The Project Gutenberg eBook of De Ellendigen (Deel 5 van 5)

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Author: Victor Hugo

Release date: November 28, 2011 [eBook #38163]
Most recently updated: January 8, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 5 VAN 5) ***


[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

De Ellendigen.

De Ellendigen
Vijfde deel.
Arnhem en Nijmegen,
Gebrs. E. & M. Cohen.
[Inhoud]

Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen. [5]

Boek I.

De oorlog tusschen vier muren.

[7]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel.

De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis gezien heeft.

Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.

Het janhagel valt het algemeen recht aan; de ochlocratie staat op tegen den demos.

Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, dan die der onterfden.

Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus Christus. [8]

Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassen bewonderd heeft.

Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige woorden sprak: Fex urbis, lex orbis.

De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar verzet, vereert hij haar. ’t Is een dier zeldzame oogenblikken, wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van den plicht gaat met verscheuring van ’t hart gepaard.

Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat oproer moest bestreden worden, en ’t was plicht, want het viel de republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het volk tegen zich zelf.

Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen afdwaling; het zij ons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.

De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.

De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der voorstad steunenden, [9]verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? ’t Was het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles ’t onderstboven! ’t Was de samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. ’t Was grootsch en klein! ’t Was de afgrond, door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, ’t was vreeselijk. ’t Was de acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor op den 10den Augustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op haar korf geweest. Was ’t een haag? Was ’t een dronkenmanspartij? [10]Was ’t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de bedelaar wegwerpt, en die tevens woede en het niet bevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; ’t was geen gevecht, ’t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. ’t Was een mesthoop en ’t was Sinaï!

Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en ’t was de Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde. [11]

Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is een heldin.

De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.

De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in het wanstaltige; de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.

Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieille du Temple, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommige Romeinsche muren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop maakte; ’t was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.

De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.

’t Was de barricade der voorstad van den Tempel.

Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegd [12]en somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.

Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer verloochent zich niet.

In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.

Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.

Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug, zorgende dat hun schako’s er niet boven uitkwamen.

De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade huiverend.—„Welk een bouwstuk!” zeide hij tot een vertegenwoordiger. „Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. ’t Is zoo glad als porselein.”—Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.

„De lafaards!” zeide men. „Dat zij voor den dag komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.” De barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.

De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du Temple was de stilte. Deze beide schansen [13]boden het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere een masker.

Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.

Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.

Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van Herkules was.

Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.

Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas! Barthélemy Cournet. ’t Was een treurig tweegevecht. Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: de zwarte vlag. [14]

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten.

Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.

Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.

Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke men als op den muur van een citadel kon klimmen.

Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de schade hersteld en de lijken weggevoerd.

Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.

Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze woorden te griffen:

Leven de volken!

Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men nog op dien muur in 1848.

De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachts [15]gebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, ’t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.

Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.

Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, die een ambulance was geworden, lagen op matrassen en bossen stroo vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden het eerst verbonden.

In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.

„’t Is hier de doodenkamer,” zei Enjolras.

In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.

De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.

Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.

Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, onvermijdelijk het wrak der Medusa. Men moest zich aan den honger onderwerpen. ’t Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: „Waarom? ’t Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!”

Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.

Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de keldertrap opging, zeide hij: „’t Is van den ouden voorraad van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest.”—„’t Moet een fijn wijntje zijn,” merkte Bossuet op. „Gelukkig, dat Grantaire slaapt. Zoo hij [16]wakker was, zou ’t moeielijk zijn deze flesschen te redden.”—In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.

Tegen twee uren ’s morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog zeven-en-dertig man.

De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op ’t hoofd van den doode.

„Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,” zei Courfeyrac tot Feuilly. „De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het beeft.”

De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.

Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende wijsbegeerte:

„Wat is de kat?” sprak hij. „’t Is een middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij: „Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping.”

Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van Cabuc, alsmede van Enjolras’ strenge droefheid. Hij zeide:

„Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus, Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord, [17]om dien zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest.”

En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.

„Cesar,” zei Combeferre, „viel met recht. Cicero was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde, regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing van Christus’ aangezicht. Cesar werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in ’t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.”

Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven de sprekers stond, riep:

„O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als een Griek van Laurium of van Edapteon!”

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

Verlichting en verduistering.

Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had hij zich door de steeg Mondétour begeven.

De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De wijze, waarop zij den nachtelijken aanval hadden [18]afgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren ’s morgens zou een regiment, „dat men bewerkt had” omkeeren; des middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.

Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.

Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een zwerm bijen gelijkende.

Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide hij:

„Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik heb de schako’s van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten.”

Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.

Dat oogenblik was kort.

Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:

„Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet verlaten.”

Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met daverenden bijval werden zij toegejuicht. [19]

Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; ’t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.

Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6den Juni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: „Men moge ons te hulp komen of niet, ’t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man.”

Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Vijf minder, een meer.

Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon zegevierend was:

„Leve de dood! Blijven wij allen hier!”

„Waarom allen?” vroeg Enjolras.

„Allen! Allen!”

Enjolras hernam:

„De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn voldoende. Waarom er veertig geofferd?”

Zij antwoordden:

„Wijl niemand zal willen heengaan.”

„Burgers!” riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, „de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals iedere andere.”

Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die almacht mocht zijn, men morde echter. [20]

Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:

„Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken.”

Het gemor vermeerderde.

„’t Is overigens,” merkte een stem in een groep aan, „gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld.”

„Niet aan den kant der Hallen,” zei Enjolras. „De straat Mondétour is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents bereiken.”

„En dáár,” hernam een andere stem in de groep, „zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten.”

Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en beiden gingen in het benedenvertrek.

Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako’s.

„Met deze uniformen,” zei Enjolras, „mengt men zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier.”

En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.

Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam het woord.

„Welaan,” zeide hij, „men moet een weinig medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil ’t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdieping [21]heeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou ’t zelfde wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! ’t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; ’t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. ’t Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve gezonde [22]kind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had altijd honger. ’t Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en ’t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, de moeders, de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn.”

Allen lieten treurig het hoofd zinken.

Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders der anderen en vergat de zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was „zelfzuchtig!”

Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat. [23]

Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.

Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.

Hij verhief de stem en sprak:

„Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!”

Niemand verroerde zich.

„De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit het gelid!” herhaalde Marius.

Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, maar Marius was er de redder van.

„Ik beveel het,” riep Enjolras.

„Ik verzoek het,” zei Marius.

Toen, door Combeferre’s woorden verteederd, door ’t bevel van Enjolras geschokt en door Marius’ bede bewogen, begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden. „Inderdaad,” zei een jongeling tot een bejaard man, „gij zijt huisvader. Ga”—„Ga gij veeleer,” antwoordde de man, „gij hebt twee zusters te onderhouden.”—En een wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.

„Haasten wij ons,” zei Courfeyrac, „binnen een kwartier zal het te laat zijn.”

„Burgers,” hernam Enjolras, „’t is hier de republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten.

Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen. [24]

„Er zijn vijf man!” riep Marius.

Er waren slechts vier uniformen.

„Welnu,” zeiden de vijf, „dan moet er één blijven.”

En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.

„Gij hebt een vrouw, die u bemint.”—„Gij hebt een oude moeder.”—„Gij hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?”—„Gij zijt vader van vijf kinderen.”—„Gij hebt recht te leven; ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven.”

Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen verwonderden zich volstrekt niet over elkander.

„Haast u!” herhaalde Courfeyrac.

Uit de groepen riep men tot Marius:

„Wijs gij dengene aan, die blijven moet.”

„Ja,” zeiden de vijf, „kies gij. Wij zullen u gehoorzamen.”

Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog bleeker had kunnen worden.

Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen ziet, riep hem toe:

„Mij! mij! mij!”

En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij zijn blik op de vier uniformen.

In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op de vier andere.

De vijfde man was gered.

Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.

Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.

Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.

Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk kunnen doorkomen.

De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: ’t is waarschijnlijk versterking, en in ’t ergste geval een gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.

Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hem [25]opgemerkt, want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.

De opschudding was onbeschrijfelijk.

„Wie is deze man?” vroeg Bossuet.

„’t Is,” antwoordde Combeferre, „een man, die anderen redt.”

Marius voegde er met ernstige stem bij:

„Ik ken hem.”

Deze waarborg was voor allen voldoende.

Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:

„Wees welkom, burger.”

En hij voegde er bij:

„Gij weet dat men hier sterven moet.”

Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform aantrekken.

[Inhoud]

Vijfde hoofdstuk.

Welken horizont men van de kruin der barricade ziet.

De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten top gevoerd.

Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is samengevat.

Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordig [26]is, hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:

„Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.—Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionen [27]hadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. ’t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, ’t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men den maatschappelijken band noemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, ’t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij. [28]Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van ’t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eener dynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, ’t is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan.”

Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren. [29]

[Inhoud]

Zesde hoofdstuk.

Marius verwilderd, Javert lakonisch.

Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.

Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.

Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.

Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.

Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: „ik ken hem.”

Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, ’t geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.

De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.

Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.

„Hebt ge aan iets behoefte?” vroeg hem Enjolras.

Javert antwoordde:

„Wanneer zult ge mij dooden?”

„Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig.” [30]

„Geef mij dan iets te drinken,” zei Javert.

Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.

„Is dat alles?” vroeg Enjolras.

„Ik bevind mij slecht aan dezen paal,” antwoordde Javert. „’t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals ’t u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.”

En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.

Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.

Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw ’t welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.

Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.

Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: „’t is zeer natuurlijk.”

[Inhoud]

Zevende hoofdstuk.

De toestand wordt erger.

Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. ’t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straat [31]St. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.

Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.

De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.

Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. „’t Is een vesting,” zei Courfeyrac glimlachend, „maar tevens een muizenval.”

Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.

Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.

Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.

Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.

Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandert [32]zich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.

Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, ’t welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. ’t Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.

Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.

Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.

Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.

De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.

Een kanonstuk verscheen.

Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.

„Vuur!” riep Enjolras.

De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.

Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.

„Bravo, kanonniers!” riep Bossuet. [33]

En de geheele barricade klapte in de handen.

Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.

„Nu aan ’t werk!” riep Courfeyrac. „Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt.

„’t Is een achtponder, nieuw model en van brons,” voegde Combeferre er bij. „Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stuk leggen.”

„In de zestiende eeuw,” merkte Bossuet op, „had men gegleufde kanonnen.”

„Ja,” antwoordde Combeferre, „dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde. Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon.”

„Laadt opnieuw,” zei Enjolras.

Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.

De angst was groot in de barricade.

Het schot ging af en donderde.

„Present!” riep een vroolijke stem.

Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.

Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd. [34]

Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.

De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, ’t geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.

„Gaat zoo voort,” riep Bossuet tot de artilleristen.

[Inhoud]

Achtste hoofdstuk.

De artilleristen nemen het ernstig op.

Men omringde Gavroche.

Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:

„Wat komt ge hier doen?”

„Wel,” hernam de knaap. „En gij dan?”

En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.

Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.

Op strengen toon hernam Marius:

„Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?”

Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. ’t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.

„Burger,” zeide hij, „ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben.”

Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.

Hij moest zich met de helft van ’t geen hij wilde tevreden stellen.

De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van den [35]heer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:

„Kent ge dien man?”

„Neen,” zei Gavroche.

Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.

De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.

Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: „mijn geweer!”

Courfeyrac deed het hem teruggeven.

Gavroche verwittigde „de kameraden,” zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.

Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:

„Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.”

Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.

De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.

Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.

Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.

„Bukt! Bij den muur!” riep Enjolras, „allen op de knieën langs de barricade!”

De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijlden [36]dooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras’ bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. ’t Was werkelijk een schrootschot.

Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.

Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.

Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.

„Laat ons ten minste het tweede schot beletten,” zei Enjolras.

Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.

Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, ’t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.

Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.

„Hoe jammer!” zei Combeferre. „Dit bloedvergieten is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat ’t een innemend jongeling is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.”

„Hij is ’t,” zei Enjolras.

„Ja,” hernam Combeferre, „ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet.”

„Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.”

En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.

Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.

Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige minuten gewonnen. [37]

[Inhoud]

Negende hoofdstuk.

Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest.

De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een kwartieruurs uithouden. ’t Was een volstrekte noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.

Enjolras gaf bevel:

„Er moet daar een matras gelegd worden.”

„Men heeft er geene,” zei Combeferre. „De gekwetsten liggen er op.”

Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan ’t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: „Ziedaar een geweer, dat niets uitricht.”

Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.

Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, om zich tegen de kogels te beveiligen. ’t Was een dakvenster van een huis met zes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan spijkers in ’t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen duidelijk, maar fijn als een draad.

„Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?” zei Jean Valjean.

Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.

Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.

Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing nu nog slechts aan één touw.

Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee droogstokken en viel op de straat.

De barricade juichte.

Alle stemmen riepen:

„Wij hebben de matras!”

„Ja,” zei Combeferre, „maar wie zal ze halen?”

De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen de [38]belegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, ’t welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat terug.

Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam in de barricade terug.

Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.

Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet lang uit.

Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was verkregen. De barricade was behoed.

„Burger,” zei Enjolras tot Jean Valjean, „de republiek dankt u.”

Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:

„’t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. ’t Is de zegepraal van ’t geen buigt op ’t geen woedt. Om ’t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos maakt!”

[Inhoud]

Tiende hoofdstuk.

De dageraad.

Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.

Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, op de achterplaats van het huis uitziende. Cosette wist niets van ’t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had: Er schijnt iets gaande te zijn. Cosette had niet lang, maar goed geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, ’t geen misschien een weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.

Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zij [39]ondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.—Sinds drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te komen.—En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.—Het was klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.

Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd aangenomen; alles was zeker en gewis. ’t Was reeds erg genoeg, drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, ’t was verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst tegen een onbekende, die zij zelve is. ’t Is voor haar zeer natuurlijk, gelukkig te zijn. ’t Is alsof zij hoop inademt.

Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.

Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat men laat vallen, zich verbergt, en hoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: ’t is gedaan; zij zijn verloren; ’t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had gesproken.

Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel en het lichaam, haar gebed en haar toilet.

Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag ’t geheel niet.

’t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in de schaduw; ’t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot, deze hemelsche [40]halve naaktheid, die zich zelve schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, ’t betaamt niet, dit alles te beschrijven; ’t is reeds te veel het aan te duiden.

Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing ontheiliging.

Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes ontwaking mededeelen.

Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.

Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, ’t geen destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar zou komen.

Eensklaps begon zij te schreien. ’t Was geen aandoenlijkheid van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; ’t was haar toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zij [41]zeide bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.

Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God vertrouwde.

Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was bepaald onmogelijk.

Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij zeide: ’t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en dicht slaat. ’t Waren de kanonschoten tegen de barricade.

Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: „vermenigvuldigt u” lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een maagd verwekt.

[Inhoud]

Elfde hoofdstuk.

Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt.

Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel van [42]Corinthe leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten verwijderen. ’t Is overigens een tactiek bij den aanval van barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde niet.

Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van de hoogste verachting.

„Goed,” zeide hij, „scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig.”

Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide tot het kanon:

„Ge begint te beuzelen, goede man.”

Men intrigueert in een gevecht als op een bal.

’t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn blik viel lijnrecht in de barricade.

„Dat is een lastige toeschouwer,” zei Enjolras.

Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij had zijn geweer.

Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.

Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.

„Waarom hebt ge den man niet gedood?” vroeg Bossuet aan Jean Valjean.

Jean Valjean antwoordde niet. [43]

[Inhoud]

Twaalfde hoofdstuk.

De wanorde als handlanger der orde.

Bossuet fluisterde Combeferre in ’t oor:

„Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.”

„’t Is een man, die goed doet met geweerschoten,” zei Combeferre.

Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van het vaderland.

’t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. ’t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.

Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene kapitein ging op eigen gezag in ’t vuur; deze of gene nationale garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren echte guerillero’s, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van de pen als Henry Fonfrède.

De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde haar, naar zijn zienswijze; en de [44]eerste de beste nam de taak op zich de maatschappij te redden.

De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk een geïmproviseerde rechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het recht geeft een andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: „’t Is ook een St. Simonist!” en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het woord „Saint-Simon,” gelezen en geroepen: „Doodt hem!”

Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, „den opstand in zijn vet lieten gaar koken.” Maar hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl ’t geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.

Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, „razenden,” zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men ’t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst volbracht, [45]kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de orde.

Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.—De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onze ammunitie voor niets verspillen.

Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook zijn ’t gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, het quid divinum lost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk. [46]

[Inhoud]

Dertiende hoofdstuk.

Voorbijgaande flikkeringen.

In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal tusschenpoozen van hoop.

Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der Chanvreriestraat.

„Hoort,” riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; „mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.”

’t Is stellig, dat in den morgen van den 6den Juni de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: „Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer zal doen.” Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: „Wij zijn verloren, zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.”

Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men haastte zich, deze [47]beginselen van brand uit te dooven. Men wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, ’t welk aan een botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:

„Deze gekwetsten komen niet van ons.”

De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een half uur was de hemel donker; ’t was als een bliksem zonder donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelaten hardnekkigen treft.

De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier barricaden wijden, die nog stand hielden.

De zon rees aan den horizon.

Een opstandeling zeide tot Enjolras:

„Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten te hebben?”

Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.

[Inhoud]

Veertiende hoofdstuk.

Waarin men den naam van Enjolras’ geliefde lezen zal.

Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een spottend woord voor.

„Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompe [48]oude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, ’t is maar hoesten.”

En men lachte rondom hem.

Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.

„Ik bewonder Enjolras,” zei Bossuet. „Zijn onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, ’t geen hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggen dapper, maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; ’t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken te zijn. ’t Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.”

Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: „Patria.”

Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:

„Iets nieuws!”

En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij er bij:

„Ik heet achtponder.”

Inderdaad, een nieuw personage was op ’t tooneel verschenen. ’t Was een tweede stuk geschut.

De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij bij het eerste.

Dit bespoedigde de ontknooping.

Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.

Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier kanonnen vormden een akelige echo.

De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.

Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraat [49]beukten, schoot het eene schroot, het andere kogels.

Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.

Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.

Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.

„Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,” zei Enjolras en hij riep: „Vuur op de artilleristen!”

Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.

„’t Gaat goed,” zei Bossuet tot Enjolras. „Wij slagen.”

Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:

„Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden geen tien patronen meer zijn.”

Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.

[Inhoud]

Vijftiende hoofdstuk.

Gavroche buiten.

Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.

Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.

„Wat doet ge daar?” vroeg Courfeyrac.

Gavroche zag even op en zeide: [50]

„Ik vul mijn mand, burger.”

„Ziet ge dan het schroot niet?”

Gavroche antwoordde:

„Welnu, het regent. Wat zou dat?”

Courfeyrac riep:

„Ga binnen!”

„Aanstonds,” zei Gavroche.

En met een sprong was hij verder in de straat.

Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij een rij lijken had achtergelaten.

Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat verspreid. ’t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; een voorraad patronen voor de barricade.

De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.

Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor Gavroche.

Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.

Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot opent.

Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.

Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.

„Voor den dorst,” zeide hij den hoorn in den zak stekende.

Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat zich in den kruitdamp bewoog.

Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag, [51]van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.

„Verduiveld!” zei Gavroche. „Nu gaat men mijn dooden dooden.”

Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem springen. Een derde wierp zijn mand om.

Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der voorstad kwam.

Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht en hij zong:

On est laid à Nanterre,

C’est la faute à Voltaire,

Et bête à Palaiseau.

C’est la faute à Rousseau.1

Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door een geweerkogel getroffen.

Gavroche zong:

Je ne suis pas notaire,

C’est la faute à Voltaire,

Je suis petit oiseau,

C’est la faute à Rousseau.2

Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet te ontlokken.

Joie est mon caractère,

C’est la faute à Voltaire,

Misère est mon trousseau.

C’est la faute à Rousseau.3

Dit ging eenigen tijd zoo voort.

’t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met een couplet. Men mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd. [52]De nationale garden en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij zong. ’t Was geen kind, ’t was geen man; ’t was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.

Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:

Je suis tombé par terre,

C’est la faute à Voltaire,

Le nez dans le ruisseau,

C’est la faute à.....4

Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden. [53]


1 Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.

2 Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.

3 Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.

4 Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....

[Inhoud]

Zestiende hoofdstuk.

Hoe men van broeder vader wordt.

In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,—want de blik van het drama moet overal zijn.—twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden ’t voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: „Ik heb grooten honger.”

De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.

Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.

Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek der barrière d’Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest: invenerunt parvulum pannis involutum1, de tent van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.

Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.

Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.

Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der „verlaten kinderen,” welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten van Parijs vindt. [54]

Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als kinderen recht op bloemen hebben.

Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en hadden de beide overtreders niet gezien.

Het had den vorigen avond geregend en ook ’s morgens nog een weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als ’t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles druipnat, des namiddags is alles stof.

Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en door de zon gedroogd is; ’t is een warme frischheid. De tuinen en weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te oefenen.

Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des hemels aanschouwende, zeggen: ’t is genoeg! droomers, die, in het wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartig [55]tevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor hen voldoende. Het eindige, ’t welk de omvatting toelaat, deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De mensch lijdt, ’t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun ziel. ’t Is een familie van tevens kleine en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.

’t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster in het midden van het voorhoofd.

De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?

Maar wien kan men dan vertrouwen? Solem quis dicere falsum audeat?2 Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verheven [56]menschen, sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.

Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren ’s morgens het Luxembourg, eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken van dezen gloed.

Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een kinderhandje dat men kust.

De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en schenen te dartelen.

Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.

Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zich [57]gewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. ’t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en zeide: „De lente houdt parade in groot tenue.”

De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; ’t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel een weinig, ’t geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.

De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te verbergen. ’t Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.

Nu en dan hoorde men bij ’t draaien van den wind onduidelijke kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de verte.

Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: „Ik heb honger.”

Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.

Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer de [58]hekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.

De twee arme kinderen zagen den „heer” naderen en verscholen zich nog meer. ’t Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven „van alle uitspattingen te vermijden.” Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.

Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.

In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, ’t geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.

Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:

„De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over.”

Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.

„Wat is dat?” vroeg het knaapje.

De vader antwoordde:

„’t Zijn Saturnaliën.”

Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.

„Dat is het begin,” zeide hij.

Na eenig zwijgen voegde hij er bij:

„De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.”

Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.

„Waarom schreit ge?” vroeg de vader.

„Ik heb geen honger meer,” antwoordde het knaapje.

De glimlach des vaders kwam meer uit.

„Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.”

„Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.” [59]

„Ge wilt hem niet?”

„Neen.”

De vader wees hem de zwanen.

„Werp hem den zwanen toe.”

De knaap aarzelde. ’t Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.

De vader hernam:

„Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben.”

En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.

De koek viel dicht aan den kant van ’t water.

De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.

De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.

Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.

„De zwanen begrijpen de seinen,” zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.

In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. ’t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.

De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.

„Keeren wij naar huis,” zei de vader. „Men bestormt de Tuilerieën.”

Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:

„Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen.”

Hij zag naar de wolk.

„Misschien zal ’t ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis.”

„Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,” zei het knaapje.

De vader antwoordde:

„’t Zou onvoorzichtig zijn.” [60]

En hij voerde zijn kleinen burger mede.

De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.

Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.

Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.

Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.

Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in ’t water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:

„Ziedaar, stop dit in uw maag.”


1 Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.

2 Wie zou de zon verkeerd durven noemen?

[Inhoud]

Zeventiende hoofdstuk.

De doode vader wacht den stervenden zoon.1

Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.

„Helaas!” dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.

Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd. [61]

Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofd geschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.

Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius’ hoofd mede.

Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.

Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.

Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.

Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.

„Een rare zonderling,” zei Combeferre zacht tot Enjolras. „’t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!”

„’t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,” antwoordde Enjolras.

„Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,” hernam Combeferre.

En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:

„Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.”

Het verdient opmerking, dat het vuur, ’t welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: „Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden.” Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.

Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: „Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken.” Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen, [62]zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op ’t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.


1 Mortuus pater filium moriturum expectat.

[Inhoud]

Achttiende hoofdstuk.

De gier prooi geworden.

Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van ’t geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.

Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.

In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.

Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; ’t is meer en ’t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; ’t was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende diepten [63]aanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.

Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.

Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.

„’t Is middag,” zei Combeferre.

Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:

„Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in ’t geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.”

Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. ’t Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.

Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den „halsstrik” noemde.

Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.

Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.

„Wie zal ze drinken?” vroeg Bossuet.

„Zij,” antwoordde Enjolras.

Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.

De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren. [64]

Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.

Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.

Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.

Hij zeide tot Marius: „Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op.”

Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.

Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:

„De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.”

Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.

„Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?”

„Ja,” zeide Feuilly.

„Hoeveel?”

„Twee bijlen en een houweel!”

„Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?”

„Vier-en-dertig.”

„Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben.”

Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:

„Ik vergeet u niet.”

En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:

„De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen.” [65]

„Hier?” vroeg een stem.

„Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren.”

Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.

Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:

„Zijt gij de kommandant?”

„Ja.”

„Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.”

„In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u.”

„Meent ge, dat ik een belooning verdien?”

„Zekerlijk.”

„Welnu, dan verzoek ik ze.”

„Welke?”

„Dat ik dezen man doodschiet.”

Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:

„Juist zoo.”

Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.

„Heeft niemand er iets tegen?”

Toen zich tot Jean Valjean wendende:

„Neem den spion.”

Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.

Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.

„Geeft acht!” riep Marius van den top der barricade.

Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:

„Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.”

„Allen naar buiten!” riep Enjolras.

De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:

„Tot straks!” [66]

[Inhoud]

Negentiende hoofdstuk.

Jean Valjean wreekt zich.

Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.

Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.

Jean Valjean had het pistool in de hand.

Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.

Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.

Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.

Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.

Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. ’t Was Eponine.

Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:

„Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.”

Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.

Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:

„Javert, ik ben het.”

Javert antwoordde:

„Neem nu uw wraak.” [67]

Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.

„Een mes!” riep Javert. „Gij hebt gelijk. Dat past u beter.”

Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:

„Ge zijt vrij.”

Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.

Jean Valjean hernam:

„Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l’Homme-Armé No. 7 woon.”

Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:

„Pas op!”

