The Project Gutenberg eBook of Het bergland van den Roewenzori

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het bergland van den Roewenzori

Author: duca degli Abruzzi Luigi Amedeo di Savoia

Release date: December 29, 2008 [eBook #27657]
Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET BERGLAND VAN DEN ROEWENZORI ***



[281]

Het bergland van den Roewenzori.

Uit het reisverhaal van Z. K. H. den Hertog der Abruzzen.

Den 24sten Mei 1888 wierp Henry M. Stanley, toen hij op zijn langste en avontuurlijkste Afrikareis de smalle oeverstrook aan den westelijken oever van het Albertmeer bereisde, tusschen Nsabe en Badsua voor de eerste maal een blik op de met sneeuw bedekte toppen van den Roewenzori.

Van Entebbe naar Fort Portal den met papyrusstengels overdekte moerasvlakten.

Van Entebbe naar Fort Portal den met papyrusstengels overdekte moerasvlakten.

“Toen wij”, vertelt hij, “ongeveer acht kilometer van het kamp bij Nsabe verwijderd waren en ik, naar het Zuidoosten kijkend, over de gebeurtenissen van de laatste maand nadacht, wees mijn bediende mij op een zonderling gevormde wolk, die een wonderheerlijke zilverachtige kleur had en geleek op een reusachtigen, met sneeuw bedekten berg. De omtrekken met de oogen volgend, verraste mij de donkere, blauwzwarte kleur van den voet, en ik bedacht in stilte, of de wolk ook de voorbode kon wezen van een nieuwen wervelstorm; maar toen ik zag, dat ze reikte tot aan de opening tusschen het oostelijke en het westelijke plateau, kreeg ik de overtuiging, dat ik niet voor oogen had iets, dat op een grooten berg geleek, maar een heuschen, solieden bergtop, waarvan de hoogste gedeelten met sneeuw waren bedekt.”

Roewenzori is de naam, dien Stanley uit de vele aanduidingen van de in den omtrek van den berg wonende inboorlingen koos, omdat het hem voorkwam dat hij dien naam het vaakste hoorde.

Geen van de ontdekkingsreizigers, die in de voorafgaande twintig jaren die streken bezochten en die de wateren van de aan den voet van het gebergte gelegen meren hadden bevaren, had er de nabijheid van massa’s eeuwige sneeuw en ijs vermoed, die steeds aan het oog onttrokken werden door een ondoordringbaren sluier van wolken en nevels.

Sir Samuel Baker had in het jaar 1864 aan de bergcomplexen, die hij door den mist in de vlakte flauw kon onderscheiden, den naam van Blauwe Bergen gegeven, zonder over de beteekenis van het bergland een nader onderzoek in te stellen.

Reeds in December 1875 had Stanley zijn kamp op de oostelijke hellingen van de bergketen opgeslagen en had de inboorlingen niet willen gelooven, toen ze hem verhalen deden over de schitterend witte kleur en de verbazend koude lucht van die onzichtbare hoogten.

Sir Harry Johnston gewaagt van enkele particuliere [282]brieven, die Romolo Gessi in het jaar 1876 had geschreven, toen hij de eerste volledige opneming deed van de oevers van het Albertmeer. Daar is sprake van een zonderling verschijnsel, dat Gessi aan de lucht had bemerkt en dat het aanzien had van met sneeuw bedekte bergen. Misschien meende hij, dat hij aan een hallucinatie had geleden, want zeker is het, dat de eer der ontdekking van den Roewenzori noch hem, noch Emin Pacha of Mason toekomt, die later ook aan het meer reisden.

Stanley maakt terecht de opmerking, dat de uit de rondom de bergen gelegen moerassige vlakten opstijgende dampen ook op heldere dagen de atmosfeer volkomen ondoorschijnend maken en de bergketen onzichtbaar moesten houden. Soms verdrijft een windstoot de nevels en dan aanschouwt het oog als met een tooverslag verre landschappen, die binnenkort opnieuw verdwijnen en den toeschouwer in twijfel en onzekerheid laten.

Met de ontdekking van die geweldige massa van met sneeuw bedekte bergen, die hun watervoorraad in de meren afvoeren, waaruit de Nijl zijn water krijgt, kon het onderzoek naar de bronnen van den belangwekkenden stroom, dat al op zichzelf een zoo groot deel uitmaakt van de geschiedenis der ontdekkingen op aardrijkskundig gebied, als voltooid worden beschouwd.

