The Project Gutenberg eBook of Eene schitterende "carrière"

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Eene schitterende "carrière"

Author: Jan ten Brink

Release date: September 22, 2010 [eBook #33981]
Most recently updated: January 7, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE SCHITTERENDE "CARRIÈRE" ***

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

De voetnoot is naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

EENE SCHITTERENDE „CARRIÈRE”.


EENE
SCHITTERENDE „CARRIÈRE”

DOOR

Dr. JAN TEN BRINK.


Derde Druk.

LEIDEN BIJ A. W. SIJTHOFF.


INHOUD.


Eerste Hoofdstuk.
Bladz.
Groote plannen1
Tweede Hoofdstuk.
Het huishouden van een „bachelor16
Derde Hoofdstuk.
Drukke werkzaamheden34
Vierde Hoofdstuk.
Noodzakelijke verklaringen45
Vijfde Hoofdstuk.
Bij den Secretaris-generaal57
Zesde Hoofdstuk.
Raadgevingen van Egeria75
Zevende Hoofdstuk.
Een uitstapje naar Leiden92
Achtste Hoofdstuk.
Prettige komplotten109
Negende Hoofdstuk.
De Secretaris-generaal ad-interim130
Tiende Hoofdstuk.
Fluweelen koorden149
Elfde Hoofdstuk.
Lief en leed uit de loopbaan van een adjunct-commies163
Twaalfde Hoofdstuk.
Nemesis181
Dertiende Hoofdstuk.
Point-d'orgue203

EERSTE HOOFDSTUK.


Groote plannen.

De „oude” heer De Milde knikt.

Kee had gelijk. Het was nog vroeg genoeg. 't Zou wel niet vol zijn in de tent. Altijd zoo'n haast....

De „oude” heer De Milde stapt bedaard verder.

Zijne drie groote dochters volgen zwijgend dit voorbeeld. Zij schrijden langzaam voort door de breede lindenlaan, die eenmaal aan Constantin Huygens de stof voor een uitvoerig gedicht schonk.

Nog altijd slingeren zich de forsche takken van hooge, krachtige linden tot een groen gewelf boven de hoofden der wandelaars in de residentie—de schim van Frederik Hendrik's Raad- en Rekenmeester zou zich niet te ergeren hebben gehad over de zorgeloosheid van het nageslacht, als zij naast den heer De Milde en zijne dochters had mogen meewandelen.

De schaduw der hooge linden was voor het viertal nog te verkwikkelijker op dien brandend heeten Zondagmiddag van Augustus 1853, omdat ze, sedert ze hunne woning in het Lage Westeinde verlieten, door de zonnige straten en langs de breede pleinen drentelend, al dikwijls over de hitte geklaagd hadden.

De oude heer had het plan gemaakt voor eene wandeling naar Scheveningen, maar ter hoogte van het koninklijk paleis ontzonk hem de moed. De dames opperden geen bezwaar, en door het Heulstraatje waren ze nu binnen de weldadige schaduw van de aloude lindenlaan aangekomen.

Het sprak van zelf, dat de drie gezusters De Milde eenparig voor een bezoek aan de sociëteitstent in het Bosch stemden. Een ander plan zou in dergelijk een drietal Haagsche jongedames-hoofden bij zulk een heerlijken zomerdag moeielijk hebben kunnen opkomen. Maar daar ze nu onwillekeurig wat harder voortstapten, had haar vader op minder drift aangedrongen, en was zijne oudste dochter Kee wel zoo goed hem daarin te ondersteunen.

De wandelaars in het Voorhout namen niet veel „notitie” van de drie dames en haar geleider. Vooreerst was hun aantal niet groot, en daarbij kwam, dat de familie De Milde zich door geen enkel bijzonder kenteeken onderscheidde. Een paar malen gebeurde het, dat een deftig oud heer in 't zwart zijn hoed voor hen afnam, maar overigens zag niemand naar hen om. „Papa” De Milde was juist zulk een deftig heer als de dito-dito's, die hem groetten, en die hem kenden, omdat zij hem op zijn post in een der bureelen der gemeentelijke griffie hadden ontmoet, of wel, omdat zij gewoon waren met hem aan hetzelfde tafeltje der „Witte” hunne morgenversnaperingen te verorberen.

Een zeker zonderling huiselijk gebruik wilde, dat het hoofd des gezins steeds met uitdrukkelijke vermelding van termen als: „de oude heer,” „de oude man,” of dergelijken werd aangewezen, 't welk te zonderlinger was, omdat de waardige heer Leopold de Milde wel vijf dochters, maar geen enkelen zoon bezat. Deze manier van spreken, bij vrouw en dochters in zwang, was langzaam door de vrienden overgenomen, zoodat hij meestal met het praedicaat van den „ouden” heer De Milde aan vreemdelingen of nieuwe kennissen werd voorgesteld.

In contrast met zijn naam legde het slachtoffer dezer moedwillige titulatuur eene buitengewone mate van bedrijvigheid en jeugdigen levenslust aan den dag. Hij liep, en bewoog zich met groote drukte. Hij was gewoon ieder zijner woorden door eene overbodige weelde van gebaren te ondersteunen. In gezelschap zorgde hij door luid schreeuwen en uitzetten zijner zwakke stem de aandacht te winnen. Hoewel hij deftig in het zwart gekleed ging, en nooit verzuimde een spiegelgladden cylinderhoed op te zetten, trachtte hij toch nog iets zwierigs aan zijn kostuum te verleenen door schitterend witte vesten en blinkende sjaaldassen van zwart satijn, waarop een diamanten doekspeld fonkelde, die een of andere baryton uit een café-concert hem had mogen benijden.

De heer De Milde vertoonde een rond en vriendelijk glimlachend gelaat boven de hooge witte boorden, die zijne gladgeschoren kin beschermden. Zoo dikwijls hij zijn hoed met eene schielijke buiging afnam, zag men het keurig gladgeborstelde haar, onberispelijk zwart zonder een enkelen zilveren draad, zich in eene statige kuif boven zijn voorhoofd verheffen. Misschien hadden de huisgenooten kunnen mededeelen of dit verschijnsel enkel een voorrecht der natuur, of wel een talentvol kunstwerk mocht genoemd worden. De kleine grijze oogen glimlachten altijd met den breeden mond mee, 't welk bij de gezonde roode kleur zijner wangen aan den heer De Milde iets bijzonder prettigs en jeugdigs schonk.

Daar hij eer klein dan groot van gestalte was, en zich altijd rechtop hield als een welgedrild soldaat, scheen het zeer moeielijk zijn leeftijd te bepalen. Zelfs schertsend wilde hij er zich nimmer over uitlaten, hoewel het metalen kruis in zijn knoopsgat eenige wenken kon geven omtrent zijn ouderdom. De beste getuigen aangaande zijne jaren waren evenwel zijne drie volwassen dochters, die men te huis en onder vrienden met de weinig dichterlijke namen van Kee, Jans en Willemien aansprak.

Naast den „ouden” heer onder druk gebabbel voortstappend, leverden zij bij het eerste gezicht zeer weinig opmerkelijks of in het oog vallends. Kee en Jans onderscheidden zich van de schrale Willemien door zekere gezetheid, die zelfs de ijverzucht der glunderste boerendeern had kunnen gaande maken. Alle drie knappe brunetten, zouden ze toch door niemand voor volmaakte schoonheden zijn versleten. Handen en voeten muntten niet uit door fijnheid en sierlijkheid, terwijl haar gelaat doorschijnende blankheid miste, en geene dezer drie gratiën den frisschen blos van haar beweeglijken vader had geërfd.

Kee, Jans en Willemien hadden het eerste levenslicht in Den Haag aanschouwd, maar zouden daarom nog volstrekt niet als de waarachtige vertegenwoordigers der „Haagsche” dames bij uitnemendheid mogen gelden. Noch in Assen, noch in Eindhoven, noch in Nijmegen of in welke andere stad ook uit het zuiden, noorden of oosten des lands, zou iemand van deze trits beweerd hebben, dat zij zich kenmerkte door bijzondere Haagsche eigenaardigheden. Haar toilet verried, dat de dames zich veel moeite getroostten, om zoo prachtig mogelijk voor den dag te komen, doch het bleek maar al te duidelijk, dat zij daartoe twee gegevens misten: smaak en eene welgevulde beurs.

Onze nieuwe kennissen schenen als oude Hagenaars het niet der moeite waard te keuren eens in 't rond te zien, terwijl ze onder de verkwikkende schaduw van het Lange Voorhout henengleden. En toch tooverde de Augustuszon daar de verrukkelijkste stadsgezichten, die het hart eens kunstenaars hadden kunnen doen popelen van genot. Het machtige zonnelicht schoot door de bladerrijke kruinen der linden, en wierp een fijnen regen van goudstof te midden der dichtste schaduwen. Over den breeden weg dansten en huppelden zonnevonken, zoo dikwijls een licht koeltje de bladeren aanroerde. De statige huizen en paleizen aan de noordzijde baadden zich in het volle, straffe licht, zoodat de grauwe en grijze gevels, met gulden tinten overdekt, schenen te glimlachen tegen het trillend azuur van den wolkenloozen hemel.

Iets verder onder de achtbare kastanjeboomen voor het vorstelijk woonhuis van Prins Frederik der Nederlanden werden de schaduwen breeder, maar de zonneglans buiten de boomenrij des te verblindender. Onze wandelaars zagen niet om naar het schilderachtige hertenkamp, blakend van zonneweelde, maar herademden, toen zij over de Boschbrug de eerste lanen van het oude grafelijke woud mochten bereiken. De stroom van drentelende Zondagsmenschen met hunne kostelijkste kleedij, de dichte rijen voetgangers onder de boomen en de lange reeksen van rijtuigen, ruiters en amazonen op den grooten weg namen de volle aandacht der dames De Milde in beslag. Zij gaven er niet om, of Helios het breede grasplein van de Maliebaan met golvende vlammen verschroeide; of hij ieder blaadje boven haar hoofd met een gouden biesje omzoomde; of hij hoog omhoog in de takken der boomen van de Jacoba-laan een triumflied aanhief als alverwinnend dagvorst; zij zagen naar de menschen, die op en neer dwarrelden—en, schoon zelven niet uitmuntend door eigen goeden smaak, wisten ze onophoudelijk het vernietigendst oordeel over het kostuum van anderen uit te spreken.

In de Jacoba-laan vertoonden zich de velen, die op en neer spanceerden, wijl zij den toegang misten tot het „beloofde land”—de sociëteitstent. Onderofficieren in groot tenue; dragonders, donkerblauw met wit uitgemonsterd; jonge dames met kinderwagentjes; bezoekers van het platte land in de buurt met omvangrijke regenschermen en ouderwetsche reistaschjes—alle dezen werden door de dochters van den heer De Milde zorgvuldig opgenomen en besproken. Door de warmte onwillekeurig in hare snelle vaart gestuit, duurde het vrij lang, eer zij de „tent” bereikten. Tegen verwachting was het zeer vol. Vreemdelingen en Hagenaars hadden zich aan alle zijden om de groene houten tafeltjes geschaard.

Door de spitsroede der rustig zittende familiën heen loopend, werd menige hoed afgenomen voor vader en dochters, en achter hun rug soms een glimlach gewisseld over de ronde figuurtjes van Kee en Jans en het „allerdolst” toilet. Gelukkig vonden zij aan een hoek bij het water nog een vrij tafeltje en zetten ze zich haastig neer, om uit te blazen en rond te kijken. Vroolijke, welluidende tonen van de beroemde militaire kapel hadden hun blijden intocht verwelkomd, maar, of ze niets hoorden, hadden ze doorgekeuveld zonder ophouden. Zij kwamen nu eenmaal om menschen te zien, om aanmerkingen te maken, en, daar tot het bijeenbrengen van zooveel menschen muziek onvermijdelijk scheen, namen zij de muziek op den koop toe.

De heer De Milde had met veel omslag een knecht aangeklampt, en hem zeer uitvoerig in de ooren gefluisterd, wat de dames verlangden. Weldra prijkten glaasjes madera of advocaat voor het viertal, en drukker dan ooit wisselden de mededeelingen en de glimlachjes elkander af. Boven hunne hoofden zouden ze tusschen de takken en het vergulde groen den helderblauwen hemel hebben kunnen ontdekken, soms voor korte pooze verduisterd door sneeuwwitte wolkstapels, die als dreigende gevaarten den zonnegod schenen te bestormen, maar ijlings terugweken, zoodra deze de volle laag zijner straalbundels tegen hen uitgoot. Noch voor dit alles, noch voor het treffend contrast van het schitterend verlichte Bosch met het plotseling verduisterde Bosch hadden zij oogen. Zij zagen het niet, dat de takken, die zich over hunne hoofden welfden, in wier koele schaduw ze zich verkwikten, duizenden en millioenen bladeren als festoenen samensnoerden; zij zagen niet, hoe die dofgroene bladeren onder Helios tooverstaf doorschijnend werden, hoe ze droppelden, hoe ze fonkelden van saffieren en goud....

Ze zagen de menschen aan de tafeltjes zitten en de wandelaars door de voetpaden slenteren. Hunne eenige vreugde was iets bijzonders te weten over de personen, die hen omringden.

„Was dat Hugo Brouwer niet?”—vroeg Willemien.

„Jawel, die geëngageerd is met Jetje Sandérus!”—antwoordde Jans.

„Raar, dat zoo'n jongmensch zonder zijn meisje in de tent komt!”—fluisterde Kee.

„De jongedame kan onpasselijk zijn!”—poogde de heer De Milde te verklaren.

Het was een eigenaardige trek van dezen trouwen ambtenaar der gemeente, dat hij in het gesprek allerlei stadhuiswoorden en boekachtige volzinnen bezigde.

„Mij zou zoo'n engagement niet bevallen!”—oordeelde Willemien, terwijl de donkere oogen vrijmoedig in 't rond zagen.

„Kijk, daar komen de dames Halder aan!”—riep Jans. „Wat een kleeding! Blauw satijn met kanten mantilles! Die lui hebben altijd iets vreemds! En wat een omvang! Ze vullen met z'n beien het heele wandelpad!”

„Dat komt weer in de mode!”—viel papa in.—„Wacht maar, binnen een jaar zal men nog wel wat anders zien!”

„Alweer verandering!”—zuchtte Kee, terwijl ze een bangen blik sloeg op het zwart barègekleedje, waarmee ze gehoopt had nog heel den zomer mooi te zullen zijn.

„Daar komen de Tulken aan! Kijk toch vóór je, Willemien!”

Deze vermaning der corpulente Jans deed de schrale jongste dame van het gezelschap nog scherper opzien.

Er worden groeten gewisseld tusschen de Tulken en het tafeltje der De Mildes.

Toen de familie Tulk onder de wandelaars verdwenen was, staken de dames de hoofden bijeen en fluisterden:

„Wat een bluf!”

„Als dat maar goed afloopt!”

„Je moet maar durven!”

„Drie nieuwe parasols!”

„Enfin! ze moeten het weten!”

De heer De Milde hield zich bezig met zijne sigaar en sprak niet veel. Hij schepte er behagen in zijner dochters het woord te laten. En bij de inderdaad drukkende warmte kwelde hem de behoefte om luid te spreken minder dan gewoonlijk.

Zijne dochters zetten zich meer en meer op haar gemak, terwijl ze zich den inhoud der glaasjes voortreffelijk deden smaken. Klonk de muziek wat forsch, dan spraken ze wat harder. De dikke Kee had al geruime poos naar een vrij verwijderd tafeltje met heeren en dames gegluurd. Eindelijk sprak ze:

„Nu ben ik er! Zie je daar ginder dat tafeltje met de familie Van Beek? Die twee vreemde heeren zijn de neven uit den Bosch.... Er is verleden Donderdag een heele partij geweest! Ze zijn er misschien voor overgekomen. Ik geloof, dat Arabella van Beek met een van die neven geëngageerd is!”

„Gekheid!”—riep Willemien.—„Luitenant De Haak heeft Arabelle al een poosje het hof gemaakt! Het verwondert me, dat hij er niet bij zit!”

„Daar komt hij net aan!”—merkt Jans op.

„Wat een drukte, wat een gegroet, wat een beweging!”—pruttelt Willemien.—„Die van Beeken kennen ook iedereen!”

De heer De Milde knikte vriendelijk, en fluisterde bescheiden:

„En wij zijn er ook bij! De meisjes komen ten onzent!”

„Maar, als ze eene groote partij geven, laten ze ons thuis!”—sprak Kee scherp.

„Voor veertien dagen ben je nog op een muziekpartij bij de Van Beeken geweest!—antwoordt de „oude” heer.

„Nu ja, maar verleden Donderdag lieten ze ons thuis!”

Willemien klemde de lippen op elkaar, nadat ze dit gezegd had, en scheen van plan niet weer te spreken voor den geheelen dag.

Plotseling klonk eene vroolijke, welluidende stem:

„Hoe varen de dames? Hoe vaart meneer De Milde?”

„Bonjour, André!”

„Hoe maak je 't De Witt?”

Zoo luidden de begroetingen, waarmee ons viertal een jongmensch ontving, dat den vader zijne hand reikte, en niet verzuimde de grijze, gele of donkerbruine vingeren der dochters eerbiedig aan te roeren.

Oogenblikkelijk had hij een stoel gevonden en plaats genomen tusschen Kee en Willemien—een feit, 't welk dezer laatste een purperrooden blos op de wangen joeg.

Het gezelschap nam er geene „notitie” van, daar men terstond zeer druk begon te babbelen, waarbij de nieuw aangekomen jonkman wel het minste zeide. Hij was een vriend van den huize De Milde, ieder had hem een verhaal te doen. Zwijgend luisterde hij, terwijl zijn oog zich onwillekeurig naar omhoog richtte, en steelsgewijze het in zonnegoud badende Bosch bewonderde.

Mr. André de Witt, adjunct-commies bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken, was een dier jongelieden, welke al door hun uiterlijk het twijfelachtig voorrecht bezitten van door ieder te worden opgemerkt en gekend. Hoog van gestalte, welgevormd, trok hij het meest de aandacht door zijn gelaat. Het breede voorhoofd overtrof in blankheid de bleeke kopjes der drie gezusters De Milde, maar vooral muntte hij boven dezen uit door de sprekende, fonkelende oogen, donkerbruin tot zwart worden toe; door het krullende, glanzige hair, dat de frissche kleur van zijne wangen duidelijk deed uitkomen. Mr. André de Witt maakte den indruk van een kunstenaar in het romantisch kostuum, dat van 1830 tot 1850 den artist kenmerkte. Eén ding evenwel temperde dezen indruk: de uitnemende smaak, waarmee hij dit eenigszins vreemde kostuum droeg.

Zijn grijze vilten hoed met breede randen was niet overmatig breed of in 't oog vallend; zijn luchtig jasje van zwart lustre was hoog toegeknoopt en liet nauwelijks een paar strepen der roomkleurige satijnen das onder de breede, witte boorden zien. Schoon hij dus bij de eerste kennismaking wat zonderling mocht schijnen door zijn artistiek pak, geen vreemde kon hem aanzien zonder eene vluchtige belangstelling voor zijn open oog, de frissche kleur zijner wangen en de kloekheid zijner bewegelijke en gespierde figuur. Niemand zou op de gedachte komen hem voor een ijdel pronker te houden, omdat hij grijze slobkousen met witte knoopen droeg, zoodra men den kalmen blik uit de donkere oogen ontmoette, en den fijnen trek langs den scherp geteekenden neus en den krullenden bruinen knevel gewaarwerd. Zijne houding drukte vastberadenheid en wilskracht uit met een licht tintje van overmoed. Als hij naar iemand luisterde, verried het spel zijner wenkbrauwen, van zijn oogopslag en zijner bewegelijke trekken het antwoord, dat volgen moest.

Kee had het zeer druk, en maakte zich spoedig van den boventoon meester, terwijl hij bij tusschenpoozen een enkel woord sprak.

„Je weet wel, André! dat we je van die knappe dame verteld hebben, die dame uit Rijswijk .... je herinnert het je nog wel, verleden Zondag....”

„Perfect!”

„'t Is gisteren in orde gekomen! Mama is dolblij en de oude heer ook!”

Papa De Milde knikte vriendelijk.

„'t Is eene heele uitkomst! Je begrijpt .... de drie mooiste kamers van onze eerste verdieping, en dan bediening, diner en ontbijt .... alles te zaam voor duizend gulden! Me dunkt dat schikt nogal!”

„Voor hoe lang heb je gecontracteerd?”

„Voor één jaar, met drie maanden vooraf opzeggen! 't Schijnt eene heel lieve vrouw te zijn! Mama heeft gezegd, dat ze ons altijd welkom zal wezen, als ze in den huiselijken kring wil komen. Zonder juist trotsch te zijn, had ze iets voornaams, toen zij antwoordde, dat zij door treurige familieomstandigheden vooreerst niet veel lust tot conversatie had.... Zij zal alleen dineeren op haar kamer! Zij was heel elegant in 't zwart. Ze zag er knap uit, heel knap!”

Op dat oogenblik viel Jans in:

„Ze is bepaald in den rouw over haar man!”

„Dat heeft ze niet gezegd!”—hernam Kee.

„Dat behoeft ook niet!”—merkt de „oude” heer glimlachend op.—„Men kan eene fatsoenlijke dame niet uithooren. Treurige familieomstandigheden, dat is genoeg! We zullen er later wel meer van vernemen!”

Mr. André de Witt hield den „ouden” heer scherp in 't oog en sprak

„Hoe noemt die dame zich?”

„Mevrouw De Huibert!”

André schudt het hoofd.

„Een onbekende naam! Enfin, ik hoop, dat u veel genoegen van de nieuwe huisgenoot moogt beleven!”

„Daar twijfel ik niet aan!”—riep Jans uit de onnoozele behoefte om tegen te spreken wat er gezegd werd.—„Ik ben heel blij, dat mevrouw De Huibert bij ons komt wonen!”

Er volgde een oogenblik stilte.

Daar de virtuozen eene poos schenen uit te rusten, zei de dikke Kee:

„Wat is 't hier drukkend warm onder die boomen! Ik zou wel eens willen wandelen!”

André stond snel op, en verklaarde zich bereid de dames te begeleiden. Kee en Willemien maakten van het aanbod gebruik. Jans zou den „ouden” heer gezelschap houden.

De jongelieden vingen aan langzaam de paden en lanen der sociëteitstent te volgen.

Nu maakte Willemien zich van het gesprek meester.

„Kee heeft je de helft maar gezegd, André! Het verhuren van de kamers en al wat daarbij komt, gaat ons alleen aan, en mama ook natuurlijk. De oude heer heeft het te druk met zijne betrekking, hij kan zich zoo met alles niet bemoeien. Daarenboven, hij is te royaal, de goeie man, hij zou alles veel te goedkoop doen. Mevrouw De Huibert is voor een veertien dagen onze kamers komen zien. Ze had een jonge dame bij zich, die niet in den rouw was, en die ze later aan mama als hare zuster presenteerde. Ik houd het voor uitgemaakt, dat ze om haar man in den rouw is. Ze heeft alles heel nauwkeurig bekeken, alles nagesnuffeld, en de voorwaarden heel uitvoerig afgesproken. Gisteren kwam ze met haar zuster terug. Er moest nog een massa veranderd worden. Vooral in de slaapkamer. De spiegel deugde niet. Er moest nog een tafeltje bij—enfin, eindelijk was ze tevreden. Toen ze heenging, verzocht ze mama drie maanden huur vooruit te mogen betalen. Mama heeft het aangenomen, maar de oude heer vond het later verkeerd. Zoo staat de zaak.”

Willemien had zeer snel en fluisterend gesproken, en daarom haar bleek neusje zoo dicht mogelijk bij André's schouder gebracht.

Deze glimlachte vroolijk. Hij zag nu geen bezwaar meer in de zaak. Hij was zeer nieuwsgierig naar het mooie weeuwtje, en beloofde spoedig eens te komen kijken.

„Ja, maar voor dien tijd moeten we je nog wat anders zeggen!”—viel de oudste zuster in.—„André, je zoudt ons meisjes een groot plezier kunnen doen!”

„Kom aan! Dat treft goed! Al wat je maar wilt!”

„Ja, maar je moogt er met niemand over spreken!”

„Een geheim! Nog beter!”

„Het geheim is niet groot, maar we willen het toch liever onder ons houden! Toekomende jaar in October vieren papa en mama zilveren bruiloft. De oude lui zullen er wel niet veel werk van maken, maar we willen ze eens verrassen. Ons plan is een klein huiselijk feest te geven. We vragen onze beste vrienden, de naaste familie—een groote twintig menschen. Je begrijpt, dat er wat bijzonders moet wezen! Wij kunnen zelven moeilijk iets aardigs organiseeren, maar wien zouden we het beter kunnen vragen, dan aan onzen geestigen vriend André de Witt?”

Kee had met groote deftigheid gesproken.

De jonkman had dit alles met even groote statigheid, schoon soms schielijk glimlachend, aangehoord.

Was hij getroffen door de naïeve vleierij, of kwamen herinneringen hem vriendelijke beelden van een pas vervlogen verleden te binnenbrengen?

André woonde sinds een jaar in de residentie. Daar hij tot nog toe maar zeer weinig Haagsche familiën had leeren kennen, en door een toevalligen samenloop van omstandigheden op zeer vriendschappelijken voet bij de familie De Milde werd ontvangen, achtte hij zich verplicht het plan der jongedames zonder eenige aarzeling te aanvaarden. Ondanks zijn deftig ambt van adjunct-commies bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken, afdeeling: Handelszaken, had hij den grooten voorraad opgeruimdheid en vroolijken levenslust, van de academie meegebracht, nog nimmer verzaakt.

André de Witt was de zoon van een onbemiddeld predikant te Leiden, die in de verte verwant was met de familie De Milde. Daar André zich de eerste maanden van zijne vestiging in de residentie soms verveelde, omdat hij een vijand van eenzaamheid en een buitengewoon gezellig schepsel was, maakte hij gebruik van eene ontmoeting met den ouden heer op de „witte” sociëteit, en meldde hij zich eenige dagen later bij de familie De Milde aan. De dames traden in een zeer uitvoerig overleg omtrent de familiebetrekking der De Witten uit Leiden en der De Mildes, maar men kwam tot geen ander besluit, dan tot eene uiterst verwijderde betrekking in de zijtakken der beide geslachten. Om deze en nog andere zeer belangrijke redenen had de jonge De Witt zich bij het gezin van den jeugdigen „ouden” heer De Milde aangesloten.

De mededeeling van de oudste dochter des huizes aangaande de zilveren bruiloft harer ouders werd door André niet terstond beantwoord, omdat de beide jongedames hem met allerlei denkbeelden overstelpten, die op de toekomstige feestviering betrekking hadden. Ten einde vrijer te kunnen spreken, traden ze buiten de tent, en wandelden ze het Bosch in. Willemien plooide haar mond tot een vroolijken glimlach, en zag André vragend aan terwijl ze sprak:

„Je weet,”—zei ze,—„dat we heel wat ruimte hebben thuis voor zulk een partij. De achterkamer met de suite is groot genoeg om te dansen, en in de voorkamer zouden wij kunnen soupeeren....”

„Dansen moet geen hoofdzaak worden!”—viel Kee in.—„Daar zouden de zilveren bruid en bruidegom niet veel aan hebben! Neen, er moet iets aardigs, iets amusants bedacht worden! André zal wel wat weten!”

„Laat ons dan comedie spelen!”—riep Willemien.

„Als we er maar talent voor hebben!”—merkte André op.

„Talent zullen we hebben, als jij ons helpt!”

„Met het grootste plezier! Ik zal je helpen! Maar er is veel noodig voor zoo'n onderneming. Vooreerst een geschikt stuk of stukje....”

„Dat kun jij wel schrijven, André!”

„Ja, maar dat gaat zoo gemakkelijk niet! Op een zilveren bruiloft moet men altijd geest hebben voor tien, en dat zal niet gelukken!”

„Niet gelukken?”

Willemien vroeg dit met eene verontwaardiging zoo ongeveinsd, dat André plotseling hartelijk lachte.

„Neen, maak nu geen zwarigheid, André!”—vermaande Kee.—„Je kunt, als je maar wilt! Ik vind het idée van comedie spelen heel goed. We zullen je alles vertellen van papa en mama! Dat zal je te pas komen in je stuk. En dan, dat de oude heer den tiendaagschen veldtocht heeft meegemaakt .... nadat hij pas twee jaren getrouwd was .... en allerlei grappige scènes....”

„Ja, maar, André! je moet voor ons altemaal eene rol maken, en voor de meisjes thuis ook .... en je moet mooie kostumen bedenken en dan nog een paar verrassingen!”

De jonkman keek met grappige verlegenheid naar de reusachtige boomen boven zijn hoofd, en riep:

„Alles goed en wel! Ik zal er eens ernstig over denken, dames! Maar ik geloof, dat jelui de moeilijkheden van zoo'n onderneming te gemakkelijk wegredeneert! Stel, bij voorbeeld dat ik een stuk fabriceer, dan moeten er primo acteurs zijn....”

„Heel goed!”—viel Willemien in.—„Je hebt vooreerst vijf dames De Milde....”

„Dat vind ik verrukkelijk, maar de vraag is, of ik zooveel damesrollen kan creëeren!”—riep André lachend.—„Ik moet ook eenige heeren hebben!

„Kom, kom, geen bezwaar! We kunnen Kees Tulk vragen, en jij speelt natuurlijk mee, André! Wil je soms nog een derde heer, dan zal ik zelf optreden! Wat denk je daarvan?”

Willemien had gehoopt meer plezier van haar voorstel te beleven. André schudde het hoofd, terwijl hij haar met comischen ernst aanzag. Zulk een travesti scheen hem een waagstuk! Daarom poogde hij de zwarigheid uit den weg te ruimen, en zei schielijk

„Nu, dat is van later zorg! Maar, als het stuk er is, dan moeten we onophoudelijk repeteeren, en waar zullen we dat doen....”

„Bij ons, dat spreekt van zelf! Laat dat maar aan mij over! Ik zal mama wel het een of ander zeggen.”

Willemien sprak zoo beslist, dat hare oudste zuster er vreemd van opzag. Toch vond Kee goed met een flinken hoofdknik alles toe te geven.

De drie jongelieden waren den grooten rijweg genaderd, en besloten naar de tent terug te wandelen, daar zij geene muziek meer hoorden, en begrepen, dat het concert afgeloopen was. Op het punt van zich om te keeren greep Willemien plotseling als door eene hevige gemoedsbeweging overweldigd den arm van André en fluisterde:

„Kijk, dáar, dáar!”

André zag naar de aangewezen richting, en bespeurde een ordinair huurrijtuig met ééne dame er in langzaam voortrollend te midden der fraaie equipages.

De dame lette weinig op de wandelaars, naar het scheen. Zij staarde peinzend naar het bladerendak boven haar hoofd, terwijl zij achteloos eene zilvergrijze parasol in de linkerhand hield. Zij was statig maar smaakvol in lichten rouw gekleed. De hoed van fijn zwart stroo was met lange, breede lichtpaarse linten onder de kin vastgeknoopt en bedwong nauwelijks een schat van glinsterende, donkerbruine krullen, die over schouders en rug golfden. Het gelaat dier vrouw was innemend, hare donkere, schitterende oogen fonkelden met hartstochtelijken gloed. De voorbijgangers vestigden nieuwsgierige of bewonderende blikken op het rijtuig.

Willemien kneep André in den arm, en riep

„Daar heb je onze mevrouw! Dat is mevrouw De Huibert!”


TWEEDE HOOFDSTUK.

Het huishouden van een „bachelor”.

Des Zondagsmorgens liet Van Pommeren met kerkelijken ijver de valgordijnen voor de groote ruiten van den winkel hangen. Geen boos voorbijgangersoog mocht dan den blik naar binnen slaan, om al de weelde der pas voltooiden zwarte rokken, uniformjassen, zomerpantalons en witte vesten te aanschouwen. Van heel de glorie der weidsche kleermakerszaak was thans niets zichtbaar als de groote vergulde letters op de ramen en het wapenschild boven den hoofdingang van den winkel.

Op de ramen las men: Emile van Pommeren, fils, fournisseur de la Cour. Niemand kon met grooter ingenomenheid dit opschrift ontcijferen dan de eigenaar zelf. Die kleine zwierig gekleede heer in 't zwart met parelgrijze handschoenen, die daar langzaam door de Hoogstraat komt aanwandelen, is de hoogstachtbare heer Emile van Pommeren in eigen eleganten persoon. Het is halftwaalf, hij komt uit de kerk; uit de Waalsche kerk natuurlijk. Een fournisseur de la Cour, die een ziertje achting voor zich zelven koestert, komt in geene andere.

Dezelfde Augustuszon, welke dien eigen middag op de verschoten parasols der dames De Milde zal blaken, als zij met hun vriend Mr. André de Witt complotten zullen smeden voor de zilveren bruiloft harer ouders—diezelfde Augustuszon valt nu met volle strafheid op de welafgeschuierde gestalte van den talentvollen maître tailleur Van Pommeren. In Augustus 1853 had men de taalkundige ketterij nog niet oogluikend doen voortwoekeren, waardoor het eenvoudige bijvoeglijk naamwoord: net later eene geheel nieuwe en allerburgerlijkste beteekenis kreeg—desniettemin zou men met volkomen gewetensrust hebben kunnen volhouden, dat deze mooi opgedirkte kleermakersbaas een der „netste” menschen uit de residentie mocht geschat worden. Hij staat nu stil voor het kapitale huis, waarin de zaak van Emile van Pommeren, fils, is gevestigd.

Met groote teederheid neemt hij den voorgevel op, en glimlacht tegen het blinkende wapenschild boven de deur. „Midden in de Hoogstraat .... „de beste stand” .... „kranig,” „heel kranig!”—mompelt de nette man. Van Pommeren heeft een levendig besef van zijne hooge beteekenis als staatsburger en Hagenaar. Welk eene „clientèle” kwam zich niet bij hem voorzien van de heerlijkste zomer- en winterkostumen! De voornaamste edelen der residentie, zelfs de Minister van Marine, pleegden zijn kunstenaarssmaak te volgen! Inderdaad, niemand twijfelde aan de „sierlijkheid” van de „coupe” zijner meesterstukken, dat wil zeggen, van de voorwerpen, die in zijne „ateliers” werden vervaardigd. Van Pommeren, fils, „dirigeerde”, hij stond te hoog voor practischen arbeid.

Terwijl hij vlak voor zijn huis een oogenblik toeft, tintelen de kleine oogjes van plezier. Hij richt zich omhoog, plaatst zich op zijne teenen, om zijn paleis recht goed in oogenschouw te nemen. De in het zonnelicht glinsterende hoed valt bijna van het met geurige pommade gezalfde hoofd, maar hij blijft tevreden knikken. De eerste verdieping met aparten opgang is verhuurd aan een uitmuntend „locataire”. Zie maar!—aan den deurpost naast den hoofdingang van het „atelier” staat: Van Reelant—doodeenvoudig, maar dat is Jonkheer Van Reelant, de referendaris, de voorname, deftige man, die sinds 15 Juli zijn bovenkwartier bewoont. Door den plotselingen dood van een vorig „locataire” was het kwartier juist vrij, toen meneer Van Reelant zich aanmeldde.

Vijf weken woont de jonge, welgekleede referendaris boven Van Pommeren, fils. Deze laatste heeft niets dan vreugde aan zijn nieuwen „locataire” beleefd.

Van Pommeren gelooft, dat de hooggeboren referendaris de eer van boven zijne beroemde ateliers te wonen volkomen waardig is. Niemand is zoo stipt en correct in alles, als Jhr. Van Reelant. De oude Anna, die hem bedient, kan het getuigen. Van Pommeren, fils, is niet het minst tevreden over de beleefde houding van zijn „locataire”. Reeds een paar malen heeft hij een uitvoerig gesprek met hem mogen aanknoopen, maar tot Van Reelant's eer moet hij zeggen, dat de toon van het onderhoud buitengewoon fatsoenlijk was, „parfaitement comme il faut”.

Emile van Pommeren, fils, was bijzonder gesteld op waardeering. Zijne aanzienlijke „clientèle”, zijne voorname kennissen, de invloed door hem geoefend in tal van Haagsche kringen, verhieven hem tot den rang van een aanzienlijk personage—naar hij meende te mogen vaststellen. Bovendien was hij in de residentie bekend als een talentvol virtuoos, daar hij op liefhebbers-concerten verschillende reizen met den hoogsten lof een solo voor viool had uitgevoerd. Alles te zaam genomen, meende de achtbare „fournisseur de la Cour”, dat er in Den Haag wel minder bevoorrechte schepselen rondwandelden.

Onder deze en dergelijke aangename overpeinzingen bracht de heer Van Pommeren een miniatuur-sleutel voor den dag, en wilde juist de winkeldeur ontsluiten, toen naast hem de deur van het bovenkwartier openging, en Jhr. Mr. Arnold van Reelant te voorschijn trad. Van Pommeren nam zijn spiksplinternieuwen Zondagschen hoed met een snellen zwaai af, boog als een dansmeester, en zei onmiddellijk:

„Goeien morgen, meneer Van Reelant! Warm weer, vindt u niet?”

De aangesprokene greep even naar zijn hoed, en knikte deftig met het plan bedaard door te stappen.

Van Pommeren glimlachte zeer hoffelijk, en vervolgde snel:

„Pardon, meneer Van Reelant! Neem me niet kwalijk! Pardon! maar nu ik u juist ontmoet .... ik heb zoo zelden de eer u te zien .... mag ik vragen, is u tevreden over het kwartier, over de bediening!”

„Zeer tevreden, meneer! Dank u!”

„Bij de minste kleinigheid, hoop ik, dat ik onmiddellijk zal gewaarschuwd worden!”

„Dank u zeer, meneer Van Pommeren!”

En Van Reelant maakte aanstalten, om snel op weg te gaan.

„Pardon, meneer Van Reelant! Neem me niet kwalijk! maar, tot nog toe vergat ik u te zeggen....”

„Later, als ik u verzoeken mag. Ik heb haast, en moet naar den trein, om eene dame van mijne familie af te halen!”

„Neem niet kwalijk! Ik heb vergeten u te zeggen, dat, als u soms boven een soirée of een souper zou willen geven, alle faciliteiten u ten dienste staan .... glaswerk, porselein....”

„Uitstekend! Dank u!”

Maar ditmaal bleef het niet bij het voornemen, en Van Reelant snelde vluchtig groetend weg.

Hij had waarlijk haast. Hij liep vlug voort, maar toch zoo, dat zijne waardigheid van referendaris en edelman geen oogenblik gevaar liep. Van Reelant kende Den Haag. Toen hij nog te Leiden studeerde, had hij zijne eerste jaren bijna onafgebroken in de residentie „geresideerd.” Hij had den slag beet, om in alle opzichten eene groote hoeveelheid uiterlijke achtbaarheid te vertoonen.

De vijf laatste, weken hebben hem geheel doen ontwaken tot een nieuw leven. Van de twee jaren, als griffier bij het kantongerecht te Osterwolde doorgebracht, poogt hij zich zoo weinig mogelijk te herinneren. Al die „misères” zijn voorbij. Hij is nu een volbloed Hagenaar geworden. Zijne betrekking als referendaris bij Buitenlandsche Zaken had hem met tal van invloedrijke personen in aanraking gebracht. Reeds kwam er van tijd tot tijd gelegenheid den onderdanigen groet van den een of ander voorbijganger te beantwoorden. Hij ziet er, als naar gewoonte, keurig uit. Met groot overleg is zijn kostuum eenvoudig, maar toch smaakvol gekozen. Het mocht in 't oogvallend genoemd worden voor hen, die hem vroeger gekend hadden, dat de kleur zijner handschoenen donkerder en deftiger, dat zijn blond hair strenger afgeknipt, dat zijn geheele uiterlijk ernstiger en afgemetener geworden was.

Of de gedachtenloop, die hem bezig hield, aangenaam of verdrietelijk te achten was, kon men aan de kalme uitdrukking zijner trekken niet waarnemen. Hij liep snel voort door Veenestraat en Wagenstraat, om tijdig bij het station te zijn. Toen hij eindelijk de pseudo-classieke portiek in het verschiet ontwaarde, bleek het, dat hij overvloedig tijd had bedaarder te wandelen.

Zoo naderde hij dus langzaam. Hij streed in stilte een zwaren strijd. Hij stond op het punt iets zeer gewaagds, iets zeer onvoorzichtigs te doen....

Mevrouw Suzanna de Huibert, geboren Muller Belmonte, zou zich dien schoonen Zondag voor goed in de residentie vestigen, en hij—Van Reelant—zou haar bij het aankomen van den trein verwelkomen.

Daar waren allerlei gewichtige oorzaken, waarom hij dien plicht juist niet met de hoogste geestdrift vervulde. In de eerste plaats herinnerde hij zich een nacht op Lindenstein, en telkens poogde hij met eene snelle beweging de gedachte aan de schande, op heeter daad betrapt te zijn, van zich af te stooten.... Dan kwam er eene reeks van gebeurtenissen uit Osterwolde .... dan brieven van Suze, die bij het herdenken hem somber stemden. Het sprak van zelf, dat hij zich tegenover haar in zijne antwoorden zeer belangstellend had getoond; dat hij zelfs de betreurenswaardige onhandigheid begaan moest, Suze schriftelijk nogmaals van zijne liefde te verzekeren....

Hij kon ook niet weten, dat zij zoo spoedig besluiten zou, om met hare moeder en zuster zich vlak in zijne nabijheid te Rijswijk te vestigen. En daarna had hij in een allerhartelijksten, liefdevollen brief vernomen, dat Suze van voornemens was in Den Haag te komen wonen op gemeubileerde kamers bij eene fatsoenlijke, stille familie. Hij moest zich houden of hij deze tijding met de hoogste verrukking hoorde .... hij moest veinzen....

Waarom moest hij dat?

Jonkheer Van Reelant had er zijne goede reden voor. In Osterwolde had Suze zijn leeg bestaan geur en kleur gegeven. Hij had haar toen noodig, om door zijn tijd te komen, en zich met iets aangenaams bezig te houden. In de vervlogen twee jaren had hij haar liefgehad met meer hartstocht dan waarvoor hij zijn kalm, berekenend karakter in staat achtte. Suze zelve had bewezen, dat zij hem boven alles ter wereld had uitverkoren. Zonder voorbehoud had zij zich edelmoedig gegeven, had zij eeden en beloften aan haar echtgenoot met voeten getreden. Vrijwillig had zij alles gewaagd voor hem, zonder den minsten schijn van zelfzucht.

Van Reelant kon met voldoening tot zich zelven zeggen, dat deze vrouw hem in alles volgde, in alles vereerde, in alles aanbad. Hoewel hij een dergelijken toestand niet volledig onwelkom keurde, moest hij toch overleggen, hoe na de laatste gebeurtenissen te handelen. Ware er niets geschied op Lindenstein, en mevrouw De Huibert met haar man naar Den Haag gekomen, hij zou geen tijd noch moeite te kostbaar geacht hebben, om haar te volgen en te verplichten. Als huisvriend van eene aanzienlijke familie op te treden, daartegen kon niets ter wereld worden ingebracht, maar bescherming te verleenen aan eene onbekende dame, zonder behoorlijke toelichting van haar burgerlijken en maatschappelijken staat .... daarin zag de verstandige man een groot „inconveniënt.”

In stilte had hij zijn gelukkig fortuin bewonderd, toen hij ontdekte op welk een zandgrond zijne vroegere plannen zouden zijn gebouwd, en hoe verschrikkelijk „gecompromitteerd” hij zou geweest zijn, indien Suze zijne wettige vrouw geworden ware! Maar nu zou zij natuurlijk zijne hulp vragen, rekenen op hem, die haar zoo vaak van zijne liefde had pogen te overtuigen .... en juist nu kwam hem de heele zaak minder wenschelijk voor bij de eerzuchtige plannen, die hij koesterde. In Den Haag moest hij snel en onbesproken eene schitterende „carrière” maken. Alles had hij overlegd, alles voorzichtig vastgesteld. Zijne gedragslijn was volledig afgebakend. Onvoorzichtigheden kon hij niet begaan. Op zijn naam mocht geen smet kleven. Reeds had hij dien morgen zijn gewonen kerkgang verzuimd, en nu was hij op weg, om eene in Den Haag geheel vreemde dame te ontvangen....

Tot nog toe had hij in zijne brieven Suze groote voorzichtigheid aanbevolen, maar zij antwoordde op zijn laatste schrijven, dat zij hem zeer gewichtige mededeelingen te doen had, en hem dus dien Zondagmorgen wenschte te bezoeken. Dit konde en wilde hij niet beletten. Hij wilde niet, omdat ondanks al zijne plannen de herinnering aan Suze's belangelooze en vurige liefde hem nog immer buitengewoon ontroerde. Reeds was zij bij herhaling voor enkele uren in Den Haag geweest, en telkens had hij haar vooraf gemeld, dat zijne veelomvattende bezigheden hem kluisterden in zijne cel aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken.

Van Reelant had het station van den Hollandschen spoor bereikt. Dagdieven, nieuwsgierigen, leegloopers, en zenuwachtige reizigers stoffeerden het plein en drongen door de zuilenrij naar binnen. Uit eerbied voor zijn achtbaar uiterlijk werd hem de toegang tot het perron onder het hooge glazen dak niet geweigerd. De groote klok leerde hem, dat hij nog eenige minuten geduldig te wachten had. Hij sloeg de reizigers der eerste klasse gade, of men hem soms kennen of bespieden zou. Geen nood, achtenswaardige Nederlanders van eenigen maatschappelijken invloed reizen niet op Zondag, en de vreemdelingen zouden hem niet verraden. Hij liep onder de menigte rond, levendig overtuigd, dat de gewone alledagsmenschen vervelend zijn met hunne domme drukte en kinderachtige gesprekken: „Hoe gaat het thuis?”—„Hoe vaart mevrouw?”—„Alles wel?” enz. enz.

Een licht dreunen in de verte kondigt den trein aan. Luider wordt het sissen en donderend het razen, waarvan de grond siddert onder zijne voeten. Plotseling verzamelt zich eene groote menigte. De locomotief rolt het station binnen. Hoofden worden opgeheven, handen uitgestoken. De conducteurs schreeuwen luide: „Den Haag! Den Haag!” De deuren der waggons worden geopend. Zij, die vrienden en familieleden wachtten, reppen zich. Uit een coupé eerste klasse daalt langzaam eene dame in 't zwart, jong, bevallig, elegant. Zij haast zich niet, zij ziet niet rond. In stilte houdt zij zich bezig met eene zilvergrijze parasol, die op reis wat bestoft schijnt.

Van Reelant heeft evenzoo gewacht, maar haar oogenblikkelijk herkend. Hij nadert haar, zonder iemand in den weg te loopen: zijne diepe buiging doet de dame in 't zwart opzien. Hij biedt zijne hand aan, zij reikt hem de hare, in smetteloos lichtgrijzen handschoen verborgen. Zij richt haar donkerbruin oog strak op zijn gelaat. Van Reelant drukt verward en bewogen hare hand vaster in de zijne, en zonder spreken haasten zij zich beiden door den uitgang naar buiten. Met eene enkele beweging roept Van Reelant den koetsier van een coupé, die op hem schijnt te wachten.

Zoodra het rijtuig voortrolt, vestigt Van Reelant zijne blikken op Suze's bleek, maar sprekend gelaat. Zij had de donkere oogen neergeslagen, aan den rand harer wimpers parelde een traan. Trots heel zijn verstandig overleg klopte zijn hart plotseling met sneller slag. Suze's schoonheid en Suze's tranen veroverden hem opnieuw. Hij strekt zijne armen uit, en prangt haar plotseling met onstuimigen hartstocht aan zijne borst. Zacht weenend beantwoordt Suze zijne omhelzing, terwijl de zilvergrijze parasol op den bodem van den coupé zinkt.

Een oogenblik later streek ze snel de lichtpaarse linten glad, die haar hoed van fijn zwart stroo door een breeden strik onder de kin bevestigden, en droogde ze nog sneller haar zakdoek oog en wangen. Toen glimlachte ze met mond en oogen beide, en lispte zij:

„Arnold! Arnold!”

Van Reelant liet zijne berekeningen in den steek, en trok haar aan zijne zijde.

„Heugt het je nog, Suze!”—fluistert hij—„hoe we voor twee jaar in den barren winter van Lindenstein naar Osterwolde reden?”

„Op den dag, toen De Huibert me vroeg!”

„Wat is er veel veranderd!”

„Maar ik ben dezelfde gebleven, Arnold! En jij?”

„Vraag mij niets! Ik heb je lief!”

Suze genoot in stilte van haar triumf. Zij had een duister vermoeden gekoesterd, dat Van Reelant, sedert hij naar Den Haag vertrok, eene andere gedragslijn zou volgen. Al de ellende, die haar op eenmaal getroffen had, maakte haar uiterst achterdochtig. Zij had in de verloopen weken wel een groot aantal liefdevolle brieven van hem ontvangen, maar hare voorstelling zijner offervaardigheid ging oneindig verder. Zij had gehoopt op eene volkomen toewijding, vooral nu ramp aan ramp haar verpletterden.... Zij liet evenwel spoedig deze illusie varen, en rekende alleen op hare persoonlijke tusschenkomst.

De coupé hield stil in de Hoogstraat voor de beroemde ateliers van Emile van Pommeren, fils. Door niemand gezien stond de eigenaar van dezen naam achter een gordijn te gluren, hoe „de dame” van meneers familie er mocht uitzien. Toen Suze deftig uit den coupé stapte, terwijl Van Reelant buigend met hare parasol in de hand zich haastte de deur te openen, glimlachte Van Pommeren geheimzinnig, en mompelde hij: „Een vreemde .... niet kwaad .... kranig, heel kranig!”

Van Reelant wipte snel de trap op en leidde zijne gast naar zijne zitkamer. Bij het binnentreden viel het ieder bezoeker in 't oog, dat het ruime vertrek overmeubeld was, en dat men er bijna niet loopen kon door den rijkdom aan groote en kleine sofa's, fauteuils, tafeltjes en allerlei soorten van stoelen. Daarenboven was er al te ijverig geofferd aan verguldsel; de pendule, de luchters, de lichtkroon, de lijsten, om reusachtige Engelsche gravuren—wedrennen en jachtpartijen voorstellend—dit alles was zwaar verguld. Gelukkig had de waardige Van Pommeren uitstekende zonneschermen voor de ramen gehangen, zoodat een zacht licht den overvloedigen glans van al dat verguldsel temperde.

Suze trad aarzelend eenige schreden vooruit. Van Reelant gevoelde zich wat beklemd, en sprak niet. Hij zette zijn hoed op het gesloten klavier en zag, dat Suze voor den spiegel bij den marmeren schoorsteenmantel bezig was voorzichtig de breede, nieuwe linten van haar mooi hoedje los te strikken. Terstond vloog hij haar ter hulp, en nam hij de kanten mantille en den hoed uit hare handen. Voorzichtig legde hij beide weg, en wachtte eene poos, terwijl zij zwijgend hare handschoenen uittrok. Toen kwam hij naast haar staan, en zei met zachte stem, alsof hij vreesde, dat men hen beluisteren zou:

„Ik maak je mijn compliment, Suze! Je hebt er nog nooit zoo goed uitgezien.... En altijd, die mooie, prachtige krullen....”

Hij roerde met zijne rechterhand even den over haar schouder vloeienden lokkenschat aan.

Suze opende de fluweelige, donkere oogen en zag glimlachend, vol blijde hoop naar hem op. Van Reelant kon dien blik geen weerstand bieden; met beide armen klemde hij haar vurig aan zijn hart....


Naast de zitkamer van den referendaris was een aardig kabinetje, waar deze schrandere staatsambtenaar des Zondags déjeuneerde. In de week moest hij zich vergenoegen met een paar broodjes, die de oude, deftige Anna, meid en huishoudster van den hofleverancier beneden, voor hem klaarmaakte. Zijn dienstijver aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken gedoogde niet, dat hij zich een oogenblik verwijderde. Bovengenoemd kabinetje zag met één raam op de Hoogstraat uit en onderscheidde zich door een zeer gemakkelijken divan en een drietal kostbare fauteuils, alles met keurig nieuw blauw damast bekleed. Eene ronde tafel voor den divan prijkte met koffie; een buffet op den achtergrond verried, dat Anna voor brood, wijn en eene koude kip gezorgd had.

„Mag ik de honneurs waarnemen, Arnold?”—vroeg Suze, toen beiden zich aan de tafel van het gezellig vertrek hadden neergezet.

Van Reelant drukte haar met stralende oogen de hand. En aanstonds nam Suze het beheer over alles, terwijl ze tevreden glimlachte. Ze prees de koffie, schonk voor Van Reelant een glas wijn, en bracht leven en gloed in het anders zoo eenzame kabinetje. Toen het déjeuner was afgeloopen, sprong ze uit haar fauteuil, en zette zich bij hem op den divan. Kalm sprak ze toen:

„Arnold! Nu moet ik alles eens bedaard met je overleggen! Kunnen we gestoord worden?”

„Neen! Ik heb mijn oude gedienstige vacantie gegeven, en ik verwacht van niemand visite!”

„Heel goed! Als je rooken wilt, geneer je niet. Uit mijn brieven ken je mijn toestand. Nadat mama met Betsy en mij een paar weken te Amsterdam bij oom Muller, den kolonel, had gelogeerd, begon ik de handen uit de mouw te steken. Al de ellende van den laatsten tijd had mij haast bedwelmd. Maar wat het meest mij drukte, was de schande van nu op kosten der familie te moeten leven. Mijn oom, de kolonel, is rijk door zijne vrouw—hij toonde zich zeer hartelijk, maar .... dat kon zoo niet blijven. Snel heb ik mijn plan ten uitvoer gebracht. Ik schreef naar Osterwolde aan Wigbold de Huibert....”

Van Reelant zag hevig verschrikt op. Maar voor hij een woord spreken kon, ging Suze voort:

„Laat mij uitspreken! Ik wist wat ik deed. De beide De Huiberts wenschen, dat niemand ons geheim zal kennen. De menschen in Osterwolde gissen nog in den blinde. Ze denken, dat Onno zich den plotselingen dood van papa en alles wat daarbij moest uitkomen, zoo sterk heeft aangetrokken, dat hij niet meer op Lindenstein wil blijven wonen. Ik heb Wigbold geschreven, dat ik scheiding eischte....”

„Suze!”

„Luister dan toch eerst! Ik wist, dat hij het afslaan zou.... Maar ik verlangde onderstand, ik wilde fatsoenlijk leven, als mijn naam mevrouw De Huibert zou blijven .... en ik heb gekregen wat ik vroeg!”

Suze sprak haperend, met neergeslagen oogen. Zij vreesde voor den indruk van deze laatste woorden.

Maar Van Reelant bleef afgetrokken zwijgen.

Zijne misdadige betrekking tot De Huibert's echtgenoote zou een geheim blijven. Hij had het grootste belang dit geheim te helpen bewaren. Dat Suze, nu hare familie tot den bedelstaf was gezonken, steun had durven vragen bij den broeder van den bedrogen Onno, scheen hem vermetel .... maar hij durfde geene tegenwerping maken. Hij dacht aan den steun, die er misschien van hem zou kunnen gevorderd worden .... hij dacht aan zijne toekomst....

Suze schuift nader tot hem, en legt de linkerhand op zijn schouder.

„Ben je boos, Arnold?”—vraagt ze.—„O, misken me niet! Ik deed het in je belang, ik deed het, omdat ik je liefheb! Ik wilde geen schrikbeeld, geen levend verwijt voor je zijn. Ik wilde je terugzien, maar zonder je een enkel oogenblik tot last te worden. Liever zou ik mijn hand afkappen, dan ze uit te strekken naar den man, wiens liefde mijn eenige schat is! Eén ding alleen wilde ik bereiken, de mogelijkheid je van tijd tot tijd in stilte te zien en te spreken!”

Van Reelant voelde den zachten druk harer hand op zijn schouder! de geur harer lokken omzweefde hem; de donkere oogen keken hem ernstig vragend aan. In stilte wilde zij hem komen zien en spreken, dat was alles. Er ging een licht voor hem op. Plotseling wierp hij alle bekommering van zich af. Ondanks zijne zelfbeheersching klonk er hartstocht in zijne stem, toen hij vroeg:

„Je hebt me dan wel boven alles lief, Suze? Kan ik op je rekenen, ook hier .... nu alles zoo heel anders is?”

