisneming behandelen. Alleen in geval van nood maak ik daarvan gebruik. „De hoofdzaak is, dat wij Bremerhaven nog bereiken, voordat de passagiers zijn aangekomen en voordat deze aan land zijn!”...... Een dikke nevel omgaf de reede van Bremerhaven en slechts langzaam kon de reuzenstoomboot „Keizer Wilhelm de Groote” zich een weg in de haven banen. Onophoudelijk weerklonken de misthoorns en stoomfluiten, om aanvaringen met andere schepen te voorkomen. Volgens berekening der loodsen was de stoomboot hoogstens een halve mijl van de haven verwijderd, toen plotseling de wacht riep: „Motorboot aan stuurboord!” „Werpt touwen uit!” riep de dekofficier tot de wacht, en met behulp der matrozen werd de motorboot, die naast het stoomschip was gekomen, vastgemaakt. Na eenige minuten klommen langs een touwladder, welke men neer had gelaten, bankier Brackbush en de geheime detective op het dek. Een kort gesprek met den kapitein volgde, waarna de nieuw aangekomenen zich, door dezen vergezeld, naar hut 211 begaven. Deze was gesloten en de bewoner scheen bezig te zijn, zijn zaken te regelen. Na herhaald kloppen vroeg Charly Brand: „Wie is daar?” „Doe open!” beval de kapitein. „Ik ben het zelf, de kapitein van het schip. Ik wensch u te spreken.” „Een oogenblik!” klonk het terug. „Doe dadelijk open!” riep de kapitein, „het is een zeer dringende zaak!” In het volgende oogenblik opende Charly de deur van zijn hut. De geheime detective, die door den kapitein en Brackbush het eerst werd binnengelaten, snelde dadelijk naar Charly Brand toe, greep hem bij den arm en riep hem toe: „Tracht niet, u te verzetten, het zou tevergeefs zijn en in uw eigen nadeel!” „Wat wilt gij van mij?” vroeg Charly Brand verschrikt, en bevende ging bij een stap achteruit. „Dat zal deze heer u mededeelen”, sprak de geheime detective, terwijl hij op den bankier wees. „Ja,” viel deze in, een stap nader komende. „Onderzoek eerst dezen heer, of hij een wapen bij zich heeft, want ik moet hem alleen spreken en dan verzoek ik u, gedurende ons gesprek voor de deur der hut wacht te houden. „Als ik u noodig heb, zal ik u roepen.” „Als gij mijn hulp mocht willen inroepen, wilt gij mij zeker wel door een matroos laten roepen,” sprak de kapitein. Hij verliet de hut en begaf zich weer naar de commandobrug. De detective haalde uit een der broekzakken van Charly Brand een browningpistool en stak deze bij zich. „Geef mij het wapen terug,” verzocht Charly den beambte. „Na ons onderhoud,” sprak de bankier, terwijl hij den detective een wenk gaf, om zich uit de hut te verwijderen. „Wat wenscht gij van mij?” vroeg Charly Brand opnieuw. „Hoe komt gij er toe, mijn hut binnen te dringen en mij hier vast te houden?” „Dat zult gij dadelijk vernemen,” antwoordde bankier Brackbush, het cijfertelegram uit zijn zak te voorschijn halende. „Gij zijt gisteravond van Southampton afgereisd en gij zijt de kassier van depot no. 10 der Engelsche bank. „Uw naam is Harry Smith.” Schijnbaar radeloos van schrik en angst leunde Charly Brand tegen den muur der hut en stamelde: „Dat is niet waar. Mijn naam is niet Harry Smith. „Ik kan u met papieren bewijzen, dat gij u vergist.” „Laat die papieren zitten,” antwoordde de bankier, „uw ontkennen helpt u niet. De beschrijving omtrent uw persoon, welke ik ontving, klopt merkwaardig goed. Gij moest u schamen, het vertrouwen uwer chefs op zoo schandelijke wijze misbruikt te hebben.” De bankier keek de hut rond en ontdekte den koffer. „Aha! Daar staat waarempel ook de mij omschreven leeren koffer!” riep hij uit, „wilt gij loochenen, dat gij daarin een kistje hebt verborgen? Een kistje met achttien zegels. En dat zich daarin twee millioen pond sterling aan geldswaardige stukken bevindt?” „Ik heb geen dergelijk kistje,” stotterde Charly Brand, terwijl hij alle moeite deed om er zoo ontdaan mogelijk uit te zien. „Maak den koffer open!” beval bankier Brackbush, „ik maak er u opmerkzaam op, dat gij door te ontkennen uw zaak erger maakt, terwijl gij, als wij kalm over de zaak spreken en het eens kunnen worden, er goed af zult komen. „Maak den koffer dus open!” Charly Brand haalde een bos sleutels te voorschijn en deed, wat hem bevolen werd. Met een kreet van vreugde ontdekte de bankier tusschen het waschgoed het verzegelde kistje. Dadelijk onderzocht hij de zegels en met een zucht van verlichting zag hij, dat zij ongeschonden waren, zoodat dus niets van den inhoud vervreemd kon zijn. In het telegram, dat hij had ontvangen, was hem nadrukkelijk bevolen, de zegels goed te onderzoeken. „Schaam u!” herhaalde de bankier nog eens tot den verpletterden Charly Brand, „als ik u nu aan de politie overleverde, zoudt gij verscheiden jaren gevangenisstraf krijgen. Opdat gij echter zult inzien, hoe goed uwe chefs het met u voor hebben, ben ik aangewezen, om u uwe borgstelling, waarop gij door uw misbruik maken van vertrouwen geen recht meer hebt, uit te betalen. „Maar slechts op voorwaarde, dat gij met dat geld naar Amerika gaat en over dit voorval tot niemand spreekt. Doet gij dat toch, dan hebt gij de gevolgen aan u zelf te wijten. „Maak u nu gereed en volg mij aan land.” Inspecteur van politie Baxter had de komst van de motorboot met gespannen aandacht gevolgd en in den geheimen detective dadelijk een collega herkend. Hij maakte zich tegenover hem bekend en trachtte te weten te komen welke zaak hem aan boord en naar hut 211 had gebracht. Maar de Duitsche detective beantwoordde alle vragen slechts met een schouderophalen en het gelukte Baxter niet, iets van hem te vernemen. Hij zag, hoe de bankier met het verzegelde kistje onder den arm en vergezeld door Charly Brand, die zich reisvaardig had gemaakt, uit de hut trad en tot den beambte sprak: „Wij varen terug naar Bremen. De zaak is in orde.” Baxter moest het aanzien, dat de bankier met Charly Brand en den detective naar de meegesleepte motorboot terug ging, dat die na eenige minuten in den mist verdween en naar Bremen terug voer. De zaak had zijn belangstelling zoodanig opgewekt, dat hij in gedachten verzonken, in het geheel niet lette op den handelaar in blanke slavinnen. Hij merkte dezen eerst op, toen de man zich, zoodra de boot was aangekomen, aan land begaf. Haastig volgde hij hem en hij hoopte, hem in het douanestation terug te zullen vinden. Maar hij had buiten den waard gerekend. De achtervolgde had alleen handbagage bij zich en was daarmee op een electrische tram gesprongen. Onaangenaam gestemd begaf de inspecteur van politie zich naar Bremen, Raffles in stilte vervloekend, want aan hem had hij het te danken, dat de visch uit het net was ontsnapt. Terzelfdertijd stond Charly Brand in het telegraafkantoor, waar hij een telegram aan Raffles verzond, dat als volgt luidde: Aan professor Stanhop, Victoria station. Geld is uitbetaald. Ik kom via Vlissingen terug. Een half uur later ontving de Engelsche bank een raadselachtig cijfertelegram: Bank van Engeland, Londen. Kassier gepakt. Kistje onbeschadigd in mijn bezit. Borgstelling, zooals bedoeld, uitbetaald. Bankier Brackbush. Raffles, die op het telegram had gewacht, dat onder het adres Stanhop zou aankomen, begreep tot zijn genoegen uit den korten inhoud, dat zijn plan gelukt was en dat Charly Brand zijn zoogenaamde borgstelling had uitbetaald gekregen. De Engelsche Bank daarentegen wist niet, wat met het ontvangen telegram bedoeld werd. Zij begreep niets van een voortvluchtigen kassier, noch van een kistje en telegrafeerde daarom terug: Telegram onbegrijpelijk. Open dadelijk het kistje en meld ons den inhoud. Een half uur daarna kwam reeds het antwoord uit Bremen. Wij zijn bedrogen. Kistje was met couranten gevuld. Bovenop lag een papier, waarop stond: Met vriendelijken groet John Raffles. Toen de beambten der Bank, die zich in het particuliere bureau van den directeur bevonden, dit hoorden, konden zij, ondanks de spanning van het oogenblik, een glimlach niet onderdrukken. „Vervloekt!” riep de bankdirecteur uit, „wat is die bankier Brackbush toch een groote ezel! „Hoe kon hij zich zoo laten beetnemen!” „Ik geloof toch,” antwoordde mr. Griffin, „dat wij eerst nadere berichten moeten afwachten, voordat gij, mijnheer de directeur, dien heer van iets dergelijks moogt betichten. „Ik houd hem voor een zeer nauwgezet koopman. Wie weet, op welke geniale wijze Raffles hem bij den neus heeft gehad, zoodat een ander evengoed als Mr. Brackbush het slachtoffer van den grooten onbekende zou zijn geworden.” „Zend dadelijk een onzer ambtenaren naar Bremen, opdat het geval kan worden opgehelderd,” beval Mr. Ruster, de directeur. „Geef bovendien kennis van het geval aan den inspecteur van politie en zorg er voor, dat, als het eenigszins mogelijk is, de pers buiten de geheele zaak blijft.” Hij nam afscheid van zijn beambten en Mr. Griffin ging persoonlijk naar Scotland Yard, om daar het gebeurde mede te deelen. Detective Marholm had een schik, alsof hij een geestige mop hoorde, toen hij het verhaal vernam van de nieuwste en uitstekend geslaagde truc van Raffles. „Uitstekend! Prachtig!”, mompelde hij, „ik ontving zooeven een telegram uit Bremen, dat inspecteur Baxter, mijn chef, daar in een hotel logeert. Hij kan dus dadelijk het spoor van Raffles volgen. Ik zal hem onmiddellijk een telegram zenden.” Baxter wilde juist zijn hotel te Bremen verlaten, toen een besteller hem het telegram overhandigde. Hij opende het en sprak zacht: „Te laat! Ik had den kerel dadelijk aan boord moeten gevangen nemen, maar— —” hij wachtte een oogenblik, „ik had er geen aanleiding voor. De gevangenneming zou wederrechtelijk zijn geweest. „Die tienduizend pond zijn voor de Engelsche Bank of voor bankier Brackbush verloren. „Die zijn naar de maan!” Slecht gehumeurd kwam hij te Vlissingen aan, waar hij plaats nam op de boot, die hem via het Kanaal naar Londen terug zou brengen. Hij bracht zijn bagage naar het salon en nam daarna in de eetzaal aan een tafeltje plaats om te gaan dineeren. Plotseling keek hij verbaasd op. Op korten afstand van hem zat aan een tafeltje, waarop een dozijn oesters en een flesch champagne, de vriend van John Raffles, de man met de tienduizend pond sterling, Charly Brand. Hij had den inspecteur van politie, die als een der laatste passagiers was aangekomen, nog niet opgemerkt en slurpte behaaglijk zijn oesters, want Charly Brand was een lekkerbek. Zijn voorliefde voor een goeden maaltijd had Raffles reed dikwijls aanleiding gegeven om te zeggen: „Als jij zit te smullen, verkeer je in groot gevaar voor je-zelf. „Dan hoor of zie je niets. Je bent zoodanig verdiept in het genot van de spijzen, dat men je zou kunnen ophangen en je het eerst zoudt merken, als je dood was! „Je hartstocht voor een lekker, maal zal je nog eens in de grootste moeilijkheden brengen.” En nu gebeurde dat, wat Raffles hem zoo dikwijls had voorspeld. Charly Brand had juist de achtste oester opgenomen, om die met gesloten oogen te verzwelgen, toen hij van twee kanten werd beetgepakt en, nog voordat hij de oester naar binnen had gewerkt, had men hem geboeid. „Hallo! Dat noem ik eerst een goede vangst doen op het Kanaal, mijnheer! Ik