The Project Gutenberg eBook of Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam

Author: H. G. Wells

Translator: J. Kuylman

Release date: August 5, 2011 [eBook #36982]
Most recently updated: January 8, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VOEDSEL DER GODEN EN HOE HET OP AARDE KWAM ***


[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

Het voedsel der Goden

[Inhoud]

Druk N. V. voorheen Nonhebel & Co.—Hilversum

Oorspronkelijke titelpagina.
Wereld Bibliotheek
Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
Uitgegeven voor de
Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door
G. Schreuders Amsterdam

[5]

Boek I.

De ontdekking van het voedsel

[Inhoud]

Hoofdstuk I.

De ontdekking van het voedsel.

[Inhoud]

I.

In het midden der negentiende eeuw begon in onze vreemde wereld voor het eerst in grooten getale een klasse van menschen op te komen, die voor het meerendeel aanleg hadden om oudachtig te worden, en die genoemd worden en dit zeer terecht, hoewel zij zelf dezen titel buitengewoon onaangenaam vinden—„Scientisten.” Zij vinden dit woord zóó onaangenaam, dat het in de kolommen van „de Natuur,” hetwelk van het begin af hun uitsluitend en karakteristiek orgaan was, even zorgvuldig vermeden wordt alsof het dat andere woord ware, dat de basis van alle werkelijk-gemeene taal in dit land vormt. Doch het Groote Publiek, en zijn Pers weten dit wel beter, en „Scientisten” blijven zij, en als zij ook maar eenigszins algemeen bekend raken, noemen wij hen „beroemde scientisten,” en „eminente scheikundigen” en „alom-bekende natuurkundigen” op zijn minst.

Voorzeker verdiende de heer Bensington zoowel als Professor Redwood elk van deze termen ten volle, lang [6]vóór zij de wondervolle ontdekking deden waar dit verhaal over handelt. De heer Bensington was Lid van het Koninklijk Genootschap, een voormalig Voorzitter van het Scheikundig Genootschap, en Professor Redwood was Professor in de Physiologie aan het College van de Londensche Universiteit in Bond-street en hij was herhaaldelijk door de anti-vivisectionisten in geschriften grof belasterd. En sedert hun prilste jeugd hadden zij levens geleid van academische onderscheiding.

Zij zagen er natuurlijk heel onberoemd uit, zooals inderdaad alle ware Scientisten. Er steekt meer persoonlijke distinctie in den gladst-gemanierden acteur dan in het geheele Koninklijke Genootschap.

De heer Bensington was kort van postuur, en erg, erg kaalhoofdig, en liep lichtelijk gebogen; hij droeg een gouden bril en linnen schoenen die erg laag uitgesneden waren om zijn talrijke likdoorns, en Professor Redwood had een doodgewoon voorkomen. Tot zij toevallig het Godenvoedsel vonden (ik sta er beslist op het zoo te noemen), leidden zij zulke eminente en obscure studie-levens, dat ik er den lezer moeilijk iets van zou kunnen vertellen.

De heer Bensington verdiende zijn sporen (als wij tenminste een dergelijke uitdrukking mogen bezigen met betrekking tot een heer met uitgesneden linnen schoenen) met zijne schitterende onderzoekingen op het gebied van de Meer Giftige Alkaloïden, en Professor Redwood werd beroemd—dat herinner ik me eigenlijk niet recht meer, hoe hij beroemd werd! Méér van hem weet ik niet dan dat hij erg beroemd was. Dergelijke dingen groeien. Ik zou denken dat hij er gekomen was door een dik werk over den Duur der Reactie-bewegingen, met talrijke platen van sphygmographische opteekeningen (ik schrijf dit natuurlijk [7]onderhevig aan verbetering) en een bewonderenswaardige nieuwe terminologie.

Het groote publiek kreeg weinig of niets van deze beide heeren te zien. Nu en dan, op plaatsen als het Koninklijk Instituut en de Maatschappij van Wetenschappen, kreeg het eens iets te zien van den heer Bensington, tenminste zijn blozende kaalheid en een stukje van zijn kraag en jas, en hoorde fragmenten van een lezing of een verhandeling, die hij zich verbeeldde goed verstaanbaar voor te dragen. En ééns herinner ik me hem gehoord te hebben—’t was op een middag in het grauwe verleden—toen het Britsche Genootschap te Dover vergaderde, en ik inviel bij afdeeling C. of D. of een dergelijke letter welke haar kwartier had opgeslagen in een herberg, en ik uit louter nieuwsgierigheid twee ernstig-kijkende dames met bruinpapieren pakjes gevolgd was door eene deur waarop „Billard” en „Potspel” te lezen stond, een schandelijke duisternis in, die slechts gebroken werd door een tooverlantaarn-lichtkring van Redwood’s diagrammen.

Ik sloeg het inzetten en weder uithalen van de platen gade en luisterde naar een stem (ik ben vergeten wat de stem zeide) die naar ik meen de stem van Professor Redwood was, en er kwam een gesis uit de lantaarn en nog een ander geluid dat mij daar vasthield, zuiver uit nieuwsgierigheid, totdat de lichten plotseling opgedraaid werden. En toen bemerkte ik dat dit geluid niets anders was dan het geluid van het mummelen op krentenbroodjes en sandwiches en dergelijke dingen, waarvoor de leden van het Genootschap hierheen gekomen waren om op te eten onder bedekking van de duisternis der toover-lantaarn.

En ik herinner mij dat Redwood al maar doorpraatte zoolang de lichten op waren, en stond aan te [8]wijzen op de plaats waar zijn diagram op het scherm zichtbaar behoorde geweest te zijn—en dit was het dan ook weder zoodra het weer duister werd. Ik herinner mij hem bij die gelegenheid als een doodgewonen donkeren man, die er een beetje zenuwachtig uitzag, met een air als of hij met iets anders bezig was en doende wat hij in die oogenblikken deed door een onverklaarbaar plichtsgevoel.

Ook Bensington heb ik eenmaal gehoord—in de dagen van ouds—op een opvoedkundige samenkomst in Bloomsbury. Zooals de meeste eminente Natuurkundigen en Botanici beschouwde Bensington zich ook als een groote autoriteit in opvoedkunde,—al was ik zeker dat een middelmatige klasse van een gemeenteschool hem binnen een half uur totaal van de wijs zou gebracht hebben—en zoo ver als ik het mij nù nog herinneren kan, stelde hij een verbetering van professor Armstrong’s Heuristische methode voor, waardoor, met drie of vierhonderd pond kosten aan toestellen, met algeheele verwaarloozing van alle andere studievakken, en de onverdeelde aandacht van een buitengewoon begaafd onderwijzer, een middelmatig kind met een bizonderen vorm van stompzinnige degelijkheid in den loop van tien of twaalf jaren bijna evenveel chemie kon leeren als men kon halen uit een van die oppervlakkige twee-kwartjes-boeken, die toen zoo algemeen gebruikt werden...

Ge ziet wel dat beiden doodgewone menschen waren, buiten hun wetenschappelijke sfeer. En nog wel aan den onpractischen kant van het gewone. En gij zult bevinden dat dit laatste het geval is, de geheele wereld over, met „scientisten” als klasse. Wat er groots aan hen is, is een kwelling voor hun medenatuurkundigen en een mysterie voor het groote publiek; en wat niet groot is, is duidelijk genoeg. [9]

Er bestaat inderdaad geen twijfel omtrent wat niet groot is, want geen andere menschen-categorie heeft zulke in het oog vallende kleinheden als zij. Zij leven in een erg begrensd wereldje zoover het hun omgang met menschen betreft; hun navorschingen vergen een oneindige aandacht, en een bijna kloosterachtige afzondering; en wat er overblijft, is niet erg veel. Als men den een of anderen eigenaardigen, blooden, misvormden, grijsharigen, opgeblazen kleinen uitvinder van groote uitvindingen ziet, op belachelijke wijze getooid met het breede lint van de een of andere ridderorde, en receptie houdend voor zijne medemenschen; of den angst van „De Natuur” leest, bij het „verwaarloozen der Wetenschap,” als de engel der geboortedag-eerelinten het Koninklijk Genootschap voorbijgaat; of luistert naar den onvermoeiden mosplantkundige die een verhandeling houdt over het werk van een ander onvermoeid mosplantkundige, komt men tot de onvermijdelijke ervaring van de onveranderlijke menschelijke kleinheid.

En toch is het rif der wetenschap, dat deze kleine „natuurkundigen” bouwden en nòg bezig zijn te bouwen zoo wondervol, zoo gewichtig, zoo vol geheimzinnige, nog half-gevormde beloften voor de groote toekomst van den mensch! Zij schijnen zelf de dingen die zij doen niet te beseffen! Zonder twijfel had de heer Bensington, toen hij lang geleden dit beroep koos, toen hij zijn leven wijdde aan de alkaloïden en hunne verwante samenstellingen, een vaag begrip van het visioen—méér dan een vaag begrip waarschijnlijk. Want welke jonge man zou zonder een inspiratie, voor zoo weinig glorie en positie als een gewoon „natuurkundige” verwachten kan, zijn leven gegeven hebben aan zulk werk? Neen zij moèten den roem er van gezien hebben, zij moeten dit visioen gehad [10]hebben, doch van zóó dichtbij, dat het hen verblind heeft. De heerlijkheid ervan heeft hen verblind, (en dat is gelukkig), zoodat zij voor het overige van hun leven de fakkel der kennis hoog kunnen houden zonder berouw opdat wij kunnen zien.

En misschien wordt Redwood’s afgetrokkenheid verklaard door het feit dat hij (en daar bestaat nu geen twijfel meer aan) van zijne makkers verschilde; en wel hièrin, dat er in zijn oogen nog iets van het visioen schitterde.

[Inhoud]

II.

Ik noem het ’t Voedsel der Goden, deze zelfstandigheid die de heer Bensington en professor Redwood samen maakten; en in aanmerking nemend wat het reeds gewrocht heeft, en alles wat het voorzeker nog zal doen, is de naam beslist niet overdreven. En derhalve zal ik het zoo blijven noemen mijn geheele verhaal door.

Doch mijnheer Bensington zou het evenmin zóó in koelen bloede hebben durven noemen, als zijne kamers in Sloane-street te verlaten, gehuld in koninklijk purper en met een lauwerkrans op. Deze benaming was niets anders dan een eerste kreet van verbazing die hem ontsnapte. Hij noemde het ’t Voedsel der Goden, in zijn enthousiasme, en dit wel een uur lang achter elkaar. Daarna kwam hij tot de conclusie dat het dwaas was. Toen hij het eerst over de zaak nadacht, had hij als het ware een uitzicht op enòrme mogelijkheden—eenvoudig enorme mogelijkheden, doch na één blik van verbazing, sloot hij resoluut de oogen voor dit verblindende uitzicht, zooals een conscientieus „natuurkundige” dit behoort te doen. Hierna klonk „Het Voedsel der Goden” hem zóó snoeverig [11]toe, dat hij het bijna onbehoorlijk ging vinden. Hij was er verwonderd over dat hij deze uitdrukking gebezigd had. Maar niettegenstaande dit, was er tòch nog iets van dat helder-geziene oogenblik in hem blijven hangen, en kwam telkens weder voor den dag...

„Waarachtig,” zei hij, zich in de handen wrijvend en zenuwachtig lachend, „het is van meer dan theoretisch belang.”

„Bijvoorbeeld,” deelde hij den professor in vertrouwen mede, zijn gezicht dicht bij dat van den geleerde brengend en zachter sprekend, „het zou misschien te verkóópen zijn, als het goed aangelegd werd.”

„Precies als een voedingsstof,” zei hij, een eindje wegloopend. „Of ten minste als een voedingsbestanddeel. Natuurlijk aannemend dat het smakelijk is. Iets wat we niet kunnen zeggen vóor we het bereid hebben.”

Hij wendde zich om op het haardkleed en bestudeerde aandachtig de zorgvuldig afgewerkte spleetjes in zijn linnen schoenen.

„De naam?” zei hij, opkijkend, als antwoord op een vraag. „Wat mij betreft hel ik over naar de goede oude klassieke zinspeling. Het—’t maakt de wetenschap respectabel—geeft er een tikje ouderwetsche waardigheid aan. Ik dacht zoo... Ik weet niet of je ’t zot van me zult vinden... een beetje verbeelding is nu en dan toch zeker wel veroorloofd... Herakleophorbia. He? Het voedsel van een mogelijke Hercules? Het zou best kùnnen, niet waar... Natuurlijk als jij denkt dat het nièt....”

Redwood keek aandachtig in het vuur en opperde geen bezwaren.

„Geloof je dat die naam gaan zou?”

Redwood’s hoofd bewoog zich ernstig. [12]

„We konden het ook Titanophorbia noemen, zie je. Titanen-voedsel... of lijkt het eerste je beter? Weet je zeker dat je het niet een beetje tè....”

„Neen.”

„Ha, daar ben ik blij om.”

En aldus noemden zij het Herakleophorbia, zoolang hunne onderzoekingen duurden; en in hun rapport,—het rapport dat nooit uitgegeven werd, door de onverwachte gebeurtenissen die al hun schikkingen in de war brachten,—wordt het ook voortdurend aldus genoemd. Er werden drie verwante zelfstandigheden bereid voor ze dàt tot uitkomst kregen, wat hunne berekeningen hun voorspeld hadden, en van deze drie substantie’s spraken zij als Herakleophorbia I, Herakleophorbia II en Herakleophorbia III.

En—vasthoudend aan den oorspronkelijken naam dien Bensington het gaf—noem ik hier Herakleophorbia IV het Voedsel der Goden.

[Inhoud]

III.

Het was een idee van den heer Bensington. Doch daar het hem aan de hand gedaan werd door een van Professor Redwood’s stukken in de „Philosophische Verhandelingen,” waaraan deze medewerkte, ging hij dezen heer er behoorlijk over raadplegen vóor hij het verder uitwerkte. Bovendien was het zoo goed een physiologisch als een scheikundig onderzoek.

Professor Redwood was een van die mannen der wetenschap, die verslaafd zijn aan diagrammen en kromme lijnen. Gij weet wel—als ge tenminste ook maar eenigszins tot het soort lezers behoort waar ik van houd—welk soort van wetenschappelijk artikel ik bedoel. Het is een verhandeling waar ge geen touw aan kunt vastknoopen, en aan het einde komen er [13]vijf of zes lange opgevouwen figuren, die men ontvouwen kan en eigenaardige zigzag-lijnen, overdreven bliksemflitsen, of onverklaarbare kronkelende dingen doen zien, die „vlakke lijnen” worden genoemd, getrokken op ordinaten en wortelend in abscissae—en dergelijke dingen. Ge zit een heelen tijd te gissen, en eindigt met een vaag vermoeden dat niet alleen gìj het niet begrijpt, maar dat de schrijver zelf dit evenmin doet. Maar zonder gekheid, verscheidene van deze mannen der wetenschap begrijpen hun eigen schrifturen heel goed: het is eenvoudig een gebrek aan duidelijk uitdrukken dat deze hinderpaal tusschen hen en ons opwerpt.

Ik voor mij geloof dat Redwood in rechte en kromme lijnen dacht. En na zijn monumentaal werk over den Duur der Reactie-beweging (den onwetenschappelijken lezer verzoek ik zich hier nog een beetje meer in te werken, dan zal alles hem zoo helder zijn als klaarlichte dag) begon Redwood voor den dag te komen met vlakke gebogen lijnen en sphygmographeriën over Groei, en het was een van zijn stukken over „de Groei,” dat den heer Bensington op het denkbeeld bracht.

Redwood, moet ge weten, had allerlei groeiende dingen opgemeten, zooals jonge katten, jonge honden, zonnebloemen, paddestoelen, boonstengels en (tot zijn vrouw er een stokje voor stak) zijn eigen baby, en hij toonde aan, dat de groei zich voortzette, niet gelijkmatig of zooals hij het aanduidde:

Diagonale lijn omhoog.

[14]

maar met plotselinge zetten en tusschenpoozen, ongeveer als volgt:

Getrapte lijn omhoog.

en dat, voor zoover hij kon uitmaken, nièts regelmatig en staag kòn doorgroeien; het leek alsof ieder levend wezen kracht moest opgaren om te groeien, slechts voor eenigen tijd krachtig groeide, en dan weder een zekeren tijd moest wachten vóor het met groeien kon voortgaan. En in de bedekte en uitermate technische taal van den werkelijk voorzichtigen „natuurkundige,” opperde Redwood, dat het groeiproces waarschijnlijk de aanwezigheid van de een of andere substantie in het bloed noodzakelijk maakte, dat slechts zeer langzaam gevormd werd, en dat als deze substantie door den groei verbruikt was, zij slechts zeer langzaam weder aangevuld kon worden, en het organisme onderwijl tijd moest gelaten worden. Hij vergeleek zijn onbekende substantie bij olie in een machine. Een groeiend dier had werkelijk veel gemeen met een machine, die zich een zekeren afstand kon voortbewegen, en dan geölied moet worden voor zij verder loopen kan. („Doch waarom zou men de machine niet van bùìten-af van olie voorzien?” zei de heer Bensington, toen hij het stuk las). „En dit alles,” zei Redwood met het heerlijke zenuwachtige over-tusschenliggende-gedachten-heenspringen van zijn klasse, „zou waarschijnlijk licht kunnen werpen op het mysterie van enkele der niet-geleidende klieren.” Alsof dìe er iets mee uit te staan hadden! [15]

In een volgende verhandeling ging Redwood reeds verder. Hij gaf een waar „Brock’s Benefit”1 van diagrammen—die precies leken op de banen van vuurpijlen; en de clou ervan—voor zoover het eenige clou bevatte—was, dat het bloed van jonge honden en katten, en het sap van zonnebloemen en het sap van paddestoelen, als deze waren in wat hij noemde „het groei-stadium,” verschilde in de aanwezig-zijnde proporties van zekere deelen van het bloed en sap, op de dagen dat zij niet bijzonder sterk groeiden.

En toen Bensington, na de figuren op hun kant en onderstboven gehouden te hebben, begon te zien wat dit verschil was, werd hij uitermate verbaasd. Omdat, ziet ge, het verschil mogelijk veroorzaakt werd door de aanwezigheid juist van diè substantie, welke hij kort te voren getracht had te isoleeren bij zijn onderzoek van diè alkaloïden, welke het zeerst het zenuwstelsel stimuleeren. Hij legde Redwood’s verhandeling op den gepatenteerden lessenaar, die ongemakkelijk weg-draaide van zijn leunstoel, nam zijn gouden bril af, ademde erop, en wreef hem zeer zorgvuldig af.

„Allemachtig!” zei de heer Bensington.

Toen hij zijn bril weder had opgezet, wendde hij zich weder naar den lessenaar, die, zoodra zijn elboog er tegen stootte, een coquet gepiep liet hooren, en de verhandeling met al haar figuren op den grond deed belanden, verfrommeld en verspreid.

„Groote hemel!” zei mijnheer Bensington, zijn buik over den leunstoel rekkend met een geduldige [16]minachting voor de gewoonten van dit gemakkelijk meubelstuk, en toen, bevindend dat de brochure nog buiten zijn bereik lag, liet hij zich op de handen vallen, om de stukken bijeen te garen. Op den grond viel het denkbeeld hem eigenlijk in, het „’t Voedsel der Goden” te noemen...

Want ziet ge, als hij het bij het rechte eind had, en Redwood eveneens, zou hij, door deze nieuwe substantie in te spuiten of door ander voedsel te mengen de rustpoos geheel buiten rekening kunnen laten, en in plaats dat de groei aldus ging:

Getrapte lijn omhoog.

zou hij (als ge mij volgen kunt) aldùs gaan:

Diagonale lijn omhoog.
[Inhoud]

IV.

Bensington deed den nacht na zijn gesprek met Redwood haast geen oog dicht. Eens meende hij in den dommel te raken, doch dit was slechts voor een oogenblik en toen droomde hij dat hij een diep gat in de aarde gegraven had, en daarin tonnen vol Godenvoedsel wierp en de aarde zette al meer en meer uit, en al de grenzen der verschillende landen scheurden, en het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap was [17]als één man aan het werk, als één gróót kleermakersgilde, om den equator ùit te leggen...

Het was natuurlijk een belachelijke droom, doch het toont veel beter dan één der dingen, die hij zeide of deed als hij wakker en op zijn hoede was, den staat van geestelijke opwinding aan, waarin hij verkeerde. Anders zou ik er geen melding van gemaakt hebben, daar ik over het algemeen het elkaar-droomen-vertellen volkomen onbelangrijk vind.

Door een vreemde toevalligheid droomde Redwood dien nacht eveneens, en wat hij droomde was het volgende:

Lijn recht omhoog.

Het was een figuur dat vurig stond afgedrukt op een lange rol, die zich tot in het oneindige verlengde. En hij (Redwood) stond op een planeet voor een soort van zwart podium; en hij hield een lezing over den nieuwen groei die nu mogelijk was, voor het Meer dan Koninklijk Instituut van Oorspronkelijke Krachten,—krachten die tot dan toe, zelfs bij den groei der rassen, keizerrijken, sterrenstelsels en werelden steeds aldus gewerkt hadden:

Getrapte lijn omhoog.

En in sommige gevallen zelfs zoo:

Lijn, eerste in stappen omhoog, dan curve naar beneden.

[18]

En hij was bezig heel helder en vol overtuiging uit te leggen dat deze langzame, achteruitgaande methoden weldra geheel uit de mode zouden zijn door zijne ontdekking.


Belachelijk natuurlijk. Doch ook dit toont aan—


Dat elk van deze beide droomen moet beschouwd worden als ook maar eenigermate meer beteekenisvol of profetisch dan ik categorisch gezegd heb, zou ik geen oogenblik durven opperen.

Ornament (vlinder)

[19]


1 Brock is dè vuurwerkmaker in Engeland en bij Brock’s Benefiet, eenmaal per jaar in het „Crystal Palace”, wordt een eindeloos getal rakketten enz. opgelaten.

(Noot van Vertaler.)

[Inhoud]

Hoofdstuk II.

De Proef-Hoeve.

[Inhoud]

I.

Bensington nam zich oorspronkelijk voor, met zijn goedje proeven te nemen op jonge donderpadden, zoodra hij het werkelijk kon produceeren. Dergelijke dingen worden altijd het eerst geprobeerd op donderpadden; want daar zijn kikkers toch voor!—En zij kwamen overeen dat hij en niet Redwood de proefnemingen zou doen, omdat Redwood’s laboratorium in beslag genomen werd door den projectiel-snelheidsmeter en de dieren, die noodig waren voor een onderzoek naar de Dagelijksche Afwijking in het aantal horenstooten per dag van den Jongen Stier, een onderzoek dat kromme lijnen van abnormale en zeer verwarrende soort opleverde, en de aanwezigheid van glazen bollen met donderpadjes erin was bijzonder ongewenscht, zoolang bovengenoemd onderzoek juist in vollen gang was.

Doch toen de heer Bensington zijn nicht Jane iets toevertrouwde van wat hij in het hoofd had, sprak zij onmiddellijk haar veto uit over den invoer van donderpadden of dergelijke wezens om op te experimenteeren, in hun verdiepingwoning. Zij had niet het minste bezwaar dat hij een der vertrekken van hun verdieping gebruikte voor dingen zooals scheikunde waar geen ontploffingen bij te pas kwamen, en die [20]geen nadeelige gevolgen had wat haar zelve betrof; zij had geen bezwaar dat hij een gas-fornuis en een gootsteen en een stof-vrije kast er op nahield, die veilig bleven voor den wekelijkschen storm der schoonmaak dien zij op andere plaatsen duchtig liet woeden. En daar zij lieden gekend had die aan den drank verslaafd waren, beschouwde zij zijn haken naar onderscheiding in geleerde genootschappen als een uitmuntende plaatsvervanger voor den groveren vorm van verdorvenheid. Doch massa’s levende dingen, die zoo „kronkelerig” waren als ze leefden en „stinkerig” als ze dood waren, dat kon en wilde ze niet dulden. Zij zei, dat dergelijke dingen beslist ongezond moesten zijn, en dat Bensington een man was die erg moest oppassen—en dat het onzin zou zijn als hij wilde beweren dat dit niet zoo was.

En toen Bensington probeerde haar het enorme gewicht van deze mogelijke ontdekking te doen zien, zeide ze dat ’t allemaal goed en wel was, maar dat, als zij hem toestond alles in huis akelig en ongezond te maken (en daar kwam ’t toch maar allemaal op neer), hij de eerste zou zijn om zich te beklagen.

En mijnheer Bensington liep het vertrek op en neer, niet lettend op zijn eksteroogen, en praatte langen tijd met veel gedecideerdheid, en zelfs misnoegen in zijn stem, zonder het geringste effect. Hij opperde dat niets de Bevordering der Wetenschap in den weg behoorde te staan en zij zeide dat de Bevordering der Wetenschap allemaal heel goed en wel was, maar dat een hoop donderpadden op een bovenverdieping háár te machtig was; hij zei dat het in Duitschland een voldongen feit was, dat een man met een idee als het zijne onmiddellijk twintig duizend goed-ingerichte kubieke voet laboratorium tot zijn beschikking zou krijgen, en zij zei dat ze blij was, en altijd blij was [21]geweest, dat ze geen Duitsche was; hij zei dat het hem voor altijd beroemd zou maken en zij zei dat er veel meer kans bestond dat het hem ziek zou maken, als hij een hoop donderpadden op een verdieping als de hunne hield; hij zei dat hij baas in zijn eigen huis was, en zij zei dat zij dan maar liever directrice van een school werd, dan te moeten zorgen voor een hoop enge jonge kikkers; en toen verzocht hij haar niet zulken onzin te praten en zij verzocht hem hetzelfde, en verzocht hem die ideeën over kikkers te laten varen; en hij zei dat ze wel een beetje meer respect voor zijn ideeën kon hebben, en zij zei dat zij dat niet kon of wilde als er zoo’n „luchtje” aan was—en toen—niettegenstaande de klassieke opmerkingen die Huxley over dit punt gemaakt heeft—verloor hij alle geduld en zei een goddeloos woord. Niet zoo heel goddeloos, maar toch plat genoeg. En toen was zij zeer beleedigd en hij moest excuus vragen, en het vooruitzicht het Godenvoedsel ooit op hun verdieping op kikkers te probeeren, verdween geheel in het excuus.

Derhalve moest Bensington er iets anders op zien te vinden om zijn proefnemingen op het gebied van voeding, die noodig zouden zijn om zijn ontdekking te demonstreeren, te kunnen uitvoeren, zoodra hij zijne zelfstandigheid afgezonderd en bereid had. Eenige dagen lang bepeinsde hij de mogelijkheid zijn kikkers bij den een of anderen vertrouwden persoon in den kost te doen en toen richtte het toevallig-zien van de uitdrukking in een courant zijne gedachten op een „Proef-Hoeve.”

En kuikens. Direct toen hij er aan dacht, dacht hij eraan als aan een hoenderfokkerij. Plotseling kreeg hij een visioen van reusachtig-sterk groeiende kuikens. Hij zag voor zich een beeld van rennen, en hokken, [22]hokken die àl grooter en grooter werden, en rennen die in grootte hier gelijken tred mede hielden. Kuikens zijn zoo gemakkelijk te naderen, zoo gemakkelijk te voederen en waar te nemen, zóóveel droger om te hanteeren en te meten, dat kikkers hem voor zijn doel nu erg wilde en onhandelbare beesten toeleken. Hij kon maar niet begrijpen hoe het kwam dat hij niet aan kuikens en wèl aan kikkers gedacht had van het begin af. Onder meer, zou het hem al dat gezeur met nicht Jane bespaard hebben. En toen hij het Redwood voorstelde, was deze het volkomen met hem eens.

Redwood zei overtuigd te zijn dat experimenteele physiologen een grooten misslag begingen met proeven te doen op noodeloos-kleine dieren. Het stond precies gelijk met experimenteeren in de scheikunde met een onvoldoende hoeveelheid materiaal; fouten in opmerking en behandeling worden onevenredig groot. Het was, juist in dezen tijd, van buitengewoon groot gewicht, dat de wetenschappelijke mannen hun recht lieten gelden op groot materiaal. Dat was dan ook de reden waarom hij zijn tegenwoordige experimenten aan het Bond-street College verrichtte op jonge stieren, niettegenstaande zekere mate van ongerief voor de studenten, en professoren die in andere vakken college gaven, door de lichtzinnigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel van deze dieren in de corridors nu en dan. Doch de kromme lijnen, die hij kreeg, waren buitengewoon belangwekkend en zouden, zoo ze uitkwamen, zijn keuze ten volle rechtvaardigen. Wat hemzelf betrof, zoo de wetenschap niet zoo stiefmoederlijk bedeeld ware geweest in dit land, zou hij nooit, als het niet hoefde, experimenteeren op iets kleiners dan een walvisch. Maar een Publiek Vivarium, van voldoende grootte om dit mogelijk te maken, [23]was, vreesde hij, op dit oogenblik in dit land tenminste, een Utopistische eisch. In Duitschland—enz.

Daar Redwood’s jonge stieren zijn dagelijksche zorg vereischten, kwam het kiezen en uitrusten der Proef-Hoeve grootendeels op Bensington neer. Ook werd overeengekomen dat alle kosten zouden bestreden worden door Bensington, tot zij voldoende van buitenaf gesteund werden om het experiment voort te zetten. Derhalve wisselde hij zijn werk in het laboratorium op zijn verdieping af met de jacht naar een pachthoeve langs de spoorweglijnen, die van London naar het zuiden loopen, en zijn glurende bril, zijn vriendelijke kaalhoofdigheid, en zijn opengewerkte linnen schoenen, vervulden de eigenaars van tallooze onverhuurbare eigendommen met ijdele hoop. En hij adverteerde in verscheidene dagbladen en in „de Natuur,” om een verantwoordelijk paar (gehuwd) dat nauwgezet en handig was, en gewoon met hoenders om te gaan, om het algeheele beheer van een Proef-hoeve van een grooten bunder op zich te nemen.

Hij vond de plaats die hij noodig had te Hickleybrow, dicht bij Urshot in Kent. Het was een eigenaardige, afgelegen plek, in een vallei, omzoomd door pijnbosschen, die des avonds donker en ongastvrij waren. Een hooge heuvel sneed het af van den zonsondergang en een grillige put met een uit elkaar hangend afdak deed het gebouw kleiner lijken dan het was. Tegen het kleine huis klommen geen klimplanten op, er waren verscheidene ruiten gebroken, en de wagenschuur wierp zelfs in den middag een donkere schaduw. Het lag op anderhalven mijl van het laatste huis van het dorp en de eenzaamheid ervan werd op twijfelachtige wijze vervroolijkt door een rondwandelende familie van echo’s.

De plaats leek Bensington bijzonder geschikt voor [24]wetenschappelijk onderzoek. Hij liep het erf rond, hokken en rennen teekenend met een zwaaienden arm, en bevond dat de keuken zonder veel verandering te behoeven te ondergaan een aantal broedtoestellen en kunstmoeders kon bergen.

Hij nam de plaats onmiddellijk; en op den terugweg naar Londen stapte hij uit te Dunton Green, en engageerde een geschikt paar dat op zijn advertenties geschreven had, en nog dien zelfden avond slaagde hij erin een voldoende hoeveelheid Herakleophorbia I te isoleeren om deze schikkingen meer dan te rechtvaardigen.

Het geschikte paar, dat onder Bensington de eerste aalmoezeniers op aarde van het Voedsel der Goden zou zijn, was niet alleen zeer merkbaar op jaren, maar ook buitengewoon vuil. Bensington merkte dit laatste niet op, omdat niets het algemeene opmerkingsvermogen zoozeer afstompt als een leven van experimenteele wetenschap. Zij heetten menheer en juffrouw Skinner, en de heer Bensington interviewde hen in een klein vertrek mat hermetisch gesloten vensters, een verweerden spiegel boven den schoorsteenmantel en een paar kwijnende calceolaria’s.

Juffrouw Skinner was een heel klein oud vrouwtje, zonder muts, met vuil-wit haar dat erg plakkerig was weggekamd van een gezicht dat oorspronkelijk al bestond uit, en nu, door het verlies van tanden en kin, en het rimpelen van wat er verder was, eindigde met bijna uitsluitend te zijn—neus. Zij was gekleed in lei-kleurige kleedij (voor zoover haar japon tenminste nog kleur had), die op een plaats gelapt was met een strook rood flanel. Zij liet hem binnen en praatte zeer bedachtzaam tegen hem, en gluurde naar hem om en over haar neus, terwijl ze hem in vertrouwen mededeelde dat Skinner eenige wijziging in zijn toilet aan [25]het aanbrengen was. Zij bezat één tand, die haar uitspraak in den weg stond, en zij hield haar lange gerimpelde handen zenuwachtig saamgeperst. Zij vertelde den heer Bensington dat zij al jaren met hoenders had omgegaan, en alles wist omtrent broedmachines; ja, zij zelven hadden eens een hoenderpark gedreven, en het was eindelijk alléén failliet gegaan door gebrek aan leerlingen.

„Ziet u,” zeide juffrouw Skinner, „de leerlingen, die brenge de cente in.”

Meneer Skinner bleek bij zijne verschijning te zijn een man met een groot breed gezicht, die lispelde en zóó erg scheel zag, dat hij over uw hoofd heenkeek; hij had opengesneden pantoffels aan, die Bensington dadelijk voor hem innamen, en hij zat erg schaars in zijn knoopen. Hij hield met één hand zijn jas en hemd bij elkaar, en trok, met den wijsvinger van de andere, modellen op het zwart-met-goud tafelkleed, terwijl zijn eene oog dat hiernaar niet keek, Bensington’s zwaard van Damocles (om het zoo maar eens uit te drukken), gadesloeg met een eenigszins droevige los-van-de-wereld-zijnde uitdrukking: „U wilt dethe boerderij niet drijven om de winst. Neen, meneer. ’t Komt alleth op ’t zelfde neer, mijnheer. Proeven! Net thoo!”

Hij zeide dat ze dadelijk naar de boerderij konden vertrekken. Hij deed niets te Dunton Green dan een beetje kleermaken. „’t Ith niet zoo’n voordeelige plaatsth als ik dacht, en wat ik daar maak, ith haastht niet de moeite waard,” zeide hij, „thoodat, als ’t u beter thchikt, wij dadelijk...”

En binnen een week waren meneer en juffrouw Skinner op de boerderij geïnstalleerd, en de karwei-timmerman van Hickleybrow wisselde de taak van kippehokken-timmeren en rennen-maken af met een [26]systematisch gesprek over den heer Bensington.

„Ik heb hem nog niet veel gethien,” zeide de heer Skinner. „Maar voorzoover als ik uit hem wijth heb kunnen worden, lijkt hij mij een stomme ouwe dwaath.”

„Ik dacht wel dat er een van z’n vijf op den loop was,” zei de timmerman van Hickleybrow.

„Hij denkt, dat ie wat weet van hoenderth,” zeide de heer Skinner. „Heerem’ntijd! Als je ’m hoorde, zou je denken dat niemand wat van hoenderth wisht dan hij.”

„’IJ ziet er zelf uit as een ’en,” zeide de timmerman van Hickleybrow; „misschien door z’n bril.”

De heer Skinner kwam wat dichter bij den timmerman van Hickleybrow staan, en sprak vertrouwelijk met hem, en het eene treurige oog keek naar het verwijderde dorp, en het andere schitterde en keek kwaadaardig. „Moete èlke dag gemete worde,—iedere kip, thegt ie. Om te thien of the goed groeie. Nou theg,—he? Iedere kip, thowerachtig, iedere dag.”

En de heer Skinner stak zijn hand op om er achter te lachen op een beschaafde, en aanstekelijke manier, en haalde de schouders erg hoog op—en alleen zijn andere oog deelde niet in den lach. Toen, eraan twijfelend of de timmerman het fijne van de zaak wel gesnapt had, herhaalde hij met een doordringend gefluister: „gemète!”

„’IJ is nog erger dan onze ouwe baas; verdompeld as ’t niet waar is,” zei de timmerman van Hickleybrow.

[Inhoud]

II.

Experimenteeren is het langzaamste werk ter wereld; (de rapporten erover in de „Philosophische Verhandelingen” zijn misschien nòg vervelender) en [27]het leek den heer Bensington erg lang toe, vóór zijn eerste droom van enorme mogelijkheden vervangen werd door een kruimpje verwerkelijking. Hij had de Proef-Hoeve in October gekocht, en het was al Mei voor het eerste succès begon te dagen. In dien tijd moesten Herakleophorbia I, II en III geprobeerd worden, en mislukten; er ontstond last met de ratten op de boerderij en óók met de Skinners. De eenige manier om Skinner ertoe te krijgen te doen wat hem gezegd werd, was hem te dreigen met ontslag. Dan placht hij met zijn vlakke hand over zijn ongeschoren kin te wrijven—hij was steeds op de meest wonderbaarlijke manier ongeschoren en toch had hij nooit een baard—en naar den heer Bensington te kijken met één oog, en over hem heen met het andere en te zeggen: „O, natuurlijk, meneer—als ’t u ernst ith...!”

Doch eindelijk brak de dageraad aan. En zijn heraut was een brief in het lange spichtige handschrift van den heer Skinner.

„Het nieuwe Broeisel is uit,” schreef de heer Skinner, „en ik kan niet zeggen dat ze me bijzonder bevallen. Groeien erg spichtig op—heelemaal niet zooals dat andere toom was, vóór u uw laatste orders gaf. De anderen, vóór de kat ze te pakke kreeg, waren flinke, tierige kuikens, maar deze groeie als distels. Nooit zoo iets gezien. Ze pikken zóó hard, dat ik onmogelijk de juiste maat van ze kan geven. ’t Zijn ware Reuzen en eten net zooveel. We zulle heel gauw weer graan noodig hebbe want nooit heb je kuikens zóó zien ete’. Grooter dan Bantams. Als ze zoo dóor gaan, zullen ze, al zijn ze ook spichtig, gauw groot genoeg zijn voor een tentoonstelling. Plymouth Rocks zijn er niks bij. Gisteren avond ben ik erg geschrokken, omdat ik dacht dat de kat achter ze zat, en toen ik uit het raam keek zou ik er op hebben [28]kunnen zweren dat ik ’em onder het ijzerdraad door in het hok zag kruipen. De kuikens waren allemaal wakker, maar ik kon geen kat ontdekken. Daarom gaf ik ze maar wat koren, en sloot alles goed toe. Wees zoo goed me te melden of ik met het voer moet doorgaan zooals u gezegd heb. Het voeder dat u mengde is bijna allemaal op en ikzelf meng liever niets meer, na het ongeluk met de pudding. Met onze vriendelijke groeten, en ons in uwe gunst aanbevelend verblijf ik,

Hoogachtend,

Alfred Newton Skinner.

De toespeling aan het einde sloeg op een melkpudding waar op de een of andere onverklaarbare wijze wat Herakleophorbia II in geraakt was, met pijnlijken en bijna noodlottigen afloop voor de Skinners.

Doch de heer Bensington, die tusschen de regels doorlas, zag in den weligen groei de bereiking van zijn lang gezocht doel. Den volgenden morgen stapte hij uit te Urshot en in de tasch in zijn hand droeg hij, goed verzegeld, in drie bussen, een voorraad Voedsel der Goden, voldoende voor alle kuikens in Kent.

Het was een heldere, mooie morgen, laat in Mei en zijne likdoorns waren zooveel beter, dat hij besloot door Hickleybrow naar zijn boerderij te wandelen. Het was goed drie en een halve mijl, door het park en het dorp, en dan langs de valleien van de Hickleybrowsche afgesloten jachtgronden. De boomen waren allen als met een waas van groene loovertjes bedekt, de heggen waren vol kamille en paaschbloemen, en de bosschen vol blauwe hyacinthen en roode orchideeën; en overal was gerucht van vogels, grijze lijsters, merels, roodborstjes, vinken en vele andere soorten en in een warmer hoekje van het park ontvouwde zich wat [29]brem, en renden en sprongen vaalroode herten rond.

Deze dingen deden Bensington terugdenken aan het vroegere en nu vergeten genot dat hij in het leven vond; voor zijne oogen werd de belofte zijner ontdekking levend en vreugdevol, en het scheen hem werkelijk toe dat hij den gelukkigsten dag zijns levens bereikt had. En toen hij in den door de zon verlichten ren bij het zandheuveltje onder de schaduw der pijnboomen de kuikens zag die van het voedsel dat hij voor hen gemengd had, hadden gegeten, reusachtig en onbeholpen, nù al grooter dan menige kip die getrouwd en gezet is, en nog steeds groeiend, nog in hun eersten zachten gelen dos (licht getint met bruin over den rug), toen begreep hij ten volle dat zijn gelukkigste dag was aangebroken.

Op aandrang van meneer Skinner ging hij den ren binnen, doch nadat hij een of tweemaal door de spleten in zijn schoenen gepikt was, kwam hij er maar weer uit, en sloeg deze monsters gade door het traliewerk. Hij bracht het hoofd heel dicht erbij, en volgde al hunne bewegingen, alsof hij nooit tevoren een kuiken gezien had.

„Je kunt er haath niet inkomme hoe ze d’er zulle uitzien as ze volwasse benne,” zei de heer Skinner.

„Groot als een paard,” zei de heer Bensington.

„Thal niet veel thchelen,” zei Skinner.

„Verscheiden menschen zouden hun maal kunnen doen van één vleugel!” zeide de heer Bensington. „Zij zouden aan stukken te snijden zijn als rundvleesch.”

„The thullen anderth wel niet doorgaan met tho hard te groeien,” zeide Skinner.

„Niet?” zei de heer Bensington.

„Nee,” zei de heer Skinner. „Ik ken dit thoort. Thij beginne geil, maar the thcheijen er gauw mee uit!”

Er volgde een oogenblik stilte. [30]

„’t Ith nikth anderth dan de behandeling, die ’t em doet,” zeide de heer Skinner bescheiden.

De heer Bensington wendde plotseling zijn bril naar hem toe.

„We fokten ze haatht net tho groot op onthe eigen sthtee,” zeide meneer Skinner, zijn goede oog vroom ten hemel slaand, en een beetje loskomend; „ik en m’n vrouw.”

Bensington deed zijne gewone ronde over het erf, doch keerde spoedig naar den ren terug. Het was werkelijk meer dan hij had durven hopen. De gang der wetenschap is zoo kronkelig en zoo langzaam; na de duidelijke beloften en vóór de verwerkelijking komt, zijn dikwijls jaren en jaren van ingewikkeld gescharrel noodig en hier—hier droeg het Voedsel der Goden reeds vrucht na weinig meer dan één proefjaar! Het leek hem alles tè mooi—tè mooi. De uitgestelde verwachting die het dagelijksch voedsel is der wetenschappelijke verbeelding, zou nu niet langer zijn deel zijn!

Zoo leek het hem tenminste toèn. Hij kwam telkens weder naar den ren en staarde verbaasd naar zijn wondere kuikens.

„Laat ik eens kijken,” zeide hij. „Ze zijn nu tien dagen oud. En ik zou denken dat ze, vergeleken bij een gewoon kuiken, ongeveer zes of zeven maal zoo groot zijn...”

„’t Wordt tijd dat we opthlag van loon vrage,” zeide Skinner tot zijne vrouw. „Hij ith tho lekker ath wat, dat we die kuikes in de tweede ren tho ver gekrege hebbe,—zoo lekker ath wat.”

Hij boog zich vertrouwelijk naar haar over.

„’IJ denkt dat ’t dat goedje van ’em ith,” zeide hij achter zijn hand, en deed een onderdrukt gelach hooren in zijn keelholte... [31]

De heer Bensington was wèl een gelukkig man dien dag. Hij was niet in de stemming om te vallen over kleinigheden in het beheer. Het heldere daglicht deed weliswaar de groeiende slordigheid en vuilheid der Skinners duidelijker dan ooit zien, doch zijn aanmerkingen waren zeer zacht. De schotten van verscheidene hokken waren in staat van verval, doch hij scheen den uitleg van Skinner zeer geldig te vinden, toen deze hem in vertrouwen mededeelde, „dat ’t ’n hond of een foth of ietsth dergelijkth wath dat ’t dee.”

Bensington wees hem er op, dat de broedmachine niet schoongemaakt was.

„Dat is ie ook niet, meneer,” zei juffrouw Skinner met over elkaar geslagen armen, en zedig glimlachend achter haar neus. „’t Is as of we geen tijd gehad hebbe, om ’em schoon te make sints we hier zijn...”

Hij ging naar boven om naar de rattenholen te zien, waarvoor Skinner een val wilde hebben—zeer zeker waren ze enorm groot—en ontdekte dat het vertrek, waarin het Voedsel der Goden vermengd werd met meel en zemelen, in schandelijke wanorde verkeerde. De Skinners behoorden tot het slag van lieden, die gebarsten schotels, oude bussen, en flesschen van ingemaakte augurken en mosterdpotjes nog wel ergens voor weten te gebruiken, en het vertrek was er mee bezaaid. In een hoek lag een groote hoop appels, die Skinner bijeengegaard had, te rotten en aan een spijker aan het afloopend gedeelte der zoldering hingen verscheidene konijnenvellen, waarop hij zijne vaardigheid als bontwerker wilde beproeven. („The kunne mìjn niet veel meer leere van bont en tho,” zeide Skinner).

De heer Bensington haalde weliswaar critisch den neus op voor deze wanorde, doch hij maakte geen [32]noodeloos kabaal, en zelfs toen hij een wesp zich vond te goed doen in een medicijnpot, half vol Herakleophorbia IV, merkte hij eenvoudig kalm op, dat ze zijn substantie liever moesten afsluiten voor de vocht, dan het zóó aan de lucht bloot te stellen.

En hij wendde zich af, om op te merken, wat hem al eenigen tijd in het hoofd gezeten had: „ik geloof, Skinner—dat ik maar een van de kuikens zal slachten,—eenvoudig om een exemplaar te hebben. Ik denk dat we ’t vanmiddag nog kunnen slachten, dan neem ik ’t mee naar Londen.”

Hij deed alsof hij in een anderen medicijnpot keek en nam toen zijn bril af om die schoon te wrijven.

„Ik zou graag,” zeide hij, „ik zou erg graag een reliquie—een aandenken juist van dìt broedsel en speciaal op dèzen dag—hebben.”

„Tusschen twee haakjes,” zei hij, „je geeft die kuikens toch geen vleesch?”

„O, nee, meneer,” zei Skinner, „dàt kan ik je verthekere, meneer, dat we nog tè veel afwete van hoenderthfokke, van welken aard dan ook, om thóó ietsth te doen.”

„Dus je weet zeker dat je geen restantjes van je middageten werpt in—ik meende de beenderen van een konijn te zien liggen in den versten hoek van de ren—”

Doch toen zij ze eens bekeken, bevonden zij dat het de grootere beenderen van een kat waren, erg goed schoongepikt, en al erg droog.

[Inhoud]

III.

„Dàt is geen kuiken,” zei Bensington’s nicht Jane. „Denk je dat ik geen kuiken ken,” zei Bensington’s nicht Jane heftig. „’t Is véél te groot voor een kuiken, [33]en bovendien, je kunt héél goed zien, dat ’t geen kuiken is. Het lijkt meer op een trapgans dan op een kuiken.”

„Ik moet zeggen,” zei Redwood, aarzelend, Bensington noode toestaand hem in het dispuut te betrekken, „ik moet bekennen, dat, de bewijzen in aanmerking genomen—”

„O, als u dát doet,” zei nicht Jane, „in plaats van uw oogen te gebruiken als een verstandig man—”

„Nee maar, heusch, juffrouw Bensington—!”

„Och, loop heen!” zei nicht Jane. „Jullie mannen zijn allemaal ’t zelfde.”

„De bewijzen in aanmerking nemend, valt dit dier toch zeker onder dit soort—ongetwijfeld is het abnormaal, en overvoed, maar tòch—vooral daar het gekomen is uit het ei van een normale kip—geloof ik toch, juffrouw Bensington, te moeten toegeven, dat dit, voor zoover men het ièts kon noemen, een kuiken is.”

„Dus u denkt dat dit een kuiken is?” zei nicht Jane.

„Ik gelóóf dat dit een kuiken is,” zei de heer Redwood.

„Wat een onzin!” zei Bensington’s nicht Jane, en „och,” (dit gericht tegen Redwood’s hoofd) „jullie met je onzin,” en toen keerde zij zich plotseling om, ging de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht.

„En ’t is een heele opluchting, ook voor mij, het te zien, Bensington,” zei Redwood, toen de nagalm van het dichtslaan der deur weggestorven was. „Al moet ik zeggen dat ’t erg groot is.”

Zonder dat Bensington hem hiertoe behoefde uit te nooden, ging hij in den lagen leunstoel bij het vuur zitten en bekende dingen bedreven te hebben, die zelfs voor een leek ongepast zouden zijn geweest. [34]

„Je zult het wel wat overhaast van me vinden, Bensington,” zei hij, „maar de quaestie is, dat ik een klein beetje—niet erg veel—maar toch, een beetje—in de flesch van baby gedaan heb, nu zoowat een week geleden!”

„Maar als nu—!” riep Bensington uit.

„Jawel, dat weet ik,” zeide Redwood, en keek naar het reuzenkuiken op den schotel op tafel.

„’t Is gelukkig goed afgeloopen,” en hij zocht in zijn zak naar zijne cigaretten.

Bij stukjes en beetjes gaf hij de bijzonderheden:

„Arme kleine kerel, kwam maar niet vooruit in gewicht... vreeselijk ongerust. Winkles, een vent van niks... vroegere leerling van me... deê niks... m’n vrouw, onbeperkt vertrouwen in Winkles... Je weet wel, een man met een optreden als een rots... overdonderend... Niets geen vertrouwen in mìj, natuurlijk... Gaf Winkles les... mocht nauwelijks in de kinderkamer komen... moest toch ìets gedaan worden... sloop naar binnen toen de zuster zat te ontbijten... en kreeg de flesch in handen.”

„Maar dan zal het aan ’t groeien gaan,” zei de heer Bensington.

„Het gróéit al. Zevenentwintig ons verleden week... Nu moet je Winkles ’es hooren. „Ligt alleen aan de behandeling,” zei hij.

„Wel allemachtig! precies ’t zelfde zei Skinner!”

Redwood keek nog eens naar het kuiken. „’t Moeilijke van de zaak is, om het aan den gang te houden. Ze vertrouwen mij niet meer alleen in de kinderkamer, omdat ik probeerde een groei-lijn van Georgina Phyllis te krijgen—en hoe moet ik em nu een tweede dosis geven—”

Is ’t noodig?”

„Hij schreit al twee dagen—hoe dan ook, met [35]zijn gewone voedsel kàn hij niet doorgaan. Moet nu méér hebben.”

„Zeg ’t aan Winkles.”

„Winkles kan naar den duivel loopen!” zei Redwood.

„Je kondt Winkles in den arm nemen, en hem poeders geven om aan het kind te geven—”

„Ja, daar zal wel niets anders op zitten,” zeide Redwood, zijn kin op zijn vuist latend rusten en in het vuur kijkend.

Bensington stond een oogenblik het dons op de borst van het kuiken glad te strijken. „’t Zullen reusachtig groote hoenders worden,” zei hij.

„Dàt zullen ze,” zei Redwood nog steeds in den gloed starend.

„Zoo groot als paarden,” zei Bensington.

„Gróóter,” zei Redwood. „Wat ik je zeg, hoor!”

Bensington wendde zich van het exemplaar af.

„Redwood,” zei hij, „deze hoenders zullen fureur maken.”

Redwood knikte tegen het vuur.

„En waarachtig!” zei Bensington plotseling naderbij tredend met schitterende brilleglazen, „je kleine jongen óók!”

„Daar denk ik net aan,” zei Redwood.

Hij liet zich achterover in zijn stoel vallen, zuchtte, wierp de nog-niet-opgerookte cigarette in het vuur, en stak zijn handen diep in zijne broekzakken. „Daar dacht ik juist over. Dit Herakleophorbia zal raar goedje worden om mee om te gaan. Denk toch es hoe hard dat kuiken gegroeid moet zijn—”

„Een kleine jongen, die zóó hard groeit,” zei de heer Bensington langzaam, en keek naar het kuiken terwijl hij het zeide.

„Zeg!” zei Bensington, „wat een kerel zal dàt worden.” [36]

„Ik zal hem steeds kleiner wordende doses geven,” zei Redwood. „Of liever gezegd, Winkles zal dit doen.”

„’t Experiment is tè sterk.”

„Jawel.”

„Maar toch, weet je, moet ik zeggen—...Te een of andere tijd zal de een of andere baby ’t tòch moeten slikken.”

„O, zeker, we zullen er beslist proeven mee nemen op de een of andere baby.—”

„Precies,” zei Bensington, kwam op het haardkleed staan en zette zijn bril af om hem schoon te maken.

„Ik geloof niet, Redwood, dat, vóór ik deze kuikens zag, ik begòn te beseffen—ook maar iets—van de mogelijkheid die er lag in wat wij gemaakt hadden. En zelfs nu begint het pas tot mij door te dringen... de mogelijke gevolgen...”

En zelfs op dat oogenblik had Bensington nog geen vaag besef van de mijn, die dat lontje zou doen springen.

[Inhoud]

IV.

Dit gebeurde in het begin van Juni. Gedurende een paar weken was Bensington verhinderd de Proef-Hoeve te bezoeken door een ernstige, doch zuiver denkbeeldige catarrh, en Redwood bracht er slechts een noodzakelijk overhaast bezoek aan. Hij kwam terug, als vader nog bezorgder kijkend dan vóór hij ging. Alles bij elkaar genomen, was het nu zeven weken dat de groei staag en ononderbroken voortging...

En toen begonnen de wespen hun loopbaan.

Het was achter in Juni, en bijna een week vóór de kippen uit Hickleybrow ontsnapten, dat de eerste der groote wespen gedood werd. Het bericht ervan verscheen [37]in verscheidene bladen, maar ik weet niet of het nieuws den heer Bensington bereikte, en nog veel minder of hij het in verband bracht met het gebrek aan orde dat in alles op de Proef-Hoeve heerschte.

Er bestaat nu niet meer den geringsten twijfel aan, dat, terwijl de heer Skinner de kuikens van den heer Bensington opfokte met Herakleophorbia IV, een aantal wespen èven werkzaam—en misschien nòg werkzamer—bezig waren hoeveelheden van hetzelfde deeg te vervoeren naar hun vroege zomer-broedsels op de heuvelen achter de naburige pijnbosschen. En het is boven allen twijfel verheven, dat deze vroege broedsels precies evenveel baat vonden bij deze substantie als de kippen van den heer Bensington. Een wesp bereikt uitteraard vroeger den rijpen leeftijd dan een kip—en inderdaad waren van al de wezens die—door de gulle achteloosheid der Skinners—deelden in de geneugten waarmede de heer Bensington zijne kippen overlaadde—de wespen de eersten, die in de wereld op den voorgrond begonnen te treden.

Het was een boschwachter, Godfrey genaamd, op het buiten van luitenant-kolonel Rupert Hick, bij Maidstone, die het eerste dezer monsters ontmoette en het geluk had het te dooden. Hij liep tot aan zijne knieën in de brem, dwars over een open veld in de beukenbosschen, die verscheidenheid brengen in het park van luitenant-kolonel Hick, en hij droeg zijn geweer—gelukkig voor hem een dubbelloops—over zijn schouder, toen hij het ding het eerst in het oog kreeg. Het kwam, zegt hij, met het licht mee, zoodat hij het niet duidelijk kon zien, en terwijl het op hem afkwam, liet het een gesnor hooren „als een automobiel.” Hij geeft toe dat hij bang werd. Het was blijkbaar zoo groot als, of nog grooter dan een kerkuil, en voor zijn geoefend oog moet de vlucht en in het bijzonder het [38]nevelige gedwarrel der vleugels iets onheilspellend on-vogelachtigs geleken hebben. Bij het instinct van zelfverdediging, stel ik mij voor, kwam langdurige gewoonte, toen, zooals hij zegt, hij „het schot er aftrok.”

Het vreemde van het geval had waarschijnlijk invloed op zijn mikken; het grootste gedeelte van zijn schot hagel miste tenminste, en het ding viel slechts een oogenblik neer met een nijdig „Wzzzz,” dat het onmiddellijk kenmerkte als een wesp. Toen vloog het weder op, terwijl alle strepen tegen het licht glansden. Hij zegt dat het op hem af kwam. Hoe dan ook, hij ledigde zijn tweeden loop op nog geen twintig pas, en wierp zijn geweer weg, liep een paar pas ver weg, en bukte zich toen om het uit den weg te gaan.

Hij is er zeker van dat het hem op nog geen meter afstands voorbijsnorde, tegen den grond sloeg, weder opvloog, nogmaals neerviel, op misschien dertig meter afstand, en toen op zij rolde, met een zich krommend lichaam, terwijl de angel om zich heen stiet, in en uit, in zijn laatsten doodstrijd. Hij schoot er beide loopen nogmaals op af, vóor hij er zich dichtbij waagde.

Toen hij aan het meten ging, bevond hij dat het een vlucht van zevenentwintig en een halven duim had, en de angel was drie duim lang. De buik was hem schoon van het lijf weggeschoten, maar hij schatte de lengte van het ding van kop tot angel op achttien duim—wat ongeveer uitkomt. Zijn facetten-oogen waren zoo groot als guldens.

Dat is de eerste authentieke verschijning van deze reuzen-wespen. Den dag daarna scheelde het heel weinig of een fietsrijder, die met opgetrokken beenen den heuvel tusschen Sevenoaks en Tonbridge kwam afdalen, reed over een tweede dezer reuzen, die dwars [39]over den weg kroop. Zijn voorbijkomen scheen het dier te verschrikken, en het vloog òp met een gedruisch als een zaagmolen. Zijn fiets hotste over den weg in de ontroering van het oogenblik, en toen hij in staat was òm te kijken, zweefde de wesp heen, hoog over de bosschen, in de richting van Westerham.

Na een tijdje onvast voortgereden te hebben, remde hij, stapte af—hij beefde zoo hevig, dat hij over zijn fiets viel terwijl hij het deed—en ging aan den kant van den weg zitten om bij te komen. Hij was van plan geweest naar Ashford te trappen, doch kwam niet verder dan Tonbridge dien dag...

Merkwaardig genoeg zijn er de eerstvolgende drie dagen geen berichten van groote wespen, die gezien werden. De weerberichten van die dagen raadplegend, bevind ik dat de lucht bedekt was, en het door plaatselijke buien te koud was om veel uit te vliegen, wat misschien deze tusschenruimte verklaart. Op den vierden dag was de hemel weder blauw, en scheen de zon prachtig en braken er zooveel wespen los, als de wereld voorzeker te voren nooit gezien had.

Het is onmogelijk te raden hoeveel groote wespen er dien dag te voorschijn kwamen. Er zijn minstens vijftig gevallen van hunne verschijning vermeld. Er viel één slachtoffer, een kruidenier, die een van deze monsters in een suikervat ontdekte en het onbezonnen aanviel met een spa, toen het opvloog. Hij sloeg het neêr voor een oogenblik, en het stak hem door zijn laars toen hij het een tweeden slag toebracht, en het lichaam van het dier in tweeën sneed. Hij was het eerste van hun tweeën dood...

De meest dramatische van die vijftig verschijningen was wel die van de wesp die het Britsch Museum bezocht, tegen den middag, en die uit het blauwe luchtruim neerschoot op een der tallooze duiven die [40]op het plein vóór dat gebouw gevoederd worden, en ermee naar de kroonlijst vloog om zijn slachtoffer op zijn gemak te verslinden. Daarna kroop zij een tijdlang over het dak van het museum, kwam door een vallicht den koepel der leeszaal binnen, gonsde hier eenigen tijd in rond—er ontstond een paniek onder de lezers—vond eindelijk een raam en verdween plotseling in stilte weder uit de menschelijke waarnemingssfeer.

Het meerendeel der andere berichten behelsde niets anders dan dat ze langs, of neergekomen waren. Een picnic werd te Aldington Heuvel uiteengejaagd en alle lekkernijen en de jam verorberd, en een jonge hond werd gedood en aan stukken gescheurd dicht bij Whitstable, voor de oogen van zijn meesteres...

De straten weerklonken dien avond van den roep over de wespen, de plakkaten der nieuwsbladen wijdden zich in de vetste letters uitsluitend aan de „Reusachtige Wespen in Kent!” Opgewonden hoofdredacteurs en redacteuren holden wenteltrappen op en af en brulden allerlei over „wespen.” En Professor Redwood, die uit zijn college in Bondstreet kwam, opgewonden door een warm dispuut met zijn comité over den prijs van jonge stieren, kocht een avondblad, opende het, verschoot van kleur, dacht geen oogenblik langer aan zijn jonge stieren en zijn comité, en reed zoo hard het paard maar loopen wilde in een bakje naar Bensington’s kamers.

[Inhoud]

V.

De verdieping werd in beslag genomen, leek het hem toe—met buitensluiting van alle andere voelende dingen—door meneer Skinner en zijn stem, zoo ge [41]tenminste een van beiden een voelend iets kunt noemen!

De stem was héél hoog, baggerend in de angsttonen.

„We kunne onmogelijk blijve, meneer, we thijn d’r gebleve in de hoop dat ’t beter thou worden, en ’t wordt hoe langer hoe erger, meneer. ’t Thijn niet alleen de wethpen, meneer—d’r thijn groote oorwormen, meneer, thóó groot, meneer.” (Hij stak zijn geheele hand en nog ongeveer drie duim vette, smerige pols uit). „M’n vrouw krijgt er haatht een beroerte van angtht van, meneer. En de brandnetelth bij de kippenloopen, meneer, diè groeie ook al, meneer, en het kanariekruid, meneer, dat we bij de thinkput thaaiden, meneer—dat sthak z’n ranke door het raam ’th nachts, meneer, en greep m’n vrouw bijna bij d’r beene, meneer. Dat komt door dat voeder van u, meneer. Overal waar we wat gemortht hebbe, meneer, ith alles wèliger an ’t groeie gegaan, meneer, dan ik dacht dat mogelijk wath. ’t Ith onmogelijk, meneer, om nog ’n maand te blijve, meneer. We thoue d’r niet levend van daan komme, meneer. Al stheke de wespen onth niet, dan thulle we gethmoord worde door de thlingerplant, meneer. Je kunt je d’r geen denkbeeld van make, meneer—alth je thelf niet komt kijke, meneer—”

Hij richtte zijn verheven oog naar de kroonlijst boven Redwood’s hoofd. „Wie thal thegge, meneer, of de ratte ’t ook al niet te pakke hebbe, meneer! En daar ben ik ’t bangthste voor, meneer. Tot nog toe heb ik geen groote rat gethien, meneer, maar wie thal ’t thegge, meneer? We thijn dage lang in de war geweetht van thchrik toen we die oorwurme thage—alth kreefte, meneer—twee, meneer—en dan dat kanariekruid; en tho gauw toen ik de wethpen hoorde, meneer, thnapte ik ’t. Ik wachtte geen oogenblik [42]langer, dan om ’n knoop antethette die ’k verlore had, en toen ben ik maar gauw hierheengekomme. En nou ben ik half buite methelf van angst over m’n vrouw, meneer. Dat kanariekruid kruipt over de heele plaatth alth een thlang, meneer—terwijl je d’r naar kijk, meneer! en dan die oorwurme, die hoe langer hoe grooter worde, en de wepthe—ze heeft thelfths geen thakjethblauw1, meneer,—alth d’r wat overkwam, meneer!”

„Maar de kippen,” zeide de heer Bensington; „hoe gaat het met de kippen?”

„We hebbe the tot githtere gevoederd, ’t ith waar,” zei de heer Skinner, „maar vanmorge dòrthte’ we niet meer, meneer. ’t Lawaai dat de wethpe’ maakte’—vreethelijk, meneer. The vloge net uit—dothijne. Tho groot ath kippe. Ik theg tege d’r „naai me eve ’n paar knoope’ aan,” theg ik, „want ik kon toch thò niet naar Londen,” theg ik, „en dan ga ik naar meneer Benthington,” zeg ik, „om ’em alleth te vertelle. En jij blijf in dethe kamer tot ik terugkom,” theg ik, „en hou de rame’ tho dicht alth je maar kan,” theg ik.”

„Als jelui niet zoo vervloekt slordig waart geweest”—begon Redwood.

„O, theg dàt niet, meneer!” zeide Skinner. „Noù niet meneer, nou dat ik tho in angthst thit over m’n vrouw, meneer! Athjeblìéft, meneer. Ik kan nou nikth tegenthegge. Waarachtig, meneer, ’t gaat niet! Ik moet al maar an die ratte denke—wie weet of the m’n vrouw al niet beet hebbe, terwijl ik hier ben?”

„En heb je dan niet één enkele opmeting van al die heerlijke groei-lijnen!” zeide Redwood. [43]

„’k Ben te veel in de war geweetht, meneer,” zeide meneer Skinner. „Alth je witht, wat wij doorgethtaan hebbe—ik en m’n vrouw. We withte niet wat er van te denke, meneer. Doordat die kippe tho groeiden, en de oorwurme, en het kanarie-kruid...”

„Ja, ja, dat heb je nou allemaal al verteld,” zeide Redwood. „Maar wat moeten we aanvangen, Bensington?”

„Wát moeten wij aanvange?” vroeg meneer Skinner.

„Jij zult natuurlijk terug moeten naar je vrouw,” zeide Redwood. „Je kunt haar daar niet alleen laten den geheelen nacht.”

„Maar alléén ga ’k nièt, meneer, al ware d’r ’n dothijn juffrouwen Thkinner. ’t Ith meneer Benthington —”

„Onzin,” zeide Redwood, „’s Avonds zijn d’r geen wespen, en de oorwurmen gaan je wel uit den weg—”

„Maar de ratten dan?”

„Er zìjn geen ratten,” zeide Redwood.

[Inhoud]

VI.

De heer Skinner had zich zijn voornaamste punt van bezorgdheid kunnen besparen. Juffrouw Skinner bleef zelfs niet tot den avond.

Tegen elf uur begon het kanariekruid, dat den geheelen morgen ijverig werkzaam geweest was, over het raam heen te klimmen, en dit sterk te verduisteren, en hoe donkerder het werd, hoe duidelijker het juffrouw Skinner werd, dat haar toestand heel spoedig onhoudbaar zou zijn. En ook, dat ’t was alsof zij eeuwen doorleefd had sedert Skinner heenging. Zij gluurde een tijdje uit het duister wordende raam, door de steeds verder reikende ranken, ging toen zeer behoedzaam de slaapkamerdeur open doen en luisterde... [44]Alles scheen rustig, en aldus haar rokken bij elkaar houdend, holde zij de slaapkamer binnen en nadat zij eerst onder het bed had gekeken en de deur op slot gedraaid had, begon zij met de stelselmatige vlugheid van een vrouw van ondervinding aan het pakken om te vertrekken. Het bed was nog niet opgemaakt en de vloer der kamer was bezaaid met stukken der kruipplant die Skinner den vorigen avond afgehàkt had om het venster te kunnen sluiten, doch aan deze wanorde stoorde zij zich niet. Zij pakte alles in een fatsoenlijk laken. Zij pakte haar geheele eigen garderobe in en een velveteen jas die Skinner droeg als hij er eens héél netjes wou uitzien, en zij pakte een pot augurken in, die nog niet aangebroken was, en tot zoover was haar pakken volkomen in orde. Doch zij pakte ook in twéé van de hermetisch-gesloten bussen met Herakleophorbia IV, die de heer Bensington bij zijn laatste bezoek had medegebracht. (Zij was wel eerlijk, ’t goeie mensch,—maar zij was toch ook grootmoeder en haar hart bloedde als zij zulk een heerlijk groeimiddel zag verspillen op een troep van die verwenschte kuikens.)

En toen ze al deze dingen ingepakt had, zette zij haar hoed op, deed haar schort af, bond een nieuwen schoenveter om haar parapluie en na langen tijd aan de deur en het venster geluisterd te hebben, opende zij de deur en trad naar buiten om de gevaarlijke buitenwereld in te gaan. Zij hield de parapluie onder den arm en zij omklemde het pak met twee beenige handen, die niet los zouden laten. Het was haar beste zondagsche hoed en de twee klaprozen die hunne hoofden opstaken midden uit de pracht van lint en kraal, schenen bezield met denzelfden huiverigen moed, die haarzelf vervulde.

De lijnen om haar neuswortel trokken rimpels van [45]vastberadenheid. Nu had zij er genoeg van! Heelemaal alleen daar te zitten! Als Skinner zin had kon die daar terugkomen, maar zij moest er niks meer van hebben.

