The Project Gutenberg eBook of Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Galerij van Beroemde Nederlanders uit het tijdvak van Frederik Hendrik

Author: J. van Lennep

Illustrator: Willem Pieter Hoevenaar

Herman F. C. ten Kate

Release date: February 9, 2014 [eBook #44863]
Most recently updated: January 15, 2023

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GALERIJ VAN BEROEMDE NEDERLANDERS UIT HET TIJDVAK VAN FREDERIK HENDRIK ***


[Inhoud]

Nieuw ontworpen voorkant.
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

NEÊRLANDS ROEM.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.
GALERIJ
VAN
BEROEMDE NEDERLANDERS
UIT HET TIJDVAK VAN
Frederik Hendrik.
UTRECHT,
L. E. BOSCH EN ZOON.
[Inhoud]

Eerbiedig opgedragen

AAN

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID

Prins Frederik der Nederlanden

DOOR

DE UITGEVERS.

[Inhoud]

LIJST VAN INTEEKENAREN.

Exempl.
Zijne Majesteit de Koning 1
Zijne Koninkl. Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden 1
Hare Koninkl. Hoogheid Prinses Frederik der Nederlanden 1
Hare Koninkl. Hoogheid Prinses Marianne der Nederlanden 2
Z. D. H. Bernard Hertog van Saxen Weimar 1
Exempl.
Andriessen, (Johs. G.) Boekh. te Wijk bij D. 4
Asperen v. d. Velde, (C. v.) Boekh. te Haarlem 4
Baerle, (M. E. C. van) Hoogheemraad der 5 Heerenlanden te Leerdam 1
Bakhuyzen, (A. H.) Boekh. te ’s Hage 1
Baalen & Zn., (J. van) Boekh. te Rotterdam 1
Bazendijk, (P. M.) Boekh. te Rotterdam 2
Beets van Heemstede, (M. A.) te Haarlem 1
Beets, (W.) Boekh. te Delft 1
Behr, (C.) Lithograaf te ’s Hage 1
Bekkers, (A. J. M.) Boekh. te Breda 1
Belinfante (Gebrs.) Boekh. te ’s Hage 2
Benthem & Jutting, (van) Boekh. te Middelb. 1
Bentinck van Schoonheten, (W. J. G. Baron) Burgemeester van Nieuwleusen 1
Bielevelt, (C.) Boekh. te Utrecht 1
Bisschop, (S. A.) te ’s Hage 1
Blanché & Co., (A. F.) Boekh. te Utrecht 1
Blankenberg & Zn., (B.) Boekh. te Amersfoort 1
Blikman Kikkert, (D.) te Amsterdam 1
Blussé van O. Alblas, (Wed.) te Dordrecht 1
Blussé & v. Braam, Boekh. te Dordrecht 13
Boer, (J. C. de) te Amsterdam 1
Bolk Jr., (F.) te Utrecht 1
Bongaardt, (P.) Boekh. te Zaandam 1
Bos, (J. J. H. van den) Koopman te Amsterdam 1
Bossy, (F. W.) te Dordrecht 1
Braat, (P. K.) Boekh. te Dordrecht 1
Brat, (P. J.) Boekh. te Amsterdam 1
Breijer, (H. B.) Boekh. te Arnhem 2
Brill, (Dr. W. G.) voor ’t leesgez. te Zutphen 1
Brinkman, (C. L.) Boekh. te Amsterdam 2
Broese, (J. G) Boekh. te Utrecht 2
Brouwer, (G.) te Deventer 1
Brugmans, (Mr. J. J.) Assuradeur te Amst. 1
Burgerman, (P. P.) te ’s Hage 1
Busma, (H. R.) Stud. te Kampen 1
Campagne, (H. C. A.) Boekh. te Thiel 2
Castendijk, (J. M.) Kolonel bij het 3e reg. dragonders te Zutphen 1
Chatinier, (G. S. du) kunstdraaijer te ’s Hage 1
Chivat, (C. E.) Boekh. te Zierikzee 1
Cleef, (Gebrs. van) Boekh. te Amsterdam 1
Cleef, (Gebrs. van) Boekh. te ’s Hage 5
Coenen, (J. T. L.) Kontrol.. bij ’s Rijks belastingen te Amersfoort 1
Collot d’Escury, (Baron) te Prinsenhage 1
Dannenfelser, (W. F.) Boekh. te Utrecht 1
Dekema, (B.) Boekh. te Utrecht 1
Dekker Fzn., (P.) te Zaandam 1
Delden Hz., (W. van) Boekh. te Zwolle 1
Diermanse, (P.) Theol. Stud. te Kampen 1
Diggelen, (Mr. H. C. van) Advokaat en Notaris te Axel 1
Diggelen, (M. v.) Koopman te Axel 1
Dirkman, (D.) Comm. in de gevangenis voor vrouwen te Gouda 1
Doesburg, (J.) Koopman te Utrecht 1
Donker, (N.) te Voorschoten 1
Dorsten Jr., (A v.) Boekh. te Utrecht 1
Doorman & Comp., Boekh. te Breda 2
Doorman, (De Erven) Boekh. te ’s Hage 2
Doorn & Zn., (C. van) Boekh. te ’s Hage 1
Draijer, (C. W.) Boekh. te Rotterdam 2
Dreckmeijer, (C. W.) Boekh. te Amsterdam 1
Dumont, (C.) te Utrecht 1
Dijk, (P. J. van) Boekh. te Schiedam 1
Dijverinck, (A. L.) Koopman te Haarlem 1
Elk, (H. R. van) Boekh. te Dordrecht 1
Es, (P. P. van) te Oisterwijk 1
Escher, (G. A.) te ’s Hage 1
Estor Jr., (J. C.) Boekh. te ’s Hage 1
Evenhuis, (S.) Stud. te Kampen 1
Eversz, (J. W.) Boekh. te Zeist 2
Faber van Riemsdijk, te ’s Hage 1
Fock, (Mr. C.) Burgem. van Haarlem 1
Frijlink, (H. A.) Boekh. te Amsterdam 3
Gensau, (Jhr. Mr. R. G. C. van) Raadsheer in het Prov. geregtshof te Maastricht 1
Gessel, (J. J. van) Boekh. te Delft 3
Geus, (G. de) Boekh. te ’s Hage 2
Gogh & Oldenzeel, (van) Boekh. te Rotterd. 2
Goltstein, (W. Baron van) te ’s Hage 1
Goor, (D. Noothoven van) Boekh. te Leyden 1
Goor, (G. B. van) Boekh. te Gouda 2
Graeuwen, (A. J. ’s) te Middelburg 1
Greven, (J.) Boekh. te Utrecht 1
Groot, (G. C. de) Ambtenaar bij ’s Rijks munt te Utrecht 1
Haaff, (J. M. van ’t) Boekh. te ’s Hage 5
Haan, (T. F. de) Leeraar aan de Theol. school te Kampen 1
Haas, (J. de) Rijks kommies 4e kl. te Doesburg 1
Halbeek, (J. A.) Zadelmaker te ’s Hage 1
Haspels, (E. J.) Postdirekteur te Wageningen 1
Hendriksen, (H. T.) Boekh. te Rotterdam 1
Hessels, (J.) Stud. te Kampen 1
Heteren, (J. H. & G. van) Boekh. te Amsterdam 2
Heyl, (C. J.) Boekh. te Utrecht 1
Heyst, (F. M. de Vries van) 1e Luit. bij het 6e reg. Inf. te Gorinchem 1
Hoek, (Gebrs. van der) Boekh. te Leyden 1
Hoet, (H. ten) Boekh. te Nijmegen 1
Houpt, (A. C.) Boekh. te Middelburg 3
Huber, (J.) Boekh. te Groningen 1
Hubers, (W.) Koopman te Amersfoort 1
Huisingh, (P.) Boekh. te Winschoten 1
Hulst & Zn. (Wed. L. v.) Boekh. te Amsterdam 1
Itz, (G. N.) Gemeente-archit. van Dordrecht 1
Jagt, (J. A. Manus van der) te Burgh 1
Jans, (J.) Stud. te Kampen 1
Jesse, (H.) Scheepstimmerman te Amsterdam 1
Jong, (G. de) Boekh. te Westzaan 1
Jong Zijlstra, (J. de) Boekh. te Middelburg 1
Kalma, (S.) Stud. te Kampen 1
Kampen, (P. N. van) Boekh. te Amsterdam 2
Kappelhoff, (J. H.) Bontwerker te Amsterdam 1
Kardol, (H. L.) te Bruinisse 1
Katwijk Jr., (P. van) Boekh. te Schiedam 1
Kemink & Zn., Boekh. te Utrecht 1
Kirberger, (W. H.) Boekh. te Amsterdam 1
Kleeuwens & Zn., (F.) Boekh. te Goes 1
Knijff Hz., (A.) Steenfabriekant te Woerden 1
Korthals, (Th.) Mr. Schilder te Dordrecht 1
Kruyff, (J. de) Boekh. te Utrecht 2
Kunst, (Wed. D.) Boekh. te Amsterdam 1
Laguna, (Mr. J. L. de Lead) Advokaat te Amsterdam 1
Lamberge, te ’s Hage 1
Lanting, (T. A.) Stud. te Kampen 1
Leesgezelschap: Beproef alle dingen, maar behoud het goede, te Voorschoten 1
Leesgezelschap: Het nuttige, gepaard met het aangename, te Utrecht 1
Leeuwen, (C. v.) Direkteur der Muziekschool te Leeuwarden 1
Leeuwen, (C. J. van) Boekh. te Woerden 1
Legel Jb zoon, (J. G.) Expediteur te Dordrecht 1
Lindgreen, (C. J. F.) Boekh. te Amsterdam 3
Lingius, (A.) te Amsterdam 1
Linsz, (F.) Kunstschilder te ’s Hage 1
Loman Jr., (J. C.) Boekh. te Amsterdam 2
Macdonald, (F. C.) Boekh. te Haarlem 1
Made, (P. M. van der) Boekh. te Amsterdam 1
Manssen & Blom, Boekh. te Utrecht 14
Mansveld, (Wed. van) te Utrecht 1
Mansveld, (van) Wachtmeester hij de Vesting-artill. te Amsterdam 1
Martens, (F. W.) Boekh. te Deventer 1
Melder, (Wed. H.) Boekh. te Utrecht 1
Mellink, (J. H.) Boekh. te Zutphen 1
Merkes, (Jhr. F. G. E.) 1e luit. bij het 6e reg. Inf. te Gorinchem 1
Meulen, (M. van der) te Rotterdam 1
Mijer, (Mr. P.) Oud-Minister van Koloniën te ’s Hage 1
Meijer, (H. A.) Boekh. te Amsterdam 2
Meijer, (G. H.) Boekh. te Zwolle 1
Meijers, (Ph.) Boekh. te Amersfoort 2
Mol van Otterloo, (J. de) te Zeyst 1
Mooij, (H. W.) Boekh. te Amsterdam 2
Mouw, (J. C. der) Boekh. te Nijmegen 2
Muelen, (De dames v. d.) te Utrecht 1
Muller, (Mr. B. J.) Advocaat te Amsterdam 1
Müller, (Gebrs.) te Maastricht 1
Muntendam, (P. A.) Apotheker te Utrecht 1
Nieuwenhuizen, (J. H.) Boekh. te Amsterdam 1
Nolet & Zn., Boekh. te Utrecht 1
Noman, (van Haren) Boekh. te Leyden 4
Noordendorp, (J.) Boekh. te Amsterdam 1
Nijgh, (H.) Boekh. te Rotterdam 1
Nijhoff, (Js. An.) Boekh. te Arnhem 1
Ochtman Jzn., (S.) Boekh. te Zierikzee 1
Okhuyzen, (W. L.) Boekh. te Amersfoort 1
Ormeling, (J. A.) Boekh. te Amsterdam 1
Paddenburg & Co., (van) Boekh. te Utrecht 1
Palier & Zn., (H.) Boekh. te ’s Bosch 2
Perk van Lith, (G.) Ridder van de Milit. Willems-orde te Gouda 1
Pflughaupt, (A. F.) Makelaar te Amsterdam 1
Pickhardt, (K. W.) Boekh. te ’s Hage 3
Pieren Jz., (T.) Boekh. te Dordrecht 1
Post Jr., (C. van der) Boekh. te Utrecht 1
Post, (L. G.) Boekh. te Purmerend 1
Post Uyterweer & Co., Boekh. te Utrecht 1
Prins, (H. J.) Boekh. te Amsterdam 2
Pull, (T. D. H.) Boekh. te Apeldoorn 1
Radersma, (Y.) Theol. Stud. te Kampen 1
Rappard, (Mr. F. A. L. van) Adv. te ’s Hage 1
Rens, (J. C. W. T.) Kassier te Dordrecht 1
Rensinck, (A. A.) Boekh. te Leyden 2
Revers, (J. P.) Boekh. te Dordrecht 2
Ritzema, (H. J.) Theol. Stud. te Kampen 1
Roldanus, (A. J. A.) Boekh. te Oudewater 1
Roldanus, (W. N. C.) Boekh. te Delft 1
Römelingh, (J.) Boekh. te Groningen 1
Rooij, (J. de) Boekh. te Delft 1
Ruyter, (J. de) Boekh. te Amsterdam 7
Rijswijk Wzn., (W. van) te Dordrecht 1
Salm, (P.) te Amsterdam 1
Sanders, (P.) te Schiedam 1
Schalk, (A. J. v. d.) Steendr. te Rotterdam 1
Schalk, (P. C. van der) Boekh. te Dordrecht 1
Scheltema, (J. H.) Boekh. te Amsterdam 1
Schierbeek, (R. J.) Boekh. te Groningen 1
Schinkel, (A. D.) te ’s Hage 1
Schooneveld & Zn., (M.) Boekh. te Amsterdam 1
Schuller, (de Wed. C. D.) te Amsterdam 1
Sepp, (C.) Pred. bij de Doopsgez. gem. te Leyden 1
Serrière, (G. de) te Breda 1
Siddré, (J. H.) Boekh. te Utrecht 1
Slothouwer, (A. M.) Boekh. te Amersfoort 1
Smit, (J.) Stud. te Kampen 1
Smit, (M.) Boekh. te Groningen 2
Smits, Secretaris van Nieuwerkerk 1
Smits Frz., (P.) te Dordrecht 1
Smits, (W. P.) voor het Leesgez. Leeslust te Dordrecht 1
Stamperius, (J. A.) te Middelburg 1
Stenfert Kroese, (W. H.) Boekh. te Arnhem 15
Stemler, (C. F.) te Amsterdam 2
Stockum, (W. P. van) Boekh. te ’s Hage 5
Stokhuyzen, (W.) Boekh. te Gorinchem 2
Strick van Linschoten, (Jhr. J. C.) Kand. Not. te Maarssen 1
Striening Jr., (J.) te Deventer 1
Stuart, (M. Cohen) Pred. bij de Remontstr. gemeente te Rotterdam 1
Swaan, (J. W.) Boekh. te Arnhem 1
Swaving geb. Abo, (Wed.) te ’s Hage 1
Sybrandi, (J. D.) Boekh. te Amsterdam 3
Tack, (J. C.) Jur. Stud. te Utrecht 1
Telenga, (T.) Boekh. te Franeker 1
Terveen & Zn., (J. G. van) Boekh. te Utrecht 18
Thieme JFzn., (H. C. A.) Boekh. te Nijmegen 1
Thieme, (W. J.) Boekh. te Zutphen 1
Thierry & Mensing, (De Erven) Boekh. te ’s Hage 2
Thijssen, (W. J.) Theol. Stud. te Kampen 1
Tibout, (W. J.) Boekh. te Wageningen 1
Tollens, (Mr. L. J. A.) te Batavia 1
Tuinen, (C. v.) Boekh. te Leerdam 1
Uije, (J. J. van) Boekh. te Doesburgh 1
Veder, (W. R.) Theol. Doct. te Dordrecht voor ’t genootschap Diversa sed Una 1
Veenendaal, (W.) te Rotterdam 1
Veldman, (R.) Stud. te Kampen 1
Velsen Jr., (S. van) Boekh. te Kampen 15
Verheggen, (J.) te Dordrecht 1
Vout Jr., (W.) te Amsterdam 1
Waning Bolt, (P. B. van) Boekh. te Amst. 7
Wayfort, (R. H. v. d.) Notaris te Dordrecht 1
Wedding, (J.) Boekh. te Harderwijk 1
Weelden en Mingelen, (van) Boekh. te ’s Hage 3
Wenk, (W.) Boekh. te Rotterdam 5
Werl, (P. van der) Huismeester van het Krankzinn. gesticht te Dordrecht 1
Westerman & Zn., (M.) Boekh. te Amst. 1
Weijerman, (J. W.) Onderwijzer te Haarlem 1
Willemse, (Gebrs.) Boekh. te Zutphen 4
Winkler Vieweg, (Wed. A. G.) Boekh. te Gorinchem 1
Zalsman, (G. Ph.) Boekh. te Kampen 1
Zeelt, (J.) Theol. Stud. te Kampen 1
Zelle, (W. A.) Gepens. Kapt. van de Oost-Ind. Inf. te Apeldoorn 1
Zuylen, (D. H. van) Hulp-onderwijzer te Amsterdam 1

[1]

[Inhoud]

BEROEMDE MANNEN
UIT HET TIJDVAK
VAN
FREDERIK HENDRIK.

[3]

FREDERIK HENDRIK.

Zoo menigmaal wy in de geschiedenis een tijdvak ontmoeten, ’t welk met den naam van een byzonder persoon wordt aangeduid, zullen wy tevens bevinden, dat de man, naar wien het heet, wel een deel van zijn glorie ontleent aan dat tijdvak, maar dat ook wederkeerig de stralenkroon, die zijn schedel omgeeft, haar glansen op hetgeen hem omringt terug doet schitteren: en noch de eeuw van Perikles, noch die van Augustus, van de Medicissen of van Lodewijk XIV, hadden die namen ontfangen, indien zy, die ze droegen, niet door eigen verdiensten, door eigen grootheid, hadden uitgeblonken.—De stelling, welke wy hier als van algemeene toepassing vooruit zetten, geldt dan ook, waar sprake is van de eeuw van Frederik Hendrik.—Van het tijdvak, dat zijn naam draagt, was hy zelf niet het minst merkwaardig, niet het minst glansrijk verschijnsel.

Frederik Hendrik.
Herman ten Kate, Ft  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Frederik Hendrik.

Wil men het hier aangevoerde door bewijzen bevestigd zien, men lette in de eerste plaats op de omstandigheden, welke zijn geboorte, zoo wel als op die, welke zijn komst aan ’t Staatsbewind vooraf gingen en vergezelden.

Zijn geboorte—’s Prinsen levensbeschrijver De la Pise noemt haar: „een Oostelijk morgenrood, uit het Noorden aanbrekende tusschen bliksemstralen en donkere onweersvlagen”:—de moeder van Frederik Hendrik had, na een kortstondigen echt, haar eersten man in de Sint-Bartels-nacht door het moordstaal zien vallen, en, ten tweede male gehuwd, heeft zy naauwlijks de moedervreugde gesmaakt, of de gruwzame aanslag eens dweepers maakt haar ten tweeden male weduwe. Zijn vader, naauw hersteld van de wonde, hem toegebracht door Jauregui, het verlies zijner overdierbare Charlotte naauwlijks hebbende [4]zoeken te vergoeden door het aanknoopen van een vierden huwelijksband met Louise de Coligny, sterft door den kogel van Geraerds. De wieg des onnoozelen zuigeling vertoont zich aan ons oog als bedolven in ’t bloed eens vaders en in de tranen eener radelooze burgery:—daarby, de zaken in schijnbaar wanhopigen toestand, het vaderland door tweedracht, verdeeldheid en wantrouwen geschokt, door de benden eens dapperen, listigen en zegevierenden vyand van alle kanten bestookt, verstoken van verdedigingsmiddelen, van de hulp der bondgenooten, en, wat meer zegt, van bekwame krijgshoofden, en niet anders te gemoet ziende dan een wissen val.

Indien zoo treurig niet, hachlijk genoeg stond het met de Republiek geschapen, toen Frederik Hendrik de teugels van ’t bewind aanvaardde. Niet glorievol als de vroegere waren de laatste krijgstochten van Maurits geweest: de voorspoed, die zijn wapenen voor den aanvang van het Twaalfjarig Bestand bestendig had verzeld, bleek, na de hervatting der vyandelijkheden, van zijn zijde te zijn geweken. Wat erger was, binnenlandsche oneenigheden, die wrange vruchten, die doorgaands, in tijden van rust, uit den hoorn des overvloeds neder stroomen en den smaak van het goede en gezonde ooft bederven, hadden den Staat verzwakt: veerkracht, moed en eensgezindheid hadden plaats gemaakt voor flaauwmoedigheid, achterdocht en wantrouwen; by den vyand daar-en-tegen, zich fier verheffende op de voordeelen, door hem behaald, en in ’t sterke Breda een prooi ziende, die hem niet kon ontgaan, herleefden de stoutheid en overmoed van vroegere dagen: weder straalde het uitzicht, dat hy naauwlijks meer had durven koesteren, het uitzicht op de herovering der afgevallen Gewesten, hem tegen in een niet verwijderd verschiet: en in Europa begon het denkbeeld veld te winnen, dat het Borgondische kruis, nu in de Spaansche standers opgestoken, den Nederlandschen Leeuw den kop te pletter slaan en den pijlbondel zou verbreken, met zoo veel moeite en zorg te samen gesnoerd.

En toch, de onheilspellende voorteekenen, die de beide aangeduide tijdstippen uit Frederik Hendriks leven kenmerkten, worden beide reizen door de uitkomst gelogenstraft. Na den dood van Willem den Eerste waren het de kloekheid en ’t beleid van Oldenbarneveldt en ’s Lands Regenten, die den Spanjaart beletteden, zijn voordeel te vervolgen; terwijl, spoedig daarna, de heldendegen van Maurits de krijgskans ten eenen male keeren deed:—na den dood van Maurits [5]was het Frederik Hendrik zelf, die, als Veldheer, de wankelende fortuin herstelde, den vyand staande hield niet alleen, maar hem overal van den Vaderlandschen bodem terugdrong, en, als Regent, de partyen tot rust wist te brengen en de verdraagzaamheid, door zijn vader gepredikt, ten nutte van handel, nyverheid en kunsten te doen heerschen.

Het ligt niet in ons doel, hier een levensgeschiedenis van Frederik Hendrik te schrijven: dat leven is te algemeen bekend, dan dat het noodig zoû zijn, er een korte schets van te geven, en, wilden wy er omstandig over uitweiden, wy zouden de grenzen overschrijden, ons gesteld. Het zijn alleen de belangrijkste byzonderheden uit dat leven, die hier in herinnering moeten gebracht worden, om nader de aanspraken te staven, welke zich Frederik Hendrik op de erkentenis des landgenoots en den eerbied van allen verworven heeft.

Geboren op den 29 Januarij 1584, ontfing de zoon van Willem van Oranje en Louise de Coligny, by den doop, de vereenigde namen van twee doorluchtige gevaders, Frederik, Koning van Denemarken en Hendrik, Koning van Navarre. Toen laatstgemelde ook de kroon van Frankrijk verwierf en daardoor een rang onder de Soevereinen van Europa, hooger dan die des Deenschen Konings, werden ’s Prinsen namen omgezet, en hy een tijd lang Hendrik Frederik geheeten, hoewel hy, later, zijn oorspronkelijken naam van Frederik Hendrik terugnam. Te Leyden en te Parijs zijn wetenschappelijke opleiding zoo wel als die van edelman genoten hebbende, leerde hy op veertienjarigen leeftijd zich tot krijgsman vormen in de school zijns doorluchtigen broeders, die school, waar zoo velen onder de edelste, ja onder de soevereine Huizen van Europa, hun zonen heenzonden, om zich te oefenen in de kunst van den oorlog, gelyk zy daar op wetenschappelijke gronden in praktijk gebracht werd. Geen jaar verliep er, of de jeugdige Vorst had by Bommel den vuurdoop ontfangen, en eerlang was het strand van Nieuwpoort getuige, hoe hy zich, in moed, in onverschrokkenheid, in vertrouwen op hoogeren bystand, den waardigen zoon van een onvergetelijken vader toonde.—Naauwlijks achttien jaren oud, neemt hy voor Grave, waar een zware wond den generaal Vere op ’t krankbed nederwerpt, het bevel over, door dezen gevoerd, en de halve maan, door hem veroverd, is het eerste pand, dat de fortuin hem schenkt van den roem, dien hy zich als stedewinnaar zal verwerven. Twee jaar later hebben de Staten het winnen van Sluis vooral aan hem te danken. In [6]1605 geeft hy nieuwe blijken van zijn verachting voor ’t gevaar, in dien moorddadigen slag by Mulheim, waar hy, zeven uren achtereen, tegen een overmachtigen vyand, den ongelijksten kamp uithoudt, alleen met Marcelis Bax in ’t dichtste der vyandlijke drommen den kloeksten weêrstand biedt aan zijn tallooze bespringers, en, als door een wonder aan dood en gevangenschap ontkomen, den dag nog zegepralend ten einde brengt. Voor Breêvoort, voor Rijnberk, voor Venlo, en eindelijk te Erkelens, waar hy binnendringt en zijn vollen neef, dien gevreesden Grave van den Bergh, overwint en gevangen met zich voert, overal onderscheidt hy zich op roemruchtige wijze, tot dat het Twaalfjarig Bestand hem belet, voor ’t oogenblik nieuwe lauweren in den strijd voor het Vaderland te plukken; maar naauwlijks is de tijd voorby, ter verademing aan Nederland geschonken, of hy keert naar ’t oorlogsveld terug en voert zijn gevreesde wapenen tot voor de poorten van Brussel.

Tot hiertoe had Frederik Hendrik zich den roem verworven van een wakker krijgsoverste, die de hem opgedragen taak met onverkloekt beleid wist te verrichten, en daarby het voorbeeld van persoonlijke dapperheid aan anderen wist te geven. Maar voortaan zoû hy toonen, dat de bekwame aanvoerder van afdeelingen ook legers gebieden kon en de lessen der wetenschap, in de oefenschool zijns broeders opgegaêrd, in praktijk brengen op een wijze, die Europa met verbaasdheid en bewondering ’t oog op hem zoû doen vestigen. De vermeestering van Grol in 1627 leverde daarvan het eerste voorbeeld. In zoo korten tijd waren de werken voltooid, welke die vesting bedwingen moesten, en toch zoo volkomen bestand tegen allen overval, dat, naar de getuigenis van deskundige tijdgenooten, nimmer, zelfs onder Prins Maurits niet, een arbeid verricht was, elks bewondering zoo zeer verdienende.

Toen klonck de blijschap op met zegekloeken helder

Uit vruchtbre Betuwe, en het strijtbre lant van Gelder,

Uit Zutfen, Deventer, uit Doesburg, Kampen, Zwol

En alle plecken, wie ’t veroveren van Grol

Tot rust streckte.

Maar was, door het bemachtigen van Grol, aan de Oostelijke Gewesten een kwellende doorn uit het vleesch gerukt, de landen, aan de boorden van Waal en Maas gelegen, konden nog geen rust genieten, zoo lang ’s Hertogenbosch, [7]

Die oude en noit gewonne stadt,

Gewoon te zwaaien ’t oorloghsvendel,

Die sleutel was en grenzegrendel,

En trots als Brabants pijler stont,

En Hollant scheidde en Brabants gront,

in handen des vyands bleef: en het was alzoo voor deze stad, dat de Prins, in April 1629, zijn legertenten nedersloeg. Ieder weet, hoe meesterlijk ook dit beleg bestuurd, en met welke volharding het werd doorgezet. Geen inval der Spaanschen in de Veluwe, zelfs niet de val van de tweede stad van het Sticht, die zich aan de krijgsmacht van Montecuculi overgaf, niets was in staat, Frederik Hendrik te bewegen, den aangevangen arbeid op te geven of zelfs voor een oogenblik te staken, en een glansrijke uitkomst bekroonde dan ook zijn pogen, toen, op den 14den September van ’t zelfde jaar, de oude Hertogstad haar poorten voor hem opende.

Wat echter ’s Prinsen roem als stededwinger voltooide, was de overmeestering van Maastricht in 1632. Ongelooflijk klonk door Europa de maar, hoe Frederik Hendrik, met een leger van naauwlijks 23000 man, in zes weken tijds, eene der sterkste vestingen, die men kende, had kunnen bedwingen, in weêrwil dat zy verdedigd werd door een talrijke en moedige bezetting, en dat drie vyandelijke legers, die te samen ruim 60,000 geoefende soldaten telden, aangevoerd door beroemde Veldheeren, als Gonzales van Kordua, den Markies van Santa Croce en den Grave van Papenheim, al hun krachten inspanden tot ontzet der stad. Geen legerhoofd, zoo werd nu algemeen erkend, had vóór Frederik Hendrik in zulke volkomenheid de kunst verstaan, belegeringswerken derwijze in te richten, dat zy, aan de buitenzijde tegen de aanvallen ook van een overmachtigen vyand verschanst, dien ten spijt, aan de binnenzijde hun aanval tegen de ingesloten vesting rustig doorzetten en ten einde konden brengen.—De lier van Vondel, toen zy de drie belegeringen, hier vermeld, in even zoo vele onsterfelijke zangen verhief, was dan ook wel de uitdrukking van wat ieder in Nederland dacht en gevoelde.

Het herwinnen van Breda in 1637 was het vierde der groote oorlogsfeiten van den Prins, om en nevens welke men er nog zoo vele van ondergeschikt belang mocht noemen; doch wier gezamentlijke uitkomst was, dat op den Staatschen bodem niet een enkele sterkte meer in [8]’s vyands handen gebleven, het oorlogstooneel buiten de grens der vereenigde provinciën verplaatst en een uitgebreide streek gronds, van de Vlaamsche kust af tot aan het verre Maastricht, aan de Staten onderworpen was om als een voorwal te strekken tegen de zuidelijke Nederlanden: eindelijk, dat Spanje, na een zoo hardnekkig gevoerden oorlog, zich nog verheugen mocht, indien het, niet de herovering der haar ontvallen Provinciën—daarop was haar het uitzicht reeds lang ontgaan—maar een eerlijken vrede verwierf.

Maar het waren niet alleen de Spaansche of Oostenrijksche wapenen, tegen welke Frederik Hendrik gedurende zijn Stadhouderschap had te strijden, en, had hem in het oorlogsveld zijn onverkloekt beleid ten dienste gestaan, niet minder had hy behoefte daaraan gehad in het binnenlandsch bestuur. Zeer onderscheiden is de houding beöordeeld, door hem daarby aangenomen. Terwijl sommigen hem ten hemel verheffen, dat hy een andere gedragslijn dan zijn broeder Maurits gevolgd is, zijn er anderen, die hem ten kwade duiden, dat hy de teugels van ’t bewind, door zijn voorganger zoo krachtig gevoerd en zoo stevig aangehaald, gevierd, ja in zijne handen heeft laten verslappen, dat hy de heerschzucht en den overmoed der Stedelijke Regenten, door Maurits gefnuikt, weder ongestoord heeft laten aanwassen, en daardoor de oligarchie voorbereid, die, drie jaren na zijn dood, het Stadhouderschap vernietigde:—en wederom anderen, die in tegendeel verlangd zouden hebben, dat hy, ook de verst uitgestrektste verwachtingen der Staatsgezinden vervullende, een geheel reactionnaire richting gevolgd ware, en alles te niet gedaan hadde, wat door de Synode in ’t kerkelijke, door Maurits in ’t politieke, was tot stand gebracht. Doch is het voor den zoodanige, die de feiten in ’t afgetrokkene beschouwt en zich daarby meer laat geleiden door eigen wenschen en vooroordeelen dan door een behoorlijk wikken en wegen van tijden en omstandigheden, een lichte zaak, te beslissen, hoe, naar zijne subjektieve meening, een Staatsman had behooren te handelen, niet zoo gemakkelijk is het, zelfs voor hem, die, met de noodige kennis toegerust, ook door de vereischte billijkheid in zijn oordeel gedreven wordt, met juistheid te bepalen, welke gedragslijn had moeten, ja zelfs, in hoe verre die altijd had kunnen gevolgd worden. Zeker is het, en wy hebben er op gewezen, dat Frederik Hendrik by den aanvang van zijn Stadhouderschap een moeilijke rol te vervullen had. Hooggespannen was de verwachting, [9]die de thans onderliggende party van hem koesterde; hy zoû, zoo dacht men, niet alleen het Spaansche geweld doen zwichten, maar ook van binnen aan alle geloofsvervolging een einde maken, „’s Lands rechten en vrijheden,”—zoo luidt de taal, die Vondel hem in den mond legt:

’s Lants rechten en vrijheden,

Ik helpen zal in zwang:

In geen vereende Steden

Gewetens felle dwang

Of tirannije lijen,

Ik wensch de goê gemeent,

En trouwe burgerijen

Door liefd’ te zien vereent.

En meer nog, zy, die zoo zongen, vleidden zich, dat de nieuwe Stadhouder de verbannen Staats- of Remonstrantsgezinden zoû terug roepen, de vrienden van Maurits uit het bestuur doen treden om hunne plaatsen door andersdenkenden te doen vervangen, in ’t kort, een geheele tegenomwenteling tot stand zoû brengen.

Had hy aan zoodanige wenschen gehoor gegeven, had hy de party, die door zijn broeder was gefnuikt, weder op ’t kussen en in de kerk doen troonen, hy had den pas geëindigden strijd wederom doen ontbranden, de burgeryen met vernieuwde felheid tegen elkander in ’t harnas gejaagd, wellicht het nog naauwlijks gevestigd bestaan der jeugdige Republiek op losse schroeven gesteld. Maar bovendien, was het van hem, den Stadhouder, te vergen, zijn eigen belang en dat van zijn Huis dus geheel voorby te zien en de macht weder onbeperkt in handen te stellen van hen, die getoond hadden, er bepaald op uit te zijn, om de rechten en voorrechten van het Stadhouderschap te verminderen en te doen inkrimpen?

Evenmin echter kon hy by zijn handelingen alleen luisteren naar de stem van ’t zelfsbelang, en, door het gestreng handhaven der beginselen van het vorige bewind, de rust in den Staat pogen te koopen door de onderliggende party geheel tot zwijgen te brengen. Al ware ook zoodanige onverbiddelijke politiek niet in weêrspraak geweest met zijn hart, dat van nature zachtmoedig en vredelievend was, hy had zich, door haar te volgen, het ongenoegen op den hals gehaald dier machtige Hollandsche Regenten en kooplieden, die meer en meer begonnen [10]in te zien, dat, om hun steden, en Amsterdam vooral, de markt en voorraadschuur van Europa te doen worden, verdraagzaamheid er voor alles heerschen moest.

Godt, Godt, zeit d’Amstelheer, zal elk geweten peilen.

De vrijdom ga zijn gang en vliegh met volle zeilen

Den IJstroom uit en in: zoo wort ons vest gebout:

Zoo tast de koopman tot den elleboogh in ’t gout.

En die kooplieden, die, naar Vondels taal, tot den elleboog in ’t goud tastten, Frederik Hendrik moest hen te vriend houden; want zy alleen konden het geld bezorgen, dat de zenuw van den oorlog was. Ja ’t was reeds veel, wanneer hy ’t zoo verre brengen kon, hen te beletten, hun voordeel te zoeken door alleen aan den Staat en niet door ook aan den vyand te verschaffen wat tot voortzetting van den krijg benoodigd was.

Was het dan wonder, dat de Prins onder zoodanige omstandigheden zich gedwongen zag, alle uitersten te vlieden en den middelweg te bewandelen? En dit deed hy, door de strenge plakkaten tegen de Arminianen niet af te schaffen, maar ze langzamerhand te laten vervallen, door het te dulden, dat van lieverlede en Staats- en Remonstantsgezinden wederom plaats verkregen in de gestoelten der eere: en dat aan een iegelijk de gelegenheid werd geöpend, God naar zijn overtuiging te dienen. Welk oordeel men over ’s Prinsen Stadhouderschap velle, zeker is het, dat, zoo lang hy de teugels voerde van ’t bewind, er binnenlandsche rust en orde heerschten, en de strijd tusschen de verschillende partyen—op enkele voorvallen na van bloot plaatselijk belang—tot geen uitersten meer oversloeg en zich hoofdzakelijk tot een pennestrijd bepaalde. Op de uitkomst, door hem verkregen, mocht hy zich althands beroepen: en aan het volgen van die gedragslijn had hy het te danken, dat het tijdperk van zijn bestuur niet alleen schitterde door den roem, te lande en ter zee bevochten, maar ook door dien, welken de beoefening verschafte van zoodanige bedrijven, kunsten en wetenschappen, als enkel in tijden van vrede kunnen bloeien.

Ook dien bloei was men dus grootendeels aan hem verschuldigd; en gewis, de Vorst, wien Cats en Huygens ter zijde stonden, wien de Groot en Hooft een onbeperkte achting toedroegen, wiens lof door Vondel bezongen werd, en die zich met de lezing van diens Palamedes wist te vermaken, de beschermer der schilderkunst en de stichter van [11]het Huis ten Bosch en van ’t lustslot te Hondsholredijk kon zoo min onverschillig zijn omtrent de zedelijke als omtrent de stoffelijke ontwikkeling der natie, aan wier hoofd hy stond, en wier glorie van de zijne onafscheidelijk was.

Wy gewaagden daar van het Huis ten Bosch en van Hondsholredijk, en deze namen herinneren ons, dat wy van Frederik Hendrik niet mogen afstappen, zonder met een woord te gewagen van haar, op wier aansporing, ter liefde van wie althands, hy die twee prachtige verblijven deed opbouwen en met echt vorstelijke weelde inrichten, van Amelia van Solms. ’t Was onder eenigzins zonderlinge omstandigheden, dat haar echt met Frederik Hendrik had plaats gehad. Prins Maurits stond met eenen voet in ’t graf en nu voor ’t eerst scheen hy berouw te gevoelen, dat hy geen wettigen nakomeling achterliet, op wien de waardigheden, door hem bekleed, konden overgaan. Voor een dergelijk berouw wilde hy zyn broeder bewaren, en hem, zelfs zyns ondanks, dwingen, de glansrijke stelling, die hem wachtte, door een huwlijk te bevestigen. Intusschen, de zaak had bezwaren: Frederik Hendrik had zich tot nog toe van ’t huwelijk afkeerig betoond: onderhandelingen over het sluiten van een echtverbond met de dochter van eenig uitheemsch Vorst zouden wellicht lang slepende worden gehouden, en, werd het huwelijk niet voltrokken zoo lang Maurits nog leefde, dan stond, dit wist deze, uitstel met afstel gelijk. Er was dus geen tijd te verliezen. Gelukkig behoefde de Prins niet verre te zoeken wat hy in zijn onmiddelijke nabyheid vinden kon. Immers te ’s Gravenhage was, met zijn nicht, de verdreven Koningin van Boheme, de nu drie-en-twintigjarige Amelia van Solms verschenen en had er terstond dien opgang gemaakt, welken jeugd, schoonheid, vernuft en geest onmisbaar te weeg brengen, vooral wanneer die hoedanigheden in een Vorstin vereenigd zijn. Reeds zes malen hadden de Huizen van Nassau en van Solms zich door huwelijken met elkander verbonden, en een zevende verbintenis kon dus door niemand onvoegzaam worden geoordeeld. Wel bleef Frederik Hendrik, wien een andere liefde geboeid hield, nog een wijl weêrbarstig; doch de reden van Staat en de wil zijns broeders zegevierden, en hy gaf zijn toestemming. Zoo veel spoed maakte nu Maurits, die wellicht voor een terugtreden vreesde, met de zaak, dat hy door de Gekommitteerde Raden ontslag van de huwlijksgeboden verleenen deed en binnen een tijdsverloop van weinige dagen de verbintenis bepaald en voltrokken [12]werd. Geen drie weken waren er na de plechtigheid verloopen, of Maurits was ten grave gedaald; maar met het bewustzijn, dat hy het geluk zyns broeders gevestigd had. En, inderdaad, zoo deze niet dan schoorvoetende tot den stap was overgegaan, die van hem gevorderd werd, dankbaar mocht hy zich later verblijden, wanneer hem, na de woelingen van den krijg of de beslommeringen van het staatsbewind, in den omgang met een beminnelijke en beminnende gade, met een aanvallig en bloeiend kroost, verademing en rust ten deele vielen. Weinig moge er bekend zijn aangaande de verrichtingen der edele Princes zoo lang haar echtgenoot leefde, doch uit de wakkerheid, welke zy, toen, eerst hy zelf, en naderhand haar groothartige zoon, haar ontvallen waren, tot op vergevordenden ouderdom aan den dag legde in ’t voorstaan der aanspraken en belangen van haar doorluchtigen kleinzoon, is licht af te meten, dat zy, ook in de twee-en-twintig jaren, die zy aan Frederik Hendriks zijde doorbragt, hem niet alleen een teedere, zorgende huisvrouw strekte, maar ook, in netelige gevallen, meermalen in staat was, hem, met dien vluggen blik, die snelle bevattelijkheid, den vrouwen eigen, den weg te wijzen, dien hy te volgen had. Alles afdoende is toch ten dezen opzichte de getuigenis van Temple, die van haar verklaarde, dat zy een vrouw was, zoo kloek van verstand als hy er immer eenige ontmoet had. Gewis, aan een zoodanige alleen voegde het, den eersten rang te bekleeden gedurende het tijdvak, waarop Nederland het toppunt zijner grootheid had bereikt.

En, was zy door haar zedelijke en geestvermogens dien rang ten vollen waardig, zy was het niet minder door de wijze, waarop zy dien ook in ’t uiterlijke wist te handhaven. Noch Willem de Eerste, die tot aan zyn uiterste met bezwaren van geldelijken aart te worstelen had, noch Maurits, die ongehuwd en van praal en pracht afkeerig was, hadden een eigenlijk gezegde hofhouding gehad. Maar sints de Republiek rijk en machtig geworden was, sints voegde het ook, dat hy, die aan haar hoofd stond niet alleen, maar ook haar tegen over de buitenlandsche Mogendheden vertegenwoordigde, door uiterlijk vertoon de glansrijke stelling ophield, welke hy bekleedde. Om hem hierin te doen slagen, daartoe was Amelia als geboren. Van nature geneigd om zich te omgeven van al wat lieflijk, welstandig en bekoorlijk was, aan zucht tot weelde een fijn gekuischten smaak parende, de schoone kunsten beminnende en beschermende, wist zy de lusthuizen, door haar gade [13]gesticht, in tooverpaleizen te herscheppen, waar de keurigste gewrochten, die de kunst uit doek, uit hout, uit goud en gesteenten wist voort te brengen, in kwistigen overvloed den verbaasden bezoeker in de oogen flikkerden, en waar een weelde heerschte, wier gelijke een Engelsche Gezant getuigde nergends aan deze zijde van Perziën te hebben gezien.

Gewis, zoo ergends, voegde die weelde aan ’t hof van den Stadhouder, door wien de Munstersche vrede werd voorbereid; en vergelijken wy den toestand van dat hof, gelyk dit was toen hy geboren werd, met dien waarin het zich bevond, toen hy, op den 14den Maart 1647, het hoofd ter ruste leide, dan zien wy daarin een sprekend zinnebeeld van de verschillende toestanden der Republiek zelve op die beide tijdperken. Brengen wy, met een terugslag op hetgeen wy in den aanvang zeiden, die tijdperken nogmaals in vergelijking, en wat vertoont zich voor onze oogen?—In stede van verbrokkelde, verarmde, uitgeputte gewesten, van buiten door talrijke legers bedreigd, van binnen alom nog uit steden en sterkten door vyandelijke roofbenden bestookt, door wantrouwen, bekommernis en schrik tot moedeloosheid vervallen, geen uitkomst ziende dan in de afgebedelde bescherming van vreemde Mogendheden, zich zelve als een koopwaar aanbiedende, doch vergeefs een kooper zoekende, zien wy thands een fieren en machtigen Staat, die, groot door eendracht, orde, welvaart, zich vrij en onafhankelijk beweegt op het grondgebied, dat hy van vyanden gezuiverd heeft, die, ver van gunsten en bescherming af te smeeken, ze uitdeelt op zijne beurt, zich in macht en aanzien met de grootste Mogendheden van Europa gelijk stelt, en, in de overige waerelddeelen, door zijn kooplieden aan vorsten en volkeren de wet laat voorschrijven: een Staat, waar handel, zeevaart, nyverheid, tot een vroeger nergends gekende hoogte zijn gestegen, en wiens vlaggen tot in de verste zeeën met eerbied worden aanschouwd: een Staat, waar letteren, kunsten, wetenschappen, als nimmer te voren bloeien, in een woord, een Staat, wiens gelijke op dat tijdstip de waereld niet aanbiedt!—en vestigen wy dan tevens onzen blik op dat trotsche Spanje, by den aanvang van den worstelstrijd het rijkste en machtigste onder de Rijken van Europa, nu door dien strijd verarmd, ja uitgeput, en dankbaar, dat het den vrede sluiten mag met de Nederlanders, die het als verachtelijke slaven had beschouwd, en die het, door vervolging, verbanning, plundering, verbeurdverklaring en moord, [14]gedwongen had, door wanhoop vrij, door vrijheid op zijne beurt rijk en machtig te worden.

Wel beleefde Frederik Hendrik dien vrede niet, door de Natie, aan wier hoofd hy gestreden had, verkregen, maar toch hy had dien voorbereid, en de voorspelling in allen deele vervuld, drie-en-twintig jaren te voren door Vondel omtrent hem uitgesproken:

Ick zie ’t verbont gemaackt, het volk wordt goedertieren,

Ick zie de vredefeest op speeltooneelen vieren.

Ick zie de vredevlam die drift van wolcken leckt.

Ick zie hoe als een schat de vrede ’t land bedeckt.

Ick hoor Vorst Frederik van alle tongen roemen.

Ick hoor hem vrederijck en Vredevader noemen.

Ick smaack zijn goedigheid. Ick voel zijn heuschen aart.

Ick rieck den zoeten reuck van vrede, dien hy baart.

Bekrachtig Frederik dan ’t geen wy ons verbeelden.

En gewis, de Vorst, die aldus het werk voltooid had, waarvan de grondslagen door zijn vader gelegd waren, had het recht, met eenige zelfverheffing terug te zien op den arbeid, door hem volbracht, maar tevens aanleiding om God te danken, die hem tot zulk een taak geroepen en daarby hem de kracht geschonken had, ten einde toe, gestand te doen aan de zinspreuk, welke hy zich gekozen had:

PATRIAEQUE, PATRIQUE. [15]

[Inhoud]

PIETER PIETERSZOON HEIN.