had niet gedacht, u zoo gauw terug te zullen zien!” riep Baxter vergenoegd uit. Charly Brand beefde, toen hij zag, dat hij in de macht was van den inspecteur van politie. Nu was hij verloren! Baxter trok hem, toen hij geboeid was, de portefeuille uit den borstzak, nam het papiergeld, dat bankier Brackbush Charly had gegeven, telde het na en sprak met voldoening: „Er ontbreekt niets aan het geld. „Volg mij nu naar de hut, waar ik u, totdat wij in Londen zullen zijn, gevangen moet houden.” Charly Brand werd naar een klein vertrek gebracht en een matroos werd als wacht voor de deur geplaatst. Te vergeefs martelde hij zijn hersens met de vraag, hoe hij aan de macht van den inspecteur zou kunnen ontsnappen. Baxter had zich naar het aan boord zijnde station der draadlooze telegraphie begeven en daar een telegram voor Scotland Yard verzonden: Meld de Engelsche Bank, dat misdadiger met tienduizend pond sterling gevangen genomen. Zend tegen aankomst der boot twee beambten naar Queenborough. Queenborough is de naam van de havenplaats, waar de booten van Vlissingen, voor Engeland bestemd, binnen komen. Dit telegram bereikte echter Scotland Yard niet. Raffles, die in zijn huis een geheime aansluiting had met de telegraaflijn van Scotland Yard, nam het telegram op zijn toestel op. Nadat hij het had gelezen, zond hij het telegram verder en wel met den volgenden inhoud: Vertrek van Bremen. Inspecteur Baxter. Daarop seinde hij naar Queenborough een bericht, dat vandaar doorgezonden moest worden per draadlooze telegrafie naar de stoomboot, die zich op het Kanaal bevond: Inspecteur van Politie Baxter. Verwacht u, telegram ontvangen. Een half uur later reisde hij, als agent van politie vermomd, van Londen naar Queenborough, waar hij de aankomst der stoomboot afwachtte. Zoodra het schip binnen was gekomen, naderde hij den inspecteur van politie, die aan het eind van den steiger stond en meldde, op militaire wijze groetend: „Ik kom op bevel van detective Marholm, die zelf verhinderd is te verschijnen.” Inspecteur Baxter keek den agent van politie verbaasd aan. Dat was niet de manier van optreden, in Scotland Yard gebruikelijk. De agenten in uniform werden nooit voor dergelijke zaken uitgezonden. Hij vermoedde de een of andere geheimzinnigheid, die hij op het oogenblik nog niet begreep. Hij was in den loop der tijden voorzichtig geworden. Maar hij kon de aanwezigheid van den agent niet verklaren. Zijn telegram moest Scotland Yard bereikt hebben, want hij had een antwoord erop ontvangen. Het zaakje moest dus in orde zijn, ondanks het ongewone dat in de verschijning van den agent in uniform was gelegen. Hij besloot echter, uiterst voorzichtig te zijn en goed op te passen. „Volg mij,” sprak hij tot den agent, „ga mee naar de hut, waar de misdadiger is opgesloten. Hebt gij boeien bij u?” „Jawel,” antwoordde Raffles, „als het noodig is, zijn zij toereikend voor twee.” „Hoe komt het, dat men u heeft gezonden?” vroeg Baxter. „Dat weet ik niet,” antwoordde de agent, „ik kreeg het bevel van mijn chef.” Weer schudde Baxter het hoofd. Hij kon het vermoeden niet van zich afzetten, dat de zaak niet in orde was. Daarom sprak hij tot den agent: „Ik ga even met Scotland Yard telefoneeren. Wacht een oogenblik.” Nauwelijks was hij weg, of de agent opende de deur der hut. Hij moest een geheimen sleutel daarvan bezitten of gebruik maken van een looper. Op het volgende oogenblik trad hij de hut binnen en sprak tot Charly Brand, die neerslachtig op zijn bed zat: „Volg mij zoo snel mogelijk, wij hebben maar een minuut tijd! „Aan wal kunnen wij niet komen, wij moeten dus trachten, naar den zeekant te vluchten.” Dichtbij de stoomboot lagen verscheiden koopvaardijschepen, waarnaast, aan touwen bevestigd, kleine bootjes op het water dansten. Raffles had de boeien van Charly Brand losgemaakt. Reeds had hij den achtersteven van het stoomschip bereikt, toen eenige matrozen hem in den weg traden. „Gij vergist u, Sir, langs die zijde kunt gij niet aan wal komen.” Meer konden de matrozen zich niet herinneren. Raffles had hun bliksemsnel een paar verbazende vuistslagen gegeven en hen neergeworpen. Op dat oogenblik weerklonk de stem van Baxter. „Vooruit jongens!” riep de inspecteur, „ieder van u krijgt honderd pond, wij moeten die twee hebben!” Charly Brand had reeds een der bootjes bereikt, terwijl Raffles nog met zijn aanvallers bezig was. Eindelijk gelukte het ook hem, over boord te springen. Revolverschoten werden over de verschansing den vluchtelingen nagezonden, echter zonder te treffen. (Zie titelblad.) Raffles bereikte behouden de boot. Charly had roeispanen in het kleine vaartuigje gevonden en sprak, terwijl hij ze ter hand nam: „Laat ons nu toonen, dat wij niet tevergeefs twee jaar lid zijn geweest van de groote roeivereeniging „De Theems”. Vooruit!” Als een pijl gleed het bootje, door geoefende hand bestuurd, door het water. Verscheiden schoten knalden en vlak langs hen heen ploften de kogels in het water. Raffles stuurde het bootje, dat reeds op honderden meters afstands van het schip was, naar een donkere pier en klauterde met Charly langs den hoogen steenen muur naar boven. Elke minuut was geld waard. Zij snelden langs de pier en bereikten een havenstraat, waar op den hoek een kleine lantaarn in den wind schommelde. Deze toonde aan, dat zich hier een matrozenherberg bevond. Door een zijdeur gingen Raffles en Charly Brand de herberg binnen. Op den tast liepen zij een pikdonkere gang door, klommen een trap op en bereikten langs een even donker portaal een logeerkamer, waar de matrozen sliepen, als zij aan wal waren. Een slecht brandende petroleumlamp verlichtte deze ruimte, die eigenlijk den zolder van het huis uitmaakte. Een rij eenvoudige veldbedden stond langs de muren. Geen enkele van de logeergasten was nog aanwezig. Een breede, groote schoorsteen bevond zich aan een der wanden; Raffles ontdekte daaraan een ijzeren klep. Hij opende deze. Daarop sprak hij tot Charly Brand: „Er helpt niets aan, mijn jongen, wij moeten eenige uren lang ons in dezen schoorsteen verbergen. „Men zal ons spoor in elk geval tot hier volgen en dit is de eenige plaats, waar men ons vermoedelijk niet zal ontdekken.” Zij hadden nauwelijks tijd gehad om met behulp van ijzeren staven, die zich binnen in den schoorsteen bevonden, een veilig plaatsje te zoeken, toen zij door de opening van den schoorsteen, die in de gelagkamer gelijkvloers uitmondde, duidelijk de stemmen van hun vervolgers hoorden. „Hallo, Patt Jim”, riepen de binnenstormende matrozen, „heb je twee kerels samen voorbij zien komen?” „Wel vervloekt!” weerklonk de basstem van den waard, „ik heb wel wat anders te doen dan op straat te gaan staan en te kijken of er iemand langs komt. „Ik ben blij als de politie mij met rust laat. Komt binnen en drinkt een borrel.” De gelagkamer vulde zich steeds meer met de matrozen zen, die de vluchtelingen achtervolgden en eindelijk verscheen ook inspecteur Baxter. De zeelieden hadden het opgegeven. Zij hadden gretig de gelegenheid aangegrepen om een poosje vrij te komen van hun zwaren dienst aan boord, nu stonden voor de toonbank brandewijn te drinken. Inspecteur Baxter overzag dadelijk den toestand en begreep, dat hij alleen het spoor der vluchtelingen zou moeten volgen met behulp van den havenmeester, dien hij ter assistentie had meegenomen. Mismoedig verliet hij het lokaal en Raffles herademde, toen het gevaar was geweken en de matrozen beneden vroolijke liedjes zongen. „Ik heb het gevaar overschat”, sprak hij tot Charly Brand, „het was niet eens noodig geweest, dat wij hier in dezen zwarten schoorsteen kropen. Maar voorzichtigheid kan geen kwaad. Ik heb zooeven in de „logeerkamer” linnengoed en kleeren zien liggen, eigendom van de matrozen, die hier overnachten. „Laat ons nu uit den schoorsteen klauteren en ons verkleeden.” Met de grootste kalmte, alsof hij thuis ware, kleedde bij zich in het vertrek uit en zocht onder de matrozenbroeken en blouses, die aan den muur hingen, stukken, die hem voor zichzelf en Charly geschikt voorkwamen. Tien minuten later verliet hij met zijn vriend door de zijdeur het huis. Toen zij op straat waren gekomen, sprak hij tot Charly Brand: „Onze handen en ons gezicht zitten zóó vol roet, dat men ons onmogelijk zal herkennen. „Ieder zal ons voor echte matrozen houden, die van een schip komen, waarop kolen werden geladen. Laat ons nu naar het station gaan en met den eersten trein, dien wij kunnen halen, naar Londen vertrekken.” Charly moest hem een arm geven en terwijl Raffles een bekend matrozenlied zong en den wankelenden gang van een beschonkene nabootste, gingen zij naar het station, vlak langs den agent van politie, die daar dienst deed en reisden naar Londen terug. Eenige uren later zaten zij weer, als voorname Engelsche heeren gekleed, in het behaaglijk verwarmde, studeervertrek van John Raffles. Deze sprak tot zijn vriend: „Vertel mij nu eens, mijn jongen, hoe het mogelijk was, dat die man, die inspecteur Baxter, dien ik tot dusverre voor een volslagen idioot hield, je heeft kunnen pakken.” Charly Brand bloosde van schaamte, toen hij moest bekennen, dat de oesters dat op hun geweten hadden. Raffles sprak lachend: „Ik heb je altijd gewaarschuwd voor je hartstocht, wat betreft lekker eten. „Laat je dit een les zijn, beste kerel. „Maar nu ben ik van plan om de tienduizend pond sterling, die Baxter je heeft afgenomen, nog dezen nacht terug te halen. „Ik zou graag den Zondag in Brighton willen doorbrengen en daarvoor is geld noodig.” Charly Brand keek Raffles met open mond aan. „Wat zeg je?” vroeg hij, „je wilt nog dezen nacht de tienduizend pond van inspecteur Baxter terug gaan halen?” „Ja, zeker!” lachte Raffles, „en wel uit de brandkast van Scotland Yard. „Ik was al eerder van plan om eens poolshoogte te nemen van den geldvoorraad op het hoofdbureau van politie, maar ik meende altijd, dat het vrij doelloos zou zijn, zich veel moeite te geven voor de brandkast der politie en dat ik het werk, dat daartoe vereischt wordt, beter aan een andere brandkast kan besteden. „Maar vannacht is het de moeite waard, want nu wordt daar het geld opgeborgen, dat mij van rechtswege toekomt. „En tevens zal het voor jou een interessante zaak zijn, daar je een voorbeeld kunt nemen aan mijn werk en leeren, hoe men een goed gesloten en met ijzeren tralies omgeven brandkast opent. „Het is nu negen uur in den avond. „Over een uur gaan wij op weg.” „Ik geloof, dat het onmogelijk is om het plan, dat je koestert, tot een goed resultaat te brengen”, sprak Charly weifelend. „Mijn lieve jongen”, antwoordde Raffles glimlachend, terwijl hij zijn vriend op den schouder klopte, „wat ik wil gaan doen is niet zoo moeilijk als dat, wat wij met bankier Brackbush en de Bank van Engeland hebben gedaan. „Ik wed honderd pond, de laatste die, ik nog bezit, tegen een pruimepit, dat wij morgen vroeg, ondanks inspecteur Baxter, hier zitten en dat dan de tienduizend pond sterling zich in mijn borstzak bevinden.” VIERDE HOOFDSTUK. EEN MEESTERLIJKE INBRAAK. Inspecteur Baxter was in zeer