De jonge vrouw rees omhoog uit hare gebogen houding. Haar gelaat werd bleeker, hare oogen schitterden vuriger. Bijna fluisterend antwoordde ze:

„Arnold! Je weet, dat ik je liefheb! Je moogt het mij niet vragen. Als je nog een nieuw bewijs noodig hebt, stel me dan op de proef! Vorder van me, wat je wilt! Ik zal gehoorzamen!”

„Goed! Ik geloof je! Ik weet, dat je de waarheid spreekt! En nu ga ik je op de proef stellen, Suze! Onze toestand is hier in Den Haag anders, heel anders dan in Osterwolde. Ik heb het in mijn macht hier zeer snel carrière te maken. Maar een ding is hoofdvereischte, ik moet....”

Suze belette hem voort te gaan. Zij sloeg de beide armen om zijn hals, en begon luid te lachen.

Van Reelant ziet haar verwonderd aan. Steeds glimlachend gaat zij voort:

„Neen, Arnold! Dat weet ik al lang! Ik ben op de hoogte! Je carrière en ik, we zullen goede vrienden blijven! Je hebt eenmaal gezegd: mijne vooruitzichten en mijn toekomst behooren jou, Suze. Denk je dan, dat ik geen zorg zou dragen voor die beide? Je moet vooruit, Arnold! Ik zal je steunen! Referendaris is heel goed, om te beginnen, maar dat is niet genoeg. Hier in Den Haag vind je een heerlijken, breeden weg, die naar hooger leidt. Als je wilt, zul je er komen!”

Luid klopte het hart van den kalmen man, toen hij onder den indruk dezer betooverende woorden Suze's beide handen tot verbrijzelens toe in de zijne drukte. Met een pijnlijk lachje trok ze hare handen terug, en ging voort te spreken op onachtzamen toon, alsof de zaak hare belangstelling niet verdiende:

„Uit je brieven heb ik gezien, dat je hier heel verstandig begonnen bent! Wil je mijne opinie weten, ga dan zoo voort. Neem je betrekking met nog grooter ijver waar, als het mogelijk is. Maak kennis met al wat invloed heeft, of in de hoogste kringen leeft. En bovenal, maak een program voor je toekomst. Kies je de politiek, goed; maar zeg dan tot je zelven: ik wil lid van de Tweede Kamer, ik wil minister worden, en houdt er je van den morgen tot den avond mee bezig!”

Van Reelant zag de knappe spreekster met de hoogste ingenomenheid aan. Hij schaamde zich over zijne vroegere bezwaren en zijne lafhartige vrees. Hij boog het hoofd in verwarring, en greep Suze's rechterhand, terwijl hij de blanke vingers aan zijne lippen bracht, alsof hij vergiffenis wilde vragen voor de drift, waarmee hij ze een oogenblik te voren had gedrukt.

Suze zweeg eene poos, en zei op sneller en luider toon:

„Daar was nog meer uit je brieven te lezen tusschen de regels, Arnold! Ik had recht er boos over te zijn, maar ik wilde niet—het kwam van jou! Ik las, dat de heer Van Reelant in Den Haag niet gaarne zou willen weten, wat zooal gebeurde, toen hij nog griffier van het kantongerecht te Osterwolde was. Ik las, dat hij zich angstig begon te maken voor de gevolgen, en maar half voldaan was over de komst van het dwaze schepsel, dat zich aan hem gewijd en gegeven had met lijf en ziel!”

Van Reelant werd doodsbleek. Hij strekte beide handen naar haar uit, en poogde te spreken. Maar Suze voorkomt hem. Zachtkens glijdt ze van den divan op hare knieën. Hare oogen vullen zich met tranen. Zij grijpt de rechterhand van den jonkman, en zegt heftig:

„Nu moet ik het weten! Zeg het mij zonder uitvluchten! Wees nu oprecht en eerlijk, Arnold! Mijne toekomst staat op het spel. Laat mij alles mogen zeggen! Buiten jou, Arnold! heeft het leven voor mij geen waarde. Ik ben verloren, wanneer het nu uitkomt, dat je me niet meer liefhebt. Maar zeg het mij ten minste, als het zoo is! Zooveel oprechtheid en erkentelijkheid ben je me schuldig! Het idee voort te leven in een droom van geluk, die binnenkort zou moeten blijken ijdel te zijn geweest, is mij ondragelijk! Op dit oogenblik zou ik mijn vonnis met kalmte kunnen hooren .... ik ben op alles voorbereid .... maar later niet, Arnold! later niet.”

Van Reelant was getroffen door den hoogen ernst, uit hare trekken en stem sprekend. Zij had hare oogen met zulk eene angstige spanning tot hem opgeslagen, dat hij een pijnlijk gevoel, naar wroeging zweemend, ternauwernood kon onderdrukken. IJlings heft hij haar van den grond, klemt haar in beide armen, en fluistert de vurigste woorden van liefde....

De oogen geloken, met tranen op de wangen, en toch glimlachend van gadelooze zaligheid, luisterde Suze. Zij had veel gewaagd en alles gewonnen. Niemand zou haar nu in hare rechten op Van Reelant kunnen aantasten. En daarenboven, zij twijfelde nu niet meer. Zij kende de macht van haar persoonlijken invloed, maar had, door onverschrokken over haren toestand na te denken, er al de dubbelzinnigheden en gevaren van doorzien.

Er verliep een oogenblik van onbeschrijfelijk geluk.

Suze bleef luisteren, en Van Reelant spreken. De betoovering was volkomen. Suze's bekoorlijkheid, Suze's groote liefde hielden hem als gevangen. Van hare zijde zou nimmer eenig gevaar dreigen, redeneerde de zelfzucht, en daarom stelde zij zich zonder vrees onder den schepter der zinnenweelde.

Doch Suze wikkelt zich zacht uit zijne armen los, en zegt:

„Nu moeten we eens verstandig afspreken, wanneer je mij het best audiëntie zult kunnen geven, Arnold! Ik geloof haast, dat je het idee, om mij te komen zien in het Westeinde, weinig bekoort!”

Van Reelant vraagt naar de familie De Milde, en verneemt, dat het gezin uit vijf dochters, eene druk babbelende moeder en een zeer luidruchtigen vader bestaat.

„Mij dunkt, dat we die menschen buiten onze zaken moeten houden liefste!”—oordeelt Van Reelant.—„Haagsche familiën uit de bourgeoisie hebben de gewoonte verbazend nieuwsgierig te zijn, en niet te rusten, voordat zij op de eene of andere wijze een chronique scandaleuse van vrienden en buren hebben afgeneusd. Ik had vroeger en nu weer opnieuw de gelegenheid die luitjes te leeren kennen. Wees voorzichtig, ze zullen probeeren je uit te hooren....”

Suze werpt hare krullen lachend in den nek, en betoogt, dat ze op dit punt volkomen gerust is.

„Maar dan is het beter,”—gaat ze voort,—„dat geen sterveling in Den Haag mij ooit in je gezelschap ziet! Mijn nieuwe huisgenooten mogen zelfs niet vermoeden, dat wij elkaar kennen! Ik kom alleen naar Den Haag wonen, om je van tijd tot tijd te zien, om te weten, dat ik dicht bij je ben .... meer niet!”

Nu volgde een zeer levendig en vroolijk overleg.

Van Reelant had geene woorden genoeg, om Suze's schranderheid en beleid te prijzen. Opgetogen beraadslaagden zij over de strenge handhaving van hun geheim. De referendaris verklaarde, dat hij gewoonlijk niemand ontving in zijne „appartementen”, daar hij geene vrienden onder de Haagsche jeunesse dorée bezat, en niet hoopte ze ooit te zullen bezitten—schoon hij overigens alle mogelijke „relatiën” met de aanzienlijkste kringen gewenscht oordeelde. Zijne kennissen ontmoette hij in zijne club, de „Place Royale”, maar bleef steeds ijverig op zijne hoede voor eene al te vurige ontboezeming van vriendschappelijke gevoelens. Jonge menschen, die niet veel bezigheden hebben, kunnen zich in 't geheel geene voorstelling vormen van de onschatbare kostbaarheid der voorbijvliegende uren. Hij had dus het vaste plan opgevat, geene „connectiën” met jonge vrienden meer aan te knoopen. Men had zich al aan deze wijze van doen gewend, men hield Van Reelant voor een zeer „serieus” en wetenschappelijk man; hij deed zijn best, om deze meening in geen enkel opzicht afbreuk te doen.

Met volkomen nauwkeurigheid kon hij Suze verzekeren, dat hij de meeste avonden eenzaam in zijne „appartementen” doorbracht. Somtijds moest hij „visites” maken, want hij had er niets tegen bij familiën, die hem met beleefdheden te gemoet kwamen, aan huis te verschijnen. Hij zorgde er evenwel voor, dat zijne „visites” zoo stipt en zoo kort mogelijk werden gemaakt. Somtijds vertoonde hij zich in het publiek, en dat kostte hem een avond. Hij zorgde er voor, dat men hem niet voor een ongezellig schepsel mocht verslijten. Bij de Woensdagsche muziekuitvoeringen vertoonde hij zich een half uur in de Tent; nu en dan wandelde hij naar Scheveningen, om een oogenblik op Zeerust uit te blazen. Zonder er eene gewoonte van te maken, toefde hij soms onder zijne kennissen der „Place Royale”, kwam hij een enkelen maal in de „Besogne-kamer”, maar bijna nooit op de „Witte”.

Suze had al deze mededeelingen met instemming gehoord. Zij moedigde Van Reelant nogmaals aan voort te gaan op den goed gekozen weg. Daarna kwam zij met echt vrouwelijken tact op het practische doel van haar gesprek terug:

„Ik beloof je, Arnold! dat ik door geen enkel teeken verraden zal, hoe gaarne ik je zou groeten, als ik je in het publiek ontmoet. Misschien zal de Haagsche nieuwsgierigheid gauw genoeg ontdekken, dat ik de verstooten vrouw van Onno de Huibert ben, en niemand hoeft te weten, dat we elkaar in Osterwolde hebben gekend....”

„En als een toeval ons te zaam brengt?”

„Dan kunnen wij er van profiteeren, en ons veroorloven de gewone burgerlijke beleefdheid in acht te nemen!”

„Natuurlijk!”

„Het is verder mijn plan je alleen des avonds, als je thuis bent, een oogenblik te komen zien....”

„Kom zoo dikwijls, als je kunt, Suze! Wacht even....”

Van Reelant stond van den divan op, liep naar het buffet, opende eene lade, en kwam terug met een blinkend miniatuur-sleuteltje.

„Ik heb twee sleutels van de huisdeur beneden!”—zei hij.—„Neem dezen, en....”

„En wat, Arnold?”

„Ik dacht over het geval, als er bij uitzondering eens iemand bij me mocht zijn....”

„Niets eenvoudiger! Boven aan de trap is een ruim portaal, daar zet je een kaars, een lamp, een nachtlichtje, wat je wilt, als een signaal. Branden er twee lichten, dan is er iemand. Ben je vrij, dan blijft alleen het licht van de glazen hanglantaarn aangestoken!”

„Maar, lieve Suze! zul je dan weer heengaan, als er twee lichten branden?”

Een glimlachje speelde om den mond der jonge vrouw. Zij was opgestaan van den divan. Van Reelant stond naast haar, en had den linkerarm om hare leest geslagen. Zij ziet hem uitdagend aan en fluistert, of zij een staatsgeheim verried:

„Als er twee lichten branden, Arnold! dan ga ik heel bedaard naar de achterkamer, en wacht tot de visite is afgeloopen!”

Van Reelant lachte van ganscher harte.

Plotseling vraagt hij:

„Suze, ken je de geschiedenis van den Romeinschen koning Numa Pompilius?”

„Ik geloof, dat ik ze alweer vergeten ben!”

„Men zei, dat die koning in het geheim raadpleegde met de nymf Egeria, en dat hij daarom zoo uitstekend regeerde! Lieve Egeria! ik weet, dat je me zult inspireeren.... wat kan ik doen, om me dankbaar te toonen?”

Suzes glimlach verstierf. Zij antwoordde ernstig.

„Naar mij luisteren, net als die Romeinsche koning. En later in de jaren, die komen zullen, als jij gekroond wordt, Arnold! dan zal ik je zeggen, wat je voor mij doen kunt!”


DERDE HOOFDSTUK.

Drukke werkzaamheden.

Maandag. Halftien. Omstreeks het midden der kleine, nette straat, die de schoonmaaksters het „Zefrientje” noemen, maar die op den legger der gemeente als Juffrouw-Ida-straat is ingeschreven, staat een flink huis van drie verdiepingen, gehuurd en „geëxploiteerd” tot velerlei doeleinden door de eerbare juffrouw Barbara Bont. Zij heeft de bovenkamers der tweede verdieping afgestaan aan een tweeden luitenant der grenadiers en jagers, die bijna nooit thuis is. Zij verhuurde twee kamers op de eerste aan Mr. André de Witt, die er somtijds des avonds komt studeeren. Voor het overige vindt juffrouw Barbara Bont een voortreffelijk middel van bestaan in het zenden van eten bij talrijke klanten uit de buurt, welke laatste vooral tot haar komen, gelokt door den matigen prijs harer diners.

Maandag. Halftien. Op het portaal der eerste verdieping wacht eene oude vrouw in het weinig dichterlijke kostuum van schoonmaakster, een lang strookje wit papier tusschen duim en vinger. Zij klopt vrij luid aan eene kamerdeur. Van binnen vermaant eene stem geduld te oefenen. Na een vijf minuten wachtens gaat de deur open. De jonge De Witt treedt haastig uit zijne slaapkamer. Met beide handen strijkt hij het krullende, donkerbruine hair achter de ooren en stapt de schoonmaakster voorbij naar zijne studeerkamer. De gedienstige volgt. Zonder te spreken stopt zij hem het lange strookje wit papier in de hand. André maakt een driftig gebaar, hij loopt de kamer op en neer. Hij mompelt onverstaanbare woorden. Eindelijk bedenkt hij zich. Hij wenkt de schoonmaakster, dat zij wachten moet. Snel vliegt hij naar het portaal, en daarna stormt hij de trap der tweede verdieping op. Hij klopt. Niemand antwoordt. Daar de deur half open staat, dringt hij naar binnen. Er heerscht groote verwarring in de karig gemeubelde kamer. Een nauwelijks aangeroerd ontbijt op eene ronde tafel; een zonderlinge voorraad van half uitgerookte sigaren en asch van sigaren overal in 't rond verspreid; voorts op den grond zwervende schoenen en aan den wand degens, sabels en pistolen—dit was alles, wat hem bij het binnentreden welkom kon heeten. De bewoner van het kwartier moest al vroeg zijn vertrokken. André had op hem gerekend. Hij wilde zijn contubernaal broederlijk aanmanen, om hem eene kleine som in contanten terug te geven, vroeger even broederlijk voorgeschoten.

Haastig ijlt hij weer naar beneden, schrijft even haastig een paar woorden op het strookje papier, en zendt de schoonmaakster weg. André had buitengewoon weinig slag van huishouden, en worstelde op dat oogenblik tegen eene kleine geldverlegenheid. Hij had zijn vriend en contubernaal, den luitenant Van Houweningen, die aan hetzelfde euvel leed, gaarne geholpen—„a titre de revanche,” gelijk de beide heeren elkaar lachend verzekerden. Sedert zijne komst in de residentie had André zijn best gedaan van zijn zeer matig inkomen als adjunct-commies te leven, zonder zijn vader te Leiden ooit om hulp te vragen. André meende, dat zijn goede vader nu niet meer voor hem te zorgen had. Van het oogenblik, dat hij promoveerde, en in Den Haag tot adjunct-commies benoemd werd, had hij zich met grooten trots voorgenomen de steun zijner familie te worden.... maar er was tot nog toe niet veel van gekomen.

Het scheen, dat deze gedachte hem nu in stilte kwelde, want hij liep zijne kamer met groote schreden op en neer, terwijl hij met de handen door zijn krullend hair woelde. Van tijd tot tijd stond hij stil, en bleef voor een portret aan den wand toeven. Die dame met ouderwetsche muts en breede keellinten was zijne overleden moeder. Toen hij negentien jaar oud was, had hij haar verloren. Zij was zeer goed voor hem geweest, maar streng, het huiselijk bewind voerend naar vaste onwrikbare beginselen. Volkomen contrast van zijn goedhartigen vader, had zij zijne jeugd naijverig bewaakt, had zij gezorgd, dat hare kinderen in eerbiedige vrees voor hunne ouders leefden; had zij alle opwellingen van jolige uitgelatenheid en speelsche dartelheid met vaste hand onderdrukt; had zij de herinnering nagelaten van haar krachtig karakter en hare onbestreden opperheerschappij in den huiselijken kring.

Mijmerend over zijne jeugd en de dagen van zijn burgerschap in het Leidsch Atheen, bleef hij even bij het venster staan. Plotseling maakt hij eene beweging van verrassing. Aanstonds wendt hij zich om, en haast zich naar de deur. Toen hij die opende, naderde een tred op de trap, en weldra trad uit de duisternis van het portaal een deftig heer met zwarten rok, zwarten hoed en zwarte handschoenen te voorschijn.

André drukt hem hartelijk de hand.

„Bonjour, vader! Ik was net met mijn gedachten bij u in Leiden en, alsof u het wist, komt u mij verrassen! Hoe gaat het met Letje en de anderen?”

Dominé De Witt nam zijn hoed af, drukte een witten zakdoek tegen het voorhoofd, en liet zich op de ouderwetsche sofa vallen. Het loopen in den zonnegloed van een warmen Augustusmorgen had hem verhit. Hij wachtte nog een oogenblik, voordat hij sprak, en knikte allervriendelijkst. Zijn gelaat drukte goedheid en berusting uit, om de dunne lippen speelde somtijds bij het spreken een geestige lach.

Intusschen herhaalt André zijne vraag naar de huisgenooten. Een smartelijke trek vertoont zich op het wezen van den Leidschen predikant. Hij antwoordt met zachte, onvaste stem:

„Met Letje mocht het wel beter gaan! Zij hoest altijd, en is meestal zwaar vermoeid .... zij klaagt nooit, maar ziet er slecht uit.... Ik heb er dokter al over geraadpleegd. Tot nog toe geen dreigend gevaar, zegt hij. Toch is haar toestand bedenkelijk, vooral tegen den winter. De aanleg tot borsttering bestaat.... misschien zou alles nog terecht komen, als zij voor langen tijd in een ander klimaat kon leven .... het zuiden van Frankrijk .... maar, hoe zullen wij dat doen, André, dat gaat onze krachten te boven!”

André staat bij de sofa naast zijn vader. Hij schudt langzaam het hoofd, en windt den krullenden, bruinen knevel om den wijsvinger van zijne rechterhand.

„Arme Letje! Wat heeft ze, nadat we mama verloren, ijverig voor de huishouding gezorgd! Wat was ze lief voor u .... arm kind!”

„O, maar we zullen haar behouden, André!”—gaat de predikant op forschen toon voort.—„Ik heb vele vrienden en aanzienlijke kennissen te Leiden en te Amsterdam .... men zal mij niet in den steek laten....”

André wendt het hoofd om, en begint het vertrek op en neer te loopen. Zijn vader in de rede vallend, zegt hij snel:

„Neen, papa! Probeer dat, als 't u belieft, niet! De menschen zouden u of teleurstellen, of u uwe armoede voor de voeten werpen! Eergisteren heb ik er nog aan gedacht. Ik zou er wel wat anders op weten.... In den laatsten tijd krijg ik onophoudelijk brieven van allerlei redacteurs, die artikelen willen hebben voor hunne kranten of tijdschriften. Dat komt door mijne dissertatie! Het schijnt, dat mijn werk wat nieuws gaf. Ze bieden me nogal aardig geld. Uit luiheid heb ik er tot nog toe niet aan gedacht! Maar nu ga ik aan het werk, en al wat ik verdien is voor Letje!”

Dominé De Witt glimlacht onmerkbaar.

„Dank je, André!”—zegt hij bedaard.—„Dat is een goed plan. Zoolang de zomer duurt, kunnen we vooreerst geduld oefenen en op beterschap hopen!”

André ziet heimelijk op zijn uurwerk, maar roept luide:

„Over tienen! Al zoo laat! Ik mag me wel haasten!”

En de predikant:

„Ik was al half en half bang, dat je naar 't ministerie waart.... Ik moet vandaag eene vergadering van 't Haagsch Genootschap bijwonen!”

„Ik ga dadelijk met u mee! En hoe gaat het met Christien en met Willem?”

„Christien .... springlevend en druk! Elken dag de deur uit en met allerlei vriendinnen in de weer! Ze kost heel wat aan laarsjes en handschoenen. En Willem wil naar Utrecht. Hij kan het met zijne professoren in Leiden niet langer vinden! Ze bederven de leer der Nederlandsche hervormde kerk.... Ja, André! dat is nu het nieuwste idee van je jongsten broer!”

De adjunct-commies hield zich met zijne kleeding bezig, en dronk een glas melk leeg, dat op de ontbijttafel gereed stond. Bij de laatste woorden zijns vaders keerde hij zich van den spiegel af, en riep:

„Maar daar komt immers niets van dat plan?”

„We zullen zien! Hij houdt staande, dat hij zich in Utrecht zelf wel redden zal! Zijne geestverwanten, de orthodoxe professoren, zullen hem steunen, zegt hij. Hij dwingt mij brieven te schrijven aan Utrechtsche collega's, en is er den heelen dag vol van!”

„Wees voorzichtig, papa! Dat zal niet goed afloopen!”

Dominé De Witt schudde zacht het hoofd.

André had zijn grijzen hoed met breede randen gegrepen. Hij droeg het smaakvol kostuum van den vorigen dag, met uitzondering van de lichte das, die nu door eene zwarte vervangen was.

„Gaat u mee, papa?”—vroeg André.—„Het wordt mijn tijd! En blijft u van middag bij mij eten, dan zal ik juffrouw Bont waarschuwen!”

„Dank je, jongen! Ik ga voor den eten weer naar Leiden terug! Maar kom jij nu aanstaanden Zondag?”

„Stellig! Ik moet Letje spreken!”

Vader en zoon verlieten het huis, en wandelden saam naar het Noord-Einde, waar de eerste een hartelijk afscheid nam van André.

Daar het bij halfelf was, liep deze laatste eenigszins haastig door het Hartogstraatje naar den Kneuterdijk. André was een groot bewonderaar van de schilderachtige plekken in de residentie. De Vijverberg met zijne frissche, groene boomen, het eilandje in den Vijver als voor anker dobberend in den vollen zonnegloed; de daken en schoorsteenen van het vroegere stadhouderlijke kwartier; het klokkehuisje der oude grafelijke kapel; de statige woningen aan den Korten Vijverberg, wegschuilend achter den dichten bladerendos der hooge kastanjes en soms hier of daar helder verlicht door een gulden zonnestraal—dit alles boeide hem telkens opnieuw. Terwijl hij naar de Gevangenpoort streefde, prees hij in stilte de schoonheid van het stadsgezicht, en dacht hij half zuchtend aan eene donkere kamer, waar hij het grootste deel zijner middaguren zou gaan slijten! En toch vertraagde hij zijn tred niet, toen hij onder de grijze, vervallen Gevangenpoort doorgaande het ministerie van Buitenlandsche Zaken gewaarwerd.

Hij moest dankbaar zijn, dat hij zoo spoedig na zijne promotie eene eervolle betrekking gevonden had. De geschiedenis zijner plaatsing aan het ministerie was zeer eenvoudig. André telde vijf jaren, toen zijn vader predikant te Leiden werd. Hij was in de academiestad groot geworden, en had zonder vast plan het gymnasium bezocht. Het bleek binnenkort, dat André een veelbelovend leerling werd. De roep van zijne merkwaardige vlugheid vergezelde hem naar de academie, en deed hem eerlang in 't oog vallen. Hoogleeraren van grooten naam moedigden hem aan. Daar hij de Rechten als zijn lievelingsvak gekozen had, ondanks den tegenzin zijner ouders, poogde hij al in het begin zijner studiën eene practische oplossing der ouderlijke bezwaren te ontdekken.

Zijne moeder stierf, toen hij zijn tweede studiejaar begon. Het bezwaar tegen zijne keus was enkel financiëel. Hoe zou hij in zijn onderhoud voorzien na zijne promotie, hadden vader en moeder gevraagd. André had altijd geantwoord: als advocaat! Hij zou inzonderheid burgerlijk recht en handelsrecht studeeren, hij zou pogen een goeden naam aan de academie te maken. Dominé De Witt liet André rustig zijn gang gaan na den dood zijner vrouw. Hij had er later nimmer berouw van. In zijn derde jaar beantwoordde André in stilte eene prijsvraag der Utrechtsche hoogeschool. Men vroeg eene „Critiek der bevolkingsleer van Malthus”, en bekroonde met goud een antwoord van een Leidsch student, wiens naam bleek te zijn André de Witt.

Door deze gelukkige uitkomst aangemoedigd, wijdde de jonkman zich nu geheel aan staats- en handelswetenschappen, en promoveerde hij in 1852 met eene dissertatie, inhoudende eene „Geschiedenis der theorie van den vrijen handel sedert Adam Smith.” De buitengewone lof, tijdens zijne bevordering tot doctor in de rechten gewonnen, verhinderde André niet duidelijk in te zien, dat de vrees zijner ouders bij den aanvang zijner academische loopbaan min of meer gewettigd werd. Hij verlangde dadelijk werkzaam te zijn, onmiddellijk in zijn onderhoud te voorzien. Hij raadpleegde zijne professoren, die hem met buitengewone achting bejegenden. Zijne dissertatie was door de heeren van het vak bijzonder geprezen. Men koesterde groote verwachtingen van André. Men ried hem aan geduld te oefenen, en zijne studiën voort te zetten, maar hij antwoordde telkens beslist: „Ik kan niet, ik mag niet!”

André wilde aan zijn vader toonen, dat zijne schitterend voltooide studiën tot eene practische uitkomst hadden geleid. Eén der Leidsche hoogleeraren, die den jongen doctor met vaderlijke vriendschap steunde, wist door zijn invloed voor hem eene betrekking van adjunct-commies aan Buitenlandsche Zaken te verkrijgen. Later zou zich de gelegenheid voordoen, om bevordering in den staatsdienst te erlangen. André zou zijne wetenschappelijke loopbaan voortzetten, niemand twijfelde in Leiden aan zijne toekomst.

Opgeruimd als meestal verscheen André omstreeks halfelf in het ministerie. Vlug wipte hij eene trap op, vlug bereikte hij, na eene lange reeks van gangen en kleinere trappen achter zich te hebben gelaten, de kille kamer, waar hij met een lotgenoot dagelijks arbeidde. Hij vond er niemand, zijn collega was nog niet verschenen. André zette zich voor zijn lessenaar en opende de laden waaruit hij stukken in groot folio-formaat te voorschijn bracht. Daarna rangschikte hij stapels papieren, en sloeg hij verschillende groote portefeuilles open, die in goede orde naast hem klaar lagen. Hij begon daarna zich in de lezing van geschreven rapporten te verdiepen, en arbeidde in stilte een uur.

Toen klonken er zware schreden in de gang, die naar zijne kamer leidde. Het gedruisch hield voor zijne deur stil, en onmiddellijk daarop vertoonde zich, in eene vale zwarte jas, met een verschoten zwart fluweelen kalotje, eene schrale figuur, die op plechtigen toon zeide:

„Meneer De Witt! De secretaris-generaal vraagt naar u!”

André sprong snel op. Een blos kleurde zijne wangen. In vliegende haast greep hij eenige papieren. De bode had zich langzaam met luide schreden verwijderd. André snelt hem na door eene reeks van nauwe gangen, klimt trappen op en af, en bevindt zich eindelijk in een smal vertrek, een soort van wachtkamer voor hen, die den secretaris-generaal wenschen te spreken. De bode opent de buitendeur en daarna de binnendeur, die toegang geeft tot de kamer van den secretaris-generaal.

André treedt binnen. Ook dit vertrek is klein, maar maakt een deftigen indruk door een groot schrijfbureel en eene hooge boekenkast met gesloten deuren aan den muur. Voor het schrijfbureel met den rug naar de deur zit baron Van Berenvelt, secretaris-generaal. Hij wendt het hoofd om, en keert zich tot André.

Baron Van Berenvelt is een grijsaard met een innemend, open gelaat. Voorhoofd en schedel zijn geheel kaal. Eenige dunne, zilveren krullen aan beide slapen verhoogen den indruk van statigheid en eerbiedwaardigheid, die van zijn persoon uitgaat. In het knoopsgat zijner zwarte jas schemert flauw een gekleurd lintje, doch zoo bescheiden, dat het nauwelijks mogelijk is te ontdekken van welke binnen- of buitenlandsche orde hij ridder is.

Zoodra hij André heeft zien binnenkomen, schuift hij zijn zetel wat om, en beantwoordt hij den eerbiedigen groet van den adjunct-commies. Eene kleine hoffelijke beweging met de rechterhand vergunt André te gaan zitten op een stoel bij het schrijfbureel. Daarna grijpt het volgende gesprek plaats:

„Meneer De Witt! Ik wenschte u even te spreken! Binnen een paar dagen behooren de rapporten van onze consuls in de Portugeesche en Spaansche zeehavens gereed te zijn, om ze in onze „Verzameling van consulaire en andere Bescheiden” te kunnen plaatsen! Ook moet er een excerpt voor de dagbladen van gemaakt worden. Mag ik vragen, of u er mee klaar is?”

„Ik ben bijna klaar! Er was vrij wat aan te doen! Mag ik u beleefd om nog één dag uitstel vragen? Morgen zal ik u de stukken komen brengen!”

„Ik heb geen bezwaar tegen één dag uitstel. Maar ik reken dan morgen stellig op de stukken, meneer De Witt!”

„Ik zal niet mankeeren, meneer Van Berenvelt!”

„Uitstekend! Vergun mij u te zeggen, dat u mij bijzonder zou verplichten dergelijk werk zoo snel mogelijk af te doen! Er is nog het een en ander, dat op u wacht!”

Een lastige blos trok over André's wangen en voorhoofd. De uitnemend beleefde toon van den secretaris-generaal deed hem te levendiger gevoelen, dat hij meer ijver en spoed bij de hem opgedragen taak had kunnen aan den dag leggen, maar hij herstelde zich, en het onderhoud werd voortgezet:

„Het spijt mij zeer, dat ik u heb laten wachten!.... In het vervolg zal dat niet meer gebeuren! Ik heb misschien wat te veel tijd besteed aan het uitvoerig rapport van onzen consul te Lissabon.....”

„Dat kan ik u niet kwalijk nemen! Goed werk kost tijd, maar overdrijving schaadt! Tot nog toe heb ik uw arbeid met plezier gevolgd! Een ziertje meer vlugheid .... dat is het alleen!”

„Ik zal uw wenk met den meesten ernst ter hart nemen, meneer Van Berenvelt!”

„Daar twijfel ik niet aan! Professor Van Dam heeft u zeer dringend bij mij aanbevolen! Uwe loopbaan aan de universiteit was zeer eervol, meneer De Witt! Ik ben vast overtuigd, dat het u niet minder goed zal gaan in uwe carrière als ambtenaar!”

Op dit oogenblik kwam de bode geheimzinnig om den hoek gluren, en murmelde iets binnensmonds. De secretaris-generaal knikte.

André stond op.

„Meneer De Witt!”—ging baron Van Berenvelt voort.—„Het is al vrij lang geleden, dat u zich de moeite getroostte mij eene visite te maken, om me den brief van professor Van Dam te overhandigen. Aanstaanden Donderdagavond verwacht ik eenige vrienden. Zal ik dan het genoegen hebben u bij mij te zien?”

André stamelt verrast een toestemmend antwoord, en haast zich afscheid te nemen. Baron Van Berenvelt reikte den jonkman met de vriendelijkste voorkomendheid de hand. André was diep getroffen. Toen hij nu bijna een jaar geleden naar Den Haag kwam met aanbevelingsbrieven van professor Van Dam, had hij ze persoonlijk den minister en den secretaris-generaal ter hand gesteld. Hij herinnerde zich hoe minzaam de heer Van Berenvelt toen eene poos met hem sprak, maar hij had er nimmer aan gedacht, dat hem de eer eener uitnoodiging bij den secretaris-generaal zou ten deel vallen.

Terwijl hij de deur nadert, wordt deze geopend.

Een hoofdambtenaar, aan wien André eenige weken geleden vluchtig was voorgesteld, treedt binnen. Deze heer wierp hem in het voorbijgaan een scherpen, uitdagenden blik toe. Hij beantwoordde dien blik onversaagd, terwijl het hem plotseling te binnen schoot, dat die heer Van Reelant heette, en voor een paar maanden tot referendaris bij het ministerie benoemd was.

Zoodra André vertrokken was, stond de secretaris-generaal van zijn stoel op, om Van Reelant met bijzondere hoffelijkheid te ontvangen. Deze laatste had eene lijvige portefeuille met stukken onder den arm, en nam zwijgend plaats. Hij dacht een oogenblik na, en zeide toen op beleefden, half gemeenzamen toon:

„Nu kan ik mij den naam niet meer herinneren van dat jonge mensch, dat daar juist heenging .... hij is adjunct-commies, niet waar?”

„Zijn naam is De Witt! Een jong en veelbelovend ambtenaar!”

„Dat zou men aan zijn uiterlijk niet zeggen!”

„Waarom niet?”

„Hij ziet er uit als een schilder, die zijne aquarellen niet aan den man kan brengen, of als een tooneelspeler uit een provinciaal stadje van den tweeden rang!”

Naar waarheid moet bekend worden, dat Van Reelant zich altijd in het statigste zwart had gekleed, sinds hij den drempel van het ministerie had overschreden, en dat hij omtrent de waardigheid en het „decorum” dergenen, die de eer hadden den staat te dienen, zeer strenge begrippen koesterde.

Baron Van Berenvelt glimlachte vergoelijkend, en antwoordde:

„De jonge De Witt komt uit Leiden, en is van zeer fatsoenlijke familie. Hij werd mij bijzonder aanbevolen door de Leidsche professoren der rechtsgeleerde faculteit!”

„O, ik twijfel niet aan zijne capaciteiten, als u het mij verzekert, meneer Van Berenvelt! Maar op het eerste gezicht vond ik dat jonge mensch met zijne krullende hairen en grijze slobkousen wat vreemd.”

„Mijn waarde Van Reelant .... dat is een vooroordeel! Die kleine eigenaardigheden zullen u niet meer hinderen, als u weet, hoe uitstekend datzelfde jonge mensch heeft gestudeerd. Zijne dissertatie heeft époque gemaakt. Hij is een zeer degelijk econoom. Voor eenige dagen kreeg ik een brief van Van Dam. U heeft ook te Leiden gestudeerd en weet, dat Van Dam niet licht overdrijft, als hij iemand prijst. Hij beveelt mij den jongen De Witt bij herhaling aan, en wenscht, dat hem de gelegenheid worde geboden iets degelijks te doen!”

Van Reelant buigt zeer wellevend, en opent zijne portefeuille.

„Ik dank u zeer voor uwe inlichtingen!”—herneemt hij ernstig.—„Als men vreemdeling is, en pas begint zooals ik, kan men niet voorzichtig genoeg zijn. In dit opzicht ben ik u al zooveel verplicht, meneer Van Berenvelt!”

„Juist, en daarom overstelpt u mij weer met macht van stukken!”

De secretaris-generaal neemt glimlachend een bundel schrifturen aan, en zet zijn gouden lorgnet op, om den inhoud er van te doorloopen.


VIERDE HOOFDSTUK.

Noodzakelijke verklaringen.

Maandag. Halftien. De lange, zonnige straat, bij de ingezetenen der residentie als het lage Westeinde bekend, onderscheidt zich aan de zuidoostzijde door eene reeks van deftige burgerhuizen, die met hare drie verdiepingen en somtijds met hare fraaie tuinen den bewoners eene benijdenswaardige ruimte aanbieden. Op een der deurposten van dergelijk woonhuis stond met groote, zwarte letters de naam De Milde. Binnentredende strekte zich eene lange gang voor den bezoeker uit. In den regel wees men dezen de tuinkamer, de laatste deur links. Daar vereenigden zich de dames De Milde meestal na de koffie, en ontvingen zij vele bezoeken van familiare vrienden en kennissen.

De tuinkamer was een ouderwetsch, maar aangenaam vertrek. De muren pronkten met een geschilderd behang, dat uit het laatst der vorige eeuw dagteekende, en een ideaal landschap vol prachtige villa's en lustig kronkelende stroomen voorstelde, terwijl ettelijke ruiters, rijtuigen en voetgangers de wegen stoffeerden. De heeren op den muur waren meest voorzien van witgepoeierde staartpruiken en vermiljoenkleurige „houppelandes”, de dames van lichtgele zijden „sakken” en zwarte „mitaines.” De beide vensters zagen op een mooien tuin van oud model met meer vruchtboomen dan bloembedden en eenige zwaar belommerde priëeltjes, waar de familie des namiddags placht thee te drinken. Nu stonden de beide ramen wijd open en werd de kille atmosfeer der tuinkamer getemperd door de warme luchtstroomen, die naar binnen drongen. De drie oudste gezusters, Kee, Jans en Willemien hadden nog geen toilet willen maken, daar ze de wasch moesten doen. De twee jongsten, Rosa en Louise, genoten van de groote vacantie en waren uit logeeren bij eene tante in Gelderland. Mama De Milde was gekleed, 't geen in het onderhavige geval zeggen wilde, dat de kleine, bedrijvige huismoeder eene donkerbruine japon vol vetvlakken en een vervaarlijke muts met splinternieuw stroogeel lint droeg.

De dames waren in druk gesprek.

„Ze is na de koffie uitgegaan, en heeft tegen Aaltje gezegd, dat ze om drie uren zou terugkomen!”—roept Willemien.

„Ze had een anderen hoed op, dan gisteren!”—zegt Jans.

„Die zat zeker in een van de drie groote koffers, die van morgen gekomen zijn!”—meende Kee.

„Heel beleefd vind ik ze niet!”—zegt mevrouw De Milde met eene schorre, maar toch zeer luide stem.—„Ze heeft papa van morgen laten roepen, en wat zou je denken, dat ze vroeg....”

„Een spionnetje voor het middelste raam boven!”—giste Jans.

„'t Lijkt er niet naar!”—antwoordt mama nog luider.—„Ze wou een huissleutel!”

Algemeene ontsteltenis. Velerlei uitroepingen volgen.

Mevrouw De Milde herneemt:

„Ze heeft een huissleutel gevraagd! Ze zei, dat ze ons niet graag wou hinderen, en zelf niet graag op de stoep wou blijven wachten, als ze thuis kwam. Papa heeft haar dadelijk den kleinste van onze beide huissleutels gegeven!”

„Net een man!”—riep Willemien.

„En trotsch ook!”—zei Jans.—„Gistermiddag, toen Aaltje haar voor het eerst bediende, heeft ze geen woord met de meid gesproken, en uit een boek, dat naast haar bord lag, gelezen!”

„Ik zou wel eens willen weten, wie ze hier kent!”—meende Kee.—„Laatst zei ze, dat ze heel vreemd was in Den Haag, en gisteren reed ze door het bosch langs de tent. Dat vind ik geheimzinnig!”

Al de dames schudden het hoofd, en zwegen eene poos, omdat ze moesten nadenken over zoovele gewichtige feiten, als zich sedert de laatste dagen in haar kleinen kring hadden voorgedaan. De nieuwe huisgenoote, mevrouw De Huibert, was het groote onderwerp van haar gesprek. Ze stelden elkaar eene menigte vragen, die ze geen van allen konden beantwoorden. Waar kwam mevrouw De Huibert eigenlijk vandaan? Had ze altijd te Rijswijk gewoond? Zij was natuurlijk weduwe, want ze kleedde zich in den rouw. Ze sprak niet veel—zou ze iets hebben te verbergen? Gisteren had ze den geheelen Zondagnamiddag stil zitten te lezen en thee te drinken; daarna had ze een poosje loopen wandelen door hare kamers en was vroeg naar bed gegaan—dit alles hadden de jonge dames duidelijk kunnen merken.

„Ja, maar met al dat praten komt de wasch niet klaar!”—waarschuwde mama.—„Me dunkt, ze had van morgen, voor ze uitging, ons wel even kunnen goeiendag zeggen! We zijn fatsoenlijke menschen, en verhuren onze kamers niet aan Jan en alleman!”

In de gang had de huisbel zeer luid geklonken. Aaltje, de gedienstige geest van den huize, die de belangrijke „functiën” van keuken-, kamer- en loopmeid op voortreffelijke wijze „cumuleerde”, als de heer De Milde gewoon was te zeggen, trad haastig binnen, en riep met van nieuwsgierigheid tintelende oogen:

„Daar is mevrouw en de juffrouw Muller! Ze vragen naar mevrouw boven. Ik heb gezegd, alsdat mevrouw om drie uur thuis komt....”

De vier dames De Milde steken de hoofden bijeen. Zij branden van verlangen moeder en zuster van hare nieuwe huisgenoote nader te leeren kennen. Maar de meisjes zijn ongekleed, ze zien er al te huiselijk uit met hare verschoten katoenen japonnen. Mama is gekleed, mama zal gaan....”

In een paar seconden heeft mevrouw De Milde de donkere suite, die op de tuinkamer volgt, achter den rug en opent zij de deur van een ruim voorvertrek, waar men plechtige visites ontvangt. Mevrouw Muller Belmonte en Betsy zitten er zwijgend te wachten. Mama De Milde plooit hare alledaagsche trekken tot den minnelijksten glimlach, en buigt hare onwelluidende stem tot den vriendelijksten klank, terwijl zij zegt:

„Het spijt me zeer, dames! Mevrouw De Huibert is uitgegaan, maar komt tegen drie uren thuis. Misschien zullen de dames wel een oogenblik geduld hebben....”

Mevrouw Muller Belmonte staat van haar stoel op. Haar bleek gelaat heeft eene wasachtig gele tint aangenomen; de groeven rondom neus en mond zijn dieper geworden: het dunne hair aan de slapen vertoont eene onoogelijke mengeling van grijs en geel. Zij spreekt zacht en bescheiden:

„Als u het ons permitteert, mevrouw! dan zullen we boven op Suze's kamer wachten!”

„Met het meeste plezier! De dames komen zeker wandelen van Rijswijk? Kan ik u met iets dienen? Wat zullen de dames gebruiken?”

„Dank u zeer, Mevrouw?”

„Een glaasje madera met water en suiker, niet waar?”

„Neen, dank u, heusch!”

De beide wandelaarsters uit Rijswijk hadden veel van de zon geleden, en zouden gaarne iets koels gedronken hebben, maar fatsoen en overleg beide deden haar het gulle aanbod afslaan. Zij wilden de kennismaking met de vrouw des huizes niet terstond voortzetten, en waren recht tevreden, toen deze spraakzame dame haar den weg naar Suze's bovenkamer gewezen, en eindelijk alleen gelaten had.

Het ruime vertrek zag met twee ramen op het Westeinde uit, en was door de familie De Milde van de fraaiste meubelen uit de benedenverdieping voorzien. Er lag een nieuw donkerbruin kleed op den vloer en de trekgordijnen voor de vensters waren gloednieuw.

Betsy legde hoed en mantille ter zijde. Hadden kennissen uit Osterwolde haar hier ontmoet, zij zouden eene merkwaardige verandering in haar voorkomen hebben ontdekt. Haar oogopslag was zachter en vriendelijker geworden, zoodat hare mooie blauwe oogen beter uitkwamen. Zij had het donkerblonde hair evenals Suze in lange krullen opgemaakt, en misschien ook daardoor aan haar knap kopje een tintje van gemoedelijkheid gegeven, volkomen in tegenspraak met het trotsch en ontevreden voorkomen van voorheen. Mevrouw Muller Belmonte was zuchtend ineengezonken op haar stoel. Haar gelaat drukte vermoeidheid, zorg, bittere teleurstelling uit. Betsy liep de kamer op en neer, en stond stil voor een paar staalgravuren, die de Dom te Keulen en de Nôtre-Dame te Parijs voorstelden. Eindelijk wordt zij getroffen door de lijdende gestalte van hare moeder. Zij komt langzaam terug van den wand, en zegt vriendelijk:

„Mama! mag ik uw hoed wegleggen? U heeft het te warm! Geneer u toch niet .... wij zijn bij Suze!”

„Bij Suze! Nu ja .... maar als ze straks thuis komt, is ze misschien heel ontevreden.... Ik verwacht niets van haar....”

„Geef de hoop niet op, mama! Ze is bij de hand, ze weet raad! Het voornaamste is, dat ze ons plan goedkeurt!”

„Goedkeuren is niet genoeg! Ze moet ons helpen!”

„En dat zal ze ook!”

„Och, Betsy! Heb jij nog illusies over je zuster? Ze is net als papa was, want ze zorgt alleen voor zich zelve! Suze is handig genoeg, dat is waar.... Och kom, stel je maar voor, dat we een vergeefsche reis gemaakt hebben!”

Mevrouw Muller Belmonte zuchtte diep. De uitdrukking van troostelooze ellende op haar gelaat, de diepe plooien om hare kleurlooze lippen, de doffe oogen .... alles sprak van eene knagende smart, deels zelfverwijt, deels ergernis over haar ongeluk.

Betsy had zwijgend haar den hoed afgenomen. Uit een reistaschje nam zij eene eenvoudige muts met donkerblauw lint, Mevrouw Muller Belmonte stond op, en liet zich door hare dochter helpen.

„Kom, mama! We zullen het hoofd omhoog en moed houden, niet waar? Reken op mij, ik zal voor u werken....”

Betsy's stem klonk zachter en vriendelijker dan vroeger. De tegenspoed droeg ééne goede vrucht althans—hij neigde het hart van het jonge meisje tot ootmoedig medelijden met hare zwaar beproefde moeder.

Mevrouw Muller Belmonte drukte Betsy zwijgend de hand. Zij voegde er met bevende stem bij:

„Ja, kindlief! Ik weet het wel! Jij bent heel lief voor me geweest .... sedert dien verschrikkelijken nacht. Ik heb op de wereld niemand anders dan jou.... Wij moeten ons best doen, nu we doodarm zijn, een klein stukje brood te verdienen.... Maar hard te werken en afhankelijk te zijn van Suze, die!.... die.... O God! dat vind ik ondragelijk!”

„Niet overdrijven, mama! We kunnen Suze misschien wel missen, als we maar saam dapper de handen uit de mouw steken!”

Mevrouw Muller Belmonte boog het hoofd. Het denkbeeld, dat ze tegen onverdiende armoede zou moeten worstelen op hare jaren, maakte haar diep ongelukkig. Zwijgend ging zij weer naar haar stoel. Hare oogen waren vochtig geworden. Zij wilde naar Betsy's vriendelijken raad hooren, en toch kon zij niet geheel met de verstandige plannen van haar jongste kind instemmen.

Een haastige tred klonk bij de deur.

Suze trad binnen. Of de Haagsche zomerlucht haar een blos op de wangen tooverde, of het smaakvol toilet, lichte rouw, haar buitengewoon goed stond, dit althans was zeker, dat ze er ongemeen bevallig uitzag. Toen ze haar moeder en zuster zag, fronste ze even de wenkbrauwen. Kalm begon ze:

„Jelui hier?”

„Ja, Suze! We moeten je het een en ander vertellen, en over een paar punten met je overleggen!”

Mevrouw Muller Belmonte had gepoogd vriendelijk en voorkomend te spreken. Ze had niemand bekend, welk een heimelijke toorn er voortdurend woedde in haar binnenste. Den dood van haar man, het schandelijk bankroet, de verachting van heel Osterwolde, had zij kunnen trotseeren, wanneer hare dochter, mevrouw De Huibert van Vliethuysen, zich niet als eene gemeene deern had laten wegjagen uit de echtelijke woning.

Suze vermoedde niet in 't minst, wat er bij hare moeder omging. Ze antwoordde uit de hoogte:

„We hadden immers afgesproken, dat jelui Zondagsmorgens bij mij zoudt komen koffiedrinken! Is er nu zoo'n haast?”

„Ik begrijp, dat je ons heel best kunt missen, Suze! Schikt het je niet ons te hooren, dan zullen we onmiddellijk weer heengaan!”

„Zooals u verkiest! Ik heb geen lust, om dadelijk weer te kijven....”

Maar Betsy treedt snel naar Suze toe. Zij fluistert haar iets in 't oor. Mevrouw Muller Belmonte heeft met vonkenschietende oogen zich opgericht.

„Kijven! Het past je niet tegenover mij dat woord te gebruiken! Kom, Betsy! Laat ons gaan!”

Maar Betsy, die sedert den noodlottigen nacht, toen haar vader stierf, reeds menig moeielijk oogenblik met hare moeder en oudste zuster had doorgebracht, Betsy wendt zich tot de eerste, en zegt:

„Neen, mama! We moeten geduld hebben, omdat we ongelukkig en arm zijn! Suze zal naar ons luisteren! Onaangenaamheden zijn er toch al genoeg!”

Mevrouw De Huibert hield zich zwijgend met haar eleganten zomerhoed bezig, en wachtte tot Betsy mama zou hebben doen bedaren. Mevrouw Muller Belmonte ging bevende weer zitten, en zei dof:

„Zeg jij het, Betsy!”

„Goed, mama!”

Suze trad zonder de minste ontroering nader, en plaatste zich bij het venster. Zij keek verstrooid naar buiten.

„Suze!”—begon Betsy,—„gisteren was je nog geen uur weg, toen we een brief kregen uit Amsterdam van oom Muller. Hij schrijft mama, dat hij in de eerste plaats de zaak van Bram en Karel in orde heeft gebracht. Beide jongens zijn gezond en sterk: als ze goed willen oppassen bij het instructiebataljon te Kampen, zal hij ze zooveel mogelijk helpen. Ze zijn heel wel tevreden, en hebben beloofd hun best te doen!”

„Dat is ten minste goed nieuws!”—merkte Suze op.

Mevrouw Muller Belmonte bleef beweegloos in elkaar gedoken zitten. Haar zwager, de Amsterdamsche kolonel, kende den omvang der familierampen ten volle. Hij had besloten de beide jongens tot onderofficier te doen opleiden, en ze verder te steunen, zoolang er aan hun gedrag niets mankeerde.

Betsy wachtte eene poos en ging toen na eene korte aarzeling voort:

„Oom schrijft verder over ons beiden, over mama en mij.... Hij vindt het vreemd, dat wij te Rijswijk blijven, en dat jij, Suze, naar Den Haag gaat. Hij had het verstandiger gevonden, als wij al te zaam te Rijswijk waren gebleven, in de eerste plaats om de kosten....”

Het was nu Suze's beurt het hoofd toornig op te heffen. Snel viel ze hare zuster in de rede:

„Dat is mijn zaak! Laat hij er buiten blijven! Ik weet wel, dat hij juist niet met mij dweept .... de brave man heeft principes.... Heel goed! Maar ik heb hoegenaamd geene verplichting aan hem! Ik verlang, dat hij mij met rust laat.”

„Maar Suze! denk toch, dat mama en ik alleen van zijne mildheid afhangen! Hij meent het best! Hij zal ons helpen .... hij dacht, dat jij bij ons zoudt blijven wonen, dan konden we zeer fatsoenlijk leven!”

„Oom Muller mag denken wat hij wil! Daar kan niets van komen! Mijn plaats is in Den Haag! Ik heb een vast plan, ik wijk er niet van af.”

Mevrouw Muller Belmonte had met klimmende verontwaardiging en bittere gramschap de woorden harer dochters gevolgd. Telkens wilde zij spreken, telkens bedwong zij met inspanning haar toorn.

Betsy zag Suze met een bedroefden blik aan, en ging voort:

„Oom Muller schreef verder, dat hij hartelijk deelnam in ons ongeluk, dat hij als toeziende voogd voor Bram en Karel zal zorgen, maar, dat hij voor mama en mij niet meer dan vijfhonderd gulden in 't jaar kan afstaan. Hij bekent, dat het heel weinig is, maar hij verwijst naar....”

„Naar mij!”—valt Suze schamper glimlachend in.—„Dat spreekt van zelf! Ik ben schatrijk! Het moet van mij komen....”

„Neen, niet alleen van jou! Ook van mij!”—zegt Betsy snel.—„Oom Muller heeft mij nog een goeden raad gegeven. Hij hoorde mij te Amsterdam piano spelen, en denkt, dat ik buitengewoon vlug en vaardig ben op dat instrument. En ook omdat ik zeer goed onderwijs heb gehad, voel ik mij in staat les te geven. Als je me helpen wilt, Suze! dan krijg ik misschien hier in Den Haag wel lessen, en dan konden wij, als jij ook wat deedt, mama een gerusten ouden dag bezorgen!”

Betsy bleef een oogenblik op antwoord wachten.

„Dat idee is niet kwaad, Betsy! Reken op mij, ik zal zorgen, dat je lessen krijgt! Binnen een paar dagen zal ik er werk van maken. Dat kan heel goed! Maar ik zie geen kans je verder te helpen. Ik kom maar even rond met wat ik heb. Vaste ondersteuning beloof ik niet! Bij buitengewone omstandigheden, als je in groote verlegenheid waart, dat spreekt van zelf, dan....”

Mevrouw Muller Belmonte stond schielijk op. Het gele gelaat was grauwbleek geworden. Heesch van gramschap viel ze plotseling uit:

„Dank je, Suze! Ik wil geen cent van je aannemen! Ik wist vooraf, dat het zoo zou gaan! Eens en vooral zweer ik je, dat je geen last meer van mij hebben zult. Ik heb veel geleden, en zal het wel niet lang meer maken! Maar zoolang als ik in deze ellendige wereld leven moet, zoolang zul-je uit mijne oogen blijven! Koud, hebzuchtig, zonder een greintje gevoel, net als je knappe vader, laat je mij eenvoudig aan mijn lot over! Heel goed! Geloof niet, dat ik laaghartig genoeg zal zijn, je ooit weer om hulp te vragen.... Kom, Betsy! Geef me mijn hoed!”

Betsy vatte de van woede sidderende vrouw bij de hand, en vermaande zacht tot kalmte en vrede.

Maar de verontwaardiging harer moeder was te sterk. Mevrouw Muller Belmonte ging voort:

„'t Grootste deel van mijn leven heb ik geleden onder een despoot van een man, die mij iederen dag door zijne opvliegendheid deed beven. Hoe dikwijls heeft mij dat ongelukkig huwelijk berouwd. Ik leefde heel gelukkig te Deventer bij mijne ouders. Mijn papa was een braaf dokter. We hadden het niet ruim, maar we konden toch bestaan. Toen kwam je vader, een doodarm candidaat-notaris. Hij vroeg me .... uit liefde, zei hij. Papa was overal geacht en bemind, hij had aan alle kanten van het land vrienden en relatiën. Mijn handige aanstaande begon dadelijk te intrigeeren, om door hulp van mijn vader tot notaris benoemd te worden. Eindelijk gelukte het te Osterwolde. Je vader, die geen cent, maar vrij wat schulden had, gedroeg zich of hij millionair was. Hij kocht huis, erve en stalling van zijn voorganger, hij kocht paarden en rijtuigen en wist op een wonderlijke manier bij iedereen crediet te krijgen. Kostbare meubels werden aangeschaft, onze huishouding op hoogen voet ingericht. Als ik me angstig maakte over den last der schulden, lachte je vader me uit. Hoe hij er zich uit redde, weet ik niet. Zijn uitgaven voor allerlei onnoodige weelde hebben jaarlijks duizenden en duizenden verslonden. Zei ik een woord, dan snoerde hij me de mond. Nooit heb ik iets geweten van den stand zijner zaken. Eens heeft hij in een hevigen aanval van woede zich verraden, en mij doen merken, dat hij in effecten speculeerde. Hij had een groot verlies geleden, en deed een zwaren eed, dat men hem nooit weer zou verschalken.... Of hij zijn woord gehouden heeft, weet ik niet, maar dit weet ik, dat ik meer dan vijf en twintig jaren in vrees en onrust en daarbij in weelde en overdaad heb geleefd, om nu eindelijk tot armoede en schande te komen .... om nu uit de hoogte behandeld te worden door een dochter, .... die iedereen den rug zou toekeeren, als de wereld maar wist, wie zij was!”

Mevrouw Muller Belmonte had, sidderend van klimmende ontroering, dan eens zacht en haperend, dan weer luider en hartstochtelijker gesproken. Telkens op het punt in tranen los te barsten, beheerschte ze evenwel hare smart, om bij de laatste woorden met volle kracht van stem en uitgestrekten rechterarm tegen Suze uit te vallen.