Na twee duizend vierhonderd jaren kreeg de uitdrukking van Aeschylos van “het door sneeuw gevoede Egypte” haar letterlijke verklaring; het geheim van den “zilverberg”, de Nijlbron van Aristoteles, was onthuld. Hoe zonderling toch die gang van het menschelijk inzicht!

De overlevering, dat de Nijl uit groote, door met sneeuw bedekte bergen gevoede meren ontsprong, was door alle tijden heen bewaard gebleven en had zich hardnekkig gehandhaafd. We vinden haar in de beschrijving van het Maangebergte terug, die Ptolemaeus uit de geschriften van Marinus van Tirus overnam en verbeterde; dan in de geschriften en op de kaarten der arabische geografen uit de Middeleeuwen; in de beschrijvingen van europeesche compilators, als den prior van Neuville-les-Dames en Alfonse de Saintorge, en hoewel er niemand was, die hun daadwerkelijk bestaan kon bevestigen, verdwenen toch de bergen en de meren tot aan het begin der negentiende eeuw nooit geheel van de aardrijkskundige kaarten; verschenen ze er, dan was het echter met onzekere omtrekken en met onbepaalde ligging.

Zeer levendig was het geloof aan de aanwezigheid van sneeuwbergen aan de bronnen van den Nijl gebleven bij de bewoners van Afrika’s oostkust, en mogelijk werd dat geloof van tijd tot tijd gevoed door berichten, verspreid door karavanen, die ivoor en slaven uit het binnenland brachten. Burton, Speke en Baker hadden Arabieren en inwoners van Zanzibar er steeds weer over hooren praten.

De ontdekking van den Kenia en den Kilimandscharo, waarvan de eer aan de duitsche zendelingen Krapf en Rebmann toekomt, (1848 en 1849) scheen de vraag te hebben beslist; maar deze bergen staan noch met de meren, noch met den Nijl in eenig verband. In het jaar 1861 meende Speke het Maangebergte te hebben teruggevonden in de vulkanische keten, die tusschen het Kiwoe- en het Albert-Eduardmeer ligt, en wel in den hoogsten van de vulkanische kegels, den Nfumbiro; maar geen van die toppen is met sneeuw bedekt.

Veel deugdelijker gronden had Stanley voor de bewering, in den Roewenzori eindelijk het Maangebergte van Ptolemaeus te hebben gevonden. Inderdaad komt op alle punten alleen de Roewenzori overeen met de beschrijvingen der oude aardrijkskundigen. Het bergland toch vormt een met eeuwige sneeuw en gletschers bedekte bergketen, die met al haar hellingen tot het Nijlgebied behoort, en het maakt in de tropische streek, waar het zich verheft, zulk een overweldigenden en onverwachten indruk, dat het de verbeeldingskracht van al diegenen, die het voor de eerste maal zagen, sterker moet hebben getroffen dan eenige andere landschapsvorm, en dat het in het geheugen moet zijn gebleven, zonder dat eenig reisavontuur het eruit kon verdrijven.

Toch waren er velen, die Stanley tegenspraken, en onder hen verscheiden aardrijkskundigen van naam; maar al diegenen, die de bergketen van den Roewenzori na Stanley bereisden en onderzochten, Stuhlmann, Scott Elliot, Moore, Johnston e. a., hebben Stanley’s verklaring van den tekst van Ptolemaeus aangenomen. En werkelijk, als men niet wil aannemen, dat de oude geografen berichten hebben gekregen van den waren staat van zaken, zou men hen voor zieners en profeten moeten houden.

Hoe het ook zij, de sage van het Maangebergte heeft haar rol uitgespeeld, en voor den Roewenzori bestaat, nadat hij eenmaal zijn vaste plaats op de kaarten heeft gekregen en thans in alle bijzonderheden van zijn opbouw nauwkeurig is onderzocht en naar alle richtingen opgemeten is, geen gevaar meer, dat hij ooit uit het geheugen der menschen zou kunnen verdwijnen!

Om tot de historie der ontdekking terug te keeren: nadat Stanley in 1888 gedwongen was, op den vroeger afgelegden weg door de onmetelijke oerwouden van het Congogebied terug te gaan, om zich met zijn achterhoede weer te vereenigen, kwam hij eerst in het volgend jaar, 1889, weer in de buurt van den Roewenzori.