slechte stemming op zijn bureau in Scotland Yard aangekomen. Het was tegen acht uur in den avond. Hij uitte zijn ergernis door luid te vloeken en schold op zijn ondergeschikten over allerlei kleine onregelmatigheden, die gedurende zijn afwezigheid waren gepleegd. Dat wil zeggen, volgens zijn opvatting. Vooral ergerde hem het vergenoegde gelaat van zijn secretaris, detective Marholm en woedend riep hij dezen toe: „Lach op straat of waar gij wilt, maar niet op mijn bureau. Ik verkies dat niet!” Detective Marholm, die met een dikken bundel acten voor zich aan de schrijftafel zat, keek den razenden inspecteur bedaard aan en sprak glimlachend: „Gij zijt zenuwachtig, inspecteur.” „Zenuwachtig!” riep Baxter uit, „dat is geen woord voor mijn gemoedsstemming. „Die man maakt mij gek, die Raffles. Nu meende ik, de beide vogels te hebben gevangen en eindelijk den besten dag van mijn leven te zullen hebben en op het laatste oogenblik ontsnappen zij mij.” Marholm vervolgde, steeds glimlachend: „Hadt gij iets anders verwacht, inspecteur? Van John Raffles moest gij reeds aan dergelijke dingen gewend zijn. Nu, zoo erg is het niet. Gij hebt tenminste de tienduizend pond.” Aan het geld had Baxter niet meer gedachte Hij had het totaal vergeten. Haastig greep hij naar zijn borstzak, waarin hij het had opgeborgen. „Hebt gij het geld inderdaad nog?” vroeg Marholm met een ironisch lachje, „het zou mij in het geheel niet verbazen, als Raffles het u weer listig had ontfutseld.” Inspecteur Baxter opende zijn portefeuille en nam het papiergeld eruit. Zorgvuldig telde hij het na en sprak: „Het geld is nog voorhanden.” Daarop gaf hij de bankbiljetten aan Marholm met de woorden: „Daar het te laat is, om het nog heden aan de Engelsche Bank terug te bezorgen, zullen wij het geld tot Maandag in de brandkast bewaren. Sluit het weg.” Detective Marholm telde de biljetten na en ging naar een groote brandkast, die zich in het zijvertrek bevond. Nadat hij het bedrag had weggesloten, kwam hij terug. „Hoe was het mogelijk,” vroeg inspecteur Baxter, „dat gij het telegram niet hebt ontvangen?” „Heel eenvoudig,” antwoordde Marholm, „een ander heeft het gekregen!” „Vervloekt! Welke andere? Verklaar u duidelijker!” „Wel, wie anders dan John Raffles!” „Maar dat is immers niet mogelijk,” riep Baxter uit, „dat grenst aan tooverij!” „In ’t geheel niet,” lachte Marholm, „ik heb allang vermoed, dat Raffles zich een geheime aansluiting aan onze telegraaflijn heeft verschaft. Daardoor is hij in staat onze zaken, die wij per telefoon of telegraaf te behandelen hebben, te controleeren.” „Wij moeten de lijn laten onderzoeken,” meende inspecteur Baxter. „Dat zal niet gaan,” antwoordde Marholm, „wij kunnen de draden, die door geheel Londen loopen en in verbinding staan met alle politiebureaux, niet zoo maar zonder meer uit den grond laten nemen. „Het zou een arbeid van vele maanden zijn en dan bleef het nog altijd twijfelachtig, of wij de geheime aansluiting zouden vinden.” Inspecteur Baxter sloeg met de vuist op tafel en riep: „Als Raffles zijn werk in Londen niet spoedig staakt, laat ik mij pensionneeren. Dat houden mijn zenuwen niet langer uit. Laat een ander zich in mijn plaats op het krankzinnigengesticht voorbereiden.” Op dit oogenblik klonk de telefoon. Detective Marholm nam den hoorn op en riep: „Hier Scotland Yard—wie is daar?” Na een pauze, waarin een guitig lachje op zijn gelaat verscheen, gaf hij den hoorn aan zijn chef en sprak: „John Raffles wenscht u te spreken!” „Wie?” schreeuwde Baxter, opspringend. „John Raffles!” herhaalde Marholm lachend. „Voor den duivel, wilt gij mij ook voor den gek houden?” „No sir,” antwoordde Marholm kort en beslist. „Ik ben niet te spreken. Laat die kerel iemand anders krankzinnig maken dan mij.” „All right, sir”, antwoordde Marholm; hij nam de telefoon weer in de hand en sprak: „Inspecteur Baxter wenscht geen onderhoud met u!” Daarop ontstond een pauze, gedurende welke detective Marholm met gespannen aandacht aan de telefoon luisterde, terwijl Baxter nerveus met zijn vingers op de schrijftafel trommelde. Eindelijk was het gesprek afgeloopen. Met een „goeden avond, Sir!” belde Marholm af. „Wat wil hij van mij?” vroeg de inspecteur vol belangstelling. „Hij laat u weten,” sprak Marholm, „dat hij vannacht bij u zal inbreken en hij vraagt u, of gij hem die moeite niet zoudt willen sparen en hem het geld per bode toezenden.” De inspecteur hijgde letterlijk naar adem. Daarop riep hij uit: „Die brutaliteit overtreft alles! „Maar ik zal hem een ontvangst bereiden, waarop hij niet zal zijn voorbereid. „Geef bevel aan twee agenten van den nachtdienst om mij naar mijn huis te vergezellen. „Dezen keer vergist Raffles zich terdege. „Alles, wat hij zal vinden, is een leege portefeuille en drie detectives van Scotland Yard om hem gevangen te nemen.” Bij deze woorden verliet hij het bureau en droeg zijn dienst voor dien nacht over aan den binnenkomenden beambte. Vergezeld door twee detectives begaf hij zich naar huis, om daar de komst van Raffles af te wachten. — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — Het was tegen twee uur in den nacht. Scotland Yard was in diepe duisternis gehuld. De paar beambten, die nachtdienst hadden, zaten in de wachtkamer, rookten, dronken thee en verdreven de verveling door kaartspel. De dienstdoende chef was op de leeren rustbank in Baxter’s kamer gaan liggen slapen. Hij sliep zoo vast, dat het bericht van twee moorden hem, volgens zeggen zijner collega’s, eerst kon wekken. Eén moord was daartoe niet voldoende. Bij het vernemen van een dergelijke misdaad keerde hij zich om en sliep door. Scotland Yard, een groot gebouw, grensde aan den achterkant aan een tuin, die bij fabrieksterrein behoorde. Door dien tuin sloop in het nachtelijk uur John Raffles, gevolgd door Charly Brand. De laatste droeg in een leeren tasch alle inbrekerswerktuigen, die Raffles noodig had. „Ik zal je nu eens leeren, op welke wijze men gemakkelijk een brandkast opent”, had Raffles tot zijn vriend gezegd. „Het moeilijke van het geval is niet, de brandkast open te krijgen, maar om in het vertrek te komen, waar ze staat. „Voor zoover ik weet, bevindt zich de brandkluis van Scotland Yard in een kamer van de eerste verdieping. „Wij moeten dus trachten, daar van uit de kelderruimte te komen.” Het venster van het sousterrain van Scotland Yard, waardoor Raffles zijn weg wilde nemen om het hoofdbureau van politie binnen te dringen, was van dikke tralies voorzien. Raffles nam een ijzeren stang uit zijn tasch en, die tusschen de tralies stekende, boog bij deze van elkaar. Na eenige minuten waren de traliën zoover van elkaar gebogen, dat er gemakkelijk een mensch tusschen door kon kruipen. De beide inbrekers bevonden zich nu in den kelder van het gebouw. Raffles liet het licht van zijn electrische zaklantaarn schijnen en onderzocht nauwkeurig de muren, om te ontdekken, op welke plaats boven hen zich het vertrek met de brandkast zou kunnen bevinden. Tegelijkertijd luisterde hij, of hij ook schreden hoorde. Daar de vloeren der politiebureaux niet met tapijten bedekt zijn, dreunde elke stap door het gebouw. Raffles liep in de kelderruimte de middengang door, daar deze evenwijdig liep met de gang boven. Eindelijk bleef hij staan. Hij nam een kist op, die dicht bij hem stond, klom daarop en kon nu gemakkelijk met zijn hand de zoldering aanraken. Met een klein hamertje, dat hij uit een zijner zakken haalde, klopte hij zacht op de geplafonneerde zoldering, terwijl hij tot Charly Brand sprak: „Het is altijd gemakkelijker werken, als men weet waar balken en waar steenen liggen. Dat is te hooren aan den doffen of hollen klank.” Zonder moeite vond hij de plek, die hij zocht en nu liet hij zich door Charly een draaiboor geven, zette deze tegen zijn borst en had binnen tien minuten een gat van verscheiden centimeters in het plafond gemaakt Charly moest de naar beneden vallende kalk en puin in een hoed opvangen. Nu luisterde de groote onbekende eenige seconden, of zijn werk opgemerkt was daarboven. Toen alles rustig bleef, nam hij een breekijzer en maakte in weinig tijd de opening zooveel grooter, dat beide mannen er gemakkelijk door konden. Hij werkte zich omhoog en was een oogenblik daarna in het vertrek boven den kelder. Hij liet zich door Charly het leeren valies aangeven en, nadat hij dit naast zich had neergezet, volgde Charly Brand hem. Het licht van een lantaarn, die buiten brandde, scheen in de kamer, zoodat Raffles zijn electrische zaklantaarn niet behoefde te gebruiken. Nu ging Raffles naar de tegen den muur staande brandkast en een spottend lachje gleed over zijn gelaat, toen hij de sloten der kast onderzocht. „Het is zooals ik dacht”, sprak hij tot Charly Brand, „de heeren van de politie waren van meening, dat het niemand ooit in zou vallen om een bezoek aan hun brandkast te brengen. „Dit is een zeer verouderde constructie, een kast, die elk beginner zonder moeite kan openmaken. Een eenvoudige looper is daartoe voldoende.” Hij haalde een ketting uit de tasch te voorschijn, waaraan zeldzaam gevormde haken vast zaten. Eenige oogenblikken werkte hij daarmee aan de sloten en plotseling sprong de deur van de brandkast met een zacht geluid open. Zoo bedaard, alsof hij in zijn eigen huis was, nam Raffles de tienduizend pond uit de kast; daarenboven nog het bedrag, dat in een geldbak lag en dat gebruikt moest worden om de traktementen der beambten uit te betalen. Daarop onderzocht hij de papieren, die in de kast lagen. Het waren gewichtige geheime akten. Raffles gunde zich den tijd niet, om ze dadelijk door te lezen en pakte ze daarom in zijn tasch. Nu scheurde hij een stuk papier uit zijn zakboekje en schreef iets erop. Glimlachend legde hij het briefje in de brandkast, sloot deze weer en verliet met Charly Brand het vertrek langs denzelfden weg, waarlangs hij gekomen was. — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — — Den volgenden morgen om negen uur kwamen inspecteur Baxter en detective Marholm bijna gelijktijdig in dienst. „Inspecteur”, vroeg Marholm vol belangstelling, „heeft Raffles de tienduizend pond al bij u afgehaald?” Baxter antwoordde met gefronst voorhoofd: „Ik heb uw reeds herhaaldelijk verzocht, uw flauwe aardigheden voor u te houden. Ik verdraag ze niet langer. Neen, hij heeft ze niet gehaald, stel u gerust. En ga nu het geld uit de brandkast halen en breng het naar den directeur van de Engelsche Bank. Laat hij er u een quitantie voor geven. Hij verwacht u.” „Goed, inspecteur”, sprak Marholm en hij ging, zonder zijn overjas uit te trekken, naar de kamer, waar de brandkast stond. Plotseling hoorde inspecteur Baxter een kreet, waarop een hartelijk lachen volgde. Nog voordat Baxter naar detective Marholm kon snellen, vloog deze binnen en riep: „Inspecteur, inspecteur!” Meer kon hij niet zeggen van lachen. „Gij zijt krankzinnig”, riep Baxter, zijn secretaris bij den arm beetpakkende. „Neen”, antwoordde deze, proestend van lachen, „maar dit is de geestigste mop, die ik ooit heb beleefd!” „Wat voor een mop?” vroeg Baxter met een