Deze had zeer oplettend naar de voorbijgangers in het Westeinde getuurd. Een schamper glimlachje krulde hare lippen. Zij keerde zich om, en zei zeer bedaard:

„De familie beneden zit achter en kan ons gelukkig niet hooren. Anders zou ik vriendelijk verzoeken wat minder hard te schreeuwen!”

Mevrouw Muller Belmonte antwoordde niet. Met bevende vingeren gaf ze Betsy hare muts, en repte zich haar hoed op te zetten. Langs de gerimpelde wang liep een traan, dien ze haastig afwischte. De hoekige, magere gestalte der oude vrouw kwam scherper uit, naarmate zij zich driftiger bewoog, voortdurend het hoofd schuddende, terwijl Betsy haar smeekend iets in 't oor fluisterde.

„Kom, kind!”—sprak ze halfluid, telkens nieuwe tranen afwisschend.—„Geen minuut langer hier! Kom!”

Er wordt vrij luid op de deur geklopt.

Schoon in de verwarring niemand „binnen!” riep, werd de deur toch geopend, om toegang te verleenen aan de buigende en glimlachende mevrouw De Milde.

De waardige dame scheen eenigszins verlegen met hare houding, en stapte onder groote drukte binnen, zoodat de breede stroogele linten van haar hoofddeksel in golvende slingering hare bewegingen volgden.

„Neemt het me asjeblieft niet kwalijk, dames!”—sprak ze.—„Ik ben zoo vrij u even te storen! De dames zullen ons, hoop ik, de eer aandoen hier te blijven eten?”

Betsy toonde het meest tegenwoordigheid van geest, en antwoordde oogenblikkelijk:

„Wij zijn u zeer verplicht, mevrouw! Voor van middag hebben we ons woord al gegeven!”

„Dat spijt me! Het zou ons hoogst aangenaam geweest....”

Suze keerde zich met een beleefden glimlach tot de goedhartige oude dame, en viel haar in de rede:

„En mij ook, mevrouw! Maar de dames kunnen vandaag onmogelijk. Later zullen we, hoop ik, van uwe vriendelijke invitatie gebruik maken!”

De drie dames Muller Belmonte bogen zeer deftig. Mevrouw De Milde begreep, dat het niet fatsoenlijk was langer aan te dringen of te blijven. Zij voegde hare buigingen bij die van het drietal, en trok zich onder een vloed van woorden terug. Toen zij de deur der bovenkamer achter zich sloot, bekroop haar de groote verzoeking even te luisteren, wat er gezegd zou worden, maar zij durfde niet .... de oude mevrouw stond op het punt te vertrekken. Daarom wipte mevrouw De Milde vlug naar beneden, en verscheen zij met een raadselachtig gezicht in de tuinkamer, waar de drie gezusters nog altijd ijverig aan de wasch bezig waren.

Vragend staarden zij hare moeder aan. Deze zweeg, en ging op hare gewone plaats zitten. Werktuigelijk grepen de dames ieder een servet of sloop. Toen bogen de vier hoofden zich tot elkander en begon mama te fluisteren. 't Scheen of de heeren met de vermiljoenkleurige „houppelandes” en de dames met de gele zijden „sakken” van het behangsel nieuwsgierig naar het viertal omzagen, maar men lette er niet op, en de fluisterende stem werd langzaam luider:

„Ze hadden woorden.... Er werd hard geschreeuwd! 't Was over geld, denk ik! De oude mevrouw sprak tegen mevrouw De Huibert. Eén ding kon ik duidelijk verstaan. De oude mevrouw Muller riep: „Als de wereld maar eens wist, wie je bent!” of zoo iets. Ik klopte aan, omdat ik er niet meer van hooren wilde, en ik merkte duidelijk, dat er wat aan haperde .... enfin, dat er hier iets heel geheimzinnigs is. Wat moeten we daar nu aan doen?”

De drie dames zwegen eene poos.

Willemien was het eerst met een antwoord gereed:

„We moeten het aan den ouden heer vertellen, en die zal beslissen!”

Kee gaf het tweede advies:

„Laat papa er buiten! Hij is in staat er op de sociëteit over te praten, en dan krijgen we er naderhand last van!”

Jans besloot het debat:

„Jelui begrijpt er niets van. De particuliere zaken van mevrouw De Huibert gaan ons niet aan! We hebben het bovenkwartier voor een jaar verhuurd, en dat is de hoofdzaak!”

Niemand antwoordde, en het viertal wijdde zich met dubbelen ijver aan de wasch.


VIJFDE HOOFDSTUK.

Bij den Secretaris-generaal.

Donderdag, negen uur des avonds. De duisternis is gevallen over de residentie. Des namiddags was de hemel door akelige, donkere wolken verduisterd geworden, alsof een brekebeen in de waterverfschilderkunst het zwerk met sepia en Oost-Indischen inkt had bemorst. Een onweer, bliksem en hevige donderslagen volgden. Regenstroomen hadden de smachtende bladerkronen van den korten Vijverberg overvloedig gedrenkt; het eilandje ontwaakte uit de doffe dommeling door de felle zonnestralen van Augustus' laatste dagen over den Vijver als uitgegoten; het droppelde onder de lindenlaan op het schelpenpad langs het water; de gaslantaarns werden ontstoken. Nadat de storm had uitgewoed, blies een koele westenwind over Voorhout en Vijverberg; de starren gluurden langs de aftrekkende wolkgevaarten; een schoone zomernacht brak aan.

Op den Vijverberg staat een vorstelijk gebouw van drie verdiepingen, sinds lange jaren eigendom en woonhuis der familie Van Berenvelt. Even na negen uur klonk de bel herhaaldelijk in de ruime marmeren vestibule. Vier knechts in galalivrei stonden boven aan eene marmeren trap van vijf treden, langs de beide zijden van welke schilderachtige heesters en bloemen prijkten. De lakeien haastten zich de gasten binnen te laten, en openden de glazen deur boven aan de marmeren trap. Eene helder verlichte gang, met een dik Turksch tapijt bedekt, en wederom door hoog opgaande heesters en bloemen getooid, bracht naar het salon, waar de Baron Van Berenvelt zijn gasten wachtte. Toeval en plicht hadden den gastheer genoopt midden in den zomer een diner en soirée te geven. De Belgische regeering had eene commissie van hoofdofficieren der artillerie afgevaardigd naar Den Haag, Hannover en Kopenhagen, ten einde wetenschappelijke studiën te maken over eene nieuwe manier van vuurmonden te gieten. De minister van Oorlog was door ongesteldheid aan zijne kamer geboeid, de minister van Buitenlandsche Zaken was voor veertien dagen naar Ems vertrokken. De secretaris-generaal had dus de „honneurs” van Den Haag tegenover de Belgische heeren op te houden, en aarzelde geen oogenblik ook in het weinig eigenaardig seizoen eene vriendenbijeenkomst ten zijnent te noodigen.

Kwartier na negen stond André de Witt op de stoep van Baron Van Berenvelt. Als adjunct-commies had hij misschien zekeren schroom behooren te gevoelen, maar inderdaad was hij zoo opgeruimd en kalm, dat zelfs het grootsche schouwspel der vier galalakeien en de betoovering der smaakvolle bloemen in de gang hem niets van zijne gewone geestestegenwoordigheid roofden. André vergat zijne nederige betrekking, en stapte onverschrokken door, totdat een der dienende grootheden eene deur opende, en luide galmde.

„De heer De Witt!”

André ontwaarde een zeer ruim vertrek, badende in licht, 't welk stroomde van twee kristallen lichtkronen en tallooze waskaarsen aan den wand en bij den marmeren schoorsteenmantel. Hij bemerkte, dat nog twee salons, evenzoo blakend van licht, zich bij deze zaal aansloten, en dat eene tamelijk groote menigte dames en heeren—de laatsten verreweg in de meerderheid—over dit terrein was verspreid. Bij den schoorsteen stond de gastheer, Baron Van Berenvelt, in ernstig gesprek met twee der Belgische gasten, beiden in gala-uniform, beiden overdekt met kruisjes en gulden starren.

André had eigenlijk zeer verlegen moeten zijn, maar met de hem eigen vrijmoedigheid en opgeruimdheid begaf hij zich zonder aarzelen naar den heer des huizes. Ongedwongen buigend sprak hij een paar beleefde woorden, en wilde oogenblikkelijk ter zijde heengaan. Doch de Baron voorkwam hem en reikte hem even ongedwongen de hand. De gastheer wendde zich daarop tot eene jonge dame, die achter de kolossale gestalten der artilleristen als verborgen was, en zei:

„Meneer De Witt! mijne dochter Adèle!”

De Baron vervolgde zijn gesprek met de Belgische gasten, en André richtte zich tot eene rijzige dame, die zijne buiging rustig beantwoordde.

Freule Adèle van Berenvelt, de oudste dochter van den secretaris-generaal, trad als gastvrouw op. De Baron had zijne echtgenoote vroeg verloren, en sinds dit smartelijk verlies steun en troost gevonden bij zijne oudste dochter. Adèle was de twintig jaren voorbij, en niet alleen hoffelijkheid verbood te bepalen, hoe dicht zij de dertig naderde. Een waas van jeugd en frischheid sierde het ernstige gelaat, 't welk eer streng dan bevallig zou kunnen genoemd worden, had niet een paar donkere kijkers, donker en vol schitterend licht tevens, dien indruk getemperd. Hare slanke figuur was in een eenvoudig kleedje van bleekblauw neteldoek gehuld. Zij droeg geene sieraden; een breed zwart fluweelen lint met een diamanten kruis om den blanken hals vormde eene smaakvolle uitzondering.

Freule Adèle had waarschijnlijk den naam van André nog nooit gehoord, maar toonde zich zonder den geringsten tegenzin terstond bereid, om het jonge mensch, door haar vader met een vriendelijken wenk aan haar voorgesteld, zoo beleefd mogelijk te woord te staan. Misschien—de veronderstelling is echter gewaagd—stemde André's blijgeestig en vrijmoedig voorkomen haar tot toegevendheid. André had tijdens zijne studiejaren te Leiden geleerd menschen te zien. Zijne houding was kalm, al verried ze soms onbewust eene bescheiden mate van zelfvertrouwen. Hij sprak niet te luid, maar zorgde toch, dat men hem verstaan kon. Zwarte rok en witte das stonden hem uitmuntend bij het glanzige hair en den donkerbruinen krullenden knevel. De eerste de beste schilder zou hem een „pittoresken” kop hebben toegekend.

Het gesprek was op uiterst heuschen toon begonnen.

De storm van dien middag, het zomerseizoen, de residentie, buitenlandsche uitstapjes, gaven aanvankelijk stof tot enkele vragen en antwoorden.

„Men moest eigenlijk niet op reis gaan!”—vervolgde Adèle.—„Den Haag wordt miskend. Heeft u hier al lang gewoond, meneer De Witt?”

„Een jaar, freule!”

„Tijd genoeg om van Den Haag te houden!”

„Mag ik er nog iets bijvoegen?”

„Zeker, maar geen kwaad van onze lieve stad zeggen!”

„In 't minst niet. Den Haag is een heerlijke stad, maar met een beetje moeite zou men er een lustoord van kunnen maken. Er is nog lang niet genoeg partij getrokken van al het mooie, dat men hier voor het grijpen heeft. De pleinen zijn te kaal....”

„De Zwijger....”

„Pardon.... Mag ik nog even voortgaan? De Zwijger staat op het Plein, maar wat zou men niet met dat Plein kunnen doen! Men moest de steenen opbreken, het terrein verhoogen en er een heerlijken bloementuin aanleggen! Twee springenden fonteinen aan beide zijden van het standbeeld, kleine marmeren of bronzen statuën te midden van net onderhouden bloemperken—iets in den geest van het Palais-Royal te Parijs!”

„'n Charmant idee, maar....”

„Ik zou nog meer willen! Is er poëtischer plekje dan het eilandje in den Vijver? Een groot Nederlandsch dichter heeft voor ongeveer tien jaren al gezegd, dat het wit marmeren standbeeld van Constantin Huygens midden uit het groen van het eilandje moest oprijzen!”

„Allerliefst! Vooral voor menschen, die gezonde en krachtige oogen hebben, zou Huygens wel voldoen op het eilandje .... maar, dan zou ik nog een amendement op uw voorstel hebben. Er is nog zooveel plaats op de Plaats! Zouden wij daar geen ruiterstandbeeld voor den stadhouder Willem III, Koning van Engeland, kunnen oprichten?”

„Juist! En tegelijk het standbeeld van koning Willem II van het Buitenhof wegnemen! De held van Quatre-Bras heeft aanspraak op iets beters!”

„Maar, meneer De Witt! waar zouden we een gemeenteraad vinden, die zooveel geld zou willen geven, om Den Haag mooier te maken? Ik vrees, dat we luchtkasteelen bouwen!”

„Luchtkasteelen! Als u daar maar een geschikt architect voor vinden kan, freule!”

Deze laatste woorden werden uitgesproken door iemand, die een fragment van het gesprek scheen verstaan te hebben, en nu diep buigend voor freule Van Berenvelt standhield.

André zag onthutst op. De nieuwe spreker was Jhr. Mr. Van Reelant, de referendaris aan het departement. In zijn zwarten rok zag deze er zoo volmaakt deftig en achtenswaardig uit, dat André in zijne verbeelding het eigenaardig geluid van een kapperschaar meende te hooren en onwillekeurig de rechterhand aan zijn achterhoofd bracht. Freule Van Berenvelt antwoordde Van Reelant glimlachend op den toon van goede bekenden. De referendaris had inderdaad al menig bezoek op den Vijverberg afgelegd, hij had dien middag bij den Baron „gedineerd”, en zelfs aan de rechterhand van freule Adèle gezeten. Dit alles wist André niet, evenmin, dat de heer Van Reelant in blakende gunst stond bij den minister van Buitenlandsche Zaken, en dat Adèle van Berenvelt eenmaal een vorstelijk vermogen van haar vader zou erven.

Toen Van Reelant zich tot Adèle wendde, had hij in een ondeelbaar oogenblik André met een minachtenden blik gemeten, en zich behendig zoo geplaatst, dat hij schijnbaar zonder opzet den jonkman ter zijde drong. André deed of hij niets bemerkte, en ging glimlachend uit den weg. Hij kreeg nu gelegenheid de salons van den secretaris-generaal uiterst bedaard te doorloopen, en een oog te wijden aan de talrijke gasten.

Al de heeren waren in rokken of uniformen: de meesten schenen op zeer bijzondere verdiensten voor Nederland of andere rijken te kunnen bogen, daar zij kleine verzamelingen van ridderkruisjes in het knoopsgat droegen. Een kaal heer met een blozend gezicht droeg een purperrood commandeurslint om den hals. Hij zat bij een drietal bedaagde dames in groot toilet, en luisterde naar een buitengewoon lang heer zonder „decoratiën”, maar met een forschen militairen knevel, die vrij luid in het Fransch eene mededeeling deed, waarover het viertal zich vergunde zeer piano te lachen. Twee jongere Belgische officieren, secretarissen der commissie, hadden zich doen voorstellen aan enkele Nederlandsche jongedames, en vormden eene groep bij een klavier, waarop eene der jeugdige schoonen verondersteld werd later iets te zullen spelen.

André wandelde door de drie salons te midden der hoffelijk sprekende gasten, en zag, dat het laatste vertrek uitkwam in eene luchtige serre, die met twee wijdopenstaande deuren naar een „geïllumineerden” tuin leidde. De koele luchtstroomen van buiten door de serre naar de gezelschapszalen zich een weg banend, hadden veelszins bijgedragen tot tempering der Augustus-warmte. De adem van den nachtwind lokte zoo verkwikkend, dat André zich haastte enkele trappen, uit de serre naar den tuin leidend, af te dalen. Een klein clubje van gasten scheen hetzelfde denkbeeld met hem te deelen. 't Waren eenige jongelui uit „de wereld”, die zich even welstaanshalve op de soirée van Baron Van Berenvelt vertoonden, die even in 't voorbijgaan een glas wijn aanvaarden van de buigende lakeien, en naar eene gelegenheid omzagen, om even ongemerkt eene sigarette te rooken.

André kende niemand onder hen. Hij keerde aanstonds terug. Sommige blikken waren met eene mengeling van spot en nieuwsgierigheid op hem gevestigd. De „gedoreerde” jongelingschap maakte zich vroolijk over de „crinière de lion” van dien onbekende. Zij hielden hem voor een attaché bij een Duitsch gezantschap, en schaterden daarom niet zoo luid, als ze stellig zouden gedaan hebben, indien ze op de hoogte van André's „positie” geweest waren.

Toen André in de serre terugkwam, vond hij eene tweede groep jongelieden, eveneens „jeunesse dorée”, rondom den kalen heer met het blozend gelaat en het commandeurslint geschaard. Een lakei bood bekers „gefrappeerde” champagne aan, en de jongelui oordeelden het geschikt met den commandeur een glaasje te drinken. Onder het gezelschap bevond zich Jonkheer van Bergen Ockenburgh, een aspirant-attaché, die als volontair aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken arbeidde, en door den loop van den dienst een en ander maal met André had kennis gemaakt. Zoodra hij André gewaarwerd, sprak hij hem vriendelijk aan, en trok hem in den kring.

De jongelieden luisterden naar den heer met het commandeurslint, die eene zeer deftige manier van redeneeren in practijk bracht, en overigens op de meest beslissende wijze allerlei vraagstukken van ingewikkelden aard aanroerde. André betrapte zich weldra op eene onweerstaanbare aanvechting, om de duffe algemeenheden des commandeurs tegen te spreken, maar wijl hij nog niet aan dien hoogachtbare was voorgesteld, zweeg hij. Nadat hij zijn verlangen aan Van Berghen Ockenburgh had meegedeeld, trad deze met André naar den kaalhoofdige, en hoorde men hem zeggen:

„Meneer Gronovius! Mag ik u voorstellen meneer André de Witt, ambtenaar aan Buitenlandsche Zaken: Meneer Gronovius....”

„Lid van de Tweede Kamer, en overigens genoeg bekend. Laat dat maar blijven, Van Berghen!”

Met groote jovialiteit had de aangesprokene aldus zich zelven bekend gemaakt. Oogenblikkelijk daarop zich tot André wendend, gaat hij voort:

„Mag ik eens vragen .... is u die meneer De Witt, die een dissertatie over het Vrijhandelsstelsel heeft geschreven?”

„Juist, meneer!”

„Een heel knappe dissertatie! Ik maak je m'n compliment!”

„Ik had niet durven hopen, dat mijne dissertatie buiten Leiden gelezen zou worden!”

„Zoo zie je, meneer De Witt! dat er nog wel op den arbeid van onze studeerende jongelui gelet wordt. Maar dat is altijd m'n systeem geweest. Wij hebben gebrek aan knappe lui in de liberale partij. Wij hebben de meerderheid in getal, we moeten ze ook in talent hebben! En daarom ga ik na, wie er alzoo promoveeren te Leiden en te Utrecht!”

De heer Gronovius sprak met zooveel gezag en tegelijk met zooveel eerbied voor zijne eigen woorden, dat het een zeer eigenaardig schouwspel was hem daar te zien „oreeren”, terwijl André bedaard naar zijne mededeelingen luisterde. De overige jongelieden hadden zich deels uit beleefdheid, deels uit verveling, naar eene andere zijde der serre teruggetrokken, waar zij zich bezighielden met „gefrappeerden” champagne en Haagschen kout.

André had nu overvloedig gelegenheid den heer Gronovius, lid van Tweede Kamer der Staten-Generaal, ridder, officier, commandeur van onderscheiden binnen- en buitenlandsche orden, enz., enz., nauwkeuriger te beschouwen. Zijn kaal voorhoofd en zijne blozende kleur gaven hem iets eerwaardigs, 't welk niet voldoende werd ondersteund door zijne kleine, flikkerende, grijze oogen en de beweeglijke plooien om zijn breeden mond. Behalve het commandeurskruis aan het roode lint, vertoonde een knoopsgat in zijn rok op de linkerborst ene zeldzame „collectie” miniatuurkruisjes van allerlei slag.

Hij sprak intusschen steeds door:

„Het doet mij veel plezier, dat ik u heb leeren kennen, meneer De Witt! Uwe dissertatie belooft iets! Blijf nu niet halverwege staan, maar studeer ijverig verder! De liberale partij heeft behoefte aan knappe lui. Met talent en wetenschap komt men, waar men wezen wil .... dat zie je aan mij! Ik ben nu zes jaar lid van de Tweede Kamer, en ik heb het dagelijks ondervonden. Waarom halen sommige menschen hun schouders op over de leden der liberale partij, meneer de Witt?”

„Doen ze dat wezenlijk?”

„Hoe lang ben je nu in Den Haag?”

„Een jaar....”

„Dan hadt je kunnen weten, dat sommige lui hun schouders ophalen over de leden der liberale partij! En waarom doen ze dat? Ik zal het je zeggen, meneer De Witt! Van '48 heb ik alles meegemaakt. Toen de grondwet er door was, begon de strijd van de partijen. Eene groote aristocratisch-conservatieve partij begon met ons personeel belachelijk te maken. Vooreerst werd er gelachen om de burgerlijke eenvoudigheid van Thorbecke, maar dat duurde niet lang, toen Thorbecke aan het werk ging in 1849. Een Romeinsch keizer, meneer De Witt! placht te zeggen: „Oderint dum metuant!1) en dat mocht Thorbecke met volle recht van zijne staatkundige tegenstanders zeggen!”

De plechtigheid, waarmee de heer Gronovius dit alles voordroeg, legde André onwillekeurig het zwijgen op. Hij had gedurende den woordenstroom van het kamerlid, zijn best gedaan zich te herinneren wie de heer Gronovius eigenlijk mocht zijn, daar zijn naam hem niet onbekend was. Na eenig peinzen, viel het hem te binnen, dat de provinciale staten van Overijsel in 1847 een deftig notaris uit Zwolle, den heer Gronovius, naar de Tweede Kamer afvaardigden, en dat de kiezers van het hoofdkiesdistrict Zwolle die keuze in 1848 en 1851 hadden bevestigd. Hij meende tevens iets te weten van den invloed door den heer Gronovius in de Tweede Kamer geoefend, maar de juiste toedracht van zaken ontsnapte hem nog.

De groote heer noodigde André uit eenige stappen verder te gaan, om buiten het gehoor der heen en weer loopenden het onderhoud rustiger voort te zetten.

„U kan nu gemakkelijk berekenen, meneer De Witt! waarom men de schouders ophaalde voor sommige leden der liberale partij! Moest men Thorbecke met rust laten, zijne vrienden hadden het harder te verantwoorden. Enkele leden der liberale partij uit de noordelijke provinciën maakten een zonderling figuur, dat is waar, en daarom hadden de aristocraten en conservatieven eene schoone gelegenheid de nieuwe grondwet en de directe verkiezingen belachelijk te maken!”

„Een vrij onschuldig plezier, dat men aan die heeren wel kan gunnen!”

„Zeg dat niet, meneer De Witt! De liberale partij moet niet alleen de numerieke meerderheid, maar ook de algemeene achting hebben! Onze mannen moeten overal gezien zijn. In de eerste plaats aan het Hof en in de hofkringen....”

Bijna fluisterend en met eene zeer geheimzinnige uitdrukking heeft de beroemde heer Gronovius deze laatste woorden aan André's oor gezegd.

De jonkman staart hem uitvorschend in de rollende, grijze oogen, en antwoordt:

„Dat begrijp ik niet!”

„Wel dat verwondert me, meneer De Witt! Een jong mensch met uwe capaciteiten moest dat begrijpen. Het is zeer noodzakelijk, dat de knappe lui onder onze partij elkaar in dit opzicht verstaan. Liberaal of conservatief, behooren de ministers, de leden der beide kamers, de leden der hooge collegiën van staat aan 't Hof, zonder onderscheid, met welwillendheid ontvangen te worden. Dit is een der eerste beginselen van constitutioneel staatsrecht. Hoe zegt men in Engeland, meneer De Witt? Her Majesty's loyal opposition! Vergeet dit niet!”

Een lakei met bekers champagne stoorde hun onderhoud. De heer Gronovius zette zijne dikke lippen maar even aan het glas, daar de aandacht van André, die naar de voorbijtrekkende gasten begon te staren, hem scheen te ontsnappen. Hij ging haastig voort:

„Nu ik het toevallig plezier heb, meneer De Witt! u bij mijn vriend Van Berenvelt te ontmoeten, kan ik niet nalaten u een en ander op het hart te drukken. Bewijs aan de lui, dat er ook fatsoenlijke menschen onder de liberalen zijn! Wij moeten ons vertoonen in de aanzienlijkste kringen. Uitstekende menschen allemaal! En niemendal moeielijk voor een wezenlijk fatsoenlijk man om in die kringen opgenomen te worden, dat zie je aan mij!”

André verlangde aan de mededeelzaamheid van den grooten Gronovius te ontkomen, maar hij bevond zich in een hoek der serre. Hij wilde niet opzettelijk onbeleefd zijn. Zijn nieuwe vriend sprak op zulk een ongemeen afdoenden, bijna commandeerenden toon, dat het moeilijk was een glimlach te onderdrukken of wel iets scherps te verzwijgen. De heer Gronovius vermoedde hoegenaamd niets van den zielstoestand zijns jeugdigen vriends, en hernam met betoon van groote nederigheid:

„Het is mij hier in Den Haag nogal meegeloopen! Enkelen van mijn liberale kennissen hebben mij kwalijk genomen, dat ik aan het Hof kom, en met de wereld omga.... Enfin, dat gaat zoo! U, meneer De Witt! raad ik aan de vriendschap van meneer Van Berenvelt op hoogen prijs te stellen! Het zal u niet moeielijk vallen aan de meeste familiën gepresenteerd te worden! Kent u hier het personeel al zoowat?”

„Pardon, Meneer Gronovius! Ik wilde....”

„Heel goed! Laat ons saam eens door de salons wandelen! Ik zal u dan met den een of ander in kennis kunnen brengen!”

André volgde, en bedwong een zucht van verlossing.

De knappe heer Gronovius leidde hem langzaam door het eerste vertrek. Hij ving aan fluisterend te spreken, en zich telkens tot André over te buigen:

„Van avond zijn er veel absenten! 'n Slecht seizoen voor een soirée! Dat kan nu niet anders met die Belgische artilleristen. De meeste leden van de Tweede Kamer zijn uit de stad. De aristocratie ontspant zich te Baden of te Homburg. Het corps diplomatique is nog het best vertegenwoordigd, omdat de meesten op hun post moeten blijven!”

André volgde zwijgend. De plotselinge sympathie, hem ten deel gevallen van de zijde des beroemden heeren Gronovius, verbaasde hem. Dit alles aan de lezing zijner dissertatie toe te schrijven, verbood hem de rede. Het scheen hem meer en meer, dat de groote staatsman dien avond zijne gewone vrienden miste, en dat hij iemand noodig had aan wien hij zijne verheven uitspraken vol gezag en majesteit kon mededeelen.

Terwijl zij voortwandelen, noemt het kamerlid de namen der verschillende gasten:

„Die lange heer, daar ginder, meneer De Witt! is een zeer merkwaardig man. Hij is attaché bij de Russische ambassade—graaf Tchitchikoff, millionnair, zeer gezien bij ons Hof. Hij bezit groote talenten in den gezelligen omgang, zingt, danst, goochelt en vervult de comische rollen in onze „comédie de société”. Ik zal u aan hem voorstellen!”

„Liever niet!”

„Hoe is het mogelijk? Het kan nooit kwaad kennissen in Rusland te hebben!”

André begreep, dat kennissen in Rusland van groot nut zijn tot het dingen naar Russische ridderorden, en vermoedde daarbij, dat een Russisch kruisje nog aan de „collectie” van den heer Gronovius ontbrak.

Hun tocht voortzettend vestigde de laatste zijn oog op den beleefden gastheer, die thans audiëntie verleende aan Van Reelant.

Gronovius fluisterde aanstonds:

„Meneer De Witt! Let nu eens op dien heer met dat gunstige voorkomen en dien blonden knevel. Dat is de pas benoemde referendaris bij Buitenlandsche Zaken, de heer Van Reelant. Een maand geleden is hij hier gekomen en nu spreekt ieder al met achting van hem. Dat jonge mensch zal carrière maken. Kennis van menschen en zaken bezit hij in hooge mate, ik heb er mij bij herhaling van overtuigd!”

Zulk eene getuigenis was allervleiendst voor Van Reelant, te meer nu een man als Gronovius haar uitsprak. De waarheid was, dat het den nieuwen referendaris bijzonder weinig moeite gekost had, deze gunstige meening omtrent zijn persoon en talenten te vestigen. Hij volgde eene zeer eenvoudige politiek—hij zweeg. Van Reelant legde buitengewone bekwaamheid aan den dag in de kunst van zwijgen. Hij luisterde daarbij met nog grooter talent. De heer Gronovius had soms een uur lang met Van Reelant op de aangenaamste wijze geredeneerd, daar men hem alleen het woord liet, of er enkel een bescheiden volzin aan waagde, als de stroom der ideeën trager dreigde te vloeien. Bij de deftige heeren uit de hoogste Haagsche kringen was er maar ééne stem over Van Reelant—„een uitstekend bekwaam ambtenaar.”

André had bij de lofspraak van den heer Gronovius de schouders opgetrokken. Openhartig, zelfs eenigszins vermetel riep hij uit:

„Mij viel de eer niet te beurt den nieuwen referendaris nader te leeren kennen. Ik werd aan hem voorgesteld, en zag hem een paar maal in het ministerie, dat is alles. Me dunkt, dat hij zijn positie louter aan protectie dankt. Toen de oude heer Mérelles stierf, heeft een hoofdcommies, mijn vriend Wythoff, maanden achtereen de functiën van referendaris waargenomen. Ongelukkig komt er in April een oproertje in de Kamer over de bisschoppen. Er volgt een nieuw ministerie, en bij de eerste benoeming aan Buitenlandsche Zaken wordt niet Wythoff gepromoveerd, maar krijgen we een wildvreemd heer uit een der noordelijke provinciën,—nota bene, griffier bij een kantongerecht!”

De vermaarde heer Gronovius bleef mijmerend stilstaan. Hij zag André met een bezorgden blik aan.

„Meneer De Witt! Het doet me plezier, dat ik het merk! Ik kan je een goeden raad geven! Spreek nooit zoo luid over je chefs! Meneer Van Reelant is boven je geplaatst, dus behoor je de ambtelijke hiërarchie te eerbiedigen. Wat zou er van onze staatsadministratie terecht komen zonder ambtelijke hiërarchie? Ik ben liberaal, dat weet je! Ik heb de Aprilbeweging met leede oogen zien ontstaan, maar nu het nieuwe ministerie er eenmaal is, zou ik in uw plaats geen critiek oefenen over benoemingen. Dat is de weg niet door een jong, talentvol ambtenaar in te slaan. Weet je, wat je hadt moeten doen? Je hadt den nieuwen referendaris moeten opzoeken .... nader kennis maken.... Laat ons te zaam Van Reelant eens aanspreken....”

Het werd André te eng in het schitterend salon van den secretaris-generaal. Hij bemerkte niet, dat hij lomp genoeg was den edelmogenden Gronovius op antwoord te doen wachten.

Deze laatste viel daarom haastig in:

„Jongelui kunnen dikwijls nog veel leeren, meneer De Witt! Wetenschappelijke kennis alleen is niet genoeg! Ik heb u een wenk gegeven, laat het daarbij blijven.... Wel, wel, freule Albertine! hoe vaart u?”

Deze laatste woorden, met groote hartelijkheid uitgesproken, werden gericht tot een jong meisje van twaalf of dertien jaren.

Freule Albertine was de tweede en jongste dochter van den Baron Van Berenvelt. In het hagelwitte kleedje, de lange golvende zwarte haren met purperroode zijde strikken opgenomen, zag zij er zeer bekoorlijk uit. Toen de heer Gronovius haar aansprak, stond zij stil met een uitdagend glimlachje.

Gronovius, die tot nog toe niemand aan André had kunnen voorstellen, maakte van de gelegenheid gebruik, en zei plechtig:

„Freule Albertine! Mag ik het genoegen hebben u te presenteeren meneer De Witt, ambtenaar aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken!”

André boog beleefd, maar de uitdrukking van zijne trekken verried, dat hij de plechtigheid wat overdreven vond. Het jonge meisje keek hem onverschrokken aan, en vroeg met een allerliefst air van nederbuigende vriendelijkheid:

„Bevalt u de soirée, meneer?”

„Uitstekend, freule!”

„Wat mij betreft, ik verveel me!”

„Zoo, freule!”

„Ja, ziet u! Adèle had me beloofd, dat er muziek zou gemaakt worden! Ik houd dol van muziek. Ik zou wel den heelen dag muziek willen maken! Ik kom alleen om wat te hooren spelen, en nu is er niemand, die van muziek spreekt!”

„Daar ginder heb ik eene pianino zien staan....”

„Mijn pianino!”

„Maar, freule als u zelve eens....”

„Ik speel nog niet in 't publiek, meneer!”

„Dan zou misschien uwe zuster....”

„Ga maar mee! Wij zullen 't haar vragen!”

Vrijmoedig en schalks wenkte freule Albertine, en André had plezier genoeg in het guitige kind, om terstond aan haar verzoek te voldoen. De heer Gronovius werd juist op dit punt des tijds aangesproken door graaf Tchitchikoff, welke laatste den geachten Nederlandschen staatsman in kennis wilde brengen met een Belgisch kolonel der artillerie.

André en zijne jonge vriendin zochten een oogenblik, en vonden Adèle in vriendelijk gesprek met drie bedaagde, buitengewoon leelijke freules, dochters van een overleden, hooggeacht generaal. Albertine vloog naar hare zuster, en zei met kinderlijke levendigheid:

„Adèle! Laat nu iemand eens wat spelen!”—En met den vinger André aanwijzende:—„Meneer hier houdt ook zooveel van muziek!”

Mejonkvrouw Van Berenvelt sprak zacht een paar woorden met Albertine. Deze trok plotseling een verdrietig gezichtje, en sloop heen zonder zelfs André te groeten.

„Meneer De Witt!”—zei freule Adèle, terwijl zij de schitterende zwarte oogen naar André wendde—„ons gesprek werd zooeven gestoord, toen ik u iets wilde vragen. Wie was het toch, die het eerst op het denkbeeld kwam, om een standbeeld aan den dichter Huygens te geven midden onder het groen van het eilandje in den Vijver?”

„Dat was Potgieter, freule!”

„Dacht ik het niet! Wij lezen zooveel Engelsch en Fransch, dat wij onze Hollandsche auteurs verwaarloozen!”

„Het is nu bijna tien jaren geleden, dat onze beste prozaschrijver dezen wensch bij wijze van verzuchting uitsprak in het tijdschrift „De Gids”. Misschien is het u toen ontgaan, freule!”

„Zoo is het, meneer De Witt! De gedachte trof mij, maar er is, vrees ik, niet veel kans tot verwezenlijking van dit lieve denkbeeld. Elken dag kijk ik uit mijn venster een poosje naar het schilderachtig eilandje.... Er zal, vrees ik, geen terrein genoeg zijn voor een standbeeld, wanneer men de mooiste boomen behouden wil!”

„Een technisch bezwaar, freule! Misschien zal later een vriend van Huygens en Potgieter het oplossen!”

„In dat geval zal ik uw plan met plezier ondersteunen, als het wat helpen kan!”

André wilde iets hoffelijks antwoorden, maar werd ten tweeden male gestoord door Van Reelant, die, zijn ineengeslagen hoed sierlijk onder den linkerarm dragend, eene diepe buiging maakte, en haastig sprak:

„Ik kom afscheid nemen, freule!”

„Nu al, meneer Van Reelant?”

„Tot mijn spijt, freule!”

André trad nogmaals ter zijde. De referendaris scheen van den ondergeschikten ambtenaar geen „notitie” te willen nemen. Misschien keurde hij het af in zijn buitengemeen goedhartigen vriend Van Berenvelt, dat deze zulk slag van menschen bij zich aan huis ontving. André verdween onder de gasten. De drie oude vogelverschriksters fluisterden eene poos over dat „knappe” jongemensch met die „mooie” bruine oogen en dien „mooien” bruinen knevel, en volgden toen met een verstrooid gemoed de woordenwisseling tusschen Adèle en Van Reelant.

Deze laatste wijdde een oogenblik uit over de staatszorgen, over zijn ambt en de vele bezigheden, waardoor hij een deel zijner avonden aan ernstigen arbeid moest offeren. Plotseling zich bedenkende, voegde hij er bij:

„Maar ik mocht u wel mijne excuses maken, dat ik u telkens stoor, freule! Ik schijn de lui op de vlucht te drijven!”

„U bedoelt meneer De Witt?”

„Juist! Hij heet De Witt, dat jonge mensch, dat de uitvinding der kappers en hairkunstenaars niet schijnt aan te moedigen!”

Adèle glimlachte niet, zooals Van Reelant verwacht had. Zij scheen de geestige teekening op haar waaier een oogenblik te bekijken. Van Reelant verweet zich heimelijk, dat hij niet voorzichtiger geweest was. De schoone tactiek van zwijgen en luisteren paste hij overal elders toe .... met den Baron Van Berenvelt en zijne dochter daarentegen poogde hij zooveel mogelijk een ongedwongen toon aan te slaan. Nu trachtte hij zich terstond een eervollen aftocht te verzekeren. Hij sprak snel door, en roerde met groote handigheid vele nieuwe onderwerpen aan. Adèle antwoordde beleefd. De schaduw, door André tusschen hen beiden geworpen, was verdwenen.

Plotseling zag de jonkvrouw Van Berenvelt van ganscher harte glimlachend naar Van Reelant op, en vroeg ze:

„Heeft u kennis gemaakt met Graaf Tchitchikoff?”

„Om u te dienen, freule!”

Adèle maakte eene beweging met haar waaier.

Oogenblikkelijk daarop stond de Russische attaché naast haar. 't Was een zeer lang en zeer mager heer zonder leeftijd. Men kon hem op dertig en op zestig jaren schatten. De haren, die zijn hoofd kunstrijk versierden, waren van het fraaiste zwart, dat ooit eenig „coiffeur” had uitgevonden. Zoo ook was de doorzichtige knevel, zoo waren de schrale „favoris”, terwijl zijne wangen schitterden van hetzelfde fraaie rood, dat op zijne lippen pronkte. Zijne stem klonk sleepend en krijschend. Hij sprak vloeiend Fransch.

Adèle, die hem had opgemerkt en geroepen, zei hem in dezelfde taal:

„Mijn waarde Graaf! Onze vriend Van Reelant heeft zulk een haast, dat hij ons nu al verlaat. Ik moet u daarom gauw iets vragen. Heeft u aan onze „comédie de société” gedacht? Meneer Van Reelant moet ons helpen, niet waar?”

Graaf Tchitchikoff boog, als volleerd hoveling.

Krassend, krakend en ratelend met iedere r, antwoordde hij:

„'n Charmant idee van u, freule! We hebben juist nog een „rôle de caractère” noodig. Als meneer Van Reelant misschien zoo goed wilde zijn?”

De aangesprokene streed met geen kleine verlegenheid, maar zonder eenige aarzeling zeide hij:

„Het zou mij eene bijzondere eer zijn, maar ik mag u niet verzwijgen, dat ik hoegenaamd geen aanleg heb voor comedie-spelen, en dat ik nooit vijf regels achter elkaar heb kunnen van buiten leeren!”

Adèle schudde het hoofd.

„Misschien heeft meneer Tchitchikoff dan wel een ander emplooi voor meneer Van Reelant. Wij moeten al onze krachten gebruiken. Ik stel het grootste belang in onze „comédie”. Tegen het naderen van den herfst moeten onze plannen klaar zijn. Van middag heb ik u er over gesproken, meneer Van Reelant!”

„Het was voor mij een alleraangenaamste onderscheiding, freule! Ik stel mij geheel tot uwe dispositie!”

Graaf Tchitchikoff glimlachte altijd eenige oogenblikken, voordat hij begon te spreken. Na zulk eene kleine pauze, haastte hij zich te zeggen:

„Ons gezelschap mist nog een knappen tweeden régisseur! Als ik zelf een rol heb—en dat komt in den regel voor—dan mis ik iemand, die mijn functie van eersten régisseur kan waarnemen! Wat zou u daarvan denken, mijn waarde heer Van Reelant?”

„Nu het de wil van freule Van Berenvelt is, bestaat er bij mij geen bezwaar, en neem ik uw vriendelijk voorstel aan. Ik hoop evenwel, dat mijn eerambt mij niet te veel tijd zal kosten!”

„Dat zal er van afhangen!”—zeide Adèle glimlachend.—„Wanneer u een talentvol régisseur wil zijn, meneer Van Reelant! dient u zich een beetje te sacrifiëeren!”

„Gaarne, freule! Maar ik weet zeker, dat ik geen enkel talent bezit! Adieu, freule!”

„Adieu, meneer Van Reelant!”

Een beleefde groet werd tusschen de heeren gewisseld, en daarna sloop de vriendelijk glimlachende referendaris voorzichtig door de gasten, om zonder opschudding te verdwijnen. Baron Van Berenvelt wist, dat groote ijver voor 's lands dienst den nauwgezetten ambtenaar zoo spoedig deed vertrekken.


1) „Ze mogen mij haten, als ze mij maar vreezen.”

ZESDE HOOFDSTUK.

Raadgevingen van Egeria.

De vier lakeien in gala lieten Van Reelant met buitengewoon diepe buigingen uit. De referendaris wist, dat de stalen hoogmoed van dergelijk bediendenvolk door zilveren Nederlandsche standaardpenningen kon worden omgetooverd tot kruipende beleefdheid, en hij verzuimde nooit er de proef van te nemen. Bovendien verlangde hij bij de Van Berenvelts voor ieder een welkome gast te blijven.

Het was nog vroeg. Nauwelijks halfelf. Op den Vijverberg zweefde de koele adem van den nachtwind. Boven het Binnenhof tintelden millioenen starren, de licht gerimpelde oppervlakte van den Vijver weerkaatste ze hier en daar. Onder de lindenlaan aan den waterkant te wandelen, was nu een waar genot. Van Reelant vermeide er zich in de geheimzinnige zwoelte van den zomernacht, na de drukkende hitte des dags met duizenden stemmen lokkend tot verademing en rust.

Hij was tevreden. Er ruischte een vroolijk lied in zijne ooren. Zoo moest het komen. In den kring der Van Berenvelts ontmoette hij langzaam de geheele aanzienlijke wereld der residentie. Men bejegende hem met zeker ontzag, en liet duidelijk doorschemeren, dat men hem voor een „serieus” en „geposeerd” man hield. Hij werd niet versleten voor een dier modeplaatjes uit de „jeunesse dorée”, welke met hem niets gemeen hadden, dan den „fournisseur de la Cour”, Emile van Pommeren, fils, aan welken ook hij, als tevreden „locataire” de zorg voor zijn toilet had opgedragen. Ieder begreep, dat hij geen jongmensch meer was, dat hij geene behoefte meer had aan die onuitputtelijke reeks van smakelooze en peperdure genietingen, welke het leven van een aanzienlijk Haagsch bachelor plegen te .... verkorten. Hij was matig in alles, roerde nooit een kaart aan, en volgde nimmer het voorbeeld zijner jeugdige kennissen, wanneer deze zich op hunne galante heldenfeiten te goed deden, daar hij vast besloten had op dit terrein geen enkelen lauwer te verdienen. Het voorstel van Adèle van Berenvelt was hem aangenamer geweest, dan hij wel had willen doen blijken. Hij wist, dat de „comédie de société” sinds eenigen tijd in de mode was. Op het tooneel te verschijnen scheen hem met de waardigheid van zijn persoon niet overeen te stemmen. Hij moest dit overlaten aan mannen als Tchitchikoff....

Evenwel .... Adèle! Mejonkvrouw Van Berenvelt stelde belang in de zaak. Zij had hem verzekerd, dat zij zelve herhaaldelijk in „proverbes”, of kleine blijspelen van Alfred de Muset, Octave Feuillet, Henri Murger of Mme. de Girardin had meegespeeld. Het scheen hem niet ongepast deel te nemen aan deze geestige oefeningen in de tooneelspeelkunst. Onder voorwendsel van régisseur te zijn, zou hem de gelegenheid open staan zijn invloed op oud en jong te versterken. Zonder een vast plan, volkomen geheel en afgerond, waagde hij zich aan niets. Hij had een afkeer van het onverwachte en het onzekere. Daarom had hij, na rijp overleg, besloten, zich een schitterend doel te stellen—de hand van Adèle....

De Baron Van Berenvelt stond op de lijst der voor Zuid-Holland hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen. Zijn zeer aanzienlijk fortuin zou na zijn dood geen al te groote versnippering ondergaan. Adèle en Albertine waren zijne eenige kinderen. De zaak was zoo goed „financiëel” als „moreel” van het hoogste gewicht voor hem. De groote vraag was evenwel, zou Adèle zijn plan begunstigen....

Van Reelant wandelt aan den Vijverzoom langzaam op en neer. Hij heeft eene sigaar—de sigarette is hem te verwijfd—ontstoken, en mijmert, terwijl zijn oog zich van tijd tot tijd naar het hooge huis der Van Berenvelts richt. Met den Baron zou alles waarschijnlijk goed gaan. Haast zes weken viel hem het voorrecht te beurt den secretaris-generaal dagelijks te zien, en nu al was hij zeker, dat hij het vertrouwen en de vriendschap van den hoogst achtenswaardigen man had gewonnen. Werkzamer en ijveriger ambtenaar, dan hij zelf was, zou moeielijk zijn op te sporen. Ook getroostte hij zich de grootste inspanning, om al de voorkomende quaestiën aan het ministerie zoo grondig mogelijk te bestudeeren. Hij verraste zijn chef menigmaal door zijne degelijke adviezen, en toonde een tact en kennis, die niet onopgemerkt konden blijven. Zijn ernstig voornemen was het, zich voortdurend onmisbaarder te maken bij den secretaris-generaal en den minister, om eindelijk, al kostte het jaren van onafgebroken arbeid, de invloedrijkste man aan Buitenlandsche Zaken te worden.

Dit alles mocht uitstekend zijn overlegd, maar stond niet in 't minst verband tot Adèle. Door den Baron aan dezes gastvrije tafel genoodigd met eene heuschheid, die boven zijn lof verheven was, had Van Reelant de meeste eerbiedige hulde geboden aan de oudste dochter des huizes. Adèle bleek geene alledaagsche persoonlijkheid. Zij openbaarde geest en vernuft in hare gesprekken, maar bewaarde daarbij een akeligen afstand tegenover de jongelui, wie de eer te beurt viel, aan haar te worden voorgesteld. Intusschen mocht hieruit niets ongunstigs worden afgeleid. Eerst na langdurige kennismaking, na verloop van jaren misschien, zou de hand van eene fijn ontwikkelde en edele jonkvrouw als Adèle te winnen zijn.... Maar dit stond vast: Van Reelant had met heel zijne geestkracht, met al de volharding, die hem eigen was, besloten, dat hij ze eenmaal, na langer of korter tijdsverloop, na heviger of kalmer strijd, na dieper of lichter vernedering, zou winnen, het mocht kosten, wat het wilde....

Terwijl hij met dit plan voor de toekomst gewapend langzaam den weg insloeg naar de Hoogstraat, terwijl hij glimlachend op de stoep voor het kapitale winkelhuis van den schitterenden hofleverancier Emile van Pommeren, fils, stilstond, wierp hij toevallig een blik naar boven.

Het derde venster der bovenverdieping was schitterend verlicht....

Hem ontsnapte eene uitroeping, die niet aan het woordenboek van een fatsoenlijk man ontleend was.

IJlings opende hij de deur, en snelde hij de trap op....


Anderhalf uur vroeger had mevrouw De Huibert, uitgelokt door den heerlijken zomernacht, eene dunne kanten mantille over het laag uitgesneden zilvergrijze kleedje geworpen en besloot zij, daar de geheele familie De Milde den avond te Scheveningen doorbracht, eene wandeling te maken. Suze had zich een paar dagen uiterst rustig bezig gehouden, om haar kwartier in het Westeinde zoo bewoonbaar mogelijk te maken. Ook had ze voor haar toilet te zorgen. De laatste zes weken hadden haar in dit opzicht veel te doen overgelaten. Met de uiterste vlijt had zij zich van deze gewichtige taak gekweten. Overvloed van bezigheden had den tijd met een tooverstaf op de vlucht gedreven. Thans wilde zij een oogenblik verpoozing zoeken.

Het was nog zwoel en drukkend in het Westeinde. Zij schreed langzaam vooruit. Toen zij bij de Groenmarkt gekomen was, liep zij sneller. Zij naderde haar doel. In de Hoogstraat stond zij stil op de stoep van Emile van Pommeren, fils. Zonder eenige ontroering bracht zij haar verguld sleuteltje te voorschijn, en opende zij de deur van Van Reelant's bovenwoning. IJlings verdween ze, de deur voorzichtig sluitend, en snelde ze de trap op. Een zwak licht flikkerde op het portaal in de hanglantaarn van donkerrood glas. Haastig snelde ze naar de voorkamer. Alles was donker. De gaslantaarns uit de Hoogstraat wierpen eene schemering van licht naar binnen. Het kabinetje was even donker. Achter in de werk- en in de slaapkamer van Van Reelant was geen zweem van licht. De heer des huizes was uitgegaan .... bittere teleurstelling .... de eerste!

Suze laat zich niet ontmoedigen. Zij kan blijven. Arnold zal misschien onmiddellijk terugkomen. Hij verwacht haar elken avond. Dat was de afspraak. Zij zou komen zoo dikwijls het maar mogelijk was. Zij heeft van Zondag tot Donderdag geaarzeld. Daar zij aan Van Reelant iets te vragen heeft, denkt zij niet aan terugkeeren. Bovendien Arnold zal haar met blijdschap verwelkomen. Reeds had zij heimlijk op een episteltje gehoopt, daar hij haar adres kende. Den vorigen Zondag had hij haar duizendmaal van zijne vurige liefde gesproken....

Suze grijpt eene doos met waslucifers, en ontsteekt eene bougie. Er klinkt eene schelle stem:

„Is u daar, meneer?”

Voetstappen naderen op het portaal. Aan de geopende deur vertoont zich de corpulente figuur van eene oude juffrouw in 't zwart, met eene zwarte muts en een zwart zijden boezelaar. Zoodra zij Suze ontdekt, roept zij hevig ontsteld:

„Heer in den Hemel! Wat .... is dat?”

„Stel u gerust. Meneer Van Reelant heeft mij geïnviteerd!”

Sprakeloos bleef de oude juffrouw staan, en tuurde niet zonder eene behoorlijke mate van wantrouwen naar de indringster.

Suze begreep, dat zij de oude Anna voor zich had, de huishoudster van den uitstekenden hofleverancier Emile van Pommeren, fils, de deftige verzorgster van Van Reelant's huiselijke belangen.

De oude juffrouw scheen bijzonder snel uit het veld geslagen, want zij viel op een stoel bij de deur neer, en mompelde bevend:

„Is me dat schrikken.... Ik draai met de kamer in 't rond.... Meneer heeft me niet gewaarschuwd! En meneer is uit dineeren.... 't Is wat te zeggen!”

Suze wilde haar zoo snel mogelijk van achterdochtige vrees genezen, en zei daarom deftig, uit de hoogte:

„Het spijt me, dat meneer Van Reelant u niet waarschuwde! Voor mij behoeft u niet te schrikken. Ik ben mevrouw De Huibert, schoonzuster van meneer!”

De corpulente huishoudster slaakte een kreet van verademing. Zij stond langzaam en zuchtend op.

„Daar heeft meneer ook nooit iets van gezegd! Maar ik wil u wel gelooven, mevrouw! Mag ik alleen maar vragen, hoe komt u hier boven .... de deur is gesloten!”

Suze nam het gulden sleuteltje, en kwam een stap nader tot de huishoudster. Daar zij oude Anna noodig had, ook voor de toekomst, zei ze heel vriendelijk:

„Hier is de sleutel, dien meneer me Zondag heeft gegeven! Ik zal u de waarheid zeggen. Er zijn groote onaangenaamheden in onze familie, Juffrouw! Niemand mag weten, dat ik met meneer Van Reelant kom spreken! Ik hoop dus, dat u zoo vriendelijk zal wezen van net te doen, of u mij niet ziet!”

Zeer behendig nadert Suze oude Anna, en, terwijl ze haar voorbijloopt, legt ze bijna ongemerkt iets in de hand der verschrikte huishoudster. Deze laat het zich welgevallen—het gewicht pleit voor de waarde .... maar toch kan de oude nog alle achterdocht niet laten varen. Zij heeft eene voorstelling van dieven en inbrekers uit hare krantenlectuur opgedaan, die haar thans uitermate voorzichtig maakt. Suzes voorkomen en toilet stellen haar evenwel voor een goed deel gerust. Ervaringen van allerlei aard uit haar „veelbewogen” leven—als hare kranten zouden zeggen—wegen op tegen hare vrees. Zij heeft reeds veel beleefd, en daarenboven nog veel geleerd in de laatste tien jaren, als huishoudster van den voortreffelijken Van Pommeren „fournisseur de la Cour.”

Zich snel bezinnend, zegt ze:

„Mevrouw zal het hoop ik niet kwalijk nemen! Ik wist niet, dat mevrouw komen zou! Ik zal gauw de lamp aansteken!”

De corpulente openbaart nu eene groote bedrijvigheid. Zij neemt eene sierlijke porseleinen lamp van den schoorsteenmantel. Zij gaat Suze voor naar het gezellig kabinetje, waar dagbladen en tijdschriften klaar liggen, en de brandende lamp een helder licht in alle hoeken werpt. Bedaard overlegde de oude bij zich zelve, wat haar in dit geval te doen stond. Meneer Van Reelant ging zelden uit, en kwam altijd voor elven thuis. Zij zou onder een of ander voorwendsel kunnen wachten, een praatje maken, en zoo het tijdstip verbeiden, dat meneer terugkwam. Reeds wilde ze zich familiaar op een leunstoel bij de tafel zetten, en een lang verhaal van haar leven beginnen, toen Suze zeer droog zei:

„Ik wil u niet ophouden, juffrouw!”

Oogenblikkelijk greep mevrouw de „Oprechte Haarlemmer”, en verdiepte zich in de advertentiën.

De stellige toon deed de babbelzieke oude ontstellen. Zij waagde nog eene poging.

„Kan ik mevrouw soms met iets dienen?”

„Dank u, juffrouw!”

Ditmaal was de toon gebiedend. Er bleef niets anders over dan in zich zelve murmelend heen te gaan. Maar ze vertrouwde de zaak nog niet. Zij besloot de bovenverdieping in stilte te bewaken. Zij koos een veilig observatorium achter de openstaande deur van Van Reelant's studeervertrek. Zij wilde weten wat de geheimzinnige dame in 't schild voerde. Als deze werkelijk de schoonzuster van meneer was, als zij werkelijk het sleuteltje van meneer had ontvangen, dan zou Anna zich met de zaak niet verder bemoeien—zij kon zwijgen. Ook kwam hier in dit geval het honorarium in aanmerking .... het eerste wichtige stuk voelde zij al in den zak van haar zijden voorschoot.

Geruimen tijd toefde de oude huishoudster achter de deur. Zij vernam niets dan geritsel van kranten en papieren in het kabinetje—anders bleef alles stil. Eindelijk hoort ze beneden aan de trap de deur, die haastig ontsloten wordt. Anna sluipt snel te voorschijn. Driftig komt Van Reelant naar boven stormen. In het flauwe, roodachtige licht der hanglantaarn staat de huishoudster raadselachtig met den vinger op de lippen.

„Wat is er?”

„Uw schoonzuster is binnen!”

„Mijn schoonzuster....”

„Ja wel! Ze is met meneers sleutel binnengekomen. Ik moet maar net doen, of ik haar niet zie!”

Van Reelant deed een onbestemd tusschenwerpsel hooren, waardoor hij te kennen gaf, dat hij alles begreep....

Aanstonds zendt hij Anna met een geruststellend woord weg. Toornig naar boven gekomen, is hij thans door het bericht der oude schijnbaar volkomen tevreden gesteld. Suze heeft zich de weelde veroorloofd voor zijne schoonzuster op te treden.... IJlings snelt hij door de voorkamer naar het kabinetje.