Toen bereisde hij de geheele westelijke helling, koos den weg tusschen het gebergte en het Albert-Eduardmeer, wendde zich daarna naar het Oosten en bleef meer dan drie maanden, van April tot Juni, in de omgeving van de bergketen, waarvan hij de vergletscherde toppen herhaaldelijk kon waarnemen.

Bezield door den wensch, den vorm en de rangschikking der verschillende toppen beter te leeren kennen, gaf hij aan luitenant W. G. Stairs de opdracht, een ontdekkingsreis er heen te ondernemen.

Stairs brak in de eerste dagen van Juni 1889 op van het kamp Bakokoro, dat 1176 meter boven de zee was gelegen, en trok twee dagen lang door een der noordwestelijke dalen van het gebergte, terwijl hij op zijn marsch twee toppen van karakteristieken kegelvorm als doel in het oog hield, die in de verte zichtbaar waren in het uiterste Noordwesten van de bergketen. Hij kwam tot de hoogte van 3254 meter, ongeveer 500 meter beneden den rotskegel en kon van daar een met sneeuw bedekten top onderscheiden, [283]dien hij schatte op 5060 meter hoogte, maar die niet het hoogste punt vormde.

Daar Stairs niet genoeg levensmiddelen had, om verscheiden dagen in het bergland te blijven, moest hij het verdere onderzoek opgeven en naar het dal terugkeeren. Uit den vorm der bergen meende hij het besluit te mogen trekken, dat ze van vulkanischen oorsprong waren.

In December 1889 voltooide Stanley gelukkig zijn gevaarvolle reis en kwam met Emin Pacha en zijn begeleiders behouden in Zanzibar aan. Weinige maanden daarna brak Emin Pacha aan de spits van een duitsche expeditie weer op, om naar de aequatoriale meren terug te keeren, en in het begin van 1891 bevond hij zich opnieuw op de westelijke helling van den Roewenzori, waar hij zijn kamp in Karevia aan de Isango, een zuidelijken arm van de Semliki opsloeg.

Van dit kamp uit, 1330 meter boven den zeespiegel, ondernam Dr. F. Stuhlmann, een der deelnemers aan de expeditie, een uitstapje van vijf dagen bergop door het Butagudal, een van de grootere dalen, die in het Westen van het gebergte afdalen. Hij kwam tot 4063 meter, waar hij op geringen afstand van de sneeuwgrens stil hield in het gezicht van twee met sneeuw bedekte bergen. De beperkte transportmiddelen, alsook de ziekten van de inboorlingen ten gevolge van de koude, noodzaakten hem tot den terugkeer.

Als uitstekend natuuronderzoeker, ontdekkingsreiziger van den eersten rang en zorgvuldig waarnemer, gaf Stuhlmann voor de eerste maal een nauwkeurige beschrijving van de opeenvolging der verschillende stadia van den plantengroei op de verschillende hoogten en toonde met overtuigende duidelijkheid aan, dat de Roewenzori geen enkelvoudige berg, maar een echte bergketen was. Hij onderscheidde er vier hoofdgroepen in, waaraan hij in de volgorde van het Noorden naar het Zuiden de namen Kraepelin, Möbius, Semper en Weismann gaf. Möbius was de hoogste top, door de inboorlingen Kanjangungwe genoemd, en de Semper heette bij de inboorlingen Ngenwimpi. Hij kon twee ervan van het hooggelegen Butagudal uit fotografeeren. Hij merkte ook op, dat de keten inderdaad niet van vulkanischen oorsprong was. Maar het was hem nog niet recht duidelijk, of er op de bergen werkelijke gletschers lagen of dat het slechts opeengehoopte sneeuwmassa’s waren.

Op Stuhlmann volgde in het onderzoek van den Roewenzori in de jaren 1894 en 1895 de natuuronderzoeker G. F. Scott Elliot. Hij drong vijfmaal langs verschillende wegen naar de hooge toppen een eindweegs voort, door het Yeriadal, het Wimidal, het Moboekoe- en het Nyamwambadal op de oostelijke helling en door het Butagudal op den westkant.