somber voorgevoel, „het is hier de plaats niet voor moppen.” „Gij zoudt gelijk hebben”, antwoordde Marholm, „als John Raffles zijn grap niet was komen uithalen in Scotland Yard.” „Wat heeft Raffles uitgevoerd?” vroeg Baxter, terwijl de aderen op zijn voorhoofd opzwollen. Marholm haalde diep adem en antwoordde: „Raffles heeft de tienduizend pond van u teruggehaald uit de brandkast van Scotland Yard.” Baxter keek zijn secretaris aan met oogen, alsof hij aan diens verstand twijfelde. „Maar zijt gij dan werkelijk gek geworden?” vroeg hij na eenige oogenblikken. Detective Marholm was, opnieuw lachend, in een stoel neergevallen en riep uit: „Volstrekt niet. Maar ik bekijk de zaak van de grappigste zijde en ben niet zoo zenuwachtig als gij. Maar”—hij stond op—„kom mee, inspecteur en overtuig uzelf!” Baxter volgde Marholm in de andere kamer. Met zijn hand wees de secretaris naar de geopende brandkast. „Kijk, inspecteur, waar de tienduizend pond zijn gebleven. Ik geloof niet, dat Raffles ze heeft laten liggen”. Inspecteur Baxter, wiens knieën sidderden, ging langzaam naar de brandkast, keek die nauwkeurig door en vond slechts kale wanden. Marholm was naast hem gaan staan. Hij zag eerst nu het briefje, dat Raffles had achtergelaten. „Een spoor van den dief!” riep hij uit. Daarop las hij: „Inspecteur van politie Baxter! Laat als het u belieft, het gat in het plafond, dat ik heb gemaakt, op uw kosten weer dichtmetselen. Met vriendelijken groet: Uw JOHN RAFFLES.” De kamer draaide met Baxter rond, terwijl Marholm weer een onbedaarlijke lachbui kreeg. Eindelijk was Baxter weer tot zichzelf gekomen. Van woede zag hij purperrood. „Vervloekt!” barstte hij los, „als gij nog meer lacht, ontsla ik u uit uw betrekking in Scotland Yard en wel op staanden voet. Zwijg nu, Marholm, en onderzoek waar het gat is”. Marholm had dit reeds ontdekt en wees naar een opening in den hoek der kamer. „Die is groot genoeg, om geheel Scotland Yard leeg te stelen. Jammer, dat Raffles den waarnemenden inspecteur ook niet heeft meegenomen. „Als hij had geweten, hoe vast deze collega sliep, dan zou hij stellig die grap hebben uitgehaald.” Inspecteur Baxter keek vol woede naar het gat; in den vloer, dat hij, zooals Raffles hem verzocht, op zijn kosten zou laten herstellen. „Ik zal onderzoeken, langs welken weg hij is gekomen”, sprak Marholm, door de opening in den kelder verdwijnend. Na een korten tijd kwam hij terug. „Hebt gij wat gevonden?” riep inspecteur Baxter tot den detective, die onder het gat stond. „Ja!” klonk het antwoord, „eenige cigaretten van het merk, dat Raffles bij voorkeur rookt. Hier zijn ze; misschien wilt gij ze aan het politiemuseum ten geschenke geven.” Hij stak zijn hand door de opening en liet vier stompjes cigarette zien. Daarna klom hij weer naar boven. „Dit zal de laatste poets zijn, die Raffles mij heeft gespeeld!” riep Baxter toornig uit. „Of ik pak hem binnen vier-en-twintig uur, of ik neem mijn ontslag!” Bij die woorden keerde hij Marholm den rug toe en ging heen. Hij hoorde niet, hoe Marholm zacht tot zichzelf sprak: „Hij zal hem niet vangen en evenmin zijn ontslag nemen. Het zou ook eeuwig jammer zijn, als deze interessante strijd tusschen Baxter en Raffles ophield. „Sinds die man ons bezig houdt, lees ik geen anecdoten of geestige tijdschriften meer. „Raffles werkt door middel van inspecteur Baxter veel beter op mijn lachspieren!” Baxter echter riep alle beambten bij elkaar en overlegde met hen, hoe hij Raffles zou kunnen te pakken krijgen. Alleen Marholm bemoeide er zich niet mee. Hij was op de leeren rustbank gaan liggen en rookte. VIJFDE HOOFDSTUK. DE HULP VAN DEN INSPECTEUR. De Londensche couranten hadden den volgenden dag groote artikels over het verzegelde kistje van de Bank van Engeland. Toen Raffles ze las, ergerde hij zich. De directeur van de Bank had zich tegen een der verslaggevers erover uitgelaten, dat hij het plan van John Raffles vanaf het begin had doorzien en alleen daarom de zaak had laten loopen, om den Grooten Onbekende in handen der detectives te leveren. Dat die niet in staat bleken te zijn om den meesterdief te pakken, was niet zijn schuld. „Prachtig gelogen”, sprak Raffles, „hij werpt de geheele schuld op Scotland Yard en doet precies als de struisvogels, die hun kop in het zand steken. „Die man verdient een nieuwe les te krijgen. Het is eigenaardig, dat de couranten al die nonsens van elkaar overnemen. Ik zal hun een berichtje zenden.” „Laat dien man loopen”, vond Charly Brand, „ik ben heel blij, dat ik hier zit, inplaats van in Scotland Yard. De schrik zit mij nog in de beenen, het scheelde maar een haartje of zij hadden mij te pakken gehad.” Raffles luisterde niet meer naar deze woorden. Hij zat in gedachten verdiept in zijn geliefkoosde houding, de voeten opgetrokken, de handen om de knieën gevouwen en het hoofd op de borst. Hij deed in deze houding denken aan een biddenden fakir of een loerenden vos. Charly Brand wist, dat een groot plan rijpte in het brein van zijn vriend, als die zoo zat te mijmeren. Zacht stond hij op, stak een sigaar aan en verliet de kamer. Op een andere manier als Raffles ergerde inspecteur Baxter zich over het artikel. De couranten staken den gek met Scotland Yard, tengevolge van de uitlatingen van den bankdirecteur en vooral de persoon van inspecteur Baxter werd danig aangevallen. De „Times” stelde hem voor, voortaan de knoopen van zijn vest te tellen, om te weten of hij den misdadiger zou vangen of niet. Maar hij moest er dan vooral voor zorgen, dat de laatste knoop altijd „neen” zei. „Ik moet die blaam van mij afwerpen”, sprak Baxter tot detective Roland, den tweeden secretaris van het bureau, „weet gij niet, op welke wijze wij Raffles in handen zouden kunnen krijgen?” Nadenkend keek de detective naar den rook van zijn pijpje en antwoordde: „Ik geloof niet, dat wij, die nu reeds een jaar lang jacht maken op Raffles, op eenig gunstig resultaat moeten hopen. Wij hebben zoo ongeveer alles beproefd. Maar ik houd het voor mogelijk, dat wij, als wij de hulp van misdadigers inroepen, succes kunnen hebben. „Gisteren is een buitenlandsche zwendelaar opgepakt, een zekere Raoul Navazka, ook genoemd Tom Smithson, of Werner von Staufen, of Bey van Samascha en de duivel mag weten, welke namen de kerel nog meer bezit. „Deze man, wiens identiteit wij niet kunnen vaststellen, wien wij ook niets anders kunnen bewijzen, dan dat hij in hotels van den eersten rang reusachtige verteringen heeft gemaakt, zou misschien zeer geschikt zijn om Raffles te vinden en in onze handen te leveren.” Inspecteur Baxter dacht een paar minuten over het voorstel na en antwoordde: „Breng den man bij mij.” Eenige oogenblikken later stond de zwendelaar, een man van ongeveer dertig jaar, met een voornaam uiterlijk, voor den inspecteur van politie, dien hij met trotsche blikken aankeek. Baxter bood den gevangene een stoel aan en vroeg: „Een sigaar of cigarette?” De oplichter wierp den inspecteur een blik van verstandhouding toe. Op het oogenblik, waarin de inspecteur hem een sigaar aanbood, begreep hij, dat hij niets meer te vreezen had, maar dat zijn hulp in het een of andere zaakje gevraagd zou worden. Hij kende de manieren der politie in dergelijke gevallen zeer goed. „Met spek vangt men muizen,” dacht hij. „Als ik zoo vrij mag zijn, een cigarette,” antwoordde hij luid en nam, alsof hij in een café tegenover een goeden kennis zat, op zijn gemak plaats. Daarop stak hij de cigarette aan en vroeg: „Wat verlangt gij van mij?” Baxter koos den rechten weg en sprak: „Wilt gij duizend pond verdienen? Dat wil zeggen, slechts op die voorwaarde krijgt gij het geld, als gij dat, wat ik van u eisch, stipt ten uitvoer brengt. Eerder, betaal ik u geen pond uit.” De zwendelaar lachte. „Ik moest al heel dwaas zijn, als ik geen duizend pond wilde verdienen. Met genoegen wil ik dat. Om wat is het te doen?” „Om John Raffles,” sprak Baxter met nadruk en zenuwachtig trommelde hij met de vingers op zijn schrijftafel. De oplichter keek verbaasd naar den inspecteur, daarop sprak hij: „Gij houdt mij toch niet voor John Raffles?” „Neen,” antwoordde inspecteur Baxter, „voor zoo handig houd ik u niet. „Maar ik geloof, dat gij wel in staat zijt om uit te vinden, waar die man verblijf houdt en om ons daarvan bericht te geven. „Dat is alles, wat ik van u eisch. „Als u dat gelukt, betaal ik u duizend pond sterling uit.” De gevangene keek den inspecteur nadenkend aan en antwoordde: „Ik neem het voorstel aan. De zaak is niet onuitvoerbaar. Ik geloof, dat ik u de verblijfplaats van John Raffles spoedig zal kunnen opgeven en gij zult mij, als ik u het bewijs breng, de duizend pond geven. Wilt gij mij dat zwart op wit verzekeren?” Baxter aarzelde even om den misdadiger een schriftelijk bewijs van bun gesprek te geven. Maar ten slotte zei hij tot zichzelf, dat de man met dat geschreven stuk weinig of niets zou kunnen uitrichten. Hij nam aan de schrijftafel plaats en voldeed aan het verlangen van den zwendelaar. Nauwkeurig las Raoul Navazka, zooals hij zich nu noemde, de verklaring door en stak deze daarop in zijn borstzak. „Gij zult mij,” sprak hij tot Baxter, „hoewel dit uw bedoeling niet was, vijftig pond sterling vooruit moeten geven. Zooals gij weet, bezit ik niets en zonder geld is dat, wat ik moet doen, onuitvoerbaar.” „Goed,” antwoordde Baxter, „die vijftig pond maken mij niet arm. En als de zaak u gelukt, zal ik u ze niet in rekening brengen. Hier hebt gij het geld en tevens het bewijs van invrijheidstelling. „Bewaar dit laatste zorgvuldig, gij mocht het eens noodig hebben tegenover de beambten van Scotland Yard. Als het u over vier weken nog niet is gelukt, de opdracht uit te voeren, dan moet gij Londen verlaten en naar het vasteland vertrekken; ik zeg u dit onder vier oogen.” De zwendelaar boog en verliet het bureau als vrij man, met vijftig pond sterling op zak. „Ik hoop,” sprak Baxter tot detective Roland, „dat ik door dezen man als hulp te nemen niet opnieuw een groote domheid heb begaan, wat trouwens uw schuld zou zijn. Maar het is mogelijk, dat hij John Raffles werkelijk vindt en ons daarmee een grooten dienst bewijst. „Ik ben wel nieuwsgierig, hoe hij het zal aanleggen om Raffles op het spoor te komen.” „Dat zal dien misdadiger niet moeilijk vallen,” antwoordde Roland, „de eene avonturier ruikt het spoor van den ander, evenals een politiehond dat van den misdadiger. Ik hoop het beste van onze onderneming.” Toen detective Marholm van het geval hoorde, bedwong hij met moeite zijn lachen en sprak tot inspecteur Baxter: „Gij zijt zeer vernuftig; ik zou in mijn heele leven niet op dat denkbeeld zijn gekomen.” „Niet waar? Een gelukkige gedachte,” herhaalde Baxter vol trots. „Denkt gij ook niet, dat wij nu succes zullen hebben?” Detective Marholm glimlachte, tot groote ergernis van inspecteur Baxter en antwoordde: „Ja, een koe kan af en toe ook wel eens een haas vangen.” „Hoe bedoelt gij dat?” vroeg zijn chef, waarop Marholm schouderophalend zei: „Ik bedoel, dat het best mogelijk is, dat dit zaakje u zal gelukken.” „Dat doet mij genoegen”, gaf