Suze had van het gefluister aan de trap niets verstaan. Zij blijft achteloos uitgestrekt in den gemakkelijken, lagen leunstoel, en tuurt naar den ingang van het kabinetje, daar het blauw damasten deurgordijn, als gewoonlijk, wijd is weggeschoven. Stappen klinken. Oogenblikkelijk staat Van Reelant in zwarten rok en witte das, als overgoten en omstraald met een waas van voornaamheid en aanzienlijkheid, bij den ingang der kamer. Eéne seconde aarzelde hij, toen boog hij de knie, en omhelsde hij haar. De sprekende, donkere oogen vestigden zich onderzoekend op zijn gelaat. Van Reelant glimlachte, hij gevoelde zich onder den invloed der oude tooverkracht, en bood niet den minsten tegenstand.

Toch had hij een ondeelbaar oogenblik van wrevel moeten overwinnen. Reeds drie dagen achtereen had hij er over nagedacht, welke gevolgen Suze's komst naar Den Haag voor hem zouden opleveren. Dat hij haar den vorigen Zondag met blijdschap had ontvangen, dat hij onder de macht van zijn eigen hartstocht haar had gevleid en gehuldigd als de eenige vrouw, die hij ooit zou liefhebben, dat waren feiten, waaraan niet veel te veranderen viel. Dit alles stond in het nauwste verband met de twee onaangename jaren in Osterwolde gesleten. Indien Suze eens misbruik wilde maken van haar overwicht .... indien zij eens telken avond met denzelfden weemoedig-vriendelijken glimlach aan zijne zijde kwam staan .... hoe zou hij haar kunnen doen gewaarworden, dat zij van .... illusiën leefde?

De overweging van dezen toestand maakte hem dikwijls angstig. Nu hij eenmaal een levensdoel had gekozen, waarbij eene andere jonge vrouw de hoofdrol zou spelen, moest hij, het koste wat het wilde, langzaam den ouden band verscheuren. Hoe meer hij hier aan dacht, hoe onmogelijker het hem voorkwam. Een oogenblik had hem het denkbeeld van Suze's tragisch lot bewogen. Indien hij de zoo dikwijls met woord en schrift bezegelde trouw brak, wat zou er van haar worden? Hij moest zich zelf bekennen, dat Suze hem met vollen ernst bleef aanhangen, dat Suze met haar geheele hart op zijne schoone beloften vertrouwde. Hoe jammer, dat zij geen erfdochter was, dat zij niet ongetrouwd was, dat zij op den Vijverberg geen hooggeplaatst vader bezat, wiens fortuin dat der Van Berenvelts evenaarde! Nu was en bleef zij mevrouw De Huibert. De gebroeders De Huibert van Vliethuyzen deinsden terug voor de voltrekking eener echtscheiding, waarbij hun naam door duizenden onverschilligen genoemd, door honderdduizenden van lichtzinnigen met lafhartigen spot zoude worden uitgesproken. Eerst na den dood van Onno de Huibert zou Suze hare vrijheid herwinnen, maar hoe zou zij dan nog eene begeerlijke echtgenoote kunnen zijn voor een man als Van Reelant?

Terwijl hij zich aldus met velerlei kwellende gedachten verontrustte, betrapte hij zich nu en dan op den dwazen wensch Suze terug te zien. Hij streed een harden strijd tegen zijn eigen zelfzuchtig hart. Hij had het des Maandags zeer natuurlijk geacht, dat hij haar niet wederzag. Des Dinsdags had hij tot zich zelven gezegd, dat zij hem misschien even de hand zou komen drukken; maar zij was zoo voorzichtig en begreep beider „positie” zoo volkomen. Des Woensdags had hij bijna de pen gegrepen, om haar te zeggen, dat hij nieuwsgierig was te weten, hoe het haar in Den Haag beviel. Doch des Donderdags had hij haar bijna vergeten, daar hij zijne volle belangstelling aan de soirée bij den secretaris-generaal had geschonken.

En nu knielde hij naast den lagen leunstoel, tegen den blauw damasten rug van welken het donkere lokkenhoofd van Suze zoo schilderachtig uitkwam. En nu zag hij haar in de zielvolle oogen, en bewonderde hij weder in stilte de aantrekkelijke bevalligheid van hare geheele persoon. Het zilvergrijze kleedje, met een laag vierkant aan den hals uitgesneden en kort van mouwen, zoodat Suze's blanke arm de doffe zijde zegepralend overschitterde, stond haar verrukkelijk mooi. Van Reelant wilde nu niet aan de toekomst denken, hij wilde alles vergeten. Knielend vatte hij hare hand, en begon:

„Het schijnt, dat ik van avond mijne schoonzuster mag welkom heeten!”

„Je begrijpt, Arnold! dat ik met die oude huiszorg op de eene of andere wijze moest kennismaken! En ik heb dadelijk gezien, dat ze zeer discreet zal zijn! Ik voel me zoo nauw aan je verwant, dat ik niet beter wist te vinden dan schoonzuster....”

„Zeer goed! Bekommer je verder maar niet om haar. Ik ben waarlijk verrast je zoo onverwacht te zien!”

„Is dat een verwijt, Arnold?”

„Ja, min of meer is het een verwijt....”

„Min of meer?”

„Sinds Zondagmorgen heb ik niets meer van je gehoord of gezien .... ik stond juist op het punt een epistel te zenden naar het Westeinde!”

Suze richtte zich op uit hare liggende houding. Een vreugdevuur flikkerde uit hare kijkers, onmiddellijk daarna getemperd door een traan van voldoening, dien ze blozend afwischte. Van Reelant sprong op. Hij ontdeed zich van de knellende witte handschoenen, die hem aan zijne soirée herinnerden. Hij zag, dat de blauwe overgordijnen voor het eenige venster nog opgenomen waren blijven hangen, dat het raam gesloten was. Hij stiet het raam open en deed de gordijnen vallen, daar hij steeds vermijden wilde de aandacht van overburen of voorbijgangers noodeloos op te wekken.

Zich omkeerend stond Suze vóór hem. Ondanks alle inspanning vulden zich hare oogen telkens weer met tranen. Glimlachend legt hij zijn linkerarm om hare leest, en beknort haar fluisterend. Plotseling slaat zij beide blanke armen om zijn hals, en zegt ze, half lachend, half snikkend:

„Ik ben zoo onbegrijpelijk gelukkig, Arnold! Lieve man! Heb je dus waarlijk al dien tijd aan mij gedacht?”

Van Reelant boog het hoofd naar de diepbewogen vrouw, die zich aan zijne borst drong. Alle zijne wijze en verstandige plannen schenen in rook te vervliegen. Hij dacht aan niets meer dan aan het luidkloppende hart, dat tegen het zijne bonsde....

Zij hadden dien avond veel te overleggen.

Suze zeide, dat het al zeer laat was, dat zij volstrekt naar het Westeinde moest terugkeeren uit eerbied voor de familie De Milde, maar Van Reelant was immers bereid en vereerd haar naar huis te geleiden—en hij had nog zooveel met haar te praten. Suze knikte, en beiden zetten zich op den divan. 't Werd recht prettig en genoeglijk in het fraaie kabinetje. 't Was er luchtig, want Van Reelant had de ramen van de aangrenzende kamer wijd opengezet en, daar hij lust had een enkel glaasje Rhijnschen wijn te drinken, vond Suze geen bezwaar hem gezelschap te houden.

Het gesprek liep eerst over Suze's woning, over de familie De Milde, over Den Haag, en, terwijl ze vroolijk antwoordde op Van Reelant's vragen, klonk hare stem zoo jubelend, of ze een zegelied zong. Eensklaps viel ze zich zelve in de rede, en zei haastig:

„Goed, dat ik er om denk! Arnold! ik moet je iets vragen!”

Van Reelant bewoog het hoofd, alsof hij zeggen wilde, dat hij alles zou toestemmen, en bracht Suzes blanke hand aan zijne lippen.

„Mama en Betsy zijn Maandag bij me geweest. Betsy verveelt zich in Rijswijk, en zou graag het een of ander werk ondernemen. Zij denkt er over pianolessen te geven hier in Den Haag, maar ze kent niemand. Adverteeren is niet fatsoenlijk .... ze wil liever door de een of andere relatie met Haagsche familiën in kennis komen. Zou dit mogelijk zijn, Arnold?”

„Wel zeker! Dat kan zeer goed. Van middag aan tafel vertelde freule Van Berenvelt me, dat haar zuster Albertine, een meisje van twaalf jaar, een waren hartstocht voor de piano heeft. Ze speelt avond en morgen, maar met haar onderwijzers is ze niet heel gelukkig. Ze heeft er al drie versleten, en wil nu probeeren of het met eene onderwijzeres beter zal gaan. Dat zou een flink begin voor Betsy zijn. Ik zal .... laat eens zien....”

Suze zag Van Reelant uitdagend aan, en viel hem in de rede:

„Je kunt er den Baron over spreken, Arnold! Van mij daarbij geen woord.... Je kent de familie Muller Belmonte uit Osterwolde, fatsoenlijke menschen, ongelukkig geworden door financiëele rampen. Toen je griffier waart in Osterwolde, heb je ze in betere omstandigheden gezien. Mama en dochter wonen nu te Rijswijk, de jonge dame heeft een bijzonder talent voor de piano, en zoo voort, en zoo voort.... Je ziet, dat je er niets bij waagt, en dat je zelfs den naam van mevrouw De Huibert niet hebt te noemen!”

Aangenaam getroffen door den vleienden toon van Suze's stem, sloeg Van Reelant toch de oogen neder voor haar blik. Het scheen, dat zij zijne zelfzuchtige bespiegelingen maar al te goed doorzag. Het was duidelijk, dat ze niets voor zich zelve eischte, dat zij door geene persoonlijke belangen kon worden uitgelokt zoo te spreken, dat zij zich zelve zooveel mogelijk naar den achtergrond schoof.

Hij antwoordde met buitengewonen ernst:

„Je hebt volkomen gelijk, liefste! Ik heb het in mijne macht Betsy bij de Van Berenvelts te introduceeren. Ik zal er morgen dadelijk werk van maken. Heeft Betsy slag, om aan het jonge meisje wat te leeren, dan zal ze werk genoeg vinden—ik ben er zeker van!”

„Dank je, Arnold!”—klonk het even ernstig.—„Ik wist wel, dat je me begrijpen zoudt! Betsy zal haar best doen! Ze kan niet anders!

Er volgde eene kleine pauze.

Suze begon weer met haar innemendsten lach:

„En die andere freule Van Berenvelt is zeker wel wat ouder dan twaalf jaar?”

„Zeker, ik denk, dat ze om en bij de dertig is!”

„'n Respectabele leeftijd.”

„O, misschien is ze al ouder dan dertig, maar ze ziet er nog zeer jong uit!”

„Is ze mooi?”

„Bleek, mager, ernstig en zeer elegant!”

„Ja, maar ze zal wel heel rijk zijn?”

„De Baron Van Berenvelt heeft veel vermogen!”

„Het verwondert me, dat ze dan nog ongetrouwd is!”

„Freule Van Berenvelt schijnt zeer hooge eischen te stellen aan den man, wiens naam zij zou moeten dragen!”

„Een heel verstandige dame!”

„Verstandig—waarom?”

„Ja, zie je! in onzen tijd hebben de zoogenaamde fatsoenlijke jongelui geen ander motief om te trouwen dan enkel geld!”

„Maar Suze!”

Al deze woorden waren op vroolijken toon gewisseld. De laatste uitroep van Van Reelant alleen verried een lichten schrik.

Suze staarde mijmerend naar de blauwe gordijnen, door den nachtwind telkens lichtelijk heen en weer bewogen.

Zachtkens murmelde zij:

„O, ik weet wel, dat er uitzonderingen zijn!.... Hoe armzalig zijn de mannen, die niets beteekenen dan door het fortuin van hunne vrouwen. De stumperts meenen, dat zij machtig veel in te brengen hebben, als zij voor het geld van mevrouw zich een schijntje van consideratie gekocht hebben bij het hebzuchtig burgervolkje, dat klaar staat van hunne blufferige royaliteit te leven! Hoe kan een vrouw den man liefhebben, van wien ze weet, dat hij niets waard is zonder haar geld?”

Van Reelant hield zich een oogenblik bezig met zijn glas te ledigen, en scheen het beter te oordeelen Suze ditmaal het woord alleen te laten.

Daar zij verwonderd was over zijn stilzwijgen, zag zij hem plotseling vragend aan. Van Reelant, die geen lust gevoelde over dit onderwerp zijne meening te zeggen, trok haar zachtkens aan zijne zijde, en vroeg fluisterend:

„En hoe zou 't dan moeten gaan in de wereld volgens jou, Suze!”

„Volgens mij kan eene vrouw alleen den man liefhebben, van wien ze weet, dat hij hooger dan zij zelve staat. Arnold, jij hebt talent, jij hebt eerzucht, jij wilt en zult vooruitkomen in de wereld! Dat is mijn trots, als ik aan je denk! Iedere vrouw moet met bewondering tegen den man opzien, dien zij liefheeft—anders.... Och! laat er ons niet verder over spreken!”

„Uitstekend, liefste! Maar zou toch in sommige gevallen het vermogen eener liefhebbende vrouw geen wonderen kunnen doen....”

„In sommige gevallen misschien. Maar wat zou je denken van het paar, dat door liefde en geestkracht zich een eigen weg baant? Wat zou je denken van de vrouw, die door haar schoonheid, haar vuur, haar verstand, haar steun den geliefden man naar het hoogste toppunt van maatschappelijke onderscheiding vergezelde en in zijn zegepraal deelde? De kleine voordeelen, die het geld oplevert, zouden dan toch in het niet zinken! Wat zou je denken van zulk eene vrouw, Arnold?”

„Dat zij een engel, dat zij een ideaal is!”

Suze had haar hoofd aan zijn schouder gelegd en zag triumfeerend naar hem op. Van Reelant begreep haar. Hij werd meegesleept door hare geestdrift, beheerscht door hare overredingskracht, vastgeketend door de macht harer schoonheid....

Onwillekeurig ontsnapte hem een kreet van bewondering, terwijl hij haar vuriger dan ooit aan zijn hart sloot.

Suze ontworstelde zich langzaam aan zijn armen, en vroeg, terwijl een blos van genoegen hare wangen tintte:

„Laat ons nu eens over je plannen spreken, Arnold! Hoe gaat het aan het ministerie?”

Van Reelant gaf haar trouw verslag van alles. Hij deelde haar het voornaamste mede, wat er aan Buitenlandsche Zaken voorviel, zonder eenig staatsgeheim, dat hij verzwijgen moest, te verraden.

Maar mevrouw De Huibert vond, dat haar Arnold grootscher plannen moest vormen. Schielijk vroeg ze:

„Welke vooruitzichten heb je nu als referendaris?”

„Van allerlei! Aan het ministerie is natuurlijk bevordering mogelijk! Dan zou ik misschien later, indien ik wilde, bij eene buitenlandsche legatie kunnen geplaatst worden!”

Suze dacht eene pooze na. Zij schudde langzaam het hoofd. Buiten Nederland .... onder welken titel zou zij hem kunnen volgen .... daar mocht niet aan gedacht worden.

Zoo snel mogelijk vroeg ze:

„Maar zou je geen politieke carrière in Nederland kunnen maken?”

„Als ik heel, heel veel geduld had!”

„Geen nood! Geduld oefenen is een quaestie van tijd! Ik zal geduld hebben!”

„Jij Suze?”

„Natuurlijk! Zoolang ik den naam van De Huibert draag, moet ik geduld oefenen! Maar laat dat rusten.... Zou het dus zeer lang moeten duren, eer je hier in Den Haag promotie maakte?”

Van Reelant bleef een oogenblik verward zwijgen.

Hare bedoeling ontsnapte hem niet. En toch wilde hij er niets van laten merken. Met de deftigheid van een echt referendaris antwoordde hij:

„Men kan op zeer verschillende wijzen carrière maken. Ik zou er niets tegen hebben lid van de Tweede Kamer te worden! Maar dit is zoo gemakkelijk niet. Het beste middel is nog altijd een célébrité de clocher te zijn in de provincie, of wel een zeer populair man, die heel Nederland kent. Noch het een, noch het ander, kan ik op mij zelven toepassen....”

„Welnu, Arnold! Dan moeten wij een anderen weg kiezen. Tout chemin mène à Rome! Geloof me, houd je aan één plan! Uitstekende ambtenaren zijn zeldzaam. Tot op dit oogenblik loopt alles mee aan het ministerie! Blijf er, en wacht je tijd af!”

De pendule in de voorkamer sloeg middernacht.

Suze vloog schielijk op, en liet zich niet verbidden nog eene pooze te toeven.

Van Reelant greep een fantaisiehoed, schoot een luchtig jasje aan en geleidde haar. Na middernacht zal niemand hem op straat verwachten of naar hem omzien. En waarom zou hij eene fatsoenlijke dame niet naar huis kunnen vergezellen.... Dit alles nam niet weg, dat hij in de Hoogstraat voorzichtig om zich heen gluurde, en Suze's vragen maar met halve stem beantwoordde. Zij spraken af, dat Van Reelant een enkel woord aan Suze zou schrijven, wanneer de zaak van Betsy in orde was. Betsy zou dan verder geheel alleen de onderhandelingen met de dames Van Berenvelt voeren. Voor haar zou het geene onaardige „relatie” zijn.

In het Westeinde namen zij op de stoep der De Mildes afscheid met eenvoudigen handdruk. Al was het na middernacht en buitengewoon donker, men moest altijd voorzichtig zijn. Suze zou haar bezoek spoedig herhalen, eene vaste belofte legde ze evenwel niet af. Zacht opende zij de deur en vond eene brandende waskaars heel voorzichtig geplaatst op een klein tafeltje met marmer blad. De Milde leefde in gedurige vrees voor brand. Suze nam de waskaars, om naar boven te gaan. Een zonderling gerucht deed haar plotseling stilstaan. Zij zag overal in de gang, maar bespeurde niets. Alles was donker, de familie moest al lang ter ruste gegaan zijn. Ook hoorde zij niets meer. Misschien had zij zich bedrogen, en zonder verder aan de zaak te denken, begaf zij zich naar hare kamers.

In doodelijken angst zaten de drie dames De Milde—Kee, Jans en Willemien—achter de overgordijnen van de voorkamer. Zij waren door louter nieuwsgierigheid gedreven. Mevrouw De Huibert kwam zoo laat thuis .... ze wilden weten, of haar ook iemand zou komen brengen. Door de uitgelatenheid van Willemien, die haar lust tot lachen niet kon bedwingen, hadden ze zich bijna verraden. Gelukkig kwam mevrouw De Huibert niet op den inval even in de voorkamer te kijken. Toen het drietal haar in de bovenverdieping hoorde heen en weder loopen, namen zij den terugtocht naar hare slaapkamers op de derde verdieping aan.

Een zonderlinge tocht! Als inbreeksters en diefeggen slopen zij op hare kousen door de gang, terwijl zij haren adem inhielden. 't Was pikdonker. En dat was heel gelukkig voor de nieuwsgierige Aagjes, daar ze met het hair onder eene ouderwetsche nachtmuts weggeschoven, met even ouderwetsche nachtjakjes en een dun onderrokje het voorkomen hadden of ze op het punt stonden naar een bezemsteel te grijpen en Sint-Walpurgis-nacht te houden.


ZEVENDE HOOFDSTUK.

Een uitstapje naar Leiden.

Zondag, 1 September 1853, kwart na elf.

De trein uit Rotterdam nadert snuivend en sissend het station Leiden. Uit een waggon tweede klasse springt André de Witt, die zijn vrijen Zondag bij zijne familie komt doorbrengen.

Getroost haast hij zich langs het vervelend wegje van Zomerzorg naar de oude poort, die toegang geeft tot het Leidsche Atheen. Het scheen of de stad hem niet meer wilde herkennen, zoo vreemd en onhartelijk keken de huizen en de voorbijgangers hem aan. Zijne kinderjaren, zijne vlegeljaren, zijne studentenjaren had hij te Leiden doorgebracht en nu reeds werd alles hem vreemd. Zoo dikwijls hij sinds een jaar des Zondags uit Den Haag kwam, trof hem de onsierlijkheid der veemarkt, lette hij op de lage huizen en het diepzinnig-onbekoorlijk uitzicht der straatslijpers. Hij verweet zich soms, dat zijne vestiging in Den Haag hem al te keurig maakte, dat hij zijn oud geliefd Leiden onrecht deed, maar kon het zich zelf niet ontveinzen, dat zijn hart minder warm klopte voor de goede, oude stad der Douza's en Scaligers.

Domine De Witt woonde op eene stille binnengracht, waar men de voorbijgangers kon tellen. Toen André bij de ouderlijke woning was aangekomen, helderde zijn gelaat op. Hij zou een stillen, aangenamen dag slijten in den familiekring. De deur werd opengedaan door een jong meisje van vijftien jaar, met lang, bijna witblond hair, heldere, lichtblauwe oogen en zulk een jolig lachend mondje, dat zelfs de zuurste stovenzetster der aloude Pieterskerk er niet tegen bestand zou geweest zijn, en de meest ontzagwekkende der Leidsche „klabakken” met pleizier een eindje op zijde zou zijn gegaan, als hij haar op de kleine steentjes der Breestraat had mogen ontmoeten.

Zoodra deze levenslustige blondine André zag, sprong ze hoog op van den grond, en juichte:

„André! Beste André! Wat ben ik blij, dat je komt! En 't is zulk mooi weer! Nu gaan we stellig wandelen, André?”

In opgewondenheid pakte ze hem om den hals, en danste in het voorportaal van de gang op en neer.

André poogde haar bedaard wat te vragen, maar zij holde met hem de gang door, altijd driftig sprekend:

„We gaan uit, hé? waar gaan we heen? Gaan we naar de Vink! Mag Mina Santman mee? Of wil je naar Leiderdorp, André....”

André bracht haar eindelijk tot staan bij eene glazen deur, die toegang gaf tot den tuin. Hij greep de kruk, en verhinderde haar verder te vliegen.

„Waar is Letje?”

„Ze zit in 't priëel!”

„En papa?”

„Nog in de kerk!”

„En Willem?

„Naar Utrecht!”

„Zie zoo, nu kun je verder gaan, Christien!”

De drukke en beweeglijke Christien schudde het lichtblonde hair met een vluggen zwaai over den schouder, en ijlde den tuin in.

De tuin van domine De Witt was een vierkant stuk grond, door muren en andere tuinen afgesloten, vrij aangenaam gemaakt door allerlei hooge vruchtboomen en bloeiende heesters. Het viel dadelijk in 't oog, dat men veel zorg aan den tuin wijdde. Gele bladeren of afgewaaide takjes werden niet geduld. Een bloembed met dahlia's van allerlei kleurschakeering werd door de vroolijke najaarszon verlicht.

Christien was vooruitgevlogen. André hoorde haar onvermoeid doorbabbelen. Weldra vond hij haar bij den ingang van een ruim priëel, smaakvol aangelegd door middel van een fraaien treurberk en een schat van hooge stamrozen. De meeste rozenstruiken hadden uitgebloeid; eene enkele witte roos scheen nog afscheid te moeten nemen van den zomer, en prijkte eenzaam midden in het welig groen. Op een lagen rieten leunstoel zat daar een jong meisje, even twintig jaar oud. Men zou haar zelfs geen twintig gegeven hebben, ondanks de treurig bleeke kleur van het ovaalrond gezichtje, trots het wijdgeopend donkerblauw oog en den kalmen blik, die van geduldig lijden scheen te spreken.

„Letje, beste Letje!....”

André kon niet meer zeggen, hij ontstelde, Christien hield zich ijverig bezig met haar zakdoek, de wezenlijke of gewaande spinnewebben weg te slaan.

Letje glimlachte, toen zij André de hand reikte. Maar zij glimlachte met matten glans, als de eenzame witte roos, die boven haar hoofd bloeide. Zij hief zich op in haar rieten leunstoel, en schudde de verwonderlijk rijke, donkerblonde hairen, nu met een zwart fluweel lint maar vluchtig bijeengeschikt.

Zij voelde zich telkens zoo zwaar vermoeid, en had daarom den moed niet meer het weelderig haar op te maken.

André ging ijlings naast haar op een laag tuinstoeltje zitten, en zag haar zwijgend aan.

„Ik zei van morgen al, dat je vandaag wel komen zoudt, André! Drie Zondagen achter mekaar overslaan, dat mag niet!”

Merkwaardig muzikaal en aandoenlijk klonk de eenigszins vermoeide, schoon toch jeugdige en frissche stem.

„Maar, Letje! kindlief! hoe gaat het nu toch met je?”

„Ik ben veel vooruitgegaan in de laatste drie weken! Het ergste is, dat ik altijd zoo moe en zwak blijf! Maar dat gaat eerst langzaam over, zegt dokter!”

Letje kuchte even, doch het had niets te beduiden.

„Ja, maar wat doet dokter Santman voor je? Het duurt nu al zoo lang! Dat kan zoo niet blijven! Daar moet een eind aan komen!”

„De dokter zegt geduld en moed houden. De dokter .... Christien, wil jij even naar de koffie gaan zien.... Papa kan ieder oogenblik thuis komen!”

Christien wipte vroolijk weg, in het heengaan André vriendschappelijk op het hoofd tikkend.

Letje ademde moeilijk en zweeg.

André drukte bemoedigend hare hand, en huiverde, toen hij de dorre, brandende vingeren aanroerde.

„Christien”—ging ze voort—„is een goed kind, maar ze babbelt over alles, wat ik zeg. Daarom kon ik je niet vertellen, wat onze dokter denkt. Hij meent, dat ik me in de laatste jaren te sterk heb ingespannen met huiselijk werk, vooral verleden winter, toen papa zes weken ziek was. Ik heb toen te veel gewaakt, en voelde mij later altijd onplezierig .... en dat is langzaam erger geworden....”

„Ja, maar nu ben je aan de beterhand!”

„Och! Ik zei het maar zoo, omdat Christien er bij was, en omdat ze alles, wat ik zeg, dadelijk aan papa vertelt. Maar beter .... neen, André! beter ben ik niet!”

Zij boog het hoofdje met eene uitdrukking van geduldige berusting, terwijl het zware, donkerblonde hair eene gordijn weefde voor de vochtige kijkers.

André was aangedaan. Hij gevoelde zich door diep, gadeloos diep medelijden ontroerd. Hij moest zijne arme zuster redden, dat stond vast. Hij greep nogmaals hare hand, en beproefde opgeruimd te spreken:

„Kom, Letje! Kom, meid! Laat den moed niet vallen! Je bent altijd zoo heldhaftig geweest! Ons klein vroolijk moedertje huilen, dat kan niet! Hoor eens, kind! jij zult en jij moet beter worden! De dokter heeft gezegd, dat je er weer heelemaal bovenop zoudt komen, als je tegen het najaar naar het zuiden van Frankrijk kondt gaan! Begrijp eens, Let! het zuiden van Frankrijk! Pau of Arcachon! Geen noordenwind—altoos vroolijke en warme zonneschijn—reusachtige pijnbosschen, heerlijk geurend, als de wind de altoos groene naalden beweegt—en de zee, de immer blauwe golf van Gaskonje! Daar moet je den heelen winter blijven, en dan terugkomen tegen den zomer, sterk, frisch, gezond en mooier, nog veel mooier, dan nu, Let!”

Letje had het hair uit de oogen gestreken, en blozend naar André geluisterd.

„Ik zou heel graag beter worden!”—lispte zij.—„Papa kan mij volstrekt niet missen, nu jij—en Willem ook al—niet meer hier bent. Wat zou papa beginnen, als hij heel alleen met Christien overbleef? Maar André, hoe zou ik naar Frankrijk kunnen gaan? De dokter heeft het gezegd, 't is waar! Maar dat is immers onmogelijk .... beste jongen!”

André schoof zijn tuinzetel dichter bij haar leunstoel, en terwijl hij den arm zachtkens om haar schouder sloeg, begon hij vertrouwelijk te fluisteren:

„Onmogelijk, Letje! Niets is onmogelijk, als we jou maar kunnen redden! Denk je dan, dat ik vergeten ben, hoe lief je voor ons allen waart, toen mama stierf. Ik was negentien en jij nog geen zestien—en toch heb je alles gedaan, net als mama gewoon was. Je hebt papa gesteund in alles, of je een volwassen dame waart .... je bent een hartelijk, vroolijk moedertje voor ons allen geweest.... Ons huis heeft altijd geleefd op dezelfde manier, als mama het had ingericht .... niets is veranderd, en dat alleen, omdat we onze brave en knappe Letje hadden! En nu je ziek bent geworden van al dat werken, nu zouden we niet alles doen, om je weer op de been te brengen? Neen, mijn naam zal geen André zijn, als ik jou hier van den winter laat zitten. Letje, jij gaat naar het Zuiden, en je zult gezond terugkomen, dat zweer ik je!”

In zijne geestdrift had hij zijn arm uitgestrekt alsof hij een duren eed zwoer. Driftig sprong hij overeind, terwijl Letje half opgeruimd, half weemoedig glimlachte. Zou het nog niet te laat zijn, en hoe zou André dat wonderwerk ten uitvoer brengen?

Er naderden schreden. Dominee De Witt trad naar het priëel toe. Zijn kalm gelaat was verhit door inspanning. Hij had de voormiddaggodsdienstoefening geleid, en keerde met loome schreden naar huis. Evenals immer was zijn eerste werk geweest eene ouderwetsche Goudsche pijp te stoppen, en behagelijk rookend wandelde hij nu door zijn tuin.

„Dag, André! Dag, Letje! Hoe gaat het, kinderen?”

Letje wilde voor haar vader niet weten, dat ze zich vermoeid en zwak gevoelde. Zij rees vlug op, en greep André bij den arm.

Broeder en zuster zagen elkaar aan met die vriendelijke verstandhouding, die de vrucht is van jarenlange sympathie en jarenlang gedeelde zorgen.

Een oogenblik babbelde het drietal op vroolijken toon.

Dominee De Witt bleek zeer in zijn schik, omdat zijn oudste zoon gekomen was, wijl zijn oudste dochter zoo opgeruimd en vlug meewandelde. Nauwelijks hadden ze eene enkele maal rondom het kleurenrijk perk der dahlia's gedrenteld, of eene luide stem klonk uit de tuindeur:

„Kom jelui eindelijk! De koffie is klaar!”

In de luchtige tuinkamer wachtte de koffie, bereid en geschonken door Christien, die al haar best deed Letje te hulp te komen, hoewel ze dikwijls door hare uitgelatenheid meer onheil stichtte dan hulp verleende.

Dominee De Witt legde zijne getrouwe vriendin de pijp met een zucht neer. André hielp Christien, en verhielp hare onhandigheden. Hij bleef vroolijk doorspreken, om zijn vader en Letje aangenaam bezig te houden, en vertelde van de „soirée” bij den vriendelijken Baron Van Berenvelt, van den grooten Gronovius, van den vroolijken Tchitchikoff en andere sieraden der voornaamste Haagsche samenleving.

De predikant herstelde zich langzamerhand van de gewone afmatting, aan het waarnemen eener predikbeurt voor den bejaarden man verknocht. Hij begon mee te spreken, en zei flauw glimlachend:

„Heb je 't al gehoord van Willem, André?”

„Neen, papa!”

„Van morgen een brief uit Utrecht gehad .... want hij is nu voor vast in Utrecht, moet je weten!”

„Maar hoe is het mogelijk, dat u daarin berust?”

„Hoor maar verder, André! Willem schrijft me, dat de studie in de theologie te Leiden hem een gruwel is! Hij geeft een critiek van hetgeen er te Leiden „zooal beleden en geleeraard” wordt. De leer der hervormde kerk is tot onkenbaar wordens verknoeid, omdat de „prediking van den levenden Christus Gods” achterstaat bij de „moderne leer der eigen gerechtigheid.” Men verkondigt te Leiden, dat de oorspronkelijke aanleg van 's menschen hart goed is, en ontkent, dat ieder mensch, de beste niet uitgezonderd, tot in hart en nieren bedorven wordt door de macht des Satans en den zondenval van den eersten Adam. Verder is zijn hart diep bedroefd over de Christusverloochening dezer dagen....”

„Dat alles is goed en wel, maar u kan als onvermogend predikant te Leiden u toch de weelde niet veroorloven, om uw zoon te Utrecht te doen studeeren!”

„Willem schrijft, dat hij door de professoren en predikanten uitstekend ontvangen is, dat men hem in alle opzichten zal ondersteunen, ook met geld, maar .... dat hij nu dadelijk vijftig gulden noodig heeft!”

Aan André ontsnapte een kreet van verontwaardiging.

Hij ziet eerst Letje met diepen weemoed aan, en richt daarop een vragenden blik naar zijn vader.

Dominee De Witt schijnt met de zaak verlegen, daar hij den brief van den Utrechtschen theoloog nog eens doorloopt.

„Vijftig gulden! O, ik zou wel weten, wat ik met die vijftig gulden doen zou!”—fluisterde André.

„Ik ook wel!”—riep Christien.—„Ik zou een rijtuig huren en met ons allen gingen we een heelen dag naar het Molentje.”

Niemand antwoordde.

Eindelijk vroeg de vader met zijne gewone, zachte, vriendelijke stem:

„En wat zou jij met die vijftig gulden doen, André?”

„Ik? Wel ik liep er mee naar den spoor, en kocht voor Letje een biljet tweede klasse, van hier naar Arcachon .... anders wordt ze nooit weer beter!”

Dominee De Witt zag angstig naar André. De toon van zijn antwoord klonk bijna toornig.

Letje was vuurrood geworden, en begon uit gejaagdheid te hoesten. Zij schudde zachtkens haar hoofd. Van haar moest geen sprake zijn, maar de hoest bleef haar plagen .... zij kon niet verder gaan.

„'t Is waar!”—zei eindelijk de predikant.—„Ik denk er dagelijks over. Dokter Santman komt er altijd op terug. En het zou zoo goed zijn voor mijn lieve Letje!”

André knikte zijne oudste zuster bemoedigend toe.

Vroolijk glimlachende, hernam hij:

„Ik weet er raad op, papa! Letje gaat tegen den herfst naar het zuiden van Frankrijk! Dat heb ik beloofd en dat zal gebeuren ook, of mijn naam zal geen André zijn!”

„Maar, jongen! hoe kan dat?”

„Dat is van later zorg! Ik neem alles op me! Het voornaamste is, of Letje wel zou durven?”

Het donkerblonde hoofd richtte zich op, de groote blauwe oogen zagen André vol liefde aan.

„Ik zou wel durven, André! Vraag het mij maar!”—snapte Christien.

André schudde even het hoofd, en ging ernstig voort:

„Dezen winter hier blijven en erger worden, sukkelen en achteruitgaan, dat mag Letje niet! Maar waar zullen we haar brengen? Laat dokter Santman beslissen. Zegt hij Pau, Let! dan ga je naar een heerlijk dal aan den voet der Pyrenaeën. Daar schittert alles van gouden zonnegloed, daar is de hemel altijd blauw. Daar bruist het donkere water der Gave in de schaduw van esschen en eiken, daar stroomt de weldadige lucht, die ons Letje terug zal geven, zooals ze was verleden zomer, gezond, sterk en vroolijk!”

Dominee De Witt stond uit zijn armstoel op, en greep ter afwisseling zijn gouwenaar. Terwijl hij zijne pijp stopte, zag hij zijne kinderen met zekere kluchtige verbazing aan. Hij begreep, dat André het een of ander plan had, maar maakte zich bezorgd voor illusiën, die niet vervuld zouden kunnen worden. Zijn oudste zoon onderscheidde zich door veel verbeeldingskracht, maar met de praktijk was hij minder vlug. Juist wilde hij voorzichtig eene bedenking opperen, toen André voortging:

„Deugt Pau niet, dan gaan we naar Bagnerres of naar Arcachon! Arcachon, Letje, daar heb je een heerlijk zeestrand, nog veel mooier dan te Scheveningen, daar staan de heuvelen met loodrechte pijnboomen beplant, daar waait de wind niet snijdend langs je wangen, maar streelt hij het bleeke voorhoofd der patiënten; daar brengt hij leven en gezondheid op iederen ademtocht .... o, Letje! je zult en je moet beter worden, als je maar durft!”

André was opgestaan, en plaatste zich bij haar stoel. Zij zag hem aan met glinsterende oogen, en drukte zijne hand. Dominee De Witt liep rookend de kamer op en neer, als hij placht, wanneer er over eene lastige zaak moest beraadslaagd of nagedacht worden.

„En wanneer gaan we nu uit?”—riep Christien.—„'t Is zonde van 't weer. En frissche wind genoeg, om naar de Vink te wandelen!”

André zag glimlachend naar haar om.

„Wacht maar!”—antwoordde hij.—„Ieder zijn beurt. Nog een half uur geduld, en ik ga met je wandelen, kind!”

Geheimzinnig in 't rond ziende fluisterde hij Letje wat in 't oor, mompelde hij iets over eene noodzakelijke boodschap, en verdween hij, eer de predikant recht wist wat er gebeurde. André wilde het ijzer smeden, nu het gloeide. Hij haastte zich naar buiten, en bereikte na eene korte wandeling het Rapenburg. In de schaduw der aloude linden liep hij te midden der Zondagstilte peinzend verder. Snel had hij een plan gevormd, nu kwam het op de uitvoering aan. Nadenkend rezen er allerlei zwarigheden, zoodat zijn stap trager werd. Indien eens .... maar Letje en zijne belofte .... hij spoedde zich plotseling sneller voort, ging over eene brug naar de andere zijde van het Rapenburg, en schelde aan bij eene der deftigste woningen van de deftige gracht.

De dienstbode verzekerde, dat professor thuis was.

André werd binnengelaten door het breede marmeren voorportaal en trad een soort van salon binnen, waar alles meewerkte, om den bezoeker in eene kalme, tevreden stemming te brengen. De kleur der meubelen en sieraden was donker, zoodat een tiental schilderijen van moderne meesters uitmuntend tot zijn recht kwam. Reeds meermalen had André daar een meesterstuk van Bosboom, een frisch landschap met vee van S. van den Berg en een woelend water van Louis Meyer bewonderd. Hij kende dit vertrek uit de dagen, toen hij nog student was; sinds de eerste reis, dat hij er aarzelend binnentrad, om zich van het verplichte „theeslaan” te kwijten, tot de laatste, toen professor Van Dam hem als belangstellend vriend de brieven ter hand stelde, die hem den in de residentie onontbeerlijken steun zouden doen vinden.

De dienstbode verscheen, en noodigde „meheer” uit naar „prefesters” studeerkamer te komen. Ook dat vertrek en de weg, die er heen leidde, waren André van ouds bekend. Gedurende zijne studiejaren was het boekenvertrek van professor Van Dam langzamerhand meer en meer een heiligdom voor hem geworden. Van al de hoogleeraren had Van Dam den jonkman het meest geboeid, niet alleen door degelijkheid van wetenschap, maar hoofdzakelijk door de heldere en keurige voordracht. André had nooit eene enkele les verzuimd, en zich niet alleen daardoor bemind gemaakt bij zijn leermeester. Hij had door zijne welgeslaagde proeven van zelfstandige studie den hoogleeraar achting ingeboezemd, later zelfs zijne vriendschap gewonnen.

Toen hij nu weder de bovenverdieping bereikt had, en op zijn kloppen de bekende stem hem tot binnentreden machtigde, overviel hem andermaal de schroom van vroeger, nog verhoogd door het bewustzijn, dat hij om raad kwam vragen.

„Wel, De Witt, hoe gaat het? Je ziet er flink uit. Neem plaats!”

Professor Van Dam was opgestaan van de schrijftafel, en trad André met deze woorden te gemoet.

De hooge gestalte van den professor, het breede voorhoofd, de schrandere, zwarte oogen, donkere, lange baard, maakten telkens opnieuw indruk, wanneer hij ergens verscheen. André's eerbied en dankbaarheid voegden aan dien indruk nog iets buitengewoons toe; hij gevoelde zich klein en verlegen, maar poogde zoo goed mogelijk zijne ontroering te beheerschen. De heer Van Dam had zich op eene sofa gezet voor eene ronde tafel, waar bergen van boeken in de schilderachtigste verwarring bijeenlagen. André nam een stoel op eenigen afstand, en begon, nog eenigszins gedwongen:

„Ik kom u ophouden en storen in uw werk, professor! Neem het me niet kwalijk! Ik wilde u zoo gaarne even raadplegen!”

„Geen complimenten, De Witt! Je weet, dat ik je niet alleen het recht gegeven heb raad bij me te komen halen, maar dat ik zeer blij ben, als ik je eens zie!”

„Ik dank u, professor! al ben ik toch bang, dat ik u zal vervelen!”

„Ik niet. Hoe gaat het in Den Haag?”

„Uitstekend. Meneer Van Berenvelt blijft mij met buitengewone toegevendheid aanmoedigen, en heeft mij bovendien gezegd, dat hij mij belangrijk werk zal toevertrouwen!”

De hoogleeraar glimlachte opgeruimd.

„Het heeft dus wat geholpen!”—riep hij.

„Hoe zoo, professor?”

„'t Is waar! Je weet er niet van, De Witt! Ik heb voor een paar weken, bij gelegenheid, dat ik meneer Van Berenvelt over iets anders had te schrijven, hem nog eens op het hart gedrukt, dat hij je maar flink aan 't werk moest zetten .... natuurlijk!”

André boog zonder te spreken. Dit nieuw bewijs van genegenheid ontroerde hem.

De heer Van Dam merkte wel, dat André op dat oogenblik worstelde tegen de eene of andere buitengewone beklemdheid van hart. Recht op het doel afgaande, vroeg hij daarom, alsof de zaak niets te beteekenen had:

„En wat heb je me nu voor nieuws te vertellen?”

„Ja, ziet u, professor! ik zal het u maar ronduit zeggen. Sedert een maand of drie komt het mij dikwijls voor, dat redacteurs van kranten of tijdschriften mij vragen om artikelen over onderwerpen van den dag. Ik heb het tot nog toe niet gedaan, en herinnerde mij uw les geen tijd te verspillen met beuzelachtige zaken van voorbijgaand belang. Men kan zich zoo spoedig versnipperen, zeide u mij eens, wanneer men gaat arbeiden voor de dagelijksche pers. Bij het uitgeven van zooveel pasmunt, raakt men goud of zilver kwijt—het is uw eigen woord. Daarom heb ik mij onthouden .... en toch....”

Professor Van Dam giste nog tevergeefs naar de aanleiding tot deze woorden. Hij dacht een oogenblik na. Toen zeide hij:

„Laat ons niet overdrijven, De Witt! Wetenschappelijke opstellen te schrijven in een geacht tijdschrift, als „de Gids” bij voorbeeld, is een zeer goed werk. Ik zou mij verheugen, wanneer ik daarin iets flinks van je mocht aantreffen! Denk niet, dat ik het tegenovergestelde bedoeld heb. Probeer het met „de Gids”, als je er lust in hebt!”

„Ik zal het probeeren.... Maar dit is nog niet alles. Mijn doel is, ronduit gezegd, op de eene of andere wijze mijne inkomsten te vermeerderen. Ik zou dus gaarne vast medewerker worden aan een dagblad....”

„Daar zijn meer bezwaren aan verbonden. Werken voor de dagbladpers kan zeer goed vereenigd worden met grondig wetenschappelijk onderzoek.... Maar dat gebeurt niet altijd. Intusschen zou je misschien een wekelijksch overzicht van de beraadslagingen in de Europeesche parlementen kunnen schrijven, of wel, als je alleen maar een beredeneerd verslag over de debatten in onze Tweede en Eerste Kamer zoudt willen leveren, me dunkt, dat was een vruchtbaar werk!”

André herademde. Hij had ernstig gevreesd, dat zijn plan bij professor Van Dam tegenstand zou vinden. Hij zag nu, dat hij misschien zijn doel zou bereiken.

„U zou het mij dus niet afraden, als ik met een onzer groote dagbladen, bij voorbeeld het Handelsblad, overeenkwam voortdurend uitvoerige verslagen te geven omtrent de kamerzittingen?”

„Afraden, neen! Maar ik zag je toch liever aan meer theoretischen arbeid. Je werk over de Free-Traders is degelijk, en ik verwacht je natuurlijk op dat terrein terug.... Hoe komt het toch, dat je nu iets anders zoekt?”

André had de vraag verwacht, en toch bewoog hij zich verlegen op zijn stoel.

„Ik wil het u gaarne zeggen, professor! Ik weet, dat u het mij niet kwalijk zal nemen .... ook, als ik u verzoek, dit alles als zeer confidentieel te beschouwen!”

De heer Van Dam stond even op, greep een kistje met sigaren, en nadat hij André er eene had aangeboden, zei hij, ernstig en joviaal tegelijk:

„Zie zoo! Vertel me nu eens dood op je gemak, wat er eigenlijk aan de hand is, De Witt!”

De jonkman toonde zich nog vrij zenuwachtig en schutterig in zijne bewegingen, toen hij de sigaar opstak, maar vermande zich.

„Professor!”—ving hij, snel en vastbesloten, aan.—„Ik moet geld verdienen. Ik had gedacht, dat het tractement van adjunct-commies eene heele schat was. Ik had gehoopt mijne familie hier in de stad te kunnen steunen, maar er is tot nog toe niets van gekomen, en ik kan u op mijn woord verzekeren, dat ik geen cent heb verspild. U weet, dat mijn vader niet rijk is. Nooit zou ik u van deze dingen gesproken hebben, als geene buitengewone omstandigheden mij er toe noodzaakten. Voor vier jaren stierf mijne moeder, wij bleven met ons vieren kinderen achter. U kent mijn vader, zacht, vriendelijk, spoedig tot toegeven overhellend. Mama had de huiselijke zaken met flinkheid bestuurd. In de eerste dagen na mama's dood scheen het of alles in de war zou loopen. Toen nam mijne oudste zuster Letje de taak van moeder op zich. Zij was maar zestien jaar oud, zij scheen door haar tenger voorkomen weinig geschikt voor zoo'n moeielijke taak .... en toch, binnen weinig dagen was alles geregeld. Letje had bij hare taak maar ééne gedachte: doen zooals mama zou gedaan hebben! Ik was student, mijn broer Willem ging nog op het gymnasium, mijn zuster Christien was een speelsch en druk kind van elf jaar, maar ik geloof niet, dat de knapste huishoudster, de verstandigste moeder haar plicht met meer stiptheid en tact zou hebben kunnen vervullen. Zoo ging alles vrij goed tot November van verleden jaar. Papa, die niet van de sterksten is, werd gevaarlijk ziek .... misschien heeft u er van gehoord....”

Professor Van Dam knikte. Hij zag André met belangstelling aan, al lag misschien in den opslag zijner geestige oogen de vraag te lezen—waar moet dit alles toe dienen? André ontcijferde die onuitgesproken woorden, en ging schielijk voort:

„Er is nog maar weinig bij te voegen. Zes weken waakte Letje bij mijn zieken vader, en redde hem door hare voorbeeldige zorg het leven. Het hielp niet, of ik haar noodzaakte wat te gaan rusten, of ik in hare plaats waakte .... zij kwam ieder oogenblik aan het ziekbed terug. Toen papa geheel hersteld was, werd Letje ziek. Zij is schijnbaar wat beter geworden, maar eigenlijk lijdt zij altijd door. De verschijnselen zijn zeer verontrustend .... borsttering....”

Het gelaat van den hoorder veranderde. Duidelijk merkbaar stelde hij nu oprecht belang in de zaak.

Snel vraagt hij:

„Wie is je dokter, De Witt?”

„Santman, professor!”

„Zoo—en wat zegt hij?”

„Nog geen oogenblikkelijk gevaar, maar hij ziet de zaak zeer ernstig in. Zij mag hier den winter niet blijven, zij moet naar het Zuiden....”

„Natuurlijk, dat is misschien het eenige radicale middel!”

André zweeg. Hij had gehoopt, dat professor Van Dam begrepen zou hebben, wat hij eigenlijk meende. Maar de vriendelijke hoogleeraar had van kindsbeen af in overvloed geleefd, en was sinds zijn huwelijk nog rijker geworden. In dergelijke gevallen is het soms zeer moeielijk te raden, met welke angsten fatsoenlijke armoede bijna dagelijks te strijden heeft. André doorleefde zulk een oogenblik van pijnlijken angst. Maar plotseling moed vattend, zei hij fluisterend:

„Dit is de reden, waarom ik probeeren wilde in de dagbladen te schrijven. Ik heb besloten mijne arme zuster het leven te redden, als het nog mogelijk is. Maar ik herinnerde mij uwe waarschuwingen, en wilde vooraf om raad vragen!”

„Bravo, De Witt! Dat is een goed plan! Als ik je helpen kan, zeg het dan maar!”

De heer Van Dam zag met heimelijk medelijden naar zijn vluggen leerling. Wat zou er van hem worden, als hij met het beste doel van de wereld zich ging wijden aan den afmattenden arbeid der journalistiek? Hij had zoo dikwijls arme jongelieden, die iets beloofden voor de wetenschap, zien ondergaan in de dagelijksche beslommering om fatsoenlijk te blijven leven. Het was de oude, zeer oude geschiedenis, maar....

Zijne laatste woorden hadden André bemoedigd.

„Professor!”—zei hij onbeschroomd.U heeft invloed bij de redactie van „de Gids”. Er zijn in den laatsten tijd eenige Engelsche boeken over economie uitgekomen. Ik wenschte er een critisch verslag van te geven. Zou u mijn opstel willen aanbevelen?”

„Met het meeste plezier, amice! Maar .... neem me niet kwalijk, als ik eene zwarigheid maak. Zou dit wel de practische weg zijn, om tot je doel te komen? Wetenschappelijk werk brengt weinig op, en we hebben hier eenvoudig een geldquaestie, niet waar? Ik zou de zaak anders begrijpen. Geef aan dagbladen en tijdschriften, wat ze van je vragen .... het moet nu eenmaal, maar zie zooveel mogelijk vast werk te krijgen voor een bepaalde som. Ik ben bereid je in alles te helpen, doe me maar het een of ander voorstel....!”

Volkomen tevreden, verruimd, alsof hem een pak van het hart viel, stond André op.

„En nu durf ik u niet langer storen, professor! Ik weet nu, wat ik te doen heb. Bij voorkomende gelegenheid mag ik immers op uw hulp rekenen?”

„Dat spreekt van zelf. Beschik over mij. Nog één raad. Blijf in je werk voor dagbladen en tijdschriften zooveel mogelijk oorspronkelijk en degelijk! Schrijf nooit anoniem. Plaats je naam onder je stukken, en zie toe, dat je hem niet bederft!”

Professor Van Dam bleef op de sofa zitten, alsof hij niet bemerkte, dat André wilde vertrekken. De hoogleeraar was bezig een plan te vormen, en zon op middelen. Juist poogde André eerbiedig de hand uit te steken, om afscheid te nemen, toen de heer Van Dam haastig opsprong, en riep:

„Gevonden, De Witt! gevonden!”

Hij liep naar de schrijftafel, en kwam met een bundel handschriften op André af.

„Kijk eens hier! Heb je lust dit alles te lezen en te beoordeelen? Het zijn manuscripten van verschillende auteurs, die een bijdrage wenschen te plaatsen in mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Als je die stukken gelezen hebt, geef mij dan in een kort woord op, of je ze geschikt vindt voor plaatsing en waarom?”

André neemt de handschriften zonder te antwoorden.

Professor Van Dam brengt hem naar de tafel, waar ze gezeten hadden, terug. Hij wijst hem naar een stapel boeken.

„Zie je die boeken? Altemaal ingezonden op hoop van een beoordeeling in mijn Tijdschrift voor Staatswetenschap. Heb je moed ze te lezen, en met een kort woord van critiek te behandelen? Zie je er niet tegen op? Dan verlos je mij van een taak, die me maand op maand meer begint tegen te staan. Jij neemt het eigenlijk redactiewerk van het tijdschrift op je—ik blijf adviseerend redacteur, en jij verdient het honorarium, dat spreekt van zelf! Wat zeg je daarvan?”

André was hoogrood van blijdschap, verrassing en ontroering. Hij stamelde eenige woorden van dank, en lachte ondanks den ernst van het oogenblik. Hij sprak van eer, van onderscheiding, van jeugd, van gebrek aan ervaring en wetenschap, van verplichting en dankbaarheid.... De hoogleeraar viel hem in de rede:

„Hoor eens! Eens en vooral, hier wordt niet van dank gesproken! Jij doet je werk, en daarvoor krijg je je loon. Apropos, geef me maar een wenk, wanneer je er over beschikken wilt. En, als alles naar wensch gaat, word je een volgend jaar mede-redacteur, en komt je naam naast den mijne op het titelblad.”

„O, professor! professor!”

„Verlies nu je tijd niet met praten, maar loop eens gauw naar dokter Santman.... Je moet toch weten, waar je de arme patiënte brengen zult!”


ACHTSTE HOOFDSTUK.

Prettige komplotten.

Wat er in twaalf maanden kan voorvallen als men al de gebeurtenissen uit een enkel menschenleven bijeenbrengt, is soms meer dan de soberste historieschrijver in ettelijke boekdeelen kan verhalen. Breidt men den kring uit tot eene afzonderlijke familie, tot eene geheele stad, dan wordt de taak schier onmogelijk. In de meeste gevallen zal de Muze der geschiedenis echter de aangeboden stof versmaden, de talrijke handschriften in de scheurmand werpen, en binnen een enkelen volzin saamvatten wat gedurende een geheel jaar voorviel.

Aldus Clio. Maar niet alzoo Erato en Euterpe. Het lief en leed van een enkel mensch, van een enkel huis zijn haar dierbaar. Van de geschiedenis des harten te vertellen is haar duizendwerf aangenamer dan te spreken over eene ministeriëele crisis. Onder aanroeping dier beide vriendelijke Muzen wordt er hier opnieuw een begin gemaakt met het tweede deel van de geschiedenis der familie De Milde uit het Westeinde in Den Haag, en wel juist twaalf maanden, nadat zij voor het eerst in dit eenvoudig verhaal te voorschijn trad. Wat er in het verloopen jaar geschied is, zal, als het noodzakelijk mocht schijnen, ter gelegener plaatse worden ingelascht.

Zondag, September 1854. Heldere hemel, felle zonneschijn. De golven aan 't strand te Scheveningen komen vroolijk bruisend naar den lagen oever stroomen. Water en hemel vertoonen bijna dezelfde tint—een flikkerend blauw door de zonnestralen met goudvonken getooid.... Er is groote deining in zee ten gevolge van eene flinke bries uit het Zuidwesten. De stem der golven zingt een vroolijk lied met het oude, geheimzinnige refrein, half vol weemoed, half vol jubel. De pinken liggen in eene lange rij voor anker; de slanke masten teekenen zich geestig tegen het azuur, terwijl nauwlijks zichtbaar een rood of blauw wimpeltje de windrichting aanstreept. De schommeling der baren doet de vaartuigen zachtkens bewegen, als het witte schuim der branding tegen de kiel spat. Aan den horizon, schemerend en flauw geteekend door eene amethistkleurige wolkbank, verraadt een wegblauwende damp, dat een stoomer is voorbijgegaan. Terugkeerende visschersvaartuigen doemen op uit de verte, de masten in rustelooze beweging door de hooge, woelende zee.

Aan het strand bij de pinken heerscht groote levendigheid. Scheveningsche kinderen met bruine gezichten en wit hair scheppen een nationaal plezier in het blootvoets waden door het heldere water, terwijl zij luid joelend onder de ankertouwen doorkruipen. Invaliden der zee met duizend plooien in de geblakerde troniën rooken een bruin eindje pijp, en turen naar den gezichteinder. Enkele vrouwen dalen van de gele duinen, schommelend met eene weelde van rokken om de heupen, als nimmer in eenig oord der beschaafde of onbeschaafde wereld is aangetroffen.

Hoog verheft zich het duinzand van den dorpstoren tot aan het „groot stedelijk” badhuis, welk laatste gebouw nog in geen enkel opzicht „groot” en veel minder „stedelijk” te noemen is. Boven de woestijn van zand tusschen beide gebouwen rijst alleen het eenvoudig, vorstelijk paviljoen op een heuveltop. De beroemde zeebadplaats Scheveningen is nog niet ontdekt door den stroom der Europeesche reizigers; de Nomaden onder de Londenaren spannen hunne tenten elders; de tengere dochters van den Rhijn en de Spree verschrikken nog niemand met hare ongeoorloofd leelijke hoofddeksels van bruin stroo.