Zij ging de vóórdeur uit, niet omdat zij naar Hickleybrow wilde gaan (haar doel was Cheasing Eyebright, waar haar getrouwde dochter woonde), maar omdat zij door de achterdeur er niet meer uit kon door de slingerplant, die zoo woest aan het groeien gegaan was, nadat zij de bus met voeder dicht bij de wortels bij ongeluk omgegooid had. Zij luisterde een poosje, en sloot de voordeur zeer behoedzaam achter zich dicht.

Bij den hoek van het huis bleef zij staan en nam poolshoogte.

Een lang litteeken van zand op de helling van den heuvel achter het pijnbosch, duidde op de nabijheid van het Reuzen-wespen-nest, en dit litteeken sloeg zij aandachtig gade. Het uitvliegen en terugkomen van ’s morgens was gedaan, toevallig was er geen enkele wesp in het zicht, en behalve een geluid dat weinig meer hoorbaar was dan een stoom-houtzaag in volle werking tusschen de denneboomen zoude geweest zijn, was alles stil. Wat de oorwormen aangaat, zij zag er geen enkele. Weliswaar zag ze onder in de kool iets bewegen, doch dat kon evengoed een kat zijn die op vogels loerde. Zij keek hier een tijdje naar. Zij verwijderde zich enkele schreden van den hoek, kreeg den ren met de reuzen-kuikens in het zicht en bleef weder staan. „Ach!” zeide zij, en schudde langzaam het hoofd toen zij ze zag. Zij waren nù ongeveer zoo groot als een casuaris, doch natuurlijk veel breeder van lijf—heelemaal veel grooter. Het waren allen hennen, vijf stuks, nu dat de twee jonge hanen elkaar gedood hadden. Ze aarzelde een oogenblik toen zij ze in zulke neerslachtige houdingen zag staan. „Arme [46]sukkels!” zeide zij, en legde haar pak neer; „ze ’ebbe’ geen water. En ze ’ebbe in vierentwintig uur geen ete’ gehad! En dan met zoo’n eetlust!” Zij bracht een magere vinger aan hare lippen en ging met zichzelve te rade.

En toen deed deze slordige vrouw wat mij tenminste werkelijk een heldhaftige, barmhartige daad toelijkt. Zij liet haar buidel en parapluie midden op het klinkerpad liggen, ging naar den put en putte niet minder dan drie emmers water voor den ledigen drinkbak der kuikens, en toen, terwijl zij zich daar allemaal om verdrongen, deed zij stilletjes de deur van den ren open. Daarna werd zij bijzonder actief, nam haar pak weder op, klom over de heg achter in den tuin, stak dwars de welige weiden (om het wespennest te vermijden) over en beklom moeizaam het kronkelende pad naar Cheasing Eyebright.

Al hijgend ging het tegen den heuvel op, en onder het gaan bleef zij telkens even staan, om uit te rusten, op adem te komen en nog eens om te kijken naar het kleine huis naast het pijnbosch daar beneden. En toen zij eindelijk bijna den top van den heuvel bereikt had, zag zij in de verte drie wespen van elkaar verwijderd vliegen, en log naar het westen afdalen, en dat maakte haar beenen een boel vlugger.

Zij had nu weldra het open terrein achter zich gelaten, en kwam aan de met hooge bermen afgezette laan (die haar een veiliger plaats toeleek) en zoo over Hickleybrow Coombe naar de heuvels. En daar aan den voet der heuvels, waar een dikke boom haar een schuilplaats aanbood, rustte zij een oogenblik uit op een hek.

Toen weder vastberaden voorwaarts...

Gij ziet haar al, hoop ik, met haar witten bundel, zelf een soort van op-de-achterste-pooten-loopende [47]mier, zich voortreppend langs het kleine witte pad-lint dwars over de hellingen der heuvels, in de felle zon van den zomernamiddag. Zij sukkelde voort, haar vastberaden, onvermoeibaren neus achterna, en de papavers op haar hoed trilden zonder ophouden, en haar elastieken schoenen werden al witter en witter door het mulle zand. Flip-flap, flip-flap petterden haar schoenen door de stille hitte van den dag, en voortdurend trachtte haar parapluie ondeugend weg te glijden van onder den elleboog die ’m vasthield. De mond-rimpel onder haar neus was nu saamgetrokken tot de uiterste vastberadenheid, en telkens beval zij haar parapluie weder naar boven te komen of gaf een nijdigen ruk aan haar bundel. En soms mompelden hare lippen gedeelten van een wel-te-wachten twistgesprek tusschen haarzelf en Skinner.

En, mijlen ver weg, groeiden een torenspits en een bosch ongemerkt op uit het ijle blauw, zoodat het vreedzame uithoekje waar Cheasing Eyebright veilig verborgen lag voor het gedruisch der wereld, steeds duidelijker zichtbaar werd, zich zeer weinig bekommerend om het Herakleophorbia dat verborgen lag in dien witten bundel, die zoo volhardend op de kalme rust van het plaatsje toesukkelde.

[Inhoud]

VII.

Zoover als ik kan nagaan, kwamen de kuikens in Hickleybrow ’s middags tegen drie uur. Hun komst schijnt heel wat levendigheid meegebracht te hebben, hoewel er toevallig niemand op straat was om ze te zien aankomen. Het geweldige gekrijsch van den kleinen Skelmersdale schijnt de eerste aanduiding te zijn geweest dat er iets niet in den haak was. Juffrouw [48]Durgon van het postkantoor stond als gewoonlijk voor het raam, en zag de kip, die het ongelukkige kind beetgepakt had, met groote passen de straat afrennen met haar slachtoffer, dicht op de hielen gezeten door twee anderen. Ge kent wel die waggelende groote passen van het geïmproviseerde athletische kuiken van heden ten dage! Gij kent wel het vinnige vasthouden van de hongerige kip! Er zat bloed van Plymouth Rocks in deze kippen, heb ik hooren zeggen, en zelfs zonder Herakleophorbia, is dit een mager, hardloopend ras.

Het is mogelijk dat juffrouw Durgon niet zoo heel erg verrast was. Niettegenstaande het aandringen van den heer Bensington op geheimhouding, liep er toch reeds sinds eenige weken in het dorp een gerucht rond omtrent het groote kuiken, dat Skinner aan het opfokken was. „Goeie hemel!” riep zij uit, „net wat ik dacht.”

Zij schijnt zich met groote tegenwoordigheid van geest gedragen te hebben. Zij greep den verzegelden zak met brieven, die lag te wachten om door te gaan naar Urshot, op, en rende hiermede onmiddellijk de deur uit. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de heer Skelmersdale, een gieter krampachtig bij de tuit houdend, en erg bleek. En het spreekt vanzelf, dat binnen een minimum van tijd iedereen in het dorp naar de deur of het venster holde.

Het schouwspel dat juffrouw Durgon aanbood, den weg afhollend, met de geheele correspondentie van dien dag in de hand, bracht het kuiken, dat in bezit was van den jongenheer Skelmersdale, tot nadenken. Het bleef één oogenblik besluiteloos staan, en wendde zich toen naar het open hek van de plaats van Fulcher. Dit oogenblik was noodlottig. Het tweede kuiken kwam gezwind aanloopen, kreeg het kind te [49]pakken door een goedgerichte pik, en vloog over den muur in den tuin van den dominé.

„Charawk, chawk, chawk, chawk, chawk, chawk!” riep de achterste hen, netjes geraakt door den gieter van den heer Skelmersdale, en fladderde in wilde haast over het landhuis van mevrouw Glue, en zoo op het terrein van den dokter, terwijl de overige van die Gargantuaansche vogels dwars over het grasveld der pastorie het kuiken achtervolgden, dat op dàt oogenblik in bezit was van het kind.

„Goeie hemel!” riep de hulpprediker uit (zooals enkelen beweren, zei hij iets veel manlijkers) en liep toe, zijn crocket-hamer zwaaiend en schreeuwend om de jacht te keeren.

„Halt, schurk!” riep de hulpprediker, alsof reuzen-kippen doodgewone dingen waren.

En toen, bevindende dat hij het met geen mogelijkheid kon tegenhouden, wierp hij zijn hamer met alle macht het dier achterna, en in een sierlijken boog vloog hij rakelings langs het hoofd van jongenheer Skelmersdale en door de glazen lantaarn van de broeikas. Krak! De nieuwe broeikas! De prachtige nieuwe broeikas van de domineesche!

De kip schrok er van. Iederéén zou er van geschrokken zijn. Zij liet haar slachtoffer vallen in een Portugeeschen laurierstruik, (waaruit het een oogenblik later te voorschijn gehaald werd, gehavend doch heelshuids, op zijn minder fijne kleêren na), sprong fladderend naar het dak van Fulcher’s stal, zakte met den poot door een zwakke plaats in de pannen, en daalde, om het zoo maar eens uit te drukken, uit de oneindige ruimte, in de contemplatieve rust van den heer Bumps, de lamme, die—en het is nu boven allen twijfel verheven door de bewijzen die voorhanden zijn—bij deze speciale gelegenheid in zijn leven, [50]de geheele lengte van zijn tuin afliep, en zoo naar binnen zonder eenige hulp, de deur achter zich grendelde en toen zich onmiddellijk weder overgaf aan Christelijke berusting en algeheele afhankelijkheid van zijn vrouw...

De overige kuikens werden tegengehouden door andere crocketspelers, en gingen door den moestuin van den predikant het veld van den dokter in, waar de vijfde zich ook bij hen voegde, mistroostig klokkend na een mislukte poging om over de komkommerkassen te loopen in den tuin van meneer Witherspoon. Ze schijnen daar bij elkaar gestaan te hebben, zooals kippen dat doen kunnen, en een beetje gekrabd en peinzend geklokt te hebben, en toen pikte er een naar een bijenkorf van den dokter en wierp hem omver, en hierop gingen ze aan den haal met een zotten, hortenden, onregelmatigen gang, dwars de velden door in de richting van Urshot, en de straat te Hickleybrow zag ze niet weder. Bij Urshot schijnen ze werkelijk aan hun vraatzucht geëvenredigd voedsel gevonden te hebben in een veld koolrapen, en pikten hier een tijd met smaak aan, tot hun roem hen achterhaalde.

De voornaamste onmiddellijke reactie op dezen verbazingwekkenden inval van reuzen-hoenders op den menschelijken geest was het plotseling ontwaken van een eigenaardige onweerstaanbare neiging om te schreeuwen en hard te draven en met allerlei dingen te gooien, en in een bijzonder korten tijd was nagenoeg de geheele beschikbare mannelijke bevolking van Hickleybrow en verscheidene dames, er op uit met een merkwaardige verzameling van ratelende en klapperende dingen in de hand—om het verdrijven der reuzenkippen aan te vangen. Ze dreven ze Urshot binnen, waar een Landelijk Feest gehouden werd, en Urshot beschouwde ze als de kroon op een gelukkigen [51]dag. Men begon op ze te schieten dicht bij Findon Beeches, doch in het begin slechts met een vogelroer. Natuurlijk kunnen vogels van deze grootte een onbeperkte hoeveelheid kleine hagel in zich opnemen zonder eenige nadeelige gevolgen. Zij raakten dicht bij Sevenoaks van elkaar en bij Tonbridge liep er een, al klokkend, een tijdlang buitengewoon opgewonden, naast den namiddagboot-express, en een eindje er voor uit,—tot groote verbazing van alle passagiers.

En tegen half vijf werden er twee zeer handig gevangen door een circuseigenaar te Tunbridge Wells, die ze in een kooi, welke leegstond door den dood van een tot weduwe geworden drommedaris, lokte, door koekjes en brood te strooien...

[Inhoud]

VIII.

Toen de ongelukkige Skinner dien avond te Urshot uit den Zuid-Ooster trein stapte, was het bijna schemer. De trein was laat—doch niet buitensporig laat—wat meneer Skinner dan ook tegen den stationschef opmerkte. Misschien zag hij het oog van den chef veelbeteekenend schitteren. Na een zeer korte aarzeling en met een vertrouwelijk handgebaar naar den kant van zijn mond vroeg hij of er dien dag ook „iets” gebeurd was.

„Wat bedòel je?” zei de chef, een man met een harde nadrukkelijke stem.

„Met die wethpen en dat tuig.”

„We hebbe niet veel tijd gehad om aan wespe te denke,” zei de chef vriendelijk. „We zijn veels te druk geweest met je pesterige kippen,” en hij deelde hem mede wat er met de kuikens gebeurd was.

„Je hebt toch nikth ge’oord van juffrouw Thkinner?” [52]vroeg Skinner, tusschen dien stortvloed van kernachtige woorden en aanmerkingen door...

„Ben je nou heelemaal!” zeide de chef—alsof zelfs hij de grens trok op het gebied van dingen-weten.

„Dan moet ’k er toch eth naar gaan onderthoeke,” zeide meneer Skinner, zich zijdelings verwijderend buiten schot voor de algemeene opmerkingen over de verantwoordelijkheid, die iemand op zich nam door kippen te zwaar te voeden, waarmede de chef besloot...

Toen hij Urshot doorkwam werd hij aangeroepen door een kalkbrander uit de groeven in de buurt van Hankey, die hem vroeg of hij naar zijn kippen zocht.

„Je hebt bijgeval toch niksth gehoord van m’n vrouw?” vroeg hij.

De kalkbrander—wàt hij precies zeide gaat ons niet aan—gaf te kennen dat hij méér belang stelde in kippen....

Het was reeds donker—zoo donker als een nacht in de maand Juni in Engeland tenminste zijn kan—toen Skinner—of zijn hoofd liever gezegd—om de deur van „de Vroolijke Drijvers” kwam kijken, en zeide: „Ello! je ’ebt toch nikth ge’oord van die gesthchiedenith met mijn kippe, hè?”

„Zoo!” zeide Fulcher. „Nou, een gedeelte van die geschiedenis is door het dak van mijn stal komen zakken, en één hoofdstuk heeft een gat gestooten in de broeibak van de domineesche—neem me niet kwalijk—Broeikàst.”

Skinner trad binnen. „Ik wil een troothtertje hebbe,” zei hij „warme jenever met water, athjeblieft,” en iedereen begon hem te vertellen omtrent de kuikens.

„Goeie god!” zeide Skinner. „Je ’ebt toch nikth ge’oord van juffrouw Thkinner?” vroeg hij toen het even stil was. [53]

„Nee, dat niet!” zeide Witherspoon. „An haar hebbe we niet gedacht. Trouwens an jou evenmin, hoor.”

„Ben je vandaag dan niet thuis geweest?” vroeg Fulcher, over zijn bierpul heen.

„As een van je verwenschte vogels d’r gepikt heeft,” begon Witherspoon, en liet de gansche onuitgesproken verschrikking zijner woorden aan hun hulpelooze verbeelding over...

Het leek de vergadering op dat oogenblik interessant toe, als besluit van een gebeurtenis-vollen dag, om Skinner te vergezellen, en te zien of er iets gebeurd wàs met juffrouw Skinner. Je weet nooit wat meevallertjes je kunt hebben als er ongelukken op de baan zijn. Doch Skinner, die bij de toonbank stond en zijn warme jenever met water dronk, met één oog dwalend over de dingen achter het buffet en het andere gericht op het onbegrensde, miste het psychologische van dit moment.

„D’r ith vandaag toch niksth an de hand geweetht met een van die groote wepthen?” vroeg hij, met een bestudeerde losheid van manier.

„Veels te druk geweest met je kippe,” zei Fulcher.

„Ik vertrouw dat the nou toch al wel binne thulle thijn, hè?” zei Skinner.

„Wat—de kippe?”

„Ik dacht an de wepthe,” zei Skinner.

En toen, met een omzichtigheid die wantrouwen zou gewekt hebben in een kind van een week oud, en den klemtoon leggend op het meerendeel der woorden die hij zeide, vroeg hij, „níémand ’ééft toch ge’óórd van andere groote dingen, wel? Groote ’onde’ of katte’ of thóó ietsth? Ik thou thegge dat as d’r groote kippe en wepthe’ thijn, dat—”

Hij lachte met een uitstekend nagebootst air alsof hij zoo maar wat zei. [54]

Doch er kwam een peinzende uitdrukking op de gezichten der Hickleybrowers. Fulcher was de eerste die aan hun aller, steeds helderder wordende gedachte den concreten woorden-vorm gaf.

„’n Kat, die past bij die kippe’—” zei Fulcher.

„Net zoo!” zei Witherspoon, „’n Kat die past bij diè kippe’.”

„Dat zou ’n tijger zijn,” zei Fulcher.

„Nog erger dan ’n tijger,” zei Witherspoon.

Toen Skinner eindelijk het eenzame voetpad volgde over het glooiende veld dat Hickleybrow scheidde van de sombere vallei, die overschaduwd werd door pijnboomen, in welker donkere schaduw de reusachtige kanarie-kruid-kruipplant in stilte zijn strijd uitvocht met de Proef-Hoeve, volgde hij het alléén.

Zeer duidelijk zag men hem rijzen tegen de lucht—want zoover volgde de publieke belangstelling hem—en weder afdalen in den nacht, in een duisternis waaruit hij nooit weder zal te voorschijn komen. Hij verdween—in één groot mysterie. Tot op dezen dag weet niemand wat er met hem gebeurde, nadat hij de helling over was.

Toen later de beide Fulchers en Witherspoon, aangevuurd door hun eigen verbeelding, den heuvel beklommen, en naar hem uitstaarden, had de nacht hem geheel verzwolgen.

De drie mannen stonden dicht bij elkaar. Er kwam geen enkel geluid tot hen vanuit de duisternis van het bosch, dat de Hoeve aan hunne oogen onttrok.

„’t Zal wel in orde zijn,” zeide de jonge Fulcher, een lang stilzwijgen verbrekend.

„Ik zie geen lichten,” zei Witherspoon.

„’t Is dampig,” zei de oudste van de Fulchers.

Zij bleven een oogenblik in gedachten verzonken staan. [55]

„Hij zou wel teruggekomme zijn as d’r iets niet in den haak was.” zei de jonge Fulcher, en dit leek zóó voor de hand liggend en afdoend, dat een oogenblik later de oude Fulcher zei „kom,” en zij alle drie naar huis en te bed gingen—ik moet toegeven, wel wat nadenkend...

Een herder, die buiten was in de buurt van Huckster’s boerderij, hoorde een gejank in den nacht, dat hij dacht van vossen afkomstig te zijn, en den volgenden morgen was een van zijn lammeren gedood, halverwege naar Hickleybrow gesleept en gedeeltelijk verslonden...

Het onverklaarbare van het geval is, dat er geen onbetwistbare overblijfselen van Skinner gevonden werden!

Verscheidene weken daarna, werd er tusschen de verkoolde ruïnen der Proef-Hoeve iets ontdekt, dat een menschelijk schouderblad kon geweest zijn, maar het ook evengoed nièt kon geweest zijn, en in een ander gedeelte der ruïnen een lang been, erg afgekloven, en eveneens van twijfelachtige herkomst. Dicht bij den opstap van het hek, op de helling naar Eyebright, werd een glazen oog gevonden, en verscheidene lieden ontdekten naar aanleiding hiervan, dat Skinner veel van zijn persoonlijke bekoring te danken had aan dit artikel. Het staarde de wereld aan met hetzelfde air van los zijn van al het aardsche, dezelfde strenge zwaarmoedigheid, die de redders waren geweest van zijn gelaat, dat anders wereldsch had kunnen lijken.

En om de ruïnen bracht een ijverig onderzoek de metalen ringen en verkoolde omtrekken van twee linnen knoopen, en drie onaangetaste beenen knoopen aan het licht, en een van die metalen soort die gebruikt worden voor de minder in het oog vallende naden [56]der menschelijke kleedij. Deze overblijfselen zijn door personen, die het weten konden, beschouwd als zonder eenigen verderen twijfel, wijzend op een verslonden en verstrooiden Skinner, doch terwille van mijn eigen overtuiging, en zijn zeer sterk aangeboren slordigen aard in aanmerking nemend, moet ik zeggen dat ik voor mij liever wat minder knoopen en wat meer beenderen had wenschen te zien.

Na het vinden van het glazen oog is het natuurlijk zeer moeilijk de eerste meening te weerleggen en deze heeft dan ook allen schijn van waarheid, doch als het werkelijk het oog van den heer Skinner is,—en zelfs juffrouw Skinner wist nooit zeker of zijn onbeweeglijk oog van glas was—dan moet het een of ander het veranderd hebben van zacht bruin tot helder en geprononceerd blauw. Dat schouder-blad is een zeer twijfelachtig bewijsstuk, en ik zou het wel eens willen leggen naast de afgeknaagde schouderbladen van enkele van de meer gewone huisdieren, vóor ik toegeef dat het aan een mensch toebehoorde.

En waar waren Skinner’s schoenen dan wel, bijvoorbeeld?

Verdorven en vreemd als de vraatzucht van een rat moge zijn, is het dan nog aan te nemen dat dezelfde wezens een lam half-opgegeten zouden laten liggen, en Skinner oppeuzelen met haar, beenderen, tanden en laarzen?

Ik heb zooveel mogelijk lieden ondervraagd die Skinner zeer persoonlijk gekend hadden, en als één man zijn zij het er over eens, dat zij zich niet konden voorstellen dat ièts, wat dan ook, Skinner zou opeten. Hij behoorde tot het soort van menschen,—zooals een ex-zeeman die in een woning van den heer W. W. Jacobs te Dunton Green woonde, mij vertelde, met een voorzichtige gewichtigheid in zijn optreden, niet [57]ongewoon in die streken—die tòch eenmaal „naar de haaien gaan,” en wat betreft die verscheurende dieren, dat Skinner in staat was „om een vuur het licht uit te blazen.”

Hij beschouwde Skinner even veilig op een ronddrijvende balk als overal elders. De ex-zeeman voegde erbij dat hij niks van Skinner zou zeggen, hoor, maar feiten waren feiten, en dat hij, wat hem betreft, nog maar liever de bak in ging dan zijn kleeren bij Skinner te laten maken. Deze opmerkingen stellen Skinner voorzeker niet in een erg appetijtelijk daglicht.

Om volkomen eerlijk spel met den lezer te spelen, moet ik voor mij verklaren, niet te gelooven dat hij ooit naar de Proef-Hoeve terugkeerde. Ik geloof dat hij lang en aarzelend bleef rondzwerven in de velden om Hickleybrow, en dat hij eindelijk, toen dat gejank begon, den kortsten weg nam om uit zijne verlegenheid te geraken, en zoo het onbekende in.

En in het onbekende, hetzij van deze wereld of van het hiernamaals, is hij hardnekkig en zonder eenigen twijfel gebleven tot op den huidigen dag...

Ornament

[58]


1 Reckitt’s zakjes-blauw wordt geacht uitstekend te helpen als men door een wesp etc. gestoken is, en dit op de oploopende plaats legt.

[Inhoud]

Hoofdstuk III.

De Reuzen-Ratten.

[Inhoud]

I.

Twee nachten na het verdwijnen van den heer Skinner, reed de dokter van Podbourne nog laat in zijn tilbury in de buurt van Hankey. Hij was den geheelen nacht bezig geweest een onaanzienlijken jongen burger onze vreemde wereld in te helpen, en nadat zijn taak volbracht was, reed hij slaperig naar huis.

Het was ongeveer twee uur in den morgen en de afgaande maan kwam op. De zomernacht was kil geworden, en er hing een lage bleeke mist, die de dingen onduidelijk zichtbaar maakte. Hij was geheel alleen—want zijn koetsier lag ziek te bed—en er was aan weerszijden van den weg niets te zien dan een erg-mysterieus-uitziende heg, die voor het gele licht zijner lantarens heentrok, en er was niets te hooren dan het getrappel van zijn paard en de scherpe echo’s die door de heg weerkaatst werden. Zijn paard was even betrouwenswaardig als hijzelf en het is dan ook niet te verwonderen dat hij dommelde...

Gij kent dat afwisselende indutten en met schrik wakker worden wel, dat knikkebollen van het hoofd, het knikken op het rhytmisch geluid der wielen, nu eens met de kin op de borst en dan het plotseling weder opschrikken. [59]

„Klep, klep, klep.”

„Wat was dat?”

Het leek den dokter toe alsof hij een zacht, schril gejank vlak bij zich hoorde. Een oogenblik lang was hij klaar wakker. Hij zeide een paar onverdiende verwijtingen tegen zijn paard en keek om zich heen. Hij trachtte zichzelven gerust te stellen. ’t Zou ’t verwijderde geblaf van een vos wel zijn,—of misschien een jong konijn dat door een fret gepakt was.

„Rikke-tikke-e-tik-tik-tik....”

„Wat was dat dan toch?”

Hij voelde dat zijn verbeelding hem parten begon te spelen. Hij schurkte es met de schouders en jeude zijn paard aan. Hij luisterde, doch hoorde niets meer.

„Of zou het niets geweest zijn?”

Hij had een vaag idee dat er even iets naar hem gegluurd had over de heg, een rare, groote kop. Met ronde ooren! Hij tuurde ingespannen, maar zag niets.

„Onzin,” zei hij.

Hij ging rechtop zitten met de overtuiging dat hij de nachtmerrie gehad had, gaf zijn paard een heel zacht tikje met de zweep, sprak het toe en tuurde weer over de heg. Het helle licht van zijn lantaarn, samen met den mist, maakte de dingen schimmig, en hij kon niets onderscheiden. Het kwam toen plotseling in hem op, zegt hij, dat daar niets kòn zijn, want als er iets geweest was, zou zijn paard wel schichtig geworden zijn. Doch hoe hij zichzelf ook trachtte gerust te stellen, bleven zijn zinnen toch zenuwachtig waakzaam.

Toen hoorde hij heel duidelijk een zacht gepetter van voeten achter zich aan, op den weg.

Hij wilde zijn ooren niet gelooven. Hij kon niet omkijken, want de weg nam daar juist een scherpen draai. Hij legde de zweep over zijn paard en keek [60]nogmaals op zijde. En toen zag hij heel duidelijk, waar een straal van zijn lantaarn over een laag eindje heg heengleed, den gekromden rug van—het een of ander groot dier, hij kon niet bepalen wat het was, dat met snelle, schokkende sprongen voortliep.

Hij zegt dat hij dacht aan de oude heksen-verhalen—het beest leek zoo absoluut niet op eenig ander dier dat hij kende, en hij vatte de teugels steviger beet uit vrees voor den angst van zijn paard. En man van opvoeding als hij was, geeft hij toch toe, dat hij zichzelven afvroeg of dit iets was dat zijn paard niet kon zien.

Voor hem uit, en steeds dichterbij komend zag hij tegen de opkomende maan, de silhouet van het kleine gehucht Hankey. Dit was geruststellend, al zag hij ook geen enkel licht en hij klapte met de zweep en zei nog eens wat tegen zijn paard, en toen schoten plotseling als een bliksemstraal de ratten op hem toe!

Hij kwam een hek voorbij, en terwijl hij dit deed, sprong de voorste rat erover op den weg. Het ding besprong hem van uit het duister, en was nu zeer duidelijk te zien, het scherpe, felle, rond-oorige gezicht, het lange lichaam dat nòg langer leek door de bewegingen die het maakte; en wat hem vooral trof waren de roode, van vliezen voorziene voorpooten van het dier. Wat het nog vreeselijker moet gemaakt hebben, was, dat hij geen vaag idee had of het beest, hetwelk hem aanviel, wel een áárdsch beest was. Hij herkende het niet als een rat, doordat het zoo groot was. Zijn paard sprong opzij toen het wezen naast hem op den weg neerkwam. Het smalle laantje was plotseling vol gerucht door het klappen van de zweep en den schreeuw dien de dokter gaf. Alles ging plotseling snel.

„Rrr-klr-pats—.” [61]

Het schijnt dat de dokter opstond en zijn paard aanvuurde, en er uit alle macht op los sloeg. De rat deinsde terug en sprong opzij onder zijn slag—wat den dokter geruststelde omtrent het aardsche van het dier—bij het schijnsel der lantaarn was de voor, die de zweep in het haar gehaald had, duidelijk zichtbaar—en hij sloeg telkens weder, onbewust dat er aan de andere zijde een tweede vervolger staag veld won.

Hij vierde de teugels, keek om, en zag de derde rat, hem achtervolgend...

Het paard sprong vooruit. De tilbury sprong hoogop bij een kruisspoor. Een krankzinnig oogenblik lang leek alles hem met rukken en sprongen te gaan...

Het was puur geluk dat het paard nog in Hankey kwam te vallen, en niet vóór zij aan de huizen kwamen of ze achter zich gelaten hadden.

Niemand weet hoè het paard kwam te vallen, of het struikelde, of dat de rat van de andere zijde het werkelijk een van die kervende beten van boven naar beneden gaf met haar tanden (die zij aanbrengen en kracht bijzetten met hun volle zwaarte); en de dokter werd niet gewaar dat hij zelf gebeten was, vóór hij in het huis van den metselaar was, en nog veel minder had hij gemerkt wannéér de beet was toegebracht—hoewel hij gebeten was en erg ook—een lange snede, als de snee van een dubbelen tomahawk, die twee evenwijdigloopende reepen vleesch van zijn linker schouder gerukt had.

Hij stond op een gegeven oogenblik rechtop in zijn tilbury en het volgende was hij op den grond gesprongen, met een erg verstuikten enkel, hoewel hij dit toen niet bemerkte, en sloeg woest naar een derde rat, die direct op hem kwam aanvliegen. Hij kan zich den sprong dien hij gedaan moet hebben boven over het rad, toen de tilbury kantelde, haast niet meer [62]herinneren, zoo snel en verward werd hij bestormd door indrukken.

Ik voor mij geloof dat het paard steigerde toen de rat het in den strot beet, opzij viel en de heele geschiedenis meesleepte; en dat de dokter als het ware instinctmatig er uit sprong. Toen de tilbury viel, sprong het oliereservoir van de lantaarn, en smakte plotseling een hellen gloed van brandende olie en witten vlammengloed temidden van den strijd.

Dit was het eerste wat de metselaar zag.

Hij had het geratel van de naderende tilbury gehoord en—hoewel de dokter zich hier niets van herinnert —het wilde geschreeuw dat de dokter deed hooren. Hij was haastig uit bed gekomen, en terwijl hij dit deed, hoorde hij den vreeselijken smak, en zag dien gloed buiten opschieten door het half-opgehaalde gordijn. „’t Was nog helderder dan de dag,” zegt hij. Hij bleef met het gordijnkoord in de hand staan en staarde met open mond het venster uit naar den welbekenden weg, die een verandering had ondergaan als in een nachtmerrie. De donkere gestalte van den dokter met zijn om zich heen slaande zweep rees en daalde tegen de vlam. Hij zag het paard staan, half verborgen door den gloed, met een rat aan zijn keel. In de duisternis, die tegen den kerkhofmuur opstond, schitterden de oogen van een tweede monster kwaadaardig. Een derde—niets meer dan één brok vreeselijke duisternis met rood-gloeiende oogen en vleeschkleurige handen—klemde zich onvast aan den rand van den muur, waar het tegen opgesprongen was bij het oplaaien van den uit-elkaar-springende lantaarn.

Ge kent wel den scherpen snuit van een rat, met die twee scherpe tanden en de meedoogenlooze oogen. Ongeveer zes maal vergroot en nog meer vergroot door duisternis en verbazing en de plotseling opschietende [63]schimmen van een grilligen gloed, moet dit alles iets vreeselijks geweest zijn om aan te zien voor den metselaar—die nog meer dan half sliep.

Toen had de dokter de gelegenheid, die het oplaaien der vlam hem een oogenblik aanbood, te baat genomen, en verdween uit het gezicht van den metselaar, en stond beneden op de deur te rameien met den knop van zijn zweep....

De metselaar wilde hem niet binnenlaten vóór hij licht aangestoken had.

Er zijn lieden die dat in den man gelaakt hebben, maar ik aarzel om mij aan hun zijde te scharen, tot ik mijn eigen moed beter heb leeren kennen.

De dokter gilde en hamerde op de deur...

De metselaar zegt dat hij huilde van angst toen de deur eindelijk openging.

„Grendel,” zei de dokter, „grendel”—hij kon niet zeggen „grendel de deur.” Hij probeerde te helpen maar kon niet. De metselaar grendelde de deur en de dokter moest eerst een poosje op den stoel naast de klok zitten voor hij den trap kon opkomen...

„Ik weet niet wàt ’t zijn!” herhaalde hij verscheidene malen. „Ik weet niet wat het zijn,”—en zijn stem ging de hoogte in, telkens als hij aan „zijn” kwam.

De metselaar wilde hem whiskey geven, doch de dokter wilde niet alleen gelaten worden met niets dan een flakkerend licht.

Het duurde geruimen tijd voor de metselaar hem ertoe kon bewegen naar boven te gaan...

En toen het vuur uit was, kwamen de reuzenratten terug, sleepten het doode paard dwars het kerkhof over naar het veld waar het puin neergeworpen werd en aten ervan tot de dageraad aanbrak, en zelfs toèn durfde nog niemand hen storen. [64]

[Inhoud]

II.

Redwood liep den volgenden morgen tegen elf uur bij Bensington aan, met de „tweede edities” van drie avondbladen in de hand.

Bensington, die in moedeloos gepeins verzonken zat boven de vergeten bladzijden van den meest afleidenden roman, dien de boekhandelaar op den Bromptonweg voor hem had kunnen vinden, keek op. „Iets nieuws?” vroeg hij.

„Twee menschen gestoken bij Chatham.”

„Zij moesten ons dat nest laten uitrooken. ’t Is hun eigen schuld.”

„Zeker is ’t hun eigen schuld,” zei Redwood.

„Heb je ook iets gehoord—omtrent den aankoop van de boerderij?”

„De huizen-makelaar,” zei Redwood, „is een wezen met een grooten mond en gemaakt van ondoordringbaar hout. Het wezen geeft voor, dat er een ander zin in het huis heeft—dat is zoo z’n vaste taktiek, snap je—en wil maar niet begrijpen dat er haast bij is. „Maar dit is een kwestie van leven of dood,” zeide ik, „begrijpt u dat dan niet?” Het wezen sloot zijn oogen half en zeide: „waarom is u dan niet genegen die overige tweehonderd pond er bij te geven?”

„Ik moet zeggen dat ik liever in een wereld van reuzenwespen leef, dan dat steenen-metselende brok stomheid zijn zin te geven. Ik—”

Hij zweeg even, voelend dat een dergelijke zin licht bedorven kon worden door zijn samenhang.

„’t Is te veel om te durven hopen,” zei Bensington, „dat er een van die wespen—”

„De wesp heeft niet meer idee van algemeen nut dan een—dan een makelaar in huizen,” zei Redwood. [65]

Hij praatte nog een poosje door over huizen-makelaars en advocaten en dergelijke menschen, op de onrechtvaardige, onredelijke manier die zoovele lieden aannemen als ze over deze zaken-factotums aan het praten raken—(van al de zotte dingen in deze zotte wereld, lijkt het mij ’t zotst van alles, dat, terwijl wij eer, moed, bekwaamheid van een doctor of een krijgsman verwachten als iets dat vanzelf spreekt, wij procureurs of makelaars in huizen niet alleen vergunnen, maar zelfs van hen verwachten, een schraperige, vettige, in-den-weg-staande, afzetterige stomheid ten toon te spreiden—enz.)—en ging toen, erg opgelucht, naar het venster en keek wat naar het verkeer in Sloane-street.

Bensington had den roman op het tafeltje gelegd dat zijn electrischen standaard droeg. Hij bracht de vingers van zijne beide handen zeer voorzichtig tegen elkaar en keek er naar. „Redwood,” zei hij, „wordt er veel over òns gepraat?”

„Niet zooveel als ik dacht.”

„Maar veroordeelen ze ons heelemaal niet?”

„Nee, heelemaal niet. Maar daarentegen bevorderen ze ook heelemaal niet wat ik aangetoond heb dat moèt gedaan worden. Ik heb naar de „Times” geschreven, moet je weten, en heb alles uitgelegd—”

„Wij lezen de „Daily Chronicle,” zei Bensington.

„En de „Times” heeft een lang hoofdartikel over het onderwerp—een erg goed doorwerkt, goed geschreven hoofdartikel met drie stukken „Times”-Latijn—status quo is er een van—en het laat zich lezen als de stem van Iemand die zijn naam niet noemt, van grooten invloed en die lijdt aan Influenza-Hoofdpijn en die door vellen en vellen viltpapier heenpraat zonder er baat bij te vinden. Als je tusschen de regels dóór leest, merk je tamelijk duidelijk dat de „Times” [66]het noodeloos vindt er doekjes om te winden, en dat er iets (natuurlijk wordt er niet gezegd wàt) moet gedaan worden en dat wel onmiddellijk. Anders steeds meer ongewenschte gevolgen, „Times”-Engelsch, snap je, voor nòg méér wespen en steken. Een door en door diplomatisch artikel!”

„En onder de hand verspreidt zich deze Grootheid al meer en meer op allerlei leelijke manieren.”

„Precies.”

„Ik wou wel eens weten of Skinner gelijk had omtrent die groote ratten—”

„Kom! Dàt zou tè erg zijn,” zei Redwood.

Hij kwam naast Bensington’s stoel staan.

„Tusschen twee haakjes,” zei hij, terwijl hij zijn stem iets liet dalen, „hoe vat zìj—?”

Hij wees naar de gesloten deur.

„Nicht Jane? Zij weet er nog niets van. Brengt ons er niet mee in verband, en wil de artikelen niet lezen. „Reuzenwespen!” zegt ze, „ik zou nog net zoo lief, als die kranten te lezen.”

„Dat is heel gelukkig,” zei Redwood.

„Ik hoop toch niet, dat—mevrouw Redwood—?”

„Nee,” zeide Redwood, „’t wordt net gevoed—ze tobt verschrikkelijk over het kind. ’t Gaat àl maar door, moet je weten.”

„’t Groeien?”

„Ja. Is in tien dagen een-en-veertig ons aangekomen. Weegt nu bijna tachtig pond. En nog maar zes maanden! Natuurlijk een beetje onrustbarend.”

„Is ie goed in orde?”

„Puik. Zijn kindermeid vertrekt omdat hij zoo van zich af trapt. En natuurlijk is hij overal totaal uitgegroeid. We hebben alles nieuw voor hem moeten laten maken, kleeren en al ’t overige. Van de kinderwagen—’n licht ding—brak een rad, en het ventje [67]moest naar huis gebracht worden op de handkar van den melkboer. Ja. Een heele menigte er achteraan... En we hebben Georgina Phyllis in zijn bed moeten laten slapen en hem in het bed van Georgina Phyllis. Zijn moeder—natuurlijk wat geschrokken. Eerst vol trots en geneigd Winkles te prijzen. Nu niet meer. Voelt dat zoo iets niet gezond kàn zijn. Begrijp je natuurlijk.”

„Ik dacht dat je hem kleinere doses zou geven.”

„Heb ’t geprobeerd.”

„Werkte ’t niet?”

„Gegil. In gewone gevallen is het geschreeuw van een kind al luid en hinderlijk; ’t is goed voor de soort dàt dit zoo is,—maar sints hij gevoed wordt met Herakleophorbia—”

„Hm”—zei Bensington, met meer gelatenheid naar zijn vingers kijkend dan tot nu toe het geval was geweest.

„’t Ligt voor de hand dat de zaak moèt uitkomen. De menschen zullen van dit kind hooren, het in verband brengen met onze kippen en ’t andere spul, en m’n vrouw zal de heele zaak te weten komen... Ik heb geen vaag idee hoe ze ’t zal opvatten.”

„’t Is stellig moeilijk,” zei Bensington, „om eenig plan te maken——”

Hij zette zijn bril af, en veegde hem zorgvuldig schoon.

„’t Is alweer een voorbeeld van wat er voortdurend geschiedt. Wij—als ik het tenminste zoo eens mag uitdrukken—wij, mannen der wetenschap—wij werken natuurlijk altijd om een theoretisch resultaat te bereiken—’n zuiver theoretisch resultaat. Doch, zonder dat wij het zelf willen—brengen wij soms krachten in werking—nìèuwe krachten. Wij mógen die niet beheerschen—en niemand anders kàn het. Feitelijk [68]hebben wij de quaestie niet langer in onze macht, Redwood. Wij verschaffen het materiaal—”

„En zij” zei Redwood, zich naar het raam wendend, „ondervinden de gevolgen.”

„Voor zoover het die plaag in Kent betreft, zal ik mij er niet verder moeilijk over maken.”

„Als ze het òns tenminste niet moeilijk gaan maken.”

„Precies. En als ze willen komen aanzeuren met procureurs en beunhazen in de rechten en wettelijke belemmeringen en allerlei wichtige bezwaren van het nonsensicale soort, tot ze een aantal nieuwe soorten reuzen-ongedierten in de wereld geschopt hebben—De zaken zijn altijd in de war geweest, Redwood.”

Redwood trok een kromme ineengestrengelde lijn in de lucht.

„En het belang dat wij bij de zaak hebben, zetelt feitelijk op dit oogenblik alleen bij jouw jongen.”

Redwood wendde zich om, kwam naderbij en keek zijn medewerker scherp aan.

„Wat is jouw idee omtrent hem, Bensington? Jij kunt de zaak onbevooroordeelder bekijken dan ik. Wat moet ik met hem aanvangen??”

„Doorgaan met hem te voeden.”

„Met Herakleophorbia?”

„Met Herakleophorbia.”

„En dan groeit hij dóór.”

„Hij zal opgroeien, voor zoover ik het kan berekenen naar de kippen en wespen, tot een lengte van ongeveer vijf en dertig voet—met alles daaraan geëvenredigd—”

„En wat zal hij dan aanvangen?”

„Dat,” zei Bensington, „maakt de geheele quaestie juist zoo interessant.” [69]

„Maar goeie hemel, kerel, denk es aan zijn kleêren! En als hij volwassen is,” zei Redwood, „zal hij een eenzame Gulliver zijn temidden van een Lilliputter-wereld.”

De oogen van den heer Bensington keken veelbeteekenend over zijn bril.

„Waarom eenzaam?” zeide hij, en herhaalde nog somberder: „waarom eenzaam?”

„Maar je wilt toch niet zeggen—?”

„Ik zeide,” zei de heer Bensington, met de zelfvoldoening van iemand die een goed beteekenisvol iets gezegd heeft, „waarom eenzaam.”

„Bedoel je dat we nog meer van dergelijke kinderen zouden kunnen grootbrengen—?”

„Neen, ik bedoel niets meer dan wat ik vroeg.”

Redwood begon de kamer op en neer te loopen.

„Natuurlijk,” zeide hij, „dat zou kunnen.—Maar toch! Wat zou het einde ervan zijn?”

Bensington schepte blijkbaar behagen in zijn eigen hooge gedachtenvlucht.

„Wat mij het meeste belangstelling inboezemt, Redwood, is de gedachte dat zijn brein daar hoog in de lucht, als mijn redeneering tenminste juist is, óók vijfendertig voet of zoo verheven zal zijn boven ons niveau... Wat is er?”

Redwood stond voor het venster en keek verbaasd naar een plakkaat op een wagen van een courantenbureau, die de straat kwam afratelen.

„Wat is er aan de hand?” herhaalde Bensington, opstaand.

Redwood slaakte een luiden kreet.

„Wat is er dan toch?” zei Bensington.

„Haal even een courant,” zei Redwood, naar de deur gaand.

„Waarom?” [70]

„Haal een courant.—Ik heb ’t niet heelemaal—Reusachtige ratten—!”

„Ratten?”

„Ja, ratten. Skinner had bij slot van rekening toch gelijk!”

„Wat bedoel je?”

„Hoe kan ik dat zeggen vóór ik een krant heb? Groote Ratten. Goeie God. Als ze hem maar niet opgegeten hebben!”

Hij keek rond naar zijn hoed en besloot dan maar zonder hoed te gaan.

Terwijl hij den trap afrende, twee treden tegelijk, kon hij op straat het geweldige gebrul der Hooligan-couranten-verkoopers hooren, dat nu eens nader kwam, en zich dan weder verwijderde. De kerels sloegen er een aardig slaatje uit.

„Vraiselijke gebeurtenis in Kent—vraiselijke gebeurtenis in Kent. Dokter ............ opgevreten door ratte. Vraiselijke gebeurtenis—ratte,—opgevreite door reusachtige ratte—”

[Inhoud]

III.

Cossar, de welbekende civiel-ingenieur, vond hen beiden staan in de groote deur der bovenwoningen, terwijl Redwood de nog vochtige, rose courant op armslengte hield en Bensington op de teenen stond, over zijn arm heen lezend. Cossar was een groote man met magere onbehouwen ledematen, die toevallig op geschikte hoeken van zijn lichaam geplaatst waren en een gezicht als een houtsnee, die in begin-stadium reeds onafgewerkt was gelaten, al tè weinig belovend om ze te voltooien. Zijn neus was vierkant gelaten en zijn onderkaak stak verder uit dan de bovenkaak. Hij ademde hoorbaar. Weinig lieden vonden hem knap. [71]Zijn haar was volkomen tangentiaal en zijn stem, die hij niet te veel deed hooren, was hoog en meestal klonk er een bitter protest in door. Hij droeg bij alle gelegenheden een grijs linnen jacket-costuum en een zijden hoed. Hij peilde een onmetelijken zak met een groote roode hand, betaalde zijn koetsier en kwam hijgend en resoluut den trap op, een exemplaar van de rose courant in het midden vastklemmend als een bliksemstraal van Jupiter.

„Skinner?” zei Bensington, niet lettend op Cossar’s nadering.

„Staat niks over hem in,” zei Redwood. „Is beslist opgegeten. Allebei. ’t Is te vreeselijk!... Hallo, Cossar!”

„Is dat dat goedje van jullie?” vroeg Cossar, met de courant wuivend. „Waarom maak je er geen eind aan?” vroeg hij.

„De plaats koopen?” riep hij uit. „Wat een onzin! Brand ’em tegen den grond. Ik wist wel dat lui als jelui d’r ’n rommel van zoudt maken. Wat je moet aanvangen? Wel—wat ik je zeg.”

„Jij? Doen? Natuurlijk de straat opgaan naar den wapenhandelaar. Waaròm? Om geweren. Ja—er is maar één winkel. Haal acht geweren! Met getrokken loop. Geen olifant-roeren—nee! Te groot. Geen infanteriegeweren ook—te klein. Zeg dat ’t is om ’n stier dood te schieten. Zeg dat ze zijn om buffels te schieten! Zie je? Hè? Ratten? Nee! Hoe kunnen ze dàt begrijpen, voor den duivel?... Acht? Omdat we er acht nóódig hebben. Zorg voor een hoop ammunitie. Koop geen geweren zonder ammunitie—nee! Neem ’t heele zaakje mee in een vigelante naar—waarheen ook weer? Urshot? Dan moet je Charing-Cross station hebben. Er gaat een trein om—enfin, de eerste de beste trein na tweeën. Denk je dat je ’t doen kunt? Goed zoo. Vergunning? Haal er acht aan een postkantoor, [72]natuurlijk. Vergunning voor ’t dragen van geweren, snap je. Geen jachtakte. Waarom? Omdat ’t ratten zijn, man.”

„Jij—Bensington! Heb je ’n telephoon? Ja. Ik zal vijf van m’n mannetjes uit Ealing opbellen. Waarom vijf? Omdat dat ’t juiste getal is.—Waar ga jij heen, Redwood? Een hoed zoeken! Onzin. Hier heb je den mijne. Geweren heb je noodig, man—geen hoeden. Heb je geld? Genoeg? Goed zoo. Vooruit dan maar. Waar is die telephoon, Bensington?”

Bensington keerde zich gehoorzaam om en ging voor. Cossar gebruikte de telephoon en belde af. „Dan heb je die wespen nog,” zei hij. „Daar zijn zwavel en salpeter goed voor. Natuurlijk. Gips. Jij bent scheikundige. Waar kan ik zwavel bij de ton krijgen in zakken die niet te groot zijn. Waarvoor? Wel, m’n goeie god!—om dat nest uit te rooken, natuurlijk! Moet toch zwavel zijn, niet waar? Jij bent scheikundige. Zwavel het beste, he?”

„Ja, ik gelóóf wel dat zwavel ’t beste is.”

„Niets beters? Goed, dat is jouw werk. Zie zooveel zwavel te krijgen als je kunt—en salpeter om het te doen branden. Sturen? Charing Cross. Dàdelijk. Zorg ervoor dat ze ’t doen ook. Loop zèlf mee. Nog iets?”

Hij dacht een oogenblik na.

„Portland cement—alle cement is goed—nest blokkeeren—gaten, snap je? Dàt zal ìk wel halen.”

„Hoeveel?”

„Hoeveel wat?”

„Zwavel.”

„Ton. Begrepen?”

Bensington kneep zijn bril wat vaster met een hand die beefde van vastberadenheid. „In orde,” zei hij, zeer kortaf. [73]

„Geld in je zak?” vroeg Cossar. „Loop naar den duivel met cheques. Gereed geld betalen. Natuurlijk. Waar is je bank? Goed. Stap onder weg uit en haal veertig pond—bankbiljetten en goud.”

Weer even nadenken. „Als we dit zaakje aan de ambtenaren overlaten dan gaat heel Kent aan flarden,” zei Cossar. „Is er nog iets—? Neen. Hìèr!”

Hij stak een enorme hand op naar een vigelante die gretig aan-hotste om hem te bedienen. „Rijtuig, meneer?” zei de aapjes-man. „Nog al vanzelf,” zeide Cossar en Bensington, nog steeds zonder hoed, pagaaide den trap af, en maakte zich gereed in te stappen.

„Ik vind,” zei hij, met zijn hand op het zeil der vigelante, en met een schichtigen blik naar de vensters zijner verdieping, „ik geloof dat ik het eerst nog even aan nicht Jeanne ga vertellen.—”

„Meer tijd om te vertellen als je terugkomt,” zei Cossar, hem erin duwend met een enorme hand die zijn rug ongeveer besloeg... „Knappe kerels,” merkte Cossar op, „maar geen zier initiatief. Jawel, nicht Jeanne. Ik ken ’er. Snert, al die nichten Jeanne!—’t land is er mee verpest. Ik wed dat ’t me den geheelen nacht zal bezighouden om ervoor te zorgen dat ze doen wat ze aldoor geweten hebben dat ze moèsten doen. Ik wou wel es weten of ’t dat napluizen of nicht Jeanne of iets anders is, dat ze zoo maakt?”

Hij liet dit ondoorgrondelijke probleem voor wat het was, staarde een poosje in gedachten op zijn horloge en bevond dat er nog juist tijd genoeg zou zijn om een restaurant binnen te vallen en koffie te drinken vóór hij op het portland-cement uitging en het naar Charing Cross vervoerde. De trein vertrok om vijf minuten over drieën, en hij kwam te Charing-Cross aan om kwart vóór drie, en vond daar Bensington [74]buiten het station in heet dispuut met twee politie-agenten en zijn wagenvoerder buiten het station en Redwood in het goederenbureau, in een technische moeilijkheid gewikkeld omtrent zijne ammunitie. Iedereen gaf voor, niets te weten of geen macht te hebben, op de manier waarvan de beambten op de Zuid-Ooster-lijn zooveel houden als ze zien, dat ge haast hebt.

„Jammer dat ze al die beambten niet kunnen neerschieten en een nieuw stel nemen,” merkte Cossar zuchtend op. Doch de tijd was te kort om lang te redekavelen en deshalve schoof hij al deze kleinere hinderpalen op zij, en dook uit de een of andere obscure schuilplaats een wezen op, dat de station-chef kan geweest zijn—maar het ook even goed niet kan geweest zijn—liep heen en weer, hem stevig vasthoudend, gaf orders in zijn naam, en was het station uit met alles en iedereen veilig aan boord, vóór die beambte den vollen omvang begreep van de inbreuk die er gemaakt was op den meest heiligen gang van zaken en voorschriften. „Wie wàs dat?” vroeg de hooge beambte, den arm betastend, dien Cossar beet had gehad, en glimlachend met gefronste wenkbrauwen.

„Hoe of wat dan ook meneer,” zei een kruier, „maar ’t was een meneer. ’IJ en allemaal die bij ’em waren, reisden eerste klas.”

„Nu, we hebben hèm en zijn goedje aardig vlug de baan uitgestuurd—wie hij dan ook was”, zeide de hooge beambte, zijn arm wrijvend met iets dat naar voldoening zweemde.

En terwijl hij langzaam terugwandelde, knipoogend in het daglicht waaraan hij zoo weinig gewoon was, naar die deftige plaats van afzondering waarin de hoogere beambten te Charing Cross hun toevlucht [75]zoeken tegen den overlast van het plebs, liep hij nog steeds te glimlachen om zijn ongewone energie. Het geval gaf hem een zeer veel voldoening gevenden blik op zijn eigen handigheid, niettegenstaande zijn stijven arm. Hij wenschte dat enkelen van die verwenschte critici, die in een gemakkelijken stoel het bestuur der spoorwegen liggen af te kammen, hem eens hadden kunnen zien.

Tegen vijven had die niet genoeg te bewonderen Cossar zonder eenigen schijn van overhaasting, al zijn materiaal voor zijn strijd tegen deze losgebroken Grootheid Urshot reeds uit, en was hij op weg naar Hickleybrow. Twee vaten petroleum en een vracht droge rijzen had hij in Urshot gekocht; een meer dan voldoend aantal zakken zwavel, acht geweren voor groot wild en ammunitie, drie lichte achterladers, met fijne-hagel-patronen voor de wespen, een bijl, twee kapmessen, een houweel en drie spaden, twee streng touw, wat flesschen bier, soda en whiskey, een gros pakjes rattenkruid en koude proviand voor drie dagen, waren uit Londen mee gekomen. Dit alles had hij op zeer zakelijke manier in een kolenlorrie en een hooiwagen vooruit gezonden; behalve de geweren en de ammunitie, die geborgen werden onder de bank van het wagentje uit den Rooden Leeuw, dat bestemd was om Redwood en de keurbende van vijf man die op Cossar’s bevel uit Ealing gekomen was, te vervoeren.

Cossar leidde al deze werkzaamheden met een air, alsof het de meest doodgewone zaak ter wereld was; hoewel er in Urshot een ware paniek heerschte over de ratten, en alle wagenbestuurders moesten extra betaald worden. Alle winkels in het plaatsje waren gesloten, en men zag bijna niemand op straat, en als hij op een deur klopte, ging niet de deur, maar het raam open. Hij scheen het zaken-drijven vanuit open [76]vensters een volkomen gewettigd en voor de hand liggend iets te vinden. Eindelijk kregen hij en Bensington den sjees uit den Rooden Leeuw, en gingen op weg met net karretje, om zich bij de bagage te voegen die reeds een eind vooruit was. Dit deden zij een eindje voorbij de kruiswegen, en kwamen zoodoende het eerst te Hickleybrow aan.

Bensington, met een geweer tusschen de knieën, naast Cossar zittend in de sjees, voelde een reeds lang in zich groeiende verbazing tot rijpheid komen. Al wat zij nu deden, was, zooals Cossar volhield, zonder twijfel het meest voor de hand liggende om te doen, maar—! In Engeland doet men zelden wat voor de hand ligt. Hij keek van de voeten van zijn buurman, naar de forsch gespierde handen op de teugels. Cossar had blijkbaar nooit gemend, en reed maar recht uit recht aan over het midden van den weg, volgens een zonder twijfel voor de hand liggende, doch zeer zeker ongewone eigen methode.

Waarom doen wij toch niet allemaal wat voor de hand ligt? dacht Bensington. Wat ’n goeie wereld zou ’t dan worden als iedereen dat deed! Waarom doe ik bijvoorbeeld zoo’n massa dingen niet, terwijl ik weet dat ’t goed zou zijn ze te doen—dingen die ik graag doen zou! Is iederéén dan zóó, of ligt ’t alleen aan mij!” Hij verzonk in sombere overpeinzingen over den wil. Hij dacht na over de ingewikkelde, ingeroeste beuzelachtigheden van het dagelijksch leven, en in tegenstelling hiermede, over de eenvoudige en voor de hand liggende dingen die men behoorde te doen, de aangename en mooie daden, die eigenaardige invloeden ons nooit veroorloven te volbrengen. Nicht Jeanne? Hij bemerkte dat nicht Jeanne op de een of andere listige en moeilijk-na-te-gane manier een belangrijke factor in deze quaestie [77]was. Waarom moeten wij, bij slot van rekening, eten, drinken, slapen, ongetrouwd blijven, híerheen gaan, dáár nièt heen gaan, en dit alles uit consideratie voor nicht Jeanne?

Zij werd symbolisch zonder op te houden ondoorgrondelijk te zijn!...

Een overstap, en een pad dwars door de velden trokken zijn aandacht en deden hem denken aan dien vroolijken helderen dag, nog zoo kort geleden wat tijd betrof, terwijl de emoties ervan reeds zoo ver achter hem lagen, toen hij van Urshot naar de Proef-Hoeve liep om naar de reuzen-kuikens te gaan kijken...

Het lot speelt met ons.

„Tchek, tchek,” zeide Cossar, „sta op.”

Het was een zeer warme middag, er was geen zuchtje en het stof lag dik op de wegen. Menschen waren er niet veel te zien, doch de herten achter de omheining van het park graasden vreedzaam.

Zij zagen een paar van de groote wespen een kruisbessenstruik leegplunderen even buiten Hickleybrow, en er kroop er een op en neer voor het kleine kruideniers-winkeltje in de dorpstraat, trachtend ergens een ingang te vinden. De kruidenier was nog zichtbaar binnen, met een oud vogelroer in de hand en de pogingen van het dier aandachtig volgend. De koetsier van het karretje hield stil voor „de Vroolijke Koejongens,” en deelde Redwood mede, dat zijn deel van de overeenkomst hiermede afliep. Hierbij sloten zich een oogenblik later ook de voerlieden van den hooiwagen en de kolenlorrie aan. Zij hielden deze bewering niet alleen staande, doch weigerden pertinent om de paarden verder mee te laten gaan.

„Die groote ratten zijn dol op paarden”, herhaalde de kolentremmer telkens.

Cossar keek het getwist een oogenblik aan. [78]

„Haal de spullen uit het wagentje”, zeide hij, en een van zijne mannen, een lange, blonde, smerige werktuigkundige, gehoorzaamde.

„Geef me dat jachtgeweer es an”, zeide Cossar.

Hij ging tusschen de voerlui staan. „Wij verlangen niet van jelui dat je rijden zult,” zeide hij.

„En nu kun je verder zeggen wat je wilt,” gaf hij toe—„maar wij moeten die paarden hebben.”

Zij begonnen over en weer te praten, maar hij ging voort: „Als jelui het hart hebt om een hand naar ons uit te steken, schiet ik je uit zelfverdediging in je beenen. Maar de paarden gaan mee verder.”—Hij beschouwde de zaak hiermede als afgedaan.

„Klim op dien wagen, Flack,” zei hij tot een breedgeschouderden, taaien, kleinen man. „Boon, jij neemt den kolenwagen.”

Twee wagenvoerders begonnen tegen Redwood te tieren.

„Jelui hebt je plicht gedaan jegens jelui werkgevers”, zeide Redwood. „Jelui blijven in dit dorp tot wij terugkomen. Niemand zal je de schuld geven, als ze zien dat wij geweren hebben. Wij willen niets onrechtvaardigs of gewelddadigs doen, maar de quaestie is dringend. Ik betaal als er iets met de paarden gebeurt, dus stel je op dat punt maar gerust.”

„Goed zoo,” zeide Cossar, die zelden beloften deed.

Zij lieten de sjees achter, en de mannen, die menden, gingen te voet. Over elken schouder bungelde een geweer. Het was een allervreemdste kleine expeditie voor een Engelschen landweg. Het geleek meer op een Yankee-troep, die bezig was westwaarts te trekken in de goede oude dagen der Indianen.

Zij volgden den weg, totdat zij op den top van den heuvel, bij den overstap, de Proef-Hoeve in het zicht kregen. [79]

Zij vonden boven op den heuvel een klein troepje mannen met een geweer—de beide Fulchers waren er onder anderen ook bij—en een man, een vreemde uit Maidstone, stond een paar pas vóór de anderen en nam het terrein op door een tooneelkijker.

Deze mannen wendden zich om en keken verbaasd naar Redwood’s troep.

„Iets nieuws?” zeide Cossar.

„De wespen vliegen af en an,” zei de oude Fulcher.

„Kan niet zien of ze wat meebrengen.”

„Het kanariekruid is nou al tusschen de pijnboomen,” zeide de man met den tooneelkijker. „Van morgen was het daar nog niet. Je kunt het zien groeien terwijl je er naar staat te kijken.”

Hij haalde een zakdoek uit zijn zak en wreef de glazen van den tooneelkijker doodbedaard zorgvuldig af.

„Jelui gaan zeker naar beneden, he?” waagde Skelmersdale te zeggen.

„Ga je mee?” vroeg Cossar.

Skelmersdale scheen te aarzelen.

„Duurt den geheelen nacht.”

Skelmersdale besloot, als dat zoo was, maar liever niet mee te gaan.

„Ook ratten op de vlakte?” vroeg Cossar.

„D’r zat er een tusschen de dennen van morgen. Ik vertrouw dat ie op konijnen uit was.”

Cossar sjokte weer voort om de anderen in te halen. Bensington, die van onder zijn hand naar de Proef-Hoeve tuurde, kreeg voor het eerst eenigermate een denkbeeld van de kracht van het voedsel. Zijn eerste indruk was, dat het huis kleiner was dan hij gedacht had—véél kleiner zelfs; zijn tweede indruk was, dat de geheele plantengroei tusschen het huis en het pijnbosch ontzettend groot was geworden. Het dak boven den [80]put keek nog maar even uit van tusschen acht voet hooge graspluimen en het kanariekruid had zich om den schoorsteen geslingerd en gesticuleerde met stijve ranken in de lucht. Zijn bloemen waren helder-gele vlekken, die wel een mijl ver duidelijk zichtbaar waren als afzonderlijke, gele, spikkels.

Een groote, groene kabel had zich dwars door het ijzergaas van den looper der reuzen-kuikens gewrongen en had zijn bladerstelen geslingerd om twee aan den buitenkant staande pijnboomen. Bijna half zoo hoog was ook het boschje brandnetels, dat om de karreschuur was opgeschoten. De geheele aanblik deed, hoe meer zij naderden, denken aan een aanval van dwergen op een poppenhuis dat in een vergeten hoekje van den een of ander grooten tuin is blijven staan.

Zij zagen dat de wespen voortdurend ijverig af en aan vlogen. Een zwerm zwarte gedaanten vloog door elkaar in de lucht boven de verweerde heuvelhelling achter het pijnbosch en telkens schoot een van deze gedaanten op in de lucht, met ongelooflijke snelheid, en zweefde heen naar een verwijderd doel. Hun gegons was reeds hoorbaar op meer dan een halve mijl van de Proef-Hoeve.

Eenmaal kwam een geel-gestreept monster hun kant uit schieten, zweefde een tijdlang vóór hen, naar hen kijkend met zijn groote facettenoogen, doch op een mislukt schot uit Cossar’s jachtgeweer, vloog het weder heen. Rechts in een hoek van het veld, kropen er verscheidene over eenige afgekloven beenderen, die waarschijnlijk de overblijfselen waren van het lam dat de ratten hierheen gesleept hadden van Huxter’s boerderij. De paarden begonnen onrustig te worden, toen zij deze wezens naderden. Geen van het gezelschap was een goed menner, en zij moesten ieder [81]paard bij den teugel leiden en het aanmoedigen met hun stem.

Zij zagen geen enkel spoor van de ratten, toen zij het huis naderden, en alles scheen volmaakt rustig, behalve het nu eens duidelijker, dan weer minder duidelijk aanzwellende whoozzzzzzZZZ, whoooooozoo—oe uit het wespen-nest.

Zij leidden de paarden het erf op en een van Cossar’s mannen die de deur zag openstaan—het geheele middengedeelte ervan was weggeknaagd—ging naar binnen. Niemand miste hem den eersten tijd, daar de anderen bezig waren met de vaten petroleum, en zij bemerkten eerst dat hij niet bij hen was, toen zij het knallen van zijn geweer en het fluiten van zijn kogel hoorden. „Pang, pang,” allebei de loopen, en zijn eerste kogel ging, schijnt het, door het vat zwavel, rukte er een duig aan den anderen kant uit, en vervulde de lucht met geel poeder. Redwood had zijn geweer in de hand gehouden en trok het schot er af op iets grijs’ dat hem voorbij rende. Hij zag nog even het breede achtergedeelte, den langen schubachtigen staart en lange zolen der achterpooten van een rat, en ledigde zijn tweeden loop. Hij zag Bensington neervallen op het oogenblik, dat het beest om den hoek verdween.

Toen was iedereen een tijdlang druk in de weer met een geweer. Drie minuten lang waren levens geen cent meer waard op de Proef-Hoeve, en het knallen der geweren vervulde de lucht. Redwood in zijn opwinding niet op Bensington lettend, achtervolgde het dier, en werd omver gegooid door een massa puin, kalk, cement en splinters van vermolmde latten, die recht op hem af kwam stuiven, nadat een kogel juist tegenover hem door den muur was komen vliegen.

Hij vond zich zelf op den grond zitten met bebloede [82]handen en lippen en groote stilte hing drukkend over alles om hem heen.

Toen merkte hij een geestlooze stem vanuit het huis op:

„Gee—whizz!”

„Hallo!” zei Redwood.

„Hallo daar!” antwoordde de stem.

En toen: „hebben jellui ’em?”

Een besef van de plichten der vriendschap ontwaakte in Redwood. „Is meneer Bensington gewond?” vroeg hij.

De man binnen verstond hem niet goed. „’t Is jullie schuld zèker niet, dat ik nog leef” zeide de stem.

Het werd Redwood steeds duidelijker, dat ’t niet anders kon, of hij had Bensington neergeschoten. Hij dacht niet langer aan de schrammen in zijn gezicht, stond op en vond Bensington op den grond zitten, zijn schouder wrijvend.

Bensington keek hem over zijn bril aan. „We hebben ’em smeer gegeven, Redwood”, zeide hij en toen: „hij probeerde over me heen te springen, en gooide me omver. Maar ik gaf ’m allebei de loopen, en goeie hemel, m’n schouder is murw.”

Er verscheen een man in de deur van het huis. „Eéns raakte ik ’m in zijn borst en eens in z’n zij,” zeide hij.

„Waar zijn de wagens?” zeide Cossar, te voorschijn komend uit een warbos van reusachtige kanariekruid-bladen.

Het bleek tot Redwood’s verbazing, ten eerste, dat er niemand doodgeschoten was, en ten tweede dat de trollen en de wagen wel een vijftig pas verplaatst waren, en nu met ineengeloopen wielen in den verwoesten moestuin van Skinner stonden.

De paarden hadden opgehouden met slaan en steigeren. Een eind verder lag het gebarsten vat zwavel op het pad met een wolk van stof er boven. Hij vestigde [83]Cossar’s aandacht hierop en ging er naar toe. „Heeft een van jullie die rat ook gezien?” brulde Cossar, hem volgend. „Ik raakte hem éénmaal tusschen z’n ribben, en éénmaal recht in zijn facie toen hij op me afkwam.”

Terwijl zij nog bezig waren om de in elkaar gewerkte raderen te trekken, voegden juist twee mannen zich bij hen.

„Ik heb die rat neergelegd,” zeide een van hen.

„Hebben ze ’em?” vroeg Cossar.

„Jim Bates heeft ’m gevonden, achter de heg. Ik raakte ’m net toen hij om den hoek kwam....”

„Pats, achter zijn schouder......”

Toen de zaken weder een beetje op orde waren, ging Redwood eens kijken naar het kolossale, wanstaltige lijk. Het dier lag op zijn zijde, met lichtelijk gekromd lijf. Zijn knaagtanden, die uitstaken over de onderkaak, gaven aan zijn gezicht een uitdrukking van zwakheid bij al zijn grootte en vraatzucht. Het leek niet in ’t minst woest of vrees-aanjagend. De klauwen der voorpooten deden denken aan vermagerde handen. Behalve een klein rond gaatje met een geschroeiden rand er om heen aan weerszijden van den hals, was het dier volkomen ongedeerd.

Hij bleef hierover eenigen tijd staan peinzen.

„Dan moeten er twéé ratten geweest zijn,” zeide hij eindelijk, zich afwendend.

„Ja, en die, die iedereen geraakt heeft,—is ontsnapt.”