Pieter Pieterszoon Hein opent de rij van doorluchte zeehelden, waar het tijdvak van Frederik Hendrik zich op beroemt. In 1578 te Delftshaven uit eenvoudige burgerlieden geboren, had hy reeds vroeg het zeemans-bedrijf gekozen, aan menigen verren tocht, aan menigen zeetriomf deel genomen. Maar het was niet alleen door zijn vlugheid in ’t want, of door de onversaagdheid, waarmede hy den enterbijl zwaaide, dat hy zich onderscheidde; het was ook door die stipte en strenge plichtsbetrachting, die van een vroom gevoel—het was door dien yver en die oplettendheid, die van een weetgierig en schrander brein getuigen. Was het wonder, dat hy de opmerkzaamheid wekte van zijn meerderen, en eerlang ook hun genegenheid en achting? Was het wonder, dat, op een tijd, toen in Nederland ware verdiensten niet vruchteloos naar de gelegenheid zochten om aan den dag te komen, Piet Hein—gelijk tijdgenoot en nageslacht hem by voorkeur noemden—niet voor den mast bleef, maar al spoedig, als stuurman, als schipper, als kommandant van een eskader, in dienst kwam? In 1623 treffen wy hem aan als Vice-Amiraal by de vloot, door de W. Indische Maatschappy uitgerust en waarover Jakob Willekens als Amiraal gebood. Men hechte intusschen niet te veel aan dien tytel van Vice-Amiraal. Dan alleen duidde die tytel een rang aan by ’t Zeewezen, wanneer hy gevoerd werd krachtens een aanstelling by eene der Amiraliteiten. Voor ’t overige gaven de benamingen Amiraal, Vice-Amiraal, Schout-by-Nacht, doorgaans alleen de betrekking te kennen, welke iemand, tijdelijk, by een zeetocht, op een vloot, zelfs op een smaldeel, vervulde. Ja, al gold het een koopvaardy-vloot, of ook maar een drietal te samen varende schepen, dan werd, zoolang de reis duurde, hy, aan wien het hoofdbestuur was opgedragen, Amiraal genoemd: die [16]den voortocht gebood heette Vice-Amiraal, en die over de achterhoede of ’t achterste schip ’t bevel had, Schout-by-Nacht. Was men aan wal terug gekeerd, dan legden zy, die deze tytels gevoerd hadden, ze af om eenvoudig weder Kapitein, Schipper of Stuurman te heeten.—Met dit al werden niet zelden voor hen die tijdelijke kommandementen over byzondere uitrustingen de eerste aanleiding, om hen later een werkelijke aanstelling by ’t Zeewezen te bezorgen. Zy behoefden daartoe zich slechts te onderscheiden, en, in een tijd, toen maar zelden een schip zijn reis over zee volbracht, zonder een vyand ontmoet te hebben, was daartoe, als wy reeds aanmerkten, gelegenheid genoeg: vooral by Oost en Westindische Maatschappyen. Haar zeemacht was de kern, waaruit de meeste bekwame zeelieden voor ’s Lands vloot ontsproten, de kweekschool, waarin de beroemdste zeehelden gevormd en opgeleid werden. Het was door de verheffing van zulke wakkere mannen als die in den dienst der Kompagniën een onschatbare ondervinding opgedaan en alle denkbare gevaren getrotseerd hadden, dat ’s Lands zeemacht een zedelijke kracht bekwam, welke zy tot dien tijd niet bezeten had.—Na deze uitweiding, niet onnoodig wellicht om by sommige lezers een misverstand weg te ruimen, dat zich lichtelijk voordoet, keeren wy tot onze schets terug.

Pieter Pieterszoon Hein.
Herman ten Kate, Ft  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Pieter Pieterszoon Hein.

Het doel der onderneming, van welke wy thands gaan gewagen, en dat zelfs aan den Vlootvoogd, naar de gewoonte van die dagen, eerst in volle zee, door het openen van den lastbrief van Bewindhebberen bekend mocht worden, was het bemachtigen der Allerheiligen-Baai op de kust van Braziel.—Op den 8sten Mei 1624 had de vloot de plaats harer bestemming bereikt. De baai was verdedigd door een sterkte, die den ingang bestreek, en door eenige Portugesche schepen. Maar Willekens achtte, om het geschut der sterkte tot zwijgen te brengen, en de schepen te vernielen, drie zijner vaartuigen genoeg, mits Piet Hein die gebood. Veertienhonderd-veertig man werden aan wal gezet: meer zoû Allart Schouten niet behoeven, om de stad Sint Salvador te winnen. Het vertrouwen van den Amiraal werd niet beschaamd gemaakt. Terwijl Schouten de stad binnen rukt en er rijken buit behaalt, maakt Piet Hein zich meester van de schepen, die in de baai liggen, en van de menigte koopwaren, welke zy bevatten: en, met roem bedekt, keeren de Vlootvoogden naar het Vaderland, Joan van Dorth als bevelhebber over de veroverde vesting achter latende.

Twee jaren later werd aan Piet Hein, nu als Amiraal, het bevel [17]gegeven over een vloot, uit acht groote schepen en vijf jachten bestaande. Na gedurende eenige weken met afwisselende fortuin in de West-Indische zeeën en langs de Barbarijsche kusten gekruist te hebben, zeilde onze Vlootvoogd nogmaals naar die baai, die, sedert zijn vertrek, ten gevolge van het sneuvelen van Van Dorth en van het verwaarlozen van ’t bewind door zijn opvolgers, weder in handen der Portugezen gevallen was. Het was in January 1627, dat Piet Hein voor Sint Salvador verscheen, onder het geschut van welke stad zes-en-twintig groote en twee-en-twintig kleine, doch alle sterk bemande en welgewapende schepen lagen, die Spaansche of Portugesche vlaggen voerden. Door zulk een macht en bovendien door een kustbattery van twee-en-veertig stukken verdedigd, meende ’s Konings Stadhouder, Don Diëgo Louis de Oliveyros, tegen elken aanval gewaarborgd te zijn: maar hy had er niet op gerekend, dat, by de Hollanders van die dagen, een hunner schepen er, in doorslag, drie van den vyand voor zijn rekening nam. Piet Hein geeft den zijnen het voorbeeld: hy zeilt tusschen het vyandelijk Amiraal- en Vice-Amiraalschip in, ankert op een musketschot van de stad en opent zijn vuur aan beide zijden. Nog twee schepen volgen hem en werpen mede hun anker uit: de overige worden door den wind belet op te komen. Doch ook dezen tegenspoed weet de Zeevoogd te herstellen. Terwijl de drie geänkerde schepen den strijd doorzetten, schrik en verwoesting brengen onder ’s vyands vloot, en door hun geschut diens Vice-Amiraalschip in den grond boren, laat hy van zijn mast den topstander waaien. Op dat sein werpt de manschap uit de overige schepen zich in de boots, roeit op den vyand aan, beklimt en entert diens schepen, en drijft er het volk uit, dat, van doodsche vreeze bevangen, alom over boord springt, en met zwemmen zijn behoud zoekt. Geen drie uren zijn verloopen, of de overwinning is bevochten, en, moet het schip van Piet Hein, dat op het drooge geraakt en geheel vernageld is, worden achter gelaten, was een ander door zijn eigen vuur in de lucht gesprongen, dat verlies wordt ruim vergoed door het bemachtigen van twee-en-twintig groote en rijk beladen vaartuigen, die hy met zich naar zee sleept en naar ’t Vaderland zendt als sprekende getuigen zijner viktorie.

Maar nog kon het behaalde voordeel den Zeevoogd niet voldoen. Zijn vloot in Spirito Santo ververscht en van water voorzien hebbende, verdeelt hy die in drieën, zendt een smaldeel naar Rio de la Plata [18]en een naar Rio Janeiro, en keert met vier schepen van oorlog en vier jachten naar de baai terug, welke hy den 10den Juny binnenstevent. Hy zeilt de stad voorby, verovert, plundert en verbrandt twee van ’s vyands schepen, die op ’t drooge liggen, en toen, met een pinas, een jacht en een fregat, de rivier opvarende, vervolgt hy een tiental met suiker geladen schepen, die voor hem terug geweken zijn. ’t Gelukt hem, twee daarvan op te sporen, die zich veilig achten in een naauwe kreek, waar geen diepgaand vaartuig hen kan bereiken. Maar, is de rivier niet verder bevaarbaar voor de schepen, zy is het nog steeds voor de booten. Twee malen laat Piet Hein die af, om een aanval te beproeven op de Portugesche schepen; doch beide reizen vruchteloos. De aanvallen worden afgeslagen, en de koopvaarders, al hooger en hooger op wijkende, vereenigen zich met de andere vaartuigen en worden eerlang versterkt door een vendel krijgsvolk, hun van Sint Salvador toegezonden door den Kommandant Oliveyros. Het was niet de eerste maal, dat de aanvoerder dier bende, de Hopman Padilla, de Hollanders had bestreden. Hy was het, die, drie jaren te voren, Van Dorth in een hinderlaag gelokt en omgebracht had, en hy vleidde zich, thands, door een dergelijk wapenfeit, zijn roem te voltooien. Doch de dood van den voormaligen bevelhebber van Sint Salvador zoû deze reis gewroken worden: de aanval der onzen, op den derden dag meer krachtdadig hervat, was ditmaal onwederstaanbaar: een kogel, door Padillaas kuras gedrongen, berooft hem van ’t leven: het schip, waar hy zich op bevindt, wordt stormenderhand veroverd; de bemanning, twee-honderd-vijftig man sterk, neder gehouwen. Nu ontzonk op de overige schepen den vyand den moed, en hy zocht zijn redding in de vlucht. Nog twee, insgelijks rijk beladen vaartuigen, werden bemachtigd, en het was alleen de onmogelijkheid om de rivier, die al naauwer en naauwer en al meer met geboomte bezet was, verder op te varen, die Piet Hein verhinderde, grooter buit te behalen. Reeds was de taak hachelijk genoeg, om de veroverde schepen met zich naar zee te voeren; immers, terwijl de hier vermelde wapenfeiten in de rivier plaats grepen, had Oliveyros, ter plaatse, waar zy in de baai uitliep, een der schepen, die op den 11den uitgeplunderd en verlaten waren, dwars in het vaarwater laten zinken, en langs de geul, welke alleen voor de afzakkende schepen overbleef, op den oever een borstweering opgeworpen en met musketiers voorzien. Zoo meende hy de onzen als in een fuik gevangen en hun alle ontkoming onmogelijk gemaakt te hebben: en daar zoû hy [19]hun nu de vroegere en thands geleden verliezen betaald zetten. Te meer gegrond scheen zijn hoop, omdat er byna geen water in de rivier stond, en de wind den onzen tegen was, zoodat de schepen niet dan langzaam, en met behulp van werpankers, konden worden uitgebracht;—welk laatste, naar Oliveyros meende, wel onmogelijk zoû wezen, uithoofde de schepen langs den oever moesten houden, waar ’t volk, dat in de booten de ankers moest uitbrengen, aan het moordend geweervuur der musketiers was blootgesteld. Doch het woord „onmogelijk” stond in het woordeboek van Piet Hein niet geschreven. Naauwlijks is hy van de gevaren, die hem bedreigen, onderricht, of hy zendt eerst eenige matrozen in de booten de rivier af, die ’t gezonken schip by laag water in brand steken en uiteen doen springen. Vervolgens laat hy al de huiden, die in de gemaakte prijzen te vinden zijn, voor den dag halen en doet daarmede de schepen, maar vooral de booten, beschansen. Aldus tot afweer gereed, zakt hy de rivier weder af, laat al de veroverde schepen uitwerpen, en vaart den vyand, die ’t met spijt moet aanzien, voorby, zonder een man te verliezen; want de bootsgezellen, die de ankers uitbrachten, zaten veilig achter hun borstweer van huiden, waar de kogels der Portugezen in smoorden. Met geen minder voorspoedigen uitslag brengt Piet Hein nu zijn eigen vaartuigen uit en raakt daarmede op den 16den weder by zijn smaldeel, waarvan hy sints den 6den gescheiden was, en dat, kort by Sint Salvador geânkerd, alsnu, in ’t gezicht van den vyand en tot diens ergernis, de prijzen overneemt, die hy door zijn moed verworven, maar door zijn vernuftig beleid had weten te bewaren. Een en ander werd dan ook dankbaar erkend, en hy, in October in ’t Vaderland teruggekeerd, door Bewindhebberen met een gouden keten beschonken.

Met ongelijk minder moeite verkregen, doch oneindig meer beroemd, om de voordeelen, welke zy opleverde, was de overwinning, welke Piet Hein in 1628 behaalde. Met een-en-dertig meest groote schepen uitgezeild, en vooral met den toeleg, om, zoo mogelijk, de vloot, die de schatten uit Amerikaas zilvermijnen naar Spanje bracht, te onderscheppen, had hy een tijd lang in de West-Indische zeeën gekruist, toen, in Augustus, omtrent de Havana een hevige storm zijn vloot uit den koers dreef, welken hy meende te houden. Reeds had hy de hoop, om den verwachten buit te winnen, opgegeven, dewijl de tijd, waarop hy de Spaansche vloot had gerekend te ontmoeten, verstreken was, toen het bleek, dat hetgeen hy voor een tegenspoed gehouden had, alleen had [20]moeten dienen, om hem in zijn oogmerk te doen slagen. Een zeil, op drie mijlen afstands ontdekt, wekt de aandacht van Witte Corneliszoon de With, die op het schip van Piet Hein het bevel als schipper voerde: hy vraagt en bekomt verlof het te vervolgen, stapt in zijn sloep, roeit naar de onbekende bark, vermeestert die, en ontdekt, dat zy gezonden was ter waarschuwing van de Spaansche vloot. Dit stoute feit was alzoo de aanleiding, dat de zilvervloot onkundig bleef van het lot dat haar dreigde, en zy de onze dwars in den mond liep. Vergeefs zocht zy een toevlucht in de baai van Matanza: zy werd daar achtervolgd en op den 9den September zonder veel tegenstand veroverd.

„Hoe moest,” zong Vondel, toen hy, in zijn Zegezang op het innemen van den Bosch, in ’t voorby gaan de zegepraal van Piet Hein herdacht,

Hoe moest, Havaen! uw hart bezwijcken,

Toen ghij uws Konings zeil zaeght strijcken

Voor ’s Prinsen vlaggen al benout?

Toen ghy het zilver en root gout

Zaeght plondren, en de purperoegsten

Die Hollant dreighden te verwoesten?

De schim van Attabaliba

Vernam ’t, en huppelde om uw scha,

Omdat men hem de zenuw kerfde,

Die niet door deught zijn scepters erfde,

Maar schoot, met voordeel van geweir,

In ’t moedernaeckt en weerloos heir.

Dat heet den draeck op ’t harte trappelen,

Den wachter der Hesperische appelen,

En na ’et verovert Indisch Vlies,

Hem zuchten doen om ’t Boschverlies.

De vloot van Piet Hein kwam eerst in ’t laatst van 1628 en in ’t begin des volgenden jaars terug. De meeste buit, in vele kisten van zilver, voorts in goud en paerlen, edelgesteenten en kostbare koopmanschappen bestaande, en op ruim elf en een half millioen guldens begroot, werd te Amsterdam in ’t Huis der Kompagnie opgeslagen. Men hield een plechtigen dankdag en brandde vreugdevuren wegens deze verovering. De aandeelhouders in de Kompagnie kregen een uitdeeling van vijftig ten honderd: Piet Hein zelf slechts ƒ 1000: de With, zonder wiens wakker bedrijf die rijke buit nooit verkregen ware, geen penning: de matrozen niet meer dan zestien maanden gaadje: was het wonder, dat zy, met die schrale belooning kwalijk tevrede, den buit poogden te plunderen? Was het wonder mede, dat Piet Hein niet ongaarne de [21]dienst der Kompagnie verliet, om een luisterrijker betrekking te aanvaarden, de hoogste namelijk, die by ’t zeewezen te bekomen was, die van Luitenant-Amiraal van Holland, opengevallen door den dood van Willem van Nassau, doorschoten voor Grol?—Slechts kort na zijn terugkomst in ’t Vaderland door de Staten tot deze waardigheid verheven, had Piet Hein niet lang van zijn verheffing genot. In April van ’t zelfde jaar 1629, met een vloot naar zee gezonden, om de Duinkerker kapers te tuchtigen en onze kusten schoon te houden, ontmoette hy op den 17den Juny in de Cingels eenige vyandelijke schepen, die hy vervolgde en op den volgenden morgen achterhaalde. Volgens zijn gewoonte brak hy dadelijk door de linie des vyands heen, en, na een hevigen strijd, gelukte het den onzen, het Duinkerker smaldeel op de vlucht te drijven, en drie veroverde schepen als trofeën met zich naar ’t Vaderland te voeren. Maar kon men die overwinning wel een voordeel noemen? Want met dien buit voerden zy ook het lijk mede van hun Amiraal, wien reeds de derde kogel, die van ’s vyands zijde gelost werd, zielloos op het dek had nedergeworpen. Zijn dood was een groot verlies voor het Vaderland in ’t algemeen, maar in ’t byzonder voor het Zeewezen. Met hem toch moest het Vaderland den kloeken aanvoerder derven, die in deze oogenblikken meer dan iemand in staat zoû zijn geweest, de rooveryen der Duinkerkers te beteugelen, en de zeeën schoon te houden. Het Zeewezen zag zich verstoken van een bekwamen Opperbevelhebber, die, wanneer men oordeelen mag uit de veelvuldige verbeteringen, door hem, gedurende zijn twee-maandelijksch bestuur, of ingevoerd of voorgesteld, den heilzaamsten invloed op de zeemacht zoû hebben uitgeoefend, om daarin de heerschende misbruiken en ongeregeldheden door orde en tucht te doen vervangen. Te recht werd daarom zijn verlies algemeen betreurd, en, hadden zijn krijgsmakkers by den strijd, waarin hy sneuvelde, zijn dood op glansrijke wijze gewroken, de Staten zorgden voor de vereering zijner nagedachtenis. Plechtig werd hy op hun last te Delft ter aarde besteld, en een gedenkteeken, op zijn graf geplaatst, getuigt nog heden van zijn onvergankelijken roem. [22]

[Inhoud]

JACOB CATS.

Mag de eeuw van Frederik Hendrik zich verhoovaardigen op den grooten lier- en treurspeldichter, aan wiens onsterfelijken naam een eereplaats beschoren is in den tempel des roems nevens die van Homerus, Maro, Dante, Shakespeare, Milton, Racine, Byron, Schiller, Goethe, Bilderdijk,—zy boogt tevens op den man, die, als schrijver, zich voorstellende niet te schokken, maar te roeren, niet te verblinden, maar te overtuigen, niet te betooveren, maar te overreden, niet tot de verbeelding, maar tot het hart te spreken, geen bewondering op te wekken, maar nut te stichten: op den volksdichter, die, zich tot geene hooge vlucht wagende, maar er zich boven alles op toeleggende, voor ieder verstaanbaar te zijn, juist daardoor dan ook meer algemeen begrepen werd, en een meer uitgebreiden, meer duurzamen invloed op zijn landgenooten uitoefende—Jacob Cats.

Jacob Cats.
W. P. Hoevenaar, del  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Jacob Cats.

Dat Cats geen dichter was in de meer verhevene beteekenis van het woord, bewijst de omstandigheid, dat, toen hy zijn eerste rijmvrucht uitgaf, hy een leeftijd bereikt had, op welken de groote mannen, hierboven door ons genoemd, zich reeds een naam verworven hadden. In 1578 geboren, zond hij niet voor 1618 zijn eerstelingen in ’t licht. Maar voor hem was de poëzy geen hoofdzaak, gelijk voor Vondel, gelijk voor de genoemde schrijvers; zy was op zijn best een verpoozing van zoogenaamd meer gewichtigen arbeid: zijn vaerzen waren nimmer het gevolg van dat opbruischend zielsgevoel, waaraan geen wederstand te bieden is, van die behoefte om hetgeen uit hoofd of hart opwelt in zangen uit te storten: zy waren niet meer dan een vorm of inkleeding, boven ’t proza verkieslijk, om een gunstig onthaal te doen vinden aan de nuttige lessen en wenken, welke hy aan zijn landgenooten wilde [23]geven. Wie daarom de werken van den geleerden Pensionaris beöordeelt naar den maatstaf, aan welken men gewoon is, poëtische voortbrengselen te toetsen, handelt dwaas en onbillijk. „Waar vindt men schilders,” vraagt van Effen in zijn Spectator, „die eene keukenmeid met fluweel bekleeden of eene vischvrouw, met paerlen, diamanten en goudlaken opgepronkt, baars en karper doen schoonmaken? Is het derhalve niet oogschijnlijk, dat hoogdravenheid van Cats te vorderen en stoffen als de zijne daartoe te willen verheffen, de dwaaste pedanterie is, die ooit beschimpt kan worden.” Cats heeft nimmer naar den roem des dichters gestreefd, maar alleen naar dien van den moralist, en dit is juist wat hem onderscheidt b. v. van La Fontaine. Beiden hebben meer dan eens dezelfde fabel, dezelfde vertelling, behandeld; maar de laatstgemelde let by voorkeur, zoo niet by uitsluiting, op het poëtische, dat zijn stof hem aanbiedt, of dat, zoo ’t er oorspronkelijk niet in lag, zijn scheppend genie weet aan te brengen; terwijl hy zich van de zedeles, die er uit voort moet vloeien, in een of twee regels afmaakt: Cats daar-en-tegen vat de zaak bestendig uit een ernstig oogpunt op: de leering, daarin gelegen, is by hem de hoofdzaak: aan de ontwikkeling dier leering besteedt hy zijn voorname zorg, en laat niets na wat volgends zijn meening dienen kan om haar by den lezer in te prenten. Hy wil niet meer zijn dan moralist, doch, om zijn lessen gereedelijker ingang te doen vinden, geeft hy ze op rijm en licht zijn betoog met poëtische beelden toe.

Gewis zal de lezer, die Cats uit zoodanig oogpunt bestudeert, zich te-leur-stelling gespaard vinden, en daar-en-tegen meer dan eene aangename verrassing zien bereid. Hem zal de eentoonige dreun niet hinderen dier vaerzen, waarby de snede altijd zoo juist is in acht genomen, dat zy ons by ’t hooren doen denken aan droppels, die, by een lekkaadje, met gelijke tusschenpozen van het dak vallen,—noch dat gestadig aanwenden van stopwoorden en stoplappen, die aan het geheel wel naïviteit maar ook op den duur vrij wat platheid by zetten;—neen, hy zal een wezenlijk genot smaken, als hy ondervindt, hoe vloeiend, bevallig, schilderachtig, vooral natuurlijk, de schrijver zich meermalen weet uit te drukken, welk een schat van kennis en ervaring hem ten dienste staan en hoe mild daaruit geput is om de zaak, die behandeld wordt, van elke harer tallooze zijden te doen bezien: welk een overvloed van nieuwe, altijd welgekozen en volkomen passende beelden gebezigd worden ter toelichting van de redeneering: hoe duidelijk de bewijzen voor elke stelling [24]worden voorgedragen: hoe menschkundig ’s mans beschouwingen zijn: en hoe overal tot het hart gesproken wordt.

Wy herinneren ons niet wie het was,—misschien deden wy ’t zelve wel—die Cats den Kristelijken Ovidius noemde. In de daad, het is vooral de schrijftrant van dezen, dien men zoû zeggen dat Cats ten voorbeeld gekozen had, waarvan hy althands de verdiensten zoo wel als de gebreken heeft overgenomen. Als Ovidius is hy eentoonig, omslachtig en weelderig; doch by hem als by Ovidius is die weelderigheid somtijds bekoorlijk en zijn verbeelding is, als die van Ovidius, onuitputtelijk. Maar zoo min de Hollandsche als de Latijnsche schrijver weet grenzen aan die verbeelding te stellen, en geen van beiden is voldaan, zoo lang hy niet alles over zijn onderwerp gezegd heeft wat er van gezegd kan worden.

Is echter beider trant gelijk, te meer verschilt de inhoud. Cats schrijft om te onderwijzen, niet om te vermaken; overal toont hy zich de brave, eerlijke, godvruchtige man. Ook dan zelfs, wanneer hy stoffen behandelt, welke onze preutsche eeuw als onkiesch verwerpen zoû, weet hy zorg te dragen, door zijn wijze van voorstelling allen aanstoot te vermijden, en hy doet dit, niet door het omsluieren der naaktheid—doorgaands een prikkel te meer ter opwekking eener verhitte verbeelding—; niet door het half verzwijgen van hetgeen hy te zeggen heeft: niet door het bezigen van dubbelzinnige uitdrukkingen:—neen, hy schroomt geenszins de zaken by haren naam te heeten en zelfs over byzonderheden uit te weiden;—maar hy stelt nimmer de ondeugd behagelijk voor: hy schertst nimmer met boosheid en zonde: hy verzuimt nimmer, onmiddelijk op haar treurigen nasleep te wijzen. Hy durft verhalen wat Aretino of Boccacio voor hem verhaald hebben; maar het onreine vuur, dat in hun vertellingen blaakt en schendige lusten in de ziel des lezers ontbranden doet, heeft in de zijne zijn verderfelijk vermogen verloren: het is niet langer het vuur der verleiding, dat de zinnen bekoort; het is het vuur der hel, dat ontzetting en afschrik baart.

Verdient Cats onzen lof als zedeschrijver, vooral om den weldadigen invloed, dien hy als zoodanig op de Natie heeft uitgeoefend; wy mogen dien ook aan Cats als regent niet onthouden. ’t Is waar, ook een grooter staatsman dan hy was, zoo kort na Oldenbarneveldt en zoo kort voor Jan de Witt aan ’t roer komende, zoû moeite hebben gehad, zijn licht te doen schijnen tusschen de schitterende stralen, die van beide zulke sterren der eerste grootte uitgingen; maar Cats achtte zich niet—gelijk de twee groote mannen, hier [25]genoemd—in zijn betrekking geroepen het land te regeeren;—neen, gedreven door denzelfden geest, die hem als schrijver bezielde, zocht hy, eerst als Pensionaris van Dordrecht, later als Raadpensionaris, eenvoudig den plicht, hem door zijn instruktie opgelegd, naar behooren te vervullen, en zich daarby te onderscheiden door naauwgezetheid, eerlijkheid en trouw. Dat hy zulks deed, daarvoor verdient hy onze hulde: en toch mogen wy het misschien bejammeren, dat hy zich, door zijn geboorte en door de omstandigheden, tot hooge eerambten geroepen zag. Had hy zich in nederiger kring bewogen, en in zijn jeugd, in stede van op meer praktische studiën, zich op de beöefening der dichtkunst met nadruk toegelegd, zijn weelderig vernuft leeren besnoeien, den aanleg die zich openbaart in zijn Galatee, en in zoo vele zijne Zinne- en Minnebeelden, zorgvuldig aangekweekt, zijn stijl leeren zuiveren van de onnutte stoplappen die hem ontcieren, hy had wellicht den rang kunnen innemen onder de eerste dichters, die hem thands niet mag worden toegekend.

Misschien zal aan sommigen deze beweering vreemd voorkomen: zy zullen wijzen op het gedenkteeken, dat te Brouwershaven, ’s mans geboorteplaats, werd opgericht, en ons vragen, of de omstandigheid, dat hy tot heden de eenige onder onze dichters is, aan wiens nagedachtenis eene zoo openbare hulde is aangeboden, niet het luidst sprekende bewijs oplevert, dat de Natie in ’t algemeen een andere meening koestert omtrent Cats dan die wy hier geuit hebben. Wy geven dit toe niet alleen; maar wy hebben hier boven er reeds op gewezen; wy zullen er zelfs byvoegen, dat ook in Belgiën nog altijd de meerderheid der Vlaamsche bevolking in het gevoelen deelt van den Aartsbisschop van Mechelen, Jacob Boonen, die tot Vondel zeggen dorst: „awiel sinjeur Vondel! ghy rijmt zeer aardig; maar ghy zijt nog lang gienen Cats.”—Doch wy zien ook in onze dagen, dat aan Tollens een standbeeld wordt opgericht, terwijl Bilderdijk er nog vergeefs op wacht; en wy gelooven met eenigen grond de vraag te mogen stellen, of niet de Natie, by de hulde, welke zy tweewerf by voorkeur aan den minst verhevene van twee beroemde tijdgenooten bracht, niet telken reize door andere beschouwingen geleid is geworden dan door deze: „wie was, als dichter, in de eerste plaats een gedenkteeken waardig?”

Ware onze taal ook buiten ’s lands bekend, de vreemdeling zoû ons wellicht leeren het genie van Vondel en dat van Bilderdijk te schatten, gelijk hy ons is voorgegaan in het toekennen aan Rembrand van den rang, die hem behoort. [26]

[Inhoud]

JOHAN PIETERSZOON EN DIEDERIK SWELINCK.

Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen in Henegouwen, waar deze ’t eerste levenslicht aanschouwde, en een prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit, dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert, zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders, tot diens opvolger werd [27]aangesteld. Den roemvollen naam, die van hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen, en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders dan de organistmaker genoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in ’t leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.

Dirk Swelinck.
Herman ten Kate, del  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Dirk Swelinck.

Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann, die ’s mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs, dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde, maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen: Vir singulari modestia ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam, die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd dit contractus leoninus van een gands ongewonen aart bekroond? Na verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien tijd vooral) aanzienlijke som van ƒ 40,000, waardoor hem, tot aan zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.

Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius opgeteekend: „Deze Apollo,” zegt hy, „heeft gehat ten deele van [28]meest alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:

Omnibus hoc vitium est cantoribus inter amicos,

Ut numquam inducant animum cantare rogati,

Jnjussi numquam desinant,

„dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde, hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken: „Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt,” dewelcke hy, sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren, dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven.”

Omtrent den juisten tijd van ’s mans dood zijn de opgaven eenigzins uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig, maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd: „obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX.” zeer aannemelijk.

Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats, wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het navolgende grafschrift:

Hier leit, die stelde wyz’ den koninklyken woorde,

En Sion galmen deed, dat men ’t in Holland hoorde.

Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:

Op meester Johan Pieterszoon Zweling
Fenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam
.

Dit ’s Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.

’t Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.

Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,

Een goddelycke galm in aller Englen oor.

[29]

Hooren wy nu Baudartius: „Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven.”

Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over ’s mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald, hier laten volgen, „Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander, met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde, den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-, zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor al de Psalmen Davids.”

Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van „den wijdberoemden organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in ’t orghelspelen, so dat men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden ghehouden wiert.”

Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid en hy nu eens „l’ Amphion divin et doux sonnant Harpeur,” dan „l’unique Phoenix de nostre Pays” genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk (Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der psalmen Davids gedrukt staat.

„Tout ravi hors de moy, ars d’une douce flamme,

Espris d’un sainct amour par ces divins accords,

Se rallumer je sens au millieu de mon asme

Un Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.

[30]

Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasme

Le corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.

Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,

Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.

Swelinck, en mariant les sons avec les sens,

Fait si bien, que le corps, par sa douce harmonie,

Suit et vit en suyvant l’esprit tout en un temps,

Dont David par ses mots tenant l’ame ravie,

Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,

A l’esprit et au corps ravis rendent la vie.

Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min hun waarde aan de kritiek te toetsen. Wy meenen genoeg te hebben aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als organist en komponist kunnen blijken.

En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde, althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon, na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.

„Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,

Maar niet zyn’ fenixgalm, uit ’s Vaders asch geteelt.

De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongen

Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.

Zoo Thebe door een lier tot zulck een’ wasdom quam;

Wat zou men dichten van het orgel t’ Amsterdam?

Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,

Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren.”

Hoe hoog de Drossaart ’s mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelende [31]aangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit, dat „eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden, een treflijke muzijk zoude zijn, waaromtrent, zoo als Hooft verder schreef, het verkieslijk ware „te volgen den raadt van den Orgelist meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort heeft.”

Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift, dat Vondel op hem dichtte:

Gy Zanggodinnen, valt aen ’t schreien,

Aen ’t jammeren met heele reien;

De zoon van Orfeus is verscheien.

Nu zwijght de galm der orgeltongen,

Die door de pijpen quam gedrongen,

Daar hemelsche Engelen op zongen.

Hoe kout en kil zijn deze handen,

Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,

Met zijn Marenssen, en Orlanden.

Hoe juichte ’t hart van oude en jongen,

Wanneer zijn vingers ongedwongen,

Op noten en op steeken sprongen!

Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,

Den Vader in den Zoone hooren,

Nu zal een zerck die stemme smooren.

Gestoelten noch gepropte bancken

Niet langer Zwelings kunst bedancken

Voor zijn verquickende avontklancken.

Gy die mijn ziel hebt opgeheven

Uit dit moerasch in ’t eeuwigh leven,

Wat zweep heeft u naer ’t graf gedreven ?

Ten minste kus, o koor der Zingeren!

Met uwen mont dit ijs der vingeren,

Daar ieders ooren op verslingeren.

Ten minste draegh hem, naer zijn waerde

Die zijn vermaeck voor niemant spaerde,

Noch met dit grafgeschrift ter aerde:

„Hier rusten Grootvaer, Zoon en Vader

Zy volgen Davids harp te gader,

Een eeuw van voore, om hoogh noch nader.”

[32]

[Inhoud]

GERARDUS JOHANNES VOSSIUS.

Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd, in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen, te verrichten overbleef.

Gerardus Johannes Vossius.
W. P. Hoevenaar, del  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Gerardus Johannes Vossius.

De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen, voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken, zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat, gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.

In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst, geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der oude talen [33]gemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd, maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in ’t openbaar als in ’t byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen, maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem, na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven, een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de ouden niets keurigers geschreven hadden.

Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten, het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels zijn roem ook buiten ’s Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in 1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in ’t werk gesteld werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg, was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat, toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by de Kantelbergsche abdy [34]liet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht, om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er Holland voor behoefde te verlaten.

Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd, zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën, die hy opdroeg aan de Staten van Holland.

Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen, en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts, en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was, die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.

Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften, die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven, had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.

De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden, uit een andere moeder geboren, had te ’s Gravenhage met ongewonen lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet, blijkt.

Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in Liviaansch [35]Latijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande, zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.

Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde, Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in ’t Latijn en Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche, Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op ’t Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan ’t hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van zijn roem.

Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard, gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde, leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van Vellejus Paterculus en vervaardigde aanteekeningen op Valerius Flakkus en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten, zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:

Verstant, in honighraat gedoopt,

Geleertheid, daar al ’t huis op hoopt,

Hadt Geeraert, die zoo vroegh

Zijn broeders overwoegh

En dreighde alreê des Vaders faem

En vlught te volgen, als zijn naem.

Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen, en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren. [36]

Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich bevonden?—Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar—onbestendigheid der aardsche dingen!—hoe weinige jaren verliepen er, en niets dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam gegrondvest scheen.

De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden, hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te vergezellen—een aanbod ’twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des jongelings niet was aangenomen—die vervolgens, zoo naar Engeland als naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar ’t Noorden geroepen was, werd, toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen, op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast, die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.—Men weet, in hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong, die Vossius trof. „Wat,” schreef hy aan Van Baerle,

Wat gaat het sterflot over,

Dat het de beste lover

Van Febus lauwer schent!

Of trof hem ’t heiloos weder,

Omdat de Zweedsche veder

Zijn hant was toebetrouwt,

Die, zwanger van history,

Gustaefs verdiende glory

Beschrijven woû met gout?

Of kon de nijd niet lijen

Dat hem de Teems quam vrijen,

Of dat hy docht te treên

In onze Fredrix laerzen

Met zoete vredevaerzen

Als in triomf voorheen?

enz.

En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen vader ter vertroosting toezond: [37]

Wat treurt ge, hooghgeleerde Vos

En fronst het voorhooft van verdriet?

Beny uw zoon den hemel niet,

De hemel trekt: ay, laet hem los.

Ay, staeck dees ydle tranen wat,

En offer, welgetroost en bly,

Den allerbesten vader vry

Het puick van uwen aertschen schat.

Men klaeght, indien de kiele strant,

Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,

Uit den verbolgen Oceaen

In een behoude haven lant.

Men klaeght, wanneer de balssem stort

Om ’t spillen van den dieren reuck,

Maar niet, zoo ’t glas bekomt een breuck

Als ’t edel nat geborgen wort.

enz.

Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de uiterlijke rouw over ’s jongelings dood voorby, toen een treurmaar het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn komst aldaar, bezweken.

Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius, een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden gereden. By ’t overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig, door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af; alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.

„Een oogenblik,” zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,

Een oogenblick heeft zoo veel gaven,

Gedaelt van ’t hemelsch paradijs,

Op u verslingert, in het ijs

En sneeuw, op ’t onverzienst begraven:

Een waterslang verbeet die bloem

Van onze jeught, der maegden roem.

[38]

Nu zwijgen al uw schelle snaren,

d’Yvoire fluit, de zoete keel,

Daer ’s vryers goddelijkste deel,

De ziele om hoogh op plagh te varen,

Toen zy ten ooren uitgelockt,

Gy haer tot in den hemel trockt.

Uw onvolwrochte beelden treuren

En roepen al: ick sterf, ick sterf!

Papier, panneel verschiet zijn verf,

Men ziet geen leven in de kleuren

Van uw tapijten, met de naelt

En zijde naer de kunst gemaelt.

Nu zult ge geest noch wijsheit zoecken

In ’t Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,

Noch u vermaeken in het Spaensch

En lezen ’t keurighst uit de boecken;

Of ’t antwoort geven op ’t Latijn

In Duitsch als u gevraeght zal zijn.

enz.

Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen, toen de pest in ’t huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.

Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in December 1645.

Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in ’t beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te vergelijken. In 1645 in ’t vaderland teruggekeerd, om Mattheus als stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen, had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem ontbood. „O Izak!” riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe, [39]

O Izak! eenigh pant

Van Vossius, gy die zoo verre

Om ’t licht der koninklijke sterre

Verliet uw vaderlant;

Verlaet om ons de kroon van Zweden!

Gy kunt uws vaders stoel herkleden,

Zijn doorgeleert gebouw

Van schriften voort in top voltrecken

En moeders hart ten balsem strecken

Die anders smilt van rouw.

Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd, door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken, de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin, waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in ’t algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.

Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels, welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends, vervaardigd door Sandrart:

Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;

Noch grijzer is het brein dan ’t grijze hair op ’t hooft:

Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwen

En al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.

Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;

Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.

[40]

[Inhoud]

WILLEM EN JOAN BLAEU.

Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere glorie streven dan aan ’t algemeen van nut te zijn, en daaronder schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden en op ’t papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en, op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers, wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.

Willem Blaeu.
Herman ten Kate, del  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Willem Blaeu.

Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen, die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen, dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere voorwaarde kon [41]niet verkregen worden, zoo niet hy, die aan ’t hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed, schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat, door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting, voor hen, die zich aan ’t laatste schuldig maken en onheilig vuur op het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.

Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust, welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd, beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken: en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.

Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht, ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen, die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.

Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren, had hy zich zoo binnen als buiten ’s lands in al de vakken, welke hem dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde het vak, voor ’t welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een aanmerkelijke hoogte bereikte, en ’t welk de hoofdrichting bepaalde, door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoon [42]ook talrijke werken van smaak, en menige dichtvrucht—als b. v. Vondels „Verovering van Grol,” diens „Begroetenis van Frederik Hendrik,” „Geboorte-klock van Willem van Nassou,” „Zege-zangh op den Bosch” en „Gysbreght van Aemstel”—op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer, met de zinspreuk indefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde—inzonderheid de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven geschreven, en daaronder genoten het „Graedt Boeck” en het „Licht der Zeevaert” de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637 met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel verhief ’s mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:

Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:

En selden een vernuft alleen bequaem tot een:

Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:

Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,

Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.

Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.

Maar zoû de roem, dien Willem Blaeu zich verworven had, hem overleven, evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die, geplaatst aan ’t hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis, van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:

De wackre Blaeu sloegh ’s avonds spae

Het gulden heyr des hemels gae

En monsterde alle stralen,

Die vast staen, of verschralen;

[43]

Als Venus, dochter van Jupijn,

Hem in een ongemaeckten schijn

Verscheen; en quam voor oogen,

Daer hy stond opgetogen.

Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,

Die lust hebt in der Goden troon

En ’t eeuwighdurend leven

Met uwen geest te sweven;

Al langh genoegh met ongemack

Gedragen ’t aerdsch en hemelsch pack,

En Herkles nagetreden

En Atlas wijde schreden.

Al lang genoegh tot ’s vaders troost,

Sijn swacken ouderdom verpoost:

’t Is tijt om eens te hooren

Nae ’t geen u is beschoren.

Ick wijs u nae de goude stad,

Daer is voor u een eedle schat,

Een schoone Maeghd ten beste,

Treck heen nae dese veste.

Ghy sult er vinden aen de Gou

De lieve lang beloofde trou,

En u in hare kaecken

En heusch onthael vermaecken.

Of deystse met bevreesden gang

Ick salse met een minneprang

Bedwingen tot mijn wetten

En ’t harde hart versetten.

Soo sprack de moeder van de min,

En liet hem met verbaesden sin,

(Terwijle sy ging strijcken)

Verbaest ten hemel kijcken.

Sijn boesem brande stracx van hoop,

Die hem den lust van starrenloop

En ’t schrander hemelmeten

Benam en deed vergeten.

Ghy handelt passer, boogh noch kaart

O Blaeu, wat of u wedervaert?

Noch Tychoos wijze boecken:

Ghy gaet uw weêrga soecken;

En Venus voortgang maeckt het spoor,

En wijst u met haer starre voor,

En opent Geertruys armen,

Genegen tot ontfarmen.

[44]

Geluck, ô blijde Bruydegom!

In Hymens vrolijck heyligdom.

Uw Bruyd heeft u genesen.

Laet sy uw spieghel wesen.

Nu staroogh op geen ander licht

Als dat er straelt uyt haer gesicht.

Nu staroogh op haer oogen,

Die alle dingh vermogen.

Nu druck, in ’t kussen even kloeck,

Met mond op mond een minneboeck,

Nu druck met inckt van weelden

Een huys vol minnebeelden.

Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond, bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog ’t Blaauw-straatjen zijn naam van draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in den ramp die hem trof, toen op den 22sten February 1672 dat treflijke gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28sten December van ’t volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:

Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,

Al ’t aertrijk door bekent,

Hoe quam hy aan zijn endt?

De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.

[45]

[Inhoud]

PIETER CORNELISZOON HOOFT.

De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo zy nog leefde, ’t was in de oude spreekwoorden en refereinen en in den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en Fransche bastertwoorden—om van de Latijnsche niet te spreken—elkander verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer, en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in ’t werk stelden, om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. ’t Is waar, mannen als Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd, dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was de Amsterdamsche Kamer „In Liefde Bloeyende”—tot wier leden niet alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde—die [46]de taak aanvaardde, om, als zy ’t uitdrukte, „de Hollandsche taal van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in zuiver Dietsch te leeren.” Maar geene omwenteling—’t zij dan in Kerk, in Staat of in Taal—werd immer volbracht door mannen van bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat, die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.

Pieter Corneliszoon Hooft.
Herman ten Kate, Ft  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Pieter Corneliszoon Hooft.

Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch beginsel, ’t welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man, die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party, die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn, zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende vernuften—waaronder het genoeg is, De Groot te noemen—en later op een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam te maken met de voortbrengselen [47]der Italiaansche letterkunde—toen de eerste in Europa—hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in ’t Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.—een betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in ’t volgende jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen, meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken, die, hoe hemelhoog ook geprezen door ’s mans tijdgenooten, hem nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk moet gaan, en met behoud van intrigue, karakters en toestanden, niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden, gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche, Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers, en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord, is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger, van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot in de kleinste byzonderheden over te nemen. [48]

Het was eerst in 1626, dus reeds op vijf-en-veertigjarigen leeftijd, dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in ’t licht gaf, te weten zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook van de nasporingen, door hem in ’t werk gesteld. Wekte aldus de vorm elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen, de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.

De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader, gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen, waren hem achtereenvolgends ontvallen: en het Huis te Muiden, na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die, toen hy, op den 30sten October 1627, een tweeden echt had aangegaan met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt, waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts, Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.

Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschap [49]noodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn „torentjen” genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:

Somtijts kiest ge ’t zeskant huiske

Voor uw afgescheiden kluiske,

En zijt in deze eenzaamheên

Nimmer min dan dus alleen.

In dit huiske wert geboren

(’t Was zoo van uw lot beschooren)

’s Grooten Henrix groote Faam,

En de grootheid van zijn naam

Quam uit deze kleinheit rennen,

Vlugh geworden door uw pennen,

Allesins waar ’t Duitsche volck

Is bekent door tael of tolck.

Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan voortwerkte. ’t Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning, met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden, met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad, dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht, beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene Wachtmeester van ’t Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles wat het krijgswezen betrof: zoo waren ’t Huygens, van den Honert, Schotte, Staeckman, Wickefort, waar ’t Staatsaangelegenheden gold. Niet voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van ’t werk het licht, terwijl de schrijver inmiddels nog, tot verpozing en stijloefening, een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van den Huize Medicis had bewerkt.

Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige toejuiching vereerd. ’t Is waar, het kostte aan sommigen in den aanvang [50]moeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl, aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal, door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over ’t geheel meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy er zich aan ergeren, dat hy, op ’t spoor van Livius, en van Tacitus vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf, was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in ’t voorstellen der feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen, door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht, en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest, als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men die ’t minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen, maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.

Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden Kapucijn [51]en bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke vermaardheid behooren: „.... ik hoop binnen korte jaaren noch tien boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want d’eene wordt dikwijls bestreeden, en ’t ander fluisterst my, die staa om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar te treeden, in ’t oor: Tempus abire mihi.”

Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag gereisd, om ’s Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een zware koorts aangetast, waaraan hy den 21sten Mei deszelfden jaars overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding door Sandrart geplaatst.

Het brein, gespitst op ’t roer der Staten te regeeren,

En ’s weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,

Den geest, die Tacitus en d’oudste dichters tart,

Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,

Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:

De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.

[52]

[Inhoud]

LAURENS REAEL.

Onder de voortreflijke afbeeldingen, welke het penceel der bekwame schilders uit de zeventiende eeuw ons van de meest beroemden onder hunne tijdgenooten heeft nagelaten, is er naauwlijks eene, die, by den eersten blik, welken men er op slaat, zulk een gunstigen indruk te weeg brengt, en die ons, hoe langer wy er op staren, meer doet gevoelen, dat de man, dien zy voorstelt, schrander, geestig, beminlijk, groot en goed moet zijn geweest, als de afbeelding, door Thomas de Keyser vervaardigd, van Laurens Reael.

Laurens Reael.
W. P. Hoevenaar, del  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Laurens Reael.

En gewis, het penceel des kunstenaars heeft niet gelogen: want, hoe vele groote mannen het tijdvak van Frederik Hendrik ook hebbe opgeleverd, niet een, die veelzijdiger verdiensten bezeten en in meer onderscheiden werkkring uitgeschitterd heeft, dan Reael: en in zoo verre mag men hem aanmerken als den type van dat tijdvak zelf en van de Natie, welke hy, op de vloot, in den strijd, in de vergelegen Nederzettingen en aan de Hoven der Vorsten vertegenwoordigde.