„Ga,” zei Jean Valjean.

Javert hernam:

„Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l’Homme-Armé?”

„Nommer zeven.”

Javert herhaalde halfluid: „nommer zeven.”

Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:

„Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!”

Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.

„Ga heen,” zei Jean Valjean.

Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.

Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:

„’t Is verricht.”

Inmiddels was het volgende gebeurd:

Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.

Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zich [68]den politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.

Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: „Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?”

’t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of ’t werkelijk deze Javert was.

Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:

„Enjolras!”

„Wat?”

„Hoe heet die man?”

„Wie?”

„De politieagent. Kent ge zijn naam?”

„Ja. Hij heeft hem ons gezegd.”

„Hoe heet hij?”

„Javert.”

Marius richtte zich op.

Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.

Jean Valjean kwam terug en riep: „’t Is geschied.”

Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.

[Inhoud]

Twintigste hoofdstuk.

De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk.

De doodsstrijd der barricade zou beginnen.

Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijn [69]en wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.

Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.

In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren—dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.

Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In ’t midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; ’t is verschrikkelijk!

De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, ’t geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: „De verwoede gematigden.” Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt.—Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des te [70]erger voor hen. Zij hebben ’t zich zelven te wijten en verdienen het. ’t Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. ’t Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet.—En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.

Wien moet men beschuldigen?

Niemand en iedereen.

De onvolkomen tijden, welke wij beleven.

’t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.

Maar is het wel ondankbaarheid?

Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.

Neen, uit dat van het individu.

De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.

God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.

Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over ’t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapende [71]toeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.

Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.

Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.

Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, ’t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.—Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.

Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood—iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans, haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treft [72]met het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.

Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is ’t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.

Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.

Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.

Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.

Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In ’t algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; ’t is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.

Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen, vooral wanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaan [73]zij, gehoorzaam aan het goddelijk scenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.

Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een volksverbijstering.

Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.

Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.

Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk ver, ’t was misschien onduidelijk, en week bij de poging achteruit; maar het was grootsch.

Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling maakt den opstand dichterlijk [74]en verguldt hem. Men werpt zich in deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.

Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking dier dolende ridders. De groote massa’s, de menigten, die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.

Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag het hart.

Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.

Omdat het kunstenaar is.

Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië gaf, ’t welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende volken! Vitai lampada tradunt.

Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk geslacht het voorschrift van het ideale. [75]

Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: Alexander op den olifant.

De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.

Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van klein te willen zijn. Dit is alles.

Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het licht is identisch met het voortbestaan van het ik.

Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het graf in ballingschap, is voor den opofferingszin [76]een aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.

Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de staatslieden bemin.

Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.

Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten ontmoeten. ’t Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk veroordeelde en welks eigenlijk titel „de vooruitgang” is.

De vooruitgang!

Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.

Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan het einde. [77]

[Inhoud]

Een-en-twintigste hoofdstuk.

De helden.

Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.

De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa’s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.

De muur bleef staande.

De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.

De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.

Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt. [78]

Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.

De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.

Courfeyrac was blootshoofds.

„Wat hebt ge met uw hoed gedaan?” vroeg Bossuet.

„Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,” antwoordde Courfeyrac.

Of zij hielden trotsche redenen.

„Begrijpt ge,” riep Feuilly bitter, „die mannen”—(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) „welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten.”

Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:

„Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte.”

Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.

De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder ’t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.

De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.

Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, die [79]sedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.

Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. ’t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en ’t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.

Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.

Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.

Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan. [80]

[Inhoud]

Twee-en-twintigste hoofdstuk.

Voet voor voet.

Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.

Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was ’t gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.

Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. ’t Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.

Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: „Nadert niet!” en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn, [81]de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: „Er is slechts één open deur. Deze.” Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.

Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: „Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden.”

Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.

De soldaten, ’t moet gezegd worden, waren vol toorn.

De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en ’t was een dergelijk valsch gerucht, ’t welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.

Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:

„Laten wij ons leven duur verkoopen.”

Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. ’t Was die van den grijsaard. [82]

Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.

’t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.

Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: „Capituleert,” antwoordde Palafox: „Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes.” Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. ’t Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.

’t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. ’t Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meer [83]naar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.

’t Was de heldenmoed tot monster geworden.

[Inhoud]

Drie-en-twintigste hoofdstuk.

Orestes nuchter en Pylades dronken.

Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van ’t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in ’t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. ’t Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:

„Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood.”

„Ja, schiet mij dood,” zei Enjolras.

Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.

De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijke [84]vier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. ’t Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: „Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen.”

Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: „’t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten.”

Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.

Toen riep een sergeant: „Legt aan!”

Een officier trad tusschenbeiden.

„Wacht!”

En zich tot Enjolras wendende:

„Wilt ge, dat men u blinddoeke?”

„Neen.”

„Is ’t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?”

„Ja.”

Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.

Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.

Hij was in de volle beteekenis, wat men „smoordronken” noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op ’t eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem.—De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. ’t Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armen [85]uit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.

De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.

In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter ’t biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando „legt aan” te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:

„Leve de republiek! Ik behoor er toe.”

Grantaire was opgestaan.

De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.

Hij herhaalde: „Leve de republiek!” ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.

„Doodt er twee met één schot!” zeide hij.

Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:

„Veroorlooft gij ’t mij?”

Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.

De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.

Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.

Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.

Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.

Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielen [86]zij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.

De barricade was ingenomen.

De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.

[Inhoud]

Vier-en-twintigste hoofdstuk.

Gevangene.

Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.

De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.

Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. ’t Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.

Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.

De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.

Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergte [87]in de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. ’t Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.

Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.

De toestand was vreeselijk.

Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. ’t Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in ’t oog hielden. ’t Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.

Wat te doen?

Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.

En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo ’t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.

Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.

Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd, [88]zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in ’t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.

Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.

Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.

Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, ’t was Marius.

Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg. [89]

Boek II.

De ingewanden van den Leviathan.

[91]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

De aarde door de zee verarmd.

Parijs werpt jaarlijks vijf-en-twintig millioen francs in het water. En dit is geen beeldspraak. Hoe en op welke wijze? Dag en nacht. Met welk doel? Zonder eenig doel. Met welke gedachte? Zonder eenige gedachte. Waarom? Om niets. Door welk orgaan? Door zijn ingewanden. Welke zijn zijn ingewanden? Zijn riolen.

Vijf-en-twintig millioen is het laagste cijfer, ’t welk de waardeering van het ingesteld wetenschappelijk onderzoek oplevert.

De wetenschap heeft na lange waarneming thans uitgemaakt, dat de vruchtbaarste en werkzaamste mest de menschendrek is. De Chineezen wisten dit, wij zeggen het tot onze schande, eer dan wij. Geen Chineesche boer, Eckeberg zegt het, gaat naar de stad, zonder van daar aan de einden van zijn bamboe twee emmers mede te brengen, gevuld met hetgeen wij vuilnis noemen. Aan den menschelijken mest heeft de bodem in China het te danken, dat zij nog even versch is als in den tijd van Abraham. De Chineesche tarwe geeft honderd-twintigmaal het zaaisel terug. Geen guano is in vruchtbaarheid te vergelijken met de beer eener hoofdstad. Een groote stad levert de krachtigste meststof. Zoo men het land uit de stad bemestte, zou men zeker zijn van te slagen. Indien goud drek is, is onze mest daarentegen goud.

Wat doet men met dien gouden mest? Men werpt hem weg.

Men zendt met groote kosten schepen af om van de Zuidpool den mest van zeevogels te halen, terwijl men de onberekenbare grondstof van rijkdom, welke men in zijn bereik heeft, naar de zee zendt. Al de menschelijke en dierlijke mest, welke verloren gaat, zou, indien hij aan de aarde werd teruggegeven, in plaats van in het water geworpen, genoegzaam zijn om de wereld te voeden. [92]

Die vuilnishoopen aan de hoeken der straten, de karren met slijk, welke des nachts door de straten rollen, die afschuwelijke tonnen vol drek, die stinkende stroomen van onderaardsch slijk, dat de straat verbergt, weet ge wat dat is? Bloeiende weiden, weelderig gras, groente en vrucht; ’t is wild, rundvee, ’t is het tevreden geloei der ossen des avonds; ’t is geurend hooi, gouden koren, brood op uw tafel, warm bloed in uw aderen, gezondheid, vreugde, leven. Zoo is de wet dier geheimzinnige schepping, welke de gedaanteverwisseling op aarde en de herschepping in den hemel is.

Werp het in den grooten smeltkroes; uw voordeel zal er uitkomen. De voeding van het land geeft voedsel aan de menschen.

Het staat u vrij, dezen rijkdom te verliezen en mij op den koop toe belachelijk te vinden. Dit zal het meesterstuk uwer domheid zijn.

De statistiek heeft berekend, dat Frankrijk alleen door zijn riviermonden jaarlijks een som van een half milliard in den Atlantischen Oceaan werpt. Men bedenke, dat met deze vijfhonderd millioen het vierde van het staatsbudget kon betaald worden. Maar de mensch is zoo schrander, dat hij deze vijfhonderd millioen liever in de goot werpt. Het is het onderhoud van het volk zelf, ’t welk hier bij droppels, daar bij stroomen, onze riolen in de rivieren en de rivieren in den oceaan uitbraken. Iedere lossing onzer riolen kost ons duizend francs, en heeft twee resultaten: de aarde verarmd en het water verpest; de honger die uit de voren, de ziekte die uit de rivieren komt.

’t Is, bij voorbeeld, bekend, dat tegenwoordig de Theems Londen verpest.

Wat Parijs betreft, heeft men in den laatsten tijd de meeste monden der riolen stroom-afwaarts, voorbij de laatste brug, moeten verleggen.

Een dubbel buizenstoestel, voorzien van kleppen en spuisluizen, die tegelijk zuigen en persen, een draineer- of besproeiingsstelsel, even eenvoudig als de menschelijke long, dat bereids in verscheidene gemeenten van Engeland ingevoerd is, zou voldoende zijn om in onze steden het zuivere water der velden, en naar onze velden het rijke water der steden te voeren, en dit gemakkelijk heen- en wederbrengen, het eenvoudigste ter wereld, zou ons de vijfhonderd millioen francs doen behouden, die weggeworpen worden. Maar men denkt aan iets anders.

De tegenwoordige handelwijze sticht kwaad, terwijl ze goed wil doen. De bedoeling is goed, het resultaat is treurig. Men meent de stad te zuiveren, en verzwakt de bevolking. Een [93]riool is een misverstand. Wanneer overal de draineering, met haar dubbele uitwerking, door terug te geven wat zij neemt, het riool zal hebben vervangen, dat slechts een verarmende reiniging is, dan zullen, in verband met de uitkomsten eener nieuwe maatschappelijke staathuishoudkunde, de voortbrengselen der aarde vertienvoudigd worden en het vraagstuk der armoede aanmerkelijk vereenvoudigd zijn. Voeg daarbij de wegruiming van de daarop azende woekerdieren, en het raadsel zal opgelost wezen.

Intusschen stroomt de algemeene rijkdom naar de rivier, en er bestaat een lek. Een lek is het juiste woord. Europa gaat aldus te gronde door krachtverlies.

Ten aanzien van Frankrijk hebben wij zijn cijfer gezegd. Dewijl nu Parijs het vijf-en-twintigste gedeelte der geheele Fransche bevolking bevat, en de Parijsche guano de rijkste van alle is, blijft men beneden de waarheid, zoo men het gedeelte van het verlies voor Parijs op vijf-en-twintig millioen francs schat van het half milliard, dat Frankrijk jaarlijks wegwerpt. Deze vijf-en-twintig millioen zouden, tot onderhoud en genot aangewend, den luister van Parijs verdubbelen. De stad geeft ze uit aan riolen. Zoodat men kan zeggen, dat de grootste verkwisting van Parijs, zijn kostbaarst feest, zijn uitspatting, zijn praal, zijn weelde, zijn heerlijkheid, zijn—riool is.

Overigens zijn deze wonderbare verkeerdheden niet nieuw. ’t Zijn geen jeugdige dwaasheden. De ouden handelden gelijk de jongeren. „De riolen van Rome, zegt Liebig, hebben den geheelen welstand van den Romeinschen boer vernietigd.” Toen de omstreken van Rome door het Romeinsche riool bedorven waren, putte Rome Italië uit, en toen het Italië in zijn riool had geworpen, stortte het er Sicilië, Sardinië en Afrika in. Het riool van Rome heeft de wereld verzwolgen. Dat riool verzwolg de stad en de wereld. Urbi et Orbi. Eeuwige stad, onpeilbaar riool.

Voor deze dingen, zoowel als voor andere, geeft Rome het voorbeeld.

Dat voorbeeld volgt Parijs, met al de domheid van beschaafde steden.

Ten behoeve der verrichtingen, welke wij zoo straks aangeduid hebben, heeft Parijs een ander Parijs onder zich; een Parijs van riolen, dat zijn straten, pleinen, viersprongen, blinde stegen, aderen en doorstrooming heeft, dat slijk is, doch zonder menschelijken vorm.

Want men mag niets vleien, zelfs geen groot volk; daar, waar alles is, bevindt zich naast schande ook verhevenheid; en zoo Parijs Athene, de stad van het licht, Tyrus, de stad [94]der macht, Sparta, de stad der deugd, Ninivé, de stad der wonderen in zich bevat, bevat het ook Lutetia, de stad van het slijk.

Zoo het oog de oppervlakte er van kon peilen, zou het onderaardsche Parijs aan den blik een reusachtigen koraalsteen vertoonen. Een spons heeft weinig meer gaten en gleuven dan de massa gronds van zes uren omtreks, waarop de oude, groote stad rust. Zonder van de catacomben, die een afzonderlijk mijnwerk zijn, en van het verwarde netwerk der gaspijpen, te spreken, zonder het machtig samenstel der waterleiding te rekenen, die de straatfonteinen van water voorziet, vormen de riolen alleen een ontzaggelijk onderaardsch vlechtwerk, een doolhof, die tot leiddraad zijn helling heeft. Daar huist in den vochtigen dampkring de rat, die de eigenaardige vrucht van Parijs schijnt.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

De oude geschiedenis der riolen.

Men verbeelde zich Parijs als een deksel opgelicht, en het onderaardsche riolennet, uit de hoogte gezien, zal op beide oevers eenigermate ’t voorkomen hebben van een grooten tak, die aan de rivier ingeënt is. Op den rechteroever zal het ringriool de stam van dien tak zijn, de bijriolen zullen de takjes, en de sloppen de twijgen er van zijn.

Deze figuur is slechts oppervlakkig en niet volkomen juist, wijl de rechte hoek, die bij deze onderaardsche vertakkingen gewoon is, zelden in het plantenrijk voorkomt.

Men zal zich een juister beeld van dien zonderlingen geometrischen, plattegrond kunnen vormen, wanneer men zich verbeeldt op den donkeren grond een grillig oostersch alphabet verward door elkander te zien, van ’t welk de wanstaltige letters in schijnbare wanorde en als toevallig, nu aan de hoeken, dan aan de einden, aaneen zijn gesmolten.

De zinkgaten en riolen in de Middeneeuwen speelden in het Romeinsche rijk en in het oude Oosten een groote rol. De pest werd er geboren, de despoten stierven er. De bevolkingen aanschouwden schier met godsdienstige vrees deze bedden van verrotting, deze monsterachtige wiegen des doods. De holen van ongedierte te Benares zijn niet minder vreeselijk dan de leeuwenkuil van Babel. Volgens de rabbijnsche boeken zwoer Theglath-Phalasar [95]bij de zinkputten van Ninivé. Uit het riool van Munster deed Jan van Leijden zijn valsche maan opgaan, evenals zijn Oostersche evenknie, Mokanna, de gesluierde profeet van Korassan, uit den rioolput van Kekhscheb zijn valsche zon deed komen.

De geschiedenis van den mensch spiegelt zich af in de geschiedenis der riolen. De gemoniën spreken van Rome. Het oude riool van Parijs was iets vreeselijks. Het was graf, en wijkplaats tevens. De misdaad, het genie, het maatschappelijk verzet, de vrijheid van geweten, de gedachte, de diefstal; al wat de menschelijke wetten vervolgen of vervolgd hebben, heeft zich in dat hol verborgen; de maillotins in de veertiende eeuw, de tire-laines in de vijftiende eeuw, de hugenoten in de zestiende eeuw, de illuminaten van Morin in de zeventiende eeuw, de voetschroeiers in de achttiende eeuw. Honderd jaren geleden kwam de nachtelijke dolksteek er uit, de bedreigde dief sloop er in; het bosch heeft zijn holen, Parijs had zijn riolen. De truanderie had het riool tot bijverblijf van het hof der mirakelen en ging ’s avonds spottend en wreed onder het rioolgewelf Maubuée terug als in een bed.

In het oude Parijs is het riool de verzamelplaats van alle uitputting en van alle aanslagen. De staathuishoudkunde ziet er uitwerpselen, de wijsbegeerte een bezinksel in.

Het riool is het geweten der stad. Alles ontmoet en vergelijkt er zich. In dit vale oord zijn duisternissen, maar geen geheimen. Alles heeft er zijn wezenlijken vorm of ten minste zijn bepaalden vorm. De vuilnishoop heeft het voorrecht geen leugenaar te zijn. Daar heeft de oprechtheid de wijk genomen. Men vindt er het masker van Basilius, maar men ziet er het bordpapier, de koordjes, het binnenste en buitenste van, en het kenmerkt zich door eerlijk slijk. De valsche neus van Scapin ligt er naast. Al de onreinheden der beschaving, zoodra zij hebben uitgediend, vallen in dezen kuil der waarheid, waarin de groote maatschappelijke renbaan uitloopt. Zij worden er in verzwolgen, maar pralen er. Dit mengsel van alles is een belijdenis. Dààr is geen valsche schijn, geen bepleistering mogelijk, de vuilnis trekt haar hemd uit; de illusiën en het schijnbedrog vluchten, alles wat is, vertoont zich hier zooals het ten laatste zijn zal. Hier verraadt een gebroken flesch de dronkenschap, het hengsel van een mand verhaalt de dienstbaarheid; de beeldenaar van het koperen soustuk bedekt zich eerlijk met kopergroen; de louisd’or, die uit het speelhuis komt, raakt den spijker waaraan de strop van den zelfmoordenaar hangt; een ongeboren vrucht drijft er in het opgetooide balkleed, dat den vorigen vastenavond in de opera danste; de barret van een rechter [96]ligt bij den half verganen rok van een meisje. Al wat zich blankette, vergaat hier. De laatste sluier is afgerukt. Een riool is een onbeschaamde. Het zegt alles. Deze oprechtheid der vuilnis doet ons genoegen en geeft de ziel rust. Wanneer men zijn leven heeft doorgebracht met op aarde het gezicht te verdragen der voorname houding, welke redenen van staat, de eed, de politieke wijsheid, de menschelijke gerechtigheid, de ambtelijke eerlijkheid, de gebiedende toestand, de onomkoopbare rechters aannemen, gevoelt men zich verlicht, wanneer men in een riool ziet welk slijk er toe behoort.

Het onderwijst tevens. Wij hebben aanstonds gezegd dat de geschiedenis door het riool gaat. De Bartholomeus-nachten sijpelen er dropswijze tusschen de straatsteenen door. De groote openbare moorden en staatkundige en godsdienstige bloedbaden, stroomen door dit onderaardsch gewelf der beschaving en stuwen er hun lijken in. Voor het oog van den denker zijn daar al de historische moordenaars in een afschuwelijk halflicht geknield, terwijl zij, met een punt van hun lijkwade tot voorschoot, treurig hun werk afwisschen. Lodewijk XI is er met Tristan. Frans I met Duprat, Karel IX met zijn moeder, Richelieu met Lodewijk XIII, Louvois, Letellier, Hébert en Maillard zijn er en krabben de steenen, trachtende het spoor hunner daden te doen verdwijnen. Men hoort onder deze gewelven den bezem dier schimmen. Men ademt er den stank der maatschappelijke beroerten. In de hoeken ziet men roode lichtweerkaatsingen. Daar stroomt een vreeselijk water, waarin zich bloedige handen hebben gewasschen.

De maatschappelijke opmerker moet deze duisternis binnengaan. Zij behoort tot zijn werkplaats. De wijsbegeerte is het microscoop der gedachte. Alles wil er voor vluchten, maar niets ontsnapt er aan. ’t Is nutteloos uitvluchten te zoeken. Welke zijde vertoont men, wanneer men uitvluchten zoekt? De zijde der schande. De wijsbegeerte vervolgt met haar eerlijk oog het kwaad en belet, dat het in ’t niet ontwijke. In de vernietiging der dingen welke verdwijnen, in de afneming der dingen die zich verwijderen, ziet zij alles. Zij stelt het purper weder uit de lompen samen, en de vrouw naar ’t overschot harer kleeding: uit het riool herbouwt zij de stad; uit het slijk doet zij de zeden weder te voorschijn komen. Naar den scherf vormt zij zich een denkbeeld van de amphora of de kruik. Aan het indruksel van een nagel op een perkament herkent zij het onderscheid tusschen het jodendom van de Judengasse en het jodendom van het ghetto. Zij hervindt in ’t geen geweest is, het goede, het kwade, het valsche, het ware, de bloedvlek van het paleis, de inktvlek van het hol, den vetdroppel [97]van het huis van ontucht, de ondergane beproevingen, de gelukte verlokkingen, de uitgebraakte zwelgerijen; de plooi der karakters wanneer zij zich verlagen, het spoor der veilheid in zielen, wier grofheid haar daartoe geschikt maakte, en op het buis der lastdragers van Rome het indruksel van Messalina’s elleboog.

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

Bruneseau.

Het riool van Parijs was in de Middeleeuwen een legendenboek.

In de zestiende eeuw wilde Hendrik II een onderzoek beproeven, dat mislukte. Geen honderd jaren geleden, was het riool, Mercier getuigt het, aan zich zelf overgelaten en werd wat het kon.

Zóó was het oude Parijs aan twisten, weifelingen en blind onderzoek overgeleverd. ’t Was lang tamelijk dom. Later toonde 89 hoe de steden verstand krijgen. Maar in den goeden ouden tijd had de hoofdstad weinig verstand; zij kon noch zedelijk, noch stoffelijk haar zaken doen, en evenmin de vuilnis als de misbruiken wegvegen. Alles was een hinderpaal, alles was een vraagstuk. Het riool, bij voorbeeld, verzette zich tegen alle navorsching. Het gelukte den menschen evenmin hun weg daarin te vinden, als zich in de stad met elkander te verstaan; boven het onverstaanbare, beneden het onoplosbare; bij de spraakverwarring was de verwarring der onderaardsche gewelven; onder Babel de doolhof.

Soms gebeurde het, dat het riool van Parijs overliep, als ware deze miskende Nijl eensklaps door toorn bevangen. Er hadden afschuwelijke riooloverstroomingen plaats. Somwijlen was de spijsvertering van deze maag der beschaving slecht; het riool steeg op in de keel der stad en Parijs had den nasmaak van zijn slijk. Deze overeenkomst van het riool met de wroeging had iets goeds. ’t Waren waarschuwingen, die trouwens zeer kwalijk genomen werden; de stad was er over gebelgd, dat haar slijk zoo brutaal was, en wilde niet, dat de vuilnis terugkwam. Zij moest haar beter verjagen.

De overstrooming van 1802 is een der herinneringen van de tachtigjarige Parijzenaars. Het slijk verspreidde zich van alle kanten over het plein der Victoires, waar het beeld van Lodewijk [98]XIV staat; het bedekte een gedeelte der straat van de Champs-Elysées tot een hoogte van vijf-en dertig duim. Het had zijn hoogste punt in de straat St. Pierre, waar het drie voet boven de straatsteenen stond, en zijn grootste uitgestrektheid in de straat St. Sabin, waar het zich tweehonderd acht-en-dertig el ver verspreidde.

In het begin dezer eeuw was het riool van Parijs nog een geheimzinnig oord. Het slijk kan nooit een goeden naam hebben; maar hier had zijn kwade naam iets schrikbarends. Parijs wist min of meer dat het een vreeselijken kelder onder zich had. Men sprak ervan, als van dien ontzaggelijken modderpoel te Thebe, waar duizendbeenen van vijftien voet lang wemelden, en die tot badplaats van Behemoth had kunnen dienen. De groote laarzen der baggerlieden waagden zich nooit verder dan tot zekere bekende punten. Men was nog niet ver van den tijd toen de vuilniskarren eenvoudig in het riool uitgestort werden. De ruiming ervan werd aan de plasregens overgelaten, die echter meer verstopten dan wegveegden. Rome liet zijn riool nog iets dichterlijks behouden en noemde het Gemonie; Parijs smaadde het zijne en noemde het ’t „stinkgat.” De wetenschap en het bijgeloof waren het eens ten aanzien van het afschuwelijke. Voor het stinkgat had de gezondheid niet minder afkeer dan de legende. Fagon had de vreeselijk kwaadaardige koorts van 1685 aan de groote monding van het riool in het Marais toegeschreven, die tot 1833 in de straat Saint Louis, bleef gapen. De mond van het riool in de straat de la Mortellerie was berucht wegens de pestziekten die er uit opstegen, als een drakenmuil die de hel op de menschen blies. De volksverbeelding verbond aan den donkeren zinkput van Parijs iets bovennatuurlijks, dat afgrijselijk was. Het riool was grondeloos. Het was het barathrum. De gedachte om deze melaatsche oorden te onderzoeken kwam zelfs niet bij de politie op. Wie had het gewaagd dit onbekende te betreden, die duisternis te peilen, ter onderzoeking in dien afgrond te dalen? ’t Was verschrikkelijk. Evenwel bood zich hiertoe iemand aan. Het riool had zijn Christoforus Columbus.