„Ik weet anders zeker dat mijn schot......”

Een kanariekruid-rank, die op de geheimzinnige manier van alle kruipplanten naar een houvast zocht, boog zich allervriendelijkst naar zijn hals, en deed hem haastig ter zijde gaan.

„Whoe-z-z-z-z-z-z-Z-Z-Z”, klonk het uit het wespennest, een eind verder, „whoe-oe-zoe-oe.” [84]

[Inhoud]

IV.

Dit geval deed het gezelschap op zijn hoede zijn, hoewel het er niet buitengewoon ontdaan over was.

Zij brachten hun provisie in het huis, dat blijkbaar ondersteboven gehaald was door de ratten, nadat juffrouw Skinner het verlaten had, en vier van de mannen brachten de twee paarden naar Hickleybrow terug. Zij sleepten de doode rat door de heg, zóó dat zij van uit de vensters van het huis goed te zien was, en bemerkten toevallig een kolonie reuzen-oorwormen in de greppel. Deze dieren gingen haastig uit elkaar, doch Cossar stak zijn ontzettende ledematen uit en slaagde er in, er verscheidene te dooden met zijn laarzen en geweer-kolf. Vervolgens hakten twee der mannen verscheidene hoofd-stammen van het kanarie-kruid door—dit waren reusachtige cylinders van een paar voet in doorsnede, die uitkwamen bij den zinkput achter het huis; en terwijl Cossar het huis voor den nacht in orde bracht, liepen Bensington, Redwood en een der bijstand-verleenende electriciens behoedzaam om de kippenrennen heen, zoekend naar de rattenholen.

Zij maakten een wijden boog om de reuzen-brandnetels heen, want dit reusachtig onkruid bedreigde hen met giftige doornen van ruim een duim lang.

Vervolgens kwamen zij aan gene zijde van het afgeknaagde, onttakelde hek, en stonden plotseling voor het meest westelijk-gelegen reusachtige ratten-hol—, een kwalijk-riekende diepte,—dat hen op éen rij deed gaan staan.

„Ik hoop dat zij te voorschijn zullen komen”, zeide Redwood met een blik naar het afdak van den put.

„En als ze er eens niet uitkomen,” zei Bensington.

„Dat zullen ze wel,” zei Redwood. [85]

Zij bleven in gedachten verzonken staan.

„We zullen op de een of andere manier vuur moeten aanmaken àls we er in gaan,” zeide Redwood.

Zij gingen een klein paadje van wit zand op, door het dennenbosch, en hielden een oogenblik later stand in het gezicht der wespen-holen.

De zon ging nu onder, en de wespen kwamen allen naar huis; hun vleugels vormden in het gouden licht snel-ronddraaiende stralen-kransen om hen heen. De drie mannen keken behoedzaam toe van onder de boomen—zij waagden het niet tot aan den rànd van het bosch te gaan—en zagen deze kolossale insecten neerkomen, een beetje rondkruipen, de holen binnengaan en verdwijnen.

„Binnen een paar uur zijn ze kalm,” zei Redwood... ’t Is net of je weer een jongen bent.”

„We kunnen deze holen niet misloopen,” zei Bensington, „al is de nacht ook donker. Tusschen twee haakjes—hoe moet het met ’t licht”—

„Volle maan,” zei de electricien. „Heb ’t opgezocht.”

Zij gingen terug en raadpleegden Cossar.

Hij zeide, dat ’t „voor de hand lag”, dat ze voor ’t schemer de zwavel, salpeter en gips ’t bosch doorbrachten en derhalve ontlaadden zij de wagens en droegen de zakken op hun rug.

Na het noodige geschreeuw der voorafgaande orders werd er geen woord meer gesproken, en toen het gezoem uit het wespen-nest verstierf, was er bijna geen ander geluid te hooren dan het gedruisch van voetstappen, de zware ademhaling van beladen mannen en het neerwerpen der zakken. Om beurten hielp ieder een handje behalve Bensington die hier klaarblijkelijk ongeschikt voor was. Hij vatte post in de slaapkamer der Skinners met een geweer, om het lijk der doode rat te bewaken en de andere droegen [86]om beurten zakken en rustten dan weder, en hielden twee aan twee de wacht bij de ratten-holen achter het brandnetel-boschje. De zaadbolletjes der netels waren rijp, en telkens werd hun waken verlevendigd door het opengaan van een dezer bolletjes, wat precies klonk als het knallen van een pistool, en de zaadkorrels, zoo groot als hertenloopers, vlogen overal om hen heen.

Bensington zat voor zijn venster in een harden paardenharen leunstoel, waarover een smoezelige anti-macasser lag, die gedurende vele jaren een tikje van maatschappelijke distinctie gegeven had aan de huiskamer der Skinners.

Zijn geweer, waaraan hij zoo weinig gewoon was, rustte op het kozijn, en zijn bril keek nu eens naar de duistere gestalte der doode rat in het steeds-meer-dalende schemerduister, dan weer om zich heen, in vreemde overpeinzingen. Er was een flauwe stank van petroleum, want een van de vaten lekte, en deze lucht vermengde zich met een minder onaangenamen geur, die opsteeg uit den afgehakten en vertreden stengel van het kanariekruid.

Als hij het hoofd omwendde herinnerde een mengeling van vage huiselijke geuren, van bier, kaas, rotte appels en oude laarzen als leidmotieven, hem sterk aan de verdwenen Skinners. Hij keek een tijdje lang rond in het duistere vertrek. Het meubilair was zeer in wanorde gebracht—misschien wel door de een of andere nieuwsgierige rat—doch een jas aan een pen, tegen de deur, een scheermes en enkele vuile strookjes papier, en een stukje zeep dat tot een hoornachtigen dobbelsteen geworden was doordat het sedert jaren niet meer gebruikt werd, dit alles rook naar Skinner’s marquante persoonlijkheid.

De gedachte kwam in Bensington’s brein op, dat hoogstwaarschijnlijk het monster, dat daar nu in het [87]halfduister lag, Skinner gedood en opgegeten had, tenminste gedeeltelijk, iets waarvan hij den geheelen omvang nog niet overdacht had.

Waar toch een er-onschuldig-uitziende ontdekking op chemisch gebied al niet toe leiden kon!

Hier zat hij nu, in zijn eenvoudige, oude Engeland, en toch aan alle zijden belaagd door gevaren, geheel alleen met een geweer in een halfduister, bouwvallig huis, ver van elk gemak, met zijn schouder deerlijk gekneusd door het stooten van een geweer, en—bij alle heiligen!

Hij begreep nu eerst ten volle hoezeer de gewone orde van zaken van het Heelal voor hem veranderd was. Hij was weggegaan naar de plaats van dit verbazingwekkende avontuur, zonder er zelfs met één woord van te reppen tegen zijn nicht Jeanne!

Wat moest zij wel van hem denken?

Hij trachtte zich dit voor te stellen, doch het gelukte hem niet. Hij had het vreemde gevoel, dat hij en zij nu voor altijd gescheiden waren, en elkander nooit weer zouden zien. Hij gevoelde, dat hij een verbazenden stap gedaan had, en een wereld van nieuwe onmetelijke dingen had betreden. Wat voor monsters konden die steeds duisterder wordende schaduwen niet verbergen?... De toppen der reuzen-netels staken donker en scherp af tegen het bleeke groen en amber van de lucht in het westen. Alles was heel stil—heel, heel stil. Hij verwonderde zich waarom hij de anderen niet kon hooren daar ginds om den hoek van het huis. De schaduw in het karrehuis was nu één zwarte diepte.

Pang... pang... pang.

Een keten van echoos en een schreeuw.

Toen lange stilte.

Goddank! daar kwamen Redwood en Cossar opdoemen [88]uit de onhoorbare duisternis, en Redwood riep „Bensington!”

„Bensington! We hebben wéér ’n rat! Cossar heeft een tweede rat neergelegd!”

[Inhoud]

V.

Toen de expeditie zich voldoende ververscht had, was de nacht gedaald. De sterren schenen zoo helder als zij maar konden, en een steeds grooter wordende bleekheid in de richting van Hankey kondigde de maan aan. Nog steeds werd er wacht gehouden bij de rattenholen, doch de wakers hadden van plaats verwisseld en hadden post gevat op de heuvelhelling boven de holen, voelend dat dit een veiliger punt was om te vuren. Zij hurkten daar in de overvloedig vallende dauw, en bestreden de vochtigheid met whiskey. De anderen bleven in huis en de drie leiders bespraken met de mannen het werk dat hun gedurende den nacht voor de borst stond. Tegen middernacht ging de maan op, en zoodra zij boven de duinen uitkwam, begaven allen, behalve de schildwachten bij de rattenholen, zich op weg, achter elkaar loopend, in den ganzenpas, en aangevoerd door Cossar, naar het wespennest. Voor zoover het ’t wespennest betrof, was hun taak buitengewoon licht—verbàzend licht. Behalve dat ’t langer duurde, had het niet veel meer voeten in de aarde dan het eerste het beste gewone wespennest. Zeker, er was eenig gevaar bij—levensgevaar nog wel, doch dit stak zelfs het hóófd niet buiten het hol. Zij propten er de zwavel en salpeter in, stopten de holen zorgvuldig dicht en staken hunne lonten aan.

Toen wendde het geheele gezelschap, behalve Cossar, zich als één man om en rende dwars door de lange schaduwen der pijnboomen, en ziende dat Cossar stand [89]gehouden had, kwamen zij een honderd meter verder tot staan, dicht op elkaar gedrongen, knus dicht bij een greppel, die een schuilplaats aanbood. Een paar minuten lang was de zwarte en witte maannacht zwaar van een gesmoord gegons, dat aanzwol tot een gebrul, tot een diepen breeden klank, zijn hoogtepunt bereikte en toen weder verstierf; en toen—het was haast niet te gelooven—was de nacht weder stil.

„Bij den hemel!” zei Bensington, bijna fluisterend, „hij heeft ’t klaargespeeld.”

Allen stonden in spanning. De heuvelhelling boven het donkere naald-kantwerk van de schaduwen der pijnboomen was helder als het daglicht en kleurloos als sneeuw. Het verstijvende cement in de holen glom zoo waar. Cossar’s losse gestalte kwam op hen toe.

„Klaar hoor”—zei Cossar.

„Pang—pang!”

Een schot van dicht bij het huis en toen—stilte.

„Wat is dàt?” zei Bensington.

„Een van de ratten zal z’n kop naar buiten gestoken hebben,” opperde een van de mannen.

„Tusschen twee haakjes, we hebben onze geweren ginds gelaten,” zei Redwood.

„Bij de zakken.”

Iedereen begon weer den kant van den heuvel uit te loopen.

„Dat moeten de ratten zijn,” zei Bensington.

„Ligt voor de hand,” zei Cossar, op zijn nagels bijtend.

„Pang!”

„Hallo?” zei één van de mannen.

Toen klonken er plotseling een roep, twee schoten, een luiden schreeuw die bijna een gil was, drie snel op elkaar volgende schoten en het geluid van hout dat versplinterde. Al deze geluiden waren zeer duidelijk [90]en zeer klein in de onmetelijke stilte van den nacht. Toen eenige minuten lang niets dan een zacht, gedempt verward geluid uit de richting der rattenholen, en toen weder een woeste gil... allen liepen om ’t hardst naar de geweren... Weer twee schoten.

Bensington holde met het geweer in de hand door het pijnbosch achter een aantal voor hem uithollende ruggen aan. Het is eigenaardig dat de gedachte, die op dat oogenblik den boventoon voerde in zijn brein, de wensch was, dat nicht Jeanne hem nu eens kon zien. Zijn bolle opengewerkte schoenen sloegen uit in wilde groote passen en zijn gezicht was vertrokken tot een voortdurende grijns, omdat dit zijn neus deed rimpelen en zijn bril op zijn plaats hield. Ook hield hij den loop van zijn geweer recht voor zich uit, terwijl hij daar door het plekken-werpende maanlicht holde. De man die weggeloopen was, kwam hen in vollen ren tegen—hij had zijn geweer laten vallen.

„Hallo,” zei Cossar, en ving hem op in zijn armen. „Wat heeft dit te beduiden?”

„Ze kwamen er allemaal samen uit,” zei de man.

„De ratten?”

„Ja, zes waren ’t er.”

„Waar is Flack?”

„Die ligt ginds.”

„Wat zegt ie?” hijgde Bensington, die kwam aanloopen zonder dat iemand op hem lette.

„Ligt Flack ginds?”

„Hij viel.”

„Ze kwamen er een voor een uit.”

„Wat?”

„Deden een uitval. Ik loste m’n beide loopen.”

„En heb je Flack daar alleen achtergelaten?”

„Zij zaten ons op ’t lijf.” [91]

„Vooruit,” zei Cossar. „Jij gaat met ons mee. Waar is Flack? Breng ons er heen.”

Het geheele gezelschap ging op weg. Verdere bijzonderheden omtrent het gevecht ontvielen den man die weggeloopen was. De anderen, behalve Cossar die voorop ging, verdrongen zich om hem.

„Waar zijn ze nou?”

„Misschien al weer in hun holen. Ik smeerde ’n ’m. Ze renden op ons in om bij hun holen te kommen.”

„Wat bedoel je? Waren jelui dan achter ze gekomen?”

„Wij gingen naar hun hol. Zagen ze d’r uit kommen, en probeerden ze den pas af te snijden. Ze kropen d’r uit—net als konijnen. Wij holden naar beneden, en brandden los. Zij liepen wild in ’t rond na ons eerste schot, en toen kwamen ze plotseling op ons af. Op ons àf, hoor!”

„Hoeveel?”

„Zes of zeven.”

Cossar ging vóór naar den rand van het pijnbosch en hield stil.

„Bedoel je dat ze Flack gepakt hebben?” vroeg iemand.

„’k Zag wel dat er een op ’em afkwam.”

„Schoot je niet?”

„Hoe kon ik dat nou?”

„Heeft iedereen geladen?” zei Cossar over zijn schouder. Van alle kanten werd toestemmend geantwoord.

„Maar Flack—” zei er een.

„Je wilt toch niet zeggen dat Flack—” begon een tweede.

„Er is geen tijd te verliezen,” zei Cossar en riep luid „Flack!” terwijl hij vóórging. De geheele gewapende macht ging op de rattenholen toe, de man die weggeloopen [92]was een beetje in de achterhoede. Zij gingen voorwaarts door allerlei soorten welig, overdreven-groot onkruid en liepen om het lichaam van de tweede gedoode rat heen. Zij waren uitgespreid tot een lijn, waarbij elke man dicht bij zijn buurman liep; allen liepen met hun geweer recht voor zich uit en gluurden om zich heen in het heldere maanlicht, of ze niet een ineengedoken, onheilspellende gestalte zagen. Zij vonden zeer spoedig het geweer van den man die weggeloopen was.

„Flack!” riep Cossar. „Flack!”

„Hij liep voorbij de netels en viel toen,” zei de man die weggeloopen was.

„Waar?”

„Daar ginds.”

„Waar viel hij?”

Hij aarzelde en leidde hen een tijdlang door de donkere schaduwen en keerde toen om.

„Zoowat daar, geloof ik.”

„Zoo, maar nu is hij er toch niet meer.

„Maar zijn geweer dan—?”

„Bliksems nog an toe!” vloekte Cossar, „maar waar is dan alles gebleven?” Hij deed een schrede in de richting der donkere schaduwen op de heuvelhelling die de rattenholen verborg en bleef staan kijken. Toen stootte hij nogmaals een vloek uit, „àls ze hem naar binnen gesleept hebben—!”

En aldus bleven zij een tijdlang dralen, elkaar hunne gedachtetjes toewerpend. Bensington’s brilleglazen schoten stralen uit als diamanten, als hij van den een naar den ander keek. De gezichten der mannen veranderden van koude helderheid tot geheimzinnige duisternis, naarmate zij zich van of naar de maan keerden. Iedereen sprak, doch geen van allen maakten zij een zin af. Toen besloot Cossar, met zijn korte [93]manier van optreden, wat hij doen moest. Hij gooide zijn ledematen hierheen en daarheen en gooide er bevelen uit als ballen. Het lag voor de hand, dat hij lampen noodig had. Iedereen behalve Cossar liep heen in de richting van het huis.

„Ga je in de holen?” vroeg Redwood.

„Ligt voor de hand,” zei Cossar.

Hij maakte het hun nog eens duidelijk dat de lantaarns van de kar en de trolley gehaald moesten worden.

Toen Bensington dit ten volle begreep, ging hij op weg, het pad bij den put af. Hij keek over zijn schouder en zag de reusachtige gestalte van Cossar op den voorgrond staan, alsof hij in gedachten verzonken naar de holen stond te kijken. Op dit gezicht bleef Bensington een oogenblik staan en wendde zich half om. „Zij lieten Cossar daar maar alleen staan—!”

Natuurlijk, Cossar was wel in staat voor zichzelven te zorgen. Plotseling zag Bensington iets dat hem een ademloos „Hier!” deed uitschreeuwen. In een oogwenk hadden drie ratten zich uit den donkeren warbos van slingerplanten losgemaakt en kwamen op Cossar toeschieten. Drie seconden lang stond Cossar daar, zonder hen op te merken, en toen werd hij plotseling het actiefste wezen ter wereld. Hij schoot niet. Klaarblijkelijk had hij geen tijd om te mikken, of dacht hij niet aan mikken; Bensington zag dat hij zich bukte om een hem bespringende rat te ontgaan, en gaf het dier toen een slag achter zijn kop met de kolf van zijn geweer. Het monster sprong in de hoogte en viel over zijn kop duikelend op den grond.

Cossar’s gedaante verdween uit het gezicht tusschen het rietachtige gras, en toen kwam hij weder te voorschijn, op een van de andere ratten inrennend en [94]zijn geweer boven zijn hoofd zwaaiend. Een zwakke kreet trof Bensington’s oor, en toen zag hij de twee overige ratten in verschillende richtingen wegloopen en Cossar hen achterna in de richting der holen. Het geheele voorval was in nevelachtige schaduwen gehuld; alle drie vechtende monsters werden nog grooter en onwerkelijker gemaakt door de bedriegelijke helderheid van het licht. Nu eens was Cossar kolossaal, dan weder onzichtbaar. De ratten schoten voor zijn oog heen met plotselinge onverwachte sprongen, of renden met zulk een snelle beweging der pooten, dat zij op raderen leken te gaan. Het geheele voorval was afgespeeld in een halve minuut. Niemand anders dan Bensington zag het. Hij kon de andere achter zich hooren nog steeds op weg naar het huis. Hij schreeuwde iets onsamenhangends en liep toen terug naar Cossar, terwijl de ratten verdwenen.

Hij bereikte hem buiten de holen. In het maanlicht duidde het spelen der schaduwen, die over Cossar’s gezicht gleden, kalmte aan. „Hallo,” zei Cossar, „al terug? Waar zijn de Iantaarns? Ze zijn nu allemaal weer in hun holen. Eén heb ik z’n nek gebroken toen ie langs me heen kwam... Zie je? daar!” En hij wees naar het dier met een mageren vinger.

Bensington was te verbaasd om iets te zeggen... Het leek een ontzettend langen tijd vóór de Iantaarns kwamen. Eindelijk verschenen zij, eerst één helder, onbeweeglijk oog, voorafgegaan door een heen en weer bewegenden gelen gloed, en toen, nu en dan even verdwijnend en dan weder tevoorschijn komend, nòg twee. Daar achter kwamen kleine gestalten aan met zachte stemmen, en toen enorme schaduwen. Deze groep vormde als het ware één plek brand in het reusachtige droomland van maneschijn.

„Flack,” zeiden de stemmen. „Flack.” [95]

Een verklarende zin kwam tot Cossar en Bensington over. „Heeft zichzelf in het dakkamertje opgesloten.”

Cossar wekte van oogenblik tot oogenblik méér verbazing. Hij haalde groote handen-vol ruw katoen voor den dag, en propte die in zijne ooren.—Bensington vroeg zich verwonderd af waarvoor dit diende. Toen laadde hij zijn geweer met een kwart lading kruit. Wie anders dan Cossar kon aan zoo iets gedacht hebben. De illusie van het wonderland bereikte zijn hoogtepunt, toen Cossar’s twee breede vlakken schoenzool in het middelste hol verdwenen.

Cossar kroop op handen en voeten met twee geweren die aan weerszijden achter hem aan sleepten aan een touw, dat vastgemaakt was onder zijn kin, en zijn meest vertrouwde helper, een kleine donkere man met een ernstig gezicht, zou hem in de holen volgen, achter hem aan kruipen, en een lantaarn boven zijn hoofd houden. Alles was met even veel verstand voorbereid en was éven voor de hand liggend en in orde, als de droom van een krankzinnige. Het bleek dat het katoen was om het effect van het geweerschot tegen te gaan; ook de helper had wat in zijn ooren. Natuurlijk! Zoo lang de ratten voor Cossar uitvluchtten, was er geen gevaar, en zoodra zij stand hielden, zou hij hun oogen zien en daar tusschen vuren. En daar zij door den koker van het hol moesten komen, kòn Cossar ze bijna niet missen. Cossar verklaarde, dat het de meest voor de hand liggende manier was, misschien een beetje vervelend, maar absoluut zeker. Toen de helper zich bukte om naar binnen te kruipen, zag Bensington dat het eind van een kluwen bindtouw aan het jaspand van den man was vastgebonden. Hiermede moest hij het touw naar binnen trekken om zoo noodig de lichamen der ratten naar buiten te sleepen. [96]

Bensington bemerkte dat het voorwerp hetwelk hij in de hand hield, Cossar’s zijden hoed was.

Hoe was die daar gekomen?...

In ieder geval was het een soort souvenir. Bij elk van de aangrenzende holen stond een klein groepje met een lantaarn op den grond, die het hol verlichtte, en een man lag voor elk hol geknield te mikken op de ronde, ledige diepte, wachtend dat er iets zoude uitkomen.

Eindelooze spanning.

Toen hoorden zij Cossar’s eerste schot, als een ontploffing in een mijn...

Elk’s zenuwen en spieren spanden zich, en pang! pang! pang! de ratten hadden geprobeerd weg te komen, en twee waren neergeveld. Toen rukte de man die het kluwen bindtouw vasthield aan de lijn.

„Hij heeft er daar binnen een neergelegd,” zei Bensington, „en hij heeft het touw noodig.”

Hij zag toe hoe het touw het hol inkroop, en het leek wel alsof er een slangachtig leven in gevaren was—want de duisternis maakte het bindgaren onzichtbaar. Eindelijk kroop het niet langer voort, en gebeurde er een heelen tijd niets. Toen kroop er, wat Bensington het vreemdste monster van alles toeleek, langzaam uit het hol en ontpopte zich als de kleine werktuigkundige, die er achterwaarts uitkroop. Achter hem aan en diepe voren ploegend, stak Cossar zijn voeten naar buiten en toen volgde zijn door den lantaarn verlichten rug...

Slechts nog één rat was er nu in leven, en deze arme, ten doode opgeschreven sukkel zat ineengedoken in den versten schuilhoek, tot Cossar en de lantaarn weder in het gat verdween en het doodde, en eindelijk deed Cossar, die menschelijke fret, de ronde door al de holen om zich te vergewissen, dat er niet méér waren. [97]

„We hebben ze,” zei hij tot zijn van eerbied bijna stomme gezelschap. „En als ik niet zoo’n stuipekop geweest was, dan zou ik me tot op m’n middel uitgekleed hebben. Ligt voor de hand, niet waar. Voel m’n mouwen es, Bensington! Kletsnat van ’t zweet. Maar je kunt niet an alles tegelijk denken. Alleen een halve flesch whiskey kan me ’n kou van ’t lijf houden.”

[Inhoud]

VI.

Er waren oogenblikken in dezen wondervollen nacht waarin het Bensington toescheen, dat hij voorbestemd was voor een leven van fantastische avonturen. Dit was voornamelijk wel een uur lang het geval nadat hij een flink glas whiskey gedronken had. „’k Ga niet terug naar Sloanestreet,” deelde hij den langen, blonden, groezeligen monteur in vertrouwen mede.

„Niet?”

„Waarachtig niet,” zei Bensington, somber het hoofd schuddend.

De inspanning die het sleepen van de zeven doode ratten naar den brandstapel bij het brandnetelboschje van hem vereischte, deed hem baden in zweet, en Cossar wees op de voor de hand liggende physieke reactie van whiskey om hem te behoeden voor de anders onvermijdelijke kou.

Ze hielden een soort van roovers-souper in de oude met tegels bevloerde keuken, terwijl de rij doode ratten tegen de kippeloopen buiten lag in het maanlicht en na ongeveer een half uur slaap, wekte Cossar hen allen weder om het werk, dat nog gedaan moest worden, te verrichten. „’t Ligt voor de hand dat we de plaats met den grond gelijk moeten maken,” zei hij. „Geen rommel, en geen schandaal. Snap je?” Hij [98]haalde hen over tot zijn idee om de verwoesting volkomen te maken. Zij sloegen en versplinterden ieder stukje hout in huis; zij legden paden van gehakt hout overal waar de ontzaglijke plantengroei opschoot; zij maakten een brandstapel voor de rattenlijken, en overgoten ze met petroleum.

Bensington werkte als een polderjongen, die weet wat hem te doen staat. Hij bereikte zijn toppunt van vroolijkheid en energie tegen twee uur. Als hij in het verwoestingswerk een bijl zwaaide, ontvluchtte zelfs de dapperste zijn nabijheid. Daarna kalmeerde hij een beetje door het tijdelijk verlies van zijn bril, die de anderen eindelijk vonden in den zijzak van zijn jas. Mannen liepen af en aan—vuile, nijvere mannen. Cossar bewoog zich tusschen hen als een god.

Bensington dronk diep van die vreugde, die men vindt in elkaars gezelschap, die zegevierende legers en stoere expedities leeren kennen,—doch nooit zij, die het leven van eerzaam burger in steden leiden. Nadat Cossar hem zijn bijl had afgenomen, en hem aan het hout-dragen gezet had, liep Bensington af en aan, zeggend dat ze allemaal „goeie kerels” waren. Hij werkte dóór, nog lang nadat hij vermoeidheid begon te voelen.

Eindelijk was alles in gereedheid en werd er begonnen met het openbreken der petroleum-vaten. De maan, nu beroofd van haar toch reeds niet talrijk nachtelijk gevolg van sterren, scheen hoog boven den dageraad.

„Verbrand alles,” zei Cossar, af en aan loopend—„verbrand den grond en alles wat er op staat of groeit.”

Bensington kreeg hem in ’t oog; Cossar zag er nu zeer mager en vreesaanjagend uit in het eerste bleeke aanlichten van den dageraad, voorbijhollend met [99]vooruitstekende onderkaak, en een walmend zwam in de hand.

„Vooruit, kom mee!” zei iemand, aan Bensington’s arm trekkend.

De stille dageraad—er zongen daar geen vogels—was plotseling vervuld met een rumoerig geknapper; een klein, dof rood vlammetje lekte om de basis van den brandstapel, werd blauw toen het den grond raakte, en begon van blad tot blad tegen den stam van een reuzennetel op te klimmen. Een zangerig geluid vermengde zich met het geknapper...

Zij grepen haastig hunne geweren uit den hoek van de woonkamer der Skinners, en toen holden allen weg. Cossar kwam achter hen aan met zware reuzenpassen...

Nu stonden allen te kijken naar de Proef-Hoeve.

Langzamerhand vatte alles vlam; de rook en de vlammen stortten naar buiten als een menigte in een paniek, uit deuren en vensters en uit duizend spleten en reten van het dak. Cossar wist wel hoe hij een vuurtje moest stoken! Een groote rookkolom waaruit bloedroode tongen en uitschietende vuurstralen te voorschijn kwamen, schoot op ten hemel. Het was alsof er een ontzaglijke reus plotseling opstond, zich uitrekte en op eens zijn reuzenarmen over den hemel uitspreidde. Het dompelde hen weder in het duister en verbleekte geheel den gloed der zon die er achter opging. Geheel Hickleybrow bemerkte spoedig den ontzaglijken rookkolom, en kwam aangeloopen naar den heuveltop, in allerlei vormen van déshabillé om hen te zien terugkeeren. Achter hen, als een fantastische fungus1 zwaaide en vervormde zich deze rookkolom, al hooger en hooger de lucht in—en deed [100]de heuvelen laag lijken en alle andere voorwerpen klein, en op den voorgrond, aangevoerd door Cossar volgden de stichters van dezen brand, het pad, acht kleine donkere gestalten die moe, met het geweer op schouder, de weide doorkwamen.

Toen Bensington omkeek, kwam er in zijn moede brein een welbekend gezegde op, en bleef daar hangen. Wat was het ook? „Ge hebt vandaag ontstoken—? Ge hebt vandaag ontstoken?—”

Toen herinnerde hij zich Latimer’s woorden: „wij hebben heden een licht ontstoken in Engeland, dat niemand ooit weder blusschen kan—”

Wàt ’n man was die Cossar! Hij bewonderde zijn rug een tijdje en was er trotsch op, dien hoed vastgehouden te hebben. Trotsch! Hoewel hij een beroemd navorscher was en Cossar slechts aan toegepaste wetenschap deed.

Plotseling begon hij te huiveren en vreeselijk te geeuwen en wenschte, dat hij warm ingestopt in zijn bed lag op zijn kleine bovenhuis, dat uitzag op Sloanestreet. Aan nicht Jeanne te denken ging heelemaal niet meer. Zijn beenen waren strengen katoen geworden, en zijn voeten van lood. Hij verwonderde er zich over of er iemand in Hickleybrow hun koffie zou kunnen verschaffen. Hij was gedurende drie en dertig jaren nooit een heelen nacht opgebleven.

[Inhoud]

VII.

En terwijl deze acht avonturiers om de Proef-Hoeve ratten bevochten, kampte, negen mijlen ver weg, in het dorp Cheasing Eyebright, een oude juffrouw met een ontzettenden neus, met groote moeilijkheden bij het licht van een flakkerende kaars. Zij had een tang om sardinenblikjes open te breken in de eene knokkige [101]hand, en in de andere hield zij een bus Herakleophorbia, die zij zei te willen openen, of te sterven in de poging. Zij spande zich onvermoeid in, terwijl door het uiterst dunne beschot de stem van het kleine kind der Caddles klaagde. „’t Arme schaap,” zei juffrouw Skinner; en vervolgens, zich met haar eenigen tand in de lip bijtend in een extase van vastbeslotenheid, zei zij: „Hier d’r maar mee!”

En een oogenblik later, „jap!” en een nieuwe voorraad van het Voedsel der Goden werd vrijgelaten om zijn reuzengroeikracht de wereld in te slingeren.

Ornament

[102]


1 Sponsachtige uitwas van het genus fungales.

[Inhoud]

Hoofdstuk IV.

De Reuzen-Kinderen.

[Inhoud]

I.

Voor een tijd tenminste moet de zich steeds uitbreidende kring van de nog achtergebleven gevolgen op de Proef-Hoeve buiten ons verder verhaal blijven—bijvoorbeeld hoe nog een tijd lang een reuzengroei in fungus en paddestoel, in gras en onkruid voortwoekerde in dat wel verkoolde doch niet geheel uitgewischte centrum. Ook kunnen wij niet uitweiden over de geschiedenis van die twee kwijnende vrijsters, de twee overlevende hennen; hoeveel bekijks zij hadden en hoeveel verbazing zij verwekten, en hoe zij hunne verdere jaren doorbrachten in ei-looze beroemdheid. De lezer, die haakt naar verdere bijzonderheden omtrent deze dingen, verwijs ik naar de nieuwsbladen van dien tijd—naar de ruime, niet al te kieskeurige kolommen van den modernen boekstavenden Engel. Wij zullen ons verder bezighouden met den heer Bensington ten tijde van deze verontrustende dingen.

Hij was dan naar Londen teruggekeerd, en bemerkte dat hij plotseling een zeer beroemd man was geworden. In één nacht was de geheele wereld ten zijnen opzichte veranderd. Iedereen begreep hem. Het leek wel alsof nicht Jeanne er alles van wist; de menschen op straat wisten er ook alles van: de [103]bladen eveneens alles en nòg méér. Zeer zeker was het iets vreeselijks geweest nicht Jeanne onder de oogen te moeten komen, doch toen het voorbij was, was het bij slot van rekening toch niet zoo héél vreeselijk.

Zelfs háár macht over feiten had grenzen; het was duidelijk, dat zij met zichzelve te rade was gegaan en het Voedsel aangenomen had als iets dat in de natuur der dingen lag. Ze nam een houding van snauwende plichtmatigheid aan. Het was duidelijk, dat zij er haar goedkeuring geenszins aan hechtte, doch zij verbood niets. Het is mogelijk dat Bensington’s vlucht, zooals zij die moet hebben opgevat, haar vermurwd heeft, en het ergste wat zij deed, was hem met bittere volharding op te passen onder voorwendsel van een verkoudheid die de goede man niet gevat had, en van zijne vermoeidheid die hij reeds lang vergeten was, en hem een nieuw soort hygiënisch heel-wollen „combination” stel ondergoed te koopen dat even veel neiging vertoonde om gedeeltelijk binnenste buiten te keeren en gedeeltelijk niet, en waar hij, als afgetrokken mensch even moeilijk kon inkomen, als in gezelschapskringen. En nog een tijdlang, en voor zoover dit gemak hem ledigen tijd liet, ging hij voort een aandeel te nemen in de ontwikkeling van dit nieuwe element in de menschelijke geschiedenis, het Voedsel der Goden.

De publieke opinie, die haar eigen, mysterieuze wetten van selectie volgde, had hèm uitgekozen als den eenigen verantwoordelijken uitvinder en bevorderaar van dit nieuwe wonder; zij wilde niets van Redwood weten, en zonder protest stond het Cossar toe zijn natuurlijke neiging te volgen en in een uiterst vruchtbare obscuriteit te verzinken. Vóór hij bemerkte waar dit alles heen wilde, stond hij, om zoo te zeggen, [104]reeds stijf en ontleed op de schuttingen tentoongesteld. Zijn kaalhoofdigheid, zijn eigenaardige roode kleur en zijn gouden bril waren algemeen eigendom geworden. Vastberaden jonge mannen met groote, er-duur-uitziende camera’s en een air alsof zij er het volste recht toe hadden, namen Bensington’s verdieping in bezit gedurende korten, doch zeer vruchtbaren tijd, lieten er plotseling helle lichten in schijnen, die het huis nog dagen daarna met een dikken, ondragelijken stank vervulden, en gingen dan weder heen om de bladzijden der periodieken te vullen met hunne bewonderenswaardige kiekjes van den heer Bensington ten voeten uit, en te huis zittend in op één na zijn beste jasje en opengewerkte schoenen. Weer andere personen met resolute manieren, van verschillende leeftijden en sexe, kwamen binnenvallen en verhaalden hem allerlei dingen over Bom-Voedsel—het was Punch, die het goed het eerst „Bom-Voedsel” noemde—en drukten later af wat zij gezegd hadden, als zijn eigen origineele bijdrage in het interview. Het geval werd Broadbeam, den populairen humorist, een ware bezetting. Hij rook weer iets dat hij niet begrijpen kon, en tobde zich af in pogingen om het geval door zijn moppen onbeduidend te doen schijnen. Men kon hem in societeiten vinden, een grooten onbeholpen man, met de sporen van zijn middernachtelijk werken bij een walmende olie-lamp op zijn ongezond bleek gelaat afgedrukt, aan iedereen dien hij maar te pakken kon krijgen, uitleggend: „Die wetenschappelijke mannetjes weet je, hebben niet ’t minste gevoel van Humor. Dat is ’t. Deze wetenschap—vermoordt het.” Zijne grappen op Bensington werden kwaadwillige lasterschriften.

Een ondernemend agentschap in couranten-uitknipsels zond Bensington een lang artikel over hemzelven, geknipt uit een schelling’s weekblad, genaamd „Een [105]nieuwe Terreur,” en bood hem aan honderd van dezelfde artikelen te leveren voor een tientje; en twee buitengewoon bekoorlijke jonge dames, die hem geheel onbekend waren, bezochten hem, en bleven, tot de onzeggelijke verontwaardiging van nicht Jeanne, thee bij hem drinken, en zonden hem later hun verjaarsalbums om zijn handteekening in te zetten. Hij was er spoedig aan gewend zijn naam in één adem genoemd te zien met de meest onsamenhangende ideeën in de publieke pers, en in de revues artikelen te ontdekken, handelend over Bom-Voedsel en hemzelven, en geschreven op de meest familiare wijze door lieden, waarvan hij nooit gehoord had. En welke verkeerde denkbeelden omtrent het aangename van beroemdheid hij ook moge gevoed hebben in de dagen toen hij nog onbekend was, deze werden zeer spoedig en voor altijd gebannen. In het begin—Broadbeam uitgenomen—was de toon der publieke opinie vrij van alle vijandelijkheid. Het leek het publiek niet anders dan een speelsgewijze geopperde mogelijkheid, dat er nog meer Herakleophorbia zou kunnen ontsnappen. En het scheen het publiek niet in te vallen, dat de groeiende kleine groep kinderen, die nu gevoed werden met het voedsel, binnen korten tijd meer „òp” zouden groeien dan de meesten van ons ooit groeien. Waar het publiek het meest plezier in had, waren Caricaturen van eminente politici „na een kuur van Bom-Voedsel,” het gebruikmaken van de Bom-Voedsel-idee op schuttingen, en zulke stichtelijke teekeningen als van de doode wespen die aan het vuur ontsnapt waren en van de nog overblijvende kippen.

Verder dan dit keek het publiek liever niet, totdat er zeer ijverige pogingen gedaan werden om aller oogen te vestigen op de meer verwijderde gevolgen en zelfs toèn nog was de geestdrift om te handelen [106]nog maar betrekkelijk bij het publiek. „Er is altijd iets nieuws,” zei het publiek—een publiek dat zoo overvoerd was van nieuwigheden, dat het zonder verbazing zoude aangehoord hebben, dat de aarde gespleten was, zooals men een appel doorsnijdt, en dat zou gezegd hebben: „’k Zou wel es willen weten wat „ze” hierna weer zullen beginnen.”

Doch er waren er een paar die buiten het publiek stonden, en die reeds verder zagen, en enkelen, schijnt het, werden angstig van wat zij daar zagen. Daar hadt je bijvoorbeeld de jonge Caterham, neef van den graaf van Penterstone, en een van de meestbelovende Engelsche politici, die, op gevaar af voor een leuteraar gehouden te worden, een lang artikel schreef in de „Negentiende Eeuw en Daarna,” om de algeheele onderdrukking van het Voedsel voor te stellen. En dan was er nog—in sommige stemmingen—Bensington zelf.

„Ze schijnen niet te begrijpen—” zei hij tot Cossar.

„Nee, dat doen ze ook niet.”

„En doen wij dat wel? Soms, als ik er aan denk wat het zeggen wil—dit arme kind van Redwood—en, natuurlijk, joùw drie—misschien veertig voet groot!... Mogen we, bij slot van rekening er wel mee doorgaan?”

„Er mee doorgaan!” riep Cossar uit, schokkend van plompe verbazing, en met hooger stem dan ooit. „Natúúrlijk ga je d’r mee door! Waar denk je wel voor gemaakt te zijn? Om rond te slenteren tusschen je maaltijden?”

„Ernstige gevolgen,” gilde hij, „natúúrlijk! Enorm! Ligt voor de hand—Ligt voor de hand. M’n goeie man, ’t is de eenige kans die je in je leven hebt op een ernstig gevolg! En nou wil je terug!” Een oogenblik lang was hij sprakeloos van verontwaardiging. [107]”’t Is schànde!” zei hij eindelijk, en barstte nog eens nà los: „Schande!”

Doch Bensington werkte nu in zijn laboratorium met meer emotie dan lust. Hij kon niet zeggen of hij ernstige gevolgen in zijn leven wenschte of niet; hij was een man met een kalmen smaak. Het was een wondere ontdekking, natuurlijk, zeer wonderbaarlijk—maar—Hij was reeds eigenaar geworden van verscheidene hectaren verschroeiden, te slechter-faam bekend staanden grond bij Hickleybrow, tegen een prijs van bijna ƒ 1000 per are, en soms was hij geneigd ook dit als zùlk een ernstig gevolg van speculatieve chemie te beschouwen, als een man zonder eerzucht maar kon wenschen. Meer dan voldoening gevend, ja, veel meer dan voldoening gevend was de roem, dien hij bereikt had.—Doch de gewoonte van navorschen zat hem in het bloed...

En soms, in sommige oogenblikken, zeldzaam voorkomende oogenblikken, voornamelijk in het laboratorium, vond hij nu en dan nog iets anders dan gewoonte en Cossar’s argumenten om hem tot zijn werk aan te zetten. In dezen kleinen gebrilden man, die, met zijn opengewerkte schoenen om de pooten van zijn hooge kruk geslagen, zich hierop in evenwicht hield, met de hand op het pincet zijner gewichtjes, placht dan plotseling weder een lichtstraal van dat jeugd-visioen door te breken, een momenteele visie van het eeuwig ontkiemen van het zaad dat gezaaid was in zijn geest, en zag hij als het ware in de lucht, achter de grotesque gedaanten en voorvallen van het heden, de komende wereld van reuzen en al de machtige dingen die in de toekomst weggelegd waren—vaag en schitterend, als een glanzend paleis dat plotseling gezien wordt in een voorbijschietenden zonnestraal in de verte... En een oogenblik later was het [108]hem weer alsof die voorbijgaande glorie zijn geest nooit beschenen had, en zag hij niets in de toekomst dan sombere schaduwen, onmetelijke hellingen en donkere diepten, onherbergzame wildernissen, koude, woeste en vreeselijke dingen.

[Inhoud]

II.

Temidden van de ingewikkelde en verwarde gebeurtenissen, de schokken van de groote buitenwereld, die den heer Bensington zijn roem bezorgden, trad een schitterende, en actieve figuur weldra op den voorgrond—werd bijna, als het ware, een leider en heraut van deze dingen, die Bensington als buiten de zaak omgaand toeleken. Dit was dr. Winkles, die zelfbewuste jonge praktizeerende dokter, die reeds in dit verhaal ten tooneele gevoerd is als het middel waardoor het Redwood mogelijk werd het Voedsel zijnen zoon toe te dienen. Zelfs vóor het algemeen uitbreken der gevolgen in Hickleybrow, was het duidelijk, dat de geheimzinnige poeders die Redwood hem gegeven had, de levendige belangstelling van dezen heer hadden opgewekt, en zoodra de eerste wespen verschenen, bracht hij de dingen met elkaar in verband. Hij behoorde tot het soort van dokters, die in manieren, moraal, wijze van werken en voorkomen het best konden getypeerd worden met het woord „opkomend.” Hij was lang en blond, met een hard, waakzaam, pedant, aluminium-kleurig oog, haar als aangemengde kalk, regelmatige gelaatstrekken, met sterk ontwikkelde kaakspieren en vierkanten gladgeschoren kin, recht van lijf en leden en met flinken gang, vlug en zich op de hielen omdraaiend; hij droeg lange gekleede jassen, zwart-zijden dassen en eenvoudige gouden manchet- en [109]boorden-knoopen en horloge-ketting, en zijn zijden hoeden hadden een bijzonderen vorm en rand die hem er verstandiger en beter dan iemand anders deden uitzien. Hij zag er even jong of oud uit als de eerste de beste volwassene. En na dit eerste wondervolle uitbreken, klampte hij zich aan Bensington en Redwood en het Voedsel der Goden met zulk een overtuigend air van eigenaarschap vast, dat Bensington, niettegenstaande het feit dat de pers het tegendeel verklaarde, soms geneigd was hèm als den oorspronkelijken uitvinder van de geheele zaak aan te zien.

„Deze kleine ongelukjes,” zei Winkles, toen Bensington een toespeling maakte op de gevaren van verdere ontsnappingen, „deze kleine ongelukjes hebben niets te beteekenen. Niets. De ontdekking is alles. Behoorlijk uitgewerkt, zorgvuldig behandeld, verstandig gecontroleerd, en we hebben iets heel gewichtigs gevonden in dit voedsel van „òns”... Maar we moeten er een oogje op houden... We moeten het niet weer laten ontglippen, en—we moeten het er niet bij laten zitten.”

En dit was hij voorzeker niet van plan te doen. Hij kwam nu bijna elken dag bij Bensington. Als Bensington uit het raam keek, placht hij de uiterst-correcte equipage Sloane-street te zien af komen draven, en na een ongelooflijk korten tijd trad Winkles de kamer binnen met lichten, veerkrachtigen tred, en vervulde haar met gerucht, haalde het een of ander nieuwsblad uit den zak, voorzag Bensington van nieuws en maakte opmerkingen.

„Nou,” placht hij te zeggen, zich in de handen wrijvend, „en schieten we op?” en bracht met deze woorden het gesprek erop.

„Zie je wel,” zei hij bijvoorbeeld, „dat die Caterham [110]over ons goedje gesproken heeft op de Bijeenkomst van den Kerkelijken Bond?”

„Goeie hemel!” zei Bensington, „dat is ’n neef van den eersten minister, hè?”

„Ja,” zei Winkles, „een heel bekwame jonge man—werkelijk heel bekwaam. Zijn hoofd staat hem heelemaal verkeerd, weet je, verwoed reactionnair—maar op en top een handige vent, hoor. En ’t schijnt werkelijk alsof hij geld wil slaan uit ons goedje. Slaat een beslisten toon aan. Praat over „ons” voorstel om het te gebruiken op de lagere scholen—”

„Ons voorstel om het te gebruiken op de lagere scholen!”

„Ja, onlangs zei ik daar zoo iets over—zoo terloops—praatje aan een Polytechnische. Probeerde ’t duidelijk te maken, dat ’t goedje werkelijk veel goed kon doen. Niet in ’t minst gevaarlijk, niettegenstaande die kleine ongelukjes. Die kunnen onmogelijk weer plaats hebben... Weet je, ’t zóú werkelijk goed zijn voor—Maar nu is hij er over aan ’t praten gegaan.”

„Wat heb je dan gezegd?”

„Och, enkele voor de hand liggende onbeduidende dingen. Maar zooals je ziet—hij neemt het in vollen ernst op. Zegt dat er zonder dit ook al geld genoeg verknoeid wordt aan de openbare scholen. Vertelt weer de oude geschiedenissen over piano-lessen—weet je. Niemand, zegt hij, wil de kinderen uit het volk verhinderen een opvoeding te genieten, die overeenkomt met hun stand, maar door ze dergelijk voedsel te geven, zou je hun besef van verhoudingen absoluut vernietigen. Heeft ’t onderwerp nog verder uitgewerkt. Welk nut heeft het, zegt hij, arme lieden zes en dertig voet lang te maken? Hij gelooft werkelijk, zie je, dat ze zes en dertig voet lang zullen worden.”

„Dat zouden ze ook,” zei Bensington, „als je ze [111]ons voedsel geregeld gaf. Maar niemand heeft iets gezegd van—”

„Jawel, ik zei iets.”

„Maar m’n beste Winkles—!”

„Ze zullen natuurlijk nòg Grooter worden,” viel Winkles hem in de rede, met een air van „’k weet er alles van,” en verachtelijk over de onrijpe ideeën van Bensington heenloopend. „Ontegenzeggelijk Grooter. Maar luister eens naar wat hij zegt! Zal het hen gelúkkiger maken? Dat is de quaestie. Zullen ze meer eerbied hebben voor de over hen gestelde machten? Is het wel billijk tegenover de kinderen zelf?” Grappig hoe bezorgd lui van zijn slag zijn voor de rechtvaardigheid—voor zoover het schikkingen in de toekomst betreft. Zelfs heden ten dage, zegt hij, bedragen de kosten van kleeding en voeding meer dan menig ouder voor zijn kinderen kan betalen, en als dit nieuwe wordt toegelaten!—He?”

„Je ziet dat hij mijn terloops gegeven wenk tot een positief voorstel maakt. En dan berekent hij verder hoeveel een broek zal kosten voor een groeienden jongen van twintig voet ongeveer. Alsof hij werkelijk geloofde—Honderd twintig gulden berekent hij, en dan is nog alleen maar de naaktheid van den jongen bedekt. Grappige kerel, die Caterham. Zoo concreet! En op den braven en hard-werkenden belastingbetaler zal ’t neerkomen, zegt hij. Hij zegt dat wij rekenschap hebben te houden met de Rechten der Ouders. Hier staat het allemaal. Twee kolommen. Ieder ouder heeft het recht zijne kinderen groot te brengen naar zijn eigen lengte...”

„Dan komt de quaestie van de inrichting der scholen, kosten van vergroote banken en lessenaars voor ons tòch al tè zwaar belaste Rijksscholenbudget. En wat krijg je dan nòg?—een proletariaat van hongerige [112]reuzen. En hij eindigt met een heel ernstige passage; hij zegt dat, zelfs al komt er niets van dat alle perken overschrijdende voorstel—ik greep ’t zoo maar uit de lucht, moet je weten en heelemaal verkeerd uitgelegd bovendien—van die scholen, dat dan de quaestie daar nog niet mee uit is. Dit is een eigenaardig voedsel, zóo eigenaardig, dat het bijna kwaadaardig lijkt. Het is roekeloos rondgestrooid—zoo zegt hij—en niets waarborgt, dat het niet nogmaals zal worden rondgestrooid. Als men er eenmaal van genomen heeft, is het gif, tenzij men er mee doorgaat. („Dat is het ook,” zei Bensington). En om kort te gaan, hij stelt voor een „Nationaal Genootschap ter Behoud van de Normale Verhoudingen der Dingen” op te richten. Zot, he? En heel veel lui voelen er veel voor. Maar wat denken ze te doèn?”

Winkles haalde de schouders op en stak zijn handen uit. „Een vereeniging vormen,” zei hij, „en lawaai maken. Ze willen het onwettig doen verklaren, dit Herakleophorbia te fabriceeren—of tenminste het algemeen bekend maken van het bestaan ervan. Ik heb er een beetje over geschreven naar dit en dat blad, om aan te toonen, dat Caterham’s begrip van de zaak schromelijk overdreven is—schròmelijk overdreven, maar mijn geschrijf schijnt hem niet tegen te houden. Grappig, he, hoe de menschen er zich tegen gaan kanten. En de Nationale Matigheids-Bond heeft een afdeeling opgericht voor Matigheid in Groei.”

„Hm,” zei Bensington en streek zich over den neus.

„Na al wat er gebeurd is kan dat lawaai slecht uitblijven. Oppervlakkig beschouwd is de quaestie werkelijk wat—onrustbarend.”

Winkles liep een tijdje de kamer op en neer, aarzelde en vertrok.

Het was duidelijk, dat hij iets verborgen hield, iets [113]dat op twee manieren van belang voor hem was en dat hij nog niet wenschte te laten zien. Op zekeren dag toen Redwood en Bensington samen op Bensington’s kamers zaten, liet hij even doorschemeren wat het was, dat hij in reserve hield.

„Hoe staan de zaken?” zei hij, zich in de handen wrijvend.

„Wij zijn bezig een soort van rapport samen te stellen.”

„Voor het Koninklijk Genootschap?”

„Juist.”

„Hm,” zei Winkles, heel gewichtig doend, en ging naar het haardkleed. „Hm. Maar—De quaestie is maar, mag je dat wel doen?”

„Mogen we—wat?”

„Mag je dat wel publiek maken?”

„Wij leven niet meer in de middeleeuwen,” zei Redwood.

„Dat weet ik wel.”

„Zooals Cossar zegt, „kennis ruilen,”—dat is de ware wetenschappelijke methode.”

„In de meeste gevallen wel, ja. Maar—Dit is een exceptioneel geval.”

„Wij zullen het Koninklijk Genootschap de geheele zaak behoorlijk voorleggen,” zei Redwood.

Winkles kwam bij een latere gelegenheid hier op terug.

„In veel opzichten is ’t een merkwaardige uitvinding.”

„Dat verandert niets aan de zaak,” zei Redwood.

„Maar dit is een soort van wetenschap die heel licht aanleiding kan geven tot ernstige misbruiken,—„tot ernstige gevaren,”—zooals Caterham het uitdrukt.”

Redwood zei niets.

„Zelfs achteloosheid, weet je—Als we een commissie van betrouwbare lieden vormden om het vervaardigen [114]van Bomvoedsel, Herakleophorbia bedoel ik, te controleeren—zouden we kunnen—”

Hij zweeg, en Redwood, met een heimelijk onaangenaam gevoel, deed alsof hij de vraag in Winkles’ woorden niet opmerkte.

Buiten de vertrekken van Redwood en Bensington werd Winkles, niettegenstaande de onvolledigheid van zijn kennis ervan, een leidend autoriteit op het gebied van Bomvoedsel. Hij schreef brieven waarin hij het gebruik ervan verdedigde; hij schreef korte stukjes en artikelen waarin hij het nut ervan verklaarde; hij sprong op oogenblikken dat het heelemaal niet te pas kwam op in de vergaderingen der wetenschappelijke en medische genootschappen om erover te praten; hij vereenzelvigde er zich mede. Hij gaf een pamflet uit, getiteld „De waarheid omtrent Bomvoedsel,” waarin hij het geheele voorval te Hickleybrow nagenoeg tot niets reduceerde. Hij zei, dat het onzinnig was te zeggen dat Bomvoedsel de menschen zeven en dertig voet lang zou maken. Het „lag voor de hand,” dat dit overdrijving was. Natuurlijk zou het hen Grooter maken, maar meer niet...

In dat intieme kringetje van twee zag men maar al te duidelijk, dat Winkles dolgraag wilde helpen bij het maken van Herakleophorbia, en helpen bij het corrigeeren van de proeven van het een of ander artikel dat voorbereid werd over dit onderwerp, ja alles te doen waaruit hij de bizonderheden van het vervaardigen van Herakleophorbia kon te weten komen. Voortdurend vertelde hij hen beiden, dat hij voelde, dat het „een Groot Ding” was, en dat er enorme mogelijkheden in verscholen lagen. Als ze maar eerst op de een of andere manier ongestoord hun gang konden gaan. En eindelijk vroeg hij op zekeren dag ronduit, of ze hem niet zeggen konden hoe het gemaakt werd. [115]

„Ik heb nog es nagedacht over wat je zei,” zeide Redwood.

„Nu, en?” zei Winkles, plotseling oplevend.

„Het is een soort van kennis die heel licht aanleiding zou kunnen geven tot ernstige misbruiken.” zei Redwood.

„Maar ik zie niet in waar dat op slaat,” zei Winkles.

„’t Is tòch zoo,” zei Redwood.

Winkles dacht er een paar dagen over na. Toen kwam hij bij Redwood en zei dat hij er aan twijfelde of hij aan Redwood’s kleinen jongen wel langer poeders mocht geven, waarvan hij niets wist; het leek hem toe erg veel te hebben van lichtvaardig verantwoordelijkheid op zich te nemen. Dit stemde Redwood tot nadenken.

„Heb je gezien, dat de „Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van Bomvoedsel” al verscheidene duizenden leden telt?” zei Winkles van het onderwerp afstappend.

„Ze hebben een petitie op touw gezet,” zei Winkles. „En de jonge Caterham zal haar de Kamer voorleggen. ’t Gaat meenens worden, hoor. Zij zijn bezig plaatselijke comité’s te vormen om invloed te oefenen bij verkiezingen. Zij wenschen het vervaardigen en het in voorraad hebben van Herakleophorbia zonder speciale vergunning, strafbaar te stellen, en het toedienen van Bomvoedsel—zoo noemen ze het—aan eenig persoon onder de eenentwintig, als landverraad aan te merken, met gevangenisstraf zonder boete. Maar er zijn nog andere vereenigingen weet je. De „Vereeniging tot Behoud van de Oude Lichaamsgrootte” wil den heer Frederic Harrison in den raad zien te krijgen, zeggen ze. Je weet dat hij er een verhandeling over geschreven heeft; hij zegt dat het absoluut niet harmonieert met die Openbaring van het Menschelijk Geslacht die gevonden [116]wordt in de leeringen van Comte. Dat het iets is, dat zelfs de achttiende eeuw in hare ergste tijden niet zou hebben kúnnen voortbrengen. De gedachte aan dit Voedsel is nooit in het hoofd van Comte opgekomen—wat wel een bewijs is, dat het werkelijk uit den booze is. Niemand, zegt hij, die Comte werkelijk heeft begrepen...”

„Maar je wilt toch niet zeggen—” zei Redwood, die van schrik over zijn verachting voor Winkles heenraakte.

„Nou, ze zullen dat nu allemaal wel niet doen,” zei Winkles. „Maar de publieke opinie is nu eenmaal de publieke opinie, en stemmen zijn stemmen. Iedereen kan wel zien dat jullie een lastig ding in de wereld geschopt hebt. En het menschelijk instinct stelt zich onmiddellijk tegenover dingen die de rust verstoren.

„Niemand schijnt te gelooven in Caterham’s denkbeeld van menschen van zeven en dertig voet lang, die geen kerk of vergaderlokaal kunnen binnenkomen, of eenig andere maatschappelijke of menschelijke inrichting. Maar toch zijn ze er niet zoo heel gerust op. Ze zien wel dat dit iets is,—iets dat meer is dan een gewone ontdekking—”

„Dat zit er in iedere ontdekking,” zei Redwood.

„Hoe dan ook, ze worden—schichtig. Caterham zeurt maar steeds over wat er gebeuren kàn, als het weer losbreekt. Ik herhaal telkens en telkens weer dat het dat niet zàl, en dat ’t dat niet kàn. Maar—je staat er voor!”

En hij liep een tijd lang lawaaiërig in de kamer op en neer, alsof hij het onderwerp van het geheim weder wilde op de proppen brengen, bedacht zich en ging heen.

De beide geleerden keken elkaar aan. Een tijdlang spraken alleen hunne oogen.

„In het ergste geval,” zei Redwood, met gemaakt-kalme [117]stem, „zal ik het Voedsel mijn kleinen Teddy eigenhandig toedienen.”

[Inhoud]

III.

Slechts enkele dagen na dit gesprek, sloeg Redwood, zijn courant open en zag, dat de Eerste Minister een „Koninklijke Commissie ter onderzoek van Bom-Voedsel” had toegezegd. Dit deed hem, met de courant in de hand, naar Bensington’s kamer snellen.

„Ik geloof, dat Winkles de zaak aan het bederven is. Hij maakt het Caterham gemakkelijk. Hij praat er al maar over en wat het nog uitwerken zal, en jaagt de menschen vrees aan. Als hij zoo doorgaat, geloof ik vast dat hij onze navorschingen onmogelijk zal maken. Zelfs zoo als de zaken nu staan—met dit gedoe over mijn kleinen jongen—”

Bensington zei dat hij wenschte dat Winkles er mede ophield.

„Heb je wel opgemerkt, dat hij de gewoonte heeft aangenomen het Bomvoedsel te noemen. Ik mag dien naam niet,” zei Bensington, over zijn bril heenkijkend.

„Maar ’t drukt precies uit wat ’t is—voor Winkles.”

„Waarom blijft hij er zich toch zoo voor interesseeren. Hij is de uitvinder toch niet!”

„Ja, ik begrijp ’t ook niet,” zeide Redwood. „Maar al is hij de uitvinder niet, iedereen is toch mooi op weg te denken, dat hij ’t wel is. Niet dat ’t er véél op aankomt, hoor!”

„Maar als deze domme, belachelijke agitatie—eens—ernstig wordt,” begon Bensington.

„Mijn kleine jongen kan er niet meer buiten,” zei Redwood. „Ik zie niet in wat me ànders te doen staat. In ’t ergste geval—” [118]

Een licht bonzend geluid duidde de komst van Winkles aan. Hij stond plotseling midden in de kamer, zich in de handen wrijvend.

„Ik zag graag, dat je in ’t vervolg aanklopte,” zei Bensington, kwaadaardig over de gouden randen van zijn bril kijkend.

Winkles putte zich uit in excuses. Toen wendde hij zich tot Redwood. „Goed dat je hier bent,” begon hij, „de quaestie is—”

„Heb je gelezen van die Koninklijke Commissie?” viel Redwood hem in de rede.

„Ja,” zei Winkles, van zijn stuk gebracht. „Ja.”

„Wat is jouw opinie daarover?”

„Uitstekend iets,” zei Winkles. „Moèt een eind maken aan al dit lawaai. Licht laten schijnen over de geheele zaak. Caterham zijn mond snoeren. Maar daarom ben ik niet hierheen gekomen, Redwood. De quaestie is—”

„Ik moet zeggen, dat ik niet erg òp heb met die Koninklijke Commissie,” zei Bensington.

„Ik kan je verzekeren, dat dàt zaakje in orde is, hoor. Ik kan je wel zeggen—ik geloof niet dat ’t een misbruik van vertrouwen is—dat ik er hoogst waarschijnlijk zitting in zal nemen—”

„H’m,” zei Redwood, in het vuur starend.

„Ik zal dat zaakje wel in orde brengen. Ik kan het in de eerste plaats volkomen duidelijk maken, dat het goedje zeer wel in bedwang te houden is, en ten tweede, dat er wel een wonder zou moeten gebeuren als die quaestie te Hickleybrow nog eens voor zou vallen. Dat is wat ze noodig hebben, een verzekering van iemand die het weten kan. Natuurlijk zou ik met meer zelfvertrouwen kunnen spreken als ik wist—Maar dat zeg ik maar zoo, hoor. En nu dat ik toch hier ben, wou ik je meteen wel even raadplegen in [119]een ander zaakje. Ahem. De quaestie is—nu—Ik verkeer in een kleine moeilijkheid en jij kunt me daaruit helpen.”

Redwood trok de wenkbrauwen op, en was heimelijk verheugd.

„De quaestie is—zeer confidentieel.”

„Ga voort,” zei Redwood. „Je kunt op me vertrouwen.”

„Nu dan, onlangs is er een kind onder mijn behandeling gesteld—het kind van—van een Verheven Personage.”

Winkles kuchte.

„Nou, nou, je raakt mooi op weg,” zei Redwood.

„Ik moet bekennen, dat het grootendeels te danken is aan jouw poeders—en de reputatie van mijn succes met je kleine jongen—’t Is waar, ik kan het niet verhelen, de publieke opinie is erg tegen het gebruik ervan. En toch merk ik, dat onder de meer intellectueele—Je moet niet te hard van stapel loopen met dergelijke dingen—langzaam aan. En toch, in het geval van Hare Doorluchtig—ik bedoel dit nieuwe patientje van mij. Feitelijk kwam het voorstel van haar vader, of ik zou nooit—”

Het kwam Redwood voor dat hij niet goed wist, hoe zich te houden.

„Ik dacht dat je er aan twijfelde of het wel raadzaam was deze poeders te gebruiken,” zei Redwood.

„O, die twijfel was van voorbijgaanden aard.”

„Je bent toch niet van plan er mee uit te scheiden—”

„Wat jouw kleine jongen betreft? Beslist niet!”

„Voor zoover ik er kijk op heb, zou ik ’t tenminste als moord beschouwen.”

„Nee, en voor de wereld zou ’t óók niet gaan er mee op te houden.” [120]

„Je zult de poeders hebben, hoor,” zei Redwood.

„Je zoudt me zeker niet kunnen zeggen—”

„Nee, nee,” zei Redwood. „Er bestaat geen recept. Vergeef mij m’n openhartigheid, Winkles, maar probeer ’t maar niet uit me te krijgen. Ik zelf zal je de poeders maken.”

„Misschien nog wèl zoo goed,” zei Winkles, na Redwood een oogenblik strak te hebben aangekeken—„misschien nog wèl zoo goed.” En vervolgens: „ik kan je verzekeren dat ik er absoluut niets tegen heb.”

[Inhoud]

IV.

Toen Winkles weg was, kwam Bensington op het haardkleed staan en zag op Redwood neer.

„Hare Doorluchtigheid!” merkte hij op.

„Hare Doorluchtigheid!” zei Redwood.

„Het is de prinses van Weser Dreiburg!”

„Niet verder dan een nicht in den derden graad.”

„Redwood!” zei Bensington, „’t is natuurlijk gek dat ik ’t zeg, maar—geloof je dat Winkles ’t begrijpt?”

„Wat?”

„Wàt het is dat wij gemaakt hebben.”

„Zou hij werkelijk begrijpen,” zei Bensington, zijn stem latende dalen, en zijn blik op de deur gericht houdend, „dat in de Familie—de Familie van zijn nieuwe patiente—”

„Ga door,” zei Redwood.

„Die altijd een beetje onder—onder—”

„De middelbare lengte?”

„Juist. En zoo bijzonder tactvol onberoemd als hij is op elk mogelijk gebied, gaat hij nu een koninklijk personage te voorschijn brengen—een te langzaam [121]groeiend koninklijk personage—van diè grootte. Weet je, Redwood, ik ben er niet zeker van of er niet iets bijna—verraderlijks in schuilt....”

Hij wendde zijn oogen van de deur naar Redwood.

Redwood maakte een gebaar—met gestrekten wijsvinger—in de richting van het vuur. „Bij den hemel!” zei hij, „hij weet ’t níét!”

„Die man,” zei hij, „weet nièts. Dat was reeds zijn meest tergende eigenschap als student. Letterlijk niets. Hij kwam door al zijn examens, hij had al zijn feiten bij elkaar—en hij had evenveel kennis als een draaiende boekenplank waarop de „Times Encyclopedie” staat. En nù weet hij nog evenmin iets. Hij is Winkles en niet in staat om werkelijk iets in zich op te nemen en te verwerken, wat niet in onmiddellijk verband staat met zijn oppervlakkig, pedant eigen-ik. Alle verbeeldingskracht ontbreekt hem en als een gevolg daarvan, is hij ongeschikt voor kennis. Niemand kan zonder juist diè ongeschiktheid, door zooveel examens komen, en zoo goed gekleed gaan, en zooveel succes hebben als dokter. Dat is de geheele quaestie. En niettegenstaande alles wat men hem verteld, en wat hij gehoord en gezien heeft, heeft hij nòg geen vaag begrip van wat hij aan den gang gebracht heeft. Hij heeft een goed zaakje aan de hand, dat hij opkweekt met Bomvoedsel, en de een of ander heeft hem die koninklijke baby in handen gespeeld. En het feit, dat Weser Dreiburg over eenigen tijd zal staan voor het reuzen-probleem van een dertig en idem zooveel voet lange prinses, is niet alleen niet in zijn hoofd opgekomen, maar kòn het ook niet—kòn het ook niet.”

„’t Zal een ontzettende herrie geven,” zei Bensington.

„Ja, binnen een jaar of zoo al.” [122]

„Zoodra ze zien dat het kind al maar blijft dóórgroeien.”

„Tenzij zij, zooals dat doorgaans in dergelijke kringen gedaan wordt, ’t doodzwijgen.”

„’t Is anders wel wat véél om stil te houden.”

„Ja, nog al!”

„’t Zal me benieuwen wat ze zullen doen?”

„Zij dòèn nooit iets—Koninklijke tact.”

„Maar ze moeten toch ièts doen.”

„Misschien dat zij dat wel zullen doen.”

„O, Heer, ja.”

„Zij zullen haar achterbaks houden. Dat is meer gebeurd.”

Redwood barstte in een onbedaarlijk gelach uit.

„Het overtollige koningskind—de niet te stuiten baby met het IJzeren Masker!” zei hij.

„Ze zullen haar in den hoogsten toren van het oude kasteel Weser Dreiburg moeten zetten, en gaten in de plafonds maken, naarmate zij van verdieping tot verdieping groeit!”...

„Nu, ik verkeer in ’t zelfde geval. En Cossar en zijn drie jongens net zoo. En—nu ja.”

„’n Ontzettende herrie zal dat geven,” herhaalde Bensington, niet mede lachend. „Ontzettend.”

„Ik vertrouw dat je de quaestie goed overdacht hebt, Redwood. Maar weet je zeker dat ’t niet wijzer zoude zijn Winkles te waarschuwen, jouw kleine jongen er langzamerhand zien af te brengen—en—ons te vergenoegen met de Theoretische Overwinning die we behaald hebben?”

„Ik wou waaràchtig dat je eens een half uur doorbracht in mijn kinderkamer als het Voedsel een beetje laat is,” zei Redwood, met een ongeduldigen klank in zijn stem, „dan zou je wel anders praten, Bensington. Bovendien—stel je voor, Winkles waarschuwen!... [123]Nee hoor! De opkomende vloed van deze quaestie heeft ons onverhoeds overvallen en of we bang zijn of niet—we zullen moèten zwemmen!”