Scott Elliot, die aan malaria leed en geen voldoende transportmiddelen bezat, had een bewijs van bewonderenswaardige wilskracht gegeven, doch kon omtrent de met sneeuw bedekte hooge punten geen opheldering geven. De interessantste waarneming, die hij deed, betrof de sporen van oude gletschers in de dalen Moboekoe, Nyamwamba en Butagu, die bewijzen, dat de genoemde dalen eenmaal door groote gletschers waren ingenomen. Ook hij kwam tot de slotsom, dat een vulkanische oorsprong van de dalen geheel was uitgesloten. De belangrijkste resultaten van den tocht van Scott Elliot lagen op botanisch gebied.

Na Scott Elliot nam vijf jaren lang niemand notitie van den Roewenzori, ofschoon op de periode van wetenschappelijk onderzoek in Oeganda een van inbezitneming was gevolgd. De groote moeilijkheden en de noodzakelijkheid, zich uit allerlei verwikkelingen te redden, die de kolonie vóór zich had, namen al den tijd van de engelsche overheid in beslag. Men moest koningen afzetten en opstanden bedwingen met karige hulpmiddelen, die eerst na maandenlange reizen van de verre kust konden worden aangevoerd.

Zoo komen we aan het jaar 1900. In dat jaar verscheen C. S. Moore aan het hoofd van een wetenschappelijke expeditie, die tot taak had, de fauna van de groote meren te bestudeeren, aan de oostelijke hellingen van den Roewenzori met het doel, een bestijging te beproeven.

Moore had zich voorgenomen, den weg door het Nyamwambadal in, te slaan, maar kon het niet bereiken, daar de door den regen gezwollen en ondoorwaadbare rivier het voortmarscheeren verhinderde. Nu herinnerde zich Moore, dat in het jaar 1894 kapitein, nu generaal, Sir Frederick Lugard het dal van de Moboekoe tegenover Scott Elliot als het beste had aangeduid, om de terreinen van de eeuwige sneeuw te bereiken, en hij beproefde langs dien weg omhoog te gaan. Met slechts een klein aantal Soeaheli’s als dragers, bij wie zich enkele inboorlingen uit het dal aansloten, kon hij het doortrekken tot de hoogte, ofschoon het slechte weder hem een beletsel was. Hier ontdekte hij voor de eerste maal de gletschers, die het boveneind bezetten, en het gelukte hem, over een van de ijsvelden tot den eigenlijken kam op 4541 meter boven den zeespiegel door te dringen.

Moore leverde het eerste onwederlegbare bewijs van het voorhanden zijn van echte gletschers op den Roewenzori en bevestigde de juistheid van Stuhlmann’s beschrijving van het gebergte, daar hij ook van het Oosten af de verdeeling der toppen in vier hoofdgroepen herkende.

Ongeveer drie weken later bezocht Fergusson, een reisgezel van Moore, die door koorts aangetast, gedurende den tocht der overige expeditieleden in Fort Gerry was achtergebleven, ook het Moboekoedal en vorderde op den gletscher tot 4450 meter hoogte.

Ook een civiel ambtenaar uit het Torodistrict, de heer Bagga, die reeds een reis in het Nyamwambadal tot aan de bamboe-zône had gemaakt, bracht kort na Fergusson een bezoek aan het Moboekoedal en drong tot den gletscher door. Hem komt de verdienste toe, de inboorlingen tot het aanleggen van een ruw, in het dal omhoog voerend pad te hebben overgehaald, een weg, die later diensten heeft bewezen aan alle volgende onderzoekers.

De betrekkelijke gemakkelijkheid, waarmee deze kleine expedities de gletschers hadden bereikt, en de overweging, dat rondom het bovengedeelte van het Moboekoedal de hoofdgroepen van de keten verdeeld waren, gaven Sir Harry Johnston, den High Commissioner van de kolonie, aanleiding, bij een onderzoekingstocht, dien hij in September van hetzelfde jaar met de heeren Doggett en Vale ondernam, denzelfden weg in te slaan. Ook zij bereikten den [284]gletscher en vorderden er op tot een hoogte van 4520 meter, maar konden niet tot den kam doordringen.