Op een dag in 1805, bij een dier zeldzame verschijningen van den keizer te Parijs, kwam de minister van Binnenlandsche Zaken op het petit lever van den meester. Men hoorde op het Carrouselplein de slepende sabels van al die ongemeene soldaten der groote republiek en van het groote keizerrijk; er was gedrang van helden voor de deur van Napoleon; mannen van den Rijn, van de Schelde, van de Etsch, en van den Nijl, krijgsmakkers van Joubert, Desaix, Marceaux, Hoche, Kléber; aerostaten van Fleurus, grenadiers van Metz, pontonniers van Genua, huzaren [99]welke de piramiden gezien hadden, artilleristen welke de kanonskogel van Junot met aarde getroffen had; kurassiers die stormenderhand de in de Zuiderzee ter anker liggende vloot genomen hadden; de eenen waren Napoleon op de brug van Lodi gevolgd, de anderen hadden Murat in de loopgraaf van Mantua begeleid, weder anderen waren Lannes in den hollen weg van Montebello gevolgd. Het geheele leger van dien tijd was dáár, op ’t voorplein der Tuilerieën, vertegenwoordigd door een escouade of peloton, en Napoleon in zijn rust bewakende. ’t Was het schitterend tijdstip, toen het groote leger Marengo achter zich en Austerlitz voor zich had.—„Sire,” zei de minister van binnenlandsche zaken tot Napoleon, „ik heb gisteren den onversaagdsten man van uw rijk gezien.”—„Wie is die man?” vroeg de keizer, „en wat heeft hij gedaan?”—„Hij wil iets doen, sire.”—„Wat?”—„De riolen van Parijs onderzoeken.”

Deze man leefde en heette Bruneseau.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Onbekende bijzonderheden.

Het onderzoek had plaats. ’t Was een ontzettende veldtocht; een nachtelijke veldslag tegen pest en verstikking. ’t Was tevens een ontdekkingsreis. Een der overlevenden van dezen ontdekkingstocht, een zeer schrander, toen nog jong werkman, verhaalde eenige jaren geleden de merkwaardige bijzonderheden, welke Bruneseau meende in zijn rapport aan den prefect van Politie te moeten verzwijgen, als niet gepast voor den administratiestijl. Men was destijds nog niet ver in de zuiveringsmethode. Nauwelijks was Bruneseau voorbij de eerste vertakkingen van het onderaardsche netwerk, toen acht van de twintig arbeiders weigerden verder te gaan. ’t Was een zeer moeielijke bewerking; het onderzoek eischte schoonmaking; en met de schoonmaking moest men tevens meten, de watermondingen opteekenen, de roosters en openingen tellen, de vertakkingen aangeven, benevens de strooming, ter plaatse waar zij zich verdeelden; van ieder der bekkens den omvang onderzoeken, de kleine riolen, die op het groote riool uitliepen, peilen, de hoogte van ieder gewelf in de breedte, zoowel aan het begin der gewelven als van den bodem meten, en zijn helling bepalen in verhouding met de oppervlakte van de straat. Met moeite vorderde men. [100]Niet zelden stonden de ladders, waarmede men afdaalde, drie voeten in de modder. Het licht der lantaarn brandde nauwelijks in deze pestdampen. Nu en dan droeg men een bezwijmden baggerman weg. Op sommige plaatsen waren kolken. De bodem was gezakt, het plaveisel was ingestort en het riool was in een diepen grondeloozen put veranderd; eensklaps verzonk er een man in, die met veel moeite weder werd opgehaald. Op raad van Fourcroy ontstak men op zekere afstanden, op plaatsen die genoegzaam schoon gemaakt waren, groote kooien met werk, dat in teer gedoopt was. Op sommige plekken was de muur bedekt met afschuwelijke zwammen, die zweren en puisten geleken; zelfs de steen scheen in dezen verpesten dampkring ziek.

Bruneseau ging in zijn onderzoek met den stroom voort. Aan het scheidingspunt der twee waterleidingen van den Grand-Hurleur, vond hij op een vooruitstekenden steen het jaartal 1550; deze steen wees de grens aan, tot welken Philibert Delorme was gekomen, die van Hendrik II den last had ontvangen om den onderaardschen weg van Parijs te onderzoeken. Deze steen was voor het riool het merk der zestiende eeuw. Bruneseau vond het merk der zeventiende eeuw in het riool van Ponceau en in dat der straat Vieille-du-Temple, welke tusschen 1600 en 1650 verwelfd waren; en dat van de achttiende eeuw in het westelijk gedeelte van het hoofdkanaal, dat in 1740 gemetseld werd. Deze twee gewelven, vooral het jongste, dat van 1740, waren meer gescheurd en vervallen dan het metselwerk van het ringriool, dat van 1412 dagteekent, het tijdstip toen de versch-waterleiding van Menilmontant verheven werd tot de waardigheid van groot riool van Parijs, een bevordering gelijk staande met die van een boer tot eersten kamerdienaar des konings.

Men meende hier en daar, voornamelijk onder het Paleis van Justitie, de holen van oude cachotten te herkennen, welke in het riool zelf gemetseld waren. Afschuwelijke in pace. In een dezer cellen hing een ijzeren halsband. Zij werden alle dicht gemetseld. Men vond zonderlinge voorwerpen; onder andere het geraamte van een ourang-outang, die in 1800 uit den Plantentuin verdwenen was, welke verdwijning waarschijnlijk in verband stond met de beruchte en zekere verschijning des duivels in het laatste jaar der achttiende eeuw, in de Bernardijnsstraat. De arme duivel was eindelijk in het riool verdronken.

In het gewelf dat bij den boog Marion uitloopt, trok de volkomen goed bewaard gebleven draagkorf van een voddenraper de bewondering der deskundigen. Overal was in de [101]modder, welke de baggerlieden eindelijk onvervaard behandelden, een overvloed van kostbare voorwerpen, gouden en zilveren kleinooden, edelsteenen, muntstukken. Een reus, die dit riool gezift had, zou in zijn zeef den rijkdom der eeuwen hebben gehad. Op het scheidingspunt der twee vertakkingen van de straat du Temple en die van St. Avoye, vond men een zonderlinge koperen medaille der Hugenoten, op welke aan de eene zijde een varken met een kardinaalshoed, en aan de andere zijde een wolf met de driekroon op den kop stond.

De verwonderlijkste ontmoeting was aan den ingang van het groote riool. Deze ingang was eertijds door een rasterwerk gesloten geweest, waarvan de hengsels nog aanwezig waren. Aan een dier hengsels hing een smerig vod, dat zeker, in ’t voorbijdrijven daar tegengehouden, in de duisternis fladderde en verder scheurde. Bruneseau onderzocht met zijn lantaarn het vod opmerkzaam. ’t Was zeer fijn batist en in een punt, die minder vergaan was dan het overige, onderscheidde men een geborduurde kroon, boven deze zeven letters LAVBESP. ’t Was een markiezenkroon en de zeven letters beteekenden: Laubespine. Men herkende in ’t geen men onder de oogen had een stuk van Marats lijkwade. Marat was in zijn jeugd verliefd geweest, toen hij in hoedanigheid van paardenarts tot het huis van den graaf van Artois behoorde. Van zijn, door de geschiedenis bevestigden, liefdehandel met een aanzienlijke dame was hem dit beddelaken gebleven. Een toegeëigend goed of gedachtenis. Wijl dit lijnwaad na zijn dood het eenige eenigszins fijne was, ’t welk hij bezat, had men hem er in gehuld. Oude vrouwen hadden hem voor het graf in dat doek gewikkeld, waarop de tragische vriend des volks den wellust had gesmaakt. Bruneseau ging verder; men liet het vod waar het was; men vernietigde het niet. Was het uit verachting of eerbied? Marat verdiende beide.

Het geheele onderzoek van den onderaardschen weg der vuilnis van Parijs duurde zeven jaren, van 1805 tot 1812.

Aldus maakte, bij den aanvang dezer eeuw, de oude maatschappij haar bodem schoon en ruimde haar riool op. [102]

[Inhoud]

Vijfde hoofdstuk.

Tegenwoordige vooruitgang.

Tegenwoordig is het riool zindelijk, kil, recht, nauwkeurig.

Het verwezenlijkt schier het ideaal van ’t geen men in Engeland onder het woord „respectable” verstaat. Het is betamelijk en grijsachtig; naar de lijn getrokken; men zou schier kunnen zeggen netjes. Het gelijkt naar een leverancier die staatsraad is geworden. ’t Is er bijna licht. Het slijk gedraagt er zich fatsoenlijk. Bij den eersten aanblik zou men het voor een dier onderaardsche gangen houden, welke eertijds zoo gemeen en zoo nuttig waren voor de vlucht van monarchen en vorsten, in dien goeden ouden tijd, „toen het volk zijn koningen beminde.” Het tegenwoordig riool is een fraai riool; de klassieke alexandrijnsche rechte lijn, die uit de poëzie verjaagd, in de bouwkunst de wijk schijnt te hebben genomen, is met al de steenen van dat lang, donker en witachtig gewelf als vereenzelvigd; iedere monding is een boog. Zoo overigens de geometrische lijn ergens op haar plaats is, is ’t zekerlijk in de vuilniskanalen eener groote stad. Daar moet alles den kortsten weg volgen. Tegenwoordig heeft het riool een zeker officieel voorkomen verkregen. Zelfs de rapporten der politie, waarvan het nu en dan het onderwerp is, spreken er met achting van. De woorden, die er in de administratieve taal voor gebezigd worden, zijn verheven en fatsoenlijk. Wat men riool noemde heet galerij, wat gat werd genoemd heet opening. Dit net van holen heeft echter nog altijd zijn onheugelijke bevolking van knaagdieren, die er talrijker zijn dan ooit. Nu en dan waagt een rat, een oude snorbaard, zijn kop voor het venster van het riool en beschouwt de Parijzenaars; maar zelfs dit ongedierte wordt tam, want het is tevreden met zijn onderaardsch paleis. Het riool heeft niets meer van zijn vorige afschuwelijkheid. De regen, die het vroegere riool vuil maakte, wascht het tegenwoordige. Men vertrouwe het echter niet te veel. Het wordt nog steeds door pestdampen bewoond. Het is eer een huichelaar dan een vrome. Wat de politie en de gezondheidscommissie ook gedaan hebben, en ten spijt van alle zuiveringsmiddelen, wasemt het nog een verdachten reuk. Tartuffe na de biecht.

Wij moeten evenwel betuigen dat, wijl de ruiming in allen geval een hulde is, door het riool aan de beschaving gebracht, en in dit opzicht het geweten van Tartuffe een vooruitgang op den stal van Augias is, het riool van Parijs zich onbetwistbaar verbeterd heeft. [103]

’t Is meer dan vooruitgang, ’t is een herschepping. Tusschen het vorige en het tegenwoordige riool ligt een revolutie. Wie heeft deze revolutie bewerkt?

De man, dien iedereen vergeet en dien wij genoemd hebben Brunesau.

[Inhoud]

Zesde hoofdstuk.

Toekomstige vooruitgang.

De bouwing van het Parijsche riool was geen kleine zaak. De tien laatste eeuwen hebben er aan gearbeid, zonder het te kunnen voltooien, evenmin als zij Parijs hebben voltooid. Het riool ontvangt inderdaad de terugwerking der uitbreiding van Parijs. In de aarde is ’t een soort van polyp met duizend sprieten, die gelijkertijd met de stad daarboven grooter wordt. Telkens wanneer de stad een nieuwe straat aanlegt, steekt het riool een arm uit. De oude monarchie had slechts drie-en-twintig duizend driehonderd ellen riool gebouwd; zoo ver was Parijs daarmede den 1 Januari 1806. Van dit tijdstip af, waarvan wij aanstonds zullen spreken, is het werk met kracht hervat en voortgezet; Napoleon bouwde—de cijfers zijn merkwaardig—vier duizend achthonderd vier ellen; Lodewijk XVIII vijf duizend zevenhonderd negen; Karel X tien duizend achthonderd zes-en-dertig; Lodewijk Filips negen-en-tachtig duizend twintig; de republiek van 1848 drie-en-twintig duizend driehonderd een-en-tachtig; de tegenwoordige regeering zeventig duizend vijfhonderd; zoodat er op dit oogenblik gezamenlijk tweehonderd zes-en-twintig duizend zes-honderd tien ellen, (zestig mijlen) riool zijn; de ontzaggelijke ingewanden van Parijs. Een duistere, steeds werkzame aangroei; een onbekende reusachtige bouw.

Men ziet dus, dat de onderaardsche doolhof van Parijs tegenwoordig meer dan tienmaal grooter is dan bij den aanvang dezer eeuw. Men kan zich moeielijk voorstellen, hoeveel volharding en moeite vereischt werden, om dat riool tot het punt van betrekkelijke volmaaktheid te brengen, waarop het thans is. Met veel moeite gelukte het aan het oude monarchale prevootschap, en in de laatste tien jaren der achttiende eeuw aan de revolutionnaire mairie, om de vijf mijlen riool te bouwen, die vóór 1806 bestonden. Allerlei hinderpalen belemmerden dat werk; eenige hingen van den aard van den bodem af, andere lagen in de vooroordeelen der arbeidende bevolking van Parijs. [104]Parijs is op een grondlaag gebouwd, die zich ongemeen tegen de spade, het houweel en de menschelijke hand verzet. Er is niets moeielijker te doordringen dan deze geologische vorming, welke Parijs wordt genoemd; zoodra, onder dezen of genen vorm, het werk zich in deze vorming waagt, vindt het ontelbare onderaardsche hindernissen. ’t Zijn vloeibaar leem, springende bronnen, harde rotsen, zachte en diepe slijk- en modderpoelen. Het houweel dringt moeielijk in de kalklagen, welke vermengd zijn met zeer dunne aderen leem, en leiachtige lagen waarin zich oesterschelpen bevinden, de bewoners der proadamitische zeeën. Vaak ontspringt plotseling een beekje in het begonnen gewelf en overstroomt de werklieden; of er ontstaat een mergelvloeiing die met de kracht van een waterval nederstort en de dikste schoorbalken als glas verbreekt. Onlangs, toen men te la Villette het hoofdriool onder het kanaal van Saint Martin moest brengen, ontstond een scheur in het bekken van het kanaal, het water stroomde eensklaps in de onderaardsche werkplaats; toen moest met een duiker de scheur worden gezocht, die zich in het groote bekken bevond, en met veel moeite werd zij gedicht. Elders, aan de Seine, tamelijk ver van die rivier, zooals bij voorbeeld te Belleville, Grande Rue en Passage Lunière, ontmoet men grondelooze zandbanken, waarin men zakt en in een oogenblik verdwijnen kan. Daarbij rekene men de verstikking in deze pestdampen, de bedelving onder de aardstortingen, en de plotselinge instorting van den bodem. Men voege hierbij de typhus, die langzaam de arbeiders doordringt. Na, in onzen tijd, de linie riolen van de barrière Blanche tot den weg van Aubervilliers in vier maanden, dag en nacht arbeidende, tot een diepte van elf ellen te hebben gebouwd, stierf de bestuurder Monnot. Na drie duizend ellen riool op alle punten der stad gebouwd te hebben, stierf de ingenieur Duleau. Er zijn geen bulletins voor dergelijke moedige daden, die echter nuttiger zijn dan het domme bloedbad der veldslagen.

De riolen van Parijs waren in 1832 volstrekt niet wat zij thans zijn. Bruneseau had den stoot gegeven, maar de cholera moest komen, om tot de uitgebreide herbouwing te doen besluiten, die sinds plaats had.

Dertig jaren geleden, op het tijdstip van den opstand van 5 en 6 Juni, bestond op vele plaatsen bijna nog het oude riool. Een zeer groot getal straten hadden toen eenvoudige goten. Men vond toen bij den samenloop van een straat of plein groote, vierkante roosters, met dikke ijzeren spijlen, die, door de voetstappen der menigte gepolijst, gevaarlijk en glibberig voor de rijtuigen waren en de paarden deden vallen. De [105]officiëele taal van het departement der openbare werken, gaf aan deze roosters den veelbeteekenenden naam van Cassis (halsbrekers).

In 1832 vertoonde in een aantal straten het oude gothieke riool nog onbeschaamd zijn muilen. ’t Waren groote steenen openingen, soms met monumentale onbeschaamdheid door straatpalen omgeven.

Behalve den staatkundigen vooruitgang, waarop wij bij den aanvang hebben gewezen, zijn ernstige vraagstukken omtrent de openbare gezondheidstoestand aan deze gewichtige zaak: „het riool van Parijs”, verbonden.

Men zou kunnen zeggen dat sedert tien eeuwen het riool de ziekte van Parijs is. Het riool is de ondeugd, welke de stad in haar bloed heeft. Het volksinstinct heeft zich daarin nooit bedrogen. Het beroep van baggerman was vroeger even gevaarlijk en voor het volk even walgelijk als het beroep van vilder, dat zoo lang verfoeid en aan den beul overgelaten werd. Er werd een hoog loon vereischt om een metselaar over te halen, in deze verpeste mijn te dringen; de ladder van den putruimer aarzelde er in te dalen; men had tot spreekwoord: „wie in het riool nederdaalt, zinkt in den grafkuil;” en allerlei akelige legenden omsluierden, zooals wij gezegd hebben, met ontzetting dezen kolossalen modderpoel, die de sporen draagt, zoowel der omwentelingen van den aardbol als der revolutiën van de menschen, en waar men tevens de sporen vindt van alle wereldberoeringen, van de schulpen des zondvloeds tot het gescheurde bedlaken van Marat. [107]

Boek III.

Slijk, echter ziel.

[109]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

Het riool en zijn verrassingen.

’t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.

Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in beide kan verdwijnen.

De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau, uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.

Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was, voor dit soort van graf, waar leven was,—dit was een zonderling oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.

Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.

Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets meer. Ook scheen ’t hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand, toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevond [110]dat de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat, een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.

Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. ’t Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen, afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd, raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.

Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene streek der hel in de andere gevallen.

Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt men aan de rivier.

Jean Valjean begreep dit dadelijk.

Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat, zoo hij links ging en de glooiing volgde, hij binnen een kwartieruurs aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het volkrijkste gedeelte van Parijs [111]te voorschijn zou komen. Misschien kwam hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.

Hij ging rechts, tegen de glooiing op.

Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en, wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.

Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen, hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt en er eindelijk God vindt.

’t Was bezwaarlijk zich te richten.

De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten, die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van donkere vertakkingen voor, ’t welk het riool wordt genoemd. De destijds bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben bedragen. [112]Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net, dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder dan zestig mijlen lengte heeft.

Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.

Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.

Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk; duizelingwekkend kruisen zij zich. ’t Is schrikkelijk, in dat Parijs der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den buik van het monster.

Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij onder ’t voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide hem niet meer tegen de teenen, maar tegen [113]de hielen. Het riool liep afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging dus verder.

Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug, die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.

Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken, en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang, moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben opgesomd, gelegd was.

Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen donder. ’t Was het gerol der rijtuigen.

Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting, en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.

Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, ’t welk den grond aan zijn voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld keerde hij zich om.

Achter hem, in het gedeelte van de gang, ’t welk hij was doorgegaan, op een, zoo ’t hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.

’t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging. [114]Achter deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte, onduidelijke, vreeselijke gestalten.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Verklaring.

Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.

De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken gewapend.

Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der ronde van den rechteroever.

Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting van het ringriool te hooren. ’t Waren inderdaad de voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.

’t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.

Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van ’t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der ronde [115]luisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.

Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein plein, ’t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander en fluisterden.

De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te gaan, dat, zoo er iets te doen en een bousingot op te sporen was, zulks in die wijk moest zijn.

Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten jare 1832 vormde het woord bousingot het midden tusschen het woord Jacobin, dat verouderd was, en het woord demagoog, dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.

De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo ’t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. ’t Hing aan een draad. ’t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, die eensklaps omkeerde.

Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van ’t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf boven zijn hoofd geraakt had.

Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in ’t gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en starenden [116]blik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

De vervolgde man.

Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig waargenomen en niet in ’t minst verzuimd. Onder den aanvang eener onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.

’t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.

Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, elkander in ’t oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte te naderen.

’t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van zijn tegenpartij te zullen versnellen.

’t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.

De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn handelingen zijn.

De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.

De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers, [117]zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen te zien.

Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.

De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter bij zag.

Welk doel had de laatste?

Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.

Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In ’t blauw gekleed te zijn is eervol; in ’t rood is het heel onaangenaam.

Er is een purper in de laagte.

’t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.

Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door den gluipenden havelooze, die voorging.

Het huurrijtuig reed langs de boomen der Champs-Elysées. Men zag boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de hand uitkomen.

Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval dit artikel: „Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik te hebben.”

Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is sinds wegens de „welstandigheid” weggeruimd. De paarden smachten nu wel van dorst, maar ’t gezicht heeft gewonnen.

’t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen, [118]een plaats die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.

Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.

Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg op den oever langs de kade voort.

Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.

Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?

Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, en het gezag op zijn hielen.

’t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, ’t welk van een of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.

De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.

De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.

Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was er niet meer.

De man in den kiel was geheel verdwenen.

De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.

De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was van hem geworden? [119]

De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine uitstortte.

Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort van gewelfde donkere gang.

De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.

Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij schudde het, maar het stond stevig vast. ’t Was waarschijnlijk, dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, ’t geen zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt hebben.

Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te openen, ’t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:

„’t Is sterk! een regeeringssleutel!”

Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:

„Wel! wel! wel! wel!”

Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.

Zijnerzijds had het huurrijtuig, ’t welk zich naar al zijn bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade. [120]

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Ook hij draagt zijn kruis.

Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en dorst; bovenal dorst; en ’t is daar, evenals de zee, een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.

Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het ringriool kwam.

Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht voet breed en zeven voet hoog.

Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier wegen zou iemand van minder [121]schranderheid besluiteloos zijn geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.

Hij deed er wel aan. Want ’t zou een dwaling zijn te gelooven, dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij na duizenden bezwaren, uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.

Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het riool moeten kennen. En, wij herinnere het, hij kende niets van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.

Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke redding.

Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, en de lange gevorkte gang der Chaussée d’Antin.

Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d’Anjou, wierp een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelen [122]in roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.

Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in vergeten was, en Marius’ portefeuille. Hij at het brood en opende de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius geschreven regels, welke men zich herinneren zal:

„Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais gebracht worden.”

Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de portefeuille weder in Marius’ zak. Hij had gegeten en krachten herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het riool voort.

Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg voort, tastende in de duisternis.

Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk. [123]

[Inhoud]

Vijfde hoofdstuk.

Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid.

Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer plaveisel, maar modder had.

Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; de zolen kleven er aan; ’t is geen zand meer, maar lijm. Het strand is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand heeft hetzelfde aanzien, niets onderscheidt den vasten bodem van den bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: ’t is alsof bij elken tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af, en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat, het zand komt reeds tot boven zijn knieën.

Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk, onverbiddelijk, onmogelijk te vertragen [124]of te verhaasten is, die uren duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee, de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt; hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken, wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand, wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand, beweegt zich en verdwijnt. ’t Is de akelige verdwijning van een mensch.

Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn kar; alles zinkt onder het zand. ’t Is een vergaan, elders dan in het water. ’t Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als een vlakte en opent zich als een zee. ’t Is de verraderlijkheid van den afgrond.

Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche riool mogelijk.

Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.

Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt instorting. Dan [125]verzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen in een zwakke zelfstandigheid; ’t is noch aarde noch water. De diepte ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling, en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft, is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.

Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen, het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.

Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is afzichtelijk. ’t Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. ’t Is klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk Clarence, ’t zij zoo; maar in een modderpoel als d’Escoubleau, dit is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of een pad zal worden.

Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.

De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet; soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben gehad om te verdwijnen, [126]terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen, naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich, waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker, die den bodem onder zich voelt zinken.

De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den bodem; een buiten ’s menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de modderwellen bedolven werden.

Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d’Escoubleau, van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek bestormde. D’Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!

[Inhoud]

Zesde hoofdstuk.

De modderwel.

Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.

In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulische [127]werkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.

De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. ’t Was een moddergat in een nachtelijk hol.

Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in het slijk. ’t Was water van boven en modder van onder. Hij moest er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor ’t gewicht van één mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een lijk was.

Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.

Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om ’t water te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was tijd. [128]

Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede tegen en op dat steunpunt. ’t Scheen hem als de eerste trede van een trap die naar het leven opsteeg.

Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere zijde van den slijkkuil.

Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een zonderlinge helderheid.

[Inhoud]

Zevende hoofdstuk.

De uiterste nood.

Opnieuw zette hij zijn weg voort.

Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij richtte zich op.

Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen verschrikkend licht; ’t was goed, helder licht, het daglicht. [129]

Jean Valjean zag den uitgang.

Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, vertoonde zich de uitgang duidelijker. ’t Was een boog, minder hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.

Jean Valjean bereikte den uitgang.

Daar bleef hij staan.

’t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.

De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.

Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. ’t Was een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.

’t Kon half negen ’s avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.

Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoog [130]zich. De tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te openen.

Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.

’t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.

’t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis trilden, de vreeselijke spin.

Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.

’t Was de laatste droppel van den angst.

Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.

[Inhoud]

Achtste hoofdstuk.

Het afgescheurde rokspand.

In ’t midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:

„Ieder de helft.”

Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen gehoord.

Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.

Een man stond voor hem.

Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt te naderen.

Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting was, kende hij echter dezen man. [131]

’t Was Thénardier.

Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.

Beiden wachtten een oogenblik.

Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep de lippen dicht op elkander, ’t geen de sluwe oplettendheid te kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean eensklaps in ’t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, ’t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean Valjean en den ontmaskerden Thénardier.

Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.

Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij elkander opnamen.

Thénardier brak het eerst het zwijgen.

„Wat zult ge doen om hieruit te komen?”

Jean Valjean antwoordde niet.

Thénardier hernam:

„’t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit.”

„’t Is waar,” zei Valjean.

„Nu, ieder de helft.”