„Ja, daar zal wel niet anders opzitten,” zei Bensington, naar zijn teenen starend. „Ja, we moeten zwemmen. En jouw jongen zal moeten zwemmen en Cossar’s jongens—hij heeft het aan alle drie gegeven. Niets halfs in Cossar—alles of niets. En Haar Doorluchtigheid. En al het verdere. Wij gaan voort met het Voedsel te maken.”

„Cossar ook. Wij zijn pas in den dageraad van het begin, Redwood. Het is duidelijk, dat er allerlei dingen volgen zullen. Monsterachtig groote dingen. Maar ik kan me ze niet goed voorstellen, Redwood. Behalve—”

Hij keek vorschend naar zijn nagels. Toen keek hij Redwood aan met zachte oogen door zijn bril.

„Ik geloof half en half,” waagde hij te zeggen, „dat Caterham gelijk heeft. Soms. Het zal wèrkelijk de normale afmetingen der dingen omverwerpen. Het zal in de plaats komen van—Ja, wat zal het niet verplaatsen?”

„Wat het ook doet,” zei Redwood, „mijn kleine jongen moet het Voedsel hebben.”

Zij hoorden iemand vlug tegen de trap optuimelen. Toen stak Cossar zijn hoofd om de deur. „Hallo!” zei hij, toen hij hun gelaatsuitdrukking zag en binnenkomend: „Wel?”

Zij vertelden hem de quaestie met de prinses.

„Moeilijk geval?” merkte hij op. „Geen quaestie van. Zij zal groeien, jouw jongen zal groeien. Al de anderen waaraan je ’t gaf, zullen groeien. Alles. En hard ook. Waar steekt het moeilijke van de zaak? Alles in orde, hoor. Een kind kan je dat zeggen.... Waar zit de moeilijkheid?” [124]

Zij trachtten hem dat duidelijk te maken.

„Er niet mee doorgaan!” gilde hij bijna. „Maar—! Jullie staat machteloos. Daar ben jelui voor op de wereld. Daar is Winkles voor. Alles in orde, hoor! Heb me dikwijls verwonderd waar Winkles eigenlijk voor was. Nù ligt ’t voor de hand. Herrie. Natúúrlijk. Dingen in de war brengen? Zal àlles in de war brengen. En eindelijk zal het àlle menschelijke aangelegenheden omverwerpen. Helder als de dag, niet waar! Ze zullen probeeren ’t tegen te houden, maar ze zijn er te laat bij. Dat zijn ze meestal. Jullie gaat er mee door en verspreidt er zoo veel van als je maar kunt. Dank God dat hij je ergens voor gebruiken wil!”

„Maar de strijd die er uit volgen moet!” zei Bensington, „de spanning! Ik weet niet of je je wel een denkbeeld gevormd hebt—”

„Jij behoorde de een of andere stronk groente geweest te zijn, Bensington,” zei Cossar—„dat moest je. Iets dat groeide op een kunstrotsje in ’n tuin. Daar zit je nu, wonderbaarlijk geformeerd, en jij denkt dat ’t eenige waar je voor op aarde bent, is om hier en daar wat om te hangen en je malen te gebruiken. Denk je dat deze wereld gemaakt is voor ouwe wijven om wat in te luiwammissen? Maar hoe dan ook, jelui staat er machteloos tegenover—je moèt er wel mede doorgaan.”

„Ik vertrouw ’t ook,” zei Redwood. „Langzaam.”

„Neen!” zei Cossar, met een geweldigen kreet. „Neen! Maak er zooveel van als je kunt en zoo vlug je maar kunt. Strooi het overall”

Hij werd geïnspireerd tot een vlaag van geestigheid. Hij parodieerde een van Redwood’s kromme lijnen met een breeden zwaai omhoog van zijn arm. „Redwood!” zei hij, om zijn beweging duidelijker te maken, „maak het Zoo!” [125]

[Inhoud]

V.

Er schijnt een lengte-grens te zijn voor moedertrots, en deze werd in mevrouw Redwood’s geval bereikt, toen haar spruit de zesde maand van zijn aardsch bestaan volbracht, zijn uiterst soliede bassinet-kinderwagen in elkaar deed zakken, en thuis gebracht werd op den melkwagen. De jonge Redwood woog te dien tijde vijf en negentig en een half pond, mat acht en veertig duim in de lengte en kon ongeveer zestig pond opbeuren. Hij werd naar de kinderkamer boven gedragen door de keukenmeid en de werkmeid. Na deze gebeurtenis was ontdekking nog slechts een quaestie van dagen. Op zekeren middag kwam Redwood uit zijn laboratorium thuis en vond zijn ongelukkige vrouw verdiept in de boeiende bladzijden van „Het Machtige Atoom,”1 en toen zij hem zag, legde zij haar boek terzijde, liep driftig op hem toe en barstte in tranen uit, terwijl zij tegen zijn schouder leunde.

„Zeg mij toch wat je aan hem gedaan hebt,” klaagde zij. „Zeg me toch wat je gedaan hebt.”

Redwood vatte haar hand, en leidde haar naar de sofa, terwijl hij nadacht hoe hij zich het best verdedigen kon.

„O, ’t is niets, lieve,” zei hij; „’t is niets hoor. Je bent alleen wat overspannen. ’t Komt door dien goedkoopen kinderwagen. Ik heb een man, die altijd achter een ziekenstoel loopt, besteld om morgen hier te komen met iets stevigers.”

Mevrouw Redwood keek hem door haar tranen heen aan over de punt van haar zakdoek.

„Een baby in een ziekenstoel?” snikte zij.

„Nu, waarom niet?” [126]

„Dan is het net of hij kreupel is.”

„Als een jonge reus, lieve, en je hoeft je heusch niet over hem te schamen.”

„Je hebt iets aan hem gedaan, Dandy,” zei zij. „Ik kan het aan je gezicht zien.”

„Nu, in ieder geval heeft hij toch niet opgehouden te groeien,” zei Redwood harteloos.

„Ik wist het wel,” zei mevrouw Redwood en frommelde haar zakdoek tot een bal in haar eene hand. Zij keek hem plotseling streng aan. „Wat heb je aan ons kind gedaan?”

„Wat is er dan met hem?”

„Hij is zoo groot. ’t Is een monster.”

„Onzin. Hij is zoo recht van lijf en leden en zoo gladjes als je maar wenschen kunt. Wat is er dan met hem?”

„Zie dan toch eens hoe groot hij is.”

„O, dat is volkomen in orde. Kijk liever eens om je heen naar die kleine, sukkelende kinderen van anderen. Hij is de flinkste baby—”

„Hij is tè flink,” zei mevrouw Redwood.

„Dat gaat zoo niet door,” zei Redwood geruststellend, „’t is zoo maar een groeischeut.”

Maar hij wist zeer goed, dat het wèl zou doorgaan. En dat deed het dan ook. Toen deze baby een jaar oud was, waggelde hij heen en weer, juist een duim onder de vijf voet lang, en woog honderd vijftien pond; hij was inderdaad even groot als een cherubin in de Sint Pieters „in Vaticano”, en zijn speelsche greep naar het haar en de gelaatstrekken der bezoekers werd het onderwerp van den dag in West-Kensington. Zij hadden een invalide-stoel om hem naar boven en beneden te dragen naar zijn kinderkamer, en zijn speciale ziekenzuster, een stevig jong vrouwspersoon die juist haar proeftijd achter den rug [127]had, ging met hem wandelritten doen in een Panhard-ziekenstoel-auto van 8 paardekracht, in staat heuvels van een hoek van vijftien graden te beklimmen, en speciaal gemaakt ten zijnen dienste. Het was in ieder opzicht gelukkig dat Redwood bij zijn professorschap nog verstand van dergelijke dingen had ook. Als men over den schok van de enorme grootte van den kleinen Redwood heen was, zoo hebben wij lieden die hem dagelijks langzaam Hyde-Park zagen rond-tuf-tuffen hooren zeggen, was hij een wonder-vroolijke en lieve baby. Hij schreeuwde zelden en behoefde niet gesust te worden. Doorgaans omklemde hij een grooten ratel, en soms riep hij onder het voorbijgaan de omnibus-koetsiers en de politie-agenten langs den weg buiten het hek toe met „Dadda” en „Babba!” op een sociaaldemocratische manier.

„Daar gaat dat groote kind, dat met Bomvoedsel gevoed wordt,” zei de omnibus-koetsier dan.

„Ziet er gezond uit,” zei de passagier, die naast hem op den bok zat.

„Opgevoed met de flesch,” legde de koetsier dan uit. „Ze zeggen dat er zoowat vier liter ingaat, en dat ie speciaal voor ’m gemaakt moest worden.”

„’Eel gezond kind, ’oe dan ook,” besliste de passagier voorop.

Toen mevrouw Redwood tot het besef kwam, dat de groei onbepaald en logisch voortging—en dit deed ze werkelijk voor de eerste maal toen de motor-kinderwagen voor de deur reed—gaf ze toe aan een wilde smart. Ze verklaarde, dat ze nooit weder in de kinderkamer wilde komen, dat ze wenschte dat ze dood was, en dat haar kind dood was, dat iedereen dood was, wenschte dat ze Redwood nooit getrouwd had, dat ze niemand getrouwd had, en trok zich in haar eigen kamer terug, waar zij gedurende [128]drie dagen bijna uitsluitend van kippesoep leefde. Toen Redwood kwam om haar tot andere gedachten te brengen, gooide zij met de sofakussens, weende en bracht haar haar in wanorde.

„O, hij is zoo gezond als een visch,” zei Redwood. „Waarachtig, hij is er niet slechter aan toe omdat hij groot is. Je zoudt toch niet willen, dat hij kleiner was dan de kinderen van anderen?”

„Ik wil dat hij nèt is als andere kinderen, niet kleiner en niet grooter. Ik had gehoopt dat hij een aardig klein ventje zou worden, net als Georgina Phyllis een aardig klein meisje is, en ik wilde hem grootbrengen zoodat hij lief werd, en kijk nù eens”—en de stem van de ongelukkige vrouw brak weder—„hij draagt schoenen van nummer vier voor volwassenen, en wordt rondgereden door—boeboe!—Petroleum! Ik kan hem nooit liefhebben,” klaagde zij. „Hij is me tè groot! Ik kan nooit een moeder voor hem zijn, zooals ik had willen zijn!”

Doch eindelijk kregen ze haar er toe naar de kinderkamer te gaan, en daar zat Edward Monson Redwood („Pantagruel” was pas later zijn bijnaam) te schommelen in een speciaal versterkten hobbelstoel, en glimlachte en zeide „yoe en wou.” En het hart van mevrouw Redwood ging weder uit naar haar kind, en zij nam hem in haar armen en weende.

„Ze hebben iets aan je gedaan,” snikte zij, „en je zult al maar doorgroeien, liefje, maar wat ik voor je kan doen om je fatsoenlijk groot te brengen, dat zàl ik doen, wat je vader er ook van mag zeggen.”

En Redwood, die geholpen had haar naar de deur te brengen, ging erg verlucht de gang af.

(„Hè, maar ’t is een min zaakje een man te zijn—tegenover vrouwen tenminste!”) [129]

[Inhoud]

VI.

Vóór er een jaar verstreken was, waren er, behalve Redwood’s pionier-voertuig, een heel aantal motor-kinderwagens te zien in het westen van Londen. Men heeft mij verteld, dat er wel zeven waren; doch een zeer nauwkeurig onderzoek wijst uit, dat er slechts zes waren in de Hoofdstad te dien tijde. Het scheen dat het goedje verschillend werkte op verschillende constituties. In het begin leende Herakleophorbia zich niet tot inspuiten, en het is boven allen twijfel verheven dat er een groot aantal menschelijke wezens niet in staat zijn deze stof in zich op te nemen en op de normale wijze te verteren. Het werd bijvoorbeeld gegeven aan den jongsten zoon van Winkles; doch hij schijnt even weinig in staat geweest te zijn tot groeien, als,—zoo Redwood tenminste gelijk had—, zijn vader tot kennis in zich opnemen. Weer anderen werden er, volgens de „Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van Bomvoedsel,” op de een of andere onverklaarbare wijze door verdorven, en stierven reeds in het begin aan kinderkwaaltjes. De jongens van Cossar namen het in zich op met verbazingwekkende gulzigheid.

Natuurlijk komt iets als dit nooit in het leven van een mensch met absolute eenvoudigheid van toepassing; groei, in het bijzonder, is een ingewikkeld iets, en alle generalisaties moeten uit den aard der zaak een weinig onnauwkeurig zijn. Doch de algemeene regel van het Voedsel leek dèze te zijn: dat als het organisme het in zich kòn opnemen op de een of andere manier, het dit in alle gevallen nagenoeg even sterk stimuleerde. Het vermenigvuldigde het groeicijfer van zes tot zeven malen, en daar bòven ging het niet, hoeveel van het Voedsel ook verder genomen [130]werd. Te groote hoeveelheden van Herakleophorbia, toegediend boven het noodige minimum, leidden, zooals men bevond, tot ziekelijke storingen in de spijsverteringsorganen, tot kanker en gezwellen, beenverhardingen en dergelijke. En als de groei eenmaal op groote schaal begonnen was, bleek het weldra dat men er slechts op denzelfden voet mede kon doorgaan, en dat het onafgebroken toedienen van kleine doses Herakleophorbia dringend noodig was.

Hield men er mede op, terwijl de groei nog in gang was, dan vertoonde zich eerst een onbestemde rusteloosheid en benauwdheid, dan een tijdperk van abnormaal veel eten,—zooals in het geval der jonge ratten te Hankey—en dan kreeg het groeiende wezen een soort van erge bloedarmoede, ging kwijnen en stierf. Planten leden op een dergelijke wijze. Doch dit alles was alleen toepasselijk op het groei-tijdperk. Zoodra de mannelijke staat bereikt was—in planten openbaarde zich dit door de vorming van de eerste bloemknoppen—werd de behoefte aan, en de lust naar Herakleophorbia minder, en zoodra de plant of het dier volkomen volwassen was, hield alle behoefte aan elken verderen toevoer van het Voedsel op. De plant of het dier was dan als het ware geheel gevormd op de nieuwe basis. Het was zoo gehéél hiernaar gevormd dat, zooals de distels van Hickleybrow en het gras aan den duinkant reeds gedemonstreerd hadden, het zaad van dit dier of deze plant reuzen-nakomelingschap voortbracht, even groot als de ouders.

En het duurde niet lang of de kleine Redwood, pionier van het nieuwe geslacht, en het eerste kind van allen dat het voedsel at, begon in de kinderkamer rond te kruipen, meubels te breken, te bijten als een paard, te knijpen als een nijptang en reuzen-babytaal te stamelen tegen zijn „paatje,” en „maatje,” en [131]tegen zijn tamelijk onthutsten en van ontzag vervulden vader, die dit kwaad in de wereld geschopt had.

Het kind was geboren met goede voornemens. „Padda zoet zijn, zoet zijn,” placht hij te zeggen, terwijl alles wat maar breekbaar was voor hem uit vloog. „Padda” was zijn overzetting van Pantagruel, den bijnaam dien Redwood hem gegeven had. En Cossar, zich niet storend aan eenige Oude Oorkonden die hem zeer spoedig in moeilijkheden brachten, ging, na een conflict met de plaatselijke bouw-verordening, op een braakliggend stuk grond, dat grensde aan Redwood’s huis, aan het bouwen van een heerlijke, goed-verlichte speelkamer, schoollokaal en kinderkamer voor hun vier jongens—zestig voet in het vierkant, en veertig voet hoog.

Redwood vatte een ware passie op voor deze groote kinderkamer terwijl hij en Cossar haar bouwden, en zijne belangstelling in kromme lijnen ging aan het tanen, zooals hij nooit gedroomd had dat zij kòn tanen, en maakte plaats voor belangstelling in de dringende behoeften van zijn zoon. „Er zit heel wat in het behoorlijk in orde brengen van een kinderkamer. Heel wat. De wanden, de dingen die er in zijn, dit alles zal tot onzen nieuwen geest spreken, hier een beetje meer, daar een beetje minder welsprekend, en hem al of niet duizenderlei dingen leeren.”

„Ligt voor de hand,” zei Cossar, haastig naar zijn hoed grijpend.

Zij werkten eenstemmig samen, doch Redwood zorgde voor het grootste gedeelte der opvoedkundige theorie die noodig was... Zij lieten de wanden en het houtwerk verven met prettige, heldere kleuren; voor het meerendeel voerde een, door een andere kleur wat warmer gemaakt, wit den boventoon, doch er waren ook strepen heldere zuivere kleur om de eenvoudige [132]lijnen der constructie beter te doen uitkomen. „We moèten zuivere kleuren hebben,” zei Redwood, en liet op een plaats een aardigen horizontalen rand ruiten aanbrengen, waarin purper en karmozijn, oranje en geel, blauw en groen prijkten. Deze ruiten moesten de reuzen-kinderen schikken en herschikken naar eigen genoegen. „Er moeten versieringen volgen,” zei Redwood; „laat ze eerst de rij van al de tinten in hun hoofd prenten, dan kan dit weg. Er is geen reden waarom wij hen zouden doen overhellen naar een bepaalde kleur of dessin.”

Vervolgens zei Redwood: „Het lokaal moet overal voor hen belangwekkende dingen bevatten. Belangstelling is voedsel voor een kind en leegheid kwelling en verhongering. Hij moet massa’s prenten hebben!” Er werden geen vaste prenten opgehangen in het vertrek, doch blanco lijsten werden aangebracht, waarin steeds nieuwe afbeeldingen konden gezet worden en van daar in een portefeuille gelegd, zoodra hunne belangstelling erin begon te tanen. Er was één venster van waaruit men de geheele lengte eener straat kon afzien, en dan had Redwood, om hunne belangstelling nog te verhoogen, boven op het dak der kinderkamer een camera obscura aangebracht, die uitzag op Kensington High Street en op een deel van het Kensington Park.

In een hoek wachtte dat waardige werktuig, een rekentafel,—vier voet in het vierkant, een speciaal versterkt stuk ijzer met afgerande hoeken—, de eerste rekensommen der jonge reuzen. Er waren weinig wollen lammeren en dergelijke speeldingen, doch inplaats hiervan had Cossar op zekeren dag, zonder verderen uitleg, met drie vigilanten een groot aantal speeldingen aangebracht (allen natuurlijk net iets te groot om doorgeslikt te worden door de kinderen); [133]deze dingen konden worden opgestapeld, op rijen gerangschikt, in het rond gegooid; er kon in gebeten worden, er waren er die konden klepperen en ratelen, die tegen elkaar geslagen konden worden, die ze konden bevoelen, uittrekken en opendoen, sluiten en verminken en proeven op nemen tot in het oneindige. Er waren veel blokken hout in verschillende kleuren, ovale en kubieke, blokken van glanzend porcelein, blokken doorschijnend glas en blokken gomelastiek; er waren leien en griffels; kegels en afgeknotte kegels, en verlengde spheroïden, ballen van verschillende grondstof, massieve en holle, veel doozen van verschillende grootte en vorm, met hengsel-deksels en deksels die er op moesten vastgeschroefd worden, en een paar om op slot te draaien; er waren riemen van leer en van elastiek, en een aantal grove en stevige voorwerpen, alle even groot, die stevig konden staan, en de gedaante van een mensch voorstelden. „Geef ze deze,” zei Gossar. „Eén tegelijk.”

Deze dingen schikte Redwood in een kist in een hoek. Langs den eenen wand in het vertrek, op een behoorlijke hoogte voor een zes- of acht voet lang kind, was een bord, waarop de kinderen konden teekenen met wit en gekleurd krijt, en daar dichtbij een soort teeken-bloknoot, waarop zij met houtskool konden teekenen, en dan was er een kleine lessenaar, voorzien van groote timmerman’s potlooden van verschillende hardheid en een ruime voorraad papier, waarop de jongens eerst konden krabbelen en daarna netter konden teekenen. En bovendien bestelde Redwood, (want zóóver liep zijne verbeelding vooruit) bijzonder groote tuben verf en verfdoozen, tegen den tijd dat zij noodig zouden zijn. Hij sloeg een vat modelleer-klei in. „Eerst zullen hij en zijn leeraar tezamen modeleeren,” zei hij, „en als hij wat meer [134]kent, zal hij gipsen en misschien dieren namaken. En à propos, ik moet ook een kist met gereedschap voor ze laten maken!”

„En dan nog boeken. Ik zal ’n massa boeken moeten uitzoeken, en wat ’n druk zal dàt moeten zijn. Wat genre van boeken zullen ze noodig hebben? Hun verbeelding moet gevoed worden. Want deze is bij slot van rekening toch maar de kroon van alle opvoeding. De kroon—zooals gezonde gewoonten van geest en leven de troon zijn. Heelemaal geen verbeelding staat gelijk met een dierlijken staat; een lage verbeelding is wellust en lafheid; doch een edele verbeelding is God die weder op aarde wandelt. Zij moeten ook droomen van een heerlijk sprookjesland en van al de typische kleine dingen van het leven, als ze zoover zijn. Doch hoofdzakelijk moeten zij hun geest voeden met de heerlijke werkelijkheid; zij zullen verhalen hebben van reizen, de geheele wereld door, reizen en avonturen, en hoe de wereld veroverd werd. Zij zullen dierengeschiedenissen hebben, groote, duidelijke, prachtige boeken over dieren en vogels, planten en kruipende wezens, groote boeken over de eindeloosheden der lucht en de mysteriën der zee; ze zullen de geschiedenis en kaarten hebben van al de rijken, die de wereld heeft zien komen en gaan, afbeeldingen en verhalen van al de stammen en de gewoonten en gebruiken der menschen. En dan nog moeten ze boeken en prenten hebben om hun schoonheidsgevoel te ontwikkelen, fijne Japansche afbeeldingen, om hen de fijnere schoonheid van vogel en bloemenrank te doen liefhebben, en ook westersche afbeeldingen, van mooigevormde mannen en vrouwen, lieve groepeeringen, en wijde vergezichten van land en zee. Zij zullen boeken hebben van huizen en paleizen; zij zullen zelven vertrekken ontwerpen en steden uitdenken”— [135]

„Ik denk ze een klein theater te geven.”

„En dan is er de muziek nog!”

Redwood dacht hier over na, en besloot dat zijn zoon het beste deed te beginnen met een zuiver-klinkend harmonicon van één octaaf, dat misschien later kon vergroot worden. „Hiermee zal hij eerst spelen, er bij zingen en namen aan de noten geven,” zei Redwood, „en daarna—?”

Hij keek op naar de vensterbank daarboven, en mat de grootte van het vertrek met zijn oog.

„Ze zullen zijn piano hierbinnen in elkaar moeten zetten,” zei hij. „Haar in stukken hier binnenbrengen.”

Hij bleef nog wat wijlen tusschen zijne voorbereidende maatregelen, en leek temidden van al deze grootheid een peinzende, donkere, kleine gestalte. Als ge hem daar hadt kunnen zien, zou hij u een tien-duims’ mannetje hebben toegeleken temidden van gewone kinderkamer-dingen. Een groot dekkleed—in werkelijkheid was het een Turksch tapijt—van vierhonderd vierkante voet, en waarop de jonge Redwood weldra zou rondkruipen, strekte zich uit tot den met een rooster afgeschutten electrischen radiator, die het geheele gebouw verwarmen zou. Een van Cossar’s mannen hing heel hoog tusschen de palen van een steiger, om de groote lijst op te hangen waarin de te verwisselen schilderijen zouden geschoven worden. Een vloeiboek voor plantensoorten, zoo groot als een huisdeur, leunde tegen den wand, en uit dit boek stak een reusachtige stengel, een rand van een blad en een bloem van het vogelkruid, allen van die reusachtige grootte die Urshot weldra beroemd zoude maken, de geheele botanische wereld door...

Een soort van ongeloovigheid beving Redwood, terwijl hij temidden dezer dingen stond. [136]

„Als het werkelijk doorgáát—” zei hij, naar het plafond daàr heel hoog starend.

Uit de verte kwam een geluid, als het loeien van een Mafficking stier, alsof het een antwoord op zijne gedachten was.

„Blijkbaar gaat alles nog geregeld zijn gang,” zei Redwood. Er volgden dreunende slagen op een tafel, gevolgd door een luiden kraaienden kreet „Goeloe, Boezoe! Bzz....” „’t Beste wat ik doen kan,” zei Redwood, een anderen gedachtengang volgend, „is dat ik zelf hem onderwijs.”

Het geklop werd hoe langer hoe heviger. Een oogenblik lang leek het Redwood alsof er ’t rythme inkwam van het dreunen eener machine—als de machine van een zwaren langen trein van gedachten die op hem afkwamen. Toen verbrak een opeenvolging van lichtere vluggere slagen dezen gedachtengang, en werd eenige malen herhaald.

„Binnen,” riep hij uit, bemerkend dat er iemand tikte, en de deur die groot genoeg voor een kathedraal was, ging langzaam een eindje open. De nieuwe kruk hield op te knarsen en Bensington verscheen in den kier, goedaardig glimlachend onder zijn sterk-uitkomende kaalhoofdigheid en over zijn bril.

„Ik heb ’t er maar es op gewaagd om es te komen zièn,” fluisterde hij, op vertrouwelijken toon.

„Kom binnen,” zeide Redwood, en dit deed hij, terwijl hij de deur achter zich sloot.

Hij kwam naar Redwood toe met de handen op den rug, deed een paar stappen en gluurde naar boven met een vogelachtige beweging van den hals. Hij streek zich nadenkend over de kin. „Telkens als ik binnen kom,” zei hij op ingehouden toon, „treft het me als—„Groot”.

„Ja,” zei Redwood, zijn oog eveneens nog eens over [137]alles latend dwalen, alsof hij trachtte den zichtbaren indruk vast te houden. „Ja, gróót zullen ze worden, daar kun je van op aan.”

„’k Geloof het ook,” zei Bensington, met iets bijna eerbiedigs in zijn stem. „Héél groot.”

Zij keken elkander aan, bijna angstig.

„Ja, héél groot,” zei Bensington, zich over den rug van zijn neus strijkend, en met één oog Redwood twijfelachtig aankijkend, alsof hij verwachtte op zijn gelaat nog een bevestiging te zien zijner eigen woorden. „Allemaal—vrééselijk groot. ’t Is me alsof ik ’t me niet kan voorstellen—zelfs al zie ik dit—hoe groot ze allemaal wel zullen worden.”

Ornament

[138]


1 Roman van de veelschrijfster Marie Corelli. (Red.)

[Inhoud]

Hoofdstuk V.

Het in het niet verdwijnen van den heer Bensington.

[Inhoud]

I.

Het was in den tijd toen de Koninklijke Commissie tot onderzoek van het Bomvoedsel haar rapport opmaakte, dat Herakleophorbia werkelijk begon te laten zien hoe geschikt het was om ergens uit te lekken. En deze te vroege uitbarsting kwam des te ongelegener, tenminste van Cossar’s standpunt, omdat de schets van het rapport, die nog bestaat, aantoont dat de commissie, onder voogdijschap van dat hoogstbekwame lid, Doctor Stephen Winkles (Lid van het Koninklijk Genootschap, Medicinal Doctor, Vrederechter, Litterarum Doctor enz.) er reeds eenstemmig over was, dat dergelijke toevallige ontsnappingen onmogelijk waren, en gereed was te verklaren dat zoo men de contrôle erover in handen stelde van een bevoegde commissie (vooral Winkles), met een onbeperkte contrôle over den verkoop ervan, dit meer dan voldoende was om aan alle redelijke bezwaren, die geopperd konden worden tegen de vrije verspreiding ervan, te gemoet te komen. Het comité zou een onbeperkt monopolie hebben. En zonder twijfel moet het beschouwd worden als een deel van de ironie des levens, dat de eerste en ernstigste dezer tweede [139]serie van ontsnappingen plaats greep op nog geen vijftig pas van een klein landhuis in Kent, dat voor de zomermaanden door dokter Winkles betrokken was.

Er kon geen twijfel meer aan bestaan, dat Redwood’s weigering om Winkles in te wijden in de samenstelling van Herakleophorbia IV, in laatstgenoemden heer een hem tot dan toe vreemde en hevige belangstelling had gewekt voor analytische chemie. Hij was geen erg zaakkundige werker, en juist hierdoor zag hij waarschijnlijk kans om te werken, niet in de uitstekend uitgeruste laboratoria in Londen, die ter zijner beschikking waren, doch zonder iemand te raadplegen, en steelsgewijze, in een klein laboratorium, dat in een verwaarloosd tuintje van zijn huis te Keston stond. Hij schijnt bij zijne onderzoekingen geen al te groot blijk van energie of groote bekwaamheid gegeven te hebben; ja, het is slechts al te duidelijk, dat hij zijn onderzoek opgaf, na er met tusschenpoozen gedurende een maand aan gewerkt te hebben.

Dit tuin-laboratorium, waarin hij werkte, was zeer elementair uitgerust, voorzien van een standpijp met water, dat afliep door een pijp, die uitkwam in een drassigen, met biezen afgezetten poel onder een elzenstruik in een afgelegen hoekje van de weide, die zich aan de andere zijde van den heg bevond. De pijp was gebarsten en het overblijfsel van het Voedsel der Goden ontsnapte door de scheur in een kleinen plas, te midden van bosjes biezen, juist vóór het ontwaken der lente.

Het leven in dat vuile, kleine hoekje was uit zijn winterslaap ontwaakt. Er dreef kikkerdril, sidderend van donderpadjes, die juist door hun geleiachtig omhulsel braken; er waren kleine waterslakken die uitkropen; en onder den groenen bast van het riet, [140]deden de larven van den grooten waterkever al hun best om uit hunne eieren te komen. Ik weet niet of de lezer de larven kent van den kever, die (ik weet niet waarom) Dytiscus genoemd wordt. Zoo’n tor is een geleed, vreemd beest, erg gespierd, en plotseling in haar bewegingen, en heeft de gewoonte om met haar kop naar beneden te zwemmen, met haar staart uit het water; zij is zoo lang als het bovenste lid van een mannenduim, en misschien nòg langer—wel twee duim (dat wil zeggen, diè torren, die niet van het Voedsel gegeten hebben)—en zij heeft twee scherpe kaken die vóór haar kop samenkomen—cylinder-vormige kaken met scherpe punten,—waardoor zij ’t bloed harer slachtoffers opzuigt... De eerste wezens die de ronddrijvende kruimels van het Voedsel te pakken kregen, waren de donderpadden en de kleine waterslakken; de kleine kronkelende donderpadden in het bijzonder, kregen er veel trek in, toen zij er eenmaal den smaak van beet hadden.

Doch nauwelijks begon er een van hen een in het oog loopende positie te bereiken in dat kleine donderpaddenwereldje, en een kleinen broeder of zoo te nuttigen als aanvulling van een vegetarisch diëet, of kip! daar sloeg een van de Tor-larven haar kromme bloedzuigende scharen in zijn hart, en met dien rooden stroom ging Herakleophorbia IV, in een staat van oplossing of ontbinding, in het organisme van een nieuwen cliënt over. Het eenige, dat, naast deze monsters, nog iets van het Voedsel kon te pakken krijgen, was het riet en het slijmerige groene schuim op het water en de pas ontkiemde waterplanten in de modder op den bodem. Een schoonmaak van de studeerkamer kort daarop, wiesch een nieuwen vloed van het Voedsel in den poel, deed hem overstroomen, en voerde deze geheele onheilspellende vermeerdering in den [141]strijd om het bestaan naar den aangrenzenden poel onder de wortels van den els...

De eerste die ontdekte wat er gaande was, was een zeker heer Lukey Carrington, buitengewoon leeraar in de natuurwetenschappen onder de Londensche Commissie van Onderwijs en, in zijn vrijen tijd, specialiteit in zoetwaterplanten, en zeer zeker behoeven wij hem zijn ontdekking niet te benijden.

Hij was van Keston Common gekomen om dien dag een aantal proef-buizen te vullen om later te onderzoeken, en hij kwam met, zeg een dozijn, gekurkte buisjes die zacht tegen elkaar klingelden in zijn zak, over den zanderigen heuveltop heen en zoo naar den poel, met den stok in de hand. Een tuinjongen, die op de bovenste trede der keukentrap stond en de heg van dokter Winkles aan het knippen was, zag hem in dit weinig bezochte hoekje, en vond hem en zijn bezigheid genoegzaam onverklaarbaar en interessant om hem nauwkeurig na te gaan.

Hij zag den heer Carrington zich voorover buigen naar den poel, met zijn hand tegen den stam van den ouden els, en in het water gluren, doch natuurlijk kon hij de verrassing en het genoegen niet apprecieeren, waarmede de heer Carrington de groote, ongewoon-lijkende knobbels en slingers der waterplanten op den bodem gadesloeg. Er waren geen donderpadden meer te zien—die waren nu allen gedood—en het schijnt, dat de heer Carrington niets ongewoons zag dan den buitengewoon weelderigen plantengroei. Hij stroopte zijn mouw op tot den elleboog, boog zich voorover, en stak den arm in het water om een exemplaar te bemachtigen. Zijn tastende hand ging steeds lager. Onmiddellijk schoot er iets uit de koele schaduw onder de boomwortels. Bliksemsnel had het zijn scharen diep in zijn arm begraven—[142]een bizarre gedaante was het—een voet en meer lang, bruin en geleed als een schorpioen.

De leelijke verschijning en de plotselinge, scherpe pijn die de beet veroorzaakte, deden den heer Carrington het evenwicht verliezen. Hij voelde dat hij van den oever afgleed en gilde luid. Daar ging hij met zijn gezicht vooruit, plas! den poel in.

De jongen zag hem verdwijnen en hoorde hem spartelen in het water. Hij zag den ongelukkige weder bovenkomen, zonder hoed, druipend van het water en gillend!

De jongen had nog nooit te voren een màn hooren gillen.

Het leek wel alsof deze verbazingwekkende vreemde aan iets rukte aan den kant van zijn gezicht. Er vertoonden zich daar strepen bloed. Hij stak zijn armen op als in wanhoop, sprong in de lucht als een bezetene, liep razend tien of twaalf pas, viel toen op den grond en rolde al maar rond, tot de jongen hem niet meer zien kon. De jongen was in een oogwenk van de trap af en door de heg—gelukkig met de heggeschaar nog in de hand. Hij zegt, dat, toen hij bezig was door de bremstruiken te dringen, hij half en half zin had om terug te gaan, daar hij bang was met een krankzinnige te doen te hebben, doch het bezit van de heggeschaar stelde hem gerust. „Als ie me wat had willen doen, kon ik ’m altijd in z’n oogen gestoken hebben,” legde hij uit. Zoodra de heer Carrington hem zag, begon hij zich te gedragen als iemand die wèl bij zinnen, doch wanhopig is. Hij krabbelde op de been, wankelde, stond op en kwam naar den jongen toe.

„Kijk es!” riep hij, „ik kan ze er niet afkrijgen!”

En met een rilling van ontzetting zag de jongen dat er aan de wang van den heer Carrington, aan zijn blooten arm en aan zijn dij, en verwoed slaand [143]met hunne lenige bruine gespierde lichamen, zich drie van deze afschuwelijke larven hadden vastgeklemd, met hunne groote haken diep in zijn vleesch, en zich vastzogen alsof ’t om hun leven ging. Zij hielden zich vast als buldoggen en de pogingen van den heer Carrington om de monsters van zijn gezicht los te maken, hadden tot eenig resultaat, dat hij het vleesch waaraan het beest zich vastgehecht had, afscheurde, en zijn gelaat, hals en jas met levend purper bedekte.

„’k Zal em d’r afknippe’; hou je goed, meneer.”

En met het behagen, dat jongens op dien leeftijd in dergelijke dingen scheppen, scheidde hij de koppen der aanvallers van den heer Carrington een voor een van hunne lichamen. „Yoep,” zei de jongen met een beetje benauwd gezicht, telkens als er een voor hem neerviel. En zelfs toèn nog was hun greep zoo vast en taai, dat de afgesneden koppen nog een tijdlang woest bleven toebijten en zuigen, terwijl het bloed achter uit hun halzen stroomde. Doch de jongen maakte hier een eind aan met nog een paar happen van zijn schaar—waarvan de heer Carrington zelf er ook nog een mee kreeg.

„Ik kon ze er niet afkrijgen!” herhaalde Carrington en bleef een tijdje lang staan, wankelend en hevig bloedend. Hij bette met slappe handen zijne wonden en keek naar zijn handpalmen. Toen zonken zijn knieën onder hem uit en hij viel voorover zoo lang als hij was voor de voeten van den jongen in zwijm, tusschen de nog steeds opspringende lichamen zijner verslagen vijanden. Gelukkig viel het den jongen niet in water op zijn gezicht te sprenkelen,—want er waren nog meer van deze monsters onder de wortels van den els—, en inplaats hiervan ging hij om den vijver heen, den tuin door, om hulp te halen. En daar [144]kwam hij den tuinman-koetsier tegen en vertelde hem het geheele geval.

Toen zij samen den heer Carrington weder bereikten, zat hij op, versuft en zwak, doch met genoeg bewustzijn om hen te waarschuwen voor het gevaar in den poel.

[Inhoud]

II.

Dusdanig waren de omstandigheden, waardoor de wereld voor de tweede maal bemerkte, dat het Voedsel weder losgebroken was. Binnen een week was Keston Common in volle werking, en werd wat de natuurkundigen een „verspreidings-centrum” noemen. Ditmaal waren er geen wespen of ratten, geen oorwormen en geen netels, doch er waren tenminste drie water-spinnen, verscheidene larven van waterjuffers, die weldra zelf waterjuffers werden, en geheel Kent verblindden met hun zwevende saffier-kleurige lichamen; en dan was er nog een vieze, gelei-achtige vegetatie, die over den rand van den vijver heengroeide, en zijn glibberige groene massa’s halverwege het tuinpad naar dokter Winkles’ huis opstuwde. En er begonnen reuzen-biezen, en equisetum en potamogeton te groeien, die eerst gestuit werden toen zij den vijver hadden doen opdrogen.

Het werd het publiek spoedig duidelijk, dat er ditmaal niet één verspreidings-centrum was doch een heele màssa centrum. Er was er een te Ealing—dat lijdt nu geen twijfel meer en hieruit ontstonden de vliegen- en de roode spinnenplaag; er was er een te Sunbury, die vraatzuchtige palingen voortbracht, die aan land konden komen, en schapen doodden; en er was er een te Bloomsbury, die de wereld een nieuw ras van kakkerlakken van een vreeselijke soort gaf, welke met allerlei ander gespuis een oud huis in Bloomsbury [145]bewoonden. Plotseling, zonder voorteekenen, stond de wereld weer tegenover al de verschijnselen van Hickleybrow, met allerlei vreemde buitensporig-vergrootte monsters, (die men tot nu toe als doodgewone onschadelijke dieren gekend had), inplaats van de reuzen-hennen, ratten en wespen.

Ieder centrum brak uit met zijn eigen karakteristieke plaatselijke fauna en flora...

Wij weten nu, dat elk van deze centra in verband stond met een der patienten van dokter Winkles, doch dit was niet bekend te dien tijde. Dokter Winkles was de laatste om onder verdenking te vallen. Natuurlijk ontstond er een paniek, een woedende verontwaardiging, doch tegen het Voedsel en nog niet zoozeer tegen het Voedsel als wel tegen den ongelukkigen Bensington, wien de publieke verbeeldingskracht van het begin af hardnekkig had beschouwd als de eenige persoon die voor deze nieuwe zaak aansprakelijk was.

De poging om hem te lynchen, die volgde, is niet meer dan een van die plotselinge uitbarstingen van volkswoede welke in de geschiedenis zoo menigvuldig voorkomen, en die in werkelijkheid wel de onbelangrijkste aller gebeurtenissen zijn.

De geschiedenis van dezen opstand is in het duister gehuld. De groote massa van de menigte kwam ongetwijfeld uit een Anti-Bomvoedsel Meeting in Hyde-Park, georganiseerd door drijvers van Caterham’s partij, doch er schijnt niemand geweest te zijn die het eerst voorstelde, en niemand die ook maar doelde op de gewelddadigheid waaraan zooveel menschen meededen. Het is een probleem voor den heer Gustave le Bon1—een mysterie in de psychologie der menigten. [146]Het blijkt dat des Zondagsmiddags tegen drie uur een merkwaardig groote en kwaadaardige Londensche menigte, die niet meer te regeeren was, Thursday Street kwam afstroomen, bedacht op des heeren Bensington’s exempleerlijken dood als afschrikwekkend voorbeeld voor alle wetenschappelijke navorschers, en dat deze menigte dichter bij het volvoeren van haar plan kwam dan eenig andere menigte ooit gekomen is sedert de hekken van Hyde-Park omver gehaald werden in de ver achter ons liggende tijden van het midden van Victoria’s regeering. Deze menigte kwam zelfs zoo dicht bij haar doel, dat gedurende een uur een enkel woord het lot van den ongelukkigen Bensington zou beslist hebben.

Hij bemerkte het eerst wat er gaande was aan het rumoer dat het volk buiten maakte. Hij ging naar het venster en gluurde naar buiten, niet bevroedend wat hem boven het hoofd hing. Een minuut lang misschien zag hij het aan hoe de menigte zich om den ingang verdrong, een dozijn politieagenten die haar den weg versperden, uit den weg ruimend, vóór hij ten volle de rol begreep die hij in de zaak speelde. Toen ging hem plotseling een licht op en begreep hij dat die brullende, deinende menigte het op hem gemunt had. Hij was geheel alleen op de verdieping—misschien gelukkig nog—daar zijn nicht Jeanne naar Ealing op de thee was bij een familielid van moeder’s kant, en hij had even weinig begrip hoe zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen, als van de etiquette van den Dag des oordeels. Hij was bezig door de kamers te hollen, aan de meubelen vragend wat hij beginnen moest, sleutels in sloten omdraaiend en ze dan weder ontsluitend, naar deur, raam en slaapkamer vliegend—[147]toen de beambte van de verdieping binnenkwam.2

„Geen oogenblik te verliezen, meneer,” zei hij. „Ze hebben uw nummer gevonden op het bord in den gang! Ze komen recht hier naar toe!”

Hij sleepte den heer Bensington mee den corridor op, die reeds weerklonk van het naderend tumult op de groote trap, draaide de deur achter hen op slot en ging Bensington voor naar de tegenoverliggende kamers, die hij binnenging door middel van een duplicaat sleutel.

„Dat is onze eenige kans nog,” zei hij.

Hij wierp het venster open dat uitkwam op een ventilatie-koker en vanuit dit venster zagen zij dat in den muur een rij krammen op gezetten afstand onder elkaar waren geslagen die een zeer ruwe en gevaarlijke ladder vormden, welke als brandladder moest dienen om uit de bovenste verdiepingen te komen. Hij duwde den heer Bensington zachtjes het raam uit, toonde hem hoe hij zich vast moest houden, en kwam achter hem de ladder op, hem in zijne beenen porrend en prikkend met een bos sleutels zoodra hij even met klimmen ophield. Het leek Bensington soms of hij die verticale ladder verder tot in alle eeuwigheid zou moeten blijven beklimmen. Boven, was de goot nog onbereikbaar ver—’t leek wel een mijl—; beneden—Hij durfde niet denken aan wat er beneden wachtte.

„Vooruit!” riep de klerk, en pakte hem bij den enkel. Het was vreeselijk zoo bij den enkel gepakt te worden en de heer Bensington greep de ijzeren kram boven zich zóó stevig beet alsof hij op ’t punt [148]was te verdrinken, en slaakte een onderdrukten kreet van angst.

Het bleek dat de klerk een ruit ingedrukt had, en toen leek het hem alsof hij zijdelings een enorm eind gesprongen was, en toen drong het geluid van een venster, dat neergeschoven werd tot zijn besef door. Hij brulde allerlei dingen. De heer Bensington wendde voorzichtig het hoofd tot hij den klerk kon zien. „Kom zes treden naar beneden,” beval deze.

Al dit beweeg leek hem erg dwaas toe, maar heel, heel behoedzaam liet hij toch een voet zakken.

„Niet trekken!” riep hij uit, toen de klerk hem wilde helpen vanuit het open venster.

Het leek hem toe dat het bereiken van het raam van de ladder af een heel respectabel feit zou zijn voor een vliegenden vos, en het was meer met het idee van een fatsoenlijken zelfmoord, dan in de hoop hem te volbrengen, dat hij den stap eindelijk waagde en de klerk heesch hem meedoogenloos naar binnen.

„U zult hier moeten blijven,” zei de klerk; „mijn sleutels helpen hier niet. ’t Is een Amerikaansch slot. Ik zal naar buiten gaan en de deur achter me dichtslaan, en zien of ik ’t mannetje van deze verdieping kan vinden. U zult zoolang opgesloten moeten blijven. ’t Eenigste is, ga niet naar ’t raam. ’t Is de kwaadaardigste menigte die ik ooit gezien heb. Als ze maar eerst denken dat u uit is, zullen ze zich waarschijnlijk wel tevreden stellen met uw boeltje in mekaar te slaan—”

„De indicator wees „Tehuis” aan,” zei Bensington.

„Dat zal je de drommel halen! In ieder geval, ze moeten mij hier niet vinden—”

Hij verdween, de deur achter zich dichtslaand.

Bensington was weder aan zijn eigen initiatief overgelaten. [149]En dit initiatief dreef hem onder het bed. Daar werd hij een oogenblik later gevonden door Cossar.

Bensington was bijna versuft van angst toen hij gevonden werd, want Cossar had de deur met zijn schouder ingeloopen door er van den overkant van den gang op toe te springen.

„Kom er onderuit, Bensington,” zei hij. „’t Is goed volk. Ik ben ’t. We moeten zien hier vandaan te komen. Zij steken het huis in brand. De portiers gaan er allemaal vandoor. De bedienden zijn al weg. ’t Is gelukkig dat ik den man, die van dit zaakje afwist, te pakken kreeg.”

„Kijk es hier.”

Toen Bensington onder het bed uit gluurde, zag hij eenige zonderlinge kleedingstukken over Cossar’s arm hangen, en wat het belachelijkste van alles was, een zwarten vrouwenmuts in diens hand!

„Ze zoeken het heele huis af,” zei Cossar. „Als ze het niet in brand steken, komen ze beslist hierheen. Troepen kunnen er niet binnen een uur zijn. Vijftig percent „Hooligans”3 onder de menigte, en hoe meer gemeubileerde kamers ze binnenkomen, hoe meer ze den smaak er van beet zullen krijgen. Ligt voor de hand... Trek dezen rok aan en zet dien muts op, Bensington, en snij uit met mij.”

„Bedoel je—?” begon Bensington, een hoofd onder het bed uitstekend, op de manier van een schildpad.

„Ik bedoel, maak er wat mee voort, en kom mee.”

En met plotselinge heftigheid trok hij Bensington onder het bed uit, en begon hem zelf aan te kleeden als een oud vrouwtje uit het volk. Hij sloeg zijn broek [150]op, liet hem zijn pantoffels uittrekken, deed zijn boord, das, jas en vest uit, schoot een zwarten rok over zijn hoofd en deed hem een rood-flanellen keurslijf aan en een lijf van dezelfde stof. Hij liet hem zijn al te karakteristieken bril afzetten en drukte hem de muts vast op het hoofd. „Je kondt waarachtig als ouwe vrouw geboren zijn,” zei hij, terwijl hij de linten der muts onder Bensington’s kin samenbond. Toen kwamen de elastieke laarzen aan de beurt—een pijnlijk getrek voor de likdorens—en de shawl, en de vermomming was voltooid.

„Loop es op en neer,” zei Cossar, en Bensington gehoorzaamde.

„’t Zal gaan,” zei Cossar.

En in deze vermomming, onbeholpen struikelend over zijn ongewone rokken, en een vloed van vrouwelijke verwenschingen doend neerdalen op zijn eigen hoofd, met een schrille falsetto om in zijn rol te blijven, en temidden van het brullen eener menigte die er op uit was om hem te lynchen, kwam de oorspronkelijke ontdekker van Herakleophorbia IV, den corridor der Chesterfield-Mansions af, midden tusschen die verwoede wanordelijke menigte, en verdween aldus geheel van het tooneel der gebeurtenissen die ons verder verhaal vormen.

Na deze ontsnapping bemoeide hij zich nooit weder met de wonderbaarlijke ontwikkeling van het Voedsel der Goden, dat het eerst aan hem zijn ontstaan te danken had.

[Inhoud]

III.

Het mannetje dat de geheele zaak op touw zette, verdwijnt uit deze geschiedenis en na eenigen tijd verdween hij heelemaal uit de wereld der zichtbare [151]en vertelbare dingen. Doch omdat bij de zaak aan den gang bracht, lijkt het mij niet meer dan billijk, aan zijn uitvaart een extra bladzijde te wijden. Gij kunt hem u wel voorstellen in later tijd, zooals Tunbridge Wells hem leerde kennen. Want te Tunbridge Wells dook hij weder op, na een tijdelijke verdwijning, zoodra hij ten volle begreep hoe voorbijgaand, hoe exceptioneel en onbeduidend die oproerige woede der menigte was. Hij verscheen weder onder de hoede van nicht Jeanne, om zijn geschokt zenuwgestel te restaureeren, en hiervoor werden alle verdere belangen terzijde gesteld. Hij scheen ook volkomen onverschillig te zijn geworden voor den strijd die toen juist woedde om deze nieuwe centra van verspreiding, en voor de Kinderen van het Voedsel.

Hij nam zijn intrek in het Mount-Glory Hydro-Geneeskundig Hotel, dat werkelijk bijzonder goed ingericht is op het gebied van gecarbonneerde Baden, Creosoot-Baden, Galvanische en Faradische Baden-Behandeling, Massage, Dennen-Baden, Stijfsel- en Kervel-Baden, Radium-Baden, Licht-Baden, Hitte-Baden, Zemel- en Naalden-Baden, Teer- en Vogeldons-Baden—alle mogelijke soorten van baden; en hij gaf al zijn denken aan de ontwikkeling van dat systeem van geneeskundige behandeling, dat nog niet volmaakt was toen hij stierf. En soms reed hij in een huurrijtuig, met een met zeehondenleer gevoerde jas naar de Pantiles, of als zijne voeten het hem permitteerden liep hij er ook wel heen, en dan slurpte hij daar ijzerhoudend water onder toezicht van nicht Jeanne.

Zijn gebogen schouders, zijn roode gezicht, zijn schitterende bril, dit alles werd een van de typische dingen van Tunbridge Wells. Niemand was ook maar in het minst onvriendelijk tegen hem, en het plaatsje en het Hotel schenen zelfs erg met zijne tegenwoordigheid [152]vereerd te zijn. En hoewel hij liever den verderen loop zijner uitvinding niet volgde in de dagbladen, was het, als hij de Promenade vóór het Hotel overstak, of de Pantiles afliep, en hij hoorde fluisteren „dat is ’em, dat is ’em!”—toch geen ontevredenheid die een zachter trek om zijn mond bracht en een oogenblik in zijn oog schitterde.

Deze kleine figuur, deze heel kleine gestalte, zond het Voedsel der Goden de wereld in! Men weet werkelijk niet wat verbazingwekkender is, de grootheid of de kleinheid dezer mannen der wetenschap en filosofie. Ge ziet hem voor u, op de Pantiles, in den met bont gevoerden overjas. Hij staat onder dat steenen kozijn waar de fontein opspringt, en houdt het glas met ijzerhoudend water, waaruit hij nu en dan een teug neemt, in de hand. Eén helder oog is, over den vergulden rand van zijn bril gevestigd op nicht Jeanne, met onverbiddelijke strengheid. „Mm,” zegt hij en slurpt.

En wij maken ons souvenir voor hem, in deze houding, zóó richten wij onze camera op hem, en „nemen” dezen ontdekker voor de laatste maal, en laten hem achter, als een spikkel op onzen voorgrond, en gaan verder naar het grootere schilderij dat zich om hem gevormd heeft, naar het verhaal van zijn Voedsel, hoe de verspreide Reuzen-Kinderen met den dag grooter werden en opgroeiden temidden eener wereld die zóóveel te klein voor hen was, en hoe het net der Bomvoedsel-wetten, en Bomvoedsel-conventies die de Bomvoedsel-commissie aan het weven was, zich ieder jaar al dichter en dichter om hen samentrok. Totdàt— [153]


1 Fransch schrijver van werken over „de zielkunde der menigte”, evenals Sighele. (Red.)

2 In Amerika heeft, in de groote hôtels, iedere verdieping haar eigen beambte of klerk. Wells schijnt dit overgebracht te hebben op de groote particuliere huizen, die in verdiepingen verhuurd worden.

3 Hooligans zijn de ruwste, meest bandelooze soort van straatslijpers.

Boek II.

Het voedsel in het dorp.

[Inhoud]

Hoofdstuk I.

De komst van het voedsel.

[Inhoud]

I.

Ons thema, dat zoo beknopt begon in de studeerkamer van den heer Bensington, heeft zich reeds uitgebreid en vertakt, tot het nu dezen, dan genen kant uitwijst en van nu aan zullen de gebeurtenissen in ons verhaal op verschillende plaatsen voorvallen. Het Voedsel der Goden verder te volgen, staat gelijk met de vertakkingen van een voortdurend lotenschietenden boom na te gaan; in korten tijd, in het vierde gedeelte van een menschenleven, was het voedsel uit zijn eersten bron te Hickleybrow op de kleine boerderij, gelekt en had zich verspreid—het voedsel, en ook de faam en schaduw van zijn kracht—de geheele wereld over. Zeer spoedig had het zich ook buiten Engeland verspreid. Weldra werkte het in Amerika, op het geheele vasteland van Europa, in Japan, in Australië, eindelijk de geheele wereld over, naar het gezette doel. Steeds werkte het langzaam, langs indirecte kanalen en tegen de verdrukking in. [154]Het was de grootheid die in opstand gekomen was. Niettegenstaande vooroordeelen, ten spijt van wet en verordening, niettegenstaande al de koppige vasthoudendbeid, die ten grondslag ligt aan de formeele orde der menschheid, ging het Voedsel der Goden, als het eenmaal losgelaten was, zijn onnaspeurlijken en niet te stuiten gang. Gedurende al deze jaren groeiden de kinderen van het Voedsel staag; dit was de belangrijkste factor van dien tijd. Doch het zijn juist de gevallen waarin het uitbrak, die het tot historie maken. De kinderen die ervan gegeten hadden, groeiden, en weldra waren er nog andere kinderen die ook begonnen te groeien; en de beste voornemens ter wereld konden niet verhoeden dat het telkens en telkens maar weer aan uitlekte. Het Voedsel volhardde in het losbreken, alsof het een levend iets was. Als het met bloem van meel vermengd geraakte, werd het Voedsel, bij droog weder, als bij opzet tot fijn poeder en stoof voor het lichtste briesje uit. Nu eens was het een of ander insect dat tot tijdelijke noodlottige ontwikkeling kwam, dan weder een nieuw uitbreken der rattenplaag uit de riolen, en dergelijk ongedierte. Eenige dagen lang had het dorp Pangbourne in Berkshire te kampen met reuzenmieren. Drie mannen werden gebeten en stierven. Er placht een paniek te ontstaan, er werd gekampt en dan was de losgebroken plaag weder aan banden gelegd, doch liet steeds iets na in de minder op den voorgrond tredende dingen des levens—die voor altijd veranderd waren. Dan was het weder een acute en onrustbarende uitbarsting, een snel opgroeien van monsterachtig kreupelhout, een vertakking over de aarde van onredelijk-sterk groeiende distels, van torren die door de menschen bevochten werden met jachtgeweren, of een plaag van reusachtige vliegen. [155]

Hier en daar werd op vreemde en wanhopige wijze gekampt in obscure plaatsen. Het Voedsel verwekte helden in de zaak der kleinheid...

En in de levens der menschen kwamen allerlei, tot nu toe ongekende, gebeurtenissen en zij traden ze tegen zooals zij het beste konden, en zeiden tegen elkaar, dat er eigenlijk in de orde der dingen niets veranderd was. Na de eerste groote paniek werd Caterham, niettegenstaande zijn groote welsprekendheid, een minder belangrijke figuur in de politieke wereld, en bleef slechts in de heugenis der menschen hangen als de voorstander van een zeer geavanceerde opvatting.

Slechts zeer langzaam veroverde hij zich een op den voorgrond tredende positie. „Er had geen verandering in de essentieele orde der dingen plaats gegrepen”—die eminente leider der moderne gedachte, Dokter Winkles zei hier zeer duidelijke dingen over,—en de voorstanders van wat men in die dagen Progressief Liberalisme noemde, werden werkelijk sentimenteel over de essentieele onoprechtheid hunner vooruitstrevendheid. Het blijkt dat hunne droomen uitsluitend liepen over natietjes, taaltjes, huishoudentjes, elk zichzelf bedruipend op zijn eigen kleine hoeve. Er ontstond plotseling een mode van het kleine en nette. Groot-zijn was „vulgair”, en sierlijk, net, mignon, miniatuur „minitieus-volmaakt” werden de grond-woorden voor critischen bijval.

Ondertusschen groeiden de Kinderen van het Voedsel rustig en namen hun tijd ervoor, zooals kinderen dit moeten, in een wereld die veranderde om hen te ontvangen, en verzamelden kracht en postuur en kennis, werden persoonlijkheden met een doel in het oog, en groeiden langzaam op tot de afmetingen waarvoor het lot hen bestemd had. Weldra leken zij een natuurlijk [156]deel te vormen van de wereld rondom hen, en begonnen de menschen zich verwonderd af te vragen, hoe alles vóór hun tijd geweest was. Verhalen van wat de reuzen-jongens konden doen drongen tot hunne ooren door, en men zei „dat is sterk!”—zonder eenige verwondering. De populaire bladen verhaalden van de drie zonen van Cossar en hoe deze wonderbaarlijke kinderen groote kanonnen konden optillen, ijzer-massa’s honderden meters ver weg slingeren, en twee honderd voet ver springen. Men vertelde dat zij bezig waren een put te graven, dieper dan eenig andere put of mijn die de menschen ooit gemaakt hadden, en dat zij, zoo zei men, zochten naar schatten die in de aarde verborgen lagen sedert de aarde geschapen werd.

„Deze Kinderen,” zeiden de populaire tijdschriften, „zullen bergen met den grond gelijk maken, zeeën overbruggen, tunnels graven door jelui aarde tot deze een honiggraat gelijkt.” „Merkwaardig,” zei het kleine volk, „niet waar? Wat een massa gemakken zullen we dan hebben!” en gingen weder huns weegs, alsof er van geen Voedsel der Goden sprake was op aarde. En inderdaad was dit alles nog slechts een vage aanduiding en belofte van wat de „Kinderen van het Voedsel” zouden kùnnen doen, later. Nù was alles nog slechts kinderspel bij hen, niet anders dan het eerste gebruik maken van kracht, waarin nog geen doel stak. Zij zelven wisten nog niet waarvoor zij waren. Zij waren kinderen—langzaam groeiende kinderen van een nieuw geslacht. De reuzenkracht groeide dag aan dag—de reuzen-wìl moest nog tot een doel rijpen; doch inderdaad zag niemand het komen van Grootheid in de wereld, zooals ook niemand ter wereld, vóór er eeuwen verloopen waren, het verval en den ondergang van Rome als één gebeurtenis zag. Zij, die in die dagen [157]leefden, stonden te veel temidden van deze heele ontwikkeling van Groei, om ze als een enkel op zichzelf staand iets te zien. Het leek zelfs wijzen menschen toe, dat het Voedsel de wereld niets anders zou geven dan een oogst van onhandelbare, met elkaar niets uit te staan hebbende dingen, die de bestaande orde van zaken konden doen beven op hare grondvesten en haar konden verontrusten, doch verder niets.

Het wonderbaarste in dezen tijd van toenemende kracht leek wel—tenminste één’ opmerker leek het dit—het koppig volharden van de groote massa in den ouden toestand, hun rustig voortgaan in het negeeren van de kolossale gestalten die zich tusschen hen bewogen, en van de belofte van nog meer kolossale dingen, die temidden van hen zouden opgroeien. Zooals menige stroom het rustigst voortstroomt, diep en krachtig, in de nabijheid van een waterval, zoo scheen al wat behoudend in den mensch was, in die dagen een kalm overwicht te voeren. De reactie werd populair; men praatte van het bankroet der wetenschap, van het sterven van den vooruitgang, van de nadering der Mandarijnen—, en van dergelijke dingen, terwijl de schreden van de „Kinderen van het Voedsel” te midden van hen daverden. De lawaaierige doellooze Revolutien van ouds, een groote menigte dwaze kleine lieden die den een of anderen dwazen kleinen monarch verjoegen, dit alles lag ver achter hen en hiermede had men afgedaan; doch de Verandering was nièt gestorven. Het eenige was, dat de Verandering veranderd was. Het nieuwe was bezig te komen op zijn eigen manier en dit ging boven het alledaagsch begrip der wereld.

Uitvoerig te verhalen van deze komst, zou gelijk staan met een groote Geschiedenis te schrijven, doch overal was een evenwijdig-loopende keten van gebeurtenissen. [158]Zoodat het verhalen van de komst ervan op ééne plaats, feitelijk het verhalen van het geheel is. Toevallig viel er een zaadje dezer Onmetelijkheid in het aardige dorpje Cheasing Eyebright in Kent; en te oordeelen naar het verhaal van de eigenaardige ontkieming ervan en van de tragische beuzelachtigheden die hieruit ontstonden, kan men trachten—als het ware één draad volgend—de richting aan te wijzen waarin dit geheele groote weefsel van gebeurtenissen het weefgestoel van den Tijd ontrolde.

[Inhoud]

II.

Cheasing Eyebright had natuurlijk een dominé.

Nu zijn er dominé’s en dominé’s; en van alle soorten houd ik van een nieuwigheden invoerenden dominé—van een bonten, naar vooruitgang strevenden professioneelen reactionnair—het minst. Doch de dominé van Cheasing Eyebright was iemand die wel het allerminst dacht aan nieuwigheden invoeren, een brave, gezette, rijpe en conservatieve kleine man. Het is niet meer dan passend een eindje met ons verhaal terug te gaan om van hem te vertellen. Hij paste volkomen bij zijn dorpsbewoners en men kan hen zich het beste voorstellen zooals zij waren, op den avond tegen zonsondergang, toen juffrouw Skinner—gij herinnert u haar vlucht nog wel!—het voedsel, zonder dat iemand het vermoedde, tusschen haar wereldsche goederen deze landelijke rust binnen droeg.

In dit licht uit het westen, zag het dorp er op zijn best uit. Het strekte zich uit over de lengte der vallei onder de beukenwouden van den „Hanger,” als een koralensnoer van met riet bedekte en roodpannige huisjes—huisjes met portico’s, die met latten bespijkerd [159]waren en met pyracanthus1 afgezette voorgevels, welke zich al dichter en dichter tegen elkaar aandrongen naarmate de weg daalde van de taxusboomen bij de kerk naar de brug. De pastorie gluurde niet al te hoogmoedig tusschen de boomen uit achter het dorpslogement; zij had een Georgiaanschen gevel, gerijpt door den tijd, en de spits der kerk verhief zich blij boven de holte die de vallei in de heuvels vormde. Een kronkelend riviertje, dat als een smal lint van schuim en hemelblauw voortstroomde, glinsterde tusschen breede randen riet en zich er overheen neigende wilgen, midden door een méékronkelende strook weide. Het geheel bood den eigenaardigen Engelschen aanblik van goede bebouwing—dien aanblik van kalme afgerondheid—die de volmaaktheid nabijkomt in de warmte van de ondergaande zon.

En ook de dominé zag er rijp uit. Hij was gewoon er bijzonder rijp uit te zien, alsof hij geboren was als een murwe baby, een rijpe, en sappige kleine jongen. Al vóór hij het u vertelde, was het aan hem te zien dat hij op eene oude gevestigde openbare kostschool was geweest, die begroeid was met klimop, en die schitterende tradities, aristocratische relaties, en geen scheikundige laboratoria bezat; en dat hij vandaar gegaan was naar een eerwaardige hoogeschool, gebouwd in den rijpsten gothischen stijl. Hij bezat weinig boeken die jonger waren dan duizend jaar; van dezen vormden Yarrow en Ellis en goede preeken uit den tijd vóór de Methodisten het meerendeel. Hij was een man van middelmatige lengte, een beetje kleiner lijkend door zijn equatoriale afmetingen en met een gezicht, dat hoewel rijp van het begin af, nu climacterisch2 [160]rijp was. De baard van een David verborg zijne dubbele onderkin; hij droeg geen horloge-ketting uit verfijning, en zijn hoogsteenvoudige kleeding van geestelijke, was gemaakt door een kleermaker uit het West-End3... En hij zat daar, met een hand op elke dij, genoegelijk knipoogend naar zijn dorp. Hij wuifde er met een mollige hand naar. En in hem zong weer zijn oude refrein. „Wat kan men meer wenschen?” „Onze ligging is heel gelukkig,” zei hij, zich niet al te sterk uitdrukkend.

„Wij liggen in een sterke vesting tusschen de heuvelen,” legde hij nader uit.

En eindelijk kwam hij geheel en al voor de zaak uit. „Wij liggen er gelukkig geheel van afgesloten.”

Want hij en zijn vriend hadden gepraat over de Verschrikkingen der Eeuw, over Democratie en Openbaar onderwijs en Lucht-schrapers4 en auto’s en de Inval van Amerika, het Onoordeelkundig Lezen van het Publiek, en het verdwijnen van allen smaak.

„Wij staan er hier heelemaal buiten,” herhaalde hij en net terwijl hij dit zei trof het geluid der voetstappen van iemand die dien kant uitkwam zijn oor, en hij rolde zich om in zijn stoel en keek naar haar.

Gij kunt u de stage, beverige nadering der oude vrouw wel voorstellen, met haar pak in haar knoestige, [161]vermagerde hand geklemd, haar neus (die haar gezicht vormde) gerimpeld van ademlooze vastberadenheid. Gij ziet de klaprozen al zwaar van noodlot knikken op haar hoed, en de met stof bedekte elastieken laarzen onder haar schamele rokken onherroepelijk en langzaam beurtelings oost en west wijzend. Onder haar arm schoof een niet zeer kostbare parapluie heen en weer, als een oproerige gevangene. Wat kon den Dominé aanduiden, dat deze grotesque oude gestalte—tenminste voor zoover het zijn dorp betrof—niemand anders was dan het Vruchtbare Toeval, en het Onverwachte—de oude harpij die de menschen het Noodlot noemen. Doch voor ons is zij niemand anders dan juffrouw Skinner.

Daar zij te veel bepakt was om een buiging te maken, deed zij net of zij hem en zijn vriend niet zag, en ging hen dus, flip, flap, op nog geen drie pas voorbij, op het dorp toe. De dominé zag haar daar zoo langzaam in stilte heentrekken en deed ondertusschen een opmerking in zich rijpen...

Het voorval leek hem niet in het minst belangrijk. Er zijn stééds oude vrouwen, in àlle tijden, geweest die bundels getorst hebben, de geheele wereld door. En wat heeft het uitgemaakt? „Wij liggen er geheel en al buiten,” zei de dominé. „Wij leven in een sfeer van eenvoudige dingen die niet licht veranderen; van Geboorte en Arbeid, simpelen tijd van zaaien en simpelen oogst. Het rumoer gaat ons voorbij.” Hij kon altijd goed praten over wat hij noemde de permanente dingen. „De dingen veranderen,” placht hij te zeggen, „doch de Menschheid—aere perennius”.5 Hij hield van een klassieke aanhaling die listiglijk verkeerd te pas gebracht werd. En verder [162]op, den heuvel af, was de ongracieuze doch vastberaden juffrouw Skinner, op grappige wijze één geworden met Wilmerding’s „overstap.”6

[Inhoud]

III.

Niemand weet wat de dominé van de Reuzen-Wolfsveesten7 dacht.

Zonder twijfel was hij een van de eersten die ze ontdekte. Met kleine afstanden ertusschen waren ze langs het pad verspreid; tusschen den dichtst bijzijnden heuvel en het einde van het dorp—een pad dat hij dagelijks bezocht op zijn digestie-wandelingetje. Alles bij elkaar genomen, waren er van het begin tot het einde, minstens dertig van deze zwammen. De dominé schijnt naar elk van hen afzonderlijk verbaasd te hebben staan kijken, en in de meeste een paar maal met zijn wandelstok te hebben gestooten. Eén ervan trachtte hij met zijne armen te meten, doch zij barstte bij zijn Ixionische omarming.

