The Project Gutenberg eBook of Koning Hendrik de Vierde

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Koning Hendrik de Vierde

Author: William Shakespeare

Translator: L. A. J. Burgersdijk

Release date: October 4, 2020 [eBook #63367]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KONING HENDRIK DE VIERDE ***


[Inhoud]

Nieuw ontworpen voorkant.

[473]

KONING HENDRIK DE VIERDE.

EERSTE DEEL.

Het tooneel is in Engeland.

[Inhoud]

EERSTE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in ’s Konings paleis.

Koning Hendrik, Westmoreland, Sir Walter Blunt en Anderen komen op.

Koning Hendrik.

Hoe diep geschokt, hoe bleek van zorg wij zijn,

Tijd vinden wij, dat de opgejaagde vrede

Uitblaze en hijgend spreek’ van nieuwen strijd,

Te voeren aan een ver verwijderd strand.

Niet langer zal de dorstige aard haar lippen

Met harer eigen kindren bloed hier verven,

Niet langer scherpe krijg haar velden ploegen,

Haar bloemen kneuzen met den ijz’ren tred

Van ’s vijands ros; die tegenstandersoogen,

Die, als eens donkren hemels meteoren,

Van één natuur, uit ééne stof verwekt,

Zich pas in ’t stormen en de woeste worstling

Der burgerslachting op elkander stortten,

Zij zullen nu, eendrachtig, saamgeschaard,

Denzelfden weg gaan, langer niet in twist

Met landgenooten, magen en verbond’nen; 16

Niet langer zal het krijgszwaard, als een mes

In slechte scheê, zijn eigen meester wonden.

Dies, vrienden, naar het verre graf van Christus,—

Wiens heilig kruis de vaan is, die tot krijgers

Van hem ons wijdt en ons tot strijden roept,—

Vereen’gen wij met spoed een Engelsch leger,

Welks armen in den moederschoot zich vormden

Ter jacht op heidnen in dat heilig land,[474]

Betreden door die zegenrijke voeten,

Die, ons tot heil, voor veertienhonderd jaar

Genageld werden aan het bitter kruis.

Doch dit ons plan, twaalf maanden is ’t reeds oud,

En zeiden we enkel dit: “wij gaan”, ’t waar’ nutt’loos;

Niet daarom zijn wij hier; laat dus mij hooren,

Van u, mijn waarde neef van Westmoreland,

Wat gistren avond onze raad besloot,

Om dien ons dierb’ren tocht nu door te zetten.

Westmoreland.

Mijn vorst, die spoed werd ijvrig overwogen,

En van de midd’len tot den krijg was gistren

Reeds veel bepaald, toen ons te kwader uur

Een bode uit Wales recht booze tijding bracht;

Het ergst is dit, dat de eed’le Mortimer

Die met zijn troep, in Herefordshire gelicht,

Glendower, den woesten Welschen hoofdman, aangreep,

Dien ruwen krijger zelf in handen viel;

Een duizendtal der zijnen werd geslacht;

En Welsche vrouwen hebben hunne lijken

Mishandeld, ja, zoo schandlijk en zoo dierlijk

Verminkt, dat schaamte een elk beletten moet,

Dit te beschrijven of er van te spreken.

Koning Hendrik.

En het bericht van dezen strijd,—zoo schijnt het,—

Heeft onze zaak van ’t Heilig land geschorst?

Westmoreland.

Ja, dit, met meer ontrustend nieuws, mijn vorst, 49

Want ruwer tijding, nog veel meer onwelkom,

Kwam uit het noorden aan, van dezen inhoud:

Op kruisverheffingsdag stiet dapp’re Heetspoor,

De jonge Hendrik Percy, daar op Douglas,

Den immer strijdb’ren en beproefden Schot,

Bij Holmedon,

Waar zij een boos en bloedig uur doorleefden,

Zooals de bode naar ’t kanongebulder

En verdren schijn van ’t slaggewoel vermeldt,

Want die de tijding bracht, steeg in de hitte

En hoogste woede van den strijd te paard,

Toen de afloop nog geheel onzeker was.

Koning Hendrik.

Hier staat een trouw en onvermoeibaar vriend,

Sir Walter Blunt, zoo pas van ’t paard gestegen,

Bespat met al het onderscheid van grond,

Dat tusschen Holm’don is en onzen zetel.

Die heeft ons glad en welkom nieuws gebracht.

De graaf van Douglas is geheel verslagen;

Tienduizend stoute Schotten, twintig ridders,

In eigen bloed gestapeld, zag Sir Walter

In Holm’dons veld; Heetspoors gevang’nen zijn:

Mordake, de graaf van Fife en oudste zoon

Van de’ overwonnen Douglas, en de graven

Van Athol, Murray, Angus en Menteith.

Acht gij dit niet een buit, die eere brengt,

En prijs voor hoogen moed? Spreek, neef, wat dunkt u?

Westmoreland.

Voorwaar,

Een zegepraal, waarop een prins kon bogen.

Koning Hendrik.

Thans maakt gij mij bedroefd en wekt de zonde

Des nijds in mij, dat lord Northumberland

De vader is van zulk een heilrijk zoon:

Een’ zoon, dien de eere steeds als voorbeeld prijst,

In ’t hooge woud den rijzigste’ aller stammen,

Den liev’ling en de trots van ’t mild Geluk,

Terwijl dat ik, zijn roem aanschouwend, zie,

Hoe schande en woestheid mijnen jongen Hendrik

Het voorhoofd smetten. O, liet zich bewijzen,

Dat, spokend in de nacht, een elf de kindren,

Toen ze in hun wiegjes lagen, had verruild,

’t Mijn Percy, ’t zijn Plantagenet genoemd!

Dan had ik zijnen Hendrik, hij den mijnen.—

Doch weg daarmee!—Wat dunkt u van den trots

Des jongen Percy’s? de gevang’nen, die

Hij in dit jongste treffen heeft gemaakt,

Behoudt hij voor zichzelf, en zegt, dat ik

Slechts Mordake, graaf van Fife, van hem krijg.

Westmoreland.

Dat is de leering van zijn oom, ’t is Worcester, 96

Bij elken hemelstand uw booze ster;

Die maakt, dat hem de kam der jeugd zoo zwelt,

En hij zoo fier uw hoogheid tegentreedt.

Koning Hendrik.

Hoe ’t zij, ik riep hem op ter rekenschap;

En om die reden moet ons heilig plan

Naar Palestina nog een wijle rusten.

Aanstaanden Woensdag, neef, beleggen wij

Te Windsor raad, verwittig dus de lords:

Doch keer gijzelf terstond tot ons terug;

Er valt nog meer te zeggen en te doen,

Dan nu in gramschap kan besproken worden.

Westmoreland.

Zeer wel, mijn vorst.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.

Prins Hendrik en Falstaff komen op.

Falstaff.

Wel, Hein, wat tijd van den dag is het, jongen?

Prins Hendrik.

Gij zijt zoo vet van brein geworden van het oude-sekdrinken, het kamizool-losknoopen na het avondeten, en het slapen op banken na den middag, dat gij verleerd hebt, werkelijk te vragen naar wat gij werkelijk weten wilt. Wat duivel hebt gij met den tijd van den dag te maken? Als niet uren glazen sek zijn’ en minuten kapuinen, en klokken koppelaarsterstongen, [475]en wijzerplaten uithangschilden voor liederlijke huizen, en de lieve zon zelve een mooie, hitsige deerne in vuurkleurige zijde, zie ik geen reden, waarom gij zoo buitensporig zoudt zijn van naar den tijd van den dag te vragen.

Falstaff.

Ja, waarlijk, Hein, daar hebt gij mij een teêr punt aangeroerd; want wij, die beurzen snijden, wij gaan uit bij de maan en het zevengesternte, en niet bij Phoebus, “den dolenden ridder fijn”. En, ik bid u, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt,—wat God uwe genade,—majesteit wilde ik zeggen, want op genade hebt gij niet te hopen,—

Prins Hendrik.

Wat! in het geheel niet?

Falstaff.

Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde.

Prins Hendrik.

Nu, wat verder? ga voort, vrijuit, vrijuit!

Falstaff.

Nu dan, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt, laat dan niet toe, dat men ons, die schildknapen zijn van de nacht, ooit dagdieven noemt; laat ons heeten: Diana’s houtvesters, ridders van de schemering, lievelingen van de maan; en laat men zeggen, dat wij mannen zijn van een besten levenswandel, want wij regelen ons, evenals de zee, naar onze edele en kuische meesteres, de maan, en het is onder haar mantel, dat wij stelen. 33

Prins Hendrik.

Zeer goed gezegd, en zeer juist bovendien; want het geluk van ons, die dienaars zijn der maan, heeft zijn eb en vloed als de zee, en wordt, evenals de zee, door de maan bestuurd. Bij voorbeeld aldus: een goudbeurs wordt Maandagnacht zeer vastberaden gekaapt, en Dinsdagmorgen zeer onberaden doorgebracht; veroverd met een vloek: “draai bij, afgeven!” en verdaan met het geschreeuw: “kom hier, aannemen!” nu eens, ebbe zoo laag als de voet van de ladder, dan weer, vloed, zoo hoog als het dwarshout van de galg.

Falstaff.

Bij God, gij hebt gelijk, jongen. En is mijn waardin van het wijnhuis niet een allerzoetst bekje?

Prins Hendrik.

Als de honing van Hybla, mijn oude schermersbaas. En is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleêren wambuis?

Falstaff.

Hoe zoo, hoe zoo, dolle guit? hebt gij alweer uw invallen en uitvallen? wat voor den duivel heb ik met boeiende mannen te doen?

Prins Hendrik.

En wat weêrgâ heb ik met de waardin van het wijnhuis te doen?

Falstaff.

Nu, gij hebt toch aardig dikwijls met haar afgerekend.

Prins Hendrik.

Heb ik er u ooit bijgeroepen, om uw deel te betalen?

Falstaff.

Neen, dat moet ik u tot uw eer nageven, gij hebt altijd alles betaald.

Prins Hendrik.

Ja hier, en elders ook, zoover mijn geld reikte; en waar dit niet toereikte, heb ik mijn krediet gebruikt.

Falstaff.

Ja, en opgebruikt ook, zoodat, als gij niet de vermoedelijke troonopvolger waart, vermoedelijk,—maar ik bid u, zeg mij, mijn lieve guit, zullen er in Engeland nog galgen overeind blijven staan, als gij koning zijt, en zullen zij, die wat durven, evenals nu, beetgenomen worden met den roestigen breidel van den ouden zotskap, de wet? Neen, hang geen dief meer op, als gij koning zijt.

Prins Hendrik.

Neen, gij zult het doen.

Falstaff.

Ik? o voortreffelijk! Bij God, ik zal een kostelijk rechter zijn.

Prins Hendrik.

Er is rechten en rechten, en uw oordeel is nu al verkeerd; ik bedoel, dat gij de dieven zult hangen, en dus een man van gewicht, een scherprechter zult worden. 76

Falstaff.

Mooi, Hein, mooi; ik zeg u, het is al evenveel naar mijn smaak, als aan het hof te verschijnen.

Prins Hendrik.

Als mijn getrouw aanhanger?

Falstaff.

Dat zou wel zoo wezen, want de scherprechter heeft, helaas! maar al te veel aan te hangen. Verduiveld, ik ben zoo melancholiek als een oude kater of een geneusringde beer.

Prins Hendrik.

Of als een oude leeuw of een minnaarsluit.

Falstaff.

Of als een baspijp van een Lincolner doedelzak.

Prins Hendrik.

Zoudt gij niet zeggen, als een naargeestige haas, of een stilstaande stadsgracht?

Falstaff.

Gij hebt de onsmakelijkste vergelijkingen ter wereld, en zijt inderdaad de vergelijkendste, spitsboefachtigste,—aardigste jonge prins.—Maar ik bid u, Hein, val mij niet meer met ijdelheden lastig. Ik wenschte van God, dat gij en ik eene gelegenheid wisten, om een voorraad goeden naam te koopen. Een oude lord van den geheimen raad haalde mij onlangs op de openbare straat om uwentwille door, man; maar ik lette niet op hem, en toch, hij sprak zeer wijs, maar ik sloeg geen acht op hem; en toch sprak hij wijs, en bovendien op straat.

Prins Hendrik.

Gij deedt wel; want de wijsheid verheft hare stem op de straten, en niemand slaat acht op haar.

[476]

Falstaff.

O! gij hebt vloekwaardige aanhalingen en zoudt waarlijk in staat zijn, een’ heilige te verleiden. Gij hebt veel schuld over mij gebracht, Hein;—God moge het u vergeven. Vóor ik u kende, Hein, wist ik van niets, en nu ben ik, als ik naar waarheid moet getuigen, weinig beter dan een van de goddeloozen. Ik moet van dit leven afstand doen, en ik wil er afstand van doen. Bij God, als ik het niet doe, ben ik een schurk; ik wil niet ter helle varen, voor geen enkelen koningszoon in de christenheid.

Prins Hendrik.

Waar willen wij morgen een geldbuidel rooven, Hans?

Falstaff.

Alle weêrgâ, waar gij wilt, jongen; ik ben er bij. Als ik het niet doe, noem mij dan een schurk en een lafaard en wat ge wilt.

Prins Hendrik.

Ik zie daar een fraaie bekeering in u, van bidden tot beurzensnijden.

(Poins verschijnt op den achtergrond.)

Falstaff.

Wel, Hein, ’t is mijn beroep, Hein; en in zijn beroep werkzaam zijn is geen zonde.—Poins!—Nu zullen wij hooren, of Gadshill wat op touw heeft gezet.—O, als de menschen door verdiensten zalig worden, welk gat in de hel zou dan heet genoeg zijn voor hem? Hij is de meest doortrapte spitsboef, die ooit een eerlijken drommel “sta!” heeft toegeroepen. 122

Prins Hendrik.

Goeden morgen, Edu.

Poins.

Goeden morgen, beste Heintje!—Wat zegt Sinjeur Gewetensknaging? Wat zegt Sir John Sek-met-suiker? Hans, hoe staat het met den duivel en u, omtrent uw ziel, die gij hem den laatsten Goeden Vrijdag voor een roemer Madera en een koud kapoeneboutje verkocht hebt?

Prins Hendrik.

Sir John houdt zijn woord; den duivel zal zijn recht geworden, want hij heeft nog nooit een spreekwoord gebroken; hij geeft zelfs den duivel het zijne.

Poins.

Dan zijt gij vervloekt, omdat gij den duivel uw woord houdt.

Prins Hendrik.

Anders was hij vervloekt geweest, omdat hij den duivel bedrogen had.

Poins.

Maar jongens, jongens, morgen ochtend vroeg tegen vier uren, naar Gadshill! Er gaan pelgrims naar Canterbury met rijke offergaven, en er rijden kooplieden naar Londen met goedgespekte buidels; ik heb maskers voor u allen, paarden voor u hebt gijzelf. Gadshill blijft van nacht te Rochester; ik heb voor morgen avond eten besteld in Eastcheap; wij kunnen het even veilig doen als slapen. Wilt gij meegaan, dan stop ik u de zakken vol kronen; wilt gij niet, zoo blijf thuis en laat u hangen.

Falstaff.

Hoor eens, Eduardus; als ik thuis blijf en niet ga, dan hang ik u voor het meêgaan.

Poins.

Zoo, vleeschklomp?

Falstaff.

Hein, doet gij mede?

Prins Hendrik.

Wie? Ik stelen? Ik een dief? Neen, waarachtig niet.

Falstaff.

Er is in u geen eerlijkheid, geen manhaftigheid, noch goede kameraadschap, en gij zijt ook niet van koninklijken bloede, als gij het hart niet hebt, een paar kronen in den zak te steken.

Prins Hendrik.

Nu goed, ik wil eens in mijn leven een dollemansstreek begaan.

Falstaff.

Zie, dat is verstandig gesproken.

Prins Hendrik.

Neen, er gebeure wat er wil, ik blijf thuis.

Falstaff.

Bij God, dan pleeg ik hoogverraad aan u, als gij koning zijt.

Prins Hendrik.

Ga uw gang.

Poins.

Sir John, ik bid u, laat den prins en mij alleen; ik zal hem zulke gronden voor deze onderneming geven, dat hij meêgaan moet.

Falstaff.

Nu, God geve u den geest der overreding en hem de ooren der leergierigheid, opdat, wat gij spreekt, moge treffen en, wat hij hoort, geloof vinden, zoodat de echte prins, voor tijdverdrijf, een valsche dief wordt, want de arme misbruiken der wereld behoeven bescherming! Vaarwel; gij vindt mij in Eastcheap. 176

Prins Hendrik.

Vaarwel, herfstlente! vaarwel, allerheiligenzomer!

(Falstaff af.)

Poins.

Hoor, mijn beste suikerprins, rijd morgen met ons mede; ik heb een grap voor, die ik niet alleen ten uitvoer kan leggen. Falstaff, Bardolf, Peto en Gadshill moeten die lieden berooven, waar de strik reeds voor gespannen is; gij en ik zullen er niet bij zijn; en, hebben zij den buit, mijn kop af, als wij tweeën hun dien niet afzetten!

Prins Hendrik.

Maar hoe komen wij bij het rijden van hen af?

Poins.

Nu, wij rijden voor of na hen af en wijzen hun een plaats van bijeenkomst aan, waar wij desverkiezende van daan blijven. Dan zullen zij het schelmstuk zonder ons wagen, en nauwelijks zijn zij er mee klaar, of wij overvallen hen.

Prins Hendrik.

Goed, maar waarschijnlijk kennen zij ons aan onze paarden, aan onze kleederen, aan honderd andere dingen meer, dat wij het zijn.

Poins.

O, onze paarden zullen zij in het geheel niet zien, die bind ik in het bosch vast; wij doen [477]andere maskers voor, zoodra wij hen verlaten hebben, en dan heb ik hanssoppen van stijf linnen bij de hand, om onze kenbare kleeding geheel te vermommen.

Prins Hendrik.

Goed, maar ik vrees, dat zij ons te sterk zullen wezen.

Poins.

’t Mocht wat; twee van hen ken ik als zoo volbloed-lafaards, als er ooit de hielen gelicht hebben; en de derde,—als hij langer vecht dan hij raadzaam acht, wil ik nooit meer een zwaard ter hand nemen. Het vermakelijkste van de grap zullen de ontzettende leugens wezen, die deze vette schelm ons op zal disschen, als wij bij het avondeten elkaâr ontmoeten; hoe hij met ten minste dertig man gevochten heeft, wat parades, wat stooten, wat levensgevaren hij heeft doorgestaan; en hem dan in eens te logenstraffen is de grap.

Prins Hendrik.

Nu, ik ga mede; breng al het noodige voor ons in orde; en kom morgen avond bij mij in Eastcheap; daar wil ik dien avond eten. Vaarwel.

Poins.

Vaarwel, prins.

(Poins af.)

Prins Hendrik.

Ik ken u allen en ik steun een poos 219

Den teugelloozen moedwil van uw nietsdoen,

Ik volg hierin het voorbeeld van de zon,

Die aan oneed’le, kwade wolken toelaat,

Haar schoonheid voor de wereld te verduist’ren,

Opdat men na ’t gemis haar meer bewonder’,

Wanneer het haar behaagt zichzelf te zijn,

En zij door al de booze neev’len breekt

Van dampen, die haar dreigen te verstikken.

Ware ieder dag van ’t jaar een feest- en speeldag,

Langwijlig wierd het spelen, als het werken;

Doch ’t zelden komen maakt een feest gewenscht,

En niets behaagt, dan wat zeer enkel komt.

Zoo, als ik dezen lossen wandel afzweer,

De schuld betaal, waarvan ik niets beloofde,

Beschaam ik eens, wat elk verwacht, te meer,

Naarmate ik beter dan mijn woorden blijk;

En als een blank metaal op donkren grond,

Zal mijn bekeering, op mijn feilen blinkend,

Veel schooner stralen, meer elks oogen trekken,

Dan wat door de’ achtergrond niet wordt verhoogd.

Mijn zondig doen zij eens als kunst geacht;

Den tijd herwin ik, als dit niemand wacht.

(Prins Hendrik af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Northumberland, Worcester, Heetspoor, Sir Walter Blunt en Anderen komen op.

Koning Hendrik.

Te koel en te gematigd was mijn bloed,

Niet vatbaar om bij zulk een hoon te koken;

En dit hebt gij ontdekt, want daarom treedt gij

Op mijn lankmoedigheid; maar, wees verzekerd,

Van nu af wil ik meer zijn naar mijn rang,

Geweldig, schrikbaar, niet zoo naar mijn aard,

Die glad als olie, zacht als dons geweest is,

En daarom dat ontzag niet heeft erlangd,

Dat enkel trots aan trotsche harten afdwingt.

Worcester.

Ons huis verdient het luttel, heer en vorst,

Dat hoogheid met haar geeselroê het treff’,

En wel een hoogheid, die onze eigen handen

Tot zulk een peil verhieven.

Northumberland.

Tot zulk een peil verhieven. Eed’le vorst,—

Koning Hendrik.

Worcester, van hier; want in uw oogen lees ik

Miskenning van uw vorst, en boos verzet.

Uw houding is te driest; zij wil bevelen;

En majesteit moet nimmer ’t nukkig trotsen

Verdragen van eens dienaars grammen blik.

Gij hebt verlof tot gaan; wanneer we uw dienst

En raad behoeven, zullen we u ontbieden.

(Worcester af.)

(Tot Northumberland.) Gij wildet spreken. 22

Northumberland.

Ja, mijn waarde vorst,

De krijgsgevang’nen, namens u geëischt,

Die Hendrik Percy hier bij Holm’don maakte,

Zij werden, zegt hij, niet zoo stout geweigerd,

Als aan uw majesteit geboodschapt werd;

En daarom zijn òf nijd òf misverstand

Van dit vergrijp de schuld, en niet mijn zoon.

Heetspoor.

Gevang’nen heb ik niet geweigerd, heer;

Maar ik bezin mij, toen ’t gevecht voorbij was

En ik, van woede en fellen strijd verhit,

Mat, hijgend, op mijn zwaard daar stond te leunen,

Verscheen een zeker heer, net, opgesmukt,

In bruigomstooi; zijn pasgemaaide kin

Geleek een stoppelveld op ’t feest van de’ oogst.

Hij rook naar geurtjes als een modekramer,

En tusschen duim en vinger hield hij spelend

Een muskusdoosje, dat hij aan zijn neus

Afwiss’lend reikte en daad’lijk weer onttrok;

En die trok toornig, als de doos weer kwam,

Er zich voor op; hij lachte en praatte aldoor;

En toen het krijgsvolk dooden langs hem droeg,

Schold hij hen uit voor plompe, lompe kerels,

Dat zij een morsig, aak’lig lijk zoo tusschen

Den wind en zijnen adel durfden brengen.

Met jonkvrouwpraatjes en met zondagswoorden

Vroeg hij mij uit, en vorderde onder andren

Mijn krijgsgevang’nen voor uw majesteit.

Ik toen, verbolgen, met mijn koude wonden,

Dat zulk een zwetsend papegaai mij plaagde,

Gaf in mijn ergernis en ongeduld

Een antwoord, dat mij inviel, ’k weet niet wat[478]

Van ja of neen; hij had mij dol gemaakt,

Dat hij zoo smetloos blonk, zoo heerlijk rook,

En als een snappend kamermeisje relde

Van vuurroers, trommen, wonden,—help’ mij God!—

En zeide, dat voor innerlijke kneuzing,

Niets, neen, ooit boven spermaceti ging;

En dat het eeuwig jammer was, doodjammer,

Dat uit het ingewand der schuldlooze aard

Het schandlijk boos salpeter werd gegraven,

Dat meen’gen kloeken borst lafhartig velt;

En als dat boos geschut maar niet bestond,

Dan zou hijzelf soldaat geworden zijn.

Op dit onzinnig, laf gebazel, heer,

Gaf ik, zooals ik zeide, losweg antwoord;

En ik bezweer u, dat, wat hij bericht,

Nooit als een aanklacht tusschen mijne liefde

En uwe hooge majesteit zich dring’!

Blunt.

Wordt alles overwogen, beste vorst,—

Wat toen ook Hendrik Percy hebb’ gezegd

Tot een persoon als die, en op dien tijd

En te dier plaats, met wat wij verder hoorden,

Het moge sterven en herleve nooit

Om hem te schaden; ’t breng’ hem geen verwijt,

Wat hij toen sprak, als hij het nu herroept.

Koning Hendrik.

Welnu, hij blijft zijn krijgsgevang’nen weig’ren, 77

Al zij ’t voorwaard’lijk, en al stell’ hij de’ eisch

Dat wij, voor onze reek’ning, fluks zijn zwager

Loskoopen, dien verdwaasden Mortimer,

Die, bij mijn ziel, de levens zijner volgers

Moedwillig in den strijd verraden heeft

Aan dien vervloekten toovenaar Glendower,

Wiens dochter, zoo men zegt, de graaf van March

Nu heeft gehuwd. Wat! zouden we onze schatkist

Gaan leêgen, om verraders vrij te maken?

Verraad gaan koopen? met wat immer dreigde

En nu zichzelf ten val bracht, ons verdragen?

Verhong’ren moog’ hij op die kale bergen;

Want nimmer houd ik dien man voor mijn vriend,

Wiens tong een penning van mij beed’len durft

Tot vrijkoop van de’ oproer’gen Mortimer.

Heetspoor.

De’ oproer’gen Mortimer!

Nooit viel hij van u af, mijn heer en vorst,

Dan door het lot des krijgs; om dit te staven,

Zij één tong slechts geleend aan al die wonden,

Als monden open, stout door hem ontvangen,

Toen hem des schoonen Severns biesrijke oever,

Een vol uur bijna lang, een fellen strijd,

Man tegen man, zwaard tegen zwaard, bestaan zag,

Zich metend met den machtigen Glendower.

Drie malen schepten ze adem, driemaal dronken

Zij volgens afspraak uit den snellen stroom,

Die dan, ontzet van beider bloedig uitzicht,

Zich angstig in zijn trillend riet verschool,

Zijn kroeshoofd bergend in den hollen oever,

Bespat met dezer dapp’re strijders bloed.

Nooit kleurde lage, vuige veinzerij

Haar heimlijk doen met zulke felle wonden,

En nimmer ook zou de eed’le Mortimer

Zoo velen er ontvangen, en gewillig;

Daarom, hij zij van oproer niet beticht.

Koning Hendrik.

Gij liegt daar van hem, Percy, liegt van hem;

Nooit heeft hij zich gemeten met Glendower.

Ik zeg u,

Den duivel bood hij even gaarne ’t hoofd,

Als in een echten strijd dien Owen Glendower.

Wat! schaamt ge u niet? Onthoud, man, dat ik nimmer

Een woord u spreken hoor’ van Mortimer.

Zend mij, zoo ras gij kunt, uw krijgsgevang’nen,

Of dra hoort gij van mij het een en ander,

Dat slecht u smaakt.—Mylord Northumberland,

Gij hebt verlof, met uwen zoon te gaan.—

Zend uw gevang’nen, of gij hoort van mij.

(Koning Hendrik met Blunt en verder Gevolg af.)

Heetspoor.

En kwam de duivel zelf en brulde om hen,

Ik zond ze niet.—Ik wil terstond hem na,

En zeg hem dit; het zal mijn hart verlichten,

Al zet ik ook mijn hoofd er bij op ’t spel.

Northumberland.

Hoe is ’t, van gal smoordronken? Wacht nog; blijf;

Daar komt uw oom. 130

(Worcester komt weder op.)

Heetspoor.

Daar komt uw oom. 130 Van Mortimer niet spreken!

Verdoemd! ’k wil van hem spreken; moog’ mijn ziel

Vervloekt zijn, als ik niet zijn zijde kies;

Voor hem wil ik deze aad’ren alle leêgen,

Mijn bloed vergieten, drup voor drup, in ’t stof;

Doch heffen wil ik mijn vertreden zwager,

Hoog, tot de hoogte diens ondankb’ren konings,

Dien giftigen, ondankb’ren Bolingbroke.

Northumberland (tot Worcester).

De koning, broeder, heeft hem dol gemaakt.

Worcester.

Wie heeft die vlam ontstoken, sinds ik ging?

Heetspoor.

Hij wil, waarachtig, al mijn krijgsgevang’nen;

En toen ik nogmaals aandrong op den vrijkoop

Van mijn vrouws broeder, werd hij bleek als asch,

En richtte op mij een strakken lijkenblik,

Bij de’ enklen naam van Mortimer reeds sidd’rend.

Worcester.

Ik kan ’t in hem niet gispen; heeft niet Richard,

Die dood is, hem als naaste in ’t bloed erkend?

Northumberland.

Gewis, ik hoorde zelf de proclamatie;

Het was, toen de arme koning—God vergeev’[479]

Ons onze zonden jegens hem!—den krijgstocht

Naar Ierland ondernemen ging, van waar

Hij door wat hier gebeurde wederkwam,

Om afgezet en dra vermoord te worden.

Worcester.

En om wiens dood der wereld luide stem

Ons schuldig noemt en smaad’lijk van ons spreekt.

Heetspoor.

Niet verder, bid ik; zeg, heeft koning Richard

Mijn broeder Edmund Mortimer erkend

Als erfgenaam des troons?

Northumberland.

Als erfgenaam des troons? Ja, ’k hoorde ’t zelf.

Heetspoor.

Dan is zijn neef, de koning, niet te gispen,

Die liefst hem hong’ren zag op ’t kaal gebergt.

Doch hoe kunt gij, die den ondankb’ren man

De kroon op ’t hoofd gezet hebt, en om hem

De booze schandvlek draagt, dat gij tot moord

Hem aangeprikkeld hebt, kunt gij een wereld

Van vloeken u getroosten, alsof gij

Zijn helpers waart, zijn lage loonbedienden,

Zijn stroppen, ladder of veeleer zijn beulen?—

Vergeef mij, dat ik tot die diepte daal,

Om u te wijzen, welk een plaats en rang

Gij onder dezen sluwen koning inneemt!—

Moet men, o schande, in deze tijden zeggen,

Of in kronieken voor de toekomst boeken,

Dat mannen van uw adel, uwe macht, 172

Zich beiden voor een slechte zaak verpandden,—

Zooals gij beiden, God vergeve ’t! deedt,—

Om Richard, de eed’le zoete roos, te wieden,

En deze hondsroos, Bolingbroke, te planten?

En zal men, tot nog dieper schande, zeggen,

Dat hij, voor wien gij al dien smaad verdroegt,

U wegstiet, uitlachte en u van zich schudde?

Neen, nog is ’t tijd, om uw verbannen eer

Weer vrij te koopen, door uw doen op nieuw

Der wereld liefde en achting u te winnen,

Den smaad en hoonende’ overmoed te wreken

Des trotschen konings, die nu, dag en nacht,

De schuld, aan u te kwijten, tracht te delgen,

Al ware ’t met het losgeld van uw dood.

Daarom, dit zeg ik,—

Worcester.

Daarom, dit zeg ik,— Stil, neef, ga niet voort!

’k Wil thans een heim’lijk boek u openslaan

En aan uw snel begrijpend ongenoegen

Een zaak doen lezen, diep en hoogstgevaarlijk,

Halsbrekend, die een moed vereischt, zoo groot,

Als om op ’t wankel voetpad van een speer

Een stroom, die loeit en opbruist, te overschrijden.

Heetspoor.

Valt hij er in: “Goe nacht, en zink of zwem!”

Storm’ vrij gevaar van ’t oosten naar het westen,

Zoo eer het kruist van ’t noorden naar het zuid,

De worst’ling volgt.—O fierder bruist het bloed

Bij leeuwendrijfjacht dan bij ’t hazenkloppen!

Northumberland.

Hem zweeft een grootsche daad voor, en dit doet

Hem alle perken van ’t geduld verbreken.

Heetspoor.

Bij God! het komt een lichte sprong mij voor,

De bleeke maan de zilvren eer te ontrukken,

Of, nederduikend tot den grond der zee,

Waar nooit het peillood tot den bodem reikte,

De smorende eer te grijpen bij de lokken,

Zoo hij, die haar bevrijdt, met al haar glans

Zich zonder mededingers sieren mag;

Maar dit halfslachtig bondgenootschap,—weg!

Worcester.

Een wereld ziet hij, die verbeelding schept,

Maar niet wat werk’lijk is, wat hij zien moest.—

Schenk, waarde neef, me een oogenblik gehoor

En luister thans!

Heetspoor.

En luister thans! Ik vraag vergiff’nis.

Worcester.

En luister thans! Ik vraag vergiff’nis. Al die eedle Schotten,

Die uw gevang’nen zijn,—

Heetspoor.

Die uw gevang’nen zijn,— Ik houd hen allen.

Bij God! niet éénen Schot sta ik hem af;

Al kon een Schot zijn ziele redden, neen,

Geen enk’len Schot, bij deze rechterhand! 216

Worcester.

Gij draaft aldoor en let niet op mijn plannen;

Die krijgsgevang’nen houdt gij.

Heetspoor.

Die krijgsgevang’nen houdt gij. Ja, bepaald!

Hij zeide, Mortimer koopt hij niet vrij,

Verbood mijn tong, van Mortimer te spreken;

Maar ik bezoek hem, als hij ligt en slaapt,

En in zijn ooren schreeuw ik: Mortimer!

Ja,

Ik koop een spreeuw, dien ik wil leeren spreken,

Maar niets dan “Mortimer”, en geef hem dien,

Om steeds zijn gramschap aan te wakk’ren.

Worcester.

Maar hoor toch, neef, een woord!

Heetspoor.

’k Zweer plechtig hier elke andre studie af,

Dan ’t nijpen, tergen van dien Bolingbroke;

En aan dien smijtersbaas, dien prins van Wales,—

Als ik niet dacht, dat hem zijn vader haat

En gaarne een onheil hem zag overkomen,

Ik reikte in een kan bier hem dood’lijk gif.

Worcester.

Vaarwel, neef; eerlang zal ik met u spreken,

Als gij eens meer gezind tot luist’ren zijt.

Northumberland.

Wat wesp heeft u, onstuim’ge dwaas, gestoken,

Dat ge in een vlaag van vrouwenwoede losbreekt,

En ’t oor aan geene tong dan de uwe leent? [480]

Heetspoor.

Ja, ziet, zweepstriemen voel ik, roedeslagen,

Brandnetels, mierensteken, bij den naam

Van dezen lagen staatsvos Bolingbroke.

In Richards tijd,—hoe noemt gij ook het slot?—

De duivel hale ’t!—’t is in Glostershire,—

’t Was, waar zijn oom, de dwaze hertog, huisde,

Zijn oom van York,—waar ik voor ’t eerst de knie

Boog voor dien glimlach-koning Bolingbroke,—

Vervloekt!—

Toen gij en hij van Ravenpurg terugkwaamt;—

Northumberland.

Slot Berkley.

Heetspoor.

Slot Berkley. Juist, daar was het.

Nu, welk een suikerberg van hofflijkheid

Bood toen die hazewind mij kwisp’lend aan!

“Als zijn nog teer geluk eens mondig werd,”

En—“lieve Hendrik Percy,”—en: “mijn waarde;”—

Wierd hij een schim, die waarde!—God vergeev’ mij!—

Deel, oom, uw plan mij mee; ik heb gedaan.

Worcester.

Nu, hebt gij ’t soms nog niet, ga nu dan voort;

Wij kunnen wachten. 258

Heetspoor.

Wij kunnen wachten. 258 Neen, ik heb gedaan.

Worcester.

Nog eens dan van uw Schotsche krijgsgevang’nen.

Geef daad’lijk allen zonder losgeld vrij,

En maak u Douglas’ zoon tot middel, om

In Schotland volk te werven; wat, geloof mij,

Om reed’nen, die ik u op schrift zal geven,

Gewillig u gegund wordt.

(Tot Northumberland.) En, mylord,

Terwijl uw zoon in Schotland dit bewerkt,

Moet gij u heim’lijk nest’len in het hart

Van den beminden waardigen prelaat,

Den aartsbisschop.

Heetspoor.

Van York, niet waar?

Worcester.

Van York, niet waar? Ja, die kan niet verkroppen

Zijns broeders dood in Bristol, van lord Scroop.

Ik zeg dit niet op los vermoeden, niet

Naar wat mij moog’lijk schijnt, neen, maar ik weet,

Wat lang beraamd, gewikt, besloten is,

En enkel wacht, wanneer ’t gelaat zich toont

Van ’t gunstig uur, dat tot het hand’len wenkt.

Heetspoor.

Ik ruik het al;

Zoo waar ik leef, ’t zal gaan, voortreff’lijk gaan.

Northumberland.

Gij koppelt alweer los, eer ’t wild nog rijst.

Heetspoor.

Neen, ’t moet en zal een prachtige aanslag zijn.—

En dan de macht van Schotland en van York

Met Mortimer vereend, ha?

Worcester.

Zeker, zoo.

Heetspoor.

Voorwaar, het is voortreff’lijk uitgedacht.

Worcester.

En wat tot spoed ons noopt, is niets gerings:

Om ’t hoofd te bergen stellen we ons aan ’t hoofd;

Want hoe gedwee en rustig we ons gedragen,

Steeds acht de koning zich bij ons in schuld,

En denkt, dat wij ons onbevredigd achten,

Tot hij voor goed eens met ons af kan reek’nen.

En ziet eens, hij begint alreeds en doet

Ons vreemd’ling zijn voor zijn genadeblikken.

Heetspoor.

Dat doet hij, ja; wij willen ’t op hem wreken. 291

Worcester.

Vaarwel nu, neef. Maar doe geen enklen stap,

Dan op den weg, dien ik u schriftlijk aanwijs.

Is eens de tijd gerijpt,—wat spoedig zijn zal,—

Dan sluip ik naar Glendower en Mortimer,

Waar Douglas, gij en onze gansche macht

Naar mijn bestel blijmoedig zich verzaam’len,

Om ons geluk, dat thans ons dreigt te ontgaan,

Met eigen sterke vuisten vast te houden.

Northumberland.

Vaarwel, mijn broeder; ik vertrouw, wij slagen.

Heetspoor.

Vaarwel, oom.—Tijd, vlieg om, tot ’s vijands bloed

Ons jachtveld kleurt, zijn roch’len ons begroet!

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Rochester. Het binnenhof van een herberg.

Een Voerman komt op, met een lantaren.

Eerste Voerman.

Hola!—Als het niet op slag van vieren is, laat ik me hangen; de Groote Wagen staat al boven den nieuwen schoorsteen, en nog is ons paard niet gepakt. Kom toch, stalknecht!

Stalknecht

(van binnen). Ja, ja, ik kom.

Eerste Voerman.

Zeg, Tom, klop Hans zijn zadel gelijk en steek een paar vlokken wol onder den knop; de arme knol is aan de schoft gedrukt als ik weet niet wat.

[481]

(Een tweede Voerman komt op).

Tweede Voerman.

De erwten en boonen zijn hier zoo muf als een hond, en dat is de ware manier om aan de arme knollen wurmen te bezorgen. Dit huis is het onderste boven gekeerd, sinds Jaap de stalknecht dood is.

Eerste Voerman.

Die arme kerel! hij had geen vroolijk uur meer sinds de haver zoo opsloeg; dat was zijn dood.

Tweede Voerman.

Ik geloof, dat dit wel het beroerdste huis is op den geheelen Londenschen weg, wat de vlooien betreft; ik ben zoo gestoken als een zeelt.

Eerste Voerman.

Als een zeelt? Voor den duivel, geen koning in de christenheid kan erger gebeten zijn dan ik, sinds het eerste hanengekraai.

Tweede Voerman.

Wel, zij gunnen ons ook nooit een pot en dan watert elk onder de schouw; en zoo’n kamerloog broeit vlooien als kikkerschot.

Eerste Voerman.

Kom toch, stalknecht! Voor den dag en laat je hangen! kom toch!

Tweede Voerman.

Ik heb een zij spek en twee pakken gember, die ik heel te Charingcross moet afleveren. 28

Eerste Voerman.

God in den hemel! de kalkoenen in mijn korf zijn zoo goed als verhongerd.—Hei, stalknecht!—Haal je de pest! Heb je geen oogen in ’t hoofd? kan je niet hooren? Als het niet een loffelijk werk is, even goed als drinken, je de hersens in te slaan, ben ik een hondsvot.—Kom, en laat je hangen! Is er niets op je te bouwen?

(Gadshill komt op.)

Gadshill.

Goeden morgen, voerluî; hoe laat is het?

Eerste Voerman.

Ik geloof, twee.

Gadshill.

Ik bid je, leen me even je lantaren, om op stal naar mijn ruin te kijken.

Eerste Voerman.

Bedaard wat, bid ik je; ik ken streken, tweemaal zoo goed als die, hoor.

Gadshill.

Leen jij me dan de jouwe, bid ik je.

Tweede Voerman.

Ja, wanneer? tel dat maar op je knoopen af. “Leen me je lantaren!”—waarachtig, eer wil ik je zien hangen.

Gadshill.

Jij voerman, hoe laat denk je te Londen te zijn?

Tweede Voerman.

Vroeg genoeg om met een kaars naar bed te gaan, dat verzeker ik je.—Kom, vriend Joost, wij willen de heerschappen oproepen; zij willen in gezelschap verder, want zij hebben vrij wat bij zich.

(De Voerlieden af.)

Gadshill.

Heidaar, laarzenpoetser!

Laarzenpoetser

(binnen.) Bij de hand, zegt de beurzensnijder.

Gadshill.

Je kunt even zoo goed zeggen: “bij de hand, zegt de laarzenpoetser”, want je bent van het beurzensnijden niet verder af dan het aanwijzen van het uitvoeren af is; je doet de geschiedenis aan de hand.

(De Laarzenpoetser komt op.)

Laarzenpoetser.

Goeden morgen, sinjeur Gadshill. Het blijft zoo, als ik gisteren avond je verteld heb; het is een grondbezitter uit de wouden van Kent, die driehonderd mark in goud bij zich heeft; ik heb het hem gisteren avond aan tafel hooren zeggen tegen een van het gezelschap, een soort van rentmeester, die ook een aardig vrachtje bij zich heeft, God weet wat. Zij zijn al op en verlangen brood met eieren; zij willen dadelijk heen.

Gadshill.

Nu, man, als die niet Sint Nicolaas zijn makkers tegenkomen, mag je mijn nek present hebben. 68

Laarzenpoetser.

Neen, man, ik dank je, bewaar die maar voor den beul, want ik weet, jij dient Sint Nicolaas zoo braaf, als een spitsboef maar doen kan.

Gadshill.

Wat spreek je mij van den beul? als ik moet hangen, maak ik een paar galgen vet; want als ik hang, hangt de oude Sir John er bij en je weet, die is geen hongerlijder. Stil! er zijn nog andere Trojanen, waar je niet van droomt, die voor de grap zich verwaardigen het handwerk eer aan te doen; die zouden, als men ons te nauw op de vingers keek, voor hun eigen goeden naam, alles in het effen brengen. Ik sluit me niet aan bij landloopers te voet, niet bij knuppeldragende schellingafzetters, niet bij dolle, snorrendragende, purperroode moutwurmen: maar bij adel en renteniers; bij burgemeesters en groote hanzen; bij mannen, die hun stand ophouden, die eer zullen toeslaan dan spreken, eer spreken dan drinken, en eer drinken dan bidden; doch neen, hier lieg ik; want ze roepen telkens hun heilige aan: ’s lands welvaren; of liever ze roepen het niet aan, maar houden het aan, en het varen in dat schuitje is hun bestaan.

Laarzenpoetser.

Wat! ’s lands welvaren hun schuitje? en kunnen ze dat waterdicht houden in boos vaarwater?

[482]

Gadshill.

Zeker, zeker, geen gevaar; te rechter tijd weten zij te stoppen en te smeren, waar het noodig is. Wij stelen als achter een wal, schootvrij; wij hebben het recept van varenzaadjes, wij zwerven onzichtbaar om.

Laarzenpoetser.

Nu, op mijn woord, ik geloof, dat je het meer aan de nacht dan aan het varenzaad te danken hebt, dat je onzichtbaar rondzwerft.

Gadshill.

Geef me de hand; je zult je deel in onze winst hebben, zoo waar ik een eerlijk man ben.

Laarzenpoetser.

Geef het me liever, zoo waar je een spitsboef bent.

Gadshill.

Loop rondom; homo is een algemeene naam voor alle menschen. Zeg den stalknecht, dat hij mijn ruin uit den stal haalt. Vaarwel, smerige schobbejak!

(Beiden af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

De groote weg bij Gadshill.

Prins Hendrik en Poins konen op; Bardolf en Peto, op een afstand.

Poins.

Kom, wegschuilen, wegschuilen! ik heb Falstaff’s paard ter zijde geleid, en hij knarst als gesteven fluweel.

Prins Hendrik.

Op zijde!

(Falstaff komt op.)

Falstaff.

Poins! Poins! naar de galg met je! Poins!

Prins Hendrik.

Stil toch, gemeste rakker! wat is dat voor een getier, dat je maakt?

Falstaff.

Waar is Poins, Hein?

Prins Hendrik.

Hij is boven op den heuvel geklommen; ik wil hem zoeken.

(Hij houdt zich, alsof hij Poins zoekt.)

Falstaff.

Het is een vloek, in gezelschap van dien spitsboef uit rooven te gaan; de rakker heeft mijn paard verdonkeremaand en ik weet niet waar vastgebonden. Als ik nog vier voet, met den duimstok gemeten, te voet ga, zal ik bersten. Nu ik hoop met dat al een eerlijken dood te sterven, als ik ten minste niet gehangen word om het ombrengen van dien schoft. Ik heb nu sinds twee en twintig jaren ieder dag en uur zijn gezelschap afgezworen, en toch ben ik nog altijd met het gezelschap van dien schoft behekst. Als die schurk me geen drankjes heeft ingegeven, dat ik van hem houden moet, laat ik mij hangen; het kan niet anders, ik heb drankjes ingekregen.—Poins!—Hein!—Loopt alle twee naar den duivel!—Bardolf!—Peto!—Ik wil van honger sterven, eer ik een voet verder ga rooven. Als het niet even verdienstelijk als drinken is, een eerlijke kerel te worden en die schurken te verlaten, ben ik de grootste lomperd, die ooit tanden had om te bijten. Tien ellen oneffen grond te voet zijn voor mij zes dozijn mijlen en meer, en die booswichten met steenen harten weten dat maar al te goed. Naar den duivel er mee, als dieven onder elkaar niet eerlijk kunnen zijn. (Er wordt gefloten.) Wuwu!—Naar den duivel met je allen! Geeft mij mijn paard, schelmen! Geeft mij mijn paard en laat je hangen!

Prins Hendrik.

Stil, dikbuik! leg je neer; leg je oor vlak op den grond, en luister of je niet het stappen van reizigers hoort.

Falstaff.

Heb je hefboomen, om mij weer op te richten, als ik eens lig? Alle duivels, ik wil mijn eigen vleesch nooit meer zoo ver te voet voortsleepen, voor al het geld in je vaders schatkamer niet! Loop naar de weêrgâ, ’t is uit tusschen ons, je hebt het voor goed bij mij verknold.

Prins Hendrik.

Wat reutel je, verknold? ontknold, dat ben je.

Falstaff.

Ik bid je, beste prins Hein, help mij weer aan mijn paard, mijn lieve koningszoon! 44

Prins Hendrik.

Loop, schelm! moet ik je stalknecht zijn?

Falstaff.

Nu dan, hang je zelven op aan je eigen vermoedelijke-troonopvolgers-kousebanden! Als ze mij krijgen, verklik ik alles. Als ik niet zorg, dat ze straatliedjes maken op jullie allen, en die op gemeene deuntjes zingen, mag ik vergiftigd worden met een roemer sek. Als een grap ver gaat, en dat nog wel te voet, heb ik er een afschuw van.

(Gadshill komt op.)

Gadshill.

Sta!

Falstaff.

Dat doe ik, tegen mijn zin.

Poins.

O, het is onze speurhond; ik ken zijn stem.

(Bardolf komt op.)

Bardolf.

Wat is er?

Gadshill.

Gezichten weg, de maskers voor! daar komt geld van den koning den heuvel af, het gaat naar ’s konings schatkamer.

Falstaff.

Dat liegt ge, schelm; het gaat naar ’s konings wijnhuis.

Gadshill.

Het is genoeg, om ons allen—

Falstaff.

Aan de galg te helpen. [483]

Prins Hendrik.

Mannen, jullie vieren valt hen aan in den hollen weg; Poins en ik gaan verder naar beneden; als zij den aanval boven ontsnappen, loopen zij ons in den mond.

Peto.

Met hun hoevelen zijn zij?

Gadshill.

Acht of tien ongeveer.

Falstaff.

Verduiveld, zullen zij òns niet plunderen?

Prins Hendrik.

Wat, een lafaard, Sir John Dikpens?

Falstaff.

Nu, zijn magerheid, Jan van Gent, uw grootvader, ben ik niet, maar toch geen lafaard, Hein.

Prins Hendrik.

Nu, de proef zal ’t leeren.

Poins.

Vriend Hans, je paard staat achter de heg; als je het noodig hebt, vind je het daar. Vaarwel en houd je goed.

Falstaff.

Nu kan ik hem toch niet ranselen, al stond er de galg op.

Prins Hendrik

(ter zijde tot Poins). Edu, waar zijn onze vermommingen?

Poins.

Hier vlak bij, kom hier ter zijde.

(Prins Hendrik en Poins af.)

Falstaff.

Nu mannen, wie waagt, die wint, zeg ik, alle man nu aan ’t werk! 81

(Reizigers komen op.)

Eerste Reiziger.

Kom buurman, de jongen kan onze paarden den heuvel afleiden; wij willen een poos te voet gaan om ons wat te vertreden.

De Roovers.

Staat!

De Reizigers.

Heere Jezus! help ons!

Falstaff.

Slaat toe! op den grond met hen! snijdt aan de schurken den hals af! O dat vervloekte uitzuigersgeboefte! spekvreters! zij verfoeien ons, jong volk! scheert hun de wol af!

De Reizigers.

O, wij zijn verloren, wij en de onzen, voor altijd!

Falstaff.

Laat je hangen, smeerbuikige schoften! Jullie verloren? Neen, vette korenwolven, ik wenschte, dat wij je voorraad hier hadden. Voort, spekkerels, voort! Wat, schelmen! jonge menschen moeten ook leven. Gezworenen ben je ook, niet waar? Nu, wij zullen je bezweren, hoor je!

(Falstaff en de Overigen af, de Reizigers voor zich uit drijvend.)

(Prins Hendrik en Poins komen weer op, verkleed.)

Prins Hendrik.

De dieven hebben de eerlijke lui gebonden. Als wij tweeën nu de dieven konden berooven en lustig naar Londen trekken, zou dat stof tot onderhoud geven voor een week, gelach voor een maand, en een prachtige grap voor altoos.

Poins.

Ter zijde! ik hoor hen komen.

(De Roovers komen weder op.)

Falstaff.

Komt, mannen, laat ons deelen, en dan te paard, eer het dag wordt. (Zij gaan allen op den grond zitten.) Als de Prins en Poins niet twee aartslafaards zijn, dan is er geen gerechtigheid meer op aarde; die Poins heeft niet meer dapperheid in het lijf, dan een wilde eend.

Prins Hendrik

(te voorschijn stortend). Je geld!

Poins.

Schurken!

(Terwijl Falstaff en de zijnen aan het deelen zijn, overvallen hen de Prins en Poins. Allen loopen weg, Falstaff na een paar stooten eveneens, hun buit in den steek latend.)

Prins Hendrik.

Veroverd in een wip! Nu vlug te paard!

De roovers zijn verstrooid en zoo van vrees

Bezeten, dat zij voor elkaar gaan loopen;

Elk hunner houdt zijn makker voor een rakker.

Kom meê, vriend Edu. Falstaff zweet zich dood,

En spekt de magere aarde, waar hij loopt;

’k Zou hem beklagen, kon ik dat van ’t lachen.

Poins.

Dat brullen van dien deugniet!

(Beiden af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Warkworth. Een vertrek in het slot.

Heetspoor komt op, een brief lezende.

Heetspoor.

—“Doch, wat mijzelf betreft, mylord, zou ik er mij in kunnen verheugen, daar te zijn, uit hoofde van de liefde, die ik uw huis toedraag.” Hij zou er zich in kunnen verheugen,—waarom doet hij het dan niet? Uit hoofde van de liefde, die hij ons huis toedraagt;—intusschen toont hij, dat zijn eigen schuur hem liever is, dan ons huis. Laat mij verder zien: “De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk;” nu, dat is zeker; het is gevaarlijk kou te vatten, te slapen, te drinken; maar ik zeg u, Mylord Zotskap, van dien netel, het Gevaar, plukken wij de bloem Veiligheid. “De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk; de vrienden, die gij noemt, zijn onzeker; de tijd zelf is slecht gekozen en geheel uw plan te licht voor het tegenwicht van zulk een grooten wederstand.”—Zegt gij dat? Zegt gij dat? Ik zeg op mijn beurt tot u, dat gij een bekrompen, laffe boerenkinkel zijt, en dat gij liegt. Wat is [484]dat voor een hersenloos wezen! Bij God, ons plan is zoo goed, als er ooit een plan beraamd is; onze vrienden trouw en standvastig: een goed plan, goede vrienden, en veelbelovend; een uitmuntend plan, zeer goede vrienden! welk een bevroren hart heeft die schavuit in het lijf! Wat! Mylord van York keurt het plan en het algeheele beloop van den aanslag goed. Verdoemd, als ik nu bij dien schurk was, kon ik hem met zijn vrouws waaier de hersens inslaan. Is mijn vader er niet bij, en mijn oom, en ikzelf? Lord Edmund Mortimer, mylord van York en Owen Glendower? En is bovendien Douglas er niet bij? Heb ik niet al hun brieven, dat zij zich gewapend met mij zullen vereenigen op den negenden der volgende maand? En zijn zij niet, enkelen van hen, reeds opgerukt? Wat voor een ongeloovige schurk is hij! een heiden! Ha! gij zult zien, in de volle openhartigheid van zijn angst en zijn kleinmoedigheid gaat hij naar den koning om hem al onze aanstalten bloot te leggen. O, ik kon mij splitsen en mijzelf afranselen, dat ik zulk een schotel afgeroomde melk tot zulk een edel werk heb willen bewegen! Aan de galg met hem; hij mag het den koning mededeelen; wij zijn gereed. Ik wil van avond op weg gaan. 38

(Lady Percy komt op.)

Hoe gaat het, vrouw? ik moet u binnen twee uren verlaten.

Lady Percy.

O mijn gemaal, wat zijt gij zoo alleen?

Om welke schuld ben ik sinds veertien dagen

Een vrouw, verbannen uit mijn Hendriks bed?

Zeg, lieve man, wat is het? wat ontrooft

U eetlust, vreugde en uwen gulden slaap?

Waarom slaat gij uw oogen zoo ter aard

En schrikt zoo vaak, als gij alleen zit, op?

Waarom verloort gij ’t frissche bloed der wangen,

En schonkt mìjn rijk bezit, mijn recht op u,

Aan dofziend peinzen en verfoeilijk zwartzien?

Ik heb u in uw halven slaap bespied,

En hoorde steeds van ijz’ren krijg u momplen,

Uw steigrend ros met ruiterwoord en sporen,

En roepen: “Op! ten strijde!” Telkens spraakt gij

Van uitval, van terugtocht, schansen, tenten,

Redoeten, halve manen, parapets,

Veldslangen, gotelingen en kanonnen,

Gevangnen-vrijkoop en verslagen krijgers,

Van heel de wiss’ling van een heeten strijd.

Uw geest in u was zoozeer bij den krijg,

En heeft u zoo in uwen slaap verhit,

Dat parels zweet u op het voorhoofd stonden,

Als blazen op een pas verwoeden stroom;

En uw gelaat verried een vreemde ontroering,

Gelijk een man zijn adem inhoudt, als hem

Een grootsch bevel verrast. Wat teek’nen zijn dit?

Een zware taak nam mijn gemaal zich voor,

En weten moet ik ’t, of hij mint mij niet.

Heetspoor.

Heidaar!

(Een Bediende komt op.)

Heidaar! Is Gilliams weg met het pakket?

Bediende.

Sinds ruim een uur, mylord.

Heetspoor.

En Butler,—bracht hij paarden van den sheriff?

Bediende.

Één paard, mylord, bracht hij zoo even hier.

Heetspoor.

Welk paard? een vos, een kortoor, zoo ik hoop?

Bediende.

Die is ’t, mylord.

Heetspoor.

Die is ’t, mylord. Dien vos kies ik tot troon.

Goed, ik bestijg hem daad’lijk. Espérance!

Zeg Butler, dat hij in het park hem voorbreng’.

(De Bediende af.)

Lady Percy.

Maar hoor toch, mijn gemaal!

Heetspoor.

Wat is ’t, mijn gemalin?

Lady Percy.

Wat voert u toch van hier?

Heetspoor.

Wat anders, lieve, dan mijn paard, mijn paard? 79

Lady Percy.

Och kom, wat apenfratsen!

Een wezel zelfs heeft zooveel grillen niet,

Als die ù plagen. Op mijn woord, ik wil

Uw plannen weten, Hendrik; ja, ik wil ’t.

Mijn broeder Mortimer, dit vrees ik, roert zich,

En maakt weer aanspraak, en zond u zijn boden,

Dat gij zijn plannen stijft. Doch gaat gij, lieve,—

Heetspoor.

Zoo ver te voet, dan, lieve, word ik moede.

Lady Percy.

Kom, kom, gij papegaai, geef op die vraag,

Die ik u heb gedaan, mij rondweg antwoord.

Ik zeg u, ’k zal de pink u breken, Hendrik,

Als gij niet alles eerlijk mij vertelt.

Heetspoor.

Weg, weg,

Speelsch kind!—Wat, lieve!—Lief heb ik u niet,

Zie thans niet naar u om. Dit is geen tijd

Voor poppenspel, voor stoeien met de lippen;

Neen, neuzen deuken, koppen klieven, kronen

Inkerven en toch in betaling nemen

Voor schuld, dat is ons spel.—Vervloekt, mijn paard!—

Wat zegt gij, kind, wat wilt gij nog van mij?

Lady Percy.

Hebt gij mij niet meer lief? niet lief meer, waarlijk?

Goed, laat het. Maar, hebt gij mij niet meer lief,

Ik ook mijzelf niet. Hebt gij mij niet lief?

O, zeg, spreekt gij in scherts nu, of in ernst?

[485]

Heetspoor.

Kom, wilt gij mij zien rijden?

Zit ik te paard, dan wil ik zweren, vrouw,

Dat ik u eindloos liefheb. Doch, hoor dit:

Ik wil niet, dat gij in ’t vervolg mij uitvraagt,

Waarheen ik ga, of raden wilt, waartoe.

Waarheen ik gaan moet, moet ik, en, kortom,

Ik moet van avond u verlaten, beste.