Baxter ten antwoord en voor het eerst sinds zijn terugkomst uit Bremen schudde hij zijn secretaris vriendschappelijk de hand. Nu geloofde hij zelf ook in het aanstaande succes. ZESDE HOOFDSTUK. DE GEVANGENNEMING. Raffles was in het telegraafkantoor van zijn eigen huis en Charly Brand bevond zich bij hem. Het Morse-toestel tikte regelmatig en Raffles las met groote oplettendheid, wat de papierstrook voor nieuws bevatte. Het waren telegrammen van de Engelsche Bank, welke deze naar een harer filialen zond en wel volgens een nieuw cijfersysteem, dat Raffles nog niet kende. „De Bank heeft een ander cijferschrift aangenomen,” sprak Raffles tot zijn vriend, „ik had het reeds verwacht, nadat ik inzage had genomen in een geheele serie telegrammen en ik zal er eenige uren aan besteden om dit schrift te leeren ontcijferen.” Hij seinde, na een vertraging van tien minuten, de opgenomen telegrammen nauwkeurig volgens hun inhoud verder en schakelde daarna zijn toestel weer uit. Nu begaf hij zich met de papierstrook naar studeerkamer. Urenlang zat hij aan zijn schrijftafel en probeerde de getallen in woorden of letters om te zetten. „Ik vergelijk mijzelf,” sprak hij tot Charly Brand, „met iemand, die een prijsraadsel zit op te lossen en wel een heel ingewikkeld. „Een interessant werk voor gezonde hersens.” „Ik zou het niet klaarspelen,” meende Charly. Brand, terwijl hij vol bewondering zijn vriend en meester aanzag, die reeds een tiental velletjes papier met getallen en woorden had volgeschreven. Tot middernacht zat Raffles over zijn werk gebogen. Toen sprong hij op en riep: „Ik heb het gevonden! De telegrammen zijn ontcijferd!” Bij die woorden keek hij naar den cigarettenrook, die zoo dicht in de kamer hing, dat alles als in een sluier was gehuld. „Charly,” riep hij uit, „ik geloof, dat ik vijftig cigaretten heb opgerookt om het cijfersysteem van de Engelsche Bank uit te vinden. „De dikke Londensche mist kan niet ondoordringbaarder zijn dan deze damp. Zet het raam open.” Charly Brand voldeed aan den wensch van zijn vriend, terwijl deze zich gereed maakte om uit te gaan. „Waar wil je naar toe?” vroeg Charly. „Ik heb honger gekregen”, antwoordde Raffles, „alsof ik in twee dagen niet had gegeten en slootgraverswerk had verricht. Het was geen gemakkelijk zaakje. „Ga met mij mee, wij zullen naar een goed restaurant aan het Strand gaan.” Samen gingen zij, ondanks het vergevorderde uur, naar een voornaam café. Niet ver van hen zat aan een klein tafeltje een schijnbaar welgesteld heer met een dame in druk gesprek. Toen Raffles binnentrad, klemde hij zijn monocle vaster in zijn oog en keek hem met groote opmerkzaamheid aan. Raffles was gewend, opgemerkt te worden door zijn bijzonder knap uiterlijk en bekommerde zich daarom niet om de onbescheiden blikken van den heer. „Voor den duivel”, mompelde deze binnensmonds, „dat noem ik geluk hebben. Daar zit hij, dien ik zoek, John Raffles.” Het was Raoul Navazka, die dit tot zichzelf zei. Hij had de vijftig pond sterling gebruikt om een prettigen avond te hebben met een demi-mondaine. Tot nu toe had hij er nog niet ernstig over gedacht, zich bezig te houden met de opdracht van den inspecteur van politie. Lichtzinnig als hij was; was hij zeer verheugd, aan de handen der politie ontkomen te zijn; hij leefde slechts voor het oogenblik. En nu kwam het toeval hem te hulp. Volgens het signalement, dat hij van inspecteur Baxter had gekregen, moesten de beide heeren, die juist waren binnengekomen, de gezochte individuen zijn. „Een groote brutaliteit”, vervolgde de oplichter tot zichzelf, „zoiets zou ik nooit durven! „Daar bezoekt die man, die door de geheele Londensche politie wordt gezocht, zulk een bekend restaurant en soupeert met een kalmte, alsof hij de koning van Engeland was.” John Raffles en Charly Brand namen zoo weinig notitie van den ander, alsof hij een vlieg ware. Raoul Navazka overlegde, wat hij zou doen. Langen tijd was hij in tweestrijd, of hij Scotland Yard telefonisch zou meedeelen, wat er gaande was, dan wel of hij de waarschijnlijk meer voordeelige partij zou kiezen, naar Raffles gaan en hem tegen een flinke belooning vertellen, welk gevaar hem boven het hoofd hing. De gewetenloosheid, welke den meesten avonturiers eigen is, ried hem aan, twee vliegen in één klap te slaan, eerst Scotland Yard bericht te geven, ten einde duizend pond te krijgen en daarna Raffles zooveel mogelijk af te persen. Het viel Charly Brand eindelijk op, dat de onbekende hen onophoudelijk met zijn oogen volgde en hij maakte hierop zijn vriend opmerkzaam. John Raffles keek vluchtig naar het tafeltje, waaraan Raoul Navazka zat en sprak: „Die man is een oplichter, hij interesseert mij niet.” Toch keek Charly Brand nog telkens naar den heer, die door Raffles een oplichter werd genoemd en hij zag, dat deze opstond en naar de telefoon liep naast het buffet. Dat verbaasde den ander. Sinds men hem gevangen genomen had, was hij uiterst wantrouwend geworden en zag hij in iedereen, die hem scherp aankeek, een detective. Hij verontschuldigde zich bij Raffles en stond op. Langzaam slenterde hij naar het buffet, dat hij bereikte op hetzelfde oogenblik, waarin de vreemdeling aansluiting vroeg met het hoofdbureau van politie Scotland Yard. Deze woorden wekten de belangstelling van Charly in de hoogste mate op. Hij ging naar het buffet en zocht op zijn gemak eenige merken uit van de sigaren, die daar te koop lagen. Hierdoor was het hem gemakkelijk, het gesprek van den oplichter met Scotland Yard te hooren. Hij schrok hevig, toen hij duidelijk verstond, dat de onbekende Scotland Yard mededeelde, dat John Raffles zich in het restaurant bevond. Raoul Navazka kon hem niet zien en toen hij de telefoon weer ophing, was Charly Brand reeds weer naar Raffles teruggegaan. „Wij zijn verraden”, fluisterde Charly zijn vriend toe, terwijl hij aan het tafeltje plaats nam. „Laat ons dadelijk weggaan. Er dreigt ons groot gevaar.” Raffles glimlachte, stak een sigarette aan en antwoordde met de grootste onverschilligheid: „Je ziet spoken, beste vriend. Je bent zenuwachtig geworden.” „Neen!” sprak Charly opgewonden, „luister, wat ik zooeven aan de telefoon hoorde.” Gejaagd deelde hij Raffles den inhoud mede van het afgeluisterde gesprek. De oplichter was ook naar het buffet gegaan en had daar een klein briefje geschreven. Dit gaf hij nu aan den oberkellner, wees hem Raffles aan en verzocht hem, dien heer het briefje te overhandigen. Een uitdrukking van ergernis kwam op zijn gelaat, want hij zag, dat Raffles en Charly Brand zich juist gereed maakten om het restaurant te verlaten. Bliksemsnel bedacht hij, dat Raffles misschien zijn telefoongesprek had afgeluisterd. Maar hij begreep toch, dat dit bijna onmogelijk was. Maar zijn plan zou in duigen vallen, als Raffles het restaurant verliet. Lord Lister had zijn pelsjas reeds aangetrokken, toen de oberkellner hem het briefje overhandigde. Verbaasd nam de groote onbekende het aan en las: „Ik wensch u te spreken, Raffles! EEN COLLEGA.” De oplichter zag het vroolijke spotlachje niet, dat bij het lezen dezer woorden over het gelaat van Raffles vloog. „Zeg tegen den heer”, zoo wendde hij zich tot den oberkellner, „dat bij maar bij mij moet komen.” Eenige oogenblikken later naderde de zwendelaar Raffles, een beleefde buiging makende, die door den ander zeer uit de hoogte werd beantwoord. „Graaf Salden”, zoo stelde Navazka zichzelf voor, wat een nieuw spotlachje op Raffles gelaat te voorschijn riep. „Gij wenscht?” vroeg Lord Lister, terwijl hij zijn handschoenen aantrok. „Ik moet u dringend spreken”, antwoordde Raoul Navazka. „Dan moet gij met mij meegaan naar de Club. Ik heb daar een afspraak en kan hier niet langer blijven.” Raoul Navazka dacht even na. Hij vreesde terecht, dat Raffles hem naar een club zou brengen, die hem geheel onbekend was. Raffles zou hem zeker ontsnappen. „Als gij het goed vindt, vergezel ik U”, sprak hij, niettegenstaande dat, vastberaden. „Het zal mij een waar genoegen zijn, u mee te nemen”, antwoordde Raffles. De zwendelaar maakte een buiging, ging naar zijn tafeltje, betaalde zijn vertering en sprak met de dame een later rendez-vous af. Vóór alles moest hij nu beproeven, in gezelschap van Raffles te blijven, opdat hij onderweg een betere gelegenheid kreeg hem aan de detectives over te leveren. Voordat hij Raffles uit het restaurant volgde, sprak hij tot den oberkellner: „Er zullen hier eenige kennissen voor mij komen. „Zeg tegen de heeren, dat ik telefonisch bericht zal zenden, waar ik mij bevind. Ik had graag, dat de heeren dan bij mij kwamen. Vraag, of zij zoolang op mij willen wachten.” Nu verliet hij het lokaal en volgde Raffles, die hem reeds buiten wachtte. Deze had een automobiel aangeroepen en Raoul Navazka nam daarin plaats met Lister en Charly Brand. Raffles had den chauffeur het adres reeds opgegeven. Er waren nauwelijks vijf minuten verloopen, toen een politieauto voor het restaurant stilhield en Baxter, vergezeld door verscheiden detectives, het lokaal binnensnelde. Maar tevergeefs zocht hij naar Raffles, totdat de oberkellner hem de boodschap van Raoul Navazka overbracht. Mistroostig nam de inspecteur met zijn beambten aan een tafeltje plaats, waar hij op het bericht wachtte, dat de zwendelaar hem zou zenden. Raffles was intusschen voor de Sandwich-club aangekomen en met Charly Brand en Navazka een kleine conversatiezaal binnengegaan. Nauwelijks hadden zij hun jas en hoed aan den bediende afgegeven, toen Raoul Navazka een voorwendsel zocht, om zich eenige oogenblikken te verwijderen. Hij wilde inspecteur Baxter per telefoon meedeelen, dat hij zich met Raffles in de Sandwich-club bevond. Maar Raffles sprak glimlachend: „Gij zult moeten toestaan, dat onze zaak eerst moet worden afgehandeld. Gij weet, dat mijn tijd zeer beperkt is. Deel mij dus mee, wat gij wenscht.” De oplichter zag, dat Raffles blijkbaar verraad vreesde en goed oppaste. Hij nam daarom plaats en begon: „Ik was gisteren nog een gevangene en ben slechts op één voorwaarde uit Scotland Yard vrijgelaten.” „En die conditie is?” vroeg Raffles, hem met ijskouden blik aanziende. „Misschien kunt u ze raden?” vroeg Navazka. Raffles haalde de schouders op en maakte een beweging, alsof hij het niet kon raden. In werkelijkheid was hij nu echter van de zaak reeds volkomen op de hoogte. Maar hij vond het prettig, onder sommige omstandigheden niet voor al te snugger te worden aangezien. „Men beloofde mij duizend pond, als ik zou zorgen dat men u gevangen kan nemen”. „Duizend pond sterling?” vroeg Raffles lachend, „dat vind ik een belachelijk klein bedrag voor zulk een waardevolle vangst als ik ben. Inspecteur Baxter schijnt slecht bij kas te zijn, sinds ik die heb leeggehaald!” „Best mogelijk”, antwoordde de avonturier, „dat kan mij ook niet schelen. „Ik weet alleen, dat ik die duizend pond zou kunnen verdienen, als ik nu naar de telefoon ging en Scotland Yard bericht gaf of op een andere wijze de zaak opknapte.” Raffles stak een cigarette aan, zoodat de ander de spottende uitdrukking op zijn gelaat niet kon