Rondom het badhuis heerscht stilte. De dagen der muziektent zijn nog niet gekomen, de zee maakt hier alleen muziek voor den eenzamen wandelaar. Niemand droomt van de hooge teenen strandstoelen, waarin Duitsche bankiers aan hunne millioenen en Hollandsche freules aan hare bruidstoiletten zullen denken, totdat het fluisterend lied der golven ze al te zaam in den slaap der onnoozelen zal hebben gewiegd. Op de duinen en omlaag wemelt geene bonte menigte van bezoekers; de kinderen der voorname badgasten zullen eerst later komen, om met hunne ijzeren spa of houten schop beddingen voor kleine stroomen te graven of bergen van vochtig zand op te werpen.

Behalve het Scheveningsche publiek bij de pinken vindt men evenwel het dagdievend stadsvolk in groote getale vereenigd op het terras of in de omstreken der gastvrije inrichting van oudsher „Zeerust” genoemd. De frissche bries maakt het zitten in de open lucht trots fellen zonneschijn niet onaangenaam. Aan tafeltjes zitten enkele groepen bijeen. Daar het omstreeks drie uren is, laten de heeren zich kleine glaasjes met nationale vloeistof geven; het gerucht der stemmen wordt luider.

Dicht bij den kleinen muziektempel van „Zeerust”, in het genot der schaduw, heeft zich een gezelschap van vier dames en twee heeren neergezet. Het zijn de dames De Milde—Kee, Jans en Willemien—vergezeld van de sedert een jaar bij haar inwonende mevrouw De Huibert. André de Witt is de eene heer, de andere heet Kees Tulk, ambtenaar bij de posterijen, en droog komiek bij gelegenheid. De beide oudste dames De Milde zijn misschien wat ronder en Willemien misschien wat schraler geworden, maar voor 't overige heeft „de tand des tijds” haar nog niet veel kwaad gedaan. Mevrouw De Huibert ziet er in haar zwierig zomertoilet jonger en bevalliger uit dan ooit te voren; haar toon tegen de familie De Milde is merkbaar milder geworden. Suze heeft de herhaalde pogingen van een viertal doodgoede, maar buitengemeen nieuwsgierige dames niet kunnen verijdelen; de dames De Milde hebben een soort van vriendschappelijk verkeer met haar aangeknoopt, en nu weten zij dan ook zeker, dat mevrouw De Huibert geene weduwe is, dat ze vrijwillig gescheiden van haar echtgenoot leeft wegens finantiëele onaangenaamheden, die voor geene minnelijke oplossing vatbaar zijn. De dames De Milde vertellen nu aan ieder, die het hooren wil, dat mevrouw De Huibert eene „allerliefste lieve vrouw” is, die men heel „leelijk” behandeld heeft. In één opzicht werd de nieuwsgierigheid der dames nog niet bevredigd. Mevrouw De Huibert gaat dikwijls des avonds uit, en komt somtijds laat thuis, altijd begeleid door denzelfden heer. Maar niemand der familie, welke zij verklaart met hare visites te begunstigen, komt ooit in het Westeinde terug. Daar mevrouw De Huibert omtrent dit verschijnsel altijd even geheimzinnig blijft, spannen de dames De Milde hare uiterste krachten in, om den sleutel van dit mysterie te vinden. Intusschen duurt de dagelijksche omgang op den aangenaamsten toon voort, en is er tot nog toe geen wolk gerezen tusschen beneden en boven in het Westeinde.

Dit zestal dames en heeren had het zeer druk met praten en lachen. Boven allen uit klonk de stem van Willemien, die naast André zat, en telkens van kleur verwisselde, daar de beide oudsten haar voortdurend zusterlijke aanmaningen toedienden. André had het niet minder druk met allerlei mededeelingen, terwijl de jonge Tulk voor de ververschingen zorgde, en Suze droomend naar de onmetelijke zee zat te staren.

„Alles dient nu afgesproken!”—ging André voort.—„In deze maand kunnen we nog vier- of vijfmaal repeteeren....”

„Zou dat wel genoeg zijn, André?”—vraagt Willemien.

„Laat hem toch uitspreken!”—vermaant Kee.

„Vóór den twaalfden October kunnen we dan nog een paar maal in kostuum en met al de accessoiren repeteeren,”—hernam de dilettant-regisseur,—„en dan komt het ding wel in orde!”

„Te beginnen met van avond!”—riep Willemien.

„Juist! Van avond repetitie!”—vervolgt André.—„Ik reken er nu op, dat de dames de rollen van buiten kennen. Vooral Roza en Louise mogen er nog wel wat meer werk van maken!”

„Ja, dat heb je er van, als je er kinderen bij haalt!”—meent Willemien.

„De kinderen moeten er bij voor papa en mama!”—herinnert Jans.—„Ik zal wel zorgen, dat Roza en Louise hare rollen kennen!”

„Goed; en dan moeten de dames eens aan de kostumen gaan denken!”

„De kostumen! Bravo! de kostumen!”—roept Willemien.

„Ja, dat is een lastige quaestie! Daar moest mevrouw ons eens wat aan helpen!”

Als uit verre gewesten plotseling op „Zeerust” aangeland, zag Suze in 't rond bij dit woord van de oudste der De Mildes.

„Helpen .... met plezier, maar wat bedoel je eigenlijk?”

„Meneer De Witt zegt, dat we voor onze kostumen moeten gaan zorgen!”

Zonderling. Suze had juist gemijmerd over het kostuum van .... minister! Zij zag een rijzig jongmensch vóór zich staan met den ministerrok vol goud borduursel....

Haastig antwoordde zij:

„Laat meneer De Witt je dan zeggen, hoe hij het hebben wil!”

André, die, wat er ook met hem in het verloopen jaar was voorgevallen, altijd zijne gezonde opgeruimdheid had bewaard, toonde zich onmiddellijk bereid.

De drie De Mildes luisterden aandachtig. Mevrouw De Huibert vestigde hare blikken weer naar zee, en vervolgde den afgebroken droom.

„Ons kostuum, dames!”—begon André—„kan zoo poëtisch mogelijk opgevat worden. We leven niet onder de verplichting, om er bepaald Olympisch uit te zien. Daar heb je in de eerste plaats Tulk, die voor Mars speelt....”

„Ik heb je al gezegd, De Witt! dat ik sergeant ben bij de Haagsche schutterij!”—viel de droogkomieke ambtenaar der posterijen in.—„Voor mijn kostuum als krijgsgod heb ik dus niet te zorgen!... Aannemen!”

De deftige knecht van „Zeerust” schoot ergens uit een schuilhoek te voorschijn, en hield eene fluisterende beraadslaging met den Haagschen schutter.

„Het moeilijkste zijn de dameskostumen!”—ging André voort.—„Voor de kleineren, Roza en Louize, die Apollo en Eroos zullen voorstellen, is nog wel wat te vinden. We nemen een tuniek van wit gaas, een verguld gordel, gouden kothurnen, pijlenkoker, boog en pijlen van hetzelfde metaal, en rozen, in kransen op het hoofd gedrukt, zooveel je maar wilt....”

Willemien had met hooge belangstelling dit debat gevolgd. Blozender dan ooit vroeg ze:

„En wat zou je mij raden, André? Dat kostuum voor de kinderen zal ik wel in orde maken. Er is niet veel aan te doen, en ik begrijp precies wat je wilt. Maar dat Pallaskostuum, wat begin ik daarmee?”

Kees Tulk, die naar een ouderwetsch glaasje keek, waaruit elk spoor van vocht verdwenen was, viel driftig in:

„Wel, juffrouw Willemien! dat is, dunkt me, gemakkelijk. Je trekt eerst je regenmantel aan, dan huur je een borstharnas en een kurassiershelm! En als je dan nog een schild en een speer van de Leidsche Minerva kunt leenen, dan ben je al een heel eind heen!”

Kee en Jans vonden dit „allerdolst”, en schaterden het uit. Willemien richtte een vragenden blik naar André, waaruit eene wereld van bittere verontwaardiging zich openbaarde.

André hield zich zeer ernstig, met heldenmoed allen lust tot schertsen onderdrukkend. Hij greep oogenblikkelijk de gelegenheid aan, om het vraagstuk der kostumen tot de repetitie van den avond uit te stellen. Niet minder ernstig voegde hij er bij:

„Maar er is nog iets anders. Hebben de dames wel gedacht om de muziek? Een zilveren bruiloft zonder muziek is een onmogelijkheid. En daar wij al te zaam als dilettant-artisten optreden, moeten we zien ook dilettanten voor de muziek te vinden!”

De drie De Mildes keken elkander verschrikt aan. De muziek .... nieuwe moeielijkheid! Zij hadden er al zoo veel overwonnen. Nu kwam de muziek! André loste tot nog toe als goed vriend bijna alle zwarigheden zegevierend op. En hij had daarbij vooral gezorgd, dat de beurzen der verschillende kunstenaars konden gesloten blijven.

Suze, die opnieuw uit haar droom wakker schrikte, en het woord muziek verstaan had, beijverde zich nu, om met de meeste hartelijkheid te zeggen:

„Wou jelui muziek hebben? Wel, me dunkt, dat is heel eenvoudig. Ik zal jelui wel helpen. Van avond komt mijn zuster Betsy me opzoeken, dan breng ik haar bij de repetitie, en jelui hebt een virtuoos eerste klasse!”

Een koor van blijde stemmen begroette dit voorstel.

De dames De Milde vonden het „allercharmantst”, maar stelden tevens voor, dat ook mevrouw De Huibert als werkend lid bij het huiselijk orkest zou optreden. Suze beloofde een „quatre-mains” met Betsy te zullen uitvoeren op den avond van den twaalfden October. Het sprak van zelf, dat zij een zoo belangrijk huiselijk feest, als de zilveren bruiloft der echtelieden De Milde, zou helpen meevieren. Hier moesten de algemeene beraadslagingen worden geschorst, daar het tijd werd naar Den Haag terug te wandelen. De corpulente De Mildes vormden met Suze de voorhoede; Willemien had het privilegie door twee vroolijk sprekende geleijonkers te worden vergezeld. Zoolang men nog in het onooglijke dorp Scheveningen bleef, had niemand lust iets te zeggen, en wandelde men vrij snel voort, tot men bij den heerlijken „ouden” weg met zijne olmen, eschdoorns, linden en gastvrije schaduwen was aangekomen. Toen begon de voorhoede der drie dames druk te spreken over maatregelen te nemen bij het aanstaande jubilé en poogden de zusters De Milde van Suze het geheim te leeren, om met zeer bescheiden middelen een prachtig feest te geven.

Niemand van het drietal lette op den weg....

Willemien lette er natuurlijk niet op, want zij genoot van het zeldzaam feit, dat twee heeren haar huiswaarts vergezelden. Zij had haar jeugdig hoofd vol zilveren-bruilofts-ideeën, en dus geen enkel oogenblik over voor de buitengewone schoonheid van den weg.... De jonge Tulk hield zich bezig, omdat hij niets aangenamers wist te bedenken, met eene weinig hoffelijke onderneming—hij poogde Willemien door alle bedenkelijke onaardigheden te sarren. Het arme slachtoffer had daarbij weinig hulp van André te verwachten, hij was de eenige, die op de dingen daar buiten, op boomen en zonneschijn, op licht en bruin, lette.

André volgde het spel der zonnevonkeling over het wandelpad. Hij tuurde beurtelings naar het groene dak boven zijn hoofd en naar het vluchtig dansen der gulden stralen aan zijn voet. De zeebries hield op met blazen, eene zachte koelte bewoog de takken. André luisterde niet naar wat er in zijne nabijheid gesproken werd, hij had alleen ooren voor de mooie natuur, voor den heerlijken namiddag. En dan dwaalden zijne gedachten naar elders. Plotseling had hij al droomend eene reize gemaakt tot aan de Pyrenaeën....

Hij zag de bergvlakte van Pau, het dal der Gave, het oude kasteel van den braven Henri IV—hij zag eene vriendelijke villa door acacia's en pijnboomen omringd, hij zag er een jong meisje rondwandelen met zonnescherm en breeden zonnehoed....

Zij lachte uit het verre Zuiden tot haar broeder!

Zij schreef, dat zij dagelijks beter en sterker werd, en dat zij tegen de volgende lente voor goed en geheel hersteld zou terugkomen.... Arme Letje! Zij had een jaar van lijden en leed achter den rug. Moeite en zorg had het gekost dominee De Witt te bewegen, om zijne lijdende dochter naar Pau te brengen. Allerlei bezwaren, finantiëele en moreele, hadden hem terneergedrukt, maar André had volgehouden en overwonnen. Aanvankelijk scheen het milde klimaat Letje weinig goed te doen; eene ernstige ziekte verschrikte de bloedverwanten in Nederland; reeds wilde André verlof vragen om voor eenige weken op reis te gaan, toen langzaam betere tijdingen kwamen. Intusschen mocht de patiënte er niet aan denken naar Leiden terug te komen tegen den zomer: zij moest te Pau blijven. Maar ze schreef vlijtig aan André—en André werkte vlijtig voor Letje.

Sinds een jaar had hij met buitengewone geestkracht zich aan den arbeid gezet. Behalve zijn gewoon werk aan het ministerie had hij geregeld moeten zwoegen voor het „Tijdschrift voor Staatswetenschap”, had hij een opstel in „de Gids” geplaatst en talrijke correspondentiën voor het „Handelsblad” voltooid. Hij had naar den raad van professor Van Dam alles onderteekend, en de voldoening gesmaakt, dat men zijn naam met lof noemde, mochten ook hier en daar zich stemmen doen hooren tegen het gewaagde en al te philanthropische karakter zijner economische bespiegelingen. Doch dit scheen van minder gewicht, als zijn vriendelijke Maecenas, Van Dam, maar te vreden was. Gelukkig werd de goede verstandhouding met Leiden niet gestoord. André mocht zich verheugen in de meest belanglooze hulp van zijn genialen meester—een zeldzaam voorrecht, dat hem levendiger trof, naarmate hij in zijn werkkring aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken minder ondersteuning vond.

André wilde met den heerlijken Zondagmiddag zoo min mogelijk over deze hinderlijke zaak nadenken—en, wanneer ook hier zijn voorbeeld gevolgd wordt, het is, omdat Erato thans nog de hulp van Clio versmaadt. De adjunct-commies had zijne ambtszorgen des Zaterdags op het ministerie achtergelaten, hij wijdde zich nu geheel aan de familie De Milde. Tot tweemaal toe had Willemien hem verweten, dat hij zoo „distrait” was, en daarom luisterde hij nu naar hare klachten over den onridderlijken Tulk, die trots zijne toekomstige rol van Mars zoo weinig achting bewees aan Pallas Athene.

Toen men Den Haag bereikt had, scheidde het gezelschap; de dames haastten zich naar het Westeinde, Tulk naar het huis zijner ouders in de Nobelstraat, en André naar het „Zefrientje”, om een der taaie biefstukken van de eerbare juffrouw Barbara Bont broederlijk te deelen met zijn contubernaal, luitenant Van Houweningen. Deze laatste was ook in de komplotten der dames De Milde betrokken, daar hem voor deze bijzondere gelegenheid op aanbeveling van André de rol van Zeus was toevertrouwd.

De repetitie zou stipt te acht uren beginnen. De meisjes De Milde hadden met de oude lui afgesproken: dat niemand in huis nieuwsgierig mocht zijn; dat zij „plein pouvoir” zouden genieten voor alles wat het groot festijn van den twaalfden October betrof; dat vader en moeder alzoo voor een zeker aantal avonden de tuinkamer moesten afstaan met de vaste belofte geene pogingen aan te wenden, om daarin tijdens de geheime zitting der jongelieden door te dringen.

In langen tijd had de heer De Milde zich niet mogen verheugen over zoo groote belangstelling zijner vijf dochters. De oude heer was nu de held van de aanstaande zilveren bruiloft, en de voorbereiding tot dezen prettigen hoogtijd gaf reeds zooveel blijdschap, dat een weerglans van de toekomstige zaligheid hem dagelijks tegenstroomde. Hij was er zoo vol van, dat zijne vrienden, die gewoon waren hem des namiddags te vier uren aan hetzelfde tafeltje van de „Witte” te ontmoeten, onder het diepste zegel des geheims al volkomen op de hoogte waren der groote verwachtingen. De aanstaande zilveren bruid en bruidegom hadden plechtiglijk besloten, dat zij ditmaal voor geene onkosten zouden terugdeinzen, en dat geene spaarpenningen te heilig zouden zijn voor den grooten dag.

Tegen acht uren hadden de vijf zusters het buitengewoon druk in de tuinkamer. Roza en Louise waren twee jongejuffrouwtjes, die men met een smakeloos germanisme „bakvischjes” zou kunnen noemen; dametjes, die op het punt stonden van de korte tot de lange japonnen te worden bevorderd. Ze aardden het meest naar Willemien, daar ze, vrij lang en mager van gestalte, toch vrij aardige en levendige gezichtjes hadden. De dames hadden de groote tafel ter zijde geschoven, om plaats te maken voor de „repetitie”. Er brandden twee lampen, eene op gezegde tafel haar licht verspreidend over een deftig theeservies, eene tweede op een vierkant speeltafeltje, dat tot de accessoiren van het tooneel werd gerekend. Nog vlamden er op den breeden schoorsteenmantel vier waskaarsen, zoodat de door haren aanleg zoo gezellige kamer er buitengewoon feestelijk uitzag. Op het geschilderd behang schenen de hooggekapte en witgepoeierde dames zich met blijdschap klaar te maken om de repetitie bij te wonen en de heeren met vermiljoenkleurige „houppelandes” van de voorpret te glimlachen.

De luidklinkende bel in de gang verkondigde, dat de dilettant-artisten op de stoep stonden. Met grootte vlugheid schaarden de zusters zich nu om de theetafel en, toen de drie heeren binnentraden, vormden ze in de helderverlichte kamer eene vroolijke groep. Al te zaam hadden zij zich beijverd, om een net kleedje of een mooi kraagje ter eere der repetitie voor den dag te halen. Dit was wel voor een deel uit belangstelling in de aanstaande zilveren bruiloft geschied, maar voor een ander deel hadden hoogst natuurlijke behaagzucht en onschuldige coquetterie zich niet onbetuigd gelaten.

De ontvangst der heeren greep met zekere deftigheid plaats. De Luitenant Van Houweningen, een corpulent jongmensch met een gul gelaat en een stereotypen glimlach onder den dikken knevel, verscheen voor de tweede reis in het Westeinde. De drie oudste dames De Milde achtten het noodzakelijk zekere statige vormen aan te nemen, althans in het begin dier bijeenkomst. André en Tulk waren oude kennissen, met hen maakte men geene „complimenten”. Roza en Louise zwegen op hoog bevel. Er werd plechtig thee geschonken door Jans; de heeren moesten eerst allen een kop thee drinken. Onder deze omstandigheden begon de repetitie.

„Kom aan!”—riep André.—„Mijne rol komt pas bij 't slot. Ik zal weer voor régisseur optreden!”

Een schrijfboek in de hand—het manuscript van eene losweg door hem geïmproviseerde „féerie”, met den titel: Venus contra Mars—rees hij van zijn stoel. Onder veel beweging en veel gelach stond men op. Het tooneel werd voorgesteld door een deel der kamer, 't welk men met eene rij stoelen afpaalde. Toegang tot het tooneel gaf de opengeschoven deur der suite, waarin de spelers zich verzamelden, om naar behooren te kunnen optreden. André zette zich met zijn schrijfboek op een der stoelen vlak voor het tooneel, en joeg de acteurs naar de suite.

„Als je blieft, dames en heeren! we gaan beginnen!”

Maar de zenuwachtige uitroepingen der dames en de luide lach van luitenant Van Houweningen noodzaakten André zijne vermaning tot tweemaal toe te herhalen. Eindelijk kwam er stilte, en kon men beginnen. In het eerste tooneel verschenen Eroos (mejuffrouw Louise) en Aphrodite (mejuffrouw Kee). Dat men der oudste zuster de eer had gegund Aphrodite voor te stellen, lag aan de onmogelijkheid, om de zaak anders te schikken—al te zaam wilden ze voor de onweerstaanbare Cyprische godin spelen. Kee hoopte tevens, dat een welgekozen kostuum veel tot de „illusie” zou bijdragen, en André had beloofd daarvoor een practisch en zooveel mogelijk smaakvol idee aan te geven.

Aphrodite en Eroos vertoonden allereerst een familietafereel. De moeder moest den vlindervluggen zoon de les lezen over zijne uithuizigheid. Eroos klaagt, dat hij vermoeid is door het forsche spannen van zijn boog, en dat hij al zijne pijlen heeft verschoten op één na. Hij wil uitrusten in de schaduw van Aphrodite's myrtenbosschen, en zijn hart ophalen aan de herinneringen zijner heldendaden. Hier wordt natuurlijk eene vertelling van Eroos geplaatst, oorspronkelijk voor zang geschreven, maar daar de onsterfelijke knaap weinig stem bezit, is de vertelling vertelling gebleven.

De régisseur valt de spelers herhaaldelijk in de rede. Mejuffrouw Louise is nog niet vertrouwd met de rol van Eroos. De vertelling komt niet tot haar recht. De medespelers hinderen door gefluister, en gelach in de suite.

„Komaan, Louise! Nog ééns!”—beveelt de régisseur.—„Harder spreken en vooral duidelijker!”

„Eens”—begint Eroos weer—„eens hadden de goden mij den vreugdekweekenden nectar verboden. Ik kwam u storen in een onderhoud met den geduchten oorlogsgod. In wilde drift stortte Mars....”

Bij deze woorden verschijnt de krijgsgod (Kees Tulk), en bespiedt het tafereel tusschen moeder en zoon.

„Komaan, Louise! In wilde drift stortte Mars....”

En Eroos zegt geduldig nog eens de „claus”, als het heet onder de heuschelijke tooneelisten.

Op dit oogenblik tikte men zeer bescheiden aan de deur der tuinkamer in de gang. Aphrodite liet het tooneel zonder veel ceremoniën in den steek, en keek voorzichtig door een kier van de deur, wie zich aanmeldde....

Hoe aardig! Het was mevrouw De Huibert en hare zuster juffrouw Betsy Muller Belmonte. Al de artisten kwamen snel te voorschijn. De repetitie werd afgebroken. De drie heeren hadden juffrouw Betsy nog niet ontmoet. Plechtige voorstellingen moesten derhalve plaats grijpen. Toevallig was André de laatste. Kee bracht hem naar Betsy, die ter zijde bij de tafel stond.

„Juffrouw Muller wilde gaarne onze repetitie bijwonen, en zal ons het genoegen doen voor de piano te zorgen!”

Na deze vriendelijke woorden trok Kee zich terug.

André zag een zeer bevallig jong meisje met weelderige donkerbruine krullen, doordringende, helderblauwe oogen en iets buitengewoon eenvoudigs in figuur en kleeding. Die eenvoudigheid kenmerkte zich evenwel door een bijzonder goeden smaak, zoodat André verrast en aangenaam getroffen, zich eenige oogenblikken met Betsy onderhield en de geheele repetitie vergat.

Van de oude Betsy Muller Belmonte was niets overgebleven. Tegenspoed en zorge hadden het jonge meisje een volkomen nieuwe richting gegeven. Tot op den dood van haar vader had zij in ledige werkeloosheid en trage onzekerheid geleefd; de harde noodzakelijkheid had haar wakker geschud, en bij het ontwaken had zij besloten het hoofd moedig omhoog te houden. Zij had vlijtig gewerkt en de sterkende, heiligende kracht van den arbeid had haar leven en karakter geheel hervormd. Betsy, nu meestal kortaf onder den naam van juffrouw Muller bekend, was begonnen met pianolessen te geven aan freule Albertine van Berenvelt. De proefneming was zóó wel geslaagd, dat zij spoedig bij aanzienlijke familiën werd aanbevolen, en in den regel vijf of zes uren per dag les gaf. Zij leefde onbezorgd met hare moeder op een eenvoudig bovenhuis aan den Lutherschen Burgwal. Ieder, die haar leerde kennen, sprak met de hoogste achting over hare voorbeeldige stiptheid, haar ijver en hare beminnelijke zachtmoedigheid. Zoo er eene schaduw over haar leven mocht gevallen zijn in Osterwolde, zij herleefde in Den Haag, en bejammerde het alleen, dat eene bittere oneenigheid tusschen hare moeder en zuster bleef heerschen. Mevrouw Muller Belmonte droeg hare jongste dochter op de handen, maar wilde van de oudste niets weten. Sedert zij in Den Haag was komen wonen, had de moeder geweigerd hare dochter te zien, en Betsy alleen van tijd tot tijd zich in het Westeinde vertoond.

André geboeid door de lieftallige verschijning van het jonge meisje, liet zijne artisten rustig met elkander praten.

Betsy moest herinneren aan het doel der bijeenkomst.

André was onmiddellijk tot haar dienst.

Plotseling buitengewoon belangstellend in de repetitie riep hij zijn volkje op. Hij noodigde mevrouw De Huibert en Betsy vóór het tooneel te willen plaats nemen.

Alles moest weer geheel van nieuws beginnen.

Sinds de beide vreemde dames er zaten, waren de acteurs en actrices bedaarder en regelmatiger. Nog was het opmerkelijk, dat de beide oudste De Mildes goedvonden—het was toch maar repetitie!—bij Suze en Betsy te gaan zitten en ten tooneele te verschijnen, als de loop van het Olympische spel dit vorderde.

Verwonderlijk kalm, soms even glimlachend, volgde Betsy het stuk. André begon nu eigenlijk recht goed in te zien, dat zijne mythologische klucht een akelig middelmatig gewrocht was. Aan zijne zijde zag hij de slanke figuur van Betsy, en telkens ergerde hij zich over zijn geesteloos werk, als deze, hem met hare groote, mooie, blauwe oogen aanziende, de eene of andere opheldering vroeg. En terwijl Mars tevergeefs tegen Eroos streed op het tooneel, fluisterde André:

„Het stuk is maar een gelegenheidsstuk, juffrouw Muller! Ik hoop, dat u het genadig zal beoordeelen. Een eenvoudige gedachte, anders niet! De Goden vieren feest op den Olymp, en drinken zich een goddelijken roes. Zij bemerken niet, dat Eroos zich listig van hunne machtsattributen meester maakt. De dolle knaap steelt Zeus zijn bliksem af, neemt den drietand van Neptunus, helm en speer van Pallas, zwaard en schild van Mars. Toen hij nu zag, dat ze allen ontwapend waren, schoot hij den krijgsgod een scherpen pijl in de borst en leidde hem ter genezing naar zijne moeder Venus Amathusia....”

Hier werd André verhinderd voort te gaan door een driftig roepen van zijn naam.

Mars (Kees Tulk), Zeus (luitenant Van Houweningen), Pallas (mejuffrouw Willemien) en Eroos vragen hem souffleursdiensten, van welke zich te kwijten hij anders nooit in gebreke blijft.

Schielijk helpt hij de zaak in orde brengen, en begint telkens weer van nieuws Betsy ophelderingen omtrent zijne bedoelingen te geven.

„De schalksche liefdegod—voor wien men nooit genoeg op zijne hoede kan zijn, juffrouw Muller!—zegeviert dien dag over al de Olympiërs, en onderwerpt ieder met Zeus incluis aan zijne macht! Hij wil dezen zijn bliksem niet teruggeven, voordat al de goden de opperheerschappij zijner moeder hebben erkend. Mars wordt voor goed geketend tot groote blijdschap van Apollo en zijne negen zusters....”

„Komen al de Muzen op het tooneel?”—vraagt Betsy.

„Zoo'n groot personeel kan ik u niet aanbieden. Onze krachten zijn beperkt. Apollo treedt als vertegenwoordiger zijner zusters op.... misschien had ik ongelijk niet aan Polyhymnia te denken....”

Betsy glimlachte zoo flauw, dat André het niet waagde haar zijne meening duidelijker te maken.

De gang van zaken op het tooneel vorderde alweer zijne tusschenkomst.

Het gold de hulde van al de Olympiërs aan Venus Cytheréa en een woedenden aanval van Hera (mejuffrouw Jans) op Zeus. De houding, de standen, de gebaren der vertooners lieten veel te wenschen over, en André moest lange pooze al zijne oplettendheid wijden aan de repetitie. Betsy, die louter uit nieuwsgierigheid op verzoek van Suze gekomen was, scheen de zaak niet onaardig te vinden; terwijl hare zuster, enkel uit beleefdheid voor de meisjes De Milde verschenen, met groote inspanning den gedurig terugkeerenden lust tot geeuwen onderdrukte.

Na eenige moeite, na eenig over- en weerspreken, kwam eindelijk dit tooneel tot zijn eisch, en ging men verder.

André zette zich haastig weer aan Betsy's zijde, en fluisterde opnieuw:

„Nu komen we tot een conflict. Hera wil niets van Eroos' pretentiën weten, maar Zeus trekt partij voor den knaap, omdat hij als oppergod verplicht is een goed exempel te geven, en zijn woord te houden. Pallas verschijnt als bemiddelaarster. Op haar stuiten al de pijlen van Aphrodite's zoon af—zij stelt voor in dezen twist de scheidsrechterlijke uitspraak op te dragen aan Phoebus Apollo (mejuffrouw Roza) en de negen Muzen. Met algemeene stemmen aangenomen. Apollo velt het volgend vonnis: Hera, Aphrodite en Pallas zullen gezamenlijk de wereld regeeren, Zeus, Mars en Apollo voeren hare bevelen uit. Inzonderheid wordt aan Mars opgedragen al zijne dienaars onder eene dure verplichting te stellen—de uitsluitende hulde aan Eroos en Aphrodite. En nu verloopen er op een machtwoord van Zeus twee duizend jaren in ééne seconde .... de onsterfelijke Olympiërs kennen geen tijd. Chronos is lang overleden....”

André kon het niet verder brengen met zijne toelichtingen, want hij werd door een koor van stemmen in de rede gevallen.

Hij zelf moest op het tooneel verschijnen in zijne rol van Hermes, den welbespraakten kleinzoon van Atlas, den boodschapper van goden en menschen.

Het scheen, dat André aarzelde.

Trok Betsy's tegenwoordigheid zijne aandacht af van het door hem zelf geschreven spel? Wilde hij ongaarne zijn zetel aan hare zijde verlaten, of vreesde hij zich belachelijk te maken op het tooneel?

„Hier zullen we de repetitie maar sluiten!”—riep hij met luide stem.—„Wat er nu komt, is altemaal voor mij, en ik ken mijn rol natuurlijk....”

Alle stemmen verhieven zich tegen dit voorstel.

André moest zijne rol vervullen; hoe zouden de anderen weten, wat zij in het slottooneel te doen hadden?

Daar was niet veel tegen in te brengen—André moest spelen.

Betsy zei lachend, dat ze nieuwsgierig was naar het slot, en hierop verscheen André onder de artisten ten tooneele. Het bleek nu, dat hij aan den hoogen raad der Goden verslag had te geven omtrent een gewichtig feit, in Nederland voorvallend den 12den October 1854. Dan zou een dappere zoon van Mars, die in 1831 als vrijwillig schutterofficier aan den tiendaagschen veldtocht deelnam, die zich daartoe met heldhaftige zelfopoffering uit de armen zijner jeugdige gade had losgescheurd, zijne zilveren bruiloft vieren. Nu volgde de historie van 's heeren De Mildes vrijaadje en huwelijk, zeer uitvoerig naar authentieke bronnen bewerkt. Ten slotte werd nog eene ovatie der onsterfelijke Olympiërs aan de zilveren bruid en bruidegom ingelascht, waarbij ieder onsterfelijke met gelukwenschen en verrassingen naar den voorgrond kwam, en alles zich oploste in een „combat de générosité” tusschen Aphrodite en Mars. Beide hemelingen verklaarden, dat de zilveren bruigom zijn of haar allergetrouwste dienaar in Nederland mocht heeten, waarop Hera en Pallas als hoogste autoriteiten van den Olymp het pleit beslisten door te verzekeren, dat de zilveren bruigom gedurende vijf en twintig jaren „de allergetrouwste dienaar” der Cythereïsche Venus geweest was.

Zoodra de repetitie afgeloopen was, zorgden de beide oudste De Mildes, dat al de sporen ervan verdwenen. Mevrouw De Huibert oordeelde het een geschikt tijdstip om te gaan, maar Kee en Jans kwamen haar op de gulste manier overstelpen met uitnoodigingen, om een „boterhammetje” te blijven eten. Willemien opperde het plan juffrouw Muller ook eens te doen repeteeren op de piano. André sprak er met geestdrift over, en Betsy liet zich verbidden. Toen Betsy zich voor de ouderwetsche piano neerzette, zweeg ieder, zelfs de luidruchtige Van Houweningen onthield zich van schaterlachen.

André plaatst zich naast het jonge meisje, en staart met kwalijk onderdrukte bewondering naar de kunstenares, die begint het gebrekkige werktuig tot een nieuw leven te doen ontwaken. Betsy vergeet het gezelschap, en draagt een paar schoone muzikale gedachten voor. Een glimlach beweegt hare lippen—een vonk van geestdrift tintelt in haar oog. Oningewijden mochten misschien de fijnheid en zekerheid van haar spel niet naar waarde kunnen beoordeelen, allen luisterden met eerbiedige stilte. André is opgetogen. De tonen van het klavier dringen in zijn hart als eene tooverhymne, die hem opheft naar een fantastisch Eden, waar alles schittert van kleur, alles ademt van geur, alles jubelt van lust. Een dorst naar het oneindig Schoone en Verhevene doordringt zijn gemoed—zijne ademhaling versnelt zich, een traan begint in zijn oog te parelen....

Daar zwijgt de muziek. Allen komen om strijd Betsy bedanken. André blijft ter zijde staan. Toen zij even naar hem omzag, straalde uit zijn vochtig oog zooveel bewondering, dat zij schielijk het hoofd wendde, en met een vluchtig blosje de al te luidruchtige hulde der heeren Tulk en Van Houweningen beantwoordde.

De deur der tuinkamer wordt voorzichtig geopend.

De heer De Milde vraagt op nederige wijze vergunning, of hij even mag binnenkomen? Daar werd zoo mooi .... zoo beeldig mooi gespeeld, dat hij nieuwsgierig geworden was, en, als de dames en heeren het niet kwalijk namen, dan.... Kee, Jans en Willemien komen hem te gemoet in feestelijke stemming alsof de bescheiden lachende man reeds zilveren bruigom was, en stellen hem voor aan den jongen Van Houweningen, den eenige, die hem onbekend is. De heer De Milde, op het deftigst gedost in 't zwart met zijne glanzigste satijnen sjaaldas en schitterendste diamanten speld, gaat daarna vol drukte juffrouw Muller voor de kostelijke muziek danken, en roept als in één adem:

„En wat zullen de dames en heeren gebruiken .... Rhijnschen wijn of rooden wijn.... Jans! Schenkt niemand hier in?”

Kluchtig bijna van bewegelijkheid wipte hij weg, en kwam terstond terug met mama De Milde, die op hare beurt gevolgd werd door eene knappe kamermaagd—deze laatste belast met eene eerbiedwekkende hoeveelheid flesschen, karaffen en glazen. De vrouw des huizes was even deftig gekleed als haar man in eene zwierige, maar door vetvlakken ontwijde, grijze japon, en had hare prachtigste muts met splinternieuwe azuurkleurige linten opgezet. Druk sprekend boog zij voor het gezelschap op ouderwetsche, stuipachtige wijze, en ving zij onmiddellijk aan iedereen te bedienen.

De gezelligheid nam nu hand over hand toe. Vroolijkheid blonk uit ieders oog. De jongejuffrouwtjes Roza en Louise, die weer volop mochten spreken, daar papa en mama waren binnengesmokkeld, draafden in 't rond met flesschen wijn en weerden zich dapper door inschenken. De heeren Tulk en Van Houweningen maakten fatsoenshalven een klein ziertje het hof aan Kee en Jans, die de echo's der tuinkamer wakker riepen met haar giggelend gebabbel. De heer De Milde, volkomen tevreden over „quantiteit” en „qualiteit” der ververschingen, zette zich aan de tafel naast mevrouw De Huibert, om recht op zijn gemak over allerlei Haagsche familiën en historiën van vroegeren datum te keuvelen. Zoodra Suze toevallig genoopt werd een oogenblik in den kring der De Mildes door te brengen, was het bijna zeker, dat zij met den ouden heer een levendig gesprek aanknoopte. Deze laatste was op de hoogte van heel het Haagsche leven uit vroeger of later tijd. Suze stelde het meest belang in familiën met aristocratische namen, en de heer De Milde gaf zoo uitvoerig verslag over allerlei levensbijzonderheden van Haagsche grooten, alsof hij dagelijks hun drempel betrad.

Bij de ouderwetsche piano was een gezellig hoekje der tuinkamer, daar men er zich in de onmiddellijke nabijheid der gepoeierde heeren en dames van het behangsel op een deftigen leunstoel neerzetten en het geheele vertrek overzien kon. Toevallig misschien had Betsy, na de levendige „ovatiën” haar met geestdrift gebracht, zich op dien fauteuil neergezet, om aan al te luide lofredenen te ontkomen. Minder toevallig mocht het genoemd worden, dat André zich op het pianostoeltje plaatste, om met haar een afzonderlijk gesprek bijna onder vier oogen aan te knoopen. Bijna onder vier oogen, want mevrouw De Milde bemoeide zich uitsluitend met de versnaperingen, die nu niet alleen in vloeibaren staat, maar ook in den vasteren vorm van boterhammen met zalm of gehakt werden aangeboden. Suze verdiepte zich met den „ouden heer” steeds verder in de genealogiën van Voorhout en Vijverberg. Roza en Louise wijdden al hare studie aan de „sandwiches”, en de beide oudsten, Kee en Jans, hadden alleen oogen voor hare broeders-acteurs, die zoo talentvol de rollen van Zeus en Mars vervulden.

Zoo stond het André vrij met Betsy eene lange pooze te spreken .... bijna onder vier oogen!

Bijna .... want wat verder ter zijde bij de deur der suite staat Willemien, geheel alleen, door niemand bespied, aan zich zelve overgelaten. Zij heeft zich meester gemaakt van de „Oprechte Haarlemmer”, die Zondags op de piano blijft zwerven. Zij leunt tegen den wand en houdt de krant uitgespreid, zoodat niemand een blik op haar gelaat kan werpen.

Arme Willemien! Zij zou in André's tooverkluchtspel de rol van de godin der wijsheid vervullen, en nu moest ze zich met alle macht bedwingen geene dwaasheid te doen. Zij zag door haar „Haarlemmer” heen de schitterende oogen van den jonkman, terwijl hij Betsy fluisterend toesprak over den betooverenden invloed der muziek—terwijl hij duidelijk hoorbaar zeide:—„Nu ik u heb hooren spelen, juffrouw Muller! is het mij of ik een nieuw gezang ken, dat ik in mijn hart moet bewaren!”—terwijl eenige oogenblikken later Betsy hem toch doodeenvoudig verzocht haar telkens niet zoo deftig „juffrouw” Muller te noemen....

Arme Willemien! Zij volgde dit gesprek, 't welk duidelijk verried, hoe de harten der beide jongelieden met half onbewuste sympathie, half bewuste genegenheid elkander begonnen tegen te kloppen .... en niemand lette op haar bitter verdriet, op hare wanhoop.... Zij had het luid willen uitschreeuwen:—„André is een bedrieger!”—maar zij durfde niet, want het was eigenlijk niet eens waar.... André had nooit tot haar met zooveel uitdrukking, zoo eerbiedig, zoo nederig gesproken....

Het was niet, om uit te houden....

Snel en onhoorbaar opent zij de deur der suite, en trekt zich in de duisternis terug, om luid weenend op eene sofa neer te vallen.

Arme Willemien! Niemand merkte het op, niemand miste haar. Het geheele gezelschap koutte, lachte en schertste, terwijl bittere tranen van spijt haar langs de magere wangen biggelden....


NEGENDE HOOFDSTUK.

De Secretaris-generaal ad-interim.

Sinds het voorjaar van 1854 was er zeer veel veranderd bij het besturend personeel aan 't ministerie van Buitenlandsche Zaken.

Baron Van Berenvelt, de door ieder hooggeschatte secretaris-generaal, was door een lichten aanval van beroerte getroffen. In Den Haag leefde zeker niemand, die bij de meest uiteenloopende kringen der maatschappij zoo algemeen gezien was. Met groot genoegen hoorde men, dat de toestand van den achtenswaardigen man niet hopeloos scheen. Langzaam herstellende keerde hij in het begin van September van zijne villa bij Utrecht terug. Freule Adèle had haar vader gaarne langer buiten willen houden, zijn eigenaardige toestand maakte dit evenwel niet raadzaam.

De secretaris-generaal hing met hart en ziel aan zijne betrekking. Zoodra hij zich wat beter gevoelde, wilde hij weten, hoe de zaken aan het ministerie stonden. Zijn hoofd was gelukkig helder, maar zijne groote bezorgdheid voor zijne ambtelijke bezigheden maakte hem onrustig. De minister had de tijdelijke waarneming zijner „functiën” aan den referendaris Van Reelant opgedragen. Deze laatste was daardoor bijna onmisbaar voor den heer Van Berenvelt geworden. Voortdurend had de uiterst beleefde referendaris zich kleine uitstapjes naar Utrecht getroost. Toen de familie zag, dat de heer Van Berenvelt na de bezoeken van den referendaris voortdurend kalmer en rustiger werd, kon men bij aanhoudende beterschap den ijverigen secretaris-generaal niet langer tegenwerken. Hij wilde volstrekt naar Den Haag terug, dan kon hij Van Reelant dagelijks raadplegen. Hij beloofde aan zijne dochter Adèle, dat hij verstandig genoeg zou wezen, om niet onmiddellijk naar het ministerie terug te gaan; hij verlangde alleen in de nabijheid te zijn; hij klemde zich met beide handen aan den zetel van secretaris-generaal. Bijna een heel leven lang had Baron Van Berenvelt, schijnbaar onopgemerkt, maar des te vruchtbaarder en invloedrijker gearbeid. Hij werd bij de verschillende staatkundige partijen als een hoogst bekwaam en schrander man geacht. Dat zijne noodlottige ziekte hem ongeschikt zou kunnen maken voor bezigheden, die hem allengs dierbaar en noodzakelijk waren geworden, liet hij zich door niemand opdringen.

Zoo was het geschied, dat Van Reelant nu al vijf maanden de betrekking van secretaris-generaal ad-interim vervulde. Aan het ministerie heerschte daarover in het geheim de grootste ontevredenheid. Ieder wist, dat Van Reelant een witten voet had bij den minister. Men durfde zich daarom niet openlijk verzetten tegen zijn bestuur. Met de uiterste nauwkeurigheid en de overdrevenste zorg waakte de nieuwe man, een groot jaar nog maar werkzaam aan het ministerie, over de plichtsbetrachting van ambtenaren, die er sedert jaren den eentonigen gang der dagelijksche werkzaamheden volgden. Het geheele ministerie was in rep en roer, sedert Van Reelant voorloopig de plaats van den heer Van Berenvelt bekleedde. Hoogere en lagere ambtenaren gehoorzaamden morrend aan allerlei nieuwe voorschriften, inbreukmakend op hunne vrije beweging.

De secretaris-generaal ad-interim verscheen met klokslag van tien uur op het ministerie. Daar de minister des zomers altijd eenige weken in Gelderland toefde, was het practisch beleid van zaken sinds primo September in Van Reelant's handen. Zoodra hij zijne kleine, nette kamer heeft bereikt, stelt hij een onderzoek in naar de ambtenaren, en vraagt hij wie afwezig is. De heeren fluisteren elkander toe, dat hij eene lijst nahoudt van absenten en telaatgekomenen; menigeen heeft zich overtuigd, dat die lijst bestaat, als de secretaris-generaal ad-interim hem doet roepen, en op koud-beleefden toon verzoekt, aan het ministerie de eer zijner tegenwoordigheid in 't vervolg wat vroeger te willen gunnen.

Geen aangenamer oogenblik van den dag voor al de levende zielen op het ministerie dan des middags te kwart na twaalf. Dan gaat Van Reelant voor een kwartier, een half uur of langer, „confereeren” met den uiterst langzaam herstellenden Baron Van Berenvelt. Nadat deze laatste in Den Haag en zijn huis op den Vijverberg was teruggekomen, bleek het duidelijk, dat hij te veel van zijne krachten gehoopt had. Een gevoel van uitputting en lichte duizelingen kwelde hem, zoodat volstrekte rust noodzakelijk was. Alleen een kort gesprek met zijn voorloopigen plaatsvervanger was alles, wat men hem konde toestaan. En toch verlangde de heer Van Berenvelt niet sterker naar den dag, waarop hij, geheel hersteld, zijn zetel in het ministerie weer zou mogen bezetten, dan al de ambtenaren hoog en laag, van den „chef de cabinet” tot aan den nederigsten „boute-feu”.

Terwijl Buitenlandsche Zaken aldus zuchtten onder de afwezigheid van den algemeen beminden secretaris-generaal, gebeurde het op den middag van 13 October 1854, dat wederom stipt kwart na twaalf de bel klonk in de kamer van zijn plaatsvervanger.

Bij het binnentreden van den bode vroeg van Reelant:

„Is meneer De Witt gekomen?”

„Nog niet, meneer!”

„'t Is wel! Ik zal binnen een kwartier terug zijn! Laat de tafel in orde brengen!”

De bode knikte.

Een paar borden, een witte porseleinen kop verrieden, dat Van Reelant uit vurigen dienstijver nog altijd zeer eenvoudig „dejeuneerde” in zijne kamer.

De bode wilde juist aan meneer Van Reelant mededeelen, dat het hard regende, doch toen hij zag, dat de nette meneer met de nette zwarte jas en blinkenden, zwarten hoed een zoo mogelijk nog netter zwartzijden regenscherm ter hand nam, zweeg hij. Buitengewone beleefdheid was overbodig met dezen norschen heer, die altijd op denzelfden hoogen toon sprak, en nooit glimlachte.

Van Buitenlandsche Zaken naar den Vijverberg is maar eene kleine wandeling, en toch woelde er eene lange reeks van allerlei gedachten door Van Reelant's hoofd. Naar de lucht opziende boven de vervallen gebouwen van het oude stadhouderlijke kwartier trof hem de grauwe kleur der schielijk door het zwerk voortjagende wolkstapels. De westenwind woei soms boven de Gevangenpoort een klein plekje open, waardoor vriendelijk blauw schitterde, maar de zon bleef achter een dicht floers verborgen, en de hardnekkige najaarsregen viel ongestoord. De pannen en de muren glommen van het neerstroomend vocht; de keien op het Buitenhof en de Plaats spiegelden elk voorwerp met bijzondere nauwkeurigheid af; de plassen tusschen de steenen ontvingen de scherpe regenstralen onder opborrelend spatten. De felle wind rimpelde de oppervlakte van den Vijver, en joeg de eenden, die met luid gekwaak wegzwommen, onder de beschermende schaduwen van het eilandje. Alleen de zwanen dreven trouw en statig naast elkander over den bewogen waterspiegel, en gaven om wind noch regen.

Van Reelant poogde zich onder zijne parapluie voor nat worden te bewaren, maar achtte evenmin op de guurheid van den regenachtigen Octoberdag. Hij dacht aan vrij wat belangrijker onderwerpen. Het toeval had gewild, dat hij plotseling geroepen werd tot waarneming der „functiën” van secretaris-generaal. Men moest erkennen, dat hij er niet mee schertste. De minister had hem zijn volle vertrouwen geschonken, en de Baron Van Berenvelt zou geen vier en twintig uren hebben kunnen doorbrengen zonder hem te raadplegen. Met tooverachtige snelheid was hij zoo hoog gestegen, waren zijne vurigste wenschen verhoord. Hij had geene moeite, geene inspanning gespaard—dat was waar. Niemand twijfelde meer aan zijne hooge achtenswaardigheid, aan zijne diplomatische bekwaamheid; het naijverige Haagsche publiek, zoo wantrouwend jegens vreemdelingen, roemde hem reeds als een zijner edelste sieraden. De voorzichtige praktijk van zwijgen had hem bemind gemaakt bij al de deftige en invloedrijke heeren; zijn trouw kerkbezoek en zijne nette handschoenen hadden het hart der oude, aanzienlijke dames gewonnen. Om de jongeren van beide sexen bekreunde hij zich minder, en toch was het opmerkelijk, dat ook dezen nog nimmer lust gevoeld hadden met Van Reelant te schertsen. Ieder hield het er nog steeds voor, dat hij zeer „serieus” was, en zeer „serieus” bleef.

Hij had met buitengewonen ijver alles bestudeerd wat tot zijn ambt in verband stond. Hij gaf alleen „advies”, wanneer het door een zijner chefs gevraagd werd, maar dan zorgde hij er voor iets buitengewoons te kunnen zeggen. Gedurende den vorigen winter was hij aan het Hof voorgesteld, en sedert dat tijdstip bestond er geene familie uit de oude Haagsche aristocratie, of uit het corps diplomatique, welke hem niet onder hare meest gezochte gasten telde. Van Reelant was, om zijne eigen uitdrukking te gebruiken, volkomen „gelanceerd” in de beste Haagsche kringen; zijne betrekking was eervol; hem ontbrak niets dan .... fortuin. En daar het zijne door den eigenaardigen gang van zaken verbrokkeld was, betaamde het hem ieder verstandig middel aan te grijpen, om het weder op te bouwen.

Zou Adèle van Berenvelt hem daartoe hare hand willen bieden? Hij twijfelde er niet aan, wanneer de omstandigheden bleven medewerken. Tijdens de laatste vijf maanden had hij groote vorderingen gemaakt. De familie Van Berenvelt had zijn trouwen ijver nimmer tevergeefs op de proef gesteld. Adèle toonde zich dankbaar, en behandelde hem als een goed, oud vriend. Zij raadpleegde met hem in alles, waar het op het belang en de gezondheid van haar vader aankwam. Dikwijls hadden zij zonder eenige getuigen noch eenigen schroom familiaar als broeder en zuster gesproken. De afstand tusschen beiden was aanmerkelijk ingekrompen. Zij hadden te zaam den hulpbehoevenden lijder verpleegd in het begin zijner plotselinge ongesteldheid. Adèle had nimmer op Van Reelant's tegenwoordigheid of goeden raad behoeven te wachten—hij had zich zoo onontbeerlijk gemaakt als een ijzeren wil en een bedachtzame tact vermochten. Reeds was het hem gelukt den Baron op kiesche wijze zijn oogmerk te doen vermoeden, en terstond bleek het hem, dat zijne kansen uitmuntend mochten genoemd worden.

Adèle sprak met gulle hartelijkheid en zonder eenige gedwongenheid, als zij saam onder vier oogen waren. Zijne eerbiedige hoffelijkheid stiet haar nooit tegen de borst; zij had er niet aan gedacht hem het stilzwijgen op te leggen. Evenwel scheen het hem nog zeer moeilijk te bepalen, of hare vriendelijke genegenheid ooit tot een dieper, een inniger leven zou ontwaken, of hij het hart zou winnen van een zoo fier, zoo onafhankelijk, denkend meisje, als Adèle.... Hem ergerde het daarbij 't meest, dat hij zelf zoo weinig durfde wagen uit vrees alles met één slag te bederven.

Toen hij bij Baron Van Berenvelt aanschelde, trad er eene dame de stoep op, voor wier parapluie hij beleefd ter zijde ging, terwijl hij deftig groette. Zij droeg een uiterst eenvoudig kostuum, maar zag er bekoorlijk uit met hare lange, donkerblonde krullen en schrandere oogen. Het was de pianojuffrouw van freule Albertine; hij had haar meermalen in het voorbijgaan ontmoet, maar vereerde zijne oude kennis Betsy Muller Belmonte alleen met een stijf knikje. Bij het binnentreden liet hij haar voorgaan, en verloor haar oogenblikkelijk uit het oog. De lakei bracht hem met alle mogelijke bewijzen van eerbied naar de studeerkamer van den Baron.

Gedurende zes weken verscheen Van Reelant telken morgen op hetzelfde uur bij den heer Van Berenvelt. Zijn bezoek werd met hetzelfde ongeduld verwacht als de visite van een aanzienlijk arts. De Baron worstelde tevergeefs tegen zwakheid en lusteloosheid. De uiterste kalmte en de volmaaktste rust alleen konden hem genezen. De zorg over den gang van zaken aan het ministerie scheen grootelijks verminderd, sedert hij weer in Den Haag gevestigd was. Zeer langzaam kwam er eene kleine verbetering in zijn toestand. Zijne dochter waakte angstig over hem, en was gewoon Van Reelant voor zijn vertrek ieder morgen eenige minuten op te houden, als huisgenooten doen, die hun dokter in 't geheim naar den toestand van een geliefden zieke vragen. Freule Adèle haalde dien morgen Van Reelant persoonlijk af uit de studeerkamer van haar vader. Zij bracht hem naar het kleine salon bij de serre. Zoodra zij binnentraden, vroeg ze bezorgd:

„En hoe vind je papa van morgen, Van Reelant?”

Al lang had freule Adèle het deftige „meneer” weggelaten, terwijl hij zelf nog aarzelde tusschen het even deftige „freule”, zooals hij gewoonlijk placht te zeggen, of het meer intieme „Adèle”, dat hij zich maar bij uitzondering veroorloofde. Hij haastte zich zeer ernstig te antwoorden:

„Van morgen wat gedrukt .... maar in het algemeen gaan we toch langzaam vooruit!”

Adèle vestigde hare fonkelende, zwarte oogen met eene uitdrukking van angst op Van Reelant's gelaat, en zei haperend:

„Is dat wezenlijk je eigen overtuiging, Van Reelant?”

„Ja, freule Adèle! Uw papa gaat vooruit, al is het zeer langzaam, zeer langzaam! Zijn eenige kwaal is nu eene moreele—hij is niet verstandig genoeg, om zijn volkomen beterschap kalm af te wachten!”

„Die lieve papa! O, ik kan het soms niet uithouden van angst .... als de beterschap eens niet doorging, als....”

„Maar de beterschap gaat door! 't Is nu alleen nog een quaestie van tijd. Meneer Van Berenvelt is volkomen gerust over den gang van zaken aan het ministerie, en dit is een groote stap tot den vrede .... wij zullen hem redden....”

„We zullen hem redden, als ieder mij maar trouw helpt. Ik mag immers op je rekenen, Van Reelant?”

Adèle strekte hare sneeuwwitte handen uit, en legde die op Van Reelants rechterarm.

Zij waren zonder eenige plichtplegingen naast elkander op eene sofa gaan zitten.

Van Reelant werd bleek, en haalde diep adem.

Zijne scherpe stem dwingende tot den zachtsten, hartelijksten klank antwoordde hij:

„Je kunt stellig op me rekenen, Adèle! Nu en altoos .... altoos....”

Freule Van Berenvelt ergerde zich niet over den gemeenzamen toon. Zij hadden te zaam al zooveel zorgen gedeeld. De hulpvaardige vriendschap van den even voorkomenden als edelmoedigen jonkman stemde haar zeer gunstig ten zijnen opzichte. Zoodra zij met hem sprak, week het gevoel van eenzaamheid en verlatenheid, dat haar telkens overstelpte, als zij aan den toestand van haar armen vader dacht. Een hartelijk woord van Van Reelant was haar altijd welkom. Zachtkens nam zij hare handen van zijn arm, en fluisterde:

„O, ik wist het wel! Je blijft onze trouwe vriend, Van Reelant!”

De deur van het salon werd geopend. Een lakei riep:

„De heer Gronovius!”

Tot groote ergernis van den secretaris-generaal ad-interim trad nu de beroemde heer Gronovius met zijn kaal hoofd, blozende wangen en talrijke „decoratiën” binnen. De jongelui waren opgestaan, en bogen voor den achtenswaardigen vertegenwoordiger des Nederlandschen volks. Hij zag er zeer indrukwekkend uit met zijne plechtige, zwarte jas, in wier knoopsgat alleen een zeer klein deel zijner welverdiende lauweren prijkte. Hij begon aanstonds te spreken, en drukte in zijne stem de meewarige belangstelling uit van een groot man, die zich bewust is eene buitengewone oplettendheid aan zijne vrienden te bewijzen:

„Hoe vaart u freule? Bonjour, Van Reelant! Juist voorbijkomende, wil ik niet mankeeren even in persoon naar mijn besten vriend Van Berenvelt te informeeren! We hebben het ontzettend druk in de Kamer vandaag, maar .... enfin, hoe gaat het hier?”

Het gezelschap was blijven staan. Adèle antwoordde beleefd, en verzocht den „grooten” man te gaan zitten.

„Pardon, freule! Ik moet onmiddellijk weer naar de Kamer! Als ik maar hoor, dat het vooruit gaat met Van Berenvelt, ben ik tevreden! Geen nieuws, Van Reelant?”