Hij sprak er met verscheidene menschen over en zeide dat zij „wonderbaarlijk!” waren en hij verhaalde aan minstens zeven verschillende personen de welbekende geschiedenis van den vloersteen, die opgelicht werd van den keldervloer door een hoop paddestoelen die er onder groeiden. Hij keek er zijn Sowerby eens op na om te zien of het Lycoperdon coelatum of giganteum was. Hij hield er een geliefkoosde theorie [163]op na, dat de benaming „giganteum” niet juist was.

Men weet niet of hij ook opmerkte dat deze witte bollen juist op het pad groeiden dat die oude vrouw gisteren gevolgd had, en of hij opmerkte dat de laatste op nog geen twintig passen van het hek van het huisje van Caddles zijn dikken kop opstak. Zoo hij dit alles al opmerkte, trachtte hij toch niet er aanteekening van te houden. Zijn observatie-vermogen in botanische dingen was wat de kleinere natuurkundigen een „geoefende waarneming” noemen—men zoekt naar zekere bepaalde dingen en ziet alle verdere dingen over het hoofd. En hij deed geen moeite om dit verschijnsel in verband te brengen met het merkwaardig snelle groeien van den zuigeling van Caddles, wat nu al eenige weken aan den gang was; ja, feitelijk van den dag af dat Caddles ongeveer een maand tevoren zijn schoonmoeder was gaan bezoeken en hij zijn schoonmoeder hoorde opsnijden over het fokken van kippen.

[Inhoud]

IV.

Het groeien der wolfsveesten, volgend op het plotseling groeien van den baby der Caddles, behoorde den dominé de oogen geopend te hebben. Het laatste dezer twee feiten was hem reeds rechtstreeks in de armen gevoerd bij het doopen—bijna overweldigend...

De hummel gilde oorverdoovend, toen het koude water, dat zijn goddelijk erfdeel en zijn recht op den naam van Albert Edward Caddles bezegelde, op zijn voorhoofd druppelde. Hij ging de moederlijke draagkracht reeds te boven en Caddles, weliswaar wankelend onder den last, doch ouders van minder voordeelige kinderen triumphantelijk toegrijnzend, droeg [164]hem terug naar de bank die door zijn gezelschap werd ingenomen.

„Zóó’n kind heb ik nog nooit gezien!” zei dominé.

Dit was de eerste openlijke aanduiding dat het kleine kind van Caddles, dat zijn aardsche loopbaan begonnen was ònder een gewicht van zeven pond, bij slot van rekening zijn ouders toch nog eer aan zou gaan doen. En heel gauw werd het duidelijk dat het niet alleen voornemens was hun een eer, doch zelfs een glorie te zijn. En binnen een maand schitterde hun glorie zoo helder, dat zij, den stand van lieden als de Caddles in aanmerking nemend, onbehoorlijk was.

De slager woog het kind elf maal. Hij was geen erg spraakzaam mensch en besteedde niet veel tijd aan dit wegen. De eerste maal zei hij: „’t is een goeie hoor;” de tweede maal zei hij: „wel allemachtig!” De derde maal zei hij: „Nou, hm,” en daarna blies hij ieder maal slechts geweldig, krabde zich het hoofd, en keek naar zijn weegschaal met een tot hier toe nooit gevoeld wantrouwen. Iedereen kwam naar het „Groote Kind” kijken—zoo werd het algemeen genoemd—en de meesten zeiden: „’t is een dikzak, hoor!” Juffrouw Fletcher kwam ook kijken en zeide dat ze nog nooit zóó iets gezien had, wat volkomen juist was.

Lady Wondershoot, de dorps-tyran, kwam op den dag nadat het voor de derde maal gewogen was aanzetten en bekeek het phenomeen nauwkeurig door haar lorgnon, wat het kind deed brullen van angst.

„’t Is een merkwaardig „Groot kind,” vertelde zij de moeder, met een luide, leerende stem. „Je mag er wel goed voor zorgen, Caddles. Natuurlijk gaat dat zoo niet dóór, daar het met de flesch grootgebracht wordt, maar we moeten er voor doen wat we kunnen. Ik zal je nog wat flanel sturen.” [165]

De dokter kwam en mat het kind met een elletje, en schreef de cijfers in zijn notitieboekje, en de oude meneer Drifthassock, die een boerderij bij Up Marden had, maakte met een voerage-reiziger een omweg van een half-uur, om het te zien. De reiziger vroeg drie malen hoe oud het kind was en zeide eindelijk dat hij „verdompeld” zou zijn. Hoe en waarom hij „verdompeld” was moest men maar raden. Hij zei ook dat het in een reuzen-kinderen-tent op de kermis moest tentoongesteld worden. En den geheelen dag kwamen er kinderen die zeiden: „juffrouw Caddles, maggen we asjeblief je kind es zien,” tot juffrouw Caddles er een stokje voor moest steken. En temidden van al deze verbazingwekkende dingen stond daar juffrouw Skinner, glimlachend en zich een beetje achteraf houdend, met de puntige elbogen in haar lange slappe handen, en al maar glimlachend om en bij haar neus, met een oneindig diepzinnigen glimlach.

„Zelfs die oude heks van een grootmoeder ziet er opgeruimder door uit,” zei Lady Wondershoot. „Al spijt ’t mij ook dat ze weer hier in het dorp terug is.”

Natuurlijk, zooals bij de meerderheid der zuigelingen van de armere dorpelingen, werd het bedeeld, doch door een enorm gekrijt maakte het kind het weldra duidelijk dat het, wat het vullen van zijn zuigflesch aanging, nog lang niet genoeg bedeeld werd.

De baby had recht op een negendaagsche bewondering, en iedereen had schik in zijn verbazenden groei, gedurende tweemaal dien tijd en langer. En zelfs daarna, inplaats van op den achtergrond te geraken, en plaats te maken voor andere wonderen, bleef het maar steeds doorgroeien, nog sterker dan te voren!

Lady Wondershoot luisterde met de uiterste verbazing naar haar huisbewaarster. [166]

„Caddles al wéér beneden. Geen eten voor het kind! Maar m’n beste Greenfield, dat kàn niet. Het schepsel eet als een nijlpaard! ’t Kan beslist niet waar zijn.”

„Ik mag van harte lijden dat ze u niet bedriegen, barones,” zei juffrouw Greenfield.

„Het is zoo moeilijk te zeggen bij zulk soort menschen,” zei Lady Wondershoot. „Doe me een pleizier, m’n beste Greenfield, er vanmiddag zelf even heen te gaan en je zelf te overtuigen—en blijf erbij als ’t de flesch krijgt. Al is ’t werkelijk een groot kind, ik kan me heusch niet voorstellen dat ’t méér dan zes pint per dag zou noodig hebben.”

„’t Heeft er geen recht op, barones,” zei juffrouw Greenfield.

Lady Wondershoot’s hand beefde, met die C. O. S. soort van emotie, die achterdochtige woede, die in alle ware aristocraten beeft, bij de gedachte dat mogelijk de lagere klassen bij slot van rekening—even laag zijn als hun meerderen en—en hier steekt de angel—op dit gebied nog beter aan toe zijn misschien dan zij.

Doch juffrouw Greenfield kon geen bewijzen vinden dat er op den zak harer meesteres gespeculeerd werd, en er werd bevel gegeven, aan Caddles’ baby een grooter dagelijksch rantsoen te verstrekken. Nauwelijks was het eerste rantsoen op, of daar kwam Caddles alweer aan, met een wanhopig air van „ik kan er niks aan doen.”

„Wij hebben er zuinig op gepast, juffrouw Greenfield, ’t is waar, juffrouw, maar ze zijn ’em d’r allemaal gewoon afgesprongen! Ze vlogen met zoo’n kracht in de rondte, juffrouw, dat er een knoop door een ruit ging, en een andere me nèt hier tegen m’n hoofd vloog da ’k er van duizelde.” [167]

Toen Lady Wondershoot vernam dat het wonderbaarlijke kind zoowaar zijn prachtige bedeelingskleeren had doen barsten, besloot zij er Caddles zèlf eens over te spreken. Hij verscheen vóór haar; zijn haar inderhaast natgemaakt en gladgestreken met de hand, buiten adem en zich aan zijn hoed-rand vastklemmend alsof het een zwemgordel was, en struikelend in zijn rampzaligheid over den rand van het vloerkleed.

Lady Wondershoot mocht Caddles graag afsnauwen. Caddles was in haar oog het ideaal van iemand die tot de lagere klassen behoort, oneerlijk, trouw, kruiperig, werkzaam, en onbegrijpelijk ongeschikt om verantwoordelijkheid op zich te nemen. Zij zeide hem dat hij werkelijk niet te licht moest denken over de wijze waarop dat kind zich gedroeg.

„Niks anders dan dat hij zoo’n honger heeft, barones,” zei Caddles, met verheffing van stem.

„En je kunt hem niet tegenhouden ook, barones,” zei Caddles. „Hij ligt daar maar van zich af te trappen en te gillen dat je hooren en zien vergaat. ’t Gaat niet, barones en als we ’t al deden, zouden de buren tusschen beiden komen...”

Lady Wondershoot raadpleegde er den dokter eens over.

„Ik zou wel eens willen weten,” zei Lady Wondershoot, „of ’t wel goèd is dat dit kind zulk een verbazende hoeveelheid melk krijgt?”

„De gewone hoeveelheid voor een kind van dien leeftijd,” zei de dorpsdokter, „is anderhalf tot twee pint in de vierentwintig uur. Ik zie heusch niet in dat u geroepen is om méér te verschaffen. Zóó u het doet, dan is ’t alleen uw eigen edelmoedigheid. Natuurlijk zouden we het met de hoeveelheid die hem toekomt eens een paar dagen kunnen probeeren. Maar ik moet toegeven, dat het kind, door de een of andere [168]oorzaak physiologisch van andere kinderen verschilt. Het is mogelijk dat het, wat men een „Sport” noemt, is. Een geval van Algeheele Overvoeding.”

„Het is niet eerlijk tegenover de andere dorpskinderen,” zei Lady Wondershoot. „Ik weet zeker dat er klachten inkomen als dit zoo dóórgaat.”

„Ik zie werkelijk niet in dat er van iemand verwacht kan worden méér te geven dan de hoeveelheid die algemeen aan kinderen van dien leeftijd gegeven wordt. We zouden er op kunnen staan dat ’t zich daarmede tevreden stelde, of, als ’t dat niet wilde, het als een „geval” naar het ziekenhuis sturen.”

„Ontdekt u, nog afgezien van de grootte en den eetlust, ook nog iets anders dat abnormaal is—niets monsterachtigs?” zei Lady Wondershoot nadenkend.

„Neen, neen, dat niet. Doch als deze groei doorgaat, zullen wij ernstige moreele en intellectueele tekortkomingen ontdekken. Men zou dit reeds nu haast durven voorspellen aan de hand van Max Nordau’s wet. Een zeer begaafde, en beroemde filosoof, Lady Wondershoot. Hij ontdekte dat het abnormale—abnormaal is, een zeer gewichtige ontdekking, die wel de moeite waard is onthouden te worden. Voor mij is zij tenminste van groot belang in mijn praktijk. Als ik iets abnormaals ontdek, zeg ik dadelijk: „Dit is abnormaal.” Zijn oogen namen een diepzinnige uitdrukking aan; hij liet zijn stem dalen, zijn houding grensde aan het intiem-vertrouwelijke. Hij hief stijf een hand op. „En in dien geest behandel ik dan zoo’n geval,” zei hij.

[Inhoud]

V.

„Wel, wel!” zei de dominé tegen zijn ontbijt-gerei—den dag na de aankomst van juffrouw Skinner. [169]

„Wel, wel, wat hebben we hier?” en richtte zijn bril op zijn courant met een afkeurenden blik.

„Reuzenwespen! Wat beleven we al niet... Amerikaansche journalisten, vertrouw ik! Ik moet niets hebben van al die nieuwe fratsen. Ik ben al heel tevreden met reuzen-klapbessen.”

„Onzin!” zei de dominé, dronk in één teug zijn koffie leeg, met zijn blikken vast op zijn courant gevestigd, en smakte ongeloovig met de lippen.

„Nonsens!” zei de dominé, het bericht niet willend gelooven. Doch den volgenden dag stond er meer over in, en toen ging hem plotseling een licht op. Doch alles werd hem niet opeens duidelijk. Toen hij dien dag zijn digestie-wandeling ging doen, liep hij nog onderdrukt te lachen over dat nonsensicale verzinsel, dat zijn courant hem op de mouw wilde spelden. „Jawel! Wespen—die een hond gedood hadden!” Toen hij toevallig voorbij de plek kwam waar die eerste was van Wolfsveesten groeide, merkte hij bij zichzelven op dat het gras daar erg hoog en weelderig groeide, doch hij bracht dit op geenerlei wijze in verband met dat waarover hij in stilte zulk een pleizier had.

„Dan zouden we er toch hier ook wel ièts van gehoord hebben,” zei hij; „Whitstable is nog geen twintig mijlen hier vandaan.”

Een eindje verder vond hij weder een wolfsveest, een van de tweede collectie, die als het ei van een rock8 uit de abnormaal grove aarde stak.

Toen schoot de beteekenis van dit alles in hem als een bliksemstraal. [170]

Dien morgen deed hij niet zijn gebruikelijke rondte. Hij sloeg af bij den tweeden overstap en liep zóó om naar het huisje der Caddles. „Waar is je kind?” vroeg hij, en toen hij het zag, riep hij uit: „Goeie hemel!”

Hij liep den stijgenden weg naar het dorp op en kwam den dokter tegen die in allerijl naar beneden liep. Hij vatte hem bij den arm. „Wat betéékent dit allemaal?” zei hij. „Heb je de laatste dagen couranten gelezen?”

De dokter antwoordde toestemmend.

„Nu, en wat is er aan de hand met dat kind? En al dat andere—wespen, wolfsveesten, zuigelingen, hè, zeg? Wat is het dat ze zoo sterk doet groeien? ’t Komt erg onverwacht. En dat nog wel in Kent! Als ’t nu nog Amerika was—”

„’t Is op ’t oogenblik nog moeilijk te zeggen wat ’t precies is,” zei de dokter. „Zoover als ik de symptomen kan nagaan—”

„...is het overmatige voeding—algemeene overvoeding.”

„Overvóéding?”

„Ja, algeheele—doet den geheelen lichaamsbouw aan—het geheele organisme. Tusschen ons, in vertrouwen gezegd, ben ik er wel haast van overtuigd dat het dàt is... Maar je moet altijd een beetje voorzichtig zijn in je oordeel.”

„Ha,” zei de dominé, erg opgelucht, te bevinden dat de dokter tegen het geval was opgewassen; „maar hoe komt ’t dat ’t overal op deze manier uitbreekt?”

„Ja, dat is weer iets dat moeilijk te zeggen valt.”

„In Urshot, en nu hier, ’t is een vrij duidelijk geval van verspreiding.”

„Ja,” zei de dokter, „ja. Ik geloof het ook. Het lijkt in elk geval erg op de een of andere epidemie. Waarschijnlijk [171]zal ’t wel Epidemische Overvoeding zijn.”

„Epidemisch!” zei de dominé. „Je wilt toch niet zeggen dat ’t besmettelijk is?”

De dokter glimlachte vriendelijk en wreef zich in de handen. „Ja, zie je, dàt kan ik niet zeggen,” zei hij.

„Maar—!” riep de dominé, met wijd open oogen. „Als ’t eens besmettelijk is—dan—dan steekt ’t òns ook aan!”

Hij liep een paar pas den weg op en wendde zich toen weder om.

„Ik kom er juist vandaan,” riep hij. „Zou ’t niet goed zijn als—? Ik ga dadelijk naar huis, om een bad te nemen en mijn kleeren te ontsmetten.”

De dokter keek zijn zich verwijderende gestalte een oogenblik na, wendde zich toen om en ging naar zijn eigen huis...

Doch onderweg dacht hij na over het feit dat er nu al een maand lang een geval in het dorp was zonder dat iemand anders er door besmet werd, en na een korte aarzeling besloot hij moedig te zijn zooals een dokter betaamt en de gevolgen als een man af te wachten.

En wèl waren zijn overdenkingen juist. Want groei was het allerlaatste dat hèm nog zou aansteken. Hij,—en ook de dominé—kon een handkar vol Herakleophorbia opgegeten hebben. Want de groei was bij hen uit, voor altijd.

[Inhoud]

VI.

Een dag of zoo na dit gesprek,—dat wil zeggen een dag of zoo na het verbranden der Proef-Hoeve, kwam Winkles bij Redwood en liet hem een beleedigenden brief zien. Het was een ongeteekende brief, en een auteur behoort de geheimen zijner sujetten te [172]bewaren. „Ge denkt eer in te leggen met wat niets anders dan een volkomen natuurlijk verschijnsel is,” luidde de brief, „en ge tracht voor uzelf reclame te maken met uw brief aan de „Times.” U en uw Bomvoedsel! Laat ik u even zeggen dat dit voedsel met zijn zotten naam slechts zeer toevallig in verband staat met deze groote wespen en ratten. De naakte waarheid is dat er een epidemie van Overvoeding heerscht—Besmettelijke Overvoeding—die ge ongeveer even weinig kunt tegengaan als ge het zonnestelsel kunt bedwingen. Het is een quaestie die zoo oud is als de wereld. Er heerschte overvoeding in het geslacht van Enak. Geheel buiten uw bereik, te Chaesing Eyebright bevindt zich op dit oogenblik een kind—”

„Beverige op- en neerhalen. Blijkbaar oude heer,” zei Redwood. „Maar het is toch vreemd dat een kind—”

Hij las een paar regels verder, en kreeg plotseling een ingeving.

„Bij den hemel!” zei hij. „Dat is mijn verdwenen juffrouw Skinner!”

Hij overviel haar plotseling den volgenden dag in den namiddag.

Zij was bezig uien te trekken in het tuintje voor haar dochter’s huisje, toen zij hem zag aankomen door het tuinhek. Zij bleef een oogenblik „beduusd” staan, zooals de lui op ’t land het uitdrukken, sloeg toen de armen over elkaar en wachtte zijn komst af met het bosje uien als ter verdediging onder haar linker elboog. Haar mond opende en sloot zich verscheidene malen; zij mummelde wat met haar eenigen tand, en eenmaal maakte zij plotseling een buiging, als het flikkeren van een booglamp.

„Ik dacht wel dat ik je vinden zou,” zei Redwood. [173]

„Ja, dat heb ik ook al gedacht, meneer,” zei zij, zonder veel vreugdebetoon.

„Waar is Skinner?”

„’IJ ’eeft me nooit weer geschreve’, meneer, en is ook nooit meer ’ier geweest vanaf dat ik ’ier ben.”

„Weet je niet wat er van hem geworden is?”

„’IJ ’eeft me nooit meer geschreve’, meneer,’’ zei zij en deed zijdelings een schrede naar links, half met het doel Redwood van de deur af te houden.

„Niemand weet wat er van hem geworden is,” zei Redwood.

„Nou maar, ’ijzèlf wel,” zei juffrouw Skinner, „maar ’ij wil ’t niet zegge’, want ’ij ’ad t’r altijd slag van ’n mensch, dat ’t em ’t naaste stond in last te brenge’ en te late’ zitte’. Maar slim was ie, da mô’ k zegge’,” zei juffrouw Skinner....

„En waar is dat kind nu?” vroeg Redwood plotseling.

„Wâ blieft u?”

„Dat kind daar ik van heb hooren spreken, ’t kind dat je ons goedje gegeven hebt—het kind dat acht en twintig pond weegt.”

De handen van juffrouw Skinner waren zenuwachtig in de weer, en ze liet de uien vallen. „Warachies, meneer,” zei zij, „ik weet werkelijk niet wat u bedoel. M’n dochter, meneer, juffrouw Caddles, ’ééft een kind, meneer.” En zij maakte zenuwachtig een reverence, en probeerde er onschuldig-vragend uit te zien, door haar neus naar één kant te trekken.

„Ik zou graag dat kind es zien, juffrouw Skinner,” zei Redwood.

Juffrouw Skinner deed één oog wat wijder open toen zij hem voorging naar de deel. „Natuurlijk, meneer, d’r kan ergens wel een klein beetje in geweest zijn, in een kleine bus van Nicey die ik aan zijn vader gaf om van de boerderij mee te brengen, of [174]misschien een klein beetje dat ik om ’t zoo maar es uit te drukken bij me had, en dat door m’n gauwe inpakke’ d’r tussche’ zal zijn geraakt....”

„H’m!” zei Redwood nadat hij een poosje naar het kind had staan kijken. „H’m!”

Hij zei tot juffrouw Caddles dat het een erg voordeelig kind was, iets wat zij hoe langer hoe meer in al zijn omvang begon te begrijpen,—en na dit gezegd te hebben, bemoeide hij zich verder niet met haar. Een oogenblik later verliet zij het vertrek uit louter onbeduidendheid.

„Nu dat je er mee begonnen bent, zul je er mee voort moeten gaan,” zei hij tot juffrouw Skinner. Hij wendde zich plotseling tot haar.

„En denk er wel om, dat je ’t niet wéér rondmorst,” zei hij.

„’t Rondmorse, meneer?”

„Kom, je begrijpt me heel goed.”

En dàt zij hem begreep bleek uit haar zenuwachtige gebaren.

„Je hebt er hier niemand iets van verteld? De ouders, den dorpsheer op het heerenhuis, den dokter, aan niemand?”

Juffrouw Skinner schudde ontkennend het hoofd.

„Dat zou ik je ook niet raden,” zei Redwood.

Hij ging naar de deel-deur en keek eens naar buiten. De schuurdeur zag, tusschen het eind van het boerenplaatsje en eenige ongebruikte varkenskotten, door een hek met vijf dwarslatten uit op den heirweg. Daar achter bevond zich een hooge steenen muur, weelderig met klimop, muurbloemen en huismanslook begroeid, en die van boven voorzien was van glasscherven. Net voorbij den hoek van den muur stak een door de zon verlicht bord tusschen de groene en gele bladerentakken uit, boven de weelderige schakeeringen [175]der eerste gevallen bladeren, en behelsde het gebruikelijke „Verboden Terrein, volgens artikel 461 Wetboek van Strafrecht.” De donkere schaduw van een gat in de heg deed een eind prikkeldraad duidelijk uitkomen.

„Hm,” zei Redwood, en toen nog eens wat dieper, „hm!”

Het geklep van paardenhoeven en het geratel van raderen kwam naderbij en Lady Wondershoot’s schimmels kwamen in het zicht. Hij lette op de gezichten van koetsier en palfrenier, onderwijl de equipage naderbij kwam. De koetsier was een zeer mooi exemplaar in zijn soort, welgedaan en rijp, en hij mende met een soort van sacramenteele waardigheid. Anderen mochten aan hun roeping en positie twijfelen in de wereld, hij was er ten minste zéker van—hij reed de barones. De palfrenier zat naast hem met over elkaar geslagen armen en met een onbeweeglijk, zéker gezicht. Toen werd de groote dame zelf zichtbaar, met hoed en mantel die alle elegance verachtten. Twee jonge dames rekten, met haar, hunne halzen uit en gluurden naar buiten. De dominé, die aan den anderen kant voorbij kwam, nam met een zwaai den hoed van zijn David’s voorhoofd, zonder dat hij opgemerkt werd.

Redwood bleef nog langen tijd nadat het rijtuig verdwenen was, in den deurpost staan kijken, de handen op zijn rug. Zijn blikken gingen naar het hooge duinland en de met wolken geplekte lucht, en gingen toen weder terug naar den met glasscherven afgezetten muur. Hij wendde zich om naar de koele schaduwen daarbinnen, en temidden van plekken en klodders kleur zag hij daar het reuzen-kind in dat Rembrandtieke halfduister, naakt op een flanellen luier na, gezeten op een ontzettend dikke wis stroo en met zijn teenen spelend. [176]

„Ik begin in te zien, wat wij gedaan hebben,” zei hij.

Hij verzonk in gedachten, en de jonge Caddles en zijn eigen kind en Cossar’s jongens vormden deel van zijne mijmeringen. Plotseling begon hij te lachen. „Goeie hemel!” zei hij, als om een voorbijgaande gedachte.

„In ieder geval mag hij niet gekweld worden met storing in het geregeld krijgen van zijn voedsel. Dàt kunnen we tenminste voorkomen. Ik zal je elk half jaar een bus sturen. Daar zal hij wel mee uitkomen, denk ik,” zei hij tot juffrouw Skinner.

Juffrouw Skinner mompelde iets van „als uwes dat denkt, meneer,” en „is er vast bij ongeluk tusschen geraakt.... dacht niet dat ’t kwaad kon as ’k ’em er ’n beetje van gaf,” en aldus met behulp van allerlei buigzame gebaren beduidde zij hem dat ze hem begreep.

En aldus ging het kind voort met groeien.

„Feitelijk,” zei Lady Wondershoot, „heeft hij ieder kalf in het dorp opgegeten. Als die Caddles toch nog weer zoo’n kind—”

[Inhoud]

VII.

Doch zelfs zulk een afgezonderd plaatsje als Cheasing Eyebright kon, bij de steeds toenemende drukte die er over het Voedsel gemaakt werd, niet lang volharden in de theorie van Overvoeding—besmettelijk of niet. Weldra kwam het tot pijnlijke ophelderingen voor juffrouw Skinner—ophelderingen die haar slechts sprakeloos deden mummelen op haar eenigen tand—verklaringen, die uit haar haalden wat er uit te halen was, die haar als ’t ware doorzòchten, en haar ontmaskerden—totdat zij zich ten laatste genoodzaakt zag haar toevlucht te nemen tot de waardigheid van [177]een ontroostbaar weduwschap, om de zich steeds ophoopende blaam te ontgaan. Zij sloeg haar oog—dat ze steeds in een waterigen toestand hield—op de burchtvrouwe, en veegde het zeepsop van haar handen.

„U vergeet, barones, waar ik onder gebukt ga.”

En zij liet op deze waarschuwing, met lichtelijk uitdagende stem volgen:

„Aan ’em denk ik, nacht en dag.”

Zij perste de lippen samen en haar stem werd zachter en haperde: „En nog wel opgegeten en wel.”

En zich aldus op dit standpunt geplaatst hebbend, herhaalde zij de verklaring die de barones eerst niet had willen aannemen. „Ik ’ad niet méér idee wat ik an ’t kind gaf, dan ieder ander mensch zou ’ebben.”

De barones richtte hare gedachten op hoopvoller dingen, doch vergat niet Caddles natuurlijk flink de les te lezen. Afgezanten, vol van diplomatieke bedreigingen, kwamen plotseling in de bewogen levens van Bensington en Redwood. Zij verschenen in den vorm van leden van den parochialen raad van bestuur, dom vasthoudend als een speeldoos aan hun vooraf in elkaar gezette bewerinkjes.

„Wij beschouwen u als aansprakelijk, mijnheer Bensington, voor al het nadeel dat onze parochie ondervonden heeft. U draagt hiervan alleen de schuld.”

Een advocaten-firma, met een arglistigen stijl—zij noemden zich Banghurst, Brown, Flapp, Codlin Tedder en Snoxton, en verschenen onveranderd in den vorm van een rood, er-listig-uitziend heertje met een spitsen neus—zei vage dingen over schadevergoeding, en dan was er nog een erg gepolijst personage—de agent der barones, die Redwood plotseling op zekeren dag overviel en vroeg: „Nu, mijnheer, wat [178]denkt u te doen?” Waarop Redwood antwoordde dat hij van plan was het verstrekken van het „Voedsel” aan het kind te staken, als hij of Bensington nog verder over iets lastig gevallen werden. „Ik geef het toch al gratis,” zei hij, „en als u ophoudt het ’t voedsel te geven, zal het uw dorp omvèr schreeuwen vóór het sterft. Jullie hebt dit kind nu eenmaal, en jullie moet het houden. Lady Wondershoot kon niet altijd Lady de Milde en Aardsch Voorzienigheidje spelen in haar parochie zonder zoo nu en dan eens een verantwoordelijkheid tegen te komen.”

„Het kwaad is geschied,” besliste Lady Wondershoot toen men haar mededeelde—met de noodige afkortingen en zuiveringen—wat Redwood gezegd had.

Hoewel inderdaad het kwaad pas bezig was een aanvang te nemen.

Ornament (blad)

[179]


1 Pyracanthus is een soort hagedoorn.

2 Climacterisch, letterlijk: naar zekere tijdperken. Volgens oud-medische beschouwing wordt een menschenleeftijd verdeeld in tijdperken, die aan het eind levensgevaarlijk zouden zijn. Vooral het 63e jaar, waarbij een zekere sufheid intreedt. Men zou, als van een vrucht, kunnen zeggen, dat de mensch „beurs” wordt.

3 West-End is het deftigere gedeelte van Londen.

4 De hooge huizen van twintig en meer verdiepingen in Londen.

5 „Verandert niet”.

6 „Overstap”.—Waar in Engeland een voetpad over partikulier land loopt, dat omheind is, zijn bij de kruisingen en afscheidingen overal zoogenaamde „stiles” aangebracht; soms draaiende hekken, soms eenige treden, om over te stappen.

7 Wolfsveest: kampernoelje, paddenstoel—latijn: Lycoperdon.

8 Het „ei van Koning Rock” speelt een rol in de geschiedenis van Aladdin en de Wonderlamp, waar de broeder van den vermoorden toovenaar Aladdin doet overhalen de geesten van de lamp om dat ei te vragen. (Zie onze uitgave van dit verhaal.)

[Inhoud]

Hoofdstuk II.

De reusachtige Telg.

[Inhoud]

I.

„Het reuzenkind was leelijk”—hield de dominé vol. „Het was altijd leelijk geweest, zooals alle buitensporige dingen dit uit den aard der zaak moèsten zijn.” De overtuiging van den dominé stond zijn onbevangen oordeel in den weg. Zelfs in deze landelijke afzondering werden er heel wat kiekjes genomen van het kind en hun onbevooroordeelde getuigenis staat lijnrecht tegenover de verklaring van den dominé, daar zij uitwijzen dat het jonge monster eerst bijna knap was, met een overvloedigen krullekop met haar, dat tot op zijn voorhoofd viel, en dat het altijd klaar was om te glimlachen. Op de meesten dezer kiekjes staat Caddles, die tenger gebouwd was, achter het kind, aldus zijne betrekkelijke kleinheid nog meer latende uitkomen.

Na het tweede jaar werd de knapheid van het kind meer betwistbaar. Hij begon, zooals zijn ongelukkige grootvader het zéker zoude uitgedrukt hebben „geil” op te groeien. Hij verloor zijn kleur, begon er bij al zijn kolossaalheid, toch maar smalletjes uit te zien. Hij was erg tenger. Zijn oogen en iets in zijn gezicht werden fijner, en werden, zooals men het uitdrukte, „interessant.” Nadat zijn haar eenmaal geknipt was, begon het één warbos te worden. „Dat is de degeneratie [180]die in hem zit,” zei de dokter, die dit alles gadesloeg, doch in hoever hij hierin gelijk had, en in hoever het achteruitgaan van de gezondheid van het kind te wijten was aan het voortdurend verblijf houden in een schuur met gewitte wanden, en levend van Lady Wondershoot’s liefdadigheid, die nog getemperd werd door een gevoel van rechtvaardigheid, blijft een onuitgemaakte zaak. De kiekjes die er van hem genomen werden, van zijn derde tot zijn zesde jaar, wijzen uit dat hij zich aan het ontwikkelen was tot een rond-oogigen, vlasharigen jongen met een dopneus en een niet onvriendelijk starenden blik. Er zweeft om zijne lippen die nooit ver-verwijderde belofte van een glimlach, die op al de foto’s van de jonge reuzenkinderen is weer te vinden. In den zomer draagt hij losse kleederen van tijk, die aan elkaar genaaid zijn met touw; doorgaans heeft hij op zijn hoofd een van die strooien manden die werklieden voor hun gereedschap gebruiken, en hij is blootsvoets. Op één opname grinnikt hij met breeden mond en houdt hij een afgeknabbelden citroen in de hand.

De foto’s die in den winter van hem genomen werden zijn minder talrijk en minder goed gelukt. Hij draagt reusachtige klompen—natuurlijk van beukenhout en (zooals brokstukken van de inscriptie „John Stickells, Iping” uitwijzen) zakken als sokken, en zijn broek en jas zijn onmiskenbaar gesneden uit het overblijfsel van een carpet met een vrolijk patroon. Daaronder bevonden zich grove flanellen luren; vijf of zes el flanel zijn als een bouffante om zijn hals gebonden. Het ding op zijn hoofd is waarschijnlijk eveneens een zak. Hij staart, soms lachend, soms een beetje treurig naar de camera. Zelfs toen hij pas vijf jaar oud was, kon men die half grillige rimpels boven zijn zachte bruine oogen opmerken, die zijn gelaat kenteekenden. [181]

Zooals de dominé tenminste van het begin af beweerde, was hij een schrikkelijke last voor het dorp. Hij schijnt een aan zijn grootte geëvenredigden lust om te spelen gehad te hebben. Hij schijnt bovendien erg nieuwsgierig en erg op gezelschap gesteld geweest te zijn, en dan nog had hij een zeker verlangen—het spijt mij dat ik het zeggen moet—naar meer voedsel.

Niettegenstaande wat juffrouw Greenfield een „buitengewoon” ruim rantsoen noemde, en dat hem door Lady Wondershoot verstrekt werd, gaf hij toch blijk van wat de dokter onmiddellijk herkende als de „Crimineele Honger.” Het bewees slechts al te duidelijk Lady Wondershoot’s zwartgalligste ondervindingen van de lagere klassen—dat, niettegenstaande een rantsoen, dat het maximum van een volwassene ver overtrof, men het kind toch betrapte op diefstal. En wat hij stal, at hij op met een onbevallige gulzigheid. Zijn groote hand placht plotseling over tuinmuren te verschijnen; zelfs hunkerde hij naar het brood in de bakkerskarren. Kazen verdwenen van Marlew’s voorraadzolder en geen varkenstrog was veilig voor hem. Als de een of andere boer eens door zijn koolrapenveld liep, zag hij dikwijls het spoor zijner enorme voeten, en het bewijs van zijn knagenden honger—hier en daar was een raap uitgetrokken, en de hierdoor ontstane gaten had hij dan weder, met kinderlijken list, onbeholpen dichtgemaakt. Hij at een koolraap zooals men een radijs eet. Hij stond de appels van een boom te eten als er niemand in de buurt was, zooals gewone kinderen bramen van een struik plukken. In één opzicht was dit gebrek aan voldoende proviand tenminste heilzaam voor den goeden vrede te Cheasing Eyebright—want vele jaren lang at hij ieder kruimpje op van het Voedsel der Goden dat hem gegeven werd... [182]Ontegenzeggelijk was het kind lastig en niet op zijn plaats. „Hij slenterde altijd rond,” placht de dominé te zeggen. Hij kon geen school bezoeken; hij kon evenmin ter kerk gaan, om reden van den beperkten kubieken inhoud ervan. Er werd een poging gedaan om te voldoen aan den geest van die „allerdwaaste en onheil-stichtende” wet—ik herhaal wat de dominé zei—de Wet op het Lager Onderwijs van 1870, door hem buiten het open schoolraam te doen plaatsnemen, terwijl er binnen onderwezen werd. Doch zijne tegenwoordigheid ondermijnde de discipline der school, daar de kinderen voortdurend opstonden en naar hem gluurden, en telkens als hij wat zei, lachten zij in koor. Zijn stem was zoo vreemd! En aldus lieten zij hem maar niet weder komen.

Ook werd er niet verder bij hem aangedrongen naar de kerk te gaan, want zijn kolossale afmetingen droegen er niet toe bij, om de algemeene aandacht te bevorderen. En toch konden zij op dit punt een lichter taak gehad hebben; want er is alle reden te vermoeden dat er ergens in dat groote lichaam kiemen van godsdienstig gevoel huisden. Misschien ook dat de muziek hem aantrok. Zoo kon men hem Zondagsmorgens vaak opmerken op het kerkhof, voorzichtig tusschen de graven doorloopend, nadat de gemeente de kerk binnengegaan was, en hij zat daar dan zoolang de dienst duurde bij de groote deur, en luisterde toe, zooals men luistert naar het geluid in een bijenkorf.

In het begin toonde hij een zeker gebrek aan tact; de menschen in de kerk plachten zijn voeten rusteloos om het gebouw te hooren kraken, of zagen zijn gezicht door de verweerde ruiten naar binnen gluren, half nieuwsgierig, half afgunstig, en soms trof hem plotseling een eenvoudig gezang en brulde hij met sombere stem mede, in een reuzen-poging om in te [183]stemmen. Waarop de kleine Sloppet, die orgeltrapper, banksluiter, koster en bode en klokkenluider op Zondag was, benevens postbode en schoorsteenveger in de week, heel dapper en flink naar buiten placht te gaan en hem, het kind, met hangend hoofd wegzond. Het doet me genoegen te kunnen zeggen dat Sloppet het,—in de oogenblikken dat hij er ernstiger over nadacht—voelde. „Het was net als dat je ’n hond naar huis stuurde als je ging wandelen,” vertelde hij mij.

Doch de verstandelijke en moreele opvoeding van den jongen Caddles, al ging ze ook bij stukjes en beetjes, liet niets aan duidelijkheid te wenschen over. Van het begin af aan, spanden dominé, moeder en de geheele wereld samen om hem duidelijk te maken dat zijn reuzenkracht nièt was om te gebruiken. Het was een ongeluk dat hij maar zoo goed mogelijk moest zien te dragen. Hij moest ter harte nemen wat hem gezegd werd, en doen wat hem bevolen werd, oppassen nooit iets te breken of iemand pijn te doen. Vooral moest hij oppassen nergens op te trappen of tegen dingen aan te loopen of in het rond te springen. Hij moest de groote lui beleefd groeten en dankbaar zijn voor het voedsel en de kleeren, die er voor hem van hunne rijkdommen overschoten. En hij leerde al deze dingen onderworpen, daar hij van aard en uit gewoonte een leerzaam kind was, en slechts door zijn voedsel en bij toeval, een reus.

In die dagen bleek hij den diepsten eerbied voor Lady Wondershoot te hebben. Zij vond dat zij het beste tegen hem kon spreken als zij korte rokken aan en haar hondenzweep bij zich had, en hiermede gesticuleerde zij en deed altijd een beetje minachtend en praatte erg luid. Doch soms speelde de dominé den baas—een kleinen, buiten adem zijnden David van [184]middelbaren leeftijd, die berispingen en verwijten en bevelen slingerde naar een kinderlijken Goliath. Het monster was nu zoo groot, dat niemand er zich rekenschap van scheen te kunnen geven dat het bij slot van rekening nog slechts een kind van zeven jaar was, met het verlangen van een kind om aangehaald te worden, en om zich te vermaken en nieuwe ondervinding op te doen, met al het verlangen van een kind naar wederliefde, aandacht en genegenheid, en met al de in een kind schuilende geschiktheid tot afhankelijkheid en oneindige verveling en ellende.

Als de dominé zoo ’s morgens in den zonneschijn den dorpsweg afwandelde, placht hij een lompen achttien voet van het Onverklaarbare te ontmoeten, die voor hem even fantastisch en onaangenaam was als een nieuwe vorm van afscheiding der kerk, zooals het daar onregelmatig heenliep met uitgestrekten hals, voortdurend zoekend naar de twee dingen die een kind het meeste noodig heeft—iets te eten en iets om mee te spelen.

Als het den dominé zag, kwam er een blik van heimelijken eerbied in de oogen van het wezen, en het probeerde aan de verwarde voorlok te tikken bij wijze van groet.

Op bescheiden schaal bezat de dominé werkelijk verbeeldingskracht—tenminste het overblijfsel ervan—en tegenover den jongen Caddles nam zij den vorm aan van het berekenen der reusachtige mogelijkheden van persoonlijk geweld die er lagen in zulke enorme spieren. Veronderstel bijvoorbeeld een plotselinge krankzinnigheid—! Veronderstel een momenteel verliezen van respect—! Doch de werkelijk dappere man is niet hij die geen vrees voelt, doch hij die haar overwint. En telkens weder gelukte het den dominé de vlucht zijner verbeelding te bedwingen. En steeds [185]sprak hij den jongen Caddles aan met een helderen preektenor.

„Pas je nog altijd goed op, Albert Edward?”

En terwijl de jonge reus dichter bij den muur ging staan en diep kleurde, placht hij te antwoorden „ja meneer—zooveel as ’k kan.”

„Ja, pas maar goed op,” zei de dominé dan, en ging hem voorbij met hoogstens een kleine versnelling van zijn adem. En uit eerbied voor zijn manlijkheid maakte hij het zich tot regel, om, wat hij zich ook in het hoofd mocht halen, nooit om te kijken naar het gevaar als hij het eenmaal voorbij was.

Zoo nu en dan onderrichtte de dominé den jongen Caddles zelf. Hij leerde het monster nooit lezen—dat was niet noodig; doch hij leerde hem de meer gewichtige punten van den Catechismus—zijn plicht jegens zijn naaste bijvoorbeeld en ook sprak hij hem over die godheid, die Caddles zoude straffen met de uiterste gestrengheid als hij het ooit waagde den dominé of Lady Wondershoot ongehoorzaam te zijn. Deze lessen werden gegeven op de plaats van den dominé, en de voorbijgangers plachten die zware vlugge kinderlijke stem de leeringen der Gevestigde Kerk te hooren opdreunen.

„Den koning en allen die macht ’ebben onder ’em te ge’oorzamen. Onderworpen te zijn aan al m’n leermeesters, geestelijke ’erders en meesters. En ootmoedig te zijn jegens allen die over mij gesteld zijn—”

Weldra bleek het, dat de indruk dien de jonge reus op paarden, die niet aan hem gewoon waren, maakte, dezelfde was als de schrik die een kameel hen inboezemde, en hij kreeg bevel niet meer op den heirweg te komen, niet alleen niet meer in de buurt van het kreupelhout, (waar zijn domme lach die over den muur klonk, de barones buitengewoon gehinderd had) [186]doch nèrgens meer. Hij gehoorzaamde deze wet nooit volkomen, daar de heirweg hem àl te veel belangstelling inboezemde. Doch zijn gang naar de plaats waar hij vroeger geregeld kwam, werd een hèimelijk genoegen. Zijn tochten waren ten laatste bijna geheel tot de oude weide en de heuvels beperkt.

Ik weet werkelijk niet wat hij had moeten beginnen als de heuvels er niet geweest waren. Dààr waren ruimten waar hij mijlen ver kon loopen, en dit deed hij dan ook. Hij brak takken van de boomen en maakte onzinnige groote bouquetten tot het hem verboden werd, hij nam de schapen op en zette ze netjes op rijen, waar ze onmiddellijk weer uitliepen, (en altijd lachte hij hier hartelijk om) totdat het hem verboden werd, hij groef den bovengrond weg en maakte in zijn baldadigheid groote gaten, totdat ook dit hem verboden werd...

Hij placht over de heuvelen te dwalen, zelfs wel tot den heuvel achter Wreckstone, doch niet verder, omdat hij daar aan bebouwd land kwam en omdat de lieden, door de verwoestingen die hij aanrichtte onder hunne wortelvelden, en bovendien aangemoedigd door een soort vijandelijke blooheid die zijn ongekamd voorkomen dikwijls verwekte, steeds op hem afkwamen met blaffende honden om hem te verjagen. Zij dreigden hem en sloegen op hem los met karrezweepen. Ik heb hooren zeggen dat ze soms zelfs op hem schoten met hagel. En den anderen kant uit dwaalde hij tot onder Hickleybrow. Als hij op den heuvel achter Thursley Hauzer stond, kon hij nog juist de London- Chatam- en Dover-lijn zien, doch bebouwde velden en een verdacht gehucht hielden hem terug van elke poging naderbij te komen.

En na eenigen tijd verschenen er waarschuwingsborden—groote borden met roode letters, die hem [187]in iedere richting den weg versperden. Hij kon niet lezen wat de letters voorstelden: „Verboden terrein,” doch weldra begreep hij het. Spoorwegreizigers zagen hem in die dagen dikwijls zitten met zijn kin op de knieën, tegen het duin aan, dicht bij de kalkmijnen van Thursley, waar hij later aan het werk gezet werd. De trein scheen vage vriendschappelijke gevoelens in hem te wekken, en soms wuifde hij naar het gevaarte met een enorme hand, en soms riep hij het in zijn boersch dialect een groet toe.

„Kolossaal,” zei de passagier dan. „Dat is een van de Bomvoedsel-kinderen. Ze zeggen, meneer, dat hij absoluut niet voor zichzelven kan zorgen—feitelijk niet veel meer dan een idioot, en een groote last voor de plaats waar hij woont.”

„Ouders erg arm, hoor ik.”

„Leeft van de liefdadigheid van de plaatselijke deftige lui.”

En iedereen keek dan, alsof ze ’t volkomen begrepen, naar die in de verte neerhurkende monsterachtige gestalte.

„Daar moest feitelijk een stokje voor gestoken worden,” opperde dan de een of andere verruimde geest. „Stel je voor als je d’r zoo es een paar duizend in den kost had, he?”

En doorgaans was er wel één onder de passagiers die wijs genoeg was dezen filosoof te antwoorden met zijn gansche hart: „ja, dan zou je wat zien, meneer.”

[Inhoud]

II.

Het was niet alles rozegeur en maneschijn met den jongen Caddles.

Daar hadt je bijvoorbeeld die onaangenaamheden die ontstonden uit de quaestie met de rivier. [188]

Hij maakte kleine bootjes uit heele couranten, een kunst die hij afzag van den jongen van Spender, en hij liet ze stroomafwaarts drijven—precies groote papieren steekhoeden. Als ze onder de brug verdwenen, die de grens vormt van de voor het publiek gesloten gronden om het kasteel Eyebright, placht hij een luiden kreet te slaken en naar den anderen kant te loopen, dwars door Tormat’s nieuwe veld—goeie hemel! wat gingen die varkens van Tormat er van door, zóólang tot al hun goede vet tot mager vleesch werd!—om zijn bootjes aan den anderen kant bij de doorwaadbare plaats weer op te vangen. Deze papieren bootjes plachten dwars tusschen de dichterbij gelegen gazons door te varen, tot vóór het kasteel, waar Lady Wondershoot ze vlak voor haar neus zag voorbijvaren! die opzichtige opgevouwen couranten! „’t Was wat moois!”

Stoutmoediger wordend omdat hij niet gestraft werd, begon hij op zijn kindermanier zich toe te leggen op waterbouwkunde. Hij groef een groote haven voor zijn papieren vloten met een oude schuurdeur, die als spade dienst deed, en daar toevallig niemand zijne werkzaamheden gadesloeg, dacht hij op vernuftige wijze een kanaal uit, dat ongelukkigerwijs den ijskelder van Lady Wondershoot deed onderloopen, en ten slotte maakte hij een dam dwars door de rivier met een paar deuren aarde—hij moet hieraan gewerkt hebben als een lawine—en daar kwam plotseling en op wonderbaarlijke wijze een stroom water dwars door de heesters en voerde juffrouw Sprinks en haar schildersezel mede, en liet haar achter, kletsnat tot de knieën, met druipende rokken, loopend al wat zij loopen kon in de richting van het huis. En vandaar stortte het water zich door den moestuin en zoo langs de groene deur het laantje in en door [189]Short’s sloot, zóó weer naar de rivierbedding terug.

De dominé, die in zijn gesprek met den smid gestoord werd, was verbaasd de visch, die allertreurigst op het droge geworpen was, te zien opspringen uit een paar overgebleven plassen, en groen wier opgehoopt te zien in de stroombedding, waar nog geen tien minuten tevoren acht voet en meer helder koel water gestaan had.

Hierna ontvluchtte de jonge Caddles, ontsteld over de gevolgen zijner daad, zijn tehuis gedurende twee dagen en nachten. Slechts door den honger gedreven keerde hij er in terug, om met stoïcijnsche kalmte een hoeveelheid scheldwoorden te verdragen, die méér aan zijne grootte geëvenredigd was dan iets anders dat hem in het Gelukkige Dorp ooit ten deel was gevallen.

[Inhoud]

III.

Onmiddellijk na deze zaak, vaardigde Lady Wondershoot, die om zich heen zocht naar nog meer dingen die zij als reden kon opgeven voor de uitbranders en het vasten waarmede zij den ongelukkige gestraft had, eene ukase uit. Het eerst aan haren bottelier en dit erg plotseling, zoodat zij hem van schrik deed opspringen. Hij was bezig den ontbijtboel op te ruimen, en zij keek een erg groot raam uit dat uitzag op het terras waar de reeën altijd gevoederd werden. „Jobbet,” zei zij op haren meest gebiedenden toon,—„Jobbet, dit Wezen moet werken voor den kost.”

En zij maakte niet alleen Jòbbet duidelijk (hetwelk gemakkelijk ging), doch ieder ander in het dorp, den jongen Caddles zelf hierin begrepen, dat zij hierin, als in alle andere dingen, meende wat zij zeide.

„Houdt hem bezig,” zei Lady Wondershoot. „Dáár [190]moeten we heen met den jongenheer Caddles.”

„Daar moet het met de geheele Menschheid heen,” zei de dominé. „De simpele plichten, tijd van zaaien, tijd van oogsten—”

„Juist,” zei Lady Wondershoot. „Dat zeg ik ook altijd. Ledigheid is des duivels oorkussen. Dat is tenminste zoo bij de lagere klassen. Wij voeden onze onder-werkmeiden altijd naar dit principe op. Waar zullen we hem aan zetten?”

Ja, dit was een lastige vraag. Zij bedachten verschillende dingen, en ondertusschen wenden zij hem een beetje aan werken, door hèm, inplaats van een bereden boodschapper te gebruiken bij het bezorgen van telegrammen en berichten als er dringende haast bij was, en ook droeg hij bagage en kisten en dergelijke dingen in een groot net, dat zij voor hem maakten. Hij scheen van bezigheid te houden, en het te beschouwen als een soort spelletje en Kinkle, Lady Wondershoot’s rentmeester, die hem op zekeren dag een kunstmatig aangelegde rotspartij voor haar zag verplaatsen, kreeg den schitterenden inval hem in haar krijt-groeven te Thursley Hanger aan het werk te zetten. Aan dit denkbeeld werd gevolg gegeven, en het had er allen schijn van dat hiermede het probleem opgelost was. Hij werkte in de krijtgroeve, eerst met het pleizier van een spelend kind, en later uit sleur—gravend, opladend, en alleen al de wagentjes ophijschend, de vollen de rails naar het wisselspoor opduwend en de leêgen optrekkend aan het staaldraad van een groote windas—en de geheele groeve alleen bewerkend.

Ik heb hooren vertellen dat Kinkle een heel aardig sommetje uit hem sloeg ten bate van Lady Wondershoot, daar Caddles bijna niets anders verteerde dan zijn voedsel; doch dit belette niet dat zij „het [191]Wezen” „een reusachtigen parasiet van haar liefdadigheid” bleef noemen...

Te dien tijde droeg hij een soort boerenkiel van zakkenlinnen, een broek van gelapt leder, en met ijzer beslagen klompen. Op zijn hoofd droeg hij soms een vreemdsoortig ding—een niet langer gebruikte stoel-zitting, die gevlochten was uit het stroo van een bijenkorf, doch gewoonlijk liep hij blootshoofds. Hij bewoog zich in de groeve met groot overleg, en als de dominé ’s middags, op zijn digestiewandeling daar voorbijkwam, vond hij hem zijn verbazende hoeveelheid voedsel verorberend, alsof hij er zich eenigszins voor schaamde, en met zijn rug naar zijne verdere omgeving gekeerd. Zijn voedsel werd hem dagelijks gebracht—een massa koren in de aar, op een lorrie—een kleine spoor-lorrie, gelijkend op een van de lorries die hij voortdurend met krijt vulde, en deze lading placht hij te roosteren in een ouden kalkput en haar dan te verorberen. Soms ook vermengde hij haar wel met een zak suiker. Soms zat hij te likken aan een klomp zout zooals men aan koeien geeft, of at hij een reusachtigen klomp dadels met pitten en al op, zooals men ze in Londen wel op de wagens der straatventers ziet. Zijn drinkwater haalde hij uit het riviertje, dat achter het verbrande terrein der Proef-Hoeve stroomde, en ging met zijn gezicht voorover in het water liggen en slurpte het zóó op. Door dit drinken, nadat hij gegeten had, raakte het Voedsel der Goden op zekeren keer los, en deed zijn werking voelen, eerst in het opschieten van reuzen-onkruid aan den rivierkant, toen in groote kikvorschen, grootere forellen en karpers, en dàn nog in een fantastischen overvloedigen plantengroei, die zich over de geheele kleine vallei verspreidde.

En na ongeveer een jaar werden de vreemde monsterachtige [192]larven in het stuk land voor het huis van den smid zóó groot en ontpopten zich in zùlke vreeselijke torren en kakkerlakken—motor-kakkerlakken noemden de jongens ze—dat ze Lady Wondershoot het land uitdreven.

[Inhoud]

IV.

Doch weldra zou het Voedsel een nieuwe phase bij hem intreden. Niettegenstaande de eenvoudige leeringen van den dominé—leeringen die er op berekend waren, het bescheiden natuurlijke leven dat een reuzen-boer paste, op de beste en meest afdoende wijze af te ronden—begon hij te vragen naar allerlei dingen en te dènken. Naarmate hij van jongen tot man opgroeide werd het steeds duidelijker dat zijn brein er een eigen denk-proces op na hield—dat geheel buiten het toezicht van den dominé viel. De predikant deed zijn best dit verontrustend verschijnsel te negeeren, maar toch,—hij voelde zeer goed dat het aanwezig was.

De stof waar de jonge reus over kon denken, vond hij overal om zich heen. Zonder dat hij het bepaald kon helpen, moet hij toch, met zijn ruimer uitzicht, zijn voortdurend op de dingen néérzien, heel wat gezien hebben van het menschelijk leven, en naarmate het hem duidelijker werd dat, uitgenomen zijn lompe grootte, hij óók een mensch was, moet hij steeds meer hebben leeren inzien van hoeveel hij buitengesloten was door dit meewarig punt van onderscheid. Het gezellige gegons dat uit de school kwam, het mysterie van den godsdienst dat in zooveel weelde genoten werd, en zulk een zoete melodie uitademde, het joviale gezang dat uit de herberg klonk, de warm-verlichte vertrekken, met kaarsen verlicht en met vuur [193]verwarmd, waarin hij gluurde van uit de duisternis buiten, of de luidruchtige opwinding, de energie der in flanel gekleede jongens, die naar een, door hem maar vaag begrepen doel speelden op het cricketveld—al deze dingen moeten luid gesproken hebben tot zijn naar gezelligheid hakend hart. Het blijkt dat naarmate hij langzaam zijn volwassen staat bereikte, hij een warme belangstelling begon te voelen in de handelingen van minnaars, in de keuzen en het paren, en in al die intimiteiten die zoo gewichtig zijn in het leven.

Op zekeren Zondag, tegen het uur dat de sterren en de vledermuizen en de hartstochten van het leven op het land te voorschijn komen, bevond zich toevallig een jong paartje dat „mekaar een beetje kuste”, in het „Minnaarslaantje”, een laantje met breede heggen, dat achterom loopt naar de Upper Lodge. Zij vierden hun emotietjes bot, zoo veilig in den warmen, stillen schemer als minnaars maar zijn kunnen. De eenige stoornis kon, zoo meenden zij, van den kant van den weg komen, en deze konden zij een heel eind afzien; de twaalfvoet hooge heg die naar de stille duinen liep, leek hun een absolute waarborg tegen stoornis.

En toen werden zij—’t is haast niet te gelooven—van den grond gelicht en van elkaar gescheiden.

Zij bevonden dat zij onder de oksels in de hoogte werden gehouden tusschen een vinger en duim, terwijl de ontstelde bruine oogen van den jongen Caddles hen scherp in hunne warme, kleurende gezichten staarden. Het is begrijpelijk dat zij niets konden zeggen van verbazing.

„Waaròm doen jelui dat zoo graag?” vroeg de jonge Caddles.

Ik maak, uit wat ik ervan gehoord heb, op, dat de [194]verlegenheid duurde tot de boerenjongen, zich herinnerend dat hij een man was, den jongen Caddles heftig, met luide bedreigingen, geschreeuw en manhaftige vloeken, zooals het geval vereischte, beval hen bij dit en dat neêr te zetten. Waarop de jonge Caddles, plotseling inziend dat hij onbeleefd was, hen knus dicht bij elkaar bracht, zoodat ze hun omarmingen, indien ze zin hadden, dadelijk weder konden hervatten, en nadat hij een oogenblik aarzelend boven hen was blijven staan, verdween hij weder in den schemer...

„Maar ik voelde toch maar dat ik een héél raar figuur sloeg,” deelde de jongen mij in vertrouwen mede. „We konden bijna niet naar mekaar kijken—omdat hij ons zóó gesnapt had. We kusten mekaar zoo’n beetje—weetje. En ’t gekste van alles was dat ze mijn van alles de schuld gaf”, zei de jongen.

„Gaf me leelijk smeer, en wou de heele weg naar ’uis bena niet meer teuge me spreke...”

Het leed geen twijfel of de reus begon de dingen zelf te onderzoeken. Het was duidelijk dat zijn geest vragen begon te stellen. Tot nu toe deed hij ze aan weinigen, doch hij liep er mede rond. Ook zijn moeder kreeg haar deel van de strikvragen.

Hij placht het erf achter zijn moeder’s huisje op te komen en na den grond nauwkeurig onderzocht te hebben of er ook kippen of kuikens liepen, zich langzaam op den grond neer te laten, met zijn rug tegen den schuur. In een oogwenk waren de hoenders, die hem graag mochten, bezig met overal aan hem te pikken aan de krijt-laag die zich in de naden van zijn kleederen had vastgezet, en als het weder op regen stond en het hard waaide, zette het jonge katje van juffrouw Caddles, dat nooit het vertrouwen in hem verloor, een hoogen rug, en rende het huisje in, [195]naar het fornuis in de keuken, dan weer terug, naar buiten, tegen zijn been op, dan tegen zijn lijf op, tot op zijn schouder, bleef dan een oogenblik als in gedachten zitten, en dan, hip, daar ging het weer! denzelfden weg terug en zoo voort. Soms zette het hem de nagels wel eens in het gezicht van pure pret, doch hij durfde het nooit aan te raken omdat hij er niet zeker van was wat het effect zoude zijn als hij zijn zware hand op zulk een zwak wezentje legde. Bovendien hield hij er wel van om gekitteld te worden. En een poosje later deed hij dan zijne moeder eenige onhandige vragen.

„Moeder, als het goed is om te werken, waarom werkt dan iederéén niet?”

Dan keek zijn moeder naar hem op en antwoordde:

„Dat is goed voor ons soort van menschen.”

Hij dacht dan een tijdje na. „Waaròm?”

En als hij hierop geen antwoord kreeg, ging hij voort: „Waar diènt werken eigenlijk voor, moeder? Waarom hak ik krijt en wasch jij, van dag tot dag, terwijl Lady Wondershoot rondrijdt in haar rijtuig, moeder, en op reis gaat naar die mooie vreemde landen die jij en ik nooit zullen zien, moeder?”

„Dat komt omdat zij ’n dame is,” zei juffrouw Caddles.

„Zoo zoo,” zei de jonge Caddles en verzonk in diep gepeins.

„Als er geen deftige lui waren die werk voor ons maakten, hoe zouwen wij arme lui dan an de kost kommen?” zei juffrouw Caddles.

Dit moest hij eerst weer verwerken.

„Moeder,” waagde hij nog eens, „als er nu es geen adellijke lui waren, zou dan alles niet aan menschen zooals jij en ik hooren, en als ze—”

„Goeie hemel, hoor me die jongen nou toch es!” zei juffrouw Caddles dan—met behulp van een goed [196]geheugen had zij zich sinds haar moeders dood tot een bloemrijk- en krachtig-uitende persoonlijkheid ontwikkeld—„nadat je arme goeie grootmoeder ’eengegaan is, ben je onverdragelijk geworden. Zorg jij maar dat je geen vragen doet, dan krijg je geen leugens te hooren. As ik je es ècht zou willen gaan antwoorde’, dan zou je vader wel eerst iemand anders magge gaan hale om z’n avondete’ klaar te make’—om nog niet eens te spreke’ van de wasch—”

„Nou, goed, moeder,” zei hij dan, na haar een oogenblik verwonderd te hebben aangekeken. „Ik wou ’t je niet lastig maken.”

En dan verzonk hij weder in gedachten.

[Inhoud]

V.

Hij was ook bezig met denken vier jaren later, toen de dominé, nu niet langer rijp, doch òverrijp, hem voor de laatste maal zag. Ge kunt u den ouden heer wel voorstellen, voor het uiterlijke een weinig ouder nu, minder zwaarlijvig, een beetje grover, en wat zwakker van gedachten en in zijn spraak, met een zekere beverigheid in zijne hand en een zekere beverigheid in zijne overtuigingen, doch met een nog helder en blijmoedig oog, niettegenstaande al wat „het Voedsel” in het dorp en in hemzelf gewrocht had. Soms was hij verontrust en beangst geworden; doch was hij nog niet in leven en dezelfde? en vijftien lange jaren—een heel brokje eeuwigheid—hadden de bezoeking in nut doen verkeeren.

„Ik geef toe, dat het een heele omkeer was,” placht hij te zeggen, „en de dingen zijn werkelijk anders geworden—anders in vele opzichten. Vroeger kon een jòngen wieden, doch nu gaat een màn het veld [197]in met bijl en breekijzer—tenminste, dit is noodig op sommige plaatsen bij het kreupelhout. En het is ons ouderwetsche menschen nòg altijd een beetje vreemd, te zien, dat, waar vroeger de rivierbedding was, vóór zij aan het irrigeeren gingen, nu koren van vijf en twintig voet groeit—zooals dit jaar het geval is—. Men gebruikte de ouderwetsche zeis hier twintig jaar geleden en dan bracht men den oogst op een wagen thuis—en men verheugde zich—kalm en fatsoenlijk. Een beetje dronken, niet al te erg, zeker, een beetje eerbaar gevrij, waarmede het Oogstfeest eindigde... Arme Lady Wondershoot—zij kon niet tegen al deze veranderingen. Erg conservatief! Had nog een tikje van de achttiende eeuw in zich, placht ik altijd te zeggen. Haar taal bijvoorbeeld... opgeblazen in haar trots...

„Zij stierf betrekkelijk arm. Dat groote onkruid raakte ook in háár tuin. Zij was niet een van die vrouwen die aan tuinieren doen, doch zij zag haar tuin graag netjes—dat de dingen groeiden wáár ze geplant werden, en zooàls ze geplant werden—onder toezicht... De wijze waarop de dingen begonnen te groeien was heelemaal niet wat zij wenschte—en bracht een algeheele omwenteling in hare denkbeelden teweeg. Zij hield niet van de voortdurende invallen van dit jonge monster—ten laatste begon zij zich te verbeelden dat hij voortdurend haar stond aan te gapen over haar eigen muur... Zij vond het naar, dat hij bijna zoo lang was als haar huis hoog... Haar aesthetisch gevoel kwam hiertegen in opstand. Arme goeie dame! Ik had zoo gehoopt dat zij niet vóór mij was heengegaan. Het waren de groote meikevers die hier een jaar of zoo waren, die haar deden besluiten naar het buitenland te gaan. Die meikevers kwamen van de reuzen-larven—leelijke dingen zoo groot als ratten—in de grasgrond [198]van de vallei... En ook de mieren droegen er ongetwijfeld het hunne toe bij.

„Daar nu toch alles onderstboven gekeerd was en er nergens rust en vrede te vinden waren, zei zij dat zij feitelijk even goed naar Monte Carlo kon verhuizen als ergens anders heen. En daar ging zij dan ook heen.

„Ik heb hooren zeggen dat ze tamelijk hoog speelde en stierf in een hotel daar. Treurig einde... Bannelinge... Niet—niet wat men behoorlijk acht... Door geboorte een leidster van ons Engelsch volk... Ontworteld. Ja ja!

„En toch,” ging de dominé voort, „heeft het feitelijk niet zooveel te beteekenen. ’t Is natuurlijk wel een last. De kinderen kunnen niet zoo vrij meer rondloopen als vroeger, uit vrees voor mierenbeten en andere dingen. Maar misschien is dàt nog wel zoo goed... Er werd over gepraat—alsof dit goedje in alles een omwenteling zou teweegbrengen... Doch er is iets dat al deze krachten van het Nieuwe wederstaat... Natuurlijk ik weet daar niet van. Ik behoor niet tot de moderne filosofen,—die alles met aether en atomen verklaren. Evolutie. Stel je voor, dergelijke nonsens. Wat ik bedoel is iets dat de Ologiën niet bevatten. Quaestie van verstand, niet van begrip. Rijpe wijsheid. De menschelijke natuur. Aere perennius... Noem het wat ge wilt.”

En zoo liep alles eindelijk met hem op een eind.

De predikant had geen voorgevoel van wat hem boven het hoofd hing. Hij deed zijn gewone wandeling langs Farthing Doron, zooals hij dit meer dan twintig jaren lang gedaan had, en zóó naar de plaats waar hij den jongen Caddles kon gadeslaan. Hij was een beetje buiten adem toen hij boven op de helling van de krijt-groeve aankwam—sedert lang had hij den Veerkrachtigen Christen-tred van vroeger jaren verloren; [199]doch Caddles was niet aan zijn werk, en toen, terwijl hij heenliep om het kreupelboschje van reuzenbrem dat den Hanger begon te verduisteren en er zijn schaduw op wierp, stond hij plotseling voor de reuzengestalte van het monster, dat op den heuvel zat—alsof het op de aarde zat te broeden. Caddles’ knieën waren opgetrokken, hij steunde den wang met zijn hand, en hield het hoofd een weinig op zijde. Hij zat met zijn schouder naar den Dominé gewend, zoodat de oogen, die, als niet begrijpend, rondstaarden, niet zichtbaar waren. Hij moet zeer ingespannen hebben zitten werken—hij zat tenminste heel stil...

Hij wendde zich niet om en wist niet dat de dominé, die zulk een groote rol gespeeld had in het vormen van zijn bestaan, naar hem stond te kijken voor het laatst voor langen, langen tijd—wist zelfs niet dat hij daar stond (op deze wijze hebben zoovele scheidingen plaats.) Het kwam in het brein van den dominé op, dat bij slot van rekening niemand ter wereld een vaag begrip had van wat dit monster bepeinsde als hij uitrustte van zijn arbeid. Doch hij was te traag om dit nieuwe thema dien dag verder uit te werken; hij liet het weder varen en verviel weder in zijn vroegeren gedachtengang.

„Aere perennius,” fluisterde hij, langzaam huiswaarts wandelend langs een pad, dat niet langer zooals vroeger recht over den met gras bedekten grond liep, doch in allerlei bochten kronkelde om nieuwe opgeschoten bosjes reuzengras te vermijden. „Neen! Er is niets veranderd. Afmetingen zeggen niets. De simpele rondgang, de weg van altijd.” En dien nacht, zonder eenige pijn, en zonder dat hij het zelf wist, ging ook hij den gewonen weg—en verliet dit Mysterie van Verandering dat hij gedurende zijn leven staag geloochend had. [200]

Men begroef hem op het kerkhof van Cheasing Eyebright, dicht bij den hoogsten iep, en de eenvoudige grafsteen, die zijn grafschrift droeg—het eindigde met: Ut in Principio, nunc est et semper,—werd bijna onmiddellijk aan het oog onttrokken door het opschieten van reusachtig, grijs-gepluimd gras, dat te dik en te grof was voor zeis en schapen, en dat zich als een mist over het dorp kwam storten uit de aan kiemen rijke vochtige vallei-weiden, waarin het Voedsel der Goden gewerkt had.

Ornament (vlinder)

[201]

Boek III.

De oogst van het voedsel.

[Inhoud]

Hoofdstuk I.

De veranderde Wereld.

[Inhoud]

I.

Gedurende twintig jaren speelde de Verandering met de wereld. Voor de meeste menschen kwamen de nieuwe dingen merkwaardig genoeg langzaam en dag aan dag, doch niet zoo plotseling dat zij hen overstelpten. Doch aan één mensch zou alles wat zich in die twintig jaar had opgehoopt, geopenbaard worden plotseling en verbazingwekkend, en wel alles in één dag. Voor ons doel is het noodzakelijk dien dag met hem te doorleven, en iets te verhalen van de dingen die hij toen zag.

Deze man was een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde—wat hij bedreven had komt hier minder op aan—dien de wet na twintig jaren gratie geschonken had.