„Wat bedoelt ge?”

„Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel.”

Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:

„Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn.”

Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een moordenaar.

Thénardier hernam: [132]

„Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur.”

En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende zien, voegde hij er bij:

„Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.”

Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. ’t Was de Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.

Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.

„Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.”

„Wat moet ik met dit touw?”

„Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er ligt daar een hoop puin.”

„Waartoe een steen?”

„Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.”

Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets werktuiglijk aanneemt.

Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij hem opkwam.

„Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker.”

Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:

„Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. ’t Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om ’t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om ’t leven gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen.”

Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider te verheffen:

„Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?”

Jean Valjean bleef zwijgen. [133]

Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig man gaf:

„Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk den doode vinden en men zou van ’t een tot het ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat maakt dat uit? ’t is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan.”

Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.

„Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel gezien, laat mij uw geld zien.”

Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.

’t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn lippen en fluisterde: „stil!” Het was moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier liever niet met hen wilde deelen.

Thénardier hernam:

„Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?”

Jean Valjean tastte in zijn zakken.

’t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, die vochtig van ’t slijk waren, en legde op den vooruitspringenden kant van den muur een louis-d’or, twee vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous. [134]

Thénardier stak de onderlip vooruit met een veelbeteekenende draaiing van den hals.

„Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,” zeide hij.

Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar ’t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig francs.

„’t Is waar,” zeide hij, „gij hebt niets meer.” En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.

Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:

„’t Zij zoo! ’t is evenwel al te weinig om er een mensch voor te vermoorden.”

Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.

„Nu, vriend, moet ge hier uit. ’t Is hier als op de kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.”

Hij lachte.

Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te redden? Wij twijfelen hieraan.

Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; ’t deed de heimelijke gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Een [135]oogenblik later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.

Jean Valjean was buiten.

[Inhoud]

Negende hoofdstuk.

Marius schijnt dood voor iemand, die er verstand van heeft.

Hij leide Marius aan den rivierzoom.

Zij waren buiten!

Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan ’t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over ’t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.

’t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen zegt. ’t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.

Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit onmetelijk helder duister, ’t welk hij boven zich had; peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in ’t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn half geopende mond.

Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken, [136]toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.

Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, ’t welk iedereen kent.

Hij keerde zich om.

Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.

’t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.

Jean Valjean herkende Javert.

De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die—luidens de bij hem gevonden nota—hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet en was hem gevolgd. Men weet het overige.

Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! ’t Was een buit, die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn wachten, ’t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou ontsnappen.

Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.

Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van Javert te vallen, was ontzettend.

Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de hand, en zeide kort en bedaard:

„Wie zijt gij?” [137]

„Ik.”

„Wie, gij?”

„Jean Valjean.”

Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.

Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.

„Inspecteur Javert,” zeide hij, „gij hebt mij. Ik beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, maar sta mij één ding toe.”

Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:

„Wat doet ge hier? en wie is deze man?”

Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.

Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te doen ontwaken:

„Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets anders.”

Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde evenwel niet.

Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.

Deze man was bij de barricade,” zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. „Men noemde hem Marius.”

Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.

Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.

„’t Is een gewonde,” zei Jean Valjean.

„’t Is een doode,” zei Javert.

Jean Valjean antwoordde: [138]

„Neen, nog niet.”

„Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?” merkte Javert op.

Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs Jean Valjean’s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.

Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:

„Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn grootvader...—Ik ben den naam vergeten.”

Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en reikte ze Javert.

’t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en mompelde: „Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6.”

Toen riep hij: „Koetsier!”

Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.

Javert behield de portefeuille van Marius.

Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.

Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden naar den kant van het Bastilleplein.

Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd. [139]

[Inhoud]

Tiende hoofdstuk.

Terugkeer van den verloren zoon tot het leven.

Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel bloed uit het haar van Marius.

Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in de straat des Filles du Calvaire stilhield.

Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.

Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.

Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de beenen.

Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.

Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement tegenover den portier van een opstandeling past:

„Woont hier iemand, die Gillenormand heet?”

„Ja. Wat wilt ge van hem?”

„Men brengt hem zijn zoon terug.”

„Zijn zoon?” zei de portier verstomd.

„Hij is dood.”

Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd tegen hem.

De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van Jean Valjean te begrijpen.

Javert hernam:

„Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier.”

„Naar de barricade!” riep de portier. [140]

„Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken.”

De portier verroerde zich niet.

„Ga toch!” herhaalde Javert.

En hij voegde er bij:

„Morgen zal men hier een begrafenis hebben.”

Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch gerangschikt, ’t geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.

De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.

Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den voet gevolgd.

De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met verschrikte slaperigheid.

Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.

„Inspecteur Javert,” zei Jean Valjean, „sta mij één ding toe.”

„Wat?” vroeg Javert ruw.

„Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder met mij doen wat ge wilt.”

Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:

„Koetsier, rue de l’Homme-Armé, nommer 7.”

[Inhoud]

Elfde hoofdstuk.

Verbazing.

Onderweg spraken zij geen woord meer.

Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien [141]een of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.

De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean onmogelijk.

Bij den ingang der straat de l’Homme-Armé hield het rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.

De koetsier deed „mijnheer den inspecteur” deemoedig opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.

Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, zeggende:

„Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?”

„’t Is zeven en een kwart uur,” antwoordde de koetsier, „en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur.”

Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.

Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, welke in de nabijheid zijn.

Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.

Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.

Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.

„Goed,” zei Javert. „Ga binnen.”

Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof ’t hem inspanning kostte, voegde hij er bij:

„Ik wacht u hier.”

Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelen [142]van Javert was weinig volgens zijn gewoonte. ’t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had getrokken: „Ik ben het,” en hij ging de trap op.

Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, ’t geen een opzettelijke verlichting uitwon.

Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.

Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.

Javert was heengegaan.

[Inhoud]

Twaalfde hoofdstuk.

De grootvader.

Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.

Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets in staat dan te zeggen: „Is het Gods mogelijk!” Zij voegde er nu en dan bij: „Alles zal met bloed bemorst worden!” Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: „Zoo moest het eindigen!” maar zij ging zooverre niet van te zeggen: „Ik heb het wel gezegd!” zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.

Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed om de lippen uit den neus kwam, [143]liet hij hem plat op het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.

De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen. ’t Was een ernstig verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf door de barricade beschermd geworden.

Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.

De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.

Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.

’t Was de grootvader.

De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.

De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van den [144]heer Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend genaderd.

Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.

Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.

Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien. Hij stamelde:

„Marius!”

„Mijnheer,” zei Basque, „men heeft den jongenheer zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en....”

„Hij is dood!” riep de grijsaard met vreeselijke stem. „O, de booswicht!”

Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige zoo recht op als een jongeling.

„Mijnheer,” zeide hij, „zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles één ding. Hij is dood, niet waar?”

De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.

Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.

„Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden uit haat tegen mij! ’t Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, hij is dood.”

Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den nacht te spreken.

„Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken gehouwen. Ziet ge ’t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengen [145]en zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! ’t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is mijn ontwaking!”

De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:

„Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar één ding is verschrikkelijk, ’t is de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius! ’t is afschuwelijk! Gedood! vóór mij dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. ’t Zou dom zijn. ’t Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging heen. ’t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon de d niet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van Herkules [146]Farnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en laten u niet meer los. ’t Is waar, dat er geen liever kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!”

Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: „O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!”—Zachte verwijten van een zieltogende tot een lijk.

Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:

„’t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen lieden betaamt. ’t Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is ’t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. ’t Is uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die medicijnen. ’t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is dood, geheel dood. Ik heb er verstand van [147]want ook ik ben dood. Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, ’t is een afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!”

Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer Gillenormand.

„Marius!” riep de grijsaard. „Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!”

En hij zonk machteloos neder. [149]

Boek IV.

Javert uit het spoor.

[151]
[Inhoud]

Javert uit het spoor.

Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l’Homme-Armé verwijderd.

Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor het eerst van zijn leven met de handen op den rug.

Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.

Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.

Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade, zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds, een soort van vierkant meer, door ’t welk een snelle strooming gaat.

Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven, het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers verdrinken er. [152]

Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard woelden, peinsde hij.

Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.

Javert leed vreeselijk.

Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.

Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke van de twee was de ware?

Zijn toestand was onbeschrijfelijk.

Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, dat verplette hem.

Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert, Jean Valjean genade had geschonken.

Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.

Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd was. [153]De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.

In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.

Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken, zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich zelven geven.

Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand de vrijheid te schenken; dit had hem behaagd; hij had zijn eigen zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over: haastig naar de straat de l’Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean in hechtenis te nemen.

’t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.

Iets belette hem den weg naar dien kant.

Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken, gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.

Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!

Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij zich beiden boven de wet stelden?

Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het gouvernement eten!

Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.

Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op. [154]

Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.

Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling te erkennen. ’t Was verschrikkelijk!

Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, dat zulk een monster bestond.

Dit kon niet langer duren.

Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat, had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe te roepen: „Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;” de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: „Deze man is voor u!” om dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet, en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar gewicht, nedergezonken, en in ’t diepst zijner ziel had hij een stem, een zonderlinge [155]stem gehoord, die hem toeriep: „Goed zoo. Lever uw redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus brengen en wasch er uw klauwen in.”

Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.

Een galeiboef was zijn weldoener.

Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had hij gebruik moeten maken. ’t Ware beter geweest, zoo hij de andere opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld had laten doodschieten.

Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn eenige leiddraad was. ’t Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!

Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij zelf voor zulk een verrassing bezweken was.

Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling was goed geweest. En hij zelf, ’t was ongehoord, was goed geweest. Hij was dus ontaard.

Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.

Voor Javert was het ideaal niet—menschelijk, groot, verheven; maar onberispelijk te zijn. En hij had gefaald. [156]

Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.

Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te laten gaan, terwijl hij hem vasthield. ’t Was, om zoo te zeggen, buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.

Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als voor zijn veiligheid—wat heeft hij gedaan door mij het leven, door mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor die boven, als voor die beneden was. Zonder in ’t minst Voltairiaan, philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen godsdienst in de politie, zijnde hij—wij zeggen dit zonder eenige ironie en in den ernstigsten zin—spion gelijk men priester is. Hij had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.

Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet, hoe hij ’t met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander middel overschiet dan zijn ontslag.

Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?

Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettende [157]ambtszonde had begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde, die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij in dat blinde geloof geleefd, ’t welk een onbepaalde eerlijkheid voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten, dat eensklaps uit de duisternis in ’t licht komt. Hij zag ’t geen, waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.

’t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.

Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden, hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!

Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!

Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig blauw des hemels te zien!

Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid, die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is. [158]

Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde verschijning: een afgrond boven zich.

Hoe! men was van ’t hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat men zeker acht, instorten?

Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.

Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. ’t Waren feiten. ’t Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.

Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen; ’t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van boven komen?

Aldus—en in de overdrijving van den angst en de begoocheling der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen—aldus was het strafrecht, een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het beginsel van het gezag, al de dogma’s waarop de politieke en burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin, [159]bouwval, chaos; hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.

Was dit te verduren? Neen.

Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug te geven. De andere...

Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het Chateletplein aanwees.

Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad binnen. Enkel aan ’t openen der deur van een wachthuis kennen de politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de nachtpatrouilles.

Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.

Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:

Eenige opmerkingen ten nutte van den dienst.

Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog te slaan.

Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.

Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en vervangen.

Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen. [160]

Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan doen vatten.

Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.

Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, wijl het linnen niet minder goed is.

Ten achtste: ’t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van Sainte-Marie-l’Egyptienne te begeven.

Ten negende: ’t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.

Ten tiende: Mme Henry is een brave vrouw; haar cantine is zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving onwaardig.”

Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten regel teekende hij:

Javert,

„Inspecteur van de 1e klasse.

„In den wachtpost van het Chateletplein.

„7 Juni 1832, omstreeks één uur ’s morgens.”

Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: „Nota voor de administratie,” liet het op de tafel liggen en verliet den wachtpost. De getraliede glazen deur viel achter hem dicht.

Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, ’t welk hij een kwartieruurs vroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.

’t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, ’t welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de straten en kaden zien kon [161]was eenzaam. Nôtre-Dame en de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.

De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als schroef zonder einde draait.

Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had, was geen water; ’t was een kolk. De muur van de kade, die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van het oneindige.

Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze duisternis was afgrijselijk.

Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water verdwenen gestalte. [163]

Boek V.

De kleinzoon en de grootvader.

[165]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

Men ziet den boom weder met den zinkpleister.

Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.

Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.

Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.

Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor het stelen, dat hem bijna in ’t verderf had gestort, maar zich met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.

De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard: [166]

Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins in strijd is.

„Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?” vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in ’t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in ’t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?

Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel dezelfde als deze te kunnen zijn.

Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.

„Voor den duivel!” zei Boulatruelle, „ik zal hem wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er bij behoor.”

Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.

„Hiermede,” mompelde hij, „kan ik den grond en een mensch kort krijgen.”

En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het kreupelhout.

Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der struweelen, die met bevallige [167]langzaamheid zich weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.

’t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps den man.

Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het oog.

De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit een reden voor haar langen duur.

Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam ’t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de zoo lang gedroomde schat.

’t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een groot kwartieruurs voor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.

„Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,” zeide hij.

Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer den misslag, den rechten weg te volgen.

Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.

Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd. [168]

Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.

Er was niemand.

Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, men had hem niet weggevoerd.

Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In welke richting? In welken schuilhoek? ’t Was onmogelijk te gissen.

En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een vergeten of achtergelaten schop zag.

Die kuil was ledig.

„Dief!” riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont uitstekende.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog.

Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.

Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. „De lijder mag vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,” herhaalde hij. De verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met moeite werd het koudvuur door aanwending van chloor en helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.

Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goed [169]gekleed heer met wit haar—dit was het signalement dat de portier van hem gaf,—naar den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.

Eindelijk, den 7den September, vier maanden, op den dag af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was. De genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!

Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.

Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij ’t algemeen, maar bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.

De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaie linnen te sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: „Ai! ai!” Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.

Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar was, geraakte de goede man buiten zich zelven. [170]Hij gaf zijn portier drie louisd’ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd danste hij een gavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje zingende:

Jeanne est née à Fougère,

Vrai nid d’une bergère;

J’adore son jupon

Fripon.

Amour, tu viens en elle,

Car c’est dans sa prunelle

Que tu mets ton carquois,

Narquois!

Moi, je la chante, et j’aime

Plus que Diane même

Jeanne et ses durs tétons

Bretons.1

Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.

Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.

Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!

Telkens vroeg hij aan den geneesheer: „Er is immers geen gevaar meer?” Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon van zijn kleinzoon.

In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, bekoorlijk, jong. Zijn wit haar [171]paarde een zachte majesteit aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt een hemelsch morgenrood.

Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts een enkele gedachte: Cosette.

Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.

Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan ’t leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn verdwenen paradijs te eischen.

Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.

Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in ’t spel kwam, hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenen [172]en tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.

En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.

Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. ’t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn woorden te verdraaien.

Blijkbaar moest eene crisis komen.

Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. „De mannen van 93 waren reuzen,” zei Marius streng. De grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.

Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.

Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.

Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.

Dat oogenblik kwam. [173]


1 Jeannette is geboren te Fougère, ’t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

Marius’ aanval.

Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon: „Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet beter.”

Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke houding aan, en zeide:

„Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.

„Wat?”

„Ik wil trouwen.”

„Ik had het voorzien,” zei de grootvader, terwijl hij luid begon te lachen.

„Hoe, voorzien?”

„Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.”

Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.

De heer Gillenormand hernam:

„Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de l’Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren, [174]mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, ’t is goed, spreken wij er niet meer van; ’t is gezegd, ’t is gedaan, ’t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, mijn geliefd kind.” Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het hoogste geluk.

„Mijn vader!” riep Marius.

„Ha, gij bemint mij dus!” zei de grijsaard.

Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening niet spreken.

Eindelijk stamelde de grijsaard:

„Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft „mijn vader” gezegd.”

Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:

„Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar zou kunnen zien.”

„Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.”

„Vader!”

„Wat?”

„Waarom niet heden?”

„Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal „vader” genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar bij [175]u brengen. Ik heb het voorzien, zeg ik u. ’t Is reeds in rijm gebracht. ’t Is de ontknooping van de elegie „de jonge zieke” van André Chénier, van André Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd.”

Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van Marius te merken, die in waarheid, wij moeten ’t zeggen, niet meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier aangevoerd te hebben, hernam haastig:

„Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier verzochten, wel te willen gaan...”

De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: „Bij de honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!”

„Wien, mijnheer?”

„André Chénier!”

„Ja, mijnheer,” zei Basque verschrikt.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht.

Cosette en Marius zagen elkander weder.

Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de zon.

Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend, [176]was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.

Zij verscheen op den drempel, en ’t was alsof zij in een stralenkrans stond.

Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde Cosette er overheen.

„Aanbiddelijk!” riep hij uit.

Toen snoot hij heel luidruchtig.

Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.

Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. ’t Was „Mijnheer Fauchelevent;” ’t was Jean Valjean.

Hij was „zeer goed gekleed”, zooals de portier had gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.

De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, die in den nacht van den 7den Juni, met gehavende kleederen, vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw gezegd: „Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer gezien te hebben.”

Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.

„Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?” vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.

„O,” antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het gehoord had, „’t is een geleerde: kan hij ’t helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.” [177]

En luide zeide hij groetend:

„Mijnheer Tranchelevent...”

Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.

„Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen.”

„Mijnheer Tranchelevent” boog.

„Dit is in orde,” zei de grootvader.

Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend uitbreidende, riep hij:

„’t Is u thans vergund elkander te beminnen!”

Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn rustbed zittende en Cosette naast hem staande. „O mijn God!” lispte Cosette, „ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom toch? ’t Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood geweest. O, ’t was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l’Homme-Armé. ’t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. ’t Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. ’t Is wonder, dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! ’t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben ’t geheel vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l’Homme-Armé. Er is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, ’t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger.”—„Engel!” zei Marius.

Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er van maken.

Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken. [178]

De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren en riep:

„Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken.”

En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:

„Praat maar, stoort u aan niets.”

Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; ’t was in ’t minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: ’t was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; ’t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.

„Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,” zij haar vader; „ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.”

Hij zweeg een oogenblik en hernam:

„Aanschouw het geluk van anderen.”

Toen wendde hij zich tot Cosette:

„Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, jongejuffer. ’t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, ’t zal een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der jezuïetische bouworde is te Namen. ’t Heet Saint-Loup. Ge moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. ’t Is een reis waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te redden moet er een Jeanne d’Arc zijn, maar om volk te hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper een waskaars in de hand te houden en te zingen Turris Eburnea!” [179]

De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde voort, als een losgebroken springveer:

Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,

Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries1.

„Apropos!”

„Wat blieft, vader?”

„Hadt ge niet een boezemvriend?”

„Ja, Courfeyrac.”

„Wat is er van hem geworden?”

„Hij is dood.”

„Dat is goed.”

Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier handen in zijn gerimpelde handen.

„Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,” voegde hij er eensklaps treurig bij, „welk een ongeluk! Nu denk ik er aan. Meer dan de helft van ’t geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, mevrouw de barones, zullen moeten werken.”

Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:

„Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend francs.”

’t Was de stem van Jean Valjean.

Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige menschen.

„Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?” vroeg de grootvader ontsteld.

„Dat ben ik,” antwoordde Cosette.

„Zesmaal honderd duizend francs!” hernam de heer Gillenormand.

„Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,” zei Jean Valjean. [180]

En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een boek had aangezien.

Jean Valjean opende zelf het pakje. ’t Waren bankbiljetten. Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs.

„Dit is een kostelijk boek,” zei de heer Gillenormand.

„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!” prevelde de tante.

„Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter?” hernam de grootvader. „Die drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild.”

„Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,” herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. „Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!”

Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks op deze omstandigheid.


1 ’t Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.

[Inhoud]

Vijfde hoofdstuk.

Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een notaris.

Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende weder gevat te worden, ’t geen werkelijk korten tijd later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op dien zekeren [181]avond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle erfde de spade.

De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor zich.—„Later zullen wij zien,” dacht hij.

Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster had slechts vijf duizend francs gekost.

Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.

Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in den Moniteur, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, ’t welk deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.

[Inhoud]

Zesde hoofdstuk.

De beide oude lieden doen, elk op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te maken.

Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen in volkomen geluk.

De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond hij in de aanschouwing van Cosette. [182]

„Een verwonderlijk schoon meisje!” riep hij. „En zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u.”

Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.

„Begrijpt ge er iets van?” vroeg Marius aan Cosette.

„Neen,” antwoordde Cosette, „maar mij dunkt, dat de goede God ons aanschouwt.”

Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.

Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te lossen, van ’t welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.

De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend francs geweest, maar tienduizend francs [183]waren aan de opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.

Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is het leven.

Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, is steeds tot ontberingen gereed.

Zij bleef echter Jean Valjean „vader” noemen.

Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk ingenomen. ’t Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.

Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, die sedert jaren niet geopend waren. „Laat ons deze dames eens onderzoeken,” zeide hij, „en zien wat zij bevatten.” Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij aan [184]Cosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.

De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.

Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.

Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:

„De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt een herinnering uit de oudheid”1.

Moire antique!” riep de grijsaard. „Ik dank u Marius. ’t Is juist het denkbeeld dat ik zocht.”

En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van theekleurig moire antique gevoegd.

De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.

„De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met korenbloempjes bekranst, maar voeg er honderdduizend francs rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit een [185]nis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud.”

De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen doorééngemengd.

„Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een louisd’or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan tafel, geestige [186]puntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! ’t is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, ’t geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van het geluk. ’t Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haat [187]een boersche bruiloft. Men moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot het burgerlijke der kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou ’t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de bosch- en zeenimfen noodigen. ’t Zou de bruiloft van Amphitrite zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters getrokken:

Triton trottait devant, et tirait de sa conque

Des sons si ravissants, qu’il ravissait quiconque!2

Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van.”

Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche aanschouwing.

Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haar Ave, terwijl men in een anderen hoek I love you lispte, en zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.

Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als verdoofd, vreemd blijft aan ’t geen men wereldsche zaken zou kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijke [188]gewaarwordingen, noch van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in ’t hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.

De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. ’t Is waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige achting schuldig, en ’t was duidelijk, dat zij niet anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet meer behoefden.

Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van het huis, geven. „Dit zal mij verjongen,” verklaarde hij. „’t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn kamer bruiloft te houden.” Hij meubileerde deze kamer met een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van Anville te Roche-Guyon.

De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de orde voorgeschreven. [189]


1 In ’t Fransch: „mémoire antique.”

2 Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen verrukte!

[Inhoud]

Zevende hoofdstuk.

De uitwerksels van den droom op het geluk.

De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer Fauchelevent. „’t Is de verkeerde wereld,” zei juffer Gillenormand, „dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.” Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de straat de l’Homme-Armé, hadden ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met elkander. ’t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.

Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.

Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een treurigen blik in ’t [190]verleden doen slaan. De geest, die zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan ’t hoofd, en het woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.

En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette. ’t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.

De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden. Overigens was, bij ’t verschil van beider aard, geen vraag van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.

Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, zijn minder zeldzaam dan men gelooft.

Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, zeide hij:

„Ge kent immers die straat?”

„Welke straat?” [191]

„De Chanvreriestraat?”

„Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat,” antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.

Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.

„Ik heb stellig gedroomd,” dacht hij, „’t is een zinsbegoocheling geweest. ’t Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was er niet.”

[Inhoud]

Achtste hoofdstuk.

Twee onmogelijke weder te vinden mannen.

Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten uit den geest van Marius.

Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het gebeurde onderzoeken.

Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn vader als voor zich zelven.

Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer Gillenormand gebracht had.

Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo helder leven zou werpen. ’t Was hem onmogelijk al die oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.

Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, behalve voor Marius.

En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.

Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, de twee eenige [192]overgeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet werpen.

Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.

Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, uit vrees van weder gevat te worden.

Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool „gestationneerd” had; dat tegen negen uren des avonds het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij „dezen keer” levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats genomen, dat [193]hij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en hij verder niets wist; dat ’t een donkere avond was geweest.

Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn herkregen.

Hij verloor zich in gissingen.

Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En op welke wijze? Door het riool. ’t Was een ongehoorde opoffering!

Iemand? Wie?

’t Was die man, welken Marius zocht.

Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste aanwijzing te vinden.

Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.

Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.

Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van leven aan Marius, die hem alles te danken had? [194]De belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: „De man zag er afschuwelijk uit!”

In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.

Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De koele houding van den heer „Fauchelevent” hinderde hem.

Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:

„Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden...”

„Zij behooren u,” viel Jean Valjean hem in de rede.

„Welnu,” hernam Marius, „dan zou ik ze geven om dien man weder te vinden.”

Jean Valjean zweeg. [195]

Boek VI.

De slapelooze nacht.

[197]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

De 16 Februari 1833.

De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. ’t Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.

’t Was een heerlijke dag geweest.

’t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.

De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg achter te laten.

In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelsche [198]nobility, op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.

Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.

Men verbeeldde zich nog in dien tijd, ’t was zonderling, dat een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.

En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.

Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten huize van den heer Gillenormand gevierd.

Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari niet gereed zijn.

Nu was het,—wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer nauwkeurigheid,—op den 16den Vastenavond. Hier door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.

„Vastenavond!” riep de grootvader, „des te beter. Er is een spreuk die zegt:

Hij, die op Vastenavond trouwt.

Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.

„Dus bepaald! ’t Zal den 16den zijn. Zoudt gij ’t willen uitstellen, Marius?”

„Zeker niet,” antwoordde de gelukkige.

„Trouwen wij dus!” hernam de grootvader.

Het huwelijk werd dus den 16den voltrokken, niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.

Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs ter hand gesteld. [199]

Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer eenvoudig waren.

Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.

Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.

Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand geklemd. ’t Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, ’t geen hem belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.

Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.

Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte van rijtuigen zou zijn. „Waarom?” vroeg Gillenormand.—„Uithoofde der gemaskerden.”—„Des te beter,” zei de grootvader. „Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden.”

Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze keten vormden.

Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen, [200]de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.

Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de een naar Chaussée d’Antin, de andere naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.

In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als openbare ambtenaars.

Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.