Ik weet wel, gij zijt wijs, maar toch, niet wijzer

Dan Hendrik Percy’s vrouw; standvastig zijt gij,

Maar toch een vrouw; wat zwijgen aangaat, acht ik

Geen edelvrouw meer dicht, want ik geloof,

Dat gij niet klappen zult, wat gij niet weet;

En zoover wil ik u vertrouwen, beste.

Lady Percy.

Zoo ver? niet verder?

Heetspoor.

Geen duimbreed verder. Doch verneem nu, Kaatje:

Waar ik naar toe ga, volgt gij mij welras;

Ik ga vandaag vertrekken, morgen gij.

Nu zijt gij toch tevreden?

Lady Percy.

Nu zijt gij toch tevreden? ’k Moet het zijn.

(Beiden af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Eastcheap. Een vertrek in de herberg “Het Zwijnshoofd”.

Prins Hendrik komt op.

Prins Hendrik.

Om ’s hemels wil, Edu, kom uit die smerige kamer, en help mij eens wat lachen.

(Poins komt op.)

Poins.

Waar zijt gij geweest, Hein?

Prins Hendrik.

Met drie of vier ezelskoppen tusschen drie of vier dozijn okshoofden. Ik heb op de allerlaagste snaar van nederigheid gespeeld. Mensch, ik ben nu gezworen broeder van een’ koppel tappersknechts en kan ze allen bij hun doopnamen noemen: Tom, Frits en Frans. Zij verpanden er reeds hun zaligheid voor, dat ik, hoewel slechts kroonprins, toch de koning der wellevendheid ben, en zeggen mij ronduit, dat ik geen hoogmoedige Hans ben, zooals Falstaff, maar een Corinthiër, een brave kerel, een goede jongen,—bij God, zoo noemen zij mij,—en als ik eens koning van Engeland ben, zal ik alle wakkere kerels in Eastcheap tot mijn beschikking hebben. Sterk drinken noemen zij scharlaken verven, en als iemand bij het doorspoelen even ademhaalt, roepen zij: “hum, hum!” en zeggen u door te gaan. Kortom, ik heb het in een kwartier uur zoo ver gebracht, dat ik mijn leven lang met elken ketellapper in zijn eigen taal drinken kan. Ik zeg u, Edu, veel eer is u ontgaan, dat gij niet met mij bij deze heldendaad geweest zijt. Maar, mijn zoetelief, mijn Edu,—om dien naam van Edu te zoeten, geef ik je dit stuiverszaksken suiker, dat mij zoo even een ondertapper in de hand gedrukt heeft, zoo een, die van zijn leven geen ander Engelsch gesproken heeft dan:—“acht schellingen, zes stuivers,” en—“goeden avond,” met het uitgegilde vervolg:—“dadelijk, Heer, dadelijk! Een pint muskaat voor de Halvemaanskamer opschrijven”, of zoo iets. Maar Edu,—om ons den tijd te verdrijven, totdat Falstaff komt,—ga gij eens in een kamer hierbij, terwijl ik mijn kleinen tappersjongen afvraag, waarom hij mij de suiker gegeven heeft, en roep gij onophoudelijk “Frans!”, zoodat hij bij mij niets anders kan uitbrengen, dan—“dadelijk!” Ga ter zijde en ik laat u een toonbeeld zien.

(Poins gaat in een zijvertrek.)

Poins

(van binnen). Frans!

Prins Hendrik.

Gij zijt volleerd.

Poins

(van binnen). Frans!

(Frans komt op.)

Frans.

Dadelijk, heer, dadelijk!—Ralf, help gij beneden in de Granaatkamer.

Prins Hendrik.

Kom hier, Frans.

Frans.

Mylord?

Prins Hendrik.

Hoe lang heb je hier te dienen, Frans? 45

Frans.

Om de waarheid te zeggen, vijf jaar, en zoolang, tot—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, heer, dadelijk!

Prins Hendrik.

Vijf jaar! Bij onze lieve Vrouwe, een langen tijd om met tinnen kroezen te klepperen! Maar zeg eens, Frans, zou je wel het hart hebben, om tegenover je verbintenis voor lafaard te spelen, en haar een fraai paar hielen te laten zien, en voor haar op den loop te gaan?

Frans.

Heere mijn tijd, mylord, ik zou op alle boeken in Engeland durven zweren, dat ik het hart zou hebben,—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, Heer, dadelijk!

Prins Hendrik.

Hoe oud ben je, Frans?

Frans.

Laat zien;—komenden Sinte Michiel zal ik—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, heer!—Een amerijtje geduld, mylord!

[486]

Prins Hendrik.

Neen, maar hoor eens, Frans! Die suiker, die je straks gegeven hebt,—het was voor een stuiver, niet waar?

Frans.

O, prins, ik wenschte, dat het er voor twee geweest was!

Prins Hendrik.

Ik wil er je duizend pond voor geven; vraag er mij om, wanneer je wilt, en je zult het hebben.

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, dadelijk!

Prins Hendrik.

Dadelijk, Frans? Neen, Frans; maar morgen, Frans; of, Frans, Donderdag; of, wezenlijk, Frans, wanneer je wilt. Maar, Frans,—

Frans.

Mylord?

Prins Hendrik.

Wil je hèm bestelen, hèm met leêren wambuis, kristallen knoopen, met ronden knikker, agaten ring, vlookleurige kousen, gekeperde kniebanden, gladde tong, dikke pens,—

Frans.

Hemelsche goedheid, wien meent gij, Heer? 81

Prins Hendrik.

Zie, daarom is bruine muskaat je eenige drank; want, zie je, Frans, je wit linnen kamizool zal smerig worden. In Barbarije, vriend, kan het zoo duur niet wezen.

Frans.

Wat, Heer?

Poins

(van binnen). Frans!

Prins Hendrik.

Weg, deugniet! Hoor je niet, dat er geroepen wordt?

(Terwijl Frans weggaat, roepen hem beiden; hij staat verbluft, en weet niet, welken kant hij uit zal gaan.)

(De Tapper komt op.)

Tapper.

Wat, sta je hier te kijken, terwijl je zoo hoort roepen? Ga, zie naar de gasten binnen. (Frans af.) Mylord, de oude Sir John en nog een half dozijn staan voor de deur, zal ik ze binnenlaten?

Prins Hendrik.

Laat hen nog een oogenblik staan en doe dan de deur open. (De Tapper af.)—Poins!

(Poins komt weer op.)

Poins.

Dadelijk, Heer, dadelijk.

Prins Hendrik.

Jongen, Falstaff en die andere spitsboeven staan voor de deur. Willen wij ons eens recht vroolijk maken?

Poins.

Zoo vroolijk als krekels, kerel. Maar hoor, welk een kostelijk spel heb je daar met dien jongen gespeeld! Maar wat nu verder?

Prins Hendrik.

Ik ben nu gestemd tot alle kluchten, die ooit kluchtig gebleken zijn van de stokoude dagen van bestevaâr Adam af tot den zuigelingsleeftijd van ditzelfde middernachtsuur toe. (Hij roept.)

Hoe laat is het, Frans?

(Frans komt weer op.)

Frans.

Dadelijk, Heer, dadelijk.

(Frans af.)

Prins Hendrik.

Hoe kan die knaap minder woorden hebben dan een papegaai, en toch de zoon wezen van een vrouwmensch? Zijn bezigheid is—trap op, trap af,—zijn welsprekendheid, het optellen van verteringen.—Ik ben nog niet gestemd als Percy, de Heetspoor van het noorden, die je zijn zes of zeven dozijn Schotten voor zijn ontbijt ombrengt, zijn handen wascht en tot zijn vrouw zegt: “Foei, wat een stil leventje! ik verlang naar werk.” “O, mijn lieve Hendrik,” zegt zij, “hoe velen hebt gij er vandaag omgebracht?” “Geef mijn roodvos te drinken;” zegt hij, en antwoordt “een stuk of veertien,” een uur later, “een kleinigheid, een kleinigheid.”—Ik bid u, roep Falstaff binnen; ik zal Percy spelen, en die vervloekte paaschos moet voor Dame Mortimer, zijn vrouw, spelen. “Rivo”, zegt de dronkaard. Roep het ribbenstuk, roep den vetklomp binnen. 25

(Falstaff, Gadshill, Bardolf en Peto komen op, en ook Frans.)

Poins.

Welkom, Hans, waar ben je geweest?

Falstaff.

Haal’ de pest alle laf bekken, zeg ik, en sla hen de donder bovendien! Ja en amen!—Geef mij een beker sek, jongen!—eer ik langer zoo’n leven leid, wil ik liever kousen breien en ze mazen en verhielen ook. Haal’ de pest alle lafbekken!—Geef mij een beker sek, schelm!—Is er in ’t geheel geen deugd meer op aarde?

(Frans brengt hem wijn; hij drinkt.)

Prins Hendrik

(tot Poins). Heb je nooit gezien, hoe Phoebus een schaal boter kuste,—de weekhartige Phoebus,—en hoe de boter bij de zoete woordjes van den Zonnegod smolt? Heb je het wel eens gezien, zie dan nu deze massa eens aan.

Falstaff.

Jij schelm, daar is nu ook kalk in deze sek; niets dan schurkerij is er te vinden bij booze menschen. (Frans af.) Maar een lafaard is nog erger dan een beker sek met kalk; zulk een schurkachtige lafaard!—Ga voort op uw weg, oude Hans; sterf als gij wilt. Als manhaftigheid, echte manhaftigheid niet van het aangezicht der aarde verdwenen is, ben ik een ijle haring. In heel England leven geen drie echte mannen, [487]die niet gehangen zijn, en een van hen is vet en wordt oud. God beter’ ’t! een slechte wereld, zeg ik. Ik wenschte, dat ik een wever was; ik zou psalmen kunnen zingen of wat ook. De pest hale alle lafbekken, zeg ik nog eens.

Prins Hendrik.

Komaan, wolbaal, wat brom je daar zoo in je baard?

Falstaff.

Een koningszoon! Als ik je niet uit je koninkrijk jaag met een houten zwaard, en al je onderdanen voor je uitdrijf als een zwerm wilde ganzen, wil ik nooit meer een haar op mijn gezicht dragen. Gij een prins van Wales!

Prins Hendrik.

Nu, jij schandalige rolpens, wat heb je dan?

Falstaff.

Ben je niet een lafaard?—geef daar eens antwoord op,—en Poins daar ook?

Poins.

Alle duivels, jij vetklomp, als je mij een lafaard noemt, steek ik je dood.

Falstaff.

Ik je een lafaard noemen! Ik wil jou verdoemd zien, eer ik je een lafaard noem; maar ik gaf wel duizend pond, als ik zoo hard kon loopen als jij. Je bent recht genoeg in de schouders en het kan je niet schelen, wie je rug ziet; noem je dat, je vrienden den rug dekken! De pest haal’ zulke ruggevrienden! geef er mij, die mij het gelaat toekeeren!—Geef mij een beker sek; ik ben een schelm, als ik vandaag iets over mijn lippen heb gehad. 169

Prins Hendrik.

O schurk, je hebt ze nog niet afgeveegd na den laatsten dronk.

(Frans brengt wijn en gaat weer heen.)

Falstaff.

Het komt op hetzelfde neer. (Hij drinkt.) De pest hale alle lafaards, zeg ik nog eens.

Prins Hendrik.

Wat is er dan toch?

Falstaff.

Wat er is? er zijn er hier vier onder ons, die van morgen vroeg een duizend pond hebben buitgemaakt.

Prins Hendrik.

Waar is het, Hans? waar is het?

Falstaff.

Waar het is! ons afgenomen is het; omtrent honderd tegen onze armzalige vier.

Prins Hendrik.

Wat! een honderd, mensch?

Falstaff.

Ik ben een schelm, als ik niet met een dozijn van hen op een halve degenlengte geweest ben, twee uren aan één stuk. Door een wonder heb ik er het leven afgebracht. Ik heb acht stooten door mijn wambuis gekregen, vier door mijn hozen; mijn schild is door en door gehouwen, mijn zwaard ingehakt, als een handzaag; ecce signum. Sinds ik man ben, heb ik mij nooit beter gehouden; maar het mocht niet baten. De pest hale alle lafaards!—Laten zij spreken! als zij aan de waarheid iets toe- of afdoen, zijn zij schurken en zonen der duisternis.

Prins Hendrik.

Spreekt, mannen; hoe ging het toe?

Gadshill.

Wij met ons vieren overvielen een goed dozijn—

Falstaff.

Zestien ten minste, mylord.

Gadshill.

En knevelden ze.

Peto.

Neen, neen, zij werden niet gekneveld.

Falstaff.

Jij schelm, ze werden gekneveld, man voor man, of ik wil een jood wezen, een Hebreeuwsche jood.

Gadshill.

Toen wij aan het deelen waren, overvielen ons zes of zeven versche kerels,—

Falstaff.

En maakten de andren los, en toen kwamen de overigen.

Prins Hendrik.

Wat! hebt ge met die allen gevochten?

Falstaff.

Allen? ik weet niet, wat je allen noemt, maar als ik niet met een vijftig van hen gevochten heb, wil ik een bosje radijs wezen. Als de arme oude Hans er niet twee of drie en vijftig op den hals had, ben ik geen tweebeenig creatuur. 208

Prins Hendrik.

God geve, dat gij er niet enkelen naar de andere wereld gestuurd hebt.

Falstaff.

Ja, daar helpt geen bidden meer voor; ik heb het twee van hen ingepeperd; twee, dit weet ik zeker, heb ik het betaald gezet, twee schelmen in stijflinnen plunje. Ik zal je wat zeggen, Hein;—als ik je iets voorlieg, spuw me dan in het gezicht, noem mij een paard. Je kent mijn oude parade: zoo lag ik, en zoo hield ik mijn kling. Vier schelmen in stijflinnen drongen op mij aan;—

Prins Hendrik.

Wat, vier! Zoo op ’t oogenblik zei je twee.

Falstaff.

Vier, Hein; ik sprak van vier.

Poins.

Ja, ja, hij zei vier.

Falstaff.

Die vier kwamen allen recht op mij af en deden als één man een uitval tegen mij. Ik maakte er mij niet druk mee, maar ving hun zeven spitsen alle met mijn schild op,—zóó.

Prins Hendrik.

Zeven? Daar pas waren het er nog maar vier.

Falstaff.

In stijflinnen?

Poins.

Ja, vier, in stijflinnen plunje.

[488]

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.

Falstaff.

Zeven, bij dit gevest, of ik wil een schelm zijn.

Prins Hendrik.

Ik bid je, laat hem begaan; op ’t oogenblik krijgen wij er nog meer.

Falstaff.

Luister je, Hein?

Prins Hendrik.

Ja, en ik let goed op, Hans.

Falstaff.

Doe dat; het is het luisteren wel waard. Die negen in stijflinnen, waar ik van sprak,—

Prins Hendrik.

Zoo, alweer twee meer.

Falstaff.

Toen ik er met mijn kling goed op had losgeveterd,—

Poins.

Zakten hun hozen af.

Falstaff.

Begonnen ze te wijken; maar ik hen achterna, ik overviel hen en in een ommezien had ik het er zeven van de elf betaald gezet.

Prins Hendrik.

O ontzettend, elf stijflinnen kerels uit twee gegroeid!

Falstaff.

Maar, alsof de duivel in het spel was, vielen er drie misbakken spitsboeven in groen laken mij in den rug en hieuwen er op in;—want het was zoo donker, Hein, dat men geen hand voor oogen zien kon;— 248

Prins Hendrik.

Die leugens zijn even als de vader, die haar verwekt, groot en breed als een berg, in het oog vallend, tastbaar. Zeg eens, jij onthersende rolpens, jij knoestkoppige dwaas, jij afschuwelijk, glibberig, smerig talkvat,—

Falstaff.

Wat ben je dol? ben je dol? wat waar is, is waar.

Prins Hendrik.

Wel, hoe kon je die kerels in groen laken onderscheiden, als het zoo donker was, dat je geen hand voor oogen kondt zien? Kom aan, verklaar dat eens, geef je gronden eens op.

Poins.

Kom, je gronden, Hans, je gronden!

Falstaff.

Wat! gedwongen? Neen; al ware ik aan de wipgalg of op alle pijnbanken ter wereld, gedwongen zou ik niets zeggen. Gronden geven bij dwang! Al waren er gronden zoo overvloedig als bramen, van mij zou niemand een grond door dwang vernemen, van mij niet.

Prins Hendrik.

Ik wil niet langer deel hebben aan deze zonde; deze volbloedige lafaard, deze bedplatdrukker, deze paarderugbreker, deze verbazende vleeschberg,—

Falstaff.

Stilgezwegen, jij hongerlijder, jij aalshuid, jij gedroogde kalfstong, jij bullepees, jij stokvisch,—O, had ik maar adem genoeg om te zeggen, waar je op gelijkt!—jij snijdersel, jij degenscheê, jij boogfoedraal, jij erbarmelijk, rechtopstaand rapier,—

Prins Hendrik.

Wacht even, kom op adem. en begin dan weer; en als je uitgeput bent van, slechte vergelijkingen, luister dan eens naar wat ik zeg.

Poins.

Let op, Hans.

Prins Hendrik.

Wij tweeën zagen jullie vieren vier man aanvallen en knevelen, en je waart meester van hun goed. Let nu op, hoe een eenvoudig verhaal je te schande zal maken!—Toen overvielen wij tweeën jullie vieren, en snauwden je met een enkel woord van je buit weg, en hebben dien, ja, en kunnen je dien hier in huis toonen.—En jij, Falstaff, hebt daarbij je pens zoo vlug meegesleept, met zulk een snelle behendigheid, en om genade gebulkt, en in eens doorgeloopen en gebulkt, als ik ooit een bulkalf heb hooren doen. Wat voor een deugniet ben je, je zwaard in te hakken, zooals je gedaan hebt, en dan te zeggen, dat het van ’t vechten is gekomen! Wat voor een streek, wat uitvlucht, wat schuilhoek kun je nu uitvinden; om je voor deze openlijke en klaarblijkelijke schande te versteken?

Poins.

Komaan, laat hooren, Hans! wat voor een streek heb je nu? 294

Falstaff.

Bij God, ik kende je zoo goed als hij, die je gemaakt heeft. Nu, hoort gij mij aan, mannen! Kon het in mij opkomen, den vermoedelijken troonopvolger om te brengen? Kon ik mij tegen den echten prins te weer stellen? Je weet, ik ben zoo dapper als Hercules;—maar heb ontzag voor het instinct; de leeuw roert den echten prins niet aan. Instinct is een groote zaak; ik was lafaard uit instinct. Ik zal levenslang nu des te beter van mijzelf en van jou denken, van mij als een dapperen leeuw, van jou als een echten prins.—Maar, bij God, jongens, ik ben blij, dat je het geld hebt.—Waardin, de deuren toe! heden, gewaakt, morgen gebeden!—Brave kerels, broeders, jongens, harten van goud, alle titels van goede kameraadschap voor je! Hoe is het? willen we pret maken? willen we voor de vuist een komedie spelen?

Prins Hendrik.

Aangenomen;—en het onderwerp zal wezen: je wegloopen.

Falstaff.

O, niets meer daarover, Hein, als je mij liefhebt.

(De Waardin komt op.)

Waardin.

O Jezus! genadige heer prins,—

Prins Hendrik.

Hoe is het, mevrouw de waardin? Wat heb je mij te zeggen?

[489]

Waardin.

Genadige heer, daar is een edelman van het hof aan de deur, die u wil spreken; hij zegt, dat uw vader hem iets opgedragen heeft.

Prins Hendrik.

Dan is het een koninklijk maal; zend hem terug, dat hij mijn moeder er op vraag’.

Falstaff.

Wat soort van een man is het?

Waardin.

Een oud man.

Falstaff.

Wat doet de deftigheid te middernacht uit haar bed?—Zal ik hem te woord staan?

Prins Hendrik.

Ja, doe dat; gaarne, Hans.

Falstaff.

Op mijn woord, ik zal hem wel afschepen.

(Falstaff af.)

Prins Hendrik.

Nu, bij onze lieve vrouw, kerels, jullie hebt wakker gevochten,—jij ook, Peto,—jij ook, Bardolf; je bent ook leeuwen, je liep weg uit instinct, je zoudt den echten prins niet willen aanroeren, vooral niet,—o foei!

Bardolf.

Op mijn woord, ik liep, omdat ik de anderen zag loopen.

Prins Hendrik.

Kom aan, biecht mij nu eens oprecht, hoe kwam Falstaff’s degen zoo geschaard?

Peto.

Wel, hij hakte er op met zijn dolk, en zeide, dat hij de waarheid Engeland uit zou zweren, maar hij zou u doen gelooven, dat het van ’t vechten gekomen was, en hij haalde ons over hetzelfde te doen. 339

Bardolf.

Ja, en onze neuzen met scherp gras te kittelen om ze aan het bloeden te brengen, en er dan onze kleederen mee te besmeren, en te zweren, dat het bloed was van eerlijke luî. Ik deed, wat ik in zeven jaar niet gedaan had,—ik bloosde, toen ik zijn afschuwelijke invallen hoorde.

Prins Hendrik.

O jij spitsboef! jij hebt achttien jaar geleden een beker sek gestolen en werdt op heeter daad gegrepen, en sedert heb je altijd ex tempore gebloosd. Je hadt vuur, en aan je zijde een zwaard, en toch liep je weg; welk instinct hadt je daartoe?

Bardolf

(op zijn gelaat wijzende). Mylord, ziet gij die verschietende sterren, ziet gij die vuurvlammen?

Prins Hendrik.

Ja zeker.

Bardolf.

Wat denkt gij wel, dat zij aanduiden?

Prins Hendrik.

Een heete lever en een koude beurs.

Bardolf.

Gal, genadige heer, als men ’t naar eisch vat.

Prins Hendrik.

Een galg, man, als men je naar eisch vat.

(Falstaff komt weder op.)

Daar komt schrale Hans, daar komt Klapperbeen.—Nu, mijn allerliefste watten popje! hoe lang is het geleden, Hans, dat je je eigen knie gezien hebt?

Falstaff.

Mijn eigen knie? toen ik van uw jaren was, Hein, was ik om het lijf niet zoo dik als een adelaarsklauw; ik had kunnen kruipen door den duimring van iederen alderman. Naar den duivel met kommer en zuchten, dat blaast een mensch op als een blaas.—Er is schurkachtig nieuws in omloop; Sir John Bracy was daar van uw vader; gij moet morgen vroeg naar het hof. Die bewuste dolle kerel in het noorden, Percy, en hij uit Wales, die eens den boozen geest Amaimon stokslagen gaf, en Lucifer horens opzette, en den duivel als echten vazal in den eed nam op het kruis van een Wallisische hellebaard,—wat weêrgâ, hoe heet hij ook?

Poins.

O! Glendower.

Falstaff.

Owen, Owen, dezelfde;—en zijn schoonzoon Mortimer, en de oude Northumberland, en die vurige Schot der Schotten, Douglas, die in snellen loop te paard een loodrechten berg opgaat,—

Prins Hendrik.

Die in sterken galop met zijn pistool een musch in de vlucht doodschiet.

Falstaff.

Je hebt het getroffen. 381

Prins Hendrik.

Maar hij nooit de musch.

Falstaff.

Nu, die schelm heeft een hart in ’t lijf; die gaat niet loopen.

Prins Hendrik.

Wat voor een schelm ben je dan, die hem om zijn snellen loop zoo roemt?

Falstaff.

Te paard, jij uilskuiken; te voet wijkt hij geen voet van zijn plaats.

Prins Hendrik.

Toch wel, Hans, uit instinct.

Falstaff.

Dat geef ik toe, uit instinct. Nu, die is er ook bij, en een zekere Mordake, en nog wel een duizend blauwmutsen bovendien. Worcester heeft zich bij nacht uit de voeten gemaakt; uws vaders baard is op de tijdingen wit geworden; gij kunt land nu even goedkoop koopen als stinkende makreelen.

Prins Hendrik.

Nu, dan, als er een heete Juni komt en deze burger-kloppartij aanhoudt, zullen wij waarschijnlijk maagdommen koopen als hoefnagels, bij het gros.

Falstaff.

Sacrament, jongen, je hebt gelijk; in dat opzicht zullen wij denkelijk goede zaken doen.—Maar zeg mij, Hein, zit je niet schrikkelijk in den brand? Je bent troonopvolger, en [490]kan nu de heele wereld je nog eens drie zulke tegenstanders uitpikken als dien duivel Douglas, dat hellekind Percy, en dien boozen geest Glendower? Zit je niet verschrikkelijk in den brand? rilt je bloed er niet van?

Prins Hendrik.

In het minst niet, op mijn eer! daartoe zou ik iets van dat instinct van jou moeten hebben.

Falstaff.

Nu, je zult er morgen verschrikkelijk langs krijgen, als je bij je vader komt; als je mij lief hebt, bedenk dan te voren een antwoord.

Prins Hendrik.

Goed, stel jij dan mijn vader voor, en neem mij over mijn levenswandel in ’t verhoor.

Falstaff.

Moet ik?—Het zij zoo.—Deze stoel zal mijn troon zijn, deze dolk mijn scepter en dit kussen mijn kroon.

Prins Hendrik.

Je troon is niet beter dan een vouwstoel, je gouden scepter dan een looden dolk, en je kostelijke, rijke kroon dan een armzalige kale kruin.

Falstaff.

Wacht maar, als er nog een sprankje genade in je leeft, zult ge nu geroerd worden.—Geef mij een beker sek, opdat mijn oogen rood zien, en men denke, dat ik geweend heb; want ik moet diep bewogen spreken, en dat wil ik doen, op de manier van koning Cambyses.

(Hij drinkt.)

Prins Hendrik.

Goed; hier is mijn strijkvoet.

Falstaff.

En hier mijn toespraak.—Treedt ter zijde, bloem van mijn adel! 429

Waardin.

O Jezus! dat is een kostelijke grap!

Falstaff.

Ween niet, o koningin! vergeefsch is tranendropp’ling.

Waardin.

Jezus Maria! wat neemt hij een houding aan!

Falstaff.

Lords, leidt mijn droeve koningin ter zij; Want leed verstopt de sluizen van haar oogen.

Waardin.

O Jezus! hij doet als die minnekoozerijspelers zoo goed als ik ooit maar zien kan!

Falstaff.

Stil, goede pintkan! stil, vrouw Spraakwater!—Hendrik, mij verbaast niet alleen, waar gij uw tijd doorbrengt, maar ook met wie gij omgaat; want ofschoon de kamille, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit, is toch de jeugd, hoe meer men ze verspilt, des te sneller versleten. Dat gij mijn zoon zijt, daarvoor heb ik deels de verzekering van uw moeder, deels mijn eigen meening, maar voornamelijk een schurkachtigen trek in uw oog, en een onnoozel hangen van uw onderlip als borg er voor. Als gij dus mijn zoon zijt,—nu kom ik tot mijn doel,—waarom wordt gij, als gij mijn zoon zijt, het doelwit van ieders vinger? Moet de roemrijke zon des hemels een struikdief worden en bramen eten? Een vraag, die niet gedaan mag worden. Moet de zoon van Engeland een nachtdief worden en beurzen snijden? Een vraag, die wel gedaan moet worden. Er is één ding, Hendrik, waar gij meermalen van gehoord hebt, en het is aan velen in ons land bekend onder den naam van pik; dit pik pleegt, zooals oude schrijvers berichten, te besmetten; zoo doet ook het gezelschap, waar gij meê verkeert; want, Hendrik, nu spreek ik tot u, niet in mijn dronk, maar in tranen, niet in vermaak, maar in droefenis, niet enkel in woorden, maar ook in zorgen.—En toch is er een deugdzaam man, dien ik meermalen in uw gezelschap heb opgemerkt, maar ik weet zijn naam niet.

Prins Hendrik.

Wat voor een soort van man, als het uwe majesteit belieft? 463

Falstaff.

Een welgemaakt, deftig man, dat moet ik zeggen, en wat zwaarlijvig; met een opgeruimden blik, een innemend oog en een zeer waardige houding; en, naar ik vermoed, in de vijftig, of, als God wil, bij de zestig; en,—nu valt mij in,—zijn naam is Falstaff. Als die man tot uitspattingen kan overhellen, dan bedriegt hij mij; want, Hendrik, ik lees deugd in zijn oogopslag. Wanneer dus de boom aan zijn vruchten te kennen is, zoowel als de vrucht aan den boom, dan zeg ik bepaald en stellig: er is deugd in dien Falstaff; houd u aan hem en verban de anderen. En zeg mij nu, gij nietswaardige deugniet, zeg mij, waar hebt gij de geheele maand gezeten?

Prins Hendrik.

Spreekt gij als een koning? Ga gij voor mij staan, en ik zal mijn vader spelen.

Falstaff.

Mij afzetten? Als gij het half zoo statig, zoo majestueus doet, zoo in woord als daad, hang mij dan bij de hielen op, als een zuigkonijntje of een gevilde haas.

Prins Hendrik.

Goed, hier zit ik.

Falstaff.

En hier sta ik.—Oordeelt nu, mannen.

Prins Hendrik.

Zoo, Hendrik, van waar komt ge?

Falstaff.

Mijn hooge vader, van Eastcheap.

Prins Hendrik.

De klachten, die ik over u hoor, zijn grievend.

Falstaff.

Alle duivels, mylord, ze zijn valsch.—O, ik zal u een lief, jong prinsje laten zien, waarachtig!

Prins Hendrik.

Vloekt gij, goddelooze knaap? kom mij voortaan nimmer meer onder de oogen. [491]Gij laat u met geweld wegsleuren van de genade; er is een duivel, die om u waart in de gedaante van een vetten, ouden man; een ton van een man is uw kameraad. Waarom verkeert gij met die kist vol grillen, dien builtrog van dierlijkheid, die opgeblazen baal waterzucht, dien grooten wijnzak met sek, dat volgepropte darmenvalies, dien gebraden kermisos met den podding in ’t lijf, die eerwaardige ondeugd, die grijze verdorvenheid, dien vader losbol, die ijdelheid op jaren? Waarin is hij goed, dan in het sek proeven en drinken? waarin net en keurig, dan in het kapuinen voorsnijden en eten? waarin knap, dan in list en bedrog? waarin listig, dan in schurkerij? waarin schurkachtig, dan in alles? waarin achtenswaardig, dan in niets?

Falstaff.

Ik wenschte, dat uw genade mij op de hoogte bracht. Wien meent uwe genade?

Prins Hendrik.

Dien schurkachtigen verfoeilijken verleider der jeugd, Falstaff, dien ouden, witbaardigen satan.

Falstaff.

Mylord, dien man ken ik. 510

Prins Hendrik.

Ik weet, dat gij hem kent.

Falstaff.

Maar als ik zeide, dat ik meer kwaad van hem weet, dan van mijzelf, zou ik meer zeggen, dan ik weet. Dat hij oud is, God zij het geklaagd, zijn witte haren getuigen het; maar dat hij, met verlof van uwe genade, een hoerenjager zou wezen, dit ontken ik ten sterkste. Als sek met suiker boos is, dan sta God de zondaars bij! Als oud en vroolijk zijn zonde is, dan is menig oude waard, dien ik ken, verdoemd; als vet te zijn hatenswaardig is, dan zijn Pharao’s magere koeien beminnelijk. Neen, mijn beste heer, verban Peto, verban Bardolf, verban Poins; maar dien lieven Hans Falstaff, dien goeden Hans Falstaff, dien trouwen Hans Falstaff, dien dapperen Hans Falstaff,—en daarom te dapperder, omdat hij de oude Hans Falstaff is, zooals hij is,—verban dien niet uit het gezelschap van uw Hendrik; verban dien dikken Hans, en gij verbant de geheele wereld.

(Er wordt geklopt; de Waardin, Frans en Bardolf af.)

(Bardolf komt weder binnenstormen.)

Bardolf.

O mylord, mylord! de sheriff, met een allervervaarlijkste wacht, staat voor de deur.

Falstaff.

Weg, gij schelm!—Speel het spel ten einde, ik heb nog veel te zeggen ten gunste van dien Falstaff.

(De Waardin komt terug.)

Waardin.

O Jezus! Mylord, mylord!—

Prins Hendrik.

Ho, ho! de duivel rijdt op een strijkstok. Wat is er aan de hand?

Waardin.

De sheriff en zijn geheele wacht staan voor de deur; zij komen hier huiszoeking doen; moet ik ze binnenlaten?

(De Prins schijnt te willen toestemmen.)

Falstaff.

Hoor eens, Hein! Noem een echt goudstuk nooit een valsche munt; gij zijt in waarheid dol, al schijnt gij het niet.

Prins Hendrik.

En gij een geboren lafaard, zonder instinct.

Falstaff.

Uw gevolg wijs ik af; wilt gij dien man met gevolg afwijzen, goed; zoo niet, laat hem binnenkomen. Als ik op de kar niet een even goed figuur maak als eenig ander, dan hale de duivel mijn opleiding! Ik hoop, dat een strop het even kort met mij maakt als met eenig ander.

Prins Hendrik.

Ga, verberg u achter het wandtapijt; de anderen moeten naar boven gaan. Nu, mannen, een eerlijk gezicht en een goed geweten!

Falstaff.

Die heb ik alle twee eens gehad; maar hun tijd is er geweest, en daarom wil ik mij versteken. 553

(Allen af, behalve de Prins en Poins.)

Prins Hendrik.

Roep den sheriff binnen.

(De Sheriff en een Voerman komen op.)

Nu, meester Sheriff, wat is uw verlangen?

Sheriff.

Vooreerst verschooning, eed’le prins. Een oploop

Heeft enkle lieden tot dit huis vervolgd.

Prins Hendrik.

Wie zijn die lieden?

Sheriff.

Één hunner is genoeg bekend, mijn prins;

Een zware, vette man.

Voerman.

Een zware, vette man. Zoo vet als boter.

Prins Hendrik.

Die man, kan ik verzeek’ren, is hier niet,

Daar ik juist zelf hem in mijn dienst gebruik.

Doch, sheriff, ik verpand mijn woord aan u,

Dat ik hem morgen middag tot u zend,

Om u, of wien ook, rekenschap te geven

Van alles, wat men hem ten laste legt;

Dus vraag ik u, dat gij dit huis verlaat.

Sheriff.

Terstond, mylord. Bij dezen straatroof hebben

Twee heeren ruim driehonderd mark verloren.

Prins Hendrik.

Dat moog’ zoo zijn. Als hij dien roof bedreef,

Het worde op hem verhaald;—en nu vaarwel!

[492]

Sheriff.

Genadig heer, een goede nacht!

Prins Hendrik.

’t Mag wel reeds “goeden morgen” zijn, niet waar?

Sheriff.

Ja, juist, mylord, ’t is over tweeën, meen ik.

(De Sheriff en de Voerman af.)

Prins Hendrik.

Die schelmachtige olieton is zoo bekend als de Paulskerk.—Ga, roep hem voor den dag.

Poins.

Falstaff!—Vast in slaap achter het tapijt, en snorkend als een paard.

Prins Hendrik.

Ja, hoor, hoe zwaar hij ademhaalt. Doorsnuffel zijn zakken eens. (Poins doet het.)—Wat hebt gij gevonden?

Poins.

Niets dan papieren, mylord.

Prins Hendrik.

Laat zien, wat het is; lees ze voor.

Poins

(leest).

Item, een kapoen 2 schelling 2 stuivers.
Item, saus 4 stuivers.
Item, sek, twee stoop 5 schelling 8 stuivers.
Item, ansjovis, en sek na ’t avondeten 2 schelling 6 stuivers.
Item, brood ½ stuiver.

Prins Hendrik.

Wel ontzettend! voor slechts een halven stuiver brood bij deze verschrikkelijke massa sek!—Wat daar verder nog is, steek het bij u; wij zullen dat bij gelegenheid wel eens lezen. Laat hem daar slapen tot het dag is. Ik wil morgen vroeg naar het hof; wij moeten allen in den oorlog, en gij zult een eervolle plaats krijgen. Ik zal dien vetten schelm een commando te voet verschaffen; en ik weet, dat een marsch van een paar honderd pas zijn dood zal zijn. Het geld zal met een goeden bijslag terugbetaald worden. Kom morgen bijtijds bij mij; en nu, goeden morgen, Poins!

Poins.

Goeden morgen, beste Heer!

(Beiden af.)

[Inhoud]

DERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Bangor. Een vertrek in het huis van den Aartsdeken.

Heetspoor, Worcester, Mortimer en Glendower komen op.

Mortimer.

’t Verbond is zeker, de beloften schoon,

En heel ons voorspel vol van blijde hoop.

Heetspoor.

Lord Mortimer en neef Glendower, ik bid u,

Neemt plaats!—

Ook gij, oom Worcester!—Wat! de duivel haal’ mij!

Ik heb de kaart vergeten.

Glendower.

Ik heb de kaart vergeten. Neen, hier is zij.

Neem plaats, neef Percy; zet u, beste Heetspoor;

Wel best! want telkenmaal, dat Lancaster

Met dezen naam u noemt,

Verbleekt zijn wang, en met een diepen zucht

Wenscht hij u in den hemel.

Heetspoor.

U in de hel, zoo dikwijls Owen Glendower

Genoemd wordt in zijn bijzijn.

Glendower.

En wel te recht. Des hemels aanschijn was

In mijn geboortenacht vol vuurgestalten

En laaie toortsen; mijn verschijnen deed

Der aarde bouw en zwaren grondslag rillen

Gelijk een lafaard. 17

Heetspoor.

Wel, dat zou op dien zelfden tijd ook gebeurd zijn, als uw moeders kat jongen geworpen had, al waart gijzelf nooit geboren.

Glendower.

Ik zeg, dat de aard bij mijn geboorte rilde.

Heetspoor.

En ik zeg, de aard had niets van mijn natuur,

Als gij gelooft, dat zij, u vreezend, trilde.

Glendower.

De hemel stond in vlammen, de aarde beefde.

Heetspoor.

Dan rilde de aarde, wijl zij heel den hemel

In vuur zag, niet uit vrees om uw geboorte.

Niet zelden breekt een ziekte der natuur

In dolle krampen uit; de zwangere aard

Wordt vaak, als door koliek gekweld, genepen;

Lucht, damp, die woelt en werkt, is in haar schoot

Alsdan bekneld, en schokt, bevrijding zoekend,

Oudmoeder aarde, en stort aloude burgen

En torens neêr in puin. Bij uw geboorte

Werd onze bestemoêr door zulk een aanval

Van pijn geschokt.

[493]

Glendower.

Van pijn geschokt. Van vele mannen, neef,

Zou ik dien spot niet dulden. Sta mij toe,

Nog eens te zeggen, dat bij mijn geboorte

Het hemelwelf vol vuurgestalten was;

De geiten holden van ’t gebergt’, de kudden

Verschrikten door haar vreemde kreten ’t veld.

Die teekens stemp’len mij als ongemeen,

En heel de loop mijns levens toont, dat ik

Niet op de rol sta der gewone menschen.

Waar leeft de man,—omsloten door de zee,

Die Englands, Wales’ en Schotlands kusten beukt,—

Die iets mij leerde, mij zijn kweek’ling noemt?

Stel hèm voor mij, die, slechts een vrouwe-zoon,

Mij op de zware baan der kunst kan volgen,

Zich met mij meet in diepe wetenschap.

Heetspoor.

Dat niemand beter Welsch spreekt, neem ik aan.

Ik ga aan tafel.

Mortimer.

Stil toch, neef Percy, zóó maakt gij hem dol.

Glendower.

Ik roep uit woeste diepten geesten op. 52

Heetspoor.

Welnu, dat kan ik ook, dat kan een ieder;

Maar komen ze inderdaad, als gij hen roept?

Glendower.

Nu, ’k leer u, neef, den duivel te bezweren.

Heetspoor.

En ik u, neef, den duivel weg te bannen

Door waarheid; roep hem waarheid toe, hij vlucht.—

Vermoogt gij hem te roepen, breng hem hier,

Ik zweer, ik overmag hem, spot hem weg.

’t Gaat door; zeg hem de waarheid, en hij vlucht!

Mortimer.

Kom, kom;

Staakt dit gepraat, dat ons niet verder brengt.

Glendower.

Driemaal heeft Hendrik Bolingbroke den strijd

Met mijne macht gewaagd, en driemaal zond ik

Hem van de Wye en ’t zandig bed des Severns,

Bij storm, de kousen op den kop, naar huis.

Heetspoor.

Wat! ongeschoeid! en dat bij storm en onweer!

Hoe blijft hij vrij van koorts, in ’s duivels naam?

Glendower.

Komt, neemt de kaart nu. Willen we ons gebied

Alsnu naar ons verdrag in drieën deelen?

Mortimer.

De aartsdeken heeft voor ons het land alreeds

Gedeeld in drie geheel gelijke stukken.

England, van Trent en Severn tot hiertoe,

Naar ’t zuiden en naar ’t oosten, is voor mij;

Het westen, Wales, aan gene zij der Severns,

En al het vruchtbre land, aldus begrensd,

Aan Owen Glendower;—aan u, mijn waarde neef,

Al ’t oov’rige, ten noorden van de Trent.

Drievoudig zijn de stukken opgemaakt;

En hebben wij die wederzijds bezegeld,—

Wat heden avond nog gebeuren kan,—

Dan trekken wij, neef Percy, gij en ik

Alsook mylord van Worcester, morgen op,

Om uwen vader en het Schotsche leger

Te Shrewsbury, naar afspraak, aan te treffen.

Mijn vader hier is nog wel niet gereed,

Doch veertien dagen is zijn hulp te missen.—

En in dien tijd hebt gij toch uw vazallen,

Uw vrienden en uw magen wel bijeen?

Glendower.

Een korter tijd brengt mij, mylords, tot u;

En onder mijn geleide ook uwe vrouwen.

Nu sluipt gij weg en zegt haar geen vaarwel;

Want anders zou een vloed van tranen stroomen,

Bij ’t afscheid, dat gij van uw vrouwen neemt.

Heetspoor.

Mij dunkt, dat mijn deel, noord’lijk hier van Burton,

Niet een der uwe in omvang evenaart. 97

Ziet, hoe de stroom, hier in mijn land zich kronk’lend,

Een groote halve maan, een reuzenbrok,

En dat van de’ allerbesten grond, er uit snijdt.

Ik wil, dat hier de stroom worde afgedamd;

En in een nieuwe bedding vloeie hier

Dan vrij en recht de heldre, zilv’ren Trent;

Met zulk een bocht zal die zich hier niet krommen,

Dat zij mij zulk een rijken grond ontkaapt.

Glendower.

Niet krommen? ’t Moet en zal; gij ziet, zij doet het.

Mortimer.

Ja, maar ziet,

Hoe hier de stroom zijn richting neemt, bij mij

In ’t land dringt en geheel ten uwen bate

Van ’t overland zoo veel aan mij ontfutselt,

Als hij aan de’ andren kant aan u ontneemt.

Worcester.

Men graaft hem hier met weinig kosten door

En wint in ’t noorden lichtlijk deze landtong;

Dan zijn de scherpe bochten weg.

Heetspoor.

Ik wil ’t; met weinig kosten is ’t gedaan.

Glendower.

’k Wil niets veranderd hebben.

Heetspoor.

’k Wil niets veranderd hebben. Wilt gij ’t niet?

Glendower.

Neen, en gij doet het niet.

Heetspoor.

Neen, en gij doet het niet. Wie zal ’t verbieden?

Glendower.

Nu, dat zal ik.

Heetspoor.

Nu, dat zal ik. Laat mij u niet verstaan,

En zeg het in het Welsch.

Glendower.

Ik spreek, heer, Engelsch, even goed als gij,

En werd zelfs opgevoed aan ’t Engelsch hof,[494]

Waar ik, nog jong, voor menig Engelsch lied

Een lieflijk tokk’len van de harp ontwierp,

En aan de tong een hulprijk siersel schonk;

Nooit heeft men zulk een gave in u herkend.

Heetspoor.

Daarover, neef, verheug ik mij van harte,

’k Waar’ liever nog een katje en riep miaauw,

Dan een van die kling-klang-balladekramers;

’k Wil liever koop’ren luchters hooren draaien,

Of ongesmeerde wagenraadren knarsen;

Daar klemde ik zoo mijn tanden niet van saâm,

Als van die lisp’lend zoete poëzie;

Die is me, als ’t draven van een stijven knol.

Glendower.

Nu goed, verleg de Trent dan maar.

Heetspoor.

’t Is me onverschillig; driemaal zooveel land

Geef ik den eersten, besten, trouwen vriend;

Maar geldt het een verdrag of koop, let wel,

Dan twist ik om het tiende van een haar.

Zijn onze stukken klaar? en gaan we op weg?

Glendower.

’t Is held’re maan, gij kunt van nacht nog gaan;

Ik zal den schrijver haasten en ga tevens

De vrouwen op uw afreis voorbereiden.

Want, o, ik ducht, mijn dochter wordt waanzinnig

Zoozeer is ze aan haar Mortimer gehecht. 146

(Glendower af.)

Mortimer.

Neef Percy, foei, wat dwarsboomt gij mijn vader!

Heetspoor.

Ik kan ’t niet laten; soms maakt hij mij toornig

Door wat hij mij vertelt, van mier en mol,

Van droomer Merlin en zijn profetieën,

Van draken, van een vinnenloozen visch,

Een raaf, die ruit, een grijp, geknot van wieken,

Een leeuw, die rust, een kat, die sluipt en springt,

En zooveel wirrelwarrig tuig, dat ik

Geheel verheidend word. Denk,—gistren avond

Hield hij mij vast, ten minste negen uren,

Met al de duivels op te noemen, die

Hem dienstbaar zijn; ’k riep: “Hum!” en “goed, ga voort”,

Doch lette op niet één woord. Men wordt hem moede,

Meer dan een struik’lig paard, een kijvend wijf,

Een rook’rig huis. O veel, veel liever zou ik

Op kaas en knoflook zitten, in een molen,

Dan lekker smullen en zijn praatjes hooren

In eenig lustslot van de christenheid.

Mortimer.

Hij is, geloof me, een waardig edelman,

Van veel belezenheid en door-ervaren

In diepe kunsten, dapper als een leeuw,

Gezellig en in mildheid onuitputt’lijk

Als Indiës mijnen. Moet ik ’t zeggen, neef?

Hij koestert eerbied voor uw fieren geest,

En doet zijn eigen aard, als gij zijn wenschen

Zoo dwarsboomt, veel geweld aan, ja, dat doet hij.

’k Verzeker u, op aarde leeft geen mensch,

Die zoo hem tarten mocht, als gij het deedt,

En niet gevaarlijk wierd te recht gewezen;

Doch waag het niet te vaak, dit smeek ik u.

Worcester.

Voorwaar, mylord, uw hoofdigheid is laakbaar;

Gij hebt sinds uwe komst genoeg gedaan,

Om zijn geduld volkomen uit te putten.

Die fout, heer, moet gij leeren overmeest’ren;

Zij geev’ soms blijk van fierheid, adel, moed,—

In zoo ver kan zij u tot sieraad zijn,—

Doch al te vaak verraadt zij felle woede,

Ruwheid van doen, gebrek aan zelfbeheersching,

Trots, nederzien op and’ren, eigenwijsheid;

En zij zelfs met het kleinst gebrek uit deze

Een edelman behept, dit rooft hem steeds

Der menschen hart, en werpt ook op den glans

Van al zijn verd’re deugd een booze vlek,

Die haar van welverdienden lof versteekt. 189

Heetspoor.

Nu, ’k heb mijn les; geluk met hofmanieren!

Ziet, onze vrouwen; laat ons afscheid nemen.

(Glendower komt terug, met de Vrouwen.)

Mortimer.

Dit is voor mij een dood’lijk grievend leed:

Mijn vrouw verstaat geen Engelsch, ik geen Welsch.

Glendower.

Mijn dochter weent; zij wil van u niet scheiden;

Zij wil soldaat zijn, wil met u in ’t veld.

Mortimer.

Mijn vader, zeg haar, dat zij met nicht Percy

Ons onder uw geleide weldra volgt.

(Glendower spreekt met zijn dochter in het Welsch, en zij antwoordt in dezelfde taal.)

Glendower.

Zij is als dol, een lastig, koppig schepsel,

Dat voor geen overreding vatbaar is.

(Zij spreekt tot Mortimer in het Welsch.)

Mortimer.

O, ik versta uw blik, dat lieflijk Welsch,

Dat uit uw zwaar bewolkte heem’len stroomt,

Ken ik te goed; en als ik mij niet schaamde,

Gaf ik u antwoord in dezelfde taal.

(Zij spreekt weder.)

’k Versta ook uwen kus, als gij den mijnen,

En dat is een gevoelvol onderhoud;

Doch nimmer wil ik ledigloopen, lieve,

Eer ik uw taal geleerd heb; want uw tong[496]

Maakt Welsch zoo zoet als hooggestemde lied’ren,

Die bij haar luit een schoone koningin

Verrukk’lijk zingt in ’t zomer-lustprieel.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Glendower.

Als gij ook wegsmelt, wordt zij gansch waanzinnig.

(Zij spreekt weder.)

Mortimer.

Die taal! ’k ben één en al onwetendheid!

Glendower.

Zij wenscht, gij vlijt u op het weeld’rig bies;

En legt uw dierbaar hoofd in haren schoot,

Dan wil zij u uw liev’lingsliedjes zingen,

Den god des slaaps bekronen op uw oogleên,

Uw bloed betoov’rend met een zoete loomheid,

Zóó lieflijk slaap en waken bij u scheiden,

Als tusschen dag en nacht de scheiding is,

Het uur, voordat des hemels zonnespan

In ’t oosten zijnen gouden tocht begint.

Mortimer.

Van harte gaarne zit ik neer en luister;

In dien tijd, hoop ik, komt ons stuk gereed.

Glendower.

Doe dat; de muzikanten,

Die voor u spelen zullen, zweven thans

Op duizend mijlen afstands in de lucht,

Doch zullen daad’lijk hier zijn. Zit en luister.

Heetspoor.

Kom, Kaatje, gij verstaat de kunst

om u neer te vlijen ook; kom, vlug, vlug! ik

wil mijn hoofd in uw schoot leggen. 231

Lady Percy.

Loop, gij malle gans!

(Muziek laat zich hooren.)

Heetspoor.

Nu merk ik, dat de duivel Welsch verstaat;

En ’t is geen wonder, dat hij luimen heeft;

Hij is, bij God, een goede muzikant.

Lady Percy.

Dan moet gij door en door muzikaal wezen, want gij wordt geheel door uw luimen geregeerd. Lig stil, gij schelm, en hoor hoe de Lady Welsch zingt.

Heetspoor.

Ik hoorde liever Lady, mijn brak, Iersch huilen.

Lady Percy.

Wilt gij een gat in uw hoofd hebben?

Heetspoor.

Neen.

Lady Percy.

Wees dan stil.

Heetspoor.

Ook niet; dit is een vrouwengebrek.

Lady Percy.

Nu, God help’ u!

Heetspoor.

In het bed der Welsche Lady?

Lady Percy.

Wat zegt gij?

Heetspoor.

Stil! zij zingt.

(Lady Mortimer zingt een Welsch lied.)

Kom, Kaatje, nu moet gij eens voor mij zingen.

Lady Percy.

Ik niet, in vollen ernst niet.

Heetspoor.

“Ik niet, in vollen ernst niet!” Mijn hartje, gij zweert als een banketbakkersvrouw: “Gij niet, in vollen ernst niet!” en “Zoo waar ik leef!” en “Zoo waar mij God helpe!” en “Zoo waar de lieve zon schijnt!”

En geeft zoo taffen eedwaarborg, als waart gij

Nooit verder weg geweest dan Finsbury.

Zweer als een edelvrouw, zooals gij zijt,

Een vollen eed, die klinkt,—en laat “In ernst”

En zulke peperkoekbetuigingen

Aan fulpgalons en zondagsburgers over.

Kom, zing!

Lady Percy.

Ik wil niet zingen.

Heetspoor.

’t Is de naaste weg naar het snijderworden of roodborstjes africhten.—Als de stukken klaar zijn, wil ik binnen twee uren weg; kom dus binnen, als ge wilt.

(Heetspoor af.)

Glendower.

Kom, kom, lord Mortimer, gij gaat zoo traag,

Als deze heethoofd Percy vurig ijlt.

De stukken zijn nu wis gereed; wij zeeg’len

En dan terstond te paard!

Mortimer.

En dan terstond te paard! Van ganscher harte.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Prins Hendrik en Lords komen op.

Koning Hendrik.

Verlaat ons, Lords; de prins van Wales en ik

Wij hebben een vertrouw’lijk onderhoud;

Doch blijft nabij, straks zullen we u behoeven.

(De Lords af.)

Ik weet niet, of het God zoo heeft beschikt

Voor ongevall’ge diensten, die ik deed,

Dat hij, naar zijn verborgen raad, een geesel

En straf mij uit mijn eigen bloed verwekt;

Doch gij doet mij, door heel uw levenswandel,

Gelooven, dat gij uitgelezen zijt

Tot heete wraak, als strenge roê, des hemels,

Om mijne schuld te straffen. Zeg mij anders,

Hoe zulke bandelooze, lage driften,

Een zoo armzalig, voos, onwaardig streven,

Een zoo onvruchtb’re lust en woest verkeer,

Als waar gij aan verknocht zijt, mee vergroeid,

De hoogheid van uw bloed verzellen konden,

Ooit konden reiken tot uw vorstenhart?

Prins Hendrik.

Veroorloof, uwe hoogheid! ’k Wenschte, dat ik

Van iedre smet mij zoo bevrijden kon,

Als ik mij buiten twijfel rein kan wasschen

Van meen’ge zonde, mij te last gelegd;[496]

Doch laat mij toch om die verschooning smeeken,

Dat ik, eerst tal van sprookjes logenstraffend,—

Zooals het oor van grootheid vaak moet hooren

Van plasdankzoekers en van nieuwtjesventers,—

Voor enkle ware zaken, die mijn jeugd

Loszinnig, buiten ’t spoor geraakt, beging,

Vergiff’nis vind om mijn oprechte erkenning.

Koning Hendrik.

Vergeve u God!—doch ik verbaas mij, Hendrik,

Dat uw begeerten zoo de wieken uitslaan,

Ver van de vlucht van heel uw voorgeslacht.

Door ruwheid hebt ge uw zetel in den staatsraad

Verbeurd; uw jong’re broeder nam dien in;

Een vreemdling zijt gij schier voor alle harten

Van ’t hof en van de prinsen van mijn bloed.

De hoop en de verwachting van uw tijd,

Vervlogen zijn ze, en iedre menschenziel

Voorspelt zichzelf profetisch uwen val.

Was ik met mijn aanwezigheid zoo gul,

Zoo uitgestald voor ieders oog, zoo glansloos

En voor gemeen verkeer te koop geweest,—

Die meening, die de kroon mij heeft verschaft,

Ware aan het troonbezit getrouw gebleven,

Had mij een roemloos balling laten blijven,

Als een, die niets was, niets verwachten liet.

Ik kwam zeer zelden voor den dag, maar dan

Werd ik ook aangegaapt als een komeet;

Dan riep de vader tot zijn kroost: “Dat is hij!”

Een ander vroeg: “Waar, wie is Bolingbroke?”

Dan was de hoflijkheid des hemels mijn, 50

En kleedde ik mij in zulk een need’righeid,

Dat ik verknochtheid afdwong van hun hart,

En groet en jubelkreten aan hun mond,

Zelfs aan de zijde des gekroonden konings.

Zoo hield ik mijn persoon steeds frisch en nieuw;

Zij werd, gelijk een hoogepriesterskleed,

Bewond’rend slechts aanschouwd; en heel mijn praal,

Zeldzaam, doch kostbaar, was gelijk een feest,

En zoo, door ongewoonte, een plechtigheid.

De koning was een spring-in-’t-veld, verzelschapt

Van dwaze fratsenmakers, strooien geesten,

Snel vlammend, snel verbrand; zijn waardigheid

Versneed hij, mengde ’t hooge koningschap

Met luchtsprongnarren, liet zijn grooten naam

Ontheil’gen door hun spot, en gaf zijn aanzien,

Zijn naam ten trots, den lach van knapen prijs,

Den moedwil van elk ijdel, baardloos gekje;

Hij werd een klant der openbare straat,

En maakte zich tot leenman van de volksgunst,

Totdat, wijl de oogen daag’lijks hem verslonden,

Het volk van honing was verzaad, de smaak

Hun tegenstond van ’t zoet, waarvan een weinig

Meer dan een weinig veel te veel reeds is.

Kwam nu een dag, dat hij zich moest vertoonen,

Dan werd hij, als de koekoek is in Juni,

Gehoord, niet opgemerkt; gezien, met oogen,

Die, door gewoonte stomp en moe, niet meer

Voor ’t staren vatbaar zijn, dat met bewondring

Den zonneschijn der majesteit begroet,

Haar zelden zichtbren glans eerbiedig huldigt;

Zij knikkebolden met geloken oogleên,

Recht voor zijn oog, en gunden hem een blik,

Als wreev’le mannen aan hun vijand doen,

Van overdaad, die walgde van zijn bijzijn.

En, Hendrik, op diezelfde lijn staat gij,

Want gij ook hebt uw vorstlijkheid versmeten,

Door laakbaar, laag verkeer. Geen enkel oog,

Dat niet, te vaak u ziend, u moede werd;

Alleen het mijne wenschte u meer te zien,

En doet nu iets, wat ik mijzelf verwijt,

Het maakt zich blind door dwaze teederheid.

Prins Hendrik.

Ik wil voortaan, genadig heer en vader,

Mijzelf meer zijn.

Koning Hendrik.

Mijzelf meer zijn. In ieder opzicht zijt gij,

Voorwaar, te dezer stond, wat Richard was,

Toen ik te Ravenspurg uit Frankrijk landde;

En juist wat ik toen was, is Percy nu.

Ja, bij mijn scepter en mijn zieleheil,

Hij heeft veel hooger aanspraak op den troon,

Dan gij hebt door de schaduw van uw erfrecht;

Want zonder recht, ja zonder zweem van recht,

Vult hij ’s rijks velden met zijn wapenmacht,

Houdt stand voor de’ open muil des leeuws, en brengt, 102

Niet meer dan gij zijn jaren dankend, achtb’re

Bisschoppen en vergrijsde lords in ’t veld,

Tot schilden-splijten en tot bloedig strijden.

En wat onsterfelijken roem verwierf hij

Zich tegen Douglas, dien geprezen held,

Wiens stoute tochten, grootsche wapenfeiten

Bij elken krijger hem den eersten rang,

Den hoogsten oorlogsroem verworven hadden,

In alle rijken, waar men Christus eert!

Driemaal heeft deze Heetspoor, Mars in winds’len,

Die zuig’lingheld, in ’t veld den grooten Douglas

Verslagen, ééns gevangen hem gemaakt,

Hem weer geslaakt en toen als vriend gewonnen,

Om diepe vijandschap den mond te stoppen,

En onzen troon te schokken, dat hij vall’.