Op den 20sten October 1583 was Reael te Amsterdam geboren, waar zijn vader, Laurens Jakobsz., vroeger graanhandelaar te Dantzich, zich gevestigd en een huis betrokken had op het Water, aan de Papenbrug, in de „gouden Reael,” waar hy zijn toenaam van ontleende. Reeds voorlang de leer der Hervormden omhelsd hebbende, was hy een der zes vermogende burgers, die in 1568 de openbare prediking bevorderden. Groot was zijn invloed by de burgery, en belangrijk waren zijn verrichtingen in de woelige tijden, welke Amsterdam had door te worstelen. Zijn yver om den beeldestorm voor te komen, de pogingen, door hem, op verzoek der Stads-Overheid, in ’t werk gesteld, om, met eigen lijfsgevaar, een uitgebarsten oproer te stillen, zijn wijze gedragingen tegenover den [53]onrustigen Hendrik van Brederode, zijn onbekrompen edelmoedigheid, betoond in ’t leenen eener som van ƒ 10,000 aan Prins Willem I, het kloek beleid, door hem, als Kolonel der Schuttery, gedurende Leycesters verblijf te Amsterdam aan den dag gelegd, dit alles te samen had hem by zijn stadgenooten zoo wel als elders een aanzien doen verwerven, dat natuurlijk ook zijn kinderen ter aanbeveling strekken moest.

Zelf beminnaar en beöefenaar der letterkunde, welke hy ook als Lid der Oude Kamer voorstond, verzuimde Laurens Jakobsz. niets, wat dienen kon, om aan zijn kinderen een treflijke opvoeding te geven. Van Laurens, zijn jongste spruit, is het althands zeker, dat hy, behalve in de Latijnsche en Grieksche, ook in de Engelsche, Fransche en Italiaansche talen onderwijs genoot, en aan Leydens Hoogeschool de rechtsgeleerdheid bestudeerde.

Zijn reeds bejaarden vader verloren hebbende, toen hy nog maar zeventien jaren bereikt had, vond de jonge Laurens vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders, maar vooral in zijn zwager, den beroemden Arminius, die zijn leidsman werd op het veld der letteren, gelijk de geleerde Snellius op dat der wiskunde, in welke wetenschap hy spoedig belangrijke vorderingen maakte. Weldra echter—in 1609—overleed Arminius, wiens dood Reael in een Latijnsch gedicht bezong, dat beiden zijn bekwaamheid en zijn hart tot eer verstrekte.—Grooteren lof nog verwierf hy zich door het bespelen der Nederduitsche lier, en wakker handhaafde hy zijns vaders roem by diens vrienden uit de Kamer „In Liefde Bloeyende.” By Roemer Visscher was de vernuftige jongeling een welkome gast: met diens dochters Anna en Geertruida, hem gelijk in jaren, wedyverde hy om den dichtgeest der jeugdige Tesselschade aan te kweeken: en met Hooft, dien hy aldaar leerde kennen, sloot hy een vriendschap, die tot zijn dood heeft geduurd.

De zoon van Laurens Jakobsz. en de zwager van Arminius behoefde zich in die dagen niet verlegen te maken, dat hem de gelegenheid ontbreken zoû, om vooruit te komen. Reeds spoedig zag hy zich te ’s Gravenhage in een eervolle betrekking by het Bestuur der geldmiddelen geplaatst. Zijn bekwaamheid en doorzicht werden opgemerkt door Oldenbarneveldt: hy won diens vertrouwen, en toen, in 1609, het belang der jeugdige Oost-Indische Maatschappy medebracht, dat er iemand naar Indiën gezonden wierd, met geestkracht, moed en kennis toegerust, beval Oldenbarneveldt Reael by Bewindhebberen aan. Een [54]aanbeveling van ’s Lands Advokaat stond aan een bevel gelijk: en zoo gebeurde het, dat de kweekeling der Muzen, op acht-en-twintig jarigen leeftijd, als Kommandeur met vier schepen naar de Molukken vertrok. Hy stelde het hem geschonken vertrouwen en de verwachtingen, welke men van hem koesterde, niet te leur: gedurende den tijd, dat hy in genoemde Eilanden met het gezach bekleed bleef, bewees hy gewichtige diensten aan de Maatschappy, veroverde vesting na vesting op de aldaar gezeten Spanjaarts, bezette verscheiden kleine eilanden, deed door de inlanders Vorsten verkiezen, aan de belangen der Maatschappy verknocht, en vestigde den handel in streken, waar vroeger onze vlag zich nimmer had vertoond. Geen wonder dan ook, dat, toen de Gouverneur-Generaal Reynst in 1616 overleed, Reael met eenparigheid van stemmen in diens plaats werd gekozen.

De tijd van zijn bestuur was een te voren in de Oost ongekend tijdperk van orde en rust. Met zijn bondgenooten leefde Reael in vrede, en hy werd van zijn vyanden ontzien. Den handel zoowel als het krediet onzer Natie wist hy door zijn maatregelen te verheffen en de Ambtenaren door ontzach in toom te houden. „Dat heet eerst regeeren,” zeide Hooft van hem. Het beloop der retoeren ten tijde van zijn bestuur bedroeg dan ook het dubbel van dat van vorige jaren. Niet lang echter bleef hy aan ’t hoofd der zaken geplaatst. Hy verzocht en verkreeg zijn ontslag, droeg in July 1618 het bewind over aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pieterszoon Koen, doch nam de terugreis niet aan, dan na dezen door zijn ervaring en raad ondersteund te hebben by het fnuiken van den tegenstand, door Engelschen en Javanen geboden by het stichten van Batavia. In Augustus 1619 van daar vertrokken, kwam hy, in ’t begin des volgenden jaars, behouden in ’t vaderland aan. Dan, hoe vond hy alles aldaar veranderd! Hy was vertrokken, toen de beginselen, door zijn zwager en leermeester Arminius in ’t kerkelijke, door zijn beschermer Oldenbarneveldt in ’t staatkundige voorgestaan, als wet en regel golden;—hy vond, by zijn terugkomst, de aanhangers van beiden vervolgd, gekerkerd, gebannen, zijn voornaamste vrienden en weldoeners uit de gestoelten der eere geschopt, Oldenbarneveldt zelven onthalsd. Was het vreemd, dat de bitterste aandoeningen van smart en verontwaardiging de ziel des fijngevoeligen mans vervulden, dat hy lucht daaraan gaf in een Latijnsche elegie „over de rampen van het vaderland,” en eerlang ook in dichtvruchten van anderen aart? Maar evenmin zal [55]het iemand verwonderen, dat voor den erkenden aanhanger van ’s Lands Advokaat de weg tot alle ambten voor ’t oogenblik gesloten was, dat Hooft in 1623 vergeefs moeite deed, om hem tot Afgezant naar Venetiën te doen benoemen, ja, dat, toen men in dat zelfde jaar onderhandelaars benoemde, om de geschillen te vereffenen tusschen de Hollandsche en Engelsche Maatschappyen, Reael niet tot dat getal behoorde. Hy-zelf verlangde op dat tijdstip wellicht ook geen bemoeying met staatsbeslommeringen, en zich, op een landhuis naby de Beverwijk, in de buurt van dat van zijn geleerden en beminlijken vriend Laurens Baeck, hebbende nedergezet, sleet hy zijn dagen een tijd lang buiten alle zaken. Doch een man als hy kon niet werkeloos zijn. Hy gaf een belangrijk boekjen uit, ten tytel voerende: „Raad voor hem, die zich naar Indiën begeven wil.” Maar bovendien hield hy met Vondel, Hooft en De Huybert geregelde byeenkomsten, waar over de moedertaal gehandeld werd. Men stelde hier verscheiden regels, waaraan men zich in het dichten en schrijven had te houden: met name over het stuk der taalschikking, der te-samenvoeging der woorden, over het onderscheid der geslachten, de verbuiging en spelling der woorden: alle zaken, waarover men destijds nog maar weinig in ’t licht gegeven en zelfs weinig nagedacht had. Voorts vervaardigde hy met Hooft, in 1625, een vertaling van Senekaas Troades, die Vondel in verzen bracht, en schreef bytende hekeldichten, goed genoeg om voor werk van Vondel door te gaan, en by de uitgave van diens Poëzy als zoodanig daarin te worden opgenomen.

De tijd stond echter aan te breken, waarop hy de zoete letteroefeningen weder af zoû wisselen met een meer bedrijvig leven. Frederik Hendrik was aan ’t bewind gekomen, en hy kon een man als Reael niet ongebruikt laten. Een vloot moest worden afgezonden, die, in verband met die der Engelschen, een poging aan zoû wenden, om den Spanjaart op eigen kusten te bestoken. Willem van Nassau, de wakkere zoon van Maurits, was destijds Amiraal van Holland; doch men achtte het dienstig, hem een raadsman ter zijde te stellen, die aan moed en vastheid van geest ook beproefde ervaring en kennis paarde, en, daar gehechtheid aan een vroeger stelsel niet meer als reden van uitsluiting gelden kon, sloeg men het oog op Reael, die, na eenig beraad, zich de benoeming tot Vice-Amiraal liet welgevallen. De tocht had,—gelijk trouwens altijd het geval was met zeetochten, in vereeniging met de Engelschen ondernomen—geen merkwaardige gevolgen; doch, dat de beste verstandhouding [56]tusschen de beide Hollandsche Vlootvoogden bleef heerschen, blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat, toen de jeugdige Amiraal voor Grol werd doodgeschoten, Reael hem met een aandoenlijk lijkdicht in ’t Nederduitsch herdacht, en met een keurig Latijnsch grafschrift:

Nassovium dum terra sibi, sibi vindicat æquor,

Has cælum lites solvit, utrique negat.

’t welk hy-zelf aldus vertolkte:

Terwyl zee tegen lant

Om Nassau is gekant,

Komt haar de Hemel scheyden

En gunt hem geen van beyden.

Dadelijk na zijn terugkomst in ’t Vaderland, was Reael aangesteld tot Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, welke betrekking hy tot aan het eind zijner dagen vervulde: zoo eenige betrekking, was deze voor hem geschikt, en hem komt voorzeker geen gering deel toe van de voordeelige uitkomsten, welke, ten gevolge der goede orde en der zorgen van ’t Bewind, de zaken van dat lichaam opleverden.

Reeds kort nadat Reael het genoemde ambt aanvaard had, werd hem een schijnbaar alleen vereerende, doch in de daad zeer netelige taak opgedragen. In 1626 werd hy, namelijk, naar Engeland gezonden, om Karel I, by diens krooning, te begroeten. Aan dezen openbaren last was een geheime verbonden, te weten om te Londen pogingen aan te wenden tot het byleggen der geschillen, tusschen de Engelschen en Hollandsche Maatschappyen gerezen, over de bekende zaak van Amboina. Welken uitslag zijne bemoeyingen hadden, kunnen wy niet bepalen; zeker is het, dat zijn handelingen den Koning niet ongevallig waren, die hem tot Ridder sloeg en in den adelstand verhief.

In Duitschland woedde het oorlogsvuur, en de Keizer, wiens wapenen, onder den groote Wallenstein, hoogst voorspoedig waren, had de meeste plaatsen aan de Oostzee bezet. De Staten van Holland, de nadeelen hiervan voor onzen handel inziende, drongen er op aan, dat men een bekwamen onderhandelaar naar Denemarken zoû zenden, ten einde die Mogendheid te bewegen, de vorderingen van Oostenrijk tegen te staan. Reael werd met dien last vereerd en stak, in 1628, met een oorlogschip van den Staat naar Koppenhagen over. ’t Was hierop, dat Vondel [57]zinspeelde, toen hy het navolgende byschrift onder ’s mans afbeelding plaatste:

Zoo maelde een Keysers hant den wackeren Reael,

Den Ridder, den Gesant, den grooten Generael,

Voorsien met breyn in ’t hooft, met oorloghsmoet in ’t harte.

’t Was hy, die Spanjen op sijn eygen bodem tartte.

Vaer heen, gelauwert hooft, geluckelijck door zee

En breng voor ’t Vaderlant ontelbre kranssen meê.

De wenschen des dichters werden niet vervuld. Het zij, dat Reael door de geslepen Staatsdienaars van den Keizer by den Koning van Denemarken was voorgekomen, ’t zij dat het Deensche Hof, indachtig aan de fabel van het Paard en den Man, het gevaar inzag eener hulp van bondgenooten, Reael slaagde niet in zijn zending, en, met hoe vele eerbewijzigingen ook ontfangen, hy kon geen traktaat tot stand brengen. Integendeel maakten de beide Monarchen eerlang vrede met elkander. Niet alleen had Reael alzoo het doel zijner zending gemist, maar hy moest nog verderen tegenspoed ondervinden. Op zijn terugreize naar het Vaderland leed hy schipbreuk, op de kust van Jutland. Wel kwam hy, met groot gevaar, aan wal, maar om in een anderen tegenspoed te vervallen. De plaats, waar hy aanlandde, was door de Keizerschen bezet. Hun Veldheer, onderstellende, dat de Gezant, zoo hy in Holland keerde, de Staten tot eenige onderneming tegen het Keizerrijk zoû aansporen, hield niet alleen Reael gevangen, maar zond hem zelfs naar Weenen op. Het duurde tot aan ’t volgend jaar, eer hy ontslagen werd, zoo men wil, ten gevolge der voorspraak van de Jezuiëten aldaar, door Roomsgezinde Hollandsche kooplieden te zijnen behoeve aangezocht. Zeker is het, dat hy te Weenen met eerbied werd behandeld: naar de getuigenis eens schrijvers, kwam hy er als gevangene, maar vertrok als een Vorst. Weinig dagen na zijn terugkomst in Holland, die in Maart 1629 plaats had, gaf hy by de Staten-Generaal verslag van zijn verrichtingen, en verwierf den dank en de goedkeuring van zijn lastgevers.

Na zoo vele lotswisselingen is het geen wonder, dat Reael naar de genoegens van het huislijk leven begon te verlangen. Hy trad in den echt met Suzanna de Moor, de nog jeugdige weduwe van Hendrik de Picker, een aanzienlijk Amsterdamsch koopman: en, zoo haar zielshoedanigheden beäntwoordden aan haar bekoorlijkheden, gelijk het penceel van De Keyser ze heeft vereeuwigd, zoo moet, naast zulk een wederhelft, [58]zijn lot wel gelukkig zijn geweest. Dat hy zich ook zoo gevoelde, blijkt uit de verandering, die zich van dat tijdstip af in zijn levenswijze openbaarde: zoo geheel was hy aan zijn huis gehecht, dat zelfs zijn beste vrienden hem ter naauwernood meer zagen. „Toen hy in de hel van Weenen lag,” schrijft Hooft, „spoelde de vergetelbeek my niet uit zijn gedachte. Nu schijnt men hem quijt met lijf en met ziel. Ik denk niet, dat die doorluchtige sinnen, gelijk ze ’t zijner tyd de hebbelijkheid hadden om zich tot behelzing der grootste zaaken uit te rekken, alzoo zich nu weeten in te krimpen, dat ze in een luiermand schuilen kunnen en zich aan het toestellen derzelver te kost leggen, gelijk Tasso zeit van een oudt soldaat:

De zoete naam van vaader en gemaal

Hadt nu geweekt zijn braave borst van staal.”

In het volgende jaar werd Reael Lid van de Vroedschap te Amsterdam, later Kommissaris tot de Wisselbank, Weesmeester en Schepen. Voorts bleef hy den tijd, die hem van zijn ambtsbezigheden overschoot, aan zijn meest geliefde studie, de wiskunde, toewijden, vooral met toepassing op de zeevaart. Veel bracht hy hierover op ’t papier, waaronder eenige hoogst belangrijke „Aanteekeningen over den magneetsteen en de magnetische kracht der aarde.” In 1636 was hy het, aan wien, op aanbeveling van De Groot, de beroemde Galileus Galilei zich richtte, ten einde een gewichtige uitvinding, om de lengte op zee te vinden, by de Staten Generaal in te dienen. Hy deed dit, en werd door hen, met Willem Blaeu, Martinus Hortensius, Golius en Beeckman, in kommissie gesteld, om de zaak te onderzoeken. Dit had aanleiding gegeven tot een allerbelangrijkste briefwisseling tusschen hem en Beeckman, die echter, ten gevolge van het overlijden van de meesten, die in de zaak betrokken waren, geen gevolgen had.

Het huwelijk van Reael was met twee zonen gezegend geweest en hy had alle reden, om zich gelukkig te noemen in het hem beschikte lot, toen zich op eens het uitzicht voordeed, dat hy zijn stille en rustige levenswijze nogmaals tegen een woelige en gevaarlijke—hoezeer dan ook schitterende—loopbaan zoû verwisselen. Filips van Dorp had in 1637 als Luitenant-Amiraal van Holland zijn ontslag bekomen, en niemand was er hier te lande, die niet luide of in stilte den wensch herhaalde, door Hooft gedaan, „dat het scheeprijkst en strijdbaarst volk aan een [59]Amiraal met hart en harsenen geraken mocht.” Een zestal personen, welke men voor de opengevallen plaatsen meest geschikt achtte, werd aan den Prins voorgedragen, om er een uit te kiezen. De eerste twee op deze lijst waren Reael en Tromp: en daar de Staten van Holland den eerstgemelde met byzonderen aandrang by den Prins voorstonden, was het hoogstwaarschijnlijk, ja genoegzaam zeker, dat hem deze luisterrijke bediening zoû worden opgedragen. Maar anders was het in Gods raad besloten. Een besmetlijke ziekte, die omtrent dezen tijd in Amsterdam woedde, trof ook zijn huis: zijn beide zoontjens werden achtereenvolgens aan zijn hoop en aan zijn hart ontrukt, en die treffende slag deed hem zoo zeer aan, dat hy eerlang tot een volslagen lusteloosheid verviel, zoo zelfs, dat verscheidene brieven, waaronder een van Galilei, ongeopend bleven liggen. By de ongesteldheid van zijn geest, kwam een heete koorts zich voegen, die op den 10den October van dat jaar—1637—een einde maakte aan zijn nuttig en werkzaam leven. Diep werd zijn dood betreurd, ja als een algemeene ramp beschouwd. Gelukkig nog het Vaderland, dat, toen het hem verloor, althands in één opzicht, een waardigen plaatsvervanger voor hem mocht zien optreden in Marten Harpertszoon Tromp. [60]

[Inhoud]

MARTEN HARPERTSZOON TROMP.

In het jaar 1610 zwierf een roofschip in de Spaansche zeeën, waarop een knaapjen van ruim dertien jaren als kajuitwachter voer. Hard en lastig was de dienst, welken hy te verrichten had: sober en slecht het voedsel, dat hem werd verstrekt: en geen ander loon trok hy voor zijn moeite dan scheldwoorden en slagen. Maar moeilijker te verduren dan dit alles waren de aandoeningen, die den knaap pijnigden zoo dikwijls hy zijn lot overdacht;—want hy had de betrekking, welke hy vervulde, niet vrijwillig gekozen; want over het vaartuig, waarop hy nu ruim twee jaren in slaafsche dienstbaarheid had doorgebracht, had eenmaal zijn vader het bevel gevoerd; want aan den ruwen vrijbuiter, dien hy zijn meester noemde, had hy den dood zijns vaders te wijten; en nog bestendig herriep zijn verbeelding dat verschriklijk tooneel, toen, door den pulverdamp heen, de afschuwwekkende, door zon en kruit gebronsde gelaatstrekken der roovers, die over de verschansing klouterden, zich voor zijn oogen vertoonden, toen moord en vernieling om hem heen woelden, zijn vader in zijn nabyheid met gespleten schedel op het dek werd geworpen, en hy vergeefs den bangen kreet liet hooren: „zal niemand den dood mijns vaders wreken?”—Helaas! er was weldra niemand meer, om aan die roepstem gehoor te geven: en, alleen uit de algemeene slachting gespaard, had hy voortaan aan de bevelen van zijns vaders beulen moeten gehoorzamen. Kan men zich beklagenswaardiger, ellendiger toestand voorstellen dan die van den armen knaap? Kan er hopeloozer toekomst worden uitgedacht dan die hem scheen te verbeiden? En toch, diezelfde knaap, die van allen dus verlaten scheen, God had hem niet verlaten, God had hem bewaard, om, door tijden en beproevingen, eenmaal rijp te worden voor de roeping, tot welke hy bestemd [61]was, om, uit dien staat van diepe vernedering, zich een weg te banen tot de hoogste eerambten, om de hersteller te worden van ons zeewezen en de schepper onzer vloot, en zich een naam te verwerven, naast welken men er weinige, boven welken men er geenen stellen kan;—want die knaap was Marten Harpertszoon Tromp.

Marten Harpertszoon Tromp.
W. P. Hoevenaar, del  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Marten Harpertszoon Tromp.

Uit zijn drijvenden kerker ontkomen, was hy, verre van afgeschrikt te zijn door de uitgestane rampen, verre van in een stil en rustig leven in zijn vaderstad den Briel vergoeding daarvoor te zoeken, op nieuw die loopbaan ingetreden, welke hem als kind zijn vader gewezen had, en die hem alleen in staat kon stellen, zijns vaders dood te wreken. Een snelle bevordering was het loon zijner plichtsbetrachting. In 1622 Luitenant op een oorlogschip, kreeg hy twee jaren later reeds het bevel over een fregat. In 1629 op den tocht tegen de Duinkerkers, bevond zich Piet Hein op het schip van Tromp, en werd aan zijne zijde doodgeschoten. Maar reeds had de groote Amiraal aangaande hem herhaaldelijk de getuigenis afgelegd, dat hy vele wakkere kapiteins gekend, maar altoos ’t een of ’t ander gebrek by hen gevonden had; doch nooit in Tromp, die alle deugden bezat, in een scheepsvoogd gevorderd.

En toch scheen het een wijl, als of onze held in zijn loopbaan moest gestuit worden. Miskenning en teleurstelling vielen hem te beurt: zijn schip werd hem ontnomen, en, diep gegriefd, verliet hy voor een tijd den werkelijken dienst om een administratieve betrekking by de zeezaken te bekleeden.—Maar wat schijnbaar nadeelig was voor zijn bevordering tot hoogeren rang moest strekken om hem te meer daarvoor geschikt te maken. Door den aart zijner bediening leerde hy nu, aan praktische ervaring, theoretische kennis paren, de misbruiken, by ’t bestier van ’t zeewezen ingeslopen, nog meer van naby onderscheiden en op middelen peinzen tot hun herstel. Die misbruiken en het gebrek aan orde en vaste regelmaat, waarover luide geklaagd werd, gaven dan ook aanleiding, dat, in 1637, aan den Luitenant-Amiraal van Dorp zijn ontslag als zoodanig werd gegeven, en de Staten naar iemand omzagen, die van de noodige veerkracht en kennis was voorzien en geschikt om de zaken op een beteren voet te brengen. Men had het oog op Reael, die, zoo wel toen hy onder Willem van Nassau ’s Lands vloot had aangevoerd, als gedurende zijn bestuur in de Oost-Indiën, blijken zijner bekwaamheid had gegeven; doch het onverwacht overlijden van dezen verdienstelijken man was oorzaak, dat de keuze op Tromp viel en de [62]Staten hadden geen reden om zich over deze keus te beklagen. Niet alleen deed hy terstond zijn wakend oog over alles gaan wat herstel of verbetering noodig had; maar geen jaar verliep er na zijn aanstelling of hy gaf het schitterendste bewijs van zijn geschiktheid voor den hoogen rang, waartoe hy zich geroepen zag.

Reeds sedert lang was het hier te lande bekend, dat de Koning van Spanje uit de onderscheidene Staten, aan zijn heerschappy onderworpen, de kloekste en meest bekwame vaartuigen vereenigde, ten einde daarmede een vloot samen te stellen, die—zoo vleidde men zich in Spanje—aan de onze de zee zou doen ruimen. Men wist hier insgelijks, dat naar Duinkerken last gezonden was, de grootste schepen naar Spanje te zenden, om die vloot te versterken. In den aanvang van 1639 waren dan ook twintig vaartuigen uit die haven gezeild; doch niet te vergeefs kruiste Tromp op de Vlaamsche kusten. Ofschoon hy niet meer dan elf schepen by zich had schuwde hy den ongelijken strijd niet. Moedig tastte hy, op den 28sten February, de Duinkerkers aan, veroverde, na een hardnekkig gevecht van acht uren, twee van ’s vyands zwaarste schepen, joeg dat van hun Vice-amiraal op het strand, waar het verbrandde, en noodzaakte de overige hun behoud in de vlucht te zoeken en zich weder te bergen in de haven, die zy verlaten hadden. De Markies van Fuentes, de kommandant van Duinkerken, die met zijn koets naar ’t strand gereden was om getuige te zijn van de viktorie, door de zijnen behaald, was alleen getuige van hun nederlaag.

De haven kon echter niet voortdurend geblokkeerd blijven en zoo gelukte het later den Duinkerkers, aan het hun gegeven bevel te voldoen. De Spaansche vloot was hierdoor niet weinig versterkt; want de Duinkerker schepen waren niet alleen voortreffelijk gebouwd en bezeild, maar ook bemand met wakkere zeelieden, die met onze zeegaten en stroomen bekend waren.

In dezen stand van zaken en by de onzekerheid waarin men omtrent het doel der afgezonden vloot verkeerde, kreeg Tromp bevel, met een smaldeel in ’t kanaal te kruisen, terwijl Banckert de haven van Duinkerken bezette en de Witte zich met een klein getal schepen gereed moest houden om by te springen wie hulp behoefde. Dubbele waakzaamheid was er noodig; daar men niet alleen op de Spanjaarts te passen had, maar ook op onze Engelsche zoogenaamde bondgenooten, die, nayverig op het aanwassen onzer macht ter zee, volgaarne de middelen by de [63]hand namen die zich aanboden om ons afbreuk te doen, en, in ’t geheim onzen vyand begunstigden. Dit bleek onder anderen, toen men, by ’t onderzoek van drie Engelsche koopvaarders, daarin een duizendtal Spaansche soldaten vond en gevangen nam, die er mede waren overgevoerd.

Het was eerst op den 15den September, dat Tromp, op de hoogte van Bevezier, de Spaansche vloot ontdekte. Zy bestond uit niet minder dan zeven-en-zestig schepen, meest van de zwaarste soort. Het amiraalschip was van 800 last en voerde 66 stukken: die van de Amiraals van Kastiliën en van Napels van 600 last, voerden, het eene 54, het andere 60 stukken. Doch de mater Teresa, waarop de Amiraal van Portugal gebood, was van 1210 last, met 68 stukken en 1200 man gewapend. Het gezamentlijk getal stukken, die de vloot voerde, was 1700 en dat der manschappen 24,000, waarby zich de puik der Spaansche en Portugeesche legerbenden bevond en de bloem van den adel uit beide Rijken. Aan het hoofd der vloot stond Don Antonio d’Oquendo, een zeeman en bevelhebber van beproefde ervaring.

En wat kon Tromp overstellen tegen zulk een zeemacht?—Niet meer dan een smaldeel van dertien schepen: welk getal, ook al gelukte het hem, den bystand van de Witte en van Banckert te bekomen, slechts tot een dertigtal kon gebracht worden, dat ter naauwernood zoo vele stukken voerde als des vyands Amiraalschepen alleen. Maar op die schepen van Tromp waren zeelieden, in den krijg op de Vlaamsche kusten, in de Middellandsche en Indische zeeën en op den grooten Oceaan, geoefend en gehard, en Bevelhebbers, die nooit gewoon waren geweest, hun vyanden te tellen. Daar toch vond men den onverschrokken de Witte, wien de hem gegeven naam van „Vechtvraag” reeds genoeg afschildert: daar Joost Banckert, die de zilvervloot had helpen winnen en aan de Duinkerkers slag op slag had toegebracht; de man, die den dood zoo weinig schroomde, dat hy eens, door overmacht van vyanden benaauwd, zijn eigen zoon met een brandende lont in de kruitkamer geplaatst had, met last, die daarin te werpen, zoodra tegenweer noodeloos werd: daar zoo velen, waarvan elk in deze galery een plaats verdiend had, indien die aan anderen dan aan de meest uitschitterenden kon gegeven worden.

Was het wonder, dat, toen een krijgsraad, uit mannen als de hier genoemden samengesteld, door Tromp werd geraadpleegd, hoe onder de [64]bestaande omstandigheden te handelen, het besluit algemeen genomen werd, al het mogelijke te beproeven om den vyand afbreuk te doen. Een der kleinste schepen werd afgezonden aan de Witte, die in de Cingels kruiste, en aan Banckert, die voor Duinkerken lag, met last, zich onverwijld by hem te voegen. Reeds den volgenden dag was de Witte, met de vijf schepen die hy aanvoerde, by Tromp: en met dit kleine getal van zeventien schepen besloot men nu, de zeven-en-zestig des vyands aan te tasten.

De Spaansche vloot, die den wind in haar voordeel had, kwam nu tegen de onze opzetten, welke d’Oquendo zich voorstelde spoedig uit zee te zullen drijven. Maar jammerlijk vond hy zich in zijn verwachting bedrogen. In stede van te wijken, wenden de schepen van Tromp op eenmaal den boeg, storten zich midden tusschen hun vyanden, en brengen er schrik en verwoesting. De kracht van den metalen boog, gelijk Tromp de Spaansche vloot genoemd had, was gebroken en d’Oquendo, geen geneigdheid hebbende den strijd langer voort te zetten, naar de Cingels geweken. Maar het schip van de Witte was reddeloos geschoten en een ander onzer vaartuigen in de lucht gesprongen. De reeds zoo onbeduidende macht der Nederlanders was dus nog meer verzwakt: Des-niet-te-min bleef Tromp by het eens genomen besluit volharden, en, op den 17den door mist opgehouden, kwam hy op den 18den de Spaansche vloot weder op zijde en hernieuwde het gevecht, dat, terwijl de beide vlooten met schoon weer en zuidoosten wind naar de Hoofden dreven, de geheele nacht by maanlicht voortduurde. Niet weinig klom de moed der onzen, toen, met den dageraad, Banckert met twaalf schepen kwam opdagen. Die tijdige bystand besliste de overwinning. Twee Spaansche schepen vielen den onzen in handen: de rest week, tegen tien ure in den morgen, onder het geschut der Engelsche kasteelen van Duins. Terwijl hier eenige moeilijkheden tusschen de Britsche en Spaansche Bevelhebbers vereffend werden over het strijken der vlag, zeilde Tromp naar Calais, voorzag er zich van versche krijgsbehoeften, hem door den Franschen Bevelhebber goedgunstig afgestaan, en was reeds den volgenden dag in staat, ten zuiden van Duins het anker te laten vallen; terwijl Banckert aan de Spaansche vloot ten noorden den uittocht afsneed, die haar ten oosten door een zandbank werd belet.

Naauwlijks had de Witte, die met zijn beschadigd schip naar het Vaderland gezonden was om verslag van het gebeurde te geven, aan de [65]Staten-Generaal medegedeeld, hoe onze geringe scheepsmacht de Spaansche vloot niet alleen met goed gevolg had aangetast, maar zelfs voor Duins hield ingesloten, of alles werd in ’t werk gesteld om Tromp de middelen te verleenen, ten einde het begonnen werk te voltooien. Overheden en onderzaten, Holland en Zeeland, Amiraliteiten en Indische Maatschappyen, allen wedyverden, wie ’t spoedigst het noodige verschaffen zoû: alle kleine oneenigheden en jaloezyen schenen vergeten en by kollegies noch personen heerschte een andere gedachte meer, dan die, om het grootsche doel, dat men voor oogen had, te bereiken. Dagelijks verlieten behoorlijk uitgeruste schepen onze havens, en vervoegden zich, door een aanhoudenden oostewind begunstigd, by de vloot, die alzoo, tot verbazing van geheel Europa, binnen den tijd van vier weken, tot een aantal van 96 oorlogschepen en elf branders was aangegroeid.

Maar was Tromp nu in staat gesteld, met hoop op goeden uitslag den kamp voort te zetten, de Spanjaart was niet de eenige vyand, van wien hy tegenstand te wachten had. Karel I had reeds aan onzen Gezant doen weten, dat hy op zijn reede geen gevecht zoû dulden, maar hem, die het begon, als vyand zoû behandelen. Aan dertien Spaansche schepen liet hy gelegenheid verschaffen om onder geleide van Engelsche vaartuigen by nacht te ontsnappen, langs een weg, door de Engelschen zelve als onbevaarbaar opgegeven. Een Britsche zeemacht werd by Duins verzameld om tegen de schending der reede te waken, met andere woorden, om den Spanjaart tegen ons te beschermen: en de Engelsche vlootvoogd bleef dag aan dag by Tromp, nu eens op vleienden, dan op dreigenden toon, aandringen, dat hy zijn opzet zoû laten varen. Maar Tromp had nu eenmaal uitdrukkelijk bevel bekomen om de Spaansche vloot aan te tasten en, zoo mogelijk, te vernielen; en geen vleitaal of bedreiging was in staat hem te verhinderen in ’t volbrengen van dien last. Hy bleef voor Duins liggen, verdubbelde in waakzaamheid en sloot de vloot des vyands al naauwer en naauwer in. Intusschen beseffende, dat een aanval op deze, terwijl zy ter reede van Duins lag, onder bescherming der Britsche kasteelen en in de nabyheid eener Britsche vloot, op zich zelf een hachlijke zaak ware, wenschte hy haar de reede te doen verlaten en in de open zee te kunnen aantasten, waardoor aan de Engelschen alle voorwendsel om den strijd te verhinderen zoû worden ontnomen. En toen d’Oquendo, hiervan verwittigd, allerlei voorwendsels te baat nam, om op de reede te blijven, onder anderen, dat hy masten [66]en stengen noodig had, die te Dover lagen, liet Tromp die door een zijner schepen halen en by den Spaanschen Amiraal aan boord brengen. Nu kwam deze met een andere uitvlucht te baat: hy had gebrek aan kruit. En nu dorst de Engelsche opperbevelhebber aan Tromp, uit d’Oquendoos naam, het voorstel doen, dat hy dezen eenige duizenden ponden kruit zou verschaffen!—Zonderling moge dit voorstel schijnen, nog zonderlinger is het, dat Tromp het in den krijgsraad bracht: en het zonderlingst van allen is, dat de krijgsraad genoeg vertrouwen stelde op de Nederlandsche dapperheid, om te besluiten d’Oquendo het kruit te sturen dat hy behoefde. „Zy verstonden” zegt het dagboek van Tromp, „dat men dat kwaad zou willen doen.”

d’Oquendo behielp zich nu langer met geen uitvluchten, maar bleef in Duins. Het geduld van Tromp was ten einde en hy besloot, in spijt der Engelschen, den aanval te doen. Op den 21sten October begon de vloot den aanval. By die der Spanjaarts, door de engten der plaats in haar bewegingen belemmerd, ontstond aldra verwarring, en, naauwlijks had de strijd een aanvang genomen of de Amiraal van Kastiliën met twee-en-twintig andere schepen raakten aan wal. Zoo hevig werden deze beschoten dat zy weldra van hun volk verlaten werden, en zeventien daarvan door onze branders vernield. Intusschen hadden andere branders, door Kapitein Musch bestuurd, de Mater Teresa in vlammen doen opgaan, van wier manschap naauwlijks 200 behouden werden. d’Oquendo was er in geslaagd, met een gedeelte zijner macht uit Duins in zee te loopen. Snel als de honden, die het boschzwijn uit zijn schuilplaats hebben opgejaagd, vervolgden hem de schepen van Tromp. Dertien Spaansche oorlogsvaartuigen werden veroverd: andere verzeilden op de zandbanken: aan tien of twaalf mocht het gelukken, met d’Oquendo, de tijding der geleden nederlaag binnen Duinkerken te brengen.

Zoo noodlottig liep voor de Spanjaarts een onderneming af, die zulke onmetelijke schatten had gekost! Grooter zee-triomf dan die van Tromp was, by ongelijker kans, nimmer bevochten geweest. Was het wonder, dat, toen hy aan wal stapte, zijn reis naar den Haag een zegetocht geleek; en dat zoowel de machtigste Regenten als de nederigste burgers hem om strijd lof en eere toebrachten, als aan den grootsten zeeheld, dien Nederland ooit had bezeten?

Het is hier de plaats niet, Tromp te volgen in zijn luisterrijke loopbaan, noch omstandig de heldenfeiten te verhalen, later door hem verricht [67]in dien bloedigen kamp tegen Engeland, toen zijn gelukster en die van Blake beurtelings op- en onderdoken, en de roem, door den overwinnaar behaald, telkens alleen scheen te kunnen worden opgewogen door dien, welken zijn tegenstander zich had verworven. Die feiten behooren tot een tijdvak, afgescheiden van hetgeen dat wy behandelen: en toch mogen wy het niet verzwijgen, dat zoo, ten tijde dat Joan de Witt het opperbestuur voerde, onze vlooten zich by voortduring onderscheidden, zulks grootendeels te danken was aan hem, die orde in ’t zeewezen gebracht had, en in wiens school mannen, als de Witte, de Ruyter, van Galen, de Evertsens, Kornelis Tromp, Meppel en zoo vele anderen zich gevormd hadden. Mochten wy het ook maar kunnen verzwijgen, hoe, in 1652, nogmaals ondank en miskenning den held van Duins moesten treffen en hoe hem—was het dan ook maar voor een korten tijd—ontzegd werd zijn vaderland te dienen. Dat ongelijk—die misslag, zoo men liever wil,—werd hersteld; maar de miskenning bleef voortduren: en nog heden wordt Tromp niet geschat op die hoogte, waarop hy werkelijk behoort geplaatst te worden. Verre zij het van ons, de verdiensten van eenigen, na hem gekomen zeevoogd, te willen verkleinen; doch dit vergete men nimmer, dat, zoo Nederland, na dat de slag te Duins gestreden was, zijn rang als Zeemogendheid van toen af gevestigd zag, en het gewicht van onzen Staat onder de Mogendheden door niemand meer kon geloochend worden, zoo de Staten-Generaal, en te recht, oordeelden, voortaan den tijtel van Hoog-Mogenden te kunnen voeren en den pas voor de Keurvorsten vorderen, zy het in de eerste plaats aan Tromp verschuldigd waren, wiens glansrijk voorbeeld, als een elektrische vonk, geheel de Natie had aangevuurd tot de bevochten overwinning.

Tromp stierf den heldendood op den 10den Augustus 1653, en wy zeggen het Vondel na:

Hy ruste nimmer onbeweend,

Al heeft de Doot het lyf verslonden:

De Faem is aen geen graf gebonden,

De Deught verduurt het kout gebeent.

[68]

[Inhoud]

HUIG DE GROOT.

Hebben de overige groote mannen, wier namen in deze galery zijn opgenomen, hun roem verworven door hetgeen zy of binnen of ten behoeve van den Staat der Vereenigde Gewesten verrichteden, De Groot is in die ry de eenige, die geheel buiten beide kategoriën geplaatst is. Immers, hy moge zich al, gedurende het bewind van Frederik Hendrik, een paar reizen in Holland vertoond hebben, het is niet geweest dan zeer kort, en als in ’t voorbygaan; terwijl de werken, welke hy in dat tijdvak geschreven, of de bedieningen, welke hy vervuld heeft, tot bevordering gestrekt hebben, gene van de wetenschap in ’t algemeen, deze van andere dan Nederlandsche belangen. Maar dit belet niet, dat van den lichtkrans, die om zijn hoofd schittert, stralen afschitteren op zijn Vaderland, en dat zich dit ook thans nog verheffen mag, den uitgebannen zoon te hebben voortgebracht, dien het by zijn leven niet in genade had willen aannemen. Immers niet alleen door zijn geboorte, door opvoeding en opleiding, door de betrekking, welke hy als jongeling en man vervuld had, was De Groot een Hollander, ook in zijn ballingschap was hy Hollander in ’t hart gebleven, al bezigde hy in zijn geschriften by voorkeur de algemeene taal der geleerden, en al was hy ook, aan Frankrijks Hof, de Gezant eener vreemde Mogendheid: ja hy kon aangemerkt worden als de man, die by den buitenlander wel niet de byzondere politiek zijner Natie, maar haar wetenschaplijk leven, haar aanspraken op beschaving, op kennis, op verlichting, vertegenwoordigde. Wanneer men nagaat, in welke achting De Groot door geheel Europa gehouden werd, dan zoû men byna zich tot de gedachte laten geleiden, dat de Regenten van dien tijd daarom alleen zijn vestiging hier te lande bleven tegenhouden, op dat de vreemdeling, vernemende, hoe zoo voortreflijk [69]een man in zijn Vaderland gemist kon worden, nòg grooter gedachten mocht opvatten van hen, die er achter bleven.—’t Ware met dat al een gevaarlijk beginsel geweest, en, liever dan het na te volgen, zouden de Regeeringen, omgekeerd, wijs handelen, wanneer zy het overschrijden der grenzen verboden aan zoodanige landgenooten, als door hun gedragingen in den vreemde niet alleen zich zelve bespotlijk maken, maar ook, waar zy zich vertoonen, een slechten dunk doen opvatten van het land, dat zulke mislukte kinderen voortbrengt.

Huig de Groot.
W. P. Hoevenaar, del  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Huig de Groot.

Over de verdiensten te willen uitweiden van een man als De Groot, of daarvan slechts een klein denkbeeld te willen geven, ware even belachlijk als onnoodig: zijn werken zijn de waereld door bekend en gewaardeerd: en zijn naam alleen zegt reeds genoeg. Liever daarom hier een nederiger taak aanvaard dan het schrijven eener lofrede: liever dan hoogdravende woordenpraal, een vluchtige beschouwing van zijn leven en karakter gegeven. By het vele bekende zal dan wellicht het een en ander kunnen worden te pas gebracht, dat niet zoo algemeen geweten wordt, of wel, dat by hen, die ’t wisten, uit het geheugen is geraakt.

Op den 10den April, 1583, te Delft geboren, was de kleine Huig wat men gewoon is een wonderkind te noemen, en maakte hy zich reeds vroeg, uit verscheidene oorzaken, beroemd. Zoo b. v. vervaardigde hy, op zijn negende jaar reeds, vaerzen, die geprezen werden—iets, dat tegenwoordig met de meeste kinderen het geval is; doch toen nog ongemeen schijnt geweest te zijn. Wat als een vrij sterker bewijs zijner vroegtijdige ontwikkeling mag gelden, is, dat hy reeds vóór zijn twaalfde jaar de Hooge School te Leyden bezocht, waar hy zich zoo vlijtig oefende in theologie, filozofie en rechten, dat hy in staat was, op zijn vijftiende, in ’t openbaar eenige stellingen te verdedigen. Niet vreemd is ’t, dat Oldenbarneveldt, als Gezant naar Frankrijk zullende trekken, en aan de Franschen een gunstig denkbeeld willende geven, zoo van den toestand, waarin zich ’t hooger onderwijs in Holland bevond, als van de bekwaamheid der leerlingen, op de gedachten kwam, den vluggen knaap met zich te nemen en aan Hendrik IV. voor te stellen. De genomen proef voldeed uitnemend aan de verwachting: De Groot bracht het bedoelde effekt te weeg, bekwam een geschenk van den Koning en, van de Akademie, het diploma van Doctor in de Rechten. Van de alzoo verkregen bevoegdheid maakte hy by zijn terugkomst gebruik: en, wat nog nimmer gezien was, hy pleitte op zijn zeventiende jaar, terwijl hy [70]op denzelfden ouderdom zijn eerste werk in ’t licht deed verschijnen.—Maar niet alleen by ’s Lands Advokaat, ook by Prins Maurits stond de jongeling in gunst: hy was een der weinigen, die—altijd in datzelfde jaar 1600—de hooge eer genoten, den tocht over het zeestrand mede te maken met den zeilwagen van Stevijn, die in twee uren van Scheveningen naar Petten reed: hy, de eenige ambtelooze burger onder acht-en-twintig doorluchtige tochtgenooten: en nog bestaat het gedicht, waarin hy dien tocht beschreef.

Verwierf hy zich een naam aan de balie, niet minder deed hy zulks door zijn Historie der Nederlandsche Oorlogen en door zijn werk over de vrije zee, op hoog bevel in ’t licht gegeven. Op zijn vier-en-twintigste jaar alreeds tot Advokaat-Generaal benoemd, zag hy zich in 1613 aangezocht door de Regeering van Rotterdam, het ambt van Pensionaris dier stad te aanvaarden, ’t welk hy deed, onder voorwaarde, dat men hem nimmer zoû mogen afzetten.—Hy kon zich toen nog niet voorstellen, dat ooit een macht in den Staat zich krachtiger zoû kunnen doen gelden dan die van een Stadsregeering.—In ditzelfde jaar naar Engeland gezonden, om de geschillen wegens den handel op Indiën te helpen beslissen, zag hy zich aldaar een nieuwe gelegenheid verschaft, om zijn roem zoo wel als zijn kennis uit te breiden.—Tot nu toe had de fortuin zijn loopbaan bestraald, ja, hem ruimschoots met alles bedeeld, wat een mensch verlangen kan: geleerdheid, kunde, vermaardheid, eerambten, een vrij ruim vermogen, en, om dat alles te bekroonen, een door en door bekwame en wakkere vrouw. Geen vijf jaren echter waren verloopen, of de staat van zaken was op eenmaal veranderd. Het beding, dat De Groot—misschien wel op aandrang zijner echtgenoote—had aangegaan, kon hem wel waarborgen tegen elk opkomend geschil met de Rotterdamsche Vroedschap, maar niet tegen het ongenoegen van den Prins. Hoe hy in 1618, in den val van Oldenbarneveldt medegesleept, tot eeuwigdurende gevangenis veroordeeld, te Loevestein opgesloten en door de kloekheid van zijn vrouw verlost werd—is te overbekend, om hier zelfs eenige herinnering te behoeven. Naar Frankrijk geweken, werd hy met onderscheiding door Lodewijk XIII. ontfangen en met een jaargeld begiftigd. Had De Groot in zijn kerker tal van boeken geschreven, te Parijs had hy even zeer de volle gelegenheid en tijdruimte over, om zich aan letterarbeid te wijden: en zoo voltooide hy aldaar zijn verdediging van de waarheid van den Kristelijken Godsdienst, zijn waereldberoemd werk over het Recht van Vrede en Oorlog, zijn Jaarboeken en een tal van andere werken. [71]

Met dit al ware zijn leven in de plaats zijner ballingschap vrij treurig, ja, hem ondragelijk geweest, had hem de trouwe Maria van Reigersberg niet ter zijde gestaan, zy, hem niet enkel als gade, maar ook als huishoudster onontbeerlijk. Immers, het was met De Groot gesteld als met meer mannen van de wetenschap. Zijn geest, bestendig rondzwervende in een meer verheven luchtkring, kon niet afdalen tot het gewone en alledaagsche. De man, die voor de balie of in het studeervertrek elke geldquestie zoû ontward en helder uiteengezet hebben, kende de betreklijke waarde niet der geldstukken, welke hy in zijn buidel droeg,—wat byna tot zijn ontdekking geleid had, toen hy, na zijn ontkomen uit Loevestein, van Gorcum naar Antwerpen reizende, voor een pint bier, onder weg gebruikt, de tiendubbele waarde woû betalen. Gelukkig was Maria even praktisch en by de zaak als haar man het weinig was, zoo dat dan ook voortdurend het bestuur over de huishouding, ja, ook over de geldmiddelen en belangen van haar echtgenoot by haar berustte. Niet alleen had dit plaats zoo lang zy zich te Parijs bevond; maar daartoe was ook menige reis naar Holland noodig, waar De Groot geen veiliger noch waakzamer zaakwaarnemer dan haar had kunnen vinden. En al blijkt het nu uit de brieven, die zy aan De Groot schreef, hoe zy elk voorstel, dat zy deed, elke schikking, die zy trof, bescheidelijk aan zijn oordeel onderwierp, toch blijkt het tevens, hoe de wakkere huisvrouw wel by haar zelve de bewustheid koesterde, dat haar betuiging van onderwerping aan beter oordeel niet hooger kon worden opgenomen dan als een uitdrukking, door de betamelijkheid voorgeschreven en omtrent gelijk staande met die, waarby aan ’t slot van een brief iemand zich verklaart, eens anders gehoorzame dienaar te zijn;—hoezeer de schrijver ’t alles behalve heusch zoû opnemen, indien zijn woorden naar de letter werden opgevat.—Zelfs uit Holland bleef Maria al wat de huiselijke zaken te Parijs betrof, ja de opvoeding harer kinderen, met overleg en wijsheid gadeslaan. Niets ontgaat haar aandacht: noch het schoolgaan en de oefeningen harer kinderen, noch de nieuwe hoed, dien zy oordeelt, dat haar man noodig zal hebben, terwijl zy tevens meent, dat de oude wel voor haar zoon Cornelis kan pas gemaakt worden: noch het aan te koopen paard, ’t welk volgends haar bestel een colle en geen blesse op ’t voorhoofd hebben moet: over alles oppert zy bedenking en schaft zy raad, en echt karakteristiek is de wijze, waarop zy zich nu en dan beklaagt, dat [72]De Groot een zorg en een moeite op haar laat aankomen, waarvan zy gewis zeer ongaarne zoû zijn ontslagen geweest.