zien. Er ontstond een pauze. Raffles deed, alsof hij ernstig over de zaak nadacht. „Gij zult toegeven”, vervolgde de zwendelaar, „dat ik u op het oogenblik ongetwijfeld in mijn macht heb. „Ik zou u gemakkelijk door een der clubbedienden kunnen laten bewaken, totdat de detectives van Scotland Yard hier waren”. „Ik zie dat volkomen in”, antwoordde Raffles, „maar ik vermoed, dat gij genoeg man van zaken zijt, om dergelijke aangelegenheden van een practisch standpunt te behandelen. Luister eens: „Ik bied u vijfduizend pond sterling, onmiddellijk betaalbaar, als gij mij niet verraadt”. De oogen van Raoul fonkelden van hebzucht, toen hij het hooge bedrag hoorde, dat Raffles hem bood. „Sta mij toe, dat ik u voorstel aan een mijner vrienden, graaf Rammler.” Raffles maakte een handgebaar naar Charly Brand en stelde hem onder dezen vreemden naam voor. „Ik verzuimde dit tot dusverre”, verontschuldigde Raffles zich, „en antwoord mij nu, of gij op mijn voorstel ingaat”. „Natuurlijk”, antwoordde Raoul Navazka met een dankbaar lachje. „In orde”, sprak Raffles, zijn portefeuille te voorschijn halende. „Ik heb in deze portefeuille ongeveer zevenduizend pond sterling. Daarvan heb ik misschien nog tweeduizend pond noodig, omdat ik in de Club de bank moet houden. Ik ben er op gesteld, den nacht hier ongestoord door te brengen. „Maar het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij, zoodra gij de club verlaat, Scotland Yard toch bericht zendt, om de premie van inspecteur Baxter te verdienen. „Daarom verzoek ik u in gezelschap van graaf Rammler in de speelzaal te blijven en de club eerst morgenochtend te verlaten. „Ik betaal u dan, behalve de vijfduizend pond, welke ik u dadelijk geef, nog duizend als extra belooning, neemt gij dit aan?” „Gaarne”, antwoordde Raoul Navazka, beleefd buigend. Raffles gaf den man zijn portefeuille, waaruit hij eerst tienduizend pond had genomen en sprak: „Tel, alstublieft, den inhoud na”. Navazka deed het en antwoordde: „Het is in orde; er zijn vijfduizend pond sterling in, ik dank u. De zaak is afgedaan”. Als goede vrienden ging Raffles met den zwendelaar en Charly Brand, die in de club bekend stond als graaf Rammler, naar de speelzaal, waar op een groene tafel een roulette stond. Raffles en Charly Brand hadden, toen zij buiten op Raoul Navazka stonden te wachten, hun plan, om den avonturier onschadelijk te maken, voldoende in elkaar gezet. De oplichter vermoedde niets, en meende volkomen zeker te zijn van zijn zaak. Af en toe voelde hij in zijn borstzak om zich te overtuigen, dat de portefeuille nog aanwezig was. Raffles nam de bank over en het spel begon dadelijk met vrij hoogen inzet. Er was ongeveer een half uur voorbijgegaan, waarin de oplichter had gezien, dat Raffles met veel geluk bankhouder was, toen Charly Brand, de zoogenaamde graaf Rammler, plotseling blijkbaar bijna doodelijk verschrikt in een der zakken van zijn rok zocht, daarop naar de deur snelde en, terwijl hij daarvoor ging staan, een revolver te voorschijn haalde en uitriep: „Heeren, ik ben bestolen! Niemand verlaat dit lokaal!” Een pijnlijke stilte volgde, het spel werd niet doorgezet en iedereen keek vol spanning naar graaf Rammler, die de deur bewaakte. „Wat is er gebeurd?” vroeg Raffles, de speeltafel verlatend. „Men heeft mij bestolen!” riep graaf Rammler opnieuw, „men heeft mij mijn portefeuille gerold! „Ik verzoek u en een der andere leden van de club, om alle aanwezige heeren te fouilleeren. „Het is een quaestie van vijfduizend pond sterling!” Een der bestuursleden van de club, een zekere Lord Euston, ging naar graaf Rammler toe en wendde zich daarna tot de andere leden. „Heeren!” riep hij, „het gebeurde is zeer onaangenaam en moet dadelijk worden opgehelderd. Ik verzoek u daarom, mij toe te staan, dat ik u fouilleer.” Daarop vroeg hij aan Charly Brand: „Verdenkt gij iemand, graaf?” Graaf Rammler fluisterde Lord Euston in het oor: „Ja, ga met mij mee!” Raoul Navazka had de geheele zaak met onverschillig uiterlijk bijgewoond. Hij zat met het veilig gevoel van iemand, die niets te vreezen heeft, in een der fauteuils een sigaar te rooken. Hij voelde zich zeer voornaam, nu hij dezen keer eens werkelijk niets gestolen had. Verschrikt sprong hij op, toen Lord Euston en graaf Rammler op hem toetraden. „Sta mij toe, dat ik uw zakken onderzoek, mijnheer”, sprak Lord Euston. „Het spijt mij”, antwoordde de oplichter, „ik heb niets in mijn zakken, dat u zou kunnen interesseeren”. „En toch zou ik graag eens willen kijken”, hield Lord Euston vol. Voordat Raoul Navazka het kon beletten, haalde Lord Euston uit een der borstzakken van den zwendelaar, behalve eenige brieven, de portefeuille te voorschijn, die Raffles hem had gegeven. Nauwelijks had Charly Brand deze gezien, of hij riep uit: „Aha, heeren! Dat is mijn eigendom! Schurk, hoe kom je in het bezit van mijn portefeuille?” Navazka zette bij deze beschuldiging zulk een verbaasd gezicht, dat Charly Brand moeite had om niet in lachen uit te barsten. Alle aanwezige heeren omringden den avonturier en overlaadden hem met uitdrukkingen van verontwaardiging. Eerst nu begon Raoul Navazka te begrijpen, in welke gevaarlijke positie hij zich bevond. „Wel duivels!” riep hij uit, „wat is dat voor een ongepaste aardigheid! Die portefeuille kreeg ik een half uur geleden van dien heer”,—hij wees naar Raffles, die, terwijl hij een cigarette rookte, spottend naar hem keek. „Wat?” riep Lord Euston uit, „Lord Gravenshall!”—onder dien naam stond Raffles in de club bekend—„heeft u hem deze portefeuille gegeven?” Alle heeren lachten. Raffles naderde Lord Euston en sprak: „De kerel probeert zich er handig uit te liegen.” „Wat?” riep Raoul Navazka, „durft gij mij van leugens te beschuldigen? Voor den duivel, ik zal u den nek breken! Gij hebt mij zelf deze portefeuille in tegenwoordigheid van graaf Rammler gegeven, opdat ik u niet aan de politie zou verraden. „Want, heeren, deze man is niet Lord Gravenshall, maar John Raffles, de meesterdief!” Een nieuw gelach weerklonk van de lippen der aanwezige clubleden. „Die man is een komiek!” riep Lord Euston uit, „wat moeten wij met hem aanvangen?” „Aan de politie overleveren!” riepen verscheiden stemmen tegelijk. „Gij hebt gelijk,” vond Raffles, „laat ons de politie waarschuwen, opdat die hem in veilige bewaring brengt.” De bediende moest Raoul Navazka in een der vertrekken opsluiten, wat onder luid protest van den zwendelaar gebeurde. Daarop vertrokken de heeren, want de meeste van hen waren niet gesteld op een ontmoeting met de detectives en eventueele verhooren. Toen Raffles zijn pelsjas aantrok, kwamen de detectives van het naaste politiebureau juist het gebouw binnen. Raffles hoorde, hoe Lord Euston hun het geval uitlegde en tot hen sprak: „Wilt u mij volgen?” Daarop reed Raffles met Charly Brand in een huurrijtuig naar huis en eenige minuten later zat Raoul Navazka weer in een der cellen van de Londensche gevangenis, waar hij erover kon nadenken, hoe hij de duizend pond van inspecteur Baxter op een andere wijze zou kunnen verdienen. Zijn bewijs van invrijheidstelling had Raffles hem met andere schrifturen afgenomen. Den volgenden dag werd de oplichter in Scotland Yard voor inspecteur Baxter gebracht. „Waar komt gij vandaan?” vroeg deze, terwijl hij den binnentredende, die zwaar geboeid was, verbaasd aankeek. „Van Raffles”, antwoordde Raoul Navazka met een verdrietige uitdrukking op bet gelaat, „hij heeft mij gevangen laten nemen.” „Prachtig!” riep detective Marholm, „schitterend! Ik had iets dergelijks reeds vermoed. „In plaats dat deze man Raffles gevangen neemt, stuurt Raffles hem op deze wijze aan ons terug. „Gij zult in uw heele leven de duizend pond niet verdienen. „Gij zijt zoowel voor detective als voor misdadiger te dom!” „Houd uw opmerkingen voor u en bemoei u met uw werk!” riep Baxter woedend, „ik geef de hoop niet op, dat het Raoul Navazka toch nog zal gelukken om Raffles te vangen. Dat, wat hem is overkomen, kan iedereen gebeuren.” Hij nam den oplichter mee in een ander vertrek, opdat detective Marholm niet zou hooren, wat zij samen bespraken. „Ik ben ervan overtuigd”, zoo begon hij, „dat gij er naar verlangt, u op Raffles te wreken!” „De duivel hale dien kerel!” bromde de avonturier, „het liefst zou ik hem neerschieten, zoodra ik hem weer ontmoet. En ik denk wel, dat ik hem terug zal vinden, want in de portefeuille, die hij mij gaf en die hij mij daarna weer liet afnemen, onder de zware beschuldiging, het ding te hebben gestolen, vond ik een visitekaartje, waarop een adres stond. Ik ben van meening, dat het het adres van Raffles is!” „Waar is dat visitekaartje?” vroeg inspecteur Baxter, „geef het mij eens. Ik zal het huis van Raffles dadelijk laten omsingelen en hemzelf, als hij er aanwezig is, gevangen nemen.” „Het spijt mij”, antwoordde Raoul Navazka, „ik bezit het kaartje niet meer. Het bevindt zich in de portefeuille, die Raffles mij weer afnam.” „Gij zijt inderdaad een ongeluksvogel”, antwoordde inspecteur Baxter, „maar misschien herinnert gij u nog het adres, dat op het kaartje stond.” „Zoo ongeveer, maar ik geloof, dat ik binnen een paar dagen zal hebben uitgevonden, welk nummer de woning van Raffles aan het Waterlooplein draagt. „Vóór alles heb ik daarvoor geld noodig!” „Natuurlijk”, sprak de inspecteur van politie, „ik zal u dadelijk honderd pond sterling bezorgen en u tevens een detective meegeven.” „Dank u”, antwoordde Raoul Navazka, „de honderd pond sterling kan ik wel gebruiken, maar den detective niet, die zou mij maar tot last zijn bij mijn navorschingen.” Na een kwartier verliet de zwendelaar voor den tweeden keer het hoofdbureau van politie om de jacht op Raffles te vervolgen. Toen detective Marholm van het geval hoorde, dacht hij: „De inspecteur is werkelijk ten einde raad. Jammer van de honderd pond en van de leege cel. „Maar zoo is onze vriend Baxter nu eenmaal: als hij eens voor een enkel keertje werkelijk een goede vangst heeft gedaan, dan laat hij die weer loopen!” ZEVENDE HOOFDSTUK LETTER R. 100. „Wat voor belangrijks zie je op straat?” vroeg Charly Brand zijn vriend, die, verborgen achter een Turksch gordijn, aan het venster stond en minutenlang met groote aandacht naar buiten keek. „Ken je dien man?” informeerde Raffles, „die daar met den rug naar ons toe met een huurkoetsier staat te praten?” „Neen,” antwoordde Charly Brand, „wat is er met dien man?” „Ik kijk al tien minuten naar hem en kon hem eerst niet herkennen, omdat hij zijn hoed zoo over het voorhoofd heeft getrokken. „Hij keek met de grootste belangstelling naar alle huizen en las de namen op de bordjes. „Ik heb hem herkend, het is onze oude vriend, de oplichter en spitsboef van Scotland Yard.” Nu was het gesprek, dat Raoul Navazka (deze was het inderdaad) met den koetsier had gevoerd, uit en langzaam liep hij weer langs de huizenrij. Ook Charly herkende hem nu. „Hoe kan de kerel weten, dat wij aan het Waterlooplein wonen?” vroeg Charly Brand. „Ik herinner mij nu,” antwoordde Raffles, „dat ik een groote domheid heb begaan door mijn visitekaartje in de