En hoor nu toe: “Percy, Northumberland,

Yorks hooge kerkvoogd, Douglas, Mortimer,

Zijn tegen ons verbonden, staan in ’t veld.”

Doch wat heb ik die tijding u te melden,

U, Hendrik, u mijn vijanden te noemen,

U, die mijn naaste en ergste vijand zijt?

U, die wellicht uit onderdaan’ge vrees,

Uit lagen lust, of als een luim u drijft,

Mij zult bevechten in soldij van Percy,

Den voet hem likken, voor zijn fronsblik kruipen,

Om recht te toonen, hoe ontaard gij zijt.

Prins Hendrik.

Neen, denk dit niet, gij zult het zoo niet vinden;

Vergeev’ God hun, die bij uw majesteit[497]

Mij zoo van uwen goeden dunk beroofden!

Ik maak dit alles goed op Percy’s hoofd,

En zal aan ’t einde van een dag vol roems

Met fierheid tot u zeggen: “’k ben uw zoon”;

Als ik in een gewaad van bloed u nader,

Mijn trekken met een masker kleur van bloed,

Dat, weggewasschen, ook mijn schande wegspoelt.

Dat zal de dag zijn,—koom’ hij als hij wil!—

Waarop eenmaal dat kind van eer en roem,

De dapp’re Heetspoor, de geprezen ridder,

En uw vergeten Hendrik samentreffen.

O waar’ elke eer, die op zijn helmet troont,

Een menigt’, en op mijn hoofd elke schimp

Verdubbeld! want de dag genaakt, hij komt,

Dat ik dien noordschen jong’ling dwing, zijn schat

Van roem te ruilen voor mijn oogst van schande.

Percy, mijn vorst, is slechts mijn zaakwaarnemer;

Zijn heldendaden stapelt hij voor mij;

En dra roep ik hem op tot rekenschap;

Uitleev’ren zal hij mij zijn ganschen roem,

Ja, ook het nietigst eerbetoon der wereld,

Of ik rijt hem de reek’ning uit zijn hart.

Dit zweer ik plechtig, bij den naam van God;

En als het Hem behaagt, dat ik ’t volbreng,

Dan heele dit, zoo smeek ik uwe hoogheid,

Elke oude wond van mijn losbandigheid;

Zoo niet, dan delgt de dood toch alle schuld;

En ik wil honderdduizend dooden sterven,

Eer ik een adem van deze’ eed verbreek. 159

Koning Hendrik.

Dit doodt een honderdduizendtal verraders;

Nu zij bevel en alles u vertrouwd.

(Blunt komt op.)

Spreek, wakkre Blunt! uw blikken zijn vol haast.

Blunt.

Dien heeft de zaak, die ik u melden kom.

Lord Mortimer van Schotland zond bericht,

Dat Douglas zich met de Engelsche oproerlingen

Den elfden heeft vereend te Shrewsbury.

Het wordt een zoo verschrikk’lijk machtig heer,

Indien elk hunner zijn beloften houdt,

Als ooit een staat met onheil heeft gedreigd.

Koning Hendrik.

De graaf van Westmoreland trok heden op,

Met hem mijn zoon, lord John van Lancaster;

“Want dit bericht, vijf dagen is het oud.—

Aanstaanden Woensdag, Hendrik, breekt gij op;

Wijzelf op Donderdag; verzamelplaats

Zal Bridg’north zijn; gij, Hendrik, neemt uw weg

Door Glostershire; naar deze reek’ning zal,

Is alles goed geordend, in twaalf dagen

Te Bridg’north onze macht vereenigd zijn.

Van hier! veel is te doen en haast is goed;

’t Geluk wordt loom, als zich de mensch niet spoedt.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Eastcheap. Een vertrek in de herberg “Het Zwijnshoofd.”

Falstaff en Bardolf komen op.

Falstaff.

Bardolf, ben ik niet schandelijk afgevallen na die laatste geschiedenis? vermager ik niet? slink ik niet weg? Verduiveld, mijn vel hangt om mij heen als het huiskleed van een oude madam; ik ben zoo verschrompeld als een goudpippeling. Nu, ik wil tot mijzelf inkeeren, maar dan terstond, terwijl ik nog wat goed in ’t vleesch ben; binnenkort zal ik zoo min wezen, dat ik de kracht niet heb, om tot mijzelf in te keeren. Als ik niet vergeten ben, hoe een kerk er van binnen uitziet, ben ik een peperkorrel, een brouwerspaard! Een kerk van binnen! Mijn omgang, mijn nietswaardige omgang heeft mij bedorven.

Bardolf.

Sir John, gij zijt zoo neerslachtig, gij hebt niet lang meer te leven.

Falstaff.

Ja, zoo is het.—Kom, zing mij eens een schuinsch liedje, vroolijk mij wat op. Ik was zoo deugdzaam gezind, als een man van stand behoeft te zijn, deugdzaam genoeg; vloekte weinig, dobbelde niet boven de zeven keer in de week, ging in slechte huizen niet meer dan eens in een vierendeel—uurs; betaalde het geld, dat ik borgde, drie- of viervoudig; leefde ordelijk en hield behoorlijk maat,—en nu leef ik recht ordeloos en buiten alle maat. 23

Bardolf.

Nu, ge zijt zoo dik, Sir John, dat ge wel buiten alle maat moet zijn, buiten alle redelijke maat, Sir John.

Falstaff.

Verbeter jij je gezicht, en ik wil mijn leven beteren. Je bent onze admiraal, je draagt de lantaren aan den achtersteven,—neen, ze zit bij je in den neus; je bent de Ridder van de brandende Lamp.

Bardolf.

Kom, Sir John, mijn gezicht doet u geen kwaad.

Falstaff.

Neen, dat wil ik je wel bezweren, ik maak er een even goed gebruik van, als menigeen van een doodshoofd of een memento mori. Ik zie nooit je gelaat, of ik denk aan het helsche vuur en aan den rijken man, die in purper leefde; want daar zit hij al in zijn praal en brandt en brandt. Was je eenigermate aan de deugd verkleefd, dan zou ik zweren bij je gezicht; mijn eed zou wezen: “Bij die vuurvlam, die de engel Gods is.” Maar je bent gansch en al aan de zonde verslaafd, en zoudt inderdaad, zonder dien gloed op je gezicht, de zoon wezen van de buitenste duisternis. Toen je bij Gadshill [498]den heuvel opliept om mijn paard te vangen,—als ik toen niet dacht, dat je een dwaallicht of een bliksemvuurbol waart, dan is er voor geld niets meer te koop. O, je bent een eeuwigdurende fakkeloptocht, een onuitblusschelijk vreugdevuur. Je hebt mij een duizend marken aan toortsen en kaarsen uitgehaald, als ik ’s nachts met je wandelde, de eene herberg uit, de andere in; maar voor de sek, die je mij hebt opgedronken, had ik bij den duursten kaarsenmaker in Europa even zoo goedkoop kaarsen kunnen hebben. Ik heb dien salamander van je nu al twee en dertig jaren van vuur voorzien, God loone ’t mij!

Bardolf.

Verduiveld, ik wenschte, dat mijn gezicht in uw buik zat!

Falstaff.

God beware me! dan had ik den brand in mijn ingewanden.

(De Waardin komt op.)

Hoe is het, mevrouw Koekeloer? Ben je er achter, wie mijn zakken geleegd heeft?

Waardin.

Wel, Sir John, wat denkt ge, Sir John? Denkt ge, dat ik dieven in mijn huis heb? Ik heb gezocht, ik heb gevraagd, en mijn man ook, man voor man, jongen voor jongen, meid voor meid; geen tiende van een haar is er ooit in mijn huis zoek geraakt. 67

Falstaff.

Gelogen, waardin; Bardolf is er geschoren geworden en heeft er menig haar verloren; en ik durf zweren, dat mijn zakken geleêgd zijn. Loop heen, je bent een vrouwmensch; ga!

Waardin.

Wie, ik? Neen, zeg dat nog eens! God in den hemel! zoo heeft mij nog niemand in mijn eigen huis genoemd.

Falstaff.

Loop heen, ik ken je door en door.

Waardin.

Neen, Sir John; ge kent mij niet, Sir John; ik ken u, Sir John; ge zijt me geld schuldig, Sir John; en nu zoekt ge twist om van mij af te komen. Ik heb u een dozijn hemden op het lijf gekocht.

Falstaff.

Paklinnen, voddig paklinnen; ik heb ze aan bakkersvrouwen weggegeven en die hebben er builen van gemaakt.

Waardin.

Wat! zoowaar ik een eerlijke vrouw ben, Hollandsch linnen van acht schellingen de el! Bovendien zijt gij hier ook nog geld schuldig, Sir John, voor uw eten, en het tusschen in drinken, en geleend geld, vier en twintig pond.

Falstaff

(op Bardolf wijzend). Hij heeft ook zijn deel er van gehad, laat hem betalen!

Waardin.

Hij? lieve, God, hij is arm, hij heeft niets.

Falstaff.

Wat! hij arm? Zie zijn gezicht eens aan; wat noem je dan rijk? laat hem munt slaan uit zijn neus, munt slaan uit zijn wangen. Ik betaal geen duit. Wat, wil je een grasgroenen jonker van mij maken? Zou ik mijn gemak niet kunnen nemen in mijn eigen herberg, zonder dat men mij de zakken leêgt? Ik ben er een zegelring van mijn grootvader mee kwijt geraakt, die zijn veertig marken waard is.

Waardin.

O Jezus! ik heb den prins ik weet niet hoe dikwijls tegen hem hooren zeggen, dat die ring van koper was.

Falstaff.

Wat! de prins is een weerhaan, een uitknijper; verduiveld! als hij hier was, zou ik hem afrossen als een hond, zoo hij dat zeide.

(Prins Hendrik en Poins komen op, marcheerend; Falstaff gaat den Prins, die op zijn commandostaf als op een fluit speelt, te gemoet.)

Falstaff.

Hoe is het, mijn jongen? Waait de wind uit dien hoek? Waarachtig? moeten wij allen marcheeren?

Bardolf.

Ja, twee aan twee, als gevangenen naar Newgate. 104

Waardin.

Mylord, ik bid u, hoor mij.

Prins Hendrik.

Wat is er, vrouw Haastig? Hoe maakt uw man het? Ik mag hem wel; hij is een eerlijke kerel.

Waardin.

Beste mylord, hoor mij aan!

Falstaff.

Ik bid u, laat haar loopen en luister naar mij.

Prins Hendrik.

Wat wil je dan, Hans?

Falstaff.

Kort geleden ben ik ’s avonds hier in slaap gevallen, daar achter het tapijt, en toen zijn mij de zakken geleêgd; dit huis is een spelonk geworden; zij leêgen er iemand de zakken.

Prins Hendrik.

Wat ben je er meê kwijt geraakt, Hans?

Falstaff.

Wil je wel gelooven, Hein, drie of vier schuldbekentenissen van veertig pond elk, en een zegelring van mijn grootvader.

Prins Hendrik.

Een bagatel, een ding van acht stuivers.

Waardin.

Dat heb ik hem ook gezegd, mylord; en ik zeide, dat ik het uwe genade had hooren zeggen; en, mylord, hij spreekt allerschandelijkst van u, zoo’n vuilbek als hij is, en zeide, dat hij u zou afrossen.

Prins Hendrik.

Wat! dat zeide hij toch niet? [499]

Waardin.

Als het niet waar is, is er geen waarachtigheid of eerlijkheid of vrouwelijkheid in mij.

Falstaff.

Je bent niet waarachtiger dan gestoofde pruimen, niet eerlijker dan een opgejaagde vos, en wat de vrouwelijkheid betreft, kan bij vergelijking juffer Marianne van den moorendans voor een buurtmeestersvrouw doorgaan. Loop, schepsel, loop rondom!

Waardin.

Zeg, wat voor een schepsel? wat voor een schepsel?

Falstaff.

Wat voor een schepsel? wel een schepsel, om God voor te danken.

Waardin.

Ik ben geen schepsel, om God voor te danken, onthoud dat maar; ik ben een eerlijken mans vrouw; en, je ridderschap er buiten gelaten, je bent een schelm, dat je mij zoo noemt.

Falstaff.

En, je vrouwelijkheid er buiten gelaten, je bent een beest, dat je het beter wilt weten.

Waardin.

Zeg eens, wat voor een beest, jij schelm? 141

Falstaff.

Wat voor een beest? wel, een otter.

Prins Hendrik.

Een otter, Sir John! waarom een otter?

Falstaff.

Waarom? Wel, zij is nòch vleesch nòch visch; een mensch weet niet, waar haar toe te brengen.

Waardin.

Je bent een lasteraar, als je dat zegt; gij en iedereen weet, dat ik nergens toe te brengen ben, jij schelm, jij!

Prins Hendrik.

Je hebt gelijk, waardin; en hij belastert je op afschuwelijke manier.

Waardin.

Dat doet hij u ook, mylord; en hij zeide nog kort geleden, dat gij hem duizend pond schuldig waart.

Prins Hendrik.

Wat, man! ik je duizend pond schuldig?

Falstaff.

Duizend pond, Hein! een millioen; je vriendschap is een millioen waard; en je vriendschap ben je mij schuldig.

Waardin.

Neen, maar mylord, hij noemde u een weêrhaan, en zeide, dat hij u zou afrossen.

Falstaff.

Heb ik dat gezegd, Bardolf?

Bardolf.

Zeker, Sir John, dat hebt ge gezegd.

Falstaff.

Ja, als hij zeide, dat mijn ring van koper was.

Prins Hendrik.

Ik zeg, hij is van koper; durft ge zoo goed als je woord nu wezen?

Falstaff.

Wel, Hein, je weet, voor zoover je slechts een man bent, durf ik; maar voor zoover je een prins bent, vrees ik je, als het gebrul van een leeuwenwelp.

Prins Hendrik.

En waarom niet als de leeuw?

Falstaff.

De koning zelf is te vreezen als de leeuw. Denk je, dat ik je zal vreezen, zooals ik je vader vrees? Neen, als ik dat doe, straff’ mij God en moge mijn gordel bersten!

Prins Hendrik.

O, als dat gebeurde, hoe zou je pens om je knieën flodderen! Maar, kerel! voor waarheid, eerlijkheid en oprechtheid is er in je lijf geen plaats; het is volgepropt met darmen en vet. Een eerlijke vrouw van zakkenrollerij te beschuldigen! Wel, jij liederlijke, onbeschaamde, opgezwollen schelm, als er iets in je zak zat dan herbergiersrekeningen, nota’s uit knippen, en voor een armzaligen stuiver kandijsuiker om de keel glad te houden,—als je zakken gevuld waren met andere ongerechtigheden dan deze, dan ben ik een schurk. En toch durf je volhouden, dat je geen onrecht zoudt opsteken! Schaam je je niet? 184

Falstaff.

Laat ik je zeggen, Hein: je weet, in den staat van onschuld is Adam gevallen; wat zou dan de arme Hans Falstaff doen in de dagen der verdorvenheid? Je ziet, ik heb meer vleesch dan andere menschen en daarom ook meer zwakheid. Je erkent dus, dat je mij de zakken geleêgd hebt?

Prins Hendrik.

Dit schijnt wel te blijken.

Falstaff.

Waardin, ik vergeef je. Ga, maak het ontbijt gereed; bemin je man, ga je bedienden na, zorg goed voor je gasten; je zult mij voor alle gezonde redenen toegankelijk vinden; je ziet, ik ben bevredigd.—Nog iets?—Neen, ik bid u, ga heen. (De Waardin af.) Nu, Hein, nu van het nieuws aan het hof; die straatrooverij, jongen,—hoe is dat in het effen gebracht?

Prins Hendrik.

O, mijn lieve rollènde, ik moet altijd je goede engel zijn.—Het geld is terugbetaald.

Falstaff.

Hm! ik houd niet van dat terugbetalen; ’t is dubbel werk.

Prins Hendrik.

Ik ben met mijn vader op goeden voet en kan alles doen.

Falstaff.

Plunder dan vóór alles de schatkist, en wel zonder omslag te maken.

Bardolf.

Ja, doe dat, mylord.

Prins Hendrik.

Ik heb je een commando te voet verschaft, Hans.

[500]

Falstaff.

Te paard zou mij liever geweest zijn. Waar kan ik er een vinden, die behoorlijk kan stelen? O, zoo’n knappen dief van twee-en-twintig of daaromtrent! Ik ben schandelijk aan lager wal. Nu, God zij gedankt voor die opstandelingen; zij doen niemand kwaad dan de braven; ik prijs, ik loof hen.

Prins Hendrik.

Bardolf!

Bardolf.

Mylord?

Prins Hendrik.

Breng dit stuk aan Lord John van Lancaster,

Mijn broeder John,—dit aan Lord Westmoreland.—

Kom, Poins, te paard! te paard! Wij hebben saam

Vóór ’t middagmaal een dertig mijl te rijden.—

Gij Hans, kom morgen in de Tempelzaal

Tot mij te twee uur na den middag.

Daar neemt ge uw dienstbrief in ontvangst en geld,

Met last, hoe gij uw volk hebt uit te rusten.

Gansch England brandt, en hoog draagt Percy ’t hoofd;

Het zijne valle, of ’t onze zij gekloofd!

(De Prins, Poins en Bardolf af.)

Falstaff.

Vuurwoorden! dapp’re wereld!—Wijn hier, kom!—

Ha, ’k wenschte mij dit wijnhuis voor mijn trom!

(Falstaff af.)

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.

Heetspoor, Worcester en Douglas komen op.

Heetspoor.

Braaf, eed’le Schot! Gold waarheidspreken niet

In dezen fraaien tijd voor vleierij,

Zoo groote erkenning zou nu Douglas oogsten,

Dat geen soldaat, in onzen tijd gestempeld,

Zooveel in heel de wereld gelden zou.

Bij God, ik kan niet vleien; gladde tongen

Verafschuw ik, maar in mijns harten liefde

Bekleedt geen mensch een hoogre plaats dan gij.

Ja, houd mij bij mijn woord, beproef mij, heer.

Douglas.

Gij zijt der eere koning!

Er ademt op deze aard geen man zoo machtig,

Wien ik niet staan wil.

Heetspoor.

Wien ik niet staan wil. Doe dat, en wij slagen!

(Een Bode komt op, met een brief.)

Een brief? van wien?—(Tot Douglas). Ik kan u enkel danken.

Bode.

De brief komt van uw vader. 14

Heetspoor.

Een brief van hem? en waarom komt hijzelf niet?

Bode.

Mylord, hij kan niet, hij is ernstig ziek.

Heetspoor.

Vervloekt! hoe heeft hij tijd om ziek te zijn,

In zulk een worsteltijd? Wie voert zijn volk aan?

Wie staat aan ’t hoofd en brengt hen hier naar toe?

Bode.

Zijn brief, Heer, meldt u wat hij doet, niet ik.

Worcester.

Ik bid u, zeg mij, houdt hij ’t bed?

Bode.

Vier dagen reeds, mylord, eer ik vertrok;

En op den tijd, dat ik van daar ging, waren

Zijn artsen om zijn toestand zeer bezorgd.

Worcester.

Hoe wenschte ik onzen staat en tijd genezen,

Eer hij door deze ziekte was bezocht!

Nooit was zijn welzijn zooveel waard als nu.

Heetspoor.

Nu ziek! nu machtloos! deze ziekte stort 28

In ’t levensbloed van onze plannen gift;

Zij steekt ons aan, verbreidt zich in ons kamp.

Hij schrijft mij hier, dat hij, inwendig krank,—

Dat hij zijn vrienden door geen plaatsvervanger

Zoo snel bijeen kan brengen,—en ook huivert,

Een taak zoo vol gevaar en zoo gewichtig,

Aan andren te vertrouwen dan zichzelf.

Toch geeft hij ons den stouten raad, dat wij,

Hoe klein ons bondgenootschap zijn moog’, doorgaan,

En zien, hoe het geluk ons is gezind.

Want, schrijft hij, ’t is geen tijd van angstig dralen,

Daar al, wat wij beraamden, wis den koning

Alreeds bekend is. Wat zegt gij er van?

Worcester.

Ons is uws vaders ziekzijn een verminking.

Heetspoor.

Een booze slag, een afgehouwen arm;—

Doch neen, toch niet! ’t Gemis van hem schijnt erger,

Dan wij ’t bevinden zullen.—Ware ’t goed,

Al ons bezit, al onze hoop te zetten

Op éénen worp? zoo grooten schat te wagen[501]

Aan ’t wuft geluk van één onzeker uur?

Dit waar’ niet goed; dan zouden we onze hoop

Ineens doorzien tot op haar grond en wezen,

Den zoom, de verste grens van onze toekomst

In eens bereiken.

Douglas.

In eens bereiken. Zoo zou ’t zijn; en nu,

Nu hebben wij nog steeds iets schoons te wachten,

En kunnen stout iets spillen, in de hoop

Op wat ons toe zal vloeien;

De troost van een terugweg leeft hierin.

Heetspoor.

Een toevluchtsoord, en een herzamelplaats,

Indien, met ongeluk vereend, de duivel

Het eerste proefstuk onzer kracht begrijnst.

Worcester.

Toch wenschte ik, dat uw vader niet ontbrak.

De kleur en aard van ons ontwerp gedoogt

Geen machtsverdeeling. Wis denkt menigeen,

Die niet de reden van zijn afzijn weet,

Dat wijsheid, onderdanentrouw, en ’t laken

Van wat wij doen, den graaf van hier doen blijven.

Bedenk, hoe zulk vermoeden licht het tij

Doet kent’ren van een huivrig bondgenootschap,

En twijfel tegen onze zaak kan wekken.

Gij weet wel, wij, die de’ aanval doen, wij moeten

Ver blijven van een scherpziend onderzoek,

En ieder kijkgat, alle spleten stoppen,

Waar redes oog ons door begluren kan.

Dit afzijn schuift een voorhang weg, zoodat

Onkundigen een soort van vrees ontwaren,

Te voren nooit vermoed. 75

Heetspoor.

Te voren nooit vermoed. 75 Gij gaat te ver;

Ik zie voor ons eer voordeel in zijn afzijn:

’t Leent hoogren luister en een grootren roem

En meerdre koenheid aan ons grootsch ontwerp,

Dan zoo mijn vader hier was. ’t Volk moet denken,

Dat, als ’t ons zònder zijne hulp gelukt

Dit rijk te schokken, wij dan mèt zijn hulp

Het zeker onderst boven keeren zullen.

’t Gaat goed; nog zijn wij gaaf van lijf en leden.

Douglas.

Naar ’s harten wensch. In Schotland wordt een woord

Gelijk het zeggen “vrees” nooit uitgesproken.

(Sir Richard Vernon komt op.)

Heetspoor.

Neef Vernon! wees hier welkom, op mijn woord!

Vernon.

God geev’, heer, dat mijn nieuws een welkom waard zij!

De graaf van Westmoreland rukt herwaarts op,

Sterk zevenduizend man, met hem, prins John.

Heetspoor.

Niets kwaads. Wat meer?

Vernon.

Niets kwaads. Wat meer? En verder, naar ik hoorde,

Is ook de koning in persoon op weg;

Hij rukt, met groote, welvoorziene macht,

Meê herwaarts op met allen denkb’ren spoed.

Heetspoor.

Ook hij zal welkom zijn. Waar is zijn zoon,

Die spring-in-’t-veld, die dolle prins van Wales,

En heel zijn bent, die met de wereld spotte,

Op zij haar schoof?

Vernon.

Op zij haar schoof? Die allen fier gewapend;

Gepluimd als struisen, wiekend in den wind;

Klepp’rend als aadlaars, komend van het baden;

In gouden dos als heil’genbeelden schitt’rend;

Zoo vol van leven als de Meimaand is;

Zoo stralend als de Juni-zomerzon;

Dartlend als geitjes, wild als jonge stieren.

Ik zag den jongen Hendrik, ’t helmet op,

Staalplaten aan de dijën, trotsch gewapend,

Als een gevleugelde Mercurius springen

En zich zoo lustig in den zadel slingren,

Als zweefde een engel uit de wolken neêr,

Om op een vuur’gen Pegasus de wereld

Door eed’le, stoute rijkunst te betoov’ren.

Heetspoor.

Genoeg, genoeg; meer dan de zon in Maart,

Wekt zulk een lof een koorts. Laat, laat hen komen;

Zij komen aan, als offers opgesmukt; 113

Wij zullen aan de maagd met vuur’gen blik

Des donkren krijgs, hen warm en bloedend off’ren;

Gepantserd zitte Mars op zijn altaar

Tot aan den hals in bloed. Ik ben ontvlamd

Bij ’t hooren, dat een buit, zoo rijk, nabij is

En nog niet ons.—Kom, ik beproef mijn klepper,

Die als een donderkeg op ’s prinsen borst

Mij botsen doe! Dat Hendrik dra met Hendrik,

En vurig ros met ros dra samenhort’,

Onscheidbaar, tot één onzer nederstort!

O, waar’ Glendower reeds hier!

Vernon.

O, waar’ Glendower reeds hier! Ik breng meer nieuws:

Die heeft, zoo hoorde ik op mijn rit door Worcester,

Nog in geen veertien daag zijn macht bijeen.

Douglas.

Dit is de slechtste tijding nog van alle.

Worcester.

Ja, op mijn eer, zij heeft een killen klank.

Heetspoor.

Hoe sterk is wel de gansche macht des konings?

Vernon.

Een dertigduizend.

Heetspoor.

Een dertigduizend. Laat het veertig zijn!

Mijn vader en Glendower er niet?—nu goed;

Wijzelf zijn mans genoeg door onzen moed.

Komt, ras ter monstring! Koom’ de jongste dag!

Wie sterft, als alles sterft, sterft met een lach

[502]

Douglas.

Spreek niet van sterven; dood noch doodsgevaar

Zal mij doen vreezen in het eerst halfjaar.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een openbare weg bij Coventry.

Falstaff en Bardolf komen op.

Falstaff.

Bardolf, ga naar Coventry vooruit; laat een flesch sek voor mij vullen. Onze soldaten moeten doormarcheeren; wij willen van avond naar Sutton Colfield.

Bardolf.

Wilt gij mij geld geven, hopman?

Falstaff.

Schiet maar voor, schiet voor!

Bardolf.

Die flesch maakt een gouden engel.

Falstaff.

Als ze dat doet, houd hem dan voor uw moeite; en al maakt zij er twintig, houd die alle, ik sta voor den muntslag in. Zeg aan mijn luitenant Peto, dat hij aan het eind van de stad mij opwacht.

Bardolf.

Zeer goed, hopman; vaarwel. 11

(Bardolf af.)

Falstaff.

Als ik mij niet schaam over mijn soldaten, ben ik een gezouten knorhaan. Ik heb ’s konings werfbrief schandelijk misbruikt. Ik heb in plaats van honderd-vijftig soldaten, driehonderd en zooveel pond aangeworven. Ik pres niemand dan jongens met huis en hof, rijke boerenzoons; ik spoor me verloofde jonggezellen op, die hun tweede gebod hebben gehad; een voorraad van koûkleumen, die al even graag den duivel hooren als het roeren van een trom; bloeden, die den knal van een donderbus erger duchten dan een vroeger eens getroffen hoen of een aangeschoten wilde eend. Ik heb me geen andere dan zulke wittebroods-kereltjes geprest, met harten in het lijf, niet grooter dan een speldeknop; en die hebben zich van den dienst vrijgekocht; en nu bestaat mijn geheel commando uit vaandrigs, korporaals, luitenants, onderofficiers, schoeljes, die zoo haveloos zijn als Lazarus op wandtapijten, waar de honden van den rijken man zijn zweren likken, en die inderdaad ook nooit soldaten waren, maar afgedankte trouwelooze dienstknechten, jonger zoons van jonger broeders, weggeloopen biertappers en achteruitgegane stalknechts, het ongedierte van een rustigen tijd en een langen vrede, tienmaal schandelijker haveloos dan een oude gelapte standaard. En kerels heb ik, als plaatsvervangers voor die zich losgekocht hebben, dat men zou denken, daar honderd-en-vijftig verloren zoons te zien, zooals zij gekomen zijn van het zwijnenhoeden en het eten van draf en kaf. Een dwaze kerel kwam mij op weg tegen, en zeide mij, dat ik alle galgen geplunderd en de doode lijken geprest had. Geen menschelijk oog heeft ooit zulke vogelverschrikkers gezien. Ik wil niet met hen door Coventry marcheeren, dat spreekt;—neen, maar die schoften marcheeren wijdbeens, alsof zij voetboeien aanhadden; nu, de meesten van hen kreeg ik uit gevangenissen. Er is nauwelijks anderhalf hemd in mijn geheele vendel, en dat halve hemd zijn twee servetten, samengenaaid en over de schouders geworpen, als een herautenrok zonder mouwen; en het hemd is, om de waarheid te zeggen, gestolen van den waard te Sint-Albaans of van den roodneuzigen biertapper te Daventry. Maar dat doet er niet toe; linnen zullen zij genoeg op iedere heg vinden.

(Prins Hendrik en Westmoreland komen op.)

Prins Hendrik.

Hoe is ’t, dikke Hans? hoe is ’t, watten prop?

Falstaff.

Wat, Hein! hoe is het, dolle schalk? wat duivel doe je in Warwickshire?—Mijn waarde Lord van Westmoreland, ik vraag verschooning; ik dacht, dat uw edelheid reeds te Shrewsbury was.

Westmoreland.

Ja, Sir John, ’t is meer dan tijd, dat ik daar kom, en gij ook, maar mijn troepen zijn er reeds. De koning, kan ik u zeggen, ziet naar ons allen uit; wij moeten de geheele nacht marcheeren. 63

Falstaff.

O, wees om mij niet bezorgd; ik ben bij de hand, als een kat om room te stelen.

Prins Hendrik.

Ja waarachtig, om room te stelen, want wat je gestolen hebt, heeft je geheel tot boter gemaakt. Maar zeg eens, Hans, wat zijn dat voor kerels, die daar achteraankomen?

Falstaff.

De mijne, Hein, de mijne.

Prins Hendrik.

Zulke armzalige schooiers heb ik van mijn leven niet gezien.

Falstaff.

O kom, goed genoeg om aangespietst te worden; voêr voor kruid, voêr voor kruid; zij vullen een kuil even goed als beter luî; wel ja, man, sterfelijke menschen, sterfelijke menschen!

Westmoreland.

Maar toch, Sir John, mij dunkt, dat zij er verbazend armoedig en vermagerd uitzien, al te bedelachtig.

Falstaff.

Ja, wat hun armoede betreft, waar zij die vandaan hebben, weet ik niet; en hun magerheid, die hebben zij zeker van mij niet afgekeken.

Prins Hendrik.

Neen, daar wil ik op zweren; tenzij gij drie vingers dik op de ribben mager noemt. Maar kerel, maak haast; Percy is reeds te velde.

[503]

Falstaff.

Hoe! is de koning reeds bij ’t leger?

Westmoreland.

Ja zeker, Sir John; en ik vrees, wij talmen reeds te lang.

(Prins Hendrik en Westmoreland af.)

Falstaff.

Nu goed;

Het laatst in ’t veld, en de eersten bij een feest,

Lijkt tragen vechters, gragen gasten ’t meest.

(Af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.

Heetspoor, Worcester, Douglas en Vernon komen op.

Heetspoor.

Wij grijpen deze nacht hem aan.

Worcester.

Wij grijpen deze nacht hem aan. Dat niet.

Douglas.

Dan brengt gij hem in ’t voordeel.

Vernon.

Dan brengt gij hem in ’t voordeel. Niet in ’t minst.

Heetspoor.

Hoe kunt gij ’t zeggen? wacht hij geen versterking?

Vernon.

Wij ook.

Heetspoor.

Wij ook. De zijne is zeker, de onze niet.

Worcester.

Laat, neef, u raden; val van nacht niet aan.

Vernon.

Dat raad ik ook, mylord.

Douglas.

Dat raad ik ook, mylord. Uw raad is slecht;

Zoo spreekt ge uit vrees of wankelmoedigheid.

Vernon.

Douglas, geen lastertaal; want bij mijn leven,— 8

En met mijn leven maak ik dit u waar,—

Als welbegrepen eer mij voorwaarts drijft,

Ga ik zoo min met laffe vrees te rade,

Als gij, mylord, of eenig Schot, die leeft;

Het blijke morgen in den slag, wie onzer

Vrees koestert.

Douglas.

Vrees koestert. Ja, of heden nacht.

Vernon.

Vrees koestert. Ja, of heden nacht. Bedaar!

Heetspoor.

Van nacht, zeg ik.

Vernon.

Kom, kom, dit moet niet zijn. Ik sta verbaasd,

Dat mannen, van zoo groot beleid als gij,

Toch niet voorzien, wat groote hindernissen

Den veldtocht ons vertragen. Mijn neef Vernon

Is met zijn ruiters nog niet aangekomen;

Die van Lord Worcester kwamen heden eerst;

Nu zijn hun fierheid en hun vuur in slaap,

Hun krijgslust van vermoeinis traag en mak;

Geen paard is half de helft nu van zichzelf.

Heetspoor.

Zoo is ’t ook met de paarden van den vijand;

Schier alle afgemat en zonder vuur;

En ’t meerendeel der onze is uitgerust.

Worcester.

De koning is veel talrijker dan wij;

Wacht, neef, om Gods wil, tot al de onzen hier zijn.

(Trompetgeschal voor een mondgesprek.)

(Sir Walter Blunt komt op.)

Blunt.

Ik breng, zoo ge achting en gehoor mij gunt,

Voorslagen vol genade van den koning.

Heetspoor.

Sir Walter Blunt, wees welkom! Gave God,

Dat gij met ons van één gezindheid waart!

Hoog schatten hier u velen, doch ook dezen

Misgunnen u uw hoogen naam en waarde,

Wijl gij van onze kleur en soort niet zijt,

Maar als een vijand tegen ons u stelt.

Blunt.

En God behoede mij voor andre keus,

Zoolang gij, orde, recht en wet miskennend,

U tegen den gezalfden koning kant!

Doch hoort mijn last.—De koning vraagt door mij,

Wat uwe klachten zijn, en op wat grond

Gij uit den boezem van den burgervrede

Zoo drieste vijandschap bezweert, zijn land,

Hem trouw, zoo woeste wreedheid leert? Heeft ooit

Op een’ge wijs de koning uwe diensten,

Die, dit erkent hij, vele zijn,—vergeten,

Zoo vraagt hij: noemt uw grieven; en terstond

Zult gij met rente ontvangen, wat gij wenscht,

En ook vergiff’nis voor uzelf, voor allen,

Die gij tot dit verzet hebt overreed. 51

Heetspoor.

Een vriend’lijk koning! O, hij kent zijn tijd,

Tijd van beloven, ja, en van betalen!

Mijn vader en mijn oom en ook ikzelf,

Wij schonken hem de kroon, die hij nu draagt.

En toen hij nog geen dertig mannen sterk was,

Krank in der menschen achting, arm, ellendig,

Als onbemerkte balling huiswaarts sluipend,

Bracht hem mijn vader ’t welkom toe aan ’t strand;

En toen die hem bij God betuigen hoorde,

Dat hij slechts kwam als hertog Lancaster,

Zijn leen kwam heffen en om vrede vragen,

Met onschuldtranen, op den toon der trouw,

Zwoer hem mijn vader, met zijn lot bewogen,

Goedhartig bijstand toe, en hield zijn woord.

Toen nu de lords en rijksbaronnen zagen,

Hoe hem Northumberland genegen was,

Toen kwamen groot en klein, blootshoofds en buigend,

Begroetten hem in vlek en dorp en stad,

En wachtten hem bij brug en landweg op,

En brachten giften, boden hem hun eeden,

En gaven hem hun zoons voor pages, volgden

In gouden schaar hem op de hielen na.

Fluks, als de grootheid, die zichzelf bewust wordt,[504]

Stijgt hij een weinig hooger dan dien eed,

Dien hij op ’t naakte strand van Ravenspurg

Met armer bloed mijn vader had gedaan.

En dra, voorwaar, verstout hij zich, besluiten

En enkle stipte wetten te herzien,

Die zwaar ’t gemeene welzijn drukten, schreeuwt

Van wangebruiken, houdt zich, of hij weent

Om ’t wee des lands, en wint door dezen schijn,

Die voorgewende zucht tot recht, het hart

Van allen, die hij vangen wil; en gaat

Nu verder, door het hoofd te laten vallen

Van al de gunstelingen, die de koning

Te zijner plaatsvervanging achterliet,

Toen hij persoonlijk de’ Ierschen krijg ging voeren.

Blunt.

Ik kwam niet hier, om dit te hooren.

Heetspoor.

Ik kwam niet hier, om dit te hooren. Nu dan,

Ter zake. Dra beroofde hij den koning,

Eerst van de kroon, en kort daarop van ’t leven;

Belastte onmidd’lijk zwaar het gansche rijk;

En liet, nog schand’lijker, zijn neef van March,—

Die toch, als elk zijn rechte plaats bekleedde,

Zijn koning wezen moest,—in Wales in gijz’ling,

Opdat, niet losgekocht, zijn recht daar sliep;

Vergold mijn zegepralen met beschimping;

Ja, zocht mij door verspieders te betrappen;

Verjoeg door hooning uit ’s rijks raad mijn oom;

Verdreef, in woede, van het hof mijn vader;

Brak eed op eed, beging onrecht op onrecht,

En drong ons, eindlijk, onze veiligheid 102

In dit verzet te zoeken, en, daarbij,

Zijn koningsrecht te toetsen, dat ons waarlijk

Te weinig geldig blijkt voor langen duur.

Blunt.

Moet ik dit antwoord aan den koning brengen?

Heetspoor.

Dat niet, Sir Walter; dat wij ons beraden!

Ga tot den koning en verwerf voor ons

De zekerheid van veil’ge wederkomst;

Alsdan komt hem op morgen vroeg mijn oom

Voorslagen van ons doen; en nu, vaarwel!

Blunt.

O, naamt gij vrede en vriendschap van hem aan!

Heetspoor.

’t Is moog’lijk, dat wij ’t doen.

Blunt.

’t Is moog’lijk, dat wij ’t doen. Dit geve God!

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

York. Een vertrek in het paleis van den Aartsbisschop.

De Aartsbisschop van York en Sir Michaël komen op.

Aartsbisschop.

Haast u, Sir Michaël, en breng vliegensvlug,

Aan den Lord-Maarschalk dit verzegeld stuk;

Dit aan mijn neef, lord Scroop; en al die and’re

Aan wie zij zijn gericht. Indien gij wist,

Van welk belang zij zijn, groot ware uw spoed.

Sir Michaël.

Mijn goede Lord,

Ik gis hun inhoud.

Aartsbisschop.

Ik gis hun inhoud. Moog’lijk, dat gij ’t doet.

Het is op morgen, waarde heer, een dag,

Waarop ’t geluk van ruim tienduizend mannen

Den toets doorstaan moet. Want, bij Shrewsbury,—

Zoo melden zeekre bronnen,—zal de koning,

Met groote, in allerijl gelichte macht,

Zich met Lord Percy meten; en ik vrees,

Deels om de ziekte van Northumberland,

Wiens macht de grondslag was van ’t krijgsontwerp,

Deels om het niet verschijnen van Glendower,

Die mede een hechte steun moest zijn, en nu;

Door profetieën afgeschrikt, niet opdaagt,—

Ik vrees, dat Percy’s macht te zwak zal zijn,

Om met den koning nu den strijd te wagen.

Sir Michaël.

Mijn waaide Lord, er is geen grond tot vrees;

Denk, Douglas is er, en Lord Mortimer. 22

Aartsbisschop.

Neen, Mortimer is niet er bij.

Sir Michaël.

Daar zijn toch Mordake, Vernon, Hendrik Percy,

Daar is mylord van Worcester, en een macht

Van wakk’re krijgers, dappere edellieden.

Aartsbisschop.

Dat is zoo, ja; maar bij den koning is

Een heldenschaar uit heel het rijk vereenigd:

De prins van Wales, Lord John van Lancaster,

De wakk’re Westmoreland, de dapp’re Blunt,

Met nog veel andre medestanders, allen

Van grooten naam en duchtig krijgsbeleid.

Sir Michaël.

Zij zullen sterken weerstand vinden, heer.

Aartsbisschop.

Dit hoop ik ook, maar duchten is wel noodig;

Spoed u, Sir Michaël, om het ergst te keeren;

Want slaagt Lord Percy niet, dan zoekt de koning,

Vóór hij zijn leger afdankt, ons wis op.

Hij kent ons deelgenootschap in ’t verbond;

En wijsheid eischt, dat wij ten strijde ons rusten.

Dus haast u. ’k Heb aan meen’gen andren vriend

Alsnog te schrijven; vaar dus wel, Sir Michaël.

(Beiden af.)

[505]

[Inhoud]

VIJFDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Het legerkamp van den Koning bij Shrewsbury.

Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John van Lancaster, Sir Walter Blunt en Sir John Falstaff komen op.

Koning Hendrik.

Hoe bloedig gluurt de zon daar over ’t bosch

Van gindschen heuveltop; de dag ziet bleek

Van hare krankheid.

Prins Hendrik.

Van hare krankheid. En de zuidenwind

Speelt voor trompet, die ons haar plannen meldt;

Zijn stootend fluiten door de blaadren spreekt

Ons van een ruwen dag, van storm, die komt.

Koning Hendrik.

Zoo uite hij zijn leed aan wie ’t verliezen,

Want aan wie winnen dunkt geen weder slecht.

(Trompetgeschal.)

(Worcester en Vernon komen op.)

Gij daar, mylord van Worcester? ’t Is niet goed,

Dat gij en ik elkander dus ontmoeten 10

Als nu. Bedrogen hebt gij ons vertrouwen,

Het lenig vredekleed ons af doen leggen,

En ’t oude lijf in ’t harde staal doen knellen;

Dit is niet goed, mylord, dit is niet goed.

Wat hebt gij voor? Wilt gij dien boozen knoop

Van den alom verfoeiden krijg ontknoopen,

Uw vasten loop hervatten in de baan,

Waar gij met schoon en rustig licht in straaldet,

En verder nu geen luchtverheev’ling zijn,

Een schrikverspreidend wonder en een voorspook

Van onheil voor nog ongeboren tijden?

Worcester.

Hoor mij, mijn vorst.

Ik, voor mijn deel, ik kan er in berusten,

Het slepend eind mijns levens door te brengen

In kalme rust; want dit betuig ik u,

Ik zocht den dag van dezen haat niet op.

Koning Hendrik.

Gij zocht hem niet? hoe is hij dan gekomen?

Falstaff.

De muiterij lag op zijn weg; hij vond die.

Prins Hendrik.

Stil, spekpastei, zwijg stil.

Worcester.

’t Behaagde u, vorst, de blikken uwer gunst

Van mij en heel ons huis gansch af te wenden;

En toch,—ik moet het u herinn’ren, heer,—

Wij waren de eerste, trouwste van uw vrienden.

Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken

In Richards tijd, en reisde dag en nacht

Om u te ontmoeten, u de hand te kussen,

Toen gij op verre na in rang en aanzien

Zoo machtig en geëerd niet waart als ik. 38

Ikzelf, mijn broeder en zijn zoon, wij waren ’t,

Die hier u wederbrachten, stout des tijds

Gevaren trotsend. Toen hebt ge ons gezworen,

En dezen eed zwoert gij te Doncaster,—

Niets tegen ’t rijk in ’t schild te voeren, niets

Te vord’ren dan ’t u pas vervallen erfrecht,

Gents zetel, ’t hertogdom van Lancaster.

Toen zwoeren wij u bijstand toe; maar dra

Daalde op uw hoofd geluk in stroomen neer;

Ja, zulk een vloed van grootheid viel op u,

Dank onzer hulp, dank ook des konings afzijn,

Dank ook het onrecht van een dart’len tijd,

De krenking, u zoo blijkbaar aangedaan,

En dank den tegenwinden, die den koning

Vasthielden, al te lang, aan ’t Iersche strand,

Zoodat heel England hem gestorven waande;—

En in dien zwerm van gunsten van het lot

Vondt gij dra ’t middel, dat men u verzocht

Om zelf het roer des staats ter hand te nemen,

Vergat uw eed aan ons te Doncaster,

En loondet ons, de voeders van uw grootheid,

Zooals de ondankb’re guit, de jonge koekoek,

De musch beloont: gij hebt ons nest verdrukt,

En werdt door onze voeding ras zoo groot,

Dat onze liefde u niet meer durfde naad’ren,

Beducht ook zelf te worden opgeslokt; 64

Met vlugge wieken moesten wij ons redden,

U uit het oog, en deze macht verzaam’len;

Zoodat we ons enkel met die midd’len weren,

Die gij, gijzelf gesmeed hebt tegen u,

Door krenkende bejeeg’ning, dreigend blikken

En ’t roekloos schennen van de trouw en vriendschap,

Die gij bij de’ aanvang van uw tocht ons zwoert.

Koning Hendrik.

Dit hebt gij stuk voor stuk reeds vaak ontvouwd,

Op markten afgelezen en in kerken,

Om het gewaad des oproers af te zetten

Met fraaie kleur, en zoo van wankle zielen

En arme onvergenoegden ’t oog te streelen,

Die, wijdmonds gapend, zich den elboog wrijven

Bij ’t hooren van onstuimige’ ommekeer.

Nu, zulke waterverven zijn door oproer

Altijd tot kleuring van zijn zaak te vinden,

En wreev’le beedlaars ook, die steeds naar tijd

Van woesten moord en van verwarring snakken.

Prins Hendrik.

In beide legers is er meen’ge ziel,

Die duur ons samentreffen zal betalen,

Wanneer wij ons gaan meten. Meld uw neef:[506]

De prins van Wales stemt in met heel de wereld,

Tot Hendrik Percy’s lof; ja, bij mijn heil,

Deze onderneming nu niet meegerekend,

Zeg ik: er leeft geen beter edelman,

Zoo kloek-heldhaftig, zoo heldhaftig-jeugdig,

Zoo onversaagd en stout, om onzen tijd

Door grootsche, fiere daden roem te schenken.

Ikzelf,—en tot mijn schande zij ’t erkend,—

Was bij de ridderschap een ledigganger,

En hij ook, hoor ik, houd mij voor niets meer;

Toch zeg ik hier voor ’s konings majesteit,

Dat ik hem gaarne ’t gansche voordeel laat,

Hem door zijn grooten naam en glans verleend,

En, zoo der andren bloed dan wordt gespaard,

Met hem den strijd, man tegen man, aanvaard.

Koning Hendrik.

En, prins van Wales, dùs wagen wij uw leven;

’t Zij zoo, hoe talloos de bezwaren zijn,

Die huiv’ren doen.—Neen, goede Worcester, neen,

Ons is ons volk geliefd, zelfs die zijn ons

Nog lief, die met uw neef een dwaalspoor volgen;

En is hun mijn genade welgevallig,

Dan wordt èn hij, èn zij, èn gij, ja ieder

Op nieuw mijn vriend; ik zal de zijne zijn.

Zeg dit uw neef, en breng mij ras bericht,

Wat hij beslist! Doch, geeft hij thans niet toe,

Weet, ons verzellen straf en tuchtiging; 111

Die zullen dan haar plicht doen. Gaat nu heen.

Niets meer; want wederwoorden zijn wij moe!

Wij bieden vriendlijk aan, grijpt wijslijk toe!

(Worcester en Vernon af.)

Prins Hendrik.

Zij nemen het niet aan, zoo waar ik leef.

Douglas en Heetspoor zijn bijeen; die twee

Trotseeren zelfs een wereld in de waap’nen.

Koning Hendrik.

Van hier dus, ieder krijger naar zijn post;

Wij vallen daad’lijk na hun antwoord aan;

Zij God met ons, aan onze zijde is ’t recht.

(De Koning, Blunt en Prins John af.)

Falstaff.

Hein, als gij mij in den slag op den grond ziet, en u schrijdelings over mij heen stelt, dan doet gij wel; ’t is vriendenplicht.

Prins Hendrik.

Alleen een colossus kan u die vriendschap doen. Doe uw gebed en vaarwel.

Falstaff.

Ja, ik wenschte het wel slapenstijd, Hein, en alles goed.

Prins Hendrik.

Nu, gij zijt God een dood schuldig.

(Prins Hendrik af.)

Falstaff.

’t Is nog de vervaldag niet; ik zou hem ongaarne betalen voor den tijd. Wat behoef ik zoo voorkomend te wezen jegens iemand, die mij niet maant? Nu, het doet er niet toe; de eer roept mij voorwaarts. Ja, maar hoe, als de eer mij afroept bij het voorwaarts gaan? hoe dan? Kan de eer een been aanzetten? Neen. Of een arm? Neen. Of de pijn stillen van een wond? Neen. De eer is dus niet bedreven in de heelkunde? Neen. Wat is eer? Een woord. Wat is het woord eer? Lucht. Een fraaie rekening!—Wie heeft haar? Die Woensdag gestorven is. Voelt hij ze? Neen. Hoort hij ze? Neen. Is ze dus niet waar te nemen? Neen, door den doode niet. Maar leeft ze dan nooit bij de levenden? Neen. Waarom niet? De afgunst duldt dit niet.—Daarom wil ik niets van haar weten. De eer is niets dan een wapenschild; en daarmee is mijn catechismus ten einde.

(Falstaff af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Het kamp der opstandelingen.

Worcester en Vernon komen op.

Worcester.

O neen, Sir Richard, nimmer mag mijn neef

’t Genadig aanbod van den koning kennen.

Vernon.

Dit waar’ toch goed.

Worcester.

Dit waar’ toch goed. Dan waren wij verloren.

Het is volstrekt onmoog’lijk, kan niet zijn,

Dat ons de koning woord houdt, ooit mag lijden;

Wij blijven hem verdacht, hij speurt den tijd

Om dit vergrijp in andre schuld te straffen.

Ons leven lang blijft argwaan duizendoogig;

Verraad wordt nooit vertrouwd dan als de vos,

Die nooit, hoe mak, geliefkoosd, opgesloten,

Den wilden aard van zijn geslacht verzaakt.

Kijk hoe ge wilt, blijmoedig of bedrukt,

Een leven hebben we als een os op stal, 14

Hoe meer verzorgd, hoe nader bij den dood.

Mijns neefs vergrijp, ja, kan vergeten worden,

Zijn jeugd, zijn ziedend bloed is zijn verschooning,

En zelfs zijn bijnaam wordt hem tot een voorrecht:

De dolkop Heetspoor, door zijn luim beheerscht.

Zijn zonden worden mij op ’t hoofd gestapeld,

Mij en zijn vader: wij verlokten hem,

En, wat ooit hèm besmette, ’t komt van ons;

Dies boeten wij, als bron van alles, alles.

En daarom, beste neef, dat Hendrik nimmer,

Wat ook gebeur’, des konings aanbod kenn’.

Vernon.

Meld gij dan wat gij wilt; ik zal ’t beamen.

Daar komt uw neef.

(Heetspoor en Douglas komen op, achter hen Officieren en Soldaten.)

Heetspoor.

Mijn oom is weer terug;—laat dus den graaf

Van Westmoreland weer vrij.—Nu, oom, wat meldt gij?

[507]

Worcester.

De koning biedt terstond den slag u aan.

Douglas.

Daag door mylord van Westmoreland hem uit.

Heetspoor.

Lord Douglas, ga, en zeg hem dit.

Douglas.

Voorwaar, dat wil ik, en van harte gaarne.

(Douglas af.)

Worcester.

Geen schijn zelfs van genade toont de koning.

Heetspoor.

Gij vroegt er om? verhoede ’t God!

Worcester.

Zachtmoedig sprak ik hem van onze grieven,

En van zijn eedbreuk, dien hij door den meineed,

Dat hij geen meineed pleegde, nu verschoonde;

Verraders, muiters noemt hij ons, en wil

In ons dien naam met trotsche waap’nen gees’len.

(Douglas komt terug.)

Douglas.

Te wapen, heeren, vlug! ’k Heb koning Hendrik

Een uitdaging, die klinkt, naar ’t hoofd geworpen,

En Westmoreland, die gijz’laar was, brengt ze over;

Zij wekt onfeilbaar hem terstond ten strijd.

Worcester.

De prins van Wales trad voor des konings zetel,

En daagde, neef, u tot een tweestrijd uit. 47

Heetspoor.

O, dat aan ons het strijden waar’ vertrouwd,

En dat geen enkel man van daag moest hijgen,

Dan ik en Hendrik Monmouth! Zeg mij, zeg mij,

Hoe was zijn taal? minachtend? overmoedig?

Vernon.

Neen, bij mijn heil! in heel mijn leven hoorde ik

Geen vijand ooit bescheid’ner uitgedaagd;

Een broeder kan een broeder aldus nooden

Tot edele oef’ning en tot wapenspel.

Hij kende u iedre mannenhulde toe,

En tooide uw lof met rijke vorstentong;

Hij somde als een kroniek uw deugden op,

En noemde u altijd beter dan zijn lof,

Als waar’ die bij uw waarde schimp te reek’nen.

En,—wat als prins hem wel het schoonste stond,—

Schaamrood vermeldde hij zichzelf, en laakte

Zijn lediggaande jeugd zoo schoon en waar,

Als waar’ hij meester van een dubb’len geest,

Die, leering gevend, zelf ook leerling was.

Toen zweeg hij. Maar, dit zeg ik aan de wereld:

Spaart hem de nijd van dezen dag, dan heeft

Nooit England zulk een schoone hoop bezeten,

Om de’ overmoed der jeugd zoozeer miskend.

Heetspoor.

Gij zijt, neef, dunkt mij, door en door verliefd

Op al zijn dwaasheid; nooit heb ik gehoord

Van een’gen prins, die zulk een losbol was.

Maar zij hij wat hij wil, nog voor de nacht

Wil ik hem met een krijgsmansarm omhelzen,

Dat hij ineenkrimpt van mijn heuschen groet.

Op, op, ten strijd!—En, krijgers, vrienden, broeders,

Bedenkt gij beter, wat gij hebt te doen,

Dan ik, die niet de gaaf van ’t woord bezit,

Uw bloed kan wekken door welsprekendheid.

(Een Bode komt op.)

Bode.

Heer, daar zijn brieven voor u.

Heetspoor.

Die kan ik nu niet lezen.—

O, heeren, ’s levens duur is kort; die kortheid

Op lage wijs te spillen, waar’ te lang,

Al reed ook ’t leven op een uurwerkwijzer,

Zoodat het uit was, als een uur verscheen.

Wij treden, levend, koningen in ’t stof;

En sneven,—schoon is ’t!—als ook vorsten sneven!

En ons geweten,—rein zijn onze waap’nen,

Wanneer het doel gerecht is, dat ze voert.

(Een tweede Bode komt op.)

Bode.

Heer, wees gereed; de koning rukt daar aan. 90

Heetspoor.

Ik dank hem, dat hij mij tot zwijgen noopt,

Want praten is mijn zaak niet. Nog slechts dit:—

Doe elk wat hij vermag! En hier trek ik

Een zwaard, dat ik op heden verven wil

Door ’t beste bloed, dat ik kan tegentreden

Bij ’t hach’lijk spel van dezen heeten dag.

Nu:—Espérance! Percy! en vooruit!—

Klinkt, oorlogs edele instrumenten, lustig!

Laat ons bij die muziek elkaar omarmen!

Want, hemel tegen aarde! er zijn er hier,

Die nooit meer zulk een groet elkander brengen.

(Trompetgeschal. Zij omarmen elkander. Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Een vlakte bij Shrewsbury.

Aanvallen; vechtende troepen; krijgsgedruisch. Daarop komen Douglas en Blunt, van verschillende zijden, op.

Blunt.

Hoe heet gij, die aldus mij in den strijd

Den weg versperren komt? Wat eere zoekt gij

Dus op mijn hoofd?

Douglas.

Dus op mijn hoofd? Verneem, mijn naam is Douglas,

En ik bestook u in den strijd aldus,

Omdat ik hoor, dat gij een koning zijt.

Blunt.

Dan hebt gij goed gehoord.

Douglas.

Duur heeft Lord Stafford heden zijn gelijk’nis

Op u gekocht; in ùw plaats, koning Hendrik,

Heeft hèm dit zwaard geveld; zoo doet het u,

Tenzij gij u aan mij gevangen geeft.

[508]

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Vijfde Bedrijf, Vierde Tooneel.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Vijfde Bedrijf, Vierde Tooneel.

Blunt.

Geen lage geest leeft in mij, trotsche Schot;

Hier zult ge een koning vinden, die den dood

Wreekt van lord Stafford.

(Zij vechten, en Blunt wordt verslagen.)

(Heetspoor komt op.)

Heetspoor.

Hadt gij te Holm’don zoo gekampt, o Douglas,

Ik had geen enklen Schot ooit overmocht!

Douglas.

De zege is ons! ontzield ligt hier de koning!

Heetspoor.

Waar?

Douglas.

Hier.

Heetspoor.

Daar, Douglas? Neen, die trekken ken ik wel;

Een dapper ridder was ’t, zijn naam was Blunt,

Gelijk geharnast als de koning zelf.

Douglas.

Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat!

Voor hoogen prijs kocht ge uw geleenden titel;

Waartoe gaaft gij u voor een koning uit?

Heetspoor.

Meer zijn er in des konings wapenrok. 25

Douglas.

Nu, bij mijn ziel, ik dood hem al zijn rokken,

En moord zijn kleerkas, stuk voor stuk, hem uit,

Tot ik den koning tref.

Heetspoor.

Tot ik den koning tref. Op! voort, met spoed!

De dag is ons, al de onzen zijn vol moed.

(Beiden af.)

(Krijgsgedruisch. Falstaff komt op.)

Falstaff.

In Londen ben ik er niet beducht voor, eens aangeschoten te zijn, hier wel; hier kerven zij iemand het gelag op zijn schedel.—Stil! wie zijt gij daar? Sir Walter Blunt;—daar hebt gij nu uw eer; en dat zou geen ijdelheid zijn!—Ik ben zoo heet als gesmolten lood, en even zwaar ook;—God houde mij lood uit het lijf; ik heb genoeg te dragen aan mijn eigen ingewanden.—Ik heb mijn schoeljes gebracht, waar het hun ingepeperd is; er zijn er nog maar drie van mijn honderdvijftig over, en die zijn goed genoeg voor de stadspoorten, om levenslang te bedelen. Maar wie komt daar?

(Prins Hendrik komt op.)

Prins Hendrik.

Wat! staat gij nietsdoend hier? leen mij uw zwaard;

Zoo menig edelman ligt koud en stijf,

Vertrapt door ’t strijdros van zijn trotschen vijand;

Hun dood is nog te wreken, leen me uw zwaard.

Falstaff.

O Hein, ik bid u, laat mij een oogenblik op adem komen. De Turk Gregorius heeft nooit zulke wapenfeiten volbracht als ik vandaag. Ik heb Percy zijn deel gegeven; hij kan het er mee doen.

Prins Hendrik.

Dat kan hij inderdaad, en hij leeft, om u te dooden. Ik bid u, leen mij uw zwaard.