Johnston wilde aan de toppen andere namen geven, namelijk die, welke de inboorlingen der streek gebruikten en die natuurlijk verschilden van de door Stuhlmann gegevene. Zoo werd de Semper tot Kiyanja, en een andere van het Moboekoedal zichtbare top werd Duwoni genoemd. Johnston kon eenige goede photografieën van het dal, van den Moboekoegletscher en van eenige toppen opnemen en leverde ons een uitvoerige beschrijving van de planten- en dierenwereld van het gebergte. Evenals Scott Elliot bespeurde hij in het dal sporen van gletscherwerkzaamheid ongeveer duizend meter beneden het punt, waar tegenwoordig de gletscher eindigt. Ook hij had als al zijn voorgangers te klagen over den buitengewoon langen duur van het slechte weer.

Dus was alleen in het jaar 1900 het Moboekoedal door vier verschillende expedities bezocht.

In Augustus van het volgend jaar werd het dal door W. H. Wylde en Ward bereisd, die tot den kam op het hoogste deel van den gletscher schijnen te zijn gekomen, tot dezelfde hoogte, die Moore bereikt had, ongeveer 4550 meter. Daarna krijgen we twee jaren lang van het Moboekoedal geen berichten meer, tot het tochtje van den Reverend A. B. Fisher en zijn echtgenoote, die in Januari 1903 het punt bereikten, tot waar Sir Harry Johnston was doorgedrongen.

Markt te Entebbe.

Markt te Entebbe.

Het aardrijkskundig tijdschrift “Globus” gaf in het jaar 1904 een kort bericht over een bestijging van den Roewenzori, door Dr. J. J. David, in April ondernomen en waarbij deze de hoogte van 5000 meter zou hebben gehaald. Twee jaren later gaf het “Bollettino” van het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap een artikel van Revelli, naar aanleiding van de reisdagboeken van David geschreven.

David had zich tot het Butagudal in het Westen van de bergketen gewend, dat sinds Scott Elliot door niemand meer was opgezocht. Hij ondernam de bestijging door een zijdal en bereikte in zeven dagen de gletschers en daarover heen een vergletscherden pas, eigenlijk een zadel. Daarop verhief zich een ongeveer vijftig meter hooge, rotsachtige top, van gneis, van waar uit David de aan den anderen kant naar Oeganda gaande dalen kon overzien. Het klaarblijkelijk gevaar, dat hij liep, als hij zich alleen verder op den gletscher waagde, belette hem verder te gaan. De hoogte van het zadel, 5000 meter, tot waar hij was gekomen, schijnt door hoekmeting te zijn bepaald. Het ontbreken van nauwkeuriger opgaven en van een ook maar eenigszins uitvoerige beschrijving van den ingeslagen weg vergunt ons niet, vast te stellen welke berg bestegen werd. Misschien zou David zijn bestijging op een der photografieën, die Stuhlmann van het hooge dal Butagu heeft genomen en in zijn boek weergegeven heeft, met voldoende duidelijkheid kunnen aangeven.

Als bloot vermoeden zij gewezen op de mogelijkheid, dat David de inzinking tusschen den Helena- en den Savoyetop van den Stanleyberg, ongeveer 2800 meter boven het niveau der zee, bereikt heeft, waar men een zoowat vijftig meter hooge rotspunt vindt.

Hutten van inboorlingen te Entebbe.

Hutten van inboorlingen te Entebbe.

In hetzelfde jaar 1904 ondernam M. T. Dawe een [285]belangrijke plantkundige excursie naar het Moboekoedal, zonder daarbij plannen te hebben van bergbestijgingen.

In den tusschentijd was de spoorweg tusschen Mombasa aan de kust van den Indischen Oceaan en Fort Florence aan den oostelijken oever van het Victoriameer geopend. Port Florence was reeds met Entebbe, de hoofdstad van Oeganda, door een geregelden stoombootdienst verbonden. Zoo was het mogelijk geworden, in het hart van het afrikaansche vasteland zonder eenig ongerief door te dringen tegen geringe kosten en met enorme besparing van tijd. In het geheele land heerschten rust en veiligheid.

Na de poging tot een bestijging van David maakte tot het eind van 1905 niemand gebruik van die gunstige omstandigheid; maar toen scheen opeens de belangstelling in het onderzoek van den Roewenzori weer te ontwaken.