De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een rijtuig met gemaskerden. [201]

Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: „daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie plaats hebben.” Een hoop Cassandra’s, Harlekijns en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.

Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig van Vadé noodig.

Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.

De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt en [202]dartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.

Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den Parijzenaars het karnaval te bewijzen.

Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de publieke mannen en de publieke vrouwen.

Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige hydra’s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,—wanneer het meesters heeft—slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.

Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.

„Kijk!” zei een gemaskerde, „een bruiloft.”

„Een valsche bruiloft,” hernam een ander. „Wij zijn de echte.”

En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen, [203]en bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.

Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in ’t nauw; het volk hoonde en beschimpte het; ’t geen de liefkoozing der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van scheldwoorden en uitjouwingen.

Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan ’t schelden waren.

Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.

Ziehier de samenspraak:

„Zeg eens.”

„Wat, vader?”

„Ziet ge dien oude?”

„Welken oude?”

„Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde.”

„Wiens arm in een zwarten doek hangt.”

„Ja.”

„Nu?”

„Ik ben zeker, dat ik hem ken.”

„Zoo!”

„Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.”

„Vandaag is Parijs Pantin.”

„Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?”

„Neen.”

„En den bruidegom?”

„Er is geen bruidegom in de koets.”

„Och!”

„Of ’t moest de andere oude zijn.” [204]

„Buk u en tracht de bruid te zien.”

„Ik kan niet.”

„Om ’t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben er zeker van.”

„Wat kan ’t u schelen, of ge hem kent?”

„Men weet niet. Soms!”

„Ik, ik heb niets met den oude te maken.”

„Ik ken hem.”

„Ge moogt hem kennen.”

„Hoe drommel is hij bij de bruiloft?”

„Wij zijn er immers ook bij.”

„Vanwaar komt die bruiloft?”

„Weet ik het?”

„Luister.”

„Wat?”

„Doe iets.”

„Wat?”

„Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.”

„Waarom?”

„Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, meisje, ge zijt jong.”

„Ik kan het rijtuig niet verlaten.”

„Waarom?”

„Ik ben gehuurd.”

„Te drommel!”

„De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd.”

„’t Is waar.”

„Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die mij ziet. Ge weet.

„Ja, ik weet.”

„Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.”

„Om ’t even. Die oude verveelt mij.”

„Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.”

„Hij zit in het eerste rijtuig.”

„Nu?”

„In de koets der bruid.”

„Verder?”

„Hij is dus de vader.”

„Wat raakt het mij?”

„Ik zeg u, dat hij de vader is.”

„De vader moet er immers bij zijn.”

„Luister.”

„Wat?”

„Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geen [205]gemaskerden meer. ’t Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt vrij.”

„Niet te veel”

„Altijd meer dan ik.”

„Nu, verder.”

„Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is.”

„Waarheen zij gaat?”

„Ja.”

„Ik weet het.”

„Waarheen dan?”

„Naar de Cadran Bleu.”

„Zij gaat niet in die richting.”

„Nu, dan naar la Rapée.”

„Of elders.”

„Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij.”

„Dat is ’t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt.”

„Nog meer! ’t Zal grappig wezen. ’t Is even gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?”

„Om ’t even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?”

De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter.

Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius waren gekozen.

Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.

Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij was een uitstekende bescheidenheid, die in [206]helderheid straalde en er zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.

Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.

De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.

Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.

„’t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent,” zei de grootvader. „Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, ’t is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is al wat ik wensch.”

Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor den priester alle mogelijke „ja’s” te hebben uitgesproken, na op de registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den walm van het wierookvat geknield te hebben,—zij aan elkanders arm, door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit, voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; ’t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. „Kinderen,” zei de grootvader, „nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones, met dertig duizend francs inkomen.” En Cosette drong zich dicht [207]tegen Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: „’t Is dan waar, ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!”

Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen waren zij geen veertig jaren oud. ’t Was een verhemeld huwelijk; deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den kus en den droom, het bruidsbed.

Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid, de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.

In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.

Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich, om te raden. ’t Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording, op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de voorbijgangers mede.

Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.

Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glans [208]der opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, werd rood tot in het wit harer oogen.

Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de barones te noemen.

De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.

Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.

„Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,” zeide vader Gillenormand bij zich zelven.

Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.

Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.

In de eetzaal was de tafel gedekt.

Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.

De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden, boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden licht en bloemen elkander afwisselden.

In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen kwartetten van Haydn.

Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in, eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiging [209]hield met beide handen haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:

„Zijt gij tevreden, vader?”

„Ja,” zei Jean Valjean, „ik ben tevreden.”

„Welnu, lach dan.”

Jean Valjean lachte.

Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed was.

De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde orde aan tafel.

Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.

Men zocht met den blik „mijnheer Fauchelevent”.

Hij was er niet meer.

De heer Gillenormand riep tot Basque:

„Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?”

„Mijnheer,” antwoordde Basque, „zooeven heeft mijnheer Fauchelevent mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou komen. Hij is juist heengegaan.”

Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer Gillenormand iets in den zin. „Drommels!” zeide hij, „deze stoel is ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht op u heeft, zal ’t u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal ’t aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata.” De geheele tafel juichte toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius. [210]

Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.

Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het jonge paar.

„Ge komt er niet af zonder twee preeken,” riep hij. „Van ochtend hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg: Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? ’t Is de liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? ’t Is het koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer; er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken; ’t is gedaan, ’t is verbrijzeld, ’t ligt ter aarde, er is geen schepter meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden, geborduurden zakdoek? Ik zou ’t wel eens willen zien! Beproeft het. Waarom is hij hecht? Omdat ’t een lap [211]is. Ha! gij zijt de negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe ’t ook zij, men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen, schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij ’t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, ’t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men jong is. Verbeeldt u niet, dat gij ’t uitgevonden hebt. Ook ik heb gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik zeg. ’t Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijn [212]catechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, dat ik oud ben; ’t is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. ’t Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn, van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken; dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O, ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt den zegen van den ouden man.”

De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men danste een weinig, men lachte veel, ’t was een prettige bruiloft; men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er trouwens in den persoon van vader Gillenormand.

Eerst was er rumoer, toen stilte.

Het huwelijkspaar verdween.

Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.

Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een glimlachende engel met den vinger op den mond.

De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde gevierd wordt.

Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten, moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis min of meer verdrijven. ’t Kan niet anders, of dit heilig feest moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten; daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke drieëenheid. [213]

De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.

Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te vinden. Beminnen is een voleindiging.

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

De onafscheidbare.

Wat was er van Jean Valjean geworden?

Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt naar de voorkamer gegaan. ’t Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.

De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.

Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de straat de l’Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; ’t was een omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de l’Homme-Armé naar de straat des Filles du Calvaire ging.

Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.

Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaint [214]was er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van Jean Valjean.

Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de kaars op een tafel.

Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand alsof er hem niets aan deerde.

Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich—was het toevallig of opzettelijk?—op de „onafscheidbare,” waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de l’Homme-Armé was gekomen, had hij het op een kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.

Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette en hij waren ’t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, aan den betrokken hemel; om ’t [215]even, het was bekoorlijk. Hij legde de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had haar groote pop in den arm, en haar louisd’or in het zakje van dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.

Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Immortale jecur.

De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.

Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, hem met geweld verlicht, wanneer hij blind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd geweten zich in ’t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hem [216]verlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in vrede!

Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!

Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten strijd streed.

Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer viersprongen.

Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend. Welken te kiezen?

De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.

Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de aanlokkende hinderlaag.

’t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet. ’t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.

De vraag, welke zich voordeed, was deze:

Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.

Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs rijkdom. En dit was zijn werk.

Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die de [217]onteerende schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?

Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.

Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den sphinx strak in de oogen.

Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.

Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het loslaten?

Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar druipen—hij was gered, hij leefde!

Zoo hij losliet?

Dan de afgrond!

Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan zijn overtuiging aan.

’t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, wrong hij in vertwijfeling de handen.

Hij voelde zich tegengehouden.

Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?

Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?

Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!

Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelen [218]levens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.

Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?

Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, dat zij zeiden: ’t is genoeg!

De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering geëischt kunnen worden?

De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?

O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, hoe somber!

Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?

Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. ’t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in ’t eerste uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt en men van de foltering afziet?

Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.

Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.

Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.

Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?

Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.

Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onder [219]de zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;—toen zag men dat hij leefde.

Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?

De Men, die in de duisternis is. [221]

Boek VII.

De laatste teug uit den beker.

[223]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

De zevende cirkel en de achtste hemel.

De dag na de bruiloft is stil. Men eerbiedigt de overwegingen der gelukkigen; ook een weinig hun laten slaap. Het rumoer der bezoeken en gelukwenschen begint eerst later weder. Het was op den ochtend van den 17 Februari een weinig over het middaguur, toen Basque, die met een doek en den stoffer onder den arm, bezig was „de voorkamer te doen”, zacht aan de deur hoorde tikken. Men had niet gescheld, ’t geen op zulk een dag fatsoenlijk is. Basque opende en zag mijnheer Fauchelevent. Hij voerde hem in het salon, waarin nog alles overhoop lag en die het slagveld der vreugden van den vorigen dag geleek.

„Drommels! mijnheer,” merkte Basque op, „wij zijn laat opgestaan.”

„Is uw meester bij de hand?” vroeg Jean Valjean.

„Hoe gaat het met den arm van mijnheer?” antwoordde Basque.

„Beter. Is uw meester bij de hand?”

„Welke? de oude of de nieuwe?”

„Mijnheer Pontmercy.”

„Mijnheer de baron? verbeterde Basque het hoofd oprichtende. Men is vooral voor zijn dienstboden baron. Daar komt hun iets van toe; zij bezitten hetgeen een philosoof de bespotting van den titel zou noemen, en dat streelt hen. Marius, dit moet in ’t voorbijgaan gezegd worden, een heftig republikein, zooals hij bewezen had, was nu tegen wil en dank baron. Door dien titel was in de familie een kleine revolutie ontstaan. Thans was het de heer Gillenormand die er aan hechtte, en Marius die er onverschillig voor was. Maar kolonel Pontmercy had geschreven: „Mijn zoon zal mijn titel voeren.” Marius gehoorzaamde. En Cosette, in wie de vrouw begon te voorschijn te komen, was gestreeld barones te zijn. [224]

„Mijnheer de baron?” herhaalde Basque. „Ik zal eens zien. Ik zal hem zeggen, dat mijnheer Fauchelevent er is.”

„Neen, zeg hem niet, dat ik het ben. Zeg hem, dat iemand hem eens afzonderlijk wenscht te spreken, maar noem geen naam.”

„Zoo,” zei Basque.

„Ik wil hem een verrassing bezorgen.”

„Zoo!” hernam Basque, zich zelven door zijn tweede „zoo” zijn eerste verklarende.

En hij verwijderde zich.

Jean Valjean bleef alleen.

Het salon was, gelijk wij gezegd hebben, geheel in wanorde. Het scheen, dat men er noch flauw het gerucht der bruiloft hoorde. Op den vloer lagen allerlei bloemen, die uit de kransen en de kapsels gevallen waren. De geheel afgebrande waskaarsen vormden een soort van druipsteen aan het kristal der lichtkronen. Geen meubel stond op zijn plaats. Drie of vier stoelen in een hoek dicht bijeenstaande schenen een gesprek voort te zetten. Het was een aangenaam geheel. Er is nog iets bevalligs in een afgeloopen feest. ’t Is zoo gelukkig geweest. Op deze verspreide stoelen, onder deze verlepte bloemen, onder deze uitgebrande lichten heeft men blijdschap genoten. De zon volgde de lichtkroon op en trad vroolijk het salon binnen.

Eenige minuten verstreken. Jean Valjean stond bewegingloos op de plek waar Basque hem verlaten had. Hij was zeer bleek.

Zijn oogen waren dof en zoo hol, ten gevolge der slapeloosheid, dat zij schier in hun kassen verdwenen. Zijn zwarte rok had de scherpe kreuken van een kleedingstuk, dat des nachts niet van het lijf is geweest. De ellebogen waren donsachtig wit, door de wrijving van het linnen met het laken. Jean Valjean zag aan zijn voeten het venster, door de zon op den vloer afgeteekend.

Een gerucht ontstond aan de deur, hij sloeg de oogen op.

Marius trad binnen met opgericht hoofd, glimlachenden mond, met een onbeschrijfelijken glans op het gelaat, en zegevierenden blik. Ook hij had niet geslapen.

„Gij hier, vader!” riep hij, Jean Valjean ziende; „die domme Basque zag zoo geheimzinnig! Maar ge komt te vroeg. ’t Is eerst half een. Cosette slaapt nog.”

Het woord „vader”, waarmede Marius Fauchelevent noemde, beteekende: Hoogste zaligheid. Tusschen beiden, gelijk men weet, had steeds stijfheid, koelheid en dwang bestaan; het ijs moest gebroken worden of smelten. Thans was Marius in die soort van bedwelming, dat de strakheid buigzamer werd, dat [225]het ijs smolt, en dat de heer Fauchelevent voor hem evenals voor Cosette een vader was.

Hij ging voort; de woorden vloeiden hem uit den mond, ’t geen aan de hemelsche opgetogenheid der vreugd eigen is.

„Hoe verblijd ben ik u te zien! Zoo ge wist, hoe gij hier gisteren ontbroken hebt. Goeden dag, vader; hoe gaat het met uw hand? Beter, niet waar?”

En voldaan met het gunstig antwoord dat hij zich zelven gaf, vervolgde hij:

„Wij hebben veel over u gesproken, Cosette en ik. Cosette bemint u zoozeer! Vergeet niet, dat ge hier uw kamer hebt. Wij willen niets meer van de straat de l’Homme-Armé weten. Hoe kondt ge toch in die straat gaan wonen, die ongezond, somber, koud, leelijk is, en die geen uitgang heeft? Gij moet hier uw intrek komen nemen. En wel van heden af. Of ge zult met Cosette te doen hebben. Zij stelt zich voor, ons allen onder den duim te krijgen; dit zeg ik u vooraf. Ge hebt uw kamer gezien, zij is dicht bij de onze en ziet op den tuin uit; men heeft het slot doen herstellen; het bed is gespreid en gereed, ge behoeft slechts te komen. Cosette heeft bij uw bed een groote oude bergère geplaatst en tot haar gezegd: Steek hem uw armen toe. In het acaciaboschje voor uw venster komt elke lente een nachtegaal. Ge zult hem binnen twee maanden zien. Zijn nestje zal aan uw linkerhand, het onze aan uw rechterhand, zijn. Des nachts zal hij zingen en over dag zal Cosette praten. Uw kamer ligt op het zuiden. Cosette zal er uw boeken plaatsen, uw reis van kapitein Cook en de andere, die van Vancouver, al uw zaken. Ik geloof, dat ge een klein koffertje hebt, waaraan ge veel waarde hecht; daarvoor heb ik een eereplaats gereed gemaakt. Ge hebt mijn grootvader geheel voor u gewonnen; hij houdt van u. Wij zullen te zamen wonen. Kunt ge whisten? Gij zult mijn grootvader geheel innemen, zoo ge whisten kunt. Ge zult met Cosette gaan wandelen, op de dagen dat ik in het Paleis van Justitie moet zijn, ge zult haar den arm geven, evenals vroeger in het Luxembourg, ge weet nog wel. Wij hebben vast besloten heel gelukkig te zijn. En gij zult in ons geluk deelen, hoort ge, vader. Nu, heden ontbijt ge met ons, niet waar?”

„Mijnheer,” zei Jean Valjean, „ik moet u iets zeggen. Ik ben een oude galeiboef.”

De grens der hoorbare scherpe klanken kan misschien evenzeer voor den geest als voor het oor overschreden worden. Deze woorden: „Ik ben een oude galeiboef” die uit den mond van Fauchelevent in ’t oor van Marius drongen, overtroffen het mogelijke. Marius hoorde niet. ’t Scheen dat hem [226]iets gezegd was, maar hij wist niet wat. Hij bleef met open mond staan.

Toen bespeurde hij, dat de man, die tot hem sprak, er verschrikkelijk uitzag. Tot op dezen oogenblik had hij, in de bedwelming zijner vreugd, deze vreeselijke bleekheid niet opgemerkt.

Jean Valjean maakte den zwarten doek, waarin zijn rechterarm lag, open, nam het linnen, dat om zijn hand was gewikkeld, weg, en liet zijn blooten duim aan Marius zien.

„Mijn hand deert niets,” zeide hij.

Marius bezag den duim.

„Ik heb er nooit iets aan gehad,” hernam Jean Valjean.

Er was inderdaad geen spoor van eenige wonde te zien.

Jean Valjean hernam:

„Ik mocht niet bij uw huwelijk tegenwoordig zijn. Ik heb mij zooveel afwezig gehouden als mij mogelijk was. Ik heb deze wond voorgewend, om geen valschheid te verrichten, om de trouw-acte niet van nul en geener waarde te doen zijn, om niet te behoeven te onderteekenen.”

Marius stamelde:

„Wat wilt ge zeggen?”

„Ik wil zeggen,” antwoordde Jean Valjean, „dat ik op de galeien ben geweest.”

„Gij maakt mij krankzinnig!” riep Marius verschrikt.

„Mijnheer Pontmercy,” zei Jean Valjean, „ik ben negentien jaren op de galeien geweest. Wegens diefstal. Vervolgens ben ik tot altoosdurende galeistraf veroordeeld. Wegens diefstal. Wegens herhaling van misdaad. Op dit oogenblik ben ik een wederspannige aan de wet, iemand, die zijn ban verbroken heeft.”

Wat Marius deed om voor de werkelijkheid terug te deinzen, het feit niet aan te nemen, zich tegen de waarheid te verzetten, hij moest er zich aan onderwerpen. Hij begon te begrijpen, en zooals ’t in dergelijke gevallen meestal gebeurt, hij ging hierin te ver. Hij rilde als voor een schrikkelijken inwendigen bliksem; een denkbeeld, dat hem deed sidderen, schoot door zijn geest. Hij zag zijn eigen lot in de toekomst verwoest.

„Spreek, zeg alles!” riep hij, „gij zijt Cosettes vader.”

En met een onbeschrijfelijke beweging van afschuw trad hij twee schreden achteruit.

Jean Valjean richtte het hoofd op, met zulk een majestueuse houding, dat hij aan de zoldering scheen te reiken.

„’t Is noodzakelijk, dat ge mij hierin gelooft, mijnheer; hoewel de eed, dien ik en mijnsgelijken doen, bij de justitie niet van kracht is.” [227]

Hier hield hij een oogenblik stil; toen vervolgde hij op een gebiedenden, somberen toon, langzaam op ieder woord drukkende:

„Gij moet mij gelooven. Ik de vader van Cosette! bij God, neen. Ik ben een boer van Faverolles, mijnheer de baron Pontmercy! Ik verdiende den kost met boomsnoeien. Ik heet niet Fauchelevent, ik heet Jean Valjean. Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Wees gerust.”

Marius stamelde:

„Wat bewijst mij?...”

„Ik; wijl ik ’t u zeg.”

Marius staarde den man aan! Hij was somber en kalm. Geen logen kon uit zulk een kalmte komen. Het koele is oprecht. Men voelde de waarheid in deze kilheid des grafs.

„Ik geloof u,” zei Marius.

Jean Valjean boog het hoofd als om hiervan acte te nemen, en hernam:

„Wat ben ik voor Cosette? Iemand, die haar toevallig ontmoette. Tien jaren geleden, wist ik niet, dat zij bestond. Ik bemin haar, ’t is waar. Men bemint een kind, dat men klein heeft gezien, terwijl men zelf reeds oud was. Als men oud is, gevoelt men zich een grootvader van alle kleine kinderen. Mij dunkt, dat ge wel zult gelooven, dat ik zoo iets als een hart heb. Zij was een weeze. Zonder ouders. Zij had mij noodig. Dat is de reden, waarom ik haar begon te beminnen. Kinderen zijn zoo zwak, dat de eerste de beste, zelfs een man als ik, hun beschermer kan zijn. Ik heb dien plicht jegens Cosette vervuld. Ik geloof niet, dat men iets zoo gerings inderdaad een goede daad kan noemen; zoo het echter een goede daad is, reken dan dat ik ze verricht heb. Breng deze verzachtende omstandigheid in rekening. Thans verlaat Cosette mijn leven, onze twee wegen scheiden. Voortaan kan ik niets meer voor haar zijn. Zij is mevrouw Pontmercy. Haar bestemming is veranderd. En Cosette wint bij deze verandering. Alles is goed. Gij spreekt niet van de zesmaal honderd duizend francs, maar ik zal uw gedachte hierin voorkomen; ’t zijn in bewaring gegeven gelden. ’t Is onverschillig hoe zij in mijn bezit zijn gekomen! Ik geef ze terug. Men heeft niets meer van mij te vorderen. Ik maak de teruggave volledig, door mijn waren naam te zeggen. Ook dit is mijn zaak. Ik ben er op gesteld, dat ge weet, wie ik ben.”

En Jean Valjean zag Marius strak in het gezicht.

Al wat Marius gevoelde, was verward en onsamenhangend. Sommige vlagen van het lot veroorzaken zulke verbijsteringen in onze ziel. [228]

Wij allen hebben zulke oogenblikken van verbijstering gehad, die ons in verwarring brengen; wij zeggen, wat het eerst in ons opkomt, ’t geen juist niet altijd datgene is, wat wij wilden zeggen. Er zijn plotselinge openbaringen, die men niet bedwingen kan en die bedwelmen als een heillooze wijn. Marius was zoodanig verstomd door den nieuwen toestand, die voor hem verrees, dat hij tot dien man sprak alsof hij schier boos over deze bekentenis was.

„Maar,” riep hij, „waarom zegt ge mij dit alles toch? Wat dwingt er u toe? Ge kondt uw geheim voor u zelven behouden. Ge zijt noch verraden, noch wordt vervolgd, noch is er u om gevraagd. Ge moet een reden hebben om uit vrijen lust zulk een openbaring te doen. Spreek. Er schuilt iets achter. Waarom doet ge deze bekentenis? Om welke reden?”

„Om welke reden?” antwoordde Jean Valjean, met zulk een zachte, gesmoorde stem, dat het veeleer was, alsof hij tot zich zelven, dan tot Marius sprak. „Inderdaad, om welke reden zegt deze tuchteling: ik ben een galeiboef? Ja, voorwaar de reden is zonderling. ’t Is uit eerlijkheid. Zie, ’t is ongelukkig, dat ik in mijn hart een draad heb, die mij bindt. ’t Is vooral wanneer men oud is, dat deze draden sterk zijn. Het geheele leven om zich heen lost zich op; alleen die draden blijven. Indien ik dien draad had kunnen uitrukken, breken, den knoop losmaken of hem doorhakken, ver van hier gaan, ik ware gered geweest, ik behoefde slechts te vertrekken; in de straat du Bouloy zijn diligences; nu gij gelukkig zijt, ga ik heen. Ik heb gepoogd dien draad te breken; ik heb er aan getrokken, maar hij wilde niet breken, en ik rukte er mijn hart mede uit. Toen zeide ik: Ik kan niet elders leven dan hier. Ik moet blijven. Nu ja, gij hebt gelijk, ik ben een dwaas, waarom ben ik niet eenvoudig gebleven zooals ik was? Gij biedt mij een kamer in het huis aan; mevrouw Pontmercy bemint mij. Zij zegt tot dien armstoel: steek hem uw armen toe; uw grootvader wenscht niets liever, dan mij bij zich te hebben; ik pas voor hem; wij zullen samen wonen, gemeenschappelijk eten, ik zal aan Cosette den arm geven—aan mevrouw Pontmercy, verschoon mij, ’t is de gewoonte.—Wij zullen slechts één dak, één tafel, één vuur hebben; hetzelfde hoekje van den haard des winters, dezelfde wandeling des zomers; dat is vreugd, dat is geluk, dat is alles. Wij zullen één familie uitmaken. Samen leven!”