Op zekeren zomermorgen werd deze arme sukkel, die de wereld verlaten had als een jonge man van drie en twintig, plotseling uit de grauwe sleur van arbeid en discipline, waaraan hij gewoon was geworden, [202]geplaatst temidden der heerlijkst-schitterende vrijheid. Men had hem ongewone kleêren aangetrokken; zijn haar had hij gedurende eenige weken laten groeien, en hij had er gedurende eenige dagen een scheiding in gekamd; en daar stond hij nu, met een soort armoedige, en onbeholpen nieuwheid van lichaam en geest, knipperend met de oogen en zelfs knipperend met zijn ziel, weder buiten de gevangenis, en trachtend in één ongelooflijk iets te denken, namelijk dat hij zich gedurende een tijdje weder in het daadwerkelijke leven bevond, en geheel onvoorbereid op alle andere ongelooflijke dingen. Hij was zoo gelukkig een broeder te bezitten, die wel zóóveel gaf om de vervlogen dingen van vroeger dagen, welke zij tezamen beleefd hadden, om hem te komen afhalen en zijn hand te drukken—een broeder dien hij als kleinen jongen achtergelaten had en die nu een gebaard man was wien het goed ging in de wereld—en wiens oogen hij zelfs niet meer herkende. En tezamen kwamen hij en deze vreemdeling, die tot zijn naaste familie behoorde in de stad Dover aan, wèinig met elkaar sprekend en véél denkend.

Zij zaten een tijdje in een café, terwijl de een de vragen van den ander omtrent dezen en genen persoon beantwoordde; eigenaardige oude gezichtspunten leefden weer op; eindelooze nieuwe uitzichten en verten werden op zij geschoven, en toen was het tijd naar het station te gaan, om den trein naar Londen te kunnen halen. Hunne namen en de persoonlijke dingen die zij te bespreken hadden, komen er voor onze geschiedenis minder op aan, doch enkel de veranderingen en al het vreemde dat deze arme wederkeerende ziel vond in de eens hem zoo bekende wereld. In Dover zelf viel hem weinig anders op dan dat het goed was bier uit een pul te drinken—nooit had bier hem [203]tevoren ooit zóó gesmaakt, en het deed tranen van dankbaarheid in zijne oogen wellen. „’t Bier is nog altijd even goed om te drinken,” zei hij, het inderdaad oneindig veel beter vindend dan vroeger...

Eerst toen de trein hen voorbij Folkestone deed vliegen, was hij in staat iets verder te zien dan zijne onmiddellijke emoties, en zag hij wat er met de aarde gebeurd was. Hij gluurde uit het raampje. „Lekker zonnetje,” zei hij, voor de twaalfde maal. „Ik kon geen beter weêr treffen.” En toen viel het hem voor het eerst op, dat er nieuwe verhoudingen in de dingen gekomen waren. „Goeie hemel,” riep hij uit, terwijl hij rechtop ging zitten, en voor de eerste maal met levendigen blik naar buiten keek, „dat zijn allemachtig groote distels, die daar op den oever bij dat brem daar groeien. As ’t tenminste distels zijn. Of weet ’k ’t niet meer?”

Doch het waren wèl distels, en wat hij voor hooge bremstruiken aanzag, was het nieuwe gras, en hier middenin was een compagnie Britsche soldaten—nog altijd met roode jassen aan—bezig te schermutselen volgens de regelen van het excercitie-boekje dat gedeeltelijk herzien was na den Boeren-oorlog. Toen plotseling—sjt—een tunnel in, en toen vlogen zij Sandling Junction binnen, dat geheel omgeven en verduisterd werd—alle lampen brandden er—door een groot kreupelbosch van rododendrons, die uit een naburigen tuin gekropen waren en zich over de geheele vallei verspreid hadden. Er stond een trein op het zijspoor te Sandling, die hoog opgeladen was met rhododendronblokken, en hièr hoorde de wederkeerende burger voor het eerst van Bomvoedsel.

Toen zij voortsnelden, een landstreek in die geheel onveranderd scheen, waren de beide broeders druk [204]bezig met hunne uitleggingen. De een was vol van driftige vervelende vragen: de ander had zich nooit bekommerd, en er nooit aan gedacht de quaestie als een op zichzelf staand feit te zien, en bij sprak over dingen die hem heel gewoon leken en die de ander zich moeilijk kon voorstellen. „Dat is dat Bomvoedsel,” zei hij, al zijn grondkennis van het geval op èenmaal luchtend... „Snap je? Hebben ze je daar geen van allen iets van verteld? Bomvoedsel! Dat weet je toch wel—Bomvoedsel. Waar de heele verkiezing om draait. Wetenschappelijk goedje. Niemand je d’r ooit van verteld?”

Hij vond dat de gevangenis een ontzettenden sufkop van zijn broeder gemaakt had, dat hij dàt niet wist. Over en weer vlogen de vragen en antwoorden. En hiertusschen waren soms tusschenpoozen dat zij uit het raampje keken. In het begin was de belangstelling die de man voor de dingen voelde, vaag en algemeen. Zijn verbeelding was bezig geweest met wat die en die, dien hij nog kende van vroeger, wel zeggen zou, hoe die en die er wel zou uitzien, hoe hij tegen allen die hij van vroeger kende enkele dingen zou zeggen die zijn „verhuizen naar de Nor,” in een minder ongunstig daglicht zouden stellen. Dit Bomvoedsel had zich ’t eerst aan hem voorgedaan, alsof hij er zóó van in een couranten-artikel gelezen had, en toen was het een bron van geestelijke moeilijkheid geworden tusschen hem en zijn broeder. Doch het werd hem spoedig duidelijk, dat dit Bom-voedsel in ieder gesprek dat hij begon binnensloop.

In die dagen was de wereld in een alles desorganiseerend tijdperk van overgang, zoodat dit groote nieuwe feit hem in zijne contrasten trof met een schok. Het veranderingsproces was niet algemeen geweest; het had zich verspreid vanuit centra, die ver [205]van elkaar lagen. Het land was in plekken verdeeld; er waren groote uitgestrektheden waar het Voedsel nog komen moest, en andere, waar het reeds in den grond en in de lucht zat, sporadisch en besmettend. Het was als een brutaal nieuw motief dat zich tusschen oude, eerwaardige melodieën dringt.

Het contrast was te dien tijde vooral zeer levendig langs de spoorlijn van Dover naar Londen. Een tijd lang snelden zij door juist zulk een landstreek als hij gekend had sedert zijn kindsheid, de kleine ovale met heggen-afgezette akkers, juist groot genoeg om door dwerg-paardjes geploegd te worden, de weggetjes, breed als drie karren, de olmen en eiken en populieren die als spikkels in deze velden stonden, kleine boschjes van wilgen op de oevers der riviertjes, hooischelven die niet hooger waren dan de knieën van een reus, poppen-landhuisjes met ruitvormige venster-ruiten, braakliggende stukken land, en slingerende dorpsstraatjes, de grootere huizen op de klein-groote, met bloemen overdekte stations, en al die kleine dingen der negentiende eeuw die nog weerstand boden aan deze enorme Grootheid. Hier en daar stond een bosje door den wind gezaaide en verwaaide reuzendistels, die den bijl weerstonden; hier en daar stond een tien voet hooge zwam, of de buigzame stengels van een dor afgebrand bosje reuzen-gras; doch dit was het eenige dat op de komst van het Voedsel duidde.

Een veertig mijlen ver was er niets dat wees op de aanwezigheid van het reusachtige graan en van het onkruid, dat op nog geen twaalf mijlen afstand over de heuvelen in de vallei van Cheasing Eyebright groeide. En toen begonnen zich plotseling sporen van het Voedsel te vertoonen.

Het eerste wat hem opviel, was het groote nieuwe viaduct te Tonbridge, waar het moeras van de dichtgegroeide [206]Medway (dit dichtgroeien was veroorzaakt door een reuzen-varieteit van „Chara”) in die dagen begon. Toen weder het gewone kleine land, en vervolgens, toen de klein-krioelende uitgestrektheid van Londen zich in de wazige verte begon uit te spreiden, werden de sporen van den strijd der menschen om deze grootheid buiten te sluiten, talrijk en zonder tusschenpoozen.

In dat zuid-oostelijk gedeelte van Londen, en overal om de plaats waar Cossar en zijn kinderen woonden, was het Voedsel op honderden punten op geheimzinnige wijze losgebroken; het kleine leven ging gewoon zijn gang tusschen deze dagelijksche voorteekenen, die niet langer waarschuwend tot de menschen spraken, door het geleidelijke van hunnen aanwas, en doordat men langzaam en even geleidelijk wende aan hunne tegenwoordigheid. Doch deze huiswaarts-keerende burger staarde naar buiten, en zag voor het eerst hoe vreemd en overweldigend het Voedsel gewerkt had. Platgebrande en verkoolde stukken grond, groote wanstaltige verdedigingswerken en voorzorgsmaatregelen, barakken en arsenalen, die deze subtiele volhoudende invloed in het leven der menschen had gedrongen.

Hier had zich telkens en telkens weder op grooter schaal de ondervinding der eerste Proef-Hoeve herhaald. Het Voedsel had gewerkt in de minder belangrijke dingen des levens—op braakliggende plaatsen, onregelmatig en zonder doel—en hierin had de komst van een nieuwe kracht en nieuwe punten van uitgang zich het eerst doen gelden. Er lagen groote kwalijkriekende erven en afgeschoten plaatsen, waar de een of ander onuitroeibare wildernis van onkruid, brandstof leverde voor reusachtige machinerieën (kleine stadsmenschjes kwamen staan gapen naar de geoliede [207]snorrende raderen en gaven de werklieden een kwartje fooi); er waren wegen en wagensporen voor groote motoren en voertuigen—wegen, die aangelegd waren van de inelkaar gevlochten vezels van overvoed vlas; dan waren er torens met stoom-sirenen, die onmiddellijk konden gillen en de wereld waarschuwen als er weder een nieuw soort ongedierte was losgebroken, of, en dit was nog vreemder, oude eerwaardige kerktorens, die in het oogloopend voorzien waren van mechanisch-gillende instrumenten. Er waren kleine rood-geschilderde vlucht-hutten en barakken voor het garnizoen, elk met een schietbaan van 300 meter, waar de scherpschutters zich dagelijks oefenden met kogels met zacht-looden punten, op schijven die den vorm van reuzen-ratten hadden.

Sedert den tijd der Skinners was er zesmaal een reuzen-ratten-plaag geweest—telkenmale vanuit de riolen van het zuidwesten van Londen, en nù werd hun bestaan geaccepteerd, als dat der tijgers op den delta van Calcutta...

De broeder van den man had op nonchalante wijze een courant gekocht te Sandling en eindelijk viel het oog van den ontslagen gevangene hierop. Hij sloeg de bladen waaraan hij zoozeer ontwend was, op—ze leken hem kleiner, talrijker en anders gedrukt dan de couranten van vroeger—en hij zag voor zich tallooze afbeeldingen van dingen die zóó vreemd waren, dat hij er geen belang in stelde, en met lange kolommen druks, welker opschriften even onbegrijpelijk voor hem waren alsof ze in een vreemde taal geschreven waren—„Groote Redevoering van den heer Caterham”; „De Bomvoedsel-Wetten.”

„Wie is die Caterham?” vroeg hij, pogend het gesprek weder op gang te brengen.

„O, laat diè maar loopen,” zei zijn broeder. [208]

„Aha! Zeker zoo’n politieker, he?”

„Legt ’t ’r op an de Kamers naar huis te sturen. ’t Wordt tijd ook, hoor.”

„Zoo!” Hij dacht even na. „’k Vertrouw dat al de lui die àn waren toen ik er nog was—Chamberlain, Roseberry—al die lui—Wat?”

Zijn broeder had hem plotseling bij den pols gegrepen en wees het portier uit.

„Daar heb je de Cossars!” De oogen van den ontslagen gevangene volgden de richting van den vinger en zagen—”

„Mijn God!” riep hij uit, voor het eerst werkelijk overweldigd van verbazing. De courant viel, nu geheel vergeten, tusschen zijne voeten. Tusschen de boomen kon hij zeer duidelijk een menschelijke gestalte van ruim veertig voet lang zien staan in een gemakkelijke houding, wijdbeens, en in de hand een bal, alsof hij op het punt stond dezen weg te slingeren. De gedaante schitterde in het zonlicht, gekleed als zij was in een pak van gevlochten wit metaal en met een breeden stalen gordel om. Een oogenblik concentreerde hij aller aandacht op zich en toen werd deze afgetrokken door een tweeden reus, die een eind verder stond, als klaar om op te vangen en het werd duidelijk dat dit geheele groote terrein in de heuvelen even benoorden Sevenoaks, gebezigd werd voor reuzendoeleinden.

Een reusachtige omwalde trens omgaf de krijtgroeve, waarin het huis stond, een monsterachtige, plompe Egyptische structuur, die Cossar voor zijne zonen gebouwd had, toen de Reuzen-Kinderkamer haar tijd uitgediend had, en daarachter stond een groote donkere loods, die een kathedraal had kunnen overkappen, waarin een sissende gloeihitte af en aan laaide en waaruit een Titanisch gehamer klonk. Toen [209]werd de aandacht nogmaals gevestigd op den reus, toen de groote, met ijzer beslagen houten bal uit zijne hand schoot en de lucht in vloog.

De beide mannen stonden op en keken verbaasd toe. De bal leek zoo groot als een vat.

„Hij heeft ’em gegrepen!” riep de man uit de gevangenis, toen een boom den werper aan het gezicht onttrok. De trein liet al deze dingen slechts een ondeelbaar oogenblik zien en verdween toen achter boomen en zoo de Chislehurst tunnel in. „Goeie God!” zei de ex-gevangene nogmaals,” toen de duisternis hen omsloot. „Die kerel is zoo groot als een ’uis.”

„Dat zijn die jonge Cossars,” zei zijn broeder, met zijn hoofd een gebaar makend naar den kant waar de reuzen verdwenen waren—„waar al die herrie om is...”

Zij kwamen de tunnel weder uit en ontdekten nog meer torens met sirenen erop, nog meer roode hutten, en toen de rijen villa’s der voorsteden. De kunst van het reclame-biljetten-aanplakken was er in den tusschentijd niet op achteruit gegaan, en op tallooze hooge schuttingen, op zijmuren van huizen, op omheiningen, en honderden van dergelijke schoone gelegenheden waren de veelkleurige oproepingen voor de groote Bomvoedsel-verkiezing te lezen.

„Caterham,” „Bomvoedsel,” en „Jack de Reuzendooder” telkens en telkens weêr, en monsterachtige caricaturen en verminkte afbeeldingen—honderden varieteiten van verkeerde, belachelijke voorstellingen van die schitterende gestalten, die zij van zoo dichtbij gepasseerd waren, enkele oogenblikken geleden...

[Inhoud]

II.

De jongere broeder was van plan geweest iets heel royaals te doen, namelijk dezen terugkeer tot het leven [210]te vieren met een diner in het een of ander restaurant van onbetwistbare renommé, een diner dat gevolgd zou worden door die uitermate schitterende opeenvolging van indrukken, die de café-chantants dier dagen zoo uitmuntend geven konden. Het was een waardige manier om hiermede alle restende sporen van de gevangenis uit te wisschen door dit vertoon van gulheid; doch wat het tweede gedeelte van het plan betrof, kwam er wijziging in. Het diner werd gegeven, doch er was reeds een sterker verlangen dan de lust naar vertooningen, een verlangen dat beter zijn somber peinzen over zijn verleden kon doen verdwijnen dan eenig theater, en dit was een alles overstemmende nieuwsgierigheid naar dit Bomvoedsel en deze Bomkinderen—dit nieuwe dreigende reuzendom, dat de wereld scheen te overheerschen.

„Ik heb ’t er ’t mijne nog niet van,” zei hij. „Ze wille’ me niet uit ’t hoofd.”

Zijn broeder had die fijnheid van geest, die zelfs kan heenstappen over voorgenomen gastvrijheid. „Jij kunt kiezen vanavond, kerel,” zei hij. „We zullen probeeren in ’t Volkspaleis te komen bij die massavergadering.”

En eindelijk was de ex-gevangene zoo gelukkig zich, van alle kanten opgedrongen, te bevinden tusschen een opeengepakte menigte, en van uit de verte te staren naar een klein, helder-verlicht podium onder een orgel en een gaanderij. De organist had iets gespeeld dat de voeten aan het trappelen had gebracht, terwijl de menigte naar binnen stroomde; doch nu zweeg het orgel weder.

Nauwelijks had de ontslagen gevangene zich neergezet en zijn twist met een lastigen vreemde, die hem met de elbogen op zijde drong, geëindigd, of Caterham kwam binnen. Hij trad vanuit het halfduister midden [211]op het podium, en leek, zoo van uit de verte gezien, een alleronbeduidendste kleine dwerg, een kleine zwarte figuur met een roze vlek als gezicht—en profil zag men zijn sterk geprononceerden arendsneus—een klein gestaltetje, dat achter zich aansleepte—een juichkreet. Applaus dat dicht bij hem werd aangeheven en aangroeide en zich verspreidde. Een gedempt rumoer van stemmen, om het podium, dat plotseling over de geheele menschenmassa heensloeg, in het gebouw en daarbuiten. Wat applaudiseerde men: „Hoera! Hoera!!”

Niemand van al die myriaden applaudiseerde als de ontslagen gevangene. De tranen stroomden hem langs de wangen en hij hield niet eerder op met toejuichen, vóór zijn aandoening hem bijna had doen stikken. Ge moet zoolang als hij in de gevangenis geweest zijn, vóór ge begrijpen kunt, of zelfs ook maar een begrip kunt krijgen, wat het zeggen wil voor zoo iemand om zijne longen eens flink uit te kunnen zetten temidden van een menigte. (Doch niettegenstaande dit alles maakte hij zich zelf zelfs niet wijs dat hij wist waar al dit gejuich om was.) „Hoera!—Hoera!”

En toen volgde er eenigermate stilte. Caterham stond opzichtig-geduldig te wachten tot het rumoer wat bedaard zoude zijn, en onbelangrijke en slecht-te-verstane lieden zeiden en deden officieele en onbeduidende dingen. Het was als stemmen die men in de lente door het ritselen der bladeren heen hoort. „Wawawawa—” Wat kwam ’t er ook op aan? Groepen toehoorders praatten met elkaar—„Wawawawa”—de zaak ging gewoon door. Kwam die grijs-harige suffer dan noòit aan het eind? Tusschenroepen? Natuùrlijk werd er geroepen. „Wa, wa, wa, wa—” Doch zullen wij Caterham beter hooren? In ieder geval [212]kan je naar Caterham kijken, en je kan opstaan en van uit de verte de trekken van den grooten man eens opnemen. Hij was gemakkelijk te teekenen, deze man, en reeds kon de wereld hem naar hartelust bekijken op lampeschermpjes en kinder-bordjes, op Anti-Bomvoedsel-medailles en Anti-Bomvoedsel-vlaggen, op het zelfkant van Caterham-zijde en katoen en aan den binnenkant van Goede Oude Engelsche Caterham-hoeden. In al de caricaturen van dien tijd is hij te vinden. Men ziet hem als een zeeman bij een ouderwetsch kanon staan, met een lontstok, met „Nieuwe Bomvoedsel-Wetten” erop, in zijn hand; terwijl de zee dat reusachtige, leelijke, dreigende monster „Bomvoedsel” opgeeft; of hij is een figuur-ten-voeten-uit in volle wapenrusting, met ’t St. George’s kruis op schild en helm, en een laffe titanische Caliban, aan den ingang van een vreeselijk hol gezeten, weigert onder allerlei verwenschingen te gehoorzamen aan de „Nieuwe Bomvoedsel-Bepalingen;” of hij komt als Perseus uit de lucht aanvliegen en bevrijdt een geketende en schoone Andromeda (met een gordel om waarop duidelijk te lezen staat „Beschaving”) van een zich tot in oneindige verten kronkelend zeemonster, op welks verschillende halzen en klauwen te lezen staat: „Anti-Christ”, „Alles vertredend Egoïsme”, „Mechanisme”, „Monsterachtigheid” en dergelijke dingen. Doch als „Jack de Reuzen-Dooder” beschouwde het groote publiek hem het best getroffen, en de ontslagen gevangene stelde zich de gestalte die daar in de verte stond dan ook voor als een Jack de Reuzen-Dooder, zooals hij die op de aanplakbiljetten had zien staan.

Het „Wawawawa” hield plotseling op.

„Hij is klaar. Hij gaat zitten. Ja! Nee! Jawel! ’t Is Caterham! Caterham! Caterham!” En toen begon het gejuich opnieuw. [213]

Er is een menigte toe noodig om zùlk een stilte te kunnen veroorzaken als toen volgde op het lawaaierlge gejuich. Een man alléén in een wildernis;—zeker is ook dit stilte tot op zekere hoogte; doch hij hoort zichzelven ademhalen, hij hoort zichzelven bewegen, en hij hoort allerlei andere dingen. Doch hier in deze zaal was Caterham’s stem het eenige dat verneembaar was, heel helder en duidelijk, als een klein lichtje dat brandt in een zwart fluweelen nis. Of je hem kon verstaan? Je kondt hem verstaan alsof hij naast je stond te spreken.

De indruk op den ontslagen gevangene was geweldig: die kleine gesticuleerende gestalte, die daar stond in een stralenkrans van licht, in een krans van weelderige, golvende klanken; en achter de gestalte op het podium zaten, met gedeeltelijk uitgewischte gezichten, de partijgenooten die hem steunden, en op den voorgrond was een ruim veld van tallooze ruggen en profielen, één reusachtige aandacht van een menigte. Die kleine gestalte scheen het wezen van die allen uitgezogen te hebben.

Caterham sprak van onze oude instellingen.

„Juistjuistjuist”, brulde de menigte, „Juist! net zoo!” zei de ontslagen gevangene. Hij sprak van onzen ouden geest van orde en rechtvaardigheid. „Jajajaja!” brulde de menigte. „Ja ja!” riep de man uit de gevangenis, diep bewogen. Hij sprak van de wijsheid onzer voorvaderen, van den langzamen groei van eerbiedwaardige instellingen, van zedelijke en maatschappelijke overleveringen, die zich aan onze nationale Engelsche eigenaardigheden aanpasten zooals de huid over de hand. „Ja, ja!” kermde de man uit de gevangenis, terwijl de tranen van opwinding hem over de wangen biggelden. En nu zouden al deze dingen in den smeltkroes moeten verdwijnen. Ja, in den smeltkroes! [214]omdat twintig jaar geleden drie mannen een vreemde zelfstandigheid hadden uitgevonden, daarom moest voor de geheele geregelde orde der dingen—„Kreten van „Neen! Neen!”—Nu, als dit nièt moest, dan dienden allen zich in te spannen, en alle aarzeling op zij te zetten.—Toen Caterham zóóver gekomen was, volgde er weder een uitbarsting van gejuich.—Dan moesten zij alle aarzeling en halve maatregelen vaarwel zeggen.”

„Wij hebben gehoord, heeren,” riep Caterham, „van brandnetels, die reuzen-netels werden. Eerst zijn ze niet meer dan gewone netels—kleine plantjes die een stevige hand kan beetpakken en uittrekken; doch als ge ze laat staan—als ge ze laat staan, groeien ze met zóóveel giftige kracht, dat ge eindelijk bijl en touw noodig hebt, en loopen uw leven en ledematen gevaar, en moet gij u inspannen en volgt er moeite—onder het vellen ervan kunnen menschen gedood worden, onder het vellen ervan kunnen menschen gedood worden—”

Er volgde even eenig rumoer en toen hoorde de ontslagen gevangene Caterham’s stem weder, die helder en krachtig opklonk: „Leer uw les omtrent ’tgeen ge met het Bom-voedsel te doen hebt van het Bom-voedsel zelf en—” Hij hield even op—”pak de brandnetel beet voor het te laat is!”

Hij zweeg, en wischte zich de lippen af. „Een glas,” riep iemand, „een glas,” en toen hoorde men weder dat geluid, dat zoo merkwaardig snel aangroeide tot een donderend gejuich, tot het leek alsof de geheele wereld juichte...

De ontslagen gevangene verliet de zaal eindelijk wonderbaar bewogen; op zijn gelaat eene uitdrukking alsof hij een visioen gezien had. Nu wist hij het, iedereen wist het nu; zijn denkbeelden waren niet [215]langer vaag. Hij was teruggekeerd in eene wereld die in een crisis verkeerde, die onmiddellijk moest beslissen in een geweldige moeilijkheid. Hij ook moest zijn rol in den grooten strijd spelen als een man—als een vrij man, doordrongen van zijn verantwoordelijkheidsgevoel. De vijandelijke botsing stond voor zijn verbeelding als een schilderij—Aan de eene zijde deze reusachtige in-malien-gekleede gestalten van dien morgen—nu zag hij ze in een heel ander licht—aan de andere zijde dit kleine, in het zwart gekleede gesticuleerende mannetje onder het magnesium-licht, dit dwergje met zijn goed-geordenden vloed van welluidende overredende argumenten, met zijn klein-menschelijke, wonder-doordringende stem, „John Caterham”—„Jack de Reuzen-Dooder.” Zij moesten allen schouder aan schouder staan „om de netel beet te pakken” vóór het „te laat” was.

[Inhoud]

III.

Het grootst, het sterkst en het meest ontzien van al de kinderen van het Voedsel waren de drie zonen van Cossar. Het stuk bij Sevenoaks van een mijl lengte en breedte ongeveer, waarop zij hun jeugd doorbrachten, werd zóó omwald, zóó uitgegraven en onderste-boven-gehaald, zóó bedekt met loodsen en reusachtige werk-modellen en al het gespeel van hunne zich ontwikkelende krachten, dat er geen tweede plaats op aarde was die hiermede vergeleken kon worden. En reeds lang was zij te klein geworden voor de dingen die zij wilden doen. De oudste zoon was een machtig ontwerper van rader-machines; hij had zich een soort reuzen-fiets gemaakt, waarvoor geen weg ter wereld ruimte genoeg had, en die geen brug kon dragen. Daar stond het ding, een groote [216]structuur van raderen en machines, in staat een snelheid van twee honderd vijftig mijlen per uur te ontwikkelen, ongebruikt, behalve wanneer hij er nu en dan op stapte en er die overvulde plaats mede overrende en weder terug. Hij had er deze kleine aarde mee rond willen rennen; met dit doel had hij het ding gemaakt, toen hij nog niet veel meer dan een droomerige jongen was. Nu had de roest in de spaken gevreten, die rood waren als wonden, overal waar het nikkel eraf geraakt was.

„Je moet er eerst een weg voor maken, zoontje,” had Cossar gezegd, „voor je dat kunt doen.”

Zoodat op een goeden morgen de jonge reus en zijn beide broeders aan het werk waren getogen om een weg om de wereld aan te leggen. Zij schijnen een voorgevoel gehad te hebben van komende tegenkanting, en zij werkten derhalve met nog meer vaart. De wereld had ze gauw genoeg betrapt, terwijl ze dien weg aanlegden, zoo recht als een kegelbaan naar het Engelsche Kanaal, toen ze er reeds eenige mijlen van gelijk gemaakt en vastgestampt hadden. Vóór het midden van den dag waren ze in hun werk gestoord door een groote menigte opgewonden lieden, bestaande uit landeigenaars, makelaars, plaatselijke overheden, advocaten, politie-agenten, en zelfs soldaten.

„We zijn bezig een weg aan te leggen,” had de grootste jongen hun uitgelegd.

„Dat is een heel verdienstelijk werk,” zei de leidende advocaat ter plaatse, „maar eerbiedig alstublieft de rechten van anderen. U hebt nu reeds inbreuk gemaakt op de privaat-rechten van zeven en twintig privaat-bezitters; om nog niet eens te spreken van de bijzondere privilegien en het eigendom van een stedelijk bestuur, negen parochie-besturen, een graafschapsraad, [217]twee gasfabrieken en een spoorweg-maatschappij”....

„Goeie grootje!” zei de oudste jongen van Cossar.

„U zult hier mee uit moeten scheiden.”

„Maar heb je dan geen mooie rechte weg noodig, inplaats van al die vunze stinkende laantjes?”

„Ik zal niet zeggen, dat het geen groot voordeel zou zijn, maar—”

„’t Is niet te doen,” zei de oudste Cossar, zijn gereedschap opnemend.

„Niet op deze manier,” zei de advocaat, „zeker niet zóó!”

„Maar hoe dan wèl?”

Het antwoord van den woordvoerenden advocaat was ingewikkeld en vaag.

Cossar zelf was er ook bijgekomen om te kijken naar het kwaad, dat zijn kinderen aangericht hadden en berispte hen ernstig en lachte verbazend en scheen erg blij te zijn met dit zaakje. „Jelui zult nog een beetje moeten wachten, jongens,” brulde hij naar hen op, „voor je dergelijke dingen kunt gaan doen.”

„Die advocaat zei, dat we moesten beginnen met een plan te maken, en speciale vergunningen aan te vragen en dergelijke onzin. Zei dat ’t jaren zou duren”—

„We zullen gauw genoeg een schema klaar hebben, ventje,” riep Cossar met zijn handen aan den mond, „maak je maar niks bezorgd. Maar nu moet je nog maar liever een beetje hier spelen en modellen maken van de dingen die je wilt doen.”

En zij deden als gehoorzame zoons wat hij hen beval.

Maar niettegenstaande dit, broeiden de jongens van Cossar op iets.

„Dat is allemaal heel goed en wel,” zei de tweede tot den eerste, „maar ik heb er geen zin in hièr altijd [218]te spelen en plannen te maken. Ik wil iets doèn, weet je. Wij zijn niet geboren met zooveel kracht in ons om hier maar wat te spelen op dit ellendige lapje grond, en wandelingetjes te doen en zorgvuldig de steden te vermijden—want het was nu zoover gekomen dat alle bewoonde plaatsen hun verboden waren. „Niets doen is slecht. Zouden we niks kunnen vinden, dat de kleine menschjes noodig hebben, en het dan voor hen maken—alleen maar voor het plezier van het doen?”

„Hoopen menschjes hebben geen goed-bewoonbare huizen,” zei de tweede jongen. „Laten we een huis voor ze gaan bouwen, vlak bij Londen, waar er hoopen en nog es hoopen in kunnen, en het zoo maken, dat ’t er prettig en gezellig in is, en laten we een mooi weggetje voor hen maken naar de plek waar ze allemaal heengaan om zaken te doen—een mooi recht weggetje. We zullen alles zoo helder en prettig maken, dat ze geen van allen langer zoo smerig en beestachtig meer kùnnen leven zooals ze nu doen. Massa’s water om zich in te wasschen moeten ze hebben—want ze zijn zoo smerig, nu negen van de tien huizen zelfs geen badgelegenheid hebben, die smerige kleine bunsings! En weet je wat zoo grappig is, de lui die wèl baden hebben, gooien de anderen die ze niet hebben beleedigingen naar hun hoofd, inplaats van ze te helpen, zoodat ze er ook een kunnen aanschaffen—en noemen ze de „Groote Ongewasschen Menigte.” Nu zullen wij daar es verandering in brengen. En we zullen electrisch licht voor ze maken en voor ze koken en groote schoonmaak voor hen houden en al dergelijke dingen. Stel je voor! Ze laten hun vrouwen—vrouwen die moeders zullen worden—rondkruipen en de vloeren schrobben! Wij zouden alles zoo mooi kunnen doen. We zouden een [219]dam om een vallei ginds in die heuvelrij kunnen leggen, en een mooi reservoirtje maken, en dan konden we hièr een groote flinke gelegenheid maken voor het opwekken van onze electriciteit en ’t alles zoo knus mogelijk maken. Is ’t niet, broêr?... En dan zouden ze ons misschien nog wel meer laten doen ook.”

„Ja,” zei de oudere broeder, „we zouden ’t hun werkelijk heel prettig kunnen maken.”

„Nou, laten we ’t dan doen óók,” zei de tweede broeder.

„Ik heb er niet op tegen,” zei de oudere broeder en keek om zich heen naar een geschikt stuk gereedschap.

En ook dit leidde weer tot ontzettende moeilijkheden.

Opgewonden menigten zaten hun in minder dan geen tijd op den hals, hun om duizenderlei redenen bevelend uit te scheiden, hen bevelend te stoppen zonder éénige reden—kakelende, verwarde, veelsoortige menigten. Het gebouw dat ze bouwden was te hoog—dat kon onmogelijk veilig zijn. Het was leelijk; het stond bovendien het behoorlijk verhuren van huizen in de buurt die de juiste hoogte hadden, in den weg; het bracht den stijl van de geheele buurt in de war; ’t was ònbuurzaam; het was in strijd met Plaatselijke Bouwverordeningen; het maakte inbreuk op de rechten der plaatselijke overheid, om zelf te gaan knoeien met een eigen dure, petiterige, electrische centrale; het botste aan tegen de belangen der plaatselijke waterleidings-maatschappij.

Klerken van het Ministerie van Handel en Nijverheid werden zoo actief, dat ze rechtskundige bezwaren in het midden brachten. Het kleine advocaatje kwam weer te voorschijn om het woord te doen voor een [220]twaalftal bedreigde belanghebbenden; plaatselijke landeigenaars voerden oppositie; menschen met vage aanspraken wenschten onzinnig hooge schadevergoedingen; de werkliedenbonden van al de bouwvakken verhieven eendrachtig hun stem; en een trust van handelaars in allerlei soorten van bouwmateriaal werd een ware hinderpaal. Buitengewone vereenigingen van menschen met profetische visies van aesthetische verschrikkingen wierpen zich in den strijd om het natuurschoon te bewaren van de plaats waar zij het groote huis wilden neerzetten, en van de vallei waar zij het waterreservoir wilden maken. Deze laatste groep van lieden waren wel de grootste ezels van het heele zoodje, vonden de jongens van Cossar. Dat mooie huis van Cossar’s jongens werd in minder dan geen tijd als een wandelstok, die in een wespennest gestoken wordt.

„Wel god beware me!” zei de oudere jongen.

„We kunnen er zoo niet mee voortgaan,” zei de tweede broeder.

„Beroerde kleine beestjes zijn ’t,” zei de derde der broeders; „we kunnen eenvoudig nìks doen?”

„Zelfs als ’t voor hun eigen gemak is, niet.”

„En we zouden ’t hun zoo prettig en gezellig gemaakt hebben.”

„Ze schijnen hun zotte kleine leventjes door te brengen met mekaar in de wielen te rijden,” zei de oudste jongen. „Rechten en wetten en bepalingen en gemeenigheden; net een knibbelspelletje... Nu, dan moeten ze nog maar wat langer in hun stoffige, smerige, zotte huisjes wonen. ’t Is nog al duidelijk dat wij er mee uit moeten scheiden.”

En de kinderen van Cossar lieten het groote huis onvoltooid, niet veel meer dan een gat voor de fundamenten en het begin van een muur, en gingen bedrukt [221]terug naar hun groote omheinde plaats. Na eenigen tijd vulde het gat zich met water dat ging stinken, met waterplanten en allerlei ongedierte, en het Voedsel, dat daar òf door Cossar’s zonen neergeworpen, òf als stof er heen gewaaid was, zette de groeikracht aan als gewoonlijk. Waterratten verspreidden zich over het land en richtten ontzettende verwoesting aan, en op zekeren dag betrapte een boer zijne biggen op het drinken uit dezen poel, en slachtte ze allen onmiddellijk met groote tegenwoordigheid van geest—want hij herinnerde zich nog het geval met die groote zeug te Oakham. En uit dien diepen poel kwamen ook de muskieten, werkelijk vreesaanjagende muskieten, die alleen dit bewerkten, dat de zonen van Cossar, na een beetje gestoken te zijn, het niet langer konden uithouden, doch een maannacht uitkozen, toen wet en orde sliepen, en het water afleidden naar de rivier bij Brook.

Doch de groote waterplanten en het onkruid en de groote waterratten en allerlei andere ongewenschte dingen bleven nog leven en zich voortplanten in de streek die Cossar’s zonen bewoonden—het stuk grond waarop het mooie groote huis voor de kleine menschjes zich ten hemel had kunnen verheffen...

[Inhoud]

IV.

Dit alles was voorgevallen toen zij nog maar jongens waren, doch nu waren zij bijna mannen. En de ketenen waren àl nauwer om hen saamgetrokken, met elk jaar van hun groei. Met ieder jaar dat zij groeiden en het Voedsel zich verspreidde en groote dingen zich vermenigvuldigden, werd ook de spanning grooter. Voor de groote massa was het Voedsel eerst niet meer dan een ver-af wonder geweest, en [222]nu kwam het tot voor bijna iederen drempel, de geheele geregelde orde van zaken bedreigend en verdringend. Het deed dìt dichtgroeien en wierp dàt omver; het veranderde natuurlijke producten, en doordat het de natuurlijke producten veranderde, zette het allerlei bedrijven stil en maakte honderdduizenden werkloos; het vloog de grenzen over en bracht de geheele handelswereld slag op slag toe; geen wonder dat de menschen het haatten.

En daar het gemakkelijker is levende, dan levenlooze wezens te haten, dieren meer dan planten, en zijn medemenschen meer dan dieren, werd de angst en al de last die veroorzaakt werd door reuzennetels en zes voet hooge grassprieten, vreeselijke insecten en tijgerachtig ongedierte samengevat in één grooten haat tegen die verspreide groep van groote menschelijke wezens, de kinderen van het Voedsel. Die haat was de voornaamste kracht geworden in het politieke leven. De oude partij-grenzen werden overschreden en uitgewischt en maakten plaats voor deze nieuwere belangen, en de strijd werd nù gevoerd tusschen de partij dergenen die wilden schipperen, die kleine politieke mannetjes het Voedsel wilden laten controleeren en regelen; en de partij der reactie voor wie Caterham sprak, steeds sprekend met een sinistere dubbelzinnigheid, zijn bedoeling kristalliseerend nu eens in dezen dreigenden zin, en dan weer in een anderen; nu eens zei hij, dat men „den reuzengroei der bremstruiken moest snoeien,” dan weder dat men een „middel tegen olifantiasis” moest zien te vinden, en eindelijk, aan den vooravond der verkiezingen, dat men de „netel moest aanpakken.”

Op zekeren dag zaten de drie zonen van Cossar, die nu niet langer jongens doch mannen waren, tusschen de massa’s van hun nuttelooze gewrochten, en [223]spraken samen op hun wijze over al deze dingen. Zij hadden den geheelen dag gewerkt aan een van een serie groote samengestelde verschansingen die hun vader hen verzocht had te maken, en nu neeg de zon ten ondergang, en zaten zij in het lapje tuin voor het groote huis en keken op de wereld neder en rustten, totdat de kleine bediendetjes daarbinnen zouden aankondigen dat het eten klaar was.

Ge moet u deze machtige gestalten voorstellen, de kleinste veertig voet lang, uitgestrekt liggend op een stuk grasveld, dat een gewoon mensch een met rietstoppels bedekte oppervlakte zou toegeleken hebben. De eene ging overeind zitten en krabde de aarde van zijn reusachtige schoenen met een ijzeren dwarsbalk, die hij in de hand geklemd hield; de tweede rustte op zijn elboog; de derde sneed een punt aan een pijnboom met zijn zakmes en vervulde de lucht met harsgeur. Zij waren gekleed, niet in laken, doch in onderkleeren van gevlochten touw en bovenkleederen van met vilt bekleed aluminium-draad; ze waren geschoeid met hout en ijzer, en de maliën en knoopen en gordels hunner kleederdracht waren alle van geplet staal. Het groote huis met één verdieping waarin zij woonden, in zijn massiefheid gelijkend op de Egyptische pyramiden, gedeeltelijk gebouwd van monsterachtig-groote blokken krijt, en half uitgehouwen in het graniet van den heuvel, had een gevel van ruim honderd voet hoog, en daarachter rezen de schoorsteenen en raderen, de kranen en daken hunner werk-plaatsen wondervreemd ten hemel. Door een cirkelvormig raam in het huis was een pijp zichtbaar, waaruit een wit-gloeiende metaal-massa druppelde in afgemeten druppels in een onzichtbaren vergaarbak. De plaats was omheind, en ruw versterkt door reusachtige aarden wallen, gestut door staal, zoowel [224]boven de kruinen der heuvelen uit, als dwars door de golvende vallei. Alleen een mensch van gewone grootte kon de kolossaalheid ervan opmerken. De trein die van Sevenoaks kwam aanrazen, binnen hun gezichtskring, en een oogenblik later de tunnel invloog en zóó aan bun blik onttrokken werd, zag er in zijn contrast met hen uit als een klein automatisch stukje speelgoed.

„Ze hebben de grenzen van al de bosschen aan dezen kant van Ightham veranderd,” zei de eene, „en het bord met „verboden terrein” erop, dat eerst bij Knockholt stond, meer dan twee mijlen hierheen gezet.”

„Ze konden slecht anders doen, hè?” zei de jongste, na een oogenblik zwijgen. „Ze probeeren den wind uit Caterham’s zeilen te nemen.”

„Daar is het niet genoeg voor, en—het is ons bijna te veel,” zei de derde.

„Zij willen ons van Broeder Redwood afsnijden. De laatste maal toen ik naar hem toeging, waren de roode waarschuwingsborden al weer een mijl naar beide kanten verder gezet. De weg, die over de duinen naar hem toeleidt, is niet meer dan een nauw laantje.” De spreker dacht na. „Wat kan er met onzen broeder Redwood gebeurd zijn?”

„Hoezoo?” zei de oudste broeder.

De spreker kapte een tak van zijn pijnboom.

„Het was net—of hij niet goed wakker was. Hij scheen heelemaal niet te luisteren naar wat ik te zeggen had. En hij zei iets over—liefde.”

De jongste tikte met zijn dwarsbalk op den rand van zijn ijzeren zool en lachte. „Broer Redwood” zei hij, „is een droomer.”

Beiden zwegen eenigen tijd. Toen zei de oudste:

„Dit hoe langer hoe nauwer insluiten wordt me haast te machtig. Ze zullen zoowaar op z’n laatst [225]nog een lijn om onze laarzen trekken en ons bevelen daarbinnen te leven.”

De middelste broeder veegde met één hand een massa dennetakken terzijde en verschikte.

„Wat ze nu doen is nog niets vergeleken bij wat ze zullen gaan doen als Caterham de macht in handen krijgt.”

Als hij die krijgt,” zei de jongste broeder, met zijn dwarsbalk op den grond slaand.

„Dat zal hij beslist,” zei de oudste, naar zijn voeteind kijkend.

De middelste broeder hield op met kappen en zijn blik ging naar de groote aarden wallen die hen aan alle kanten beschermden. „Dan, broeders,” zei hij, „is onze jeugd voorbij, en zullen wij ons, zooals Vader Redwood ons lang geleden al gezegd heeft, moeten weren als mannen.”

„Jawel,” zei de oudste broeder; „maar wat wil dat eigenlijk precies zeggen? wat wil dat zeggen als die moeilijke dag aanbreekt?”

Ook hij keek naar die ruwe, ontzaglijke aarden wallen om hen heen, doch niet zoozeer nààr hen, als wel er dóórheen en over de heuvelen naar de ontelbare menigten daarachter. Allen overdachten iets dergelijks—een visie van een klein volkje dat ten strijde optrok, in ontelbare scharen, het kleine, onuitputtelijke, kwaadaardige kleine volk der menschen...

„Ze zijn klein,” zei de jongste broeder; „doch zij zijn niet te tellen, als het zand aan den oever der zee.”

„Zij hebben wapenen—zij hebben wapenen ja, die onze broeders in Sunderland nog wel voor hen gemaakt hebben.”

„Bovendien, Broeders, wat weten we van doodmaken, behalve hier en daar wat ongedierte en kleine ongelukjes met kwade dingen?” [226]

„Ja, ’t is waar,” zei de oudste broeder. „Maar toch—we zijn die we zijn. Als de kwade dagen komen moeten we doen wat onze hand vindt om te doen.”

Hij klikte zijn mes dicht—het lemmet was zoo lang als een mensch—en gebruikte zijn nieuwe dennenstaf om op te staan. Hij stond op en wendde zich naar het kolossale, plompe huis. Het purper van den zonsondergang overstroomde hem terwijl hij opstond, viel op de maliën en gespen bij zijn hals en het gevlochten metaal over zijn armen, en het leek zijnen broeders toe alsof hij plotseling overstroomd was van bloed...

Terwijl de jonge reus oprees, kreeg hij een kleine zwarte gedaante in het oog, afstekende tegen den westelijken gloed die het bovengedeelte van den aarden wal, machtig rijzend boven het duin, nog verlichtte. De zwarte kleine ledematen zwaaiden met vreemde gebaren. Iets in dit zwaaien deed den jongen reus denken aan haast. Hij zwaaide met zijn dennemast ten antwoord, vervulde de geheele vallei met zijn enorm „Hallo!” riep zijn broeders toe „d’r is iets aan de hand,” en ging met passen van vijf en twintig voet zijn vader tegemoet om te zien of er te helpen viel.

[Inhoud]

V.

Toevallig was ook juist op dezen tijd een jonge man, die geen reus was, bezig zijn hart te luchten over deze zonen van Cossar. Hij en zijn vriend waren van over de heuvels achter Sevenoaks gekomen, en hij was voortdurend aan het woord. Onder het voorbijgaan hadden zij in het kreupelhout een erbarmelijk gepiep gehoord en hadden drie jonge meezen die in het nestje zaten, beschermd tegen den aanval van [227]twee reuzenmieren. Dit avontuur had hen aan het praten gebracht.

„Reactionair!” zei hij, toen zij het kamp der Cossars in het zicht kregen. „Wie zou niet reactionair worden? Zie dat vierkant stuk grond eens aan, dat gedeelte van God’s aarde, dat eens zoo liefelijk en mooi was, hoe woest, en ontheiligd en uitgegraven het is! Die loodsen! Dat groote windrad! Die monsterachtige machine op raderen! Die aarden wallen! Zie eens hoe die drie monsters daar neerhurken, onder elkaar de een of andere duivelsche streek uitdenkend! Zie eens—zie de geheele streek eens aan!”

Zijn vriend keek naar zijn gelaat. „Je hebt zeker Caterham hooren spreken,” zei hij.

„Nee, ik gebruik mijn eigen oogen en blik eens terug naar den vrede en de goede orde van het verleden, dat wij achter ons gelaten hebben. Dit gemeene Voedsel is de laatste gedaante van den Duivel, nog altijd bedacht op den ondergang van onze wereld. Bedenk toch eens wat de wereld moet geweest zijn vóór onzen tijd, wat zij nog was toen onze moeders ons droegen, en zie nù eens! Bedenk toch eens hoe deze hellingen blijde lachten onder den gouden oogst, hoe de heggen vol geurige kleine bloemen stonden, en het bescheiden stukje grond van den een scheidden van dat van zijn buurman; hoe de rood-gedakte boerderijen over het land verspreid lagen en de kerkklokken van gindschen toren elken Zondag de geheele omgeving tot het gebed opriepen. En nu groeit er met ieder jaar steeds meer reusachtig onkruid en komt er steeds meer monsterachtig ongedierte, en dan deze reuzen, die overal om ons heen opgroeien, die over ons heen stappen, en tegen alles wat ons heilig is aanloopen. Hier—kijk bijvoorbeeld hier maar eens!” [228]

Hij wees ergens heen en het oog van zijn vriend volgde de richting van zijn vinger.

„Eén van hun voetindrukken. Kijk! Is er drie voet diep in gezonken, een valkuil voor paard en berijder, een valstrik voor hen die er geen erg in hebben. Daar is een wilde roos vertrapt; daar is gras uitgerukt en een koordendistel geknakt, de draineer-buis van een boer afgebroken en de kanten van het pad afgetrapt. Vernielen! Dat doen ze de geheele wereld over, en alle orde en fatsoen die tot nu heerschten gooien zij omver. Ze vertrappen alles onder hun plompe voeten. Reactie! Wat anders?”

„Maar—wat denk je met die reactie te bereiken?”

„Paal en perk stellen aan dit alles, vóór het te laat is,” zei de jonge man van Oxford.

„Maar—”

„Het is niet onmogelijk,” riep de jonge man van Oxford, terwijl zijn stem plotseling de hoogte in ging. „We hebben de vaste hand noodig; een vernuftig plan, en een onwrikbaren geest. Wij zijn te bedeesd geweest in onze uitdrukkingen en te zwak van hand; we hebben onzen tijd verknoeid en de zaak op de lange baan geschoven, en het Voedsel heeft tijd gehad om zich te verspreiden. En zelfs nù nog—”

Hij zweeg een oogenblik. „Dit is de echo van Caterham,” zei zijn vriend.

„En zelfs nù nog. Zelfs nù is er nog hoop—gegronde hoop, als we maar eerst goed weten wat wij willen en wat we moeten vernietigen. Wij hebben de groote massa op onze hand, veel meer dan dit een paar jaren geleden het geval was; de wet is op onze hand, de grondwet en de goede gang van zaken der maatschappij, de geest der erkende godsdiensten, de gebruiken en gewoonten der menschheid staan allen aan onzen kant—en tegenover het Voedsel. [229]Waarom zouden wij de zaak nog langer op de lange baan schuiven? Waarom zouden wij liegen? Wij haten het en hebben het niet noodig; waarom zouden wij het dan dulden? Wou jij dan maar bij de pakken neerzitten, en alleen lijdelijke obstructie voeren en niets doen—tot het te laat is?”

Hij zweeg en wendde zich om. „Zie dat boschje brandnetels daar eens. In het midden ervan staan huizen—verlaten—waar ééns heldere gezinnen van eenvoudige lieden hun leven leefden! En daar!” hij keerde zich driftig om naar de plaats waar de jonge Cossars over het onrecht dat hun aangedaan werd zaten te praten.

„Kijk hen eens! En ik ken hun vader, een bruut, een soort van bruut beest met een onverdragelijk luide stem, een wezen, dat nu al dertig jaar en meer amok maakt in onze maar al te genadige wereld. Een werktuigkundige! Alles wat ons heilig en dierbaar is, is hem niets. Niets! De schoone overleveringen van ons ras en land, de edele instellingen, de eerbiedwaardige orde, de breede, langzame gang van precedent tot precedent, die ons Engelsche volk groot gemaakt heeft en dit zonnige eiland vrij—dit is alles een ijdel verhaal, dat verteld en dan vergeten wordt. Wat bombast over de Toekomst wordt boven al deze heilige dingen gesteld..... Het soort van man dat een trambaan over zijn moeder’s graf zou laten loopen als hij dacht dat het ’t goedkoopst was hem zóó aan te leggen! En jij denkt er nog aan, de zaak op de lange baan te schuiven, een compromis te sluiten, dat je in staat zal stellen op jouw manier te leven, terwijl die—die machinemensch het op zijn manier doet. Ik zeg je, ’t geeft niets, ’t is hopeloos. Je zoudt even goed een verdrag met een tijger kunnen sluiten! Zij willen de dingen reusachtig groot hebben—wij [230]wenschen ze liefelijk en normaal. Je staat hier òf voor ’t een, òf voor het ander.”

„Maar wat kùn je aanvangen?”

„O, heel veel! Alles! Het Voedsel inhouden! Zij zijn nu nog verspreid, deze reuzen, nog onrijp en nog niet vereenigd. Keten ze, stop ze een prop in den mond, doe ze een muilband voor. Hoe dan ook, ze moeten gestuit worden. Het gaat erom of deze aarde de hunne zal worden of de onze blijven! We kunnen het Voedsel inhouden. We kunnen de lui die het fabriceeren in de kast duwen. We zullen àl het mogelijke doen om Cossar te stuiten! Je schijnt heelemaal niet in aanmerking te nemen, dat—dat we maar één geslacht behoeven te onderdrukken, en dàn—Dan kunnen we die aardhoopen weer met den grond gelijk maken, hun voetsporen dempen, de leelijke sirenen van onze kerktorens nemen, al onze olifanten-geweren aan stukken slaan, en terugkeeren tot de oude orde der dingen, de rijpe oude beschaving, waarvoor de ziel van den mensch aangelegd is.”

„Dat zal een geweldige poging worden.”

„Tot het bereiken van een grootsch doel. En als we haar niet wagen? Zie je dan niet zoo helder als de dag, het verschiet dat voor ons ligt? Overal zullen de reuzen zich vermenigvuldigen en groeien; overal zullen zij het Voedsel gaan maken en verspreiden. Het gras zal reusachtig hoog opgroeien in onze velden, het onkruid in onze heggen, het ongedierte in het kreupelhout, de ratten in de riolen, alles zal reusachtig worden. Steeds meer en meer. Dit is nog pas een begin. De insecten-wereld zal tegen ons opstaan, en de plantenwereld eveneens; ja, zelfs de visschen der zee zullen onze schepen doen volloopen en ze doen zinken. Een reusachtige plantengroei zal onze huizen verduisteren en ze verbergen, onze kerken verstikken, [231]de goede orde in onze steden vernietigen en wij zullen niet veel meer zijn dan een zwak soort van ongedierte onder de voeten van het nieuwe ras. De menschheid zal overstroomd worden en verdrinken in dingen die zij zelve verwekt heeft! En dat volkomen doelloos. Grootte. Niets anders dan grootte! Uitzetting en „da capo.” Nu reeds moeten we oppassen waar we onze voeten zetten tusschen de eerste aanduidingen van den komenden tijd. En het eenige wat we doen, is zeggen: „wat een last!” We grommen en doen niets. Neen!”

Hij hief zijne hand op.

„Laten zij doen wat ze denken te moeten doen. Dat zal ik ook. Ik ben voor Reactie—voor reactie zonder vrees en die van geen wijken weet. Wat kun je in deze wereld nog beginnen, als je zelf het Voedsel niet wilt innemen? We hebben te lang getreuzeld op den gulden middenweg. Treuzelen op middenwegen is jullie gewoonte, jelui bestaan, en hetgeen waar jelui je tijd aan geeft. Doch Ik ben niet zoo! Ik ben tegen het Voedsel met al de kracht die in mij is, en tot het uiterste zal ik mij er tegen verzetten.”

Hij wendde zich tot zijn metgezel toen hij diens gegrom van afkeuring hoorde. „Aan welken kant sta jij?”

„Ja, dat is zoo in een paar woorden niet te zeggen, ’t is een ingewikkelde zaak—”

„Och—drijfhout!” zei de jonge man van Oxford bitter, terwijl hij een wanhopend gebaar maakte met alle ledematen. De middenweg leidt tot niets. Wij hebben hier òf het een, òf het andere te kiezen. Ons laten òpeten, of zèlf vernietigen. Wat kunnen we ànders beginnen?” [232]

[Inhoud]

Hoofdstuk II.

De Reuzen-Geliefden.

[Inhoud]

I.

Nu gebeurde het in de dagen, toen Caterham bezig was met zijne campagne tegen de Bomkinderen, vóór de Algemeene Verkiezingen die—temidden van de meest tragische en vreeselijke omstandigheden—hem op het kussen moesten helpen, dat de Reuzen-Prinses, die Doorluchtigheid, welker voeding jaren te voren zulk een gewichtige rol had gespeeld in de schitterende loopbaan van Dokter Winkles, het koninkrijk van haren vader verlaten, en zich naar Engeland begeven had, voor eene zaak, die als zeer gewichtig beschouwd werd. Zij was om staatsredenen verloofd met een zekeren Prins—en het huwelijk zou tot een gebeurtenis van internationale beteekenis gemaakt worden. Er was een geheimzinnig oponthoud ontstaan. Het Gerucht en de Verbeelding vertelden samen het wàarom en er ging heel wat van mond tot mond. Men sprak van een recalcitranten prins, die verklaard had, dat hij terwille van niemand een dwaas figuur wou slaan—tenminste niet zóó erg. Men sympathiseerde met hem. En dat is de gewichtigste kant van de zaak.

Nu mag het volgende vreemd lijken, doch het is [233]een feit, dat toen de Reuzen-Prinses naar Engeland kwam, zij niets afwist van het bestaan van nog andere reuzen. Zij had geleefd in een omgeving, waar tact bijna een hartstocht is en gereserveerdheid de adem des levens. Men had alles voor haar verborgen gehouden; men had haar van de buitenwereld afgesloten, zoodat zij nooit een reus gezien of ervan gehoord had, vóór de tijd gekomen was dat zij naar Engeland zou vertrekken. Vóór zij den jongen Redwood ontmoette, had zij zelfs geen flauw vermoeden, dat er sprake kon zijn van nog andere reuzen.

In het koninkrijk van den vader der Prinses waren onherbergzame hooggebergten, waar zij vrij had rondgedwaald. Zij hield méér van den zonsopgang en van den zonsondergang en van het geheele drama der natuur, dan van iets anders ter wereld; doch onder een volk, dat zóó democratisch is en tegelijkertijd zóó koningsgezind als het Engelsche, werd haar vrijheid natuurlijk erg beperkt. De menschen kwamen met Janpleziers, met pleizier-treinen, bij heele menigten om haar te zien; zij fietsten lange afstanden om haar aan te gapen, en zij moest vroeg opstaan als zij tenminste rustig wilde wandelen.

De dageraad was nog pas aangebroken, dien dag, toen de jonge Redwood haar ontmoette.

Het groote Park bij het Paleis waar zij verblijf hield, strekte zich meer dan twintig mijlen ver naar het westen en zuiden van de westelijke poorten van het paleis uit. De kastanjeboomen der lanen verhieven zich hoog boven haar hoofd. En elk hunner scheen, terwijl zij voorbijging, te wedijveren wie van hen haar den rijksten bloemenschat zou aanbieden. Een tijdlang stelde zij zich tevreden met het zien en ruiken der mooie bloesems, doch eindelijk liet zij zich overhalen en begon ijverig uit te zoeken en te plukken, [234]zoodat zij den jongen Redwood niet bemerkte vóór deze vlak bij haar was.

Zij bewoog zich tusschen de kastanjeboomen, met den haar door het lot beschoren minnaar dicht bij zich, zonder dat zij het bevroedde of iets bemerkte. Zij stak haar handen tusschen de takken, ze afbrekend en vergârend. Zij was alleen op de wereld. En toen—

Zij keek op en in dat oogenblik was haar lot beslist.

Wij moeten onze verbeelding op zijn maat stellen, om de schoonheid te kunnen zien, die hij zag. Die onbenaderbare grootheid die het ons onmogelijk maakt ons een met haar te voelen, bestond voor hem niet. Daar stond zij, een gracieus meisje, het eerste schepsel, dat hem een waardige gezellin toeleek, licht en slank, licht gekleed, terwijl de frissche morgenwind haar kleed plooide om de weeke lijnen van haar gestalte, en met een groote massa bloeiende kastanjetakken in hare handen. De boord van haar kleed was open en liet de blankheid van haar hals en een zachte schaduwige rondheid zien, die naar hare schouders afdaalde en aan het oog onttrokken werd. De wind had een vlok haar gestolen en strekte de rood-gepunte haren over haar wangen. Haar oogen waren groot en blauw en om haar lippen zweefde steeds de belofte van een glimlach, terwijl zij tusschen de takken doorreikte.

Zij wendde zich met schrik naar hem om, bemerkte hem, en een tijdlang deden zij niet anders dan elkaar aankijken. Het zien van hem was voor haar wonderbaarlijk en zóó bijna-ongelooflijk, dat het haar eenige oogenblikken lang iets vreeselijks toeleek. Hij was tot haar gekomen en had haar geschokt zooals een bovennatuurlijke verschijning dit gedaan zou hebben; hij verbrak al de vaste wetten van haar wereld. Hij [235]was toen een jongeling van een en twintig, slank, met het donkere teint en den ernst van zijn vader. Hij was gekleed in sobere, zacht-bruin lederen, nauw-passende, doch gemakkelijk-zittende kleêren en met bruine kuitbroek aan, die hem goed stond en zijn figuur deed uitkomen. In weer en wind, hij liep blootshoofds. Zij stonden elkaar al maar aan te kijken—zij ongeloovig-verbaasd, en hij met snelkloppend hart. Het was een oogenblik zonder inleiding, de belangrijkste ontmoeting van hun leven.

Hij was minder verbaasd. Hij had haar aldaar gezocht, en zijn hart klopte onstuimig. Hij ging naar haar toe, langzaam, met de oogen op haar gelaat gevestigd.

„U is de prinses,” zei hij. „Mijn vader heeft mij van u verteld. U is de prinses die men van het Voedsel der Goden gegeven heeft.”

„Ja, ik ben de Prinses,”—zei zij, met verbaasde blikken. „Maar—wie zijt gij?”

„Ik ben de zoon van den man, die het Voedsel der Goden gemaakt heeft.”

„Voedsel der Goden!”

„Ja, het Voedsel der Goden.”

„Maar—”

Haar gezicht drukte de grootste verbazing uit, als begreep zij hem niet.

„Wat is dat? Ik begrijp er niets van. Het Voedsel der Goden, zei u?”

„Hebt ge daar nooit van gehoord?”

„Van het Voedsel der Goden? Néén!”

Zij bemerkte dat zij hevig beefde. Zij verschoot van kleur. „Ik wist niet,” zei zij. „U wilt toch niet zeggen—?”

Hij wachtte tot zij haar zin voltooien zou.

„U wilt toch niet zeggen, dat er nog méér reuzen zijn?” [236]

En hij herhaalde: „Wist u dat niet?”

En zij antwoordde met steeds toenemende verbazing, toen zij begon te begrijpen: „Neen!”

De geheele wereld en de geheele beteekenis ervan begon in haar oog anders te worden. Een kastanjetak ontgleed haar hand. „U wilt toch niet zeggen, dat er nog meer reuzen op aarde zijn? Dat het een of ander voedsel—?”

Nu was het zijn beurt om verbaasd te staan.

„Maar wist u dan niets?” riep hij uit. „Had u dan nooit van ons gehoord? U, die door het Voedsel aan ons verwant zijt!”

Er sprak nog steeds angst uit de blikken die hem aanstaarden. Haar hand ging naar haar keel en viel weder neer. Zij fluisterde: „Neen.” Het was haar of zij òf weenen, òf in zwijm vallen moest. Doch een oogenblik later had zij hare zelfbeheersching herkregen en sprak en dacht zij weder duidelijk en helder. „Dit is alles voor mij verborgen gehouden,” zeide zij. „Het is als een droom. Ik heb gedroomd—Ik heb van dergelijke mogelijkheden gedroomd. Doch wakend—Neen. Vertel mij toch alles. Alles! Wat zijt ge? Wat is dit Voedsel der Goden? Vertel het me langzaam—en duidelijk. Waarom heeft men voor mij verborgen gehouden, dat ik niet alleen sta in mijn grootte?”

[Inhoud]

II.

„Vertel het mij,” zei zij, en de jonge Redwood begon haar bevend en opgewonden te vertellen—het was toèn maar een onsamenhangende en armelijke vertelling—van het Voedsel der Goden en van de Reuzenkinderen, die over de geheele wereld verspreid waren. [237]

Stel u hen voor, met opgewonden kleur en nog wat verschrikt, trachtend elkaar te begrijpen uit tallooze half-verstane, half-uitgesproken zinnen, steeds weder herhalend, en dan weder plotseling zwijgend, en het nog eens opnieuw beproevend—een wonder-vreemd gesprek, waarbij zij ontwaakte uit de onwetendheid waarin zij haar geheele leven verkeerd had. En heel langzaam werd het haar duidelijk, dat zij geen uitzondering vormde op den gewonen regel der menschheid, doch dat zij deel uitmaakte van een verspreide broederschap, waarvan alle leden van het Voedsel gegeten hadden, en die voor altijd de kleine verhoudingen van de menschjes onder hunne voeten ontgroeid waren. De jonge Redwood sprak van zijn vader, van Cossar, van de broederen die over het gansche land verspreid waren, van den grooten dageraad die grootscher willen met zich had gebracht en die in de geschiedenis der wereld was opgegaan. „Wij zijn in het begin van een begin,” zei hij; „dit wereldje, dat ze nu hebben, is slechts een inleiding tot de wereld die het Voedsel scheppen zal. Mijn vader gelooft—en ik met hem—dat er een tijd zal komen, waarin kleinheid geheel uit de menschenwereld verdwenen zal zijn,—waarin reuzen vrijelijk over deze aarde—hùnne aarde zullen rondwandelen—voortdurend grooter en grootscher dingen verrichtend. Doch dat—dat moet nog komen. Wij zijn hiervan zelfs niet het eerste geslacht—wij zijn de eerste experimenten.”

„En van al deze dingen wist ik niets!” zeide zij.

„Soms denk ik wel eens, dat wij te vroeg gekomen zijn. Natuurlijk één van allen moest het eerst komen. Doch de wereld was geheel onvoorbereid op onze komst en op de komst van al de minder groote dingen, die hunne grootheid aan het Voedsel ontleenden. Er [238]zijn grove fouten begaan; er is strijd geweest. Het kleine menschenvolk haat ons...

„Zij zijn hard jegens òns, omdat zìj zoo klein zijn... En omdat onze voeten zwaar neerkomen op de dingen, die hen doen leven. Doch hoe dit ook zij, zij haten ons nu; zij moeten niets van ons hebben—alleen als wij tot hunne normale grootte konden inkrimpen, zouden zij ons langzamerhand vergeven...

„Zij zijn gelukkig in huizen, die ons gevangeniscellen toelijken; hunne steden zijn ons te klein. Het doet ons pijn langs hunne smalle wegen te loopen; wij kunnen niet mede opgaan naar hunne plaatsen van eeredienst...

Wij kijken over hunne muren, en over hunne verdedigingswerken; we kijken zonder er bij te denken door hunne bovenste vensters; wij houden geen rekening met hunne gewoonten; hun wetten zijn ons slechts een net om onze voeten...

„Telkens als wij struikelen, hooren wij hen schreeuwen; telkens als wij hunne grenzen overschrijden, of ons opmaken tot eenige breede daad...

„Als wij op ons doode gemak loopen, lijkt het hun alsof wij ergens wild op losstormen, en al de dingen die zij groot en wondervol achten, zijn voor ons niet meer dan poppen-pyramiden. De kleinheid van hun methodes en toepassingen en verbeeldingskracht belemmert en verslaat onze kracht. Er bestaan nog geen machines, die evenredig zijn aan de kracht onzer handen, en geen hulpmiddelen die in onze nooden kunnen voorzien. Zij maken onze grootte dienstbaar door duizenden onzichtbare handen. Wij zijn man voor man honderdmaal sterker, doch wij zijn ongewapend; juist onze grootte maakt ons tot schuldenaren; zij laten rechten gelden op het land, waar wij nu op staan; zij belasten onze grootere behoefte aan [239]voedsel en onderdak, en voor al deze dingen moeten wij om hunne dwergen-grillen te bevredigen, zwaren arbeid verrichten met de werktuigen die deze dwergen voor ons maken....

„Op alle mogelijke manieren belemmeren zij onze bewegingen. Al was het alleen maar om te leven, mòèten wij de grenzen die zij ons gesteld hebben wel overschrijden. Om u hier vandaag te ontmoeten, heb ik zelfs op verboden terrein moeten gaan. Alles wat aangenaam en begeerenswaardig in het leven is, stellen zij buiten ons bereik. Wij mogen niet in de steden komen; wij mogen niet over bruggen loopen; wij mogen niet loopen door hun bebouwde velden of in de wildparken voor het wild, dat zij dooden. Ik ben nu afgesneden van al de Broederen behalve van de drie zonen van Cossar, en zelfs diè doorgang wordt met elken dag nauwer. Het is of zij twist met ons zoèken, om ons het een of ander te kunnen aandoen.”

„Maar we zijn toch heel sterk,” zeide zij.

„Wij behóórden tenminste sterk te zijn, ja. Allen voelen wij—en ik, weet dat jij dat ook moet voelen—dat wij macht hebben, de kracht om groote dingen te doen, macht die in ons dringt om vrijgelaten te worden. Doch vóór wij iets kunnen beginnen—”

Hij stak driftig een hand uit, die een wereld scheen weg te vagen.

„Al heb ik ook gemeend, dat ik alleen op de wereld was,” zeide zij, na een tijdlang gezwegen te hebben, „heb ik tòch wel over deze dingen nagedacht. Men heeft mij steeds geleerd, dat kracht bijna zonde was, dat het beter was klein te zijn dan groot, dat alle ware godsdienst bestond in het beschermen der zwakken en kleinen, de zwakken en kleinen te bemoedigen, hen te helpen zich te vermenigvuldigen en al maar vermenigvuldigen, totdat zij ten laatste [240]elkaar verdringen; men heeft mij geleerd al ònze kracht op te offeren voor hunne zaak, maar... ik heb altijd getwijfeld aan wat men mij onderwees.”