Falstaff.

Neen, bij God, Hein, als Percy nog leeft, krijgt gij mijn zwaard niet, maar neem mijn pistool, als gij wilt.

Prins Hendrik.

Geef het! steekt het daar in den holster?

Falstaff.

Ja, Hein; ’t is heet, ’t is heet, goed om sektenmakers ten onder te brengen.

(De Prins trekt er een flesch sek uit te voorschijn.)

Prins Hendrik.

Wat! is het nu een tijd van scherts en beuz’len?

(De Prins werpt hem de flesch voor de voeten en gaat heen.)

Falstaff.

Nu, als Percy nog leeft, pers ik hem dood. Als hij mij in den mond loopt, ’t zij; als hij het niet doet, mag hij een carbonade van mij maken, zoo ik hem vrijwillig in den mond loop. Ik ben niet gesteld op die grijnzende eer, zooals Sir Walter heeft. Geef mij leven; kan ik dat er afbrengen, ’t zij; zoo niet, dan komt de eer ongevraagd, en daarmee uit.

(Falstaff af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Krijgsgedruisch en aanvallen. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John en Westmoreland komen op.

Koning Hendrik.

Ik bid u, Hendrik,

Verlaat het slagveld, want gij bloedt te sterk.—

Lord John van Lancaster, ga gij met hem.

Prins John.

Ik niet, mylord; dan moet ikzelf eerst bloeden.

Prins Hendrik.

Ik bid uw majesteit, spoed u naar voren;

Licht wekt uw afzijn onrust bij uw vrienden.

Koning Hendrik.

Dat wil ik doen.—

Lord Westmoreland, leid gij hem naar zijn tent.

Westmoreland.

Kom dan, mylord, ik leid u naar uw tent.

Prins Hendrik.

Mij leiden, Heer? Ik heb uw hulp niet noodig;

Verhoede God, dat om een lichte schram

De prins van Wales een veld als dit verlaat,

Waar roodgekleurd in ’t stof onze adel ligt,

En ’t oproer om het bloedbad triumfeert!

[509]

Prins John.

Te lang gerust reeds.—Kom, neef Westmoreland;

Plicht roept ons op naar ginds; om Gods wil, kom.

(Prins John gaat met Westmoreland heen.)

Prins Hendrik.

Bij God, gij deedt mij dwalen, Lancaster;

Zoo hoog had ik uw krijgsdeugd niet geschat:

’k Had, John, u vroeger als een broeder lief;

Thans maakt ge deel uit van mijn eigen ziel.

Koning Hendrik.

Ik zag, hoe hij Lord Percy zich van ’t lijf hield,

En dat zoo kloek en rustig, als ik nooit

Van zulk een onvolwassen krijger wachtte.

Prins Hendrik.

O, deze knaap leent allen moed en vuur.

(Prins Hendrik af.)

(Strijdgedruisch. Douglas komt op.)

Douglas.

Alweer een koning!

Zij groeien telkens uit als Hydrakoppen.

Ken mij als Douglas, voor een elk verderflijk,

Die deze kleuren draagt.—Spreek, wie zijt gij,

Die naar den schijn een koning wezen wilt?

Koning Hendrik.

De koning zelf, wien ’t, Douglas, innig grieft,

Dat gij zoo vele van zijn schimmen aantroft,

En niet den koning zelf. Ik heb twee knapen,

Die Percy en uzelf op ’t slagveld zoeken;

Doch nu ’t geluk aan mij u tegenvoert,

Zal ik den strijd beproeven; weer u dus. 34

Douglas.

Ik vrees, dat gij ook weer een namaak zijt,

Schoon gij, voorwaar, u voordoet als een koning;

Doch wie gij zijt, mijn zijt gij, dit bezweer ik;

En zóó maak ik u mijn.

(Zij vechten; terwijl de Koning in gevaar verkeert, komt Prins Hendrik op.)

Prins Hendrik.

Houd thans het hoofd omhoog, gij snoode Schot,

Of nu, of nimmermeer! want in mijn kling

Zijn Shirley’s, Blunt’s en Stafford’s wakk’re geesten;

Het is de prins van Wales, die u bedreigt,

Die nooit belooft, dan als hij wil betalen.

(Zij vechten; Douglas vlucht.)

Houd moed, mijn vorst; hoe gaat het uw genade?—

Sir Nic’laas Gawsey heeft om hulp gevraagd,

En Clifton ook; ik spoed mij nu tot Clifton.

Koning Hendrik.

Neen, blijf en rust een oogwenk!

Herwonnen hebt gij uw verloren achting,

En door de redding, die gij mij daar bracht,

Getoond, dat u mijn leven wel iets waard is.

Prins Hendrik.

O God, zij deden mij te gruw’lijk onrecht,

Die zeiden, dat ik haakte naar uw dood.

Als dit zoo was, behoefde ik Douglas’ hand,

Die u bedreigde, slechts niet af te wenden,

Want die had wis uw levenstijd voleind,

Zoo snel als een’ge moorddrank het vermocht,

En zóó uw zoon verraderswerk bespaard.

Koning Hendrik.

IJl gij naar Clifton; ik wil zelf naar Gawsey.

(Koning Hendrik af.)

(Heetspoor komt op.)

Heetspoor.

Zie ik het wel, dan zijt gij Hendrik Monmouth.

Prins Hendrik.

Gij spreekt, als wilde ik mijnen naam verlooch’nen.

Heetspoor.

Mijn naam is Hendrik Percy.

Prins Hendrik.

Mijn naam is Hendrik Percy. Nu, dan zie ik

Een overdapp’ren muiter van dien naam.

Ik ben de prins van Wales; en waan niet, Percy,

Dat gij nog een’gen roem meer met mij deelt;

Twee sterren loopen niet in éénen kring,

En ’t eenig England duldt geen dubbelrijk

Van Hendrik Percy en den prins van Wales.

Heetspoor.

Dit zal ’t niet doen, want, Hendrik, ’t uur is daar, 68

Dat een van ons bezwijkt; en waar’, God gave ’t!

Uw wapenroem zoo groot nu als de mijne!

Prins Hendrik.

Ik maak hem grooter, eer ik van u scheide,

En iedere eer, die op uw helm ontluikt,

Ik pluk en vlecht ze tot een krans voor mij.

Heetspoor.

Niet langer duld ik zulk een ijd’le taal.

(Zij vechten.)

(Falstaff komt op.)

Falstaff.

Goed zoo, Hein! er op los, Hein!—

Nu, dat is geen kinderspel, dat verzeker ik u.

(Douglas komt weder op; hij vecht met Falstaff, die zich laat vallen, alsof hij dood was; daarna gaat Douglas heen. Heetspoor wordt gewond en valt.)

Heetspoor.

O Hendrik! gij berooft mij van mijn jeugd!

Ik draag ’t verlies van ’t broze leven lichter,

Dan dien mij afgewonnen grootschen roem;

Dit wondt mijn geest, meer dan uw zwaard mijn vleesch;—

Maar, ja, de geest is slaaf van ’t leven, ’t leven

De nar des tijds; de tijd, die alles schouwt,

Loopt zelf ten eind. O, ’k zou als ziener spreken,

Als niet de kille, zware hand des doods[510]

Den mond mij sloot.—Neen, Percy, gij zijt stof,

En spijs voor—

(Hij sterft.)

Prins Hendrik.

Voor wormen, wakk’re held! Vaarwel, groot hart!—

Wat krimpt gij in, gij slechtgeweven eerzucht!

Dit lichaam achtte, toen ’t een geest bevatte,

Zich door een koninkrijk te nauw begrensd;

Nu zijn twee schreden van den minsten grond

Ruim groot; deze aarde, die u, doode, draagt,

Draagt levend geen zoo kloeken edelman.

Als gij mijn vriendlijkheid gevoelen kondt,

Zou ik mijn eerbetoon zoo warm niet uiten:—

Thans dekk’ mijn veldtooi uw verminkt gelaat,

En danken wil ik, namens u, mijzelf,

Dat ik die schoone, teed’re hulde u bracht.

Vaarwel, en neem uw lof met u ten hemel!

Uw schande zij met u ter aard besteld,

En worde ook in uw grafschrift niet vermeld!—

(Hij ontwaart Falstaff op den grond.)

Wat! oude vriend! behield u al dit vleesch

Geen sprankje leven? Arme Hans, vaarwel!

’k Had beter nog een beet’ren man ontbeerd.

Ja, uw verlies waar’ mij een bitt’re smart,

Zat lust tot ijdel doen mij diep in ’t hart.

Hoe menig edel hert vandaag mocht vallen,

Gij zijt gewis het zwaarste wild van allen.

Lig, tot ik mij om u te ontweien spoed,

Hier naast den eed’len Percy in uw bloed. 110

(Prins Hendrik af.)

Falstaff

(opstaand). Ontweien! als gij mij vandaag ontweidt, geef ik u verlof mij in te zouten, ja, en morgen op te eten ook. Alle duivels! het was tijd een schijn te worden, of die woedende dolkop van een Schot had mij schot en lot laten betalen. Een schijn? Neen, dat is een leugen, ik ben geen schijn; maar sterven, dat is een schijn te worden, want hij is maar de schijn van een mensch, die het leven niet heeft van een mensch; maar de schijn te zijn van den dood, om daardoor in het leven te blijven, dat is niet een schijn zijn, maar inderdaad het ware en volkomen beeld van het leven. Het beste deel van de dapperheid is voorzichtigheid; en door dat beste deel heb ik mijn leven gered.—Verduiveld, ik ben nog bang voor dien buskruit-Percy, al is hij nu dood. Wat! als hij ook eens een schijn was, en weer opstond? Op mijn woord, ik vrees, dat hij de beste schijn van ons tweeën zou blijken. Daarom wil ik hem onschadelijk maken, ja, en ik wil zeggen, dat ik hem verslagen heb. Waarom zou hij niet even zoo goed kunnen opstaan als ik? Niets kan mij logenstraffen dan oogen, en niemand ziet mij; daarom, man, (Hij brengt hem een dolksteek toe.) met een nieuwe wond in de dij gaat gij nu met mij mee.

(Hij neemt Heetspoor op zijn rug.)

(Prins Hendrik en Prins John komen op.)

Prins Hendrik.

Nu, broeder John, gij hebt uw maagdlijk zwaard

Recht dapper ingewijd.

Prins John.

Recht dapper ingewijd. Stil! wie is dat?

Gij zeidet toch, die vette man was dood?

Prins Hendrik.

Ja, zeker, ’k zag hem dood,

Bebloed en ademloos in ’t stof.—

Zijt gij in leven, of is ’t hier verbeelding,

Die met onze oogen spot? Ik bid u, spreek!

Ons oog is onbetrouwbaar zonder ’t oor;

Gij zijt niet wat gij schijnt.

Falstaff.

Neen, dat is zeker, een dubbele man ben ik niet; maar als ik niet Hans Falstaff ben, wil ik Hans Worst heeten. Daar is Percy; (Hij werpt het lijk neder.) als uw vader mij de een of andere eer wil aandoen, goed; zoo niet, dan mag hij den volgenden Percy zelf ombrengen. Ik verwacht graaf of hertog te worden, dit kan ik u verzekeren.

Prins Hendrik.

Wat! Percy doodde ikzelf en zag u dood. 147

Falstaff.

Gij? waarlijk?—Heere, Heere, wat is deze wereld aan den leugen verslaafd!—Ik geef u toe, ik lag op den grond, geheel buiten adem, en hij desgelijks, maar wij stonden beiden op hetzelfde oogenblik op, en vochten een goed uur, op de torenklok van Shrewsbury af. Wil men mij gelooven, goed; zoo niet, dan valle de zonde op het hoofd van hen, die de dapperheid moesten beloonen. Ik sterf er op, dat ik hem deze wond in de dij heb toegebracht; als de man maar in leven was, en dit durfde loochenen, duivels! dan zou ik hem een stuk van mijn zwaard te eten geven.

Prins John.

Dit is het vreemdst verhaal, dat ik ooit hoorde.

Prins Hendrik.

Dat is de vreemdste snuiter, broeder John.—

Kom, neem weer fier uw pakje op den rug;

Voor mijn deel, brengt een leugen u in gunst,

Dan wil ik die met schoone taal vergulden.

(Trompetgeschal tot terugroeping van het slagveld.)

Daar is ’t verzamelsein; de dag is ons.

Kom, broeder, nu naar ’t hoogste deel van ’t veld,

En zien wij, wie der vrienden leeft, wie viel.

(Prins Hendrik en Prins John af.)

Falstaff.

Ik wil hen daar volgen, zooals zij zeggen, voor mijn belooning. Die mij beloont, dien loone God! Als ik grooter word, wil ik kleiner worden; want ik wil purgeeren, en de sek opgeven en ordelijk leven, zooals het een edelman betaamt.

(Falstaff af, met het lijk.)

[511]

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John, Westmoreland en Anderen komen op; Worcester en Vernon als gevangenen.

Koning Hendrik.

Zoo vond rebellie nog altoos haar straf.—

Gij boosgezinde Worcester, boden wij

Genadig niet aan allen vrede en vriendschap?

En hebt ge ons aanbod niet geheel verdraaid?

’t Vertrouwen van uw neef geheel misbruikt?

Drie ridders, die aan onze zijde vielen,

Een edel graaf en menig ander krijger

Waar’ tot dit uur in leven,

Zoo ge als waar christen tusschen beide legers

Een ware boodschap over hadt gebracht.

Worcester.

Tot wat ik deed, dreef mij mijn veiligheid,

En ik aanvaard gelaten wat mij wacht,

Daar ’t onafwendbaar op mij nederstort.

Koning Hendrik.

Voert Worcester heen, en Vernon ook, ter dood;—

Der andren schuld zij nader overwogen.

(Worcester en Vernon af, door een Wacht begeleid.)

Hoe staat het op het slagveld?

Prins Hendrik.

Heer, de eed’le Schot, Lord Douglas, toen hij zag,

Dat zich de krijgskans tegen hem gekeerd had,

Dat de eedle Percy dood was, en al ’t volk

Vol schrik aan ’t vluchten, vlood ook zelf, maar werd

Bij ’t vallen van een heuvel zoo gekneusd,

Dat wij hem grepen. Zoo bevindt zich Douglas

Thans in mijn tent, en ik verzoek uw hoogheid:

Geef hem in mijne macht.

Koning Hendrik.

Geef hem in mijne macht. Van harte gaarne.

Prins Hendrik.

Dan, broeder John van Lancaster, zij nu

Deze eervolle edelmoedigheid ùw taak:

Ga tot Lord Douglas, meld hem, dat hij vrij

Kan gaan, waarheen hij wil, en zonder losgeld;

Zijn moed, waar onze helmen van getuigen,

Heeft ons geleerd, hoe zulke grootsche daden

Ook in den vijand te vereeren zijn.

Prins John.

Dank voor dit schoon verleenen van genâ,

Dat ik onmidd’lijk overbrengen ga.

Koning Hendrik.

Dan blijft te doen, dat we onze macht verdeelen.—

Gij, mijn zoon John en neef van Westmoreland,

Trekt op naar York met allen denkb’ren spoed,

Northumberland en den aartsbisschop tegen,

Die ijv’rig, hoor ik, zich ten strijde rusten.

Ikzelf, zoon Hendrik, trek met u naar Wales,

Om met Glendower en Mortimer te kampen.

Gedempt is ras het oproer in dit land,

Als nog een dag als deze ’t overmant;

Schoon werd op heden onze taak begonnen;

Dies niet gerust, eer alles is gewonnen.

(Allen af.)

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

Het eerste tooneel van dit stuk sluit zich onmiddellijk aan het laatste van “K. Richard II” aan; de onlusten, waarop koning Hendrik in den eersten regel doelt, die hem schokten en bleek van angst deden zijn, waren dezelfde, wier onderdrukking hem in het laatste tooneel van het vorige stuk door boden bericht wordt.—Ongetwijfeld is dit stuk kort na het vorige ontstaan en toch legt het in veel hoogere mate getuigenis af van de scheppende kracht des dichters. Hier leverde de kroniek hem weinig meer dan den gang der gebeurtenissen; de rijke karakterteekening is geheel de schepping van zijn geest.

Dit eerste deel van “Koning Hendrik de Vierde” behandelt de gebeurtenissen, die in het derde en vierde regeeringsjaar (1402 en 1403) van dezen eersten koning uit het huis van Lancaster vallen, namelijk den afval van den Noord-Engelschen adel, die, na aan Bolingbroke den troon verschaft te hebben, in verzet kwam, toen het bleek, dat de nieuwe leenheer de rechten der kroon nadrukkelijk handhaafde. Bij dien afval speelde de machtige familie der Percy’s, uit Northumberland, de hoofdrol; de moedige Heetspoor was onder hen de beroemdste.—De naaste aanleiding tot den burgeroorlog was de volgende.

Heetspoor had een groote overwinning op de Schotten, die door den graaf van Douglas werden aangevoerd, bevochten, bij Nesbit. Douglas wist op nieuw een macht te verzamelen, waarmede hij weder een inval deed, maar met zeer ongunstigen uitslag, want hij werd door de Engelschen onder aanvoering van Heetspoor en George, Graaf van March, bij Holmedon allergeweldigst aangevallen (1402); een schrikkelijke slachting werd aangericht onder edelen en gemeenen, en velen werden gevangen, zooals Mordake, graaf van [512]Fife, zoon van den hertog van Albanië, den regent van Schotland, verder Archibald graaf Douglas, die in den slag een oog verloor, en anderen. De koning eischte hun deze gevangenen af, bewerende, dat zij aan hem behoorden te worden uitgeleverd, maar de Percy’s ontkenden dit en stonden hem alleen Mordake, graaf van Fife, af. Zij kwamen naar Windsor en eischten van den koning, dat hij Edmund Mortimer, den broeder van den in Ierland gesneuvelden graaf van March (zie blz. 467, alsmede de geslachtslijst) en van Heetspoor’s vrouw, zou vrijkoopen uit zijn gevangenschap bij Owen Glendower. De koning weigerde dit en de Percy’s gingen verbitterd heen.

De zoo even genoemde Owen Glendower woonde in Noord-Wales en was een geduchte tegenstander der Engelschen. Hij had de vaan der onafhankelijkheid van Wales geheven en trachtte, door Frankrijk ondersteund, den vorstenrang in Wales door strijd te erlangen. In 1401 had hij Reginald de Grey en Edmund Mortimer overwonnen, een geweldige slachting onder de hunnen aangericht,—waarbij de Wallisische vrouwen de lijken zelfs mishandelden,—en de beide aanvoerders gevangengenomen. Glendower ging bij het volk voor een toovenaar door, die de geesten der bergen tot zijn dienst kon dwingen.

Glendower ontsloeg na eenigen tijd Edmund Mortimer uit zijn gevangenschap, verzoende zich met hem en gaf hem zijn dochter ten huwelijk. Door tusschenkomst van Mortimer kwam een verbond tot stand tusschen hem en de Percy’s, waarbij zich ook de door hen vrijgelaten Douglas aansloot.

Toen koning Hendrik in den zomer van 1403 tegen de Schotten optrok, verhief Percy Heetspoor in zijn rug de vaan des opstands en riep door proclamaties het volk te wapen. Koning Hendrik handelde met spoed, wierp zich tusschen de macht van den graaf van Northumberland en diens zoon Percy in, en verhinderde hun vereeniging. Op 21 Juli 1403 had de slag bij Shrewsbury plaats, waarin, na hardnekkigen strijd, de koning de overwinning behaalde, Percy Heetspoor sneuvelde, Douglas, Worcester (broeder van Northumberland en oom van Heetspoor) en vele anderen gevangengenomen werden. De persoonlijke moed van den koning had veel tot de overwinning bijgedragen; zijn zoon, de zestienjarige Prins, had zich mede recht dapper gekweten, en was, schoon door een pijl in het gelaat gewond, niet te bewegen geweest het slagveld te verlaten; hij had tot het einde toe meegestreden; er is echter geen enkel bewijs, zelfs geen overlevering, dat hij persoonlijk Heetspoor zou geveld hebben. Door de overwinning bij Shrewsbury was de opstand voor goed gefnuikt

Dit gedeelte der geschiedenis werd, met enkele later aan te wijzen bijzonderheden, door Shakespeare aan Holinshed ontleend.—Die gedeelten van zijn stuk, waarin de Prins met Falstaff verkeert, mag men geheel zijn eigen, ongeevenaarde schepping achten, tot welke Holinshed, en waarschijnlijk ook de volksoverlevering, niets dan de aanleiding hebben verschaft. Holinshed vermeldt, dat Hendrik van Monmouth,—zooals de prins naar zijn geboorteplaats genoemd werd,—als jong mensch zich aan een woesten levenswandel heeft overgegeven en met ruwe menschen van lageren stand omging, maar bij zijn troonsbeklimming een ander mensch, een toonbeeld van alle vorsten- en christendeugden geworden is. Hij vertelt ook, dat de Prins eens den Lord-Opperrechter geslagen heeft, omdat die een zijner makkers bestrafte en dat hij voor dit vergrijp in hechtenis is genomen. Raadpleegt men andere, meer betrouwbare bronnen, dan kan men er ten minste uit gissen, dat de Prins geenszins altijd bedaard geleefd heeft en met zijn vader wel eens op gespannen voet geweest is. Zeker is het, naar echte bescheiden, dat hij in één jaar vrijdom van rechten genoot voor honderd tonnen wijns, die voor hem werden aangevoerd, dat zijn oom, de bisschop van Winchester, eens 826 pond sterling betaalde, om schulden voor hem af te doen, en dat hij nog als koning schuldeischers uit zijn jeugd afbetaalde. Ook is het bekend, dat hij zijn zetel in den geheimen raad verloor.—Men ziet, dat Shakespeare niet zonder grond den Prins in het gezelschap bracht, waarmede hij hem in dit stuk laat verkeeren, maar het zij hier tevens opgemerkt, dat de Prins, terwijl hij zich verlustigt in de zwakheden van zijn metgezellen, steeds zichzelf en den toestand beheerscht, geen oogenblik het gevoel voor het grootsche en koninklijke verliest, dat zijn eigenlijk wezen door zijn uitspattingen niet wordt aangetast, en dat hij, met zijn vroeger leven brekend en als waardig koning optredend, zich geenszins plotseling behoeft te bekeeren; hij beheerscht zoowel de hoogten als de diepten des levens. En als om de lagere sferen, waarin de Prins zich beweegt, te veredelen, treedt daarin de grootste komische figuur, die ooit een dichter geschapen heeft, Sir John Falstaff, op.

Het eerste denkbeeld voor deze tooneelen is misschien, ja waarschijnlijk, bij den dichter opgekomen door een zeer ruw tooneelgewrocht, dat reeds in 1588 werd uitgegeven en later meer dan eens herdrukt werd: “The famous Victories of Henry the Fifth.” De Prins komt daarin voor als omgaande met een troep woeste knapen, wier eenige geest daarin bestaat, dat zij vloeken, drinken, vechten en straatroof plegen; de Prins doet even hard mede als de anderen. De herberg [513]te Eastcheap ontbreekt niet, en onder het gezelschap des Prinsen vindt men een Gadshill en een Ned (Edu), alsmede een man van buitengewonen lichaamsomvang, Sir John Oldcastle of Jockey genoemd, die, schoon hij geen enkel geestig woord zegt, om zijn dikte door het publiek met Sir John Falstaff vergeleken, of zelfs met hem vereenzelvigd werd. Shakespeare vond het noodig, in den epiloog, waarmede het tweede deel van “Koning Hendrik de Vierde” eindigt, tegen de verwisseling op te komen van Falstaff met dezen Sir John Oldcastle, die den naam droeg van den edelaardigen, ridderlijken voorvechter der Wycliffieten, welke eens met Hendrik V bevriend was, maar, daar nòch ’s konings aandrang, nòch iets anders hem kon bewegen, om zijn geloof te verzaken, als martelaar gestorven is. Hij is bespot geworden bij het volk, omdat hij, ridder en krijgsman, als prediker optrad; en misschien gaf dit den schrijver der Famous Victories aanleiding tot het bezigen van dezen naam. Shakespeare echter wijst uitdrukkelijk op zijn martelaarschap, en zegt, dat Oldcastle niets met Sir John Falstaff gemeen heeft.—Het is met dit al zeer wel mogelijk, dat de dikke ridder ook bij Shakespeare eerst den naam van Oldcastle droeg en dat de ergernis, die dit gaf, den naam deed veranderen.

Het Eerste deel van “Koning Hendrik de Vierde” werd in 1598 uitgegeven, zonder den naam des dichters; in 1599 op nieuw, met meer drukfouten, maar met de leugenachtige bijvoeging op den titel “op nieuw gecorrigeerd door William Shakespeare”. Nog drie andere afzonderlijke uitgaven, in quarto, 1604, 1608, 1615 gingen aan die in folio, 1623, vooraf, en leggen getuigenis af voor de populariteit van dit stuk.

I. 1. 40. Glendower. De naam is tweelettergrepig uit te spreken, Glendaur, en de klemtoon op de laatste lettergreep te leggen.

I. 1. 70. Mordake, de graaf van Fife en oudste zoon Van de’ overwonnen Douglas. Hier heeft Shakespeare zich vergist; Mordake, graaf van Fife, was de zoon van den Hertog van Albanië, regent van Schotland. De vergissing ontstond door een drukfout in Sh.’s bron, Holinshed’s kroniek. Als gevangenen worden daar opgenoemd: Mordake earl of Fife, son to the Governor Archembald Earl Douglas. Tusschen Governor en Archembald moest een komma staan. Hierdoor viel ook de vermelding van Douglas als gevangene weg.

I. 1. 95. Slechts Mordake, graaf van Fife. Naar toenmalig krijgsrecht bleef een krijgsgevangene ter beschikking van wie hem gevangennam, als het losgeld niet hooger was dan tienduizend kronen. Voor Mordake was dit wel het geval.

I. 2. 16. Den dolenden ridder fijn. Een toespeling op den schoonen dolenden Ridder van de zon, dien Falstaff hier schertsenderwijs met den zonnegod vereenzelvigt. Zijn avonturen werden in 1585 in Engeland uitgegeven. Ook in den Don Quichote is van dezen Ridder van de zon sprake.

I. 2. 22. Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde. In het oorspronkelijke is hier een woordspeling met het woord grace, dat behalve genade ook het gebed aan tafel beteekent. Er staat: Gij hebt geen grace genoeg, om er een proloog van te maken bij een boterham met een eitje.

I. 2. 48. Is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleeren wambuis? De gerechtsdienaars droegen zulk een leeren buis. In ’t Engelsch staat robe of durance. Durance beteekent zoowel duurzaamheid en een duurzame stof, als opsluiting en gevangenis.—Een oogenblik later wordt Falstaff’s what a plague door den Prins verzacht tot what a pox; wat pest, en wat pokken; hier “voor den duivel” en “wat weêrga.”

I. 2. 80. Als mijn getrouw aanhanger. In het Engelsch: For the obtaining of suits? Dit kan beteekenen: “om een bede gedaan te krijgen”, maar ook: “om kleederen te verkrijgen”, en in den laatsten zin vat Falstaff de vraag op, daar de beul de kleederen der terechtgestelden kreeg en dus in een drukken tijd, zooals na een opstand volgde, een welgevulde kleerkas kon bekomen.

I. 2. 85. Of als de baspijp van een Lincolner doedelzak. Uit Lincolnshire kwamen veel rondtrekkende doedelzakblazers, die bij volksvermakelijkheden dienst deden. Bij het vervolg zij opgemerkt, dat de haas in Sh.’s tijd voor een melancholiek dier doorging; en verder, dat de stadsgracht van de oude stad, de city van Londen, in zijn tijd nog bestond, en dat het gedeelte tusschen Bishopsgate en Cripplegate, Moorditch geheeten, niet alleen stinkend, modderig en zwart was, maar bovendien door een ongezond moeras omzoomd werd.

I. 2. 101. Gij hebt vloekwaardige aanhalingen. Een aanhaling, als Prins Hendrik juist uit de spreuken van Salomo deed, werd door de strenge protestanten zondig gerekend en was ook door een statuut van K. Jacobus I verboden. Daarom is dan ook het citaat in de folio-uitgave van 1623 verminkt, zoodat daar Falstaff’s antwoord zinledig wordt.

I. 2. 125. Sir John Sek-met-suiker. In de 16de en 17de eeuw werd de wijn dikwijls met suiker verzoet. Sek is Malaga- of Xereswijn (Sherry), vino secco, vin sec.

I. 2. 139. Naar Gadshill. Een streek aan [514]den weg van Londen naar Kent, die inderdaad berucht was wegens de straatrooverijen, die er plaats grepen.—Gadshill is ook de naam van een der straatroovers, die Falstaff vergezellen.—Eastcheap is een straat in Londen, waar de herberg “het Zwijnshoofd” inderdaad bestond. Zij was reeds tijdens Koning Richard II bekend en werd door den grooten brand van Londen vernield; de daarna gebouwde moest voor de oude London-bridge wijken.—In deze straat bezat Prins Hendrik een huis.

I. 2. 156. Gij zijt ook niet van koninklijken bloede enz. In het Engelsch: thou camest not of blood royal, if thou darest not stand for ten shillings. Royal is “koninklijk”, maar ook een goudstuk van tien schellingen waarde.

I. 3. 80. Dien verdwaasden Mortimer. Shakespeare volgt Holinshed, en deze verwart steeds Sir Edmund Mortimer, den jongeren broeder van den in Ierland opgekomen Roger, graaf van March, met den zoon van den laatste, ook Edmund geheeten (zie de geslachtslijst). De lijn der Mortimers stamde van den derden zoon van Edward III af en had dus een nader recht op den troon dan Hendrik IV, wiens vader, Jan van Gent, de vierde zoon was. De jonge graaf Edmund van March, in dezen tijd pas tien jaar oud, wien de kroon eigenlijk toekwam, werd door Hendrik IV te Windsor opgevoed, met andere woorden, bewaakt en gevangengehouden; hij werd eerst door Hendrik V vrijgelaten, doch stierf kort daarna. De hier bedoelde Sir Edmund Mortimer, de oom van den knaap en broeder van Lady Percy, werd de schoonzoon van Owen Glendower.—Niet alleen Holinshed, maar ook andere geschiedschrijvers hebben de twee Edmunds verward en vereenzelvigd.

I. 3. 87. Met wat immer dreigde, En nu zichzelf ten val bracht, ons verdragen. In het oorspronkelijke staat: And indent with fears, when they have lost and forfeited themselves. Dat fear iets kan beteekenen, dat schrik aanjaagt, dat dreigt, een voorwerp van vrees, is niet te ontkennen en wordt door verscheiden plaatsen uit Sh. bewezen; men zie o. a. Hamlet III, 3, 25, Romeo en Julia IV, 2, 50, II Hendrik V. 5, 196. Het komt mij dus geheel onnoodig voor, fears in peers, feres, foes, of fools te veranderen.

I. 3. 156. Edmund Mortimer. Niet Edmund, maar Roger was door Richard II als erfgenaam des troons erkend.

I. 3. 208. Maar dit halfslachtig bondgenootschap, weg! In ’t Engelsch staat half-faced, een half gezicht vertoonend. Percy wil in zijn opgewondenheid elk gevaar alleen tarten, en luistert nog niet naar zijn oom Worcester, die het plan slechts even aangeduid en dadelijk op het gevaar gewezen heeft. Van angstige helpers of bondgenooten wil Heetspoor niets weten. Eerst later, als hij bespeurt, dat er van een grootschen opstand sprake is, heeft hij er ooren naar, en dan terstond.—Van Heetspoor zij hier nog aangeteekend, dat hij zijn bijnaam van de Schotten ontving, met wie hij schier altijd in twist was. Hij was bij den slag te Holmedon 35 jaar oud en dus vrij wat ouder dan Shakespeare hem schetst, veel ouder dan Hendrik Monmouth.

I. 3. 254. Mijn waarde! Wierd hij een schim, die waarde. In ’t Engelsch vindt men een andere woordspeling: Kind cousin, O the devil take such cozeners! (bedriegers).

I. 3. 261. Douglas’ zoon. Dit is niet juist, ten gevolge van de drukfout in Holinshed; zie boven de aant. op I. 1. 70.

I. 3. 271. Zijns broeders dood in Bristol. De broeder van den aartsbisschop was Lord Scroop, graaf van Wiltshire, aan wien Richard II de rijksinkomsten verpachtte, en die door Bolingbroke te Bristol terechtgesteld werd.

II. 1. 11. Wurmen. In ’t Engelsch the bots, eigenlijk de horzelmaskers of horzellarven, die in de maag van het paard gevonden worden. Een Nederlandsche volksnaam er van is mij niet bekend, het algemeene woord wurmen moge dienen. Trouwens de voerman heeft het glad mis, als hij meent, dat de horzelmaskers door vochtig voer in de maag komen.

II. 1. 24. Sinds de haver opsloeg. In 1596 was het graan zeer duur door misgewas.

II. 1. 27. Charingcross. Toen nog geen deel van Londen, maar een plaats op weg van Londen naar Westminster, dat toen nog een afzonderlijke stad was.

II. 1. 40. Bedaard wat! De karrelieden vertrouwen blijkbaar Gadshill niet, en schepen hem af.

II. 1. 77. Trojanen. Trojaan, oorspronkelijk een held, had de beteekenis van vechtersbaas, zwerver, schooier gekregen; evenzoo werd Sint-Nikolaas, oorspronkelijk de patroon van reizende scholieren, later beschermer van landloopers en struikroovers.

II. 1. 89. Zij roepen het niet aan, maar houden het aan. In ’t Engelsch: not pray to her, but prey on her. Daarop volgt weder een woordspeling met boots, dat buit en laarzen beteekent, en dan met liquored, dat smeren (van laarzen) en dronken maken beteekenen kan. Varenzaad, waarvan daarna gesproken wordt, is nagenoeg onzichtbaar en wordt als middel vermeld, waarmee iemand, die het bij zich draagt, zich onzichtbaar kon maken. Maar het moet alsdan op St.-Jans-avond en op het uur van de geboorte des heiligen ingezameld zijn.

II. 1. 104. Homo is een algemeene naam van alle menschen. Gadshill wil zeggen: “Die onderscheiding niet, van eerlijke menschen en spitsboeven; iedereen is een mensch; ik ben niet [515]anders dan een ander”. De zinsnede is een aanhaling uit een kleine Latijnsche spraakkunst, The Accedence, toen ter tijd, sedert 1493, algemeen in gebruik.

II. 2. 43. Dat ze straatliedjes maken op jullie allen. Moord- en rooversgeschiedenissen maakten den hoofdinhoud van straatdeuntjes uit.

II. 2. 70. Zijn magerheid, Jan van Gent. In ’t Engelsch staat alleen John of Gaunt, daar gaunt mager beteekent.

II. 3. 1. Doch wat mijzelf betreft. De brief is van een Schotschen edele, door Heetspoor tot meêdoen aan den opstand aangezocht.

II. 3. 22. Mylord van York. De Aartsbisschop.

II. 3. 38. Hoe gaat het, vrouw? Het Engelsch heeft Kate. Eigenlijk heette zij Elizabeth (bij Holinshed verkeerd Eleanor); zij was een Mortimer, zie de Geslachtslijst.

II. 3. 56. Veldslangen, gotelingen en kanonnen. In ’t Engelsch staat: of basilisks, of cannon, culverin. Het zijn oude namen van geschut: de basilisk woog 9000 pond en schoot een kogel van 60 pond, het cannon woog 7000 pond, de culverin woog 4000 pond en schoot een kogel van 18 pond.

II. 3. 74. Espérance! Heetspoor zit in gedachte alreeds te paard en laat zijn wapenmotto en strijdkreet hooren.

II. 3. 96. Neen, koppen klieven, kronen Inkerven en toch in betaling nemen Voor schuld, dat is ons spel. In ’t Engelsch: We must have bloodnoses and cracked crowns And pass them current too. In ’t Engelsch een woordspeling: cracked crowns zijn stukgeslagen schedels en ingekorven kronen (munten), die nu tegen den regel toch gangbaar moeten blijven. De vertaling kon hier niet getrouw blijven.

II. 4. 13. Corinthiër. Iemand, die veel geld verteert, losbandig leeft. Corinthe was bij de Ouden bekend als weelderige en zedelooze stad. In Sh.’s tijd werden de tooneelstoffen dikwijls aan de Oudheid ontleend, zoodat uitdrukkingen en namen als Trojaan, Corinthiër, Ephesiër, Hector, Ajax enz. aan het publiek zeer bekend waren en dikwijls gebruikt werden.

II. 4. 25. Dit stuiverszakske suiker. In de wijnhuizen kregen de gasten bij den wijn een zakje suiker. Men mag er uit vermoeden, dat òf de wijn òf die hem dronk vaak niet al te best van smaak was.

II. 4. 30. Voor de Halvemaanskamer. In de herbergen hadden de kamers elk haar naam en versiering; men sprak dus van de Halvemaanskamer, of korter van de Halvemaan, de Granaatappel, de Dolfijn enz.

II. 4. 55. Ik zou op alle boeken in Engeland durven zweren. In Engeland wordt een eed afgelegd op den bijbel, of op “het boek”, zooals de uitdrukking is.

II. 4. 77. Hem met leêren wambuis. De hier beschreven dracht is die van een eerzamen Londenschen burger. Wil men niet aannemen, dat de Prins hier eenvoudig onzin praat om Frans te overbluffen, dan kan men aannemen, dat hij den waard van het wijnhuis beschrijft, aan wien Frans dat zakje suiker zal ontstolen hebben.

II. 4. 124. Rivo. Een algemeen gebruikelijke uitroep bij het drinken, waarschijnlijk uit Spanje gekomen, zoodat men ook het woord Castiliano er bij vindt. Beteekenis onbekend.

II. 4. 136. Daar is nu ook kalk in deze sek. Er werd kalk gedaan in de Spaansche wijnen om ze duurzamer te maken; bij Sh.’s tijdgenooten vindt men meermalen klachten over deze bijmenging.

II. 4. 145. Ik wenschte, dat ik een wever was. De wevers stonden in dien tijd in den reuk van vroomheid; velen van hen waren Calvinistische vluchtelingen uit de Nederlanden en zongen psalmen bij hun werk.

II. 4. 151. Met een houten zwaard. In de Oud-Engelsche spelen trad als comische persoon de Ondeugd, Vice, dikwijls op; hij was met een houten zwaard gewapend.

II. 4. 187. Ecce signum. “Zie het teeken”; een aanhaling uit de Latijnsche kerktaal.

II. 4. 238. Toen ik er op had losgeveterd. In het Engelsch staat het woord points, dat Falstaff in de beteekenis van degenspits, Poins in die van nestel voor het ophouden der broek opvat.

II. 4. 262. Aan de wipgalg. In ’t Engelsch: at the strappado. Bij deze pijniging trok men het slachtoffer met een koord, dat over een katrol liep, omhoog, liet het tot halfweg vallen en hield het dan op met een ruk, zoodat de schouders ontwricht werden.

II. 4. 320. Dan is het een koninklijk maal. Dat op de tafel der koningin behoort gedragen te worden. In het Engelsch leest men, dat vrouw Haastig zegt: “er staat een nobleman voor de deur, die van uw vader komt”; de Prins antwoordt: “Voeg er zooveel bij, dat hij een royal man wordt en stuur hem naar mijn moeder.” Een noble en royal waren beide gouden munten, de eerste 6 schellingen en 8 stuivers, de tweede 10 schellingen waard.

II. 4. 351. Ziet gij die vuurvlammen? Bardolf wijst op zijn rood drinkebroêrs-gezicht.—Een oogenblik later spreekt Bardolf van choler, toorn, wat de Prins als collar, halsband, opvat, waarom hij zegt, dat het een halter, een strop, moest zijn; ook if rightly taken, “naar eisch opgevat” of “gevat”, is dubbelzinnig.

II. 4. 370. Hij uit Wales. Owen Glendower ging voor een toovenaar door, die macht had op booze geesten. Een Wallisische hellebaard, iets [516]lager, heet in ’t Engelsch a Welsh hook, naar de sikkelvormig gekromde spits.

II. 4. 391. Een duizend blauwmutsen. Schotten.

II. 4. 420. Uw kostelijke, rijke kroon. In het Engelsch beteekent crown zoowel kroon als kruin.

II. 4. 425. Op de manier van koning Cambyses. De tragedie van “Cambyses, koning van Perzië”, is van Thomas Preston en was in gezwollen stijl geschreven; zij werd uitgegeven in 1570 en herdrukt in 1585. De titel is: A lamentable tragedie mixed full of pleasant mirth containing the life of Cambyses, king of Persia. In dit stuk zegt b.v. de koningin: “These words to hear makes stilling tears issue from christal eyes; men vindt er ook een tooneelaanwijzing in: At this tale told let the queen weep. Dat de toespeling voor de schouwburgbezoekers, die K. Hendrik IV zagen spelen, duidelijk was, valt niet te betwijfelen.—In zijn toespraak tot den Prins spot Falstaff, van de kamille gewagende, met den stijl van den gevierden Lyly, die in zijn boek Euphues zegt: “Though the camomile, the more it is trodden and pressed down, the more it spreadeth; yet the violet, the oftener it is touched and handled, the sooner it withereth and decayeth.—Zoo vindt men lager van pik gesproken en in Lyly’s Euphues staat: He that toucheth pitch shall be defiled therewith.—De naam Spraakwater is in het Engelsch Ticklebrain, de naam van een likeur.

II. 4. 498. Dien gebraden kermis-os. In ’t Engelsch staat: Dien gebraden Manningtree-ox. Manningtree was een plaats in het weide- en veerijke graafschap Essex, waar op de jaarmarkt steeds een geheele os met de ingewanden in ’t lijf werd gebraden. Bij die gelegenheid werden er dan ook volksschouwspelen, zoogenaamde Moraliteiten, gegeven, waarin doorgaans de allegorische personen Ondeugd, Goddeloosheid of Verdorvenheid, en IJdelheid, Vice, Iniquity en Vanity, optraden. Van daar dat de Prins Falstaff eerst met den os en dan met die allegorische personen vergelijkt.

II. 4. 544. Uw gevolg wijs ik af. In ’t Engelsch staat: “Ik ontken uw major”. Major is de hoofdstelling van een syllogisme; het woord is gebezigd om tusschen major of mayor en het volgende sheriff een tegenstelling te zoeken.

II. 4. 549. Verberg u achter het wandtapijt. De tapijten werden wel is waar niet zelden aan haken tegen den muur, maar dikwijls ook op eenigen afstand er van opgehangen, zoodat men er zich zeer wel achter kon verbergen.

III. 1. 68. Wat! ongeschoeid! In ’t oorspronkelijke zegt Glendower, dat de koning bootless, “onverrichter zake” moest terugtrekken. Heetspoor vat bootless op als “zonder laarzen.” Glendower was inderdaad een zeer te duchten vijand van Bolingbroke. Hij had lang aan het hof vertoefd en was iemand van veel kennis en bekwaamheid. Bij gelegenheid van een twist met lord Grey van Ruthyn verongelijkt, naar het schijnt, door het parlement, vatte hij tegen den koning de wapens op, maar ongetwijfeld lag aan zijn streven de zucht naar de onafhankelijkheid van Wales ten grondslag. Hij was bijzonder gelukkig in zijn guerilla-oorlog tegen Bolingbroke, en als hij beweert, dat hij dezen driemaal terug had geslagen, III. 1. 65., is dit geen onware zelfverheffing. Zijn soms plotseling verdwijnen, als de koning hem vervolgde, zijn plotselinge overvallen, als deze hem verre waande, dit alles voedde het geloof aan zijn toovermacht. Dit, en zijn vurige en dichterlijke aard maakten hem een des te geduchter tegenstander. Al wat Walliser was stroomde naar zijn vanen toe. Waarschijnlijk was het hem onmogelijk, zijn macht tijdig met die van Heetspoor te vereenigen; ware hem dit gelukt, dan zou de dag van Shrewsbury voor koning Hendriks macht wellicht zeer noodlottig geweest zijn.

III. 1. 149. Door wat hij mij vertelt Van mier en mol. Dit heeft alles betrekking op oude Wallische overleveringen, die algemeen, en waarschijnlijk ook door Glendower, geloofd werden.—Volgens Holinshed werd het verdrag tusschen Mortimer, Heetspoor en Glendower gesloten in het geloof aan een profetie, volgens welke zij drieën koning Hendrik voor den mol hielden, die door Gods mond vervloekt was, en zichzelve voor den draak, den leeuw en den wolf, die het rijk zouden verdeelen.

III. 1. 214. Het weeld’rig bies. De biezen, waarmee de vloer bedekt was, die aan Mortimer tot weelderige rustplaats zonden strekken.

III. 1. 256. En geeft zoo taffen eedwaarborg, als waart gij Nooit verder weg geweest dan Finsbury. Heetspoor kan die makke betuigingen niet lijden, zooals welgestelde burgervrouwtjes, die, het gewaad met fluweel omboord, haar zondagswandeling naar Finsbury richtten, gaarne gebruiken. Zijn vrouw moest ze aan de vrouwen van zijdehandelaars,—vandaar taffen eedwaarborg,—en peperkoekverkoopers overlaten.—Finsbury lag toen nog buiten de poorten van Londen en was een gewoon doel van de op Zondag wandelende burgers.

III. 1. 264. ’t Is de naaste weg tot het snijder-worden. Dat de snijders bij hun stillen arbeid meer dan andere handwerkslieden zingen, wordt ook bij andere schrijvers uit Sh.’s tijd vermeld.—Heetspoor let niet op de weigering van zijn vrouw, maar gaat voort: “Wie zingt, is op weg om snijder te worden of roodborstjes te leeren zingen.” [517]

III. 2. 164. Lord Mortimer van Schotland zond bericht. Shakespeare verwart hier twee familiën: de Schotsche Lords March en de Engelsche Graven van March. De eersten hadden tot familienaam Dunbar, de tweeden Mortimer. Er is hier sprake van George Dunbar, lord March, een aanhanger van den Engelschen koning.

III. 3. 5. Goudpippeling. Falstaff noemt zich, met een zinspeling op zijn naam, een apple-John, een appel, die lang goed blijft, maar rimpelig wordt.

III. 3. 82. Hollandsch linnen van acht schellingen de el. Men behoeft niet te denken, dat vrouw Haastig een ongehoord hoogen prijs noemt. In dien tijd van handarbeid was linnen duur; men vindt vermeld, dat het minste hemd een kroon (5 schellingen) kostte, en dat er ook waren van tien pond sterling.

III. 3. 129. Juffer Marianne van den moorendans. De zoogenaamde moorendansen of Meidansen waren pantomimische vertooningen, die op 1 Mei en op Pinksteren op straat plaats hadden, en waarin de beroemde Engelsche balladenheld, Robin Hood, en zijn metgezellen, alsook “Juffer Marianne”, zijn geliefde, optraden. Al die personen werden door mannen voorgesteld en “Juffer Marianne” was dus bijzonder weinig geschikt om de vrouw te worden van een eerbaren stedelijken beambte.—Gestoofde pruimen, waarvan hier gesproken wordt, waren een gerecht, waar oude zondaars meermalen hun toevlucht toe namen, in de hoop van er hunne vroegere kracht door te herkrijgen, een hoop, die maar al te dikwijls ijdel bleek te zijn.

III. 3. 230. Dit wijnhuis voor mijn trom. Natuurlijk omdat, als daar de werving, uitmonstering en verzameling plaats had, Falstaff in zijn wijnhuis of hoofdkwartier des te langer vertoeven kon.

IV. 1. 12. Wien ik niet staan wil. Douglas heeft blijkbaar nog niet uitgesproken; hij wil nog iets zeggen, dat een compliment is voor Heetspoor, b.v. “nu ik met u zal strijden” of “nu de lof van een man als gij mij aanspoort,” maar Heetspoor valt hem in de rede.

IV. 2. 6. Engel. Gouden munt, ter waarde van 10 schellingen; vergelijk De Koopman van Venetië II. 7. 57.

IV. 4. 1. Breng vliegensvlug Aan den lord-maarschalk dit verzegeld stuk. Dit tooneel bereidt voor op het tweede gedeelte van den burgeroorlog, dat in het volgende deel van K. Hendrik IV geschilderd wordt. De lord-maarschalk is Thomas lord Mowbray, de zoon van Hertog Norfolk, Bolingbroke’s ouden vijand, zie K. Richard II. 1. 1.—De neef Scroop is de zoon van den Graaf van Wiltshire. Beiden dus geboren vijanden van Hendrik IV.

V. 1. 34. Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken. Zie K. Richard de Tweede, II. 3. 27.

V. 1. 43. De eer is niets dan een wapenschild. Dat bij de begrafenis van een edelman mede rondgedragen wordt, zonder dat de doode er iets aan heeft.—Falstaff noemt, wat hij gezegd heeft, een catechismus, omdat hij in vragen en antwoorden zijn geloofsbelijdenis heeft afgelegd.

V. 3. 22. Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat. Waar uwe ziel ook heenga, naar den hemel of naar de hel, overal blijke zij de ziel van een nar.

V. 3. 46. De Turk Gregorius. De Turk is de Sultan der Turken, die in Engelsche spectakelstukken meermalen optrad en dan, zooals men denken kan, vrij wat hoofden afsloeg. Waarom hij hier Gregorius genoemd wordt, is niet te zeggen; het kan zijn, dat in een der genoemde stukken een Turksche keizer van dien naam voorkwam. Het kan ook wezen, dat Falstaff uit scherts aan den aartsvijand der christelijke kerk een kanonieken naam, en wel van den geduchten paus Gregorius VII, toekent.

V. 3. 55. Goed om sektenmakers ten onder te brengen. In ’t Engelsch; there’s that will sack a city. Een woordspeling met sack, den wijn, en sack, plunderen.

V. 4. 107. Gij zijt gewis het zwaarste wild van allen. In ’t Engelsch is een woordspeling met deer, wild, en dear, dierbaar: Death hath not struck so fat a deer to-day, Though many dearer.Die woedende dolkop van een Schot, een paar regels verder, is in ’t Engelsch aangeduid door that hot termagant Scot. “Termagant” is de naam van een dolkop en woesteling in oude Engelsche tooneelspelen, naar men beweert, ontleend aan een Saraceensche godheid.

V. 5. 40. Om met Glendower en Mortimer te kampen. In ’t Engelsch wordt Mortimer genoemd bij den titel Graaf van March, welke hem, zooals boven gezegd is, niet toekwam. [518]

KONING HENDRIK DE VIERDE.

TWEEDE DEEL.

Het tooneel is in Engeland.

[Inhoud]

PROLOOG.

Warkworth. Voor het kasteel van Northumberland.

Het Gerucht komt op, geheel met tongen beschilderd.

Gerucht.

Ontsluit uw ooren; want wie uwer stopt

Des hoorens poort, zoo ’t luid Geruchte spreekt?

Van ’t oosten tot het nederzijgend west

Onthul ik, rijdend op den wind als renner,

De daden, op deez’ aardbol aangevangen.

Voortdurend zweeft er laster op mijn tongen,

En dien verkondig ik in elke taal,

Der menschen oor met valsche tijding vullend.

Van vrede spreek ik, als verholen haat,

Schijngoedig lachend, diep de wereld wondt;

En wie, dan het Gerucht, dan ik alleen,[519]

Brengt benden saâm en schrikk’lijk wapentuig,

Wijl ’t jaar, hoog opgezet door ander leed,

Heet groot te gaan bij den aartswoestling Krijg,

Schoon ’t niet zoo zij? Een fluit is het Gerucht,

Waar gissing, argwaan, ijverzucht op blaast,

Met kleppen, zoo gemakk’lijk voor den greep,

Dat zelfs het stomp, ontelbaar-hoofdig monster,

De wisselzieke, steeds verdeelde menigt’ 19

Er op kan spelen. Doch waartoe dient dit,

Dat ik mijn wezen, elk bekend, ontleed,

Voor mijn gezin hier? Wat doet hier ’t Gerucht?

Ik loop hier koning Hendriks zege voor,

Die op het bloedig veld bij Shrewsbury

Den jongen Heetspoor en zijn macht versloeg,

En in der oproerlingen bloed de vlam

Des koenen opstands doofde. Doch wat dwaasheid,

Dat ik met waarheid aanvang? ’t Is mijn taak,

Als nieuws te melden, dat prins Hendrik Monmouth

Voor ’t grimmig zwaard van de’ eedlen Heetspoor viel, 30

En dat de koning zelf voor Douglas’ woede

’t Gezalfde hoofd ten doode heeft geneigd.

Dit heb ik uitgestrooid in stad en vlek

Van ’t vorsten-kampperk af te Shrewsbury

Tot dit verweerde, halfvervallen slot,

Waar Heetspoors vader, graaf Northumberland,

Sluw krank ligt. Moede boden komen aan,

Doch geen brengt ander nieuws dan ik hun leerde,

Elk zoeten schijntroost, komende uit mijn mond,

Veel erger dan een waar bericht, dat wondt.

(Het Gerucht af.)

[Inhoud]

EERSTE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Warkworth. Voor het kasteel van Northumberland.

Lord Bardolf komt op.

Lord Bardolf.

Wie heeft de wacht hier? hei!

(De Portier opent de poort.)

Wie heeft de wacht hier? hei! Waar is de graaf?

Portier.

Wien heb ik aan te melden?

Lord Bardolf.

Wien heb ik aan te melden? Zeg den graaf,

Dat hier lord Bardolf staat en op hem wacht.

Portier.

Zijn lordschap doet een wand’ling in den tuin;

Gelief, heer, aan den ingang daar te kloppen,

Dan opent hij u zelf.

(Northumberland komt op.)

Lord Bardolf.

Dan opent hij u zelf. Daar komt de graaf.

Northumberland.

Wat nieuws, lord Bardolf, brengt ge? Thans moet elke

Minuut de moeder van een krijgsdaad zijn.

De tijd is woest, de tweedracht als een paard,

Verhit door weeldrig voêr; zij rukt zich los,

En rent nu alles neder. 11

Lord Bardolf.

En rent nu alles neder. 11 Eed’le graaf,

Ik breng u zeker nieuws van Shrewsbury.

Northumberland.

Als God wil, goed.

Lord Bardolf.

Zoo goed het hart kan wenschen.

De koning is schier tot den dood gewond,

En, door het goed geluk uws zoons, Prins Hendrik

Op ’t slagveld zelf gedood, de beide Blunts

Door Douglas’ hand verslagen; voorts: Prins John

En Westmoreland en Stafford zijn gevloden;

Prins Hendriks spekbuik, ’t loggerschip Sir John,

Gevang’ne van uw zoon. O, zulk een dag,

Zoo schoon bevochten, doorgezet, gewonnen,

Heeft nooit, sinds Caesars glorievollen tijd,

Een eeuw vereeuwigd. 23

Northumberland.

Doch hoe weet gij ’t? komt gij

Van Shrewsbury? hebt gij den strijd aanschouwd?

Lord Bardolf.

Ik sprak, mylord, een ooggetuige, een man

Van stand en goeden naam; hij kwam van daar,

En stond volkomen voor de waarheid in.

Northumberland.

Daar komt mijn dienaar Travers, dien ik Dinsdag

Heb uitgezonden om mij nieuws te brengen.

Lord Bardolf.

Mylord, ik reed hem onderweg voorbij;

Geen andre zekerheid verschaft hij u,

Dan die hij mij misschien kan navertellen.

(Travers komt op.)

Northumberland.

Nu, Travers, welk een goed bericht brengt gij?

Travers.

Mylord, Sir John Umfrevile deed mij keeren

Met blijde tijding, en reed door, veel beter

Dan ik bereden. Weldra kwam mij spoorslags

Een heer op zij, schier uitgeput van ’t jagen,[520]

En liet zijn bloedig ros op adem komen.

Hij vroeg den weg naar Chester, en ik vorschte

Bij hem, wat nieuws er was van Shrewsbury.

Hij zeide: de opstand had daar geen geluk,

Des jongen Hendrik Percy’s spoor was koud.

Toen vierde hij zijn edel ros den teugel,

En stiet, vooroverbuigend, ’t arme dier

De scherpe hielen in het hijgend lijf

Tot aan den spoorknop; ijlings vloog hij heen,

En scheen den weg al rennend te verslinden,

Geen verder vragen wachtend.

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel.

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel.

Northumberland.

Geen verder vragen wachtend. Wat!—Nog eens!

Des jongen Hendrik Percy’s spoor was koud?

Werd Heetspoor Koudspoor? en het oproer had

Daar geen geluk?

Lord Bardolf.

Daar geen geluk? Mylord, laat mij u zeggen,

Heeft niet de dag zich voor uw zoon verklaard,

Voorwaar, dan geef ik voor een gouden nestel

Mijn baronie en al; geen woord er van!

Northumberland.

Doch waarom zou die heer, dien Travers sprak,

Zoo bondig dan een neêrlaag melden?

Lord Bardolf.

Zoo bondig dan een neêrlaag melden? Hij?

Een schooier was hij wis, en had het paard,

Waarop hij reed, gestolen;—bij mijn ziel,

Hij sprak slechts wat hem inviel.—Zie, meer tijding! 59

(Morton komt op.)

Northumberland.

Ja, ’t voorhoofd van dien man spelt, als de titel

Eens treurzangs, reeds den aard van zijn bericht.

Zoo is het strand, waarop de onstuim’ge zee

De sporen van haar inbraak achterliet.—

Spreek, Morton, spreek, komt gij van Shrewsbury?

Morton.

Ik rende weg van Shrewsbury, mylord;

Daar deed de dood haar gruwlijkst mom, tot schrik

Der onzen, voor.

Northumberland.

Spreek, leeft mijn zoon, mijn broeder?—

Gij siddert, en de bleekheid uwer wang

Meldt beter uwe boodschap dan uw mond.

Juist zulk een man, zoo mat, zoo moedeloos,

Zoo strak, zoo doodsch van blik, zoo diep geknakt,

Schoof Priamus’ gordijn in ’t holst der nacht

Ter zijde, als bode, dat half Troje brandde;

Eer dan hij ’t woord, vond Priamus de vlam;

Zoo ik mijn Percy’s dood, eer gij dien meldt.

Gij wildet zeggen:—dit, dit deed uw zoon,

Uw broeder dit, en zoo streed de eed’le Douglas,

Om met hun roem mijn gretig oor te vullen;

Maar in het eind, ja, stopt gij ’t dan voor goed,

En slaakt ge een zucht, die al dien lof verwaait;

Uw slot is: broeder, zoon en allen dood.

Morton.

Uw broeder leeft, alsnog, en Douglas ook;

Maar van mylord uw zoon—

Northumberland.

Maar van mylord uw zoon— Ja, die is dood.—

Zie, wat is kwaad vermoeden vlug van tong!

Hij, die iets ducht, wat hij niet weten wil,

Weet bij instinct, uit andrer blikken reeds,

Dat waar is, wat hij ducht. Toch Morton, spreek:

Zeg aan uw graaf, dat zijn voorspelling liegt;

Recht welkom zal mij die beschimping zijn,

En ’k maak u rijk, zoo gij aldus mij smaadt.