Reeds dadelijk na zijn komst aan ’t bestuur, had Frederik Hendrik aan De Groot zijn gunst aangeboden en daarby het uitzicht geöpend op terugkeer in zijn Vaderland. Waarschijnlijk wist de schrandere Vorst zeer wel, dat dit uitzicht niet zoo gemaklijk, zoo immer, zoû kunnen worden verwezenlijkt; maar in elk geval moest de gedane stap hem in de oogen der Staatsgezinden aangenaam maken, en miste dan ook te dien opzichte zijn uitwerking niet. Het duurde echter tot in October 1631, eer De Groot, wiens pensioen in Frankrijk Richelieu had doorgeschrapt, het wagen dorst, zich weêr in Holland te vertoonen. Men had hem gevleid, dat hy een aanstelling zoû bekomen by de Doorluchtige Schole, tot wier oprichting de Vroedschap van Amsterdam twee jaren vroeger besloten had: doch die stichting zelve, in groote mate strekkende, om de Remonstrants-gezinden te believen, had reeds opspraak en tegenstand genoeg verwekt, en, altijd behoedzaam, oordeelde de Amsterdamsche Regeering die niet te moeten vermeerderen door het beroepen van den man, die, hoezeer meer dan elk ander voor de taak berekend, als de leider der Remonstrantsche partij beschouwd kon worden, en boven wiens hoofd nog het vonnis zweefde eener eeuwigdurende gevangenschap. Dit belette echter niet, dat De Groot de plechtigheid van de inwijding der gezegde Schole kwam bywonen, en daartoe op den negenden December naar Amsterdam kwam, waar Vondel, die steeds briefwisling met hem gehouden had, hem, met dit lied verwelkomde:

Wat saelge wint is ’t, die van lelistrant,

Den stroom op, in ’t ondanckbre Vaderlant

Hervoert het Delftsche wet-orakel, dat

Gekoffert, als een kostelijcke schat,

Weleer de bange Maes afdrijven quam,

Tot dat de Sein het in haer armen nam,

En sette dat geberghde Godts-kleenoot

Met blijschap op den Koningklyken schoot

Des Aller-Christelijcksten Luydewijcx

Die ’t herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,

Op dat het, na ’t verstuyven van die wolck

Des drucx verscheen, tot heyl van ’t vrije volck,

En ’t misverstandt, aensiende ’s helts gedult,

Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.

De Vader der welsprekendheyt herblonck

Soo weer te Rome, als d’ ordenloosheid stonck

[73]Van Klodius, die schadelijcke pest,

Voor ’t lichaam van het algemeene best.

Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,

De swacke wetten voelen nieuwe kracht.

Self d’ ontucht werdt beschaamt van ’t eerlijck licht.

Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.

De Rede stemt niets troebel, maer gesont.

Soo vele ste’en besluyten uyt een mont.

Men tast niet meer in blinde duysternis.

Der burgren oirbaer ’t eenigh doelwit is;

En rept er ergens een van dwinglandy.

Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij’.

O groote siel, o son van myn gesangk,

Die weer verrijst, na uwen onderganck,

En ons verheught met desen gouden dagh,

Dien Hollant wel met eere vieren magh,

Wat woorden sal de dankbare gemeent

Best vlyen, als de goutsmit dier gesteent,

Om u t’ onthalen op den hooghsten trap,

Van ’s kerckers ramp na suure ballinghschap?

O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!

O Groothart, met wat hemelschen magneet

Bestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,

Dat het soo heet van liefde ’t onswaert woet,

En wraeckt de weelde van een aerts-palleys

En kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.

De Drossaart Hooft, niet minder dan Vondel de terugkomst des doorluchtigen ballings begeerende deed met het volgende gedicht nog eene poging, om Amsterdam te bewegen tot het beroepen van De Groot:

Sint uw geluk zijn opgang nam;

O hooghgereezen Amsterdam,

En trof uw eerzucht noit het wit,

Daar nu haar heerepyl in zit;

Naardien gy u gingt stellen ’t schrap,

Tot winst van waarde wetenschap,

En t’ uwer onderrechting riept

Twee helden1, die der dingen diept

En steilte afpeilen op een prik,

Van ’s hemels kruin in ’t hart van ’t slik.

Noch mangelde aan uw grootheidt wat,

Tot dat het Delphisch puik in stadt

Quam storten uit den boezem Goodts.

Hier mede zijt ghy buiten schoots

[74]Van ’t alverblindend onverstandt

En midden in de zon geplant

Der gloory en voorzienigheit.

Kent dan uw’ kans, eer dat ze dreidt

Een aardekloot verciert en drukt

Het spansel uwer kroone. Rukt

Die blaauwe parel van haar’ top,

En zet’ er ’t oogh der wijsheit op,

Den overgrooten Huigh de Groot,

Apollos dierbaarste kleinoodt,

’t Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,

Egyptenaar bekent moght zijn:

Gezuivert boven dien is meê

En afgespoeld, in all’ de zee

Van ’t hof der Frankisch’ heerschappy,

Daar eeuwigh gaat soo heet een ty

Van wereldwissels eb en vloedt,

Dat het een dwaas kan maecken vroedt,

En sneedigh slypen door ’t verzoek,

Veel beter dan ’t geleerdste boek.

O blaakende vernuft, soo puur

Als ’t rookelooze starrevuur,

Wanneer hem wolk noch schaduw let?

Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;

’t Wargaaren van ’t gerecht ghy schift;

Verlicht de duisternis der schrift;

De naamen die uw lof verbreidt

Vergoodt ghy met onsterflijkheidt,

Oft eeuwelijk onsaaligh maakt

De geene die uw oordeel wraakt;

Baardt wonderwerk by wonderdaadt;

En altijds even zwanger gaat,

Maar alle wondren streeft verby,

O Lief der deughde, dat, daar ghy

Die groote wonderen bedrijft,

Soo kleen noch by u zelven blijft.

Dan mits dat ghy u dus verneêrt,

Houdt zich der Eng’len schaar vereert,

Met zich te draagen onderdaan

Aan u, en staâghs ten dienst te staan.

Intusschen, geen voorspraak mocht baten. Haarlem, Leiden en andere steden hadden weten te bewerken, dat er een aanschrijving aan de Schouten en Baljuwen geschiedde, om De Groot in verzekerde bewaring te nemen, en, al wat de Regeering van Amsterdam kon doen, was, zijn verblijf aldaar oogluikend te gedoogen, of liever, te ignoreeren. De Groot hield zich dan ook stil te huis, waar hem zijn vrienden kwamen [75]bezoeken, en zelfs liep het tot in Maart 1632, eer hy zich op straat dorst vertoonen. Dan nu brachten het zijn vyanden zoo ver, dat door de Staten van Holland een premie op zijn lijf gezet en wie hem huisvestte met boete bedreigd werd. Zich nu langer, zelfs te Amsterdam, niet meer veilig achtende, vertrok De Groot den 17 April te scheep naar Hamburg, waar hy een geruimen tijd vertoefde. Hier werden hem aanbiedingen gedaan, om in dienst der kroon van Zweden te treden: hy nam die aan en ging in 1634 derwaarts, toen de Koningin Kristina hem tot haren Raad benoemde en, als afgezant, naar Frankrijk zond. Elf jaar bekleedde hy die betrekking, en keerde toen naar Zweden terug, om verslag van zijn verrichtingen te doen. Toch bekroop hem wederom de lust, zijn geboortegrond terug te zien, en hy nam zijn weg over Holland. Thands niet meer de uitgebannen zwerver, maar de onschendbare Gezant eener vreemde Mogendheid, kon hy zich te Amsterdam met een vrij en open gelaat vertoonen, en behoefde niemand langs omwegen en in ’t donker uit te gaan, om hem zijn hulde te brengen; gelijk hy deze keer dan ook ontfangen werd met de eerbewijzingen, welke men aan zijn rang, en met de achting, welke men aan zijn persoon verschuldigd was. Zijn verblijf kon echter uit den aard der zake niet dan kort zijn: gelukkig voor zijn vrienden, werd het verlengd door een aanhoudenden noordewind: die het schip, waarmede hy vertrekken zoude, een geruimen tijd tegenhield: wat aan Vondel aanleiding verschafte, een zijner liefste vaersjens, een dankdicht aan dien Wind, te schrijven.

Noorden wint, die langs ons stroomen

Knaeght den bloesem op de boomen,

D’opgeloke bloemen schent;

Wiltzangh steurt, en lieve Lent,

En den May, die met zijn zonnen

Quam aenminnigh aengeronnen:

Wintervogel guur en schrael,

Steur den zoeten nachtegael;

Schen de bloemen in de hoven,

Met een lucht van geur bestoven;

Knaegh en eet vry ongetoomt

Zoo veel bloesems op ’t geboomt,

Dat vast jammert om genade:

’t Is geen noot; want al die schade

Moet nu uit voor d’ overbaet,

Die de wijze Magistraet

Rekent by uw schorre buïen,

Die den adem van het zuien [76]

En den blaesbalgh van het west

Sluiten, keeren al hun best.

Zonder dat, gewis wy zouden

Grooten Huigen hier niet houden,

Noch feesteeren in ons stadt,

Nu verrijckt door zulck een schat,

Dien de verresienste Heeren

En gekroonden recht waardeeren.

Och! hy had zijn reis gereckt

Derwaert hem zijn Noortstar treckt,

Vrou Kristine, wiens betrouwen

Uitziet, om dit licht t’ aanschouwen,

Dat, al zestigh jaer geleên,

’t Hart van Hollant recht bescheen,

En nu hijght om winter klippen

Te bestralen met zijn lippen,

Met zijn oogen, met zijn’ mont,

Die de ruwe tygers wont,

Woeste bosschen leert bedaren

En betoomt de blinde baren,

Dat de zee heur aert vergeet.

Zweden, ooreloghs-magneet,

Die, te bloedigh in het wrocken,

Zoo veel yzers hebt getrocken

In uw boezem, gunt dat wy

Zommige uren aen het Y

Ons verquicken met de gaven

Van den Helt, die aan uw staven

Hangt verbonden, hoogh en dier:

Laet dien trousten Batavier

Hier zijn ongemack verzoeten,

Eer hy neêrvall’ voor de voeten

Van de trots gekroonde Min,

Uw gehelmde Koningin,

Die, geluckt mijn wensch en bede,

Ons den lang gewenschten Vrede

Voort zal brengen uit haer schoot.

Op dien zegen mach de Groot

Haer bejegenen, en vinden.

Hemel, span gewenschte winden

Voor zijn jaght, en vlugge kiel,

Als de stadt die groote ziel,

Met Gustavus lievereien

Ziet van Aemstels oever scheien,

En te water ondergaen

Om in ’t Noorden op te staen.

Vondel deed zijn vriend nog uitgeleide by zijn vertrek naar boord. Hun afscheid was het laatste, dat zy van elkander namen, en nimmer [77]zoû De Groot zijn vaderland terug zien. Te Stokholm zijn taak volbracht hebbende, verzocht en bekwam hy van Kristina ontslag uit haar dienst: waarna hy weder scheep ging, met het oogmerk, om zich naar Munster te begeven. Men weet, dat aldaar reeds in ’t begin van 1646 de Gevolmachtigden ter vredehandeling verschenen, en ’t is niet onwaarschijnlijk, dat het voornemen van De Groot in verband stond met die gewichtige samenkomst: wat daarvan echter zy, de uitkomst beäntwoordde niet aan zijn verwachtingen. Door storm beloopen, moest hy op de Pommersche kust aan wal gaan en zijn reis te land, in ziekte en ongemak, vervolgen. Zijn ongesteldheid verergerde, en hy zag zich gedwongen, te Rostok stil te blijven, alwaar hy, na eenige dagen bedlegerig te zijn geweest, op den 28sten Augustus overleed. Vandaar werd zijn lijk naar Delft gevoerd en in zijn familiegraf bygezet. Zoo mocht De Groot, na zijn sterven, toch in zijn vaderland die rust vinden, welke men er hem by zijn leven geweigerd had.

Maar zoo hy de grootste helft van het tijdvak, dat er verliep sedert zijn vroegste jongelingschap tot aan zijn dood, buiten Nederland had doorgebracht, toch was zijn invloed op de vorming zijner landgenooten, op de ontwikkeling der wetenschap aldaar, duurzaam en van kracht geweest. Hy was en bleef de vraagbaak, tot wien Hooft zich wendde, waar ’t de geschiedenis of de regelen der taal, Vondel, waar ’t poëzy, Vossius of Barleus waar ’t de klassieke letterkunde, zoo vele anderen, waar ’t de rechts- of godgeleerdheid of eenige andere wetenschap gold: ja men zoû gerustelijk durven beweeren, dat, gedurende het geheele tijdvak van Frederik Hendriks bestuur, geen werk van eenig belang, in welk vak ook, is uitgekomen, waarover men De Groot niet geraadpleegd heeft. Ook daarom, behalve om de straks genoemde reden, is zijn naam van dat tijdvak onafscheidelijk, en wijzen wy hem hier, naast zoovelen zijner vrienden, de plaats aan, die hem by zijn leven zoo onbarmhartig is ontzegd. [78]


1 Vossius en Van Baerle.

[Inhoud]

JOOST VAN DEN VONDEL.

Het is onder alle omstandigheden een moeilijke taak, de aanspraken, welke zich groote mannen op de dankbaarheid of den lof der nakomelingschap hebben verworven, op zoodanige wijze te schetsen, dat zich in onze schets beknoptheid aan volledigheid pare, en tevens een afschrikwekkende dorheid worde vermeden. Maar byna onmogelijk wordt de vervulling van die taak, waar het een man geldt, die, en door de verhevenheid van zijn genie, en door het belangwekkende zijner persoonlijkheid, en door het talrijke zijner voortbrengselen, en door den invloed, welken hy uitoefende, een geheel afzonderlijk, een buiten en boven zijn tijdgenooten uitschitterend standpunt innam, waar het een man geldt als Vondel. Hier wordt zoo wel beknoptheid aan de eene als volledigheid aan de andere zijde onbereikbaar. Zoo min als men in weinige woorden een behoorlijk begrip kan geven van de rol, door een Plato, een Cezar, een Luther, een Napoleon, vervuld, zoo min kan men in enkele regels den dichter schilderen, die, op eenmaal en op ’t onverwachtst als met adelaarswieken zich boven den dampkring verheffende, waarin zich zijn tijdgenooten bewogen, zich gedurende meer dan zeventig achtereenvolgende jaren bleef handhaven in de hooge sfeer, welke hy had ingenomen, den man, aan wiens geest elk bykomend jaar, in stede van verzwakking of verflaauwing, nieuwe veerkracht, kostbaarder rijkdom, hooger veredeling scheen toe te brengen: die, geen stof onverhandeld, geen maat ongebruikt latende, zich ten allen tijde beheerscher toonde van stof en maat, zich beurtlings kenmerkte als stout en verheven lof- en lier- en treurspeldichter, als [79]zwierig en bevallig feest- en bruiloftzanger, als gemoedelijk, belezen en innemend leer- en zededichter, als scherp en puntig hekeldichter, als kernachtig en naauwkeurig byschriftschrijver, als liefelijk en geestig minnezanger: die zich op ieder veld even vrij, even gemakkelijk, met even veel bevalligheid en geluk, wist te bewegen, en die, zelfs al waren zijn tallooze dichtvruchten door een balsturig noodlot ons onthouden geworden, nog om zijn prozastijl als de schepper van een rein, helder, verstaanbaar en welklinkend Nederduitsch, als het voorwerp van aller bewondering, als de gids en vraagbaak aller schrijvers, in onze taal zoû geroemd mogen worden: hem eindelijk, die ook als mensch achting verdient niet alleen, maar zelfs onze beschouwing overwaardig is.

Joost van den Vondel.
W. P. Hoevenaar, del  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Joost van den Vondel.

Doch zoo aan den eenen kant een vluchtig vermelden van al de tytels, krachtens welke zich Vondel een onsterfelijken naam verwierf, alleen zoû neêrkomen op een onnoodig herhalen van wat honderd malen gezegd is, een herhalen, dat niemand zoû kunnen bevredigen, even min zoû, aan den anderen kant, de steller dezer regelen kans zien, te dezer gelegenheid en plaatse in zijn voorstelling een volledigheid te brengen, welke hy zelfs wanhoopt, elders, in een duizendmaal uitvoeriger werk, te bereiken.

Liever alzoo dan hier roekeloos een poging te wagen tot het geven van een overzicht, ’t zij van Vondels leven, ’t zij van ’s mans werken—een poging, die uit den aart der zake falen moet—ons vergenoegd met die beschouwingswijze, welke ons van zelve binnen den kring bepaalt, dien wy om onze tafereelen hebben heengetrokken, en in breede trekken aangewezen, welken invloed het tijdperk van Frederik Hendriks bestuur op Vondels aanleg en loopbaan als dichter uitoefende:—om daarna, met even vluchtigen blik, den invloed te beschouwen, welken hy zelf als schrijver wederkeerig uitoefende op zijn landgenooten.

Een der meest sprekende, zich gedurende geheel zijn levensloop bestendig openbarende karaktertrekken van Vondel was een ingeschapen afkeerigheid van alle vervolging, zoo wegens politieke als wegens godsdienstige begrippen en gevoelens. Die haat tegen geloofsdwang, licht te verklaren by den zoon van ouderen die, om ’t geloof vervolgd, als bannelingen hadden rondgezworven, was niet weinig versterkt geworden door de gestrenge handelwijze, welke de heerschende party in 1619 zich—zoo op ’t gebied van den Staat als op dat der Kerk—veroorloofd had jegens mannen, voor wie hy met achting en eerbied vervuld was niet alleen, maar wier gevoelens voor een groot deel met de zijne zoo geheel [80]schenen overeen te stemmen. Immers als voorstander van den vrede, wat Vondel reeds als jongeling was, toen hy nog de gevoelens der uit hun aart vredelievende Doopsgezinden aankleefde, en tot aan zijn laatste levensdagen bleef, moest hy zich wel ingenomen toonen met de party, die ’t sluiten van het Twaalfjarig Bestand had doorgedreven: en evenmin kon hy, als Lidmaat eener afgezonderde Gemeente, anders dan met afkeuring getuige zijn van de aanmatigingen der heerschende Kerk.—En, mochten al zijn toenmalige geloofsgenooten, als ware „Stillen in den Lande”, zich er by bepalen met over hetgeen gebeurde te treuren in de eenzame afzondering hunner binnenkamers, voor den levendigen, ja licht opbruischenden geest van den nu even dertigjarigen dichter moest het een behoefte zijn, zich, óf in roerende klachten over het ongelijk, zijnen vrienden aangedaan, en over het lijden, dat zy ondergaan moesten, óf in heftige uitvallen tegen hun vervolgers en onderdrukkers, lucht te geven.—Doch, het was niet zoo lang „Gommers recht” door de „stalen kling” van „mijn Heer den Prins getroost” werd, dat dergelijke uitingen van smart of van verontwaardiging zich in ’t openbaar zouden hebben kunnen wagen: ja reeds stak er gevaar in, ze binnen vertrouwelijke kringen aan beproefde vrienden te doen hooren.—Maar Maurits trad van het tooneel der waereld af: een milder staatkunde scheen het nieuwe Bestuur te zullen kenschetsen, en nu van allen schroom verlost, of liever, alle gevolgen tartende, trad Vondel met zijn klaag- en straf- en hekeldichten manmoedig te voorschijn. De lang onderdrukte gemoedsopwellingen hadden zich lucht gegeven, en, was het in ’t openbaar verschijnen van werken als „het Stockske van Oldenbarnevelt”, de „Geusen Vesper”, de Weeghschael van Hollant”, en de „Palamedes” aan te merken als een gebeurtenis van hooge politieke beteekenis, het bracht te gelijker tijd het verbaasde Nederland tot de ontdekking, dat het in Vondel een dichter te begroeten had, even groot in elk der zoo uiteenloopende vakken, welke hy had aangegrepen, en wiens gelijke het tot dien tijd niet had bezeten.

En niet enkel zy, die met ’s mans begrippen instemden, moesten tot die overtuiging geraken: ook de tegenparty besefte het: zy voelde zich tot in haar binnenste gekwetst, en, ziedende van wraak, nam zy dat middel te baat, ’t welk immer een tegenovergestelde werking heeft dan er mede beoogd wordt: zy deed den schrijver de eer aan, hem te vervolgen. Een korte wijl hing onzen dichter het gevaar boven ’t hoofd, [81]dat zijn vrijmoedig geschrijf hem den hals zoû kosten;—maar toen de geheele zaak op een onbeduidende boete uitliep, toen gevoelde hy, de kousewinkelier uit de Warmoesstraat, dat hy voortaan een macht was tegen over de Synodale party, en, fierder en krachtiger en bijtender dan ooit ging hy voort, haar met het zwaar geschut van zijn dichtelijken geest en met de puntige pylen van zijn satyriek en schalksch vernuft te bestooken.

Vondel had in het optreden van Frederik Hendrik den dageraad van een nieuw en gezegend tijdperk begroet. Hy zag in hem den man, die binnen ’t Land verdraagzaamheid zoû doen heerschen, en, door zijn krijgsbeleid, aan den vyand daar buiten den zoo gewenschten vrede af zoû dwingen. Het was dan ook geen vleiery, toen hy, in zijn „Princeliet”, in zijn „Oranje Mayliet”, hem met zijn hooge eerambten geluk wenschte en begroette, toen hy, kort daarna, by gelegenheid dat ’s Prinsen huwlijkskoets met een zoon gezegend werd, aan het vorstlijk echtpaar zijn heerlijken Geboortezang toezong: het was even min vleizucht, die hem achtereenvolgends zijn schoone, in toon en maat zoo geheel verscheiden Zegezangen ingaf op de verovering van Grol, van ’s Hertogenbosch en van Maastricht:—immers nooit was van den Prins een enkel gunstbewijs, een enkele gift, een enkel woord van dank of goedkeuring tot hem gekomen:—en, wat meer zegt en het sprekendst bewijs levert, hoezeer Vondels poëzy de uitstorting was van innig gevoel en oprechte overtuiging, zoodra hy begon te bespeuren, dat die vrede, naar welke hy zoo verlangd uitzag, voortaan meer door Spanje dan door den Stadhouder gewenscht werd, klonk de loftrompet voor dezen laatste niet langer, en strekte die uitsluitend tot viering en verheffing dier Amsterdamsche Regenten, wier wenschen en richting met de zijne overeenstemden. In 1837, gelijk later in 1831, was de juichtoon over behaalde lauweren algemeen door alle Vaderlanders aangeheven; doch zoo wel toen als later, waren eindelijk ook degene, die ’t zij Frederik Hendrik, ’t zij Koning Willem den Eerste ’t luidst geprezen en aangemoedigd hadden, het stelsel van volharding moede geworden, ja begonnen het aan te merken als doodelijk voor ’s Lands belangen. Van daar dan ook, dat, noch in den „Getemden Mars”, noch in de „Leeuwendalers”, noch in eenig ander dichtstuk, door Vondel ter viering van den vrede van 1648 vervaardigd, een enkele toon meer voorkomt ter eere van onze helden, of ter waardeering van den roem, in tachtig jaren strijds door hen verworven:—neen, enkel dank- en jubeltoonen over het ophouden [82]van den krijg, over de zegeningen, van den vrede te verwachten.

Het is die grondtoon „Vrede! Vrede!” in al de gedichten van Vondel herklinkende, waaruit zich alleen het feit verklaren laat, dat hy, en toen en tot aan zijn einde toe, by voortduring de dichterlijke tolk bleef der gevoelens van de Amsterdamsche Regering:—en zulks in weêrwil van de menigvuldige oorzaken, die schijnbaar tot geheel andere gevolgen hadden moeten leiden. Immers sedert 1640 had Vondel uit overtuiging de leer der Roomsgezinden omhelsd, en met den yver eens jeugdigen bekeerlings, maar tevens met de geleerdheid van een belezen theoloog, de beginselen dier leer verdedigd in uitgebreide dichtwerken, even zeer uitmuntende door poëetischen gloed en schildering, als door scherpzinnige dialektiek:—immers was, van dat tijdstip af, in Vondel de Zuidnederlander meer dan vroeger ontwaakt, de Zuidnederlander, met zijn Katholyke strekkingen en verzuchtingen, met zijn artistiek gevoel, zijn gehechtheid aan legenden, aan overleveringen, aan kerkplechtigheden en ceremoniën:—immers was hy met hart en ziel een voorstander en verdediger geworden van het Goddelijk recht der vorsten en had hy de afzwering van Filips als een misdaad leeren veroordeelen en als een misslag betreuren:—immers was er tusschen hem, den nu verarmden en nederigen burgerman, die noch tot de heerschende Kerk behoorde, noch zelfs het poortrecht in de stad zijner inwoning bezat, en het nakroost zijner voormalige medebroeders in de Rederijkkamers—dat nakroost, ’t welk thands, oppermachtig

Gezeten op het schild met kruyssen overladen,

aan Koningen de wet voorschreef—een maatschappelijke verwijdering, een kloof ontstaan, van hoedanig eene latere eeuwen geen voorbeeld kunnen aanwijzen.—En toch in weêrwil van dat alles bleef de Paus- en Konings- en Spaansgezinde artistieke burgerman tot aan zijn dood de getrouwe bondgenoot en medestrijder van de gereformeerde, aristokratische, materiëele Amsterdamsche Regering, met wier staatkunde, met wier belangen, met wier denkwijze, met wier lief en leed hy zich als vereenzelvigde, ja zoo zelfs, dat hy er op ’t laatst zijn zoo innige, door zoo veel gloeiende gedichten bewezen liefde voor ’t Huis der Stuarden aan ten offer bracht:—Maar die Regenten waren tegen de vermeerdering van ’t krijgsvolk, als hy: tegen de aanwassende macht des Stadhouders, als hy: tegen al wat het oorlogvoeren bevorderen kon, als hy: [83]en van den anderen kant stonden zy die verdraagzaamheid voor, welke hy steeds gepredikt had voor anderen, en nu ook voor zich en zijn geloofsgenooten behoefde:—en hierin zoeke men de oplossing van een raadsel, dat anders onverklaarbaar schijnen zoû.

Misschien was er nog een andere reden, die Vondel aan de Amsterdamsche Regenten deed hechten, namelijk zijn gehechtheid aan Amsterdam. Vondel was, wy herhalen het, meer Zuidnederlander dan Hollander: hy gevoelde zich t’huis te Antwerpen, te Brugge, te Brussel, plaatsen, meer dan eens door hem bezocht, beter dan te Rotterdam, te Delft of te ’s Gravenhage, in welke steden het nog de vraag is of hy wel ooit een voet gezet heeft. Maar Vondel was en bleef Amsterdammer. In Amsterdam had hy van jongs af gewoond: hy had er geld verdiend en verloren: hy had er lief en leed gekend, er dierbare panden in de wieg gezien en ten grave gebracht: hy had er glorie en miskenning ondervonden: en by dat alles hy had de stad zien worden wat zy was, de groote en machtige, die, gelijk hy ’t uitdrukte,

Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.

Al die wonderen, die met en uit het tijdvak dat wy beschrijven binnen haar muren waren gerezen, die heerlijke driedubbele gordel van prachtige kaaien, dat Stadhuis, als een achtste waereldwonder gevierd, dat Zeemagazijn met zijn trotsche werven, die ter weêrszijde uitgestrekte armen, door de Bikkers en Reaelen-eilanden aan de eene en Katten- met Wittenburg aan de andere zijde gevormd, die het Y omhelsden, die talrijke godshuizen, die Beurzen en marktplaatsen, dat alles had Vondel zien ontstaan en in schitterende vaerzen bezongen: het had stof aan zijn lier en zijn lier had er wederkeerig vermaardheid aan geschonken: kon het anders, of hy moest liefde gevoelen voor die waereldstad, zoo rijk, zoo welvarend, zoo prachtig, zoo schoon als er toen geene bestond, en zoo als wy haar thands ons, zonder zijn beschrijvingen, naauwlijks meer zouden kunnen voorstellen?

Intusschen, juist aan dat eigenaardig karakter van Katholyk, Zuid-Nederlander en Amsterdammer tevens, waardoor Vondel zich onderscheidde, is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat zijn invloed op onze taal en letterkunde niet zoo algemeen en bestendig was als men dien zoû hebben moeten verwachten. Wel moest die zuivere frischheid van taal, die ronding en losheid van altijd goed samengeschakelde, altijd geleidelijk afloopende perioden, die gelukkige keus van beelden en [84]uitdrukkingen, die naauwkeurigheid in ’t vermijden van bastertwoorden, welke wy by hem, niet als by Hooft of de Groot door een vernuftige, doch vaak gezochte en gekunstelde overzetting, maar door een inheemsch woord van gelijke gehalte, vervangen zien, die Nederduitsche stijl in een woord, waardoor hy niet enkel zijn voorgangers en tijdgenooten, maar al wie na hem gekomen is, te boven streeft—wel moest, zeggen wy, dat alles in wie met fijn gevoel en kieschen smaak bedeeld was en er zijn werk van maakte ze te bestudeeren, hooge bewondering opwekken, en daarby ook zucht om zoo schitterend een voorbeeld na te volgen—en dit was dan ook met mannen als de Huydecopers en Bilderdijken het geval;—maar de groote hoop bleef met de schatten, in Vondels gedichten verzameld, onbekend. De meerderheid onder hen, die in de voormalige Republiek de letterkunde beoefenden of werken van smaak lazen, behoorde tot de Onroomschen: zy gevoelde zich afgeschrikt door de tytels zelve van sommige van Vondels werken en door de Katholyke kleur der meesten, en nam ze daarom zelden ter hand:—en, wat erger was, reeds in de laatste jaren van Vondels leven was de Fransche letterkunde, zoo als die door Rotrou en Corneille, en nu ook eerlang door Racine en Boileau was hervormd, in Holland bekend geraakt: de gegeven voorbeelden en voorschriften hadden vertalers, bewonderaars, navolgers, gevonden: al spoedig hadden alle oogen zich van hier by voorkeur naar Frankrijk leeren wenden, om aldaar uitsluitend lessen van smaak en beschaving te zoeken. En zoo gebeurde het, dat Vondel, door velen alleen op goed geloof nog geprezen, door anderen uit onkunde of vooroordeel miskend, door maar zeer enkelen naar waarde geschat, in geen opzicht waarlijk populair werd en naauwlijks anders meer dan als de auteur van „Gysbreght van Aemstel” bekend bleef.

Die dagen van blinde vooringenomenheid met een enkele Letterkunde zijn gelukkig voorby. Hoe oprecht wy ook nu nog de verdiensten huldigen van de groote geniën uit de eeuw van Lodewijk XIV, wy sluiten niet langer de oogen voor den glans, die ons ook van elders tegenstroomt. Wy beschouwen niet langer, gelijk men hier ten lande in ’t begin dezer eeuw nog deed, Shakspere en Schiller als barbaren, wier onklassische kunstgewrochten, even als die van den ouden Ennius, niet dan enkele paljetten vertoonen, die ons uit een vuilen mesthoop tegenflikkeren. Maar wanneer wy, en te recht, de zoo lang miskende Barden van [85]Groot Brittanje en Duitschland in den rang en de eer, die hun toekomt, herstellen, dan voegt het ons Nederlanders, ook de schatten niet ongeächt en ongebruikt te laten liggen, die wy op eigen bodem bezitten. Daarom ook te dezen opzichte elk nog bestaand vooroordeel afgeschud, en—het kan niet genoeg worden toegeroepen aan al wie zijn taal en stijl verlangt te vormen of te beschaven—Vondel gelezen en herlezen. Ik roep het u toe, jongeling! die u tot dichten voelt opgewekt, doch de geheimenissen van maat en rijm nog niet genoeg hebt leeren doorgronden: laat Vondel daarin uw onderwijzer zijn: geen beter gids en leidsman kunt gy vinden.—Niet, dat ik de verdiensten van Bilderdijk verkleinen of dezen beneden Vondel stellen zoû; maar hoe verbasend groot als dichter en taalbeheerscher Bilderdijk ook zijn moge, juist zijn onnavolgbaarheid maakt het gevaarlijk, met hem aan te vangen. Wie onbedacht en nog niet genoeg met den aart en de eigenschappen onzer taal bekend, zich, als hy, durft wagen aan dat samenkoppelen en smeden van woorden, ’t welk hy zoo meesterlijk verstond, loopt al ras gevaar, onverstaanbaar, zoo niet belachlijk, te worden, en het zoû ons, ter staving van dit beweeren, geenszins aan voorbeelden ontbreken. Neen, tot de studie, ja (voegen wy er met warmte by) tot de aanhoudende studie van Bilderdijk begeve zich de toekomstige dichter niet vroeger, dan wanneer hy door de studie van Vondel gevormd is. Niet anders zal hy, die de Latijnsche muze wil leeren beoefenen of slechts waardeeren, met Nazo en Tibullus beginnen, eer hy zich tot het lezen van Maro of Flakkus begeeft.

Maar ook gy, die zonder u in de hooge sfeeren der poëzy te willen wagen, er prijs op stelt, een zuiver, klaar, gekuischt en logisch Nêerduitsch te schrijven, bevrijd van die spraakwendingen, welke ook de beste hedendaagsche schrijvers, ten gevolge hunner gewoonte om Engelsch, Fransch of Hoogduitsch te lezen, maar al te dikwerf en doorgaands onwillekeurig van elders overnemen, leert van Vondel uw moedertaal gebruiken: van hem den rijkdom kennen, dien zy aanbiedt, van hem, nooit verlegen te zijn met de keus der uitdrukkingen die gy behoeft, met de schikking van woorden en volzinnen, met de vormen van betoog en perioden. Of gy dan immer cierlijk zult leeren schrijven, dat zal alleen afhangen van de meerdere of mindere mate van vernuft, waarmede gy bedeeld zijt; maar gy zult althands de hoofdeigenschap machtig worden, die een schrijver behoort te kenmerken: die namelijk, van u, in uw moedertaal, verstaanbaar uit te drukken. [86]

[Inhoud]

NICOLAAS PIETERSZ. TULP.

Vrij verward en onzeker was, in den aanvang der zeventiende eeuw, niet slechts hier te lande, maar door Europa in ’t algemeen, de toestand der Geneeskunde. Een aanzienlijk deel der artsen, afgeschrikt door de dwaasheden welke Paracelsus had verkondigd, sloot de oogen ook voor het goede, in zijn leer vervat, en voor het gewicht der ontdekkingen, door hem gedaan. De zoodanigen, van alle nieuwigheden afkeerig, weken geen hair breed af van de voorschriften van Galenus. Anderen, met de orde der Rozekruisers verbonden, overdreven nog, onder geleide van Thurneysen, de buitensporigheden der Paracelsische sekte: de verstandigsten, of althands de voorzichtigsten, kozen de party der oude eclectici, namen het goede uit beide leerwijzen, pasten dit op hun tijdperk toe, en poogden de scheikunde, gelijk zy door Erastus en Liravius gezuiverd was, het gebied der geneeskunde binnen te leiden. Van Helmont, hoezeer meer beschaafd dan Paracelsus, volgde hem na in zijn pogingen om de geneeskunde aan de scheikunde ondergeschikt te maken, en in het aanprijzen van sterke en samengestelde panaceën, welke laatste eerlang door zijn talrijke aanhangers en navolgers werden in gebruik gesteld. De man nu, die, toegerust met kennis, volharding en moed, in de dagen van Frederik Hendrik als geneesheer optrad, en zich krachtdadig en met goeden uitslag tegen dat gebruik of liever tegen dat misbruik van wondermiddelen verzette, en aan zijn leerlingen een redelijker, wetenschappelijker weg aanwees om tot de kennis der geneeskunst te geraken, en zich daardoor een eereplaats onder de groote vernuften van zijn tijdvak verwierf, was Nicolaas Tulp.

Nicolaas Pietersz. Tulp.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Nicolaas Pietersz. Tulp.

Op den 11 October 1593 te Amsterdam geboren, uit Pieter Dirkszoon, een vermogend koopman, en Geertruida Dirksdochter, had de jeugdige [87]Nicolaas, die reeds vroeg een grootere neiging voor de beoefening der wetenschap dan voor het bedrijf zijns vaders aan den dag legde, te Leyden onder Vorstius en Heurnius de gronden der geneeskunde geleerd en zich eerlang te Amsterdam als arts gevestigd. Hoe zijn bekwaamheid in meer dan een opzicht door zijn medeburgers op prijs gesteld werd bleek onder anderen daaruit, dat hy, reeds in 1622, tot Schepen en Raad werd benoemd. Weldra maakte hy den naam van Tulp, dien hy, ter onderscheiding van zoo vele andere Claes Pieterszoons als toen bestonden, had aangenomen, beroemd door de nieuwe leerwijze, welke hy in zijn praktijk zoowel als in zijn geschriften toonde voor te staan. Hoezeer niet in allen deele de Paracelsische leer verwerpende, streefde hy vooral naar het opsporen der waarheid langs den weg van een yverig en gewetensvol onderzoek der natuur. Dat onderzoek stelde hem in staat, talrijke dwaalbegrippen, hoe ook ingeworteld, te keer te gaan. Zoo b. v. toonde hy aan, hoe de zoogenoemde ivoren horens, die in de kabinetten der vorsten en natuurvorschers bewaard werden, en aan welke een geheime geneeskracht werd toegeschreven, niet van den eenhoorn, dat wonderdier der oude waereld, herkomstig waren, maar eenvoudig slagtanden waren des Narvals: zoo, hoe de Satyrs der fabelkunde zich oplosten in boschmenschen of orang-outangs. Vooral was het de ontleedkunde, welke hy dienstbaar maakte aan de geneeskunde, en aan geen onzer lezers zal het vermoedelijk onbekend zijn, hoe hy, als leeraar in die wetenschap wordt voorgesteld op de beroemde schildery, door Rembrandt in 1632 vervaardigd.

Groot was het nut, hetwelk Tulp zijnen medeburgers bewees door die anatomische lessen, welke hy bleef geven tot in 1654: in welk jaar hy geroepen werd om, als Burgemeester, andere en wederom hoogst gewichtige diensten te bewijzen. Zijn waarnemingen als ontleedkundige zullen steeds blijven behooren tot grondzuilen, waarop men met gerustheid kan voortbouwen, en die, op de natuur zelve steunende, alleen met deze te niet kunnen gaan. Even getrouw volgde hy deze geleidster op het nog duistere pad der heelkunde: overtuigd van den schakel tusschen de verschillende takken en van het onafscheidbare verband tusschen genees- en heelkunde, begreep hy, dat eerst dan het ideaal der kunst zoû te bereiken zijn, wanneer beiden hand aan hand het steile pad der ondervinding betraden.

De betrekking als Schepen, welke hy ook na 1622 herhaaldelijk [88]bekleedde, stelde hem in de gelegenheid, de schuilhoeken van het menschelijk hart te bespieden, en lessen en wenken te vergaderen, dienstbaar zoo voor de gerechtelijke als voor de zielsgeneeskunde. Hoe gelukkig hy deze laatste beöefende, bewees hy door de genezing, welke twee waanzinnigen, waarvan de een zich verbeeldde aan blindheid, de ander aan beenverzwakking te lijden, aan zijn scherpzinnigheid en geduld te danken hadden. Ook de kruidkunde was het voorwerp zijner studiën: getrouw aan zijn stelling, dat overal de natuur voor den mensch waakt, stelde hy vast, dat geen land zoo stiefmoederlijk is bedeeld, of het levert inlandsche geneeskruiden voor inheemsche ziekten, en wy moeten het bejammeren, dat hy het werk, waarin hy deze stelling uiteenzette, voor zijn dood heeft verbrand.

Maar ook de grondigste theoretische kennis is op zich zelve niet voldoende om den Arts het vertrouwen zijner medeburgers te verwerven. Aan hem, gelijk aan den Veldheer of aan den Staatsman, mogen de snelle en wisse blik, die het gevaar doorschouwt, en de tegenwoordigheid van geest, die het afwendt, niet ontbreken. Dat Tulp een en ander in een zeldzame mate bezat, dat getuigden zijn tijdgenooten: dat getuigen zijn geschriften, die de slotsom zijner waarnemingen behelzen.—Voegt men hierby, dat hy, door zijn onbaatzuchtige menschlievendheid, zoo wel de troost der zieken was als de toevlucht der armen, dan zal men, naar wy vertrouwen, kunnen geloof hechten aan zijn verklaring, dat het getal der door hem geredden en geheelden ontelbaar was. Byna onbegrijpelijk is het, hoe, by een zoo gestadig en yverig waarnemen der praktijk en een voortdurend geven van onderricht, hy den tijd nog kan gevonden hebben, op zoo veelzijdige wijze aan zijn vaderstad ten dienste te staan. En toch, de ambten, door hem bekleed reeds voor zijn dertigste jaar, als Lid van den Raad, later als weesmeester, Kommissaris van de Bank van Leening en van Huwlijks zaken, als voorzittend Schepen, en eindelijk als Burgemeester, zijn benoeming tot Afgevaardigde—in 1650 aan Prins Willem II, in 1653 naar ’s Gravenhage om over den vrede met Engeland te handelen—zijn betrekking als Curator van het Atheneum en als Voorzitter der kommissie van Geneeskundig Toevoorzicht, zijn gedrag vooral in 1672, toen hy, de tachtigjarige grijzaart, met jongelingsvuur en mannemoed in de Statenvergadering van Holland den lafhartigen wederstond, die ons land aan den Franschen geweldenaar zouden hebben overgeleverd, dat alles geeft hem aanspraken [89]genoeg op den eerbied van tijdgenoot en nakomelingschap: en, zonder grootspraak, zonder eigenwaan, kon hy, die, met opoffering van eigen tijd, geld, voordeel en krachten, zoo veel voor zijn medeburgers deed, tot zinnebeeld een brandende kaars voeren, met dit onderschrift: aliis inserviendo consumor, d. i. „door anderen ten dienste te staan, word ik zelf verteerd.”

Talrijk waren de maatregelen, die, ter bevordering van de gezondheid der ingezetenen, op aanraden en door den invloed van Tulp, vooral onder zijn bestuur, werden genomen. Om die te leeren kennen heeft men slechts de Keurboeken van Amsterdam na te slaan, en in ’t byzonder dat van 1655, toen een wreede pestziekte de stad dreigde te ontvolken. Het was op aandrijven van Tulp dat het venten van oude kleêren en vodden anders dan op een bolwerk buiten de poort, het inbrengen en verkoopen van pruimen, krieken en komkommers, het nering doen of slachten van vee binnen zekeren tijd in huizen, waar iemand aan de pest gestorven was, het opschikken der lijken, het medegaan op de kerkhoven van andere personen dan de dragers, het behangen der sterfhuizen met wollen rouwstoffen, enz., gestreng verboden werd: dat vaste genees- en heelmeesters en apothekers werden aangesteld om de kranken van behoorlijke hulpmiddelen te voorzien, dat het verbranden van het stroo of beddegoed der gestorvenen, het reinigen der straatgoten, het dichtpekken der doodkisten, het zuiveren der lucht door ’t branden van pektonnen, het verruimen en vermeerderen der kerkhoven, en het tijdig begraven, werd voorgeschreven. Van dien zelfden tijd is ook een befaamde keur op de maaltijden, die zich begonnen te kenmerken door kwistigen overdaad. Het getal der gerechten en schotels werd beperkt en onder anderen verboden op het nagerecht suikergebak of zoogenaamde gentillesses op te dragen. Intusschen had deze laatste keur het lot van enkele anderen, als o. a. van die tegen het begraven by avond met fakkellicht: zy scheen namelijk alleen uitgevaardigd om overtreden te worden. Immers het feestmaal, dat reeds in datzelfde jaar 1655, ter gelegenheid der bruiloft van Jan de Witt met Wendela Bickersdochter te Amsterdam aan het huis der Bruid gegeven werd, verschilde, wat pracht, overvloed en keur van uitgezochte spijzen betreft, in geen opzicht van die, tegen welke men het noodig geächt had een keur uit te vaardigen, en, mocht Tulp andere verordeningen, door hem tot heil zijner medeburgers ingesteld, getrouw zien nakomen, met opzicht tot [90]die omtrent de gastmalen moest hy ondervinden, dat de mode en de zucht tot schitteren sterker zijn dan alle wettelijke bepalingen die de Overheid kan maken. Hy gaf ’t dan ook op, en toen hy op den 28 Januarij 1672, in den tuin achter zijn woning op de Keizersgracht tusschen de Westermarkt en Reestraat, in een opgeslagen loods, die met blaauwe stof behangen was, het vijftigste verjaarfeest vierde van zijn aanstelling tot Raad, en de gasten, voor dat men opdischte al heimelijk vreesden, of wellicht de Burgemeester, door trouwe inachtneming zijner keur, hun toonen zoû, hoe Amsterdam door eenvoud en zuinigheid was groot geworden, werden zy aangenaam verrast, toen zy ontdekten dat de maaltijd niet anders noch minder was, dan men by dergelijke gelegenheden gewoon was. De les van Cats werd echter daarby in acht genomen, waar hy zegt:

Terwijl de maeltyt duurt, zoo laat gedichten lesen

Of iet, dat aengenaem aen vrient en gast kan wesen:

Het is van outs geseght: het is de beste feest,

Die wel doet aen het lijf, maer beeter aan den geest.