Bij deze woorden werd Jean Valjean woest. Hij kruiste zijn armen op de borst, zag naar den vloer aan zijn voeten, als had hij er een afgrond in willen boren, en zijn stem werd eensklaps heftig: [229]

„Een familie! neen. Ik behoor tot geen familie. Ik behoor niet tot de uwe. Ik behoor niet tot die der menschen. In de huizen, waar men in familie is, ben ik te veel. Er zijn familiën, maar niet voor mij. Ik ben de ongelukkige, ik ben er buiten. Heb ik een vader, een moeder gehad? Ik twijfel er schier aan. Den dag, dat ik dit kind uithuwelijkte, was alles uit; ik heb haar gelukkig gezien met den man, dien zij bemint, en dat in dit huis een goede grijsaard, een gezin van twee engelen was, met allerlei geluk, en ik zeide tot mij: Ga niet binnen, gij. Ik kon liegen, ’t is waar, u allen bedriegen, mijnheer Fauchelevent blijven. Zoo lang het haar gold, kon ik liegen, maar nu zou het mij gelden, en ik mag niet. ’t Is waar, dat ik slechts behoefde te zwijgen, om alles hetzelfde te doen blijven. Ge vraagt mij wat mij tot spreken dwingt? Iets wonderbaars; mijn geweten. Zwijgen was mij echter zeer gemakkelijk. Ik heb den nacht doorgebracht met er mij toe over te halen; gij neemt mij in verhoor, en ’t geen ik zeg, komt u zoo buitengewoon voor, dat ge er het recht toe hebt; nu, ja, ik heb den nacht doorgebracht met mij te overreden; ik heb zeer krachtige redenen aangewend, ik heb gedaan wat ik kon; ik verzeker ’t u. Maar er zijn twee zaken, waarin ik niet geslaagd ben; noch den draad te breken die mij vast aan ’t hart zit; noch iets tot zwijgen te brengen, dat zacht tot mij spreekt, wanneer ik alleen ben. Daarom ben ik van ochtend u dit alles komen bekennen. Alles of genoegzaam alles. ’t Is noodeloos u te zeggen, wat mij alleen betreft; ik behoud dit voor mij. Het voornaamste weet ge. Ik heb dus mijn geheim genomen en het u gebracht. Voor uwe oogen heb ik mijn geheim geopend. Dat besluit was niet gemakkelijk te nemen. Den ganschen nacht heb ik geworsteld. O, meent gij, dat ik niet tot mij zelven gezegd heb, dat dit niet de zaak Champmathieu was, dat ik door mijn naam te verbergen niemand benadeelde, dat mij de naam Fauchelevent door Fauchelevent zelven was gegeven, uit dankbaarheid wegens een bewezen dienst, en dat ik hem behouden kon; dat ik gelukkig zou zijn in deze kamer welke ge mij aanbiedt, dat ik niemand zou hinderen in mijn hoekje, en dat, terwijl gij Cosette bezat, ik mij zou verheugen in ’t zelfde huis met haar te zijn. Ieder zou in het geluk gedeeld hebben. Door steeds mijnheer Fauchelevent te blijven, was alles terecht gekomen. Ja, behalve mijne ziel. Overal in mij was vreugd, maar de bodem mijner ziel bleef donker. ’t Is niet genoeg, gelukkig te zijn; men moet tevreden wezen. Dus zou ik mijnheer Fauchelevent zijn gebleven, ik zou mijn waar gezicht verborgen hebben, tegenover uw geluk zou ik een raadsel zijn geweest, te midden van uw [230]licht zou ik duisternis hebben geworpen; zonder u te waarschuwen, zou ik het bagno in uw huis hebben gebracht; ik zou aan uw disch hebben plaats genomen, met de gedachte: dat zoo ge wist wie ik was, gij mij wegjagen zoudt; ik zou mij door dienstboden hebben laten bedienen, die, zoo zij ’t geweten hadden, gezegd zouden hebben: Welk een schandaal! Ik zou u onwillekeurig hebben aangeraakt, ik zou uwe handdrukken gestolen hebben! In uw huis zouden eerwaardige witte haren en geschandvlekte witte haren gelijkelijk vereerd zijn; in de vertrouwelijkste oogenblikken, wanneer men meent de harten tot in de diepste schuilhoeken voor elkander te hebben opengelegd, wanneer wij met ons vieren te zamen waren, uw grootvader, gij met uw beiden, en ik, zou er een onbekende zijn geweest! Ik zou aan uw zijde uw leven hebben gedeeld, steeds bezorgd het deksel van dien vreeselijken put op te lichten; ik, een doode, zou mij aan u, levenden, hebben opgedrongen. Ik zou haar voor altijd aan mijn lot gedoemd hebben. Gij, Cosette en ik zouden drie hoofden onder een groene tuchtelingenmuts zijn geweest! Huivert gij niet? Ik, die slechts de meest gebogen mensch ter wereld ben, zou de afschuwelijkste zijn geworden. En deze misdaad zou ik elken dag bedreven, dezen logen zou ik elken dag herhaald hebben! elken dag, jegens u, mijn teedergeliefden; jegens u, mijn kinderen; jegens u, onschuldigen! Is ’t niet eenvoudig, het stilzwijgen te bewaren? Neen, ’t is niet eenvoudig. Er is een stilzwijgen dat liegt. En mijn leugen, en mijn bedrog, en mijn schandelijkheid, en mijn laagheid, en mijn verraad, en mijn misdaad, zou ik droppel voor droppel gedronken, uitgespogen, weder gedronken hebben; ik zou te middernacht geëindigd, des middags weder begonnen zijn, en mijn goeden avond zou gelogen, mijn goeden morgen zou gelogen hebben; ik zou daarop geslapen, daarbij mijn brood gegeten hebben; ik zou Cosette in het gezicht gezien en den glimlach des engels met den glimlach van den doemeling beantwoord hebben; ik zou een afschuwelijke bedrieger zijn geweest. Waarom? Om gelukkig te zijn? Ik gelukkig zijn! Heb ik het recht gelukkig te zijn? Ik ben buiten het leven, mijnheer!”

Jean Valjean zweeg. Marius luisterde, zulk een schakel van gedachten en angsten kan niet afgebroken worden. Jean Valjean sprak nu nog zachter, maar ’t was nu geen doffe, maar een akelige stem.

„Gij vraagt, waarom ik spreek? gij zegt dat ik noch verraden, noch vervolgd, noch tot spreken verplicht word. Ja, ik ben verraden; ik ben vervolgd; ik ben tot spreken gedwongen! Door wien? door mij zelven. Ik zelf sluit mij den weg, ik [231]sleep, ik drijf mij voort, ik sta stil en lever mij over en wanneer men zich zelven bestuurt, wordt men goed bestuurd.”

En zijn eigen rok met volle vuist vattende en naar Marius uitstekende, hernam hij:

„Zie deze vuist. Vindt ge niet, dat zij dezen kraag houdt als om hem niet weder los te laten? Welnu, het geweten is nog een andere vuist. Om gelukkig te zijn, mijnheer, moet men den plicht niet begrijpen, want zoodra men hem begrepen heeft, is hij onverbiddelijk. Men zou zeggen dat hij dengene straft die hem begrijpt; maar neen; hij beloont hem er voor; want hij brengt hem in een hel, waar men God naast zich voelt. Men heeft zijn hart niet zoodra verbrijzeld, of men is in vrede met zich zelven.”

En op onuitsprekelijken toon voegde hij er bij: „Mijnheer Pontmercy, dit alles is dwaasheid, ik ben een eerlijk man. Door mij voor uw oogen te vernederen, verhef ik mij in de mijne. ’t Is mij reeds eens gebeurd, maar het was minder smartelijk; ’t was niets. Ja, een eerlijk man. Ik zou het niet zijn, zoo gij, door mijn schuld, mij verder geacht hadt, thans, nu ge mij veracht, ben ik het. Deze noodlottigheid rust op mij, dat ik geene andere dan gestolen achting kan genieten, en deze achting mij inwendig vernedert en drukt, en men mij moet verachten, opdat ik mij zelven kunne achten. Dan verhef ik mij. Ik ben een galeiboef, die zijn geweten gehoorzaamt. Ik weet dat dit niet bij elkander past, maar wat kan ik er aan doen? ’t Is zóó. Ik heb verbintenissen met mij zelven aangegaan, en houd ze. Er zijn toestanden, die ons binden, er zijn omstandigheden die plichten vorderen. Ik heb in mijn leven veel ondervonden, mijnheer Pontmercy.”

Wederom zweeg Jean Valjean, zijn keel bevochtigende met een inspanning als hadden zijn woorden een bitteren nasmaak, en hij hernam:

„Wanneer zulk een afschuw op ons rust, heeft men het recht niet dien aan anderen, zonder hun weten, mede te deelen; men heeft het recht niet, hen met zijn pest te besmetten; men heeft het recht niet, hen in zijn afgrond mede te sleepen, zonder dat zij ’t weten; men heeft het recht niet, hen zijn rood boevenbuis te laten dragen; men heeft het recht niet, listig het geluk van anderen door zijn verworpenheid te storen. Hen, die gezond zijn, te naderen, hen in de duisternis met zijn ontzichtbare kwaal te besmetten, is afschuwelijk. Fauchelevent moge mij zijn naam geleend hebben, ik heb het recht niet, er mij van te bedienen; hij moge hem mij gegeven hebben, ik mag hem niet aannemen. Een naam is een ik. Weet ge, mijnheer, ik heb een weinig gedacht, een weinig gelezen, hoewel ik een [232]gering mensch ben; en ge ziet dat ik mij betamelijk weet uit te drukken. Ik geef mij rekenschap van de dingen. Ik heb mij zelven opgevoed. Welnu, ja, ’t is oneerlijk zich van een naam meester te maken en er zich onder te verschuilen. De letters van het alphabet kunnen evenzeer gestolen worden als een geldbeurs of horloge. Een valsche handteekening in vleesch en been te zijn, een levende valsche sleutel te zijn, om daarmede het slot van eerlijke lieden te openen en alzoo bij hen binnen te sluipen, niet recht voor zich uit te durven zien, maar steeds gluipend; inwendig eerloos te zijn; neen! neen! neen! neen! Liever lijden, bloeden, weenen, zich met de nagels het vel van het vleesch scheuren, de nachten in foltering doorbrengen zich lichaam en ziel doorknagen. Daarom kom ik u dit alles verhalen. Uit lust des harten, zooals gij zegt.”

Hij ademde moeielijk en voegde er nog bij:

„Vroeger stal ik om in ’t leven te blijven een brood; maar thans wil ik niet om te leven een naam stelen.”

„Om te leven!” viel Marius hem in de rede. „Gij hebt dien naam niet noodig om te leven?”

„O, ik weet wat ik zeg,” antwoordde Jean Valjean, langzaam het hoofd opheffende en buigende.

Er ontstond een pauze. Beiden zwegen, ieder verdiept in een afgrond van gedachten. Marius had zich aan een tafel gezet en liet den hoek van zijn mond op een zijner gebogen vingers rusten. Jean Valjean ging heen en weder. Hij stond stil voor een spiegel en bleef bewegingloos. Toen, als antwoordde hij op een inwendige redeneering, zeide hij, dien spiegel beschouwende, waarin hij zich niet zag:

„Terwijl ik nu verlicht ben!”

Hij hervatte zijn wandeling en ging naar het andere einde der kamer. Toen hij zich omkeerde, zag hij, dat Marius hem naoogde. Hij zeide hem op een onuitsprekelijken toon:

„Ik sleep een weinig met den voet. Gij begrijpt nu waarom.”

Toen, zich geheel tot Marius wendende:

„Verbeeld u nu dit, mijnheer: Ik heb niets gezegd, ik ben mijnheer Fauchelevent gebleven, ik heb bij u mijn intrek genomen, ik behoor tot uw gezin, ik ben in mijn kamer, des ochtends kom ik in pantoffels om te ontbijten, des avonds gaan wij alle drie naar den schouwburg; ik vergezel mevrouw de Pontmercy naar de Tuilerieën en naar het Koningsplein; wij zijn te zamen; gij meent dat ik uwsgelijke ben; maar op een goeden ochtend ben ik er, gij zijt er, wij praten, lachen; gij hoort een stem dezen naam roepen: Jean Valjean! en daar komt deze vreeselijke hand, de politie, uit de schaduw en rukt mij eensklaps mijn masker af.” [233]

Wederom zweeg hij; Marius had zich bevend opgericht. Jean Valjean hernam:

„Wat zegt ge ervan?”

De stilte van Marius antwoordde.

Jean Valjean voer voort:

„Ge ziet wel, dat ik gelijk heb niet te zwijgen. Luister, wees gelukkig, wees in den hemel, wees de engel van een engel, wees in het licht en stel u tevreden; bekommer u niet over de wijze hoe een arme veroordeelde zijn borst openrijt en zijn plicht doet; ge hebt een ellendig mensch voor u, mijnheer.”

Langzaam ging Marius door de kamer, en bij Jean Valjean gekomen reikte hij hem de hand.

Maar Marius moest de hand nemen, die zich niet aanbood. Jean Valjean liet het toe en ’t scheen Marius, alsof hij een steenen hand omvatte.

„Mijn grootvader heeft vrienden,” zei Marius; „ik zal uw gratie verwerven.”

„Dit is onnoodig,” antwoordde Jean Valjean. „Men gelooft, dat ik dood ben; dat is genoeg. De dooden zijn aan de justitie ontheven. Men laat hen rustig vergaan. De dood is zoogoed als gratie.”

En zijn hand, die Marius hield, losmakende, voegde hij er met een onverbiddelijke waardigheid bij:

„Overigens tracht ik mijn plicht te doen, en dit is de vriend tot wien ik mij wend; ik heb slechts ééne gratie noodig, die van mijn geweten.”

Op dit oogenblik opende zich aan ’t andere einde der kamer zacht de deur en Cosette’s hoofd verscheen er tusschen. Men zag alleen haar lief gezicht; zij was bekoorlijk met haar nog ongekapt haar, en haar oogleden waren nog gezwollen van den slaap; zij maakte de beweging van een vogeltje, dat zijn kopje uit het nestje steekt, zag eerst haar man, toen Jean Valjean aan en riep hun lachend toe—alsof men een roosje zag glimlachen:

„Ik wil wedden, dat ge politiseert, in plaats van bij mij te komen. ’t Is onverschoonlijk!”

Jean Valjean ontroerde.

„Cosette....” stamelde Marius en hij zweeg. Zij geleken twee misdadigers.

Cosette, van geluk schitterend, bleef beiden aanschouwen. In haar oogen blonk iets als een hemelsche glans.

„Ik betrap u op heeter daad,” zei Cosette. „Ik heb door de deur vader Fauchelevent hooren zeggen: „Het geweten...zijn plicht doen...” Dat is politiek. Ik duld dit niet. Men mag niet reeds den volgenden dag over politiek spreken. Dat is niet recht.” [234]

„Ge vergist u, Cosette,” antwoordde Marius. „Wij spreken over zaken. Wij spreken over de beste wijze van belegging uwer zesmaal honderd-duizend francs....”

„Dat is het niet,” viel Cosette hem in de rede. „Ik kom. Wil men mij hier dulden?”

En beraden trad zij door de deur de kamer binnen. Zij was gekleed in een ruim wit ochtendkleed, met groote mouwen, dat van den hals tot de voeten reikte. In de gouden hemelen der oude gothische schilderijen ziet men zulke bekoorlijke zakken om een engel in te steken.

Zij beschouwde zich van het hoofd tot de voeten in een grooten spiegel, en riep toen met een uitbarsting van een onuitsprekelijke verrukking:

„Er was eens een koning en een koningin. O, hoe verheugd ben ik.”

Dit gezegd hebbende, boog zij voor Marius en Jean Valjean.

„Nu,” zeide zij, „ga ik bij u op een stoel zitten; men ontbijt binnen een half uur; gij moogt zeggen wat ge wilt; ik weet wel, dat de mannen moeten spreken; ik zal stil zijn.”

Marius nam haar arm en zeide teeder:

„Wij spreken over zaken.”

„Apropos,” antwoordde Cosette; „ik heb mijn raam geopend, in den tuin zijn een menigte musschen. ’t Is vandaag Aschwoensdag; maar niet voor de vogels.”

„Ik zeg u, dat wij over zaken spreken; ga Cosetje, laat ons een oogenblik alleen. Wij spreken over cijfers. ’t Zou u vervelen.”

„Ge hebt van morgen een fraaie das om, Marius. Ge zijt zeer coquet, mijnheer. Neen, ’t zal mij niet vervelen.”

„Ik verzeker u, dat ’t u vervelen zal.”

„Neen, ge zijt er immers. Ik zal u niet begrijpen, maar naar u luisteren. Wanneer men geliefde stemmen hoort, behoeft men de woorden niet te begrijpen, welke zij spreken. Hier bij u te zijn, is al wat ik wil. Ik blijf bij u!”

„Ge zijt mijn zeer geliefde Cosette! Onmogelijk.”

„Onmogelijk!”

„Ja.”

„Goed,” hernam Cosette. „Ik zou u wat nieuws hebben verhaald. Ik zou u gezegd hebben, dat grootvader nog slaapt, dat uw tante naar de mis is, dat de schoorsteen in de kamer van vader Fauchelevent rookt, dat Nicolette den schoorsteenveger heeft laten komen, dat vrouw Toussaint en Nicolette reeds gekibbeld hebben, dat Nicolette om het stotteren van Toussaint lacht. Nu zult ge niets weten. Ha! ’t is onmogelijk? Ook ik op mijn beurt, mijnheer, zal zeggen: ’t is onmogelijk. Wie zal [235]’t meest verliezen? Ik bid u, Marius, laat mij hier bij u beiden blijven.”

„Ik verzeker u, dat wij alleen moeten zijn.”

„Nu, ben ik iemand?”

Jean Valjean sprak geen woord, Cosette wendde zich tot hem.

„Vooreerst wil ik, vadertje, dat ge mij komt omhelzen. Hoe is ’t? gij zegt niets, in plaats van mijn partij te trekken? Wie heeft mij zulk een vader gegeven? Ge ziet immers wel, dat ik heel slecht gehuwd ben. Mijn man slaat mij. Kom, omhels mij dadelijk.”

Jean Valjean naderde.

Cosette wendde zich tot Marius:

„U keer ik den rug toe.”

Toen bood zij Jean Valjean haar voorhoofd.

Jean Valjean naderde haar een schrede.

Cosette trad achteruit.

„Ge zijt bleek, vader. Hebt ge pijn aan den arm?”

„Hij is genezen,” zei Jean Valjean.

„Hebt ge slecht geslapen?”

„Neen.”

„Zijt ge treurig?”

„Neen.”

„Kus mij. Zoo ge wel zijt, zoo ge goed geslapen hebt, zoo ge tevreden zijt, zal ik u niet beknorren.”

En opnieuw bood zij hem haar voorhoofd.

Jean Valjean drukte een kus op dat voorhoofd, ’t welk een hemelschen glans had.

„Glimlach.”

Jean Valjean gehoorzaamde. ’t Was de glimlach van een spook.

„Verdedig mij nu tegen mijn man.”

„Cosette!...” zei Marius.

„Maak u boos, vader. Zeg hem, dat ik blijven moet. Men mag in mijn tegenwoordigheid wel spreken. Gij vindt mij dus zoo dom. ’t Is dan iets zeer gewichtigs wat ge zegt; zaken, geldbelegging in een bank, ’t heeft wat te beteekenen! De mannen zijn geheimzinnig om niets. Ik wil blijven. Ik ben van ochtend zoo mooi; zie mij toch aan Marius.”

En met een bekoorlijk schouderophalen en liefelijke spijtigheid zag zij Marius aan. Iets als een weerlicht schoot tusschen beide wezens. ’t Was hun onverschillig of er iemand tegenwoordig was.

„Ik bemin u!” zei Marius.

„Ik aanbid u,” zei Cosette.

En onweerstaanbaar vielen zij in elkanders armen. [236]

„Nu,” hernam Cosette, met een klein zegevierend gebaar, een vouw van haar morgengewaad glad strijkende, „ik blijf.”

„Dat niet,” antwoordde Marius op smeekenden toon, „wij hebben hier iets te bespreken.”

„Wederom neen?”

Marius nam een ernstigen toon aan:

„Ik verzeker u, Cosette, dat het onmogelijk is.”

„Ha, ge neemt een mannenstem aan, mijnheer. Goed, men zal gaan. Gij, vader, gij hebt mij niet geholpen. Mijnheer mijn echtgenoot, mijnheer papa, gij zijt tirannen. Ik zal ’t grootvader gaan zeggen. Zoo ge meent dat ik zal terugkomen, vergist gij u. Ik ben trotsch. Thans verwacht ik u. Ge zult zien dat gij u zonder mij zult vervelen. Ik ga, ’t is goed!”

Zij ging heen.

Twee seconden later werd de deur weder geopend, haar frisch kopje vertoonde zich weder tusschen de twee slagdeuren en zij riep hen toe:

„Ik ben heel kwaad!”

De deur ging weder dicht en opnieuw werd het donker.

’t Was als een verdwaalde zonnestraal, die toevallig plotseling door den nacht was geschoten.

Marius vergewiste zich, dat de deur goed gesloten was.

„Arme Cosette!” mompelde hij, „wanneer zij verneemt dat...”

Bij deze woorden beefde Jean Valjean over al zijn leden. Hij richtte een verwilderden blik op Marius.

„Cosette! ach ja, ’t is waar, ge zult het Cosette zeggen. ’t Is billijk. Zie, ik had er niet aan gedacht. Men heeft kracht tot het eene, maar niet tot het andere. Ik bezweer u, mijnheer, geef mij uw heiligst woord. Zeg het haar niet. Is ’t niet genoeg, dat gij het weet? Ik heb het met vrijen wil, zonder er toe gedwongen te zijn, gezegd; ik zou ’t aan de wereld, aan iedereen gezegd hebben; ’t was mij onverschillig. Maar zij, zij weet niet wat het is; ’t zou haar ontstellen. Een galeiboef, wat! men zou het haar moeten verklaren, haar zeggen: ’t is iemand die in het bagno is geweest. Eenmaal zag zij een transport galeiboeven. Ach, mijn God!”

Hij zonk op een stoel en bedekte zijn gezicht met beide handen. Men hoorde hem niet, maar aan het trekken zijner schouders zag men dat hij snikte, stille tranen, vreeselijke tranen.

In het schreien ligt verstikking. Hij werd door een soort van stuiptrekking bevangen, hij wierp zich achterover in den stoel als om te ademen, liet zijn armen hangen en liet Marius zijn met tranen besproeid gelaat zien, en Marius hoorde hem [237]zoo zacht fluisteren, als ware zijn stem in een grondelooze diepte geweest:

„Ach! hoe wenschte ik dood te zijn!”

„Wees bedaard,” zeide Marius, „ik zal uw geheim voor mij alleen behouden.”

En minder verteederd dan hij misschien had moeten zijn, maar sedert een uur gedwongen zich met iets verschrikkelijks en onverwachts gemeenzaam te maken, allengskens den galeiboef voor zijn oogen uit den heer Fauchelevent te voorschijn ziende komen, allengskens beheerscht door deze heillooze wezenlijkheid, en door den natuurlijken loop van zaken er toe geleid de klove te erkennen, die zich tusschen dezen man en hem gevormd had, voegde Marius er bij:

„’t Is onmogelijk, u niet een woord te zeggen omtrent de gelden, welke gij zoo trouw en eerlijk hebt overgeleverd. ’t Is een daad van goede trouw. ’t Is billijk, dat u een vergoeding worde gegeven. Bepaal zelf de som, zij zal u toegeteld worden. Vrees niet, ze te hoog te stellen.”

„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde Jean Valjean met zachtheid.

Hij bleef een oogenblik in gepeins, wreef werktuiglijk zijn voorvinger over den nagel van zijn duim, en zeide toen met verheffing van stem:

„Alles is genoegzaam volbracht. Slechts één ding blijft nog over...”

„Wat?”

Jean Valjean scheen aan een laatste weifeling ter prooi, en schier toonloos, buiten adem, hijgde hij meer dan hij sprak:

„Thans nu ge alles weet, mijnheer, dunkt u, want gij zijt de meester, dat ik Cosette niet mag wederzien?”

„Ik geloof, dat dit het best ware,” antwoordde Marius koel.

„Ik zal haar niet meer zien,” mompelde Jean Valjean.

En hij trad naar de deur.

Hij sloeg de hand aan den knop, de deur opende zich ten halve, Jean Valjean kon er doorgaan, maar stond een oogenblik stil, sloot ze weder en keerde tot Marius terug.

Hij was niet meer bleek, maar lijkkleurig. Er waren geen tranen meer in zijn oogen, maar er brandde een sombere vlam in. Zijn stem was weder wonderbaar kalm geworden.

„Luister, mijnheer,” zeide hij, „zoo gij wilt, zal ik haar komen bezoeken. Ik verzeker u, dat ik ’t vurig wensch. Zoo ik Cosette niet gaarne had willen wederzien, zou ik u de bekentenis niet hebben gedaan, welke gij gehoord hebt; ik zou vertrokken zijn; maar daar ik in het oord wilde blijven, waar Cosette is en haar voortdurend zien wilde, heb ik u alles eerlijk moeten [238]zeggen. Ge volgt mijn redeneering, niet waar? De zaak is wel te begrijpen. Hoor, langer dan negen jaren heb ik haar bij mij gehad. Eerst hebben wij in het oude huis op den boulevard gewoond, toen in het klooster, vervolgens bij het Luxembourg. Dáár hebt gij haar voor het eerst gezien. Gij herinnert u haar blauw pluchen hoed? Vervolgens zijn wij naar de wijk der Invaliden gegaan, waar een hek en een tuin was. In de straat Plumet. Ik woonde op een kleine achterplaats, waar ik haar piano hoorde. Dat was mijn leven. Wij verlieten elkander nooit. Dit heeft negen jaar en eenige maanden geduurd. Ik was als haar vader, en zij was mijn kind. Ik weet niet, of ge mij begrijpt, mijnheer Pontmercy, maar nu heen te gaan, haar niet meer te zien, haar niet meer te spreken, niets meer te hebben, dit zou moeielijk zijn. Zoo gij er niets tegen hebt, zal ik Cosette nu en dan bezoeken. Ik zal niet dikwijls komen. Ik zal niet lang blijven. Gij kondt zeggen, dat men mij in de kleine benedenkamer late. Ik zou wel door de achterdeur willen komen, die voor de dienstboden is, maar dit zou misschien verwondering wekken. ’t Is misschien beter, geloof ik, dat ik door de voordeur ga, zooals iedereen. Waarlijk, mijnheer, ik zou Cosette nog wel eens willen zien. Zoo zelden als ’t u zal behagen. Stel u in mijne plaats, ik heb niets meer dan dat. En men moet ook voorzichtig zijn. Indien ik volstrekt niet meer kwam, zou ’t een vreemden indruk maken; men zou het zonderling vinden. Wat ik bij voorbeeld zou kunnen doen, is, ’s avonds komen als het donker wordt.”

„Kom alle avonden,” zei Marius, „en Cosette zal u wachten.”

„Gij zijt zeer goed, mijnheer,” zei Jean Valjean.

Marius groette Jean Valjean, het geluk deed de wanhoop uitgeleide tot aan de deur en beide mannen scheidden.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

De duisterheden welke een openbaring kan bevatten.

Marius was geheel geschokt.