„Niet van belang, meneer Gronovius? Weet u iets?”

„Bagatellen, anders niets! Het Belgisch gouvernement heeft mij commandeur van de Leopoldsorde gemaakt....”

„Mag ik u feliciteeren....”

„Dank je! Niets bijzonders! En als alles goed gaat, kan Van Berenvelt dus over veertien dagen weer op het ministerie zijn, niet waar?”

„Wij hopen het allen!”

De heer Gronovius behield gaarne „voeling” met Buitenlandsche Zaken. Hij wist nu alles, wat hij weten wilde, en mocht zijn plicht als volksvertegenwoordiger geene seconde meer verzuimen.

Toen hij afscheid nam, klonk de stem van den lakei opnieuw:

„Graaf Tchitchikoff!”

Gronovius vloog haastig heen, en de Russische attaché vertoonde zijne rozige, gerimpelde trekken en zijne dunne, zwarte hairen, langs voorhoofd en wangen naar de fraaiste „symmetrie” gladgestreken. Hij boog met groote plechtigheid, en sprak ratelender dan eene Friesche klok, waarvan men de gewichten ophaalt, in voortreffelijk Fransch:

„Ik kom eens hooren naar meneer den Baron? Beter, niet waar? Charmant! En nu, zullen we het genoegen hebben freule Van Berenvelt van avond bij de groote repetitie te zien?”

„Onmogelijk, mijn waarde Tchitchikoff! Ik ga niet uit, voordat papa hersteld is! Het spijt me....”

Au désespoir, freule! We zullen mevrouw Van Olmen als uwe doublure moeten doen optreden! Dat kan nu niet anders! De zaken marcheeren uitstekend! De representatie zal succes hebben! En we hopen vurig, dat u van de partij zal zijn bij de tweede representatie!”

„U is wel beleefd....”

„Ik heb het akelig druk! Nu aanstonds naar mevrouw Van Olmen, om over haar kostuum te spreken! Costume régence, zooals u weet! Nog vijf dagen den tijd! Enfin, dat zal in orde komen! Maar ik reken op u, mijn waarde Van Reelant! Den heelen avond ben ik bezet met mijn rol van Sganarelle! U komt zeker, niet waar?”

De secretaris-generaal ad-interim verwenschte de heele comédie de société, maar poogde zich met eene beleefde verontschuldiging van de zaak af te maken.

Intusschen hielp Adèle den Russischen attaché, en weldra had men afgesproken, dat Van Reelant zich dien avond eene pooze aan zijne bezigheden van tweeden régisseur zou wijden, ondanks de vele drukten door zijn staatsambt veroorzaakt. Vlug wipte graaf Tchitchikoff weg—hij had geene minuut meer te verliezen.

Van Reelant haalde de schouders op, toen hij verdween. Adèle scheen hem te begrijpen. Zij glimlachte even in 't voorbijgaan, zonder naar hem op te zien.

Beiden stonden een oogenblik zwijgend stil.

Van Reelant had zijn hoed gegrepen, en dacht er over nog iets te zeggen, vóór hij heen ging.

Adèle voorkwam hem. Zij vroeg haastig:

„Morgen zie ik je weer op dit uur, niet waar?”

„Zeker, zeker! Mijn liefste oogenblik van den geheelen dag!”

Het jonge meisje sloeg de heldere kijkers neer, en antwoordde zacht:

„Waarom zeg je dat zoo?”

Van Reelant vatte snel hare hand, en vroeg in denzelfden toon:

„Heb je me dan nog niet begrepen, Adèle? moet ik duidelijker spreken?”

De hand van het jonge meisje trilde in de zijne.

Geen van beide sprak een woord.

Plotseling hief Adèle het hoofd op, een vuurroode blos overstroomde hare wangen. Zij trok hare hand terug, en zei met trillende stem:

„Nu niet, Van Reelant! Morgen .... morgen!”

Als eene schaduw verdween ze.

De secretaris-generaal ad-interim staat roerloos in het verlaten salon. Eene diepe ademhaling, een vonkelend oog getuigen, dat hij zich zeker acht van zijne victorie. Nog een oogenblik toeft hij, terwijl zijne rechterhand rusteloos aan den blonden knevel plukt.... Morgen zal zij beslissen!

Eene nieuwe overwinning! klonk het jubelend in zijn oor, toen hij andermaal door den regen naar het ministerie terugijlde. Opgewekt zet hij den loop zijner gedachten voort. Zijn huwelijk met eene freule Van Berenvelt zal een groote stap zijn tot volgende zegepralen. Fortuin, aanzien, maatschappelijke onderscheiding, niets ontbreekt hem meer. Schitterender carrière is door niemand zijner academische tijdgenooten gemaakt! Zijne eerzucht hoeft voor niets meer terug te deinzen, alle hooge bedieningen zullen hem toegankelijk zijn....

Plotseling staat hij een oogenblik midden in den regen en juist voor de Gevangenpoort stil. Er kwam geen hollend rijtuig, dat het leven van den weerloozen voetganger bedreigde. Waarom merkte hij niet, dat hij stilstaat? Waarom fronst hij de wenkbrauwen? Klemt hij de tanden met woeste verbittering op elkander? Waarom ontsnapt hem een uitroep van ongeduld, terwijl hij driftig zijn weg vervolgt? De toekomst lokte hem met louter zonneschijn .... dacht hij misschien aan stormen, die komen zouden?

Toen hij in de kamer van den secretaris-generaal op den stoel van den heer Van Berenvelt voor de schrijftafel zat, gaf hij een oogenblik toe aan ernstig gemijmer—bij al zijne prachtige vooruitzichten bleef er eene zwarte wolk aan den horizon .... twee groote blauwe oogen zagen hem aan .... met eene beweging van hoofd en hand joeg hij de schim zijner fantasie weg, en ging met ijver aan het werk. Zijne eerste daad is flink te schellen.

De bode treedt binnen.

„Is meneer de Witt present?”

„Ja, meneer....”

„Vraag hem hier te komen!”

Eenige oogenblikken later verschijnt André. Aan zijn pijnlijk saamgeplooiden mond kan het blijken, dat hij met loome schreden naar de kamer van den secretaris-generaal is afgedaald. Er ligt zekere dofheid in zijn donker oog, het glanzige hair is met zekere achteloosheid in den nek geworpen; enkele lokken vallen somtijds over voorhoofd en wenkbrauwen.

Van Reelant richt zich in zijn leunstoel op, en zegt statig:

„Ga zitten, meneer De Witt!”

Zoodra André zit, ziet hij hem uitvorschend en koud aan. Daarna begint hij:

„Voor de tweede maal noodig ik u uit bij de waarneming van uw ambt beter te letten op uw tijd! De ambtenaren behooren stipt te tien uren des morgens aanwezig te zijn!”

„Het doet mij leed .... van morgen wat later dan gewoonlijk .... gisteren woonde ik de zilveren bruiloft van een mijner....”

Van Reelant valt hem snel in de rede:

„Ik verlang geen inlichtingen over de wijze, waarop u uwe avonden en nachten besteedt, meneer! Integendeel!”

Arme André! Purperen verontwaardiging kleurde hem voorhoofd en wangen. Gekrenkte trots snoerde hem den mond. Hij kan niet spreken, vooral niet tegenover den bureaucratischen geweldenaar, die sedert vijf maanden op voet van oorlog met zijn personeel leeft. Hij kan niet antwoorden, vooral niet nu, daar de vroolijke liederen der zilveren bruiloft bij de familie De Milde hem nog in de ooren klinken; wijl hij nog innig dankbaar is over den opgang, welken zijn tooverkluchtspel bij de weinig-eischende vrienden der De Mildes gemaakt heeft; omdat hij de slanke gestalte van Betsy aan zijne zijde ziet, en met gadelooze blijdschap aan het oogenblik denkt, toen hij haar fluisterend sprak van liefde, en de fluweelzachte, donkerblonde lokken zijne wang aanroerden....

Hij kan niet antwoorden en toch wil hij het met al de krachten van zijne ziel.... Arme André! Hij moest dien morgen nog eens de ervaring bevestigen, dat mannen, wier hart levendig klopt, wier verbeelding spreekt, wier geestdrift snel ontvlamt, dikwijls verbazend onhandig zijn, als het er op aan komt een antwoord te richten tot hunne tegenpartij. Koele hoofden, die niets anders dan het feitelijk aanwezige overwegen, die bij uitnemende scherpheid van oordeel zekere stekeligheid voegen—soms voor vernuft versleten!—zullen in een woordenstrijd altijd de zege behalen. Of Van Reelant reeds op de overwinning rekende—hij wachtte althans niet naar het antwoord van André. Onmiddellijk ging hij voort:

„Ik wenschte u te spreken over belangrijker zaak, meneer De Witt!”

En de secretaris-generaal ad-interim greep een pak kranten en tijdschriften, naast hem op de schrijftafel bijeenverzameld. Hij sprak zeer afgemeten:

„Het heeft mijne aandacht getrokken, dat er sedert een jaar onderscheidene stukken en artikelen geteekend met uw naam voorkomen in „de Gids”, het „Tijdschrift voor Staatswetenschap” en het „Handelsblad”! Het komt mij voor, dat een staatsambtenaar in dit opzicht kiescher kon zijn. Hoe is het mogelijk, dat men, den staatsdienst met ijver waarnemende, zooveel leegen tijd kan overhouden?”

André's blos is geweken. Met meer fierheid, dan strikt noodzakelijk was, antwoordde hij nu schielijk:

„Ik heb elke taak, die de minister mij opdroeg, naar mijn beste weten voltooid. Wat mijne artikelen in tijdschriften en dagbladen betreft, daaromtrent meen ik niemand rekenschap schuldig te zijn!”

„Het is hier de vraag niet, wat u meent, meneer De Witt! Wij spreken over de kieschheid van een ambtenaar bij een departement van algemeen bestuur, en onderzoeken in hoever het gepast kan zijn der drukpers dagelijks werk te geven, als men verplicht is zijn arbeid aan den staat te wijden!”

André wordt voortdurend bleeker. Even fier herneemt hij:

„Ik ontken niet, dat een ambtenaar verplichtingen heeft, maar hij heeft rechten ook!”

„Rechten? U meent, hij heeft één recht, het recht op zijne bezoldiging! Voor het overige heeft hij niets dan plichten!”

En wederom worstelt André met zijne gewone onredzaamheid in het antwoorden.

Van Reelant vervolgt kalm:

„Voor een oogenblik wil ik u toegeven, meneer De Witt! dat u aanspraak zou kunnen maken op het recht in uwe vrije uren voor de pers te werken, maar dan komt de vraag: hoe moet dat recht worden opgevat door een ambtenaar van den staat? Toch niet in dien zin, dat hij de meest gevaarlijke en oproerige leerstellingen verkondige in zijne artikelen....”

„Ik vraag u om verschooning, meneer Van Reelant! maar met dergelijke zaken heeft mijn werk niets gemeen!”

„Toch wel, meneer De Witt! Toch wel! Ik zal de moeite nemen het u te bewijzen. Ik mag, hoop ik, op uw doorzicht vertrouwen, zoo ik u het tegendeel staaf! Het is mij niet te doen u persoonlijk te grieven, mijn plicht is te waken voor het belang van den staat in 't algemeen, en voor dit departement in 't bijzonder!”

Hoewel deze woorden op hoogen toon werden uitgesproken, had Van Reelant voor drie kwart zijne zienswijze volkomen eerlijk geopenbaard. De rest kwam op rekening eener bijzonder sterke antipathie. Bij deze gelegenheid, welke André in zijne tegenwoordigheid bracht, had Van Reelant die antipathie krachtiger gevoeld—een ambtenaar met de krullende hairen van een violist, de slobkousen van een commis-voyageur en de ideeën van een communist moest niet langer aan Buitenlandsche Zaken geduld worden. En hij besloot in dien geest werkzaam te zijn.

Intusschen had hij een oogenblik in de tijdschriften gebladerd. Met een nummer van het „Tijdschrift voor Staatswetenschap” in de hand, herneemt Van Reelant:

„Hier heb ik mijn bewijs, meneer! In dit nummer van het „Tijdschrift voor Staatswetenschap” lees ik een uitvoerig artikel, onder den titel: „De dwaalleer van Malthus” met uw naam onderteekend. Ik zou u al dadelijk willen vragen, wat u moed geeft, om een zoo beroemd econoom als Malthus, die een halve eeuw lang door duizenden mannen van wetenschap met eerbied genoemd is, een „dwaalleer” toe te schrijven?”

„Die moed dagteekent niet van vandaag of gisteren, meneer Van Reelant! Toen ik vóór drie jaren student was te Leiden, heeft de Utrechtsche faculteit der rechtsgeleerdheid mijn antwoord op een prijsvraag over de Bevolkingsleer van Malthus met goud bekroond! En nu heb ik mijne denkbeelden in het tijdschrift ruimer ontwikkeld!”

Van Reelant zoekt eene poos en spreekt met zonderlingen glimlach:

„Ik voor mij twijfel zeer of de Utrechtsche faculteit der rechtsgeleerdheid deze bladzijde zou bekronen. Laat ik even mogen voorlezen!—„De inrichting der moderne maatschappij laat dagelijks meer te wenschen over. De schroomelijkste ongelijkheid heerscht alom. Men behoeft het schrandere woord van den Engelschen dichter Milton: „Amongst unequals no society” niet aan te halen, om het ziekelijk bestaan onzer tegenwoordige samenleving te staven. Hoe is het inderdaad gesteld met de beschaafde maatschappijen? Heeft ieder individu zijn aandeel in de gezamenlijke natuurgoederen der menschheid, van zijn volk althans? Wordt de een niet geboren, om eene kroon te erven, de tweede, om millioenen, de derde, om groote uitgestrektheden gronds te bezitten? Wederom een ander komt arm en behoeftig ter wereld; hij vindt geen steen om zijn hoofd op neer te leggen. Hij kan zich geene plaats op aarde verzekeren dan door heel zijn leven anderen te dienen met al zijne krachten, lichamelijk en geestelijk! Zijn bestaan is eene lange Tantalus-marteling—hij ziet anderen genieten, en mag de hand niet naar de heerlijke spijzen uitstrekken. De tegenwoordige samenleving vereenigt de schamelste armoe en de luisterrijkste weelde—de hoogste macht en de treurigste onmacht—den zeldzaamsten overvloed en het uiterst gebrek—gadelooze wetenschap en gadelooze onkunde—den vermoeiendsten arbeid en de onbeschaamdste werkeloosheid. Iederen dag beleven wij de vreeselijkste tragediën, uit zooveel wanverhoudingen geboren; iederen dag, ieder uur kwijnen menschen weg, die het noodzakelijkste levensonderhoud missen, en onmiddellijk naast dezen wonen de beter bedeelden, die geen raad weten met hun onuitputtelijken overvloed. Onderneemt men een tocht door onze landbouwende provinciën, door onze fabrieks-kwartieren, of door onze groote steden, altijd zal men naast de paleizen van rijkdom en weelde, de verblijven van ellende en honger ontdekken, die de treurige keerzijde der medaille aanbieden. Langs tafels, buigende onder het gewicht der keurigste schotels, dwaalt het holle oog der ontbering, en als zij, die levenslang ontbeerd hebben, eindelijk samenrotten, om volgens de „ultima ratio servorum” op wraak te peinzen—als het proletariaat opnieuw in massa naar den Aventijnschen berg trekt, welke macht ter wereld zal dan opgewassen zijn tegen het dreigend gevaar?””

Van Reelant zweeg en legde het tijdschrift langzaam weg. Toen vroeg hij, schijnbaar achteloos:

„U erkent immers dit alles geschreven te hebben?”

„Zeer zeker, meneer Van Reelant!”

„Dan heb ik er niet veel meer bij te voegen. Uit de voorgelezen regelen spreekt het brutaalst communisme! Ik acht het een schande, dat een adjunct-commies aan dit ministerie zoo iets met zijn vollen naam onderteekent!”

Nog eens vloog het bloed André naar voorhoofd en wangen. Hij was verstandig genoeg niet aan de eerste opwelling van drift toe te geven. Uiterlijk bedaard antwoordde hij:

„Ieder beschuldigde heeft in den regel het recht zich te verdedigen. Ik vertrouw dus, dat ook door u dit recht wordt erkend!”

Vrij stroef en onwillig mompelde Van Reelant:

„Natuurlijk!”

„In dat geval heb ik u het volgende te antwoorden. De voorgelezen volzinnen zijn midden uit het verband weggenomen, en kunnen zoo niet worden beoordeeld. Daar u een beroep deed op mijn doorzicht, ben ik zoo vrij op het uwe te rekenen. Mijn artikel levert niet anders dan een critiek op Malthus, het communisme heeft er niets mee te maken. Malthus heeft gezegd, dat de mensch, die in eene beschaafde en dichtbevolkte maatschappij arm of behoeftig geboren wordt, en aan die maatschappij geene diensten bewijzen kan, ook geen recht heeft op eenig voedsel; dat hij te veel is, en aan het banket des levens geen zetel zal vinden. De natuur straft hem voor zijne armoede, de natuur veroordeelt zulk een mensch ter dood, en zorgt voor de uitvoering van het vonnis. Recht en billijkheid eischen, dat men de pretentie der armen, om ondersteund te worden, niet erkenne. Het is tegen deze monsterachtige leer van Malthus, dat ik in mijn artikel het een en ander op wetenschappelijke gronden aanvoer....”

Van Reelant strekt de hand uit, en valt André in de rede:

„Met uw verlof, meneer De Witt! Malthus' leer is zoo monsterachtig niet, als ze u schijnt. In hoofdtrekken is ze volkomen juist. Ten allen tijde zijn er rijken en armen, sterken en zwakken geweest. Zonder die ongelijkheid zou de maatschappij niet kunnen bestaan. De ongelijkheid geeft strijd. In dien strijd om het leven zullen de sterksten en bekwaamsten overwinnen, de zwakken ondergaan. Gelijkheid is een utopie voor socialisten, ongelijkheid is natuurwet. Beklaag u niet, wanneer ge overwonnen wordt in den strijd des levens; het bewijst, dat uwe krachten te kort schoten. Niemand heeft het recht zich te beklagen, ieder heeft het lot, dat hem toekomt. Succes is criterium van verdienste. In onze maatschappij heerscht wel is waar het recht van de sterkste spieren niet meer, maar daarvoor komt in de plaats het recht van de sterkste hersenen op politiek, sociaal of wetenschappelijk gebied. De maatschappij is voortreffelijk ingericht. Dreigt ons overbevolking, geen nood—de zwakken worden weggeruimd door een strenge natuurwet—dura lex, sed lex!

Het was nu de beurt aan André om even te glimlachen. Met meer vrijmoedigheid antwoordde hij:

„Gesteld, dat er feitelijk zulk een strenge natuurwet bestond, zou die daarom eene eeuwige wet moeten blijven? Zijn natuurwetten en maatschappelijke wetten niet voor wijziging vatbaar, als er nieuwe feiten in het spel komen? Vermag de wil van den mensch niets? Indien we ons werkelijk aan uwe strenge natuurwet hadden te onderwerpen, dan zouden we elkaar nog vandaag verslinden, zooals de kannibalen! De wil van den mensch heeft zich tegen de oppermacht der natuur verzet, hij heeft maatschappijen en staten gesticht, de wonderen der beschaving in 't leven geroepen, die volgende geslachten zullen erven. Wij menschen verslinden elkaar niet meer, de slavernij is afgeschaft; zoo zal ook eenmaal de exploitatie van den arbeid door het kapitaal ophouden; zoo zal er eenmaal geen oorlog meer zijn!”

De secretaris-generaal ad-interim meende, dat de beurt van lachen ten tweeden male aan hem gekomen was.

„In dat geval”—klonk het afdalender dan ooit—„verwondert het mij toch, dat u onze samenleving zoo slecht vindt. Mij dunkt bij al dat schoons moest de maatschappij meer profiteeren....”

„De maatschappij is een vrucht der beschaving, zoo goed als de spoorwegen en de telegrafen, maar daarom is de maatschappij niet onmiddellijk volmaakt. De strijd om het leven, door den mensch in zijn natuurstaat te strijden, is op kunstmatige wijze overgebracht naar de moderne samenleving. Men heeft voorrechten, privilegiën, kasten en standen uitgedacht—men heeft eene sociale praedestinatie voor weelde of ellende gepredikt!”

„Zoo blijkt het dus, dat ik volkomen gelijk had, toen ik zeide: ongelijkheid is natuurwet! In den strijd des levens zullen de sterksten en bekwaamsten overwinnen, de zwakken ondergaan!”

„Pardon! Dat zou waar zijn, indien men aannemen mocht, dat de sterksten en bekwaamsten, die in onze moderne maatschappij triomfeeren, inderdaad de sterksten en bekwaamsten zijn. Door fortuin en opvoeding geprivilegiëerd is er een klasse van machtigen opgetreden, welke haar overwicht alleen aan kunstmatige omstandigheden dankt. Als er een wedloop ontstaat tusschen de voetgangers en de menschen, die in rijtuigen zitten, dan zullen de laatsten natuurlijk overwinnen, maar wie bewijst ons, dat zij inderdaad de sterksten zijn?”

Van Reelant wilde de hand gebiedend uitstrekken, maar hij bedacht zich, en vroeg met een medelijdend schouderophalen:

„En hoe zou de maatschappij dan volgens uwe ideeën moeten worden gereorganiseerd, meneer De Witt?”

André hief het hoofd hoog op, en antwoordde luider dan te voren:

„De maatschappij moest berusten op het denkbeeld van onderlinge hulp, zooals bij haar oorsprong. De machtigen moesten de zwakken helpen. Geen strijd om te leven, maar hulp om te leven! Strijd alleen tegen den strijd om te leven! Ieder mensch, ook de machtigste van allen, heeft hulp noodig. Ieder individu is afhankelijk van al de anderen; al de anderen van ieder individu. Tegenover Malthus moet de stelling luiden: Er is plaats voor iederen nieuwen wereldburger aan het groote banket des levens. Zoo lang er nog gebrek geleden wordt, is er nog een stap tot ontwikkeling en vooruitgang te doen. De gouden eeuw ligt niet in het verleden, maar in de toekomst der menschheid, wanneer niet alleen burgerlijke en staatkundige gelijkheid, maar ook volkomen maatschappelijke gelijkheid zal verkregen zijn!”

Van Reelant stond op, André volgde zijn voorbeeld.

De eerste poogt eene kleine hoeveelheid welwillendheid in zijne stem te leggen, terwijl hij zegt:

„Ik heb u laten uitspreken, meneer De Witt! Het was mij te doen u een volledig recht van antwoord te gunnen. Ik weet nu, hoe u ongeveer over de zaken denkt. En ik zal u een goeden raad geven, als u ten minste een goeden raad van mij wil aannemen. Uwe denkbeelden zijn misschien heel mooi, maar voor een ondergeschikt ambtenaar aan dit ministerie hebben ze tot mijn spijt te veel inconveniënten. In uw geval is het dus hoogst raadzaam ze niet te snel aan de drukpers toe te vertrouwen! Ik hoop, dat u mijne bedoeling niet miskent! Dit is mijne laatste waarschuwing!”

De secretaris-generaal ad-interim keerde André haastig den rug toe, en belde luid.


TIENDE HOOFDSTUK.

Fluweelen koorden.

De Spaansche gezant, markies De la Pezuela, had een buitengewoon zwak voor de „comédie de société”, onder bestuur van den talentvollen graaf Tchitchikoff. De groote repetitie op 13 October 1854 zou ten huize van den markies plaats grijpen. De markiezin De la Pezuela, eene der schitterendste dames uit het corps diplomatique in de residentie, dweepte met de „comédie”, maar tevens met eene andere uitvinding van Tchitchikoff: de „tableaux vivants”. De dames hadden daarbij gelegenheid de meest in 't oog vallende kostumen te dragen, en hare bekoorlijkheden op edelmoedige wijze ten toon te spreiden.

De Russische attaché bezat eene onuitputtelijke verbeeldingskracht in het „arrangeeren” van allegorische of mythologische „tableaux vivants”, aan welke laatsten meer bijval ten deel viel dan aan kopiën naar levende meesters. De Spaansche gezant bewoonde aan den Boschkant—officiëel Koninginnegracht—een zeer ruim huis, waar plaats in overvloed was voor de aanzienlijke dilettanten, dames en heeren. Zij konden de statig gemeubelde vertrekken naar hartelust voor tooneel en publiek inrichten. De markiezin was overgelukkig, dat de repetitiën ten harent mochten plaats hebben. Zij droomde den geheelen dag van kostumen, standen, accessoiren, gekleurd licht en Bengaalsch vuur. Zij vloog ieder oogenblik haar huis uit, om van hare plannen te spreken en vertoonde hare geestige Castiliaansche oogen bij al de vrienden, die het voorrecht hadden mee te doen.

De aanzienlijke dilettanten gaven twee of drie voorstellingen gedurende het winterseizoen. Men was druk bezig met „groote repetitiën”, om tegen het einde van November de eerste „representatie” te kunnen geven aan al, wat Den Haag edelgeborens, aristocratisch en voornaams bezat. De markiezin De la Pezuela vermaakte zich bijzonder met de „groote repetitiën”, en wist altijd de eigenlijke voorstelling zoo lang mogelijk ter zijde te schuiven. Het programma voor den eersten feestavond was ditmaal belangrijk genoeg, om voortdurend uitstel te wettigen. Men zou beginnen met Molière's „Médecin malgré lui” en eindigen met twee „tableaux vivants”, gecomponeerd door Tchitchikoff en getiteld „L'Enlèvement de la belle Hélène”.

Adèle van Berenvelt zou het aardig rolletje van Lucinde in Molière's klucht vervuld hebben, maar werd nu opgevolgd door de jonge echtgenoote van een oud en schatrijk Oost-Indisch suikercontractant, mevrouw Van Olmen, die in schoonheid de markiezin bijna overtrof. Deze laatste moest in de beide „tableaux” natuurlijk de rol der „belle Hélène” vervullen, en kweet er zich bij de repetitie met zooveel gratie van, dat de heeren artisten, inzonderheid Tchitchikoff, hun lof niet meer in woorden, maar in louter geestdriftige kreten uitgalmden.

Omstreeks negen uren trad Van Reelant in het salon der markiezin. Mevrouw De la Pezuela zag er allerliefst uit in hare zwartsatijnen japon, met een halssieraad van rood koraal, met rood koralen oorhangers en een rood koralen kam in de rijke en volkomen oorspronkelijke wrongen van blauwzwart hair. Aanstonds moest de repetitie beginnen, nu de tweede régisseur aanwezig was. Tchitchikoff zou de rol van Sganarelle vervullen, en had dus op Van Reelant gewacht. Voordat men beginnen kon, ontmoette men nog zwarigheden bij mevrouw van Olmen, de beeldschoone dame uit Samarang, die aanmerkingen maakte over haar kostuum, en met den Russischen attaché in eene vriendschappelijke woordenwisseling trad omtrent het al of niet goedkeuren van een lichtblauw satijnen kostuum met eene „berthe” van witte kant en een wit parelsnoer.

Toen men dat alles te boven was, moest Van Reelant met een deel van Molière in de hand vóór het tooneel gaan zitten en „souffleeren”, daar de tweede régisseur tevens souffleur was. De heeren en dames hadden wel tienmaal „gerepeteerd”, maar geen van hen allen was nog rolvast. Sganarelle scheen de ergste, en gaf onophoudelijk aanleiding tot kleine pauzen en verwarringen. De freule Van Berghen Ockenburgh, eene jonge dame van vijf en dertig jaren, die de personage van Martine speelde, toonde zich ten slotte in en buiten hare rol wegens het voortdurend haperen ten hevigste verontwaardigd over Sganarelle, en gaf daardoor aanleiding, dat deze telkens quasi naar zijn stok greep, eene geestigheid, die met luid „applaus” werd begroet.

Van Reelant vervulde zijne taak zeer ernstig. Hij gaf menigeen der artisten een goeden raad, en las soms een paar volzinnen met de vereischte stembuiging voor. Hij voelde zich opgewekt en vroolijk te moede. Reeds den volgenden morgen zou Adèle, op wier verzoek hij zich deze inspanning getroostte, hem hare hand reiken,—natuurlijk! Hij bedroog zich niet. De uitdrukking van haar gelaat, de toon van hare stem hadden de zaak beslist. Daarenboven hij had dien dag zijne plichten als secretaris-generaal ad-interim met den grootsten ijver waargenomen. Hij kon voldaan zijn.

De drie bedrijven van „Le médecin malgré lui” kostten een schat van tijd. Telkens moest men afbreken, als een der kunstenaars volstrekt niet meer op de hoogte was, maar met het deftigste geduld werden ook deze belemmeringen overwonnen. De gastvrouw zat naast Van Reelant, en ergerde zich op de bevalligste wijze over het slechte geheugen der spelers, inzonderheid over haar echtgenoot, die de kleine rol van Léandre maar niet scheen te kunnen van buiten leeren. Daarenboven verdiepte de galante Tchitchikoff zich in vriendelijke gesprekken met mevrouw Van Olmen, zoodat men soms moest blijven wachten, tot eindelijk de artisten goedvonden voort te gaan.

Le second régisseur” sloot te kwart voor elf de repetitie, en hield eene kleine toespraak, waarin hij op de allerbeleefdste wijze de noodzakelijkheid aantoonde een beetje meer te studeeren. Het zou onmogelijk zijn ooit eene, zelfs middelmatige, voorstelling van Molière's geestige en guitige klucht te geven, indien de hooggeachte dames en heeren niet wat meer werk van hunne en hare rollen wilden maken. En Tchitchikoff, die het zwaarst van allen had gezondigd, nam onmiddellijk daarna het woord, om hierbij te voegen, dat hij zich volkomen vereenigde met Van Reelant, en dat .... men beter studeeren moest. De markies De la Pezuela (Léandre) beloofde beterschap, en freule Van Berghen Ockenburgh (Martine) beloofde beterschap, en allen beloofden beterschap, als Sganarelle maar een goed voorbeeld wilde geven. Er ontstond daarop eene algemeene „hilariteit”, die door Tchitchikoff met de grootste luidruchtigheid werd aangemoedigd.

De secretaris-generaal ad-interim herinnerde zich nu, dat de staatsdienst zijne eischen had. Eigenlijk meende hij, dat hij een veel te gewichtig man was, om zoo langen tijd aan beuzelarijen als de „comédie de société” te wijden. Toen hij opstond, om heen te gaan, kwam de gastvrouw in allerbeleefdst verzet. Hij moest ten minste de repetitie van het eerste tableau: „La cour de Ménélas” bijwonen. De markiezin was er op gesteld, dat hij zijn oordeel over haar toilet zou zeggen; zij had er zooveel moeite aan besteed, ja zelfs plaatwerken over het Grieksche kostuum bestudeerd. Mevrouw Van Olmen, die de rol van Clytemnestra vervulde, zeide iets dergelijks, en Van Reelant zwichtte voor zooveel aandrang.

In een oogenblik stoof het geheele personeel uiteen. De dames haastten zich naar de bovenvertrekken, om zich te kleeden. De heeren bleven bij elkaar met uitzondering van den markies De la Pezuela, die voor Paris zou spelen en Tchitchikoff, die op een geïmproviseerd tooneel achter eene grijs damasten draperie alles klaarmaakte. Van Reelant troostte zich met het denkbeeld, dat hij toegaf ter wille van Adèle, en dat hij den volgenden morgen, als zijne schoonste hoop tot verwezenlijking zou zijn gekomen, haar een uitvoerig „résumé” zou kunnen mededeelen.

De heeren brachten een zeer vervelend kwartier door. Het hielp niet veel, dat ter elfder uur het gezelschap werd aangevuld door den ex-suikercontractant, den heer Van Olmen, die, zonder veel op Agamemnon te lijken, daar hij uiterst mager, buitengewoon lang, en in 't oogvallend rood van aangezicht was, zich toch de moeite scheen te getroosten, om de triomfen zijner Clytemnestra wat meer van nabij waar te nemen. Het gesprek wilde niet vlotten. De jonge Van Berghen Ockenburgh, die als volontair bij Buitenlandsche Zaken een ziertje het hof moest maken aan den secretaris-generaal ad-interim, werd midden in zijn gesprek met Van Reelant opgeroepen, om zich voor de piano te plaatsen, en bij de vertooning van het tableau te „accompagneeren”.

De dilettant-impresario Tchitchikoff draaide met eigen grafelijke hand de lichten in het salon af, en weldra opende zich de grijze draperie. Het tooneel stelde voor het paleis van Menelaos te Sparta. In een schitterend vrouwenvertrek vormden de Grieksche vorstinnen, Helena en Clytemnestra, met schilderachtige groepen van slavinnen een verrukkelijk tooneel. Paris met purperen chitoon en elpen lier speelde geknield voor Helena, en wierp een triomfeerenden blik op de schoonste van alle stervelingen, die Aphrodité hem had toegezegd.

Men was verrukt over de juistheid en fraaiheid der kostumen. Gelaat en hairtooi van Helena maakten indruk. De ravenzwarte hairpracht van Menelaos' echtgenoote werd door een spiraal van gouden spangen bedwongen. Hare tuniek was van eene teeder lichtgele kleur, bij wit af, met gouden sterren bezaaid en met gloeiend karmozijn omzoomd. Clytemnestra droeg een dergelijk kostuum in het meest hemelsche azuur. Beide koninginnen schitterden vooral door hals, boezem, armen en handen met goud en edele steenen overdekt, heerlijker dan de koningin van Scheba in al hare heerlijkheid.

Men juichte en mompelde bewonderend en dankbaar. De grijze draperie werd toegeschoven, werd weer geopend, en de piano begeleidde dit alles met smeltend lyrische accoorden. Vijfmaal moest Paris naast Helena knielen, en eerst toen verklaarde de kunstrijke Tchitchikoff, dat hij tevreden was. Daarna kwam het geheele hof van Menelaos zich onder de gewone stervelingen vertoonen. De heeren putten zich uit in loftuitingen, en de vernuftige auteur van het eerste tableau oogstte de zoetste voldoening. Van Reelant werd in staat gesteld van nabij te oordeelen over de kostumen van Helena en Clytemnestra, maar ondanks zooveel kunstgenot bleef hij zich het gewicht van zijne persoonlijkheid, van zijn ambt, herinneren. Hij ontsnapte ditmaal aan verderen vriendelijken aandrang, den indruk achterlatende, dat hij de oud-Hollandsche deftigheid van tijd tot tijd wel een klein beetje overdreef.

Van den Boschkant tot aan de Hoogstraat is wel geene groote wandeling, maar Van Reelant liep zeer bedaard, en rookte, als naar gewoonte, met bijzonder genoegen zijne sigaar, nu hij een heelen avond onder niet-rookers had doorgebracht. Des avonds te midden van zijne kennissen een uur te slijten op de eene of andere sociëteit scheen hem volstrekt overbodig. Men wist, dat hij des avonds niet uitging, behalve op soirées; dat hij zeer stipt en tijdig ter ruste trok, om immer in den vroeger morgen al het nieuws uit binnen- en buitenlandsche kranten te kunnen lezen, en vóór tien uren naar het ministerie te vertrekken. Zijne wandeling liep nu ook rechtstreeks naar de Hoogstraat, en terwijl hij langzaam Voorhout en Vijverberg volgde, gebeurde andermaal, wat hem dien morgen bij de Gevangenpoort deed stilstaan: de loop zijner gedachten nagelde hem als vast aan den grond.

Hij dacht aan beide vrouwen, die eene rol in zijn leven speelden en zouden spelen, aan Suze en Adèle.... De rol van de eerste liep ten einde. Hij bekommerde er zich dikwijls over, hoe Suze zou handelen, als zij ontdekte, dat er van een huwelijk met Adèle sprake was. Het vraagstuk scheen hem zeer onaangenaam, en somtijds bekroop hem, den schranderen Van Reelant, een gevoel van angst en zorg voor de toekomst. Weldra evenwel had hij zich boven deze kinderachtige aandoening verheven, en een plan-de-campagne gemaakt. Hij zou, indien de omstandigheden hem dwongen, aan den heer Van Berenvelt en aan Adèle de geschiedenis van mevrouw De Huibert verhalen—hij zou Suze voorkomen, indien ze zich tusschen hem en Adèle mocht willen plaatsen. Voor het overige zou hij zorgen, dat Suze van zijne plannen niets vermoedde tot op het uiterste oogenblik, en dan zou ze zich in het fait-accompli moeten schikken. Na zijn huwelijk met Adèle vreesde hij niets meer van haar, vóór dat tijdstip zou hij hare aandacht zoeken af te leiden. Hunne „vriendschappelijke” verhouding, zoo sprak hij tot zichzelven, mocht toch geen oorzaak worden, dat hij ten eeuwigen dage „bachelor” bleef. Het was wel jammer, dat hij Suze een groot verdriet moest berokkenen, maar dat was nu onvermijdelijk geworden door den loop der zaken....

Met deze korte becijfering sloot Van Reelant de rekening van het verleden. Hoe het met Suze verder gaan zou, dat was eene vraag, tot oplossing van welke hij nu geene roeping gevoelde. Later, als het fortuin van Adèle hem daartoe in staat stelde, zou hij voor de dames Muller Belmonte zorgen.... En terwijl hij dit met groote edelmoedigheid bij zichzelven overlegde, stak hij zijn sleutel in het slot zijner huisdeur. De groote klok sloeg buiten juist middernacht.

Toen hij op het portaal onder het schijnsel der roode lantaarn stond, mompelde hij snel eenige onverstaanbare woorden. De deur zijner studeerkamer, achter aan de gang, stond half open, een breede lichtstraal viel naar buiten. Hij vermoedde het reeds—de geheimzinnige bezoekster wachtte op hem. Langer dan een jaar hadden Suze en Van Reelant elkander menig avond op het bovenkwartier van den vermaarden Emile van Pommeren, fils, aldus ontmoet. De elegante hofleverancier mocht geacht worden niets in deze bezoeken te zien; de oude huishoudster Anna was volkomen op de hoogte, maar deed om goede en klinkende redenen, of zij er nooit iets van merkte. De koning der kleermakers had steeds den hoogsten lof voor zijn allerfatsoenlijksten „locataire”; hij had niet het minste recht zich te ergeren aan de bezoeken van meneers „schoonzuster”, al kwam die altijd wat laat. De heer Van Reelant was een voorbeeldig man, hij mocht zich met diens familiegeheimen niet bemoeien. De oude Anna had gezegd, dat de dame mevrouw De Huibert heette, maar Van Pommeren had in Den Haag nog nooit van eene mevrouw De Huibert hooren spreken, en, schoon hij haar eenmaal zeer duidelijk gezien had, toen meneer haar voor een jaar van den trein haalde, had hij haar later nooit meer kunnen ontdekken, zelfs niet zien voorbijkomen in de Hoogstraat. Dit alles was misschien een beetje geheimzinnig, maar de fatsoenlijk opgevoede Emile van Pommeren, fils, had besloten een bewijs van zijn fatsoen te geven, door niet verder in de zaken van zijn „locataire” door te dringen.

Van Reelant had een oogenblik noodig, voor hij met een vroolijk gelaat naar zijne studeer- en kleedkamer kon henen snellen. Hij wist niet hoe het zich had toegedragen, maar Suze had zich langzamerhand van zijne huisgoden meester gemaakt; zij begaf zich altijd naar zijne studeerkamer, als zij hem niet thuis vond. Zij had een soort van bestuur over de verschillende kamers op zich genomen; zij had gezorgd, dat Van Reelant altijd een eenvoudig souper vond bij zijne thuiskomst, en de oude huishoudster had zich langzamerhand aan dit zonderling gezag onderworpen. De studeerkamer was een aangenaam vertrek, zonder pracht, maar zeer geriefelijk ingericht. De wanden werden door boekenkasten ingenomen; de beide vensters, die op den tuin van den hofleverancier uitzagen, waren onder dikke groene overgordijnen zorgvuldig verborgen, terwijl eene groene portière de deur beschermde. De tafel was met boeken, papieren, portefeuilles en officiëele schrifturen overladen. Om den open haard, waarin men des winters gezellige, groote vuren kon doen ontvlammen, stonden breede, lederen leunstoelen. Boven den schoorsteenmantel aan beide zijden van een sierlijken, ovalen spiegel met vergulden rand had Van Reelant allerlei herinneringen uit zijn studententijd, en van zijne reizen in de Pyrenaeën, Monaco en Nizza opgehangen. Het merkwaardigst mocht eene verzameling floretten, degens en dolken van allerlei gedaante en eigenaardigheid worden genoemd—dolkmessen uit Toledo, blauwe stalen galadegens, en tweesnijdende ponjaarts uit Biscaye. Behalve de gewone deur met de groene portière, die naar de gang voerde, bracht nog eene kleine deur, links van den schoorsteenmantel naar Van Reelant's slaapkamer. Toen de heer des huizes dien avond door de geopende deur binnenkwam, vond hij Suze in een leunstoel met een boekdeel vóór zich. Zij sloeg kwijnend de oogen op; het licht der hanglamp verried, dat hare trekken bleek en hare wimpers vochtig waren. Van Reelant liet zich in een fauteuil naast haar vallen, en reikte haar zwijgend de hand.

„Je komt laat!”—fluisterde ze.

„Ik ben opgehouden! Er was repetitie bij mevrouw De la Pezuela .... heb je geschreid, Suze?”

„Och, dat boek, anders niet! Ik voelde mij zoo beklemd, zoo ter neer gedrukt .... en nu las ik een oogenblik in Goethes Wilhelm Meister, en zie .... daar maken mij nu deze verzen zoo bedroefd....

„Wer nie sein Brod mit Thränen ass,
„Wer nie die kummervollen Nächte
„Auf seinem Bette weinend sass,
„Der kennt euch nicht, ihr himmlischen Mächte!
„Ihr führt in 's Leben uns hinein,
„Ihr lasst den Armen schuldig werden,
„Dann überlasst ihr ihn der Pein;
„Denn alle Schuld rächt sich auf Erden.”

Zwijgend legt hij het boek weg, en zegt meesmuilend:

„Ik had niet gedacht, dat je zoo sentimenteel waart, Suze! En ook niet, dat je zooveel geduld hadt om op me te wachten.... 't Is al laat.”

Suze boog het hoofd. De donkere lokken vielen over hare bleeke wangen. Zij stamelde haperend:

„Die regels zijn waar.... Ik had niet moeten blijven....”

Van Reelant zag verschrikt op. Dat groote verdriet kwam nu zeer onwelkom. Hij begreep ook de aanleiding niet. Als man van de wereld en practisch ambtenaar zou hij zich door geen duizend regels van Goethe, noch van wien ook, een oogenblik uit zijn humeur hebben laten brengen. Suze scheen door eene bijzondere oorzaak zoo ontsteld. En terwijl hij haar heimelijk bespiedde, trof het hem, dat zij in haar smaakvol, helderblauw zijden kleed er zooveel aantrekkelijker uitzag, dan al de Helena's en de Clytemnestra's van Tchitchikoff's tableaux vivants.

Plotseling sloeg hem het hart sneller in den boezem, plotseling vlamde zijn oog, stormde hem het bloed onstuimig door de aderen, en nog eenmaal vergat hij de kalme overleggingen en wijze plannen een oogenblik te voren gemaakt. Hij schuift zijn stoel weg, knielt naast Suze op den vloer, grijpt hare hand. Suze brengt snel haar kanten zakdoek aan de oogen; zij weet, dat vrouwentranen zeer veel vermogen, maar toch nimmer mooier maken. Van Reelant legt zijne linkerhand om hare leest, en zegt zoo teeder mogelijk:

„Wat is er Suze? Kom, zeg het me .... wat scheelt er aan?”

Suze aarzelt eene seconde. Zij maakt hare hand vrij, eene trillende zucht ontsnapt haar boezem. Daarna legt zij beide handen op zijn hoofd en vraagt:

„Arnold! Je hebt toch geen plan, om me ellendig te maken voor heel mijn leven? Je bedriegt me immers niet?”

Van Reelant stond den blik uit hare fonkelende oogen moedig door—iemand, die voor tweeden régisseur dienst doet, moet iets van de tooneelspeelkunst verstaan.

Tot antwoord omhelst hij haar vurig, en fluistert hij woorden van de hartelijkste liefde aan haar oor. Maar Suze weert hem af. Volkomen zich zelve meester, zegt ze gebiedend:

„Sta op, Arnold! Ik zal je alles zeggen, ik zal je uitleggen, waarom ik zoo lang bleef wachten. Een paar woorden zijn voldoende....”

Eenigszins onthutst staat Van Reelant op. De toon van hare stem ontveinst te vergeefs eene hevige aandoening. Hij loopt zijne studeerkamer zwijgend op en neer. Heimelijk verwenscht hij Suze's zonderlinge stemming. Maar plotseling blijft hij glimlachend bij haar stoel staan, en vraagt:

„Wat is er dan eigenlijk?”

„Misschien is er niets! Je zult me uit den droom helpen! Gisteren vierde de familie De Milde zilveren bruiloft.... Ik heb er je al meer van gesproken. Onder de jongelui was daar ook een meneer André de Witt....”

„Die pedante vlegel!”

„Hij maakt een beetje het hof aan mijne zuster Betsy....”

„Laat ze oppassen! Hij raakt binnenkort zijn baantje aan het ministerie kwijt.”

„De beide jongelui hebben toevallig over jou gesproken, Arnold! Betsy heeft me alles vertrouwd. Men zegt, dat je in- en uitloopt bij den Baron Van Berenvelt, en de heeren aan het ministerie weten te vertellen, dat je bijzonder veel werk maakt van de oudste freule. Dat had Betsy me al meer gezegd. Betsy heeft je dikwijls aan huis van de Van Berenvelts ontmoet. Je hebt haar nog nooit toegesproken—dat was zoo bepaald tusschen ons. Maar hare élève, de jongste freule Albertine, babbelt over alles met haar. En nu komt iedere bijzonderheid, die Betsy hoort, juist overeen met de loopende praatjes .... die ik niet wil gelooven, die ik ver wegwerp, maar....”

Van Reelant streed met de schielijke opwelling Suze te tarten, en haar zonder aarzeling de volle waarheid te zeggen. Maar dit ontried de voorzichtigheid, en dan .... hij kon haar niet aanzien zonder eene zeer gemengde aandoening van vrees, van medelijden en eindelijk van vurigen hartstocht.... Tegenover verzen van Goethe kon hij met het grootste plezier onverschillig blijven, maar tegenover Suze, die het geheim verstond altijd iets nieuws en aantrekkelijks bij hare verschijning ten toon te spreiden, tegenover Suze viel het hem moeielijk volkomen onverschillig te blijven.

„Is dat alles?”—was zijne kalme vraag.

„Alles en meer dan genoeg!”

„Mag ik je één raad geven? Laat de menschen praten, en schrei niet om een paar huilerige regels van Goethe!”

„Dus is er niets van aan!”

„Neen!”

„Je komt dag aan dag bij de Van Berenvelts?”

„Zeer zeker. De Baron is ernstig ziek geweest, en moet mij voor zaken spreken!”

„En zijne dochter?”

„Raadpleegt mij vaak over haar vader!”

„Als vriend?”

„Als vriend!”

Suze springt van haar leunstoel, en blijft in het volle schijnsel van de hanglamp vóór Van Reelant staan. Hare donkerbruine oogen richten zich met angstige spanning naar zijn gelaat. Zij strekt beide handen naar hem uit, de wijde mouwen van hare blauwe zijden japon vallen naar beneden en verraden hare prachtig gevormde armen. Van Reelant vangt haar op, en trekt haar aan zijne zijde. Maar Suze blijft hem met wijd geopende oogen aanstaren. Kalm zegt ze:

„Ik ben jaloersch, Arnold! Heb medelijden met mij! Ik vraag je maar één woord.... Zeg me, dat er niets tusschen ons veranderd is, dat je me niet opzettelijk bedroog, toen je zei: mijn vooruitzichten en mijn toekomst behooren jou....”

Van Reelant ademde weder in den toovercirkel van Suze's bekoorlijkheid. Eigenbelang en zelfzucht werden ter zijde gedrongen door machtiger passie—hij staat alles toe, wat Suze van hem eischt, hij zou ieder woord met dure eeden hebben bezworen, als zij het had gevorderd....


Volkomen tevreden zag de jonge vrouw hem aan. Ze zaten nu op eene sofa ter zijde van de tafel. Hij had op haar verzoek zich de vrijheid gegund te rooken.

„Arnold! Ik had je al lang iets willen vertellen, maar er is niets van gekomen.... Ik heb bericht van De Huibert...”

Van Reelant bukt zich. Zijne brandende sigaar is op het tapijt gevallen.

„Het nieuws komt niet van De Huibert zelf, stel je gerust, Arnold! Ik heb op mijn manier mijne gezanten in Osterwolde en omstreken. Dat zal ik je later wel eens uitleggen. De Huibert heeft Lindenstein verkocht. Hij woont nu in Hannover ergens op een buiten, waar hij groote bosschen bezit, en bijna niets doet dan jagen en visschen. De lui in Osterwolde weten volmaakt goed, dat wij gescheiden zijn, en sommigen komen er langzaam achter, waarom wij gescheiden zijn.... Ze vertellen er bij, dat ik later met een Amsterdamsch heer naar België gevlucht ben!”

Van Reelant staart zwijgend naar het tapijt. Zijn gelaat is doodsbleek. Zijn verleden begint plotseling weer te leven. Als men de geheele geschiedenis van Lindenstein eens in de Haagsche kringen rondfluisterde ..., als men hem eens belachelijk ging vinden? Noemde men zijn naam? Werd er in Osterwolde over hem gesproken?

Suze geeft hem nadere inlichting. De beide heeren De Huibert hadden zich nimmer over hem uitgelaten. In den beginne was er veel gesproken, maar nu werd de zaak niet meer aangeroerd. Zij had dit alles niet verteld om hem te beangstigen. In Den Haag kende nog niemand, vermoedde nog niemand, dat....

Van Reelant richt het hoofd op. Kort en bijna scherp vraagt hij:

„Suze! Waarom zeg je me dit alles?”

Suze glimlacht eenigszins vreemd. Zij werpt den schat van glinsterende krullen met een forschen zwaai in den nek. Zij antwoordt:

„Omdat ik een woord wil spreken over onze toekomst. Ik geloof, Arnold! aan je heilige beloften, mij zoo even herhaald. Ik geloof, omdat ik je innig liefheb .... omdat je een man van eer bent .... omdat we door alles, wat er gebeurd is, vast verbonden zijn in lief en leed. Je weet, dat ik nooit een schaduw wil werpen op den weg, die je zal brengen tot eer en grootheid. Je weet, dat ik niemand ooit lief heb gehad dan jou alleen. Mijn vader koppelde mij aan De Huibert—een huwelijk tusschen ons beiden was onmogelijk. Ondanks dat alles heb ik mijne liefde nooit verloochend, heb ik plichten en eeden geschonden, en zou ik het nog doen, zoo het mogelijk ware! Er is dus geen macht ter wereld, die ons scheiden kan. Dit geeft mij kracht in deze donkere dagen, nu ik mij verbergen moet, en niemand weten mag, wat wij voor elkander zijn. Maar geef mij nu ook een klein bewijs, dat ik niet tevergeefs op je heb gerekend! De Huibert is niet jong meer—ik heb besloten geduldig te wachten tot den dag van zijn dood.... Beloof mij daarom in alle oprechtheid en eerlijkheid, dat ik op dien dag fier en vrij aan de wereld mag zeggen: in stilte heb ik hem lief gehad, in 't openbaar heeft hij het mij vergolden!”

Half bedwelmd luisterde hij naar dezen woordenstroom. Hij voelde een paar zachte handen op zijn schouder, een paar brandende lippen drukken zich op zijn mond. Hij wil nog worstelen, maar hij kan niet. Fluweelen koorden omstrikken hem—hij stelt den beslissenden strijd tot later uit.


ELFDE HOOFDSTUK.

Lief en leed uit de loopbaan van een adjunct-commies.

De zilveren bruiloft bij de familie De Milde had aan aller verwachting voldaan.

Het jubileerend echtpaar was dankbaar tot over de huizen voor alles wat er gebeurde. De geheele bende der visitemakende kennissen—lieden die vijf of zesmaal 's jaars in ons huis komen, die we op straat de hand geven, en ons bezighouden met een meteorologisch gesprek—was onder de wapenen verschenen, en had de geestdrift der familie doen stijgen door talrijke kleine geschenken in zilver.

De meisjes De Milde waren bijzonder tevreden over den afloop van het feest. Het mythologisch drama: Venus contra Mars was buitengewoon in den smaak gevallen, en uitbundig toegejuicht. Allen hadden hun best gedaan, en de kostumen waren schitterend geweest—zelfs Kee had er als Venus heel aardig uitgezien in hare witte gazen tuniek met slingers van donkerroode rozen overdekt. En het meest van alles waren ze tevreden over het prettige danspartijtje aan 't slot van 't feest, schoon Willemien het niet vergeten kon, dat André haar maar eene enkele maal gevraagd had.

André was opgetogen over dien avond, niet om de pret, noch om den bijval aan zijn gelegenheidsstuk ten deel gevallen, maar omdat hij Betsy ontmoet had, daar Betsy de harten van alle gasten gewonnen had door uitnemend fraai te spelen, en het zijne had doen trillen van grenzeloozen jubel, zoo dikwijls zij de mooie, blauwe oogen naar hem opsloeg. Te midden van de gasten zag hij alleen hare ranke figuur, hare golvende krullen, haar vluggen gang.... Telkens betrapte hij zich op het feit, dat hij haar volgde, en aan hare zijde stond. Aangenaam was hem dan de ontdekking, dat hij het jonge meisje niet scheen te vervelen, als hij haar vroolijk over het een of ander sprak, want zij antwoordde hem vriendelijk en plooide haar rooden mond tot den beminnelijksten lach.

Aan een bijzonder oogenblik van den feestavond dacht André met onbeschrijflijken trots. Sinds dat oogenblik was er een gezang in zijn hart. Midden onder de feestgenooten had hij zich in de tuinkamer aan Betsy's zijde geschaard, toen het jonge meisje, toevallig alleen, met belangstelling naar het geschilderd behang stond te staren.

„Ik heb altijd plezier in dit behang!”—had ze gezegd.—„'t Is lang niet slecht geschilderd, en geen enkel persoon komt tweemaal voor. De villa's verschillen allen! De ruiters berijden geen enkel paard van dezelfde kleur, en de voetgangers hebben ten minste allen een anderen rotting in de hand. Al de dames en heeren zijn wit gepoeierd, dat kon niet anders! 't Schijnt, dat in dien tijd een soort van roode overjassen voor heeren in de mode was....”

„En zwarte zijden mitaines voor dames!”—had André er bijgevoegd.

„Ze schijnen zich goed te amuseeren”—had Betsy vervolgd—„want ze lachen meest tegen mekaar!”

„Behalve aan dezen kant, hier!”—had hij tegengeworpen, en tegelijk Betsy meegetroond naar een hoek der kamer, waar zij bijna alleen waren.

Daar had hij haar gewezen op een afzonderlijke episode in de behang-schildering. Onder een zwaren boom stond eene groene tuinbank en daar zat een paartje in de schaduw te vrijen. De wit gepoeierde jonge dame zag zeer ernstig naar den grond, terwijl hare rechterhand achteloos langs de lila statiejapon afhing. De cavalier, in eene licht-oranje „houppelande” bekeek haar met een smeekenden blik, en poogde den pink van hare linkerhand aan te roeren.

„'n Landelijke idylle!”—had Betsy gezegd.—„Ik had er nog niet op gelet! Zoo zien de jongelui er uit in de romans van Wolff en Deken!”

„Juist! Sara Burgerhart luistert naar de confessie van Henderik Edeling!”

„En zou het goed afloopen?” had Betsy gevraagd.

„Dat is bekend. Het loopt heel goed af, maar de arme Edeling moest lang wachten!”

En plotseling had hij zich tot haar gewend:

„Zou je mij ook zoo lang laten wachten, Betsy?”

Betsy had gebloosd, Betsy had geglimlacht, en toen had hij haar arm in den zijne gelegd en, daar er een wals op de piano werd getikt, had hij zich met haar bij de dansende paren aangesloten, en midden in den dans had hij aan haar oor gefluisterd:

„Ik heb je zoo innig lief, ik heb je zoo innig lief....”

En Betsy had de oogen even naar hem opgeheven, en hare hand had de zijne gezocht....

Zoo was het gekomen, dat er sinds de zilveren bruiloft der De Mildes een lied in zijn hart ruischte.