portefeuille te laten zitten. „Hij zal het adres gelezen hebben en zich dit nog zoo ongeveer herinneren. „Dat is een vervelende geschiedenis, ik zou niet graag ter wille van dezen man ons gezellig huis hier verlaten.” Hij keek den zwendelaar met groote belangstelling na: „Hij schijnt den naam, die op het kaartje stond, te hebben vergeten, ook het nummer. Maar ik zal hem op een verkeerd spoor brengen, dat zal een aardige mop worden. „Kleed je en ga met mij mee.” Na eenige oogenblikken verlieten beide heeren het huis door een achterdeur. Alle gebouwen aan het plein hadden aan elkaar grenzende tuinen, die nu in den winter kaal en verlaten waren. Zij waren door lage heggen van elkaar gescheiden. Het liep tegen vier uur en een dunne mist deed de duisternis vroeg invallen. Beschut door dezen nevel klauterden zij tot in den tuin van het veertiende huis, op den hoek van het plein. Hier woonde, zooals Raffles wist, Miss Webster, een oude, voorname dame, die een liefhebster was van katten en honden. Het gelukte hun, het huis van Lady Webster ongemerkt van de achterzijde binnen te sluipen en door de huisdeur, die op het plein uitkwam, weer te verlaten. Bij het openen der deur klonk een bel en een oude bediende snelde de gang in. Denkende, dat Raffles van het Waterlooplein het huis was binnengekomen, vroeg hij, wat mijnheer wenschte. „Pardon,” antwoordde Raffles terwijl hij den ouden man een shilling gaf, „kunt gij mij ook zeggen, waar hier in de buurt een zekere Mr. Vanderfeldt woont?” „Neen, mijnheer,” antwoordde de portier, „het spijt mij, dat ik u niet kan inlichten.” „Dank u,” sprak Raffles, hij nam zijn hoed af en verliet het huis. Een klein tuintje scheidde het huis van het plein, Hierin bleef Raffles staan, tot Charly Brand zeggende: „Ga nu naar links, naar den kant, waar de spion van de politie staat, doe alsof je hem niet ziet en breng mij een rijtuig naar dit huis. Ik wacht hier.” Charly Brand ging links het plein op en op eenige schreden afstand van het huis zag hij den politiespion naar hem toekomen. Deze zag Charly Brand dadelijk. Om niet herkend te: worden, liet de oplichter zijn sigaar vallen en bukte zich om deze op te rapen, juist toen Charly Brand hem passeerde. Hij zag dat deze een rijtuig nam en daarmee terugkeerde naar het huis van Lady Webster, waar zeker de groote onbekende moest wonen. Een straal van vreugde blonk in de oogen van Raoul Navazka, toen hij Raffles het bordes af zag komen en in het rijtuig stappen. Nauwelijks was het rijtuig weggereden, of Raoul Navazka snelde naar het huis en noteerde het nummer ervan. Met een triomfantelijk lachje liep hij nu het plein over, nam eveneens een rijtuig en riep tot den koetsier: „Rijd zoo snel mogelijk naar Scotland Yard, ik betaal u het dubbele!” Inspecteur Baxter wilde juist zijn bureau verlaten om te gaan dineeren, toen een der beambten Raoul Navazka binnenleidde. „Wat wilt gij?” vroeg Baxter, „hebt gij Raffles gevonden?” „Ja,” antwoordde Raoul, „ik heb hem zooeven uit zijn huis aan het Waterlooplein zien komen en in een rijtuig stappen.” „Is dat inderdaad waar?” vroeg inspecteur Baxter met een uitdrukking van twijfel op het gelaat. „Zeker!” sprak Raoul, „en ik moet u verzoeken, voordat ik u het adres meedeel, mij de beloofde duizend pond sterling uit te betalen. Want ik behoef u, volgens onze overeenkomst, slechts mee te deelen, waar gij Raffles gevangen kunt nemen.” „Ik vind, dat het tijdig genoeg is, als wij er ons van hebben overtuigd, dat uwe mededeelingen op waarheid berusten,” antwoordde Baxter, „wijs mij eerst het huis, ik zal u het geld uitbetalen!” Raoul begreep zeer goed, dat de inspecteur van politie brandde van verlangen om Raffles in hechtenis te nemen. „Het spijt mij,” antwoordde hij daarom, „ik blijf bij mijn voorstel. Gij betaalt mij duizend pond sterling, daarna breng ik u naar de woning van Raffles.” Inspecteur Baxter zag in, dat hij met dezen zwendelaar niet veel verder zou komen. Hij belde en gaf een beambte het bevel, hem uit de kas der politie een chèque van duizend pond sterling te brengen. Maar ook hiermee nam Raoul Navazka geen genoegen. „Geef mij het bedrag in geld, heer inspecteur”, sprak hij, „ik kan met een chèque niets meer uitrichten.” Inspecteur Baxter werd zenuwachtig. „Kom,” antwoordde hij, „ik zal zien of het bedrag in onze kas voorhanden is.” Hij ging naar den kassier van Scotland Yard en ontving van dezen het geld. Nadat Raoul Navazka het had weggeborgen, sprak hij: „Laat ons nu naar het huis gaan.” Vergezeld door een paar dozijn beambten verliet inspecteur Baxter Scotland Yard, om eindelijk Raffles gevangen te nemen. Deze was intusschen met een ander rijtuig uit de stad teruggekeerd en had een cijfertelegram verzonden aan Het filiaal der Engelsche Bank te Brighton, van den volgenden inhoud: „Deponeer onder couvert, letter R. 100, bij den kassier van het badhotel een bedrag van vijfduizend pond sterling ten onzen laste. Wij zullen u morgen, daar het nu reeds te laat is, de chèque toezenden. De directeur Charly Ruster.” Het was precies halfvijf, toen Raffles dit telegram overseinde. „Ik wil,” sprak hij tot Charly Brand, „nog een grapje met den bankdirecteur uithalen. „Om vijf uur wordt de Bank gesloten en daarna kan de chef van het filiaal in Brighton telegrafisch, noch telefonisch den directeur meer bereiken. „Nu gaan wij met den avondtrein naar Brighton en keeren vannacht terug. Het is een reis voor zaken, die wel de moeite zal loonen. Herinner er mij even aan, dat ik vannacht de couranten bericht zend van mijn laatste werk, opdat de directeur van de Bank niet weer onjuiste berichten op kan geven.” Toen Raffles per rijtuig met Charly Brand naar het station reed, ontmoette hij verscheiden gesloten auto’s, die hij dadelijk als politiewagens herkende. Hij wees ze Charly en sprak lachend: „De jacht van den inspecteur van politie op Raffles!” Baxter verdeelde zijn beambten zoodanig, dat niemand het huis, dat hem door Raoul Navazka was aangewezen, kon verlaten. Daarop wachtte hij, of Raffles en Charly Brand misschien nog moesten thuis komen. Maar de helder verlichte ramen en de schaduwen, welke af en toe op de gordijnen zichtbaar waren, gaven hem de overtuiging, dat de beide vrienden reeds weer thuis moesten zijn. Tegen tien uur in den avond gaf hij zijn detectives bevel, het huis te bezetten. Hij belde zelf en toen de oude, grijze portier de huisdeur opende en met verbaasd gelaat vroeg, wat mijnheer wenschte, hield deze hem een revolver voor en riep: „Gij zijt mijn gevangene! Geef geen geluid en waag het niet, u te verdedigen. Hier is mijn ambtspenning. Ik ben de inspecteur van politie van Scotland Yard.” Doodelijk verschrikt staarde de oude man den woedenden inspecteur aan en stamelde: „God in den Hemel! Wat wilt gij van mij? Ik ben 70 jaar oud en heb nog nooit in mijn leven iets met de politie te maken gehad!” „Zwijg!” riep inspecteur Baxter, „wat gij gedaan hebt, zal u morgen door den rechter worden meegedeeld. Volg de beambten naar het rijtuig.” Twee detectives namen den bevenden, snikkenden oude in hun midden en brachten hem naar hun auto. Nu begon Baxter het huis door te zoeken. „Vindt gij ook niet,” vroeg detective Marholm zijn chef, „dat het hier zeer sterk naar katten en honden riekt?” „Ja,” antwoordde de inspecteur, „waarschijnlijk houdt Raffles er van die beesten op na. Volg mij nu naar boven.” Met de geladen revolver in de hand stiet hij de deur der woonkamer open en in het volgende oogenblik overschreed hij den drempel van een deftig ingericht vertrek, waarin een oude dame in een leunstoel zat. Verbaasd keek zij de binnentredenden aan en vroeg: „Wat wenscht gij van mij?” Inspecteur Baxter aarzelde een oogenblik, toen hij de oude dame zag. Daarop echter riep hij, terwijl hij aan de verschillende vermommingen dacht, waarvan Raffles reeds gebruik had gemaakt: „Gij misleidt mij niet. Voorwaarts, mannen! Daar in dien stoel zit Raffles! Hij wil ons zooals reeds meermalen is gebeurd, weer bedriegen.” Met opgeheven revolver naderde hij de oude dame, die bleek van schrik in haar stoel achterover zonk. „Mijn God,” fluisterde zij, „zijt gij krankzinnig? Wat wilt gij van mij?” Detective Marholm, die alleen was meegegaan om te zien, welke domheden de inspecteur van politie nu weer zou uithalen, zag dadelijk, dat dit een oude dame en volstrekt niet John Raffles was. „Zijt gij door den duivel bezeten, inspecteur?” riep hij, zijn chef van de oude dame wegtrekkende, „deze dame zou hoogstens de moeder van Raffles kunnen zijn!” „Wie zou ik zijn?” vroeg Mrs. Webster. „John Raffles,” antwoordde detective Marholm, moeite doende om niet te lachen. „Gij vergist u,” sprak de dame, „mijn naam is Lady Webster.” Inspecteur Baxter keek nog altijd vol twijfel naar de oude vrouw. Nu begon ook hij te vermoeden, dat de vóór hem zittende inderdaad een dame en niet de verkleede John Raffles was. „Wij veronderstellen,” legde hij Mrs. Webster uit, „dat dit het huis is van den door ons gezochten John Raffles.” „Gij vergist u,” antwoordde de Lady, „dit huis is sinds veertig jaar mijn eigendom. Gij kunt hiernaar informeeren op het naaste politiebureau. Elke agent daar kent mij.” De op het plein dienstdoende politieagent werd naar binnen gehaald, om de verklaring van Lady Webster bevestigen. Voordat deze man kwam, doorzocht Baxter het huis. Toen hij een deur naast de woonkamer opende, sprong hem een groote, zwarte kater tegemoet, gevolgd door een menigte katten en honden. De dieren snelden allen de kamer hunner meesteres binnen. „Daar is Raffles!” riep detective Marholm lachend. De geheele zaak kwam hem als een vermakelijke comedie voor. „Waar?” vroeg Baxter, zijn revolver gereed houdende. „Daar!” antwoordde Marholm, op den zwarten kater wijzend. De inspecteur uitte een vloek, terwijl de oude dame sprak: „Het dier heet niet Raffles, maar Murphy.” „Houd uw grappen voor u,” riep Baxter, „gij zijt in dienst, detective Marholm! Wij hebben andere dingen te doen. Ga met mij mee om de andere vertrekken van het huis te onderzoeken.” Zij liepen alle kamers door, zonder een enkel spoor van Raffles te ontdekken. Toen zij in de huiskamer van Lady Webster terugkeerden, waren daar reeds verscheiden agenten van het dichtst bijgelegen bureau van politie aangekomen, met verbaasde blikken hun chef aankijkend. „Aan wien behoort dit huis?” vroeg Baxter. „Aan Mrs. Marie Webster,” antwoordden de agenten. „Kent gij deze dame?” „Jawel,” luidde het antwoord, „de echtgenoot van deze dame was de bekende admiraal Webster. Wat wenscht gij van haar?” Inspecteur Baxter zette een verbazend verlegen gezicht, terwijl hij nu volle zekerheid had, dat hij in zijn blinden ijver om Raffles te vangen weer een grooten bok had geschoten. „Hoe komt het echter,” vroeg hij de oude dame, „dat een paar uur geleden Raffles en zijn vriend uit uw huis zijn gekomen en vóór dit huis per rijtuig zijn uitgereden?” „Dat weet ik niet,” sprak Lady Webster, „ik kan slechts herhalen, dat ik dezen mijnheer Raffles niet ken en dat ik nog nimmer heb omgegaan met lieden, die door de politie worden gezocht. „Ik