„Dit leven,” zei hij, „deze lichamen, die wij gekregen hebben, zijn niet om te sterven.”

„Neen.”

„En ook niet om in beuzeling door te brengen. Doch zoo wij dit laatste niet doen willen, is het allen Broederen nu reeds duidelijk, dat een strijd niet kan uitblijven. Ik kan niet zeggen hoe verbitterd de strijd, die spoedig komen moet, zijn zal, vóór de kleine menschen zullen dulden, dat wij leven op de wijze waaraan wij behoefte hebben. Al de Broederen hebben hier over nagedacht. Ook Cossar, waarvan ik je verteld heb, heeft hier over nagedacht.”

„Zij zijn heel klein en zwak.”

„Ja dat is zoo, tenminste het lijkt zoo. Maar jij weet ook, evenals ik, dat zij alle middelen om te dooden in handen hebben, en die ook naar de grootte hunner handen gemaakt zijn. Al honderdduizenden jaren lang hebben deze kleine menschjes, wier wereld wij overrompelen, geleerd hoe zij elkaar het beste en snelste kunnen dooden. Hierin zijn zij heel bekwaam. In meerdere dingen zijn zij zeer bekwaam. En bovendien kunnen zij bedriegen en zich plotseling anders voordoen dan zij zijn... ik weet het niet... er is strijd op til. Jij—jij bent misschien anders dan wij. Maar voor òns komt er zeker strijd.... Wat de menschen Oorlog noemen. Wij weten het. En tot op zekere hoogte bereiden wij ons er op voor. Maar je kent—deze kleine menschen!—wij weten niet hoe wij dooden moeten, tenminste wij missen de lust om te dooden—”

„Zie eens,” viel zij hem in de rede, en hij hoorde een toeterenden hoorn. [241]

Hij wendde zich om, en keek in de richting die hare oogen aanduidden en zag hoe een helder-gele automobiel, met een donkeren chauffeur met een motor-bril op, en met in bont gekleede passagiers, gillend en dreunend en nijdig puffend bij zijn hiel stond. Hij verplaatste zijn voet en het ding vervolgde met drie toornige kreten zijn lawaaierigen weg in de richting van de stad.

„Blokkeeren tegenwoordig den weg ook al!” klonk er tot hem op.

Vervolgens zeide iemand: „Zie! heb je haar wel gezien? Daar ginds achter de boomen staat de reuzen-prinses!” en al hun van stof-brillen voorziene gezichten wendden zich naar haar toe om haar aan te staren.

„Nee maar, hoor es,” zei een derde. „Dat gaat niet aan”...

„Dit alles,” zeide zij, „verbaast mij meer dan ik zeggen kan.”

„Dat ze je van dit alles niets gezegd hebben,” zei hij en voltooide zijn zin niet.

„Vóór je mij ontmoette, had ik geleefd in een wereld waarin ik groot en—alléén was. Maar toch had ik mijn leven hier zoo goed mogelijk aangepast. Ik dacht eerst, dat ik het slachtoffer was van een gril der natuur. En nu is mijn wereldje in een half uur in elkaar gevallen, en ik zie een andere wereld, andere voorwaarden, ruimere mogelijkheden—kameraadschap—”

„Kameraadschap,” antwoordde hij.

„Je moet me nog wat meer vertellen, nog véél meer,” zeide zij. „Weet je, dit alles vaart door mijn geest als een verhaal dat mij verteld wordt. Zelfs jij... Binnen een dag of wat zal ik misschien in je kunnen gelooven. Maar nu—nu droom ik... Luister!” [242]

De eerste slag van een klok bovenop de paleisgebouwen ver weg drong tot hen door. Elk telde werktuigelijk tot „zeven.”

„Nu moet ik weg,” zeide zij. „Zij zullen nu net ongeveer de bowl met mijn koffie het vertrek waarin ik slaap binnendragen. De kleine lakeien en bedienden—je kunt je haast niet voorstellen hoe ernstig die zijn—zijn nu al weer druk bezig aan hunne werkzaamheidjes.”

„Zij zullen zich wel verwonderen, waar... maar ik wil met je praten.”

Zij dacht na.—„Maar ik wil er ook over denken. Ik wensch nu alléén er over na te denken, en tot klaarheid te komen in deze algeheele verandering der dingen, en de oude eenzaamheid weg te denken en jou en al die anderen in mijn wereld in te denken... Ik moet nu heen. Vandaag zal ik teruggaan naar mijn oude plaats in het kasteel, en morgen, als de dageraad aanbreekt, zal ik hier weder komen.”

„Ik zal je hier opwachten.”

„Den geheelen dag zal ik droomen van deze nieuwe wereld die je mij gegeven hebt. Ik kan het nu zelfs nog haast niet gelooven—”

Zij deed een schrede achterwaarts en nam hem op van het hoofd tot de voeten. Hunne blikken ontmoetten elkaar en bleven een oogenblik vast op elkaar gericht.

„Ja,” zeide zij, met een lachje, dat bijna een snik was. „Je bent tòch werkelijk. Maar het is zoo wondervreemd! Denk je—werkelijk—? En als ik nu morgen eens hier kwam, en ik vond—dat je net zoo’n dwerg was als de anderen!—Ja, ik moet over alles nog eens nadenken. En daarom, voor vandaag—zooals de kleine menschen doen—”

Zij stak haar hand uit, en voor de eerste maal [243]raakten zij elkander aan. Zij hielden elkaar’s hand stevig vast en hunne blikken ontmoetten elkaar weder.

„Voor vandaag—goedendag,” zeide zij. „Vaarwel! Vaarwel, Broeder Reus!”

Hij aarzelde, alsof hij nog iets wilde zeggen, en eindelijk zei hij eenvoudig „goedendag.”

Een tijdlang hielden zij elkaar’s hand vast, en keken elkaar vorschend aan. En nadat zij van elkaar gegaan waren, keek zij nog verscheidene malen half weifelend naar hem om, en bleef staan op de plaats waar zij elkaar ontmoet hadden...

Zij liep dwars over het plein van het Paleis hare vertrekken binnen als een die in den slaap wandelt, met een grooten kastanje-tak, die slap in hare hand hing.

[Inhoud]

III.

De twee ontmoetten elkaar, alles bij elkaar genomen, veertien maal vóór het begin van het einde. Zij kwamen samen in het Groote Park, of op de hoogten en in de passen van het moer, dat doorsneden werd door ruwe wegen en hier en daar begroeid was met sombere pijnbosschen, en dat zich naar het zuidwesten uitstrekte. Tweemalen hadden zij elkaar ontmoet in de groote kastanjelaan, en vijf malen aan den breeden, aangelegden vijver, die de koning, haar grootvader, had doen graven. Er was daar een plek waar een groot, mooi-glad grasperk, dat met hooge coniferen bezet was, gracieus afhelde naar den waterkant, en daar placht zij dan te gaan zitten, en hij legde zich aan hare knieën neder, keek op naar haar gelaat en praatte; hij verhaalde haar van alles wat voorgevallen was, en van het groote werk, dat zijn vader hem opgedragen had te volbrengen, [244]en van den grooten en verruimden droom van al wat het reuzenvolk eens zijn zoude. Gewoonlijk kwamen zij bij elkaar bij het aanbreken van den dageraad, doch eens ontmoetten zij elkaar in den middag en zagen weldra, hoe zij omringd werden door een menigte van loerende luisteraars, fietsrijders en voetgangers, die allen van uit de struiken naar hen gluurden, ritselend (zooals de musschen soms ritselen in de boschjes om u heen in de Londensche parken) tusschen de dorre bladeren in de bosschen, het meer komend afroeien in booten naar een punt, vanwaar zij hen konden zien, en trachtend hen zoo dicht te naderen, dat zij hen goed konden zien en hooren. Dit was voor de twee reuzen de eerste aanduiding van de groote belangstelling die de geheele streek in hunne samenkomsten stelde. En eens—het was de zevende maal, en verhaastte het schandaal nog—kwamen zij samen op het frissche moerland bij helder maanlicht en fluisterden, want de nacht was warm en stil. Zeer spoedig hadden zij het bewustzijn verloren, dat in en door hen een nieuwe wereld van reusachtige dingen zich vormde in de aarde, en dachten zij niet langer over den grooten strijd tusschen klein en groot, waarin zij blijkbaar voorbeschikt waren een rol te spelen, en dachten zij slechts aan meer persoonlijke en grooter belangen. Telkens als zij elkaar ontmoetten en met elkaar spraken en elkaar aanzagen, leerden zij iets meer begrijpen, dat er iets dierbaarders en wondervollers dan enkel vriendschap in hun gevoel voor elkaar was, en overal met hen meeging en hunne handen elkaar deed zoeken. En binnen zeer korten tijd vonden zij het woord zelf en waren zij minnenden, de Adam en Eva voor een nieuw geslacht op aarde.

Zij schreden tezamen de wonderschoone vallei der liefde in, met hare diepe en vredige plaatsen. De [245]wereld om hen nam een geheel ander aanzicht aan, naarmate zij zelven anders gestemd waren, totdat weldra een schoonheid als van het Heilige der Heiligen hunnen samenkomsten weldra omgaf en de sterren niet anders dan bloemen van licht waren onder de voeten hunner liefde, en de dageraad en de zonsondergang de kleurige draperiën langs hunnen weg. Zij waren niet langer wezens van vleesch en bloed voor elkaar en voor zichzelven; zij werden tot een belichaamd weefsel en voor zichzelven; zij werden tot een beschaamd weefsel van teederheid en verlangen. Eerst fluisterden zij en toen zwegen zij geheel en naderden elkaar àl meer en staarden in elkaar’s door de maan verlichte, schemerige gezichten onder den oneindigen boog des hemels. En de stille donkere pijnboomen stonden om hen als wachters.

De weerklinkende schreden van den tijd werden tot stilte gebracht en het leek hen alsof het heelal onbeweeglijk om hen heen hing. Alleen de klop hunner harten was hoorbaar. Zij leken samen te leven in een wereld waar geen dood meer was, en dit was werkelijk zoo in hun gevoel. Het leek hen toe, dat zij peilden, en werkelijk peilden zij zulke verborgen heerlijkheden in het hart der dingen als nooit te voren door iemand bereikt was. Zelfs voor lage en kleine zielen is de liefde een openbaring van groote heerlijkheden. En dit waren reuzen-geliefden, die van het Voedsel der Goden gegeten hadden...

Stel u de zich steeds méér verspreidende schrik in deze goed-geordende wereld voor, toen het bekend werd dat Hare Doorluchtigheid de Prinses, die koninklijk bloed in de aderen had en die verloofd was met den Prins! samenkwam,—dikwijls samenkwam—met den overvoeden telg van een gewonen professor in de chemie, een schepsel zonder rang, zonder positie, [246]zonder rijkdom, en met hem praatte alsof er geen Koningen en Prinsen waren, geen orde, geen eerbied—niets dan Reuzen en Dwergen op aarde. Zij praatte met hem en men was er maar al te zeker van, dat zij hem als haar minnaar beschouwde.

„Als de krantenlui er de lucht van krijgen!” zei Sir Arthur Poedel Laarslik...

„Ik heb hooren zeggen”—fluisterde de oude bisschop van Frumps...

„Weer een nieuwtje boven,” zei de eerste lakei, terwijl hij hier en daar knabbelde aan dessert-dingen. „Voor zoover ik er uit wijs kon worden, is die reuzen Prinses—”

„Men zegt—” zei de juffrouw die den winkel in kantoor- en schrijfbehoeften bij den hoofdingang van het paleis hield, en bij wie de kleine Amerikanen hun kaartjes nemen voor de Statie-Vertrekken...

En vervolgens:

„Wij kunnen uit goede bron tegenspreken—” zei „Picaroon,” in „Het Babbeltje.”

En aldus kwam het geheele geval uit en ontstond al de last voor de twee minnenden.

IV.

„Ze zeggen, dat wij scheiden moeten,” zei de Prinses tot haar geliefde.

„Maar waarom?” riep hij uit. „Wat hebben die kleine wezens zich nu weêr voor zotternij in het hoofd gehaald?”

„Weet je wel,” vroeg zij, „dat mij liefhebben hoogverraad is?”

„Lief,” riep hij uit, „wat komt het er alles op aan? Wat kan ons hun recht—recht zonder een zweem [247]van redelijkheid—en hun hoogverraad en hun trouw aan den koning schelen?”

„Dat zal ik je vertellen,” zeide zij, en vertelde hem van al wat men tot haar gezegd had.

„Zoo’n typisch klein mannetje als er toch op me af kwam, met een zachte, prachtig gemoduleerde stem, een gladjes daarheenloopend heertje, dat zijdelings de kamer in kwam, net als een kat, en dat zijn mooie witte handje zóó opstak, telkens als hij iets gewichtigs te zeggen had. Hij is kaal, maar natuurlijk niet heelemaal, en zijn neus en gezicht zijn klein en rozig als van een bazuinengeltje, en zijn baard is allerliefst in een punt geknipt. Hij deed verscheidene malen alsof hij erg onder den indruk was, en liet zijn oogen schitteren. Weet je, hij is een warm aanhanger van de koninklijke familie hier, en hij noemde mij zijn „waarde jonge dame,” en was van het begin af erg deelnemend. „M’n waarde jonge dame, u móógt zoo niet voortgaan,” zei hij verscheidene malen en vervolgens: „u hebt plichten.”

„Waar vormen ze toch zulke mannetjes?”

„O, hij mag zoo iets juist wel,” zeide zij.

„Maar ik begrijp niet—”

„Hij zei heel ernstige dingen tegen me.”

„Je gelooft toch niet, dat er iets zit in wat hij zei?” zei hij, zich plotseling tot haar wendend.

„Zéker zit er iets in,” zeide zij.

„Je meent dat—?”

„Ik meen, dat, zonder dat we ’t zelf wisten, wij op de heiligste concepties van dit kleine volkje hebben getreden. Wij, die koninklijk bloed in onze aderen hebben, zijn een op zichzelfstaande klasse. Wij zijn gevangenen die aangebeden worden, speelgoed om in processies medegevoerd te worden. Wij betalen voor deze hulde met het verlies van—onze vrijheid. [248]En ik had dien prins moeten huwen—Maar van hèm weet je niets. Nu, ’t is een dwerg Prinsje. Hij is niet van ’t minste belang... Het schijnt, dat het den band tusschen mijn land en een ander hechter gemaakt zou hebben. En ook dìt zou er voordeel van gehad hebben. Stel je es voor!—de band hechter maken!”

„En wat nu?”

„Zij wenschen, dat ik in dezelfde verhouding tot hem blijf staan alsof er niets tusschen òns bestond.”

„Niets tusschen ons!”

„Ja, maar dat is nog niet alles. Hij zei—”

„Je specialiteit in takt?”

„Ja. Hij zei, dat het beter voor jou en beter voor alle reuzen zou zijn als wij tweeën—ons onthielden van met elkaar te spreken. Zóó zei hij het.”

„Maar wat willen ze dan doen, gesteld dat we eens doen wat zij verlangen?”

„Hij zei, dat jij je vrijheid dan zou kunnen krijgen.”

Ik!”

„Hij zei, met nadruk, „m’n waarde jonge dame, het zou heusch beter zijn, het zou waardiger zijn, als ge uit eigen vrijen wil van elkaar scheiddet.” Dat zei hij, en legde den nadruk op „uit vrijen wil.”

„Maar—! Maar wat hebben deze ellendige kleine peuters er eigenlijk mee te maken, waar en hoe wij elkaar liefhebben! Wat hebben zij en hun heele wereldje met ons uit te staan?”

„Zij denken er anders over.”

„Natuurlijk,” zei hij, „geef je niets om wat zij zeggen.”

„Het lijkt me wel héél dwaas toe.”

„Dat hunne wetten ons willen binden! Dat wij, in de eerste lente van ons leven, ons ons geluk zouden laten ontnemen door hun oude engagementen en hun [249]redelooze oude instellingen. O—! Maar wij zullen er ons niet aan storen.”

„Ik ben de jouwe. In zooverre heb je gelijk, ja.”

„In zooverre? Is dat dan niet alles?”

„Maar ze—Als ze ons nu eens willen scheiden—”

„Wat zouden ze kunnen beginnen?”

„Ik weet het niet. Wat kùnnen ze doen?”

„Wie geeft er wat om wat zij kunnen doen, of wat ze zùllen doen. Ik behoor jou en jij mij. Verder is er niets. Ik ben de jouwe en jij de mijne voor eeuwig. Denk je, dat ik je zou laten varen om hun kleine wetjes, en hun kleine verbodjes, en hun roode waarschuwingsbordjes, jawel!—en van jòu wegblijven?”

„Ja. Maar toch, wat kunnen ze ons doen?”

„Je bedoelt”, zeide hij, „wat wij moeten doen?”

„Ja.”

„Wij? wij gaan onzen gang.”

„Maar als ze ons dat nu eens willen beletten?”

Hij balde de vuisten. Hij keek om zich heen alsof de kleine menschjes er reeds aankwamen om het hem te beletten. Toen wendde hij zich van haar af en staarde in de verte. „Ja,” zei hij, „je hadt gelijk met te vragen „wat kunnen ze doen?”

„Hier in dit kleine landje,” zeide zij, en zweeg toen.

Hij scheen alles te overzien. „Ze zijn overal.”

„Maar we konden—”

„Waarheen?”

„We zouden heen kunnen gaan. We zouden samen de zeeën kunnen overzwemmen. Aan de overzijde—”

„Ik ben nooit aan de andere zijde van de zee geweest.”

„Daar zijn groote, eenzame bergen, waartusschen wij niet meer zouden lijken dan kleine menschjes, daar zijn afgelegen en verlaten valleien, nog onbekende [250]meren en met sneeuw bedekte hooglanden, nog niet betreden door een menschenvoet.”

„Daar—”

„Doch om daar te komen, moeten wij ons iederen dag door millioenen en millioenen menschen heen vechten.”

„Het is onze eenige hoop. In dit dichtbevolkte land is geen toevluchtsoord voor ons. Waar zouden wij moeten wonen temidden van al deze millioenen? Zij die zoo klein zijn, kunnen zich voor elkaar verbergen, doch waar moeten wij ons verschuilen? Er is geen plaats waar wij zouden kunnen eten, geen plek om te slapen. Als we vluchtten—zouden zij dag en nacht onze schreden volgen.”

Toen viel hem iets in.

„Er is één plaats,” zei hij, „zelfs op dit eiland.”

„Waar?”

„De plaats die onze Broeders ginds gemaakt hebben. Zij hebben groote aarden wallen om hun huis opgeworpen, aan noord- en zuid-, oost- en westkant; zij hebben diepe groeven en verborgen plaatsen, en straks nog—kwam er een bij mij. Hij zei—ik luisterde niet aandachtig naar wat hij zei. Maar hij sprak van wapenen. Mogelijk—dat we daar een schuilplaats zouden vinden...”

Na lang gezwegen te hebben, zei hij: „ik heb onze Broeders in verscheidene dagen niet gezien... Liefste! ik heb gedroomd, en heb alles om me heen vergeten! De dagen zijn voorbijgegaan en ik heb niets gedaan dan uitgekeken naar het oogenblik, dat ik je weer zou zien... Ik moet met hen gaan spreken en hen van jou vertellen en van al de dingen die ons boven het hoofd hangen. Als zij ons helpen willen, kunnen zij ons helpen. Dàn zou er hoop voor ons zijn. Ik weet niet hoe sterk hun plaats is, maar zonder twijfel zal Cossar haar erg versterkt hebben. Hiervóór—vóór [251]jij mij ontmoette, herinner ik me, dat er ook al onheil broedde. Toen was er eens een verkiezing—dat is als de kleine menschen de zaken opknappen door het aantal hoofden te tellen. Maar die verkiezing moet nu al voorbij zijn. Toen werden er bedreigingen geuit tegen ons geheele ras—dat wil zeggen, tegen ons geheele ras, behalve jou. Ik moet met onze Broeders gaan spreken. Ik moet ze vertellen van al wat er tusschen ons is voorgevallen, en van alles dat ons nu bedreigt.”

De volgende maal dat zij elkaar zouden ontmoeten, moest zij eenigen tijd wachten vóór hij kwam. Zij zouden dien dag tegen twaalf uur bij elkaar komen in een gedeelte van het park dat in een bocht langs de rivier liep, en terwijl zij zuidwaarts uitkeek, haar hand boven de oogen houdend, viel het haar op dat alles heel stil was, ja, dat de stilte drukkend was. En toen bemerkte zij, dat niettegenstaande het reeds zoo laat was, haar gewoon gevolg van vrijwillige spionnen niet tegenwoordig was. Rechts en links, waar zij ook keek, was niemand te zien, en er was geen enkele boot in de zilveren bocht der Theems. Zij trachtte voor deze vreemde stilte om haar een verklaring te vinden...

En toen zag zij tot haar blijdschap, den jongen Redwood aankomen, boven een open plek uit, tusschen de boomen die haar het uitzicht belemmerden.

Een oogenblik onttrokken de boomen hem aan haar gezicht en toen zag zij hem er zich weder doorheen breken. Zij zag wel, dat er iets ongewoons had plaats gegrepen, en toen zag zij, dat hij harder liep dan anders en dat hij hinkte. Hij wenkte haar en zij liep naar hem toe. Zijn gezicht werd nu duidelijker zichtbaar, en zij zag met bezorgdheid, dat zijn gelaat bij iedere schrede pijnlijk vertrok. [252]

Zij snelde naar hem toe, met het hoofd vol vragen en onbestemden angst. Hij bereikte haar en hijgde zonder haar eerst te groeten:

„Moeten wij scheiden?”

„Neen,” antwoordde zij. „Waarom? Wat is er?”

„Maar als we niet van elkaar gaan—! Het ìs al zoover.”

„Wat is er dan?”

„Ik wil niet van je scheiden,” zei hij. „Maar—”

Hij zweeg plotseling en vroeg een oogenblik later: „dus je wilt niet van mij scheiden?”

Zij keek hem met vasten blik in de oogen. „Wat is er gebeurd?” drong zij aan.

„Ook niet voor een tijd?”

„Wat voor een tijd?”

„Voor jaren misschien.”

„Scheiden! Neen!”

„Heb je alles goed gewikt en gewogen?” hield hij aan.

„Ik wil niet scheiden.” Zij vatte zijn hand. „Al moest ik nu op dìt oogenblik sterven, zou ik je niet laten gaan.”

„Al moest je op dit oogenblik sterven,” zei hij, en zij voelde, dat zijn vingers haar hand omknelden.

Hij keek om zich heen alsof hij vreesde de kleine menschen al te zien aankomen terwijl hij nog sprak. En toen: „het is heel wel mogelijk, dat het ons het leven kost.”

„Vertel mij nu wat er gebeurd is,” zeide zij.

„Zij probeerden mijn gaan hierheen te belemmeren.”

„Hoe?”

„En toen ik uit mijn werkplaats kwam, waar ik het Godenvoedsel voor de Cossars maak, om in voorraad te houden in hun kamp, zag ik een klein inspecteurtje van politie—een man in het blauw gekleed, [253]met schoone witte handschoenen aan—die mij wenkte stil te staan. „Deze weg is voor u afgesloten!” zei hij. Dit was geen bezwaar voor mij; ik liep om mijn werkplaats heen naar een anderen weg die westwaarts loopt, en daar stond er weer een. „Hier kunt u niet door!” zei hij en voegde erbij: „alle wegen zijn voor u afgesloten!”

„En toen?”

„Ik redeneerde wat met hem. „Dit zijn publieke wegen!” zei ik.

„Precies,” zei hij. „U maakt ze onbegaanbaar voor het publiek.”

„Heel goed,” zei ik, „dan zal ik de landen overgaan,” en toen sprongen er nog anderen op van achter heggen en zeiden „deze akkers zijn privaat eigendom.”

„Loop naar den duivel met je publiek en je privaat eigendom,” zei ik, „ik ga naar mijn Prinses,” en ik bukte me en nam er een heel voorzichtig op—hij schopte en schreeuwde erg—en zette hem uit den weg. In een oogwenk leken de velden om mij te leven van hardloopende mannen. Ik zag er een te paard naast mij voort hollen, die iets voorlas onder het rijden—of liever, hij schreeuwde het. Hij hield op, wendde zijn paard om, en galoppeerde weg—met gebogen hoofd. Ik begreep er niets van. En toen hoorde ik achter mij het knallen van geweren.”

„Geweren!”

„Geweren—net alsof zij op ratten schoten. De kogels floten door de lucht met een geluid alsof er iets scheurde: een stak me in het been.”

„En wat deed jij?”

„Ik liep door naar jou, en liet hen achter, schreeuwend en rennend en op me schietend.”

„En nu—” [254]

„Nu?”

„Dit is slechts een begin. Zij zijn vastbesloten ons te scheiden. Zelfs op dit oogenblik achtervolgen ze mij. Wij willen niet scheiden.”

„Neen. Maar als we niet scheiden willen—dan moet je met me mee naar de Broeders.”

„Welken kant?” zeide zij.

„Naar het oosten. Van gindschen kant zullen mijne vervolgers komen. Dus dit is de weg dien wij moeten volgen. Deze laan af. Laat mij voorgaan, zoodat als zij wachten—”

Hij deed een schrede voorwaarts, doch zij had zijn arm gevat.

„Neen,” riep zij uit. „Ik wil dicht bij je blijven, je vasthouden. Misschien dat ze, omdat ik van koninklijken bloede en dus heilig ben, dat ze niet zullen durven schieten. Als ik je vasthoud—God gave, dat we konden vluchten terwijl ik mijn armen om je heengeslagen hield! dan zouden ze misschien niet op je schieten—”

Zij hield zijn schouder vast, en vatte zijn hand terwijl zij nog sprak; zij drong zich dichter tegen hem aan. „Mogelijk dat ze dan niet op je schieten,” herhaalde zij, en met plotselinge teederheid nam hij haar in zijne armen en kuste haar op de wang. Zóó hield hij haar eenigen tijd vast.

„Zelfs al kost het ons den dood,” fluisterde zij.

Zij sloeg haar armen om zijn hals en hief haar gelaat tot het zijne.

„Liefste, kus mij nog eenmaal.”

Hij trok haar naar zich toe. Stilzwijgend kusten zij elkaar op de lippen, en hielden elkaar nog een oogenblik omklemd. En toen, terwijl zij voortdurend trachtte haar lichaam dicht bij het zijne te houden, gingen zij hand in hand op weg om te trachten het [255]veilige kamp der zonen van Cossar te bereiken, vóór de hen achtervolgende menschjes hen achterhaalden.

En terwijl zij het gedeelte van het park achter het kasteel dóorstaken, kwamen er tusschen de boomen ruiters aan galoppeeren, die tevergeefs trachtten hun reuzenpassen bij te houden. En een oogenblik later zagen zij voor zich huizen en mannen, die met geweren de huizen kwamen uitloopen. Toen zij dit zag, deed zij hem omkeeren hoewel hij wilde doorgaan en strijd leveren, en sloegen zij af naar het zuiden.

Terwijl zij vluchtten vloog een kogel rakelings over hunne hoofden.

Ornament

[256]

[Inhoud]

Hoofdstuk III.

De jonge Caddles in Londen.

[Inhoud]

I.

Geheel onbewust van den gang van zaken, niets wetend van de wetten die zich steeds nauwer samentrokken om al de Broederen, ja, zelfs niet wetend dat er een Broeder leefde op aarde, koos de jonge Caddles dezen tijd uit om uit zijn krijtgroeve te komen en de wereld te gaan zien. Door zijn somber gepeins kwam hij hièr eindelijk toe. Hij kreeg in Cheasing Eyebright geen antwoord op al zijn vragen; de nieuwe dominé was nòg minder verlicht dan de oude, en het raadsel van zijn doelloozen arbeid werd eindelijk zoo groot, dat hij het niet langer dragen kon. „Waarom moet ik hier dag in dag uit in deze groeve werken?” vroeg hij. „Waarom zou ik me binnen zekere grenzen houden, en zou ik al de wonderen van de wereld daarbuiten niet mogen zien? Wat heb ik gedaan, dat ik hiertoe veroordeeld ben?”

En op zekeren dag stond hij op, rekte zich uit, en zeide met luider stem: „Neen! ik doe ’t niet langer,” en toen verwenschte hij de groeve met kernachtige taal. En toen, daar hij niet rad van tong was, trachtte hij zijn gedachten in daden uit te drukken. Hij nam een lorrie, die half met krijt gevuld was en keilde hem met een smak tegen een anderen aan. Toen greep hij een heele rij leege lorries en gooide ze een [257]glooiing af. Hij smeet er een reusachtig krijtblok tusschen dat aan stukken vloog, en brak toen met één krachtigen schop van zijn voet ongeveer twaalf rails op. Aldus begon hij op nauwgezette wijze de groeve te vernielen.

„’k Zou nog liever, dan hier al mijn dagen in te werken,” zei hij.

De kleine geoloog dien hij, in zijn abstractie, over het hoofd gezien had, beleefde een angstige vijf minuten. Nadat dit arme wezen ternauwernood twee rotsblokken ontweken was, vluchtte hij door den westelijken uitgang, den heuvel over, met zijn knapzak dansend op zijn rug en met glanzende beentjes die in een kuitbroek gestoken waren, en liet een spoor van krijtachtige echinodermata achter zich, terwijl de jonge Caddles, voldaan over de verwoesting die hij aangericht had, met groote passen naar buiten kwam om zijn fortuin in de wereld te gaan zoeken.

„Ik zou nog liever dan in die ouwe rot-groef te werken, tot ik doodga en rot en stink!” Wat voor ’n wurm dachten ze wel, dat in mijn reuzenlichaam huisde? Krijtgraven voor god weet wat een onzinnig doel. ’k Zou je danken!..

De richting van den weg, of van de spoorlijn misschien, deed hem den kant naar Londen opgaan, en daar kwam hij opaan stappen, over de Duinen, dwars over de weiden, in den heeten namiddag, tot groote verbazing van de wereld. Het had voor hem geen beteekenis, dat er aan iederen muur en schuur verscheurde roode en witte aanplakbiljetten fladderden, waarop verschillende namen te lezen waren.

Hij wist niets van de verkiezings-revolutie die Caterham, „Jack de Reuzendooder” plotseling op het kussen gebracht had. Het wilde voor hem niets zeggen, dat op elk aanplakbord aan elk politiebureau [258]langs zijn weg, aangeplakt was wat bekend stond als Caterham’s ukase, proclameerend dat geen reus, of eenig ander persoon boven de acht voet, zich verder dan vijf mijlen buiten zijn „woonplaats” mocht begeven, zonder speciale vergunning. Het zei hem niets, dat achter hem aan constabels, die hem niet bij konden houden, en voor wien het een ware opluchting was dat ze dit niet konden, waarschuwende biljetten achter zijn verdwijnenden rug schudden. Hij wilde zien wat er in de wereld te zien was, de arme ongeloovige domme jongen, en hij was niet van plan zich te laten ophouden door lieden die nu en dan nijdig „ho” tegen hem schreeuwden. Hij liep voort door Rochester en Greenwich op een steeds compacter wordende huizenmassa toe; hij liep nu tamelijk langzaam, verbaasd om zich heen ziend, en met zijn geweldig houweel zwaaiend.

De Londenaars hadden tevoren al wel iets van hem gehoord, hoe hij een beetje idioot was, doch erg zachtzinnig, en wonderwel in toom gehouden door Lady Wondershoot’s rentmeester en den predikant; hoe hij op zijn suffe manier hoog tegen deze autoriteiten opzag en dankbaar was voor de zorg, die zij aan hem besteedden, en zoo voort. Zoodat, toen men dien middag op de plakkaten der nieuwsbladen1 las, dat ook hij het werk neergelegd had, het velen toeleek dat het een afgesproken zaak was. „Zij willen onze kracht op de proef stellen,” zeiden de passagiers in de treinen, die van hun kantoor naar huis gingen. [259]

„’t Is maar goed dat we nu Caterham hebben.”

„Dat is het antwoord op zijn proclamatie.”

De lieden in de societeiten wisten er meer van. Zij verdrongen zich allen om het telegraaflint of praatten in groepen in hunne rookzalen.

„Hij is ongewapend. Als hij wist wat daar gaande was, zou hij naar Sevenoaks gaan.”

„Caterham zal wel weten hoe hij hem klein moet krijgen.”

De winkeliers vertelden het hun klanten. De kellners in restaurants braken er een oogenblik tusschen de schotels uit om een avondblad te lezen. De huurkoetsiers lazen het dadelijk na het wedren-nieuws ingekeken te hebben... Op de plakaten van het voornaamste regeeringsavondblad stond met vette letters te lezen van „De koe bij de horens vatten”—Anderen trachtten effect te bereiken met: „Reus Redwood gaat voort met de prinses te ontmoeten.” „De Echo” volgde een geheel eigen methode: „Berichten van Opstand onder de Reuzen in het Noorden van Engeland. De Sunderland Reuzen op weg naar Schotland.” De „Westminster Gazette” liet haar gewone waarschuwende klanken hooren.

„Reuzen, Laat af,” zei de „Westminster Gazette,” en trachtte uit het geval iets te halen, dat dienstig kon zijn om de Liberale Partij weder te vereenigen—waarin ten dien tijde vreeselijke scheuring ontstaan was door zeven intens-egoïstische leiders. In de latere bladen kwam meer eenheid. „De Reus op den New Kent Road,” luidde hun aankondiging.

„Ik wou wel es weten,” zei de bleeke jongeling in de theezaak, „waarom we niets hooren van de jonge Cossars. Je zoudt anders kunnen verwachten dat zij zich meer dan een van de anderen zouden roeren...”

„Ik heb hooren zeggen, dat er wéér een van die [260]jonge reuzen op pad is,” zei de buffetjuffrouw, een glas afdrogend. „Ik heb altijd gezegd dat’t gevaarlijke kerels waren om zoo maar los te late’ loope’. ’k Heb ’t al dàdelijk gezegd.... Ze moesten d’r ’n stokje voor steke’. Ik ’oop maar, in elk geval, dat ie deze kant niet uitkomt.”

„Ik wou ’m anders wel es zien,” zei de jonge man voor het buffet snoeverig, en voegde erbij „’k heb de Prinses óók gezien.”

„Denk je dat ze ’m wat doen zulle’?” zei de buffetjuffrouw.

„Zulle’ misschien wel moete’,” zei de jonge man die voor den toonbank stond, zijn glas leegdrinkend.

En temidden van tien millioen dergelijke praatjes kwam de jonge Caddles naar Londen...

[Inhoud]

II.

Ik denk aan den jongen Caddles altijd terug zooals men hem op den Nieuwen Kentschen weg zag, met de warme stralen der ondergaande zon op zijn verbaasd gezicht. De weg was overvol van omnibussen, trams, wagens, karren, trolleys, fietsers, auto’s en een menigte-in-verbazing—straatslijpers, vrouwen, kindermeisjes, winkelende vrouwen, kinderen, vermetele melkbaarden—die alle achter zijn moeilijk-bewegende voeten aankwamen. De schuttingen waren overal slordig van de verscheurde verkiezingsbiljetten. Een gekakel van stemmen rees en daalde om hem. Ge kunt u de klanten en winkeliers zich zien verdringen in de deuren, de gezichten die aan vensters verschenen en weder verdwenen, de kleine straatjongens hardloopend en schreeuwend, de politieagenten die het allen heel stijfjes en kalmpjes opnamen, de werklieden hun karwei neerleggend op de [261]steigers en al de dooreenkrioelende mengelmoes van kleine menschjes. Zij schreeuwden hem toe, vage aanmoedigende woorden of nauw-verstaanbare beleedigingen, de stomme pakmoppen van den dag, en hij keek verbaasd op hen neer, naar zulk een menigte van levende wezens als hij zich nooit op aarde gedacht had.

Naarmate hij verder in Londen vorderde moest hij hoe langer hoe langzamer loopen, daar de kleine menschjes zich zoo om hem heen verdrongen. De menigte werd bij iedere schrede dichter en eindelijk, op den hoek waar twee drukke straten bij elkaar kwamen, stond hij stil, en de menigte vloeide als het ware om hem heen en sloot hem in.

Daar stond hij, met zijne voeten een eindje van elkaar, met zijn rug tegen een grooten hoogen kroeg die wel tweemaal zoo hoog was als hij, en in de lucht eindigde in een reclame bord. Hij staarde neer op de dwergen en verwonderde zich al meer—zonder twijfel trachtend dit alles in verband te brengen met de andere dingen van zijn leven, met de vallei tusschen de lage heuvellanden, de minnaars die hij bij avond betrapte, het zingen in de kerk, het krijt dat hij dagelijks afbikte, en met instinct, den dood en de lucht, trachtend den samenhang en beteekenis van dit alles te vinden. Hij stond daar met gefronste wenkbrauwen. Hij hief zijn enorme hand om er mede door zijn haar te varen, en kermde luid.

„Ik zie het niet”, zeide hij.

Men verstond zijn dialect niet. Een luid gekakel rees over de open ruimte—een gebabbel waartusschen de gongs der trams, die hardnekkig hun weg door de menigte bleven ploegen, uitklonken, zooals roode klaproozen tusschen het koren uitsteken. „Wat zei ie?” „Zei dat ie ’t niet begreep.” Hij zei „waar is [262]de zee?” Hij zei „waar kan ik toch gaan zitten?” „Hij wil gaan zitten.” „Kan die idioot dan niet boven op een huis of iets dergelijks gaan zitten?”

„Wat is jelui doel, jelui kleine krioelende menschjes? Wat doen jelui toch allemaal, waar zijn jelui allemaal voor?”

„Waarom zijn jelui allemaal hier, terwijl ik krijt voor jelui hak in de krijtgroeven daar ginder?”—zijn eigenaardige stem, de stem die zoo nadeelig gewerkt had op de discipline van de school te Cheasing Eyebright, deed de menigte verstommen zoolang zij klonk, en deed hen eindelijk weder in luid tumult losbreken. De een of andere droogkomieke persoon brulde: „Spreken, spreken!” „Wat zegt hij?” werd er telkens en telkens weer gevraagd, en men begon te vertellen dat Caddles dronken was. „Hé, hé, hé,” brulden de omnibus-koetsiers die zich een weg baanden. Een dronken Amerikaansch matroos liep huilend rond en vroeg: „wat moet hij eigenlijk hebben?” Een voddenkoopman, met een leêrachtig gezicht, die op een karretje met een ponnie er voor zat, overstemde de menigte door zijn luidere stem. „Ga naar ’uis, pest van een reus!” brulde hij, „Ga naar ’uis! Jij verpest groot gevaarlijk ding! Zie je dan niet dat je de paarden an ’t schrikke maakt. Ga naar je land. ’Eeft niemand je gezeid wat er in de wet staat?”—En boven al dit rumoer stond de jonge Caddles verward, vol verwachting en niets meer zeggend.

Uit een zijstraat kwam een klein rijtje deftige politieagenten, en kronkelde zich handig door het gedrang; „doorloopen, asjeblieft.”

De jonge Caddles bemerkte dat er een klein donker blauw mannetje hem op zijn scheen stond te tikken. Hij keek naar beneden en zag twee witte gesticuleerende handen. „Wat?” zei hij, zich vooroverbuigend. [263]

„Kunt hier niet blijven staan,” riep de inspecteur.

„Nee! Je kunt hier niet blijven staan,” herhaalde hij.

„Maar waar moet ik dan heen?”

„Terug naar je dorp. Je woonplaats. In ieder geval—je moet doorloopen. Je stremt het verkeer.”

„Wat voor verkeer?”

„Hier op den weg.

„Maar waar leidt die dan heen? waar komt ie vandaan? wat beteekent dit toch allemaal? ze staan allemaal om me heen. Wat willen ze toch? wat gaan ze doen? Ik wil het weten. Ik heb genoeg van krijt bikken en alleen zijn. Wat doen zij voor mij terwijl ik krijt hak? Nu ik toch hier ben, zou ik graag hebben dat ’t me nù uitgelegd werd.”

„Ja hoor is, maar wij zijn hier niet om dergelijke dingen uit te leggen. Ik moet je verzoeken door te loopen.”

„Maar weet je ’t dan niet?”

„Doorloopen, áls je blieft...... Ik zou je raden om maar te maken dat je thuis komt. We hebben nog geen speciale instructies ontvangen—maar ’t is in ieder geval tegen de wet... Uit den weg daar, uit den weg.”

Het trottoir aan zijn linkerkant werd heerlijk leeg, en de jonge Caddles begaf zich langzaam op weg. Doch nu raakte zijn tong los.

„Ik begrijp het niet,” mompelde hij. „Ik begrijp het niet.”

Hij sprak nu en dan de menigte, die steeds naast en achter hem voortging, met gebroken stem aan. „Ik wist niet dat er zulke plaatsen als deze waren. Wat doen jelui toch allemaal voor de kost? waar is dit allemaal voor? Waar is dit toch allemaal voor en wat is mijn rol hierin?”

Hij had reeds een nieuwe mop doen geboren worden. Jonge mannen, vol geestigheid en boertigen luim, [264]spraken elkander op de volgende wijzen aan: „Hello, ’Arry, O’cock, waar is dit allemaal voor? Hè? Waar dient dit allemaal voor?” waarop een concurreerende varieteit van snedige antwoorden gegeven werd, voor het meerendeel onbeleefd. Het meest populaire en best geschikte voor algemeen gebruik schijnt geweest te zijn „Hou je smoel,” of een verachtelijk eruitgegooid: „Stik!”

Maar er waren ook nog andere die bijna even populair waren.

[Inhoud]

III

Wat zocht hij toch? Hij verlangde iets dat de dwergen-wereld hem niet gaf, een doel, dat de dwergen-wereld hem belette te bereiken, dat zij hem zelfs belette duidelijk te zien, en dat hij nooit helder zou zien. Dit was het haken van het eenzame stomme monster naar gezelligheid, naar zijn ras, naar de dingen die aan hem verwant waren, naar iets dat hij zou liefhebben en iets dat hij kon dienen, naar een doel dat hij kon begrijpen, en een bevel dat hij kon gehoorzamen. En ge weet dat dit alles in hem „stom” was en met stomme woede in hem kookte, en dat hij het, zelfs al had hij een broeder-reus ontmoet, niet in woorden had kunnen uitdrukken. Het eenige wat hij van het leven kende was de eentonige kringloop van het dorpsbestaan, de eenige taal die hij kende waren de onbelangrijke praatjes van het boerderijtje, die zelfs zijn minst reusachtige behoefte onbevredigd lieten. Deze reusachtige eenvoudige jongen kende geen geld, wist niets af van handel, niets van de ingewikkelde voorwendsels waarop het maatschappelijke gebouw der kleine menschjes gebouwd was. Hij had behoefte aan...... Hij had behoefte aan...... [265]

Maar waar hij ook behoefte aan had, het werd nooit bevredigd.

Dien geheelen dag en den zomeravond die er op volgde, dwaalde hij rond, hongerig wordend, doch tot dàn toe nog onvermoeid, het verkeer, dat verschilde naar het karakter der straten, gadeslaand, de niet na te gane affairetjes van al die ontelbare wezens. Het geheel droeg een zeer verwarrend karakter voor hem......

Ik heb hooren vertellen dat hij in Kensington een dame uit haar rijtuig nam, een dame in zeer chic avond-toilet, dat hij haar nauwkeurig bekeek, haar sleep en schouderbladen en dat hij haar er toen weder—een beetje achteloos—inzette met een diepen zucht. Doch voor de waarheid hiervan kan ik niet instaan. Een uur lang stond hij te kijken naar de menschen die vochten om plaatsen in de omnibussen aan het einde van Picadilly. Men zag hem des middags een paar minuten lang als een toren op Kennington Oval2 staan, doch toen hij zag dat deze opeengepakte duizenden verdiept waren in de mysteriën van het cricket-spel en niet op hem letten, ging hij weder stenend heen.

Hij kwam weder in Picadilly Circus tusschen elf en twaalf uur des nachts en vond daar nu een geheel ander soort van menigte. Blijkbaar keken allen scherp om zich heen: vol van de dingen die zij, hij begreep niet waarom, wilden doen en van andere dingen die zij niet konden doen. Zij keken naar hem op en jouwden hem uit en gingen door. De huurkoetsiers, met hun gierenoogen, volgden elkaar in één lange rij, langs den rand van het krioelende trottoir. Er kwamen lieden uit de restaurants of traden ze binnen, [266]ernstig, vol aandacht, vol waardigheid of lichtelijk en aangenaam opgewonden of waakzaam en scherp om zich heen kijkend—gladder dan de gladste kellner die hen wilde afzetten. Terwijl de kolossus daar op zijn hoek stond, keek hij op dit alles neer. „Wat is toch het doel van dit alles?” mompelde hij zacht en klagelijk. „Wat is toch het doel van dit alles? Zij zijn allemaal zoo ernstig. Wat is er dan dat ik niet begrijp?”

En geen van die allen scheen te zien, zooals hij dit doen kon, de dronken ellende der geblankette vrouwen op den hoek, die in lompen gehulde ellende, die langs de goten voortsloop, de oneindige beuzelachtigheid van al dit gedoe. De oneindige nietigheid! Geen van die allen scheen ook maar in de verte de behoefte van dezen reus te begrijpen, de schaduw der toekomst te zien, die over hun pad viel......

Aan den overkant gloeiden hoog in de lucht de geheimzinnige letters op en verdwenen weder. Zoo hij ze had kunnen lezen, zouden ze hem een denkbeeld hebben kunnen geven van de afmetingen der menschelijke belangen, zouden zij hem hebben kunnen vertellen van de fundamenteele behoeften en van de dingen des levens, zooals de kleine menschjes dit tenminste opvatten. Eerst kwam er een gloeiende T.

Toen volgde er een U.

T U.

Toen P.

T U P.

Totdat er eindelijk in zijn geheel tegen de lucht de blijde mare te lezen stond voor allen die den last van ’s levens ernst voelden:

TUPPER’s VERSTERKENDE WIJN TOT
HERSTEL VAN KRACHTEN. [267]

Klik! en het was weder verdwenen in het duister, om op dezelfde langzame wijze gevolgd te worden door een tweede algemeene behoefte:

SCHOONHEID’s ZEEP.

Let wel, het was geen gewone zeep om schoon te maken, maar iets, wat men noemt „ideaal”; en vervolgens om den drievoet van het kleine leventje volledig te maken:

YANKER’s GELE PILLEN.

Hierna zat er niets anders op dan dat Tupper weder zou verschijnen, in gloeiende purperen letters; klik, klik, schoten ze over het duister:

T U P P............

Kort na middernacht schijnt de jonge Caddles aan de lommerrijke rust van het Regent’s Park gekomen te zijn; hij moet over het hek gestapt zijn en zich neergelegd hebben over een met gras begroeide helling dicht bij de plaats waar men ’s winters schaatst en daar sliep hij een uur lang. Tegen zes uur in den morgen zag men hem praten tegen een beslijkte vrouw, die hij slapende gevonden had in een greppel bij Hampstead Heath, en hij vroeg haar zeer ernstig waar zij voor dacht op de wereld te zijn......

[Inhoud]

IV.

Het omdwalen van Caddles door Londen liep den tweeden dag in den morgen plotseling ten einde. Want toen werd zijn honger hem de baas. Hij bleef aarzelend staan bij een kar waarin warme, lekker riekende brooden gegooid werden, en toen knielde hij [268]snel neder en begon te rooven. Hij ledigde de kar terwijl de bakkersknecht de politie ging halen en toen kwam zijn groote hand den winkel binnen en veegde den toonbank en de kisten ledig. Toen ging hij met een armvol brooden, al etend heen, uitziend naar een tweeden winkel om zijn maal voort te zetten.

Toevallig was het een tijd, waarin het werk schaars en het voedsel duur was, en in dat stadsgedeelte sympathiseerde de menigte zelfs met een reus, al nam hij ook het voedsel dat zij begeerden. Zij juichten hem toe toen hij aan het tweede gedeelte van zijn maal begon, en lachten om zijn domme gebaar tegen den politie-agent.

„Ik had honger”, zeide hij, met zijn mond vol.

„Brayvo!” riep de menigte. „Goed soo!”

Toen hij nu aan een derden bakkerswinkel beginnen wilde, werd hij tegengehouden door een half dozijn politie-agenten die zijne schenen met wapenstokken bewerkten. „Kijk es hier, reusje, jij gaat met mij mee”, zeide de hoofdagent. „Je mâg zoover niet van huis. En nou ga je met mijn mee naar huis!” Zij deden hun uiterste best hem te arresteeren. Men had toen nog geen plan hem te dooden. „Hij heeft niets met het complot te maken,” had Caterham gezegd. „Ik wil mijn handen niet met onschuldig bloed bezoedelen.” En hij voegde erbij:—„vóór we alles beproefd hebben.”

Eerst begreep Caddles niet wat deze attenties te beduiden hadden. Toèn hij het begreep, zei hij den agenten zich niet als zotten aan te stellen, en ging er van door met groote passen, en liet hen allen achter zich. De bakkerswinkels bevonden zich in Harrow Road en hij liep dwars door Londen naar St. John’s Wood en ging daar in een privaten tuin zitten om zijn tanden te stoken, en hier werd hij zeer [269]spoedig weder aangevallen door een nieuwen troep agenten.

„La’ me met rust, hoor,” gromde hij, en liep log door de tuinen—bedierf verscheidene gazons en trapte een paar schuttingen omver, terwijl de rappe politie-agentjes hem volgden, enkelen door de tuinen, anderen langs den weg aan den voorkant der huizen. Er waren er hier ook een paar met geweren, doch zij maakten er geen gebruik van. Toen hij in den Edgeware-Road uitkwam, was er een andere stemming onder de menigte, en een bereden agent reed over zijn voet. Het gevolg was dat het mannetje omver werd gekijld voor zijn dienstijver.

„La’ me met rust,” zei Caddles, zich naar de ademlooze menigte keerend. „Ik heb je niks in den weg gelegd.”

Hij was toen ongewapend, want hij had zijn krijthouweel in Regent’s Park achtergelaten. Doch de arme drommel schijnt nu gevoeld te hebben dat hij een wapen noodig had. Hij liep terug naar het Goederen-emplacement der Great Western Spoorweg-Maatschappij, rukte den paal van een groot booglicht uit den grond, die een geweldigen knots in zijn hand vormde, en schouderde hem. En toen hij bevond dat de politie hem nog maar steeds bleef nazetten en kwellen, liep hij terug, door den Edgware Road, naar Cricklewood, en ging droevig gestemd noordwaarts.

Hij zwierf tot bij Waltham en keerde zich toen weder westwaarts, en zoo weder naar Londen en langs de begraafplaatsen en over den heuvel bij Highgate. En zoo kwam hij tegen den middag weder in het gezicht der enorme stad. Hij ging aan den kant van den weg in een tuin zitten met zijn rug tegen een huis aan, dat op Londen uitzag. Hij was buiten adem en zijn gelaat stond dreigend, en nu verdrongen [270]de menschen zich niet langer om hem zooals de eerste maal, toen hij in Londen kwam, doch loerden naar hem vanuit een tuin daarnaast, en gluurden vanuit veilige schuilplaatsen. Men wist nu dat de zaak er ernstiger uitzag dan men eerst gedacht had.

„Waarom kunnen ze me niet met rust laten?” gromde de jonge Caddles. „Ik moèt eten. Waarom late’ ze me niet met rust?”

Hij zat daar met een gezicht, dat steeds donkerder werd, bijtend op zijn knokkels en op Londen neerziend. Al de vermoeidheid, de kwelling, de verwarring en de onmachtige woede die hij op zijne zwerftochten gevoeld had, bereikten nu hun toppunt. „Wat willen ze toch?” fluisterde hij. „Wat willen ze toch? En ze willen me niet met rust laten.” En telkens herhaalde hij weder bij zich zelven: „wat willen ze toch?”

„Bah, dat kleine volkje!”

Hij beet harder op zijn vingers en zijn gezicht werd nog dreigender. „Krijt voor hen bikken,” fluisterde hij. „En de heele wereld hoort an ze! Ik heb nergens deel aan—nergens.”

Plotseling zag hij met een aanval van weëe woede de hem nu reeds zoo goed bekende gestalte van een agent schrijlings op den tuinmuur zitten.

„La’ me met rust,” gromde de reus. „La’ me met rust.”

„Ik moet m’n plicht doen,” zei het agentje, met een bleek, doch vastbesloten gezicht.

„La’ me met rust, hoor! Ik moet net zoo goed leven as jij ook. Ik moet denken. Ik moet eten. La’ me met rust!”

„De wet is eenmaal niet anders,” zei het agentje, blijvend waar hij was. „Wij hebben de wet niet gemaakt.” [271]

„Ik ook niet,” zei de jonge Caddles. „Jelui kleine menschjes hebben dat allemaal gemaakt vóór ik geboren werd. Jelui met je wet! Wat ik mag doen en wat niet! Geen eten voor me of ik moet er voor werken als een slaaf, geen rust, geen onderkomen, niks, en jij zoudt me willen vertellen—”

„Daar heb ik allemaal niks mee te maken,” zei de agent. „Ik kan daar niet over praten. ’t Eenige wat ik te doen heb, is de wet te voltrekken.” En hij stak zijn tweede been over den muur en scheen van plan te zijn naar beneden te komen. Achter hem werden nog meer agenten zichtbaar.

„Denk erom—tegen jou heb ik niks,” zei de jonge Caddles, zijn reusachtige knots omknellend, met bleek gelaat, en een slappen vinger naar den agent uitstekend. „Tegen jou heb ik niks, maar dit zeg ik je, je láát me met rust.”

De agent trachtte kalm te doen, alsof er niets buitengewoons voorviel, terwijl hij de reusachtige tragedie toch voor zijne oogen had. „Geef mij de proclamatie,” zei hij tot een ander die onzichtbaar was, en een klein wit papier werd hem aangegeven.

„La’ me met rust,” zei Caddles, dreigend naar hem kijkend, en zijn spieren spanden zich.

„Dit papier wil zooveel zeggen als „ga naar ’uis,” zei de agent, vóór hij begon te lezen. „Ga naar ’uis naar je krijtgroef. En als je dat niet wil, dan zul je d’r de last van motte drage!”

Caddles gromde iets onverstaanbaars.

En toen de proclamatie hem voorgelezen was, gaf de agent een teeken. Vier mannen met geweren werden nu zichtbaar en stelden zich met voorgewende kalmte op langs den muur. Ze droegen den uniform der ratten-politie. Toen hij de geweren zag, werd de jonge Caddles plotseling woedend. Hij herinnerde zich [272]de pijnlijke steken die de geweren der Wreckstone boeren hem veroorzaakt hadden. „Wil je die op me afschieten?” zei hij, ernaar wijzend, en het leek den agent, dat hij bang was.

„Als je niet naar je groef terugwilt—”

Het volgend oogenblik had de agent zich laten terugglijden van den muur en van zestig voet boven hem kwam de electrische-booglamp-paal neerschieten met doodelijke juistheid. Pang, pang, pang, knalden de zware geweren, en krak! de versplinterde muur, de grond, en de ondergrond van den tuin vloog in het rond. Er kwam iets meevliegen dat roode droppels op de handen van een der schutters achterliet. De schutters zochten, zich bukkend, een goed heenkomen en keerden zich dapper om, om nogmaals te vuren. Doch Caddles, die reeds tweemaal door het lichaam geschoten was, had zich met een ruk omgekeerd om te zien wie hem zoo ernstig in den rug geraakt had. Pang, pang! Hij zag huizen en serres en tuinen om zich heen draaien, en menschen die zich verschrikt van de ramen terugtrokken, alles draaide en wankelde geheimzinnig en vreeselijk om hem heen. Hij deed drie wankelende schreden voorwaarts, hief zijn reusachtige knods op, liet hem toen vallen, en drukte zijn hand tegen de borst. De pijn stak hem en deed hem ineenkrimpen. Wat was dat, dat daar zoo warm en kleverig op zijn hand lekte?...

Een man die uit een slaapkamerraam gluurde, zag zijn gezicht, zag hem neerkijken, met weenende verslagenheid, toen hij het bloed op zijn hand zag en toen knikten zijne knieën onder hem en hij viel met een smak ter aarde, de eerste der reuzen-netels die in Caterham’s vastbesloten klauwen terechtkwamen, en de allerlaatste die hij gedacht had dat in zijn handen zou vallen. [273]


1 Anders dan hier te lande worden de nieuwsbladen, onmiddellijk nadat zij uitgegeven zijn, rondgevent op straat door jongens, die tevens groote reclame-biljetten bij zich hebben, waarop het meest sensationeele van den dag te lezen staat.

2 Kennington Oval: het bekende cricket-veld bij Londen.

[Inhoud]

Hoofdstuk IV.

Redwood’s Twee Dagen.

[Inhoud]

I.

Zoodra Caterham het oogenblik om den netel aan te vatten gekomen wist, nam hij de uitvoering der wet in eigen handen en zond lieden uit om Cossar en Redwood te arresteeren.

Met Redwood ging dit gemakkelijk genoeg. Hij had een operatie in de zijde ondergaan en de doktoren hadden alle verontrustende tijdingen voor hem verborgen gehouden, totdat hij aan de betere hand zou zijn. En nu was hij zoover. Hij was juist opgestaan, en zat in een verwarmd vertrek, met een berg couranten om zich heen, voor het eerst lezend van de agitatie die aan Caterham het land in handen gespeeld had, en van al de moeilijkheden die zich boven de hoofden van zijn zoon en de prinses samenpakten. Het was ’s morgens op den dag dat de jonge Caddles stierf en waarop de politieagent den jongen Redwood trachtte te weerhouden van zijn tocht naar de Prinses. De laatste bladen die Redwood had, stipten deze dingen slechts vaag aan. Hij las deze eerste afschaduwingen van tegenspoed nog eens over met een zinkend hart, en las er steeds meer de schaduw des doods uit; hij las voort om zijn geest bezig te houden tot er verder nieuws zoude komen. Toen de politiebeambten [274]den knecht de kamer in volgden, keek hij verlangend op.

„Ik dacht dat je me een avondblad bracht,” zei hij.

Toen stond hij op, en zei met een plotselinge verandering van houding: „Wat heeft dit te beteekenen?....”

Hiernà bereikte Redwood geen tijding van iets gedurende twee dagen.

Men was met een rijtuig gekomen om hem mede te nemen, doch toen het bleek dat hij ziek was, besloot men hem nog een dag of zoo te laten waar hij was, tot hij veilig kon vervoerd worden, en de politie bezette zijn huis en veranderde het in een tijdelijke gevangenis. Het was hetzelfde huis waarin de Reus Redwood geboren was, en waarin Herakleophorbia voor de eerste maal aan een menschelijk wezen gegeven was, en Redwood was nu al gedurende acht jaar weduwnaar en woonde daar alleen.

Hij was nu metaal-grijs, met een klein puntbaardje, en met nog altijd levendige bruine oogen. Hij was tenger en had een zachte stem, zooals hij altijd gehad had, doch zijne trekken hadden nu die niet te beschrijven uitdrukking welke ontstaat door het peinzen over groote dingen. Het leek den beambte die hem kwam arresteeren, toe, dat zijn voorkomen een indrukwekkend contrast vormde met de kolossaalheid zijner vergrijpen. „Deze vent,” zei de hoofdagent tot zijn ondergeschikte, „heeft zijn uiterste best gedaan om alles in de war te schoppen, en hij heeft een gezicht als een kalm landedelman; en daar heb je nou Rechter Hangbrow, die de zaken in orde houdt voor iedereen, en die heeft een kop als een varken. En dan hun manier van optreden! De één een en al vriendelijkheid en de ander niks dan grommen en brommen. ’k Wil dus alleen maar zeggen dat je niet op iemand z’n uiterlijk kunt afgaan.” [275]

Doch dezen lof van Redwood’s minzaamheid werd al heel gauw den bodem ingeslagen. De agenten vonden hem lastig in het begin, tot zij hem aan zijn verstand gebracht hadden dat het nutteloos was, vragen te doen of om couranten te vragen. Zij stelden een onderzoek in, in zijn studeerkamer, en namen zelfs de couranten mede die hij hàd. Redwood’s stem was luid en vol protest. „Maar begrijp jelui dan niet,” zei hij telkens weer, „dat het mijn zoon is, mijn eenige zoon, die in moeilijkheid zit. Om het Voedsel geef ik niets, maar mijn zoon.”

„Ik wou waarachtig dat ik u iets kon mededeelen, mijnheer,” zei de agent. „Maar onze orders zijn strict.”

„En wie heeft je die orders gegeven?” riep Redwood uit.

„Ah, ja, ziet u, meneer—” zei de agent, naar de deur gaand...

„Hij loopt z’n kamer op en neer,” zei de tweede agent, toen zijn superieur naar beneden kwam.

„Goed zoo, dan zal hij ’t er wel wat uitloopen.”

„Ik mag ’t lijjen,” zei de hoofdagent, „van diè kant heb ik ’t nog niet bekeken, zie je, maar die Reus, die met de Prinses verkeert, weet je, is zijn zóón.”

De twee keken elkaar aan en toen den derden agent.

„Ja, dan is ’t wel wat hard voor hem,” zei de derde agent.

Het bleek dat Redwood nog niet ten volle begrepen had, dat er een ijzeren gordijn gevallen was tusschen hem en de buitenwereld. Zij hoorden hem naar de deur gaan, aan den knop draaien en aan het slot rammelen, en vervolgens de stem van den agent, die op den overloop geplaatst was, en die hem beduidde dat dit alles hem niets hielp. Daarna hoorden zij hem aan de vensters, en zagen de agenten buiten opkijken. [276]„Neen, u kunt er langs dièn kant evenmin uit,” zei de tweede agent. Toen begon Redwood uit alle macht te bellen. De inspecteur ging naar boven en legde hem met veel geduld uit, dat het hem niets gaf of hij al belde, en dat als hij er nù voor niets op drukte, men er wel eens niet naar kon luisteren, als hij wèrkelijk iets noodig had. „We willen u graag in ’t redelijke geven wat we kunnen, meneer,” zei hij, „maar als u op het knopje drukt, eenvoudig om te protesteeren, dan zullen we ’em moeten uitschakelen.”

Het laatste woord dat de inspecteur hoorde was een luid: „maar u kondt me toch in ieder geval wel vertellen of mijn zoon—”

[Inhoud]

II.

Hierna bracht Redwood een groot gedeelte van zijn tijd aan de vensters door.

Doch de vensters lieten hem heel weinig zien van den gang der zaken buiten. Het was altijd al een stille straat geweest en dien dag was zij buitengewoon stil. Men zag er bijna geen enkel huurrijtuig, en dien geheelen morgen ging er bijna niets anders voorbij dan een winkeliers-karretje nu en dan. Af en toe gingen er menschen voorbij—zonder dat er iets bijzonders aan hen te zien was,—nu en dan een troepje kinderen, een kindermeisje en een vrouw die ging winkelen, en zoo voort. Ze kwamen de straat af links of rechts, met een tergenden schijn van onverschilligheid voor alles wat grooter en ruimer van zin was dan zijzelven, zij kregen het door de politie bewaakte huis met verbazing in het oog en verwijderden zich in tegenovergestelde richting, waar de groote ranken van een reuzen hydrangea over de straat hingen, en keken dan nog eens om en wezen.... Nu [277]en dan ging er een man naar een van de agenten toe om dezen iets te vragen en kreeg dan een kort antwoord...

Aan den overkant schenen de huizen uitgestorven te zijn. Eenmaal verscheen er een werkmeisje aan een slaapkamerraam en bleef een tijdlang nieuwsgierig staan kijken, en het viel Redwood in, haar teekens te geven. Een poosje bleef zij naar deze gebaren kijken alsof zij haar interesseerden en maakte op haar beurt eenige gebaren terug, toen keek ze plotseling over haar schouder en ging heen. Een oude man kwam Nummer 37 uitstrompelen, de stoep af en ging zonder op te kijken de straat af. Het eenige wat er gedurende tien minuten in de straat te zien was, was een kat... En met dergelijke onbelangrijke gebeurtenisjes rekte zich die oneindige en toch zoo gewichtige morgen.

Tegen twaalf uur begonnen de courantenjongens in de straat daar dichtbij te schreeuwen; doch ook dit verstomde. Tègen hunne gewoonte kwamen zij niet door Redwood’s straat en hij begon te vermoeden dat de politie het einde der straat had afgezet. Hij trachtte het raam op te schuiven, doch dit haalde hem onmiddellijk een agent op den hals.

De klok der naburige kerk sloeg twaalf, en na een zee van tijd—één uur.

Het was alsof ze hem wilden voor den gek houden met hem een lunch voor te zetten.

Hij at een stukje en strooide het voedsel wat rond opdat ze het maar weg zouden nemen, dronk nog al wat whiskey, nam een stoel en ging weder voor het venster zitten. De minuten rekten zich uit tot grijze oneindigheden, en een tijdlang sliep hij...

Hij werd wakker met een vagen indruk van verwijderde ontploffingen. Hij nam een trillen der vensterruiten [278]waar als bij een aardbeving; dit duurde een minuut of zoo en hield weder op. Toen, na een tijdje stilte, herhaalde het zich nogmaals... Toen hield het weder op. Hij dacht dat het eenvoudig het voorbijgaan van het een of ander zware voertuig in de hoofdstraat zou zijn. Wat zou het anders kunnen wezen?...

Na eenigen tijd begon hij het te betwijfelen of hij dit geluid wel gehoord had.

Hij hield eindelooze redeneeringen met zichzelf.

Waarom hadden ze hem eigenlijk gevangen genomen? Caterham was pas twee dagen áán—juist lang genoeg—om zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn Reuzen Netel! Toen dit refrein hem eenmaal in zijn hoofd zat, kon hij het niet weder kwijtraken. Wat kon Caterham eigenlijk doen? Hij was een godsdienstig man. Hierdoor kon hij niet zonder geldige redenen geweld gebruiken.

Zijn Netel uitrukken! Misschien dat ze de Prinses zouden gevangen nemen en haar buitenslands sturen. Dan konden moeilijkheden volgen met zijn zoon. En in dàt geval—! Maar waarom was hijzèlf gearresteerd? Waarom was het noodzakelijk hem omtrent een dergelijk iets onwetend te laten? Het leek wel alsof er—iets meer—iets gewichtigs achterzat.

Misschien dat ze àl de reuzen wilden oppakken! Allemaal tegelijk. Daar was al op gedoeld in de verkiezingstoespraken. En dan?

Zonder twijfel hadden ze Cossar ook al opgepakt.

Caterham was een godsdienstig man. Dààr hield Redwood zich aan vast. Het was of de achtergrond van zijn brein een zwart gordijn was, en op dit gordijn verscheen en verdween telkens weder een woord—een woord, geschreven in vurige letters. Hij vocht voortdurend om het woord niet te zien. Het was alsof [279]het telkens begon op het voorhangsel te komen en niet voleindigd werd.

Eindelijk zag hij het onder de oogen. „Slachting!” Daar stond het woord in zijn volle bruutheid.

Neen! Neen! Neen! Dat was onmogelijk! Caterham was een man met godsdienstige principes, een beschaafd man. En bovendien het kòn toch niet, dat het werk van al deze jaren, dat al deze hoop met één slag vernietigd werd!

Redwood sprong op, en liep de kamer op en neêr. Hij praatte in zichzelf; hij riep luide: „Neen!”

Zóó krankzinnig zou de menschheid toch zeker niet zijn—’t kòn niet! Het was onmogelijk, het was niet te gelooven, het kòn niet. Wat voor nut kon het hebben de menschen-reuzen te dooden, waar de tijd van het reusachtige in al de lager-staande dingen nu onherroepelijk aangebroken was? Zóó krankzinnig kònden ze niet zijn.

„Ik moet dit uit mijn hoofd zetten,” zei hij luid, „ik moet dit denkbeeld absoluut uit mijn hoofd zetten!”

Hij zweeg plotseling. Wat was dat?

Nu was hij er toch zeker van dat de ruiten gerateld hadden. Hij ging naar het venster om in de straat te kijken. Aan den overkant zàg hij de onmiddellijke bevestiging van wat zijne ooren gehoord hadden. Voor een slaapkamerraam, op nummer 35 stond een vrouw, met een handdoek in de hand, en aan het venster van de eetzaal van nummer 37 zag hij een man staan achter een groote vaas overvoed venus-haar, en beiden keken ongerust en nieuwsgierig naar boven. Hij zag nu maar al te duidelijk dat de agenten op straat het ook gehoord hadden. Het kwam dus niet voort uit zijne verbeelding.