Immers, by elk gerecht werd een Latijnsch gedicht voorgelezen en omgedeeld: het eerste, vervaardigd door Schepen Joan Six, des Burgemeesters schoonzoon: het tweede, door den beroemden Hoogleeraar Francius: het derde, door Dr. François de Vicq. By het tweede gedicht werd aan ieder der gasten een zilveren gedenkpenning vereerd: en—wel een bewijs dat de keur niet meer gold—ieder mocht een zwaren schotel met suikergebak en konfituren naar huis dragen. [91]

[Inhoud]

WITTE CORNELISZOON DE WITH.

In het jaar 1599 werd, in diezelfde stad den Briel, waar Marten Harpertsz. Tromp een paar jaren te voren het licht had gezien, Witte Corneliszoon de With geboren. Reeds vroeg ging hy, op het voorbeeld van zoo velen zijner speelmakkers, die als hy uit onbemiddelde ouders geboren waren, zijn fortuin op zee beproeven. Die fortuin—gelijk het oude Latijnsche spreekwoord luidt—begunstigt den stoutmoedige: en in stoutmoedigheid werd De With door niemand overtroffen: geen wonder dus, dat hy zich van den laagsten sport op den krijgsladder eerlang naar boven werkte en, nog geen dertig jaren oud, reeds als Kapitein het bevel voerde over een oorlogschip. Geene onder de toen bekende zeeën of hy voerde er krijg: en zelden anders dan met voorspoedigen uitslag. De verovering der Zilvervloot in 1628 was men voornamelijk aan hem verschuldigd. Hy toch was het, die, op het amiraalschip als Kapitein varende, den Amiraal Piet Hein opmerkzaam maakte op een bark, die zich van verre in zee vertoonde: hy, die, verlof verzocht en verkregen hebbende, om zich van die bark meester te maken, met de boot op het welgewapend vyandelijk vaartuig afvoer, de ongelijkheid der kans niet tellende, het aanklampte, overmande en alzoo, daar juist de bark was afgezonden om de Zilvervloot te waarschuwen voor het gevaar dat haar dreigde, de genomen voorzorg verydelde en den weg baande tot de verovering der schatten uit Peru. Zijn daad bleef onbeloond: althands by de W. Indische maatschappy; maar de Staten erkenden die eerlang: en De With, tot Vice-Amiraal bevorderd, kwam zelfs in 1637 in aanmerking voor het Luitenant-Amiraalschap, ’t welk aan Tromp werd gegeven, en te recht. Tromp was meer by uitnemendheid de man om te besturen, de With om te handelen. Weldra bleek [92]dit, op den gedenkwaardigen dag van 16 September 1639, toen de Spaansche Armada onder d’Oquendo by Bevezier kwam opzetten, en Tromp krijgsraad liet beleggen om te beslissen, wat onder zoo hachlijke omstandigheden te doen. De bedachtzame Vlootvoogd, niet meer dan zeventien schepen onder zich hebbende, en wetende, wat verantwoordelijkheid op hem rustte, spoorde tot voorzichtigheid aan en wilde langzaam terug trekken; dewijl het toch een onuitvoerlijk ja onverschoonbaar waagstuk scheen, met zoo gering een macht, iets uit te richten tegen den metalen berg, gelijk hy de Spaansche vloot noemde, wier schepen de zijne niet alleen vier malen in getalsterkte, maar ook in alle andere opzichten, door grootte, geschut en bemanning, overtroffen. De With echter verklaarde zich tegen elke handeling, die schroom aan den dag zoû leggen: hy voor zich wilde de plaats waar zy zich bevonden niet zonder strijd verlaten: men moest, zeide hy, te dezer gelegenheid toonen, trouwe dienaars van het Vaderland te zijn, bereid met elkander te leven en te sterven. Gewis had Tromp een raad verwacht, die zoo wel met zijn heimelijken wensch strookte: en hy ontveinsde zijn welbehagen daarin niet langer, toen al de overige scheepsbevelhebbers hun stem gaven aan den kloeken voorslag van De With. Zoo werkte ten dezen het verschil in karakter tusschen de beide helden heilzaam voor het Vaderland: de groote omzichtigheid van Tromp werd aangevuurd door den teugelloozen moed van de With, en de niets ontziende roekeloosheid van dezen gewijzigd door het kalme beleid van Tromp. De strijd ving aan: en wanneer men den uitslag nagaat, hoe zeven-en-zestig galjoenen en groote schepen voor zeventien kleinere terug weken, dan is het noodeloos te vermelden, dat wonderen van dapperheid van de zijde der Nederlanders werden verricht. Maar niet een onder hen, die zich in dien slag meer glorie verwierf dan De With. Van alle zijde door zware galjoenen omringd, had hy zijn zeilen zien in flarden vliegen, zijn schip van kogels doorboord, zijn achtersteven in brand geschoten; maar niets was in staat geweest, hem af te schrikken: rustig was hy kogels met kogels en vernieling met vernieling blijven beantwoorden en, na den strijd, „besmeerd en begruisd; hinkende en ontoonbaar,” by Tromp aan boord gekeerd, met de spottende vraag, „of hy nu wel getoond had, dien metalen berg te vreezen?”

Witte, Cornelisz. de Witte.
Herman ten Kate, Ft  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Witte, Cornelisz. de Witte.

Grootscher lof dan zelfs voor den moed, in dat gevecht betoond, komt aan De With toe voor zijn zelfsverloochening by gelegenheid van [93]den zeeslag by Duins. Gewis had hy niets liever verlangd, dan, nevens Tromp en Evertsen, de Spanjaarts te bestrijden: en toch, hy, de man, wien ’t zeevolk den naam van „Vechtgraag” gegeven had, hy bood edelmoedig aan, met Banckert op de Engelsche vloot te passen en haar, indien zy, als men vreesde, geneigdheid toonde aan de Spaansche hulp te bieden, zulks met kracht te beletten. De Britten hielden zich onzijdig en De With bleef dus werkeloos aanschouwer van den strijd; maar toch zoû niemand hem het verwijt kunnen hebben toevoegen, dat hy het gevaar niet had gezocht; want, hadden zich de Engelsche schepen in het gevecht gemengd, De With zoû, in hen, tegenstanders hebben gevonden, meer te duchten dan de Spanjaarts, en zijn taak, hoe gemakkelijk zy nu afliep, ware hachelijker en zwaarder geweest dan die van Tromp. Wie zegt ons, of niet deze bedenking, en de hoop, dat het tot een treffen met de Engelschen komen zoû, invloed had gehad op zijn keuze?

Niet minder onderscheidde zich later onze held, toen hy, in 1645, een vloot naar de Oostzee geleidde en de schrik zijns naams genoegzaam was om een oorlog tusschen Denemarken en Zweden te voorkomen: niet minder by de zeeslagen, in 1652 en 1653 met de Engelschen geleverd, en vooral in dien van ter Heide, toen het behoud der vloot, door ’t sneuvelen van Tromp in verwarring gebracht, aan zijn kloekheid te danken was. Werd de hooge rang van Luitenant-Amiraal, waarop hy—zoo bewezen diensten hier voornamelijk hadden moeten gelden—gewis meer dan iemand aanspraak had, hem niet toegekend, dit belette hem niet, tot aan het einde zijner dagen, zijn vaderland met dezelfde gehechtheid, wakkerheid en trouw te dienen. Dit bleek in den zeeslag, op den 8 November 1658, in de Zond, door de onzen onder Wassenaer tegen de Zweden gestreden. De With, die de voorhoede gebood, met zijn gewone kloekheid op den vyand ingezeild, loopt diens voorhoede voorby zonder haar schieten te beäntwoorden, geeft den Zweedschen Amiraal de volle laag, en noodzaakt hem onder Kronenburg te loopen: waarna hy, zijn weg vervolgende, den Zweedschen Vice-Amiraal Bielkenstjern aanvalt en met hem en nog twee andere vaartuigen aan den slag raakt. Het eene Zweedsche schip springt in de lucht, het andere wordt door het geschut van De With verjaagd. Bielkenstjern alleen strijdt nog; doch reeds begint zijn vuur te verflaauwen: wanneer de felle stroom beide schepen doet wegdrijven en aan den grond geraken. In dezen onbewegelijken toestand wordt De With door een [94]nieuw vyandelijk schip aangetast, dat hem, zonder dat hy ’t verhinderen kan, eerst in den boeg en daarna in den spiegel beschiet. Twee volle uren verdedigt zich de held, zonder hoop op ontzet. Twee kogels treffen hem; doch, hoezeer den dood voelende naderen, even onverschrokken blijft hy zijn medestrijders tot een mannelijke verdediging aanmoedigen. Eindelijk dringt de vyand aan boord van zijn schip: het was de Brederode, dat Amiraalschip, waarop Tromp zoo vaak als overwinnaar had gestreden. Schrikkelijk is voor De With het denkbeeld, dat vaartuig in ’s vyands handen te zien vallen: schoon onmachtig langer te staan, schoon op de knieën nedergezonken, nog zwaait hy den degen, zoo lang met eer voor ’t Vaderland gevoerd, weigert dien over te geven, en verdedigt zich, tot zijn krachten zijn uitgeput en hy van zijn bodem wordt afgesleurd. Maar stervende ziet hy voor ’t minst éénen wensch voldaan: het water dringt in het verlaten vaartuig door: het zinkt: de bede van den held is vervuld: de Brederode is geen vyand in handen gevallen.

Grooter bewijs van den eerbied, welken De With ook by den vyand opgewekt had, kon niet gegeven worden, dan door de wijze waarop de Koning van Zweden handelde met zijn lijk. Met wit satijn omkleed en in een kist gelegd, welke de wapens des overledenen vercierde, werd het aan Wassenaer toegezonden in een galjoot, geheel zwart geverwd en met rouwwindsels behangen.

Te Rotterdam werd op ’s Lands kosten aan De With een praalgraf opgericht. Zijn grafschrift, de korte schets van zijn roemruchtigen levensloop, luidt als volgt:

Meritis et aeternitati

WITTENII CORNELII DE WIT.

Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit,

cui praecipuam hactenus Hollandia debet:

totum terrarum ambitum circumnavigavit

Utramque Indiam, Nauta, Miles,

Praefectusque Nautarum ac Militum

vidit; expugnato speculatorio

navigio, cum viribus ipsi multum

inferior, animo maior esset, argentiferae

Classi Americanae

capiundae viam patefecit.

Innumeras variarum gentium naves

Cepit, incendit, submersit.[95]

Per omnes gradus militiae navalis eluctatus

Propraetor Patriae

Classes et expeditiones maritimas

Annis XX rexit.

Decies quinque Classibus collatis cum hoste

conflixit,

Raro aequata clade; plerumque Victor ac

Triumphator praeliis rediit.

Restabat magnus tot belli facinoribus

Imponendus dies VIII Nov.

A. CIↃ IↃ CLVIII.

In recto Maris Baltici supremum Virtutis

opus edidit.

Ibi primum in praelium ruens,

Praetoriam Suecorum invasit, afflixit,

Dein propraetorianac praegrandes alias,

Eorundem aliquot,

Armis, viris, animis

Instructissimas, sola propraetoria sua, rejecit,

afflixit, submersit;

Donec a sociis undique desertus, ab hostibus

undique circumfusus, discerpto globis

corpore, Bellatricem animam coelo

reddidit.

Corpus

Ipse Rex hostis

generosa fortitudinis hostilis admiratione,

splendide compositum in patriam remisit.

Vixit LIX annos.

Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.

[96]

[Inhoud]

JAN JANSZOON STARTER.

Zoodra men vragen opwerpt, als b. v. „of niet onze taal even goed voor den zang geschikt is als elke andere?” of wel: „of onze Natie niet even muzykaal is als elke andere?”—dan verkondigt men reeds als van zelve, dat een ontkennend antwoord het eenige is, dat te verwachten valt en men daarom dubbele dankbaarheid schuldig zal wezen aan hem, die bekwaamheid genoeg zal hebben om een toestemmend antwoord aannemelijk te maken. In Duitschland of in Italiën zoû men ’t nimmer in ’t hoofd krijgen, zoodanige vragen te doen.

Jan Janszoon Starter.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Jan Janszoon Starter.

In Duitschland noch in Italiën; maar ook niet in Nederland, zoo als het was in de eerste helft der zeventiende eeuw. Toen twijfelde niemand, landgenoot of vreemdeling, aan het zangerige en welluidende onzer taal, aan het vermogen der ingezetenen om die naar de regels der kunst en op bevallige wijze te doen hooren.

Maar toen klonk dan ook nog het Nederduitsch cierlijk en lieflijk: toen bestond nog by de Nederlanders een gevoel voor muzyk en zang, dat niet door maatschappyen of genootschappen opzettelijk moest worden in ’t leven geroepen of onderhouden, maar dat zich dagelijks openbaarde en voortdurend werd aangekweekt op gastmalen en samenkomsten, ja overal, waar de gasten nu zelve de taak vrijwillig en uit eigen aandrift overnamen, vroeger door bezoldigde meistreels of speellieden vervuld.

Waar een zangerige taal bestaat en behoefte aan liefelijke liederen, daar ontbreken zy ook nimmer: en zoo is er naar evenredigheid wellicht geen volk zoo rijk, als het onze gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw was, aan liedtjens, voor den zang bestemd. Talrijk [97]is het aantal dier bundelkens, in kleinen vorm onder verschillende namen, meest onder die van „mopsjens”, gedrukt en een ruimen voorraad bevattende van die vrolijke of ernstige liederen en gezangen, welke onze voorouders, naarmate tijd, plaats of omstandigheden hen in een meer dartele of meer deftige stemming hadden gebracht, afwisselend aanhieven. Vrij wat algemeener dan tegenwoordig was, in die dagen, ik zal niet zeggen het zingen en spelen door toonkunstenaars of opzettelijke beöefenaars der muzyk, maar het zingen en spelen door byzondere personen, in den huislijken of gezelligen kring, by gastmalen en spelevaarten, op bruiloften en verjaringsfeesten. Talrijk is dan ook de rij der dichters, die de voortbrengselen van hun poëtischen luim ten beste gaven, om er genoegelijke samenkomsten mede te veraangenamen; en de Collés, de Desaugiers van die dagen kunnen met hen die later kwamen gerust de vergelijking doorstaan;—maar wie onder hen allen uitschittert, wie te recht als de geestigste en bevalligste liederzanger mag worden aangemerkt, dien niet het tijdvak van Frederik Hendrik, neen, die Nederland te eenigen dage heeft opgeleverd, is Jan Janszoon Starter.

Even als Vondel, was Starter door zijn geboorte een vreemdeling, maar reeds vroeg door opvoeding, voorbeeld en eigen aandrift, Nederlander in ’t hart geworden. In 1594 had hy te Londen het eerste levenslicht aanschouwd en in het vijfde of zesde jaar der volgende eeuw was hy met zijn ouders, die tot de zoogenaamde Bruinisten behoorden, hier te lande en wel te Amsterdam gekomen. Een beschaafde opvoeding genoten hebbende, was de jonge Starter niet alleen spoedig bekend met de spraak van zijn nieuw aangenomen Vaderland, maar ook met haar verborgen schatten. Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hy gedichten, vol losheid en zwier, en wier weelderigheid getuigt van een meesterschap over taal en uitdrukking, hoedanige niemand voor hem zich had weten te verwerven. Boezemvriend van Gerbrand Adriaensz. Bredero, streefde hy dezen in geestigen luim op zijde en overtrof hem veelal in kieschheid en welluidendheid van vorm. Even als Bredero was hy een lid en wel een volyverig lid dier zoogenaamde Oude Kamer, die kweekschool van vernuften, waar, behalve zy, ook Hooft, Coster, Vondel en zoo vele andere cieraden van den Nederduitschen Zangberg hun eerste dichtproeven deden hooren en waar later de schouwburg uit ontsproot. [98]

In 1614 naar Friesland getrokken, richtte hy aldaar te Leeuwarden een boekwinkel op en woonde als Student de lessen by der Hoogeschool te Franeker. Het was gedurende zijn verblijf aldaar dat hy die reeks van bruiloftsdichten, minnezangen en liedtjens schreef, onder den tytel van „Friesche Lusthof” tot een bundel verzameld, en even zoetvloeiend van melody als tintelend van vernuft. Niet ten onrechte noemde hem dan ook Gansneb Tengnagel, in een zijner gedichten, „den grooten Bruilofts-Hymen.” In 1620 naar Amsterdam teruggekeerd, kweet hy zich aldaar van een taak, hem door Bredero by diens uiteinde opgelegd en voltooide de „Angeniet”, door dezen begonnen. Van zijn verderen levensloop hebben zijn ondankbare tijdgenooten ons niet anders medegedeeld, dan dat hy de wapenen opgevat en in dienst gestorven is, de kleuren voerende van dien Nassauschen held, dien hy zoo vaak in zoo blijde toonen had bezongen.

Even als by zijn beoordeeling van Rembrandt en Jan Steen, heeft het nageslacht by die van Starter zich langen tijd vergenoegd blindelings na te praten, wat vroeger gezegd was en daardoor tot gevolgtrekkingen te komen, alles behalve vleiend voor hem, dien zy golden. Van de beide eerstgenoemden was het zedelijk karakter aangerand, van den laatstgenoemde bovendien de aart zijner voortbrengselen, die als hoogst onkiesch waren voorgesteld. Wel is waar het was een liederlijke Campo Weyerman, door wien Rembrandt en Jan Steen belasterd werden, terwijl de aanvallen tegen Starters dichtbundel gericht werden door den vroomen en naauwgezetten Dirk Rafelsz. Camphuisen. Oppervlakkig zoû men dus zeggen, dat, mocht men al geneigd zijn, de berichten, door den eerstgemelde gegeven, te verwerpen, als komende van iemand, wiens zedelijk karakter hem onwaardig maakte, geloof te verdienen;—men daar en tegen vertrouwen kon te schenken aan hetgeen ons medegedeeld werd door een man, wiens vrome zin ons een vaste waarborg van geloofbaarheid schijnt aan te bieden. En werkelijk is zulks langen tijd algemeen het geval geweest, ja is zulks nog het geval by niet weinigen. Loosjes heeft, in zijn Maurits Lijnslager, Camphuisen ingevoerd, den blaam van onzedelijkheid werpende op den „Frieschen Lusthof” van Starter—en dat nog wel zonder eenige tegenspraak. Jeronimo de Vries vergenoegt zich, in zijne Prijsverhandeling, van Starter alleen den naam, en nog wel enkel in een aanteekening, onder een dertigtal onbeduidende namen te vermelden; Willem de Clercq, die, in zijn bekroonde beschouwing over den [99]invloed der vreemde letterkunde op de onze, als van zelve aanleiding had moeten vinden van den jeugdigen Brit te gewagen, die in Nederland leefde en zong, maar in wiens vaerzen de Engelsche afkomst des dichters niet te miskennen valt, Willem de Clercq zwijgt van hem geheel. Is het wonder, dat al wie, zonder Starter te kennen, een oordeel over zijn werk had op te maken, uit de afkeuring waarmede Loosjes van hem spreekt en de onverschilligheid, waarmede hem de beide andere critici behandelen, niet anders dan zeer ongunstig over hem denken moest? En toch heeft Starter noch den heftigen aanval van Camphuisen verdiend, noch de behandeling, hem door de drie andere schrijvers aangedaan. Van De Vries en De Clercq is het bekend, dat zy, afgaande op hetgeen in den Maurits Lijnslager voorkomt, niet verder hebben onderzocht: wat Loosjes betreft, die schijnt van zijn kant in het banvonnis, door Camphuisen uitgesproken, te hebben berust, en evenmin als de beide critici het veroordeelde boek gelezen te hebben: en voor den vromen dichter der zeventiende eeuw, dien ik niet verdenken mag ter kwader trouw te hebben gehandeld, weet ik geen andere verschoning aan te voeren, dan dat hy dien „Frieschen Lusthof,” om de vervaardiging waarvan hy den maker naar ’t helsche vuur zendt, nimmer onder de oogen gehad heeft, en den inhoud alleen ondersteld heeft van gelijke gehalte te zijn als een andere kleine verzameling gedichtjens van denzelfden schrijver, onder den naam van „Boertigheden” gedrukt, en werkelijk minder geschikt in een editie in usum Delphini opgenomen te worden.—De slotsom van dit alles is, dat de „Friesche Lusthof”, achtereenvolgends gedurende twee eeuwen, zonder eenig voorafgaand onderzoek, is beöordeeld en veroordeeld geworden door mannen, die als gidsen en toongevers op het gebied der letterkunde werden aangemerkt, en dat de menigte, door hun verkeerde beschouwing misleid, geschroomd heeft, kennis te maken met een boeksken, dat in zoo zwarte kleuren was afgeschilderd, maar zich daardoor ook verstoken heeft van het voorrecht, om zich te verlustigen in echte poëzy, in de bevalligste en liefelijkste vormen voorgedragen.

Maar niet altijd blijft het publiek in zijn beschouwing onrechtvaardig. Meer dan eene stem heeft zich in de laatste tijden verheven om de geschonden eer van Starter te wreken, om recht te doen wedervaren aan de voortbrengselen van zijn vernuft, om hem den dichtkrans terug te geven, die te lang aan zijn hoofd onthouden werd, en zijn liederen [100]aan te prijzen als voorbeelden van de wijze, waarop onze taal, aan wie met haar geheimen bekend is en ze met oordeel weet te gebruiken, elke andere in zangerigheid op zijde streven kan. Mogen de pogingen, door de zoodanigen aangewend, niet vruchteloos blijven: mogen zy strekken, by velen den zucht te doen geboren worden, zich in Starters zangen te vermeien en in hem den grootsten Nederlandschen liederdichter te waardeeren, dien de geschiedenis onzer letterkunde in staat is ons aan te wijzen:—mogen toonkunstenaars zich opgewekt gevoelen, nieuwe melodyen op zijn zangen te vervaardigen, en deze laatste nog wederom meermalen, als voorheen, op blijde feestmalen en samenkomsten, door keeltjens als die van Tesselschade en Duarte worden gezongen. [101]

[Inhoud]

DE DOCHTERS VAN ROEMER VISSCHER.

In de nabyheid van den Schreierstoren en aan de noordoostelijke grens van Amsterdam stond, in den aanvang der zeventiende Eeuw, een burgerwoning, die als een vereenigingspunt kon worden opgemerkt van de meest uitstekende vernuften van hun tijd. Het was die van Roemer Visscher, een uit het drietal bekwame taalvorschers, aan wie de Rederijkerskamer „In Liefde Bloeyende”, en by gevolg de letterkunde in Nederland, zooveel danks verschuldigd was. Het huis van den man, wien Hooft om zijn gulheid den „ronden Roemer” noemde, stond altijd open voor wie zich opgewekt gevoelde, een uur, des noods den geheelen avond, ’t zij met scherts en kout, zang en snarenspel, ’t zij met geleerde nasporingen, aangenaam of nuttig door te brengen. ’s Mans zinspreuk luidde „Elck wat wils”, en het stond aan ieder vrij, die tot zijnent in praktijk te brengen. Maar het waren niet alleen de hartelijkheid des gastheers, zijn geestig onderhoud en het uitzicht, om rondom zijnen haard eenige der kloekste verstanden, waarop Amsterdam zich verhoovaardigen mocht, vereenigd te vinden, die zoo velen naar zijn woning lokte: die woning bevatte drie trekpleisters in de dochters van den huize, Anna, Geertruida en Tesselschade.

Anna en M. Tesselschade, Roemer Visschers.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Anna en M. Tesselschade, Roemer Visschers.

Geleerde juffers, in den gewonen zin van ’t woord, en maar eenigermate gelijk aan die, welke Molières onvergelijkelijke pen naar ’t leven heeft afgeschetst, zal ieder man van smaak en verstand veeleer ontloopen dan opzoeken. Maar niet tot die soort behoorden de dochters van den ronden Roemer, welke wy vooral niet moeten beoordeelen naar de voorstelling, die er de schrijvers uit het laatst der voorgaande of het begin dezer eeuw van geven. Liever schetsen wy haar met de woorden van een tijdgenoot, den Harderwijker Staatsman Ernestus Brink, die zich aldus [102]over haar uitlaat: „Romer die Visscher,” schrijft hy, „heeft 3 dochters, die alle in seer fraje exercitiën sijn opgetoogen, connen seer fray musique, schilderen, in glas schrijven ofte graveren, referein maken, emblemata inciseren, allerlei manufacturen borduren, oock goet swemmen, en het zich geleert hebben in haar Vaders tuyn, alwaar een gracht met water was, buyten de stadt.”

Maar zoo de dochters van Visscher al de hier vermelde bekwaamheden bezaten, en bovendien de dichtkunst beminden, ja beoefenden, zy waren bovenal meisjens van hooge beschaving en die ten volle de kunst verstonden om door een, dan eens vrolijk, dan eens leerzaam, maar altijd boeiend onderhoud, haar gasten den tijd te korten.

Anna, de oudste, was in 1584 geboren. Aan haar, die zelve dichteres was, droeg haar Vader de taak op, zijne gedichten te verbeteren en te beschaven. Geertruida, of Truitjen, gelijk zy meest genoemd werd, was iets jonger dan hare zuster, en zoo de nakomelingschap, byna twee eeuwen lang, een vrij onbeleefd stilzwijgen omtrent haar bewaard en zich alleen met haar zusters bezig gehouden heeft, ’t was geenszins omdat haar naam niet verdiende tot ons over te gaan: de aangehaalde getuigenis van Brink bewijst het tegendeel, en de rede, dat men haar vergeten heeft, is, dat zy reeds vroeg in ’t huwelijk trad en wel met Nikolaas van Buyl, Onderschout te Amsterdam. De plichten, die zy als vrouw en moeder te vervullen had, boeiden haar aan haar huis, en hielden haar langzamerhand meer en meer verwijderd van den kring harer bekende vrienden: en zy werd niet meer bewierookt en bezongen gelijk haar nog ongehuwde zusters. Hoe zy echter de kunst bleef liefhebben en voorstaan, blijkt uit de omstandigheid, dat, in 1630, de Poëet van Swoll zijn Margrietje uitgaf „onder de gunst van Juff. Geertruyt Roemers.”

Tesselschade, die in 1594 geboren, en dus tien jaar jonger was dan Anna, ontleende haar vreemdklinkenden naam aan de zware schade, die, drie maanden voor dat zy ter waereld kwam, veroorzaakt werd door een hoogen storm op de reede van Texel, waaronder vele Amsterdamsche kooplieden, ook haar vader, geleden hadden. Toen, eenigen tijd na haar geboorte, de vest voor zijn huis werd afgebroken om de stad te vergrooten, noemde hy zijn hond Schae-baet, om dat hy, schaê in Texel geleden hebbende, nu wederom baet kreeg by het afbreken der stadsmuren, die recht over zijn huis stonden, en dat daarom nu zijn [103]huis midden in de stad zoû komen en meer waard zijn.—Vlug, vol geest en gevoel, had Tesselschade reeds van haar vroegste jeugd af de belangstelling opgewekt van haar Vaders vrienden, en bleef, zoolang zy leefden, hun genegenheid behouden.

In 1620 overleed Roemer Visscher; doch de kring, dien hy om zich heen gevormd had, werd daarom niet verbroken. Nog drie jaren later sprak Vondel in zijn „lof der Zeevaert” tot Reaal van

’t Zaligh Roemers huis,

Wiens vloer betreden wort, wiens drempel is gesleten

Van Schilders, Kunstenaers, van Zangers en Poëten.

De beide meisjens, die in dat huis gebleven waren, ontfingen er dus haar gasten nog als te voren, die voor ’t overige een nieuwe gelegenheid om zich te vereenigen hadden gevonden op ’t slot te Muiden. By den Drost stelden zich Vondel, Coster, Mostert, Reael, Baeck, Vechters en zoo vele anderen schadeloos voor ’t gemis van Roemer: in hem hadden diens dochters een vaderlijken vriend behouden, steeds met raad en hulp gereed, en wederkeerig werden de genoegens, welke men ten zijnent smaakte, door haar tegenwoordigheid niet zelden verhoogd. Anna las er de „Sinne-Poppen” haars vaders, waarvan zy de uitgave bezorgd had, en Tesselschade nam het oordeel harer vrienden in over een vertaling van Tassoos verlost Jeruzalem, door haar ondernomen; maar vooral waren het beider muzykale gaven, die Hooft zoo zeer op haar gezelschap gesteld deden zijn. Talrijk zijn de plaatsen in zijn brieven, waarin hy uitweidt over de fraaie stem van Tesselschade en over het genot, dat zy aan haar toehoorders verschafte. Anna schijnt meer bepaald in ’t snarenspel bedreven te zijn geweest, gelijk wy kunnen opmaken uit de vergelijking van de navolgende plaatsen uit Vondels gedichten. De eerste is gehaald uit zijn „Lof der Zeevaert,” en luidt aldus:

Wy naecken Schreyers-hoeck, daer lieffelijck en bly

Een Waterlandsche Rey, de Juffers van ons Y,

Met ongehuifde pruick en kletten, geestigh zingen,

En naer den toon van zang en spel, haer treden dwingen.

Twee diertjens1 in den hoep aanminnig groeten ons.

d’Een volght met zoet muzyck des andren violons.

De andere plaats is uit het bruiloftdicht op Tesselschade.

Twee zusters zetten zich op ’t uiterst van den stroom:

d’Een, uit een parkement of: halfgerolde cedel,

Las nooten met haer galm, en d’ander met een vedel.

[104]

En aan wien, onder dien zwerm van dichters en geleerden, die haar omringden, werd het gegeven, de gedachten dier lieve meisjens af te trekken van de Sinne-Poppen en ’t Verlost Jeruzalem, en meer diepe aandoeningen by haar te doen ontstaan, dan de melody der woorden van een lied verwekken kunnen? Gewis werd de Oude Spreuk, volgends welke ieder op zijne beurt voor den invloed der liefde zwicht, ook ten opzichte der gezusters beantwoord; maar niet op zoodanige wijze als men zoû hebben verwacht. Het was geen dichter, geen toonkunstenaar, geen man van de wetenschap, die het hart van Tesseltjen wist te treffen: het was—wy schamen ons byna het te zeggen, en toch mag het niet verzwegen worden, al zoû het onzen lezeressen een blos van spijt op de wangen jagen over de schijnbaar zonderlinge keuze, door eene der meest begaafden van hare sexe gedaan—? het was een zeeofficier, en die nog daarby den alles behalve dichterlijk luidenden naam van Allart Krombalck droeg.—Intusschen, bezat de jongeling noch poëtischen aanleg, noch poëtischen naam, hy was, naar de getuigenis van Hooft, rijk met vernuft, en, wat meer zegt, met voortreffelijke zielshoedanigheden bedeeld. In 1623 werd het huwelijk tusschen de beide gelieven voltrokken, en door de vrienden der Bruid, onder anderen door Vondel, in cierlijke vaerzen bezongen.

Niet lang duurde het, of Anna volgde het voorbeeld harer zuster. Zij huwde in 1624 Dominicus Boot van Wezel, Johansz., mede geen geleerde, maar toch een man van smaak, en gesproten uit een aanzienlijk geslacht, dat te Dordrecht bloeide. Zy volgde derwaarts haren man, gelijk het Tesselschade den haren naar Alkmaar had gedaan.

Te Dordrecht, waar Cats omtrent dien tijd Pensionaris geworden was en aan ’t hoofd stond eener dichtschool, die juist niet op den besten voet was met de Amsterdamsche, maakte Anna nieuwe kennissen, waarby, als ’t in den aart der zaken lag, de oude eenigzins tekort kwamen.

Dat zy echter met hen in voortdurende betrekking bleef staan, daarvan getuigen, onder anderen, de aanbevelingen, haar in 1642 naar de Zuidelijke Nederlanden mede gegeven door Huygens en Van Baerle. Zy had namelijk het onderwijs van haar beide zonen aan de Paters Jezuïeten te Brussel opgedragen, doch, hen derwaarts geleidende, wilde zy tevens van die gelegenheid gebruik maken, om kennis te maken met de Belgische geleerden, en de brieven van hare twee genoemde vrienden baanden haar daartoe den weg. Wil men weten, hoe men in Belgiën over haar [105]oordeelde, men hoore, hoe de beroemde Leuvensche Hoogleeraar Puteanus zich deswegens uitliet. „Ware ik by u” schreef hy in zwierig Latijn aan Van Baerle, „ik zoû my aan uw gulden boezem werpen en er u vele kussen op drukken: deze toch reken ik uw brief, uw lieven, geestigen, vriendelijken brief waardig, deze ook de beroemde vrouw, my zoo beleefdelijk en cierlijk aanbevolen. Toen ik toch den naam van Anna Roemers las, was ik enkel vreugde, en ik reikte haar de gastvrije rechte, die door haar welwillend werd aangevat; zy toefde niet, maar kwam ten mijnent, en, meer nog, aan mijn hart, my, mijner echtgenoote, mijnen dochteren en gandsche gezin welkom. Onze gulle rondheid mocht haar aangenaam zijn, de schoonheid dezer plaats haar bewondering wekken, het overige deed haar eigen geest. Ik had een Muze ontfangen; slechts Apollo ontbreekt.” Aan Huygens schreef hy: „Wel is Anna Roemers een vrouw uwer aanbeveling waardig. Zy heeft door haar beschaving mijn diensten meer dan beloond: haar byzijn heeft mijn woning opgeluisterd, en zy heeft my in haar vernuft doen deelen. Maar, wanneer gy dergelijke vrouwen ten uwent bezit, wat moeten dan wel uw mannen zijn!” enz.

Aan Tesselschade, die zich met haar man te Alkmaar had nedergezet, en alzoo minder dan haar zuster van Amsterdam verwijderd was, viel het dan ook lichter, den omgang met haar vrienden en betrekkingen aldaar te doen voortduren, en zy bleef voor Hooft, Van Baerle en Vondel

Ons kameraetje

Het soete Tesselschaetje,

gelijk laatstgemelde haar in een zijner gedichtjens noemde. Over en weder bezocht men elkander en de briefwisseling, vooral met Hooft, duurde onafgebroken voort. Meer dan eens zond zy hem haar poëtische invallen ter verbetering: zoo onder meer een antwoord op zekere beruchte Prijsvraag, die in 1630 door de Amsterdamsche Akademie was voorgesteld, en niet weinig beweging in de geletterde waereld veroorzaakte. Zy luidde aldus:

Apoll’, op Helikon gezeten,

Vraeght al sijn heylige Poëten

Wat beste en slimste tongen zijn?

Of waerheyd saligh maeckt, of schijn?

Of dwang van vrome Christen-sielen

Niet streckt om Hollant te vernielen?

Of Vrijheyd niet en was de schat,

Waarom men eerst in oorlogh trad?

[106]

Of oock in welbestierde steden

Een Oproer-maecker wordt geleden?

Of Huyse-plond’ren vesten sticht?

Of d’Eed geen Burgery verplicht?

En of zich Leeraers niet verloopen

Wanneer ze desen bandt ontknoopen?

Wiens antwoort kortst en bondighst is

En klaerst in dese duysternis,

Dien zullen d’Akademiheeren

Met eenen Princen-Roemer eeren,

Daer Pallas, met haer diamant,

In sne den Veltheer van het landt,

Die met ’s Hartogenbosch gaet strijcken,

Daer Maurits tweemael of most wijcken.

De vraag was van Vondel, en het antwoord, dat den roemer verdiende, was de hand van Roemers dochter, die het afbeeldsel des Prinsen op het glas gesneden had. Het luidde aldus:

De beste tong die stemmen smeede

Zong Gode loff, den menschen vreede.

Die swijgent meest haer deught betoont,

Is die met vuer d’Apostels kroont.

De snoodst’ op aerde deed de menschen

Nae Godts verborgen wijsheyt wenschen.

De booste sprack uit heemelrijck,

Mijn macht sy d’hooghste macht gelijck.

In hun sticht Godt Zyn heerschappyen,

Die met het doen ’t geloof belyen.

Schyn, als een drogh en dwaellicht, leidt

Wie dat haer volght ter duysterheit.

De vrome zielen te belaegen

Kan Hollants zachte grond niet dragen.

De Roomse geus het smeekent blad,

Tot Brussel, ondertekent had

Soowel als d’ander; en versocht er

’s Lants vryheyt by, aen ’s Kaizars dochter.

Den muiter die gerustheyt haet

Looft altyt een geschockte Staet.

Daer d’eene burger ’s anders muiren

Bestormt, die stadt en kan niet duiren.

Geen aerdtsche Godt2, off hy wordt by

Een Eedt verknocht: meer3 schuttery,

Wat leeraers ook dien bant ontlitsen,

Die tergen ’t snoer der zeeven flitsen.

In 1635 trof Tesselschade een dubbele slag. Vondel had haar juist een geestig dichtstukjen gezonden over zekere vaerzen, uit het vrij duister [107]Engelsch van John Donne in niet zeer helder Hollandsch door Huygens overgezet, en Hooft, verwonderd, dat zy hem over die vertaling haar meening niet mededeelde, had juist aan zijn vrouw, die naar Amsterdam ging, een brief mede gegeven ter verdere bezorging aan Tesselschade, toen hij de tijding bekwam, dat het oudste dochtertjen van Krombalck en deze zelf byna gelijktijdig overleden en te samen begraven waren.

Alle rouw slijt; doch schoon Tesselschade haar verlies droeg met geduld en Kristelijke onderwerping en eerlang haar blijmoedigheid terugkreeg, zy hertrouwde niet. Het had haar echter niet aan gelegenheid ontbroken. Van Baerle, die een paar jaren te voren weduwenaar geworden was, trachtte, door brieven en vaerzen vol teederheid, haar genegenheid te winnen; maar, welke vriendschap hem Tesselschade toedroeg, hy kon als man haar niet lijken. Zy mocht zijn geleerdheid en zacht karakter op prijs stellen; maar zy was te veel vrouw om ingenomen te zijn met zijn zoete klachten en verliefde zuchten, die hem de bestendige plageryen van Hooft op den hals haalden. Zy had—om met Van Vloten te spreken—te veel van den hartigen smaak haars vaders weg, die geen bier zonder hop, geen spijs zonder zout smaakte, om in de verliefde blikken en woorden van een bloot „zoetsappig” vryer veel aantrekkelijks te vinden; zy bracht dat later, by een geheel andere gelegenheid, argeloos maar duidelijk uit, toen zy zijn „pleyster over haer oogh, goedt, en soet, en sacht, en troostelijck, en goddelijck” noemde, maar toch „het nerpend heyl van den hoogh Hofwijckschen poëet” de voorkeur gaf.

Gewis, „de Hofwijksche poëet”, de wakkere Konstantyn Huygens, die in 1637 zijn vrouw verloor, ware een meer geschikt man voor Tesselschade geweest dan Van Baerle: hy, vast en zelfstandig gelijk zijn naam, en daarby zoo edel van aart als vlug van vernuft. De Amsterdamsche Hoogleeraar had zelf gevoeld, dat hy voor den Haagschen vriend moest wijken, die bovendien nog ’t voorrecht boven hem had, een goed deel jonger te zijn: en Tesselschade van hare zijde voedde een onbepaalde hoogachting, ja een meer dan gewone vriendschap, voor den begaafden Geheimschrijver des Prinsen. Maar het kwam van zijne zijde nimmer tot een verklaring, die dan ook van de hare niet werd aangemoedigd. Zy wisselden geestige puntdichtjens over de Leer; doch, al schenen zy oppervlakkig die zaak schertsende te behandelen, in den grond was Tesselschade te goed Roomsch en Huygens te zeer aan de Staatskerk gehecht, dan [108]dat het verschil van godsdienst niet voor beiden een onoverkomelijk bezwaar zoû gebleven zijn, ook al ware het hun mogelijk geweest, hem, de nagedachtenis zijner Suzanna, haar, die van haren Adelaert, te vergeten. Datzelfde bezwaar bestond niet tegen een verbindtenis met een derden, haar niet min genegen vriend. Ook Vondel was, en reeds voorlang, weduwenaar: ook hy was gevoelig voor haar bekoorlijkheden en wendde pogingen aan, om haar liefde te verwerven; doch ook zijn aanzoek liep vruchteloos af. Wellicht waren hier financiële belemmeringen: misschien ook dat zy, die zich in meer hoofsche kringen bewoog, geen trek gevoelde, een kousewinkel in de Warmoesstraat te betrekken. Wat er van zij, zy nam evenmin den Katholiek Vondel, als den Remonstrant Van Baerle, of den Kalvinist Huygens; maar bleef met alle drie op een goeden voet.

Hooft, die noch ’t een noch ’t ander was, strekte haar by voortduring, en meer dan een der overigen, tot vraagbaak en vertrouweling. Jaarlijks bezocht zy hem, en zijn brieven vloeien over van haar lof, nu eens over haar fraaie stem, dan eens over haar geestige brieven, of over de cierlijke Italiaansche vaerzen, die zy vervaardigde, o. a. by de komst van Maria de Medicis te Amsterdam.

In ’t jaar 1642 overkwam Tesselschade een lastig ongeval. Te Amsterdam zijnde, en voorby een smidswinkel gaande, spatte haar een vonk in ’t oog, ’t welk zy daardoor kwijt raakte: welk ongeval door Van Baerle en door Huygens werd bezongen. Zy troostte zich echter spoedig in een verlies, ’t welk voor ’t overige geen gevolgen schijnt gehad te hebben.

Vijf jaren later had zy zwaarder verliezen te betreuren. Den 24. Mei 1647 werd zy—door den dood van Hooft—als vriendin getroffen: op den 31. Augustus van dat jaar werd haar moederhart verscheurd. „Maria Krombalcks,” schrijft Hendrik Bruno aan Huygens, „dat schrandere meisjen, Tessels dochter en eenig kint, en daarby naar haar moeder Tessel aardende, is, in den bloei der jeughd, en de omhelzingen harer moeder en harer moei Anna, heden, in een hevige koorts, overleden: een sterfgeval, dat mijner zuster—de dichteresse Alida Bruno—veel tranen, my vele zuchten gekost heeft, soo dat het mijne ziel heeft geschokt, en ik naauw myzelven meester ben.”

De slag trof haar diep. Het eenige doel, dat zy nog op de waereld had, was haar ontnomen: zy stond er voortaan alléén: wat had zy hier nog te verrichten? Hoe „gehoorsaam” en zwijgend zy zich onder haar [109]beproeving hield, haar gezondheid had een knak gekregen, waarvan die niet weder opkwam.

„Ik moet u,” schrijft Bruno, op den 4. February 1648, aan zijn vriend, „ik moet u, voor ik van myself spreek, de groete overbrengen van Tesselschade, onze heldin, die, hoewel steets door koortse gekwelt, haer ziekte en haer leedt door stantvastig dulden overwint. Ik was gister by haer, zoo als ik veel, en meer by deze eene weduwe ben, dan by al de meisjens, die hier ter stede in de beschaafde wereld zijn. Ik vertolckte haer mijn tranen, by den doodt van onzen, ja vroeger onzen—Van Baerle”—die 14. January overleden was—„en zy hielt haer aendacht zoo op mijne nietige-vaerzen gespannen, dat zy de koortse toen of niet voelde of niet kreegh.”

Zoo kwijnde de edele vrouw langzaam weg, tot zy in Junij 1649 de panden, die haar waren voorafgegaan, volgde in ’t graf. Jan Vos en Alida Bruno bezongen haar dood; maar geen van beiden deed het in vaerzen, harer waardig. Aandoenlijker—omdat zy niet zoo zeer de vernuftige dichteres, niet de begaafde zangster, maar alleen de moeder golden—klonken de regels, die Huygens haar wijdde:

Dit ’s Tesselschades graf:

Laat niemand zich vermeten

Haer onwaerdeerlickheit in woorden uit te meten.

Al wat men van de zon kan zeggen gaat haer af,

Hoe dat ’s om ’t leven quam

Verhael ik even noode:

Wat dunckt u, moeders?—’t was haer dochter, die haer doodde.

En die sy ’t leven gaf, was die haer ’t leven nam.

Zoo was het treurig uiteinde der eenmaal zoo vrolijke, zoo schitterende, zoo algemeen gevierde, nu zoo diep bedroefde vervallen, zoo verlatene, maar altijd door ieder, die haar kende, zoo hoog geachte, zoo oprecht beminde vrouw. Haar zuster Anna, weduwe als zy, had haar, gelijk wy hierboven gezien hebben, in de ure der beproeving ter zijde gestaan. Zy overleefde haar nog twee jaren, maar had by haar sterven voor ’t minst het voorrecht, dat haar kinderen haar de oogen sloten. Of Geertruida hare beide zusters in den dood voorafging of volgde, is ons onbekend. Zeker is het, dat zy nog leefde in 1644, toen Tesselschade by haar te Amsterdam huisvesting genoot. [110]


1 Anna en Tesselschade.

2 „Geen Koning”.

3 „Hoe veel te meer”.

[Inhoud]

CASPAR VAN BAERLE.

By het sluiten van het Twaalfjarig Bestand, was Amsterdam uit de worsteling met Spanje rijk en machtig voor den dag getreden. De schatten uit de Indiën stroomden naar de kantoren en magazijnen der handelaren, en alle volkeren der waereld waren cijnsbaar geworden aan het Y. Waar de beschaving zich, door gedurige wrijving met vreemdelingen, meer en meer ontwikkelt, doet zy steeds nieuwe behoeften ontstaan en nieuwe wenschen voeden. Het was weldra voor de Regenten van Amsterdam niet genoeg, de stoffelijke welvaart in hun Staat te zien vermeerderen; ook voor de zedelijke moest gezorgd worden. Aan Leyden—zoo oordeelden zy—moest niet langer het uitsluitend monopolie van het hooger onderwijs verblijven: by de eenzijdigheid in begrippen en leerstellingen, die aldaar heerschte, kon het noch ongepast, noch onnut worden beschouwd, dat er nog een tweede instelling bestond, waar een andere richting werd aangenomen: nevens het nieuwe Bedehuis, door de Remonstranten gesticht, mocht ook wel een School bestaan, in welke de openlijke of bedekte aanhangers hunner gevoelens de beginsels, welke zy waren toegedaan, hoorden verkondigen, althands niet hoorden verketteren: en zoo werd in 1632 het Athenaeum illustre te Amsterdam gesticht. De Regeering begreep echter wijslijk, alle botsing met de Staatskerk te moeten vermijden: zy gaf daarom aan de nieuwe Kweekschool een bloot wetenschappelijke, geen godgeleerde leuze: twee leerstoelen werden er by opgericht: de een, voor het onderwijs in de geschiedenis bestemd, werd aan Vossius gegeven: tot den anderen, bestemd voor het onderwijs in de wijsbegeerte en welsprekendheid, beriep men Caspar van Baerle.

Caspar van Baerle.
W. P. Hoevenaar, del  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Caspar van Baerle.