Thans was hem de soort van afkeer verklaard, dien hij steeds voor den man had gevoeld, naast wien hij Cosette zag. In dien persoon was iets raadselachtigs, waartegen zijn instinct hem waarschuwde. Dat raadsel was de afschuwelijkste aller schanden, het bagno. Deze mijnheer Fauchelevent was de galeiboef Jean Valjean. [239]

Plotseling zulk een geheim te midden van zijn geluk te vinden, gelijkt de ontdekking van een scorpioen in een tortelduivennest.

Was voortaan het geluk van Marius en Cosette tot deze nabijheid gedoemd? Was ’t een uitgemaakte zaak. Sloot de voltrekking van het huwelijk de aanneming van dien man in? Was er niets meer tegen te doen?

Was Marius ook met den tuchteling getrouwd?

Men moge met licht en vreugd omkranst zijn, men moge het groote purperen oogenblik des levens smaken, de gelukkige liefde, zulke schokken zouden zelfs den aartsengel in zijn verrukking, den halfgod in zijn glorie doen sidderen.

Gelijk het immer bij dergelijke plotselinge veranderingen gebeurt, vroeg Marius zich af, of hij zich zelven niets te verwijten had? Had het hem aan doorzicht ontbroken? Was hij onvoorzichtig geweest? Had hij zich vrijwillig bedwelmd? Een weinig, misschien. Was hij, zonder zich genoegzaam omtrent de omstandigheden in te lichten, deze liefdesbetrekking aangegaan, welke zijn huwelijk met Cosette ten gevolge had? Hij erkende—en ’t is ten gevolge van een menigte dergelijke zelfbekentenissen, dat ons leven trapswijze gelouterd wordt—hij erkende het hersenschimmige en dwepende van zijn karakter, een soort van inwendige wolk, die aan veler natuur eigen is, en die bij den hoogsten graad van hartstochtelijkheid en smart zich uitzet, de temperatuur der ziel verandert en den mensch zoo geheel beheerscht, dat zij zijn zelfbewustzijn in een nevel hult. Wij hebben meer dan eens op dezen karaktertrek van Marius gewezen. Hij herinnerde zich, dat hij, in de dronkenschap zijner liefde, in de straat Plumet, gedurende deze zes of zeven verrukkelijke weken, zelfs Cosette van het drama in het oude huis Gorbeau niet gesproken had, waarbij het offer zulk een zonderlinge rol had gespeeld, door gedurende den strijd te zwijgen en later te vluchten. Hoe kwam het, dat hij er Cosette niet van had gesproken? ’t Lag echter zoo voor de hand en was zelfs zoo merkwaardig! Waarom had hij zelfs het gezin Thénardier niet genoemd, inzonderheid den dag toen hij Eponine had ontmoet? Hij had moeite zich thans zijn stilzwijgen van toen te verklaren. Evenwel gaf hij er zich rekenschap van. Hij herinnerde zich zijn bedwelming, zijn dronkenschap van Cosette, de liefde die alles verzwolg, deze opvoering van het een door het ander in het ideaal, en misschien ook—als de geringe mate van verstand in dien geweldigen en bekoorlijken zielstoestand vermengd—een onduidelijk, dof instinct om dit vreeselijk avontuur in zijn geheugen te verstikken, waarin hij niet gemengd wenschte te zijn, dewijl hij noch als verhaler noch [240]als getuige kon optreden, zonder tevens beschuldiger te moeten worden. Overigens waren deze weinige weken als een weerlicht geweest; men had voor niets anders den tijd gehad dan om elkander te beminnen. Kortom, alles gewikt en gewogen, zou, indien hij aan Cosette de hinderlaag in het huis Gorbeau verhaald, haar de Thénardiers genoemd had, welke ook de gevolgen ervan waren geweest, zelfs indien hij ontdekt had dat Jean Valjean een tuchteling was, zou dit hem zelven, Marius, zou dit haar, Cosette, veranderd hebben? Zou hij teruggetreden zijn? Zou hij haar minder hebben bemind? Zou hij daarom met haar niet getrouwd zijn? Neen. Zou het iets veranderd hebben aan ’t geen gebeurd was? Neen. Hij had dus niets te betreuren, zich niets te verwijten. Alles was zoo goed. Er is een God voor die dronkaards, welke men verliefden noemt. Blind had Marius den weg betreden, dien hij ziende zou gekozen hebben. De liefde had hem geblinddoekt, om hem, waarheen? te voeren. Naar het Paradijs.

Maar dit paradijs grensde nu aan een hel.

De vroegere afkeer van Marius voor dezen man, voor dezen Fauchelevent, nu Jean Valjean geworden, was thans met afschuw gemengd.

Wij moeten evenwel zeggen, dat in dezen afschuw eenig medelijden, ja een zekere verwondering lag.

Deze dief, deze dief bij herhaling, had hem toevertrouwd geld teruggegeven. En hoeveel geld? Zesmaal honderd duizend francs. Het geheim hiervan was hem alleen bekend. Hij had alles kunnen behouden, maar had alles overgegeven.

Bovendien had hij uit zich zelven zijn toestand geopenbaard. Niets verplichtte er hem toe. Zoo men wist wie hij was, was ’t door hem zelven. In deze bekentenis lag meer dan de aanneming van deemoediging, er lag de onderwerping aan gevaar in. Voor een veroordeelde is een masker geen masker, ’t is een schuilplaats. Hij had van die schuilplaats afstand gedaan. Een valsche naam is een veiligheid; hij had dien valschen naam weggeworpen. Hij, galeiboef, kon zich voor altijd in een achtenswaardige familie verbergen; hij had aan deze verzoeking weerstand geboden. Om welke reden? Uit gewetensbezwaar. Hij had dit zelf verklaard, op den onwraakbaren toon der waarheid. Kortom, wie Valjean zijn mocht, ’t was onbetwistbaar een ontwakend geweten. ’t Was het begin eener geheime bekeering, en naar alle waarschijnlijkheid had het geweten zich reeds lang bij dezen man doen gelden. Zulke overgangen tot het goede en deugdzame zijn niet aan gewone naturen eigen. De ontwaking van het geweten is grootheid van ziel.

Jean Valjean was oprecht. Deze onzichtbare, tastbare, onwederlegbare, [241]en zelfs door de smart, welke zij hem veroorzaakte, bewezen oprechtheid, maakte alle navorsching overbodig en gaf gezag aan al wat deze man zeide. Voor Marius ontstond hieruit een zonderlinge omkeer van beschouwing. Wat boezemde de heer Fauchelevent in? Wantrouwen. Wat verwekte Jean Valjean? Vertrouwen. In de geheimzinnige balans van dien Jean Valjean, welke Marius in zijn geest opmaakte, erkende hij het actief en het passief, en trachtte het saldo op te maken. Maar ’t was alles als in een storm. Marius poogde zich een juist denkbeeld van dien man te vormen en, om zoo te spreken, Jean Valjean in zijn gedachten vervolgende, verloor en hervond hij hem in een noodlottigen nevel.

Het eerlijk wedergegeven bewaarde geld, de trouwhartige bekentenis—dat was goed. Dit veroorzaakte als een lichtopening in een wolk, maar dadelijk werd de wolk weder donker.

Hoe verward zijn herinneringen waren, Marius zag er eenige schaduw van.

Wat was eigenlijk het avontuur in het verblijf van Jondrette? Waarom was deze man, Jean Valjean, bij de komst van de politie gevlucht, in plaats van zich te beklagen? Marius vond hierop het antwoord. Wijl deze man een tuchteling was, die zijn ban verbroken had.

Een andere vraag: Waarom was deze man in de barricade gekomen? Want nu vond Marius deze herinnering duidelijk weder, welke in zijn aandoeningen was te voorschijn gekomen als de sympathetische inkt bij het vuur. Deze man was in de barricade. Hij streed er niet. Wat was hij er komen doen? Voor deze vraag rees een spookbeeld op en beantwoordde ze. Marius herinnerde zich op dit oogenblik volkomen de sombere verschijning van Jean Valjean, die Javert gekneveld uit de barricade sleepte, en nog hoorde hij achter den hoek der kleine straat Mondétour het vreeselijk pistoolschot. Er bestond waarschijnlijk haat tusschen dien spion en dezen galeiboef. De een hinderde den ander. Jean Valjean was naar de barricade gegaan om zich te wreken. Hij was er laat gekomen, en wist vermoedelijk dat Javert er gevangen was. De corsicaansche vendette is tot sommige lage kringen doorgedrongen en geldt er als wet; zij is zoo natuurlijk voor die zielen, welke ten halve tot het goede zijn teruggekeerd; en deze zielen zijn zoodanig gestemd, dat een misdadiger, die op den weg van berouw is, gemoedsbezwaar kan hebben ten aanzien van diefstal, maar niet ten aanzien van wraak. Jean Valjean had Javert gedood. Dit scheen ten minste duidelijk.

Eindelijk de laatste vraag; maar op deze was niet te antwoorden. Marius voelde deze vraag als een nijptang. Hoe kwam [242]het, dat Jean Valjeans leven zoo lang met dat van Cosette verbonden was geweest? Wat beteekende dit duister spel der Voorzienigheid, die dit kind met dien man in aanraking had gebracht? Zijn er dan ook hierboven tweemans-ketenen, en heeft God er behagen in, een engel en een duivel samen te koppelen? De misdaad en de onschuld kunnen dus slaapgenooten zijn in het geheimzinnig bagno der ellende? Kunnen in dien hollen weg, welke het menschelijk lot wordt genoemd, twee hoofden naast elkander gaan, het eene onschuldig, het andere vreeselijk, het eene blinkend van hemelsch morgenlicht, het andere voor immer bleek door het schijnsel van een eeuwigen bliksem? Wie had zulk een onverklaarbare samenkoppeling kunnen beschikken? Op welke wijze, ten gevolge van welk wonder, had dit gemeenschappelijk leven tusschen dit hemelsche meisje en dezen ouden doemeling kunnen ontstaan? Wie had het lam met den wolf kunnen vereenigen, en, wat onbegrijpelijker is, den wolf met het lam? Want de wolf beminde het lam, want het wreede wezen aanbad het zwakke wezen, want sedert negen jaren had de engel tot steun en beschermer het monster gehad. De kindsheid en de jeugd van Cosette, haar intrede in het leven, haar maagdelijke wasdom naar leven en licht, waren door deze monsterachtige vereeniging beschermd. Hier losten zich de vragen in tallooze raadsels op, afgronden openden zich in afgronden, en Marius kon zich niet meer tot Jean Valjean buigen zonder te duizelen. Wie was toch deze ondoorgrondelijke man?

De oude Scheppings-symbolen zijn eeuwig; in de menschelijke maatschappij, zooals zij thans bestaat, tot een grootere helderheid haar zal veranderen, zijn er altijd twee menschen, de eene verheven, de andere laag; de goede is Abel, de kwade is Kaïn. Wie was nu deze teedere Kaïn? Wie was deze bandiet, in heilige vereering eener maagd, over welke hij waakte, welke hij opvoedde, bewaarde, achtte en welke hij, onreine, in reinheid hulde. Wat was deze modderpoel, die deze onschuld zoodanig vereerde, dat er zelfs geen smet op kleefde? Wie was deze Jean Valjean die Cosette had opgevoed? Wat was deze gestalte uit de duisternis, die geen andere zorg had, dan eene opgaande star voor schaduw en wolken te behoeden?

Dit was Jean Valjeans geheim; dit was ook Gods geheim.

Voor dat dubbel geheim deinsde Marius terug. Het eene stelde hem eenigerwijs aangaande het andere gerust. God was in dit avontuur evenzeer zichtbaar als Jean Valjean. God heeft zijn werktuigen. Hij bedient zich van ’t geen hij wil. Hij is jegens den mensch niet verantwoordelijk. Kennen wij Gods wegen? Jean Valjean had aan Cosette gearbeid. Hij had haar ziel een [243]weinig gevormd. ’t Was onbetwistbaar. En verder? ’t Was een leelijke werkman, maar het werk was bewonderenswaardig. God werkt zijn wonderen naar goedvinden. Hij had de bekoorlijke Cosette gevormd en daartoe Jean Valjean gebruikt. Het had hem behaagd den zonderlingen medewerker te kiezen. Welke rekenschap hebben wij van hem te vorderen? Is het de eerste keer, dat de mesthoop de lente helpt om een roos voort te brengen?

Marius gaf zich deze antwoorden, en verklaarde zich zelven, dat zij goed waren. Op al de punten, welke wij hebben aangewezen, had hij bij Jean Valjean niet durven aandringen, zonder zich zelven te bekennen, dat hij niet durfde. Hij beminde Cosette, hij bezat Cosette, Cosette was glanzend zuiver. Dat was hem genoeg. Welke ophelderingen had hij noodig? Cosette was een licht. Behoeft het licht verhelderd te worden? Hij had alles; wat kon hij nog meer wenschen? Alles, is dat niet genoeg? De persoonlijke zaken van Jean Valjean gingen hem niet aan. Terwijl hij zich over de noodlottige schaduw van dien man boog, klemde hij zich vast aan deze plechtige verklaring van den ellendeling: „Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Tien jaren geleden wist ik niet, dat zij bestond.”

Jean Valjean was een voorbijganger. Hij zelf had het gezegd. Welnu, hij ging voorbij. Wie hij zijn mocht, zijn rol was ten einde. Voortaan was het aan Marius, om de functiën der Voorzienigheid bij Cosette te vervullen. Cosette was tot hooger kring teruggekeerd, en had zich weder bij haarsgelijke, haar geliefde, haar echtgenoot gevoegd. In ’t opstijgen liet Cosette, gevleugeld en herschapen, omlaag haar ledig, leelijk hulsel, Jean Valjean, achter.

In welken gedachtenkring Marius zich draaide, immer kwam hij tot een zekeren afschuw voor Jean Valjean terug. Een misschien heiligen afschuw; wij hebben het immers aangewezen, dat hij in dien man een zeker quid divinum, iets goddelijks, gevoelde. Maar wat hij deed, en welke verlichting hij er in zocht, steeds moest hij hierop terugkomen: Jean Valjean was een galeiboef; dat wil zeggen het wezen, ’t welk op de maatschappelijke ladder zelfs geen plaats heeft, wijl het beneden den laagsten sport staat. Na den laatsten der menschen komt de galeiboef. De galeiboef behoort om zoo te spreken niet meer tot het menschelijk geslacht. De wet heeft hem al de menschelijkheid ontnomen, welke zij een mensch kan ontnemen. Marius hield zich, ten aanzien der strafwet, hoewel hij democraat was, nog aan het vaste stelsel, en nopens degenen, welke de wet straft, had hij al de ideeën der wet. Hij was, wij moeten ’t zeggen, nog niet geheel op de hoogte van den vooruitgang. [244]Hij was zoo ver nog niet gekomen, onderscheid te zien tusschen ’t geen de mensch geschreven en wat God geschreven heeft, tusschen de wet en het recht. Hij had het recht nog niet gewikt en gewogen, ’t welk de mensch zich toeëigent om over het onherroepelijke en onherstelbare te beschikken. Het woord vindicte (rechterlijke wraak) had hem nog niet gebelgd. Hij vond het natuurlijk, dat sommige overtredingen der wet door eeuwigdurende straffen werden gevolgd, en hij nam het maatschappelijke doemvonnis als een beschavingsmiddel aan. Hij stond nog op dat punt, trouwens om later volkomen vooruit te gaan, daar zijn aard goed en in den grond voor den vooruitgang was.

Te midden dezer denkbeelden, verscheen Jean Valjean hem wanstaltig en afkeerwekkend. Hij was een veroordeelde, een galeiboef. Dit woord was hem als het bazuingeschal van den jongsten dag, en na lang Jean Valjean aanschouwd te hebben, was zijn laatste beweging het hoofd om te wenden. Vade retro. (Ga weg van mij!)

Marius, men moet het erkennen, en wij wijzen er zelfs op, had, terwijl hij Jean Valjean ondervroeg, en wel in dier voege dat Jean Valjean hem gezegd had: ge neemt mij in ’t verhoor, hem geen twee of drie beslissende vragen gedaan. Niet omdat zij niet bij hem waren opgekomen, maar omdat zij hem beangstigd hadden. Het verblijf van Jondrette? De barricade? Javert? Wie weet waar de openbaringen een einde hadden genomen? Jean Valjean scheen de man niet om achteruit te treden, en wie weet of Marius, na hem te hebben voortgedrongen, niet gewenscht zou hebben, hem tegen te houden! Is ’t ons allen wel niet in sommige gewichtige omstandigheden gebeurd, dat, als wij een vraag hebben gedaan, wij onze ooren stoppen om het antwoord niet te hooren? ’t Is vooral wanneer men bemint, dat men zoo lafhartig is. ’t Is niet verstandig, hardnekkig in heillooze omstandigheden te willen doordringen, vooral wanneer noodlottigerwijs de onoplosbare zijde van ons eigen leven er in gemengd is. Welk een vreeselijk licht kon uit Jean Valjeans wanhopige verklaringen opkomen, en wie weet of dit afschuwelijk licht niet op Cosette zou zijn teruggekaatst? Wie weet of er niet een soort van helschen weerschijn op ’t voorhoofd van dien engel zou zijn overgebleven? De van een bliksem spattende vonken zijn ook bliksems. Het noodlot wil soms, dat de onschuld zelve het merkteeken der misdaad verkrijgt, door de sombere wet der lichtweerkaatsing. De zuiverste gedaanten kunnen voor altijd den weerschijn van een vreeselijke nabuurschap behouden. Terecht of ten onrechte, Marius was bevreesd geweest. Hij wist reeds te veel. Hij poogde zich meer te bedwelmen [245]dan in te lichten. Radeloos droeg hij Cosette in zijn armen weg, terwijl hij voor Jean Valjean de oogen sloot.

Deze man behoorde tot den nacht, tot den levenden, vreeselijken nacht. Hoe zou men er den bodem van durven zoeken? ’t Is ontzettend, de duisternis te ondervragen. Wie weet wat zij zal antwoorden? De dageraad zou er voor altijd verdonkerd door kunnen worden.

In dien gemoedstoestand, was het voor Marius een pijnlijke verlegenheid te denken, dat deze man voortaan in eenige aanraking met Cosette zou zijn. Hij verweet zich thans schier, deze vreeselijke vragen niet gedaan te hebben, voor welke hij was teruggedeinsd en waaruit een onveranderlijke en bepaalde zekerheid had kunnen ontstaan. Hij gevoelde zich te goed, te zacht, laat het ons zeggen, te zwak. Deze zwakheid had hem tot een onvoorzichtige toegevendheid verleid. Hij had zich laten bewegen. Hij had ongelijk gehad. Hij had eenvoudig Jean Valjean moeten verwerpen. Jean Valjean behoorde tot het vuur; hij had hem er aan moeten wedergeven en zijn huis van dien man bevrijden. Hij was op zich zelven vertoornd, vertoornd op dien maalstroom van aandoeningen, welke hem verdoofd, verblind en medegesleept had. Hij was over zich zelven ontevreden.

Wat nu te doen? Van de bezoeken van Jean Valjean was hij diep afkeerig. Waartoe diende die man in zijn huis? Wat te doen? Hier bedwelmde hij zich, hij wilde niet dieper graven, niet doorgronden; hij wilde zich zelven niet peilen. Hij had beloofd, hij had zich tot beloven laten verleiden; Jean Valjean had zijn belofte; zelfs jegens een galeiboef, vooral jegens een galeiboef, moet men woord houden. Zijn eerste plicht evenwel gold Cosette. Kortom, een allesbeheerschende afkeer bracht hem in beroering.

Al deze gedachten woelden verward in den geest van Marius, die, van de eene na de andere, door alle bewogen werd. Vandaar een groote verwarring, welke hem niet gemakkelijk viel voor Cosette te verbergen. Maar de liefde is een talent, en ’t gelukte Marius.

Overigens deed hij, zonder schijnbaar doel, vragen aan Cosette, die even onschuldig was als een duif, en niets vermoedde; hij sprak haar van haar kindsheid en jeugd; en meer en meer overtuigde hij zich, dat deze galeiboef zoo goed, vaderlijk en eerbiedwaardig voor Cosette was geweest als een mensch zijn kan. Al wat Marius verondersteld en vermoed had, was waar. Deze heillooze distel had deze lelie bemind en beschermd. [247]

Boek VIII.

De afneming der duisternis.

[249]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

De benedenkamer.

Den volgenden dag, bij ’t vallen van den avond, klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware ’t hem bevolen. ’t Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die of die komt.

Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:

„Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar boven gaan of beneden wil blijven?”

„Beneden blijven,” antwoordde Jean Valjean.

Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het benedenvertrek en zeide: „Ik zal mevrouw verwittigen.”

’t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een van ijzeren spijlen voorzien venster.

Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, ’t geen aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: „dat hij beneden wilde blijven,” gerekend had.

Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen. [250]Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.

De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van het venster verlicht.

Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.

Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de borst, zag noch Basque noch de waskaars.

Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.

Hij had haar niet zien binnenkomen.

Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid, ’t was de ziel.

„Waarlijk, vader,” riep Cosette, „ik wist dat ge zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.”

„Ja, zoo is het.”

„Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader.”

En zij bood hem haar wang aan.

Jean Valjean bewoog zich niet.

„Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. ’t Is de houding van een schuldige. Om ’t even, ik vergeef ’t u. Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan. Ziedaar.”

En zij hield hem de andere wang toe.

Jean Valjean verroerde zich niet. ’t Was, of zijn voeten aan den grond waren gekleefd.

„’t Wordt ernstig,” zei Cosette. „Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet met ons.”

„Ik heb gegeten.”

„’t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.”

„Onmogelijk.”

Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en begon te vragen.

„Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het huis. ’t Is hier afschuwelijk.” [251]

„Ge weet...”

Jean Valjean viel zich zelven in de rede:

„Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben, dat ik grillen heb.”

Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.

„Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat beteekenen?”

Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke dikwijls op zijn gelaat verscheen.

„Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.”

„Niet voor u, vader.”

„Noem mij niet langer vader.”

„Waarom?”

„Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.”

„Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar ’t is een revolutie. Wat is er toch gebeurd? Zie mij toch in ’t gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?”

„Niets.”

„Welnu dan?”

„Alles is als gewoonlijk.”

„Waarom verandert ge van naam?”

„Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.”

Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:

„Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn.”

„Ik begrijp er niets van. ’t Is alles dom. Ik zal mijn man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. ’t Is slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt.”

Hij antwoordde niet.

Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, ’t geen een groot bewijs van teederheid is.

„Ach,” zeide zij, „wees goed!”

En zij voer voort:

„Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de spelonk in de straat de l’Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt en mijn vader zijt.” [252]

Hij maakte zijn handen los.

„Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot.”

Cosette werd driftig.

„Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.”

„Indien vrouw Toussaint hier was,” hernam Jean Valjean, als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, „zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere manieren heb. ’t Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek bemind.”

„Maar ’t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. ’t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt.”

„Straks toen ik hierheen ging,” antwoordde Jean Valjean, „heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. ’t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof ik. ’t Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. ’t Is lief.”

„Bah, de leelijke beer!” antwoordde Cosette.

En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. ’t Was een bevallige nabootsing eener kat.

„Ik ben verwoed,” zeide zij. „Sedert gisteren maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. ’t Is waar, ge zijt zonderling. ’t Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat l’Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!”

En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in ’t gezicht en voegde er bij:

„Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?” [253]

De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.

Cosette wilde krabben, zij verscheurde.

Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken toon:

„Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest.”

„Ha, nu zegt ge weder Cosette!” riep de jonge vrouw. En zij viel hem om den hals.

Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. ’t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.

„Ik dank u, vader!” zei Cosette.

Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.

„Nu?” zei Cosette.

Jean Valjean antwoordde:

„Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.”

En op den drempel der deur voegde hij er bij:

„Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.”

Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit raadselachtige vaarwel achter.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Andere schreden achterwaarts.

Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.

Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar mogelijk ware.

’t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde. [254]

De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.

Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius’ woorden anders dan letterlijk op te vatten.

Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: „Mijnheer is altijd zóó geweest.” De grootvader besloot: „’t Is een zonderling.” Daarmede was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,—vader Gillenormand wenschte niets liever, dan van „dien mijnheer” verschoond te blijven. Hij zeide: „Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die lieden hebben allerlei phantastische grillen.”

Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, die op den bodem kruipt.

Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. ’t Is weinig, maar vreeselijk. ’t Is de ademhaling van het onbekende dier.

Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich niet in ’t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig te [255]leven, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan—al deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.

Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de grootste bezigheid van haar leven. ’t Was voor hen steeds een nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, zonder zich te verbergen, voor ’t oog der wereld, beiden alleen uit te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;—de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;—zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.

Toen de gemeenzaamheid in ’t gesprek verdwenen was, en „mevrouw,” en „mijnheer Jean” er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: „Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn.”

Hij woonde nog altijd in de straat de l’Homme-Armé, er niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.

In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en verwijderde zich dan.

Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.

Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord „vader.”

Een straal van blijdschap schoot over ’t oude somber gezicht van Jean Valjean. Hij berispte haar: [256]

„Zeg Jean.”

„Ha! ’t is waar,” antwoordde zij luid lachend, „mijnheer Jean.”

„Goed zoo!” zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet.

Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen „goeden dag” met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord: „mijn vader!” hij was op zijn verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest verliezen.

Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.

Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de oude dichters de wedergeboorte noemden,—toen zeide Marius tot Cosette:

„Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn.”

Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles. [257]

Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles du Calvaire.

„Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,” zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.

Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar „hun tuin” en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in ’t geheel niet gezien had.

„Hoe zijt ge er heen gegaan?” vroeg Jean Valjean haar.

„Te voet.”

„En hoe teruggekomen?”

„In huurrijtuig.”

Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat het jonge paar leidde. ’t Werd hem een bekommering. De zuinigheid van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten zin. Hij waagde een vraag.

„Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer dan vijfhonderd francs ’s maands kosten. Gij zijt rijk.”

„Ik weet het niet,” antwoordde Cosette.