Morton.

Gij zijt te groot, dan dat ik mag weerspreken;

Uw geest spelt al te waar, uw vrees te juist.

Northumberland.

Dit zij zoo; zeg toch niet, dat Percy dood is.—

Ik lees een vreemde erkent’nis in uw oog;

Gij schudt het hoofd en acht het zonde of schrikk’lijk,

Waarheid te spreken. Is hij dood, zoo zeg het;

Die tong misdoet niet, die zijn dood bericht;

Hij zondigt, die van dooden leugens spreekt,

Niet hij, die van een doode zegt: hij leeft niet;

Toch, de eerste brenger van onwelkom nieuws

Heeft een ondankb’ren post, en later klinkt

Zijn tong steeds als een doffe klank en doet

Ons de uitvaart eens verscheiden vriends herdenken.

Lord Bardolf.

’k Sla geen geloof, heer, aan den dood uws zoons. 104

Morton.

Het smart mij, dat ik u moet doen gelooven,

Wat God gaav’, dat ik nooit had moeten zien;

Maar ’k zag het met deze oogen, hoe hij bloedend,

Mat, ademloos, slechts zwakken wederstand

Aan Hendrik Monmouth bood, wiens rassche gramschap

Den nooit versaagden Percy sloeg ter aard,

Van waar hij nimmer levend op zou rijzen.

Genoeg, de dood van hem, wiens geest en moed

Den laagsten knecht in ’t leger vuur verleende,

Ontnam, eens ruchtbaar, allen gloed en vuur,

Zelfs aan des legers bestgestaalden moed;

Want zijn metaal verstaalde zijn partij,

En toen dat meegaf, keerden al die andren

Weer tot hun aard, tot zwaar en vadzig lood.

Gelijk elk ding, dat zwaar is uit zijn aard,

Door felle kracht gedreven, ’t snelste vliegt,

Zoo leende ons volk, bezwaard door Heetspoors val,

Aan dien last door hun vrees zoo snelle vaart,

Dat nooit een pijl zoo snel naar ’t doelwit vloog,

Als de onzen, met hun veiligheid tot doel,

Van ’t slagveld vloden. Toen werd de eed’le Worcester

Welras gevangen, en de wilde Schot,

Douglas, de man des bloeds, wiens ijv’rend zwaard

Driemaal des konings evenbeeld versloeg,[521]

Versaagde en leende een glimp van eer aan hen,

Die schand’lijk vloden; onder ’t vluchten struik’lend

Door haastige angst, werd hij gevat. Kortom,

De koning heeft de zege, en zond reeds, heer,

Een vliegend leger, om u aan te grijpen;

’t Bevel is aan den jongen Lancaster

En Westmoreland vertrouwd. Nu weet gij alles.

Northumberland.

’k Zal lang genoeg hierover kunnen treuren.

In gift schuilt artsenijkracht; en dit nieuws,

Dat, ware ik wel, mij krank gemaakt zou hebben,

Maakt, nu ik krank ben, bijna mij gezond;

Gelijk in koorts de lijder, wiens gewrichten

Als slappe hengsels knikken onder ’t lijf,

Wild door den aanval, aan der wakers handen

Zich als een vuur ontwringt, zoo zijn mijn leden,

Door smart verzwakt, maar nu, door smart versterkt,

Driemaal zichzelf. Dus weg, gij week’lingskruk!

Een schubbehandschoen dekk’ met staalgewrichten

Nu deze hand! En weg, gij ziekenhoofddoek!

Gij zijt een schuts, te weeldrig voor het hoofd,

Waar vorsten, dronken van hun zege, op doelen!

Brengt ijzer voor mijn slapen, en dan nake

’t Ruwst uur, dat tijd en haat mij brengen durft,

En dreig’ den woedenden Northumberland!

Kus, hemel, de aard, en gij, natuur, laat vrij

De wildste stroomen los! Gij, orde, sterf;

Niet langer zij de wereld een tooneel, 155

Dat burgerkrijg vertoont met slepend leven;

Neen, heersche één geest des eerstgeboren Kaïns

In aller borst, opdat, als ieder hart

Zijn bloedpad volgt, de schrikvertooning eindig’,

En duisternis de dooden dan begraav’!

Travers.

Die heftigheid doet u geen goed, mylord.

Lord Bardolf.

Uw eer breek’ niet met wijsheid, eed’le graaf.

Morton.

Het leven van uw trouwe vrienden hangt

Gansch van uw welzijn af; dit moet bezwijken,

Wanneer gij toegeeft aan den storm der smart.

Gij hebt het krijgsgeluk gewogen, heer,

De kansen nagegaan, aleer gij spraakt:

“Nu stand gehouden!” Gij voorzaagt en wist:

Uw zoon kon vallen in het strijdgewoel; zijn pad,

Een smalle kant was ’t over doodsgevaren,

Waar elk eer in stort dan er over komt;

Gij hebt geweten, dat voor stoot en houw

Zijn vleesch ontvanklijk was, en dat zijn strijdlust

Hem midden in het felst gevaar zou drijven;—

Toch zeidet gij: “trek op!” Niets van dit alles,

Hoe zorglijk het ook wezen mocht, vertraagde

Het plan, dat doorging;—wàt dus is gebeurd,

Wàt heeft dit koene waagstuk nu gebracht,

Dan dat geschied is, wat vermoed kon worden?

Lord Bardolf.

Wij allen, wien ’t verlies meê aangaat, wisten,

Dat wij op zulk een booze zee ons waagden,

Dat ons behoud als tien was tegen een;

Toch waagden wij het, want de hoop op winst

Deed ons ’t gevaar, hoe dreigend ook, niet achten.

Wij sloegen om, maar wagen ’t gaarne op nieuw,

En zetten alles, lijf en goed, op ’t spel.

Morton.

’t Is meer dan tijd; en, mijn hoogeed’le heer,

Ik hoor als zeker en ik spreek de waarheid,

Dat de aartsbisschop van York alreeds gereedstaat

Met welvoorziene macht; hij is een man,

Die met een dubble macht zijn aanhang bindt.

Uw eed’le zoon had slechts den vorm, de schaduw,

De lichamen van mannen voor den strijd;

Dat ééne woord, ’t woord oproer, hield hun zielen

Vervreemd van alles, wat hun lichaam deed;

Met tegenzin slechts vochten zij, gedwongen,

Zooals men drankjes slikt; hun waap’nen stonden,

Niet zìj, aan onzen kant; hun geest, hun ziel

Was in hen, door ’t woord oproer, stijf bevroren,

Als visschen in een vijver. Maar de bisschop

Verkeert thans oproer in godsdienstigheid; 201

Hem acht men als oprecht en vroom van zin;

Hij schaart met lichaam en met ziel hen om zich,

En voedt met Richards dierbaar bloed zijn opstand,

Dat bloed, dat hij van Pomfret’s steenen krabt;

Noemt zìjne klacht en zaak des hemels zaak;

Noemt zich beschermer van een bloedend land,

Dat zieltoogt onder koning Bolingbroke;

En groot en klein stroomt naar zijn standaard saam.

Northumberland.

Dit wist ik reeds, doch,—waarheid zij erkend,—

’t Was door dit leed mij uit de ziel gewischt.

Komt met mij binnen; ieder uwer rade

Den besten weg tot wraak en veiligheid.

Werft vrienden, werft ze ras, met brief en bode;

Nooit waren zij zoo schaarsch, en zoo van noode.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een straat.

Falstaff komt op, met zijn Page, die hem zwaard en schild nadraagt.

Falstaff.

Wel, jongen, gij reus, wat zegt de dokter van mijn water?

Page.

Hij zeide, heer, dat het water zelf een goed en gezond water was, maar dat de persoon, van wien het was, allicht meer kwalen kon hebben, dan hijzelf wist.

Falstaff.

Menschen van allerlei slag stellen er een eer in, met mij te gekscheren. Het brein van die dwaas samengestelde klei, die mensch heet, is niet in staat iets uit te denken, wat tot [522]lachen dient, dan wat ik uitdenk, of wat over mij wordt uitgedacht; ik heb niet alleen geest in mijzelf, maar ben ook oorzaak, dat andere menschen geestig zijn. Ik ga hier voor u uit als een zeug, die al haar biggen heeft doodgedrukt op één na. Als de Prins u om eenige andere reden bij mij in dienst heeft gegeven, dan om bij mij af te steken, nu, dan ben ik een onnoozele bloed. Gij verwenscht alruintje, gij deugt veel beter om op mijn muts gestoken te worden, dan om mijn hielen te volgen. Nog nooit heb ik een agaatmannetje tot dienaar gehad, maar ik zal u niet zetten in goud of in zilver, maar in voddige kleedingstukken en u zoo aan uw meester terugzenden, als een juweel voor dezen juvenis, dezen prins, uw meester, wiens kin nog niet vlug is. Mij zal eer een baard in het holle van mijn hand groeien, dan hij er een op de wangen krijgt, en toch heeft hij het hart te beweren, dat zijn gezicht een kronengezicht is. Nu, de lieve God kan zijn gezicht afmaken als hij wil, er is nog geen haar aan bedorven; voor hem mag zijn gezicht een kroon of zoo waard zijn, voor een barbier niet; die zal er nooit een paar oortjes aan verdienen. En toch kraait hij, alsof hij aldoor zich man had genoemd, sinds zijn vader jonggezel was. Een prinselijke genade kan hij zijn en blijven, maar bij mij is hij bijna uit de genade, dat kan ik hem verzekeren.—Wat zeide baas Dombledon van het satijn voor mijn korten mantel en mijn pofbroek? 34

Page.

Hij zeide, heer, dat gij hem een beteren borg moest stellen dan Bardolf; zijn schuldbekentenis en de uwe wilde hij niet aannemen; die waarborg beviel hem niet.

Falstaff.

Dat hij verdoemd zij als de rijke man! en dat zijn tong nog heeter brande!—Zoo’n hondsvot van een Achitofel! zoo’n schoftige ja-waarachtig-schelm! een man van stand aan den praat te houden, en dan op een borgtocht te staan! Die kortharige hondsvotten dragen tegenwoordig niet anders dan hooge schoenen, en sleutelbossen aan den gordel, en als een man zich verwaardigt, eerlijk bij hen te borgen, dan komen zij en eischen een borgtocht. Ik liet mij al zoo lief rattenpoeder in den mond steken, dan dat zij mij dien stoppen met een borgtocht. Ik wachtte, zoo waar ik ridder ben, dat hij mij vijfendertig ellen satijn zou sturen, en hij stuurt mij een borgtocht! Nu, laat hem maar gerust slapen met zijn borgtocht; want hij heeft den hoorn des overvloeds en de lichtheid van zijn vrouw schijnt er doorheen; en toch, hij kan niet zien, al heeft hij zijn eigen lantaarn om hem te lichten.—Waar is Bardolf?

Page.

Hij is naar Smithfield, om voor uw edelheid een paard te koopen.

Falstaff.

Ik kocht hèm in de Paulskerk, en hij wil mij een paard te Smithfield koopen; als ik nu nog een vrouw uit een knip kon krijgen, was ik bediend, beknold en bewijfd.

(De Lord Opperrechter komt op, met een Dienaar.)

Page.

Heer, daar komt de Lord, die den Prins liet inrekenen, omdat hij hem ter zake van Bardolf geslagen had.

Falstaff.

Stil, achter mij aan; ik wil hem niet zien.

Opperrechter.

Wie is het, die daar gaat?

Dienaar.

Falstaff, om uw edelheid te dienen.

Opperrechter.

Die in den straatroof betrokken was?

Dienaar.

Dezelfde, Mylord; maar sedert heeft hij zich bij Shrewsbury goed gekweten, en nu; naar ik hoor, gaat hij met een commando naar den prins John van Lancaster.

Opperrechter.

Wat! naar York? Roep hem terug.

Dienaar.

Sir John Falstaff!

Falstaff.

Jongen, zeg hem, dat ik doof ben.

Page.

Gij moet harder spreken; mijn meester is doof. 79

Opperrechter.

Ja, dat geloof ik, doof voor al wat goed is.—Ga, trek hem aan de mouw; ik moet hem spreken.

Dienaar.

Sir John,—

Falstaff.

Wat! een jonge kerel, en bedelen! Zijn er geen oorlogen? is er geen dienst te nemen? kan de koning geen onderdanen gebruiken? hebben de oproerlingen geen soldaten noodig? Al is het een schande, ergens anders dan aan de eene zijde te staan, bedelen is nog erger schande dan aan de slechtste zijde te staan, al ware die ook nog slechter, dan de naam oproer uitdrukken kan!

Dienaar.

Gij vergist u in mij, heer.

Falstaff.

Wel, kerel, heb ik dan gezegd, dat gij een eerlijk man zijt? Mijn ridderschap en soldateneer ter zijde gezet, zou ik een logen verteld hebben om aan te stikken, als ik dit gezegd had.

Dienaar.

Ik bid u, heer, zet dan uw ridderschap en soldateneer ter zijde, en laat ik u zeggen, dat gij een leugen vertelt om aan te stikken, als gij zegt, dat ik iets anders ben dan een eerlijk man.

Falstaff.

Ik u zoo iets laten zeggen? Ik ter zijde zetten, wat met mij vergroeid is? Als ik [523]u toelaat zoo iets te zeggen, hang mij dan op; en als gij het uzelf toeliet, dan zou het beter voor u wezen, al opgehangen te zijn. Gij jaagt op ’t valsche spoor! pak je voort!

Dienaar.

Mylord wil u spreken, heer.

Opperrechter.

Sir John Falstaff, een woord met u.

Falstaff.

Mijn waarde heer!—God beware uwe lordschap in goede gezondheid! Het verheugt mij, uwe lordschap buitenshuis te zien; ik had hooren zeggen, dat uwe lordschap ziek was; ik hoop, dat uwe lordschap niet zonder verlof uitgaat. Uwe lordschap is wel is waar de jeugd nog niet geheel voorbij, maar heeft toch reeds een kleinen bijsmaak van ouderdom, een zweem van de pekel des tijds, en ik smeek dus need’rig uwe lordschap, uw gezondheid allerzorgvuldigst in acht te nemen. 119

Opperrechter.

Sir John, ik heb om u gezonden vóór uw tocht naar Shrewsbury.

Falstaff.

Als uwe lordschap het vergunt,—ik hoor, dat zijne majesteit in eenigszins gedrukte stemming uit Wales is teruggekomen.

Opperrechter.

Ik spreek niet van zijne majesteit.—Gij hebt niet willen komen, toen ik om u zond.

Falstaff.

En ik hoor bovendien, dat zijne majesteit een tikje heeft gehad van die oude hondsche apoplexie.

Opperrechter.

God schenke hem beterschap!—Ik bid u, ik wensch met u te spreken.

Falstaff.

Als uwe lordschap het vergunt, die apoplexie is, als ik het wel heb, een soort van lethargie, een soort van slaperigheid in het bloed, een hondsche tinteling.

Opperrechter.

Wat praat gij mij daarvan? laat het zijn wat het wil.

Falstaff.

Het heeft zijn oorsprong in veel kommer, in diep denken en overspanning van de hersens. Ik heb de oorzaak van die uitwerkselen in Galenus gelezen; het is een soort van doofheid.

Opperrechter.

Ik geloof, dat gij met die kwaal behept zijt, want gij hoort niet, wat ik u zeg.

Falstaff.

O zeer goed, mylord, zeer goed; veeleer ben ik, met uw verlof, geplaagd met de ziekte van niet te luisteren, de kwaal van niet op te letten.

Opperrechter.

Een tuchtiging aan uw enkels zou de oplettendheid van uw ooren beter maken; en ik zou er niet tegenop zien, uw arts te worden.

Falstaff.

Ik ben zoo arm als Job, mylord, maar zulk een lijdzaam lijder zou ik niet zijn. Uwe lordschap kan mij den drank der gevangenschap opdringen; maar of ik als lijder uw voorschriften zou opvolgen, daarover kan de wijze wel een grein van een scrupel koesteren, ja geheel scrupuleus zijn.

Opperrechter.

Ik heb om u gezonden, dat ik u wilde spreken, toen er dingen waren, die uw lijf en leden raakten.

Falstaff.

Op raad van een in de wetten van het land doorkneden raadsman ben ik niet gekomen.

Opperrechter.

Nu, de waarheid is, Sir John, dat gij in groote losbandigheid leeft.

Falstaff.

Die een gordel als de mijne moet omgespen, kan hem niet strak aanhalen.

Opperrechter.

Uw middelen zijn zeer klein en uw vertering is zeer groot.

Falstaff.

Ik wenschte wel, dat het andersom was. Ik wenschte, dat mijn inkomsten zeer groot waren, en mijn middel middelmatig.

Opperrechter.

Gij hebt den jongen prins op den verkeerden weg gebracht. 163

Falstaff.

De jonge prins heeft mij op den verkeerden weg gebracht; ik ben de dikke blindeman en hij is mijn hond.

Opperrechter.

Nu, ik wil een pas gesloten wond niet openscheuren. Uw diensten op den dag van Shrewsbury hebben uw streken in de nacht bij Gadshill een weinig verguld. Gij moogt het aan de onrustige tijden danken, dat men u in rust laat met die aanklacht.

Falstaff.

Mylord,—

Opperrechter.

Wij willen het er bij laten, maar laat gij het er ook bij! maak geen slapenden wolf wakker!

Falstaff.

Een wolf wakker te maken, is al even erg als een vos te ruiken.

Opperrechter.

Denk, gij zijt als een kaars, waar de beste helft van is opgebrand.

Falstaff.

Een groote feestkaars, mylord, van louter vet; ik kan ook zeggen van was, want mijn wasdom zou het bevestigen.

Opperrechter.

Ieder wit haar op uw gezicht moest getuigenis afleggen van waardigheid.

Falstaff.

En het getuigt van baardigheid, baardigheid, baardigheid.

[524]

Opperrechter.

Gij vergezelt den prins overal als zijn kwade engel.

Falstaff.

Dat niet, mylord; een kwade engel is te licht; en ik hoop, dat ieder, die mij ziet, mij voor volwichtig zal aannemen; en toch, ik moet het erkennen, ben ik in sommige opzichten niet geldig genoeg, niet genoeg in tel. De deugd is in deze kruidenierstijden zoo weinig in aanzien, dat echte dapperheid berenhoeder moet worden. Scherpzinnigheid wordt tot een tapper gemaakt en moet haar vlug vernuft aan het optellen van rekeningen verspillen; en alle andere gaven, die den mensch verleend zijn, worden door de boosaardigheid dezer tijden zoo verknoeid, dat zij geen kruisbezie meer waard zijn. Gijlieden, die oud zijt, hebt geen oog voor de talenten van ons, die jong zijn; gij meet de hitte van onze lever naar de bitterheid van uw gal af; en wij, die in de vaag zijn der jeugd, zijn, ik moet het erkennen, aartsguiten.

Opperrechter.

Durft gij uw naam op de lijst der jeugd zetten, gij, die met alle kenmerken van ouderdom geteekend zijt? Hebt ge niet een vochtig oog, een droge hand, gele wangen, een witten baard, een afnemend been en een toenemenden buik? Is uw stem niet gebroken, uw adem kort, uw kin dubbel, uw verstand simpel, en alles om en in u aan het verouderen? en wilt gij toch nog jong heeten? Foei, foei, foei, Sir John! 209

Falstaff.

Mylord, ik werd, tegen drie uren na den middag, met een wit hoofd en een tamelijk rond buikje geboren. Wat mijn stem betreft, die heb ik door toejuichingen en het zingen van lofzangen bedorven. Verder mijn jeugd bewijzen wil ik niet; de waarheid is, dat ik alleen oud ben in verstand en doorzicht, en wie met mij om een duizend mark luchtsprongen wil maken, moge mij het geld leenen en dan toezien. Wat de oorveeg betreft, die de Prins u gegeven heeft, die gaf hij als een ruwe prins, en gij hebt die ontvangen als een verstandig edelman. Ik heb hem er duchtig over onderhouden, en de jonge leeuw doet boete, wel is waar niet in zak en assche, maar in oude sek en nieuw atlas.

Opperrechter.

Nu, God geve den Prins een beter makker!

Falstaff.

God geve den makker een beteren prins! Ik kan niet van hem afkomen.

Opperrechter.

Nu, de koning heeft u en prins Hendrik gescheiden. Gij trekt, naar ik hoor, met prins John van Lancaster tegen den aartsbisschop en den graaf van Northumberland op.

Falstaff.

Ja, dat heb ik aan uw lieve zoete wijsheid te danken. Maar gij moogt wel bidden, gij allen, die jonkvrouw Rust te huis blijft kussen, dat onze legers niet een heeten dag samen te doorstaan hebben; want bij God in den hemel, ik neem slechts twee hemden mee, en ben niet van plan, mij buitengewoon in het zweet te vechten. Als het een heete dag wordt en ik zwaai dan iets anders dan mijn flesch, dan wil ik nooit meer met blaasjes spuwen. Geen gevaarvolle onderneming kan het hoofd opsteken, of ik word er op afgestuurd. Nu, ik kan niet eeuwig duren. Maar het is altijd een gril van ons Engelsch volk geweest, als zij iets goeds hebben, het voor alles te gebruiken. Als gij volstrekt wilt volhouden, dat ik een oud man ben, dan moest men mij rust gunnen. Gave God, dat mijn naam bij den vijand niet zoo geducht ware als hij is, ik wierd liever van roest geheel verteerd, dan tot niets afgeschuurd door eeuwigdurende beweging.

Opperrechter.

Nu, houd u goed, houd u goed, en God zegene uw onderneming!

Falstaff.

Wil uwe lordschap mij een duizend pond leenen voor mijn uitrusting? 251

Opperrechter.

Geen penning, geen penning! Gij staat niet vast genoeg op uw beenen, om zooveel pond te dragen. Vaarwel; breng mijn groeten over aan mijn neef Westmoreland.

(De Opperrechter met zijn Dienaar af.)

Falstaff.

Eer ik dat doe, laat ik mij liever met een driemansmoker een knip voor mijn neus geven. Een mensch kan even zoo weinig ouderdom en gierigheid van elkander houden, als iemand jonge leden en liederlijkheid; maar de jicht plaagt den een, en de Fransjesziekte knijpt die anderen, en zoo komen beide levenstrappen mijn verwenschingen voor.—Jongen!

Page.

Heer?

Falstaff.

Hoeveel geld is er in mijn beurs?

Page.

Zeven groot en twee penningen.

Falstaff.

Ik weet geen middel tegen die uittering van de beurs; borgen rekt en rekt de ziekte, maar de kwaal is ongeneeslijk.—Ga, breng dien brief aan mylord van Lancaster, dezen aan den Prins en dien aan de oude juffrouw Ursula, aan wie ik beloofd heb, dat ik haar zou trouwen, week op week, sinds ik het eerste witte haar op mijn kin bespeurde. Vlug! je weet, waar je mij kunt vinden. (De Page af.)—Dat de Fransjesziekte die jicht knijpe! Of de jicht die Fransjesziekte! want één van beide speelt den schelm met mijn grooten teen. Het doet er niets toe, of ik hink; ik heb den oorlog, [525]om er een kleurtje aan te geven, en mijn pensioen wordt er des te rechtmatiger door. Een goede kop maakt van alles gebruik, en ik wil met mijn kwalen zaken doen.

(Falstaff af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

York. Een kamer in het paleis van den Aartsbisschop.

De Aartsbisschop van York, de Lords Hastings, Mowbray en Bardolf komen op.

Aartsbisschop.

Thans kent gij onze taak en onze middelen;

En, eed’le vrienden, nu bid ik u allen,

Zegt vrij, wat gij van ons vooruitzicht denkt;—

Vooreerst, lord maarschalk, wat zegt gij er van?

Mowbray.

Dat onze krijg gegrond is, geef ik toe;

Doch gaarne ontving ik meerder zekerheid,

Dat wij, met onze midd’len, ’t kunnen wagen,

Met stout en dreigend voorhoofd en met kracht,

De macht des konings te gemoet te treden.

Hastings.

Wij hebben naar de monsterrollen reeds

Een vijfentwintigduizend flinke krijgers,

En hoop op veel versterking, door den steun

Des machtigen Northumberland’s, wiens borst

Van vuur, door krenkingen ontstoken, gloeit.

Lord Bardolf.

Dus is, Lord Hastings, nu de ware vraag,

Of onze vijfentwintigduizend man

Volstaan, ook zonder Lord Northumberland.

Hastings.

O, mèt hem stellig. 18

Lord Bardolf.

O, mèt hem stellig. 18 Dit is juist de zaak;

Want, achten wij ons zonder hem te zwak,

Dan raad ik, dat wij niet te verre gaan,

Aleer zijn bijstand werkelijk ons gewordt;

Want bij een plan van zulk een bloedig uitzicht

Moet reek’nen, bouwen op onzeek’re hulp,

Moet hopen, gissen uitgesloten zijn.

Aartsbisschop.

Zeer juist, Lord Bardolf; want de jonge Heetspoor

Was juist in dit geval bij Shrewsbury.

Lord Bardolf.

Geheel, mylord; hij voedde zich met hoop,

Met de’ ijdlen klank van toegezegden bijstand,

Zich vleiend met het droombeeld eener macht,

Die minder bleek zelfs dan zijn minste raming;

Zoo, met des waanzins stouten overmoed,

Bracht hij zijn krijgers in den dood, en sprong

Zelf met gesloten oogen in ’t verderf.

Hastings.

Maar, met verlof, waarschijnlijkheid te wegen,

En hoop te voeden, heeft nog nooit geschaad.

Lord Bardolf.

Toch wel, indien de krijg, zooals ’t nu is,

Een reeds begonnen zaak, een werk op gang,

Van hoop moet leven; ’t is, alsof we in Maart

De knoppen zien verschijnen; voor hun rijpen

Geeft hoop min zekerheid, dan vrees het doet,

Dat vorst ze dooden zal. Vóór wij gaan bouwen,

Bezien wij eerst het erf, en teek’nen ’t plan;

En, als wij de gedaante zien van ’t huis,

Dan ramen wij de kosten van den bouw;

En zijn die al te hoog voor onze midd’len,

Wat doen wij dan? Op nieuw een plan ontwerpen,

Met minder kamers, of, in ’t ergst geval,

Zien wij van ’t bouwen af. Zoo moeten wij

Veel meer in dit groot werk, dat schier een rijk

Moet nederrijten en een nieuw rijk stichten,

De plaats, de ligging en het plan beschouwen,

Het eens zijn, hoe wij alles stevig gronden,

Bouwmeesters vragen, onze midd’len kennen,

Of zij volstaan om zulk een werk te wagen,

Elk tegenstander kunnen keeren; anders

Versterken wij ons met papier en cijfers,

Met menschennamen slechts en niet met menschen,

Als iemand, die een plan maakt van een huis,

Ver boven zijn vermogen, ’t bouwt ter helfte,

Het opgeeft, en zijn stukwerk-kostlijkheid

Aan ’t weenend zwerk als naakte speelpop laat,

Aan ’s barren winters will’keur als een buit.

Hastings.

Gesteld, de hoop, die nu zooveel belooft, 63

Bleek doodgeboren, en wij hadden nu

Den laatsten man reeds, die te wachten is,

Dan acht ik onze macht nog sterk genoeg,

Om, zonder meer, den koning ’t hoofd te bieden.

Lord Bardolf.

Zijn macht is ook slechts vijfentwintigduizend?

Hastings.

Voor ons niet meer, zelfs niet zooveel, lord Bardolf.

Hij moet die, om der tijding woeling, deelen

In drieën: één deel moet de Franschen staan;

Eén Owen Glendower; en dus, één derde slechts

Kan ons bestrijden. Dit dus splitst den koning,

Reeds zwak, in drieën; en zijn koffers klinken

Van bedelarmoê en van leegheid hol.

Aartsbisschop.

Dat hij die drie gedeelten samentrekt,

En met zijn gansche macht op ons zich werpt,

Valt niet te duchten.

Hastings.

Valt niet te duchten. Deed hij dat, dan ware

Zijn rug ontbloot, en dit, nu Welsch- en Franschman

Hem aan de hielen bast;—neen, ducht dit niet.

Lord Bardolf.

Wie, denkt gij, voert zijn leger tegen ons?

[526]

Hastings.

De prins van Lancaster, met Westmoreland;

Hijzelf rukt op naar Wales met Hendrik Monmouth;

Doch wie voor hem de Franschen tegentrekt,

Kwam ik nog niet te weten.

Aartsbisschop.

Kwam ik nog niet te weten. Voorwaarts dan;

En luid verkondigd, wat ten strijde ons drijft!

Reeds walgt het land van wat het zelf zich koos;

Zijn liefde, steeds te gulzig, at te veel.—

Een duiz’lig en onveilig huis bewoont

Wie op het harte van de menigt’ bouwt.

O stikziend volk! Wat deed uw luid gejubel

Met “Heil u, Bolingbroke!” den hemel daav’ren,

Eer hij, wat gij hem hebben wildet, was!

En nu hij u bereid is naar uw wensch,

Hebt ge u, vraatzuchtig vee, zoo volgebrast,

Dat gij u kittelt om hem uit te spuwen.

Zoo, lage hond, hebt ge uit uw slempersborst

Den koninklijken Richard uitgeworpen;

En nu zoudt gij het doode braaksel eten,

En huilt er naar. Wie kan deze eeuw betrouwen?

Die, toen hij leefde, Richards dood begeerden,

Zijn nu verliefd geworden op zijn graf.

Gij, die hem ’t edel hoofd met stof bewierpt,

Toen hij door ’t fiere Londen Bolingbroke’s

Gevierde hielen zuchtend volgen moest,

Roept nu: “O aard, geef ons dien koning weer;

Neem dezen!” Booze vloek, dat wij ’t verleden

En ’t morgen prijzen, ’t heden stâag vertreden!

Mowbray.

Dus trekken we op, den vijand te gemoet?

Hastings.

De tijd beheerscht ons, en de tijd eischt spoed.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een straat.

De Waardin komt op, met Klauw en zijn Handlanger; Strik volgt.

Waardin.

Sinjeur Klauw, hebt gij de klacht ingeschreven?

Klauw.

Zeker, ingeschreven.

Waardin.

Waar is uw handlanger? is het een flink handlanger? staat hij zijn man?

Klauw.

Jongen, waar is Strik?

Waardin.

O lieve God! Goed, die brave Strik!

Strik.

Hier, hier.

Klauw.

Strik, wij moeten Sir John Falstaff vatten.

Waardin.

Ja, beste Strik, ik heb hem ingeschreven en alles.

Strik.

Het kan aan ettelijken van ons het leven kosten, want hij zal naar ons steken.

Waardin.

O lieve tijd, ja; pas toch voor hem op; hij heeft naar mij gestoken in mijn eigen huis, en op beestachtige manier ook. Waarachtig, als hij eens van leer heeft getrokken, vraagt hij niet, wat kwaad hij doet, dan steekt hij om zich heen als de duivel; dan spaart hij man, vrouw noch kind. 19

Klauw.

Als ik hem maar aan het lijf kan komen, geef ik niets om zijn stooten.

Waardin.

Neen, ik ook niet; ik zal u ter zijde staan.

Klauw.

Als ik hem eens te pakken kan krijgen, als hij maar eens in deze duimschroef komt,—

Waardin.

Als hij weg komt, ben ik gerinneweerd; ik verzeker u, het is innorm, zooals hij bij mij in het krijt staat. Beste baas Klauw, houd hem sikkuur vast;—beste baas Strik, laat hem niet ontsnappen. Hij komt op het monement naar den Pasteihoek (met verlof van uw manbaarheid) om een zadel te koopen en hij is ten eten geïntiveerd in den Luipaardenkop op de Lommerdstraat bij den koopman Gladjes uit den zijdewinkel; ik bid je, nu mijn klacht is ingeschreven en mijn geval zoo openlijk aan de heele wereld bekend is, breng hem op, dat hij antwoord moet geven. Vijftig pond, dat is voor een arme weduwvrouw zwaar om te dragen; ik heb het uitgehouden en uitgehouden, en ik ben gefopt en gefopt en gefopt van den eenen dag op den anderen, dat het een schande is om er aan te denken. Dat is geen eerlijke manier van doen, of een vrouw wordt een ezel en een beest, om iederen schelm zijn schurkerij te verdragen.

(Sir John Falstaff komt op, met zijn Page en met Bardolf.)

Daar komt hij aan, met dien liederlijken malvezijneus, Bardolf, bij hem. Laat nu eens zien, dat je mannen zijt, baas Klauw en baas Strik; laat mij zien, laat mij zien, dat je mannen zijt.

[527]

Falstaff.

Nu, wie zijn knol is hier dood? wat is er aan de hand?

Klauw.

Sir John, ik neem u in hechtenis ten verzoeke van vrouw Haastig.

Falstaff.

Weg, rakkers!—Trek, Bardolf! sla mij dien schurk den kop af; smijt dat vrouwmensch in de goot!

Waardin.

Mij in de goot smijten? Wacht maar, ik zal er jou in smijten! Kom maar op, kom maar op, jij schelm van een vrouwenverleider! Moord! moord! O jij schurk van een molligteerder! zou je de beambten van God en den koning willen vermoorden? O jij schelm van een hartenteerder! jij bent een hartenteerder, een manslager en een vrouweslager!

Falstaff.

Jaag hen weg, Bardolf.

Klauw.

Assistentie! assistentie!

Waardin.

Lieve menschen, haalt toch een hattustentie of twee!—kom maar op, kom maar op, ga je gang, ga je gang, jij schelm! ga je gang, jij achterteerder!

Falstaff.

Weg, jij vatenwaschster! jij holle keel! jij mufmadam! ik zal je voor je catastrophe geven! 66

(De Lord Opperrechter komt op, met Gevolg.)

Opperrechter.

Wat is dat hier? Gij allen, rustig daar!

Waardin.

Lieve beste heer, wees goed voor mij! Ik smeek u, sta mij bij!

Opperrechter.

Wat is ’t, Sir John? Vind ik u hier aan ’t twisten? Past zulk een doen uw rang, uw tijd, uw dienst? Gij moest reeds onderweg zijn, lang, naar York.—Terug daar, knaap! Wat hangt gij hem aan ’t lijf?

Waardin.

O mijn hoogwaardige heer, met verlof van uwe genade, ik ben een arme weduwe uit Eastcheap, en hij gaat op mijn aanklacht in de gijzeling.

Opperrechter.

Voor wat voor een som?

Waardin.

Niet voor sommige dingen, Heer; maar voor alles, voor alles wat ik heb. Hij heeft mij mijn huis en hof uitgevreten; hij heeft mijn geheel vermogen in zijn vetten buik daar gestopt.—Maar ik wil er wat van terughebben, of ik zal je ’s nachts drukken als een nachtmerrie.

Falstaff.

Nu, mij dunkt, ik zal nog eer een merrie drukken; ’t is maar de kunst er boven op te komen.

Opperrechter.

Hoe komt dit, Sir John? Foei, welk een rechtgeaard man zou zulk een storm van verwenschingen dulden? Schaamt gij u niet, dat gij een arme weduwe tot zulke middelen dwingt om aan het hare te komen?

Falstaff.

Wat voor een groote som is het dan, die ik u schuldig ben?

Waardin.

Bij mijn ziel, als gij een eerlijk man waart, uzelf en het geld er bij. Gij hebt het mij gezworen op een halfvergulden beker, in mijn Dolfijnenkamer, aan de ronde tafel, bij een steenkolenvuur, op Woensdag na Pinkster, toen de prins u een gat in het hoofd had geslagen, omdat gij gezegd hadt, dat zijn vader op een voorzanger uit Windsor geleek; toen hebt gij mij gezworen, terwijl ik uw wond uitwiesch, dat ge mij trouwen zoudt en mij tot uw mevrouw maken. Kunt ge dat ontkennen? Kwam buurvrouw Ongel, de slachtersvrouw, toen niet binnen en noemde zij mij niet buur Haastig? en wilde zij niet een halve flesch azijn borgen, en zeide zij niet, dat zij een goeden schotel garnalen had? waarop gij lust kreegt er van te eten, waarop ik zeide, dat zij niet goed waren voor een versche wond? en hebt gij niet gewild, toen ze de trap af was, dat ik met zulke minne lieden niet meer zoo familiariteit zou wezen, en gezegd, dat ze mij binnen kort mevrouw zouden noemen? En hebt gij mij toen niet gekust, en gezegd, dat ik u dertig schellingen moest geven? Ik zet u nu eens voor uw eed; ontken het, als gij kunt.

Falstaff.

Mylord, dit is een arme malende ziel; en ze zegt, de geheele stad door, dat haar oudste zoon op u gelijkt. Zij is in goeden doen geweest, en de waarheid is: armoede heeft haar in de war gebracht. Maar wat die domme gerechtsdienaars betreft, verzoek ik u, mij genoegdoening tegenover hen te verschaffen. 118

Opperrechter.

Sir John, Sir John, ik ken zeer wel uw manier van doen, van de ware toedracht van een zaak te verdraaien. Geen stoutmoedige blik, noch ook de vloed van woorden, die gij met meer dan onbeschaamde driestheid uit, zullen mij van een onpartijdige beoordeeling afbrengen. Gij hebt, naar het mij voorkomt, het toegefelijk hart van deze vrouw bewerkt, tot zij u met haar beurs en met haar persoon ten dienste is geweest.

Waardin.

Ja juist, mylord, ja juist.

Opperrechter.

Ik bid u, stil!—Betaal haar de schuld, die gij aan haar hebt, en maak het kwaad goed, dat gij haar gedaan hebt! het eene kunt gij doen met klinkende munt, het andere met gangbaar berouw.

Falstaff.

Mylord, ik kan mij deze terechtwijzing niet stilzwijgend laten welgevallen. Gij noemt een roemwaardige stoutmoedigheid onbeschaamde [528]driestheid; als iemand een nederige buiging maakt en niets zegt, is hij deugdzaam. Neen, mylord, bij alle plichtmatig ontzag voor u, wil ik geen smeekeling zijn; ik zeg u, dat ik van deze gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden, daar ik in ’s konings belang een dringende opdracht te vervullen heb.

Opperrechter.

Gij spreekt alsof gij machtiging hadt om onrecht te plegen; maar houd metterdaad uw goeden naam op en stel de arme vrouw tevreden.

Falstaff.

Kom hier, waardin.

(Hij neemt haar ter zijde.)

(Gower komt op.)

Opperrechter.

Gij daar, Heer Gower? wat meldt gij?

Gower.

De koning, heer, en Hendrik, prins van Wales, Zijn reeds dichtbij, het verd’re meldt dit blad.

Falstaff

(tot de Waardin). Zoo waar ik een edelman ben,—

Waardin.

Ja, dat hebt ge vroeger ook gezegd. 149

Falstaff.

Zoo waar ik een edelman ben; kom, geen woord er meer over.

Waardin.

Bij dezen hemelschen grond, waar ik op sta, ik moet er mijn zilver en de gewerkte wandtapijten uit mijn eetkamer voor verpanden.

Falstaff.

Glazen, glazen, dat is het ware drinken! En wat uw wanden betreft, een aardige kleine snakerij, of de geschiedenis van den Verloren Zoon, of de Duitsche Zwijnenjacht in waterverf is meer waard dan duizend van zulke beddebehangsels en mottige tapijten. Laat het tien pond zijn, als je kunt. Kom, als ge die kuren niet hadt, was er geen beter wijf in heel Engeland. Ga, wasch je gezicht af en trek die klacht in. Kom, je moet niet zoo boos tegen mij wezen. Ken je mij niet? Kom, kom, ik weet, dat je er toe opgestookt bent.

Waardin.

Ik bid u, Sir John, laat twintig nobels genoeg zijn; waarachtig, ik zie er tegen op, mijn zilver te verpanden, in vollen ernst, ja!

Falstaff.

Nu, laat het dan; ik zal mij wel ergens anders redden; je bent en blijft toch een zottinnetje!

Waardin.

Nu, gij zult het hebben; al moest ik er mijn rok ook voor verpanden. Ik hoop, dat gij van avond komt eten. Gij wilt mij alles in eens betalen?

Falstaff.

Wil ik in ’t leven blijven?—(Tot Bardolf.) Ga mee, ga mee; haak aan, haak aan!

Waardin.

Wilt gij Doortje Scheurlaken ook bij het avondeten hebben?

Falstaff.

Geen praatjes verder; laat haar komen.

(De Waardin, Bardolf, de Gerechtsdienaars en de Page af.)

Opperrechter (tot Gower).

’k Heb beter nieuws vernomen.

Falstaff.

Wat is het nieuws, mijn waarde heer?

Opperrechter

(tot Gower). Waar was de koning deze nacht gelegerd?

Gower.

Te Basingstoke, mylord.

Falstaff.

Ik hoop, mylord, dat alles wel is; wat is er voor nieuws, mylord?

Opperrechter.

En komt zijn gansche macht terug?

Gower.

Tweeduizend man, waarvan vijfhonderd ruiters,

Zijn naar mylord van Lancaster, en zullen

Northumberland en den prelaat bestrijden. 188

Falstaff.

Komt de koning uit Wales terug, geëerde heer?

Opperrechter

(tot Gower). Ik maak de brieven daad’lijk u gereed.

Kom met mij mede, bid ik u, heer Gower.

Falstaff.

Mylord!

Opperrechter.

Wat is er?

Falstaff.

Mag ik u uitnoodigen, hedenmiddag mijn gast te zijn, heer Gower?

Gower.

Ik moet den edelen lord hier ten dienste staan; ik dank u, goede Sir John.

Opperrechter.

Sir John, gij talmt hier te lang; gij hebt in de streken, die gij doortrekt, soldaten te lichten.

Falstaff.

Wilt gij dan van avond bij mij eten, Heer Gower?

Opperrechter.

Welke dwaze leermeester heeft u die manieren geleerd, Sir John?

Falstaff.

Als zij mij niet goed staan, Heer Gower, dan was het een dwaas, die ze mij leerde.—Dit is schermen naar den eisch, mylord; tik voor tak, en zoo in eere van elkaâr.

Opperrechter.

Nu, de Heere verlichte u! gij zijt een groote zotskap!

(Allen af.)

[529]

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een andere straat in Londen.

Prins Hendrik en Poins komen op.

Prins Hendrik.

Geloof mij, ik ben door en door moe.

Poins.

Is het zoo ver met u? Ik heb altijd gedacht, dat moeheid iemand van zoo hoogen bloede niet aan zou durven.

Prins Hendrik.

Nu, inderdaad; zij durft mij aan, al moet mijn hoogheid ook van kleur verschieten, nu het erkend moet worden. Staat het mij niet recht gemeen, dat ik naar dunnebier verlang?

Poins.

Ja, een prins moest niet zoo nalatig gestudeerd hebben, dat hij zich zulke ellendige brouwsels kon herinneren.

Prins Hendrik.

Misschien dan, dat mijn trek niet van vorstelijke afkomst is; want, op mijn woord, ik herinner mij nu dien armen duivel, dat dunnebier. Maar, waarachtig, die nederige overdenkingen doen mij afkeerig zijn van mijn grootheid. Wat schande moet het voor mij zijn, dat ik mij uw naam herinner! of morgen uw gelaat nog ken! of opmerk, hoe veel paar zijden kousen gij hebt, namelijk deze, en die eens uw perzikbloesemroode waren! of de lijst bijhoud van uw hemden, namelijk een voor overdaad en een voor het gebruik! Maar dit weet de kaatsbaanhouder beter dan ik, want het is lage eb in uw linnen, als gij daar het raket niet ter hand neemt, zooals gij in langen tijd niet gedaan hebt, omdat uw Hollandsche bezittingen, bij wijze van redmiddel, door uwe overige lage landen verslonden zijn. En God weet, of de kleine schreeuwers, die nu uit de overblijfselen van uw linnen zich laten hooren, zijn koninkrijk zullen beërven; maar de bakers zeggen, dat de kinderen het niet kunnen helpen; en ondertusschen neemt de menschheid toe en worden de familiën verbazend sterk. 30

Poins.

Hoe kwalijk rijmt die ijdele praat op uw zwaren arbeid van vroeger! Zeg mij, hoeveel jonge prinsen zouden dit wel doen, als hun vaders zoo ziek waren, als de uwe op dit oogenblik is?

Prins Hendrik.

Wil ik u wat zeggen, Poins?

Poins.

Ja, voorwaar, maar laat het iets bijzonder goeds zijn.

Prins Hendrik.

Het zal voor geesten, die niet hooger staan dan gij, zijn dienst kunnen doen.

Poins.

Ga voort, ik zal den schok wel doorstaan van dat iets, wat gij mij zeggen wilt.

Prins Hendrik.

Waarachtig, ik zeg u,—het zou niet goed staan, als ik bedroefd was nu mijn vader ziek is; hoewel ik u zou kunnen zeggen,—als tot iemand, wien ik, bij gebreke van beter, goedvind mijn vriend te noemen,—dat ik bedroefd zou kunnen zijn en oprecht bedroefd bovendien.

Poins.

Moeilijk toch om zulk een reden.

Prins Hendrik.

Bij deze hand, gij denkt, dat ik even boos in ’s duivels boek sta als gij en Falstaff, wat halsstarrigheid en verstoktheid betreft. Het eind zal ’t leeren. Maar ik zeg u: mijn hart bloedt inwendig, dat mijn vader zoo ziek is; en dat ik met zulk slecht gezelschap omga als gij zijt, dit ontzegt mij om goede redenen alle uiterlijke vertooning van smart.

Poins.

Die redenen?

Prins Hendrik.

Wat zoudt gij van mij denken, als ik weende?

Poins.

Ik zou denken, dat gij een echt prinselijke huichelaar waart. 59

Prins Hendrik.

Dat zou iedereens gedachte zijn; en gij zijt een gezegend schepsel, dat gij denkt, zooals iedereen denkt; van geen sterveling houden de gedachten beter den grooten weg dan de uwe. Iedereen zou denken, dat ik een huichelaar was, inderdaad. En wat dringt uw hoogwaardige gedachten om zoo te denken?

Poins.

Wel, dat gij zoo loszinnig zijt geweest en zoo vergroeid met Falstaff.

Prins Hendrik.

En met u.

Poins.

Bij het licht der zon, van mij zegt men alles goeds; ik kan het met mijn eigen ooren hooren. Het ergste, dat zij van mij kunnen zeggen, is, dat ik een jonger broeder ben, en een flinke knaap, die de handen uitsteekt; en ik moet erkennen, die twee dingen kan ik niet veranderen. Bij het sacrament, daar komt Bardolf.

Prins Hendrik.

En de jongen, dien ik aan Falstaff gegeven heb; als een christenjongen heeft hij hem van mij gekregen; en zie nu zelf, of de vette schelm niet een aap van hem gemaakt heeft.

(Bardolf en de Page komen op.)

Bardolf.

God vermeerdere uw genade.

Prins Hendrik.

En de uwe, hoogedele Bardolf.

Bardolf

(tot den Page). Kom, gij deugdzame ezel, gij schaamachtige zotskap, waarom gaat gij blozen? Waarom wordt ge rood? Wat voor een meisjesachtige wapenknecht zijt gij geworden? Is dat zoo’n heldenstuk, den maagdom van een tweemaatsbierkan te veroveren?

[530]

Page.

Mylord, hij riep mij zoo even aan, door een rood tralievenster, en ik kon geen enkel deel van zijn gezicht van het venster onderscheiden; ten laatste werd ik zijn oogen gewaar en ik dacht, dat hij in de bierwaardin haar nieuwen rok twee gaten gemaakt had, en daar doorhenen gluurde.

Prins Hendrik.

Heeft de jongen niet geprofiteerd?

Bardolf.

Pak je weg, jij hondsvot van een rechtoploopend konijntje, pak je weg!

Page.

Pak je weg, jij schurkachtige droom van Althea, pak je weg!

Prins Hendrik.

Verklaar ons dat, jongen! welke droom?

Page.

Wel Mylord, Althea droomde immers, dat zij van een brandende fakkel beviel; en daarom noem ik hem haar droom.

Prins Hendrik.

Een verklaring, die wel een kroon waard is.—Daar heb je hem, jongen.

(Hij geeft hem geld.)

Poins.

O, dat deze fraaie bloesem van den worm bevrijd mocht blijven!—Nu, daar heb je een halve schelling om je gaaf te houden.

Bardolf.

Als gij met mekaâr hem er niet toe brengt, dat hij gehangen wordt, dan krijgt de galg haar deel niet. 105

Prins Hendrik.

En hoe maakt het je meester, Bardolf?

Bardolf.

Goed, genadige heer. Hij hoorde, dat uwe genade in de stad zou komen; en daar is een brief voor u.

Poins.

Met allen eerbied besteld.—En hoe gaat het dien Sint-Maartens-zomer, je meester?

Bardolf.

Gezond van lijf en leden, heer.

Poins.

Nu, voorwaar, zijn onsterflijk deel behoeft wel een geneesmeester. Maar dat bekommert hem niet; al is dat ziek, het sterft toch niet.

Prins Hendrik.

Ik sta dien vetklomp toe, even gemeenzaam met mij te wezen als mijn hond; en hij is stout op zijn erf, want zie eens, hoe hij schrijft.

Poins

(leest). “John Falstaff, ridder,”—dat moet ieder weten, zoo vaak hij gelegenheid heeft om zich te noemen, juist als zij, die met den koning verwant zijn; want die kunnen zich niet in den vinger prikken, of zij zeggen: “daar wordt koningsbloed vergoten;” “Hoe zoo?” zegt iemand, die zich houdt, of hij het niet begrijpt; en het antwoord is even grif bij de hand als de muts van iemand, die borgt: “ik ben een arme neef van den koning, heer.”

Prins Hendrik.

O, zij willen van ons geslacht zijn, al moesten zij het van Jafet afleiden.—Maar, de brief!

Poins.

“Sir John Falstaff, Ridder, aan den zoon des konings, die zijn vader het naast is; aan Hendrik, Prins van Wales, heil!” Zoo, dat is een certificaat.

Prins Hendrik.

Stil!

Poins.

“Ik wil de edele Romeinen volgen, in hun kortheid;”—hij meent zeker in kortademigheid;—“ik zeg u vaarwel, ik zeg vaarwel en ik verlaat u. Wees niet te vertrouwelijk met Poins, want hij maakt zoozeer misbruik van uw gunst, dat hij zweert, dat gij zijn zuster Leen moet trouwen. Doe boete in uw ledige uren, zoo goed gij kunt, en daarmede vaarwel;

De uwe, bij ja en neen,—dat wil zeggen, naarmate gij hem behandelt;—Hans Falstaff voor mijn vertrouwde vrienden; John, voor mijn broeders en zusters; en Sir John voor geheel Europa.”

Mylord, ik wil dezen brief in sek doopen, en hij zal hem weer opeten.

Prins Hendrik.

Dus, dan laat gij hem een paar dozijn van zijn woorden weer opeten.—Maar springt gij zoo met mij om, Edu? moet ik uw zuster trouwen? 151

Poins.

God geve aan de deerne geen slechter partij! maar gezegd heb ik het nooit.

Prins Hendrik.

Ja, zoo springen wij als zotskappen met den tijd om, en de geesten der wijzen zitten in de wolken en bespotten ons.—Is je meester hier in Londen?

Bardolf.

Ja, mylord.

Prins Hendrik.

Waar eet hij van avond? Mest de oude beer zich nog in het oude kot?

Bardolf.

Op de oude plaats, mylord, in Eastcheap.

Prins Hendrik.

In welk gezelschap?

Page.

Met Efeziërs, mylord, van het oude geloof.

Prins Hendrik.

Zijn er ook vrouwmenschen bij?

Page.

Anders niet, mylord, dan de oude vrouw Haastig en juffer Doortje Scheurlaken.

Prins Hendrik.

Wat voor een heidenmensch is dat?

Page.

Een knap vrouwmensch, prins, en een nicht van mijn meester.

Prins Hendrik.

Even zooveel nicht, als de gemeente-koeien het zijn van den stadsbul.—Willen wij hen eens bij hun avondmaal besluipen, Edu?

Poins.

Ik ben uw schaduw, mylord, ik volg u. [531]

Prins Hendrik.

Zeg eens, jongen,—en jij, Bardolf;—geen woord aan je meester, dat ik reeds in de stad ben;—daar, voor je stilzwijgen!

(Hij geeft hun geld.)

Bardolf.

Ik heb geen tong, heer.

Page.

En op de mijne, prins, zal ik passen.

Prins Hendrik.

Vaart nu wel, gaat! (Bardolf en de Page af.)—Die Doortje Scheurlaken zal wel de een of andere publieke weg zijn.

Poins.

Dat verzeker ik u, zoo publiek als de weg van Sint Albaans naar Londen.

Prins Hendrik.

Hoe kunnen wij van avond Falstaff eens in zijn ware kleur zien, zonder zelf gezien te worden?

Poins.

Wij doen elk een leêren wambuis aan en een schort voor en bedienen hem aan tafel als knechts.

Prins Hendrik.

Van god tot stier? ’t Is diep gedaald! ’t Was Jupiters geval. Van prins tot leerjongen? Een verandering naar de laagte! ’t Zij mijn deel; want in alle zaken moet de bedoeling de dwaasheid opwegen. Kom mede, Edu.

(Beiden af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Warkworth. Voor het kasteel.

Northumberland. Lady Northumberland en Lady Percy komen op.

Northumberland.

Ik bid u, teed’re vrouw en lieve dochter,

Gunt aan mijn ruwe zaak een effen weg;

Plooit niet ook gij ’t gelaat als deze tijden,

En maak mij niet als zij het hand’len zwaar.

Lady Northumberland.

Ik geef het op en zal niet verder spreken;

Doe wat gij wilt; uw wijsheid zij uw gids.

Northumberland.

Ach, beste vrouw, mijn eer is ginds verpand,

En enkel door mijn gaan is ze in te lossen.

Lady Percy.

Toch, trek, om Gods wil, niet naar dezen krijg!

Zie, vroeger, vader, hebt ge uw woord gebroken,

Toen ’t meer een deel was van uzelf dan nu;

’t Was, toen uw eigen Percy, toen mijn alles,

Mijn Hendrik, meen’gen blik naar ’t noorden wierp,

Waar toch zijn vader bleef; ’t was ijdel wachten!

Wie overreedde u toen om thuis te blijven?

Twee eeren trof dit, de uwe, die uws zoons;

Aan de uwe—haar verleen’ de Hemel glans!

De zijne,—o! stond hem, als de zon het doet

Aan ’t blauwe hemelwelf; en door haar glans

Dreef zij de gansche ridderschap van England

Tot dappre daden! Ja, hij was de spiegel,

Waar heel de jeugdige adel zich voor tooide;

Verlamd was hij, die zijnen gang niet had,

En stootend spreken, van natuur hem eigen,

Die feil werd nu de tongval van den moed;

Want zij, die zacht en langzaam konden spreken,

Verruilden voor zijn feil hun schoone gaaf,

Opdat zij hem geleken. Zoo was hij

In taal, in gang, in leefwijs, in vermaken,

In oorlogskunst, in luimen van het bloed,

Het oogwit en de spiegel, ’t boek en ’t voorschrift,

Dat and’ren vormde. En hem,—dat puikjuweel,

Dat wonder van een man,—hem gaaft gij prijs;

Die week voor niemand, werd door u ontweken,

En moest, in ’t nadeel zijnd, den schrikbren krijgsgod

In de oogen zien; hij moest een slag aanvaarden,

Toen niets, dan slechts de klank van Heetspoors naam

Nog weerbaar scheen;—zoo liet gij hem—alleen.

Laad nimmer, nimmer op zijn geest den smaad,

Dat gij uw eere meer nauwlettend hoedt

Bij and’ren, dan bij hem; laat hèn begaan.

De maarschalk, met den aartsbisschop, is sterk;

O, had mijn Hendrik half hun macht gehad,

Dan zou ik, aan mijn Heetspoor’s hals nu hangend,

Van ’t graf van Monmouth spreken! 45

Northumberland.

Van ’t graf van Monmouth spreken! 45 God vergeve u,

Mijn dierbaar kind! Ge ontrooft mij allen moed

Door nieuwe klacht om de oude plichtmiskenning.

Gaan moet ik, ginds ’t gevaar in de oogen zien,

Of anders zoekt het elders mij, en vindt mij

Veel slechter toegerust.

Lady Northumberland.

Veel slechter toegerust. O, vlucht naar Schotland,

En wacht, tot de eed’len en ’t gewapend volk

Ten minste een proefje gaven van hun macht.

Lady Percy.

En winnen zij den koning voordeel af,

Voeg dan u bij hen als een rib van staal,

Die hunne sterkte sterkt. Doch laat hen eerst,

Ja, om ons aller wil, hun kracht beproeven.

Zoo deed uw zoon; zoo liet men hem begaan,

Zoo werd ik weeuw, en leef nooit lang genoeg

Om tot herinn’ring aan mijn eed’len gâ

’t Herinn’ringskruid met tranen te besproeien,

Zoodat het tot den hemel groeit en spruit.

Northumberland.

Kom mede in huis. ’t Is nu in mijn gemoed,

Als met den vloed, die tot zijn hoogte zwol,

Tot stilstand komt en her- noch derwaarts vliet

Den aartsbisschop ging ik volgaarne helpen,

Doch duizend gronden houden mij terug.—

Het zij; ik ga naar Schotland, waar ik wacht,

Tot tijd en voordeel roepen: breng uw macht!

(Allen af.)

[532]

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in de herberg “Het Zwijnshoofd”, in Eastcheap.

Twee Tapperknechts komen op.

Eerste Tappersknecht.

Wat duivel heb je daar gebracht? pippelingen? Je weet, dat Sir John geen pippelingen kan uitstaan.

Tweede Tappersknecht.

Sakrement, dat is waar ook. De Prins zette eens een schotel met pippelingen voor hem neer, met het zeggen, dat daar nog vijf andere pippelingen waren; en, terwijl hij zijn hoed afnam, zeide hij: “ik neem hiermede afscheid van deze zes droge, ronde, oude, gerimpelde pippelingen”. Het ergerde hem in zijn ziel, maar hij is het nu wel weer vergeten.

Eerste Tappersknecht.

Nu, dek dan maar, en zet ze neer; en zie, of je Sluipert zijn muziektroep vinden kunt; juffrouw Scheurlaken wilde graag wat muziek hebben. Maak voort; de kamer, waar ze gegeten hebben, is snikheet; ze komen zoo dadelijk hier naar toe.

Tweede Tappersknecht.

Kerel, straks komt de Prins hier en Sinjeur Poins, en zij willen twee van onze kielen en schorten aandoen en Sir John moet er niets van weten; Bardolf heeft de boodschap gebracht. 120

Eerste Tappersknecht.

Sakrement, dat zal een ouwerwetsche grap zijn; het zal een heerlijke hinderlaag wezen.

Tweede Tappersknecht.

Ik ga zien, of ik Sluipert vinden kan.

(Tweede Tappersknecht af.)

(De Waardin en Doortje Scheurlaken komen op.)