Ware de keuze van dezen laatste gelukkig geweest onder alle omstandigheden, zy was het vooral daarom, omdat zy aan den nieuw gekozen [111]leeraar wederom een loopbaan openstelde, welke hy eenmaal was ingetreden, doch sints een geruimen tijd voor zich gesloten achtte. In 1617 tot Hoogleeraar te Leyden beroepen, had hy zich, in 1621, ten gevolge van zijn verkleefdheid aan de beginselen der Remonstranten, van zijn ambt ontzet gezien, en daardoor tien jaren lang de gelegenheid gemist, om in uitgebreiden kring nuttig te zijn door de mededeeling zijner veelvuldige kundigheden. Die gelegenheid was hem nu weder verschaft; en de vermaardheid, welke hy zoo wel als zijn ambtgenoot zich bereid hadden verworven, lokte aldra naar hun onderwijs een tal van leerlingen, ’t welk dat der Leydsche Akademie-burgers bykans evenaarde. De verdiensten, waardoor zich een voortreffelijke leermeester onderscheidt, behooren niet tot de zoodanige, welke haren bezitter een roem verschaffen, die den tijdgenoot verblindt en by de nakomelingen voort blijft leven: zy worden alleen bekend en bewezen uit hare middelijke gevolgen op anderen: zy zijn, by andere, meer in ’t oogloopende verdiensten vergeleken, wat de lucht is, vergeleken by het vuur. Van het vuur gevoelen wy niet alleen den gloed; maar wy zien het vonkelen, flikkeren, blaken: en het wekt door den glans, door de verscheidenheid zijner kleuren, onze bewondering;—de lucht daar-en-tegen wordt niet gezien; doch haar invloed blijft daarom niet minder wezentlijk, niet minder weldadig, ja gezegend. Gezegend en weldadig was dan ook de invloed, dien Van Baerle door zijn lessen, door zijn raadgevingen, door zijn goeden smaak, door zijn voorbeeld, uitoefende op de jonge lieden, die ’t voorrecht hadden, zijn onderwijs te genieten: en zoo danken wy het grootendeels aan hem, dat het tijdvak van Frederik Hendrik zich ook door wetenschappelijk-wijsgeerige ontwikkeling kenmerkte.

Maar, al ware het niet geweest krachtens zijn verdiensten als leeraar aan de Doorluchtige School, in elk geval had Van Baerle een plaats in deze Galery van beroemde mannen verdiend: zoo door zijn keurige en talrijke proefschriften, over de meest uiteenloopende onderwerpen, als om de voortreffelijke wijze, waarop hy de eer der Latijnsche Zanggodinnen in Nederland ophield. Weinigen onder hen, die ’t waagden, de oude dichters in hun eigen taal na te zingen, slaagden daarin even gelukkig als Van Baerle: nog zeldzamer werd hy daarin overtroffen. ’t Zij hy op verheven toon den lofgalm aanheft ter eere des Verlossers, de troonsbestijging van Karel I, of de uitvaart van Gustaaf Adolf viert, Bernhard van Saxe of Richelieu bezingt, ’t zij hy triomfklanken doet hooren op de overwinningen, [112]door Frederik Hendrik behaald, Vorst Joan Maurits by zijn terugkomst uit Braziel of Prins Willem by zijn echtverbintenis met Maria van Engeland, of Maria de Medicis, by haar bezoek te Amsterdam, geluk wenscht, ’t zij hy zijnen talrijken vrienden by de belangrijkste gebeurtenissen huns levens zijn deelneming in korte of meer uitgebreide zangen betuigt, ’t zij hy de meest treffende bybelstoffen in roerende elegiën behandelt, ’t zij hy, nu eens ernstige, dan eens boertige onderwerpen van den meest uiteenloopenden aart behandelt, altijd is de vorm in overeenstemming met den inhoud: zijn stijl, naar ’t past, beurtelings grootsch, statig, zwierig, deftig, vrolijk, schalksch, maar altijd cierlijk, altijd zuiver en behagelijk, vrij van noodeloozen opschik, doch aan wel gekozen beelden en aan gelukkige gedachten rijk.

Nu en dan, ofschoon dan ook maar zeldzaam, sloeg Van Baerle de hand ook aan de Hollandsche lier. Zoo b. v. toen Tesselschade haar vrienden op het Muiderslot verrast had met een geestig bewerkt en vercierd festoen van herfstvruchten, bedankte hy haar op staande voet met dit geestig gedicht:

Geluckige Sale, daer ’t Weeutjen in spoockt,

Geluckige Schouwe, daer ’t selden in roockt!

Wie schildert u dus, wie stelt u te pronck?

Wie maeckt u dus kruydig, dus aerdigh, dus jonck?

Is Flora gevallen uyt Junoos paleys?

Is Pales in aentocht? Is Ceres op reys?

Heeft Hebe gevlochten dit trotse festoen?

Pomona getempert het root met het groen?

Neen, ’t is noch Godinnen noch Goden hun vondt,

Zelfs staen zy verbaest, en sy seggen in ’t rondt:

De wasdom is ons, die konst van een handt,

Die self oock de nydt door haer geest heeft vermant.

Ick sie, seyde Ceres, mijn lof en mijn halm:

Ick hoor, sey Pomoon, mijner bladeren galm:

Ick rieck, seyde Flora, de vrucht en de blom,

Die ’t son’tje van ’t Oost treckt westerwaert om:

Ick voel, sprak Juventa, mijn appeltjens ront,

Ick proeve, sprack Pales, mijn pruymtjes gesont.

Doe sey de Poeêt: het is Tesseltjens doen,

Die ’t oude maackt jonck en de steenen maeckt groen.

O Tesselscha! leeft van de Goden gekust,

Die al de vijf sinnen kunt geven haer lust.

Ook in de overige Nederduitsche gedichtjes van Van Baerle heerscht een gelijke losheid en bevalligheid, die aan den lezer, voor zoo verre [113]hy geen Latijn verstaat, een denkbeeld kan geven van het poeëtisch vernuft des vervaardigers.

Onder de redenen, waarom Van Baerle met zooveel zegen werkzaam was te Amsterdam mogen wy vooral rekenen de beminnelijkheid van zijn zacht en vredelievend karakter, dat, zoo wel tot luchtige vreugde als statigen ernst gevormd, bestemd scheen by al wie hem kende genegenheid en vertrouwen in te boezemen. In 1627 had hy het tweede huwlijk van den Drossaert bezongen, en van dat tijdstip was tusschen hen beiden een vriendschap ontstaan, die zonder verkoeling tot aan hun dood bleef voortduren. De vrienden van Hooft bleven ook de zijne. Voor Tesselschade voedde hy een meer teeder gevoel en, toen zijn gade hem ontvallen was, zocht hy—hoewel vruchteloos—de schoone Alkmaarsche weduwe te bewegen, hem dat verlies te vergoeden. Met Vondel bleef hy bestendig op den besten voet, en aan zijn trouwen medestrijder voor de zaak der Remonstranten en Staatsgezinden vergaf hy diens overgang tot het Pausdom, en—wat vrij wat zwaarder vergrijp was in zijn oogen—diens min naauwkeurige overzetting van Virgilius. Vondel, altijd dankbaar voor elk bewijs van hartelijkheid, liet geen gelegenheid ongebruikt, om hem van zijn zijde te toonen, hoe hoogen prijs hy op zijn vriendschap stelde, zoo wel als degeen die hem als dichter en geleerde vercierde. Van die achting en genegenheid van Vondel voor Van Baerle getuigen de talrijke vertalingen in ’t Nederduitsch door den eerstgemelde vervaardigd, en de onderscheidene gedichten welke hy hem toezong, of waarin hy zijner gedachtig was. Als voorbeelden mogen hier dienen, in de eerste plaats, de dichtregelen welke Vondel stelde onder het afbeeldsel van Van Baerle door Sandrart:

Zoo zien wy Baerle noch, als ’t lichaam leit vergaen;

Doch niet zijn wakkren geest, belast, als Klaudiaen

En Aristoteles, met onvermoeide schatten,

Op maet en zonder maet, de laeghte te verachten.

Augustus eeuw komt zelf beluistren zijnen geest,

Het zy hy vaerzen dicht, of goude lessen leest.

en, ten anderen, het bevallig byschrift op Van Baerles dochter Suzanna, als bruid van Geeraert Brandt geschilderd:

In geenen trouringh blonck oit Indiaensche paerle

Zoo zuiver als Suzan, in ’t huisgezin van Baerle.

Zy dooft met haer gesicht den klaersten diamant,

En stoockt in ’t kilste hart een overkuischen brant.

De Schoonheit, Jeught en Deught vergaêren hier te gader,

Maar ’t rijp verstant verbeelt het oordeel van haer Vader.

[114]

Maar vooral bleek de hooge schatting, waarin Vondel zijn geleerden vriend hield, uit den aandoenlijken treurzang, dien hy aanhief, toen, op den 14en January 1648, de beroemde man, in ruim drie-en-zestigjarigen ouderdom, het leven liet:

Nu daelt de gansche Helikon

In rouwe, en schreit een Hengstebron

Van tranen op Apolloos zoon.

Apollo treet zijn lauwerkroon

Met voeten, en verteert en smilt

Tot water. Och, wie paeit en stilt

Den Vader, die, zoo root beschreit,

Zijn goude stralen nederleit

Om dien herboren Klaudiaen?

Een Godt stort nimmermeer een traen.

’t En zy om iemant van zijn bloet,

Op Pindus toppen opgevoedt.

Nu zwijght de honighzoete long

Des nachtegaels, die eeuwigh zong

En quinkeleerde ’t heele jaer;

Die harp, teorb en cimbelsnaer

En orgels mengde met zijn keel

Dees Koopstadt, die een lustprieel,

Een Tempel scheen, vol zangk en klanck,

Begint te quynen en leit kranck

Voorover op dien kouden zerck.

Een zantkuil, een bekrompen perck

Begrijpt dat groote lijck, wiens faem

De werelt valt te kleen, en aêm

En leven schept uit ’s Dichters stof,

Waar eenigh Rijck of Vorstenhof

Hem eert voor zijne heldenmaet,

Zoo langh hy luit of trommel slaet.

Ons Hollant mist zijn Zanggoddes,

En Aristotels wijze les,

En Hippokraet, en Cicero

In ’t eene lijck. Helaes, hoe noô

Verliest een kenner zijn juweel!

Zoo valt oock ’t eelste een graf ten deel.

Men houwe’r, in een lauwerkrans,

Dees letters op, ten roem des mans:

HIER SLUIMERT BAERLE NEFFENS HOOFT,

GEEN ZERK HUN GLANS NOCH VRIENTSCHAP DOOFT.

[115]

[Inhoud]

LEONARDUS MARIUS.

Hoe talrijk ook de mannen waren, die in de dagen van Frederik Hendrik zich aan de wetenschap hadden toegewijd, en hoe velen onder hen by hun tijdgenooten hoogen lof en eere hadden verworven, toch viel niet aan elk hunner, ook waar de verdiensten gelijk stonden, gelijke vermaardheid by het nageslacht te beurt. Reeds by een oppervlakkig onderzoek zal men kunnen opmerken, dat de namen der geleerde Nederlanders uit die eeuw, voor zoo verre zy nog heden ten dage, niet by enkelen, maar algemeen, bekend en beroemd zijn gebleven, gevoerd zijn geworden door personen, die zoo niet tot de Remonstrantsche Broederschap, althands tot de Remonstrantsgezinden behoorden. Byna by uitsluiting zijn het hunne schriften, die, zoo niet algemeen gelezen, dan voor ’t minst algemeen aangehaald of op krediet geprezen worden; terwijl de schriften hunner tegenstanders of geheel vergeten of weinig meer bekend zijn. Zoo heeft b. v. de Kerkelijke Historie van Brandt by de nakomelingschap die van Triglandt geheel verdrongen, niet zoo zeer omdat zy, later komende, vollediger geächt kon worden, niet om dat de styl van Triglandt in voortreflijkheid zoo zeer by dien van Brandt zoû achterstaan, maar om dat Brandt een geestverwant was van Arminius, terwijl Triglandt tot de Synodale party behoorde. Welke redenen men aanvoere, om het verschijnsel te verklaren, waarvan wy zoo even gewaagden, die verklaring moet vooral gezocht worden in de omstandigheid, dat de letterkundigen, de critici, zy in één woord, die later in Nederland de uitdeelers waren van den roem, niet tot de heerschende Kerk behoorden, of, al mochten zy in naam Gereformeerden heeten, toch in de daad tot de begrippen der dissenters overhelden. De [116]bontgenootschaplijke geest, die, oorspronklijk door behoefte aan verdediging tegen vervolgzieke overheersching in ’t leven geroepen, zich reeds in de eerste helft der zeventiende eeuw gevormd, en op ’t veld der letteren alras den boventoon verkregen had, bleef dien ook later, bleef dien ook nog tot in onze eeuw behouden, en het was zijn bestendige politiek, al de verdiensten van al wie niet tot de party behoord had, te verkleinen, te ontkennen, of, wat erger was, er geheel geen gewach van te maken. Het natuurlijk gevolg hiervan moest zijn, dat by de menigte, die van haar meest invloedrijke leermeesters geen ander dan een zeer éénzijdig onderricht ontfing, de letterkundige aanspraken van hen, die elders teruggezet waren, van lieverlede niet dan met minachting werden vermeld, of geheel in ’t vergeetboek raakten. Maar trof een zoodanig lot velen onder de Contra-remonstrantsche schrijvers van vroegeren tijd, nog vrij wat meer trof het de Roomsgezinden. De rol, welke de Contraremonstranten der zeventiende eeuw ook op het politiek tooneel gespeeld, het aandeel, dat zy in de heftige twisten van dien tijd hadden genomen, had ten gevolge, dat, zoo al hun schriften niet meer genoemd werden, hun namen toch by ieder bekend bleven. Doch met de Roomschgezinden was het geval geheel anders geweest: buiten de Staatskerk geplaatst, hadden zy den strijd, die daar gestreden werd, die verdeeldheid in ’t vyandelijke kamp, met welgevallen kunnen beschouwen, doch zy hadden zich by geene der partyen als bondgenooten kunnen aansluiten, vooral zich niet wagen op dat politiek terrein, waarop zoo herhaaldelijk de oorlog werd overgebracht. Hun beschouwingen moesten uit den grond der zake dan ook meer uitsluitend van bespiegelenden aart zijn, en meer uitsluitend ten behoeve hunner geloofsgenooten geschreven; doch daarom ook minder by andersdenkenden in ’t oog vallende, minder de aandacht trekkende van ’t algemeen. De kritiek las hun schriften niet. Zy vestigde er niemands aandacht op, en wie later kwam hoorde zelfs de namen der schrijvers niet noemen.

Leonardus Marius.
W. P. Hoevenaar, del  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Leonardus Marius.

’t Is waar, men kan ons het voorbeeld van Vondel tegenwerpen. Vondel was katholiek, tastte als zoodanig de andersdenkenden aan, dorst zich daarby op politiek terrein begeven,—en toch—zijn naam is nog steeds boven dien van alle andere Nederlandsche schrijvers vermaard. Intusschen, de tegenwerping heeft slechts schijnbaar eenige kracht. Vondel had zijn standpunt als Nederlands hoofddichter reeds ingenomen, toen hy tot de Roomsche Kerk overging, en het is de vraag, [117]of, zoo hy niet aanvankelijk in geheel Remonstrantschen zin geschreven en daarom ook tot loftrompetters de volgers en vrienden van Armijn had gehad, mannen als de Groot, Reael, Hooft, Vossius, van Baerle en dergelijken, (juist de zoodanigen, wier uitspraken door de latere beoordeelaars werden nagebaauwd), of dan wel immer aan zijn genie de hulde, die er aan toekomt, ware gebracht. Wy gelooven het niet: en wy meenen zelfs deze onze bewering te kunnen bewijzen uit de omstandigheid, dat, terwijl de letterkundige gidsen uit vroegeren en lateren tijd bestendig met veel ophef spreken over Vondels treurspelen en Anti-Synodale hekeldichten, zy zelden ook met een woord gewach maken van de talrijke gedichten, door hem tot verdediging en verheerlijking van de Roomsche kerk en hare dienaars geschreven. Maar zelden was er een onder hen, die ze las, en de massa, die Vondel kent als den dichter van Gijsbreght en van het liedtjen op de „Weeghschael van Holland”, zoû hem vermoedelijk nimmer gekend hebben, indien hy alleen de „Altaergeheimenissen” en de „Bespiegelingen” geschreven had, in weêrwil van al het heerlijke, dat er in voorkomt. ’t Is waar, men kent vrij algemeen zijn „Maria Stuart;” maar juist in dat Treurspel had hy zich, ofschoon Katholiek, en als zoodanig, op politiek terrein durven wagen: en ’t bekwam hem slecht genoeg om ’t nooit weêr te beproeven.

Maar van hen, die nimmer, gelijk Vondel, het voorrecht hadden, door de toongevers te worden opgehemeld, van hen kan men zeggen, wat Horatius zegt van de helden, die vóór Agamemnons tijden geleefd hadden:

Omnes illacrimabili

Iacent ignotique longa

Nocte, carent quia vate sacro:

Zy slapen in de nacht der vergetelheid, omdat zy—een heiligen zanger, zegt Horatius, maar wy zeggen—de gunst der lofbedeelers misten.—Ons echter, die, het tijdvak van Frederik Hendrik beschouwende, in deze onze galery geene soort van verdienste onherdacht mogen laten, ons betaamt, een billijker maatstaf te bezigen, dan waarvan zich eene aan sleur gewende kritiek bediende, en wanneer wy den roem van die groote mannen verheffen, wier namen wy van oudsher op den voorgrond geplaatst en, eeuw uit eeuw in, met uitbundigen lof vermeld vonden, dan past het ons, ook verder te zoeken en op te sporen, of [118]zich niet hier of daar op den stillen achtergrond een naam bevindt, die, al is hy minder schitterend, toch evenzeer verdient in een helder licht geplaatst te worden. Zoo alleen ontgaan wy het verwijt, dat wy ons zouden vergenoegen, den blooten weêrklank terug te geven van wat vroeger gezegd is.

En stellen wy zoodanig onderzoek in, dan treffen wy er spoedig meer dan een onder die Roomschgezinde geleerden aan, die in onze galery een waardige plaats bekleeden zoû, en aarzelen wy slechts of wy die zullen inruimen aan cierlijke dichters, als de Plempen, aan hooggeplaatste Kerkvoogden als Rovenius, aan bekwame theologen als Wuytiers of Kracht. Maar de overweging, dat ten deze de voorkeur moet gegeven worden aan zoodanig een, die zich vooral onderscheidde door den invloed, welken hy, schoon dan ook op minder in ’t oog vallende wijze, op zijn tijdgenooten uitoefende, heeft ons doen besluiten, die plaats te geven aan een man, die, in de dagen van Frederik Hendrik, door handel en wandel, door leering en geschriften, de eer en de belangen der Roomsche kerk niet alleen met wondere bekwaamheid, maar ook met wonderen voorspoed handhaafde, een man, die, wellicht meer dan een zijner ambtgenooten, zijn arbeid vruchten dragen zag, den even geleerden als beschaafden en beminnelijken Leonardus Marius.

Te Goes, in de stad, die Eversdijk en Smallegange had voortgebracht, en eerlang het licht zoû schenken aan Antonides, was Marius in den jare 1588 geboren. Voor den geestelijken stand opgeleid, had hy, reeds op jeugdigen leeftijd, door zijn kennis der beschaafde wetenschappen, der Oostersche talen in ’t byzonder, een schitterende vermaardheid verworven, zoo zelfs, dat hy, nog maar even dertig jaren oud zijnde, aan ’t hoofd gesteld werd der kweekschool, te Keulen opgericht, ten behoeve van hen, die uit Holland werden gezonden, om zich voor den geestelijken stand te vormen. Vandaar werd hy in 1631 naar Amsterdam geroepen en aldaar tot Pastoor van de Oude Zijde en tot Overste van ’t Begijnhof aangesteld; terwijl hy zich eerlang ook de voornaamste bedieningen, als het Deken- en Vikarisschap van Haarlem, op zag dragen. Talrijke schriften in de Latijnsche taal getuigden van zijn vlijt en geleerdheid, en nog bewaart de boekery te Leuven niet minder dan twintig deelen van zijn hand geschreven, en aanteekeningen behelzende op de Heilige Schrift. Doch prijkt zijn naam voluit voor de werken, welke hy, in de taal der geleerden, en voornamelijk te Keulen, in het licht zond, meer [119]omzichtig ging hy te werk, toen hy te Amsterdam en in ’t Nederduitsch over geloofspunten handelde, en het was niet dan onder verdichte namen, dat hy zich tegen Episcopius en anderen in een kampstrijd begaf.

Maar werkte hy door middel der pers, het was vooral door mondeling onderwijs en vromen wandel. Geen dag schier ging er voorby, waarop hy niet, ’t zij in zijn huiskapel, ’t zij elders in de stad gepredikt had. Aan vastheid van karakter en kracht van redeneertrant de grootste minzaamheid parende, bevestigde hy metterdaad de zinspreuk fortiter et suaviter, welke hy zich gekozen had, en met recht kon Vondel, zinspelende op die spreuk en tevens op ’s mans voornaam, tot hem zeggen:

Gy, Leo, zijt wel sterk, maer zoet als Nardus geur.

Door beide hoedanigheden wist Marius de achting en het vertrouwen zijner stadgenooten te verwerven, waarvan dagelijks vele, ook Onroomschen, zijn raad in moeilijke omstandigheden kwamen inwinnen. Was het wonder, dat meer dan een, die er zich wel by bevonden had, by een volgende gelegenheid terugkeerde, zijn bezoeken eerlang herhaalde, meer en meer op gemeenzamen voet met hem omging, tot dat hy, nu ook over geloofspunten met hem redeneerende, allengs zwichtte voor ’s mans scherpzinnige dialektiek en overredingskracht en van zijn vereerder zijn prozeliet werd. Groot althands was het aantal der nieuwe ledematen, welke Marius, ook uit de aanzienlijkste Gereformeerde geslachten der stad, voor zijn Kerk wist te winnen, en, wat voor hem een streelende zelfvoldoening wezen moest, onder zijn bekeerlingen mocht hy mannen tellen, met kunde, geleerdheid en vernuft bedeeld, hoedanigen het genoeg is, den vermaarden Bernhard Nieuhusius, die by de Lutherschen—en Jacob Ouzeels, die by de Gereformeerden—het predikambt had bekleed, maar bovenal Joost van den Vondel te noemen: en waar wy laatstgemelde in de heerlijkste poëzy en tevens met verwonderingswaardige belezenheid, aan ongelijkbare klaarheid in de voorstelling gepaard, de voornaamste gronden voor het Pausdom zien verdedigen, daar beseffen wy, hoe bekwaam de onderwijzer zijn moest, die zulk een leerling overtuigen en tot medestrijder vormen kon.

Zoo milddadig was Marius by zijn leven geweest, dat, toen hy den 18 October 1652 overleed, er geen genoegzame gelden by hem gevonden werden, om hem ter aarde te doen bestellen. Diep werd dan ook zijn [120]overlijden betreurd, en gewis stemden velen in met de aandoenlijke regels, waarmede Vondel zijn lijkzang op zijn vriend en leermeester besluit:

Hoe treuren wy, verlaten

Van U, die liefgetal by alle staten,

U schikte naer ’t begrijp

Van yders brein, of vroegh, of spader rijp!

Wie kon zoo harten winnen?

Door eendraghts bant verbinden zoo veel zinnen,

En stieren ze, in dees zee

Van zwarigheên, aan een behoude reê?

De tortel laat zich hooren:

Ik heb mijn gade aan Marius verloren.

De Maeght en ’t Weeskint krijt:

Wy zijn helaes! ons’ tweeden Vader quijt.

Zoo vele letterkloeken,

Die raet aan hem en zijn orakels zoeken,

Verstommen, nu hy zwijght,

En niemant op zijn vragen antwoort krijght.

Wy volgen ’t lijck met staetsi:

Een arrem loon voor gulde predicati,

Gedienstigheên en deught.

Het paradijs beloon’ hem in Godts vreught.

[121]

[Inhoud]

REMBRANDT VAN RIJN.

Niet altijd wordt aan groote mannen, gedurende hun leven, de hulde toegebracht, waarop zy aanspraak maken mogen. Een sprekend voorbeeld van de waarheid dezer stelling levert ons Rembrandt van Rijn. Heeft het nageslacht hem recht gedaan, ja, hem, schier zonder tegenspraak, als aan een ster der eerste grootte in den kunsthemel, een plaats aangewezen naast Rafaël, Michel Angelo, Rubens, Murillo, Van Dijck, geheel anders was het oordeel, dat zijn tijdgenooten over hem velden. Terwijl de schilders, hier genoemd, by hun leven reeds den lof ontfingen, die hun toekwam, en zich met eerbewijzen zagen overladen, moest er anderhalve eeuw verloopen, eer het genie van Rembrandt op zijn waarde werd geschat, en zelfs toen nog was het noodig, dat de kroon, die hem past als Vorst der Hollandsche schilderkunst, eer zy op zijn hoofd in vollen luister prijken mocht, gezuiverd werd van de smetten, waarmede onkunde en kwaadwilligheid haar bezoedeld hadden.

Rembrandt.
W. P. Hoevenaar, del  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Rembrandt.

Onkunde en kwaadwilligheid. Zoo iemand, is Rembrandt daarvan het slachtoffer geweest, en naauwlijks weten wy, by ’t bewonderen van zijn oorspronklijk en onovertrefbaar talent, of wy ons meer moeten ergeren dan verbazen over de dwaasheden, uitgekraamd door toongevende critici, ten eind zijne verdiensten als kunstenaar te verkleinen, en hem als mensch verachtlijk te maken. Had men reeds vroeger hem onder het eerste oogpunt leeren waardeeren, het is niet dan in Mei 1852, ter gelegenheid der onthulling van het Standbeeld, hem te Amsterdam opgericht, dat ook zijn karakter is gezuiverd van den blaam, dien de laster daarover zoo kwistig en met zulk een welbehagen had uitgestort. Maar hoe velen toen, by het aanhooren, later by het lezen, van Scheltemaas doorwrochte verhandeling1 tot andere inzichten mogen gekomen zijn, toch kan het [122]niet onnoodig geacht worden, by elke gepaste gelegenheid, te zorgen, dat de uitkomsten, daarin medegedeeld, meer en meer bekendheid erlangen. Voor onze lezers alzoo, voor zoo verre die het werk van Scheltema niet bezitten, zal onze schets niet overbodig zijn: wie aan de naauwkeurigheid daarvan twijfelt, zoeke in de oirkonden, als bylagen achter dat werk geplaatst, de bewijsgronden, welke het niet met ons bestek overeenkomt, aan te halen.

Rembrandt van Rijn werd in den jare 1608 te Leyden, in de Weddesteeg, by de Witte Poort, geboren, en was de zesde van zeven kinderen, door Herman Gerritsz. van Rijn verwekt by Neeltjen Willemsd. van Zuidbroek. Zijn ouders waren welgestelde lieden, en lieten by het sterven der langstlevende een niet onaanzienlijk vermogen na, waarvan Rembrandt een vierde deel bekwam. Ofschoon oorspronklijk voor de studie opgeleid, verliet de knaap, die reeds vroeg neiging en aanleg voor de kunst betoonde, al spoedig het gymnasium, om zich eerst drie jaren by Jakob Izaakszoon van Swanenburg, en later te Amsterdam, by Pezer Lastman te oefenen. By dezen bleef hy een half jaar, zette toen zijn studie voort onder de leiding van Jakob Pinas, te Haarlem, en keerde eerlang naar Leyden terug. Doch reeds had hy zich als schilder en teekenaar eenigen naam verworven, en daar hy zeer weinig geld vorderde voor de portretten, welke hy vervaardigde, werd hy meermalen naar Amsterdam ontboden, wat aanleiding gaf, dat hy zich, omstreeks 1630 reeds, in die stad vestigde. Onder zijn goede bekenden aldaar, wier afbeelsel hy vervaardigde, behoorde de Predikant Jan Cornelis Silvius. Deze was met een Friesche vrouw getrouwd, die wel eens bezoek ontfing van haar volle nicht Saskia, dochter van Rombertus Uilenburg, die Pensionaris en Burgemeester van Leeuwarden geweest en in 1624 als Raadsheer in ’t Hof van Friesland gestorven was. Met deze raakte onze schilder bekend, en zy, niet alleen van aanzienlijken en deftigen huize, maar ook van tijdelijke middelen wel gezegend zijnde, achtte het niet beneden zich, haar hand aan den burgerzoon uit Leyden te schenken. Hun echt werd op den 22. Junij, 1633 te St. Anna-Parochie in Friesland voltrokken, waar Saskia zich ophield ten huize van haar zuster Hiskia, die gehuwd was met Gerrit van Loo, Sekretaris van de Bildt. Slechts acht jaren mocht Rembrandt zich in ’t bezit zijner gade verheugen: zy stierf in 1642, aan Rembrandt een zoon achterlatende, Titus genoemd, die mede de kunst beoefende, doch met geen gelukkigen uitslag. Ofschoon [123]Rembrandt zich als schilder veel naam en daardoor ook een groot aantal leerlingen verworven had, en vrij wat bestellingen van schilderyen en portretten ontfing, was hy toch geenszins de schilder naar de mode, en zoû, indien hy van zijn kunst had moeten bestaan, maar schraal zijn rondgekomen. Dit bleek in 1656, toen zijn boedel in staat van kenlijk onvermogen werd verklaard, en zijne goederen diensvolgends aan de Desolate Boedelkamer kwamen. Zijn huis op de St. Antonies-Breêstraat, zijn huisraad, zijn schilderyen, in ’t kort, al wat hy bezat, werd gerechtelijk verkocht. De oorzaken van deze noodlottige gebeurtenis moeten gezocht worden in de omstandigheid, dat Rembrandt, een tweede huwelijk hebbende aangegaan, verplicht was geweest, aan zijn zoon het moederlijk vermogen uit te keeren, terwijl zijn eigen boedel, tengevolge van het plotseling dalen der schuldbrieven, in waarde was verminderd, en de rampen van den oorlog de zucht om de schilderkunst aan te moedigen by de natie een tijd lang had doen verslappen.

Na den slag, die hem getroffen had, leidde Rembrandt een stil en afgezonderd leven, geheel aan zijn studiën gewijd, tot dat hy, in 1669, in een andere woning op de Rozegracht te Amsterdam, overleed.

Ziedaar het kort en onopgesmukt verhaal van zijn leven. By dat van andere groote mannen heeft men doorgaands er naar gestreefd, om aan te vullen wat in vroegere levensberichten ontbrak: by het zijne moest men in-tegendeel in de eerste plaats terzijde stellen al, wat aan de vroegere berichten iets pikants of zonderlings gaf, doch geheel verzonnen of uit de lucht gegrepen was.

Van waar de verdichtselen ontsproten zijn, die men omtrent Rembrandt heeft opgedischt, is moeilijk na te gaan; intusschen is hy niet de eenige onder de beroemde kunstbeoefenaren van ons vaderland, aan wien, zelfs door eerbiedwaardige schrijvers, een karakter, een levensloop, handelingen en gezegden zijn toegekend, zonder dat voor die toekenning eenige historische grond bestaat.—Ik weet maar ééne oplossing van dat zonderling verschijnsel te geven. In den mond van ’t volk liepen van ouds allerlei vertelsetjens van hebbelijkheden of gebreken, waardoor poëeten of kunstenaren zich hadden onderscheiden, van dwaze of kluchtige streken, door hen bedreven, van vreemde avonturen, die hun waren overkomen. Een vertelsetjen van zoodanigen aart mist doorgaands alle zout, wanneer men den naam van de persoon, die ’t betreft, er niet by noemt: zoo gebeurde het, dat men aan den onbekenden held van ieder sprookjen [124]een bekenden naam gaf, en aan Vondel, aan Bredero, aan Jan Steen, aan Rembrandt enz., toeschreef, wat, zoo door iemand, zeker door geen hunner gedaan, gezegd of gedacht was. In de voorgaande eeuw, toen men algemeen begreep, dat men het niet zoo naauw had te nemen met poëeten en kunstenaars, een „slach van volkjen” dat men betaalde, als men ’t noodig had, doch waaraan men in den maatschaplijken rang een vrij lager trap toekende dan aan ambachtslieden of winkeliers; in de voorgaande eeuw, zeg ik, toen men ploerterigheid, liederlijkheid, zedeloosheid en erger nog als onafscheidelijk achtte van het kunstenaarsberoep, schepte men behagen in al zulke anekdoten als strekken konden, om die meening te bevestigen, en Houbraken, toen hy zijn Grooten Schouburgh der Nederlandsche Schilders uitgaf, en dien met een samenraapsel van schandelijke logens vulde, bracht een offer aan den smaak en de denkwijze van zijn tijd; ja, zelfs de anders zoo naauwgezette Wagenaar, als hy, in ’t laatste deel van zijn „Amsterdam”, Rembrandt onder de beroemde mannen noemt, die aldaar geleefd hebben, maakt zich in een zeer kort, zeer oppervlakkig en niet byzonder vleiend artikel van hem af, en schijnt, door naar Houbraken te verwijzen, het aldaar geboekte als evangelie op te nemen. Ware Rembrandt een Burgemeester of een Predikant geweest, de voorzichtige historieschrijver zoû zich wel de moeite gegeven hebben, eens te onderzoeken of en in hoeverre Houbrakens verhaal te vertrouwen ware;—maar Rembrandt was eenvoudig een schilder; en met diens goeden naam mocht men gerust omspringen.

Had echter Wagenaar zich de nasporingen getroost, welke latere waarheidminnaars gedaan hebben, hy had zich kunnen overtuigen, dat het artikel van Houbraken over Rembrandt, van ’t begin tot aan ’t slot, niet anders is dan een roman. Onwaar is al wat Houbraken (en zijn naschrijvers op zijn spoor) vermeldt aangaande ’t jaar en de plaats van Rembrandts geboorte: onwaar, dat Saskia Uilenburg een boeredochter uit Waterland geweest zoû zijn: onwaar, dat onze schilder zich door geldgierigheid en geldverkwisting tevens (!) zoû onderscheiden hebben: onwaar al de sprookjens, die als bewijzen daarvan worden opgedischt.

Maar, hebben zy, die over Rembrandt schreven, voor ’t minst zijn talent gespaard? Helaas! men heeft wel niet geheel ontkend, dat hy eenige verdiensten bezat; maar toch, indien ’s mans onsterflijke werken niet meer bestonden, om een getuigenis voor hem af te leggen, die ’t onverstand tot zwijgen brengt, indien wy ons oordeel over zijn bekwaamheid [125]als schilder uitsluitend moesten laten afhangen van dat zijner tijdgenooten en levensbeschrijvers, wy zouden er geen grooten dunk van koesteren.—Wy hebben het reeds gezegd: Rembrandt behoorde niet tot de meest begunstigde schilders van zijn tijd en was vrij wat minder in trek dan Sandrart, dan Mierevelt, dan Van der Helst, dan Honthorst, dan zijn eigen leerlingen, Ferdinand Bol, Govert Flink en Filips Koning. Verlangt men eenig bewijs voor dit beweeren?—Onder de schilders, wier kunstvermogen de Regeering van Amsterdam inriep, om den inwendigen luister te verhoogen van het nieuw gebouwde Stadhuis, wordt Rembrandt niet genoemd: en Vondel, die, waar ’t zaken van smaak betreft, wel als de tolk beschouwd mag worden van het toongevend publiek zijner eeuw, Vondel, die aan byna alle kunstenaren van zijnen tijd lof- en eerevaerzen toezingt, noemt Rembrandt niet meer dan eens, en wel in een onbeduidend vierregelig dichtjen, dat hy tot hem richt, niet om te prijzen, maar om de onmacht te beschrijven des schilders, die alleen ’t gelaat, niet de stem eens redenaars kan teruggeven.

Zoo wy de reden willen weten van den weinigen opgang, dien Rembrandt by de „Kunstmecenen” van zijnen tijd gemaakt schijnt te hebben, zal die vermoedelijk juist daarin dienen gezocht te worden, dat hy in zijn portretten de waarheid al te getrouw teruggaf. Hy wilde er zich niet toe leenen, verouderde of onbehaaglijke trekken met een waas van jeugd of bevalligheid op te luisteren: noch op een van nature dom gelaat een straal van vernuft te doen schitteren: hy beeldde getrouw af, wat hy zag: en dat was niet de weg om hem de gunst te doen verwerven van een publiek, dat altijd eenige ydelheid bezit en zal blijven bezitten. En daarby: onder dat publiek zijn veel groote kinders, die, even als de kleine kinders, ’t liefst heldere kleuren en schoon gewasschen beelden zien. „Men heeft het altijd in Rembrandt berispt”, zegt Wagenaar, „dat hy ’t leeven met gebreken met al te digt volgde”. En wie waren die men, wie waren die kunstrechters, wier vonnis over onzen schilder door den zoo voorzichtigen Wagenaar wordt overgenomen, als gewezen in ’t hoogste ressort? Het was, in de eerste plaats, Andries Pels, die zich in de laatste helft der zeventiende eeuw op den troon der kritiek geplaatst had en vandaar zijn orakelen sprak, anderhalf-honderd jaren lang door een tallooze schaar van Midassen en Pygmeën nog beäamd. Men leze, hoe hy, tien jaren na Rembrandts dood, hem in zijn „Gebruik en Misbruik des Tooneels,” betytelt, als: [126]

Den grooten Rembrand, die ’t by Titiaan, Van Dyk,

Noch Michiel Angelo, noch Rafel zag te haalen,

En daarom liever koos doorluchtiglyk te dwaalen

Om de eerste ketter in de Schilderkonst te zyn...

...Die schoon hy niet voor een van all’ die meesters week

In houding, noch in kracht van koloryt bezweek,

Als hy een’ naakte vrouw, gelijk ’t somtyds gebeurde,

Zou schild’ren, tot model geen Grieksche Venus keurde,

Maar eer een waschter of turftreedster uit een schuur,

Zijn dwaaling noemende navolging van Natuur,

Al ’t ander ydele verziering.

Wat verder berispt Pels onzen schilder,

Die door de gansche stad op bruggen, en op hoeken,

Op Nieuwe en Noordermarkt zeer yvrig op ging zoeken

Harnassen, Moriljons, Japonsche Ponjerts, bont,

En Rafelkraagen, die hy schilderachtig vond,

En vaak een Scipio aan ’t Roomsche lichaam paste,

Of de eedle leden van een Cyrus meê vermaste.

Men ziet het, de verstandige zucht van den schilder om van alom datgene samen te gaderen, wat hem ’t meest van dienst kon zijn, om aan zijn figuren een schilderachtig voorkomen te geven, dat rondsnuffelen naar oudheden, wat onze hedendaagsche kunstenaars zoo gretig en zoo wijslijk navolgen, die yver, in een woord, voor het beöefende vak, werd door Pels in een belachlijk daglicht gesteld.

Heden ten dage bezit men vrij algemeen de overtuiging, dat een armoedige dosch, ja de lompen eens bedelaars, waar het naakte vel door heen speelt, aantreklijker voorwerpen zijn voor het penceel des schilders, dan lakensche rokken vol ridderorden, dan prachtige uniformen met gouden epauletten, dan zijden japonnen en Perzische sjaals. Maar zóó dachten Pels en dergelijke Aristarchen niet, in wier oogen de eenvoudige natuur geen genade kon vinden, en die alles afkeurden, wat geen navolging was der klassieke oudheid. Ja, zóó zonderling en dwaas vond men dien „gril” van Rembrandt, om geen idealen te scheppen, maar na te volgen, wat hy met de oogen zag, dat men zijn zoeken van modellen by lieden uit de volksklasse niet anders wist te verklaren, dan door zekere verachtlijke neiging, die hem aanspoorde, om by voorkeur om te gaan met onbeschaafd en ruw volk. Even als had Rembrandt, het naakt leven willende bestudeeren, een andere keuze gehad! Amsterdam was het oude Griekenland niet, waar de vrouwen uit den [127]hoogsten rang het zich tot een eere rekenden, voor het oog der Apellessen of Fidiassen ook den lesten sluier te doen vallen, die haar schoone vormen bedekte: en geen Burgemeestersdochter zou zich hebben ontkleed, om Rembrandt tot model te dienen. Maar ook bovendien wordt de beschuldiging, tegen hem ingebracht, door feiten wedersproken. Zoû een man, die lage en gemeene neigingen had, door een achtbaren Regent als Tulp beschermd zijn geweest? had de smaakvolle Joan Six aan diens kunstwerk een plaats aangeboden in zijn vriendenrol? had hem de gemoedelijke Jeremias de Decker zijn vriend genoemd?—En dat die naam geen zinledige beleefdheidsklank was, blijkt uit den inhoud van ’t klinkdicht, waarin die voorkomt:

Uw meesterlijke streken,

Vriend Rembrandt, heb ik eerst zien gaan langs dit paneel;

Dus moet mijn pen wat ryms van uw begaafd penseel,

En mijnen inkt wat roems van uwe verwen spreken.

Men ziet het, de Decker had de schildery, waarover hy hier spreekt,—de afbeelding, namelijk, van den verrezen Kristus en Maria Magdalena—door den kunstenaar zien schilderen: wat niet mogelijk kan geweest zijn, of hy moet hem op zijn werkplaats bezocht, en wel vertrouwlijken omgang met hem gehad hebben. Die vertrouwlijke omgang blijkt, bovendien, uit de omstandigheid, dat Rembrandt de afbeelding van De Decker schilderde, en, dat niet, zoo als deze zelf betuigt,

En dat niet om daaruit wat loons te mogen spinnen,

Maar louterlijk uit gunst.

Dan genoeg over de ongerijmde beschuldiging.

Berispte Pels onzen grooten schilder over hetgeen hy zijn „doorluchtig dwalen” noemt, Houbraken ontzegt hem zelfs de verdienste der oorspronklijkheid, als hy, in zijn Schouburgh, van Pinas gewagende, zich aldus uitlaat: „zijn penseelwerk helde naar den bruinen kant, waarom velen gelooven, dat Rembrandt hem daarin nageaapt heeft;”—ja, nageaapt, gelijk Virgilius het Ennius, Shakespere en Molière het hun vergeten voorgangers gedaan hebben!

Het herhaald overwerken door Rembrandt van zijn kunstgewrochten, vooral van zijn etswerk, moest mede aan de vroegere beoordeelaars van zijn talent stof tot gisping bieden. Verre van daarin den rusteloozen arbeid te willen zien des waarachtigen kunstenaars, die, nimmer geheel [128]voldaan over ’t geen zijn hand verricht heeft, altijd naar volmaaktheid streeft, en elke feil zoekt te verbeteren, elke schoonheid te verhoogen, wilden zy daarin een bewijs vinden van lage geldzucht en onverzadelijk winstbejach. Die varianten op dezelfde plaat moesten dienen, zoo ’t heette, om, met kleine moeite, veel gelds te maken. Men leze, by Scheltema, de zoo bescheidene, zoo kiesche brieven, door Rembrandt geschreven aan Constantijn Huygens, betreffende den prijs van een tweetal schilderyen, door Prins Frederik Hendrik besteld: de inhoud daarvan is toereikend, om allen blaam van gierigheid te wederspreken.—Neen! men kome met afdoende gronden aan, of men eerbiedige voortaan ook het karakter des grooten mans, gelijk men nu reeds voor een tal van jaren zijn talent heeft leeren eerbiedigen.

Over dat talent zullen wy hier niet uitweiden: wanneer in alle groote kunstverzamelingen van Europa scheppingen van zijn penceel of etsnaald elks bewondering worden aangeboden, wanneer ons Vaderland vooral zich verheft op het bezit van zijn heerlijkste gewrochten—de afbeeldsels van Burgemeester Six en van Anna Wymers, de Les in de ontleedkunde, den Schutters-optocht—en van de rijkste verzameling zijner prentwerken, dan is het noodeloos, door de herhaling van hetgeen elders, meermalen, en beter dan wy het doen kunnen, is gezegd, nog een betoog te leveren van wat ieder, die van kunstgevoel niet geheel is verstoken, met eigen oogen kan zien. En dan zegt niemand langer, met Pels, dat Rembrandt het niet halen kon by Titiaan, by Rafaël, Michel Angelo of van Dijck, maar dat hy, nevens die groote mannen, door eigen en oorspronklijke grootheid schittert:—dan zegt niemand langer, met Houbraken, dat Rembrandt Pinas naäapte, maar dat hy zich een verhevener, een onsterflijk, nimmer verouderend voorbeeld ter navolging had gekozen, en dat voorbeeld teruggaf met een waarheid, welke niemand vóór of na hem heeft weten te bereiken. Indien het mogelijk ware, aan eene der scheppingen van Gods almacht een rang boven de overigen aan te wijzen, zoo zoû die, voorzeker, toekomen aan de schepping van het licht. Rembrandt streefde den Schepper na, in zoo verre dit den mensch doenlijk en geoorloofd is. God had gezegd: „er zij licht” en het licht doorstroomde het heelal: en toen Rembrandt, in zijn geest, dezelfde woorden uitte, toen, aan zijn gedachte gehoorzaam, stroomde het licht in vollen glans en helderheid over koper en paneel. [129]


1 Redevoering over het Leven en de verdiensten van Rembrandt van Rijn enz. door Dr. P. Scheltema, van Amsterdam. P. N. van Kampen. 1853.

[Inhoud]

JAN VAN GALEN.

Onder de zeehelden, die Nederland heeft voortgebragt, is er naauwlijks een, wiens leven rijker was aan avontuurlijke lotgevallen, en wiens daden ons meer doen denken aan die, welke men aan de heroën der oudheid of aan de paladijnen der ridderromans toeschrijft,—dan Jan van Galen. Gelijk de meeste beroemde scheepsbevelhebbers van zijn tijd als gewoon matroos zijn loopbaan begonnen hebbende, onderscheidde hy zich echter hierin van Piet Hein, van Tromp, van De With en anderen, dat hy niet van geringe geboorte was, maar uit een adelijk geslacht gesproten, dat onder anderen aan Munster een bisschop gegeven heeft, in onze geschiedenis te wel bekend. Van trap tot trap naar hoogere bediening geklommen, was Jan van Galen in ’t jaar 1630, op zes-en-twintigjarigen leeftijd, door de Amiraliteit van Amsterdam reeds aangesteld tot Kapitein, en boven verwachting beäntwoordde hy aan het in hem gestelde vertrouwen. Het was aan zijn weêrgâlooze stoutmoedigheid, gepaard aan een overkloek beleid, dat de koopvaardyvloten, die van hier naar Noorwegen of naar de Baltische zee voeren, haar veilige uit- en t’huisreizen te danken hadden. Niemand was meer dan Van Galen doordrongen van het gewicht, om, in elke moeilijke omstandigheid, steeds een onverschrokken houding aan te nemen: nimmer week hy voor de overmacht; maar ook zelfs wanneer de kans het nadeeligst scheen, was hy het, die den aanval begon. Onder talrijke voorbeelden van dit koene zelfvertrouwen, waarmede hy elk gevaar trotseerde, zij het genoeg er hier een enkel aan te halen.