Nog dien eigen avond of nacht hadden zij te zamen plannen voor de toekomst beraamd. André wilde zijne Betsy zoo gaarne met zijn goeden vader te Leiden bekend maken. Betsy sprak André van hare moeder. Het was zeer laat geworden. Betsy bleef bij hare zuster Suze logeeren, André had nog een kort gesprek met mevrouw De Huibert, en poogde deze in eene vriendschappelijke en welwillende stemming te brengen. Hij vertelde haar van zijne vooruitzichten als ambtenaar aan Buitenlandsche Zaken, en het was bij die gelegenheid, dat Suze hem poogde uit te hooren over Van Reelant.

De familie De Milde putte zich uit in gastvrij onthaal. De oude heer was niet tevreden, voordat men zijn kelder had leeg gedronken. De jongelieden dansten en stelden feestdronken in, en luid werd er gezongen na iederen toost. Reeds was het over zessen des morgens, eer men scheidde. André stond dien dag zeer laat op, kwam zeer laat aan het ministerie, en werd er door den secretaris-generaal ad-interim ontvangen, als gebleken is.

Diep geschokt had hij zich in zijne kamer weer aan 't werk willen begeven, maar hij kon niet. Men had hem dus verboden in tijdschriften en dagbladen zijne meening te zeggen. Het even ongehoorde als ongelooflijke feit bleek nu waarheid. Omdat hij ambtenaar was, moest hij verzwijgen, wat hij meende. En daarop begon hij te overwegen of misschien zijn betoog iets zeer gevaarlijks voor de rust van het koninkrijk der Nederlanden mocht bevatten. Zijn artikel was geplaatst in het Tijdschrift voor Staatswetenschap zonder dat zijn hoogvereerde leermeester, professor Van Dam, er de minste aanmerking op had gemaakt. Langer dan een jaar had André met onverdroten ijver aan het redactiewerk van het tijdschrift gearbeid. Hij had zich de meeste avonden op zijne kamer afgezonderd, om aan zijne nieuwe verplichting te voldoen.

Daartoe bestond een heilige noodzakelijkheid—zijne arme zuster Letje. De geduldige en beminnelijke patiënte had al één winter te Pau doorgebracht. Misschien zou ze volkomen herstellen, maar dan moest ze er nog een winter blijven. André had door groote vlijt met zijne pen de vrij aanzienlijke som bijeengebracht, die voor Letje's verblijf in het Zuiden van Frankrijk noodig was. Hij had zich niets te verwijten dan alleen, dat hij te veel ijver aan den dag legde. Hij had meer opstellen voltooid, dan er anders in gewone omstandigheden uit zijne pen zouden gevloeid zijn. En om de geheele waarheid te zeggen, ook dit verwijt telde André zeer weinig. Hij had doorzicht genoeg, om te begrijpen, dat stugge gemoederen, die voor niets willen buigen dan voor de Muze der Volmaaktheid in persoon, hem dit kwalijk zouden nemen; maar hij kende de praktijk des levens tevens al te goed, om niet te weten, dat fatsoenlijke armoede, die strijden moet om te bestaan, en zelfwaardeering, die al te hooge eischen stelt, geen acht dagen op goeden voet met elkaar blijven verkeeren.

Er was voor André niet veel keus. Hij moest het leven zijner zuster redden—dit was en bleef de hoofdzaak. Dominee De Witt was zeer tevreden en gelukkig, dat het met Letje zoo goed ging, te meer, daar zijn tweede zoon, de rechtzinnige student te Utrecht, hem veel last veroorzaakte. Deze beproefde namelijk door kracht van schriftelijke argumenten zijn vader over te halen tot de waarachtige, hervormde leer der Dordtenaren van 1619. De Leidsche predikant gaf zich de moeite al de schrifturen van „meneer zijn zoon” te wederleggen, en hem te betoogen, dat de ware hervormde leer te Leiden werd onderwezen.

Zoolang André uit Leiden geene andere klachten vernam dan omtrent den pennestrijd tusschen vader en zoon, was hij tamelijk gerust. Hij arbeidde ijverig voort aan het tijdschrift van professor Van Dam, en werd door dezen op de eervolste wijze aangemoedigd. Hij las macht van boeken en handschriften en bleef nooit in gebreke, wanneer het er op aan kwam een nummer van het tijdschrift tegen den gewenschten termijn te doen verschijnen. Reeds was het bepaald, dat met primo Januari van het jaar 1855 André's naam naast dien van den hoogleeraar op het titelblad zou gedrukt worden. Hij had niet kunnen vermoeden, dat zijne inspanning de ontevredenheid van zijne chefs aan het ministerie zou ten gevolge hebben. Zoolang Baron Van Berenvelt als secretaris-generaal optrad, ging alles uitstekend, maar sedert in de laatste maanden de referendaris Van Reelant zijn „functiën” waarnam, kwamen er groote veranderingen. André merkte, dat hij met een hevige antipathie te strijden had, maar besloot met niet minder vaste overtuiging, dat hij verplicht was vol te houden.

De woordenwisseling met Van Reelant had hem zoo onaangenaam getroffen, dat hij bijna moedeloos in zijn stoel voor zijne schrijftafel achteroverzakte. Van zijne zijde moest hij alles in het werk stellen, om geen aanstoot meer te geven door te laat te komen. Vóór tien uren zou hij zich aan 't werk begeven; in dat opzicht moest hij toestemmen, dat eigen schuld in 't spel was. Maar in alles, wat zijn wetenschappelijk of letterkundig werk buiten het ministerie mocht aangaan, zou niemand de minste bekeering bij hem kunnen waarnemen—hij zou volharden op den ingeslagen weg. De tusschenregeering van Van Reelant zou niet eeuwig duren, en zoodra de heer Van Berenvelt op zijne plaats terugkeerde, zou hij van alle hatelijke critiek ontslagen zijn. Doch weldra begon hij aan lieflijker onderwerp te denken en stelde hij alle muizenissen uit het hoofd.

Hij dacht aan Betsy....

Met groot verlangen haakte hij naar het uur, dat hij zonder aanstoot het ministerie zou kunnen verlaten. Dien namiddag zou hij haar weerzien. Dat was afgesproken. En toen eindelijk het gewenschte oogenblik aanbrak, snelde hij ijlings naar de „Juffrouw-Ida-straat”, om met zijn huisgenoot en vriend Van Houweningen de kurkdroge karbonaden van juffrouw Barbara Bont te genieten, en zich te vermeien in de prettige herinneringen aan de zilveren bruiloft. Terstond werd besloten, dat ze hun sober maal voor deze buitengewone gelegenheid eens zouden besproeien met eene enkele flesch wijn, en nu sprak het uit den aard der zaak, dat ze aan 't eind van hunne tafelpret hoe langer hoe vertrouwelijker werden, en dat André in het allerdiepst geheim den vroolijk lachenden luitenant mededeelde, hoe hij Betsy's liefde had gewonnen, en wat de secretaris-generaal ad-interim hem al voor duldelooze verwijtingen had doen hooren dien morgen op het ministerie.

André, die met de pen in de hand de moeielijkste vraagstukken van maatschappelijken aard durfde aanroeren, was in het dagelijksche leven de eenvoudigste en somtijds zelfs de meest argelooze van alle jongelieden. Luitenant Van Houweningen steunde hem in zijne plannen; dronk een glaasje op de mooie Betsy Muller; vond, dat zij de knapste van al de jongedames op de zilveren bruiloft geweest was, en oordeelde, dat André heel verstandig had gehandeld—enz. enz. Zoo werd het bijna zeven uren, en André naderde tot een zeer gewichtig oogenblik van dien dag. Hij moest thee gaan drinken bij mevrouw Muller Belmonte op een bovenhuis van den Lutherschen Burgwal, want Betsy zou hem aan hare moeder voorstellen.

André zorgde er voor met gepaste deftigheid op te treden. Hij was geheel in 't zwart, toen hij onder eene lichte hartklopping aanschelde, en eenigszins gejaagd de trap opklom. Sedert Betsy dagelijks les gaf en door hare vlijt ruimschoots voorzien kon in de behoeften van het huiselijk leven, waren kalmer dagen voor mevrouw Muller Belmonte aangebroken. Beide vrouwen leefden op zeer bescheiden voet, maar zonder drukkende zorgen. Naarmate Betsy meer voor haar moeder deed, nam de verbittering van deze tegen hare oudste dochter toe. De beide zusters bleven evenwel in goede verstandhouding met elkander omgaan.

Toen André des avonds na de zilveren bruiloft van vader en moeder De Milde bij de dames Muller Belmonte binnentrad, heerschte er hoegenaamd geene pijnlijke stijfheid. Betsy had hare moeder op alles voorbereid, zoodat André met groote welwillendheid ontvangen werd. Tegen zijn persoon, zijne familie, zijne betrekking waren geene ernstige aanmerkingen te maken. Mevrouw Muller Belmonte had al maanden vroeger den naam van André vernomen. Hier en daar voorzichtig vragende, had zij niets dan goede tijdingen ontvangen. Dat de jongelieden elkander lief hadden, had ze mede reeds lang geweten. Betsy hield niets geheim voor hare moeder, alles was voorbereid, alles hing van den indruk af, dien de jonge man op zijn aanstaande schoonmoeder zou maken, en daarvoor zorgde André.

Het was een allergenoeglijkste avond. De beide jongelieden waren overgelukkig. André, van zijne vroegste jeugd aan een eenvoudig huiselijk leven gewend, voelde zich dadelijk thuis op den Lutherschen Burgwal. Natuurlijk leverde de zilveren bruiloft van den vorigen avond stof tot gesprek. En daarna ving men aan plannen te maken. Mama had er niets tegen, dat de verloving der jongelui „officiëel” bekend werd. Betsy poogde met een enkel woord van Suze te reppen, maar mama hield zich doof. Beter ging het André, die van zijne familie te Leiden vertelde, die de belangstelling zijner hoorderessen voor Letje won, die, zonder van eigen inspanning te spreken, uitvoerig beschreef, hoe de donkere wolk langzaam afdreef, welke zijns vaders huis geruimen tijd ernstig bedreigd had. De tijd vloog zoo snel om, dat André werkelijk weg moest, toen hij dacht, dat het gesprek nauwelijks begonnen was. Maar zijn hart sloeg met blijden slag, en terwijl hij snel naar zijne kamer terugijlde, was het of Betsy's blauwe oogen hem nog altijd tegenstraalden—de zang in zijn hart klonk luider en welluidender.

Den volgenden Zondag maakte André met Betsy een uitstapje naar Leiden. Ze waren nu, zooals het in beschaafd Nederlandsch luidt, „geëngageerd”. Dominé De Witt vond geen enkele zwarigheid. Hij had een onbegrensd vertrouwen in zijn oudsten jongen. Terwijl de Calvinistische ijver van zijn tweeden zoon hem vrij wat hoofdbrekens kostte, vooral nadat deze zijn vader met brief op brief lastig viel over het groote vraagstuk der „Eeuwige verdoemenis”, te Utrecht onder de rechtzinnige theologische studenten in top van eere gesteld, herademde hij, als hij André ontmoette. Voor Betsy was hij een en al vriendelijkheid. En de vroolijke Christien—die, toen Letje naar Pau vertrok, boven alle mogelijke verwachtingen zich huiselijk en kloek had getoond—was in de wolken over André's „engagement”. Christien had zich zoo dapper van hare taak gekweten, dat zij al zeer spoedig de hulp van eene oude tante had versmaad, ondanks al de bezwaren van den predikant. Tante ging voor goed heen, en Christien, die bijna zestien jaren telde, hield vol, dat zij heel goed voor papa alleen kon zorgen.

Daarna bracht André zijn „meisje” naar professor Van Dam. Ook hier waren zij welkom, ook hier klonk een hartelijke gelukwensch. Maar bovenal wilde André zijn vriend raadplegen over het voorgevallene met Van Reelant. Hij verhaalde alles, wat er van beide zijden gesproken was: de beschuldiging van communisme naar aanleiding van zijn artikel over Malthus, de waarschuwing tegen verder werk in dien geest. Professor Van Dam bleef eene poos nadenken. Hij herinnerde zich den student Van Reelant uit vroegere jaren, maar met die herinnering ging niets schitterends of uitstekends gepaard. Hij oordeelde daarom, dat de vice-secretaris-generaal de handelingen zijner ambtenaren met buitengewone strengheid „controleerde”, en dat Van Reelant tegenover André's wetenschappelijke studiën zich op een geheel verkeerd standpunt stelde. De hoogleeraar beloofde beide jongelieden terstond een schrijven te zullen richten aan Baron Van Berenvelt, opdat deze den ijver van zijn plaatsvervanger wat zou mogen intoomen. Hij ried André zijne vrijheid van spreken en schrijven op wetenschappelijk gebied te handhaven, maar in alles, wat de binnenlandsche politiek mocht betreffen, zoo voorzichtig mogelijk te zijn. Zoodra nogmaals botsingen aan het ministerie voorkwamen, moest André niet verzuimen onmiddellijk zijn advies te vragen. Professor Van Dam voegde er bij, dat hij alles behoorde te doen, om zijn goede kansen aan het ministerie niet te bederven, vooral nu hem het voorrecht was te beurt gevallen eene lieve bruid te hebben veroverd. Hij waarschuwde hem tevens geen duimbreed gronds af te staan van het hem toekomend terrein der wetenschappelijke „discussie”.—„Ga voort, zooals je tot nog toe gedaan heb, De Witt!”—klonk het laatste woord van professor Van Dam.—„En wanneer de nood aan den man komt, dan zullen we verder zien.”

Volkomen gerust hervatte de adjunct-commies zijn arbeid. Nog vóór tien uren was hij stipt aan het ministerie, tot groote verbazing van den portier. Zijne vlijt liet niets te wenschen over, zoodat hij aanvankelijk geene nieuwe vermaningen van den vice-secretaris-generaal had te beantwoorden. Voor André was het een buitengewoon gelukkige tijd. Dagelijks sleet hij eenige heerlijke oogenblikken aan Betsy's zijde, en wanneer soms overvloed van werk hem aan zijne kamer bond, ontving hij een geestig briefje van den Lutherschen Burgwal, 't welk hij zich haastte met steeds stijgende geestdrift te beantwoorden. Eene kleine onaangenaamheid trof hem nog in de eerste dagen zijner verloving met Betsy. Mevrouw De Huibert verklaarde aan hare zuster, dat zij het „engagement” afkeurde, dat zij van André als aanstaand schoonbroeder niets wilde weten, omdat hij niet „soliede” was, en geen „avenir” had aan het ministerie. Zij voegde er geen enkel woord bij, om hare beschuldigingen te staven. Na dien tijd ontstond groote verkoeling tusschen de beide zusters. Betsy had natuurlijk geene geheimen voor André, zoodat beiden maar al te goed wisten, uit welken hoek deze ongunstige moesson was opgestoken.

Intusschen verliep de winter van 1854 op 1855. De beide jongelieden maakten steeds nieuwe plannen. Mevrouw Muller Belmonte billijkte André's wensch, om de verloving niet langer te doen duren dan volstrekt noodzakelijk was. Het eind van hun „engagement” werd voorloopig vastgesteld na Letje's komst uit Pau, en daar men voortdurend de beste berichten ontving, hoopten allen, dat deze volledig en voor goed hersteld omstreeks Juni zou terugkeeren. Dan had men de financiëele belangen te overwegen. André's inkomen als adjunct-commies was niet voldoende, daarom stelde Betsy voor met de muzieklessen door te gaan—ze hadden immers ook voor mama te zorgen, die men niet alleen kon laten na al hare rampen, en die ook niet van de vijfhonderd gulden uit Amsterdam kon leven.

Aardig was het de strijd tusschen de jongelui bij te wonen. André wilde niets weten van Betsy's voorstel. Wanneer ze getrouwd waren, zou Betsy geen enkele les meer geven. Hij zou werken, als er gewerkt moest worden. Tot nog toe was het hem gelukt buitengewone dingen te doen voor Letje's herstel, waarom zou hij hetzelfde niet kunnen doen, nu hij voor Betsy's geluk moest zorgen. Zijne vrouw, de goede genius van zijn huis, onder den lichaam- en geestdoodenden arbeid van pianolessen te doen zuchten, terwijl zij zijn naam droeg, scheen hem een gruwel. En ten slotte werd in dien geest besloten. André's inkomen als adjunct-commies, zijne bijzondere verdiensten door wetenschappelijken en letterkundigen arbeid, de bijdrage van mama Muller—dit alles zou het bedrijfskapitaal uitmaken voor de aanstaande huishouding.

Gedurende het voorjaar van 1855 klommen André's verwachtingen steeds hooger. Zijn naam stond nu naast dien van professor Van Dam op den omslag van het „Tijdschrift voor Staatswetenschap”. Alles ging voor den wind. Hij had alle mogelijke aanleiding tot botsingen met zijne chefs vermeden. Misschien had ook de brief van professor Van Dam geholpen. Daarbij kwam, dat André op zijn hoede was, wanneer hij over de binnenlandsche politiek van den dag iets te zeggen had. De zonderlinge datum van 1 April bracht eene kleine verandering, die niet veel goeds voorspelde. De „Staats-Courant meldde, 1o. het allereervolst ontslag van Baron Van Berenvelt als secretaris-generaal bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken; en 2o. de benoeming van een opvolger, die niemand anders bleek te zijn dan Jhr. Mr. Arnold van Reelant.

Het geheele personeel aan het ministerie had dien slag verwacht. De ongesteldheid van den heer Van Berenvelt was niet geweken. Men vernam, dat hij alleen van volstrekte rust op zijn vorstelijk buitengoed in de provincie Utrecht herstel hoopte. André ondervond geene andere gevolgen, dan dat men altijd meer inspanning van hem vorderde. Persoonlijk scheen Van Reelant zich nu niet veel meer om hem te bekommeren. De dienst bracht André thans in aanraking met den referendaris, die den secretaris-generaal ad-interim opvolgde in diens vroegere betrekking.

Zoo naderde de tijd, die de gelukkigste zou kunnen worden van zijn geheele leven. De familiën te Leiden en Den Haag vonden geen bezwaar in het huwelijk van André en Betsy. De laatste brieven van Letje waren overvloeiende van geluk en levensvreugd. Zij zou in de eerste dagen van Juni terugkeeren, om tegenwoordig te zijn bij de „receptie” van André. Men verwachtte haar Zaterdag 4 Juni te Leiden, en daarom teekenden de jongelui Donderdag 2 Juni aan. Het was na dezen heuglijken dag, Vrijdagsmorgens, dat André zich wederom stipt te tien uren in zijne kamer aan het ministerie bevond. Hij was in zeer vergenoegde stemming. Hij regelde zijne papieren en boeken. Het eerst dacht hij aan een verzoek, dat hem dien dag te doen stond. Hij wilde tegen Donderdag 15 Juni voor acht dagen verlof aanvragen, ter gelegenheid van zijn huwelijk. Hij nam zich voor er dien morgen met den referendaris over te spreken. Terwijl hij eenige papieren in zijne brieventasch bergt, valt zijn oog op den laatsten brief van Letje.

Hij kan der verzoeking geen weerstand bieden hem nog eens te herlezen.

Pau, 29 Mei 1855.

„Beste André!

„Het is dus vast afgesproken, dat ik Zaterdag den 4den Juni thuis kom.

„Mijn hart klopt van ongeduld, als ik aan Leiden en aan u allen denk. Sterk en gezond keer ik terug, er is een mirakel met mij geschied!

„O, André! ik ben zoo dankbaar, zoo innig dankbaar—vooreerst aan den algoeden Bestuurder van mijn lot; dan aan deze verrukkelijke natuur, die ik nooit vergeten zal; dan aan u, mijn braven, lieven, allerliefsten broer!

„Ik neem afscheid van Pau en van alle mooie plekjes hier in den omtrek!

„Hoe heerlijk is dit schoone land, hoe weldadig de altijd heldere zonneschijn, hoe versterkend de frissche luchtstroomen in de schoone vallei van Ossau!

„Wat zal ik je er veel van vertellen! Mijn heel volgend leven zal ik er van kunnen spreken....

„Buiten de oude stad met het hooge kasteel van Jeanne d'Albret en Henri de Béarn, dat ik dikwijls heb doorwandeld,—buiten de stad ken ik alle wegen, alle heuvelklingen, alle ravijnen. Wij zijn hier in den vollen zomer. De goudblonde maïsoogst staat al te rijpen in het dal.

„Hoe dikwijls heb ik groote wandelingen gemaakt langs den stoffigen, witten weg, die zich slingert als een lint van zilver naar de altijd hooger rijzende bergtoppen. Mij beschermde de schaduw der oude krachtige olmen met macht van takken—takken, die soms reeds bij den wortel beginnen op te schieten, en waarvan het weelderig groen zich immer dichter ineenstrengelt ondanks lagen van wit stof.

„Hoe verschillend ook van de Hollandsche natuur, geeft dit landschap mij toch dikwijls aan Holland te denken. De blauwe klokjes en de witte windekelken, die hier in het hooge gras aan den weg bloeien, zelfs de vergulde wespen, die in de kelken dommelen, herinneren mij den weg van Leiden naar Leiderdorp.

„Maar de schrille platanen met hunne glimmende bladeren brengen mij weer terug naar de Pyrenaeën. De heuvelklingen golven hooger en hooger, de hemelsblauwe tint gaat langzaam over in een zacht violet. Eindelijk zie ik met een nauwelijks te bespeuren omtrek le Pic du Ger”....”

André wordt gestoord in zijne lezing.

De bode verschijnt, en zegt op de gewone, eentonige wijze:

„De secretaris-generaal vraagt naar u, meneer!”

Verward ziet de jonkman op. Hij knikt, en traag schuift hij zijn stoel weg. Dat was in lang niet gebeurd, maar daarom niet versaagd—hij is gereed.

Bedaard loopt hij langs gangen, en daalt hij trappen af, die hem naar de kamer van den secretaris-generaal zullen brengen. Hij opent de dubbele deur, en vindt Van Reelant statiger en hooghartiger dan ooit te voren bij de schrijftafel. Zoodra hij binnentreedt, keert Van Reelant zich om, en klinkt het afgemeten:

„Wees zoo beleefd plaats te nemen, meneer De Witt!”

André gaat zitten op dezelfde plek, waar hij eenmaal zulke pijnlijke oogenblikken sleet.

Hij zwijgt. De secretaris-generaal zoekt een oogenblik, en grijpt eindelijk eene krant, die hij wijd openslaat.

„Meneer De Witt! Tot mijn bijzonder leedwezen zie ik mij verplicht u na al het gebeurde al weder bij mij te ontbieden. Ik las gisteren in het Handelsblad een hoofdartikel met uw naam geteekend, onder den titel: „De Krimoorlog en de Triple-Alliantie”—het artikel is immers van u?”

„Zeer zeker, meneer Van Reelant!”

„Ik wenschte, dat het niet zoo was. Ik ben nu genoodzaakt u te zeggen, dat u ditmaal alle voorzichtigheid uit het oog heeft verloren. Dit artikel gaat veel te ver! Met uw verlof! Het is mijn voornemen niet, na al hetgeen wij vroeger bespraken, thans opnieuw in een uitvoerige discussie te treden. Het zal voldoende zijn u een paar zinnen uit uw artikel aan te wijzen....”

André was te veel overrompeld, om snel te kunnen antwoorden. Al langer dan een jaar gaf hij van tijd tot tijd een artikel over de geschiedenis van den dag in het Handelsblad, immer met zijn naam onderteekend. Tot nog toe scheen hieruit geen aanstoot te zijn genomen. En nu eensklaps had hij zich opnieuw te verantwoorden....

Van Reelant zocht eene pooze, en zei toen haastig:

„Zie hier, meneer De Witt! Daar lees ik in de eerste plaats: „Hoe heuglijk ook de Triple-Alliantie (Engeland, Sardinië, Frankrijk) voor het belang der menschheid moge geacht worden, het is een treurig drama, dat in de Krim nu weldra zijne ontknooping gaat vinden. De edelmoedige Fransche natie gehoorzaamt niet aan de inspraak harer eigen ridderlijke natuur, maar zendt, gekromd onder den schepter van een politiek avonturier als Napoleon III, hare dapperste zonen uit, om, aangevoerd door een schelm als Saint-Arnaud, een samenzweerder als Canrobert, en een wreedaard als Pélissier, hare beste krachten te verspillen....”

Van Reelant hield even op, en zag André aan.

„Deze halve volzin is al meer dan voldoende, meneer De Witt! Het is niet mogelijk dwazer, kinderachtiger en ongepaster te spreken!”

„Maar het is waarheid!”—viel André in.

„Er wordt hier niet gevraagd, wat u waarheid blieft te noemen. Wij behandelen hier eene andere quaestie. Mag een ambtenaar aan dit departement op deze wijze van bevriende souvereinen spreken? Bevat onze strafwetgeving geene termen om aan dergelijke dwaasheden voor goed een eind te maken?”

Van Reelants stembuiging klonk dreigend, hij zag den adjunct-commies met een vernietigenden blik aan. André werd doodsbleek. Hij antwoordde:

„Mij zijn dergelijke termen niet bekend!”

„Dat is mij onverschillig! In elk geval bestaan er termen, om uwe verdere loopbaan als ambtenaar van den staat te schorsen, meneer De Witt!”

André liet zich gelukkig weinig door deze bedreiging van de wijs brengen, en hernam snel:

„Als de staat van zijne ambtenaren vordert, dat men uit beleefdheid voor vreemde souvereinen de historische waarheid met voeten trede, dan is het voor mij wenschelijk niet langer zijn ambtenaar te blijven!”

„Het verheugt mij u zoo verstandig te hooren spreken, meneer! Maar ik zal mij nog de moeite geven u op een tweeden volzin te wijzen, die alle verdere tegenstribbeling onmogelijk maakt. Zie hier: „De dynastie der Napoleons is reeds op zich zelve voor Frankrijk eene nationale ramp, maar een vorst als Napoleon III is meer. De eerste keizer met den pulverdamp van Austerlitz, Wagram, Jena—met zijne eenvoudige grijze overjas, met zijn kleinen, wereldberoemden steek, met zijn schitterenden stoet van generaals—de eerste keizer, op het bergvlak van Sint-Helena den kijker richtend naar den kant van Frankrijk—de eerste keizer, spelend met de kinderen van den Engelschen pachter op Old-Longwood-House, de kinderen van Sir Hudson Lowe's ondercipier—de eerste keizer blijft met al zijn goed en al zijn kwaad een heros, eene epische figuur in de wereldhistorie.

„De tweede keizer met een stuk vleesch op den hoed te Straatsburg—wegzinkend in het slijk van Boulogne met zijn vriend Fialin—wegsluipend uit het fort Ham in het metselaarspak van Badinguet—op den tweeden December 1851 de vrijheid onder de voeten tredend, de Bank van Frankrijk met linietroepen omsingelend, de uitmuntendste burgers in ballingschap zendend, zijn eed brekend—de tweede keizer met zijn vijf en een half millioen stemmen, met zijne gedeputeerden en zijne senatoren, met zijn corpulenten vriend Plon-Plon, die in de Krim ziek wordt en zich schielijk uit de voeten maakt—de tweede keizer, met zijn geheimzinnigen broeder de Morny en zijn lomp werktuig de Persigny, levert, al mocht ook Pélissier den Malakoff veroveren, niet meer dan eene droevige caricatuur van zijn grooten voorganger, ten hoogste de stof schenkend tot eene woedende satire!”

„Volkomen juist!”—barst André uit.

Van Reelant zwijgt geruime pooze, alsof verontwaardiging hem het spreken moeilijk maakte. Eindelijk zegt hij, zonder op André's uitroep te letten:

„Zoo iets te schrijven en met zijn naam te bezegelen zou voor ieder Nederlander, wie ook, hoogst onhebbelijk zijn. Maar voor een ambtenaar aan dit ministerie is het brutaal en ploertig—houd mij het woord ten goede! Ik voeg er dus een ernstigen raad bij. Meneer De Witt! wees zoo goed binnen tweemaal vier en twintig uren uw verzoek om eervol ontslag aan den minister toe te zenden!”

„Het spijt me zeer, meneer Van Reelant!”—antwoordde André uiterst bedaard.—„Ik kan uw raad niet volgen! Zoo er termen voor zijn, mag de minister mij ontslaan, eervol of niet!”

Van Reelant stond op. Een lichte blos van toorn kleurde zijne wangen.

„Meneer De Witt! Er zijn nu woorden genoeg verspild! Van het begin af heb ik u gehouden voor een zeer onbeduidend ambtenaar. Misschien heeft u aanspraak op wetenschappelijke verdiensten! Dat schijnt zoo. Ik wil het niet betwisten. Maar als ambtenaar, meneer! is u totaal ongeschikt. Komt uw verzoek om ontslag niet binnen den door mij gestelden termijn in, dan zal ik maatregelen nemen. De onaangename gevolgen zijn voor uwe rekening!”

André stond onverschrokken voor den secretaris-generaal. Hij antwoordde kalm en beleefd:

„Ik wacht uwe maatregelen met volkomen gerustheid af. Van plichtverzuim kan men mij niet beschuldigen! Behaagt het den minister mij uit mijne betrekking ontslag te geven, dan zal hij mij zeker de motieven meedeelen, en de publieke opinie zal beslissen!”

Van Reelant glimlachte schamper.

„De publieke opinie, meneer! zal zich aan het ontslag van een ondergeschikt ambtenaar, als u is, bitter weinig laten gelegen liggen. Het spijt mij, dat u zich aan dezen stroohalm vastklemt! In uw belang raad ik u nogmaals aan, om ontslag te vragen. Het is mij onmogelijk u eenige hoop te geven! Geloof niet, meneer De Witt! dat het mij te doen is u iets onaangenaams te zeggen, mijne betrekking brengt mee, dat....”

Maar André liet zich niet door valsche uitvluchten van den weg brengen.

„Ik dank u voor uwe belangstelling, maar blijf bij mijn besluit. Ik vertrouw op de wijsheid van den minister en op mijn goede zaak!”

„In dat geval, meneer! heb ik u niets meer te zeggen! Ons onderhoud is afgeloopen!”

André boog met een kloppend hart, maar verborg zijn ontsteltenis.

Van Reelant zag op de pendule. Al kwart over elven. En er was nog zooveel af te doen dien dag. Hij zou te twaalf uren het ministerie verlaten, omdat hij op reis moest. Met groote haast gaat hij aan 't werk. Allereerst plaatst hij op zijn memorandum den naam van den adjunct-commies De Witt. Zoodra hij den minister spreekt, zal hij een voorstel tot ontslag van dezen onbruikbaren ambtenaar indienen.


TWAALFDE HOOFDSTUK.

Nemesis.

Toen de secretaris-generaal na voorspoedig volbrachte morgentaak klokke twaalf uit het ministerie te voorschijn kwam, had hij de zaak van André reeds volkomen vergeten. Hij had den minister tevergeefs gewacht. Doch dit was maar uitstel van „executie”. Zoo spoedig Van Reelant den Baron Van Berenvelt in werkelijkheid was opgevolgd, besloot hij een ambtenaar als De Witt van het ministerie te verwijderen. Een jongmensch met zulk een uiterlijk en zulke denkbeelden was volkomen overbodig aan Buitenlandsche Zaken—hij behoorde thuis bij de redactie van een zoogenaamd „liberaal” dagblad, of kon misschien dienst doen als secretaris van een reizend paardenspel. Bij de eerste gelegenheid zou hij hem van de lijst der ambtenaren doen schrappen. Daar kwam bij, dat André in vereeniging met dat fijne pianojuffertje aan Suze zijne huwelijksplannen had ontdekt, 't geen hem onaangename oogenblikken genoeg bezorgd had. Hij trachtte evenwel zich zelve diets te maken, dat hij op dergelijk „motief” niet lette, en dat alleen het staatsbelang tot richtsnoer zijner handelingen strekte.

Vrijdag, den 3den Juni 1855, zou een merkwaardige dag in het leven van den nieuwen secretaris-generaal worden. Hij werd dien namiddag op Claarberg, de villa van Baron Van Berenvelt, gelegen aan den schoonen weg van Utrecht naar den Bilt, verwacht. Zijne verloving met freule Adèle zou eindelijk plechtig worden bekend gemaakt aan de vrienden. Tot nog toe hadden ernstige bezwaren dit verhinderd. Tijdens den herfst en den winter van het vorige jaar had Adèle niets willen weten van eene „officieele” verloving, mocht ze ook „officieus” Van Reelant de heerlijkste vooruitzichten hebben geopend. Zoolang de heer Van Berenvelt worstelde tegen de koortsachtige onrust, die hem na zijn ernstige ziekte kwelde, mocht men alleen aan hem denken. Adèle verlangde uitdrukkelijk, dat deze geheele zaak voor ieder, zelfs voor haar vader, een diep geheim zou blijven. Eerst, wanneer alle gevaar geweken was, wanneer haar vader volkomen gezond naar het ministerie zou teruggekeerd zijn, eerst dan mocht Van Reelant zijn aanzoek herhalen.

Deze had zich stipt naar het verlangen van Adèle gedragen. Tot nog toe waren de geruchten van zijne verloving in de Haagsche kringen door de feiten gelogenstraft. Men hield het er algemeen voor, dat de zaak mislukt was, en toen met den eersten April 1855 de benoeming van Van Reelant in de Staats-Courant verscheen, mompelde men van „une fiche de consolation”. De heer Van Berenvelt, die den jonkman geenszins tot zijn schoonzoon wilde verheffen, had ten minste gezorgd hem tot zijn opvolger te doen benoemen—en menigeen sprak met een diepzinnig gezicht over Van Reelants schitterende „carrière”.

Op deze wijze had de laatste zich buiten alle lastige bezwaren gehouden. Suze, die met korte tusschenpoozen, geregeld verscheen, en nooit naliet de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, had hem nog van tijd tot tijd met vlagen van jaloezie gekweld. Daar hij genoodzaakt was haar zoo lang mogelijk om den tuin te leiden, nu hij door samenloop van omstandigheden dit overblijfsel van zijn verleden uit Osterwolde niet kwijt kon raken, had hij haar meer en meer opgedrongen, dat er van een huwelijk met Adèle geen sprake kon zijn. Zijn plan bleef Suze plotseling voor een voldongen feit te plaatsen, en, mocht zij dan tegenstribbelen, mocht zij de familie Van Berenvelt met hare aanspraken lastig vallen .... hij zou zorgen, dat men daar voldoende ingelicht werd. Hij kon om harentwil zijne toekomst niet bederven. Soms dacht hij met zorg aan het oogenblik, dat zij hem rekenschap van zijne beloften zou vragen, maar hij besloot kalm en waardig den storm het hoofd te bieden.

In zijn voordeel bleef het, dat geen enkele Hagenaar het drama van Lindenstein kende—zelfs in Osterwolde was men nog niet volkomen op de hoogte. Voorts had men in Haagsche kringen weinig wetenschap van zijne betrekking tot mevrouw De Huibert. Suze had zich altijd zeer bescheiden naar den achtergrond teruggetrokken, en den meesten tijd met lezen en handwerken op hare kamers in het Westeinde doorgebracht. Mocht iemand door een toeval weten, dat Van Reelant soms des avonds bezoek had ontvangen van eene welgekleede dame, dan hechtte men daar zoo bijster veel gewicht niet aan. Men zou geene nadere inlichtingen hebben kunnen verkrijgen, bij Emile van Pommeren, fils. Deze was veel te goed opgevoed, om op zulk eene vraag te willen antwoorden en de oude huishoudster Anna hechtte meer aan Nederlandsche standaardpenningen dan aan praatjes met nieuwsgierige kwaadsprekers.

Intusschen gingen herfst en winter voorbij, maar verbeterde de toestand van den heer Van Berenvelt niet. Van Reelant bleef hem geregeld bezoeken, en van raad dienen. Allerlei medische adviezen werden gehoord. Ten slotte behield het gevoelen de overhand, dat de Baron de volstrekste rust moest in acht nemen. Gehechtheid aan zijn ambt had den hoogst achtenswaardigen man voortdurend doen vragen naar tal van zaken, die hem het hoofd vervulden en bezorgd maakten. Zeer moeilijk ging het, hem te overreden, dat hij op zijne hooge jaren en met zijne zwakke gezondheid niet meer in staat zou zijn het ambt van secretaris-generaal te vervullen. In de gure Februari-maand van 1855 kwam een lichte herhaling der oude kwaal den Baron nadrukkelijk waarschuwen. Toen nam hij een besluit. Hij vroeg zijn ontslag, en beval met volle overtuiging Van Reelant tot zijn opvolger aan. Van het voornemen der jongelieden had hij alleen een duister vermoeden ten gevolge eener zeer bescheiden toespeling door Van Reelant eens in het voorbijgaan gemaakt, maar later had hij er niet meer aan gedacht.

Alles werd naar zijn wensch geschikt. In de laatste week van Maart vertrok hij voor goed naar Claarberg, zijn heerlijk buitenverblijf aan den Bildtschen weg bij Utrecht, en onmiddellijk daarop volgde zijn eervol ontslag in de vleiendste en waardigste termen. De Koning schonk hem daarbij het commandeurskruis van den Nederlandschen leeuw, en ieder, die hem aan het ministerie of in de Haagsche kringen gekend had, betreurde het vertrek van een der braafste en invloedrijkste mannen uit de residentie.

Tusschen Van Reelant en Adèle was bepaald, dat er van hunne plannen niets bekend mocht worden, voordat de heer Van Berenvelt in duurzame beterschap toenam. En dit was nu ook door een wonderwerk, naar het scheen, zoo geworden. Vrij van alle beslommeringen, herademend door de volledige vrijheid en rust, was de Baron al in Mei zóó welvarend, dat hij bij wijlen zich voorstelde zijn ontslag te vroeg genomen te hebben. Daar de oude kracht en vlugheid van geest evenwel niet terugkwamen, verblijdde hij zich ten minste in zijne goede gezondheid. En nu begon Van Reelant zeer langzaam Adèle bij zijne beleefde visites op Claarberg aan haar woord te herinneren. Doch alles liep boven verwachting af. De heer Van Berenvelt had wel voor goed het plan opgegeven, om ooit weer practisch werkzaam te zijn, maar gaarne zou hij nog van tijd tot tijd zijn oud terrein eens terugzien. Dat zijne Adèle de echtgenoote zou worden van den hoogstbekwamen vriend, die hem opvolgde, was hem een aangename gedachte. Zoo zou hij voortdurend nog midden in den strijd leven, nog deelnemen aan alles, wat hem eenmaal het hoogste belang inboezemde. Hij zou bij aanhoudende beterschap den winter in Den Haag kunnen doorbrengen. En daarbij kwam, dat Adèle geen oogenblik aarzelde, toen hij haar vroeg, of zij van ganscher harte den man harer keuze liefhad.

Onder zoodanige omstandigheden was tot vreugde van alle in deze zaak betrokken partijen vastgesteld, dat de verloving tusschen den nieuwen secretaris-generaal en jonkvrouw Adèle van Berenvelt gedurende een feestelijken maaltijd aan een uitgelezen kring van familieleden en vrienden zou worden bekend gemaakt.

Van Reelant had lust luid te zingen, toen hij den weg naar huis insloeg. Maar dit zou kwalijk passen voor zulk een achtbaar man, als de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken. Niet minder hoog sloeg zijn hart daarom van jubel. Weldra zou hij een der vermogendste ingezetenen uit de residentie worden; hij zag zich elken weg geopend, hij droomde zich elke hoogte bereikbaar, elken lauwer verkrijgbaar, elke overwinning behaalbaar, elke kroon beschikbaar. Eer- en zelfzucht zongen een triumflied in zijn liefdeloos, dor gemoed—hij had gewild en had gewonnen. Wat hij aan uiterlijke omstandigheden verplicht was, liet hij buiten rekening, ter zijde schuivend, dat de toevallige vriendschap tusschen zijn vader en den minister van Buitenlandsche Zaken den grond gelegd had voor zijn onverwacht en schielijk fortuin.

Hij gaf zich zelven liever de eer. Hij had met inspanning gearbeid, alleen zijn doel in 't oog gehouden, hij was geen voetbreed ter linker- of rechterzijde geweken; dus had hij de zege aan eigen kracht te danken. Zoo was de voorstelling van zaken naar Van Reelants opvatting. Van tijd tot tijd sloeg hij een trotschen blik om zich heen. Het trof hem, dat de Juni-zon zoo feestelijk op de boomen aan den Vijverberg fonkelde, en dat er een mantel van goud over den gevel van het huis der familie Van Berenvelt scheen uitgespreid. Boven zijn hoofd was de lucht zoo blauw, dat het een lust was om te zien. En bijna alle voorbijgangers, die hij ontmoette op zijn korten tocht naar de Hoogstraat, namen hunne hoeden af—de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken was algemeen gezien en geëerbiedigd.

Met zich zelven en de wereld op den besten voet klom Van Reelant eenige minuten over twaalf de trap op van zijne bovenwoning. Even dejeuneeren, snel wat toilet maken, en dan tegen twee uren met de vigilante naar het station van den Hollandschen spoor, dat zou uitmuntend gaan. Over Rotterdam naar Utrecht, zou hij omstreeks halfvijf aankomen; het rijtuig van den Baron zou aan het station staan. Hij had nog tijd genoeg. Hij behoefde zich niet te haasten.

Er liggen geene brieven of papieren op hem te wachten in de voorkamer. Hij gaat naar zijne studeer- en kleedkamer, hij belt. Langs de binnentrap nadert langzaam de oude huishoudster, altijd geheel in 't zwart.

De groene portière beweegt zich. Anna treedt buigend binnen.

„Heb je mijn déjeuner klaar, Anna?”

„Ja meneer, onmiddellijk!”

„Goed!.... wacht even, Anna!”

„Ja, meneer!”

„Ik ben voor niemand thuis, als er gebeld wordt. En laat kwart voor twee een vigilant komen!”

„Ja, meneer!”

Een oogenblik later staat een klein tafeltje aan 't raam voor het ontbijt gereed. Anna zorgt er voor, dat aan haar heer niets ontbreekt—fijn tafellaken en servet, een malsche karbonade—voortreffelijk gebraden—versch brood en eene karaf met Saint-Emilion heeft ze bijeengebracht. Van Reelant neuriet nu een wijsje, dat hij op straat niet buiten de omheining zijner tanden durfde te doen gaan. Hij ziet met onuitsprekelijk plezier naar den tuin van zijn huisheer, den welopgevoeden Emile van Pommeren, fils, fournisseur de la Cour. De zon werpt stroomen van goud over de dichte kruinen van een paar stokoude pereboomen en een aantal perken met rozen, geraniums en goudsbloemen. De tuin is niet groot, maar zonnelicht heerscht er in de blakende almacht, en zwermen van witte vlinders drijven er op de gulden stralen langs de geurige kelken der bloemen.

Het gezicht in den tuin stemde zoo allervroolijkst, dat Van Reelant met buitengewoon plezier zijne karbonade aansneed, en zijn eerste glas wijn dronk. Met het vooruitzicht dien namiddag nog een zijner liefste wenschen vervuld te zien, wreef hij zich plotseling van louter blijdschap de handen. Hij zou een luiden kreet van jubel hebben willen uitschreeuwen, maar het gevoel zijner waardigheid, dat hem nooit in den steek liet, en daarenboven de deftige huishoudster, die beschuitjes, kaas en gember bracht, weerhielden hem.

„Anna! De vigilant kwart voor twee, niet waar?”

„Ja, meneer!”

„Laat niemand me storen! Ik heb nog wat te doen!”

„Ja, meneer! Heeft meneer nog iets noodig?”

„Dank je!”

„Nu, dan zal ik meneer maar goeie reis en veel plezier wenschen!”

„Dank je, Anna!”

Deftig als altijd ging de zwarte gedaante heen.

Van Reelant toeft nog een oogenblik aan het déjeuner. Haastig drinkt hij zijn laatste glas. Hij wil de noodige zorg wijden aan zijne kleeding, want het is heden een zeer gewichtige dag. Hij verdwijnt in zijn slaapvertrek.

Deze kamer was minder royaal en ruim, dan de overige vertrekken, eigenlijk niet veel meer dan eene vrij donkere alkoof, met eene enkele deur uitkomende in de studeerkamer. Van Reelant hing er jas en vest aan een kapstok en opende zijne linnenkast, om een fraai gestreken overhemd en eene witte das te kiezen. Weldra klaar, keert hij naar zijne studeerkamer terug.

Met een rauwen schreeuw, plotseling hem ontsnapt, blijft hij staan....

Vlak tegenover hem .... verschijnt Suze.

Hare oogen schitterden van eene buitengewone aandoening. Haar gelaat straalt als van hemelsche vreugde. Zijn kreet vernemend, valt er een lichte schaduw over haar gelaat, en terwijl ze nader treedt, zegt ze met eene zachte, bedeesde stem:

„Heb ik je doen schrikken, Arnold?”

Van Reelant kampt tegen eene dier opwellingen van razende drift, die ook den verstandigsten man zouden kunnen bewegen, om een met eindeloos geduld opgetrokken gebouw van „speculatiën” door een enkelen slag te vernietigen. Maar hij herstelt zich in eene seconde. Hij glimlacht flauw, en, daar hij oogenblikkelijk geen enkel woord kan uiten, wijst hij op het overhemd en de das, die hij in handen heeft, alsof hij zeggen wilde: laat mij dit eerst wegleggen.... Suze schijnt te herleven. De eerste uitdrukking van naamloos geluk keert terug. Zij vestigt een blik vol innige liefde op Van Reelant, terwijl deze met half gefronste wenkbrauwen naar de tafel loopt, en langzaam het overhemd ter zijde legt.

Suze kan haar verlangen, om te spreken, niet bedwingen. Zij nadert, en zegt zoo zacht en teeder mogelijk:

„Ik stoor je, Arnold! O, wees niet boos! Iets geheel buitengewoons, iets geheel onverwachts noodzaakte mij op dit uur te komen. Arnold!.... De Huibert is dood! Ik ben weduwe!”

Van Reelant bleef sprakeloos stilstaan. Oogenblikkelijk maakte zich een gevoel van hem meester, of hij eene Jobstijding vernomen had. Hij bewoog zich niet. Hij wilde kalm blijven. Er was geen tijd te verliezen.

Suze nadert hem vastbesloten. Zij legt haar linkerarm op zijn schouder en vervolgt:

„Zooeven kwam een brief uit Osterwolde. Onze oude meid, Kaatje Verschuur, die met onzen koetsier is getrouwd, heeft mij uit vriendschap en dankbaarheid altijd op de hoogte gehouden van wat er in Osterwolde voorvalt. De Huibert, die dagelijks door velden en bosschen trekt op zijne landgoederen in Hannover, heeft een val gedaan. Hij is van zijn paard gestort, is doodelijk gewond naar zijn huis vervoerd, heeft geen woord meer gesproken en is eergistermorgen overleden en .... nu ben ik weduwe .... weduwe, Arnold!”

Geen aasje smart over den dood van den edelen man, wiens leven zij zoo wreed had verstoord, teekende zich op hare trekken. Zij juichte in den overmoed van haren hartstocht. Zij was volkomen gelukkig.

Van Reelant heeft snel den toestand overzien. Hij moet haar terstond zien te verwijderen, de tijd dringt. Gedwongen antwoordt hij:

„Dat is een gewichtig nieuws!”

„Niet waar! Ik wilde er niet mee wachten, en daarom kom ik voor het eerst op dit uur. Maar nu hoef ik mij ook niet meer te verbergen voor het oog der menschen, niet waar? Nu wordt ik over een paar weken je vrouw, mijn beste Arnold!”

Van Reelant onttrekt zich zacht aan hare omhelzing.

Strak glimlachend zegt hij:

„Om je de waarheid te zeggen, ik heb niet heel veel tijd tot praten. Ik moet om twee uren naar Rotterdam!”

„Ga dan een trein later! Eerst moeten we overleggen, wat ons na dit groote feit te doen staat!”

„Onmogelijk! Dringende zaken....”

„Er kunnen geen dringender zaken zijn, dan die wij nu te behandelen hebben!”

Suze spreekt op vasten, beslissenden toon. Er valt weer eene schaduw over haar gelaat.

Van Reelant wordt onrustig.

„En waar wil je dan eigenlijk over spreken?”

„Ik wil spreken over het onverwacht geluk, dat met één slag plotseling voor ons aanbreekt, Arnold! Nu behoeven we niet meer te veinzen, te huichelen, te intrigeeren. Nu kan ik openlijk zeggen: dat is mijn man! O, ik wist wel, dat mijn trouwe, innig trouwe liefde eindelijk zou beloond worden!”

En zich plotseling aan zijn borst werpend, lispt zij vleiend met bijna onhoorbare stem:

„Lieve man! Wanneer wordt ik nu voor de wereld je vrouw?”

„Daar spreken we later over! Ik moet me nu gaan kleeden, om tegen twee uren klaar te zijn .... later .... later....”

Van Reelant maakt zich met een haastig gebaar los, en loopt naar zijne tafel, waar hij een volkomen overbodig onderzoek naar zijn overhemd in het werk stelt.

Suze ziet hem zwijgend aan, terwijl al hare trekken hoogen ernst uitdrukken. Langzaam begint haar oog te fonkelen.

„Moet ik tot later wachten, Arnold?”

„Ja, dat kan nu niet anders!”

„Zijn je zaken zóó gewichtig, dat je niet meer naar me hooren kunt?”

„Zoo gewichtig .... ja zeker!”

„Dus zou het je plezier doen, als ik maar zoo gauw mogelijk heenging?”

„Ik moet vóór twee uren naar den trein!”

„En dit is alles, wat je me te zeggen hebt?”

Van Reelant maakte eene ongeduldige beweging met de rechterhand, maar zweeg.

Suzes oogen stralen met dreigenden gloed. Haar boezem zwoegt. Haar gelaat spiegelt den hevigen strijd af, die in haar binnenste woedt.

Plotseling strekt ze hare hand uit. De mooie zijden parasol valt voor hare voeten.

„Neen, Arnold! dan weet ik het beter!”

Haar vinger wijst driftig naar Van Reelant.

„Ik breng je de blijde tijding”—gaat ze voort—„dat we van De Huibert verlost zijn! Je blijft er volmaakt onverschillig onder! Je spreekt geen woord van ons huwelijk, mij duizendmaal voorgespiegeld en met dure eeden beloofd! Je wilt me graag kwijt zijn! Je moet naar den trein....”

Hare stem stijgt altijd hooger, hare oogen blaken van klimmenden toorn. Zij nadert Van Reelant met uitgestrekten arm.

„En weet je, wat dat alles beduidt?”—vervolgt ze, hevig adem halend.—„Dat beteekent .... dat meneer Van Reelant een ellendeling is, een leugenaar, ja, een lafaard!”

De stem begeeft haar. Zij klemt zich aan de tafel vast. De woedende gramschap doet haar duizelen.

Van Reelants gezicht was doodsbleek geworden.

Hij zag naar den tuin, want de ramen waren opgeschoven. Als men beneden de stem dier razende vrouw eens vernam? De zonneschijn voor eenige oogenblikken zoo luisterrijk, zoo triomfeerend hem toelonkend, was hem nu eene ergernis....

Hij heeft geene minuut te verliezen. Hij ziet niet naar Suze om, hij antwoordt niet, hij snelt plotseling naar zijne slaapkamer, en sluit de deur achter zich.

In de eerste plaats moet hij zich kleeden. Langer uitstel is onmogelijk. Suze zal tot nadenken komen en heengaan. Gelukkig heeft ze zich driftig gemaakt. Gelukkig heeft ze nu door een paar woorden zich op onmetelijken afstand van hem geplaatst. Hij kan haar nu kalm en bedaard ter zijde schuiven. Zij heeft het zelve gewild. De strijd moest toch eenmaal komen, het is beter, dat dit alles nu maar onverwijld worde afgedaan.

Haastig zoekt hij zijn galakostuum. Zijne vingeren beven. Het is wat duister in de slaapkamer, als de deur van het studeervertrek gesloten is. Een venster van matglas laat een flauw licht doorschemeren, waaraan men zich eerst moet gewennen. Toch aarzelt hij geen oogenblik. Hij moet weg. Het zou te laat worden. Hij kan het bericht van De Huiberts dood niet in twijfel trekken. Ongelegen is het gekomen, maar, nu het kwam, moet hij het hoofd bieden aan het gevaar. Hij mag zich niet laten overrompelen. Hij kan zijne toekomst niet bederven. Misschien is het oogenblik nabij, dat hij nog hooger stijgen zal .... het ministerie begint te wankelen, en verliest zijn steun in de Tweede Kamer. De reactie steekt het hoofd op .... er zal een buitengewoon behoudend, misschien een anti-revolutionnair ministerie aan 't roer komen, en waar kan men iemand vinden met schooner „antecedenten” dan de zijne om eene portefeuille in zulk een kabinet te beheeren.... Aan Suze's doodelijke teleurstelling denkt hij niet—aan al de liefde en aanhankelijkheid hem betoond—aan de schoone illusie, jaren achtereen door haar met blind vertrouwen vastgehouden, nu plotseling den bodem ingeslagen .... denkt hij niet—hij ziet de bittere tranen niet, die thans, wijl de gramschap afneemt, hare doodsbleeke wangen overstroomen.

Toen Van Reelant de deur van zijne alkoof sloot, was zij met een luiden kreet ineengezonken op de vloer bij de tafel. Door het hevige snikken waren de keellinten van haar hoed losgestrikt. Zij merkte niet, dat de hoed de parasol volgde. Zij zat met de handen voor het gelaat. De tranenstroom vloeit door hare vingeren. Hevige sidderingen schokken hare geheele gestalte. Eene aandoening van onmetelijke ellende maakt zich van haar meester. De plotselinge tijding van De Huibert's dood had haar op het alleronverwachtst met de hoogste zaligheid vervuld. Binnen korten tijd zou zij nu Van Reelants gelukkige vrouw zijn, zou zij aan zijn arm, als het ware, haar zegepralenden intocht binnen Den Haag doen. Het doel van haar leven was bereikt. Niet aan een onwaardige had zij zich met lijf en ziel overgegeven. Van Reelant zou haar straks luid juichend in zijne armen sluiten, hun geheim verbond zou met eer openbaar worden....

En nu—hij verneemt de groote tijding met de beleedigendste onverschilligheid.

Hij heeft zaken, gewichtige zaken.

Kunnen er gewichtiger zaken voor hem zijn, gewichtiger belang, dan hun reeds jaren te voren ontworpen huwelijk, onmiddellijk na den dood van De Huibert, wanneer die ook mocht voorvallen?

Zij wordt bedrogen, schandelijk bedrogen!

Hij moet op reis, aanstonds .... naar Rotterdam! Maar van Rotterdam gaat hij dan naar Utrecht....

Een pijnlijk geluid ontsnapt haar!

Woedend springt ze op! Hij heeft haar een strik gespannen, haar om den tuin geleid .... als een schelm!

Een plotselinge lichtstraal dringt in hare ontstelde zinnen....

Die belangrijke zaak is .... Adèle van Berenfelt!

Nu klinkt een luider kreet. Zij vliegt plotseling naar de deur met de groene portière. Hijgend, de oogen vlammend, sluit zij de deur met den sleutel, die aan de binnenzijde in het sleutelgat steekt en verbergt daarop dien sleutel in haar zak.

Zij zal hem des noods met geweld beletten te gaan. Zij zal strijden tot haar laatsten ademtocht. Het zal niet gezegd worden, dat zij het doel van haar leven miste uit gebrek aan moed. Zij wil al hare schoone illusiën niet als eene zeepbel zien uiteenspatten, zonder hare laatste krachten te hebben ingespannen....

Maar hij zal geweld met geweld beantwoorden! Hare lippen trillen! Zij slaat een blik naar den schoorsteenmantel, en ziet de verzameling van dolken en wapenen....

Eene hevige, overweldigende smart maakt zich opnieuw van haar meester. Zij buigt het hoofd! Zoover was het dan gekomen, dat zij naar een wapen omziet tegen den man, dien ze ondanks alles met heel hare ziel liefheeft! Dat is er dus geworden van die heilige beloften, hier in dit eigen vertrek haar in de ooren gefluisterd, als hij haar aan zijn hart sloot en zijn mond overvloeide van lof voor hare betooverende schoonheid!

Neen, dat zal niet waar zijn! Zulk eene laaghartigheid is te snood! Hij heeft niet gelogen—hij zal woord houden. Zij droomt, en zal dadelijk ontwaken. Waarom hare drift niet betoomd? Maar zij kon niet anders. Haar toorn was de noodkreet van hare teleurgestelde liefde .... zij kon niet anders!