Waardin.

Waarachtig, mijn hartje, mij dunkt, je bent nu in een overheerlijke temperamentuur, je pols slaat zoo innorm, als het hart maar kan wenschen, en je kleur, ik verzeker je, is zoo rood als er één roos is; maar wezenlijk, je hebt wat veel kanariesek gedronken en dat is een wonderlijk opzetterige wijn en die gaat in het bloed zitten, eer men zeggen kan: “wat is dat?”—Hoe gaat het je nu?

Doortje.

Beter dan straks, hum!

Waardin.

Nu, dàt doet goed. Een gezond hart is goud waard. Zie, daar komt Sir John aan.

(Falstaff komt op, zingend.)

Falstaff.

Toen Arthur pas ten hove kwam”,—Gooi den nachtspiegel uit!—

(Eerste Tappersknecht af.)

“En een wakker koning was”,—

Hoe gaat het, juffer Doortje?

Waardin.

Ze is niet wel; zij is schrikkelijk gecalmeerd, ja waarachtig.

Falstaff.

Zoo zijn alle vrouwen, als zij eerst gecalmeerd zijn, worden zij ziek.

Doortje.

Jij vette modderschelm, is dat al de troost, dien je mij geeft?

Falstaff.

Jij sleept ons door de modder, juffer Doortje.

Doortje.

Doe ìk dat? Slemperij en ziekten doen dat, ik niet.

Falstaff.

Als de kok ons aan het slempen helpt, dan help jullie ons aan de ziekte, Doortje; wij nemen wat van jullie mee; erken dat, lieve maagd, erken dat.

Doortje.

Nu, zeker, onze kettingen en juweelen.

Falstaff.

Ja “robijnen en karbonkels”;—want je weet, wie wakker dient, komt hinkend thuis; dapper uit de bres met gevelde piek en dapper naar den heelmeester; dapper op de geladen kanonnen af,—

Doortje.

Laat je hangen, jij modderaal, laat je hangen!

Waardin.

Op mijn woord, het oude liedje, jullie tweeën komt niet bij elkaâr, of je hebt het aan den stok. Jullie beiden bent waarachtig zoo raspig als twee sneden geroosterd brood; de een kan de confirmiteiten van den ander niet verdragen. Wel lieve tijd, een van beiden moet dragen en (Tot Doortje.) dat moet jij zijn; jij bent het zwakke vat, om zoo te zeggen, het leêge vat. 66

Doortje.

Kan een zwak, leêg vat zulk een reusachtig, vol okshoofd dragen? Hij heeft een geheele Bordeauxlading in ’t lijf; geen scheepsruim kan beter volgestuwd zijn.—Kom, ik wil goede vrienden met je zijn, Hans; je trekt in den oorlog; en of ik je ooit weer zien zal, daar bekommert zich geen sterveling om.

(De Tappersknecht komt weer op.)

Tappersknecht.

Heer, vaandrig Pistool is beneden en wil u spreken.

Doortje.

Naar de galg met dien schoft van een blaaskaak! laat hem niet binnenkomen; hij zet den grootsten schurkenmond op in heel Engeland.

Waardin.

Als hij een blaaskaak is, laat hem dan niet binnen; neen, bij mijn ziel niet; ik moet met mijn buren leven; ik moet van blaaskaken niets hebben. Ik sta te goeder naam en faam bij de beste luî.—Sluit de deur toe;—hier komen geen blaaskaken binnen. Ik ben niet zoo oud geworden, om hier nu leven te hebben.—Doe de deur toe, bid ik je.

Falstaff.

Wil je hooren, waardin?

Waardin.

Ik bid u, houd uw gemak, Sir John! blaaskaken komen hier niet binnen. [533]

Falstaff.

Maar hoor dan toch; het is mijn vaandrig.

Waardin.

Larifari, Sir John, spreek er mij niet van; uw vaandrig-blaaskaak komt mijn deur niet in. Voor een dag of wat was ik bij den heer Spichtig, den heer van de buurt; en die zeide,—het is niet langer dan verleden Woensdag,—“Buurvrouw Haastig”, zeide hij; onze heeroom Stom was er ook bij;—“Buurvrouw Haastig”, zei hij, “neem alleen fatsoenlijke lieden op, want”, zeide hij, “je staat in een slechten naam”,—nu, dat zeide hij, en ik weet wel waarom;—“want”, zeide hij, “je bent een brave vrouw en men denkt goed over je; let daarom wel op, welke gasten gij opneemt; neem” zeide hij, “geen levenmakers op”.—Ik laat er geen binnen;—ge zoudt een kruis slaan, als ge gehoord hadt, wat hij zeide.—Neen, geen blaaskaak in mijn huis.

Falstaff.

Hij is geen blaaskaak, waardin; een makke zwendelaar is hij, waarachtig; hij laat zich van je zoo geduldig streelen als een schoothondje; hij zou niet blazen tegen een kalkoensche hen, wanneer zij haar veêren maar even opzet, alsof zij hem wil aanvliegen.—Roep hem boven, man. 109

Waardin.

Een zwendelaar zegt gij? Voor een fatsoenlijk man wil ik mijn huis niet sluiten, en voor een zwendelaar ook niet; maar een blaaskaak mag ik niet lijden. Waarachtig, ik krijg het te kwaad, als iemand maar spreekt van een blaaskaak. Voelt maar eens, vrienden, hoe ik sidder; ziet gij? ik verzeker het u.

Doortje.

Dat doe je, waardin.

Waardin.

Niet waar? Ja, wis en zeker doe ik het, als een espeblad. Ik kan blaaskaken niet uitstaan.

(Pistool, Bardolf en de Page komen op.)

Pistool.

God zegen u, Sir John!

Falstaff.

Welkom, vaandrig Pistool. Hier, Pistool, ik laad u met een glas sek; trek gij af op onze waardin.

Pistool.

Ik zal op haar aftrekken, Sir John, met twee kogels.

Falstaff.

Zij is tegen pistoolkogels bestand, man, uw kaliber zal haar geen leed doen.

Waardin.

Loop, ik drink geen bestands en geen kalibers. Ik drink niet meer dan mij dient, om niemands wil, ik niet.

Pistool.

Dan geldt het u, juffer Dorothea; dan is de lading voor u.

Doortje.

Voor mij? Loop heen, jij smerige hondsvot! Wat! Zoo’n arme, gemeene, schelmachtige, zwendelende sinjeur Zonderhemd! Weg, jij beschimmelde schavuit, weg! Ik ben een lekkerbeetje voor uw meester.

Pistool.

Ik ken u, juffer Dorothea.

Doortje.

Pak je weg, jij gauwdief, jij smerige schelm van een beurzensnijder! Bij dezen wijn, ik stoot je mijn mes tusschen je schimmelige kinnebakken, als je bij mij wilt kapen. Loop heen, jij bierslungel, jij versleten stompdegentrekker, jij!—Sinds wanneer? dat zou ik wel willen hooren, man!—Wat weerlicht! met twee nestels op den schouder! ’t is wat moois!

Pistool.

Dat kost aan je halskraag het leven!

Falstaff.

Niet verder, Pistool; pas op, zeg ik, dat je hier niet afgaat: trek af, Pistool, buiten ons gezelschap.

Waardin.

Neen, beste hopman Pistool, niet hier, lieve hopman. 150

Doortje.

Hopman? jij afschuwelijke, vervloekte gauwdief, schaam jij je niet, dat men je hopman noemt? Als hoplieden er over dachten zooals ik, dan knuppelden zij je de deur uit, omdat jij hun namen aanneemt, voor je die verdiend hebt. Jij een hopman, jij vlegel! waarvoor? omdat je een arme deerne in een bordeel haar kraag durft afscheuren?—Hij een hopman! hang hem op, den schelm! hij leeft van beschimmelde gestoofde pruimen en oudbakken koeken. Een hopman! zulke spitsboeven zullen het woord “hopman” even zoo gehaat maken als het woord “onderhouden”, dat een kostelijk goed woord was, eer het in slecht gezelschap kwam; daarom moeten hoplieden er het oog op houden.

Bardolf.

Ik bid je, ga naar beneden, goede vaandrig.

Falstaff.

Hoor eens hier, juffer Doortje.

Pistool.

Naar beneden, ik! ik zal u wat zeggen, korporaal Bardolf, ik zou haar kunnen verscheuren; ik wil wraak op haar nemen.

Page.

Ik bid u, ga naar beneden.

Pistool.

Eer zie ik haar verdoemd

Tot Pluto’s jammermeer en hellepoel,

Met Erebus en schand’lijke tortuur.

Houdt lijn en hoek gereed, zeg ik.

Daalt, honden, diep! verzinkt, gij schikgodinnen!

Is hier Irene niet?

Waardin.

Beste hopman Pistool, wees bedaard; het is al recht laat; ik smeek u, inflammeer uw drift!

Pistool.

Recht fraaie nukken! zouden zich pakpaarden

En knollen, voos en log, van Asia,

Die op een dag nauw dertig mijlen loopen,

Met Caesars en met Kanibaals hier meten,

En met Trojaansche Grieken? Eer verdoem’[534]

Hen koning Cerberus en loeie ’t zwerk!

Om zulk een speelpop twist!

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.

Waardin.

Bij mijn ziel, hopman, dat zijn recht harde woorden.

Bardolf.

Ga toch heen, beste vaandrig, anders komt hier nog een kloppartij van.

Pistool.

Slaat menschen dood als honden! geeft vrij kronen

Als spelden weg! Is hier Irene niet?

Waardin.

Op mijn woord, hopman, zoo iemand is hier niet. Wel, mijn lieve tijd! denkt gij, dat ik haar zou verloochenen? Om Gods wil, wees bedaard.

Pistool.

Zoo eet dan en word vet, mijn gâ Calipolis!

Kom, geef wat sek.

(Hij bekijkt het lemmet van zijn zwaard.)

Si fortune me tormente, sperato me contente.

Wij bang voor kruit? Laat vrij den duivel vuren!

Geef mij wat sek; en gij, mijn lief, lig hier.

(Hij legt zijn zwaard af.)

Zijn wij aan ’t eind? blijft elk “et cet’ra” weg?

Falstaff.

Pistool, ik wil rust hebben.

Pistool.

Ik kus de knuist u, beste ridder mijn.—

Och kom, wij hebben samen het zevengesternte gezien. 201

Doortje.

Om ’s hemels wil, gooit hem de trap af! ik kan zulk een snoevenden schoft niet uitstaan.

Pistool.

De trap af? Nu, huurknollen kennen we ook!

Falstaff.

Smijt hem de trap af, Bardolf, als een keisteentje. Als hij niets doet, dan wat niets is spreken, zal hij hier ook niets wezen.

Bardolf.

Kom, scheer je de trap af.

Pistool.

Wat! moeten we aderlaten? vloeren drenken?

(Hij neemt zijn zwaard op.)

Dood, wieg me in slaap dan! kort mijn jammerdagen!

Welaan dan, wonden, grievend, gruw’lijk, gapend,

Ontboeit der Zust’ren trits! kom, Atropos, zeg ik!

Waardin.

Wat! dat is een fraaie vertooning!

Falstaff.

Geef mij mijn rapier, jongen.

Doortje.

Ik bid je, Hans, ik bid je, trek niet.

Falstaff.

De trap af, jij daar!

(Hij trekt.)

Waardin.

Dat is een fraai tumult! Ik wil het herberghouden afzweren, liever dan in zulke angsten en terreuren leven.—Nu, dat geeft nog moord, zeg ik u.—Ach, ach, steekt uw naakte wapens op!

(Bardolf en Pistool af.)

Doortje.

Ik bid je, Hans, wees bedaard; de schoft is weg. O, jij vervloekte kleine dappere hondsvot, jij!

Waardin.

Ben je niet gewond in de lies? mij docht, hij deed een leelijken stoot naar uw buik.

(Bardolf komt weder op.)

Falstaff.

Heb je hem de deur uitgezet?

Bardolf.

Ja, heer; de schoft is dronken. Gij hebt hem gewond, heer, aan den schouder.

Falstaff.

Welk een schoft, mij te trotseeren!

Doortje.

O jij allerliefste kleine schelm, jij! Ach, arm aapje, is dat zweeten! Kom, laat mij je gelaat eens afwisschen;—komaan, jij liederlijk stuk vleesch!—O, schelm, waarachtig, ik bemin je. Je bent zoo dapper als Hector van Troje, vijf Agamemnons waard, en tienmaal beter dan de negen Londensche optochthelden.—O die spitsboef!

Falstaff.

Die schavuitige vlegel! Ik wil den schoft op een deken jonassen.

Doortje.

Ja, doe het, als je het hart hebt; als je het doet, zal ik je tusschen twee lakens er over hooren. 244

(Er komen Muzikanten op.)

Page.

Heer, daar zijn de muzikanten.

Falstaff.

Laat hen spelen.—Speelt, mannen.—Kom op mijn knie zitten, Doortje.—Wat een ellendige pochvlegel! De schoft liep voor mij weg als kwikzilver.

Doortje.

Ja, waarachtig en je zat hem achterna als een kerk. Jij liederlijk, klein, fijn Bartholomeus-biggetje, wanneer zul je ophouden overdag te vechten en ’s nachts te schermutselen, en eens beginnen je oud lijf voor den hemel op te flikken?

(Op den achtergrond verschijnen Prins Hendrik en Poins, als tappersknechts verkleed.)

Falstaff.

Stil, lieve Door, spreek niet als een doodshoofd; vermaan mij niet aan mijn einde te denken.

Doortje.

Zeg mij eens, wat voor een soort van mensch is de Prins?

Falstaff.

Een goed beperkt jongmensch; hij zou wel voor broodmeester gedeugd hebben; hij zou het brood goed hebben voorgesneden.

Doortje.

Maar Poins, zegt men, heeft nog al geest.

Falstaff.

Hij nog al geest? aan de galg met den baviaan. Zijn geest is zoo dik als Tewksburger mosterd, hij heeft niet meer vernuft, dan er in een wilden woerd zit.

[535]

Doortje.

En waarom mag de Prins hem dan zoo graag lijden?

Falstaff.

Omdat hun beenen van één dikte zijn, en omdat hij goed kan keilen; en hij eet zeepaling en venkel; en hij slikt brandende stompjes kaars met den wijn in, en speelt haasje-over met de tappersknechts, en springt op vouwstoelen, en vloekt met gratie, en hij draagt zijn laars zoo glad als een schoenmakers-uithangbeen; en hij bezorgt hem geen twist door het uitbrengen van fraaie geschiedenissen; en meer zulke hansworsttalenten bezit hij, die van een zwakken geest en een kloek lichaam getuigen, en daarom laat de Prins zich met hem in. Want de Prins is geheel als hij; het gewicht van een haar zal op de weegschaal aan den een of den ander den doorslag geven.

Prins Hendrik.

Zou men dien spekklomp er de ooren niet voor afsnijden!

Poins.

Laat ons hem afrossen voor de oogen van zijn slet.

Prins Hendrik.

Kijk, laat de rimpelige oude kerel zich den kop niet krauwen als een papegaai?

Poins.

Is het niet vreemd, dat de begeerte het volbrengen zoo veel jaren overleeft?

Falstaff.

Kus mij, Doortje. 285

Prins Hendrik.

Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. Wat zegt de almanak daarvan?

Poins.

En zie eens, zijn knecht, de vurige triangel, staat die daar niet te fluisteren met het oude register van zijn heer, zijn schrijflei, zijn geheimboek?

Falstaff.

Je geeft mij innige zoentjes.

Doortje.

Ja waarlijk, ik kus je met een recht bestendig hart.

Falstaff.

Ik ben oud, ik ben oud.

Doortje.

Ik houd meer van jou dan van al dat jong geboefte bij elkaâr.

Falstaff.

Van wat voor stof wil je een schortje hebben? Aanstaanden Donderdag krijg ik geld; morgen zul je een muts van mij hebben. Kom, een vroolijk lied; het wordt laat, wij willen naar bed. Je zult me vergeten, als ik weg ben.

Doortje.

Bij mijn ziel, je brengt me aan het schreien, als je dat zegt; let maar op, of ik me ééns mooi zal aankleeden, tot je terug bent.—Kom, luister naar het slot.

Falstaff.

Wat sek, Frans!

Prins Hendrik en Poins

(vooruittredend). Dadelijk, heer, dadelijk.

Falstaff.

Ha! een basterdzoon van den koning!—En ben jij niet een broertje van Poins?

Prins Hendrik.

O jij aardbol van zondige landen, wat is dat voor een leven, dat je leidt?

Falstaff.

Een beter dan gij; ik ben een edelman en gij een tapper.

Prins Hendrik.

Zeer juist, Sir, en ik kom om je den tap toe te doen en je de ooren te wasschen.

Waardin.

O, de hemel beware uwe lieve genade! Op mijn woord, welkom in Londen.—Nu, de Heer zegene dit liefelijk gelaat van u! O Jezus, komt gij uit Wales?

Falstaff.

Gij liederlijk en verdwaasd stuk majesteit,—bij dit licht (Hij legt de hand op Doortje.) vleesch en verdorven bloed, gij zijt welkom.

Doortje.

Wat, jij vette zotskap? je kunt me gestolen worden.

Poins.

Mylord, hij zal u van uw wraak afbrengen, en alles in een grap verkeeren, als gij niet de eerste hitte waarneemt.

Prins Hendrik.

Jij liederlijke smeerkaarsmijn, jij, hoe schandelijk spraakt gij daareven van mij tot deze eerzame, deugdzame, fatsoenlijke juffer!

Waardin.

God zegene uw goed hart! dat is ze ook, bij mijn ziel. 330

Falstaff.

Hebt gij het gehoord?

Prins Hendrik.

Ja, en je kende mij, zooals je deedt, toen je bij Gadshill op den loop gingt; je wist, dat ik achter je stond en spraakt opzettelijk zoo, om mijn geduld op de proef te stellen.

Falstaff.

Neen, neen, neen, dat niet; ik dacht niet, dat je mij hooren kondt.

Prins Hendrik.

Dan zal ik er je toe drijven, dat je den opzettelijken laster erkent; en dan weet ik, hoe ik met je te doen heb.

Falstaff.

Geen laster, Hein; op mijn eer, geen laster.

Prins Hendrik.

Niet! mij te beschimpen, en mij broodmeester, en voorsnijder en ik weet niet wat te noemen?

Falstaff.

Geen laster, Hein.

Poins.

Geen laster!

Falstaff.

Geen laster, Edu, ter wereld niet; neen, brave Edu, volstrekt niet. Ik beschimpte hem bij de goddeloozen, opdat de goddeloozen niet op hem zouden verlieven;—en door zoo te doen heb ik gehandeld als een bezorgd vriend en getrouw onderdaan, en uw vader is er mij dank voor schuldig. Geen laster, Hein;—in het minst niet, Edu;—neen, jongens, waarachtig, niet in het minst.

[536]

Prins Hendrik.

Zie nu eens, brengt loutere vrees of algeheele lafhartigheid er je niet toe, van deze deugdzame juffer kwaad te spreken, om je met ons te verzoenen? Is zij van de goddeloozen? Is de waardin hier van de goddeloozen? Of is de jongen van de goddeloozen? of de eerlijke Bardolf, wiens geloofsijver in zijn neus gloeit, van de goddeloozen?

Poins.

Antwoord, jij afgestorven olm, antwoord!

Falstaff.

De Booze heeft Bardolf onherroepelijk aangekalkt; en zijn gezicht is Lucifers bijzondere keuken, waar hij niets doet dan moutwurmen roosteren. Wat den jongen aangaat,—er is een goede engel om hem heen, maar de duivel blijft ook boven dezen aan ’t bod.

Prins Hendrik.

En de vrouwen?

Falstaff.

De een van haar, die is reeds in de hel en verbrandt arme zielen. Wat de ander betreft; ik ben haar geld schuldig, en of zij daarvoor verdoemd is of niet, weet ik niet.

Waardin.

Neen, waarachtig niet.

Falstaff.

Neen, ik geloof het ook niet; ik geloof, daar ben je vrij van. Maar er is nog een andere aanklacht tegen je, dat je tegen de wet in je huis vleesch laat eten; en daarvoor, geloof ik, zul je eens huilen. 374

Waardin.

Dat gebeurt in alle gaarkeukens. Wat wil een schapebout of twee zeggen in een heele vasten?

Prins Hendrik.

Gij, mejuffer,—

Doortje.

Wat zegt uwe genade?

Falstaff.

Zijne genade zegt iets, waartegen zijn vleesch in opstand komt.

(Er wordt geklopt.)

Waardin.

Wie klopt daar zoo hard op de deur? kijk eens aan de deur, Frans!

(Peto komt op.)

Prins Hendrik.

Zoo Peto! spreek, wat is er?

Peto.

De vorst, uw vader, is te Westminster;

Een twintig moede, matte boden kwamen

Van ’t noorden aan; en onderweg haalde ik

Hoplieden in, wel een dozijn; die klopten

Blootshoofds, bezweet, aan elke herberg aan,

En vroegen iedereen naar Sir John Falstaff.

Prins Hendrik.

Bij God, Poins, laakbaar is het, dit erken ik,

Dat ik den eed’len tijd zoo wuft ontwijd,

Terwijl, als zuiderstorm, des oproers onweer

Met zwarte wolken nadert, smelten gaat,

En neerdrupt op ons naakt, nog weerloos hoofd.

Mijn zwaard en mantel hier!—Falstaff, goê nacht!

(Prins Hendrik, Poins, Peto en Bardolf af.)

Falstaff.

Nu komt het lekkerst hapje van den geheelen avond en wij moeten weg, en het onaangeroerd laten. (Er wordt geklopt.) Nog al meer geklop op de deur!

(Bardolf komt terug.)

Nu, wat is er?

Bardolf.

Gij moet naar ’t hof, heer, daad’lijk; een dozijn

Hoplieden staan u aan de deur te wachten.

Falstaff

(tot den Page). Betaal de muzikanten, jongen.—Vaarwel, waardin; vaarwel, Doortje. Gij ziet, mijn lieve vrouwtjes, hoe mannen van verdiensten gezocht zijn; de verdienstelooze kan blijven slapen, terwijl de man van daden wordt opgeroepen. Vaartwel, lieve vrouwtjes. Als ik niet op staanden voet weg moet, zie ik je nog, voor ik ga. 408

Doortje.

Ik kan niet spreken;—als mijn hart niet tot berstens toe vol is!—nu, mijn Hans, neem je in acht!

Falstaff.

Vaarwel, vaarwel!

(Falstaff en Bardolf af.)

Waardin.

Nu, vaarwel! negen en twintig jaar heb ik je gekend, als de jonge erwten komen; maar een braver kerel, een trouwer hart,—nu vaarwel!

Bardolf

(buiten). Juffer Scheurlaken!

Waardin.

Wat is er?

Bardolf

(buiten). Zeg aan juffer Scheurlaken, dat zij bij mijn meester komt.

Waardin.

O! loop, Doortje! loop, lieve Doortje!

(Beiden af.)

[Inhoud]

DERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Een kamer in het paleis.

Koning Hendrik komt op, in huisgewaad, met een Page.

Koning Hendrik.

Ga, roep de lords van Surrey en van Warwick;

Maar zeg hun, eer zij komen, dezen brief

Aandachtig te overwegen. Ga, maak spoed!—

(De Page af.)

Hoe vele duizend need’rige onderdanen

Zijn thans in slaap!—O slaap, o zoete slaap!

Natuurs verpleger, hoe dreef ik u heen,

Dat gij mijn oogleên niet bezwaren wilt,[537]

Mijn zinnen domp’len in vergetelheid?

Waarom, o slaap, ligt ge in den rook van stulpen,

En strekt ge u liever uit op prikk’lig stroo,

Door ’t nachtgegons van vliegen ingedommeld,

Dan in der grooten zoetdoorgeurd vertrek,

Door rijke kostb’re hemels overwelfd,

En ingesust door zoete melodieën?

O dommelgod, waarom ligt gij bij beed’laars

In ’t walglijk bed, en schuwt des konings sponde,

Alsof ze een wacht- of stormklokhuisje waar’?

Verzegelt ge op een zwiepend hooge mast

Des jongen scheep’lings oog, en wiegt zijn brein

In ’t schommelbed der woeste, trotsche branding,

En midden in de werv’ling van den storm,

Die bij de kuif de woeste baren pakt,

Haar reuzenkoppen kroest en met verdoovend

Gebrul die ophangt in het druipend zwerk,

Zoodat de dood zelfs van ’t geraas ontwaakt?

Verleent ge, o slaap, partijdig den doornatten

Scheepsjongen in zoo schrikk’lijk uur uw rust,

En weigert ge in de stilste, kalmste nacht,

Bij alle hulp en midd’len, haar een koning?

Zoo vlij u neer, benijdb’re dorperszoon!

Hard ligt het hoofd, omsloten door een kroon.

(Warwick en Surrey komen op.)

Warwick.

Uw majesteit, een schat van goede morgens! 32

Koning Hendrik.

Is ’t goede morgen, lords?

Warwick.

Is ’t goede morgen, lords? ’t Is over éénen.

Koning Hendrik.

U beiden goeden morgen dan, mylords!

Hebt gij den brief gelezen, dien ik zond?

Warwick.

Wij deden ’t, heer en vorst.

Koning Hendrik.

Dan weet gij, hoe het lichaam onzes rijks

Zwaar krank is, en hoe weeldrig booze kwalen

Er woek’ren, dicht bij ’t hart, tot groot gevaar.

Warwick.

Het is slechts als een lichaam, dat onwel is,

Maar dat tot vroeg’re kracht herstellen kan,

Door goeden raad en luttel artsenij.

Mylord Northumberland zal dra verkoeld zijn.

Koning Hendrik.

God! kon een mensch in ’t boek van ’t noodlot lezen,

Aanschouwen, hoe der tijden ommezwaai

De bergen effent, hoe het vaste land,

Zijn hechte vastheid moede, in zee vervloeit;—

Zag hij op and’ren tijd des oceaans

Omgordende’ oever voor Neptunus’ heupen

Te wijd geworden;—hoe het toeval spot,

En omkeer staâg der wiss’ling beker vult

Met and’re dranken! O, zag iemand dit,

De blijdste jong’ling—zóó zijn weg aanschouwend,

Doorstaan gevaar en nog te lijden nood,—

Hij sloot het boek en zette zich tot sterven.

Tien jaren zijn ’t nog niet,

Sinds Richard en Northumberland slampampten

Als groote vrienden; en geen twee jaar later

Bestreden zij elkaâr. Acht jaar slechts zijn ’t,

Dat deze Percy, toen mijns boezems vriend,

Gelijk een broeder sloofde in mijn belang,

En liefde en leven aan mijn voeten leide,

Ja, Richard in ’t gezicht om mijnentwil

Trotseerde. Doch,—wie uwer was er bij?—

Als ik mij wel herinner, gij neef Nevil—

Dat Richard, ’t oog van tranen overstelpt,

Wijl hem Northumberland beschimpte en gispte,

De woorden sprak, die nu profetisch blijken:

“Northumberland, gij ladder, waar mijn neef,

Waar Bolingbroke mijn troon nu mee bestijgt,”—

Schoon ik, God weet het! zulk een plan niet voedde;

Noodzaak’lijkheid slechts boog den staat zoo neêr,

Dat ik de grootheid was verplicht te kussen;—

“Eens komt de tijd,” zoo voer hij voort, “hij komt,

Dat booze zonde rijpt, en zich verzaam’len

En openbreken zal;”—toen sprak hij verder,

En spelde heel den toestand dezes tijds,

En ook uitdrukk’lijk onze vriendschapsbreuk.

Warwick.

Elk menschenleven is als een geschied’nis, 80

Die de natuur des dooden tijds weerspiegelt;

Wie goed haar nagaat, profeteert allicht,

Met scherpen blik, het hoofdverloop der dingen,

Die nog niet leven, maar die in hun zaad

En zwakken oorsprong weggeborgen rusten;

De tijd broedt ze uit en kweekt ze verder op;—

En daar noodwendig volgen moet wat volgt,

Kon koning Richard ’t wis vermoeden vormen,

Dat deze groote graaf, valsch jegens hem,

Ontkiemend, groeien zou tot grooter valschheid,

Die nergens grond ter wort’ling vinden zou,

Dan juist bij u.

Koning Hendrik.

Zijn deze dingen noodzaak?

Dàn haar bejegend, als men noodzaak doet!

En nu juist roept ditzelfde woord ons op:

De bisschop en Northumberland, zoo zegt men,

Zijn vijftigduizend sterk.

Warwick.

Zijn vijftigduizend sterk. Dit kan niet zijn, mijn vorst,

’t Gerucht verdubbelt, als de stem der echo,

Het tal van wie men ducht.—Ik smeek uw hoogheid,

Leg u ter ruste; bij mijn leven, heer,

De macht, die gij alreeds hebt afgezonden,

Brengt zeer gemakk’lijk dezen buit u aan.

Tot meerder troost nog dit: ik heb vernomen,

En zeker, dat Glendower gestorven is.

Gij zijt, mijn vorst, nu veertien dagen krank,

En zulk ontijdig waken moet volstrekt

Uw ziekte doen vererg’ren.

[538]

Koning Hendrik.

Uw ziekte doen vererg’ren. ’k Volg uw raad;

En ware reeds dit oproer overmand,

Wij trokken, waarde lords, naar ’t heilig land.

(Allen af.)

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Plein voor het huis van den vrederechter Zielig in Glostershire.

Zielig en Stil komen op, van verschillenden kant. Schimmelig, Schaduw, Wrat, Slap en Bulkalf, benevens Bedienden, op den achtergrond.

Zielig.

Welzoo, welzoo, welzoo, man; geef mij de hand, man! geef mij de hand, man; vroeg op het pad, bij mijn ziel. En hoe maakt het mijn goede neef Stil?

Stil.

Goeden morgen, goede neef Zielig!

Zielig.

En hoe maakt het mijn nicht, uw echtgenoot? en onze allerliefste dochter, mijn petekind Lena?

Stil.

Ach, een zwarte merel, neef Zielig.

Zielig.

Bij ja en neen, neef, ik durf wedden, dat mijn neef Willem een goed studiosus is geworden. Hij is nog te Oxford, niet waar?

Stil.

Zeker; hij kost mij geld.

Zielig.

Dan moet hij binnenkort naar de gerechtshoven. Ik ben indertijd bij het Sint-Clemenshof geweest; ze zullen daar, denk ik, nog wel van den dollen Zielig spreken. 16

Stil.

Gij werdt toen de vroolijke Zielig genoemd, neef.

Zielig.

Bij het sacrament, ik werd van alles genoemd; en ik zou ook van alles gedaan hebben, waarachtig, en zonder bedenken ook. Daar was ìk, en de kleine Jan Duit uit Staffordshire, en de zwarte George Kaal, en Frans Pikkebeen, en Willem Kwaak uit Cotswold; vier zulke kemphanen zijn er sedert bij alle gerechtshoven samen niet geweest, en,—dit wil ik u wel zeggen,—wij wisten, waar er willige waar te vinden was en hadden altijd de besten er van tot onze beschikking. Daar was ook Hans Falstaff, nu Sir John, een jonge borst en page van Thomas Mowbray, hertog van Norfolk.

Stil.

Diezelfde Sir John, neef, die nu om soldaten hier naar toe komt?

Zielig.

Dezelfde Sir John, ja, dezelfde. Ik heb hem Skogan aan den ingang van ons gerechtshof een gat in ’t hoofd zien slaan, toen hij nog een bengel was, niet zóó hoog; en dien eigen dag vocht ik met een zekeren Simson Stokvisch, een fruitkooper, achter Gray’s gerechtshof. Jezus, Jezus! wat dolle dagen heb ik daar doorgebracht! En als ik nu zie, hoe veel oude kennissen er al dood zijn!

Stil.

Wij zullen allen volgen, neef.

Zielig.

Zeker, ’t is zeker; dat zegt ge wel, dat zegt ge wel; de dood, zegt de Psalmist, is het deel van allen; allen moeten sterven.—Hoe veel deed een goed juk ossen op de Stamfordermarkt?

Stil.

Om de waarheid te zeggen, neef, ik ben er niet geweest.

Zielig.

De dood komt zeker. Is de oude Dubbel daar bij u in de stad nog in leven?

Stil.

Dood, neef.

Zielig.

Jezus, Jezus, dood!—Hij spande een goeden boog;—en dood!—hij schoot een mooi schot;—Jan van Gent mocht hem graag lijden en hield altijd veel geld op zijn hoofd. Dood!—Op twee honderd-en-veertig el trof hij het wit en dreef je een puikbesten pijl wel tot twee honderd-en-tachtig of ook wel negentig, dat het iemands hart goed deed het te zien.—Hoeveel doet het dozijn schapen tegenwoordig?

Stil.

Al naar dat ze zijn. Een dozijn goede schapen zal zijn tien pond wel waard zijn.

Zielig.

En is de oude Dubbel dood? 58

(Bardolf komt op, van een Makker vergezeld.)

Stil.

Daar komen, denk ik, twee van Sir John Falstaff’s mannen aan.

Bardolf.

Goeden morgen, edele heeren! Ik bid u, wie is hier de vrederechter Zielig?

Zielig.

Ik ben Robert Zielig, heer, een arm grondeigenaar in dit graafschap, en een van ’s konings vrederechters. Wat is er van uw dienst?

Bardolf.

Mijn hopman laat u groeten, heer; mijn hopman, Sir John Falstaff; een geweldig ridder, bij den hemel, en een recht dapper aanvoerder.

Zielig.

Mijn dank voor zijn groet, heer; ik heb hem gekend, een goede houwdegen. Hoe gaat het den goeden ridder? en mag ik vragen, hoe gaat het mevrouw zijn gemalin?

Bardolf.

Neem niet kwalijk, heer; een soldaat is beter geaccommodeerd dan met een vrouw.

Zielig.

Goed gezegd, heer, waarachtig! ja, en inderdaad ook ’t is goed gezegd. “Beter geaccommodeerd!”—zeer goed; ja, inderdaad, dat is het; goede phrasen, waarachtig, zijn en waren van oudsher zeer te recommandeeren. Geaccommodeerd! het komt van accommodo; zeer goed; een goede phrase!

Bardolf.

Neem me niet kwalijk, heer; ik heb het woord van hooren zeggen. Phrase noemt gij het? Bij den hemel, de phrase ken ik niet; maar het woord wil ik met mijn zwaard volhouden, [539]dat het een goed soldatenwoord is, en een uitmuntend goed woord om te commandeeren, ja waarachtig! Geaccommodeerd; dat is, als een mensch, om zoo te zeggen, geaccommodeerd is; of, als een mensch is,—zoo is,—waardoor,—dat men hem voor geaccommodeerd mag houden; wat een heerlijk ding is.

(Falstaff komt op.)

Zielig.

Dat is zeer waar.—Zie, daar komt de goede Sir John.—Geef mij uw waarde hand, geef mij uw edelheids waarde hand. Op mijn woord, gij ziet er goed uit en draagt uw jaren zeer goed; welkom hier, goede Sir John.

Falstaff.

Ik ben verheugd u wel te zien, mijn goede heer Robert Zielig.—De heer Troef, als ik wel heb?

Zielig.

Neen, Sir John, het is mijn neef Stil, mijn ambtgenoot.

Falstaff.

Waarde heer Stil, het is recht goed geschikt, dat gij vrederechter zijt.

Stil.

Uw edelheid is welkom.

Falstaff.

Foei! welk een heet weer!—Heeren, hebt gij mij hier een half dozijn geschikte manschappen bezorgd?

Zielig.

Zeker, dat hebben wij, heer. Wilt gij niet gaan zitten? 104

Falstaff.

Wees zoo goed en laat ze mij zien.

(Zij gaan zitten.)

Zielig.

Waar is de lijst? waar is de lijst? waar is de lijst?—Laat zien, laat zien, laat zien;—ja, zoo, zoo, zoo, zoo.—Ja, klaar, heer:—Dolf Schimmelig!—Die ik oproep, moeten vooruitkomen, ja, dat moeten zij, dat moeten zij.—Laat zien; waar is Schimmelig?

Schimmelig.

Hier, tot uw dienst.

Zielig.

Wat dunkt u, Sir John? een goedgebouwde knaap, jong, sterk en van goede komaf.

Falstaff.

Is je naam Schimmelig?

Schimmelig.

Ja, tot uw dienst.

Falstaff.

Des te meer wordt het tijd om je te gebruiken.

Zielig.

Ha ha ha! voortreffelijk, op mijn eer! wat schimmelig is, moet gebruikt worden; bijzonder, bijzonder goed!—Op mijn eer, goed gezegd, Sir John, zeer goed gezegd!

Falstaff.

Schrap hem aan.

Schimmelig.

Als gij mij met vrede hadt willen laten, moest ik mijzelf toch al schrap genoeg zetten; nu zal mijn oudje erg in den brand zitten, om iemand, die haar brouwerij en al haar gedoe bezorgt. Gij hadt mij niet behoeven aan te schrappen; er zijn andere lui genoeg om uit te trekken, vrij wat geschikter dan ik.

Falstaff.

Kom, kom, stil, Schimmelig! je moet mee, Schimmelig; het is tijd, dat je verbruikt wordt.

Schimmelig.

Verbruikt!

Zielig.

Stil, kerel, stil! ga ter zijde! Weet je wel, waar je bent?—Nu de anderen, Sir John;—laat zien:—Simon Schaduw!

Falstaff.

O ja, dien wil ik hebben om er onder te zitten; hij zal wel een koel soldaat wezen.

Zielig.

Waar is Schaduw?

Schaduw.

Hier, heer.

Falstaff.

Schaduw, wiens zoon ben je?

Schaduw.

Mijn moeders zoon, heer.

Falstaff.

Je moeders zoon? Wel denkelijk; en je vaders schaduw. Zoo is de zoon van de vrouw de schaduw van den man; het is dikwijls zoo, inderdaad, met niet veel van des vaders zelfstandigheid.

Zielig.

Bevalt hij u, Sir John? 143

Falstaff.

Schaduw is goed voor den zomer,—schrap hem aan, want wij hebben schaduwen in menigte om de monsterrol te vullen.

Zielig.

Thomas Wrat.

Falstaff.

Waar is hij?

Wrat.

Hier, heer.

Falstaff.

Is je naam Wrat?

Wrat.

Ja, heer.

Falstaff.

Je bent een recht voddige wrat.

Zielig.

Zal ik hem aanschrappen, Sir John?

Falstaff.

Dat zou overbodig wezen, zijn kleeding zit in rafels op zijn rug, daar valt niet meer te schrappen; en het geheele kereltje staat op twee schrappen; daarom geen schrap meer.

Zielig.

Ha, ha, ha!—gij hebt er slag van, Sir John; gij hebt er slag van, dat moet ik u nageven.—Frans Slap!

Slap.

Hier, heer.

Falstaff.

Wat ben je van je ambacht, Slap?

Slap.

Een vrouwensnijder, heer.

Zielig.

Zal ik hem aanschrappen, heer?

Falstaff.

Dat kunt gij doen, maar als hij een manssnijder geweest was, zou hij u geschrapt hebben.—Zul je zoo veel gaten maken in de rijen van den vijand, als je er in vrouwenrokken hebt gemaakt?

Slap.

Ik zal mijn best doen, heer; meer kunt gij niet verlangen.

[540]

Falstaff.

Goed zoo, goede vrouwensnijder; goed zoo, moedige Slap! Je zult zoo dapper wezen als de vertoornde duif of de heldhaftigste muis.—Geef den vrouwensnijder een flinke schrap, mijnheer Zielig,—een flinke krab, mijnheer Zielig!

Slap.

Ik wenschte, dat Wrat ook medeging, heer.

Falstaff.

Ik wenschte, datje een manssnijder waart, en hem kondt oplappen, en hem geschikt maken om te gaan. Ik kan hèm niet tot eenvoudig soldaat maken, die er zoo veel duizenden op nahoudt; laat dit je sufficient zijn, allergeweldigste Slap.

Slap.

Het zal sufficient zijn, heer.

Falstaff.

Ik ben je zeer verplicht, eerwaardige Slap.—Wie volgt?

Zielig.

Pieter Bulkalf uit den polder!

Falstaff.

Ja, komaan, laat ons Bulkalf zien.

Bulkalf.

Hier, heer.

Falstaff.

Bij God, een kloeke kerel!—Kom, schrap Bulkalf flink aan, tot hij terugbrult.

Bulkalf.

O Jezus! genadige heer hopman,—

Falstaff.

Wat! brul je, voor je een schrap hebt?

Bulkalf.

O Jezus, heer! ik ben een ziek mensch.

Falstaff.

Wat voor een ziekte heb je? 192

Bulkalf.

Een ellendige verkoudheid, heer; een hoest, heer, dien ik gekregen heb van het klokkeluiden in ’s konings dienst, op zijn kroningsdag.

Falstaff.

Kom, dan moet je in een wollen borstrok te velde trekken; wij zullen je die koû wel uitdrijven en ik zal er voor zorgen, dat je vrienden voor je zullen luiden.—Is dat alles?

Zielig.

Er zijn er al twee boven uw getal opgeroepen; gij moet er hier maar vier hebben, Sir;—en dus vraag ik u, ga met mij in huis en blijf er eten.

Falstaff.

Nu, ik wil wat met u gaan drinken, maar voor eten heb ik geen tijd. Ik ben blijde u te zien, op mijn woord, mijnheer Zielig.

Zielig.

O Sir John, heugt het u nog, hoe wij de geheele nacht in den windmolen op het Sint-Jorisveld lagen?

Falstaff.

Zwijgen wij daarvan, beste heer Zielig, zwijgen wij daarvan.

Zielig.

Ha, dat was een vroolijke nacht! En is Hanna Nachtwerk nog in leven?

Falstaff.

Ja, ze leeft nog, vriend Zielig.

Zielig.

Zij kon nooit met mij overweg.

Falstaff.

Nooit, nooit; ze plach altijd te zeggen, dat zij dien mijnheer Zielig niet uit kon staan.

Zielig.

Sakrement, ik kon haar plagen om dol te worden. Ze was toen een aardige deerne. Houdt ze zich nog goed?

Falstaff.

Oud, oud, vriend Zielig.

Zielig.

Ja, oud moet ze zijn; ze kan niet anders dan oud zijn; zeker is zij oud; ze had Hansje Nachtwerk al bij den ouden Nachtwerk, voor ik aan Sint-Clemenshof kwam.

Stil.

Dat is vijf en vijftig jaar geleden.

Zielig.

O neef Stil, hadt gij eens gezien, wat deze ridder en ik hebben gezien!—Zeg, Sir John, heb ik geen gelijk?

Falstaff.

We hebben de klokken te middernacht hooren spelen, vriend Zielig.

Zielig.

Dat hebben we, dat hebben we, dat hebben we; waarachtig, Sir John, dat hebben we. Ons wachtwoord was: “vooruit, jongens!”—Komt, gaan wij aan tafel; komt, gaan wij aan tafel! O, die dagen, die wij gezien hebben! komt, komt!

(Falstaff, Zielig en Stil af.)

Bulkalf.

Lieve heer koppraal Bardolf, doe een goed woord voor me; en daar zijn vier tien-schellings-Hendriken in Fransche kronen voor u. ’t Is de zuivere waarheid, heer, ik liet me even lief hangen, heer, als dat ik meega; en toch, van mijn kant, heer, geef ik er niet om; maar vooral omdat ik er geen lust in heb en van mijn kant verlang bij mijn vrienden te blijven; anders, heer, zou ik er van mijn kant zooveel niet om geven.

Bardolf.

Goed, ga daar ter zijde. 243

Schimmelig.

En, lieve heer korporaal hopman, ter wille van mijn oudje, doe een goed woord voor mij. Ze heeft niemand te huis, die haar helpt, als ik weg ben; en zij is oud en kan zichzelve niet helpen. Gij zult veertig schellingen hebben, heer.

Bardolf.

Goed, ga daar ter zijde.

Slap.

Op mijn woord, ik geef er niet om; een mensch kan maar eens sterven;—wij zijn God een dood schuldig. Ik zal nooit lafhartig wezen. Is het mijn lot, goed; is het mijn lot niet, ook goed. Geen mensch is te goed om zijn vorst te dienen; en laat het gaan, zoo als ’t wil; wie dit jaar sterft, is er voor ’t volgende van af.

Bardolf.

Goed gezegd! je bent een brave kerel.

Slap.

Waarachtig, ik zal niet lafhartig wezen.

(Falstaff en de Vrederechters komen terug.)

Falstaff.

Nu, heer, welke mannen moet ik hebben?

Zielig.

Vier, naar uw eigen verkiezing.

Bardolf

(zacht tot Falstaff). Een woordje, heer.—Ik heb drie pond om Schimmelig en Bulkalf vrij te laten.

[541]

Falstaff.

Goed! best!

Zielig.

Kom, Sir John, welke vier wilt gij hebben?

Falstaff.

Kies gij voor mij.

Zielig.

Nu dan: Schimmelig, Bulkalf, Slap en Schaduw.

Falstaff.

Schimmelig en Bulkalf;—jij, Schimmelig, blijf te huis, tot je voor den dienst niet meer deugt;—en jij, Bulkalf, groei nog wat, tot je er voor geschikt zijt; ik wil geen van je tweeën hebben.

Zielig.

Sir John, Sir John, gij doet uzelf schade; zij zijn uw knapste manschappen en ik zou u gaarne met de besten bediend hebben.

Falstaff.

Wilt gij mij leeren, mijnheer Zielig, hoe ik een soldaat moet uitzoeken? Vraag ik naar de ledematen, de spieren, de lengte, de dikte, het forsch voorkomen van een man? Geest verlang ik, mijnheer Zielig.—Daar hebt ge Wrat; gij ziet, wat een armzalig voorkomen hij heeft; maar hij zal je laden en vuren op de maat van een tinnegietershamer, af- en aanloopen, vlugger dan een, die de brouwersemmers aan de putgalg hangt. En daar dien kerel met dat halve gezicht, dien Schaduw;—die man moet ik hebben; hij geeft den tegenstander geen mikpunt; de vijand kan met evenveel kans aanleggen op de snede van een pennemes. En, op een terugtocht,—hoe vlug zal die Slap, de vrouwenkleermaker, wegloopen! O, geef mij die magere lui en houd de zware voor uzelf.—Geef aan Wrat een handbus, Bardolf. 290

Bardolf.

Hier, Wrat. Opgemarcheerd! Zoo,—zoo,—zoo!

Falstaff.

Kom, hanteer mij je vuurroer eens. Zoo;—zeer wel;—ga voort;—zeer goed;—uitstekend goed.—O niets beter dan zulk een kleine, magere, oude, rimpelige, kale schutter!—Goed gedaan, Wrat, waarachtig; je bent een brave schobbejak; hier, daar heb je een halven schelling.

Zielig.

Hij is nog geen meester in het handwerk, hij doet het nog niet goed. Ik herinner mij nog van het schuttersfeest op de Vogelweide,—toen ik nog aan het Clemenshof was,—ik was toen de hofnar in den Koning-Arthurs-optocht,—toen was daar een klein kittig kereltje; en hij ging met zijn vuurroer om,—zóó; en dan maakte hij rechtsom; en dan weer rechtsomkeert; “pif, paf!” zeide hij; “bom”, zeide hij; en dan was hij weer weg, en dan was hij weer terug;—zulk een kerel zie ik van mijn leven niet weer.

Falstaff.

Deze manschappen kunnen dienen, mijnheer Zielig.—God zegen’ u, mijnheer Stil; ik wil niet veel woorden met u zoek brengen.—Vaartwel, heeren, alle beiden; ik heb vanavond nog vier uur afstands voor de borst.—Bardolf, steek de soldaten in het pak.

Zielig.

Sir John, God zegen’ u, en de Hemel schenke u voorspoed in uw zaken, en geve ons vrede! Als gij terugkomt, bezoek dan mijn huis. Laat ons de oude kennis hernieuwen; misschien ga ik met u naar het hof.

Falstaff.

Bij God, ik wenschte, dat gij het deedt, heer Zielig.

Zielig.

Laat maar; een man, een woord. Vaarwel.

Falstaff.

Vaartwel, heerlijke heeren.—(Zielig en Stil af.)—Voorwaarts, Bardolf, geleid de manschappen weg. (Bardolf, de Recruten enz. af.) Als ik terugkom, zal ik deze vrederechters villen; dien vrederechter Zielig zie ik door en door. Heere, Heere, wat zijn wij oude menschen met de ondeugd van het liegen behept! Deze zelfde uitgehongerde vrederechter heeft niets gedaan dan van de woestheid van zijn jeugd praten, en van de heldenstukken, die hij in de Turnbullstraat heeft uitgevoerd, en elk derde woord is een leugen, trouwer aan den toehoorder uitbetaald dan de zeerooversschatting aan den grooten Turk. Hij staat mij nog voor van Clemenshof, als een kerel, zooals men na tafel van kaaskorstjes snijdt; als hij naakt was, geleek hij sprekend op een gespleten radijs, waar men met een mes een malle tronie op gesneden heeft; hij was zoo uitgemergeld, dat zijn lengte en breedte aan ieder eenigszins zwak gezicht ontsnapten; hij was de echte genius van den honger; en toch zoo bronstig als een aap, en de hoeren noemden hem het alruintje. Hij kwam altijd een paar modes achteraan en zong aan de afgeranselde vrouwmenschen de deuntjes voor, die hij van karrelieden had hooren fluiten, en zwoer dan, dat het zijn eigen minneliederen of nachtgroeten waren. En nu is die zotskolf een landheer geworden en spreekt zoo gemeenzaam van Jan van Gent, alsof hij broederschap met hem gedronken had; en ik durf zweren, dat hij hem nooit gezien heeft, dan eens op het tornooiveld; en toen sloeg hem die een gat in ’t hoofd, omdat hij zich tusschen de dienaars van den maarschalk indrong. Ik zag het, en zeide tegen Jan van Gent, dat zijn stok een anderen stok ranselde; want men had hem en zijn heelen om- en bijhang in een aalshuid kunnen stoppen; het foedraal van een hobo was een woonhuis, een hof voor hem; en nu heeft hij landerijen en vee. Nu, als ik terugkom, zal ik de kennis met hem aanknoopen, en het moet al vreemd loopen, als ik van hem niet twee steenen der wijzen voor mij maak. Als de jonge voren een hapje is voor een ouden snoek, dan zie ik naar het natuurrecht geen reden, waarom ik niet naar hem zou mogen happen. Komt tijd, komt raad,—en daarmee uit.

(Af.)

[542]

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Een woud in Yorkshire.

De Aartsbisschop van York, Mowbray, Hastings en Anderen komen op.

Aartsbisschop.

Hoe heet dit woud?

Hastings.

Het is het woud van Gualtree, uw genade.

Aartsbisschop.

Zoo houdt hier stand, mylords, en zendt verkenners,

Om zekerheid van ’s vijands macht te erlangen.

Hastings.

Dit is alreeds geschied.

Aartsbisschop.

Dit is alreeds geschied. Zeer goed gedaan.—

Mijn vrienden, broeders bij dit grootsche werk,

Ik moet u melden, dat ik jonge brieven

Van graaf Northumberland ontvangen heb,

Van koelen inhoud, vorm en zin, aldus:—

Hij wenschte zeer, hier in persoon te zijn,

En met een macht, die met zijn aanzien strookt,

Doch kon die nog niet zaam’len, en hij week,

Om zijn geluk, dat aanwast, te doen rijpen,

Naar Schotland; en besluit met vuur’ge beden,

Dat uwe poging ’t waagstuk en den aanval

Des schrikb’ren tegenstanders overleev’.

Mowbray.

Zoo strandt alreeds de hoop, in hem gesteld,

En wordt uiteengeslagen. 18

(Een Bode komt op.)

Hastings.

En wordt uiteengeslagen. 18 Nu, wat wilt ge?

Bode.

De vijand komt daar welgewapend aan,

Een kleine mijl ten westen van dit woud;

En naar de ruimte, die zij dekken, schat ik

Zijn sterkte op dertigduizend man omtrent.

Mowbray.

Het juist bedrag, door ons alreeds vermoed.

Komt, opgerukt, en in het veld hem tegen!

(Westmoreland komt op.)

Aartsbisschop.

Wat zwaargewapend krijgshoofd nadert daar?

Mowbray.

Mij dunkt, het is mylord van Westmoreland.

Westmoreland.

Zijn heuschen groet zendt u ons legerhoofd,

De prins en hertog, John van Lancaster.

Aartsbisschop.

Zeg ons, mylord van Westmoreland, in vrede,

Wat uwe komst bedoelt.

Westmoreland.

Wat uwe komst bedoelt. Welnu, mylord,

Tot uwe genade in de eerste plaats richt ik

Den inhoud mijner rede. Kwam rebellie,

Zichzelf gelijk, met lage snoode rotten,

Door jeugd, die dorst naar bloed, geleid, door woede 34

Omstuwd, gesteund door bedelvolk en knapen,—

Ik zeg, deed zoo zich vloekbaar oproer voor,

In echten, aangeboren, eigen vorm,

Dan, achtbre vader en gij, eed’le lords,

Waart gij niet hier, zoudt gij ’t afzicht’lijk wezen

Van lagen, bloedige’ opstand niet bekleeden

Met uwe glansrijke eer. Gij, lord aartsbisschop,

Wiens stoel beschut wordt door den burgervrede,

Wiens baard de zilvren hand des vredes tintte,

Wiens weten en geleerdheid vrede voedde,

Wiens wit gewaad het zinbeeld is der onschuld,

De duif en zegenrijke geest des vredes,—

Waarom vertaalt gij thans zoo slecht uzelf,

Uit zulk een liefdevolle spraak des vredes

In deze woeste, ruwe taal des krijgs,

Verkeert ge uw inkt en schrift in bloed en graven,

Uw pen in oorlogslans, uw priestermond

In schrille krijgsklaroen en strijdsignaal?

Aartsbisschop.

Waarom doe ik aldus?—zoo luidt de vraag. 52

En bondig zeg ik:—allen zijn wij krank;

Want door ons brassend, dartel leven haalden

Wijzelf een heete koorts ons op het lijf,

Waarvoor wij bloeden moeten; aangestoken

Door deze kwaal, stierf onze koning Richard.

Maar, mijn hoogeed’le heer van Westmoreland,

Ik matig mij de rol van arts niet aan,

En schaar geenszins, als vijand van den vrede,

Mij in ’t gedrang der mannen van den krijg;

’k Hul eer me een poos in ’t schrikbaar krijgsgewaad,

Om wulpschheid, ziek van overdaad, te stuiten,

Verstoppingen te zuivren, die ons dreigend

De levensaad’ren drukken. Klaarder spreek ik.

Ik heb op juiste schalen streng gewogen,

Wat leed onze oorlog brengt, wat leed wij lijden,

En vind de grieven zwaarder dan ’t vergrijp.

Wij zien, waarheen de stroom des tijds zich spoedt,

En uit de kalme rust van onze sfeer

Drijft ons de felle vloed des tijdsgewrichts.

Al onze grieven hebben wij omschreven,

Om te geleeg’ner uur de lijst te ontvouwen;

Ja, boden die reeds lang den koning aan,

Doch geen verzoek verschafte ons ooit gehoor.

Zijn wij gekrenkt en willen we ons beklagen,

Dan wordt door hen juist, die ons grievend krenkten,

De toegang tot den koning ons ontzegd.

Zoowel ’t gevaar der jongst verloopen dagen,

Wier heug’nis nog op de aard geschreven staat

Met zichtb’re plekken bloeds, als de bewijzen[543]

Ons uur op uur geleverd van wat dreigt,

Doen ons die kwalijkstaande waap’nen grijpen,

Niet om den vrede of een’gen tak er van

Te breken, neen, om waarlijk vreê te vesten,

Die vrede zij van naam en van natuur.

Westmoreland.

Wanneer dan werd u ooit gehoor geweigerd,

Waardoor heeft ooit de koning u gekrenkt,

Welk pair werd tegen u ooit opgehitst,

Dat gij hier op dit rechtloos, bloedig boek

Van schendig oproer ’t kerk’lijk zegel drukken,

En ’t vlijmend scherp eens opstands heil’gen wilt?

Aartsbisschop.

Mijn algemeene broeder, onze staat,

Doet in ’t bijzonder mij, wiens eigen broeder

Door wreedheid viel, herstel van onrecht eischen.

Westmoreland.

Niets geeft het recht om zoo dien eisch te doen,

En ware er recht, dan komt dit ù niet toe.

Mowbray.

Waarom voor zijn deel hèm niet, als ons allen,

Die saâm de builen van ’t verleden voelen,

Die lijden, nu de toestand onzes tijds,

Zwaar en partijdig drukkend, op onze eer

De handen legt? 103

Westmoreland.

Mijn waarde vriend, Lord Mowbray,

Bedenk slechts, hoe de tijd steeds nooddwang oefent,

En gij zult zeggen, dat de tìjd het is,

En niet de koning, die u onrecht doet.

En wat uzelf betreft, zie ik niet in,

Dat òf de koning, òf deze onze tijd

U een’gen grond, een duimbreed zelfs, ooit gaf,

Om grieven op te bouwen. Werdt gij niet

Hersteld in al de rechten van uw vader,

Den eed’len, onvergeten hertog Norfolk?

Mowbray.

Wat eere had mijn vader dan verbeurd,

Die weer in mij vernieuwd, verwekt moest worden?

De koning, die hem liefhad, was gedwongen,—

Zoo eischte en drong de staat—hem te verbannen.

Voorwaar, toen Hendrik Bolingbroke en hij,

Te paard en elk in ’t zaâl ten strijd gereed,

Het brieschend ros aandrijvend met de sporen,

De scherpe lans geveld, ’t vizier gesloten,

Het vlammend oog door ’t stalen venster fonk’lend,

En de klaroen gestoken tot den rit,—

Toen, toen er eindlijk niets was, dat mijn vader

Meer afhield van de borst van Bolingbroke,—

O, toen de koning zijnen staf daar neêrwierp,

Hing aan dien neêrgeworpen staf zijn leven;

Hij wierp zichzelven neêr en aller leven,

Die sinds door vonnis en ’t geweld des zwaards

Ten onder gingen onder Bolingbroke.

Westmoreland.

Gij spreekt, Lord Mowbray thans gij weet niet wat.

De graaf van Hereford stond toen bij een elk

Als Englands dapperste edelman bekend;

Wie weet dus, wien Fortuin daar toe zou lachen!

En had uw vader daar gezegepraald,

Wis, Coventry waar’ ’t graf zijns roems geweest;

Want als eenstemmig had voor hèm heel ’t land

Een kreet van haat; al hun gebed, hun liefde

Was Hereford toegewijd; die werd vergood,

Gezegend, hoog vereerd, meer dan de koning.

Doch hiermeê dwaal ik van mijn doelwit af.

Ik kom uit naam mijns hoogen veldheers hooren,

Wat uwe grieven zijn; en zijne hoogheid

Zegt u door mij gehoor toe; en zoo verre

Uw eischen billijk blijken, worden ze u

In gunst verleend, en alles wordt vergeten,

Wat aan uw vijandschap herinn’ren kan.