„Zoo ook met vrouw Toussaint;” hernam Jean Valjean, „zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats genomen. Waarom?”

„Nicolette is voldoende.”

„Maar gij moet een kamenier hebben.”

„Heb ik Marius niet?”

„Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk.”

Cosette antwoordde niet.

De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. ’t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.

Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven. ’t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te vergeten! ’t Was de verbinding zijner wond. ’t Gebeurde meermalen, dat Basque bij [258]herhaling kwam zeggen: „Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is.”

Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.

Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?

Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. „Zie!” dacht hij. „Geen vuur.” En hij gaf zich deze verklaring: „’t Is natuurlijk. Wij zijn in April. ’t Is niet koud meer.”

„Mijn Hemel! hoe koud is ’t hier!” riep Cosette binnenkomende.

„Och neen,” zei Jean Valjean.

„Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?”

„Ja. Wij hebben aanstonds Mei.”

„Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar vuur noodig.”

„Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.”

„Dit is weder een van uwe denkbeelden!” hernam Cosette.

Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het andere einde der kamer bij de deur geplaatst.

„Wat moet dit beteekenen?” dacht Jean Valjean.

Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.

Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.

Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:

„Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?”

„Wat dan?”

„Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten.”

Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen hij in de straat de l’Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.

Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt. [259]’t Was duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.

Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem allengs trachtte te verwijderen.

Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.

„O!” riep Cosette binnentredend, „geen armstoelen! Waar zijn toch de stoelen?”

„Zij zijn er niet meer,” antwoordde Jean Valjean.

„Dat is raar!”

Jean Valjean stamelde:

„Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.”

„Waarom?”

„Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.”

„Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan.”

„Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had.”

„Waarom?”

„Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.”

„Niemand.”

Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.

Cosette haalde de schouders op.

„De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur uitdooven. Ge zijt zonderling!”

„Vaarwel,” mompelde Jean Valjean.

Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te zeggen: Vaarwel, mevrouw.

Geheel terneergedrukt ging hij heen.

Thans had hij de zaak begrepen.

Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds op.

„Zie,” zeide zij, „mijnheer Jean is er vandaag niet geweest.”

’t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van werd afgetrokken.

Den volgenden dag kwam hij niet.

Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door en [260]sliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen „waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was.”

„Ik ben er in twee dagen niet geweest,” zei Jean Valjean op zachten toon.

Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet aan Cosette over.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Aantrekking en uitdooving.

Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in ’t zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat de l’Homme-Armé verliet, aan de zijde der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.

Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen hem en deze straat waren, [261]welke hem scheen aan te trekken, vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was, alsof hij in ’t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich verwijderde werd zijn blik doffer.

Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat des Filles du Calvaire.

Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.

Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.

Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen liepen hem lachend na. [263]

Boek IX.

Zwaarste schaduw, helderst morgenrood.

[265]
[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen.

’t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet men,—in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,—het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.

Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou beschuldigen.

Marius,—wij hebben het gezegd—had vóór zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem denken zou. ’t Was meer dan uitwissching, ’t was verduistering.

Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo behoedzaam [266]mogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld aan te raken.

Cosette was met geen dezer geheimen bekend; ’t zou evenwel hard zijn ook haar te veroordeelen.

Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van „mijnheer Jean”, den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius’ geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.

Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.

Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?—’t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l’Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet „neen” antwoorden.

Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.

Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.

Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.

’t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. ’t Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, „ziet vooruit”. De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is. [267]Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. ’t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Laatste flikkering der lamp zonder olie.

Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.

Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:

„Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten.”

„Jawel,” antwoordde Jean Valjean.

„De schotel is nog vol.”

„Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.”

„Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt.”

„Nu,” hernam Jean Valjean, „zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?”

„Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts.”

„Ik zal morgen eten.”

„Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker.”

Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.

„Ik beloof u het te eten,” zeide hij met zijn goedmoedige stem.

„Ik ben ontevreden op u,” antwoordde de portierster.

Jean Valjean zag nauwelijks een ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemand [268]doorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.

In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. ’t Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.

Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: „De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal ’t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan ’t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is.”

De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:

„Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij ’t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven.”

„En zoo hij er een neemt?”

„Zal hij ook sterven,” zei de portier.

De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen „harer straat” te krabben, terwijl zij mompelde:

„’t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen.”

Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam ’t op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.

„’t Is op de tweede verdieping,” zeide zij. „Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur.”

De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:

„Nu, dokter?”

„Uw zieke is zeer ziek.”

„Wat deert hem?”

„Alles en niets. ’t Is iemand, die, zoo ’t schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven.”

„Wat heeft hij u gezegd?”

„Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.”

„Komt ge terug, dokter?”

„Ja,” antwoordde de geneesheer; „maar ’t ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.” [269]

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

Een pen is zwaar voor dengene die de kar van Fauchelevent oplichtte.

Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder ’t kleeden eenige keeren rusten: alleen door ’t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op ’t gezicht.

Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.

Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.

Hij spreidde ze uit op zijn bed.

De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel ’t nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. ’t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; ’t was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, ’t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.

Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers, [270]welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.

De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.

Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.

Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.

Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.

Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen ’t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.

Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:

„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars en [271]lampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”

Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.

„Ach! riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), „’t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. ’t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! ’t Is niets te sterven; maar ’t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, ’t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien.”

In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Zwarte inkt die wit maakt.

Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.

Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem in den tuin.

Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die soort.

Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: „Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel.” Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazing [272]bliksems heeft. Marius werd als door een dier bliksems verlicht.

De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld in hem herleven. ’t Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; ’t was wel het bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen voor hem.

Alzoo—zonderlinge gril van het toeval—kwam zich vanzelf een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd verloren te hebben.

Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:

„Mijnheer de baron!

„Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.

„Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.

„Met eerbied.”

De brief was onderteekend: „Thénard.”

Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.

Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling allen twijfel.

Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets meer te wenschen over.

Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque keek door de deur. [273]

„Laat den man binnenkomen,” zei Marius.

Basque diende aan:

„Mijnheer Thénard.”

Een man trad binnen.

Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem volkomen onbekend.

Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in ’t zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het binnentreden nog dieper. ’t Viel bij den eersten blik in ’t oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel woord ter opheldering noodig.

In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette „de Wisselaar”; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was de costumier van het groote drama, ’t welk de schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, werd nooit [274]bestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: „Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed.” Daarnaast stond: „oud ambassadeur,” en eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: „In een afzonderlijke doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld.” Dit alles behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.

Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig van den kapstok des wisselaars.

De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:

„Wat wilt gij?”

De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:

„’t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien. [275]Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet.”

’t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.

Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.

„Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray,” zeide hij. „Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander gezet.”

Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:

„Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas wijn drinken!”

Marius zag hoe langer hoe strenger.

„Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?”

Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.

„Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom ’t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den voorraad en de ammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te komen; ’t is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er goud.”

„Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?” viel Marius hem in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging. [276]

„Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste gebracht. Ik wil ’t eens met de wilden beproeven.”

„Verder?”

„Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is ’s menschen doel. Goud is de magneet!”

„Verder? maak een einde.”

„Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig.”

„Wat gaat mij dit aan?” zei Marius.

De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:

„Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?”

Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:

„Spreek duidelijk.”

De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.

„Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een geheim verkoopen.”

„Een geheim?”

„Een geheim.”

„Dat mij betreft?”

„Eenigszins.”

„Welk geheim?”

Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.

„Ik begin voor niets,” zei de onbekende. „Gij zult zien, dat ik belangrijk word.” [277]

„Spreek.”

„Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar.”

Marius ontroerde.

„In mijn huis, neen,” zeide hij.

De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:

„Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor niets zeggen.”

„Ik luister.”

„Hij heet Jean Valjean.”

„Ik weet het.”

„Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is.”

„Spreek.”

„Een voormalig galeiboef.”

„Ik weet het.”

„Gij weet het sedert ik de eer heb gehad ’t u te zeggen.”

„Neen, ik wist het vroeger.”

De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, „ik weet het”, zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, ontsnapte hij aan Marius niet. ’t Was een derzulke, die men herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; een bril verbergt niets;—zet eens een glasruit voor de hel!

De onbekende hernam glimlachend:

„Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van mevrouw de barones. ’t Is een buitengewoon geheim. ’t Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs.”

„Ik ken dat geheim evenals de andere,” zei Marius.

Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig af te slaan.

„Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek.” [278]

„Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij zeggen wilt.”

In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:

„Ik moet vandaag toch eten. ’t Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs.”

Marius zag hem strak in het gezicht:

„Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken.”

„Mijn naam?”

„Ja.”

„’t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u te schrijven en te zeggen. Thénard.”

„Dier.”

„Wat?”

„Thénardier.”

„Wie? Hoe?”

In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.

Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.

Marius hernam:

„Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard.”

„Vrouw? welke?”

„En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden.”

„Een kroeg! Nooit!”

„En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt.”

„Ik loochen het.”

„En dat ge een schoft zijt. Ziedaar.”

En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp ’t hem in ’t gezicht.

„’k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!”

En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.

„Vijfhonderd francs!” hernam hij verstomd. En halfluid stamelde hij: „Een echt bankje!”

Toen riep hij plotseling:

„Nu, het zij zoo. Laten we ’t ons gemakkelijk maken.”

En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt. [279]

Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.

„Mijnheer de baron is onfeilbaar,” zeide hij, met een duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, „ik ben Thénardier.”

En hij richtte zijn gebogen rug op.

Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.

Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?

Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, ’t geen te Parijs niets zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te hebben om te verkoopen. En [280]waarschijnlijk zou deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: „Uw vrouw is een onecht kind”, geen andere uitkomst hebben gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.

Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe was zijn toestand in dat, ’t welk gevoerd zou worden? Hij wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: „Ik ben Thénardier”, wachtte hij.

Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg geven. ’t Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en ’t was hem alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.

Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. ’t Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.

Thénardier had het „echte bankbriefje” in zijn zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.

Marius verbrak de stilte.

„Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het geheim zegge, ’t welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, den heer Madeleine. Een [281]moordenaar, wijl hij den politieagent Javert heeft vermoord.”

„Ik begrijp u niet, mijnheer de baron,” zei Thénardier.

„Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier Laffitte—ik heb dit van den kassier zelven vernomen—door middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig.”

Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:

„Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg.”

En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting veelbeteekenend te rammelen.

„Wat!” hernam Marius, „spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten.”

„’t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood.”

„Dat is sterk! Hoe weet ge dit?” [282]

„Om twee redenen.”

„Welke? Spreek.”

„De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is.”

„Wat vertelt ge mij toch?”

„De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die Javert heeft gedood, Javert zelf is.”

„Wat bedoelt ge?”

„Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd.”

„Bewijs! bewijs!” riep Marius buiten zich zelven.

Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud Alexandrijnsch vers opzeide:

„De politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden.”

„Maar bewijs dit!”

Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te worden.

„Ik heb mijn aktestukken,” zeide hij bedaard.

En hij voegde er bij:

„In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad dan Javert, en ’t geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte bewijzen.”

Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, scheen veel ouder dan het andere.

„Twee feiten, twee bewijzen,” zei Thénardier en reikte Marius de twee opengeslagen bladen.

De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer van le Drapeau blanc van 25 Juli 1823, van ’t welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, een Moniteur van 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd te schieten. [283]

Marius las. ’t Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers gezegde te bevestigen: het in den Moniteur geplaatste bericht was door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:

„Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder van Javert! hij is een held, een heilige!”

„Hij is noch een heilige noch een held,” zei Thénardier. „Hij is een moordenaar en dief.”

En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij gezag begon te verkrijgen: „Laat ons bedaard zijn!”

Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.

„Nog?” zeide hij.

„Altijd,” hernam Thénardier. „Jean Valjean heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar is toch een moordenaar.”

„Wilt ge,” hernam Marius, „van dien ellendigen diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?”

„Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en al onbekend. ’t Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, dit is inderdaad niet dom.”

„Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden,” merkte Marius aan, „maar ga voort.”

„Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te uwen gunste; de berekening [284]is zeer schrander; maar hij bezit nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, veroorloof mij een stoel te nemen.”

Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.

Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de nagels op de Drapeau blanc sloeg: „’t heeft mij moeite gekost dit te krijgen.” Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van ’t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:

„Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug der Invaliden en de brug van Jena.”

Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:

„Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni was; ’t kon acht uren ’s avonds zijn. De man hoorde gerucht in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. ’t Was ’t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij ’t schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, ’t geen de moordenaar [285]niet wilde. Hij torste zijn last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost hebben, want ’t is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij ’t er levend heeft afgebracht.”

Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:

„Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot den verblijfhouder: „Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij.” Deze galeiboef was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en geheel door bloed misvormd was. Onder ’t gesprek vond hij middel om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, ’t was een bewijsstuk; een middel om weder op ’t spoor der zaak te komen en den schuldige van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok...”

Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.

Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast. [286]

Ondertusschen voer Thénardier voort:

„Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had.”

„Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!” riep Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.

Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.

Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.

Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs gevulde vuist op ’t gezicht.

„Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; ge wildet hem in ’t verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l’Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, en zelfs verder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt.”

En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.

„Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u.”

„Waterloo!” mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.

„Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered....”

„Van een generaal,” zei Thénardier het hoofd opheffend.

„Van een kolonel!” hernam Marius driftig. „Ik zou geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! ’t Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend francs. Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal ’t oog houden over uw [287]vertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!”

„Mijnheer de baron,” antwoordde Thénardier tot den grond buigend, „eeuwige dankbaarheid.”

Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.

Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en ’t zou hem zeer gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.

Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door Marius’ bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.

Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar Cosette nog wandelde:

„Cosette! Cosette!” riep hij „kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!”

Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.

Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij omhelsde Cosette, zeggende: „Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!”

Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar ’t was iets grootsch.

In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.

Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.

„Koetsier,” zeide hij, „naar de straat de l’Homme-Armé No. 7.”

Het rijtuig vertrok.

„Ha! welk een geluk!” riep Cosette, „naar de straat de [288]l’Homme-Armé. Ik durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken.”

„Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar zijn. Ja, zoo zal ’t geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt ’t nu.”

Cosette begreep niets.

„Gij hebt gelijk,” zeide zij.

Ondertusschen reed het rijtuig voort.

[Inhoud]

Vijfde hoofdstuk.

Nacht, waarachter de dag is.

Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.

„Binnen,” riep hij zwak.

De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.

Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den deurpost staan.

„Cosette!” zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige blijdschap in de oogen.

Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.

„Vader!” zeide zij.

Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean: [289]

„Cosette! Zijt gij ’t, mevrouw! Zijt gij ’t. O, mijn God!”

En in Cosettes armen geklemd, riep hij:

„Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!”

Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn gesnik te bedekken:

„Mijn vader!”

„En ook gij vergeeft mij!” zei Jean Valjean.

Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: „Heb dank.”

Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.

„Dit hindert mij,” zeide zij.

Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.

Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.

Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.

Jean Valjean mompelde:

„Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij zelven zeide: ’t Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, dat gij de trap opgingt.

Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op den goeden God. De goede God zegt: „Gij verbeeldt u, dat men u zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal ’t niet gebeuren. Kom, er is daar een arm oud man, die een engel noodig heeft.” En de engel komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik was zeer ongelukkig.”

Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:

„Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar spreken. ’t Zal niet lang meer duren.”

En Cosette zeide, hem berispend:

„Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn. [290]Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge ’t ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!”

„Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft mij!” herhaalde Jean Valjean.

Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, barstte hij uit:

„Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij heeft mij door allerlei doodsgevaren heen gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!”

„Stil, stil!” zei Jean Valjean zacht. „Waarom van dat alles te spreken?”

„Maar gij!” riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, „waarom hebt gij het niet gezegd? ’t Is ook uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. ’t Is ongehoord!”

„Ik heb de waarheid gezegd,” antwoordde Jean Valjean.

„Neen,” hernam Marius, „waarheid is de geheele waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?”

„Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest.” [291]

„Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!” hernam Marius. „Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge morgen nog hier zijt.”

„Morgen,” zei Jean Valjean, „zal ik niet hier zijn, maar ook niet bij u.”

„Wat bedoelt ge?” vroeg Marius. „O, wij geven u geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten u niet los.”

„Ditmaal is het ernst,” voegde Cosette er bij. „We hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken.”

En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard in haar armen optillen.

„In ons huis is nog altijd uw kamer,” vervolgde zij. „Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet waar, Marius? Het programma is veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen.”

Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op. Hij prevelde:

„Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is.”

„Mijn vader,” zei Cosette.

Jean Valjean hernam:

„’t Is waar, ’t zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. ’t Is zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den tuin roepen. Men ziet elkander [292]van ’s morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, ik zou haar mijn rozen doen plukken. ’t Zou bekoorlijk zijn. Maar...”

Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:

„’t Is jammer.”

De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem door een glimlach.

Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.

„Mijn God,” zeide zij, „uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert u iets?”

„Ik? neen,” antwoordde Jean Valjean, „ik ben zeer wèl, maar...”

Hij zweeg.

„Maar, wat?”

„Ik zal spoedig sterven.”

Cosette en Marius huiverden.

„Sterven!” riep Marius.

„Ja, maar dat is niets,” zei Jean Valjean.

Hij haalde adem, glimlachte en hernam:

„Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren.”

Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een hartverscheurenden kreet.

„Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge leeft, hoort ge!”

Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:

„O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij belet. ’t Kwam mij voor, dat ik herleefde.”

„Ge zijt vol kracht en leven,” riep Marius. „Verbeeldt ge u, dat men zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!”

„Ge hoort immers,” hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, „dat Marius zegt, dat ge niet zult sterven.”

„Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert niet van meening; ’t is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alle [293]verrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij.”

De deur kraakte. ’t Was de dokter, die binnentrad.

„Goedendag en vaarwel, dokter,” zei Jean Valjean. „Ziehier mijn arme kinderen.”

Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een volledige vraag.

De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.

„Omdat de dingen ons onaangenaam zijn,” zei Jean Valjean, „is dit geen reden om onbillijk jegens God te wezen.”

Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking mogelijk.

De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het graf kan ook zijn flikkering hebben.

De dokter voelde hem den pols.

„Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!” mompelde hij, Cosette en Marius aanziende.

En zich tot Marius’ oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:

„Te laat.”

Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:

„’t Is niets te sterven, maar ’t is vreeselijk, niet te leven.”

Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het kruisbeeld op de tafel zettende:

„Ziedaar den grooten lijder!”

Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen, [294]op zijn knieën rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.

Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden: Vader! verlaat ons niet. Is ’t mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te verliezen?”

Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt een zekere rondtasting.

Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.

„Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!” riep Marius.

„Ge zijt beiden goed,” zei Jean Valjean. „Ik zal u zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal ’t u verklaren, mijn kinderen, en juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. ’t Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij.”

De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:

„Wilt ge een priester?”

„Ik heb er een,” antwoordde Jean Valjean.

En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.

’t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven tegenwoordig was.

Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.

Jean Valjean hernam:

„Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de zoogenaamde Berlijnsche [295]juweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs.”

Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.

Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, elkander de hand gevende.

Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.

Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd grooter. ’t Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.

Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. ’t Was blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.

„Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, ’t is zoet zóó te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. ’t Was voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. ’t Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of hij, die ze mij [296]gegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal ’t mij genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. ’t Is voor de armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? ’t Is echter niet langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. ’t Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel van den emmer nam? ’t Was de eerste keer, dat ik uw arm klein handje raakte. ’t Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is ’t oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit: [297]elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, ’t is mijn schuld niet, ik verzeker ’t u, dat ik u in al deze dagen niet gezien heb; ’t verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde hoofden, dat ik er mijn handen oplegge.”

Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich niet meer.

Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.

De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel wachtte.

[Inhoud]

Zesde hoofdstuk.

Het gras verbergt en de regen wischt uit.

Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in ’t gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.

De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, en [298]voor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.

Men leest er geen naam op.

Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.

Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,

Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,

La chose simplement d’elle-même arriva,

Comme la nuit se fait lorsque le jour s’en va.1

Einde van het vijfde en laatste deel.

[299]


1

Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.

Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,

Toen hij zijn Engel niet meer zag.

De dood kwam zachtkens hem bevrijden,

En volgde op zijn maatloos lijden,

Zooals de nacht wijkt voor den dag.

[Inhoud]

Inhoud.

Boek I.

De oorlog tusschen vier muren.

Bladz.
I. De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel 7
II. Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten 14
III. Verlichting en verduistering 17
IV. Vijf minder, een meer 19
V. Welken horizont men van de kruin der barricade ziet 25
VI. Marius verwilderd, Javert laconisch 29
VII. De toestand wordt erger 30
VIII. De artilleristen nemen het ernstig op 34
IX. Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest 37
X. De dageraad 38
XI. Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt 41
XII. De wanorde als handlanger der orde 43
XIII. Voorbijgaande flikkeringen 46
XIV. Waarin men den naam van Enjolras’ geliefde lezen zal 47
XV. Gavroche buiten 49
XVI. Hoe men van broeder vader wordt 53
XVII. De doode vader wacht den stervenden zoon [300] 60
XVIII. De gier prooi geworden 62
XIX. Jean Valjean wreekt zich 66
XX. De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk 68
XXI. De helden 77
XXII. Voet voor voet 80
XXIII. Orestes nuchter en Pylades dronken 83
XXIV. Gevangene 86

Boek II.

De ingewanden van den Leviathan.

I. De aarde door de zee verarmd 91
II. De oude geschiedenis der riolen 94
III. Bruneseau 97
IV. Onbekende bijzonderheden 99
V. Tegenwoordige vooruitgang 102
VI. Toekomstige vooruitgang 103

Boek III.

Slijk, echter ziel.

I. Het riool en zijn verrassingen 109
II. Verklaring 114
III. De vervolgde man 116
IV. Ook hij draagt zijn kruis 120
V. Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid 123
VI. De modderwel 126
VII. De uiterste nood 128
VIII. Het afgescheurde rokspand 130
IX. Marius schijnt dood voor iemand die er verstand van heeft 135
X. Terugkeer van den verloren zoon tot het leven [301] 139
XI. Verbazing 140
XII. De grootvader 142

Boek IV.

Javert uit het spoor.

Javert uit het spoor 151

Boek V.

De kleinzoon en de grootvader.

I. Men ziet den boom weder met den zinkpleister 165
II. Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog 168
III. Marius’ aanval 173
IV. Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht 175
V. Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een notaris 180
VI. De beide oude lieden doen, ieder op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te maken 181
VII. De uitwerksels van den droom op het geluk 189
VIII. Twee onmogelijk weder te vinden mannen 191

Boek VI.

De slapelooze nacht.

I. De 16 Februari 1833 197
II. Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter 205
III. De onafscheidbare 213
IV. Immortale jecur 215
[302]

Boek VII.

De laatste teug uit den beker.

I. De zevende cirkel en de achtste hemel 223
II. De duisterheden, welke een openbaring kan bevatten 238

Boek VIII.

De afneming der duisternis.

I. De benedenkamer 249
II. Andere schreden achterwaarts 253
III. Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet 256
IV. Aantrekking en uitdooving 260

Boek IX.

Zwaarste schaduw, helderst morgenrood.

I. Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen 265
II. Laatste flikkeringen der lamp zonder olie 267
III. Een pen is zwaar voor dengene, die de kar van Fauchelevent oplichtte 269
IV. Zwarte inkt die wit maakt 271
V. Nacht, waarachter de dag is 288
VI. Het gras verbergt en de regen wischt uit 297

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Dit is het tweede deel van een vertaling van Les misérables, waarvan het Franse origineel beschikbaar is in Project Gutenberg (Deel I, II, III, IV, V). Een Engelse vertaling, Les misérables van Isabel F. Hapgood is ook beschikbaar.

Deel één, twee, drie, en vier zijn ook beschikbaar in Project Gutenberg.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Documentgeschiedenis

  • 2011-10-05 Begonnen.

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
7 ontërfden onterfden
8 bewouderd bewonderd
8 hetzij het zij
11 wanstallige wanstaltige
11 du-Temple du Temple
11 romeinsche Romeinsche
15 eu en
16, 22 . ,
22 auderen anderen
23, 38, 223 [Niet in bron]
27 maatschapelijken maatschappelijken
27 hand band
28 dinastie dynastie
30 teostand toestand
33, 33, 38, 39, 66, 169, 204, 216, 263 [Niet in bron] .
33 liggen leggen
37 mot met
38 huisuitziende huis uitziende
38, 294 [Niet in bron]
39 en en en
44 geïmprovizeerde geïmproviseerde
44 heeft geeft
45, 275 amunitie ammunitie
47 hardnekkingen hardnekkigen
51 kouplet couplet
61 geschrampt geschampt
71 [Niet in bron] ,
78 [Verwijderd]
92 atlantischen oceaan Atlantischen Oceaan
98 schelde Schelde
105 onbeschaamheid onbeschaamdheid
110 glooing glooiing
117 Camps-Elysées Champs-Elysées
121 duizende duizenden
121 verhalen herinnere
123 onderscheid onderscheidt
134 veelbeteekende veelbeteekenende
137 »
143 ? .
145 [Niet in bron] !
160 glazendeur glazen deur
160 kwartieruur kwartieruurs
161 Notre-Dame Nôtre-Dame
167 kwartier uurs kwartieruurs
168 koud vuur koudvuur
169 linlen linnen
170 vis viens
170, 208, 298 ; ,
170, 170 , [Verwijderd]
170 Diana Diane
170 tetons tétons
184 honderduizend honderdduizend
187 burgelijke burgerlijke
187 ravissant ravissants
187, 187 . !
188 Rocheguyon Roche-Guyon
198, 231, 286 , .
200 Chausée Chaussée
207 en een
215 louisdo’r louisd’or
215 bij hij
229 Fauchelevant Fauchelevent
232 alphabeth alphabet
236 [Niet in bron] ’t
251 da dat
266 : .
267 nauwelijk nauwelijks
271
278 hafluid halfluid
286 zelf zelfs
290 allerleid oodsgevaren allerlei doodsgevaren
291 pogramma programma