Jan van Galen.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Jan van Galen.

In de lente van 1633 in zee gestoken op het schip Maurits, dat acht stukken voerde en met zeven-en-tachtig koppen was bemand, in gezelschap met zijn vriend en strijdmakker Cornelis Janszoon de Haen, ontdekte hy [130]op den 13. April vier zwaargebouwde kapers in lij. Ofschoon de helft zwakker dan hun tegenpartij, hielden de Kapiteins het op den vyand aan. Een van de vier schepen scheidde zich van de overigen af en werd door De Haen nagezet, met zooveel drift, dat Van Galen zoowel vlugteling als vervolger uit het gezicht verloor. Niemand had het lafheid kunnen noemen, indien hy, zich nu alleen tegen drie bevindende, een samentreffen ontweken ware; doch, wy hebben ’t reeds gezegd, wijken was geen woord, dat in ’t glossarium van Van Galen geschreven stond. Hy zet het op den vyand aan, klampt het schip, dat ’t dichtst by hem is, aan boord, beklimt en overmeestert het, en verneemt van den schipper, dat deze een Lubekker en de beide anderen Duinkerkers zijn, talrijk bemand, en in staat, om zich dapper te weren. Hierdoor des te meer aangevuurd, verlaat hy den Lubekker, en maakt jacht op de Duinkerkers, die de zeilen innemen en hem afwachten. Meer dan twee uren bestrijdt hy de vyandelijke schepen, en, ofschoon de Maurits door hun geschut als een zeef wordt doorboord, slaagt hy er in, het eene op de vlucht te drijven en het andere te bemachtigen, terwijl hy onder een hevigen storm zijn prijs behouden binnen voert.

Ongelukkig mocht hy het genoegen niet smaken, zijn vriend De Haen met hem door zijn stadgenooten te zien verwelkomen. Wel had deze, die tusschen twee kloeke schepen vervallen was, zich even manhaftig als hy gekweten, het eene in den grond geboord en het andere doen wijken, maar er zelf het leven by ingeschoten. Van Galen smaakte echter de treurige voldoening, het lijk van zijn gesneuvelden krijgsmakker naar de grafplaats te vergezellen, ter gelegenheid der plechtige lijkstaatsie, die op last der Staten plaats had. Een prachtige tombe viel De Haen te beurt, waarop deze regels te lezen staan, door Reael te zijner gedachtenis vervaardigd:

Hier rust de helt, die van zijns vyands schepen

In zeven mael kwam zeven vlaggen slepen:

En gaf in ’t laatst op twee zoo dapper vonk,

Dat d’eene vlood en d’andre by hem zonk.

Van toen af, tot in 1638, liep er geen jaar om, waarin Van Galen niet een of meer roofschepen in den grond boorde, of naar Amsterdam opbracht. Bestendig bleef zijn naam de schrik van de wateren der Noordzee, en nimmer durfden vyandelijke vaartuigen, ook zelfs al was de overmacht van getal aan hunne zijde, een aanval op hem wagen. [131]

Tot nog toe had Van Galen altijd op eigen verantwoordelijkheid strijd gevoerd, en de gevechten, door hem geleverd, waren voorgevallen in eenzame zeeën, en zonder getuigen. In 1639 werd hem voor ’t eerst de lang gewenschte gelegenheid verschaft, om op een groot tooneel, ten aanschouwe van vrienden en vyanden, het bewijs te leveren, dat hy zich, niet alleen in byzondere ontmoetingen, maar ook in een geregelden slag, onderscheiden, en zoowel gehoorzamen als gebieden kon. Ter ondersteuning der vloot van Tromp gezonden, die voor Duins lag, werd hy by diens eskader geplaatst, en genoot de eer, met hem het Spaansche Amiraalschip aan te tasten. Vervolgends was hy het, die Evertsen hielp ontzetten, toen deze in den ongelijken strijd tegen de Mater Teresa te kort schoot: en, toen dit logge zeegevaarte door de branders van Musch vernield was, vervolgde hy in de Hoofden twee zware galjoenen, waarvan hy het eene in den grond schoot en het andere als prijs opbracht.

De volgende acht jaren zagen Van Galen weder op gelijke wijze als vroeger den bezem voeren over zee, en, waar hy zich vertoonde, haar van vrijbuiters schoon vegen.

Maar de vrede met Spanje werd gesloten en een ander veld voor Van Galen geopend. In 1649 naar de Spaansche zeeën gezonden, zoû hy thands de Moorsche roovers bestrijden. Het was hier, dat hy, die zoo vaak aan het gevaar ontgaan was om door het geweer des vyands of in de golven om te komen byna door de handen van vuige moordenaars ware gevallen, en zijn behoud alleen aan zijn alles trotserende dapperheid te danken had. Twee galeien en een fluitschip, op de hoogte van Salee, veroverd hebbende, was hy daarmede voor die stad ten anker gegaan. Van daar met de boot naar Port Maria gevaren, alwaar hy een vrij aanzienlijke som voor verkochte slaven te ontfangen had, werd hy zoolang opgehouden, dat de avond reeds gevallen was, toen hy terugkeerde. Naauwelijks buiten de haven zijnde, zag hy zich achtervolgd door een bark, met gewapend volk bemand, en, terstond vermoedende, dat men het op het geld had gemunt, ’t welk hy met zich voerde, gaf hy last aan de zijnen, weder naar wal te roeien. Doch naauwlijks had men op de bark zijn doel bespeurd, of het werd verijdeld. De roovers hadden zestien riemen aan boord, waren hem spoedig op zijde en haalden hun wapens voor den dag, terwijl de roeiers van Van Galen zoodanig van schrik bevangen waren, dat zy de riemen naauwlijks gebruiken konden. Hy-zelf, kalm en onverschrokken als altijd, en, bemerkende, dat men een donderbus aanbracht, om op de [132]boot te schieten, verzaakte ook nu zijn gewoonte niet, om den aanval te beginnen, sprong op den kaerel los, die ’t stuk aan zoû steken, en deed hem terugdeinzen. Toen, zich op de plecht zijner boot stellende, weêrstond hy gansch alleen, en zonder ander wapen dan zijn degen, de geheele bende, die van pieken en ander geweer voorzien was. Een oogenblik scheen het, of hy de roovers zoû doen terugdeinzen. Zijn voorbeeld had by de zijnen den gezonken moed weder opgewekt: zy volgden hem ten aanval: hy-zelf, hoezeer met wonden overdekt, deed met een opgevatte riem een zijner bespringers in ’t water storten; doch een tweede bark kwam de eerste te hulp: twee zijner manschappen werden door de kogels der roovers gewond: de overigen sprongen over boord en zochten zich met zwemmen te redden, en de boot werd overmand. Van de zijnen verlaten, onmachtig verder weêrstand te bieden, springt ook Van Galen uit de boot. Wadende door het water, voelt hy zich door een riemslag op ’t hoofd getroffen: hy zinkt voorover en zijn degen ontvalt hem; doch hy rijst op en bereikt het strand. Daar gekomen, vindt hy, by een molen, waar hy bystand zoekt, een der roovers en een zijner matrozen. Dezen moed in ’t lijf sprekende, snelt hy, hoezeer wapenloos, den roover tegen, knypt hem met de beide handen den strot dicht, doet hem den degen ontvallen en werpt hem ter aarde. Doch twee andere moordenaars schieten toe: de een geeft den held een kolfslag op ’t hoofd, die hem nedervelt: de ander zoekt hem met een dolk te treffen, waarvan Van Galen nog den steek met de vingers weet te keeren: waarna zy, hun slagtoffer dood wanende of voor ontzet beducht, zich verwijderen. De matroos, hoezeer zelf door elf wonden verzwakt, bracht echter zijn Bevelhebber naar de stad, waar de Landvoogd de Hertog van Medina, zich juist bevond, die alle zorg droeg voor den held, hem zijn lijfarts zond, en de roovers liet vatten en te recht stellen. Tegen alle verwachting genas Van Galen zoo spoedig van zijn wonden, dat hy binnen twaalf dagen weder aan boord was. Al zijn geld, op 20 stukken van achten na, bekwam hy terug.

Men beseft, hoe een man als hem het verwijt moest grieven, hem in 1653 door de Staten gedaan, als ging hy in den oorlog tegen de Engelschen maar slap te werk. Reeds in ’t vorige jaar had hy by ’t eiland Monte Cristo het smaldeel van den Kommandeur Bodley aangetast, en, in weêrwil dat zijn want aan flarden was geschoten, zijn schip zeven schoten onder water bekomen had en drie malen in brand was geraakt, hy had [133]de Britten binnen Porto Longo gedreven, waar hy hen echter niet mocht aanvallen, daar die haven aan een onzijdige natie behoorde. Thands, het onbillijk verwijt der Staten niet kunnende verduren, schonk hy zijn vyand gelegenheid, de haven te verlaten en zeilde naar Livorno, waar zich de Engelsche Schout-by-Nacht Appleton bevond. Zijn verwachting, dat beide eskaders hem nu te samen zouden aanvallen, werd op 14 Maart verwezenlijkt. Hy houdt alsnu op Bodley aan, die hem van achteren opkomt, doch, eensklaps van koers veranderende, werpt hy zich op Appleton, vernielt drie zijner zeven schepen en dwingt er drie, met hun Bevelhebber, tot de overgave. Slechts één ontkwam en koos, met het eskader van Bodley, de vlucht.

Maar de overwinning, hoe glansrijk ook, was door den dood van den Vlootvoogd duur betaald. Reeds de tweede kogel des vyands had hem het been verbrijzeld. Lang verborg hy de wonde en bleef zijn bevelen geven, zelfs nadat het been hem was afgezet. Naar Livorno gevoerd, overleed hy aldaar den 23. Maart.—Zijn lijk werd op ’s Lands kosten in de Nieuwe Kerk te Amsterdam begraven, waar zijn graftombe nog is te zien, met zijn beeld in marmer en daaronder deze regels:

Hier leidt in ’t graf van eer de dappere Van Galen,

Die eerst ging buit op buit Castiliën afhalen

En met een Leeuwehart, naby ’t Toskaner strant,

De Britten heeft verjaegt, verovert en verbrandt.

[134]

[Inhoud]

KONSTANTIJN HUYGENS.

Het was omstreeks 1622, dat, in het blijde en geestvolle gezelschap, ’t welk gewoon was, zich op ’t Muiderslot te vereenigen, een zes-en-twintigjarige jongeling werd binnengeleid, die, als bewoner der Hofstad, waar hy zich in de hoogste kringen bewoog, een voorwerp van belangstelling voor de Amsterdamsche Juffers, van nijd voor de Amsterdamsche pronkertjens, van nieuwsgierigheid voor allen wezen moest, en die zoowel den nijd als de belangstelling deed toenemen, toen hy zich aldra onderscheidde, niet alleen door heusche en innemende vormen, vrolijk vernuft, vlugheid en zwier in dans en andere lichaamsoefeningen en een meer dan gewoon muzykaal talent, maar ook door de scherpzinnigheid en het helder oordeel, waarmede hy zijn denkbeelden wist te ontwikkelen over onderwerpen van staatkunde, wijsbegeerte, letteren en poëzy. Die jongeling was Konstantijn Huygens, op den 4. September, 1596, te ’s Gravenhage geboren, en tweede zoon van Christiaan Huygens, die Geheimschrijver van Prins Willem I, later van de Staten was geweest. Een verschil van vijftien jaren, dat tusschen hem en zijn gastheer bestond, belette niet, dat deze, ingenomen met de kennis en den geest, die de jongeling aan den dag legde, en niet minder met het aangename van zijn omgang, hem al spoedig op den meest vertrouwelijken voet behandelde, zoo dat wederkeerig Huygens, gestreeld door de onderscheiding, welke een man als Hooft hem betoonde, en zich met hem volkomen op zijn gemak gevoelende, dat vertrouwen van zijne zijde beantwoordde. En zoo ontstond er tusschen hen beiden een vriendschap, hoedanige anders alleen tusschen speel- en schoolmakkers, althands tusschen lieden van gelijken leeftijd, gesloten wordt. Huygens raadpleegde Hooft over zijn minnaryen zoowel als over zijn gedichten, Hooft hem wederkeerig over politieke zoowel als [135]over taalkundige twistvragen; en hy wist, dat hy in beide gevallen by den rechten man kwam. Immers, was Huygens, waar het de letterkunde betrof, een fijn en kundig opmerker, hy was dit niet minder in zaken van Staatkunde. Zijn bekendheid van der jeugd af met al de genen, die deel hadden aan ’t Staatsbestuur, en met de Gezanten van buitenlandsche Mogendheden, stelde hem in de gelegenheid veel te weten, dat aan den Drossaart niet of niet naauwkeurig ter oore kwam: en weldra was hy nog beter in staat, dezen omtrent de gewichtigste zaken tot vraagbaak te strekken, toen Frederik Hendrik, by zijn komst aan ’t bewind, hem by zich nam in dezelfde betrekking, welke zijn Vader by ’s Prinsen Vader had vervuld. Mocht ook het huwelijk, ’t welk Huygens in 1626 aanging met Suzanna van Baerle, een verre nicht van den beroemden hoogleeraar, ten gevolge hebben, dat hy de dagen, welke hy niet by den Prins in ’t leger doorbracht, by voorkeur t’huis by vrouw en kinderen sleet, het bracht geen verkoeling te weeg in de genegenheid, welke hy voor Hooft had opgevat: en, zagen zy elkander niet zoo dikwijls meer, wy danken aan die vermindering van wederzijdsche bezoeken een tal van onschatbare brieven, hoogst belangrijk van inhoud, en die ’t bewijs met zich brengen van onverstoorde hoogschatting en vertrouwelijkheid. Doch ook al degenen, die in de byzondere intimiteit van Hooft deelden, bleven by voortduring bewijzen ontfangen, dat Huygens voor hen gelijke gevoelens als de Drossaart koesterde. Vooral was Tesselschade, mede sedert hun eerste kennismaking gehuwd, het voorwerp zijner aanhoudende belangstelling. Beiden, Huygens en Tesselschade, verloren hun echtgenooten; en, ware het verschil van godsdienst geen beletsel geweest, voor elk hunner onoverkomelijk, misschien hadden zy elkander, door een nieuwe verbintenis, pogen te troosten. Nu bleven beiden ongehuwd, doch even hartelijk jegens elkander gezind, elkander tevens hoogachtende en kwellende, goeden raad wisselende en stekelige puntdichten.

Constantijn Huygens.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Constantijn Huygens.

Wy noemden het woord „puntdichten”: en, zoo aan Huygens in honderd andere opzichten een plaats zoû toekomen onder de verdienstelijke mannen van zijn tijd, het is vooral zijn eigenaardigheid als epigrammatist, die hem van de overigen onderscheidt. Als Staatsman volbracht hy een schoone en eervolle twee-en-zestigjarige loopbaan; doch de aart zelf dier betrekking was oorzaak, dat hy maar zelden in de gelegenheid was, het Vaderland te dienen op zoodanige wijze als buiten af bekend wordt. Als [136]geleerde was hy bestemd, anderen voor te lichten en daardoor merkbaren invloed uit te oefenen op de beschaving zijner tijdgenooten, meer dan om zelf te schitteren: als musikus was hy een bloot dilettant: in zijn vaerzen zocht hy de hooge vlucht, welke Vondel bereikte, niet na te streven; doch als Nederduitsch epigrammatist staat Huygens op een hoogte, door niemand hier te lande bereikt. En wanneer wy hem dien tytel toekennen, dan hebben wy niet zoo zeer het oog op den bundel van geestige punt- en sneldichten, door hem vervaardigd; maar op den puntigen stijl, die ieder zijner talrijke dichtvruchten, ernstige zoowel als boertige, overal kenmerkt: op dat gelukkig aanwenden van verrassende, snedige, puntige, pittige, treffende, doch juist gekozene woorden en uitdrukkingen, welke Huygens, altijd meester over de taal, met zoo veel gemak uit den schat, die hem ter dienste stond, wist te putten, en met zoo veel oordeel wist te pas te brengen. Doch, zoo hy door het kernachtige en beknopte, dat den stijl van Huygens onderscheidt, Spieghel evenaart, en niet zelden daardoor stroef is als deze, bezitten zijn gedichten echter niet zelden een bevallige zoetvloeiendheid en een zwier, die Spieghel t’eenemale mist. By hem is niet alleen de inhoud degelijk, maar ook de vorm doorgaands keurig, behagelijk, en, naar gelang van ’t onderwerp, frisch en krachtig, of liefelijk en welluidend. Nog altijd, in spijt van menig verouderde of min gewone woordvorming, vinden wy in zijn gedichten wat Vondel er in vond, en beter karakterizeerde, dan door ons zoû kunnen gedaan worden:

Eenen bloemhof, milt van geur,

Rijck door zijn verscheidenheden

Van gedaente en levend kleur:

Een banket voor keurige oogen,

Een muzykfeest voor ’t gehoor,

Als de ziel, omhoog getogen

Naer de wolcken vaert door ’t oor.

. . . . . . gulde spreucken,

Aerdige spitsvondigheên,

Lessen van geen eeuw te kreucken,

Redevormers van ’t gemeen,

Gestoffeerde galeryen,

Vol van kunst en wetenschap,

Tafereelen waert te vryen,

Honighkorven zoet van sap.

Al de Dichters in één Dichter,

Keur van stof en keur van maet,

Kort of langer, zwaer of lichter

En gepast op yders Staet.

[137]

Nog een andere lof, die, al komt hy den burger, niet den dichter toe, mag Huygens niet onthouden worden. Weinige plekken in ons vaderland zijn zoo bekend, zoo algemeen door landgenoot en vreemdeling bezocht, als Schevelingen. Maar is er naauwlijks een enkele onder de duizenden, die, ’t zij in prachtige rijtuigen, op mollige kussens gezeten of in hossende snorwagens samengepakt, ’t zij te voet, langs de bekoorlijke dreef of onder ’t dichte lommer der schilderachtige, eeuwenheugende eiken zich uit ’s Gravenhage derwaarts begeven, en er, deels alleen een verfrisschende koelte, deels het herstel hunner gezondheid, in ’t krachthernieuwende zeebad gaan zoeken, of wel eenvoudig, uitgelokt door ’t liefelijk saizoen, de benaauwende hitte der stad tegen een weldadige zeelucht, de krassende geluiden, die van markten en pleinen rijzen, tegen de liefelijke toonen van vink en nachtegaal gaan verwisselen, de beslommeringen van het Staatsbestuur gaan vergeten in de vrije en bekoorlijke natuur—is er, vragen wy, wel een enkele, die er aan denkt, dat, zoo hy langs een zoo fraaien, zoo gemakkelijken, zoo geriefelijken weg den afstand aflegt, die de Hofplaats van hare Zeevoorstad scheidt, hy zulks in de voornaamste plaats te danken heeft aan Konstantijn Huygens, die ’t eerst het denkbeeld opperde om den gullen zandweg, die het dorp aan de stad verbond, door een weg van klinkerts te doen vervangen, en, jaren lang, met onvermoeiden yver, op de aanneming bleef aandringen van het uitgewerkte plan, door hem te dien einde by de Regeering van ’s Gravenhage ingediend. Bezwaren van allerlei aart, even talrijk als die wy in onze dagen tegen elke nieuwe onderneming, tegen de Spoorwegen, tegen de Amsterdamsche Duin-Waterleiding, tegen de doorgraving van Holland op zijn Smalst, hebben zien aanvoeren, werden ook door de Hagenaars van dien tijd, even zwaartillend als onze hedendaagsche landgenooten, te berde gebracht, en het was niet dan na schier ongelooflijke moeite en een hardnekkigen, in poëzy en proza gevoerden, strijd, dat Huygens, eindelijk, zijn wensch bekroond en de Zeestraat begonnen en voltooid zag. En wel werd en wordt al meer en meer de overtuiging bevestigd, door hem in de toelichting van zijn ontwerp zoo krachtig uitgedrukt in deze woorden: „De gedurigheit dezer wandelinge houde ick soo seker, dat ick geloove den Steen-Wegh dagelicks sonder ophouden voll gegaens ende gerijds, ende van verre als een Begraeffenisse aan te sien soude wesen.”

Men gevoelt, dat zoo Huygens hier ’t woord „Begrafenis” noemt, hy [138]’t oog niet heeft op het sombere en plechtige, dat er mede gepaard gaat maar alleen op den talrijken sleep, die de begrafenissen in zijn tijd placht te vergezellen, en op den luister, die er mede gepaard ging.

Was de invloed van Hooft op de letterkundige vorming van Huygens niet zonder gewicht, vooral was die ook merkbaar op de gedragslijn, welke de laatste in ’t politieke hield. Van 1625 tot aan 1687 een gewichtig ambt hebbende, beleefde hy tijden van twist en verdeeldheid; en toch wist hy, tot aan het einde toe, zich buiten alle partyschappen te houden en zich de achting te verwerven van allen, die beurtelings deel namen aan ’t bewind van den Staat. [139]

[Inhoud]

JAN ADRIAENSZ. LEEGHWATER.

Onder de bekwame en schrandere vernuften, die in de eeuw van Frederik Hendrik uitblonken, is er een, die zich niet alleen een naam maakte door de belangrijke diensten, welke hy gedurende zijn leven aan zijn vaderland bewees, maar ook, en vooral, door het grootsche plan dat hy vormde, en dat, eerst na twee eeuwen verwezenlijkt, hem by den nazaat een roem verschaffen moest, grooter nog dan de roem, dien hem de tijdgenoot had toegekend. Die man was een eenvoudig dorpsbewoner, een molenmaker van zijn ambacht, en zijn naam was Jan Adriaensz., bygenaamd Leeghwater.

Jan Adriaensz. Leeghwater.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Jan Adriaensz. Leeghwater.

Leeghwater:—wellicht denkt men hier aan iemand, die water leêgt; maar behalve dat de woordvorming in dit geval strijdig ware met den aart onzer taal, die alsdan waterleêger zoû vereischen, zoo ware zy strijdig met de gedachte, die men er aan verbinden wilde. Immers hy ledigde geen water, hy ledigde ’t land van ’t overtollige water.—Ieder, die weet, dat in Noordholland nog heden ten dage de dubbele a in vele woorden als e wordt uitgesproken, zal begrijpen dat leegh in ’s mans bynaam eenvoudig voor laag staat, en wie bekend is met de byzonderheden van ’s mans leven, zal zich duidelijk kunnen verklaren waarom hy dien bynaam verkregen had.

Immers, in 1575 in het dorp de Rijp geboren, had hy van jongs af het bedrijf van molenmaker by de hand gehad, en, wegens zijn bekwaamheid in het vervaardigen en stellen van molens, vooral van watermolens, niet slechts binnen, maar zelfs buiten ’s lands een naam verworven. Veel water had hy alzoo laag gemaakt, en belet buiten zijn boorden te spatten [140]of wel geheel weggemalen. En van hoe veel belang het vak van nijverheid, waarop hy zich toelegde, vooral toen ter tijde geächt moest worden, daarvan kan ieder zich overtuigen, die maar een blik slaat op de kaarten van Westfriesland in die dagen. De helft, zoo niet meer, was niet dan water.

Reeds in 1553 was men begonnen met het droogmaken van eenige plassen, onder anderen, van de Zijp; maar vooral in de zestiende eeuw, toen het binnenland tot rust gekomen was, sloeg men met ernst de hand aan ’t werk, om de tallooze Waterlandsche en Westfriesche meirtjens uit te malen en in bruikbaar land te herscheppen. Droogmaking op droogmaking volgden: en by de meesten daarvan was Jan Adriaensz behulpzaam met raad en daad: vooral was het voornamelijk onder zijn toezicht, dat de zoo belangrijke Beemster werd bedijkt, waar hy was aangesteld om „waar te nemen het fabryken en stellen van de watermolens.” Ook by het droogmaken van de Purmer, de Wormer, de Schermer, de Waard en andere meiren en moerassen, was hy werkzaam, en wist zijn vindingrijke geest elke hinderpaal te voorzien of te voorkomen. De roem die van zijn bekwaamheid uitging was zoo groot, dat hy, in 1629, door Frederik Hendrik in het leger voor ’s Hertogenbosch ontboden werd, om, gelijk hy zelf verhaalt, „het water uit het leger te malen, en de watermolens by Engelen weder gangbaar te maken:” wat hy naar eisch volvoerde, en waardoor hy niet weinig toebracht tot het bemachtigen der belangrijke vesting.

Maar, gelijk wy ’t reeds aanmerkten, niet binnen de grenzen van zijn vaderland bleef de roem van Leeghwater beschreven. In 1628 riep men hem naar Bordeaux, om daar goeden raad te geven tot het droogmaken van een naby gelegen moeras, niet minder dan 4500 morgen groot, en toebehoorende aan den Hertog van Epernon. Hy voldeed aan die opdracht en vervaardigde een kaart van dat moeras, welke hy aan den Hertog, die toen met ’s Konings leger voor La Rochelle lag, overhandigde. Twee jaren later werd hy naar Mets ontboden, om raad te geven tot het droogmaken van een aldaar gelegen moeras. Ook in het gebied van den Hertog van Holstein, in Emderland en elders, werd hy genoodigd om, zooals hy ’t uitdrukt, „te ordineren dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molen-tochten, kolken, wateringen, enz.”

Maar niet hiertoe bepaalden zich zijn veelsoortige kunde en werkzaamheden. Hy vervaardigde bovendien talrijke bestekken voor gebouwen en woningen, o. a. voor het Raadhuis van zijn geboorteplaats: voorts [141]kassen en schrijnwerken, als mede uurwerken in dorpen en steden, ook twee „notabele speelwerken,” voor den Wester- en den Zuiderkerkstoren te Amsterdam. Ook hielp hy metselen aan het nieuwe Stadhuis in de laatstgenoemde stad, aan den toren der Nieuwe Kerk en aan de brug by den Jan Roodepoortstoren. Nog werkte hy behalve dat in hout en steen, in koper, metaal en ivoor, en eindelijk vermaakte hy zich, als hy ’t uitdrukt:

Oock somtyts met de pen te spelen,

Te teecknen kercken en kasteelen,

Daar by, te schryven grof en fijn,

Dat kan (Gods lof) noch heel wel zijn.

Nog verstond hy bovendien een kunst, die thands, naar ’t schijnt, geheel verloren is geraakt, te weten die van onder water te duiken, aldaar een geruimen tijd te vertoeven en verschillende verrichtingen ten uitvoer te brengen. Van deze kunst gaf hy, met zekeren Pieter Pietersz. die leeraar by de doopsgezinden was aan de Rijp, twee malen bewijs, eerst in 1605, in de nabyheid van ’s Gravenhage, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, diens broeder, de Graven Willem en Ernst van Nassau, en vele andere personen: de tweede reis op de Wetering, buiten Amsterdam, ten aanzien van een ontelbare schaar van menschen, uit de stad en den omtrek toegevloeid. Deze laatste reis bleef hy niet korter dan drie vierden uurs onder water, at twaalf peeren, die hy by zich genomen had, ieder voor de helft op, speelde de wijs van den drie-en-twintigsten Psalm op een schalmei, schreef op een schoon blad papier met pen en inkt, en deed andere verrichtingen meer, die ongeloofbaar zouden wezen, indien het gebeurde alleen door hem verhaald en niet door getuigenissen van aanwezigen, alsmede door een hem verleend Oktrooi ware bevestigd.—Hy was alzoo tevens Landmeter, Waterbouwkundige, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker—ja wat was hy niet? bovendien met de kennis der Fransche, Hoogduitsche en Latijnsche talen, en, door de vele reizen, welke hy buiten’s lands gedaan had, met een schat van ondervinding toegerust.

Was de verplichting groot, welke hem zijn tijdgenooten hadden, voor zoo vele goede en nuttige werken als door hem verricht, voor zoo vele morgen gronds, die hy aan den waterwolf ontweldigd en in vruchtbaar land herschapen had, ook het nu levende geslacht mag niet vergeten, dat [142]aan hem in de eerste plaats de dank toekomt voor het grootsche werk, dat wy hebben zien voltooien, de droogmaking van het Haarlemmer-meir.

Het was in den jare 1641, dat de schrandere man het Haarlemmer-meir-boeck, ’t welk het eerste ontwerp bevatte tot het bedijken en droogmaken van dien plas, aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeester en Raden van Amsterdam, Leyden, Haarlem en Gouda en aan Dijkgraaf en Heemraden van Rijnland, aanbood. Het was in dat belangrijke werk, ’t welk, in onderhoudenden en naieven stijl geschreven, overal den man van doorzicht, kunde en ervarenis aanduidt, dat hy de onderneming aanprees om die gestadig meer en meer invretende plas leêg te malen, en zijn denkbeelden ontwikkelde aangaande de wijze, waarop de uitvoering plaats zoû kunnen hebben. Niet minder dan twaalf drukken van dit werk kwamen in een betrekkelijk kort tijdverloop uit: wel een bewijs, hoezeer het onderwerp de algemeene belangstelling gaande maakte; maar ongelukkig had die belangstelling de gewenschte uitwerking niet by hen, die by machte waren geweest, uitvoering aan het plan te geven, en was het voor den nazaat van Frederik Hendrik bewaard, de eer daarvan weg te dragen.

Wel waren, sedert Leeghwaters dood, op het veld der werktuigkunde nieuwe en stoute ontdekkingen gedaan, waardoor naar een veranderd stelsel en met behulp der sints uitgevonden stoomkracht het werk voltooid werd; maar niet te min blijft hem de onverwelkbare eer, ’t eerst op het belangrijke der zaak de aandacht gevestigd te hebben; niet te min is zijn plan toch de grondslag geweest, waarop lateren gebouwd hebben, en is het nog altijd de vraag, of, indien men, in de wijze van uitvoering, de voorschriften, door hem gegeven, eenvoudig hadde gevolgd, niet de droogmaking op een even zekere en ongetwijfeld minder kostbare manier had kunnen plaats hebben. [143]

[Inhoud]

PAULUS POTTER.

—„Neen! daar is geen veranderen aan: hy zal mijn dochter niet krijgen.”

En waarom niet? Op zijn geboorte of afkomst kunt gy toch geen aanmerking maken? Hy is van deftige ouders; ja zelfs, van moederszijde, uit het doorluchtig Huis der Egmonden voortgesproten, en voor u, een eenvoudig Haagsch burger, zoû de verzwagering met hem alzoo waarlijk niet als een vernedering zijn aan te merken.

—„Zijn geboorte, nu ja, die is goed genoeg: zoo hy die maar niet ontluisterde....”

Ontluisterde, zegt gy.—Is er dan op zijn gedrag iets aan te merken? Drinkt hy? is hy een speler? een lichtmis?

—„Niets van dat alles: ik heb niets tot zijn nadeel gehoord: hy is, naar ik my verzekerd houde, van onbesproken zeden; maar dit is nog niet genoeg: de man, aan wien ik mijn dochter geve, moet in staat zijn, op een betamelijke wijze in haar onderhoud te voorzien.”

Paulus Potter.
W. P. Hoevenaar, del  Steend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Paulus Potter.

Die zwarigheid was ik verre van te verwachten. De jongeling is gands niet onbemiddeld: hy begint zich door zijn talent reeds naam te verwerven en hy zal weldra zelf den prijs voor zijn schilderijen kunnen bepalen. Uwe dochter zal dus met hem voor geen armoede te vreezen hebben.

—„Nu ja, maar het is juist die wijze van geld te verdienen, waarmede ik my niet kan vereenigen.”

Ik versta u niet.

—„Wel!—Is hy geen schilder?”

Nu! en....?

—„En dat is, dunkt my, genoeg. Mijn voorouders hebben altijd [144]deftige officiën bekleed, en nooit met schilders of zulk slach van volk omgang, veel min verzwagering gehad.”

Hm!—’t Is dus de uitoefening van de Schilderkunst, waardoor, naar uw inzien, Potter zijn geboorte ontluistert en zich onbekwaam maakt, naar de hand uwer dochter te dingen!

—„Juist zoo!—Nam hy een eerlijk bedrijf by de hand, ware hy timmerman of slager, ik zoû geen bezwaar maken, of huisschilder,—maar kunstschilder!—Neen vriend! dat gaat niet.”

Versta ik u wel? Het is dus by u een reden van uitsluiting, een man van talent, van hoogdravend vernuft te zijn?

—„Talent! vernuft! Fraaie zaken: waar hy, die ze bezit, doorgaands grond in vindt, om niets degelijks uit te voeren, den boêl er door te brassen, en zich en de zijnen tot armoê te brengen.”

Dat hebben de Heeren Rubens en van Dijck toch anders getoond, en, om nader by honk te blijven, de eerzame Gerrit Honthorst en Bart van der Helst verdienen geen onaardigen stuiver met hun penceel.

—„Ja, dat zijn uitzonderingen; maar zelfs geen van die lieden, die gy daar noemt, zoû ik anders dan schoorvoetende tot schoonzoon hebben aangenomen.—Met dat al, zoo hy nog, als zylieden, portretten maakte, ik zoû, nu het meisken haar zinnen op hem gezet heeft, misschien nog toegeven; want, ziet gy, dat portretten schilderen opent de deuren van lieden van rang en aanzien, en verschaft zelfs omgang met Vorsten;—maar wat schildert Potter? koeien en nog reis koeien.—Welke deuren opent dat? die van stallen en schuren; met wie verschaft dat omgang? met vee en nog ’reis vee!—Een mooi gezelschap voor mijn dochter.”

Maar, beste vriend! bedenk toch, dat de rang, dien de schilder bekleedt, niet afhangt van de onderwerpen, die hy behandelt, maar van de wijze van voorstelling. Bedenk verder: er zijn wel vijftig knappe portretschilders tegen één veeschilder, en Potter heeft, juist ten gevolge van het kunstvak, dat hy zich gekozen heeft, een standpunt ingenomen, waar hy weinig of geen mededinger heeft.

—„Fraai geredeneerd! Dat hy een boerschen smaak heeft, en zich by verkiezing met ongure en gemeene zaken bezig houdt; dat zoû hem boven anderen verheffen! ’t Is of gy het beroep van beulsknecht aanpreest, omdat er minder beulsknechten zijn dan b. v. soldaten.”

Maar, vriend! die gelijkenis.... [145]

—„’t Is waar: gy zult zeggen, soldaten zijn maar huurlingen, en de scherprechter met zijn handlangers zijn ambtenaren in dienst der hoogloffelijke Justitie;—maar toch, over ’t algemeen bewijst men grootere eere aan Kornellen en Hopluiden, dan aan hen, die met de exekutie van vonnissen zijn belast. Nu! dit in ’t voorbygaan;—en om weder op het behandelde kapittel terug te komen: ’t is, zooals ik zeide: ware hy portretschilder, ik zoû om der wille van mijn dochter, en omdat ik den knecht wel lijden mag, my niet onverbiddelijk toonen; maar een beesteschilder!—neen, in de daad, dat gaat niet.”


En toch, het ging: de voorspraak van aanzienlijke lieden te ’s Gravenhage, die den bekwamen jongeling genegen waren, ja, zoo men beweert, van Vorst Joan Maurits van Nassau, bracht te weeg, dat onze Hagenaar, spijt zijn vooroordeelen, toegaf, en dat zijn dochter de bruid werd van den vijf-en-twintig jarigen veeschilder Paulus Potter.


Ik weet niet of een gesprek, als hetgeen hierboven door my werd te boek gesteld, ooit tusschen den schoonvader van Paulus Potter en zijn vriend is gevoerd geworden: ik weet zelfs niet—wanneer ik naga met hoevele verdichtselen men goedgevonden heeft, de zoogenaamde „Levens der Schilders” te doorvlechten—of aan hetgeen verteld wordt betrekkelijk Potters vrijaadje en den tegenstand, welken zy, uithoofde zijner hoedanigheid van veeschilder, zoû ondervonden hebben, onbepaald geloof moet geslagen worden: ik weet alleen, dat hetgeen ik den Haagschen burger zeggen laat, gezegd is geworden en nog zelfs heden ten dage gezegd wordt door lieden, die aanspraak maken op deftigheid en soliditeit.

In de oogen der zoodanigen is de kunstenaar een exceptioneel wezen, bestemd, om, gedurende zijn leven, naar mate van de eeuw, waarin hy zich beroemd maakt, met een halsketen, een medalje of een eikenkroon vereerd, en na zijn dood met veel toeloop begraven en tot in de wolken verheven te worden; maar dien men, als een onpraktisch mensch, in geen maatschappelijke betrekking gebruiken, en wien men zijn dochter niet ten huwelijk geven kan.

Zelfs zijn er nog in onze dagen, die verder gaan dan de Haagsche burger uit de zeventiende eeuw: een historieschilder vindt evenmin genade in hunne oogen als een veeschilder.

Maar, zoo het vak, dat zich een schilder koos, in de oogen van den [146]materieelen hoop van hen, die in de kunst alleen een behagelijke, maar overtollige weelde zien, geenszins tot maatstaf strekt naar welken hy zich laat beoordeelen, en hy in hun oog, alleen reeds omdat hy schilder is, op een lagen sport van den maatschappelijken ladder staat, wy, die de kunst als de schoonste gave beschouwen, van God geschonken, wy vragen evenmin naar het kunstvak, wy vragen alleen: heeft hy in het beoefenen daarvan getoond, een sprank te bezitten van dat goddelijke vuur, waarmede hy, als weleer Prometheus, het stof weet te bezielen?—en is dit zoo, dan brengen wy hem lof en hulde toe als aan den man, wiens naam zal leven, ook eeuwen nadat de namen lang vergeten zijn van hen, die thands hem minachting toonen:—en daarom is het ook niet dan met eerbied, dat wy spreken van den treffelijksten veeschilder, die immer het penceel ter hand nam, van Paulus Potter.

’t Is waar, Potter heeft de natuur niet geïdealigeerd: hy heeft zich vergenoegd, haar terug te geven, gelijk hy haar voor zich zag; maar hy heeft dit weten te doen met zoodanige volkomenheid, dat alleen het leven aan zijn werk schijnt te ontbreken, en de toeschouwer, in zijn opgetogenheid over de treffende waarheid der voorstelling, er niet aan denkt, andere en meerdere eischen te doen. Zoodanig althands was de indruk, door die honderden van nieuwsgierigen ontfangen, die dag aan dag Potters meesterstuk stonden te bewonderen, toen het uit ons Land, als een kostbare roof, naar Frankrijk weggedragen, in de galery van het Louvre onder de pronkjuweelen der kunst was opgehangen.

Kort was de loopbaan, door Potter als kunstenaar afgelegd: in 1625, te Enkhuizen, geboren, was hy reeds in 1654 ten grave gedaald, maar hy had de jaren, die hy op aarde doorleefde, wèl besteed. Hy had gewerkt, terwijl het dag was; hy had de zaligheden van het huislijk leven genoten; hem was de vriendschap van edele en weldenkende mannen, ook uit den hoogsten stand de achting van allen geschonken: en reeds by zijn leven, had hy zich een roem verworven, die anderen veelal eerst na hun dood ten deel valt. Welke billijke wenschen had hy verder kunnen voeden? En voor welke te-leur-stelling, voor welke aanvallen van nijd en afgunst is hy niet gespaard gebleven!—Neen, zoo als de dichter zegt:

Wie leefde als hy, al stierf hy schijnbaar vroeg,

Hy leefde voor geluk en roem genoeg.

[147]

[Inhoud]

JAKOB VAN KAMPEN.

Toen de bloedige strijd van tachtig jaren was volstreden en, met den vrede, te Munster gesloten, de vrijheid en onafhankelijkheid, welke de jeugdige Republiek zich reeds met het staal verworven had, door Europaas Mogendheden was erkend, wist Amsterdam eene zoo gewichtige gebeurtenis te vereeuwigen door het grondvesten van een gedenkteeken als nog geene stad in haar midden had opgericht: en nog in ’t vredejaar 1648 werd de eerste steen van ’t nieuwe Stadhuis gelegd, van dat Stadhuis, ’t welk na weinige jaren de verbazing van Europa verwekken, den lof van elken kunstkenner verwerven, ja een achtste waereldwonder genoemd zoû worden.—Die eerste steen moge, ja, gelegd zijn geworden, toen Frederik Hendrik reeds dit waereldtooneel had verlaten; geruimen tijd te voren, in 1639, was het besluit tot de stichting genomen en gedurende negen jaren de voorbereidende arbeid voortgezet: het gebouw mag dus gezegd worden, uit dat tijdvak van Frederik Hendrik te zijn ontstaan: en als zoodanig is het niet alleen het hechtste en duurzaamste monument dat van dat tijdvak blijft spreken, maar ook mag het beschouwd worden als het schoonste onder de nog blijvende rezultaten, die ons dat tijdvak heeft opgeleverd: terwijl het in allen gevalle ontegenzeggelijk is, dat de man, wiens naam door den bouw van dat gesticht vereeuwigd werd, tot dat tijdvak behoort.

Jakob van Kampen.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Jakob van Kampen.

Wy weten niet, welk aandeel, ’t zij als ontwerper, ’t zij als bouwmeester van het Stadhuis moet worden toegekend aan Daniël Stalpert: wy mogen het zelfs betreuren, dat, door schrijvers en dichters, zijne verdiensten zoo geheel in de schaduw zijn gesteld; maar die gedachte mag ons niet weêrhouden in deze galery een plaats toe te kennen en een [148]kroon te vlechten aan hem, wiens naam aan de stichting onafscheidelyk verbonden is gebleven, aan Jakob van Kampen.

Wy hebben het reeds by meer dan eene gelegenheid kunnen opmerken, het hier gevierde tijdvak was zoo rijk aan groote mannen, dat de schrijvers van die dagen zich minder om de personen zelve bekommerden dan om de werken, die zy leverden: daarby werd over ’t geheel weinig belang gesteld in biografiën: zoo men te dezen opzichte een uitzondering maakte, ’t was voor staatslieden, zeehelden, geleerden of dichters: zelden gebeurde het, dat iemand zijn pen versneed om narichten te geven aangaande krijgsbevelhebbers of kunstenaars. Gene beschouwde men als huurlingen, deze als leveranciers, die men betaalde voor den dienst, dien zy deden, of den arbeid, dien zy verrichtten, en wier geboortejaar, herkomst en lotgevallen aan den betaalsheer even onverschillig waren, als die van den bakker, die brood aan huis bezorgde of van den smid, die de geldkoffers van sloten voorzag. Er was te Amsterdam een nieuw Stadhuis gekomen, dat in allen deele voldeed aan de vereischten: wat had men zich te bekommeren over de bouwmeesters? Hun rekening was immers betaald, zoo goed als die van steenhouwer, metselaar, timmerman, loodgieter, glazemaker of vergulder,—en zoo kwam het, dat het volk den eenen bouwmeester geheel vergat, om van den anderen alleen te onthouden, dat hy Van Kampen heette. Waar, in welk jaar hy geboren was, welke opleiding hy genoten, hoe hy het tot zulk een hoogte in zijn vak had gebracht, kon niemand scheelen.

Is het niet een merkwaardig verschijnsel, dat wy, die omtrent zulke punten meer belangstellend zijn, ons wederom, ter voldoening onzer opgewekte nieuwsgierigheid, in de eerste plaats tot Vondel moeten wenden, die, wel is waar, in zijn uitvoerig gedicht op de inwijding van ’t Stadhuis, Van Kampen niet eenmaal by name vermeldt, en in een ander gedicht, waar men ’t niet verwachten zoû, slechts vier regelen en nog maar in ’t voorbygaan aan van Kampen wijdt, doch in die vier regelen vijf gewichtige byzonderheden aangaande hem doen kennen. Sprekende van Amersfoort zegt hy namelijk:

De Helt van Randebroek, de bouwheer van de Vorsten

En ’t Raethuis t’ Amsterdam, verheerlyckt haeren lof.

Want zy hem baerde en zooghde aen haer getrouwe borsten

Om bouw- en tekenkonst te heffen uit het stof.

Uit deze regels, voorkomende in het gedicht, dat ten tytel voert: [149]„de Nachtegaal van Amersfoort,” zijn, als ik zeide, vijf zaken te leeren, te weten: dat Jakob van Kampen te Amersfoort geboren was: dat hy schilder of althands teekenaar was zoo wel als bouwmeester: dat hy in deze laatste hoedanigheid door „de Vorsten”, d. i. door Prins Frederik Hendrik, en ook, als blijken zal, door Vorst Joan Maurits van Nassau, gebezigd werd, dat hy het Stadhuis had gebouwd; en eindelijk, dat hy, in 1657, het jaartal der vervaardiging van ’t gedicht, zich onthield op den huize Randenbroek, even buiten eene der poorten van Amersfoort gelegen. Aan de juistheid der narichten van Vondel, die sedert zijn jeugd goed bekend was met al wat Kampen heette, valt wel niet te twijfelen: en de berichten, die wy elders by waarheidminnende schrijvers over den Amersfoortschen bouwmeester aantreffen, zijn niet meer dan aanvullingen van ’t geen Vondel vermeldt.

Jakob van Kampen dan schijnt aanvankelijk meer byzonder de schilderkunst te hebben beoefend, en de wetenschap, dat hy dit met grooten lof, en wel te Haarlem, deed, ontleenen wy wederom aan een dichter en wel aan Samuel Ampsing, die in zijn Beschrijving en Lof der stad Haarlem blz. 871, zulks op ’t jaar 1628 vermeldt.—Het waren misschien de woorden, te dezer gelegenheid door Ampsing gesproken, die stof gaven tot de valsche veronderstelling van Houbraken en Weyerman, dat Van Kampen een Haarlemmer van geboorte zoû zijn geweest. Maar wy behoeven geen gronden te zoeken voor de berichten van Houbraken en Weyerman, van wie wy weten, hoe gewoon zy zijn zonder grond te spreken.