Mowbray.

Hij noopte ons zelf, dit aanbod af te dwingen;

Bereek’ning slechts, geen liefde geeft het in.

Westmoreland.

Mowbray, het is laatdunkend dit te meenen; 149

Geen vrees biedt dit u aan, genade alleen.

Want zie, ginds ligt voor uwen blik ons leger,

Dat, op mijn eer, vol zelfvertrouwen is,

Te veel, om zelfs een zweem van vrees te voeden.

Ons leger telt meer namen dan het uwe,

Meer oef’ning hebben de onzen; onze waap’ning

Is even goed, en beter onze zaak;

En onze moed, het spreekt van zelf, niet minder;

Daarom, spreek bij ons aanbod niet van vrees.

Mowbray.

Nu, hoort men mij, dan wordt niet onderhandeld.

Westmoreland.

Dit tuigt slechts van de schendigheid uws doens;

Een etterbuil laat geen betasting toe.

Hastings.

En heeft prins John een algeheele volmacht,

Door onbepaalde machtiging zijns vaders,

Om aan te hooren, en op ieder punt,

Door ons gevorderd, afdoend te beslissen?

Westmoreland.

Dit ligt reeds in den naam van generaal;

’k Verbaas mij over zulk een ijd’le vraag.

Aartsbisschop.

Neem dan, mylord van Westmoreland, dit stuk,

Dat kort ons aller grieven samenvat.

Zoo iedre klacht hiervan herstel verwerft,

Al onze medestanders, hier en elders,

Die aan dit werk zich hebben toegewijd,

Vrijspraak erlangen door een wettig stuk,

En spoedige vervulling onzer wenschen

Aan ons en aan ons doel verzekerd wordt,

Dan keeren we in des eerbieds bedding weer

En boeien onze macht in de’ arm des vredes.

[544]

Westmoreland.

’k Zal dit den veldheer toonen. Laat ons, heeren,

Ten overstaan der legers samenkomen;

En brengen we, als God wil, den vreê tot stand!

Of roepen we onze zwaarden op ter kampplaats,

Dat zij alsdan beslissen.

Aartsbisschop.

Dat zij alsdan beslissen. ’t Zij zoo, heer.

(Westmoreland af.)

Er is iets in mijn boezem, dat mij zegt,

Dat geen verdrag van vrede stand zal houden.

Hastings.

Vrees dit geenszins! Gelukt het ons den vrede

Zoo hecht te vesten op zoo breeden grondslag,

Als die, waar onze vord’ring zich aan houdt,

Dan is de vrede onwrikbaar als een rots.

Mowbray.

Ja, maar wij zullen zoo gewogen worden,

Dat iedre minste, valsch begrepen oorzaak,

Ja, iedere ijd’le, kleine, dwaze grond

Den koning naar deze’ opstand smaken zal.

Men zal ons, zelfs al maakte ons onze trouw

Tot mart’laars, wannen met zoo ruwen wind,

Dat ook ons koren licht als kaf zal schijnen,

En ’t goede en ’t kwade niet gescheiden wordt.

Aartsbisschop.

Neen, neen, mylord. Bedenk: de koning is 197

Dat vergezocht, spitsvondig wrokken moe;

Hem bleek: wie ééne vrees door dood verdrijft,

Verwekt twee grootere in de levende erven.

Daarom wischt hij zijn tafels gaarne schoon,

En houdt geen klapper aan voor zijn geheugen,

Die telkens hem op nieuw zijn leed vertelt

Tot versche erinn’ring; want hij weet zeer wel,

Dat hij dit land zoo schoon niet wieden kan,

Als hem zijn argwaan telkens zou doen wenschen;

En vriend en vijand wort’len zoo dooreen,

Dat, als hij éénen vijand uit wil trekken,

Hij ook een vriend schier rooit en wagg’len doet,

Zoodat dit land,—als een weerbarstig wijf,—

Wanneer hij dreigt, zijn kind hem tegenhoudt,

En zóó de voorgenomen tuchtiging

Doet zweven in den opgeheven arm.

Hastings.

Ook heeft de koning al zijn roeden reeds

Aan vorige overtreders opgebruikt,

Zoodat hem nu geen werktuig rest ter straffe,

En, als een klauwenlooze leeuw, zijn macht

Wel dreigen, maar niet pakken kan.

Aartsbisschop.

Wel dreigen, maar niet pakken kan. Zeer waar;

En daarom, wees verzekerd, goede maarschalk,

Komt de verzoening goed tot stand, dan wordt

De vrede, als een geheeld gebroken lid,

Juist door de breuk versterkt.

Mowbray.

Juist door de breuk versterkt. Het zij dan zoo.

Daar is mylord van Westmoreland terug.

(Westmoreland komt weder op.)

Westmoreland.

De prins is daar, behaagt het u, mylord,

Halfweg van beide legers hem te ontmoeten?

Mowbray.

Nu, heer aartsbisschop, kom dan in Gods naam!

Aartsbisschop.

Groet gij zijn hoogheid eerst, mylord; wij volgen.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Van de eene zijde komen op: Mowbray, de Aartsbisschop, Hastings en Anderen; van de andere zijde: Prins John van Lancaster, Westmoreland, Officieren en Gevolg.

Prins John.

Ik heet u vriendlijk welkom hier, neef Mowbray.—

Ontvang mijn groet, eerwaardige aartsbisschop;

En zoo ook gij, lord Hastings,—en gij allen.—

Mylord van York, veel schooner kwaamt gij uit,

Als, door de klokken saamvergaard, uw kudde,

Om u geschaard, eerbiedige aandacht schonk

Aan uw verklaring van Gods heilig woord,

Dan nu gij hier verschijnt als man van staal,

Een bende muiters aanvuurt met uw trom,

In ’t zwaard het woord verkeert, in dood het leven.

De man, die in het hart eens konings troont

En in den zonschijn zijner gunst gedijt,—

Als hij des konings steun misbruiken wil,

Wat vloed van onheil, ach, kan hij ontboeien,

Door zulk een macht beschaduwd! Zoo, lord bisschop, 15

Is ’t ook met u. Want wie heeft niet vernomen,

Hoe diep ge in ’t woord van God zijt ingedrongen,

Voor ons de ontvouwer zijt zijns hoogen raads,

De ware tolk en midd’laar, die des hemels

Genade en heiligheden openbaart

Aan onze blindheid? O, wie zal niet meenen,

Dat gij de hoogheid van uw ambt misbruikt,

En u van ’s hemels heil’gen steun bedient.

Als een valsch gunstling van zijns vorsten naam,

Tot boos en eerloos doen? Gij hebt, in schijn

Voor God volijv’rig, van zijn plaatsbekleeder,

Mijn vader, de onderdanen opgehitst,

En tegen ’s hemels en zijns vorsten vrede

Hen hier doen samenzwermen.

Aartsbisschop.

Hen hier doen samenzwermen. Waarde prins,

Mijn komst belaagt uws vaders vrede niet;

Maar,—’k deelde dit lord Westmoreland reeds meê,—

Ons dringt de woeste, ontstemde tijd opeen,

En perst vanzelf ons in deez’ schrik’bren vorm,

Tot onze zekerheid. Ik zond uw hoogheid

De lijst en juiste omschrijving onzer grieven,[545]

Die ’t hof met wreev’len hoon ter zijde schoof,

Waaruit dit Hydramonster, oorlog, sproot;

Diens dreigende oogen zijn, door toe te staan

Wat billijk wordt verlangd, in slaap te toov’ren,

Zoodat gehoorzaamheid, geheeld van dolheid,

Gedwee zich neervlijt aan des vorsten troon.

Mowbray.

Bij weig’ring zullen we ons geluk beproeven

Tot op den laatsten man.

Hastings.

Tot op den laatsten man. En falen wij,

Dan zijn er helpers, die ons streven steunen;

Mislukt het hun, dan staan hen andren bij;

En zoo zal telkens onheil onheil wekken;

Een reeks van erven zet het strijden voort,

Zoolang in England nog gedachten zijn.

Prins John.

Uw doorzicht, Hastings, is te zwak, te zwak,

Om tot der toekomst bodem door te dringen.

Westmoreland.

Wil uw genade hun niet ronduit melden,

Hoe ver ge in elk der eischen treden kunt?

Prins John.

Ik billijk ze alle en stem er dus mee in;

En zweer hier bij den adel van mijn bloed:

Miskend werd, wat mijn vader heeft bedoeld;

En enk’len om hem hebben al te stout

Des konings meening en bevel verdraaid.—

Mylord, aan uwe klachten wordt voldaan, 59

En spoedig, op mijn woord. Voldoet u dit,

Zoo zend uw scharen weg, elk naar zijn graafschap;

Zoo doen ook wij;—dan hier, voor beide legers,

Een dronk gewisseld en elkaar omarmd,

Opdat elks oog die panden huiswaarts neem’

Van onzen zoen en weer hernieuwde vriendschap.

Aartsbisschop.

’k Aanvaard uw vorstlijk woord voor de vervulling.

Prins John.

Ik geef het u en doe mijn woord gestand;

En hierop drink ik uw genade toe.

Hastings

(tot een Officier). Ga, hopman, breng ons heer de vredeboodschap;

Betaal hun loon hun uit en laat hen gaan.

Ik weet, dit is hun welkom; spoed u, hopman.

(De Officier af.)

Aartsbisschop

(den beker toebrengend). Heil, u, mijn eed’le lord van Westmoreland!

Westmoreland.

Heil uw genade; wist gij, hoeveel moeite

Mij ’t stichten der verzoening heeft gekost,

Dan zoudt ge een diepe teug doen; doch ik hoop

Nog nader u mijn vriendschap te bewijzen.

Aartsbisschop.

Ik twijfel niet aan u.

Westmoreland.

Ik twijfel niet aan u. Dit streelt mij zeer.—

Het welzijn van mijn goeden vriend, neef Mowbray!

Mowbray.

Gij wenscht mij juist ter snede welzijn toe;

Want plots’ling voel ik mij wat ongesteld.

Aartsbisschop.

Als onheil naakt, is steeds de mensch blijmoedig;

Zwaarmoedigheid verkondigt goed geluk.

Westmoreland.

Dus vroolijk, neef! daar plotselinge zorgen

Den troost u brengen: “wacht iets goeds op morgen!”

Aartsbisschop.

Geloof mij, ik ben uitermate luchtig.

Mowbray.

Des te erger, zoo uw eigen regel geldt.

(Gejubel achter het tooneel.)

Prins John.

De vrede is uitgeroepen, hoort, welk juichen!

Mowbray.

Schoon zou dit klinken, na een zegepraal.

Aartsbisschop.

Een vrede is één van aard met overwinnen;

De twee partijen zijn met eer bedwongen,

En geen partij verliest. 91

Prins John.

En geen partij verliest. 91 Ga heen, mylord,

En zorg, dat ook òns leger wordt ontbonden.—

(Westmoreland af.)

En, waarde lord, dat hier ons beider scharen

Langs trekken, en wij zien, met welke mannen

Wij ons te meten hadden.

Aartsbisschop.

Wij ons te meten hadden. Ga, lord Hastings,

Vóór ’t scheiden trekken zij hier langs.

(Hastings af.)

Prins John.

Vóór ’t scheiden trekken zij hier langs. Mylords,

Ik hoop, wij leeg’ren deze nacht bijeen.—

(Westmoreland komt terug.)

Waarom, neef, breken de onzen nog niet op?

Westmoreland.

De aanvoerders houden stand; zoo luidde ùw last;

Zij willen niet van hier, eer gij hun zelf

Dien last herroept.

Prins John.

Dien last herroept. Dan kennen zij hun plicht.

(Hastings komt terug.)

Hastings.

Mylord, ons leger is alreeds verstrooid.

Als jonge, ontjukte stieren loopen zij

Oost, west, noord, zuid; als knapen uit de school

IJlt ieder naar de speelplaats en naar huis.

Westmoreland.

Een goede tijding, heer, waarvoor ik u

Om hoogverraad in hecht’nis neem, verrader;

Ook u, lord aartsbisschop, en u, lord Mowbray,

Neem ik om halsverraad hier in arrest.

[546]

Mowbray.

Is deze handelwijs gerecht en eervol?

Westmoreland.

Is uw verbond het?

Aartsbisschop.

Gij breekt aldus uw woord?

Prins John.

Gij breekt aldus uw woord? U gaf ik ’t niet.

Ik zeide u toe, verhooring van de klachten,

Die gij mij deedt; en daaraan, op mijn eer,

Zal ik, zoo waar ik christen ben, mij houden.

Doch gij, rebellen, weest bereid te proeven,

Wat uw verraad en heel uw doen verdient.

Lichtvaardig heeft uw krijg den staat beroerd;

Blind kwaamt gij hier, dwaas wordt gij heengevoerd.

Rukt op, en die verstrooiden na! op heden

Heeft God, niet wij, dien veil’gen strijd gestreden.—

Gij daar, bewaakt voor ’t blok die vorstensmaders;

Want dat is ’t rechte doodsbed voor verraders.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Krijgsrumoer; schermutselingen. Falstaff en Coleville komen op, van verschillenden kant.

Falstaff.

Uw naam, heer? van wat rang zijt gij en van welke plaats? Spreek!

Coleville.

Ik ben een ridder, heer; en mijn is naam is Coleville van het dal.

Falstaff.

Dus: Coleville is uw naam, ridder uw titel, en uw plaats het dal. Coleville zal uw naam blijven, verrader uw titel en de kerker uw plaats;—een plaats, diep genoeg; zoo blijft uw naam steeds Coleville van het dal.

Coleville.

Zijt gij niet Sir John Falstaff?

Falstaff.

Een even goed man als hij, Sir, wie ik ook zijn moge. Geef gij u over, heer, of moet ik om u zweeten? Als ik zweet, zijn het de droppels van uw vrienden, die om uw dood weenen; daarom, schud uw vrees en beving wakker, en verdeemoedig u voor mijn barmhartigheid.

Coleville.

Ik geloof, dat gij Sir John Falstaff zijt, en in dat geloof geef ik mij over.

Falstaff.

Ik heb een gansche school van tongen in dezen mijnen buik, en geen van al die tongen spreekt een ander woord dan mijn naam. Als ik maar een buik had van eenige middelmaat, zou ik eenvoudig de flinkste kerel in Europa zijn; mijn pens, mijn pens, mijn pens is mijn ongeluk.—Daar komt onze veldheer.

(Prins John van Lancaster, Westmoreland en Anderen komen op.)

Prins John.

De drijfjacht is gedaan; vervolgt niet verder.—

Roep ’t volk terug, mijn waarde Westmoreland.—

(Westmoreland af.)

Zoo, Falstaff, wat deedt gij den ganschen tijd?

Nu alles uit is, komt gij voor den dag.

Met zulke trage streken breekt gij eens,

Ik zweer ’t u, de eene of andere galg den rug.

Falstaff.

Het zou mij leed doen, heer, maar het moet wel zoo komen; ik heb nooit anders gehoord, dan dat berisping en verwijt het loon der dapperheid waren. Houdt gij mij voor een zwaluw, een pijl of een kogel? heb ik in mijn arme oude beenen de snelheid van de gedachte? Ik ben hierheen geijld tot den uitersten duimbreed der mogelijkheid; ik heb over de honderd-en-tachtig postpaarden te schande gereden; en hier, zoo afgejakkerd als ik ben, heb ik, in mijn zuivere en onbevlekte dapperheid, Sir John Coleville van het dal gevangengenomen, een uiterst woedenden ridder en dapperen vijand. Maar wat zal ik er van zeggen? hij zag mij en gaf zich over, zoodat ik met dien kromneuzigen Romeinschen snaak te recht zeggen kan: “ik kwam, ik zag en overwon.”

Prins John.

Dat was meer zijn hoffelijkheid dan uw verdienste. 48

Falstaff.

Ik weet niet; hier is hij, en hier lever ik hem over. En ik verzoek uwe genade, laat het geboekt worden bij de overige daden van dezen dag: of, bij den hemel, ik laat er mij anders een bijzondere ballade over maken, met mijn eigen beeltenis er boven, hoe Coleville mij de voeten kust. Wanneer ik tot die handelwijs gedwongen word, indien gij allen dan niet als vergulde duiten bij mij afsteekt, en ik aan den helderen hemel van den roem u niet even ver overstraal, als de volle maan het de vonkjes van het firmament doet, die bij haar speldeknoppen schijnen, sla dan nooit meer geloof aan het woord van een edelman. Daarom, laat mij recht wedervaren en verdienste stijgen!

Prins John.

De uwe is te zwaar om te stijgen.

Falstaff.

Laat haar dan schijnen.

Prins John.

De uwe is te dik om te schijnen.

Falstaff.

Laat het dan maar doen, wat ook, mijn beste prins, dat mij goed kan doen, en noem dit, zooals gij wilt.

Prins John.

Uw naam is Coleville?

Coleville.

Uw naam is Coleville? Zoo is ’t, mylord.

Prins John.

Gij, Coleville, zijt een vermaard rebel.

Falstaff.

En die hem ving, is een vermaard trouw onderdaan.

Coleville.

Ik ben, mylord, slechts als mijn hoog’ren zijn,

Die hier mij brachten; hadden zij mijn raad

Gevolgd, dan hadt gij duurder hen gekocht.

[547]

Falstaff.

Ik weet niet, waarvoor zij zich verkocht hebben; maar gij hebt, als een goedhartige kerel, uzelf voor niet weggegeven, en ik dank u voor u.

(Westmoreland komt terug.)

Prins John.

Nu, de vervolging is gestaakt?

Westmoreland.

Al de onzen keeren reeds; de waap’nen rusten.

Prins John.

Zend Coleville, met al zijn eedgenooten,

Naar York tot onverwijlde strafvoltrekking.

Blunt, voer hem heen en houd hem scherp in ’t oog.

(Coleville wordt weggeleid.)

En nu, mylords, breekt met mij op naar ’t hof,

De koning is, zoo hoor ik, ernstig krank;

Ons ijle ’t heuglijk nieuws naar hem vooruit;—

Wees gij de bode, neef,—om hem te troosten:

Wij volgen, met een mind’ren spoed, u dra.

Falstaff.

Mylord, ik bid u, geef mij oorlof om door Glostershire te gaan. En als gij aan het hof komt, ik bid u, toon u mij gunstig, heer, in uw gunstig verslag. 89

Prins John.

Falstaff, vaarwel; ik zal, te zijner plaatse,

Goed van u spreken, meer dan gij verdient.

(Allen af, uitgezonderd Falstaff.)

Falstaff.

Ja, als gij daartoe geest genoeg hadt! dit ware u beter dan uw hertogdom. Op mijn eer, deze jonge, vischbloedige knaap mag mij niet lijden. En geen mensch kan hem aan het lachen brengen: maar dat is geen wonder, hij drinkt geen wijn. Van geen van al die eerbare knapen komt ooit iets te recht; want hun bloed wordt zoo overmatig bekoeld door hun dunne dranken en hun vele vischmaaltijden, dat zij een soort van mannelijke bleekzucht krijgen; en dan, als zij trouwen, krijgen zij niets dan meisjes. Zij zijn over het algemeen zotskappen en lafaards, wat sommigen van ons ook zouden zijn, zonder verhitting. Een goede sherry-sek heeft een tweeledige kracht: zij stijgt een mensch in het brein, droogt me daar alle dwaze en domme en ruwe dampen weg, die het omgeven; maakt het vlug van bevatting, flink, vindingrijk, vol behendige, vurige en vermakelijke beelden, die dan, overgebracht aan de stem, de tong,—die hun geboorte is,—voortreffelijke geest worden. De tweede eigenschap van die voortreffelijke sherry is de verwarming van het bloed, dat, te voren koud en loom, de lever koud en bleek liet blijven, wat het merkteeken is van kleinmoedigheid en lafhartigheid; maar de sek verwarmt het en drijft het van de inwendige deelen naar de uiterste. Zij doet het gelaat stralen, dat, als een signaalvuur, al het overige van dit kleine koninkrijk, mensch genaamd, in de wapens roept; en het burgervolk van het lichaam en de kleine levensgeesten uit de provinciën scharen zich dan allen om hun overste, het hart, dat, door al die volgelingen groot en aangeblazen, elke daad van dapperheid verricht; en deze manhaftigheid komt van de sherry. Zoodat bedrevenheid in de wapens niets is zonder sek, want deze brengt haar aan den gang, en geleerdheid niets dan een hoop begraven goud, waar een duivel de wacht bij houdt, tot de sek dien ontgint en in gebruik en aan het werk zet. Hier komt het vandaan, dat Prins Hendrik dapper is, want het koude bloed, dat hij van nature van zijn vader erfde, heeft hij, als mager, schraal en onvruchtbaar land, gemest, omgezet en geploegd met ongemeene inspanning van goed drinken en met een goeden voorraad van vruchtbaarmakende sherry, zoodat hij recht vurig en manhaftig geworden is. Als ik een duizend zoons had, het eerste menschelijk beginsel, dat ik hun inprentte, zou wezen, alle dunne dranken af te zweren, en zich aan de sek te wijden.

(Bardolf komt op.)

Wel, Bardolf?

Bardolf.

’t Geheele leger is ontbonden en naar huis.

Falstaff.

Laat hen gaan. Ik wil door Glostershire; en daar zal ik den heer Robert Zielig, grondeigenaar, een bezoek brengen; hij wordt mij reeds week tusschen vinger en duim, en binnenkort zal ik met hem zegelen. Kom mede.

(Beiden af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Een kamer, Jerusalem geheeten, in het koninklijk paleis te Westminster.

Koning Hendrik, de Prinsen Thomas van Clarence en Humphrey van Gloster, Warwick en Anderen komen op.

Koning Hendrik.

Ja, Lords, doet God de tweedracht, die alsnog

Aan onze poorten bloedt, gelukkig einden,

Dan voeren we onze jeugd in eed’ler strijd

En trekken enkel Gode-heil’ge zwaarden.

Gereed is onze vloot, ons heer bijeen,

En volmacht hebben onze plaatsbekleders;

Kortom, naar wensch is alle ding beschikt;

Wij missen niets dan een’ge lichaamskracht,

En moeten toeven, tot deze oproerlingen

Zich buigen onder ’t juk van ons bewind.

Warwick.

En ’t een èn ’t ander valt uw majesteit

Wis dra ten deel.

Koning Hendrik.

Humphrey, mijn zoon van Gloster,

Waar is de prins uw broeder?

[548]

Prins Humphrey.

Ik denk, mylord, naar Windsor op de jacht.

Koning Hendrik.

En wie verzelt hem?

Prins Humphrey.

’k Weet het niet, mylord.

Koning Hendrik.

Is niet zijn broeder, Thomas Clarence, bij hem?

Prins Humphrey.

Neen, waarde vader; die bevindt zich hier.

Clarence.

Wat wenscht mijn heer en vader?

Koning Hendrik.

Niets, Thomas Clarence, dan u goed te doen.

Van waar, dat gij niet bij uw broeder zijt?

Gij zijt hem lief, doch gij verzuimt hem, Thomas.

Een beter plaats bekleedt gij in zijn hart,

Dan al uw broeders; kweek dit aan, mijn jongen,

En eed’le diensten kunt gij eens bewijzen

Door na mijn dood als midd’laar op te treden

Van zijne grootheid en uw andre broeders;

Dies, mijd hem niet; verstomp zijn liefde niet;

Verbeur het voorrecht niet van zijne gunst

Door koel of achtloos jegens hem te schijnen;

Want wie hem zoekt, ervaart zijn minzaamheid;

Den traan van ’t meêlij heeft hij, en een hand

Voor weeke goedheid open als de dag;

Maar toch, voor wie hem trotst, is hij als steen,

Zoo luimig als de winter, plotseling vast, 34

Als morgendauw, waar ijswind overheen vaart.

Dies is zijn stemming wel in acht te nemen;

Berisp hem om zijn feilen, doch met eerbied,

Als gij zijn geest blijmoedig ziet gestemd;

Maar is hij norsch, vier dan zijn drift de lijn,

Totdat die, als een walvisch op den zeegrond,

Bezwijkt door eigen woeling. Leer dit, Thomas,

En voor uw vrienden wordt gij dan een schutse,

Een gouden ring, uw broeders samenbindend,

Zoodat het vat, dat aller bloed vereent,

Al wordt verleidingsgif er in gemengd,—

Dit laat de tijd niet na er in te storten,—

Nooit lek wordt, zelfs al werkt dit gif zoo sterk,

Als aconiet of snel ontvlammend kruit.

Clarence.

Ik wil met alle liefde en zorg hem eeren.

Koning Hendrik.

Waarom gingt gij niet mee naar Windsor, Thomas?

Clarence.

Daar is hij heden niet, hij eet in Londen.

Koning Hendrik.

Met wat voor vrienden? is u dit bekend?

Clarence.

Met Poins en andren, waar hij steeds mee omgaat.

Koning Hendrik.

Het rijkst aan onkruid is het vetste land:

En hij, het edel beeld van mijne jeugd,

Is dicht er mee bezet; dies strekt mijn leed

Nog òver ’t uur van mijnen dood zich uit.

Mijn hart weent bloed, als mijn verbeelding zich

Die teugellooze dagen maalt, die tijden

Van voos verderf, die gij aanschouwen zult,

Als ik zal rusten bij mijn voorgeslacht.

Want als zijn woestheid iedren breidel mist,

Als woede en weeld’rig bloed zijn raders zijn,

Als midd’len samengaan met losse zeden,

O, met wat wieken vliegen dan zijn tochten

Op ’t felst gevaar, den diepsten afgrond, toe!

Warwick.

Mijn eed’le vorst, uw blik gaat langs hem heen.

De prins beoefent slechts zijn metgezellen

Gelijk een vreemde taal: wil men die kennen,

Dan moet men elk, zelfs het oneerbaarst woord,

Opmerken, leeren; weet men ’t eens, dan dient dit,—

Uw hoogheid weet het,—verder tot niets anders,

Dan dat men ’t kent en haat. Als ruwe woorden,

Zal eens de prins, is daar de tijd voor rijp,

Die volgers van zich schudden, en zijn kennis

Van hen een maat of monster voor hem zijn,

Waarnaar zijn hoogheid ’t leven schat van andren,

Zoodat hij vroeger kwaad in winst verkeert.

Koning Hendrik.

’t Is zelden, dat de bij haar raat verzaakt

Zelfs in een kreng. 80

(Westmoreland komt op.)

Zelfs in een kreng. Wie komt daar? Westmoreland?

Westmoreland.

Heil mijnen heer en vorst; en nieuw geluk

Bekrone ’t heil, dat ik u melden kom!

Prins John, uw zoon, kust uwer hoogheid hand;

Mowbray, de bisschop Scroop, Hastings en allen

Zijn aan uw wet ter tuchtiging vertrouwd;

Niet één rebellenzwaard is meer ontbloot;

De vrede doet de’ olijf alom ontspruiten.

De wijze, hoe deze uitslag werd verkregen,

Vindt te geleeg’ner tijd uw hoogheid hier

Uitvoerig in bijzonderheên ontvouwd.

Koning Hendrik.

O, Westmoreland, gij zijt een zomervogel,

Die aan des winters hielen steeds het rijzen

Des nieuwen dags bezingt.

(Harcourt komt op.)

Des nieuwen dags bezingt. Zie, nòg meer nieuws!

Harcourt.

God hoede uw majesteit voor ’s vijands lagen;

En mogen zij, die u bedreigen, vallen

Als zij, van wie ik thans u tijding breng.

De graaf Northumberland werd met lord Bardolf

En groote macht van Engelschen en Schotten

In Yorkshire door den Sheriff overmand.

De leiding en den loop van het gevecht

Vermeldt, mijn vorst, uitvoerig dit bericht.

Koning Hendrik.

Waarom maakt al dit blijde nieuws mij krank?[549]

Komt nooit Fortuin met beide handen vol,

Maar schrijft ze een blijmaar steeds met booze letters?

Zie, zoo verleent zij eetlust en geen spijs

Aan armen, die gezond zijn; of een feestmaal,

Maar zonder eetlust, zooals ’t rijkaards gaat,

Die, overvloed bezittend, niets genieten.

Ik moest verblijd zijn bij dit heuglijk nieuws,

En zie, mijn oog is dof, mijn brein wordt duiz’lig.—

Wee mij! treedt nader, ’k voel mij ziek, zeer ziek.

(Hij zinkt in onmacht.)

Prins Humphrey.

Moed, eed’le vorst!

Clarence.

Moed, eed’le vorst! Mijn koninklijke vader!

Westmoreland.

Mijn heer en vorst, kom bij, sla de oogen op!

Warwick.

Bedaard, mijn prinsen; zulk een aanval is,

Zooals gij weet, niet vreemd meer bij zijn hoogheid.

Terug en geeft hem lucht! ’t is daad’lijk over.

Clarence.

Neen, lang houdt hij die vlagen niet meer uit.

De stâge zorg en arbeid van zijn geest

Heeft zóó den wal, die dezen schut, verbrokkeld,

Dat reeds het leven uitkijkt, ras er door breekt.

Prins Humphrey.

’t Volk maakt mij angstig: ’t zag natuur in arbeid 122

Van schrikgeboorten, vaderlooze kinders;

Geen jaartij houdt zijn aard; ’t is of het jaar

Hier, daar, een maand in slaap vond, oversprong.

Clarence.

De stroom was driemaal wassend, zonder ebbe;

En stokoud volk en suffende kronieken

Verhalen, dat hetzelfde werd gezien,

Kort vóór onze oudgrootvader Edward stierf.

Warwick.

Spreek zachter, prinsen; onze vorst komt bij.

Prins Humphrey.

Wis, een beroerte zal zijn einde zijn.

Koning Hendrik.

Ik bid u, neemt mij op, draagt mij van hier

En in een andre kamer; zachtkens, zacht!

(Zij dragen den koning op een bed in de aangrenzende kamer.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een andere kamer van het paleis.

Koning Hendrik, te bed liggend; Clarence, Gloster, Warwick, om hem heenstaand; Dienaars.

Koning Hendrik.

Laat geen gedruisch hier maken, lieve vrienden,

Tenzij een liefdevolle sluimerhand

Muziek will’ fluist’ren tot mijn moede ziel.

Warwick.

Roept de muziek; zij ga in gindsche kamer.

Koning Hendrik.

Leg mij de kroon hier bij mij, op mijn kussen.

Clarence.

Zijn oog is hol en hij verandert zeer.

Warwick.

O stil toch, stil!

(Prins Hendrik komt op.)

Prins Hendrik.

Waar is de hertog Clarence?

Clarence.

Hier ben ik, broeder, van verdriet vervuld.

Prins Hendrik.

Wat! regen binnenshuis, en buiten niet?

Hoe gaat het met den koning?

Clarence.

Hoe gaat het met den koning? Slecht, zeer slecht.

Prins Hendrik.

Weet hij de goede tijding? zeg hem die.

Prins Humphrey.

Hij is, toen hij die hoorde, zeer veranderd.

Prins Hendrik.

Is hij van vreugde krank,

Dan wordt hij zonder artsenij weer beter.

Warwick.

Zoo luide niet, mylords!—Mijn prins, spreek zacht;

Uw koninklijke vader wenscht te slapen.

Clarence.

Laat ons in de andere kamer ons begeven.

Warwick.

Behaagt het uwe hoogheid mee te gaan? 19

Prins Hendrik.

Neen, ’k wil hier bij den koning blijven waken.

(Allen af, behalve Prins Hendrik.)

Waarom ligt op zijn kussen hier de kroon,

Die toch een bedgenoot vol onrust is?

O blinkende onrustwekster! gouden zorg!

Die meen’ge waaknacht lang der sluim’ring poorten

Wijd openhoudt!—en nu met haar te slapen!

Doch zoo gezond niet, noch zoo diep en zoet,

Als een, die, met een grove muts om ’t hoofd,

De gansche nacht versnorkt. O majesteit!

Als gij uw drager knelt, dan zit gij hem

Als in de middaghitte een kostlijk harnas,

Een schuts, die brandt.—Zie, aan zijns adems poorten

Ligt daar een vlokje dons, dat niet beweegt;

Had hij nog adem, dit gewichtloos veertje—

Het trilde wis.—Doorluchtig vorst! mijn vader!

Wel diep is deze slaap; dit is een slaap,

Die meen’gen vorst van England heeft gescheiden

Van dezen gouden wrong. Uw recht op mij

Eischt tranen en het innigst harteleed,

Wat èn natuur èn liefde èn kinderplicht

U, dierb’re vader, rijk’lijk zal voldoen;

Mijn recht op u is deze koningskroon,

Die mij, als u in rang en bloed het naast,

Van zelf ten deele valt. Daar zit zij, ziet,

(Hij zet zich de kroon op het hoofd.)

[550]

God hoede haar! En huiz’ heel ’s werelds kracht

In éénen reuzenarm, hij rooft dit pand

Mijns stams mij niet! En zooals gij de kroon

Aan mij nu laat, laat ik haar aan mijn zoon.

(Prins Hendrik af.)

Koning Hendrik

(ontwakend). Warwick! Gloster! Clarence!

(Warwick en de overigen komen terug.)

Clarence.

(ontwakend). Warwick! Gloster! Clarence! Roept de koning?

Warwick.

Wat wenscht mijn vorst? Hoe gaat het uwe hoogheid?

Koning Hendrik.

Waarom, mylords, liet gij mij hier alleen?

Clarence.

De prins, mijn broeder, bleef hier bij uw hoogheid;

Hij nam zich voor, te waken aan uw bed.

Koning Hendrik.

De prins van Wales? Waar is hij? ’k wil hem zien;

Hij is niet hier.

Warwick.

Die deur is open; daar ging hij dus uit.

Prins Humphrey.

Hij kwam niet door de kamer, waar wij toefden. 57

Koning Hendrik.

Waar is de kroon? wie nam die van mijn kussen?

Warwick.

Mijn vorst, bij ’t heengaan lieten wij die hier.

Koning Hendrik.

Dan nam de prins haar weg;—ga, zoek hem op.

Heeft hij zoo groote haast, dat hij mijn slaap

Voor doodsslaap houdt?—

Zoek hem, lord Warwick; gisp hem, zend hem hier.

(Warwick af.)

Dit doen van hem vereent zich met mijn kwaal;

’t Verhaast mijn dood.—Ziet, zoons, wat wezens zijt gij!

Met welk een spoed vervalt natuur tot opstand,

Als goud haar doelwit wordt!

Daarvoor dus breken teed’re blinde vaders

Hun slaap door nachtgepeins,

Hun brein door zorgen, hun gebeent’ door arbeid;

Daarvoor vermeerd’ren zij en staap’len op,

In booze hoopen, sluw verworven goud;

Daarvoor zijn zij volijv’rig, om hun zoons

In kunst en krijgsbedrijven in te wijden!

Wij lezen als de bij in elke bloem

Wat ze edelst biedt en zoetst;

Den voet met was belaân, den mond met honig,

Zoo zoeken wij den korf, en, als de bijen,

Vermoordt men ons tot loon. Dien bitt’ren nasmaak

Heeft van zijn oogst de vader bij ’t verscheiden.—

(Warwick komt terug.)

Nu, waar is hij, die niet zoo lang kan wachten,

Dat zijn vriendin, mijn ziekte, mij voleindt?

Warwick.

Ik vond den prins, heer, in het naast vertrek,

Zijn eed’le wangen badend met zijn tranen,

Met zulk een echt gebaar van diepen rouw,

Dat Tyrannie, die niets dan bloed ooit dronk,

Bij ’t zien van hem, haar moorddolk af zou wasschen

Met zachte deernisdroppels. Hij komt herwaarts.

Koning Hendrik.

Doch wat bewoog hem, om de kroon te nemen?

(Prins Hendrik komt terug.)

Daar komt hij, ziet!—Treed nader tot mij, Hendrik.—

Verlaat de kamer, laat ons hier alleen.

(Allen af, uitgezonderd Koning Hendrik en Prins Hendrik.)

Prins Hendrik.

Ik dacht, ik zou u nooit meer hooren spreken.

Koning Hendrik.

Uw wensch was vader dier gedachte, Hendrik. 93

Ik toef u hier te lang, maak u vermoeid.

Wekt zoo mijn leêge stoel uw hunk’ring op,

Dat gij volstrekt u met mijn rang wilt tooien,

Nog vóór uw uur gerijpt is? Blinde knaap,

De grootheid zoekt gij, die u overstelpt.

Toef slechts een wijl; zoo zwak een tochtje houdt

Mijn wolk van waardigheid in ’t vallen tegen,

Dat die dra zinken moet; mijn dag wordt donker.

Gij hebt gestolen, wat na weinige uren

U zijn zou zonder schuld; en bij mijn dood

Hebt gij bezegeld wat ik heb gevreesd.

Uw leven toonde, dat gij mij niet mindet,

Nu wilt gij ’t mij verzeek’ren, eer ik sterf.

Gij bergt een duizend dolken in uw geest,

En hebt die op uw steenen hart gewet

Om mij een half uur levens af te steken.

Wat! kunt gij zelfs geen half uur op mij wachten?

Zoo ga dan heen, en delf gijzelf mijn graf,

En laat de klokken blij in ’t oor u klinken,

Uw kroning u verkondend, niet mijn dood.

De tranen, die mijn baar besproeien moesten,

Zij mogen balsem zijn en ’t hoofd u zalven;

Bedek mij enkel met vergeten stof;

Geef, wat u ’t leven schonk, den wormen prijs;

Verjaag mijn dienaars en verbreek mijn wetten;

De tijd is daar, die spot met elken vorm.

Hendrik de Vijfde heerscht!—Op, ijdelheid!

Weg, koningswaardigheid! weg, wijze raders!

Stroomt van alom naar ’t hof van England heen,

Komt vrij, gij apen in losbandigheid!

Naburen, vlug! ontdoet u van uw schuim;

Hebt gij een woestaard, die staâg vloekt, drinkt, danst,[551]

’s Nachts rinkelrooit, steelt, moordt, en de oudste zonden

Aldoor op nieuw, op nieuwe wijzen pleegt;—

Heil u, niet langer is hij u tot last,

England verguldt met dubbel goud zijn zonde,

England verleent hem ambten, eer en macht;

De vijfde Hendrik rukt betoomde woestheid

Den muilband af des dwangs, en ’t wilde beest

Slaat ras zijn tand in ’t vleesch van iedere onschuld.

Mijn arm, arm rijk, dat bloedt van burgerkrijg!

Zoo al mijn zorg uw woestheid niet kon keeren,

Hoe zal ’t u gaan, als woestheid voor u zorgt?

Op nieuw, helaas! wordt gij een wildernis,

Bevolkt door wolven, uwe vroeg’re burgers!

Prins Hendrik

(nederknielend). O Heer, vergeef mij; zonder deze tranen,

De vochte hindernissen mijner spraak,

Had ik dit grievend, diep verwijt voorkomen,

Aleer uw leed zoo sprak, en ik zijn voortgang

Zoo ver had aangehoord. Hier is uw kroon;

En Hij, die zijne kroon onsterflijk draagt,

Behoede u haar nog lang! Indien ik meer

Haar liefheb dan uw eer en dan uw roem,

Dan rijze ik nimmer op van deze eerbied’nis,

Die innerlijk gevoel van waren eerbied

Mij leert, dit uiterlijk, deemoedig knielen.

O, God zij mijn getuige,—toen ik inkwam

En bij uw majesteit geen adem vond,

Hoe ’t mij een steek door ’t hart was!—Zoo ik huichel, 152

Dat ik dan hier, in mijne woestheid, sterv’,

Niet leve, om de ongeloovige aard te toonen,

Tot welk een eed’len omkeer ik besloot.

Ik kwam om u te zien; ik dacht u dood,

En, zelf schier dood, mijn vorst, door die gedachte,

Sprak ik de kroon, als kon zij mij verstaan,

Verwijtend toe: “De zorg, die aan u hangt,

Heeft van mijns vaders lichaam zich gevoed;

Daarom zijt gij, fijnst goud, het slechtste goud;

Ja, ander, minder van karaat, is eed’ler,

Dat leven schenkt in drinkbare artsenij;

Doch gij, het fijnst, het rijkst in roem en eer,

Hebt uwen heer verteerd.” Zoo, vorst en vader,

Verklaagde ik haar en zette haar op ’t hoofd,

Om met haar, als een vijand, die mijn vader,

En voor mijn eigen oogen, had vermoord,

Den strijd als wettig erfgenaam te wagen.

Maar zoo zij mij het bloed door vreugd besmette,

Mijn hart deed zwellen van verwaten trots,

Zoo in mij een’ge drieste of ijd’le geest

Met de geringste neiging tot een juichtoon

Haar en haar macht als welkom heeft begroet,

Dan houde God haar van mijn hoofd steeds verre,

En make mij gelijk den minsten dienstman,

Die eerbiedvol en sidd’rend voor haar knielt!

Koning Hendrik.

O, mijn zoon!

God gaf u in, de kroon van hier te nemen,

Opdat ge uws vaders liefde meer zoudt winnen

Door zulk een wijs bepleiten van uw zaak.

Kom, Hendrik, hier, en zet u aan mijn bed;

En hoor, vermoed’lijk de’ allerlaatsten raad,

Dien ik ooit aad’men zal. God weet, mijn zoon,

Door welke kromme wegen, slinksche treken

Ik deze kroon verwierf; en ik, ik weet,

Hoe drukkend zij mijn slapen heeft gekneld.

Aan u valt zij ten deel met beet’re rust,

Met beet’re meening, beet’re zekerheid;

Want iedre vlek van haar erlanging gaat

Met mij in ’t graf. Op mijn hoofd scheen zij slechts

Een sieraad, met een drieste hand gevat;

Er leefden velen om mij te verwijten,

Dat ik haar enkel won door hunne hulp,

Wat daag’lijks strijd en bloedvergieten wekte,

Den schijnb’ren vrede wondde. ’k Heb die schrikken

Met veel gevaar,—gij zaagt het,—vaak getrotst;

Want mìjn bewind was steeds als een tooneel,

Dat zulk een inhoud speelde,—tot mijn dood

Nu ’t spel verandert. Want wat ik verwierf,

Valt op een schooner wijs thans u ten deel,

Wijl gij als erfgenaam den haarband draagt.

Maar toch, al staat gij vaster dan ooit ik,

’t Is nog niet vast genoeg; nòg smeulen grieven;

En al mijn’ vrienden,—nog door u te winnen,—

Is pas de giftand en ’t vergif ontrukt; 206

Hun wreed bedrijf heeft mij de kroon verschaft,

En hunne macht moest mij beducht doen zijn

Voor nieuwe onttroning; en, om dit te ontgaan,

Besnoeide en kapte ik hen, en was van plan

Nu velen naar het Heilig land te voeren,

Opdat niet rust en nietsdoen hun te zeer

Mijn rijk deed gadeslaan. Daarom, mijn Hendrik,

Zij dit uw weg: geef tuimelgeesten werk

Door vreemden krijg; de strijd in ’t buitenland

Wissch’ hun de heugnis uit van vroeger dagen.

Meer wilde ik—, doch mijn stem is uitgeput;

De longen weig’ren mij de kracht tot spreken.

Ik won de kroon; O God vergeev’ mij hoe,

En sta haar u in waren vrede toe!

Prins Hendrik.

Doorluchtig vorst,

Gij wont en hoeddet, droegt haar, gaaft haar mij;

Dies staat mij, bij ’t bezit, het recht ter zij,

Wat ik, al dreigde mij met al haar macht

De gansche wereld, staaf met eed’le kracht.

(Prins John van Lancaster, Warwick, Lords en Anderen komen op.)

Koning Hendrik.

Zie, zie, daar komt mijn John van Lancaster.

Prins John.

Gezondheid, vrede en heil, doorluchte vader!

Koning Hendrik.

Gij brengt mij heil en vrede, ja, mijn zoon;

Maar ach! gezondheid vlood met jonge vleugels[552]

Den kalen dorren stam. Nu ik u zie,

Is ’t einde van mijn aardschen arbeid daar.—

Waar is mylord van Warwick?

Prins Hendrik.

Waar is mylord van Warwick? Mylord van Warwick!

Koning Hendrik.

Draagt het vertrek, waar ik in onmacht viel,

Mylord, een eigen naam ter onderscheiding?

Warwick.

Het heet Jerusalem, mijn beste heer.

Koning Hendrik.

Geloofd zij God! Daar loopt mijn leven af;

’t Is menig jaar geleden mij voorspeld,

Dat ik zou sterven in Jerusalem.

Ik waande steeds, dit was in ’t Heilig land.—

Doch, breng mij in die kamer om te sterven;

Jerusalem doe Hendrik rust verwerven!

(Allen af.)

[Inhoud]

VIJFDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Glostershire. Een vertrek in het huis van Zielig.

Zielig, Falstaff, Bardolf en de Page komen op.

Zielig.

Bij kris en kras, heer, gij zult van avond niet weg. Hé, David, zeg ik.

Falstaff.

Gij moet mij ontschuldigen, heer Robert Zielig.

Zielig.

Ik wil u niet ontschuldigen; gij zult niet ontschuldigd worden; ontschuldigingen worden niet aangenomen; geen ontschuldiging helpt u; gij zult niet ontschuldigd worden.—Kom toch, David!

(David komt op.)

David.

Hier ben ik, heer.

Zielig.

David, David, David,—laat zien, David, laat eens zien; ja,—’t is waar ook, Willem, de kok, die moet hier komen.—Sir John, gij zult niet ontschuldigd worden.

David.

’t Is waar ook, heer, die dagvaardingen zijn niet in den haak. En nog iets, heer, moeten wij het voorland met tarwe bezaaien?

Zielig.

Met roode weit, David.—Maar van Willem den kok gesproken:—zijn er geen jonge duiven? 18

David.

Ja zeker, heer.—Hier is de rekening van den smid, van beslaan en van ploegijzers.

Zielig.

Laat die narekenen en betaal ze.—Sir John, gij zult niet ontschuldigd worden.

David.

En dan, heer, moet er ook een nieuwe ketting wezen voor den emmer;—en, heer, wilt gij Willem ook wat van zijn loon aftrekken, voor den zak, dien hij laatst op de markt te Hinckley verloren heeft?

Zielig.

Hij moet dien vergoeden.—Wat duiven, David, een paar kortpootige kippen, een schapebout en nog wat aardige kleine versnaperingen; zeg dat aan Willem den kok.

David.

Blijft de krijgsman den geheelen avond nog, heer?

Zielig.

Zeker, David; ik wil hem goed onthalen. Een vriend aan het hof is beter dan een stuiver in de beurs. Onthaal zijn manschappen goed, David, want zij zijn aartsschelmen en achter den rug maken zij iemand zwart.

David.

Niet erger zwart dan zijzelf zijn, heer, want zij hebben verduiveld smerige hemden aan ’t lijf. 38

Zielig.

Goed bedacht, David. Aan ’t werk, David.

David.

Ik zou u wel willen verzoeken, heer, dat gij Willem Visor van Wincot bij die klacht van Clemens Perkes van den berg er doorhelpt.

Zielig.

Er zijn vele klachten, David, tegen dien Visor; die Visor is, dit weet ik, een aartsschelm.

David.

Ik geef uw edelheid gelijk, dat hij een schelm is, heer; maar verhoede God, heer, dat aan een schelm de hand niet wat boven het hoofd gehouden zou worden, als zijn vriend er om vraagt. Een eerlijk man, heer, kan voor zichzelf spreken, als een schelm het niet kan. Ik heb uwe edelheid deze acht jaren, heer, eerlijk gediend, en als ik niet één of een paar keeren in ’t verreljaar een schelm er door kan helpen tegen een eerlijk man, heb ik al heel weinig vertrouwen bij uw edelheid. Die schelm is mijn eerlijke vriend, heer; en daarom wil ik uw edelheid verzoeken, hem de hand boven het hoofd te houden.

Zielig.

Ga maar, hij zal geen last hebben, zeg ik. Bezorg alles, David.—

(David af.)

Waar zijt gij, Sir John? Kom, kom, kom, de rijlaarzen uit!—Geef mij de hand, vriend Bardolf.

Bardolf.

Ik ben blij, uw edelheid te zien.

Zielig.

Ik dank je van ganscher harte, mijn goede vriend Bardolf.—(Tot den Page.) En ook gij zijt welkom, mijn pootige knaap!—Kom, Sir John! [553]

Falstaff.

Ik volg u, beste heer Robert Zielig.

(Zielig af.)

Bardolf, kijk naar onze paarden.

(Bardolf en de Page af.)

Als ik in stukjes gezaagd werd, zou ik vier dozijn van zulke gebaarde pelgrimsstaven opleveren, als die sinjeur Zielig. Het is een wonderbaarlijk ding om te zien, die in het oog vallende samenhang tusschen den geest van zijn gedienstige geesten en van hemzelf; door hem gade te slaan, gedragen zij zich als onnoozele vrederechters; door het verkeer met hen, is hij een vrederechterachtige bediende geworden. Hun ziel en zijn ziel zijn onder den invloed van hun onderlingen omgang zoo met elkander getrouwd, dat zij zich eendrachtig opeendringen als even zoovele wilde ganzen. Als ik iets van sinjeur Zielig gedaan wilde krijgen, zou ik zijn lieden voor mij winnen, door hen te beduiden, dat zij hun beer nabij kwamen; en wilde ik iets van zijn bedienden, dan zou ik sinjeur Zielig er mee streelen, dat geen mensch beter zijn onderhoorigen wist te drillen. Het is zeker, dat zoowel een wijs gedrag als een onnoozele wijs van doen aanstekelijk zijn, zooals de menschen kwalen krijgen, de een van den ander; daarom moet de mensch toezien, met wie hij omgaat. Ik zal uit dezen Zielig stof genoeg weten te halen om prins Hendrik altijddoor aan het lachen te houden, zoolang tot zes nieuwe modes versleten zijn, wat zooveel is als vier gerechtstermijnen of twee schuldvorderingen, en hij zal zonder vacanties lachen. O, het is verbazend, wat een leugen met een kleinen vloek of een grap met een ernstig gezicht kan doen bij een jongen borst, die nog geen pijn in de schouders kent. O, ge zult hem zien lachen, tot zijn gezicht er uitziet als een natte mantel, die slordig is neergelegd.

Zielig

(van binnen). Sir John!

Falstaff.

Ik kom, heer Zielig: ik kom, heer Zielig!

(Falstaff af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Westminster. Een zaal in het paleis.

Warwick en de Lord Opperrechter komen op.

Warwick.

Hoe is ’t lord opperrechter, en waarheen?

Opperrechter.

Hoe gaat het met den koning?

Warwick.

Uitnemend goed;—zijn zorgen zijn ten eind.

Opperrechter.

Wat! toch niet dood?

Warwick.

Wat! toch niet dood? Hij ging den weg van allen,

En leeft voor de aard en ons belang niet meer.

Opperrechter.

O, hadd’ zijn majesteit mij meegeroepen;

Mijn dienst, hem bij zijn leven trouw gewijd,

Doet na zijn dood mij bitt’re krenking wachten.

Warwick.

Ja, deze koning zal uw vriend niet zijn.

Opperrechter.

Neen, zeker zal hij ’t niet, en ’k wapen mij

Om kalm de toekomst in ’t gelaat te zien,

Die zeker mij niet boozer aan kan blikken,

Dan mijn verbeelding ’t mij heeft afgemaald.

(Prins John, Prins Humphrey, Clarence, Westmoreland en Anderen komen op.)

Warwick.

Daar komt het treurend kroost des dooden Hendriks;

O, dat zijn levende genant den aard

Des slechtsten van dit drietal prinsen had!

Hoe menig eed’le zou zijn ambt behouden,

Die ’t zeil voor mind’re geesten strijken zal!

Opperrechter.

O God, ik ducht den ommekeer van alles.

Prins John.

Neef Warwick, goeden morgen, goeden morgen!

Prins Humphrey en Clarence.

Neef, goeden morgen!

Prins John.

Wij staan als mannen, die de spraak verleerden. 22

Warwick.

De spraak is ons, doch al te treurig is

Ons onderwerp, om veel gesprek te dulden.

Prins John.

Nu, hèm zij vrede, die ons treuren doet!

Opperrechter.

En ons die vreê, dat wij niet dieper treuren!

Prins Humphrey.

O beste lord, ja, gij verloort een vriend;

En ’k zweer er op, geborgd is dit gelaat

Van diepe droef’nis niet; ’t is wis uw eigen.

Prins John.

Schoon niemand weet, wat gunst hem zal bestralen,

Mag uw verwachting felle koude zijn.

En ’t maakt mijn droef’nis dieper; ’k wenschte ’t anders.

Clarence.

Ja, wis, gij moogt nu Sir John Falstaff vleien;

Wat indruischt tegen de’ eedlen stroom uws ambts.

Opperrechter.

Mijn prinsen, wat ik deed, deed ik in eere,

Naar ’t onpartijdig richtsnoer van mijn ziel;

Mij ziet gij nimmer beed’len om vergiff’nis;

Armzalige aalmoes, mij vooruit ontzegd!

Helpt mij rechtschapenheid en onschuld niet,

Dan volg ik mijnen dooden heer en koning,

En meld hem, wie mij zond, hem achterna.

Warwick.

Daar komt de prins.

(Koning Hendrik de Vijfde komt op, met Gevolg.)

Opperrechter.

Wees welkom! God behoede uw majesteit!

[554]

Koning.

Dit nieuwe pronkgewaad, de majesteit,

Zit mij niet zoo gemakk’lijk als gij waant.—

Broeders, gij mengt in ’t treuren een’ge vrees;

Maar dit is ’t Engelsch, niet het Turksche hof;

Hier volgt niet Amurath op Amurath,—

Op Hendrik Hendrik. Toch, mijn broeders, treurt,—

Want dit, moet ik verklaren, staat u goed;

Zoo koninklijk staat u die diepe smart,

Dat ik recht diep in rouw mij kleeden wil

En dien in ’t harte dragen. Treurt dus vrij;

Doch tilt dit wee niet zwaarder, lieve broeders,

Dan als een last, ons allen opgelegd.

Wat mij betreft, bij God, weest overtuigd:

Ik wil uw vader zijn en broeder tevens!

Schenkt mij uw liefde en ik neem uwe zorgen.

Weent vrij, dat Hendrik stierf,—ik doe het ook;

Doch Hendrik leeft, die elk van uwe tranen

Verand’ren zal in zooveel uren heils.

Prins John.

Dit hopen wij van uwe majesteit.

Koning.

Gij allen ziet bevreemd mij aan;—(Tot den Opperrechter.) gij ’t meest,

Als overtuigd, dat ik uw vriend niet ben.

Opperrechter.

’k Ben overtuigd, dat, als hij juist mij meet,

Mijn koning geenen grond tot haten heeft.

Koning.

Niet? 67

Hoe zou een prins, den troon zoo na als ik,

Een smaad, als gij mij aandeedt, ooit vergeten?

Wat! Englands naasten erfgenaam te wraken,

Te smaden, ruw te kerk’ren! Was dit niets?

Wie wascht dit af in Lethe, en vergeet het?

Opperrechter.

Toen was ik plaatsvervanger van uw vader,

De drager, ’t zichtbaar beeld van zijne macht;

En onderwijl ik als zijn rechtsbedeeler

Mijn plicht voor ’t algemeene welzijn deed,

Geliefde uw hoogheid alles te vergeten,

Mijn ambt, de macht en majesteit des rechts,

Het beeld des konings, dien ik daar verving,

En op mijn rechterszetel mij te slaan;

Waarop ik u, die uwen vader smaaddet,

Stoutweg, maar naar de volle macht mijns ambts,

In hecht’nis nam. Was dit verkeerd gehandeld,

Duld gij dan, nu gijzelf den haarband draagt,

Dat uwe wetten eens een zoon verguist,

Het recht van uw hoogachtb’ren zetel rukt,

Den loop der wet verlamt, en ’t zwaard verstompt,

Dat vrede en uwe veiligheid behoedt;

Ja meer, uw vorstenbeeld met voeten treedt,

En in een ander uw gezag bespot.

Raadpleeg uw koningshart,—’t zij uw geval,—

Wees gij de vader, denk u zulk een zoon,

Hoor zoo uw eigen waardigheid, geschonnen,

Zie zoo uw hoog en streng verbod veracht,

Aanschouw uzelf zoo door een zoon gehoond;

En stel u voor, ik treed dan voor u op,

En brenge zacht voor u dien zoon tot zwijgen;

Hebt gij dit koel gewogen, spreek dan recht,

En zeg, zoo waar gij koning zijt, als heerscher,

Wàt ik gedaan heb, strijdig met mijn ambt,

Mijn eigen eer, mijns konings opperhoogheid.

Koning.

Recht hebt gij, rechter; en gij weegt dit juist;

Voer gij voortaan de weegschaal dus en ’t zwaard;

En ’k wensch u toe, dat gij in eere wast,

Tot gij ’t beleeft, dat u een zoon van mij

Beleedigt, en u dan, als ik, gehoorzaamt;

Dan zal ook ik mijns vaders woorden spreken:

“Gelukkig ik! Ik heb een koenen man,

Die recht durft oef’nen aan mijn eigen zoon!

Niet min gelukkig ben ik in dien zoon,

Die van zijn grootheid in de hand des rechts

Zoo afstand doet.”—Gij gaaft mij kerkerstraf;

En daarom geef ik thans in uwe hand

Het onbevlekte zwaard, door u gevoerd,

Met dit vermaan, dat gij het voeren zult,

Zoo koen, gerecht van geest en onpartijdig,

Als toenmaals jegens mij.—Hier is mijn hand;

Gij zult een vader wezen voor mijn jeugd;

Mijn mond zal spreken, wat mijn oor u afhoort;

En buigen wil ik mijnen zin, en voegen

Naar uwen weldoordachten, wijzen raad.— 121

Gij allen, prinsen, ’k bid u, acht dit waar:

Wild is mijn vader in zijn graf gegaan,

Want in zijn groeve daalden mijne driften;

En ’k overleef hem ernstig, met zijn geest,

Om dwaas te maken, wat de wereld wacht,

Profeten te beschamen, en de meening,

Die, voos, alleen naar mijnen schijn, mij boekte,

Te niet te doen. De vloed des bloeds in mij

Verhief zich stout en trotsch in ijdelheid;

Nu keert zijn tij; hij ebt naar zee terug,

Waar hij zich met der golven rijk zal mengen,

Steeds vlieten zal in kalme majesteit.

Thans roepen wij ons parlement op, kiezen

Ons zulke leden voor onze’ eed’len raad,

Dat onzes staats groot lichaam bij geen enkel

Der best bestuurde volken achtersta;

Dat krijg en vrede, of beide tegelijk,

Bekende, ons welvertrouwde zaken zijn;—

Waarin gij (Tot den Opperrechter.), vader, de eerste hand zult hebben.—

Zijn wij gekroond, dan,—nogmaals zij ’t gezegd,—

Verzaam’len wij om ons den ganschen staat;

En, zoo slechts God mijn vromen wil bezegelt,

Zal prins noch pair met grond den hemel vragen:

God korte één dag van Hendriks blijde dagen.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Glostershire. De tuin bij Zieligs huis.