leef alleen met mijn dieren.” „Breng den ouden bediende hier,” beval de inspecteur zijn detectives, en binnen eenige minuten stond deze voor zijn meesteres, aan beide handen zwaar geboeid. „Om ’s Hemels wil, Jack! Wat hebben zij met jou gedaan?” riep Mrs. Webster ontsteld uit. Met tranen in de oogen keek de oude man zijn meesteres aan en sprak: „Ik weet niet, wat ik misdaan heb. Die heer daar— —” hij wees naar den inspecteur van politie, „beval, om mij te boeien en mij op te sluiten.” „Kunt gij mij opheldering geven,” vroeg Baxter den bediende, „wat eenige uren geleden een paar heeren in pelsjassen hier in dit huis hebben gedaan?” „Jawel,” antwoordde de bediende. „Het was vanmiddag om ongeveer vier uur, toen twee heeren in pelsjassen en met hooge hoeden op door de huisdeur, die door de een of andere nalatigheid niet gesloten was, binnenkwamen. „Zij vroegen mij, terwijl de eene heer mij een shilling fooi gaf, of ik hun het adres kon opgeven van een zekeren mijnheer Vanderfeldt, die hier aan het Waterlooplein moest wonen. „Ik kon dit niet en daarna gingen de heeren heen.” Inspecteur Baxter plukte zenuwachtig aan zijn kortgeknipte snor, terwijl toorn en verlegenheid op zijn gelaat om den voorrang streden. Nu begreep hij volkomen, dat hij weer door Raffles voor den gek was gehouden en dat deze hem een groote domheid had laten begaan. Detective Marholm kon zijn lachen niet langer bedwingen. Het gelaat van den inspecteur was te grappig om er ernstig bij te blijven. Hij schaterde en riep uit: „Neem mij niet kwalijk, inspecteur, maar ik zou niet graag ongesteld willen worden. Mijn spijsvertering zou er onder lijden. Ik moet lachen, al zou het mij ook mijn betrekking kosten. „Daar hadden wij bijna een oude, eerbiedwaardige dame gevangen genomen en een grijsaard als zwaar misdadiger geboeid, en alleen de zwarte kater wacht er nog op om als John Raffles te worden weggebracht. Heilige barmhartigheid! Is me dat lachen!” Het geval was zoo vermakelijk, dat alle detectives en ook Mrs. Webster in lachen uitbarstten. Alleen inspecteur Baxter perste zijn lippen vast op elkaar. Met verbeten woede sprak hij op barschen toon tot een der detectives: „Ontdoe dien man van zijn boeien!” Daarop wendde hij zich tot Lady Webster en begon met een grooten woordenstroom zijn verontschuldigingen aan te bieden. De kater, die meende, dat Baxter zijn meesteres uitschold, blies nijdig en maakte een krommen rug, alsof hij den vreemden heer wilde aanvliegen. Nu gaf inspecteur Baxter bevel om naar Scotland Yard terug te keeren. Toen hij voor het huis stond, vroeg hij zijn beambten, waar Raoul Navazka was gebleven. Maar geen der detectives had hem gezien. Hij had zich ver van het arbeidsveld der politie verwijderd en was duizend pond rijker geworden. Toen Baxter in de auto zat, kermde hij van machtelooze woede en verzekerde, evenals na elke nederlaag, die lord Lister hem deed ondergaan: „Ik word krankzinnig, die Raffles maakt mij stapelgek!” Detective Marholm, die tegenover hem zat, antwoordde: „Dat zou erg jammer zijn voor Scotland Yard! „Stoor u voortaan eens meer aan mij en ga niet op zulke roekelooze dingen in. Gij zijt tegen Raffles niet opgewassen!” Toen Baxter in Scotland Yard aankwam, wachtte hem daar een nieuwe verrassing. Er was een brief voor hem gebracht en hij zag aan het adres, dat die van Raffles moest komen. De inspecteur was zoo zenuwachtig geworden, dat hij den brief niet durfde openen. Hij liet dit aan Marholm over. Toen deze den brief had gelezen, begon hij opnieuw te lachen en riep uit: „Deze man, die Raffles, maakt mij ook gek. Maar ik zal het niet worden uit zenuwachtigheid, maar omdat hij mij zooveel laat lachen, dat ik er niet tegen bestand zal zijn. „Luister eens, inspecteur, wat hij ons meedeelt: „Inspecteur van politie Baxter. Londen, Scotland Yard. Waarde heer! Met genoegen zag ik, dat gij heden langs mij zijt gereden, toen gij, een paar uur geleden, op jacht naar mij zijt uitgetrokken. Troost u over het feit, dat gij mij niet hebt gevangen. Het gebeurt den knapsten jager, dat het wild hem ontsnapt. Opdat gij weet, waarmede ik mij tijdelijk bezig houd, deel ik u mede, dat ik mij onder het adres R. 100 uit den onbeschaamden overvloed van geld, dien de Engelsche Bank nog steeds ten koste van het volk heeft, 5000 pond sterling laat geven. Als gij deze regels leest, ben ik reeds in het bezit van dat geld. Groet uw vriend en meester, den oplichter Raoul Navazka, of hoe hij zich anders moge noemen, en laat u niet verleiden, in uw grooten ijver om mij in handen te krijgen, een vogel, dien gij veilig in een kooi hadt, weer te laten vliegen. Deze Raoul Navazka was bij u uitstekend opgeborgen. Als gij soms een der katten van Mrs. Webster inplaats van mij hebt meegenomen, feliciteer ik u daarmee. Gij kunt namelijk een dergelijk dier zeer goed gebruiken in Scotland Yard. Want in de kelders ontdekte ik, toen ik daar den vorigen nacht een bezoek bracht, een massa muizen. Een kater zou daar zeer goede diensten kunnen bewijzen. Maar misschien bezit gij er zelf een. Met de meeste hoogachting voor uw persoon blijf ik gaarne Uw JOHN RAFFLES.” Dat was meer dan inspecteur Baxter kon verdragen. Hij raasde als een dolle stier. Raffles maakte hem bijna zinneloos. „Geef mij dien brief,” riep hij tot Marholm, „en beloof mij op uw eerewoord, dat van den inhoud niets bekend wordt. Ik zou voor altijd onmogelijk zijn gemaakt!” „Dat komt uit”, sprak detective Marholm, „en daar ik een groot egoist ben en u niet graag als chef zou verliezen, kunt gij er van verzekerd zijn, dat niemand iets van den inhoud van dezen brief te weten zal komen.” Tegelijk met inspecteur Baxter ontving ook de bankdirecteur Mr. Ruster in zijn particuliere woning een brief van Raffles, waarin deze hem voorstelde om voortaan hun beiden het leven gemakkelijker te maken en de politie buiten hun zaken te houden. Hij zou nu wekelijks een aantal chèques met het merk R. 100, tot een gezamenlijk bedrag van duizend pond sterling laten aanbieden en wel door arme lieden, wien hij de gelden naar eigen believen zou geven. Het werd eindelijk tijd, dat het opgehoopte kapitaal meer verdeeld werd onder de armen en niet alleen werd gebruikt voor soirées en partijen of dergelijke nuttelooze genoegens. „Mocht gij hierop niet willen ingaan,” zoo eindigde de brief, „dan zal ik het geld van u komen halen, ondanks den inspecteur van politie Baxter. „Spaar dus onnoodige verwikkelingen; ik hoop, dat gij mij nu kent. Antwoord mij zoo spoedig mogelijk per advertentie onder het adres R. 100, of gij mijn voorstel aanneemt. Hoogachtend, JOHN RAFFLES.” Eerst sloeg de bankdirecteur met de vuist op tafel, daarop riep hij Mr. Griffin en overlegde met dezen, wat hij moest doen. Mr. Griffin dacht even na en antwoordde daarop op ernstigen toon: „Heer directeur, ik zou u raden, het voorstel aan te nemen. Het is beter, dat wij het met Raffles op deze manier klaarspelen, dan dat hij op een goeden dag hier den heelen boel komt weghalen.” „Allright,” sprak Mr. Ruster, „boek wekelijks duizend pond sterling als liefdadigheidspost voor R. 100 en bezorg een advertentie voor het ochtendblad van de „Times”.” Met genoegen las Raffles den volgenden morgen in zijn courant de volgende advertentie: „R. 100. Zend uw chèques! Wij honoreeren deze onder voorwaarde, dat gij geen hoogere eischen stelt. BANK VAN ENGELAND.” Raffles liet een kruier komen, zond hem met zijn visitekaartje naar Mr. Ruster en verzocht dezen, om hem een chèqueboek van de Engelsche Bank te willen geven. Met dit chèqueboek begaf hij zich naar de armste wijken van Londen en overal, waar werkelijke ellende en armoede heerschten, gaf hij zijn met R. 100 gemerkte chèques af. Op deze wijze kon hij ten uitvoer brengen, wat altijd zijn streven was geweest: met milde hand de nooden der menschen lenigen. Zonder bezwaar te maken honoreerde de Bank van Engeland de chèques, welke in lompen gehulde, hongerige menschen bij haar kassiers kwamen aanbieden. En alsof het een sprookje was, dat zij lazen, zoo vernamen de Londenaars uit de couranten van de geheimzinnige chèques, die, onder het merk R. 100, aan de Engelsche Bank werden uitbetaald. *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0027: LETTER R. 100 *** Updated editions will replace the previous one—the old editions will be renamed. Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook, except by following the terms of the trademark license, including paying royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution. START: FULL LICENSE THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg™ License available with this file or online at www.gutenberg.org/license. Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works 1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. 1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work by people who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ electronic works. See paragraph 1.E below. 1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is unprotected by copyright law in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg™ License when you share it without charge with others. 1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country other than the United States. 1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: 1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed: This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. 1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work. 1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg™. 1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg™ License. 1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg™ website (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. 1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works provided that: • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.” • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ works. • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. • You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg™ works. 1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. 1.F. 1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment. 1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem. 1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions. 1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any Defect you cause. Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable by the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg™ and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine-readable form accessible by the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit www.gutenberg.org/donate. While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate. Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of volunteer support. Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition. Most people start at our website which has the main PG search facility: www.gutenberg.org. This website includes information about Project Gutenberg™, including how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.