De deur der alkoof wordt geopend. Van Reelant treedt binnen. Hij is zeer net in zwarten rok en witte das gekleed. Hij heeft zijn hoed in de hand, en plaatst een licht reiskoffertje op een stoel. Hij ziet Suze kalm, zonder verwondering aan, en zegt met meesterlijk nagebootste bedaardheid:

„Nog hier?”

Suze slaat de vochtige oogen omlaag.

Zij komt een schrede nader. Overvloedig stroomen hare tranen. Zij strekt de beide armen uit, en zinkt met een hartverscheurenden gil op de knieën.

„Arnold!”—snikt ze.—„Luister nog één oogenblik! Ik ben zoo diep ongelukkig! Stoot mij nu niet af! Kom, wees edelmoedig! Denk niet meer aan die vreeselijke woorden van zooeven! Ik wist zelf niet wat ik deed! O, ik was zoo zalig, zoo trotsch, zoo kinderachtig blij, omdat ik je zeggen kon: „Arnold! ik ben vrij! Ik ben weduwe!” Ik hoopte, dat je even gelukkig mij te gemoet zoudt komen! Waarom heb je mij afgestooten .... ik weet het niet, maar ik wil het weten.... Zeg het mij! Want nu zou ik mijn verstand verliezen, als ik je zag heengaan, zonder een woord van troost, van bemoediging.... Arnold! Arnold! wees voorzichtig, speel niet met mijn wanhoop!”

Suze wrong beide handen in de hoogste vertwijfeling. De fraaie donkere lokken vielen over hare in tranen badende oogen, maar ondanks die tranen was ze nog altijd mooi....

Van Reelant ziet snel op zijn horloge.

Eenige minuten na halftwee.

Hij kan nog een enkel woord tot haar zeggen.

Maar hij blijft bedaard en kalm:

„Suze! Sta als je blieft op, en maak zoo'n scène niet zonder reden. We kunnen later spreken. Ik moet nu weg voor een diner....”

„Voor een diner! Mijn God! Mijn God! Ben ik zoo weinig waard, dat je me op het allergewichtigst oogenblik van mijn leven afscheept voor .... een diner!”

Suze klemde zich knielend aan een der groote fauteuils bij den schoorsteen vast. Zij legde haar hoofd op de gevouwen handen, hare lokken overstroomden het akelig bleeke gelaat. Als het levend beeld der vertwijfeling lag zij aan zijne voeten—hare geheele gestalte scheen eene hartroerende bede om ontferming, eene lange smartkreet om medelijden....

Van Reelant meende, dat het nu lang genoeg was.

„Je begrijpt me verkeerd! Ik moet uit dineeren, stellig! Ik heb als fatsoenlijk man mijn woord gegeven, en ik moet het houden, dat is alles!”

De jonge vrouw heft nu het hoofd op. Zij werpt de door hare ontroering verwarde weelderige haren in den nek, en zegt trillend van verontwaardiging en weedom:

„Als fatsoenlijk man heb je je woord gegeven! En je moet het houden! Maar houd dan eerst je woord, dat je aan mij gegeven hebt, Arnold! Nu is het nog tijd! Kom, zeg het me gauw, dat ik me vergis .... dat je woord houdt .... dat mijn dwaze drift te ver ging! Ik wil niet langer twijfelen aan den eenigen man, dien ik ooit heb liefgehad! Ik wil hem des noods verdedigen tegen zich zelven!”

Suze springt op. De crisis van hare tragische smart was gekomen. Zij waant zich nu zeker van haar triumf. Onverwijld had ze zich, zonder eene seconde te verliezen, aan Van Reelant vastgeklemd.

Vleiend, glimlachend als vroeger, klinkt haar stem nog zoeter dan ooit te voren:

„Arnold! Mijn Arnold! Zeg me nu, wanneer ik je vrouw zal worden! Bedenk eens wat we saam zoo dikwijls hebben afgesproken! Denk eens aan dien winteravond, toen mijne ouders mij dwongen De Huibert te nemen, daar er aan een huwelijk tusschen ons beiden toch nooit kon gedacht worden! Wie heeft je toen moed ingesproken, wie je getroost met de belofte van onveranderlijke trouw? Wie fluisterde je toen iets monsterachtigs in de ooren, dat je dronken maakte van vreugde? Ben ik voor iets teruggedeinsd, om je te bewijzen, dat de meest hartstochtelijke liefde me voor eeuwig aan je vastsnoerde? Wat heb ik al niet geschonden, om jou te believen? Hoe moedwillig besloot ik den armen De Huibert te bedriegen, nog voor mijn huwelijksdag! Maar dat deed ik met vreugd, want het was voor jou, mijn Arnold! Had ik meer kunnen doen, dan ik werkelijk deed, ik zou het gedaan hebben, om je daardoor nog meer offers van mijn liefde te brengen! Zoolang ik leef, zal ik je even vurig aan mijn hart drukken, als in dit oogenblik! Ik zal nooit verkoelen of verminderen in mijn liefde .... je moogt mijn hart in twee stukken snijden, het draagt aan beide kanten alleen jou naam....”

Onmogelijk is het te zeggen met welk eene jubelende teederheid, met welk eene wegsleepende warmte deze woorden werden uitgesproken.

Suze opende daarbij hare groote, fluweelzachte, donkerbruine oogen, en trachtte haar vonnis op zijn gelaat te lezen.

Er was niets op dat gelaat te ontdekken. Het bleef beweegloos, plechtig, als de witte das, die onder de breed neergeslagen boorden uitkwam.

Van Reelant ziet weder op zijn uurwerk.

Tien minuten na halftwee....

Suze's stem had nog een oogenblik geklonken in zijn hart, een flauwe echo, als van vroegere gelukkige dagen, drong tot zijn oor.... Maar—neen, het mocht niet, hij wilde zich niet van zijn stuk doen brengen.

„Dat is alles goed en wel”—zegt hij luchtig—„maar nu moet ik naar den trein! We zullen over de zaak spreken, maar later, later....”

Schielijk grijpt hij Suzes handen, drukt ze snel, en loopt naar zijn reiskoffertje.

Suze's hart bonst onstuimig. Zij kan nauwelijks een geluid geven. Toch vermant ze zich. Hare wangen zijn vaal, perkamentkleurig bleek geworden; hare oogen alleen openen zich wijder, en vlammen.

Zij treedt hem in den weg.

„Ga dan naar den trein, maar eerst zeggen, waar je heen gaat!”

„Naar Rotterdam .... houd me niet langer op!”

„Naar Rotterdam .... en dan?”

„Naar Utrecht, om te dineeren....”

„Bij?”

„Bij Van Berenvelt, dat spreekt van zelf!”

Suze klemt de tanden op elkaar; haar boezem golft onstuimig. Zij zwijgt, alleen hare oogen spreken.

„Uit den weg Suze! Ik heb geen minuut meer te verliezen!”

Van Reelant had zijn hoed snel op het hoofd gezet, hij dringt zonder eenig compliment Suze voorbij, en grijpt den knop van de deur.

Maar de deur is gesloten—de sleutel weggenomen.

Driftig keert hij zich om. Hij zoekt een oogenblik.

Daarna zegt hij met toornige stem:

„Kom aan! Geen gekheid, Suze! Geef me den sleutel!”

De jonge vrouw glimlacht koel. Zij schudt het hoofd.

„Ik verbied je te gaan, Van Reelant! Dat spreekt van zelf! Alles is gedaan tusschen ons! Je hebt duidelijk genoeg gesproken, al heb je niets gezegd. Je werpt het masker af. Je laat mij eenvoudig aan mijn lot over! Een poos ben ik je speelgoed geweest, en vond je het niet kwaad van tijd tot tijd je hart aan dat speelgoed op te halen! Maar nu—nu krijg ik mijn afscheid! Er is nu eene andere dame van naam en vermogen, Adèle van Berenvelt! Groote God! Dat schelmstuk zal niet gelukken! Ik zweer het!”

Als de bleeke Nemesis zelve hief ze hare rechterhand omhoog, en toonde verachtelijk den sleutel.

Van Reelant balde in woedende drift de vuist. Hij wierp zijn reiskoffer met een slag op den vloer, en vliegt naar het schellekoord aan den wand. Maar hij blijft plotseling onbeweeglijk staan. Als hij de menschen, die beneden hem wonen, waarschuwt, zal hij belachelijk worden. Opgesloten door eene bijna onbekende dame, zal er een groot tumult ontstaan. Hij zal den kleermaker van beneden zien verschijnen, men zal de deur met geweld openbreken. Men zal de bittere verwijten van Suze hooren—daaraan kan hij zich onmogelijk blootstellen.

Belachelijk te worden voor den heer Emile van Pommeren, fils, fournisseur de la Cour, en misschien bij overlevering voor al de schitterendste winkeliers der Hoogstraat, dat was te veel. Hij moest oogenblikkelijk weg en zonder gerucht. Daar was maar een enkel middel—Suze noodzaken hem den sleutel terstond terug te geven.

Nog altijd stond ze daar dreigend, met de armen gekruist, den sleutel in de gesloten vuist, de oogen schitterend van verontwaardiging, het hart brekend van ellende en weedom....

Van Reelant stormt op haar af.

„Kom Suze! Laat die dwaasheid uit zijn! Geef mij den sleutel!”

„Nooit!”

„Ik waarschuw je! Neem je in acht!”

Suze lacht even, en meet hem met uitdagenden blik.

Snel als de straal van het weerlicht valt hij, een schorren kreet slakend, op Suze aan. Zijn hoed rolt op den grond.

De linkerhand grijpt onverwacht haar blanken hals, en drukt haar met ruw geweld achterover. De rechter zoekt zich meester te maken van den sleutel. Suze wankelt, maar herstelt zich. De wreede hand, die eenmaal zoo teeder de hare drukte, wringt zich als een strop om den hals, de rechter poogt hare vuist open te breken. De adem begeeft haar. Zij duizelt, en stort plotseling met een luiden slag achterover tegen den haard. Haar rechterslaap wordt gekwetst. Het bloed druppelt over haar wang. Een haardstel met stalen asschop, tang en pook valt luid ratelend naast haar omver.

Zij klemt de vuist met den sleutel steeds vaster, maar gevoelt, dat Van Reelant wanhopige pogingen doet hare vingers van een te rukken. Op het oogenblik, dat de wond van haar rechterslaap haar een lichten zucht van pijn uitlokt, heeft hij haar den sleutel bijna ontweldigd. Zij kan hem niet langer vastklemmen. Van Reelant overwint. Als een furie rijst zij van den grond. Zij grijpt den zwaren stalen pook. Van Reelant stort vooruit naar de deur.

Eer hij den sleutel kan omdraaien, is Suze hem op de hielen. Een hevige slag met den pook daalt op zijn achterhoofd....

Er klonk een rauw geluid door het vertrek—iets dat naar eene vloek zweemde.

Daarna schaterde er een wilde lach—en toen was alles stil.


Vrijdag, den 3den Juni 1855, was het vol in de Hoogstraat. Het mooie zomerweer lokte een menigte van wandelaars. Deftige mama's met aardige dochters in fraai zomerkostuum drentelden langs de winkels, en beoordeelden de zijden en kanten stoffen—achter de winkelruiten lokkende tot koopen. Rijtuigen met lakeien voor en achter stonden in alle deftigheid te wachten op de mevrouwen, die „commissiën” deden. De Mercuriussen met goud galon om den hoed zouden op den bok zijn ingedommeld onder den invloed der zomerwarmte, had niet een passend bewustzijn van eigenwaarde hen uit den dut gehouden, vooral tegenover de Haagsche straatbengels, die zich aan de grootheden dezer wereld zoo weinig, o zoo weinig! kreunen.

Onder de wachtende rijtuigen bevond zich juist kwart voor tweeën een gewone vigilante. De voerman van dat vehikel hield stil voor het fraaie winkelhuis van den heer Emile van Pommeren, fils, marchand-tailleur et fournisseur de la Cour. Met een loggen sprong plofte hij van den bok, en schelde hij aan bij den afzonderlijken opgang van Van Reelant's bovenkwartier. Oogenblikkelijk daarop heesch hij zich weer naar boven, en legde zich met de hand onder het hoofd te slapen. Weldra ontfermde zich de goddelijke Morpheus over dezen negentiende-eeuwschen Automedon.

Voor Van Pommerens winkelglazen was een splinternieuwe ministersrok uitgestald, en lagen de zomerstoffen, waarvan de residentiepronkers hunne vesten lieten maken. De bezitter van al deze schatten hield zich in een zijvertrek bezig met de studie van zijn Grootboek en berekende het totaalbedrag der sommen, welke zijne hooggeschatte „clientèle” hem schuldig was, en te avond of te morgen hem zou kunnen betalen. Hij verkneukelde zich over het hoog „montant” der gelden in quaestie, en zou zich nog levendiger verblijd hebben, als hij op eens over al deze posten tegelijk had kunnen beschikken. Hij had veel geld noodig in zijne zaken, maar achtte zich een veel te fatsoenlijk man, om aan andere fatsoenlijke lieden, die hem geld schuldig waren, een vermaning te zenden.

Intusschen moest hij bij zich zelven eens overleggen, hoe hij een zekere som kasgeld zou bijeenbrengen. Hij ving daartoe eene wandeling aan naar en in zijn winkel. Bewonderend stond hij tweemaal stil voor den ministersrok en glimlachte vriendelijk tegen het blinkend borduursel. Broek, vest, steek, degen, alles lag gereed voor den eersten, den besten gelukkige, die bij eene toekomende „crisis”, zijn toevlucht tot Van Pommeren, fils, zou believen te nemen. De smaakvolle marchand-tailleur dacht een oogenblik aan zijn gedistingeerden locataire”, den heer Van Reelant, en hoe goed die rok voor meneers „taille” zou passen. Daarna zette hij zijne „financieele speculatie” eene pooze voort, en vermaakte hij zich met de voorbijgangers in de Hoogstraat.

Zoo geviel het, dat zijn oog zich richtte naar den slapenden Automedon op den bok der vigilante. Dat voertuig wachtte op meneer boven, en misschien had die „stommeling” van een koetsier vergeten aan te schellen. IJlings snelt hij naar buiten, en port den sluimerenden wagenmenner:

„Zeg er eens, hoe laat moest jij voorkomen?”

De man zette eerst een gezicht, of hij geen tien kon tellen, en antwoordde eindelijk:

„Kwart voor tweeën!”

„Dat ziet er mooi uit, en 't is al halfdrie!”

„'k Ben er op mijn tijd geweest!”

Van Pommeren, fils, schudde driftig het hoofd, en verdween oogenblikkelijk in zijn huis. Met sierlijke haast snelde hij naar zijne keuken, en riep Anna toe:

„De vigilante voor meneer Van Reelant staat nog te wachten!”

„Lieve hemel, meneer! Wat zegt u? Ik schrik mijn hart uit mijn lijf! Meneer moest kwart voor tweeën weg!”

„Heb je de vigilante dan niet hooren bellen?”

„Neen, meneer! Ik moest even op de Plaats wezen bij Verstraten om een velletje postpapier. Maar dat doet er niemendal toe! Als meneer Van Reelant uit de stad gaat, let hij altijd zelf op de vigilante!”

Van Pommeren, fils, bleef het hoofd schudden. Bevelend klinkt het:

„Gauw naar boven! Meneer waarschuwen!”

Een oogenblik later komt ze doodsbleek terug. De deur is boven gesloten. Zij kan geen gehoor krijgen. Van Pommeren, fils, schudt opnieuw het hoofd. Wat beteekende dat? Anna verzekert plechtig, dat meneer nog nooit, zoolang hij boven woonde, over dag de deur van zijn studeervertrek gesloten had. Dit alles is zeer zonderling. De smaakvolle Van Pommeren, fils, had altijd uitgeblonken door zekeren dichterlijken aanleg, zoodat ook nu zijne verbeelding vleugelen aanschoot, en hem den heer Van Reelant voorstelde onder het gewicht der staatszorgen in diepen slaap gevallen.

Gelukkig, dat een man als Van Pommeren, fils, zijn huis op de volmaakste wijze had ingericht; dat hij dus van al de deuren der vertrekken boven en beneden een duplicaat-sleutel bezat. Onmiddellijk zocht hij den sleutel van de boven-achterkamer, en snelde hij heen, om te zien welk toeval zijn aanzienlijken „locataire” verhinderd had op reis te gaan. De huishoudster sukkelde achter haar meester aan, schoon ze er niet toe was uitgenoodigd.

Toen ze boven waren bij de bewuste deur, klopte de beleefde hofleverancier krachtig, en zoo luid mogelijk, gissende dat meneer sliep. Geen antwoord. Na herhaaldelijk geklopt te hebben, hief Van Pommeren, fils, zijne welluidende baritonstem op—die welluidende stem, waardoor hij bij zijne vrienden van de liedertafel zooveel lof inoogstte—en riep hij door het sleutelgat om meneer te wekken. Geen antwoord. Alles vergeefs. Het kan nu niet „indiscreet” geacht worden, zoo hij de deur van de buitenzijde opent.

Alzoo geschiedt het. De deur wordt voorzichtig geopend. Maar terstond schijnt iets in den weg te komen. De deur weigert toegang te geven—zij schijnt versperd. Nu dringt de huisheer in zijne ontsteltenis tegen de deur aan, en opent haar met geweld.

Wat zij zagen, wat zij in doodsangst uitriepen, ze hebben het in latere dagen nooit geregeld kunnen mededeelen.

De hofleverancier, die door de ontzettende gebeurtenis een paar maanden de befaamdste man der residentie werd, deed wel een fraai en zenuwschokkend verhaal aan ieder, die het hooren wilde, maar zijne waarheidsliefde ging hierbij schuil in zijne rijke fantasie.

De oude huishoudster Anna werd ongesteld van den schrik, maar gaf zeer eenvoudig en zeer kort hare indrukken terug.

Toen de deur openging, had zij terstond gezien, dat Van Reelant met akelig verwrongen trekken, badende in bloed, op den vloer bij de deur lag. Tegelijk ontdekte ze mevrouw De Huibert, meneers schoonzuster, die achterovergevallen met het hoofd tegen een stoel leunde. Over haar rechteroog en hare rechterwang had eene dunne bloedstraal zich een weg gebaand tot in haar hals. Anna had zich dadelijk met haar bezig gehouden, en bemerkt, dat ze in eene diepe bezwijming lag. Terwijl ze in hare eerste ontsteltenis haar zakdoek aan het gewonde voorhoofd bracht, sloeg mevrouw De Huibert de oogen op.

Nog nooit had de oude vrouw zulk een wilden oogopslag gezien, zulk een woesten schreeuw gehoord. Mevrouw de Huibert was opgesprongen, en zonder verder een woord te spreken naar de deur gevlogen. In enkele seconden was zij de trappen afgestormd. Anna volgde haar, en zag duidelijk, dat zij iets zeide tot den koetsier der vigilante, die nog altijd stond te wachten, zij sprong in het rijtuig, dat de Hoogstraat afreed, en toen uit het gezicht verdween.

Nog eene getuigenis was in deze tragische zaak van het hoogste belang. Zij werd afgelegd door den Hoofdcommissaris van Politie in de residentie. Deze verklaarde, dat Vrijdag den 3den Juni 1855, des middags tusschen halfdrie en drie uren eene dame aan het Bureel van Politie gekomen was; dat deze dame hem onmiddellijk wenschte te spreken, en dat hij niet weinig verbaasd was voor zich te zien een jonge vrouw, zonder hoed, met gehavend toilet en loshangende lange krullen, het gelaat met bloed bevlekt en eene wond aan den rechterslaap; dat deze dame op een stoel was neergevallen, en zeer onsamenhangend gesproken had; dat zij aanvankelijk niets anders zeide, dan dat zij, „zoo akelig” was, dat zij een glas water moest drinken; dat zij eindelijk met groote kalmte getuigde, dat zij iemand vermoord had; dat zij een adres in de Hoogstraat had opgegeven; dat de Hoofdcommissaris daarop gezonden had naar een bekenden arts voor zielsziekten, en tevens naar het adres in de Hoogstraat; dat de dame eene onbegrijpelijke geschiedenis verteld had, waarin de naam van den heer Van Reelant bij herhaling voorkwam; en hoe eindelijk tot zijne groote ontsteltenis gebleken was, dat de zonderlinge dame volkomen de waarheid gesproken had, dat de heer secretaris-generaal Van Reelant in zijne „appartementen” op geheimzinnige wijze was omgebracht, en dat de dame, zich noemende mevrouw De Huibert, volgens de verklaringen van den geneesheer, door een plotseling toeval totaal krankzinnig was geworden.


DERTIENDE HOOFDSTUK.

Point-d'orgue.

Jongejuffrouw Christien de Witt was uit haar humeur, iets dat haar zeldzaam gebeurde, en nu nog te vreemder scheen, daar het heele huis van den Leidschen predikant jubelde. Vroolijker dag had men er in jaren niet beleefd. Zondag, den twaalfden Juni 1855, was de datum, waarop dominé's oudste zoon, de bruigom van mejuffrouw Betsy Muller Belmonte, de gelukwenschingen van vrienden en kennissen, zou afwachten. Eigenlijk was dit plan niet in volkomen overeenstemming met den Nederlandschen adat, die eischt, dat eene „receptie” ten huize der bruid plaats grijpt. Doch dit was de oorzaak niet van Christien's misnoegdheid. Om deze te ontdekken zou men de gebeurtenissen, die sedert de laatste veertien dagen in de familie De Witt waren voorgevallen, wat meer van nabij hebben moeten kennen.

Er was nogal het een en ander geschied in dat anders zoo stille huis te Leiden.

Letje, de arme patiënte van twee jaren geleden, was volkomen hersteld uit Pau teruggekomen. Dominé De Witt zou dien dag nooit vergeten. Het was Zaterdag den vierden Juni. Aanvankelijk had de predikant plannen gemaakt, om Letje te gemoet te reizen, maar Letje zelve had geschreven, dat eene vriendelijke familie uit Brussel, welke zij te Pau had leeren kennen, naar België terugkeerde, en dat zij van de gelegenheid zou gebruik maken, om met die voorkomende en zorgvolle vrienden tot aan Brussel mee te reizen. Zij meldde daarbij, dat zij door haar bijna tweejarig verblijf in Pau zeer dapper geworden was, dat zij heel best alleen van Brussel naar Leiden kon komen. Zij zou met hare heusche kennissen nog eerst een paar dagen te Parijs blijven, en dan zorgen, dat zij Zaterdag, den vierden Juni, stipt te drie uren, vijftien minuten, te Leiden aankwam.

Welk een dag van verrassing was die Zaterdag!

Even over twaalf stond André op de stoep. Hij bracht de tijding der gruwzame gebeurtenis, die in de residentie de grootste ontsteltenis veroorzaakte—de dood van den secretaris-generaal Van Reelant. De ware toedracht der zaak was nog niet algemeen bekend, en zou het ook wel nimmer worden. André had evenwel des Vrijdags avonds alles begrepen. Met Betsy en zijne aanstaande schoonmoeder had hij zeer ernstig overlegd, wat hun thans te doen stond. De uitkomst was, dat zij, zoodra men bij hen om inlichtingen mocht komen, alles naar hun beste weten zouden meedeelen. Het eigenaardige van dit noodlottige geval was, dat men er nimmer de juiste toedracht van zou kunnen ontdekken, daar getuigen ontbraken. Alles zou in nevelen gehuld blijven, behalve de groote feiten, de gewelddadige dood van Van Reelant en de schuld der rampzalige waanzinnige, die zich zelve had aangeklaagd.

Voor het overige had André gemeend, dat deze volkomen onverwachte gebeurtenis geen noodlottigen invloed op Betsy's toekomst behoorde te oefenen. De loop der zaken had meegebracht, dat vele familiën in Den Haag Betsy kenden, en met de meeste ingenomenheid spraken van „juffrouw Muller”. Bijna niemand kende, noch wist iets van de raadselachtige mevrouw De Huibert. Wat ook het onderzoek der justitie zou aan het licht brengen, niemand mocht aan Betsy, noch aan hare moeder, noch aan hem, daarover het minst verwijt doen hooren. Derhalve bleef hij hun huwelijksplan onveranderd handhaven. Bruid en bruidegom hadden part nog deel aan het drama van de Hoogstraat. Dat zij sedert langen tijd op gespannen voet leefden met de ongelukkige, wier hartstocht tot moord en waanzin had geleid, stemde hen allen des te ernstiger. Zij besloten dus in alle stilte het voorgenomen huwelijk te voltrekken, en de gebruikelijke receptie in Leiden te houden.

Dominé De Witt was vrij ontsteld door het onverwachte bericht. Zeer gaarne gaf hij zijne toestemming, om de receptie en later het huwelijk te Leiden te doen voltrekken, maar hij meende, dat het vreeselijk voorval eene donkere schaduw over het geluk van bruid en bruidegom zou werpen. André liet zich evenwel niet van zijn stuk brengen, en stelde zijn vader volkomen gerust. Over Van Reelants dood zou wel altijd een sluier blijven hangen. Wat er voorgevallen was zou niemand nauwkeurig kunnen zeggen. Door Betsy kende hij het drama van Osterwolde, dat in de Hoogstraat zulk eene tragische ontknooping had gevonden. Maar van dat alles droeg men in Den Haag weinig kennis. De hevige waanzin der rampzalige vrouw maakte elke rechterlijke vervolging onmogelijk; Suze's leven was voor altijd bedorven, haar naam en persoon gingen voor goed schuil achter de sombere muren van een krankzinnigengesticht.

Zijne Betsy, zijne lieve bruid, mocht in het minst niet lijden door de misdaad van hare zuster, hield André vol. Er was bovendien voor hen beiden nog ééne gunstige zijde aan het geval. André zou nu in zijne betrekking wel niet verder bemoeilijkt worden; zijne vooruitzichten aan het ministerie waren aanmerkelijk verbeterd. Dominé De Witt nam dit alles gaarne aan, maar beval André dringend zoo weinig mogelijk van de zaak te spreken, om de vreugde over de terugkomst van Letje niet te vergallen. In later dagen zou men binnen den huiselijken kring de toedracht van het feit uitvoerig kunnen bespreken, thans was het zaak dit treurige onderwerp zoo weinig mogelijk aan te roeren.

André was zonder Betsy verschenen, omdat deze hare moeder, die hevig geschokt was, niet alleen kon laten. Den volgenden dag, Zondag, zou hij beiden zien te bewegen naar Leiden te komen. Hij had evenwel niet willen ontbreken bij Letjes blijde terugkomst, zoo lang verbeid en met groote blijdschap te gemoet gezien. Des avonds echter moest hij weer in Den Haag terug zijn, om de dames Muller Belmonte met raad en daad bij te staan. Gedurende deze overleggingen tusschen vader en zoon had de vroolijke Christien het huis van hare opgeruimde liederen doen weergalmen. Christien was in de wolken over Letje's thuiskomst. Zij had in den laatsten tijd ieder verbaasd door de flinke manier, waarop zij haars vaders kleine huishouding bestuurde, maar tevens en niet in geringe mate door .... hare persoonlijkheid. Zij stond op het punt zeventien jaar te worden, maar maakte den indruk eener geheel volwassen jonge vrouw van in de twintig. En daarbij zag zij er allerliefst uit met het korenblonde hair, dat weerbarstig kroezend uit den band sprong en om slapen en hals dartelde.

Christien maakte van Letje's heugelijke terugkomst een waren feestdag. In de eerste plaats had zij gezorgd voor den tuin. Nog nooit hadden de stamrozen van het priëel zoo verrukkelijk mooi gebloeid, terwijl een onuitputtelijke rijkdom van knoppen nog heerlijker toekomst beloofde. Christien had daarenboven met zusterlijke liefde aan Letjes kamertje op de eerste verdieping gedacht. Alles, wat zij bij elkaar had kunnen brengen tot verfraaiing van dat kamertje, stond er met keurige netheid te prijken. Kleine voorwerpen, die Letje lief waren geweest vóór het vertrek; snuisterijen, waarmee zij ophad in vroegere dagen; maar vooral het groote portret van hare overleden moeder spraken van de zorg eener liefhebbende zuster.

In alle kamers had Christien dien morgen macht van ruikers geplaatst, en overal hadden schoonmaakster en keukenmeid dagen van te voren zoo duchtig huisgehouden, dat dominé De Witt soms glimlachend het hoofd had geschud. Hij herkende zijne overleden gade in deze dochter, en achtte het een gelukkig verschijnsel, dat zijne Letje eene zoo bedrijvige en werkzame zuster zou terugvinden in het nog dartelende kind van voor twee jaren geleden.

Het sprak van zelf, dat de dominé met André en Christien veel te vroeg aan het station verscheen, en dat de trein bij toeval wat later aankwam. Ons drietal was niet weinig ontroerd, toen ten slotte de locomotief in de verte hare witte pluimen omhoogstak. Zij hadden geen oogenblik tot nadenken, want de trein snorde hijgend op hen af, en hield binnen eenige seconden stil. De reizigers stroomden hen voorbij, terwijl zij onthutst in 't rond zagen, en geen spoor van Letje ontdekten. Eensklaps hoorden zij een luiden uitroep, en zagen zij eene mooie, elegante, jonge dame, op dominé De Witt toesnellen.

Die jonge dame, eerst voorbijgezien, was Letje.

Vader, broeder, zuster waren als verstomd van blijdschap en bewondering. Was dat Letje? Zoo gezond, zoo bloeiend, zoo heerlijk! En daarbij zoo vol smaak en toch zoo eenvoudig gekleed met iets vreemds in den snit van haar reiskostuum, 't welk onmiddellijk door Christien al stil werd waargenomen en bestudeerd. Aardig ware het geweest op te merken—schoon niemand der belanghebbenden er om dacht—hoe Letje alleen het woord voerde, en druk vertelde, terwijl de anderen nog niet bekomen van de eerste aandoening glimlachend luisterden. Thuis was het oogenblik der dankbare blijdschap gekomen. Dominé De Witt trad met de gewone bedaardheid, die hem altijd onderscheidde, terwijl Letjes arm op den zijne rustte, naar buiten in den tuin, terwijl allen hen volgden. Bij het rozenpriëel bleven zij staan. Een kreet van opgetogenheid ontsnapte Letje, zoodra zij haar lievelingsplek ontwaarde. Zij boog naar de blozende stamrozen, en scheen ze te groeten als oude kennissen.

Toen sloeg de bewogen vader den rechterarm om hare leest en sprak:

„Kindlief! Ik heb geen woorden om te zeggen hoe gelukkig we zijn, nu je weer bij ons bent! In duizend vreezen liet ik je gaan—het kon niet anders! Angst en kommer, alles is voorbij! En Gods aanbiddelijke liefde, die op dezen mooien zomerdag onzen tuin zoo kostelijk doet bloeien, zorgt er voor, dat de rozen op de wangen van mijn Letje zich niet hebben te schamen voor de rozen van haar priëel....”

Zonder een woord te uiten wierp Letje zich aan de borst van haar vader. Aller oogen waren vochtig, allen stamelden een woord van dankbaarheid en vreugde, hoewel de ontroering nog belette geregeld te spreken.

De dag was zoo snel om, dat André naar Den Haag terug moest, voordat Letje nog begonnen was het beloofd relaas van hare wonderlijke herstelling te geven. Toen kwam de beurt aan Christien. Letje, die altijd zoo vurig naar huis verlangde, die met kinderlijke genegenheid aan de ouderlijke woning te Leiden gedacht had, die onophoudelijk in hare brieven liet doorschemeren, dat zij den dag van hare terugkomst als een dag der verlossing beschouwde—Letje was diep getroffen, toen zij hare eigen kamer weer binnentrad, en bij den eersten vluchtigen blik zag welke verrassingen de liefde van hare zuster haar had bereid.

Intusschen leefde men te 's-Gravenhage in minder opgewekte stemming. De geheele stad was vol van het gebeurde. Ieder wist alles haarfijn te verhalen, maar niemand kende den juisten samenhang. De familie De Milde was een oogenblik bijna even beroemd als de geniale hofleverancier Emile van Pommeren, fils. Ieder, die op de eene of andere wijze kon uitrekenen, dat hij een familielid van het huisgezin der De Mildes gesproken had, kwam belangstellend „informeeren” naar de gezondheid der dames. Bij deze gelegenheid openbaarde zich het vriendschappelijk hart der meisjes op de meest eervolle wijze. Zij beklaagden de arme mevrouw De Huibert, en konden maar volstrekt niet begrijpen, hoe dat „horribel” geval zich had toegedragen. Ze vonden het heel gelukkig voor die „lieve juffrouw Muller”, die toch de eigen zuster was van het „ongelukkige mensch”, dat deze laatste zoo „stapel” krankzinnig geworden was.

Deze wijsbegeerte der dames De Milde had veel voortreffelijks van practisch standpunt. Het publiek maakte zich snel eene voorstelling in haar geest. Jhr. Van Reelant had eene schitterende echtverbindtenis willen sluiten, maar er was eene dame, eene weduwe naar men beweerde, in het spel gekomen. Nog hoopte men veel van het rechterlijk verhoor dier zonderlinge dame, maar de algemeene dorst naar nieuws werd niet bevredigd, daar gemelde „zonderlinge dame” tot een zoodanigen staat van razernij was vervallen, dat men aan geene ondervraging, zelfs aan geen gesprek mocht denken. Dus ontstonden er verschillende legenden omtrent Van Reelant's dood, waarvan de eene al zonderlinger dan de andere van de waarheid afweek. Jarenlang werd in alle mogelijke Haagsche kringen en sociëteiten van deze even zonderlinge als geheimzinnige zaak gesproken, en zelfs zeer diepzinnig geredeneerd, totdat eindelijk de belangstelling in Van Reelant's schitterende „carrière” uitdoofde, en niemand meer aan hem dacht.

Te Leiden had men sedert de terugkomst van Letje gelukkige dagen beleefd. Nadat alles over en weer verteld was, had men besloten de bruidsdagen van André en Betsy zoo aangenaam mogelijk door te brengen. De dames Muller Belmonte hadden gedurende de laatste jaren zooveel rampen doorleefd, dat men in de familie van den Leidschen predikant alles beproefde haar door heusche voorkomenheid op te beuren. Zonder er eene bepaalde afspraak van gemaakt te hebben meed ieder zelfs de minste toespeling op de allertreurigste feiten, die haar geheel buiten alle schuld en verantwoordelijkheid hadden getroffen.

Letje had den zonneschijn van het Zuiden mee naar huis genomen. De vrienden van den algemeen beminden predikant kwamen hem om strijd gelukwenschen, en zich persoonlijk overtuigen van het wonderbaar herstel zijner oudste dochter. Het was eene drukke week. Mevrouw Muller Belmonte en Betsy logeerden een paar dagen te Leiden voor de receptie en het aanstaande huwelijk. Letje en Christien waren zeer ingenomen met hare toekomstige schoonzuster, en beijverden zich om van den Zondag der receptie een echt huiselijk feest te maken.

Dominé's voorkamer was dien Zondag, den twaalfden Juni, in een bloeienden tuin herschapen. Letje had met Christien afgesproken, dat zij meer bijzonder voor de bloemen en het „groenmaken” zou zorgen. Christien wilde het huiselijk beheer volstrekt niet uit hare handen geven, en beweerde, dat zij heel best alles alleen in orde kon brengen, en uitsluitend het toezicht wilde houden op keuken en kelder. Daarenboven Letje was pas weer hersteld, en mocht zich niet vermoeien. Om dit laatste argument schaterde Letje het luide uit, maar liet hare zuster, die zooveel ijver en beleid toonde, gaarne het opperbestuur.

Des morgens vergezelden bruid en bruidegom, mevrouw Muller Belmonte en Letje, den predikant naar de kerk. De gemeente was vrij talrijk opgekomen, als verwachtte men, dat de achtbare leeraar ditmaal iets bijzonders zou mededeelen in verband met de huiselijke voorvallen der laatste dagen. Dominé De Witt bezat evenwel veel te veel goeden smaak, om ooit tot zijne gemeente van zich zelven te spreken. En toch deed hij het zonder het te willen. Het thema zijner leerrede was uit den 148sten psalm: „Hallelujah! Looft den Heer uit de Hemelen! Looft hem in de hoogste plaatsen!”

Aandoenlijk was het te bespeuren, hoe het gemoed des sprekers overvloeide van dankbaarheid, en hoe de vreugd van zijn hart hem dwong den wierook zijner erkentelijkheid te offeren in eene eenvoudige toespraak vol kinderlijke blijdschap. Alleen de vrienden van de familie De Witt verstonden het geheim zijner welsprekendheid ten volle, en menig oog dwaalde naar de bank, waar André naast Betsy zat, terwijl Letje aan de zijde van mevrouw Muller Belmonte had plaats genomen. Zij vormden eene zeer schilderachtige groep. André scheen ontroerd en overgelukkig tevens. Zijne donkerbruine oogen schitterden van tevredenheid. Zacht herhaalde hij bij zich zelven: „Looft den Heer uit de Hemelen! Looft hem in de hoogste plaatsen!” En als soms hem het hart in den boezem zwol bij het bedenken van het geluk, dat hem wachtte, wilde hij zich niet kinderachtig toonen, maar streek snel de rechterhand door het lange, krullende hair, om eene afleiding te vinden, die hem weer op zijn verhaal bracht. Betsy, die naast hem zat, in haar grijs zijden kleedje, dat haar zoo goed stond, de blauwe oogen wijdgeopend, luisterde in diepen ernst. De laatste jaren hadden haar veel geleerd. Er was een nieuw licht over haar leven opgegaan, en nu begreep zij beter dan ooit, dat zij het „Looft den Heer!” met nadruk door den leeraar gezegd van ganscher harte mocht beamen.

Aan hare zijde zat hare moeder. Zonder te weten wie zij was, zou reeds ieder vreemdeling met belangstelling naar die oude dame hebben omgezien. De tegenspoed had het grauwe hair tot sneeuwwit doen verbleeken; tranen hadden den gloed harer oogen uitgebluscht, en diepe groeven in de bleeke wangen achtergelaten. Een in 't oog vallend contrast tusschen deze door de stormen des levens geteisterde vrouw en dominé's oudste dochter Letje maakte de groep nog belangwekkender. De geknakte bloem was door de milde zon der Pyrenaeën volkomen genezen, en had zich in volle kracht en schoonheid ontwikkeld. 't Was of er nog iets glinsterde van dat zonlicht in de mooie oogen—misschien ook blonk er een nauwelijks weerhouden traan, die de dankbaarheid van haar licht te ontroeren hart verried.

Toen de jongelieden thuis kwamen, was tot hunne uiterste verbazing de koffie in de tuinkamer nog niet gereed. Letje zocht overal naar Christien. Ze had in de gang eene sterke lucht van gebraden vleesch waargenomen, en daalde eindelijk naar de keuken af. Daar vond ze hare jongste zuster met gloeiende wangen en roode oogen. De meid had in een oogenblik van onachtzaamheid eene prachtige kalfsborst doen aanbranden en onder vele tranen vertelde Christien nu, hoe ze nog alles in 't werk stelde, om de schade zooveel mogelijk te herstellen. Letje wilde haar dadelijk met raad en daad bijstaan, maar opnieuw stroomde de waterlanders nog rijkelijker. Christien verzocht haar snikkend voor de koffie te zorgen, en te maken, dat papa niets merkte.

En ziehier de oorzaak, waarom mejuffrouw Christien de Witt op André's receptiedag zich in de lappenmand bevond. Zware hoofdpijn kwelde haar, de donkere blos week niet van hare ronde koonen, en telkens bracht zij haar zakdoek aan de oogen. Letje, Betsy en mama Muller hadden in een ommezien de koffie gereed, zoodat dominé niet veel plezier had van de pijp, die hij naar zijne bestendige gewoonte altijd onmiddellijk na het thuis komen uit de kerk opstak. Er werd nog een oogenblik naar Christien gewacht, doch Letje verzocht uit haar naam, of men maar vast met de koffie beginnen wilde, daar zij het nog zoo druk had in de keuken.

Even na het koffiedrinken ging Betsy met mama naar boven, om nog iets aan haar receptie-toilet te veranderen, en wandelde dominé met André door den tuin. Nadat zij eene pooze zeer opgeruimd en tevreden hadden gekeuveld, zei de oude heer met een fijn glimlachje:

„En nu moet ik je nog wat nieuws vertellen, André! Ik heb van de week een zeer aangenamen brief van Willem uit Utrecht gehad!”

Sinds langen tijd had men niet van Willem gehoord. Midden in de drukte en de vreugde over Letje's thuiskomst en de voorbereiding tot André's huwelijk was er niet opzettelijk van Willem gesproken. De Utrechtsche theoloog hield niet van huiselijke feesten, en was bovendien te diep gedompeld in zijn wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van het leerstuk der „Eeuwige Verdoemenis”. Na eene zeer drukke briefwisseling had de dominé zijn zoon geraden, om het bedoelde dogma, voor hij er zijn hart aan hing, eens zeer bedaard historisch te onderzoeken, opdat hij de wording van dit denkbeeld volgens de oudste oorkonden mocht leeren kennen. Te midden van dien arbeid—en dat was het goede nieuws uit Utrecht—had de zwaarmoedige, jonge godgeleerde zoo ontzettend veel onoplosbare moeilijkheden ontmoet, dat hij voorshands van een nader onderzoek had afgezien.

Vader en zoon werden weldra uit den tuin geroepen.

Er was gescheld. De receptie begon. De dames waren in de voorkamer. Zelfs Christien met hare roode kleur en vochtige oogen stond in een hoekje, terwijl Letje alles in het werk stelde, om haar vroolijker te stemmen. Betsy zag er allerliefst uit, al had ze haar grijs zijden kleedje van dien morgen niet afgelegd. Rondom in het groen en de bloeiende heesters kwam haar donkerblond hoofd geestig uit. André had in een ommezien zijn bruigomspak, zijn zwarten rok en witte das, aangeschoten. Een stroom van Leidsche vrienden trok door de voorkamer van dominé De Witt.

Men zag niets dan blijde en lachende gezichtjes.

Letje's oude vriendinnen maakten van de gelegenheid gebruik, om op hare heuglijke thuiskomst een droppeltje witten portwijn te drinken. Al de goeden kennissen uit André's studententijd waren toegesneld, om bruid en bruidegom de hand te drukken. De kamer weergalmde van de vroolijke stemmen. Dominé De Witt was zeer gelukkig en zeer spraakzaam. Hij mocht het in stilte betreuren, dat bij dergelijke plechtigheden geene Goudsche pijpen mochten gerookt worden, maar hij verried het met geen enkel woord. Betsy boog voor een groot aantal deftige dames, die allen hare belangstelling toonden, en die onder het huiswaarts gaan vrij wat hadden te praten over die akelige geschiedenis in Den Haag en dat de bruid de zuster was van dat „ongelukkige mensch”. Velen hadden het beter gevonden, dat de jongelui maar geen receptie gegeven hadden. Nu zij aangeteekend waren, begreep men, moest het huwelijk doorgaan, maar het ware passender geweest daarbij alle mogelijk opspraak te mijden. Enkele der deftigste dames verklaarden dit vreemde feit door te wijzen op de burgerlijke manieren der familie De Witt, die geen het minst begrip van „convenances” had; zij voegden er bij, dat de bruigom bekend was als een man van overdreven democratische „principes”, die met alle vormen den spot dreef.

Niemand bekommerde zich over deze critiek ten huize van den predikant. Zoo men er over iets bezorgd mocht zijn, dan was het, dat de goede, ijverige Christien steeds door zware hoofdpijn gekweld bleef. Gelukkig moest Christien zich aan het huiselijk beleid der zaken van dien dag wijden, en kreeg zij daardoor eene heilzame afleiding. André en Betsy beleefden een oogenblik van onvermengd genoegen, toen de hooge gestalte van professor Van Dam zich onder de gasten vertoonde. De hoogleeraar, door den bruigom min of meer op de hoogte gesteld, vond het volstrekt niet onvoegzaam, dat er receptie was bij dominé De Witt, integendeel hij verheugde zich van ganscher harte in André's geluk. Daarenboven hij rekende op André, als een zijner beste leerlingen. Hij geloofde aan de toekomst van zijn jongen vriend en zijne hartelijke woorden getuigden er van.

André raadpleegde zijn hooggeschatten leermeester nog even over de vraag, of hij zich in het vervolg zou hebben te onthouden van eenig oordeel over buitenlandsche politiek. Van Reelant had den laatsten morgen van zijn plotseling afgesneden leven hem met ontslag gedreigd naar aanleiding van een artikel over het tweede keizerrijk. Later had André niets meer van de zaak gehoord. Het verlof van acht dagen, hem tegen den zestienden Juni toegestaan, bewees, dat de minister niet ontevreden was. Professor Van Dam ried hem aan te volharden bij het stelsel, om zijne opstellen altijd met zijn naam te teekenen, doch tevens voorzichtigheid bij het onbewimpeld uitspreken zijner overtuiging. De benoeming van den nieuwen secretaris-generaal liet nog op zich wachten. Professor Van Dam beloofde André den aanstaanden titularis te zullen schrijven, en nam afscheid met de woorden: volhouden en arbeiden!

Tot aan vier uren des namiddags duurde het buigen en handen geven in dominé's voorkamer. Eindelijk waren de laatsten verdwenen. Met een zucht van verademing legde André Betsy's arm in den zijne, en troonde haar mede naar den tuin. Na al de eentonige gelukwenschen had hij behoefte eene poos alleen met zijne bruid te spreken. Al de dames hadden het druk met huishoudelijke zaken, daar zij Christien zooveel mogelijk wilden troosten in haar leed; de dominé zonderde zich met zijn Gouwenaar af in zijne studeerkamer. André bleef dus met Betsy alleen in den tuin. Na een oogenblik rondgewandeld te hebben traden zij in de gastvrije schaduw van het rozenpriëel.

„Wat heeft Christien toch?”—vroeg André.—„Zij wilde mij niets zeggen!”

„'t Is een groot geheim, maar aan jou zal ik het verraden!”—antwoordde Betsy lachend.— „De meid heeft een mooie kalfsborst doen aanbranden, en nu is Christien bang, dat papa ontevreden zal zijn!”

„Is het anders niet! Ik zou het heel onredelijk vinden, als papa om zoo'n kleine zaak uit zijn humeur was!”

„Pas maar op, André! Als we eenmaal getrouwd zijn, zul je misschien nog wel eens anders spreken!”

„Nooit, mijn engel! Het huiselijk geluk om zoo'n bagatel te bederven .... nooit van mijn leven! Ik zweer je plechtig, dat ik als je man geen dag zal doorbrengen zonder aan dezen eed te denken!”

„En ik zweer je, André!”—herneemt Betsy ernstig—„dat ik als je vrouw geen dag zal doorbrengen, zonder voor het geluk van mijn lieven man te zorgen!”

André ziet zijne bruid met dankbare verrukking aan.

„Je hoeft het mij niet te zeggen!”—antwoordde hij bewogen.—„Misschien komen er in volgende jaren moeielijke oogenblikken voor ons. Maar ik ga de toekomst onbevreesd te gemoet, want ik heb den grootsten schat, dien ik ooit winnen kon .... ik heb jou, Betsy! En als het er op aankomt vol te houden en te arbeiden, als professor Van Dam mij toeriep, reken dan op mij, lieve, reken dan op mij!”

André legt den arm om hare leest, en prangt haar aan zijne borst. Zijne lippen zoeken haren rooden mond....

De rozen van het priëel—nieuwsgierige Aagjes als zij zijn!—hebben het mij toegefluisterd, en ik zou er gaarne nog wat meer van vertellen, maar de goddelijke Eroos legt een vinger op zijne lippen, en ik buig mijn hoofd eerbiedig voor zijn machtigen wil.


In de VIJFTIG-CENTS-EDITIE zijn verschenen:
No.
1. Mr. J. Van Lennep, De Pleegzoon.
2.Ferdinand Huyck.
3.De Roos van Dekama.
4. — Elizabeth Musch.
5. — Novellen en Vertellingen.
6–8. — Onze Voorouders.
9–11. — De lotgevallen van Klaasje Zevenster.
12. J. J. Cremer, Dokter Helmond en zijn Vrouw.
13. — Daniëls Sils.
14. — Tooneelspelers.
15. — Hanna de Freule.
16–17. — Anna Rooze.
18. — Overbetuwsche Novellen.
19–20. — Novellen en Vertellingen.
21.Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.
22.De Lelie van 's-Gravenhage.
23. — Emma Berthold.—Boer en Edelman.
24. J. J. L. Ten Kate, Stichtelijk Huisboek.
42* J. Van den Vondel, 1605–1616. Het Pascha.—Den Gulden Winckel.—De Vaderen.
43* — 1617. Vorstelycke Warande der Dieren.
44* — 1618–1620. Hierusalem verwoest.—De Heerlyckheyd van Salomon.—Helden Godes.
45* — 1621–1625. De Amsteldamsche Hecuba—Palamedes.
46* — 1626–1629. Hippolytus.
47* — 1630–1636. Sofompaneas.
48* — 1637–1639. Gysbr. v. Aemstel.—Elektra.—Maeghden.
49* J. Van den Vondel, 1639–1640. Gebroeders.—Joseph in Dothan.—Joseph in Egypten.
50* — 1641–1642. Peter en Pauwels.—Heldinnebrieven.
51* — 1642–1645. Brieven der Heilige Maeghden.—Grotius' Testament.
52* — 1645. Altaergeheimenissen.
53–54* — 1646. Publius Virgilius Maroos Wercken.
55* — 1646–1647.—Maria Stuart.—De Leeuwendalers.
56* — 1648–1651. Salomon.
57* — 1652–1653. Horatius' Lierzangen.
58* — 1654–1655. Lucifer.—Inwydinge van 't Stadthuis t' Amsterdam.
59* — 1656–1657. Salmoneus.—Koning Davids Harpzangen.
60* — 1657. Koning Davids Harpzangen.
61* — 1657–1660. Koning Davids Harpzangen.—Jeptha.
62–63* — 1660. Publius Virgilius Maroos Wercken in Nederduitsch dicht vertaelt.
64* — 1660. Koning Edipus.—Koning David in Ballingschap.—Koning David Herstelt.
65* — 1660–1662. Samson. Adonias.—Bespiegelingen.
66* — 1662. Bespiegelingen II.—Joannes de Boetgezant.
67* — 1663. Batavische Gebroeders.—De Heerlyckheid der Kercke.—Faëton.
68* — 1664–1667. Adam in Ballingschap.—Ifigenie.—Zungchin.
69* — 1667–1671. Noah.—Feniciaensche.—Herkules in Trachin.—Ovidius' Herscheppinge I.
70* — Ovidius' Herscheppinge II.
71* — 1671. Ovidius III.
72–75. Nicolaas Beets' Dichtwerken.
76–77. Bernard Ter Haar, Dichtwerken.
78. Mr. J. Van Lennep, Vertellingen van vroeger en later tijd.
79. — Het huis ter Leede.—Adegild.—Jacoba en Bertha.
80. — De strijd met Vlaanderen.—Eduard van Gelre.
81. — Marino Faliëro, Doge van Venetië.—Fiësko, of de Samenzwering te Genua.—De Staatsman bij toeval, enz.
82. Mr. J. Van Lennep, Een Amsterdamsche Winteravond in 1632, enz.
83. — Een droom van Californië, enz.
84. — Een Amsterdamsche Jongen of het buskruit-verraad in 1622.—Lastige Lieden, enz.
85. — Academische Idyllen.—Vuuraanbidders, enz.
86. — Het recht van bruiloftsavondkout, enz.
87* — Nederland vóór den Tachtigjarigen Oorlog.
88* — De Tachtigjarige Oorlog.
89* — De Hoogmogende Republiek.
90* — Ondergang der Republiek.—Het Koninkrijk der Nederlanden.
91–93. A. Loosjes Pz., Het leven van Maurits Lijnslager.
94. J. J. L. Ten Kate, Verhalen en vertellingen.
95. — Zangen des tijds.
96. — Gewijde Poëzy.
97. — Bijbel-Poëzy.
98. — Dramatische Poëzy.
99. — Voor Hart, Huis en Leven.
100. — Mengel-Poëzy.
101. — Uit den vreemde. Vertaalde Poëzy.
102. — Faust.—Maria Stuart.
103. — De Planeten.—De Jobeïde.
104. — Milton's Verloren Paradijs.
105. — Dante's Hel.
106* Mr. J. Van Lennep, De vermakelijke Spraakkunst, opgehelderd door een aantal Ill. van Alfr. Ronner.
107* — De vermakelijke Latijnsche Spraakkunst, opgehelderd door een aantal Illustratiën van Alfred Ronner.
108–110. Da Costa's Complete Dichtwerken.
111* A. G. L. Westenberg, Nationaal Kookboek, samengesteld door Nederlandsche Vrouwen.
112–113. Dr. Jan Ten Brink, De Schoonzoon van Mevrouw de Roggeveen.
114. — Het vuur, dat niet wordt uitgebluscht.
115–116. — Oost-Indische Heeren en Dames.
117. — Nederlandsche Dames en Heeren.
118. — Drie Reisschetsen. Op de grenzen der Preanger.—Drie dagen in Egypte.—Van den Haag naar Parijs.
119. — Jeannette en Juanito.
120. — Het verloren Kind.
121. — De familie Muller Belmonte.
122.Eene „schitterende Carrière”.
Geïllustreerde boeken, met * geteekend, kosten 60 Cents ingenaaid en 90 Cents gebonden.

Overzicht aangebrachte correcties

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:

PlaatsBronCorrectie
Blz. 3anaan
Blz. 6antwoordeantwoordde
Blz. 8[Niet in Bron.]
Blz. 14[Niet in Bron.]
Blz. 16handscboenenhandschoenen
Blz. 17[Niet in Bron.]
Blz. 23lnin
Blz. 30[Niet in Bron.],
Blz. 32door brachtdoorbracht
Blz. 39[Niet in Bron.],
Blz. 40halelfhalfelf
Blz. 48[Niet in Bron.]
Blz. 59geprekgesprek
Blz. 60frisschheidfrischheid
Blz. 62minachtendendenminachtenden
Blz. 63die stdienst
Blz. 68copscorps
Blz. 68ambasadeambassade
Blz. 72denkeelddenkbeeld
Blz. 77verrastteverraste
Blz. 86zal zalzal
Blz. 87[Niet in Bron.]
Blz. 93verhinderderdeverhinderde
Blz. 94[Niet in Bron.]
Blz. 96[Niet in Bron.].
Blz. 98CristienChristien
Blz. 101[Niet in Bron.].
Blz. 101[Niet in Bron.].
Blz. 102bovenvendiepingbovenverdieping
Blz. 106vrienlijkevriendelijke
Blz. 107[Niet in Bron.].
Blz. 107[Niet in Bron.]
Blz. 114[Niet in Bron.].
Blz. 117AndreAndré
Blz. 120[Niet in Bron.].
Blz. 123meestermaaktmeester maakt
Blz. 125[Niet in Bron.].
Blz. 126misschenmisschien
Blz. 127vletvlakkenvetvlakken
Blz. 138dledie
Blz. 141de dede
Blz. 142in dein
Blz. 143deparementdepartement
Blz. 144[Niet in Bron.].
Blz. 144.,
Blz. 145iederiederen
Blz. 146[Niet in Bron.]'
Blz. 149machtigsstemachtigste
Blz. 150,[Verwijderd.]
Blz. 150[Verwijderd.]
Blz. 152MolièresMolière's
Blz. 154grafeijkegrafelijke
Blz. 156[Verwijderd.]
Blz. 156,[Verwijderd.]
Blz. 158[Niet in Bron.]
Blz. 158metmit
Blz. 159,[Verwijderd.]
Blz. 160harsttochthartstocht
Blz. 163deDe
Blz. 164onbeschrijfljkenonbeschrijflijken
Blz. 164scharenstaren
Blz. 164[Niet in Bron.].
Blz. 165tegenworpentegengeworpen
Blz. 171Adré'sAndré's
Blz. 174[Niet in Bron.]
Blz. 176[Niet in Bron.]
Blz. 177[Niet in Bron.]
Blz. 178AndrèAndré
Blz. 179[Niet in Bron.]
Blz. 180opineopinie
Blz. 193[Niet in Bron.].
Blz. 197[Verwijderd.]
Blz. 200[Niet in Bron.]
Blz. 205raadselaehtigeraadselachtige
Blz. 207achteachtte
Blz. 207LotjeLetje
Blz. 215[Niet in Bron.].
Blz. 215kalfborstkalfsborst
Blz. ix[Niet in Bron.].