Falstaff, Zielig, Stil, Bardolf, de Page en David komen op.

Zielig.

Neen, gij moet mijn tuin zien; daar willen wij in een prieel een pippeling van ’t vorig [555]jaar gebruiken, dien ikzelf geënt heb, met een schotel anijskoeken, en zoo voorts;—kom, neef Stil;—en dan naar bed.

Falstaff.

Bij God, gij hebt hier een schoone woning, en rijk ook.

Zielig.

Mager, mager, mager; altemaal bedelaars, altemaal bedelaars, Sir John;—goede lucht, ja, dat is waar.—Dekken, David; dekken, David; goed zoo, David.

Falstaff.

Die David is u goed van dienst; hij is uw tafeldienaar en uw bouwman.

Zielig.

Een goede knecht, een goede knecht, een zeer goede knecht, Sir John;—sacrement, ik heb te veel sek gedronken bij het avondeten;—een goede knecht. Komt, gaat zitten, gaat zitten,—Kom, neef.

Stil.

Ja, vriendje, zei hij,—wij willen

(Hij zingt.)

“Niets doen dan eten en smullen voorwaar,

“En den hemel loven voor ’t vroolijke jaar,

“Want vleesch is te geef, en een wijf dure waar,

“En jolige knapen, zij gaan hier en daar,

“Zoo lustig,

“En zwerven te zamen zoo lustig.” 23

Falstaff.

Dat noem ik een vroolijke ziel!—Beste heer Stil, hier, op uw welzijn er voor.

Zielig.

Geef vriend Bardolf wijn, David.

David

(tot Bardolf). Beste vriend, ga zitten; ik ben dadelijk weer bij je;—allerbeste vriend, ga zitten.—Vriend page, beste vriend page, ga zitten; proficiat! Wat wij aan eten te kort komen, zullen wij met drinken goed maken. Maar je moet het voor lief nemen; de goede wil is alles.

(David af.)

Zielig.

Wees lustig, vriend Bardolf,—en gij daar, mijn kleine soldaat, wees lustig.

Stil

(zingt). “Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis;

“Want spichtig of dik, eene vrouw is een kruis;

“Slechts baarden in huis geeft een vroolijke kluis!

“En welkom, vastenavondpret!

“Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis.”

Falstaff.

Ik had niet gedacht, dat er zoo veel vuur in mijnheer Stil zat.

Stil.

Wie? Ik? Ik ben al wel eens en nog wel eens lustig geweest van mijn leven.

(David komt terug.)

David

(een schotel voor Bardolf nederzettend). Daar is een schotel grauwe renetten voor je.

Zielig.

David!

David.

Uw edelheid?—(Tot Bardolf.) Ik kom dadelijk terug.—

(Tot Zielig.) Een glas wijn, heer?

Stil

(zingt).

“Een beker wijn, zoo klaar en fijn,

“Dat drink ik op de liefste mijn;

“En een vroolijk hart leeft lang-é!”

Falstaff.

Goed zoo, beste heer Stil!

Stil.

Als wij vroolijk zullen wezen, dan komt nu het beste van den avond.

Falstaff.

Op je gezondheid en lang leven, mijnheer Stil!

Stil

(zingt).

“Vul maar, ’k leêgde op u mijn glas,

“Zoo een mijl zijn diepte was.”

Zielig.

Brave Bardolf, welkom hier; als je nog iets wenscht en er niet om vraagt, haal je de drommel!—Welkom hier, mijn kleine aardige gauwdief; wees welkom, waarachtig.—Ik drink op vriend Bardolf! en op alle cavallero’s van Londen.

David.

Ik hoop Londen nog eens te zien, eer ik sterf.

Bardolf.

Als ik je daar nog eens mocht zien, David,—

Zielig.

Sacrement, dan zul je wel een paar pint er samen doorjagen; niet waar, vriend Bardolf, is het niet zoo? 67

Bardolf.

Ja, heer, uit een driepintskroes.

Zielig.

Godskristenzielen, daar dank ik voor; die schelm zal een mensch niet loslaten, dat kan ik wel zeggen; hij houdt vast; hij is van het echte ras.

Bardolf.

En ik zàl hem ook niet loslaten, heer.

Zielig.

Kom, dat is spreken als een koning. Laat je niets ontbreken; wees vroolijk.—(Er wordt geklopt.) Zie eens, wie er aan de deur is.—Wat! wie klopt daar?

(David af.)

Falstaff.

(tot Stil, die een beker ledigt). Zoo, nu hebt ge mij bescheid gedaan.

Stil

(zingt).

“Doe bescheid als een man

“Sla mij tot ridder dan;

“Samingo.”

Is het zoo niet?

Falstaff.

Het is zoo.

Stil.

Is het zoo? Nu, zeg dan, dat een oud man ook wat kan.

(David komt terug.)

David.

Met verlof van uw edelheid, daar is een zekere Pistool, met nieuws van het hof.

Falstaff.

Van het hof? Laat hem binnenkomen.

(Pistool komt op.)

Wat is er, Pistool?

[556]

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.

Koning Hendrik IV, Tweede Gedeelte, Vijfde Bedrijf, Derde Tooneel.

Pistool.

Sir John, God zij met u!

Falstaff.

Wat wind heeft je hier naar toe geblazen, Pistool?

Pistool.

Geen slechte wind, die niemand voordeel brengt.—Mijn lieve ridder, gij zijt nu een der gewichtigste mannen in het koninkrijk.

Stil.

Bij onze lieve vrouwe, dat geloof ik ook, op baas Poef van Barson na.

Pistool.

Poef?

Poef voor uw kiezen, lage lafaard snood!—

Sir John, ik ben uw vriend en uw Pistool,

En rep je scheer je kom ik aangereden;

En tijding breng ik mee en blij geluk,

Een gouden tijd, en heilrijk nieuws van waarde.

Falstaff.

Ik bid je dan, bericht het als een mensch van deze wereld.

Pistool.

De wereld stikke, en lage wereldlingen!

Ik spreek van Afrika en gouden vreugd.

Falstaff.

Meld, snood Assyrisch ridder, meld uw nieuws!

Koning Cophetua wil de waarheid weten.

Stil

(zingt).

“Drie wakkre schutters hoorden dat;

“Robin Hood, Scharlaken en Hans.” 107

Pistool.

Zal hondgebroedsel Helicons hier trotsen?

En komt goed nieuws niet aan het woord?

Leg ’t hoofd, Pistool, dan in der Furiën schoot!

Stil.

Mijn eed’le heer, ik ken uw afkomst niet.

Pistool.

Nu, weeklaag dan daarom.

Zielig.

Neem mij niet kwalijk, heer;—maar,

heer, als gij met nieuws van het hof komt, dan

staan er, zooveel ik zie, slechts twee wegen

open: of gij deelt het meê, of gij houdt het

voor u. Ik ben, heer, onder den koning met

eenig gezag bekleed.

Pistool.

Doch onder welken koning, hongerlijder?

Zeg dit of sterf!

Zielig.

Onder koning Hendrik.

Pistool.

Hendrik den vierden of vijfden?

Zielig.

Hendrik den vierden.

Pistool.

Zeg dit of sterf! Stik dan in uw ambt!—

Sir John, uw teeder zuiglam is nu koning;

Hendrik de vijfde is baas. Ik spreek de waarheid;

Liegt uw Pistool, doe zóó dan; toon mij figo,

Zooals de trotsche Spanjaard.

Falstaff.

Wat, wat! is de oude koning dood?

Pistool.

Dood als een pier; wat ik u zeg, is waar.

Falstaff.

Vlug, Bardolf! zadel mijn paard.—Heer Robert Zielig, kies u uit, welk ambt in het land gij wilt, het is u. Pistool, ik zal je dubbel laden met waardigheden.

Bardolf.

O vreugdevolle dag! zelfs voor een ridderslag gaf ik mijn vooruitzichten niet prijs.

Pistool.

Nu, breng ik geen goed nieuws?

(Stil valt van zijn stoel.)

Falstaff.

Breng mijnheer Stil naar bed.—Heer Zielig, mylord Zielig, wees wat ge wilt; ik ben de hofmeester van het geluk. Trek uw laarzen aan, wij zullen de geheele nacht doorrijden.—O jij suiker-Pistool!—Vlug, Bardolf! (Bardolf af.)—Kom, Pistool, vertel mij meer, en bedenk tegelijk het een of ander, dat je goed zou doen.—Laarzen, laarzen aan, heer Zielig; ik weet, dat de jonge koning naar mij smacht. Laten wij de paarden nemen, waar wij ze vinden; de wetten van Engeland staan mij ten bevele. Wel hun, die mijn vrienden waren, en wee den lord opperrechter!

Pistool.

Dat booze gieren hakken aan zijn long!

Waar is mijn vroeger leven heen, is ’t lied.

Nu wordt het goed. Weest welkom, blijde dagen!

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een straat.

Twee Gerechtsdienaars sleepen Vrouw Haastig en Doortje Scheurlaken voort.

Waardin.

Neen, jij aartsschelm; bij God, ik wilde, dat ik dood ging, opdat ik je aan de galg bracht; je hebt mij den schouder uit het lid getrokken.

Eerste Gerechtsdienaar.

De onderschouts hebben haar aan mij overgeleverd en zij zal zweepkost genoeg krijgen, daar sta ik haar voor in. Een man of twee zijn er laatst om haar doodgeslagen.

Doortje.

Jij hapschaar, hapschaar, je liegt. Kom maar hier, ik zal je wat vertellen, jij vervloekt kalfstrijp-schelmengezicht. Als het mis loopt met het kind, waar ik van zwanger ga, dan was het nog beter voor je, als jij je eigen moeder geslagen hadt, jij schurkachtige papiertronie!

Waardin.

O lieve God, was Sir John maar weer hier! Dat zou voor enkele lui een bloedige dag worden. Maar ik bid God, dat het misloopt met de vrucht van haar lijf.

Eerste Gerechtsdienaar.

Als dat gebeurt, zul jij je dozijn kussens weer vol hebben, je hebt er nu nog maar elf. Komt, ik gelast je beiden, mee te gaan; want de man is dood, dien jij met Pistool samen geslagen hebt.

Doortje.

Ik zal je wat zeggen, jij dunne blikken kerel; je zult hiervoor een behoorlijke [557]vracht slaag krijgen,—jij leelijke blauwe aasvlieg! jij smerige verhongerde rakker! als jij je pak slag niet krijgt, wil ik nooit meer korte rokken dragen.

Eerste Gerechtsdienaar.

Kom, kom, jij straatjuffer, vooruit!

Waardin.

O God, dat het recht zoo boven geweld gaat! Nu, na lijden komt verblijden.

Doortje.

Ja, kom, jij schoft! Kom, breng mij voor een rechter.

Waardin.

Ja kom, jij uitgehongerde bloedhond!

Doortje.

Baas Dood! baas Karkas!

Waardin.

Jij Atomie, jij!

Doortje.

Kom, jij puthaak, kom, scharminkel!

Eerste Gerechtsdienaar.

Genoeg, genoeg!

(Allen af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een plein bij de Westminster-abdij.

Twee Hofbedienden komen op en strooien biezen.

Eerste Bediende.

Meer biezen, meer biezen!

Tweede Bediende.

De trompetters hebben reeds twee keer geblazen.

Eerste Bediende.

Het zal twee uur worden, eer zij van de kroning komen. Haast je, haast je!

(Beiden af.)

(Falstaff, Zielig, Pistool, Bardolf en de Page komen op.)

Falstaff.

Kom hier naast mij staan, heer Robert Zielig; ik zal zorgen, dat de koning u recht genadig is. Ik zal hem toelonken, als hij langs komt, en let dan maar op, welk een gezicht hij zal zetten, als hij mij ziet.

Pistool.

God zegene uw longen, goede ridder!

Falstaff.

Kom hier, Pistool, ga achter mij staan.—(Tot Zielig.) O, als ik maar tijd had gehad om nieuwe livreien te laten maken, dan had ik de duizend pond er aan besteed, die ik van u geleend heb. Maar het doet er niet toe; die armoedige plunje is beter; het toont den ijver aan, dien ik had om hem te zien.

Zielig.

Dat doet het.

Falstaff.

Het toont de innigheid van mijn toewijding.

Zielig.

Dat doet het.

Falstaff.

Mijn diepe hulde.

Zielig.

Dat doet het, dat doet het, dat doet het.

Falstaff.

Alsof ik dag en nacht had doorgereden, zonder overwegen, zonder bedenken, zonder mij tijd te gunnen om mij te verkleeden,—

Zielig.

Ja, zeer zeker.

Falstaff.

En daar sta ik dan, bespat van de reis, en zweetend van begeerte om hem te zien, aan niets anders denkend, alle andere zaken vergetend, alsof er niets anders te doen ware dan hem te zien.

Pistool.

’t Is “semper idem”, want absque hoc nihil est.”

’t Is alles overal.

Zielig.

’t Is zoo, inderdaad.

Pistool.

Ik wil uw eed’le gal ontvlammen, ridder,

U woeden doen.

Uw Doortje, Helena uws hoogen geestes,

Is in gemeene hecht’nis weggesleept

Naar ’t vunzig kerkerkot,

Door vuile handen van het laagst gespuis;—

Wek op de wraak uit zwarte krocht met felle Alecto’s slang;

Want Doortje zit; Pistool spreekt altijd waar.

Falstaff.

Ik zal haar bevrijden.

(Jubelgeroep en trompetgeschal achter het tooneel.)

Pistool.

Daar brult de zee en dreunt trompetgeschal. 42

(De Koning komt op, met zijn Gevolg, waaronder de Opperrechter.)

Falstaff.

Heil, koning Hein! mijn koninklijke Hein!

Pistool.

De hemel helpe en hoede u, hooge spruit des roems!

Falstaff.

God zij met u, mijn beste jongen!

Koning.

Spreek tot dien ijd’len man, lord opperrechter!

Opperrechter.

Zijt gij bij zinnen? weet gij, wat gij zegt?

Falstaff.

Mijn vorst; mijn Jupiter! mijn hart, u groet ik.

Koning.

Oud man, ik ken u niet, aan uw gebed!

Hoe slecht staat grijsheid aan een nar en zotskap!

Ik droomde lang van zulk een soort van man,

Zoo opgezet van ’t slempen, oud, losbandig;

Doch nu, ontwaakt, veracht ik mijnen droom.

Verminder ’t lijf voortaan, vermeêr uw deugd,

Laat af van brassen, denk steeds, dat voor u

’t Graf driemaal wijder dan voor andren gaapt.

Geef mij geen antwoord met een narrenkwinkslag;

En waan niet, dat ik ben, wat ik eens was!

De hemel weet, en zien zal ’t nu de wereld,

Dat ik den rug keerde aan mijn vroeger ik,

En ’t hun zal doen, die eertijds met mij waren.

Verneemt gij, dat ik ben wat ik toen was,

Kom dan tot mij en word weer wat gij waart,[558]

De gids en voeder van mijn dart’len lust.

Tot zoolang ban ik u, op straf des doods,

En zoo mijn oov’rige verleiders ook,

Tien mijlen ver van mijn persoon en hof.

Wat onderhoud betreft, dit zult ge ontvangen,

Opdat gebrek u niet tot kwaaddoen drijv’;

En zoo wij hooren, dat gij u bekeert,

Dan willen wij, naar uwe kracht en gaven,

Uw lot verbeet’ren.—Draag gij zorg, mylord,

Dat wat ik zeide stipt gehoorzaamd word’.—

Nu voorwaarts!

(De Koning met zijn Gevolg af.)

Falstaff.

Mijnheer Zielig, ik ben u duizend pond schuldig.

Zielig.

Ja, juist, Sir John; en ik verzoek u, mij die mede naar huis te geven.

Falstaff.

Dat zal moeielijk gaan, mijnheer Zielig. Trek u dit niet aan; ik zal in ’t geheim bij hem ontboden worden. Ziet gij, voor de wereld moet hij zich wel zoo houden. Wees niet ongerust over uw bevordering; ik ben en blijf de man, die u groot zal maken.

Zielig.

Ik zie niet in, hoe, of gij moest mij uw wambuis aandoen en mij met stroo opstoppen. Ik bid u, beste Sir John, geef mij vijfhonderd van mijn duizend.

Falstaff.

Heer, ik zal zoo goed als mijn woord zijn; wat gij daar gehoord hebt, was maar voor den schijn.

Zielig.

Een schijn, vrees ik, waar gij u tot uw dood aan zult vergapen, Sir John.

Falstaff.

Laat u niet door den schijn bedriegen; ga met mij eten. Kom, luitenant Pistool;—[183]kom Bardolf;—ik zal van avond spoedig ontboden worden.

(Prins John, de Opperrechter, Officieren en Anderen komen terug.)

Opperrechter.

Gaat, voert mij Sir John Falstaff weg in hecht’nis,

En neemt zijn metgezellen allen meê.

Falstaff.

Mylord, mylord,—

Opperrechter.

Nu kan ik niet! weldra zal ik u hooren.

Voert allen weg.

Pistool.

Si fortune me tormente, sperato me contente.

(Falstaff, Zielig, Pistool, Bardolf en de Page worden weggevoerd.)

Prins John.

Ik loof des konings eed’le wijs van doen.

Hij wil, dat zij, met wie hij eens verkeerde,

Behoorlijk voor hun leven zijn verzorgd.

Doch allen zijn gebannen, tot hun leven

Gebeterd is en niet meer opspraak wekt.

Opperrechter.

Dat zijn zij, ja.

Prins John.

De koning riep zijn parlement bijeen.

Opperrechter.

Dat deed hij.

Prins John.

’k Wed, England draagt, eer deze dag verjaart,

Het lang in burgerbloed gedoopte zwaard

Naar Frankrijk heen; een vogel zong dit voor,

En streelde, naar mij dacht, des konings oor

Komt, gaat gij mee?

(Allen af.)

[Inhoud]

EPILOOG,

uitgesproken door een Danser.

Eerst mijn vrees, dan mijn buiging, ten laatste mijn aanspraak. Mijn vrees is uw ontevredenheid, mijn buiging mijn plicht, en mijn aanspraak een bede om verschooning. Als gij nu een schoone aanspraak verwacht, dan ben ik verloren; want wat ik te zeggen heb, is van mijn eigen maaksel, en wat ik inderdaad moest zeggen, zal, vrees ik, mijn eigen verderf zijn. Doch ter zake, en dus op goed geluk af. Het zij u dan bekend,—zoo als u het zeer wel bekend is,—dat ik hier onlangs kwam op het eind van een niet welgevallig stuk, om er uw toegevendheid voor in te roepen en u een beter te beloven. Mijn plan was, om u de waarheid te zeggen, u met dit stuk te betalen; en zoo dit, als van een slechte reis, ongelukkig terugkomt, maak ik bankroet en gij, mijn toegenegen schuldeischers, verliest. Hier, heb ik beloofd, zou ik wezen, en hier geef ik mijn persoon aan uw genade over; scheldt mij iets kwijt, en ik betaal u iets; en beloof u, zooals de meeste schuldenaars doen, onmetelijk veel. 17

Als mijn tong u niet bewegen kan om mij kwijtschelding te verleenen, wilt gij mij dan bevelen, mijn beenen te gebruiken? En toch ware dit slechts een magere betaling, de schuld aan u weg te dansen. Maar een braaf geweten zal de menschen op alle mogelijke wijze willen voldoen; en dit wil ik. Alle edele vrouwen hier hebben mij vergiffenis geschonken; als de edele [559]heeren het nu niet willen, zijn de heeren het met de vrouwen niet eens, en dit is iets ongehoords in zulk een vergadering.

Nog één woord, als het vergund is. Als gij niet te zeer oververzadigd zijt van vet vleesch, zal onze onderdanige schrijver de geschiedenis vervolgen, met Sir John er in, en u verlustigen met de schoone Catharina van Frankrijk; daarin zal ook, voor zoover ik weet, Falstaff zich dood zweeten, als hij niet reeds vooraf door uw harde beoordeeling is omgebracht; want Oldcastle stierf als martelaar en dit is de man niet.

Mijn tong is moede; als mijn beenen het ook zijn, zal ik u goede nacht wenschen. En zoo kniel ik voor u neder; doch, in waarheid, om voor de koningin te bidden.

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

Het tweede deel van Hendrik IV sluit zich onmiddellijk aan het eerste deel aan, dat met den slag bij Shrewsbury eindigt, en maakt toch een geheel op zichzelf uit. Heeft het eerste deel ons doen zien, hoe de koning zijn macht met geweld moest handhaven tegen hen, die hem den troon hielpen overweldigen, in dit stuk heeft de koning zijn macht alreeds bevestigd en ook de laatste weerstand wordt gebroken; hij is aan het beoogde doel, maar wordt thans geteisterd door boozer vijanden, dan de opstandelingen waren: door een ziekte, die hem sloopt, door gewetenswroeging, en door de zorg, dat hij het werk zijns levens aan onwaardige handen moet achterlaten, een zorg, die eerst op zijn sterfbed van hem genomen wordt. Als in tegenstelling met dit wegkwijnen des konings zien wij zijn zoon, die met jeugdigen overmoed zich in lagere sferen bewogen had, zich fier verheffen, gereed en in staat, om de verdorvenheid der maatschappij, hem zoo grondig bekend, te beteugelen en te verbeteren, en om door grootsche daden als “ster van Engeland” te glansen.

Daartoe heeft de dichter de gebeurtenissen der laatste negen regeeringsjaren van Hendrik de Vierde (1405–1413) zoo samengedrongen, dat zij als het ware het naspel van den slag van Shrewsbury schijnen te zijn. Inderdaad duurde het twee jaren, eer Northumberland, die na den slag bij Shrewsbury begenadigd was geworden, zich bij den aartsbisschop van York en Thomas Mowbray aansluitend, weder tegen Koning Hendrik IV in verzet kwam. Hoezeer met krachtige manifesten opgetreden en met een belangrijke krijgsmacht in het midden van Engeland staande, lieten de opstandelingen zich door Lord Westmoreland verschalken; de Aartsbisschop en Mowbray werden terechtgesteld, terwijl Northumberland, die wel niet vooraf gevlucht was, maar zeker niet tijdig genoeg krachtig was opgetreden, naar Schotland ontkwam, om met Lord Bardolf, bij een hernieuwden inval in Yorkshire, in 1408 zijn einde te vinden. Des konings oudste zoon was middelerwijl in Wales, en had er vier jaren lang tegen Glendower te strijden, die door den koning van Frankrijk en den Paus als onafhankelijk vorst van Wales erkend was. Ten laatste gelukte het hem, Wales te onderwerpen en Glendower in het noordelijk gebergte van Wales terug te drijven.

Het geluk begunstigde Hendrik IV: de Schotsche troonopvolger was in zijn macht, de binnenlandsche woelingen in Frankrijk lieten hem niet alleen rust in Engeland, maar deden hem in Frankrijk zelfs als scheidsrechter inroepen. Engeland en het huis van Lancaster namen toe in macht. Maar de gebeurtenissen der laatste vijf regeeringsjaren van Hendrik, zijn ondernemingen op het vasteland, zijn maatregelen tegen de Wycliffieten of Lollarden, en zijn verder bestuur worden door Shakespeare niet vermeld. Ook zonder deze kon hij het beeld van den monarch teekenen, die, hoe gelukkig en roemrijk in zijn ondernemingen en zijn bestuur, zijn geluk niet kon genieten, steeds van kommer vervuld was, door zijn geweten steeds van wanbedrijf tegen Richard II beschuldigd werd, en lichamelijk lijden te verduren had, dat hem in 1413, op den leeftijd van 47 jaren, wegsleepte.

Wat zijn zoon betreft, heeft de dichter zorg gedragen, dat de wijze, waarop hij als koning optreedt behoorlijk is voorbereid. Hij verkeert niet meer met Falstaff; als hij een enkele maal nog in Eastcheap verschijnt om zich met den ouden zondaar te verlustigen, is het duidelijk, dat de vroegere kameraadschap niet meer bestaat, en dat de koning hem eigenlijk niet van Falstaff had behoeven te scheiden; de boden zijns vaders worden niet meer als vroeger met een lichtvaardige scherts teruggezonden, maar hij is dadelijk ernstig en een kort “Goede Nacht” is zijn afscheid van Falstaff. Men gevoelt, dat hij hem zal wegwerpen als een boek, dat ter verlustiging alleen gelezen werd. Dat hij recht heeft dit te doen, blijkt wel uit de tooneelen, waarin Falstaff en de zijnen optreden, zoo te Londen als op zijn tocht door het land. En niemand kon beter het land van zulk gespuis, als ons daar wordt voorgesteld, zuiveren, dan hij, die het in al zijn verdorvenheid had leeren kennen, die [560]door den omgang met het booze niet verdorven is, maar versterkt en tot man gerijpt. De handelwijze van den Prins jegens Falstaff bij zijn troonsbeklimming wordt er volkomen door gerechtvaardigd.

Dat het tweede deel van Koning Hendrik IV onmiddellijk na het eerste geschreven is, blijkt onmiskenbaar uit den stijl, de kleur, de geheele wijze, waarop het onderwerp behandeld is. Zeker is het, dat het stuk in 1599 reeds was gespeeld; in Ben Jonson’s blijspel Every Man out of his humour, dat in genoemd jaar voor het eerst gegeven werd, treedt een onnoozele hals op, en deze wordt gekenschetst met de woorden: “Dat is een neef van den vrederechter Stil”. Ook uit Sh. zelf blijkt het, daar dit stuk aan “Koning Hendrik V” voorafging en dit laatstgenoemde, blijkens den Proloog van het 5de Bedrijf, reg. 30, in 1599 ten tooneele werd gebracht.—In 1600 werd het tweede deel van K. Hendrik IV afzonderlijk uitgegeven, maar hoogst slordig en vol fouten. Deze uitgave werd door geen andere gevolgd, zoodat eerst de Folio-uitgave van 1623 een beteren tekst openbaar maakte.


Pr. 1. De Proloog, Voorafspraak of Inductie, zooals de technische uitdrukking in het oorspronkelijke luidt, werd in Engelsche tooneelstukken meermalen te baat genomen, om het een of ander den toeschouwers te herinneren of te vertellen, wat niet wel op het tooneel voorgesteld kon worden. Bij historische tooneelwerken moest natuurlijk dit middel zeer welkom zijn. Shakespeare laat in “K. Hendrik de Vijfde” ieder bedrijf zelfs van een Proloog voorafgaan; ook “K. Hendrik de Achtste” is van een Proloog voorzien.—Dat hier het Gerucht, of de Faam, een gewaad aan heeft, “met tongen beschilderd”, is geheel in den geest van Sh.’s tijd.

Pr. 22. Voor mijn gezin hier. Het publiek in den schouwburg wordt door het Gerucht als zijn gezin beschouwd, wijl het zijn woorden verbreidt en dus in zijn geest werkzaam is.

I. 1. 60. Als de titel eens treurzangs. In Sh.’s tijd hadden treurzangen of berichten van treurige gebeurtenissen een zwart titelblad.

I. 1. 72. Schoof Priamus’ gordijn enz. Niet naar Vergilius, waarschijnlijk volgens een tooneelstuk van dien tijd.

I. 2. 1. Wat zegt de dokter van mijn water. In de 16de, 17de, ja, in de 18de eeuw was de piskijkerij voor het erkennen van ziekten zeer in zwang.

I. 2. 17. Alruintje. Een dreumes van de kleinste soort. Vergelijk de aanteek. op “Romeo en Julia” IV. 3. 47. Hetzelfde beteekent het agaatmannetje, een figuur op een agaatsteen, die tot zegelen gebruikt wordt; zie “Romeo en Julia” I. 4. 55.

I. 2. 41. Een ja-waarachtig-schelm. Een kerel, die in plaats van eenvoudig “ja” altijd “ja waarachtig” zegt en toch bedriegt. Zoo wordt in “I Hendrik IV”, III. 1. het “In ernst”, in sooth, der Londensche burgervrouwtjes ook aangehaald.

I. 2. 58. Paulskerk. In de Paulskerk hielden zich steeds tal van leegloopers op; die daar een bediende huurde, liep veel gevaar bedrogen uit te komen; zoo was Smithfield de beruchtste veemarkt in Engeland. In een boek “The Choice of Change”, dat in 1598 verscheen, leest men: “A man must not make choice of these three things in three places: of a wife in Westminster; of a servant in Paul’s; of a horse in Smithfield; lest he choose a quean, a knave or a jade”. In Knight’s Imperial Shakespeare I, p. 592, vindt men nog meer aanhalingen uit gelijktijdige schrijvers.

I. 2. 62. Daar komt de lord, die den Prins liet inrekenen. De opperrechter Sir William Gascoigne zond den Prins in hechtenis, toen deze hem voor het gerecht een slag had gegeven.

I. 2. 141. Een tuchtiging aan uw enkels. In ’t Engelsch staat eigenlijk aan de hielen; de straf met het voetblok is bedoeld, welke aan landloopers werd opgelegd. In “Koning Lear” wordt Kent zoo gestraft.

I. 2. 165. Ik ben de dikke blindeman. In ’t Engelsch: I am the fellow with the great belly; zeker een toespeling op een bekenden dikken blinde van dien tijd.

I. 2. 183. Waardigheid—baardigheid. In het Engelsch is de woordspeling met gravity en gravy (het sap, dat bij het braden van vleesch er uit drupt).—In den volgenden regel bevat engel weer een zinspeling op de gouden munt.—Iets lager klaagt Falstaff, dat dappere lui, om het leven te houden, als berenoppasser moeten gaan dienen bij een “berenbijt”; in dien tijd was het aanhitsen van honden op beren een zeer geliefd volksvermaak.

I. 2. 237. Met blaasjes spuwen. In ’t Engelsch spit white again. Bij drinkers zeide men, dat het speeksel wit werd; zoo staat in Lyly’s Mother Bombie: They have sod their livers in sack these fourty years; that makes them spit white broth as they do.

I. 2. 253. Gij staat niet vast genoeg op uw beenen enz. In ’t Engelsch: you are too impatient to bear crosses. Crosses beteekent: ongemakken, rampen, en ook munten, waarvan de stempel een kruis vertoont.

I. 2. 258. De Fransjesziekte. Bij Bredero de Françoysen genoemd; elders Spaansche pokken [561]of Napelsche ziekte; in ’t Engelsch pox, wel te onderscheiden van de small pox.

II. 1. 27. Hij komt op het monement in den Pasteihoek enz. Vrouw Haastig wijst zoo nauwkeurig aan, waar zij Falstaff buitenshuis kunnen vinden, omdat een schuldenaar niet in zijn woning mag gevat worden. De woordverdraaiingen van vrouw Haastig voor attentaat, molesteeren enz. zijn volstrekt niet gewaagder dan in ’t Engelsch, waar infinitive staat voor infinite, continuantly voor incontinently, honeysuckle voor homicidal, honey-seed en hemp-seed voor homicide.

II. 1. 138. Ik zeg u, dat ik van deze gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden. Falstaff geeft blijk, dat hij de wet wel kent; hij roept haar bescherming in, quia profecturus, zooals ’t heet.

II. 1. 155. Glazen, glazen, dat is het ware drinken! Falstaff tracht de waardin te beduiden, dat zij gerust haar zilver kan wegdoen, daar men uit glazen nog beter drinkt dan uit zilveren bekers, en ook, dat goedkoope muurschilderingen, in waterverf of fresco, beter zijn dan wandtapijten. (De “Duitsche jacht” zal wel een wilde zwijnen-jacht zijn, zooals in de vertaling is uitgedrukt.)—Falstaff vraagt haar meteen nog weer tien pond te leen; zij biedt hem een derde minder aan, want twintig nobels zijn zes pond dertien schellingen en vier penningen; Falstaff neemt hier genoegen mee, en zorgt, dat Bardolf met haar meegaat, om het geld in ontvangst te nemen.

II. 2. 25. Bij wijze van redmiddel. In de redeneering van den Prins, die den berooiden toestand van Poins schildert, zij hier opgemerkt, dat de uitdrukking they have made a shift dubbelzinnig is, daar shift zoowel uitkomst of redmiddel als vrouwehemd beteekent.

II. 2. 77. Een aap van hem gemaakt heeft. Falstaff heeft den jongen zoo potsierlijk aangekleed, dat hij er als een aap uitziet.

II. 2. 86. Een rood tralievenster. Daaraan waren mindere herbergen te kennen.

II. 2. 96. Althea droomde immers, dat zij van een brandende fakkel beviel. De page verwart hier Althea, de moeder van Meleager, met Hecuba, de moeder van Paris. De laatstgenoemde had dien droom. Aan Althea werd voorspeld, dat haar pasgeboren zoon zou sterven, zoodra een hout, dat op den haard lag, verbrand zou zijn; zij rukte het dadelijk uit het vuur, doofde het uit en bewaarde het zorgvuldig.—De verwarring is van den page, niet van Sh., die blijkens “II Hendrik VI”, I. 1. 234. de mythe van Althea wel kende.

II. 2. 99. Een verklaring, die wel een kroon waard is. In ’t Engelsch: A crown’s worth of good interpretation. Er bestond toen ter tijd een stichtelijk boek of tractaatje: A penny worth of good interpretation, waaraan de toeschouwers aldus schertsenderwijs herinnerd werden.

II. 2. 110. St.-Maartenszomer. Sint Maarten is 11 November; vergelijk Allerheiligenzomer “I Hendrik IV”, I. 2. 148.—In ’t Engelsch staat alleen Martlemas, de dag van St. Maarten; misschien is het juister, eenvoudig aan te nemen, dat Poins Falstaff zoo noemt, omdat zijn levensjaar welhaast ten einde loopt.—Misschien ook wordt gezinspeeld op het veel eten en drinken op Sint-Maartensdag.

II. 2. 134. De edele Romeinen in hun kortheid. In hun stijl, vooral briefstijl, die met name in het adres, zeer beknopt was.—Let men op het drieledige van den eersten zin: I commend me to thee, I commend thee, and I leave thee, dan zou men vermoeden, dat het veni, vidi, vici hier nagevolgd is.

II. 2. 164. Epheziërs. In Sh.’s tijd, evenals Corinthiërs, vroolijke gasten, drinkebroêrs.

II. 3. 59. Om tot herinn’ring aan mijn eed’len gâ ’t Herinn’ringskruid enz. In ’t Engelsch staat remembrance, dat zoowel “herinnering” beteekent als “rozemarijn”, die bij uitvaarten gestrooid werd, om aan te duiden, dat men de dooden in gedachtenis zou houden. In plaats van “’t herinn’ringskruid” zou men hier ook kunnen lezen: “De roosmarijn” of wel “’t gedacht’niskruid”.

II. 4. 2. Pippelingen. Hier staat, evenals in “I Hendrik IV”, III. 3. 5. apple John, een appel, die twee jaar bewaard kan worden, maar dan zeer rimpelig wordt.

II. 4. 12. Sluipert zijn muziektroep. In ’t Engelsch staat: Sneak’s noise. Een troep straatmuzikanten uit dien tijd.

II. 4. 37.Toen Arthur pas ten hove kwam”. Falstaff zingt een oud liedje, van “Lancelot van het meer”, dat aldus begon:

“When Arthur first in court began,

And was approved king,

By force of arms great victories wanne,

And conquest home did bring”.

Een oogenblik later zingt hij ook “robijnen en karbonkels”, in ’t Engelsch: “Your brooches, pearls and owches”, uit het liedje: “De jongen en de mantel”, waarin voorkomt:

“A kirtle and a mantle

This boy had him upon,

With brooches, rings and owches

Full daintily bedone.

II. 4. 74. Vaandrig Pistool. Pistool is door Falstaff tot zijn vaandrig benoemd voor den aanstaanden [562]veldtocht. Dat Falstaff er zulk een zwetsenden lafaard toe koos, werpt een zeer ongunstig licht op hem, zoodat zijn verstooting door zijn ten troon gestegen Hein er volkomen door gerechtvaardigd wordt. Maar hoe dit zij, vermakelijk is Pistool in hooge mate; en bovendien, bij hem vergeleken, is Falstaff bijna een gentleman. Wat Pistool spreekt, is hoofdzakelijk samengeflanst uit bombastische treurspelen, zooals die in Sh.’s tijd op de tooneelen in Londen vaak gegeven werden. Hier en daar komen er gezegden in voor, die ongetwijfeld uit tooneelstukken ontleend, telkens, te pas of te onpas, door velen gebezigd werden, als zij niets anders wisten te zeggen. Ten allen tijde zijn zulke gezegden uit treur- of blijspelen of operetten in omloop geweest, en wij kunnen ons, al zijn ons de stukken, waaraan zij ontleend zijn, thans onbekend, zeer goed voorstellen, welk een genot een publiek, dat den koning Cophetua, of de schoone Calipolis of Irene in levenden lijve op de planken aanschouwd had, bij deze aanhalingen moest smaken.—En men bedenke hierbij, dat in Sh.’s tijd het tooneel een veel belangrijker plaats innam in het leven dan tegenwoordig, daar het met veel minder concurrentie te strijden had, en dat de inhoud der stukken en de meest treffende gezegden der dramatische helden veel algemeener bekend waren, dan thans, over het algemeen ten minste, het geval is.

II. 4. 105. Een makke zwendelaar. Het Engelsche woord is cheater, iemand, die, in het bezit van valsche dobbelsteenen, anderen tot het spel verlokte; in haar antwoord verstaat vrouw Haastig er een escheator onder, een beambte van den fiscus.

II. 4. 127. Ik drink geen bestand en geen kalibers. Vrouw Haastig houdt die geleerde woorden blijkbaar voor namen van likeuren.

II. 4. 169. Eer zie ik haar verdoemd enz. Blijkbaar aanhalingen uit tooneelstukken. Van de vraag: “Is niet Irene hier?” mag men vermoeden, dat zij ontleend is aan een verloren gegaan stuk van George Peele, dat den titel had van: “De Turk Mahomet en Irene, de schoone Griekin”. De vraag: “Is hier Irene niet?” komt ook bij andere dichters van Sh.’s tijd voor en schijnt in de mode geweest te zijn. Het weldra volgende: “Zouden zich pakpaarden” enz. is een aanhaling uit Marlowe’s “Tamerlan de Groote”, die den krijgsgevangen vorsten, welke zijn wagen trekken, toeroept: “Holla, you pampered jades of Asia, What, can you draw but twenty miles a day?” Dat Pistool weinig meer dan den klank der verzen onthoudt, blijkt uit zijn verwarring van Hannibal met kannibalen en zijn verhaspeling van Trojanen met Grieken.—Het weldra volgende vers: “Zoo eet dan en wordt vet, mijn gâ Calipolis”, is werkelijk ontleend aan een stuk van den zooeven genoemden Peele, getiteld: “De slag van Alcazar”, waarin Muley Mahomet aan zijn gemalin een stuk leeuwenvleesch op de spits van zijn zwaard aanbiedt met de woorden: “Feed then, and faint not, my fair Calipolis”, en later aldus: “Feed, and be fat, that we may meet the foe”.—Een oogenblik later leest Pistool het motto van zijn zwaard af, daarbij het Fransch: “l’espérance me contente” bedervend, dat op een degenkling werkelijk is aangetroffen.

II. 4. 201. Wij hebben samen het zevengesternte gezien. Wij hebben menige nacht samen gerinkelrooid.

II. 4. 238. De negen Londensche optochthelden. In ’t Engelsch: The nine Worthies, “de negen edele helden”, ter wille der duidelijkheid in de vertaling eenigszins nader aangewezen. In de feestelijke optochten der stad Londen, van welke die van den Lord Major nog steeds plaats heeft, traden telkens negen helden, drie uit de Oude, drie uit de Joodsche, drie uit de Christelijke geschiedenis op, die bij het volk onder den naam van the nine Worthies bekend waren. Men vindt ze gedeeltelijk vermeld in een der oudere stukken van Shakespeare: “Veel gemin, geen gewin”. De negen helden waren: Hector, Alexander de Groote en Julius Cæsar; Jozua, David en Judas Maccabæus; Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon.

II. 4. 266. Hij eet zeepaling en venkel. Een kenmerk van een losbol, dat hij opwekkende spijzen behoeft.—Aangaande het vervolg zij opgemerkt, dat het inslikken, met den wijn, van de eene of andere licht brandbare en brandende stof, b.v. een vlasvlokje, als blijk van verliefdheid, een modedwaasheid was in Sh.’s tijd.

II. 4. 268. En speelt haasje-over met de tappersknechts. And rides the wild mare with the boys. Volgens Douce wordt hier eigenlijk het wippen op een plank mee aangeduid.—Een oogenblik later wordt van fraaie geschiedenissen gesproken. In ’t Engelsch staat discreet stories, waar men indiscreet voor discreet heeft willen lezen, maar wat men wel ook kan verklaren: “hij brengt geen stoornis”—in de weinig eerbare conversatie—“door eerzame (of verstandige) geschiedenissen te vertellen”.

II. 4. 278. Spekklomp. In ’t Engelsch staat the nave of a wheel, omdat nave geheel klinkt als knave, schelm, zoodat nave of a wheel te verstaan is als “schelm, zoo rond als een rad”. Evenzoo kan men in de Nederlandsche vertaling de woorden: “dien spekklomp er de ooren” ook lezen: “dien speklomperd de ooren”.

II. 4. 286. Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. In de oude almanakken werd aangegeven, welke planeten in conjunctie kwamen [563]en wat de conjunctie te beteekenen had.—Door die astrologische toespeling opgewekt, vergelijkt Poins den roodneuzigen Bardolf bij den “vurigen triangel” (Trigonum igneum), zooals de conjunctie van Mars, Jupiter en Saturnus genoemd werd.—De waardin, aan wie inmiddels Bardolf het hof maakt, wordt Falstaff’s geheimboek genoemd, omdat zijn schulden bij haar opgeschreven staan.

II. 4. 339. Den opzettelijken laster. Dus een misdrijf, waartegen strafbepalingen bestaan of dat een uitdaging wettigt.

II. 4. 361. Moutwurmen. Liefhebbers van bier, drinkebroêrs, vergelijk “I Hendrik IV”, II. 1. 83.

III. 1. 65. Doch,—wie uwer was er bij?—Als ik mij wel herinner, gij, neef Nevil,—Dat Richard enz. Wij kunnen in deze regels een duidelijk bewijs vinden, dat Shakespeare bij het schrijven, als hij een aanhaling deed uit een zijner vorige stukken, dit niet opsloeg; waarschijnlijk had hij het niet meer in zijn bezit, daar het handschrift bij den schouwburg, waar het gespeeld werd en waaraan het in eigendom was overgegaan, berust zal hebben. Hij moest daarom uit zijn geheugen aanhalen. Hieruit verklaren zich gereedelijk alle afwijkingen. Er wordt hier duidelijk gedoeld op “K. Richard II,” V. 1. 55 en 56 (zie blz. 458), waar Northumberland den onttroonden Richard naar Pomfret komt geleiden; noch Koning Hendrik IV, noch Warwick waren er bij, dat de woorden gesproken werden. Shakespeare stelde zich ongetwijfeld voor, dat Koning Richard ze in het tooneel der afzetting (IVde Bedrijf) gebezigd had. Bovendien is de aanhaling niet nauwkeurig.—Verder zij hier opgemerkt, dat de koning hier den Graaf van Warwick ten onrechte met den familienaam Nevil toespreekt, of dat een Nevil ten onrechte Warwick genoemd wordt; de toenmalige graaf van Warwick had den familienaam Beauchamp; de latere beroemde graaf van Warwick, de koningsmaker, (zie Sh.’s K. Hendrik VI) was een Nevil, maar verkreeg zijn titel Warwick eerst door zijn huwelijk met de erfdochter der Beauchamps.—Een Nevil was de in dit stuk voorkomende Graaf van Westmoreland, zie de geslachtslijst.

III. 2. 14. Dan moet hij binnen kort naar de gerechtshoven. De gerechtshoven, Inns of Court, zooals zij nog tegenwoordig in Londen bestaan, waarvan hier St.-Clement’s-Inn en Gray’s-Inn genoemd worden, zijn inrichtingen, waar de jongelieden, die de rechtswetenschap willen studeeren, volgens reglementen samenwonen, onder leiding van een rechtsgeleerde studeeren, zich practisch oefenen, en vooral de vermaken, die de hoofdstad aanbiedt, genieten. Aan de Engelsche Universiteiten is er geen juridische faculteit; de zoon van Stil was dus voor letterkundige studiën, de humaniora, te Oxford, zooals den zoon van een gentleman betaamt.—Als mannen in de provincie, zagen Zielig en Stil hoog op tegen Falstaff, die uit de hoofdstad kwam en aan het hof verkeerde.

III. 2. 28. Daar was ook Hans Falstaff, nu Sir John, een jonge borst en page van Thomas Mowbray, hertog van Norfolk. Al zegt Shakespeare, dat zijn Falstaff niets met Sir John Oldcastle te maken had, in dit opzicht kwam hij toch met den historischen edelman van dien naam overeen.—Skogan, die een oogenblik later genoemd wordt, was een bekend hofnar, wiens schertsen ook uitgegeven zijn, maar uit later tijd, namelijk uit dien van Eduard IV. Onder Hendrik IV leefde een hofdichter van dien naam, maar de eerste zal wel door Sh. bedoeld zijn.

III. 2. 72. Geaccommodeerd. Een modewoord uit Sh.’s tijd, zooals die in groote steden soms opkomen en dan telkens en telkens gebruikt worden; Bardolf kent het woord dus van hooren zeggen; op het land raken zulke uitdrukkingen slechts langzaam bekend of in gebruik; van hier Zieligs verbazing. Ben Jonson bespot het woord ook in zijn “Every man in his humour.

III. 2. 145. Schaduwen in menigte. Manschappen alleen op papier, voor wie echter de werfgelden uitbetaald worden.

III. 2. 232. Vooruit, jongens. In ’t Engelsch staat: Hem, boys! In een oud drinklied komt het refrein voor: With a hem, boys, hem! and a cup of sack.

III. 2. 236. Tien-schellings-Hendriken. Tien-schellingstukken met den beeldenaar van Koning Hendrik. (Zij werden inderdaad eerst onder Hendrik VII en VIII geslagen.) Een kroon is vijf schellingen.—Bardolf int 4 pond sterling, doch verantwoordt er maar drie aan zijn meester.

III. 2. 298. Op de Vogelweide. In het Engelsch wordt de gemeenteweide van Mile-end genoemd. Daar werden bij schuttersfeesten gekostumeerde optochten gehouden en met name het hof van koning Arthur voorgesteld, waartoe de sedert 1485 herhaalde malen gedrukte Morte d’Arthur, alsmede volksgezangen, rijkelijk aanleiding gaven. Bij een dezer feesten had Zielig Sir Dagonet, d.i. Arthurs hofnar, voorgesteld.

III. 2. 329. Turnbullstraat. Eigenlijk Turnmillstraat, een te slechter faam staande straat in Londen.

III. 2. 331. Zeerooversschatting. Een schatting, waardoor men een vrijbrief verkreeg tegen zeeroovers.

III. 2. 340. Aan de afgeranselde vrouwmenschen. Lichtekooien moesten in de gevangenis meermalen met de zweep kennis maken.

III. 2. 343. Die zotskolf. Er staat eigenlijk: this Vice’s dagger, het houten zwaard van Vice, de ondeugd, den grappenmaker van het Oud-Engelsch [564]tooneel; later wordt Zieligs magerheid nog door andere vergelijkingen aanschouwelijk gemaakt, b.v. door die met den stok van Jan van Gent. Hier staat in het Engelsch: “ik zeide tegen Jan van Gent, dat hij zijn naam ranselde”; John a Gaunt kan men namelijk vertalen: “Jan Mager.”

IV. 1. 94. Mijn algemeene broeder, onze staat enz. Deze drie regels zijn in het oorspronkelijke zeer gewrongen; de plaats is zeker bedorven, maar de beteekenis is niet twijfelachtig.

IV. 1. 110. Werdt gij niet hersteld in al de rechten van uw vader? Al gelieft Westmoreland dit te zeggen, historisch is het niet.

IV. 2. 87. De vrede is uitgeroepen enz. Misschien ware, als letterlijker, te verkiezen: “Vrede is het wachtwoord; hoort eens, welk gejuich!”

IV. 3. 139. Hij wordt mij reeds week tusschen vinger en duim enz. Zoo verwarmde men de was, waar men mede wilde zegelen.

IV. 4. 122. Vaderlooze kinders. Waarvan de oorsprong niet op te geven is. Holinshed spreekt van zulke verschijnselen; zoo zouden er op 12 October 1412, eenige maanden voor ’s konings dood, drie vloeden zijn geweest zonder ebbe.

IV. 5. 129. Engeland verguldt met dubbel goud zijn zonde. De woordspeling: England shall double gild his treble guilt is natuurlijk niet terug te geven.

IV. 5. 161. Daarom zijt gij, fijnst goud, het slechtste goud. Een oplossing van goud was een hooggeschat geneesmiddel, doch het goud, dat men tot de bereiding er van bezigde, was minder zuiver, minder fijn, dan het goud der kroon.

IV. 5. 233. Draagt het vertrek enz. Deze vraag en het antwoord is door Sh. aan Holinshed’s kroniek ontleend.

V. 1. 36. Achter den rug maken zij iemand zwart. In ’t Engelsch een dergelijke woordspeling met backbite.

V. 2. 48. Hier volgt niet Amurath op Amurath, Op Hendrik Hendrik. Bij den dood van sultan Amurath III liet diens zoon en opvolger bij zijn troonsbeklimming al zijn broeders verworgen. De toeschouwers begrepen terstond, wat Hendrik V bedoelde, want deze moord had in 1596 plaats.

V. 2. 123. Wild is mijn vader in zijn graf gegaan.… ik overleef hem ernstig. Holinshed bericht, dat Prins Hendrik dadelijk na zijns vaders dood, besloten had een nieuwen mensch aan te doen, de vroegere deelgenooten aan zijn losbandige vermaken tien mijlen ver van zijn hof verbande (hen echter niet zonder belooning en verzorging latend,) en in hun plaats wijze en leerzame raadslieden om zich verzamelde “indachtig dat hij eens, tot zijns koninklijken vaders hoog misnoegen, den lord opperrechter met zijn vuist geslagen had, omdat deze een zijner metgezellen, en terecht, naar de gevangenis verwees, waarop de rechter kloek hemzelf tot hechtenis veroordeelde, en hij (de prins) gehoorzaamde.” Of Shakespeare uit dezen niet zeer duidelijken zin opmaakte, dat de prins, koning geworden, den opperrechter in zijn ambt handhaafde,—inderdaad werd deze met verscheidene andere grootwaardigheidsbekleeders dadelijk bij de troonsbestijging vervangen,—laat zich niet beslissen. Het is zeer wel mogelijk, dat Sh. opzettelijk van de geschiedenis afweek, zooals hij ook, tegen Holinshed’s verhaal in, allen met angst en zorg het optreden des nieuwen konings doet verbeiden. Holinshed vermeldt daarentegen, dat de jonge koning met groote hoop en de beste verwachting begroet werd, en dat,—wat vroeger nooit gebeurd was,—hem reeds voor de kroning door verscheidene edelen en aanzienlijke personen de eed van hulde gedaan werd. Uit een dramatisch oogpunt is Sh.’s voorstelling zeker verre te verkiezen.

V. 3. 37. Slechts baarden in huis Geeft een vroolijke kluis. Het Engelsch: “’T is merry in hall, When beards wag all” was het refrein van een oud lied.

V. 3. 77. Doe bescheid als een man; Sla mij tot ridder dan; Samingo. Stil zingt een gedeelte van een gedeelte van een drinklied, dat in een stuk van Nash: “Summers Last Will” voorkomt, en aldus luidt: Monsieur Mingo In quaffing doth surpass In cap, in can, or glass God Bacchus; Do me right, And dub me knight, Domingo; en vraagt dan aan Falstaff, of hij het goed gedaan heeft. Hij zegt Samingo voor Domingo, dat in het Spaansch Zondag beteekent, maar hier wel op den heiligen Dominicus, den patroon der drinklustige Dominicaner monniken, zal slaan.

V. 3. 90. Geen slechte wind enz. Een Engelsch spreekwoord, o. a. ook in Sterne’s Sentimenteele reis voorkomend, zegt: “Het is een slechte wind, die niemand voordeel brengt.”

V. 3. 105. Meld, snood Assyrisch ridder enz. Falstaff bootst Pistools manieren na en spreekt als koning Cophetua. Het noemen van dien koning, uit een volkslied overbekend, brengt Stil een ander volkslied in de gedachte: Robin Hood and the Pindar of Wakefield, waarin voorkomt: All this beheard three wighty yeomen, ’T was Robin Hood, Scarlet and John: With that they espied the jolly Pindar, As he sat under a throne.

V. 3. 124. Toon mij figo. Een gebaar van minachting, naar men zegt van Spaanschen oorsprong, “which consisted in trushing out the thumb between first and second fingers.” De Engelschen [565]hadden in Sh.’s tijd verscheidene gebruiken aan de Spanjaarden en Italianen ontleend. In Nederlandsche schrijvers van dezen tijd vindt men ook de uitdrukking: de vijghe setten.

V. 3. 146. Waar is mijn vroeger leven heen? Deze regel komt reeds in 1578 tot het aangeven van een melodie voor. Ook de vrouwentemmer Petruchio zingt dien, De getemde Feeks, IV. 1. 143. Het lied zelf is verloren gegaan.

V. 4. 16. Als dat gebeurt, zult ge uw dozijn kussens weer vol hebben. Doortje wendt zwangerschap voor om de zweep te ontgaan.

V. 4. 33. Gij atomie. De waardin meent anatomie, d.i. geraamte. De volgende regel luidt in ’t Engelsch: “Come, you thin thing; come, you rascal!” Hier beteekent rascal te gelijk een mager ree en een spitsboef.

V. 5. 1. Meer biezen, meer biezen! Evenals in dien tijd de vloeren van feestzalen, worden hier, ter eere van de komst des pasgekroonden konings, de straten met biezen bestrooid.

V. 5. 30. ’t Is Semper idem enz. Pistool haalt Latijnsche wapenmotto’s aan, die hij zoo goed hij kan vertaalt.

V. 5. 90. Wat gij daar gehoord hebt, was maar voor den schijn. In ’t Engelsch zegt Falstaff: it was but a colour, ’t was maar voorgewend; Zielig vat het woord colour op als collar, halsband of strop, en Falstaff daarna weer als krijgsvaan, waaronder dan krijgsdienst verstaan wordt.

Epiloog 35. En zoo kniel ik voor u neder. Er wordt bijgevoegd: niet om u mijn hulde te betoonen,—maar om voor de koningin te bidden. Dit toch was het gewoon besluit der tooneelvoorstellingen, waarop dan, vreemd genoeg, nog een dans volgde, vaak, zooals hier, door denzelfden speler uitgevoerd, die het gebed uitgesproken had.

Inhoudsopgave

KONING HENDRIK DE VIERDE. EERSTE DEEL. 473
I. EERSTE BEDRIJF. 473
1. EERSTE TOONEEL. 473
2. TWEEDE TOONEEL. 474
3. DERDE TOONEEL. 477
2. TWEEDE BEDRIJF. 480
1. EERSTE TOONEEL. 480
2. TWEEDE TOONEEL. 482
3. DERDE TOONEEL. 483
4. VIERDE TOONEEL. 485
3. DERDE BEDRIJF. 492
1. EERSTE TOONEEL. 492
2. TWEEDE TOONEEL. 496
3. DERDE TOONEEL. 497
4. VIERDE BEDRIJF. 500
1. EERSTE TOONEEL. 500
2. TWEEDE TOONEEL. 502
3. DERDE TOONEEL. 503
4. VIERDE TOONEEL. 504
5. VIJFDE BEDRIJF. 505
1. EERSTE TOONEEL. 505
2. TWEEDE TOONEEL. 506
3. DERDE TOONEEL. 507
4. VIERDE TOONEEL. 508
5. VIJFDE TOONEEL. 511
AANTEEKENINGEN. 511
KONING HENDRIK DE VIERDE. TWEEDE DEEL. 518
PROLOOG. 518
1. EERSTE BEDRIJF. 519
1. EERSTE TOONEEL. 519
2. TWEEDE TOONEEL. 521
3. DERDE TOONEEL. 525
2. TWEEDE BEDRIJF. 526
1. EERSTE TOONEEL. 526
2. TWEEDE TOONEEL. 529
3. DERDE TOONEEL. 531
4. VIERDE TOONEEL. 532
3. DERDE BEDRIJF. 536
1. EERSTE TOONEEL. 536
2. TWEEDE TOONEEL. 538
4. VIERDE BEDRIJF. 542
1. EERSTE TOONEEL. 542
2. TWEEDE TOONEEL. 544
3. DERDE TOONEEL. 546
4. VIERDE TOONEEL. 547
5. VIJFDE TOONEEL. 549
5. VIJFDE BEDRIJF. 552
1. EERSTE TOONEEL. 552
2. TWEEDE TOONEEL. 553
3. DERDE TOONEEL. 554
4. VIERDE TOONEEL. 556
5. VIJFDE TOONEEL. 557
EPILOOG, 183
AANTEEKENINGEN. 559

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op www.pgdp.net.

Dit eBoek bevat beide delen van dit werk. Het Engelse origineel van dit eBoek is King Henry the Fourth, beschikbaar in Project Gutenberg als eBoek nummers (voor het eerste deel): 1115, 1780, 2251, 1516, (en voor het tweede deel): 1117, 1782, 1518. Een Duitse vertaling is beschikbaar als 7933 en 7934. Een Finse vertaling is beschikbaar als 39557 en 39636. Een Franse vertaling is beschikbaar als 22760 en 25715.

Metadata

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
474 kamizool-osknoopen kamizool-losknoopen 1
481, 526, 530, 560 , . 1
487, 526, 536, 547, 549 ). .) 2
489 [Niet in bron] jaar 5
492, 510 [Niet in bron] . 1
496 Flinsbury Finsbury 1
504 sir Sir 1
512 Archimbald Archibald 1
514 2. 8 208 2
516 [Niet in bron] 1
517 wijuhuis wijnhuis 1
Passim. Bardolph Bardolf 2
524 Fransjes-ziekte Fransjesziekte 1
536, 555 .) ). 2
540 mans-snijder manssnijder 1
543 fonklend fonk’lend 1
549 fluistren fluist’ren 1
554 hoogachtbren hoogachtb’ren 1
554 oefnen oef’nen 1
557, 564 [Niet in bron] 1
560 voorafgegaan voorafgaan 2
560 1 I 1
562 fraaie geschiedenissen fraaie geschiedenissen 0
562 conjuctie conjunctie 1
563 Lief hebbers Liefhebbers 1
564 woorspeling woordspeling 1

Afkortingen

Overzicht van gebruikte afkortingen.

Afkorting Uitgeschreven
b.v. bijvoorbeeld
d.i. dat is
Sh.’s Shakespeares