Hij wendde zich om naar de duisterwordende kamer. [280]

„Kanonnen,” zei hij.

Hij bleef staan peinzen.

„Kanonnen?”

Men bracht hem sterke thee, zooals hij die gewoon was te drinken. Blijkbaar had men zijn huishoudster hierin geraadpleegd. Nadat hij zijn thee had uitgedronken was hij te rusteloos om nog langer aan het venster te zitten, en hij liep de kamer op en neer. Hij begon langzamerhand geregelder te denken.

Deze kamer was al vierentwintig jaar zijn studeerkamer geweest. Zij was gemeubeld bij zijn trouwen, en al de zwaardere meubels dateerden van dien tijd, de groote dubbele schrijftafel, de draai-stoel, de luie-stoel bij het vuur, de draaiende boekenstander, de vaste rij genummerde vakjes die de nis aan het eind van het vertrek vulden. Het kleurige Turksche tapijt, de kleeden uit den lateren tijd van Victoria’s regeering, en gordijnen die nu verschoten waren tot een mooie waardige kleurschakeering, en het roode en gele koper blonk prachtig vóór den gloed van het vuur. Electrische lampjes hadden de plaats ingenomen van de petroleum-lamp van vroeger dagen; dit was de voornaamste verandering, die het oorspronkelijke meubilair ondergaan had. Doch tusschen al deze dingen had zijn omgaan met het Voedsel allerlei sporen achtergelaten. Langs den eenen wand, boven den dado, was een drukke groepeering van foto’s en photogravures in lijsten, die zijn eigen zoon en Cossar’s zonen en andere Bomvoedsel-kinderen voorstelden op verschillende leeftijden en temidden van verschillende omgevingen. Zelfs het peinzende gezicht van den jongen Caddles kon men weervinden in deze verzameling. In den hoek stond een bosje reusachtige grashalmen uit een weide bij Cheasing-Eyebright, en op de schrijftafel lagen ledige manekoppen zoo groot als hoeden. [281]De gordijn-roeden waren grasstengels. En de reusachtige schedel van het groote varken van Oakham hing met den snuit naar beneden als een massieve ivoren schouw, met een Chineesche pul in elke oogholte, boven het vuur...

Redwood ging naar de foto’s en keek in het bijzonder naar de foto’s van zijn zoon.

Zij riepen hem tallooze herinneringen in het geheugen terug, die hij haast vergeten had, uit de dagen toen het Voedsel nog pas in de geboorte was; hij dacht aan Bensington’s bloode verschijning, aan Bensington’s nicht Jeanne, aan Cossar en aan den nachtelijken arbeid op de Proef-Hoeve. Deze dingen kwamen hem nu weder erg klein en helder en duidelijk voor den geest, als dingen die men op een zonnigen dag door een verrekijker ziet. En dan was er die reusachtige kinderkamer, de kindertijd van den reus, de eerste pogingen om te spreken, en de eerste duidelijke teekenen van affectie van het reuzen-kind.

Kanonnen?

Het drong zich aan hem op, onwederstaanbaar en overweldigend, dat daarbuiten, ver van deze vervloekte stilte en geheimzinnigheid, zijn zoon en Cossar’s zonen en al deze heerlijke eerste vruchten van een grootscher eeuw aan het vechten waren—op dàt oogenblik zelfs—aan het vechten waren om het leven! Zelfs op dat oogenblik was het mogelijk dat zijn zoon in de een of andere groote moeilijkheid zat, gewond en vermeesterd....

Hij wendde zich plotseling van de foto’s af en liep gesticuleerend het vertrek op en neer.

„Het kàn niet,” riep hij uit. „Het is onmogelijk. Het kàn zoo niet eindigen!”

„Wat was dat?”

Hij bleef als verstijfd staan. [282]

Het beven der ramen was weder begonnen, en toen was er plotseling een doffe plof gevolgd—een ontzettende ontploffing die het geheele huis deed dreunen. Dat moest erg dichtbij geweest zijn. Een oogenblik lang leek het hem alsof iets het huis boven hem geraakt had—een enorme drukking waarop een gerinkel van vallend glas volgde en toen een stilte die eindelijk eindigde in een duidelijk hoorbaar geluid van dravende voeten beneden op straat.

Deze voeten schudden hem uit zijne verstijving wakker. Hij wendde zich naar het venster en zag dat de ruiten gebarsten waren.

Zijn hart klopte hevig, als voelde hij dat nu de crisis, de eindbeslissing en de bevrijding gekomen was. En toen viel de plotselinge gedachte aan de gevangenschap, die hem machteloos maakte, weder om hem heen als een gordijn!

Buiten zag hij niets behalve dat de kleine electrische lamp aan den overkant niet brandde; hij hoorde niets na de eerste aanduiding van wilde verwarring. En hij kon niets verders gewaar worden om dit mysterie te verklaren of nog te vergrooten, behalve dat er een oogenblik later een roodachtig, heen en weer bewegende gloed in de lucht zichtbaar werd in het zuid-oosten. Dit licht werd telkens helder en verdween weder. Als het verdween twijfelde hij eraan of het eerst wel opgekomen was. Het was langzamerhand in de kamer gegleden met het schemerduister. Het werd het voornaamste feit in dien langen nacht, vol spanning. Soms leek het hem dat het beefde als flikkerende vlammen en dan weder verbeeldde hij zich dat het niets anders was dan de gewone reflectie der avond-lantarens. Het groeide aan en werd weder minder, al die uren lang, en verdween niet éér voor het vervloeide in den aanbrekenden dageraad. Beteekende [283]dit—? Wat hàd het te beduiden? Hij was er bijna zeker van dat het een brand was, dichtbij of verwijderd, doch hij kon zelfs niet zeggen of het rook was of wolken die langs de lucht zeilden. Doch tegen één uur begonnen er zoeklichten te flikkeren door dien rossigen schijn, die den geheelen nacht bleven heen en weder glijden. Dit óók kon allerlei beteekenen. Wat kòn het beduiden. Wat betéékende het? Het eenige wat hij had om zijn geest bezig te houden, waren deze vuilgevlekte rustelooze lucht en de indruk van een geweldige ontploffing. Verder deed zich geen geluid vernemen, geen verder heen en weer gedraaf, niets dan geschreeuw dat evengoed van dronken lieden op een afstand kon komen....

Hij draaide zijn lichten niet op; hij bleef voor zijn tochtige gebroken ruiten staan, en leek den agent, die telkens eens in de kamer kwam kijken en hem aanried om wat te gaan rusten, een kommervol, klein donker omlijnd mannetje toe.

Den geheelen nacht bleef Redwood voor het venster staan, keek op naar het verwarde voorbijdrijven der wolken, en niet vóór den dageraad, gaf hij aan zijne vermoeidheid toe en ging hij liggen op het veldbed dat men voor hem gespreid had tusschen zijn schrijftafel en het steeds lager vlammende vuur in den haard, onder den kop van het groote varken.

[Inhoud]

III.

Zesendertig uur lang bleef Redwood opgesloten in zijn kamer en afgesloten van het groote drama der Twee Dagen, waarop de kleine menschenkinderen, in den dageraad der grootheid, tegen de Kinderen van het Voedsel streden. En toen ging plotseling het ijzeren gordijn weder op en bevond hij zich dichtbij [284]het centrum van den strijd. Laat in den middag werd hij naar het venster getrokken door het rollen van een huurrijtuig dat buiten stilhield. Een jonge man sprong eruit en een oogenblik later stond er voor hem in de kamer, een tenger gebouwde jonge man van misschien dertig jaren, gladgeschoren, goed gekleed en welgemanierd.

„Mijnheer Redwood, mijnheer,” begon hij, „zoudt u genegen zijn bij mijnheer Caterham te komen? Hij verzoekt u zeer dringend bij hem te komen.”

„Verzoekt mij dringend!”... Er kwam plotseling een vraag in Redwood’s hoofd op, die hij niet kon uiten. Hij aarzelde. En toen vroeg hij met bevende stem: „Wat heeft hij met mijn zoon gedaan?” en wachtte ademloos op het antwoord.

„Uw zoon, mijnheer? Uw zoon maakt het goed. Ten minste dat vertrouwen wij.”

„Maakt hij het goed?”

„Hij werd gisteren gewond, mijnheer. Hebt u dat dan niet gehoord?”

Redwood wierp deze huichelarijen omver door te zeggen, met een stem waarin nu niet langer vrees, doch toorn klonk: „U weet heel goed dat ik dit niet vernomen heb. U weet heel goed dat ik niets vernomen heb.”

„Mijnheer Caterham was bang, mijnheer—Het was een tijd van opstand. Iedereen—overrompeld. Hij arresteerde u om uwe veiligheid te verzekeren, Mijnheer.”

„Hij arresteerde mij om te voorkomen, dat ik mijn zoon zou waarschuwen of hem raadgeven. Maar ga voort. Vertel mij wat er gebeurd is. Zijn uwe pogingen geslaagd? Hebt gij ze allen gedood?”

De jonge man deed een schrede in de richting van het venster en wendde zich toen om. [285]

„Neen, mijnheer,” zei hij kortaf.

„Waarvoor komt u hier?”

„Het is ons bewijs, mijnheer, dat wij dit gevecht niet begonnen zijn. Zij vonden ons—geheel onvoorbereid.

„U bedoelt?”

„Ik bedoel, mijnheer, dat de reuzen zich tot op zekere hoogte hebben—staande gehouden.”

Redwood zag nu alles in een ander licht. Een oogenblik leek het alsof eene zenuwaandoening de spieren van Redwood’s gelaat en keel deed schokken. Toen uitte hij een diep „Ah!” En zijn hart sprong in hem op van vreugde. „De reuzen hebben zich staande gehouden.”

„Er is vreeselijk gevochten—en er zijn vreeselijke verwoestingen aangericht. Alles komt voort uit een afgrijselijk misverstand... In het Noorden en in het midden van het land zijn er Reuzen gedood... Overal.”

„Wordt er nù nòg gevochten?”

„Neen, mijnheer. Er werd een wapenstilstand gevraagd.”

„Door hen?”

„Neen, mijnheer. Mijnheer Caterham zond een witte vlag en vroeg een wapenstilstand aan. Alles komt voort uit een vreeselijk misverstand. Daarom wenscht hij met u te spreken, en u zijn geval voor te leggen. Zij staan erop, dat u als bemiddelaar zult optreden—”

Redwood viel hem in de rede. „Weet u ook wat er met mijn zoon gebeurd is,” vroeg hij.

„Hij werd gewond!”

„Vertel het mij, vertel het mij!”

„Hij en de Prinses stuitten—nog vóór de beweging om het kamp der Cossar’s—de groeve der Cossar’s te Chislehurst—te omsingelen geheel uitgevoerd was, plotseling op een colonne infanterie toen zij door een [286]dicht kreupelbosch van reuzen-haver kwamen breken... De soldaten waren den heelen dag al erg zenuwachtig geweest en dit veroorzaakte een paniek.”

„Hebben ze hem doodgeschoten?”

„Neen, mijnheer. Zij vluchtten. De een of ander schoot in het wilde op hem—tegen de bevelen in.”

Redwood gaf te kennen dat hij dit niet geloofde.

„Het is zoo, mijnheer. Ik wil niet beweren dat ’t om uw zoon was, maar terwille van de prinses.”

„Juist, dàt is het.”

„De twee reuzen renden schreeuwend naar het kamp. De soldaten liepen wild door elkaar en toen vuurde er een. Men zegt, dat ze hem zagen wankelen—”

„Hu!”

„Ja, mijnheer. Maar wij weten ook dat hij niet ernstig gewond is.”

„Hoè weet u dat?”

„Hij zond bericht, mijnheer, dat hij wel was!”

„Aan mij?”

„Aan wien anders, mijnheer?”

Redwood stond bijna een minuut lang met over elkaar geslagen armen om dit alles te omvatten. En toen gaf de verontwaardiging hem zijn stem weder.

„Omdat jelui krankzinnig waren dit alles te doen, omdat jelui je misrekend en een stomme fout gemaakt hebt, zou je mij willen doen gelooven, dat jelui geen moordenaars in voorbedachten rade zijt. En bovendien—Hoe is het met de anderen?”

De jonge man keek hem vragend aan.

„De andere Reuzen?”

De jonge man wendde niet langer voor hem niet te begrijpen. Zijn stem daalde.

„Er zijn er dertien gesneuveld, mijnheer.”

„En nog anderen gewond?” [287]

„Ja, mijnheer.”

„En Caterham,” hijgde hij, „wil hebben, dat ik hem ga opzoeken!... Waar zijn de anderen?”

„Enkelen bereikten het kamp onder het gevecht, mijnheer.... Zij schijnen geweten te hebben dat—”

„Natuurlijk wisten ze dat. Als Cossar er niet geweest was—Is Cossar daar ook?”

„Jawel, mijnheer. En al de nog overgebleven reuzen bevinden zich daar—die welke het kamp niet konden bereiken onder het gevecht, zijn verdwenen, of zijn nu veilig onder de vlag der wapenstilstand.”

„Dat wil dus zooveel zeggen, als dat jelui verslagen zijt,” zei Redwood.

„Wij zijn nièt verslagen, mijnheer. Neen, mijnheer. Dàt kunt u niet zeggen. Maar uwe zonen hebben tegen de krijgsgebruiken gehandeld. Eenmaal gisterenavond en vandaag wèder. Nadat onze aanvallende colonnes zich teruggetrokken hadden. Vanmiddag begonnen zij Londen te bombardeeren—”

„Dat is volkomen gewettigd!”

„Zij vuurden bommen af, gevuld met—vergif.”

„Vergif?”

„Ja. Vergif. Het Voedsel—”

„Herakleophorbia?”

„Ja, mijnheer. Mijnheer Caterham, mijnheer—”

„U zijt verslagen! Natúúrlijk kunnen jelui dáár niet tegen op. Dat is het werk van Cossar! En wat rest jullie nu nog? Wat geeft het of je de hemel weet wat ook begint? Jelui zult het inademen met het stof van de straten. Waarom zouden jelui nog dóórvechten? Jawel, krijgsregelen! En nu wil Caterham mij zoover overduvelen dat ik hem zal helpen onderhandelen. Goeie God, man? Waarom zou ik meegaan naar jelui uitelkaar gespatte zak met wind? Hij heeft zijn kaart uitgespeeld... gemoord en de boel wanhopig in de [288]war gestuurd. Waarom zou ik nù nog meegaan?”

De jonge man stond daar in een houding van eerbiedige waakzaamheid.

„Mijnheer, het is zooals ik u zei,” viel hij Redwood in de rede; „de reuzen staan er op u te zien. Zij willen geen anderen bemiddelaar dan u. Ik vrees dat, zoo u niet naar hen toegaat, er nog meer bloed zal vloeien.”

„Aan úw kant misschien.”

„Néén, mijnheer—aan beide zijden. De wereld heeft vast besloten, dat er een einde aan moet komen.”

Redwood keek zijn studeervertrek rond. Zijn oog bleef een oogenblik rusten op de foto van zijn zoon. Hij wendde zich om en antwoordde den in spanning verkeerenden jongen man:

„Ja, ik zal meegaan.”

[Inhoud]

IV.

Zijn ontmoeting met Caterham was geheel anders dan hij verwacht had. Hij had den man slechts tweemaal in zijn leven gezien, eenmaal aan een diner, en eens in de corridors van het Parlementsgebouw, en zijn verbeeldingskracht had zich beziggehouden, niet met den màn, doch met de creatie der nieuwsbladen en karikaturen, met den Caterham uit de legende, „Jack de Reuzendooder,” „Perseus” en al die andere nonsens. Doch nu kwam de persoonlijkheid van vleesch en bloed dit alles omverwerpen. Dit was niet het gelaat uit de caricaturen en afbeeldingen, doch het gelaat van een afgewerkt man die aan slapeloosheid leed, gerimpeld en lusteloos, en met geel in het wit zijner oogen, en een beetje verzwakt om den mond. Zeker, dit waren de roodbruine oogen, het zwarte haar, het gepronunceerde arends-profiel van [289]den grooten volksman, doch hier was eveneens iets dat alle vóór-opgevatte geringschatting en rhetorica wegdreef. Deze man was lijdende; hij leed acúut; en zijne zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Van het eerste oogenblik af aan zag hij eruit als de man die zijn rol speelt. Een oogenblik later zag Redwood aan een enkel gebaar, en aan een lichte beweging, dat hij zich met artsenijen op de been hield. Hij bracht zijn duim naar zijn vestzak en na nog even doorgepraat te hebben, wierp hij alle geheimhouding terzijde en liet het tabletje tusschen zijn lippen doorglijden.

Bovendien, niettegenstaande zijne overspanning, niettegenstaande het feit dat hij ongelijk had, en een dozijn jaren jonger dan Redwood, voelde Redwood toch in hem die vreemde hoedanigheid, dat onverklaarbaar iets—men zou het bij gebrek aan een beteren naam „persoonlijk magnetisme” kunnen noemen—nog aanwezig hetwelk hem deze noodlottige hoogte had doen bereiken. En ook hièrop had Redwood niet gerekend. Van het eerste oogenblik af aan, overheerschte Caterham Redwood voor zoover het den loop en de leiding van hun gesprek betrof. De aard van het eerste gedeelte van hun samenspreking, de toon en de leiding er van gingen van hem uit. En dat gebeurde alsof het zoo vanzelf sprak. Al Redwood’s verwachtingen gingen in rook op toen hij voor hem stond. Zij hadden elkaar de hand gedrukt vóór Redwood zich nog goed bewust was, dat hij deze familiariteit had willen afwijzen; hij gaf van het begin den toon van het gesprek aan, zeker en duidelijk, alsof zij samen naar middelen zochten om een gemeenschappeltjke ramp te bezweren.

Als hij al eens een fout beging, was het wanneer zijne vermoeidheid zijne aandacht een oogenblik de [290]baas werd, en de gewoonte in het publiek te spreken hem meêsleepte. Dan richtte hij zich op—gedurende hun geheele conferentie stónden de beide mannen—en staarde hij langs Redwood heen, en begon zich te verweren en zich te rechtvaardigen. Eenmaal zei hij zelfs: „Mijne heeren!” Rustig uiteenzettend, begon hij te praten...

Op sommige oogenblikken vergat Redwood zelfs, dat hij tegenover dezen man stond als ondervrager, en werd hij niets dan de toehoorder van een monoloog. Hij werd de begunstigde toeschouwer van een buitengewoon verschijnsel. Hij voelde bijna iets van een specifiek verschil tusschen zich zelf en dit wezen welks mooie stem als het ware om hem heenvloeide, al maar doorpratend. Deze geest, die zich hier voor hem uitte, was zoo machtig en toch tegelijk zoo klein. De naar zijn doel stuwende energie, het persoonlijke gewicht, het onverbeterlijke over het hoofd zien van zekere dingen, deden in Redwood’s geest een belachelijk en vreemd beeld geboren worden. Inplaats van als een tegenstander, die een medemensch was, een man dien men moreel verantwoordelijk kon stellen, en tot wien men redelijke verzoeken kon richten, zag hij Caterham als iets, ja, als een monsterachtigen rhinoceros, als het ware een beschaafden rhinoceros, voortgekomen uit de wildernis van het democratische leven, een monster welks aanval en verdediging onwederstaanbaar en onoverwinbaar waren. In al de tegen elkaar indruischende woordenwisselingen van die netelige zaak was hij de eerste. En verder? Deze man was een wezen, bij uitnemendheid geschikt om zich een weg te banen door menigten van menschen. Voor hem bestond er geen grover fout dan zelftegenspraak, geen wetenschap zóó belangrijk als het verzoenen van met elkaar strijdige „belangen.” Economische [291]werkelijkheid, topografische behoeften, de nauwelijks aangeraakte mijnen van wetenschappelijke hulpmiddelen bestonden voor hem evenmin, als spoorwegen of geweren of land- en volkenkunde bestaan voor den rhinoceros waarop hij in Redwood’s verbeelding geleek. Wat alléén voor hem bestond waren vergaderingen en kiesvereenigingen en stemmen—ja bovenal, stèmmen. Hij was de geïncarneerde stem—millioènen stemmen.

En nu, in deze geweldige crisis met de Reuzen, die wel geleden hadden, doch niet verslagen waren, praatte dit stem-monster.

Het was zoo duidelijk dat hij zelfs nù nog alles te leeren had. Hij wist niet dat er physieke en economische wetten waren, grootheden en reacties die de geheele menschheid, al stemt ze ook „nemine contradicente” niet kan weg-stemmen, en waaraan men alleen ten koste van algeheele vernietiging kan ongehoorzaam worden. Hij wist niet, dat er moreele wetten zijn, die niet verbogen kunnen worden door welk oogbedrog ook, of die slechts gebogen worden om met wrekende hevigheid terug te springen. Het werd Redwood duidelijk, dat deze man als hij voor schroot of den Dag des Oordeels gesteld werd, zich zou verschuilen achter de een of andere op eigenaardige manier verdraaide „stemming van het Lagerhuis.”

Wat zijn geest zelfs op dit oogenblik het meest bezig hield, waren niet de machten die de sterkte ginds in het zuiden bezet hielden, niet nederlaag of dood, doch den indruk dien dit alles op zijne „Meerderheid” zou maken, (de eenige, groote werkelijkheid in zijn leven.) Hij moest de Reuzen verslaan of zelf van het politiek tooneel verdwijnen. Hij was nog geenszins geheel wanhopig. In dit uur van algeheel falen, met [292]bloed en ramp op zijn geweten, en de rijke belofte van nog meer vreeselijke rampen; terwijl de reusachtige krachten der wereld zich hoog boven hem verhieven en over hem heen vielen, was hij nog in staat te gelooven dat als hij zijn stem maar uitzette, en uitlegde en nog eens weder uitlegde, hij zijn macht weder zou kunnen herstellen. Zonder twijfel zat hij in de klem, en was hij moe en lijdend, maar als hij zich er maar bovenop kon houden, als hij maar kon blijven sprèken—

Terwijl hij praatte leek het Redwood toe alsof hij naar voren trad en zich weder terugtrok, alsof hij zich uitzette en inkromp. Redwood’s aandeel in wat er gezegd werd, was van zeer ondergeschikt belang, en niet anders als het ware dan wiggen, plotseling tusschen zijn phrases geschoven.

„Onzin mijnheer.” „Neen.” „Dàt voorstel geeft natuurlijk niets.” „Waarom begon u er dan mee?”

Het is twijfelachtig of Caterham hem wel hoorde. Caterham’s rede omvloeide dergelijke onderbrekingen als een snelle stroom een rots. Daar stond deze wonderbare man, op zijn officieele haardkleed, pratend, al maar pratend met enorme kracht en vaardigheid, pratend alsof een oogenblik rust in zijn rede, in zijne uitleggingen, in zijn voorstelling van een standpunt, van overwegingen en middelen, den een of anderen vijandigen invloed gelegenheid zou geven zich te doen gelden—zich in wóórden uit te drukken,—het eenige wat hij begrijpen kon. Daar stond hij temidden der lichtelijk verwelkte pracht van dat officieele vertrek waarin de eene man na den ander was ondergegaan door het geloof dat een zekere handigheid in het bemiddelen de beste manier was om een keizerrijk te regeeren...

Hoe meer deze man praatte, hoe sterker Redwood [293]doordrongen werd van de verbazende oppervlakkigheid van dezen woordenvloed. Besefte deze man wel dat, terwijl hij daar stond te praten, de geheele groote wereld voortleefde; dat het niet te keeren getij van groei al maar voortstroomde, dat er nog andere uren bestonden dan die welke men in het Parlement doorbracht met praten, en dat de hand der Wrekers van het vergoten Bloed gewapend was? Buiten tikte één enkel reuzenblad van een Virginische meelbloem, dat het geheele vertrek verduisterde, tegen de ruiten, zonder dat iemand er op lette.

Redwood verlangde naar het slot van deze wondere alleenspraak, om te kunnen gaan naar een plaats waar hij weder gezonde rede en oordeel zou hooren, naar het belegerde kamp, naar de sterke vesting der toekomst, waar de Zonen nu bij elkaar waren, in al de glorie hunner grootheid. Om daarheen te kunnen gaan had hij al dit gepraat geduldig aangehoord. Hij kreeg het eigenaardige gevoel, dat zoo deze alleenspraak niet spoedig eindigde, hij er door zou meê gesleept worden, dat hij moest kampen tegen den indruk dien Caterham’s stem op hem maakte, zooals men kampt tegen de werking van een slaapmiddel. De feiten waren veranderd, en vervormden zich nog steeds onder die betoovering.

Wat zei die man toch?

Daar Redwood het den Kinderen van het Voedsel moest overbrengen, begreep hij dat het tot op zekere hoogte van belang was ernaar te luisteren.

Hij zou beter moeten luisteren en zijn neiging om zich te laten afleiden door de dingen om hem heen, zoo veel mogelijk moeten beheerschen.

Hij hoorde veel praten over „bloedschuld.” Dat was alleen maar terwille van de welsprekendheid. Dus dat kwam er minder op aan. En dan? [294]

Hij stelde een verdrag voor!

Hij stelde voor, dat de nog overgebleven Kinderen van het Voedsel zouden capituleeren en ergens afzonderlijk zouden gaan wonen en een eigen maatschappij vormen. De geschiedenis kon op meer dergelijke maatregelen wijzen. „Wij zouden hun grondgebied kunnen aanwijzen—”

„Waar?” viel Redwood hem in de rede, zich verwaardigend om te praten.

Caterham greep naar de vraag als een concessie. Hij wendde zijn gelaat naar Redwood, en zijn stem werd overredend. Dat zou men later kunnen bepalen. Hij moest opmerken, dat dit een punt van ondergeschikt belang was. Toen ging hij voort met vaststellen: „En behalve over hetgeen zij zelf behoeven op de plaats waar zij zijn, moeten wij de absolute beschikking hebben over het Voedsel, en al de Vruchten van het Voedsel moeten verdelgd worden—”

Redwood bemerkte dat hij zelf ook aan het onderhandelen raakte: „En de Prinses?”

„Die staat erbuiten.”

„Neen,” zei Redwood, kampend om weder tot het oude standpunt terug te keeren. „Dat is belachelijk!”

„Daar spreken we later nog wel over. In elk geval zijn wij het er over eens, dat het fabriceeren van het Voedsel moet ophouden—”

„Ik heb niets toegegeven. Ik heb niets gezegd—”

„Maar het gaat toch niet aan, op één planeet twéé menschensoorten te hebben, een groot en een klein! Denk eens aan wat er gebeurd is! Bedenk dat het nog slechts een voorproefje is van wat er gebeuren zal als dit Voedsel ongestoord zijn gang gaat! Denk eens aan al wat u al over deze aarde gebracht hebt! Als er een ras van Reuzen moet zijn, dat steeds aangroeit en zich vermenigvuldigt—” [295]

„Ik kan daar niet over gaan redeneeren,” zei Redwood. „Ik moet naar onze kinderen. Ik wil naar mijn zoon. Daarom ben ik naar u toe gekomen. Zeg me kort en goed wat uwe voorwaarden zijn.”

Caterham hield weder een redevoering over zijne voorwaarden.

Den Kinderen van het Voedsel zou een groot eigen grondgebied afgestaan worden—misschien in Noord-Amerika of in Afrika—waarop zij hun leven konden leven zooals zij dit zelven wenschten.

„Maar dat is onzin,” zei Redwood. „Op dit oogenblik zijn er overal al Reuzen. Over geheel Europa—overal!”

„Wij zouden een internationaal verdrag kunnen sluiten. Het is niet onmogelijk. Iets dergelijks is al besproken... Doch op dit terrein kunnen zij hun leven leven zooals zij dit zelven wenschen. Zij mogen doen wat zij willen; zij mogen maken wat zij willen. Wij zullen het apprecieeren, als zij allerlei dingen voor ons willen maken. Zij kunnen er zeer gelukkig zijn. Bedenk dit eens!”

„Mits er niet meerdere Kinderen komen?”

„Juist. De Kinderen zijn voor ons. En op deze wijze, mijnheer, zullen wij de wereld redden, wij zullen haar geheel vrijwaren voor de vruchten uwer vreeselijke ontdekking. Het is nog niet te laat voor ons. Doch tevens willen wij gaarne deze practische noodzakelijkheid verzachten met wat toe te geven. Op dit oogenblik reeds zijn wij bezig de plaatsen waar hunne granaten gisteren insloegen, uit te branden en dicht te maken. We zullen het overwinnen. Geloof me, we zullen het onderdrukken. Doch op die wijze, zonder wreedheid, zonder onrechtvaardigheid—”

„En als de Kinderen hier eens niet in kunnen treden?” [296]

Voor de eerste maal keek Caterham Redwood recht in de oogen.

„Zij moèten!”

„Ik geloof niet dat zij het doen zullen.”

„Waarom zouden zij niet toestemmen?” vroeg Caterham, met warm-geschakeerde verbazing.

„En als ze het eens niet doen?”

„Wat rest ons dan nog behalve strijd? Wij mògen het zóó niet voort laten gaan. Wij mógen niet, mijnheer. Hebben jullie, mannen der wetenschap dan geen verbeeldingskracht? Hebt ge geen mededoogen? Wij kunnen onze aarde niet laten vertrappen door een steeds aangroeiende kudde van zulke monsters en door monsterachtigen plantengroei zooals uw Voedsel veroorzaakt heeft. Wij kùnnen niet, en ik herhaal nog eens, wij mógen het niet! Ik vraag u, mijnheer, wat rest ons dan nog dan oorlog? En bedenk wel—wat nu gebeurd is was nog pas een begin! Dit was een schermutseling. Niets anders dan een gevecht met politie. Gelooft u me, niets anders dan een gevecht met de politie. Laat u niet misleiden door perspectief, door de grootheid van deze nieuwere dingen en wezens. Achter ons staat de natie—staat de menschheid. Achter de duizenden die gevallen zijn, staan millioenen. Zoo ik niet teruggedeinsd was voor nog meer bloedvergieten, mijnheer, zouden zich achter onze eerste aanvallen, nieuwe aanvallen vormen, zelfs op dit oogenblik. Of wij dit Voedsel al of niet kunnen uitroeien, zonder eenigen twijfel kunnen wij uwe zonen dooden! U bouwt te veel op de dingen die gisteren gebeurd zijn, op de gebeurtenissen van een twintig jaren, op één slag. U hebt geen begrip van den langzamen gang der Geschiedenis. Ik stel u dit verdrag voor terwille van de menschenlevens, nièt omdat het het onvermijdelijk einde kan afwenden. [297]Zoo u denkt dat uw armelijke paar dozijn Reuzen de geheele kracht van ons volk en van al de met ons verbonden natiën die ons ter hulp zullen snellen, kunnen weerstaan; als u denkt dat u de Menschheid kunt veranderen in één slag, in één enkele generatie, en den aard der natuur en de lichaamsbouw van den Mensch—” Hij stak een arm uit. „Ga naar hen toe, Mijnheer! Nù dadelijk! En zie hoe zij, om al het kwaad dat zij aangericht hebben, neerhurken tusschen hunne gewonden—”

Hij zweeg, alsof hij toevallig een blik op Redwood’s zoon geslagen had.

Een tijdlang zwegen de beide mannen.

„Ga naar hen toe,” zei hij.

„Ja, dat is juist wat ik wil.

„Ga dan nù...”

Hij wendde zich af, drukte op het knopje van een schel; en buiten klonk, als antwoord, onmiddellijk een geluid van deuren die zich openden en voeten die kwamen aansnellen.

Het gesprek was geëindigd. De comedie was afgespeeld. En plotseling scheen Caterham in te krimpen, te verschrompelen tot een man, met een geel gezicht, uitgeput, van middelbare lengte en van middelbaren leeftijd. Hij deed een schrede voorwaarts, alsof hij uit de lijst van een schilderij trad, en met een voorwenden van die vriendelijkheid die loert achter al den openlijken strijd van ons ras, stak hij Redwood de hand toe.

En alsof dit zoo van zelf sprak, drukte Redwood hem ten tweeden male de hand.

Ornament (kruis)

[298]

[Inhoud]

Hoofdstuk V.

De Reuzen-Legerplaats.

[Inhoud]

I.

Eenigen tijd later zat Redwood in een trein die zuidwaarts over den Theems ging. Hij zag in het voorbijgaan even de rivier, die schitterde onder de lichten, en de rook die nog opsteeg van de plaats op den noordelijken oever waar de granaat neergekomen was, en waar een groote menigte mannen aan het werk gezet was om de Herakleophorbia uit den grond te branden.

De zuidelijke oever was duister, en om den een of anderen reden waren de straten zelfs niet verlicht, en het eenige wat duidelijk zichtbaar was, waren de omtrekken der hooge alarm-torens en de duistere massa’s van bovenverdiepingen en scholen, en na een minuut lang naar buiten gegluurd te hebben ging hij met den rug naar het raampje zitten en verzonk in gepeins. Er was niets meer te doen of te zien vóór hij de zonen zag...

Hij was moe van de spanning der laatste twee dagen. Het leek hem toe dat zijne emoties nu uitgeput moesten zijn, doch hij had zich versterkt met sterke koffie voor hij op weg ging en nu dacht hij weder helder. Hij dacht na over velerlei dingen. Hij ging nog eens na,—doch nu in het licht van de gebeurtenissen die voorgevallen waren—, de wijze [299]waarop het Voedsel het eerst in de wereld was gekomen en hoe het zich ontwikkeld had.

„Bensington meende, dat het een uitstekend Voedsel voor kleine kinderen zou zijn,” fluisterde hij bij zich zelven, flauwtjes glimlachend. En toen kwam in zijn brein weder op, alsof hij nog onbeslist was, de pijnigende twijfel nadat hij het Voedsel aan zijn eigen kind gegeven had. En hierna, met een stagen, niet aarzelenden gang, niettegenstaande elke poging der menschen om het te bevorderen of het tegen te houden, had het Voedsel zich verspreid over de geheele menschenwereld. En nu?

„Al dooden zij hen allen,” fluisterde Redwood, „dan is de zaak tòch geschied.”

Het geheim van het maken ervan, was nu heinde en ver bekend. Dit was zìjn werk geweest. Planten, dieren, een menigte ontzettend-sterk groeiende kinderen zouden onwederstaanbaar samenspannen om de wereld te dwingen toch weder tot het Voedsel terug te keeren, wat er ook uit den huidigen strijd mocht voortvloeien. „De zaak is niet meer te veranderen,” zei hij, terwijl zijn geest, niettegenstaande alle pogingen om het te verhinderen, toch weder begon na te denken over het tegenwoordige lot der Kinderen en dat van zijn zoon. Zou hij hen uitgeput vinden van de vermoeienissen van den strijd, gewond, omkomend van honger, op het punt verslagen te worden, of zou hij hen nog krachtig en vol hoop vinden, gereed voor den nog meer verwoeden strijd van morgen?... Zijn zoon was gewond! Doch hij had een boodschap gezonden!

Hij begon weder te denken over zijn interview met Caterham.

Hij werd uit zijne overpeinzingen opgeschrikt door het stoppen van den trein aan het station te Chislehurst. [300]Hij herkende de plaats aan den reusachtigen ratten-alarmtoren die op den top van den heuvel te Camden stond, en de rij bloeiende reuzen-klavers die langs den weg groeiden.

Caterhams privaat-secretaris kwam naar hem toe uit het andere rijtuig en zei hem, dat de lijn een half uur verder opgebroken was, en dat het overige der reis afgelegd zou moeten worden in een auto. Redwood stapte uit, op het perron, dat slechts verlicht werd door een handlantaarn en waarover de nachtwind koel aanwoei. De stilte van deze verlaten, met hout begroeide, en door onkruid overdekte buitenwijk—want al de bewoners hadden den vorigen dag de wijk genomen naar Londen, zoodra de strijd een aanvang nam—was indrukwekkend. Zijn geleider voerde hem den trap af naar de plaats waar een automobiel stond te wachten met helle lantaarns aan—de eenige lichten die te zien waren—beval den chauffeur goed zorg voor hem te dragen en zei hem vaarwel.

„Zult u uw best voor ons doen?” zei hij, zijns meesters wijze van optreden zoo getrouw mogelijk nabootsend, terwijl hij Redwood’s hand gevat hield.

Zoodra Redwood goed in het bont gestopt was, reden zij het nachtelijk duister in. Een oogenblik stond de auto stil en toen vloog hij zacht en snel het stationsplein af. Zij draaiden een hoek om en daarna nog een, volgden de kronkelingen van een met villa’s afgezette laan en toen lag de weg voor hen. Het gesnor van den auto klonk al luider en luider, tot hij zijn grootste snelheid bereikt had en de donkere nacht vloog hen voorbij. De geheele omgeving lag zeer duister onder het licht der sterren uitgespreid en het gansche drukke leven lag daar, geheimzinnig stil, volkomen geluidloos. Er voer geen zuchtje door de boomen en struiken waar zij langs vlogen; de verlaten, [301]bleek-witte villa’s aan weerszijden, met hunne donkere vensters waarachter geen licht brandde, deden hem denken aan het geruischlooze voorbijtrekken van een processie skeletten. De chauffeur naast hem was een zwijgzaam man, of misschien dat hij zich niet tot spreken geneigd voelde door de omstandigheden van den tocht. Hij antwoordde op de korte vragen van Redwood met monosyllaben en tamelijk barsch. Langs de zuiderlucht schoten geruischloos zoeklichten; de eenige vreemde teekenen van leven in die geheele verlaten wereld, die zich overal om de voortsnellende machine uitstrekte.

Een oogenblik later stonden er overal langs den kant van den weg reusachtige sleedoorn-twijgen die het erg donker maakten, en dan stonden er nog hoog gras en pijpkruid, reusachtige doove netels, zoo hoog als boomen, wier duistere silhouetten boven hunne hoofden voorbijschoten. Toen zij Keston voorbij waren, kwamen zij aan een heuvelhelling en reed de chauffeur langzamer. Toen hij den top bereikt had, stopte hij. De machine dreunde en zweeg. „Daar,” zei hij, en zijn groote gehandschoende hand schoof al wijzend, als een zwarte vormlooze massa voor Redwood’s oogen.

Hij meende in de verte de groote schans, gekroond door den gloed waaruit de zoeklichten schoten, tegen de lucht te zien afsteken. Deze stralen kwamen en gingen tusschen de wolken en het heuvelland om hen heen alsof zij geheimzinnige tooverformules trokken.

„Verder weet ik niet,” zei de chauffeur eindelijk en het was duidelijk dat hij bang was verder te gaan.

Daar schoot een zoeklicht uit de lucht naar hen neer, bleef plotseling, als met schrik, staan, bekeek hen nauwkeurig, een verblindende blik die nog eerder verscherpt dan verzacht werd door den stengel van het een of ander reuzen-onkruid, dat zich tusschen [302]hen en dit licht plaatste. Zij zaten daar met hunne handschoenen voor de oogen, trachtende er onderdoor te kijken, tegen het licht in.

„Rij door,” zei Redwood na eenigen tijd.

De chauffeur aarzelde nog steeds; hij trachtte zijn aarzeling onder woorden te brengen, doch het eenige wat hij zeggen kon was: „verder weet ik niet.”

Eindelijk waagde hij het verder te gaan. „Nou, vooruit dan maar,” zei hij, en bracht weder leven in zijn machine, zorgvuldig gevolgd door dat groote helle oog.

Het leek Redwood geruimen tijd toe dat zij niet langer op aarde waren, doch in een toestand van zenuwachtigen haast door een lichtende wolk schoten. Tuf, tuf, tuf, tuf, ging de machine en telkens—gehoorzamend, ik weet niet aan welke zenuwachtige aandrift—liet de chauffeur zijn hoorn toeteren.

Zij schoten de welkome duisternis eener met hooge schuttingen afgezette laan in, een vallei binnen, en zoo voorbij eenige huizen weder in dat verblindende licht. Toen liep de weg een tijdlang over een onbegroeiden heuvel, en zij schenen dreunend in de oneindige ruimte te hangen. Toen vertoonde zich weder reuzen-onkruid om hen heen en schoot langs hen. En toen stond er plotseling vlak voor hen de gestalte van een reus, helder blinkend waar liet zoeklicht van onderen op hem viel en donker afstekend tegen de lucht daarboven. „Hallo daar!” riep hij. „Stop! verder gaat de weg niet... Is dat Vader Redwood?”

Redwood stond op en schreeuwde flauwtjes ten antwoord, en toen stond Cossar plotseling naast hem op den weg, zijne beide handen stevig drukkend en hem uit den auto trekkend.

„Hoe is ’t met mijn zoon?” vroeg Redwood.

„O, goed,” zei Cossar. „Hèm hebben ze niet erg geraakt.” [303]

„En jouw eìgen jongens?”

„Goed in orde, allemaal. Maar ’t is een warm dagje geweest gisteren.”

De reus zei iets tot den chauffeur. Redwood ging op zij toen de auto omdraaide en toen verdween Cossar plotseling, alles verdween, en hij stond een tijd lang in absolute duisternis. Het zoeklicht volgde den auto weder terwijl deze terugreed naar den top van den heuvel van Keston. Hij zag het kleine rijtuig zich verwijderen temidden van dien witten stralenkrans. En het eigenaardige van de zaak was dat het net was alsof het voertuig zelf stilstond en de stralenkrans zich voortbewoog. Een groep, door den krijg gehavende, reuzen-elzen werd plotseling zichtbaar met hunne grillige verkoolde takken, en werd weder verzwolgen door de duisternis... Redwood wendde zich weder naar de duidelijk-zichtbare gestalte van Cossar en drukte hem de hand: „Ze hebben me opgesloten en van alles totaal onwetend gehouden, twee volle dagen lang,” zei hij.

„Wij vuurden het Voedsel op hen af,” zei Cossar. „Ligt voor de hand! Dertig schoten. Hè!”

„Ik kom van Caterham.”

„Dat weet ik.” Hij lachte en er klonk iets bitters in dien lach. „Ik vertrouw dat hij bezig is ’t op te vegen, he?”

[Inhoud]

II.

„Waar is mijn zoon?” zei Redwood.

„O, daar is alles mee in orde, hoor. De Reuzen wachten op je boodschap.”

„Jawel, maar mijn jongen—”

Hij ging met Cossar een lange, hellende tunnel af die een oogenblik rood verlicht en toen weder duister [304]werd, en uitkwam op de groote veilige groeve die de reuzen gemaakt hadden.

Redwood’s eerste indruk was die van een enorme arena, die omzet was met heel hooge rotsen, en welker vloer bestrooid was met allerlei dingen. Het eenige licht dat dit alles deed zien was het schijnsel der zoeklichten die voortdurend hoog over de groeve heenschoten, en een gloed die nu eens aanlaaide dan weder verflauwde, vanuit een hoek, waar twee reuzen samen werkten temidden van metaal-geklank. Toen deze gloed weder oplaaide zag hij tegen de lucht de bekende omlijningen der oude werkloodsen en speelgebouwen die daar gemaakt waren voor de jongens van Cossar. Zij hingen nu, als het ware, aan den rand van een rots, en waren eigenaardig vervormd en gehavend door het bombardement van Caterham’s geschut. Hij zag daar boven iets dat op stellingen voor reusachtig geschut geleek, en dichter bij lagen groote pyramiden kolossale cylinders opgestapeld die misschien ammunitie voorstelden. Over de geheele ruime uitgestrektheid beneden lagen groote machinerieën en massa’s, waarvan hij het gebruik niet kon gissen, in wanorde door elkaar. De reuzen verschenen en verdwenen weder tusschen deze massa’s en in het onzekere licht; allen groote gestalten doch niet buiten verhouding met de dingen waartusschen zij zich bewogen. Enkelen waren druk bezig, anderen zaten en lagen alsof zij den slaap zochten, en een, die zich vlak bij Redwood bevond en wiens lichaam verbonden was, lag op een ruw leger van dennetakken en sliep vast.

Redwood keek verbaasd naar deze nauwelijks te onderscheiden gedaanten; zijn oogen dwaalden van den eenen bewegenden omtrek naar den anderen.

„Waar is mijn jongen, Cossar?” [305]

En toen zag hij hem.

Zijn zoon zat in de schaduw van een grooten stalen muur. Hij was niet anders dan een groote zwarte gedaante, slechts te herkennen aan zijn houding—zijn gelaat was onzichtbaar. Hij zat met de kin in de hand, alsof hij moê of in gedachten verdiept was. Naast hem ontdekte Redwood de gestalte der Prinses, of liever, hij meende uit de donkere gestalte die naast zijn zoon stond, te kunnen opmaken dat zij het was, en toen, toen de gloed van het ijzer, een eind verder, weder oplichtte, zag hij een oogenblik haar rood-verlichte zachte gezicht. Zij keek op haren minnaar neer, terwijl haar hand tegen het staal van den muur rustte. Het scheen dat zij tot hem fluisterde.

Redwood wilde naar hen toe gaan.

„Straks,” zei Cossar. „Eerst je boodschap.”

„Ja,” zei Redwood, „maar—”

Hij hield plotseling op. Zijn zoon keek nu op en zei wat tot de Prinses, doch te zacht om het te verstaan. De jonge Redwood hief zijn gezicht op en zij boog zich tot hem over, en wendde haar gelaat af voor zij begon te spreken.

„Maar als wij nu eens verslagen worden,” hoorde hij de stem van zijn zoon fluisteren.

Zij zweeg even, en de roode gloed liet haar oogen zien die glansden van ongestorte tranen. Zij boog zich nog meer naar hem over en sprak nog zachter. Er was iets zóó intiems en innigs in hun houding, in hun fluisteren, dat Redwood—Redwood die twee dagen lang aan niets anders dan zijn zoon gedacht had—zich hier te veel voelde. Hij bleef plotseling staan. Voor het eerst in zijn leven misschien besefte hij, hoeveel méér een vader zijn zoon kan liefhebben dan een zoon ooit zijn vader; hij besefte ten volle de heerschappij der toekomst over het verleden. Tusschen [306]deze twee was geen plaats voor hem. Hij had zijn rol gespeeld. Hij wendde zich tot Cossar, terwijl dit besef hem nog vasthield. Hunne oogen ontmoetten elkaar. Zijn stem klonk nu heel anders met een toon van kleurlooze vastbeslotenheid erin.

„Ik wil mijn boodschap nù afleveren,” zei hij. „Daarna—....Dan kan ’t altijd nog wel.”

De groeve was zoo enorm en lag zoo bezaaid met allerlei, dat de weg naar de plaats vanwaar Redwood de Reuzen kon toespreken, lang en kronkelig was,

Hij en Cossar volgden een steil afgaanden weg die onder een boog van inelkaar sluitende machinerieën doorliep, en kwamen zoo in een groote diepe verschansing die dwars over den bodem der groeve liep. Deze verschansing, breed en ledig, en toch betrekkelijk smal, droeg er, met al het verdere om hem heen, toe bij om Redwood’s gevoel van eigen kleinheid nog te verhoogen. Het begon hem als het ware een uitgegraven keel toe te lijken. Hoog boven zijn hoofd, van hem gescheiden door duistere rotsen, flikkerden en schenen hel de zoeklichten en de blinkende gedaanten gingen af en aan. Reuzen-stemmen riepen elkander daar boven toe, riepen de Reuzen ten Krijgsraad, om de voorwaarden te hooren die Caterham gesteld had. De verschansing helde steeds verder naar donkere ruimten, naar schaduwen en mysteriën en niet te begrijpen dingen, waarin Redwood langzaam afdaalde met aarzelende schreden en Cossar met vastberaden tred als van een, die dit alles reeds kende...

Redwood’s gedachten gingen over allerlei dingen.

De beide mannen waren nu in de diepste duisternis gekomen, en Cossar vatte zijn metgezel bij den pols. Zij waren nu wel gedwongen langzaam voort te gaan.

Redwood voelde zich gedrongen te spreken.

„Dit alles is heel vreemd om te zien,” zei hij. [307]

„Groot,” zei Cossar.

„Vreemd. En het is vréémd dat het mij vreemd toeschijnt—mij, die, tot op zekere hoogte, de schepper van dit alles ben. Het is—”

Hij zweeg, trachtende zijn bedoeling duidelijk te maken, en maakte een gebaar naar de klip boven, dat de ander door de duisternis niet kon zien.

„Ik heb er nooit zoo aan gedacht. Ik heb het druk gehad en de jaren zijn omgevlogen. Maar hier zie ik—Het is een nieuw geslacht, Cossar, met nieuwe aandoeningen en nieuwe behoeften. Dit alles, Cossar—”

Cossar zag nu zijn onduidelijk gebaar naar de dingen om hen heen.

„Dit alles is de Jeugd.”

Cossar gaf geen antwoord, en zijn onregelmatige schreden gingen voort.

„Maar ònze jeugd is het niet, Cossar. Zij hebben alles overgenomen. Zij vangen nu aan met eigen aandoeningen, eigen ondervinding en eigen levenswijze. Wij hebben een nieuwe wereld gemaakt, die de onze niet meer is. Zij is mij zelfs niet—sympathiek. Deze groote ruimte—”

„Die heb ik ontworpen,” zei Cossar, met strak gezicht.

„Maar nù?”

„Ah, ik heb haar aan mijn jongens gegeven.”

Redwood kon den lossen zwaai van den arm dien hij niet zien kon, voelen.

„Juist, zoo is het. Wij hebben onzen tijd uitgediend—of tenminste bijnà.”

„Je boodschap!”

„Ja. En dan—”

„Is ’t gedaan met ons.”

„Nu—? Natuurlijk staan wij buiten dit alles, wij [308]twee oudjes,” zei Cossar, met den welbekenden klank van plotselingen toorn in zijn stem. „Natuurlijk. Ligt voor de hand. Een ieder op zijn tijd. En nu—is het hùn tijd om te beginnen. Natuurlijk. Wij doen wat we doen moeten en dan gaan we heen. Snap je? Daar is de dood voor. Wij verwerken ons kleine verstand en onze kleine emoties en dan beginnen die na ons komen opnieuw. Met frisschen moed! Heel eenvoudig, niet waar? En wat is daar niet goed in?”

Hij zweeg even om Redwood naar een trap te leiden.

„Ja,” zei Redwood, „maar ik voel toch—”

Hij voltooide den zin niet.

„Daar is de Dood voor.” Hij hoorde ’t Cossar beneden zich nogmaals met overtuiging zeggen: „Hoe zou ’t ànders met de wereld moeten gaan? Dààr is de Dood voor.”

[Inhoud]

III.

Na veel gedaal en geklim kwamen zij uit op een vooruitstekenden rand, vanwaar het mogelijk was het grootste gedeelte van de groeve der Reuzen te overzien, en vanwaar Redwood zich verstaanbaar kon maken voor de geheele vergadering. De Reuzen waren reeds verzameld, beneden hem en op verschillende hoogten, om de boodschap te hooren die hij zou brengen. Cossar’s oudste zoon stond op den wal daarboven, gadeslaand wat de zoeklichten openbaarden, want zij vreesden dat de wapenstilstand verraderlijk zou verbroken worden. Zij die het groote instrument in den hoek bedienden, stonden daar hel verlicht door hun eigen licht; zij waren bijna geheel naakt; zij wendden hunne gezichten naar Redwood, doch keken telkens weder naar de gietvormen die zij niet konden verlaten. Hij zag degenen, die dichtbij stonden onduidelijk [309]in het weifelende licht en zij die verder af stonden, nòg onduidelijker. Zij verschenen plotseling uit, en verdwenen weder in de diepten der duisternis, want deze Reuzen brandden niet méér licht dan absoluut noodig was in de groeve, opdat hunne oogen dadelijk elke aanvallende strijdmacht, die hen van uit de duisternis mocht bespringen, zouden kunnen zien.

Telkens als er toevallig een lichtstraal op hen viel, werd er de een of andere groep van lange reuzen-gestalten zichtbaar, de Reuzen van Sunderland gekleed in metalen platen die over elkaar heenvielen, en de anderen gekleed in leder, in gedraaid touw of in gevlochten metaal, al naar de omstandigheden hen hadden doen kiezen. Zij zaten tusschen, of lieten de handen rusten op, of stonden rechtop tusschen machinerieën en wapenen even machtig als zijzelven, en in hun aller oogen, als ze zichtbaar werden, lag vastberadenheid.

Hij probeerde te beginnen, doch kwam zoover niet. Toen, in een plotseling oplaaien van het vuur, zag hij het gelaat van zijn zoon naar hem geheven, vol liefde en toch sterk; en toen vond hij zijn stem weder om hem toe te spreken, en was het hem of hij dwars over een afgrond tot zijn zoon sprak.

„Ik kom van Caterham,” zei hij. „Hij heeft mij tot u gezonden, om u de voorwaarden die hij u aanbiedt, mede te deelen.”

Hij zweeg even. „Ik weet, dat zij onmogelijk zijn aan te nemen, nu ik u hier allen verzameld zie; het zijn onmogelijke voorwaarden, doch ik breng ze u over, omdat ik u allen wenschte te zien—en ook mijn zoon. Ik wilde mijn zoon—nog eens zien...”

„Zeg hun de voorwaarden,” zei Cossar.

„Dit is wat Caterham aanbiedt: Hij wil, dat jullie van hier gaat en zijn grondgebied verlaat!” [310]

„Waarheen?”

„Dat weet hij nog niet. Hij zei zoo iets van „een groot terrein ergens in de wereld reserveeren.... En gij moogt geen Voedsel meer maken, geen kinderen krijgen, ge moogt leven zooals ge wilt tot ge sterft, en dan is alles meteen uit.”

Hij zweeg.

„Meer niet?”

„Meer niet.”

Er volgde een diepe stilte. De duisternis die de Reuzen omhulde leek hem peinzend aan te staren. Hij voelde dat iemand zijn elboog aanraakte, en Cossar schoof hem een stoel toe—een typisch stukje poppenspeelgoed temidden van deze op elkaar gestapelde reuzen-dingen. Hij ging zitten en sloeg de beenen over elkaar, legde vervolgens het eene been dwars over de knie van het andere, en hield zenuwachtig zijn laars vast, en voelde zich erg klein en alleen, en scherp zichtbaar en belachelijk misplaatst temidden van dit alles. Toen klonk er plotseling een stem en vergat hij zichzelven weder.

„Ge hebt het gehoord, Broeders,” zei deze stem vanuit het duister.

En een tweede antwoordde: „Wij hebben het gehoord.”

„En het antwoord, Broeders?”

„Aan Caterham?”

„Is „Neen!”

„En dan?”

Er volgde een stilte van eenige seconden.

Toen zei een stem: „Deze menschen hebben gelijk. Dat wil zeggen, van hùn standpunt en naar het verstand dat zij gekregen hebben. Zij hadden gelijk alles te dooden wat grooter was dan zijzelven—dier en plant, en alle groote dingen die opschoten. Zij hadden [311]gelijk, toen zij ons trachtten om te brengen. En ook nù hebben zij gelijk als zij zeggen, dat wij niet mogen huwen met anderen die even groot zijn als wij. Zij beseffen—en het wordt tijd, dat wij dit ook inzien—dat reuzen en dwergen niet tezamen in één samenleving passen. Caterham heeft dat telkens en telkens weder herhaald—heel duidelijk—òf aan hun of aan òns de wereld.”

„Maar wij zijn geen vijftig man sterk,” zei een ander, „en zij tallooze millioenen.”

„Dat is mogelijk. Maar het is zooals ik gezegd heb.”

Toen volgde er weder een lange stilte.

„En moeten wij dan sterven?”

„God beware ons daarvoor!”

„Zij dan?”

„Neen.”

„Maar dàt zegt Caterham! Hij wil hebben, dat wij ons leven uitleven, éen voor éen sterven, totdat er slechts één over is, en die eene zal eindelijk ook sterven, en zij zullen alle reuzen-planten en onkruid omhakken, de lager-staande reuzen-dierenwereld uitroeien, alle sporen van het Voedsel uitbranden—ook aan ons en aan het Voedsel een einde maken voor altijd. Dan eerst zal de dwergen-wereld weer veilig zijn. Zij zullen voortgaan—voor altijd veilig,—hun kleine leventjes te leven, dwergen-vriendelijkheidjes bewijzend, en dwergen-wreedheidjes begaand tegenover elkaar; ze zouden het misschien zelfs wel tot een dwergen-heilstaat kunnen brengen, een eind maken aan allen krijg, een eind maken aan overbevolking, en zich neerzetten in een de geheele wereld omvattende stad om aan dwerg-kunst te doen, elkaar vereerend tot de wereld begint te bevriezen....”

In den hoek viel een ijzeren plaat met donderend geraas op den grond. [312]

„Broeders, wij weten wat wij willen.”

Bij een plotseling flikkeren der zoeklichten, zag Redwood ernstige jeugdige gezichten zich naar zijn zoon wenden.

„Het is nu gemakkelijk het Voedsel te maken. Wij zouden gemakkelijk Voedsel voor de geheele wereld kumnen fabriceeren.”

„Je bedoelt, Broeder Redwood,” zei een stem uit de duisternis, „dat de kleine menschjes het Voedsel moeten eten.”

„Wat valt er anders te doen?”

„Maar wij zijn geen vijftig man sterk en zij vele millioenen.”

„Maar wij hebben ons staande gehouden.’’

„Tot nu toe, ja.”

„Als God het wil, kunnen wij dit nògmaals.”

„Ja, maar denk eens aan de dooden!”

Toen vervolgde een andere stem: „De dooden. Denk aan de nog niet geborenen....”

„Broeders,” zei de stem van den jongen Redwood, „wat rest ons nog, dan hen te bevechten, en àls wij hen verslaan, hen te dwingen om van het Voedsel te eten? Zij moèten het nu wel nemen. Veronderstel, dat wij ons erfdeel zouden afstaan en dezen nonsens die Caterham ons aanbiedt, aannemen! Gesteld dat wij dit kònden! Gesteld dat wij al dit groote opgeven dat in ons leeft, en al wat onze vaders voor ons gedaan hebben,—dat gìj vader—voor ons gedaan hebt—en als onze tijd daar is, in het niet verzinken en rotten! Wat dan? Zal deze kleine wereld dan zijn zooals zij tevoren was? Zij mogen kampen tegen grootheid in ons die menschenkinderen zijn, maar zullen zij overwinnen? Zelfs al doodden zij ons een voor een, wat zou dit dan nog? Zou dit hen redden? Neen! Want er is Grootheid opgestaan, niet alleen in ons, [313]niet alleen in het Voedsel, maar in het willen van alle dingen. Het uit zich in den aard van alles; het is een deel geworden van tijd en ruimte. Te groeien, al maar te groeien, dit is het doel—dit is de Levenswet. Welke andere wet kan daarnaast nog bestaan?”

„Om anderen te helpen?”

„Te groeien. Anderen te helpen is óók groei. Tenzij wij hen helpen te falen....”

„Zij zullen hun uiterste best doen om ons te verslaan,” zei een stem.

En weer een andere: „Wat zou dat?”

„Zij zullen vechten,” zei de jonge Redwood. „Als wij deze voorwaarden niet aannemen, twijfel ik er niet aan of zij zullen vechten. Ik hoop werkelijk, dat zij er open en rond mee voor den dag zullen komen en ons bevechten. Als zij ons bij slot van rekening vrede aanbieden, zal hun dit des te beter in staat stellen ons onverhoeds aan te vallen. Begaat geen fout, Broeders; op de een of andere wijze bestrijden zij ons tòch. De strijd is begonnen en wij moeten strijden tot het einde. Als wij niet wijs zijn, zullen wij nog bevinden, dat wij slechts geleefd hebben om hun beter wapenen tegen onze kinderen en ons geslacht in handen te geven. Tot nu toe hebben wij slechts den dageraad van den strijd gezien. Ons geheele leven zal één strijd zijn. Eenigen van ons zullen gedood worden in den strijd, anderen zullen belaagd worden. Er zal geen gemakkelijke overwinning volgen—geen overwinning, die niet half een nederlaag voor ons is. Weest daar zeker van. Doch waarom zou ons dit afschrikken? Als wij ons slechts staande houden, zoo wij slechts achterlaten een groeiende menigte, om den strijd voort te zetten als wij heengegaan zijn!”

„En morgen?” [314]

„Zullen wij het Voedsel overal verspreiden; wij zullen de wereld verzadigen van het Voedsel.”

„En als zij eens nieuwe en meer aannemelijke voorwaarden mochten stellen?”

Onze voorwaarden zijn het Voedsel. Nooit kunnen klein en groot naast elkander leven in een duurzamen vrede. Of het één, of het ànder. Met welk recht zouden onze ouders zeggen: „Mijn kind zal geen ander licht hebben dan ik gehad heb, zal niet grooter worden dan ik geworden ben.” Zijt gij het met mij eens, Broeders.”

Een goedkeurend gemompel antwoordde hem.

„En voor de kinderen die vrouwen zullen worden, zoowel als voor de kinderen die mannen zullen worden,” zeide een stem uit het duister.

„Méér nog—die moeders zullen worden van een nieuw geslacht...”

„Doch voor het volgend geslacht moet er nog groot en klein zijn,” zei Redwood met de oogen op het gelaat van zijn zoon gevestigd.

„Nog vele geslachten lang. En het kleine zal het groote steeds in den weg staan en het groote zal het kleine onderdrukken. Dit mòèt zoo zijn, vader.

„Er zal strijd heerschen.

„Strijd zonder einde. Eindeloos misverstand. Het geheele leven is zoo. Groot en klein kunnen elkaar niet begrijpen. Doch in elk kind dat uit menschen geboren wordt, Vader Redwood, schuilt een zaadje grootheid—dat op het Voedsel wacht.”

„Dan zal ik naar Caterham moeten gaan en hem zeggen, dat—”

„Gij blijft bij ons, Vader Redwood. Bij het aanbreken van den dageraad gaat ons antwoord naar Caterham.”

„Hij zegt, dat hij jullie zal bevechten tot....” [315]

„Zoo zij het,” zei de jonge Redwood, en zijne broederen mompelden goedkeurend.

Het ijzer wacht,” mompelde een stem, en de twee reuzen die in den hoek aan het werk waren, begonnen rythmisch te hameren, wat bij dit tooneel klonk als een begeleiding van een machtige muziek. Het metaal gloeide heller dan het tevoren had gedaan, en liet Redwood het kamp duidelijker zien dan hij het tot nu toe had kunnen waarnemen.

Om hem heen stonden de jonge reuzen, torenhoog en schoon, glanzend in hun maliën, temidden der toebereidselen voor den dag van morgen. Zijn hart sprong op van vreugde toen hij hen zoo zag. Hun kracht kwam zoo gemakkelijk! Zij waren zoo groot en gracelijk! Hunne bewegingen waren zoo vast! En daar stond zijn zoon tusschen hen, met de eerste van alle reuzen-vrouwen, de Prinses naast zich....

In zijn hoofd kwam plotseling een allervreemdst contrast op, het terugdenken aan Bensington, heel levendig en klein—Bensington met zijn hand in het zachte borstdons van dat eerste groote kuiken, staande in zijn conventioneel gemeubileerde kamer, en weifelend over zijn bril heenkijkend naar Nicht Jane, die de deur dichtsmeet...

Het was alles gebeurd in een gisteren van een en twintig jaren.

Toen werd hij plotseling bevangen door een vreemden twijfel: dat deze plaats en al de grootheid die hij om zich zag, slechts een droomweefsel was; dat hij zelf droomde en straks zou ontwaken, en zich weder in zijn studeerkamer bevinden, de Reuzen vermoord, het Voedsel geheel vernietigd en hij zelf gevangen en opgesloten.

Als je daar op neer kwam; wat was het leven dan [316]anders dan een voortdurende gevangenschap! Dit was het hoogtepunt en het einde van zijn droom. Hij zou ontwaken temidden van bloedvergieten en strijd, en zijn Voedsel het dwaaste aller hersenschimmen bevinden, en zijn hoop op en geloof aan een beter wereld zouden evenmin verwezenlijkt worden als het kleurige vliesje op een poel vol rottende stoffen. Onverwinbare kleinheid!...

En zoo hevig en diep was deze neerslachtigheid, deze vrees voor ontnuchtering, dat hij opsprong; Hij stond daar en drukte de gebalde vuisten tegen zijne oogen en bleef zoo een oogenblik staan, bang, als hij ze opende, te zien, dat de droom reeds in het niet vergaan was.....

De stemmen der reuzenkinderen spraken tot elkaar, als een zachteren klank door de galmende melodie der smeden. Zijn twijfel verminderde. Hij hoorde de reuzenstemmen; hij hoorde hunne bewegingen nog om zich heen. Het was werkelijk, ongetwijfeld was het werkelijkheid—even werkelijk als spijtige daden! Inderdaad méér werkelijk, want mogelijk zijn deze groote dingen, de dingen die komen zullen; en de kleinheid, bestialiteit, en de zwakheid der menschen zijn dingen die voorbijgaan. Hij opende de oogen.

„Klaar!” riep een der twee smeden, en zij wierpen hunne hamers neer.

Er klonk een stem hoog boven Redwood. De zoon van Cossar, die op de groote aarden wal stond, had zich omgewend en sprak hun nu allen toe.

„Het is niet ons opzet om het kleine volk de wereld uit te dringen,” zei hij, „opdat wij die slechts één stap verder zijn van hun kleinheid, de wereld voor altijd zouden kunnen bezitten. Het is de trap waarlangs wij moeten opklimmen, waarvoor wij strijden, [317]en niet voor onszelven.... Hier zijn wij, Broeders, en met welk doel? Om getrouw te zijn aan het leven en het Doel waarvoor wij geboren zijn. Wij strijden niet voor onszelven—want wij zijn slechts de handen en oogen van het Leven der wereld. Dit hebt gij, Vader Redwood, ons geleerd. Uit ons, zoowel als uit het kleine volk, spreekt de Geest. En van ons moet hij, door woord, geboorte en daad overgaan—op nòg gróótere levens. Deze aarde is geen rustplaats, deze aarde is geen speelplaats; als dit zoo was, ja, dan zouden wij onze keel het mes van het kleine volkje kunnen voorhouden, daar wij dan niet méér recht om te leven zouden hebben dan zij. En dan zouden zij op hun beurt moeten onderdoen voor mieren en ongedierte. Wij strijden niet voor onszelven, doch voor den Groei—groei die steeds dóórgaat. Morgen, hetzij wij blijven leven of sterven, zal de Groei door ons overwinnen. Dat is de wet van den Geest voor altijd. Te groeien zooals God het wil! Deze spleten en holen, schaduwen en duisternis te ontgroeien, naar grootheid en licht! Grooter,” zei hij, het woord langzaam en met nadruk uitsprekend,—„steeds grooter. Al maar te groeien—. Groeien tot wij eindelijk groot genoeg zijn om bij God te leven. Groeien... tot de aarde niet meer is dan een voetbank onzer voeten... Tot de geest de vrees geheel zal verdreven hebben en zich over alles zal hebben verspreid”... Hij zwaaide zijn arm hemelwaarts:—„Daar!”

Zijn stem zweeg. De witte gloed van een der zoeklichten straalde neer, en viel een oogenblik op hem, en hij stond daar, reusachtig, met één hand ten hemel geheven.

Eén oogenblik straalde hij, en keek onbevreesd in de met sterren bezaaide hemeldiepten; gekleed in maliën, jong en sterk, vastberaden en kalm. Toen [318]gleed het licht heen en was hij nog slechts een groote donkere omtrek, die tegen den sterrenhemel afstak,— een groote zwarte omtrek, die met een machtig gebaar het firmament en al die sterrenscharen bedreigde.

Einde

[319]

[Inhoud]

Inhoud.

Boek I.

De ontdekking van het voedsel.

Boek II.

Het voedsel in het dorp.

Boek III.

De oogst van het voedsel.

[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

 

Oorspronkelijke achterkant.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Documentgeschiedenis

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
33 inplaats in plaats
46 ,
48 Durgan Durgon
62 slaan staan
65, 164, 218, 231, 249, 263 [Niet in bron]
76, 85, 238 [Niet in bron]
77 hiérheen híerheen
77 . ,
78 , [Verwijderd]
78 geweldadigs gewelddadigs
82 , .
84 V IV
88 VI V
89 een één
92
97 VII VI
100 VIII VII
104 resolutie resolute
138 controle contrôle
162 èen één
193 t’ ’t
195 erwel er wel
196 sints sinds
201 verouderde veranderde
202 de en dezen
204, 297 [Niet in bron] .
204 Bom-voedsel Bomvoedsel
206 ontuitroeibare onuitroeibare
248 zij zei
264 concureerende concurreerende
264 [Niet in bron] ,
297 natien natiën