’t Zij voor, ’t zij na zijn verblijf te Haarlem had van Kampen Italiën bezocht en aldaar, by het beschouwen der meesterstukken van bouwkunst, te Rome, in Venetiën en elders aanwezig, zijn lust voelen opwekken om Vitruvius en Palladio op ’t spoor te volgen. Wy zullen hier de vraag niet behandelen, of het overbrengen van een bouwstijl, die onder den warmen hemel van Italiën voegde, naar ons vochtige Noorden, gelukkig mocht genoemd worden: wy weten niet, in hoe verre Van Kampen het aanwenden daarvan ook voor het binnenste van byzondere woningen heeft aangeprezen: wy gelooven het zelfs niet;—want al plaatste hy voor het huis van Cooymans (thands van Jhr. J. Huydecoper van Zeyst) op de Keizersgracht te Amsterdam, een antieken gevel, hy wist het van binnen op zoodanige wijze in te richten, als met ons klimaat en ’t gemak des bewoners overeenstemde:—en ’t zelfde was [150]het geval met het Raadhuis, door hem op den Dam gebouwd, en hetwelk zy voor wie ’t dienen moest niet anders konden wenschen dan het werd.—Noch Gothische aspiratiën, noch Byzantijnsche weelderigheid, noch overdaad van vercieringen, noch hooge voorportalen en breede poort, kwamen te pas by een gebouw, dat aan burger-overheden tot vergaderplaats, kantoor, vierschaar en kasteel moest dienen. Hier waren vierkante kracht, strenge deftigheid, eigenaardig verband der deelen, gepaste inrichting van elk deel—’t zij gaandery, ’t zij kamers, ’t zij trap, ’t zij gewelf, ’t zij zolder, ’t zij portaal—tot het gebruik waar het toe bestemd zoû worden, hoofdvereischten, voor welke alle zucht tot praal moest achter staan: en die vereischten wist het scheppend genie des bouwheers aan te brengen op een wyze, die ’t volmaakte zoo naby komt, dat geen aanmerking van bedillers, zelfs zoodanige, die schijnbaar gegrond was, tot heden toe niet op zegevierende wijze is wederlegd kunnen worden. Met recht mocht er Vondel dan ook van zingen:

De bouwkunst, toen ze in ’t werck beooghde haeren wensch,

Koos tot haer voorbeelt uit het lichaem van den mensch,

Zoo meesterlijck volbouwt, van buiten en van binnen,

Dat niets hieraen ontbreeckt, en d’allersnelste zinnen,

Die dit doorsnuffelen, van ’t meeste aan ’t minste lidt,

Bekennen moeten dat het allerminst miszit

Wat hieraen wordt herstelt. Herstellen is misstellen.

Wie dit hervormt, misvormt.

Dat heeft men bewaarheid gezien toen men het Stadhuis behandelde als men een flinken, vierkanten grenadier behandelen zoû, wien men witte glacé handschoenen, een paar verlakte dansschoentjens en een gekleurd vest aantrok, en het tot een paleis misschiep:

Laet overmeeten, tellen,

En weegen, wien dit lust; het lichaem schroomt geen licht,

Geen klaere middaghzon, noch maet, getal, en wight.

Zoo blijckt dit bouwsel dan van lidt tot lidt rechtvaerdigh

In evenredenheit, en zulck een bouwheer waerdigh,

Die ieder bouwer wijst, en, als Godts leerkint, trouw

Het oogh leert slaen op hem, en zijnen schoonsten bouw.

De bouwers van ’t Stadthuis den eisch der wet voldeden,

En volghden zulx de kunst, dat geen van all’ de leden

In zijnen stant bezwijckt: Vitruvius trede aen,

En zelf Apollodoor, bouwmeester van Trajaen,

Wiens naelt noch heden praelt te Rome, voor onze oogen.

Zy vinden dit gebouw door al zijn leên voltogen,

[151]Van boven tot beneên. Geene outheit dit verdooft.

Het heeft zijn middenlijf, zijn voeten, armen, hooft,

En schouders, elk om ’t netst. Het heeft zijn ingewanden,

Elck lidt, elck ingewant zijn ambt, gebruick en standen.

Hier leeft en zweeft de ziel van ons Wethoudery,

Gelijck een Godtheit in, en ziet het zeilryck Y

Met ’t weerelts ooghsten en Oostindiën geladen,

De Zeven landen zelfs ons Heeren en ons Raeden,

Orakels van den staet, bezoecken, reis op reis,

In tijt van oorelog en ongestoorden pais,

En leeren, beter dan by Griecken, en Romeinen,

Hoe zich de Grooten hier tot ’s nabuurs dienst verkleinen.

Behalve van het Stadhuis en van het straks genoemde huis te Amsterdam, was Van Kampen ook de bouwmeester der prachtige huizinge, welke Vorst Joan Maurits, na zijn terugkomst uit Braziliën, zich te ’s Gravenhage naby het Plein liet stichten, doch die, in 1704 geheel afgebrand, door een andere vervangen is: van het Huis te Rijswijk, beroemd om de vredesonderhandelingen, aldaar in 1679 gehouden: van het huis des Heeren van Zuilichem op het Plein in den Haag enz. Van zijn bekwaamheid als schilder en teekenaar getuigen, onder meer, een afbeelding van Laurens Coster, in de „Laure-crans” aan den uitvinder der Boekdrukkunst door Petrus Scriverius gevlochten; een onthoofding van Johannes den Dooper, met levensgroote beelden, een verzameling van vijftig uitmuntende platen, naar teekeningen, door hem te Venetiën vervaardigd, en een aantal keurig in het graauw geschilderde friezen, boven de glasramen eener kamer in het „Hooger huis” naby Amersfoort, welke hofstede, even als later Randenbroek, door hem gebouwd en bewoond werd. Het was op het laatstgenoemde landgoed, dat hy op den 13. September van het jaar 1657 overleed. De Groote Kerk te Amersfoort bevat zijn graf, boven ’t welk een gedenkteeken, hem door zijn vrienden opgericht en voor eenige jaren hersteld, van zijn verdiensten gewaagt. [152]

[Inhoud]

ANNA MARIA SCHURMANS.

Wanneer wy de jaarboeken van eenig beschaafd volk doorbladeren, dan vinden wy daar altijd melding in gemaakt van een of hoogstens twee dier zeldzaam bevoorrechte wezens, die, reeds van hun eerste kindschheid af beroemd, boven hun tijdgenooten blijven uitblinken, niet door hun bekwaamheid in eenig bepaald vak, maar door hun vatbaarheid om elk vak zonder uitzondering, met gelukkig gevolg, te beoefenen: wondermenschen, die zonder moeite en als uit spel zich al die talenten verschaffen, welke voor anderen niet dan na jaren van arbeid en inspanning verkrijgbaar zijn; gelukkigen, van wie men zoû zeggen, dat de Natuur hen als bedorven kinderen heeft willen behandelen, en wie men geneigd zoû zijn boven elk ander te benijden, ware het niet, dat zy althans in een enkel opzicht achterstaan by de zoodanigen, wier genie zich meer uitsluitend in eene richting bewogen heeft, te weten, dat zy over ’t geheel geen merkbaren invloed op de beschaving of verlichting van hun tijdvak hebben uitgeöefend, en alzoo meer overeenkomst hebben met de prachtige vuurwerken—die een poos elk ander licht verduisteren om aan de verbaasde toeschouwers een wonderbare mengeling der schoonste kleuren en glansen te vertoonen, doch later weêr verdwijnen, zonder eenig spoor achter te laten,—dan met de gasvlam, wier schijnsel maar ééne kleur vertoont, doch, duurzaam gevoed, een helder en verwarmend licht om zich heen blijft spreiden. Zoodanig een zeldzame verschijning was, b. v., in Italiën Pico de la Mirandola, in Schotland Jakobus Crighton, in de Nederlanden—en wel in dat zelfde tijdvak, aan ’t welk geene soort van opluistering ontbrak, Anna Maria Schurmans.

Anna Maria Schurmans.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Anna Maria Schurmans.

Gewis, zoo immer een vrouw aanspraak heeft mogen maken op den naam van Pandora of „Albegaafde,” dan is zy het geweest: en hadde [153]niet de kring, waarin zy verkeerde, en de getuigenis der meest achtbare en meest geloofwaardige personen allen twijfel doen verdwijnen aangaande haar recht om dien naam te voeren, dan zouden wy al licht geneigd zijn, te gelooven, óf dat de lof, haar geschonken, overdreven is geweest, óf dat haar enkele van die geheime kunstmiddelen ten dienste stonden, waarvan zich Albertus Magnus of andere biologen uit vroegeren of lateren tijd bedienden. Zeker is het, dat de Jezuïeten, die haar in ’t gevolg van Koningin Kristina bezochten, haar wonderbare begaafdheid niet wisten toe te schrijven dan aan een verbond met den Duivel: een oordeel, dat zeker noch galant jegens een beminlijke en achtingswaardige vrouw, noch liefderijk jegens een vrome Kristin genoemd mag worden.

Vleiender oordeel sprak Cats, in de Voorrede van zijn Trouwring, over haar uit: ’t is waar, hy was te haren voordeele ingenomen, althands, het praatjen gaat, dat hy haar ten huwelijk gevraagd had. Is dit werkelijk geschied, en wel, toen zy naauwlijks den veertienjarigen leeftijd bereikte, dan bewijst dit reeds op zich-zelf hoe vroeg zy naar verstand en hart ontwikkeld moet geweest zijn:—en dat hy nog even loflijk over haar bleef spreken, ofschoon het huwelijk tusschen hen beiden geen voortgang had, mag misschien als een nog sterker bewijs te haren voordeele gelden.

En nu ten behoeve van de zoodanigen onder onze lezers, die noch de getuigenissen van Cats aangaande Anna Maria Schurmans, noch zelfs haar levensschets in de werkjens van ’t Nut van ’t Algemeen gelezen hebben, de gronden aangevoerd, waarop wy ons gerechtigd achten haar den naam van Pandora toe te kennen.

Gewis, hadden wy in de zeventiende eeuw geleefd, wy hadden wel den Duivel buiten ’t spel gelaten, maar toch misschien geloofd, dat er by de geboorte onzer heldin iets bovennatuurlijks had plaats gehad, ja dat, even als wy zulks in de toovergeschiedenissen lezen, Feën by hare moeder op kraambezoek geweest waren en de jonggeborene ieder met een geschenk begiftigd hadden. Zoo had zy reeds, in de eerste plaats, een aanzienlijken stand in de maatschappy. Haar vader, Frederik Schurmans, stamde af van de Graven van der Mark: haar moeder, Eva de Harf, was een adelijke Jonkvrouw uit het Land van Keulen: en het was in de stad van dien naam, dat zy op den 5den November, 1607, geboren werd. En alsnu aan het spel onzer verbeelding toegevende, laten wy haar door een tweede Feë beschenken met aanzienlijke betrekkingen: immers, door de huwelijken, welke haar broeders en zusters aangingen, [154]vermaagschapte zy zich met de machtigste Regenten. Een derde schonk haar die schoonheid van gelaat en bevalligheid van leest, die haar tot in haren ouderdom bybleven: een vierde, die ongemeene vlugheid van bevatting, waardoor zy reeds op haar derde jaar lezen, op haar zevende in drie uren tijds het borduren leeren kon, op haar elfde, alleen door toe te luisteren naar het onderwijs, dat haar broeders gegeven werd, zich het Latijn eigen maakte en in weinige jaren niet alleen de meeste nieuwste talen, maar ook de Grieksche en Hebreeuwsche volkomen sprak en schreef, ja vrij bedreven werd in het Syrisch, Kaldeeuwsch, Arabisch en Ethiopisch: het, zonder moeite in de wis-, natuur- en aardrijkskunde zeer verre bracht, en, over allerlei punten van godgeleerdheid en wijsbegeerte met de bekwaamste doktoren kon redetwisten. Een vijfde Feë deelde haar de gave mede, om door keurig schrift de beste meesters naar de kroon te steken: een zesde den aanleg tot de beeldende kunsten. Reeds op haar zesde jaar sneed zy met een schaar en pennemes de geestigste figuren: weldra hanteerde zy ’t penceel en verpoosde zich van wetenschappelijke nasporingen, door ’t schilderen van bloemen, van vliegend en kruipend gedierte: zonder ander gereedschap dan een mes, wist zy uit palmhout de meest gelijkende portretten te vormen: met een diamant graveerde zy bevallige groepen op glas: in de boetseerkunst bracht zy het tot zoodanige hoogte, dat zy niet alleen bloemen, vruchten en edelgesteenten, maar ook haar eigen borstbeeld uit wasch wist te kneden, zoo volkomen gelijkend, dat er enkel het leven aan ontbrak. Van een zevende Feë ontfing zy de gave der poëzy, en nog getuigen enkele Hollandsche zoowel als Latijnsche dichtstukjens, hoe fiksch zy de lier hanteerde. Een achtste Feë boezemde haar smaak in voor de muziek, die zy met een gelukkig gevolg beoefende, en, om de waardy van al die gaven te verhoogen, werd haar door een negende een lieftallige zedigheid geschonken. Wanneer zy, in den kring harer gezellinnen gezeten, zich onledig hield met vrouwlijk handwerk en koutte over de meest alledaagsche onderwerpen, had niemand in haar die wonderbare geleerdheid vermoed, waardoor zy niet alleen boven hare speelnooten, maar boven vele beroemde mannen van haar tijd uitblonk: ja, zoo warsch was zy van het najagen van onderscheiding en roem, dat haar verdiensten nimmer in al haar omvang bekend zouden geworden zijn, indien niet mannen als Rivetus, Vossius, Salmazius, Spanheim, Beverwijk, Huyghens, haar, tegen haar wil, op het tooneel der waereld [155]gebracht hadden. Deze rekenden het zich tot eere, briefwisseling met haar te houden, haar antwoorden te vertoonen en haar lof alom te verkondigen. Zoo kwam het, dat ook de beroemdste geleerden uit den vreemde, als Balzac, Gassendi, Marsenne, Bochart, en anderen, aan haar schreven en wederkeerig brieven van haar ontfingen. Op deze wijze bracht de faam haar naam geheel Europa door. Was ’t wonder, dat de Princes van Boheme haar lief had, dat Richelieu haar blijken zijner hoogachting toezond, dat Louise Marie de Gonzaga, toen zy als Bruid van Vladislaus naar Polen reisde, dat de Hertogin van Longueville, by gelegenheid van den vrede van Munster hier gekomen, en later Kristina van Zweden, haar in haar woning te Utrecht bezochten?

Maar weinige van haar lettervruchten leverde zy, en nog gedwongen, aan de pers: de eerste verscheen in 1636: ’t was een gedicht op de stichting der Hooge School te Utrecht. In 1641 verscheen haar Latijnsche redevoering over de vraag: „of het studeeren aan vrouwen geoorloofd is:” in 1658 eerst, een verzameling van werkjens, in Hebreeuwsch, Grieksch, Latijnsch en Fransch rijm en onrijm vervaardigd.

Zoo begaafd was zy—en zoovele gaven bracht zy tot een vrijwillig offer aan haar overtuiging, dat alle wetenschap ydel was, en dat de Heer haar geboden had, afstand te doen van haar vroegere levenswijze, om zich uitsluitend aan Zijn dienst te wijden. De waereld vergeeft het nooit, dat men de eer, die zy schenken kan, met voeten treedt, en brandmerkte voortaan met den naam van Dweepster haar, die zy als Tiende Muze bewierookt had. Ja, toen Anna Maria Schurmans in 1678 te Wiewert in Friesland stierf, was zy door haar tijdgenooten vergeten. Maar wy, wy herhalen nog, met trots, de regels, die Cats onder haar afbeelding schreef:

Wie oyt dit aerdig beelt sult komen aen te schouwen,

Hout vast, dat gy hier siet een roem voor alle vrouwen.

Van dat de waerelt stond tot heden op ten dagh,

Niet een die haar geleeck of nu bereycken magh.

Anna Maria Schurmans mocht in geen haar gelijkend kroost herleven. Op het kraambezoek, dat wy verdicht hebben, was, zoo als dit in alle toovergeschiedenissen regelmatig plaats heeft, eene enkele Feë by ongeluk niet gebeden, en deze, hierover vergramd, had den vloek over haar uitgesproken, dat—ofschoon aan alle mannen behagende—zy des-niet-te-min maagd zoû sterven. [156]

[Inhoud]

JAN STEEN.

Onder die werkjens, welke de Maatschappy „tot Nut van ’t Algemeen” heeft uitgegeven met het loffelijk doel, om de geschiedenis van ons Vaderland en van de groote mannen, die het heeft voortgebracht, aan den volke bekend te maken, doch waarvan het noodlottig gevolg geen ander is geweest, dan dat, „tot algemeen nadeel”, aan den volke talrijke onwaarheden opgedischt en talrijke valsche begrippen zijn verkondigd geworden, behoort vooral zekere galery, die begint met Jan Steen en eindigt met Gravin Jacoba. Over deze laatste, die er zeer dwaaslijk op een plaatjen wordt voorgesteld als een pottebakster, hebben wy hier niet te spreken; wel over den eerstgenoemde, wien plaatsnijder en verhaler ons afschilderen als een dronken lichtmis, wiens geheele leven getuigenis draagt van liederlijke zorgeloosheid en brassery. Het is tegen dezen groven laster, jegens een onzer grootste schilders gepleegd, dat wy beginnen moeten, met protest aan te teekenen.

Jan Steen.
W. P. Hoevenaar, del  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Jan Steen.

Zoeken wy naar den oorsprong van al de sprookjens, waarmede schrijvers, die ’t beter hadden kunnen en moeten weten, hun lezers hebben zoeken te vermaken ten koste van Jan Steen, zonder zich te laten terughouden door de gedachte, dat hun logens, door andere, ook vreemde schrijvers voor goede munt opgenomen, ten gevolge moesten hebben, dat de goede naam van een landgenoot bezwalkt en de eer zelve van dat land er door verminderd werd, wy vinden dien oorsprong wederom by Houbraken en Campo Weyerman terug. Intusschen, waar de eerste, misschien te goeder trouw, maar zeker zonder eenig onpartijdig en naauwgezet onderzoek, en bovendien geheel verstoken van alle oordeel des onderscheids, alles aannam en opteekende wat hem werd overgebriefd, schepte de laatste een kwaadaardig genoegen in het verlagen en bekladden [157]van het karakter zijner kunstgenooten, zamelde hy gretig en met voorbedachten rade alle vertellingen op, hoe vuiler en onwaardiger hoe liever, die hy in kroegen en kitten vernomen had, en stelde die op rekening van dezen of genen kunstenaar, wiens leven hy heette te schetsen. Zoo heeft hy gehandeld ten opzichte van Rembrandt, van Van der Helst, van vijftig anderen, inzonderheid van Jan Steen.

Wy willen ons de moeite niet geven, al de grollen, welke men van dezen laatste verteld heeft, op te halen en er het logenachtige van aan te toonen. Alleen ernstige schrijvers en die geen werk het licht doen zien zonder dat zy uit overtuiging spreken, verdienen wederlegd te worden. Wy willen ons zelfs de moeite niet geven, Jan Steen te zuiveren van den op hem geworpen blaam van dronkenschap en lichtmissery, en zulks om de zeer eenvoudige reden, dat voor al wie maar eenig gezond verstand bezit en het verkiest te gebruiken, de beschuldiging van zelve wegvalt, wanneer hy nagaat, dat Jan Steen, in een leven van drie-en-vijftig jaren, dus in een tijdsverloop van een groote dertig jaren, ongeveer vijfhonderd schilderyen—zestien a zeventien ’s jaars—(om niet van een aantal teekeningen te spreken) vervaardigd heeft, waarvan verre weg de meesten met een aantal figuren voorzien, en die, byna zonder onderscheid, met de grootste zorg en uitvoerigheid beärbeid zijn.—Wie in dronkenschap verkeert, moge al een vluchtige schets maken, waar geest in doorstraalt: het zal hem onmogelijk zijn, zuiverheid in zijn omtrekken, naauwkeurigheid in zijn teekenen, harmonie in proportiën en kleuren, volkomenheid in zijn ordonnantie te brengen: hy zal kunnen aanvangen, nimmer voltooien: juist dat voltooien, dat in elk deel afwerken van een reeks van meesterstukken, wier aantal door weinigen is geëvenaard, door iemand, die er de weinige nuchtere uren aan moet doorbrengen, aan een liederlijk leven ontwoekerd, is meer dan iets ongelooflijks; het is dood eenvoudig een onmogelijkheid.

’t Is waar, de ontwerpen, welke Jan Steen ’t liefst en ’t gelukkigst behandelde, zijn tooneelen, waarin drinken en smullen de hoofdrol speelt: ’t zijn voorstellingen van kermissen, van vrolijke partyen, van dartele vermaken, van de gevolgen, die zy na zich slepen: en hoe meer waarheid er in de behandeling daarvan heerscht, hoe meer men het gevolg er uit meent te mogen trekken, dat alleen de yverige en trouwe deelnemer aan zulke tooneelen ook in staat kon zijn ze naar ’t leven terug te geven.—Die gevolgtrekking is echter onjuist. De goede Jean de [158]la Fontaine was in ’t geheel geen lichtmis of verleider, al volgde hy—zelf op onnavolgbare wijze—in zijn vertellingen het spoor, door Boccacio en Aretijn gewezen: en Molière, als blijgeestig dichter door niemand overtroffen, was zelf van nature zwaarmoedig.—Omgekeerd vindt men schrijvers, wier werken niets ademen dan godsdienst en zedelijkheid, en die in handel en wandel zich gedroegen of er voor hen noch God noch gebod bestond.

Wy noemden Molière:—en mist Nederland de eer, een blijspeldichter te kunnen vertoonen, hem gelijk, de eeuw van Frederik Hendrik heeft in Jan Steen een genie voortgebracht, Molière op zijde strevende waar het aankomt op geest van opmerking, op naieve oorspronkelijkheid van gedachten, op vernuftige opvatting, op natuurlijkheid van voorstelling, op vrolijke scherts, op het naar waarheid schetsen van karakters, hartstochten en gebreken.—Elke schildery van Jan Steen is een blij- of kluchtspel, al naar dat het onderwerp het mede brengt, vol gelukkigen luim, in al zijn deelen volkomen: hoe langer en hoe aandachtiger men het beschouwt, hoe meer men niet alleen er geest en leven in ontdekt, maar hoe meer men ook de overtuiging in zich voelt oprijzen, dat achter menige scherts, die schijnbaar alleen dient om de lachspieren op te wekken, een wijsgeerige gedachte verborgen ligt. Vele schilderyen, ook der grootste meesters, moet men zich vergenoegen te bewonderen: die van Jan Steen dwingen ons ook, te denken.—Neen, in zijn driedubbele hoedanigheid van zorgvuldig opmerker, van wijsgeer, die lachend de waarheid verkondigt, en van uitmuntend schilder, is Jan Steen tot heden niet geëvenaard, veel min overtroffen. Wie toch is beter dan hy er in geslaagd, om, wat het burgerlijk leven om zich heen zag, met zooveel juistheid en smaak op het doek terug te geven?—By Jan Steen is altijd een hoofdgedachte aanwezig, die hy op de gelukkigste manier weet uit te werken. Niet alleen is de ordonnantie boven allen lof verheven; maar elk détail, met overleg gekozen en, ’t zij meer of min belangrijk, altijd met gelijke zorg behandeld, werkt mede, om den indruk te verhoogen, dien ’t geheel op den toeschouwer maken moet: alle voorwerpen redden zich: licht en bruin zijn geschakeerd gelijk dit enkel door den zoodanige geschieden kan, die in de geheimste verborgenheden der kunst is ingewijd;—in een woord, overal paart zich by hem, aan de grootste waarheid van opvatting, de grootste waarheid in de wijze waarop hy die opvatting heeft teruggegeven.—Nogmaals, de man, die, [159]niet een enkele reize, niet gedurende een byzonder tijdperk van zijn leven, maar keer op keer, maar bestendig, maar in geheel zijn schildersloopbaan, zulke kunstgewrochten wist voort-te-brengen, diens vernuft was door geen brassery verstompt, diens hand was door geen dronkenschap aan ’t beven geraakt.

Even fabelachtig als de vertellingen van Houbraken en Weyerman aangaande de levenswijze en het gedrag van Jan Steen, even onnaauwkeurig zijn hun opgaven betreffende zijn geboorte, bedrijf en levensloop.—Het is met onloochenbare bewijzen gestaafd, dat Jan Steen in 1626, alzoo tien jaren vroeger dan men tot dus verre meende, is geboren; en wel te Leyden, waar zijn geheele familie al meer dan een eeuw met eere bekend en gezeten was. Niet Brouwer, als men verhaald heeft—zeker om meer kleur van waarheid by te zetten aan de sprookjens over zijn ongeregeld leven—niet Brouwer, die reeds overleden was toen Jan Steen nog een knaap was, maar Ostade, wiens voortreffelijk koloriet—en Van Goyen, wiens manier in ’t landschapschilderen—hy navolgde, waren zijn meesters: en het was met de dochter van laatstgemelde, dat hy zich in September 1649 in den echt verbond. Zoo hy al een tijd lang te Delft aan ’t hoofd stond van een brouwery, zijn naam bleef te Leyden prijken op de registers der broederschap van Sint Lukas, die hem in 1648 had opgenomen onder haar leden; ’t zij, dat zijn beroep hem verdroot, als hem te weinig tijd overlatende voor zijn geliefkoosde studiën, ’t zij, dat werkelijk die studiën hem dat beroep meer deden verwaarlozen dan op den duur met zijn belang als huisvader overeenkwam,—en dit kunnen wy gereedelijk aannemen zonder dat wy daarby aan eenig wangedrag hebben te denken—hy gaf het op en zijn woonplaats te Delft meteen, om zich wederom te Leyden te vestigen. Weduwenaar geworden hertrouwde hy met Maayken van Egmond, weduwe van den boekverkooper Claes Herculens, en uit al wat men, niet uit beuzelachtige praatjens, maar uit waarachtige oirkonden van hem weet, is niet anders op te maken, dan dat hy er als een stil en ordentelijk gezeten burger leefde, die zich de achting zijner medeburgers wist te verwerven. De oude en rechtschapen Jan Lievensz, toen de Nestor der Hollandsche schilders, was zijn vriend: en de toen nog jeugdige Karel de Moor verhaalde lang naderhand met opgewondenheid van de gesprekken over kunst, welke hy met Jan Steen gevoerd had.

„Is er daarom geen enkel woord waar van de vertellingen, die betreffende [160]Jan Steen in omloop zijn? Heeft hy niet eene van die snakeryen bedreven, niet een van die koddige gezegden gebezigd, die hem worden toegeschreven?”—Ziedaar wat wellicht meer dan een ons vragen zal, wien ’t zelfs misschien heimlijk verdrieten zoû, betere gedachten dan te voren aangaande den schilder te moeten voeden, die tot nog toe hem voor den geest gestaan had als het ideaal van geniale dwaasheid.—Wy durven hier geen bepaald antwoord op geven: het is zeer mogelijk, niet onwaarschijnlijk zelfs, dat iemand, wiens brein zoo vruchtbaar was in ’t uitdenken van kluchtige toestanden op ’t paneel, nu en dan ook zelf een klucht bedreven, aan dezen of genen een vrolijke poets gespeeld heeft. Maar daarom behoefde nog de uitdrukking: „het is een stukjen van Jan Steen” niet, in plaats van op zijn schilderyen, op den man zelven te worden toegepast, in dien zin, als ware zijn leven een voortdurende klucht geweest:—en wellicht is in den aanvang alleen aan de valsche toepassing dier uitdrukking de slechte dunk te wijten, dien men zich van Jan Steen heeft gevormd, en waaruit zijn biografen aanleiding hebben genomen zoo veel zotte bedrijven op zijnen hals te schuiven.—

Jan Steen overleed den 3den February 1679 en werd in de Pieters-kerk te Leyden begraven, vijf kinderen, niet in een berooiden boedel, maar in goeden doen achterlatende. [161]

[Inhoud]

JAN EVERTSEN.

Was er immer een geslacht, dat zich op zee beroemd maakte en den dank van ’t Vaderland verdiende, het is dat der Evertsens. De man, wiens naam aan het hoofd van deze schets gelezen wordt, was niet de eerste noch zou de laatste uit dat geslacht zijn, die zich door luisterrijke daden, als scheeps- of zeevoogd onderscheidde; doch zoo hy by voorkeur in deze galery een plaats heeft bekomen, ’t is niet alleen omdat de meesten zijner naamgenooten tot een vroeger of tot een later tijdvak behooren dan het door ons behandelde, maar ook omdat hy door tal van heldenfeiten boven allen uitmunt. Zijn vader, als hy genoemd, was den dood voor ’t Vaderland gestorven: hy zelf, in 1600 geboren, en reeds vroeg in zeedienst getreden, gebood in 1636 als Kommandeur een viertal oorlogsvaartuigen, die in last hadden, de koopvaardyvloot naar Frankrijk te geleiden. Eenige koopvaarders, wellicht belust, om, door vroeger dan de overigen ter bestemmingsplaatse te zijn, hun lading met meer voordeel te slijten, waren zonder konvooi vooruitgezeild. Dit was den Duinkerkers ter oore gekomen, en de wakkere Amiraal Jacques Collaert, mede tot een geslacht behoorende, welks leden zich op zee beroemd hadden gemaakt, was met drie welbemande schepen afgezonden om den onbeveiligden buit prijs te maken. Op den 10en February klampte hy de koopvaarders aan boord, en zoû die met zich gevoerd hebben, toen Evertsen, die, van de begane onvoorzichtigheid onderricht, onmiddelijk was afgezeild om er de gevolgen van te voorkomen, de bedreigde vaartuigen te hulp kwam. Joost van der Trappen, gezegd Banckert—van welken naam er op dat tijdstip vier in dienst van den Staat waren—en nog twee andere Kapiteins vergezelden hem. Na een hevig gevecht van vijf uren, op de hoogte van Dieppe geleverd, werd een der [162]Duinkerkers in den grond geboord, en het derde, waarop zich Collaert met zijn Vice-Amiraal Matthijs Rombouts bevond, zoo heftig door de beide Zeeuwsche Bevelhebbers beschoten, dat Collaert reeds op het punt was, zich in de lucht te laten springen; maar zijn schip was vast geraakt, had reeds water in en ging met twee honderd man te gronde. Honderd vijftig anderen werden met de beide Bevelhebbers gevankelijk te Vlissingen opgebracht.

Jan Evertsen.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Jan Evertsen.

In het volgende jaar tot Vice-Amiraal van Zeeland benoemd, deelde Evertsen op den 21sten October 1639 in de glorie, by Duins behaald. Aan hem was de eervolle taak opgedragen, den kamp te wagen met het reusachtige monsterschip van den Amiraal van Portugal, de Mater Teresa. Zoo stevig gebouwd was dit zeegevaarte, en zoo dik van bekleeding, dat de kogels, daarop afgezonden, even weinig uitwerking deden als de ganzenhagel hebben zoû op den huid van een olifant,—en evenmin bestond er mogelijkheid, een schip te enteren, dat zich zoo hoog verhief boven de overige vaartuigen en door een bemanning van twaalfhonderd kloeke zeelieden verdedigd werd. En toch wist Evertsen zijn vervaarlijken tegenstander zoo lang bezig te houden, tot dat hy hulp bekwam van Van Galen en daarna van Musch, aan wiens branders het gelukte, het zeekasteel te vernielen. Maar niet voldaan met een roem, welken hy met anderen gedeeld had, vervolgde en achterhaalde Evertsen de nu uit Duins gejaagde Spanjaarts: en het mocht hem gelukken, niet minder dan negen hunner schepen, waaronder zes Galjoenen, te bemachtigen en in Zeeland binnen te brengen.

Drie jaren later, in 1642, onderscheidde hy zich op nieuw, door een drietal Hollandsche koopvaarders aan de Duinkerkers, die ze buit gemaakt hadden, weder te ontnemen, en, zoo de kaperyen op de Vlaamsche kusten gedurende de laatste jaren van Frederik Hendriks bestuur minder talrijk waren dan voorheen, het was grootendeels aan de waakzaamheid van Jan Evertsen en aan den schrik, welken hy inboezemde, dat men zulks te danken had.

In 1652—om van tochten en oorlogsfeiten van mindere beteekenis niet te gewagen—was Evertsen tegenwoordig by den scheepstrijd, tusschen Tromp en Blake by Doever geleverd, en op den 10den December van dat zelfde jaar, was het in een tweeden slag tusschen die zelfde beide zeehelden, dat, vooral ten gevolge van zijn mannelijk gedrag, de overwinning zich voor de onzen verklaarde. [163]

Geen minderen roem verwierf hy zich in ’t volgende jaar, toen in de Hoofden, drie dagen lang—van 28 February tot 2 Maart—nogmaals tusschen de genoemde Zeevoogden slag geleverd werd; en glansrijk werd het gedrag, door hem te dier gelegenheid gehouden, zoo door Hun Hoog Mogenden, als door de Staten van Holland erkend. Nog in datzelfde jaar gaf hy herhaalde bewijzen zijner dapperheid, op den 12den Juny, in den zeeslag voor Nieuwpoort, daags daarna in dien voor Duinkerken, als ook by Katwijk en ter Heide: in welken laatsten strijd Tromp sneuvelde, en het schip, waarop Evertsen zich bevond, zoo reddeloos geschoten werd, dat hy genoodzaakt was, zich naar de Maas te laten sleepen.

Het was alleen de omstandigheid, dat hy een Zeeuw was niet alleen, maar ook tot de Amiraliteit van Zeeland behoorde, dat onzen held de miskenning te beurt viel, welke hem trof, toen het opperbevel, waarop, na het overlijden van Tromp, niemand betere en meer gegronde aanspraken had kunnen maken dan hy, hem niet gegund werd. ’t Is waar, hy zag zich geen zijner krijgsmakkers voorgetrokken; want de nieuwe Luitenant-Amiraal, de Heer van Wassenaer, had nimmer ter zee gediend; maar de zonderlinge politiek, toen door het Staatsbestuur gevoerd, waardoor mannen, die hun leven aan boord en in ’t heetst der zeegevaren hadden doorgebracht, voortaan moesten gehoorzamen aan iemand, die, hoe bekwaam en moedig ook, toch niet de minste ondervinding bezat, was niet geschikt om een gunstigen indruk by de oude strijdgenooten van Piet Hein en Tromp te maken: en de uitkomst leerde dan ook, dat hun ergernis niet onbillijk, en hun bezorgdheid voor ’s Lands eer niet zonder grond was.

Eenige vergoeding voor de ontfangen te-leur-stelling mocht Evertsen ondervinden, doordien hy in 1664—ware het dan ook spade—werd aangesteld tot Luitenant-Amiraal van Zeeland. En toch, het scheen, of die vergoeding alleen moest strekken om hem nog dieper kwellingen aan te doen. Immers, in ’t volgende jaar, onder Wassenaer, dien beroemden slag gestreden hebbende, waarby deze door zijn eigen kruit in de lucht sprong en, ten gevolge van den verkeerden geest die by de vloot heerschte, onze zeemacht de meest volkomen neêrlaag leed, welke zy immer ondervond, werd hy, de grijze krijgsheld, die een der weinigen was geweest onder hen, die de eer der vlag gehandhaafd hadden, by zijn terugkomst, door ’t gepeupel in den Briel gescholden, van flaauwhartigheid [164]beticht, aangerand, in ’t water gesmeten. Nog in tijds werd hy gered; maar geen wonder was het, dat hy, na dat zelfs een nadrukkelijk schrijven der Staten van Zeeland aan de Staten-Generaal niet de uitwerking gehad had, dat hem behoorlijke voldoening voor ’t gegeven onrecht werd gegeven, zich voor een tijd lang, zelfs met goedvinden der Staten van zijn Gewest, aan den dienst onttrok. Zijn jongere broeder, de niet minder dappere Cornelis Evertsen, werd in zijne plaats tot Luitenant-Amiraal benoemd, doch sneuvelde reeds in ’t volgende jaar 1666. Toen bood Jan Evertsen nogmaals aan ’t Vaderland zijn diensten aan, er den wensch byvoegende, dat hy, even als zijn vader, als een zijner zonen, als vier zijner broederen, ten nutte van ’t Gemeenebest, op het bed van eer mocht sterven. Dit aanbod was des te edelmoediger, om dat Evertsen vooraf wist, dat hy nu zoû komen te staan onder ’t bevel van een Vlootvoogd, die, jonger officier dan hy, te voren een rang beneden den zijnen had bekleed, die mede een Zeeuw was, hoezeer dan onder de Amiraliteit van Amsterdam staande. ’t Is waar, die Vlootvoogd was Michiel Adriaensz. de Ruyter, en zelfs een Evertsen achtte het geen vernedering, diens bevelen te volgen. ’t Was echter in hooger raad beschikt, dat de tocht, welken onze held nu volbrengen ging, zijn laatste wezen zoû. In den noodlottigen zeeslag van 4 Augustus 1666 werd hem reeds by het eerste treffen het been door een kogel weggenomen, ten gevolge waarvan hy kort daarop overleed. By besluit der Staten van Zeeland van 19 Augustus werd hy plechtstatig ter aarde besteld en op het praalgraf in de Sint Pieters Kerk te Middelburg, dat zijn overschot en dat van zijn broeder Cornelis besluit, hun beider afbeelding in marmer uitgehouwen. Voorts werd ’s Vaders nagedachtenis in den zoon vereerd, en deze, onder buitengewoon gunstige voorwaarden, tot Vice-Amiraal bevorderd. [165]

[Inhoud]

BARTHOLOMEUS VAN DER HELST.

Te Amsterdam, op den Kloveniersburgwal, staat een gebouw, dat onder den naam van Trippenhuis een historische vermaardheid verworven heeft. Dat gebouw is, gelijk dit trouwens met alle groote gebouwen te Amsterdam plaats heeft, tot meer dan één doel bestemd: in het eene gedeelte daarvan is de Koninklijke Academie van Wetenschappen gevestigd: het andere gedeelte dient tot pakhuis, en daarin is opgeslagen eene der kostelijkste verzamelingen van schilderyen, welke op de waereld bestaat. Ik bezig de benaming „pakhuis”, ofschoon die van „Rijks-museum” officieel is, en dan ook in de katalogussen, guides, enz., voorkomt. Zy is echter onjuist, zoowel wat het eerste als wat het tweede deel der samenstelling betreft. De schilderyen, die hier gevonden worden, zijn niet alle Rijks-eigendom: sommige behooren aan de Stad Amsterdam; en al is het getal daarvan gering, men weet, dat een half dozijn groote diamanten van ’t zuiverste water een omboordsel van honderd kleinere en min schitterende juweelen in waarde overtreffen: zoo is het ook hier. Een benaming, waardoor men in den waan gebracht wordt, als behoorden al de kunstvoortbrengselen, hier verzameld, aan het Rijk, is alzoo min naauwkeurig;—maar niet minder moet ik my verzetten tegen het woord „Museum”. By al wie ’t hoort rijst onwillekeurig de gedachte op aan ruime, smaakvolle galeryen en zalen, waar ieder kunstgewrocht met oordeel is ten toon gesteld, een behoorlijk licht ontfangt, en van den afstand, dien de perspektief vereischt, beschouwd kan worden: waar alles samenwerkt, om het oog des kunstenaars te voldoen, het eene voorwerp aan de uitwerking van het andere geen nadeel toebrengt, en waar, vooral, noch onwillekeurige beschadiging, noch moedwillige roof, onder de mogelijkheden kunnen gerekend worden. Geen enkel der hier genoemde [166]vereischten van een Museum is op het Trippenhuis aanwezig. In plaats van in zalen en galeryen, hangen de schilderstukken in afgeschoten kamers, hokken en portalen, of langs den trap. Op de meesten valt het licht of in ’t geheel niet, of verkeerd, zoo dat het geschilderde niet te onderscheiden is. Zoekt men het standpunt van waar een ten-toon-gestelde schildery gezien moet worden, dan gebeurt het veelal, dat men, al rugwaart gaande, tegen den wand komt, zonder het nog te hebben gevonden; in de gangen en op den trap verkeert men gedurig in gevaar, met den elleboog een deuk, zoo geen gat, in een doek te stooten of de verf van een paneel te schaven;—en, wat roof betreft, een voorval, dat ieder nog versch in ’t geheugen liggen zal, heeft bewezen, hoe gemakkelijk die gepleegd kon worden. ’t Is waar, men heeft, om een herhaling van zoo stout een feit te voorkomen, de schilderyen tegen den wand gespijkerd: waarvan het gevolg is, dat, ja, geen dief ze meer zal wegdragen; maar ook, dat, in geval van brand, geen reddende hand ze in veiligheid zal kunnen brengen.

B. van der Helst.
Herman ten Kate, del.  Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

B. van der Helst.

Wanneer gy dat pakhuis zijt binnengetreden, en, na met behoedzaamheid den trap beklommen te hebben, u naar de voorkamers begeeft, zal, onder de zoo vele onwaardeerbare schatten, aldaar verzameld, een kapitaal schilderstuk vooral uw aandacht trekken, en, ten zij gy van smaak en kunstzin ten eenemale ontbloot zijt, den tol uwer bewondering vorderen. Het onderwerp heeft niets, dat byzonder poëtisch, verheven, of zelfs treffend genoemd mag worden. ’t Is een maaltijd, gehouden door schutters uit de zeventiende eeuw. Wel is waar verbindt zich daaraan de gedachte aan den Munsterschen vrede, die op dat feestmaal gevierd wordt, de herinnering van een tijdperk van kracht, roem en welvaart; maar toch niet dáárin is de hoofdverdienste der schildery gelegen. Ook afgescheiden van ’t geen verbeelding in ’t gemoed des beschouwers kan doen oprijzen, om den ontfangen indruk te verhoogen, is het in de eerste en voornaamste plaats om de waarheid der voorstelling, dat het kunstwerk aanspraak maakt op onzen lof: zoo ergends, hebben wy hier het leven voor oogen. Samenstelling, kleur, overeenstemming der deelen, uitdrukking, alles is schoon, alles is volmaakt, en, om hier de woorden te gebruiken van iemand, wiens bevoegdheid als kunstrechter niemand wederspreken zal, van Sir Joshua Reynolds: „er bestaat wellicht geen treffelijker portretstuk op de waereld dan dit, hetwelk, meer dan eenig ander, al de eigenschappen bezit, in afbeeldsels gevorderd.” [167]

Gewis mag Nederland er trotsch op zijn, dat de schilder, die in een byzonder kunstvak het volkomenste werk leverde, hier het eerste levenslicht zag, hier zijne opleiding genoot en hier zijn arbeid verrichtte: en niet minder mag het opmerking verdienen, dat ook wederom het tijdvak, ’t welk het vruchtbaarst was in groote mannen van alle soort, getuige was van den bloei van Bartholomeus van der Helst.

Wie was Bartholomeus van der Helst? Waar, by wien, had hy zich gevormd en dat meesterschap opgedaan over ’t penceel, ’t welk hem tot zulk een verbazende hoogte in de kunst verhief?—Helaas! hoe weinig voldoende zijn de antwoorden, welke wy op deze vragen bekomen. Alleen dit vernemen wy, en nog wel zonder eenigen waarborg voor de echtheid der bronnen, waaruit de mededeeling is geput, dat hy in 1613 te Haarlem zoû zijn geboren: en met meer zekerheid weten wy, dat zijn broeder kastelein was in den Handboogdoelen te Amsterdam. Hoe onbeteekenend deze laatste byzonderheid oppervlakkig schijne, zy was het vermoedelijk niet wat haar invloed betrof op de loopbaan des kunstenaars; ja wy mogen aannemen, dat zy den grondslag legde, zoo niet tot zijn talent, dan tot zijn fortuin. Door zijn broeder den kastelein kwam de jeugdige van der Helst in betrekking met de Doelisten, met de Doelheeren, met de Hoofden der Schutteryen, met zoovele andere rijke en aanzienlijke Amsterdammers, als gewoon waren, de herberg op den Cingel ter oefening of ter uitspanning te bezoeken. Wat schoone en welkome gelegenheid voor den schilder, om bestellingen te bekomen, om portretten te vervaardigen, om zijn natuurlijken aanleg meer en meer te ontwikkelen, te beschaven, te volmaken, en, zoo doende, in staat te geraken, op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd zijn onovertroffen meesterstuk te leveren. Was het wonder, dat de Doele-schilder, wiens rijke ordonnantie, wiens frisch en gloeiend koloriet, wiens tevens breede en uitvoerige bewerking, wiens weelderigheid in ’t bybrengen van bevallige en keurige uitgewerkte cieradiën meer geschikt was om aan de menigte te behagen dan de manier zelfs van een Rembrandt—welke laatste meer zich-zelven dan zijn modellen zocht te voldoen, en alleen door lieden van verhoogden kunstzin en diep gevoel recht gewaardeerd kan worden;—was het wonder, zeg ik, dat Van der Helst eerlang de schilder naar de mode werd, dat Vorsten en Regenten zich tot een voorrecht rekenden, door hem te worden afgebeeld, dat hy zich aanzienlijke prijzen voor zijn arbeid betalen zag, en onder de kunstenaars van zijn tijd byna de [168]eenige was, die by zijn sterven een belangrijk vermogen achterliet aan zijn zoon.

De naam van Van der Helst is uitgestorven: zijn vermogen in vreemde handen overgegaan: wat de geschiedenis van hem vermeldt is niet noemenswaardig;—doch er zoû ook een tijd kunnen komen, dat zelfs zijn verdienste als kunstenaar werd miskend:—en dat kan zeer licht gebeuren, wanneer voortdurend aan zijn meesterstukken een verblijf wordt toegewezen, ongeschikt om ze naar behooren te doen zien en waardeeren. Wat wy voor zijn werk vragen, vragen wy tevens voor de erfenis, die zijn groote broeders in de kunst ons hebben nagelaten. Mogen wy ons vleien, dat, by den overvloed, die thands in de schatkist schijnt te heerschen, by de onbekrompenheid, waarmede men ’s Lands gelden aan industriële werken van hoogst twijfelachtig nut verkwist, ook eens iets gedaan zal worden ter opwekking van het esthetisch gevoel der Natie en tot bewaring van den vroegeren roem? Zoû by het aanbieden der Begrooting van een volgend jaar ook eens aan de Kunst gedacht worden en een som daarop voorkomen, bestemd tot bestrijding der kosten van een nieuw gebouw, dat het besproken pakhuis zal vervangen, een gebouw, het Rijk, de Hoofdstad waardig, maar waardig vooral de Kunsttrezoren, ter wier bewaring het bestemd zal worden?—Op geen andere wijze toch zal Nederland zich vrij maken uit den toestand, waarin het zich gebracht ziet, van te moeten blozen en zwijgen by het verwijt des vreemdelings, dat het zijn kunstschatten verwaarloost, zijn kunstroem niet telt, en zijn groote mannen aan vergetelheid ten prooi geeft. [169]

[Inhoud]

Colofon

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., n.v.t., 30, 52, 109, 109, 169 [Niet in bron] .
15 schander schrander
17 afwisslende afwisselende
19 , [Verwijderd]
22 Shakespere Shakespeare
27 Swelingh Swelinck
28 Omnibns Omnibus
30 donce douce
30 toesten toetsen
31 [Niet in bron]
35 vervaardige vervaardigde
38 zultge zult ge
42 Bleau Blaeu
45 Leden leden
48 vijf- en- veertigjarigen vijf-en-veertigjarigen
48 achteenvolgends achtereenvolgends
49 inmidddels inmiddels
51 luisterst fluisterst
55 verstandhonding verstandhouding
57 boden bodem
60, 61 diens zijns
60 geworpeu geworpen
68 immers Immers
69 naamalleen naam alleen
69 [Niet in bron] den
79 karaktrekken karaktertrekken
80 [Niet in bron]
85 leidsnan leidsman
90 Francois François
90, 108, 111, 148, 166 , .
112 Ik Ick
113 latijn Latijn
116 bentgenootschaplijke bontgenootschaplijke
119 at et
121 Rubbens Rubens
128 de der
149 Amerfoortschen Amersfoortschen
150 toenze toen ze
150 Eu En
152 Schuurmans Schurmans
154 ; ,
155 Uladislaus Vladislaus
166 gegemakkelijk gemakkelijk
166 Reynold Reynolds