Toen ik het plan tot een expeditie overwoog en in het begin van 1906 begonnen was met de eerste stappen tot de uitvoering van mijn voornemen, door het materiaal samen te brengen, moest het geheimzinnige gebergte herhaalde aanvallen van beproefde bergbeklimmers zich laten welgevallen, allen van ijver brandend, om den sluier op te lichten, die het geheim ginds eeuwen verborg.

Waterval bij Boeamba in het Moboekoe-dal.

Waterval bij Boeamba in het Moboekoe-dal.

In November 1905 verscheen voor de eerste maal in de historie van den Roewenzori een echte karavaan van Alpinisten in het Moboekoedal; ze bestond uit de heeren Douglas, W. Freshfield en A. L. Mumm met den gids Moritz Inderbinnen uit Zermatt. Ze kwamen aan in het allerongunstigste jaargetijde. Na lang wachten aan het boveneind van het dal werden ze door den onophoudelijken regen genoodzaakt, van hun voornemen af te zien. Ze hadden een enkel uitstapje kunnen maken, waarbij Mumm tot den gletscher was opgeklommen, zonder echter tot den kam te hebben kunnen vorderen.

In Januari 1906 keerde Reverend Fisher met zijn onverschrokken echtgenoote terug, om voor de tweede maal den Moboekoegletscher te bestijgen; buitendien kwam R. Grauer, een oostenrijksch bergbeklimmer, vergezeld van twee engelsche zendelingen, H. E. Maddox en Rev. H. W. Tegart, die reeds in het jaar te voren op den Moboekoegletscher tot 4267 meter hoogte waren doorgedrongen, opnieuw op den het dal begrenzenden hoogen kam, die sedert 1901 nog niet weer was bestegen. Hij beklom daarbij een rots, die zich in een inzinking van den kam ter hoogte van [286]4572 meter boven de zee verheft en waaraan hij den naam van koning Eduard gaf.

Ten slotte was in October 1905 een door het Britsch Museum uitgeruste expeditie met het doel de fauna en de flora van den Roewenzori te onderzoeken, onder leiding van A. B. Woosnam van Londen vertrokken. Deelnemers waren G. Legge, R. C. Dent, M. Carruthers en de Alpinist Dr. A. F. R. Wollaston. De expeditie hield zich langen tijd in het Moboekoedal op, om studiemateriaal te verzamelen; in den tusschentijd werden excursies naar de gletschers in het bovengedeelte van het dal ondernomen.

Eerst bereikte Woosnam alleen de hoogte; daarna kwam ook een klein gezelschap, waartoe Wollaston, Woosnam en Dent behoorden, in Februari 1906 bij de rotspunten op den kam, tot waar Grauer, Maddox en Tegart in Januari waren doorgedrongen.

Weinige dagen later ondernamen Wollaston en Woosnam de bestijging van een top, die zich aan den westelijken wand van het dal verheft, den Kiyanja van Johnston; wegens den dichten nevel moesten ze op een rotspunt van den kam ter hoogte van 4915 meter stilhouden, niet ver onder den werkelijken top.

Den 1sten April klommen de beide eerstgenoemden, bij wie zich Carruthers aansloot, over de rotsen naast den Moboekoegletscher onder aanhoudend slecht weer omhoog en bereikten een 4844 meter hoogen top, die in het Noordoosten zich boven het dal verheft en dien ze hielden voor Johnston’s Duwoni.

Ten slotte keerden de drie na twee dagen naar de rots van den Kiyanja terug en stelden, op grond van een hoogtemeting door middel van het kookpunt, vast, dat de hoogte veel aanzienlijker, namelijk 4922 meter was.

Het aanhoudende slechte weder, dat hen op al deze excursies vervolgde, vergunde hun niet meer dan een vage veronderstelling, dat zich in het Noordwesten nog andere toppen van de keten verhieven, die hooger schenen dan de door hen beklommen toppen.

Vóór mijn vertrek waren uit Oeganda slechts onbepaalde en onnauwkeurige berichten over deze bestijgingen naar Europa doorgedrongen, en er was nog geen precies, onmiddellijk bericht van de medeleden der expeditie van het Britsch Museum aangekomen.

Ten behoeve van een duidelijk overzicht heb ik de onderzoekingsreizen naar den Roewenzori, die aan de mijne voorafgingen, alle vermeld; er kan nog wel de een of andere tocht door engelsche ambtenaren zijn ondernomen, maar ik heb er geen mededeelingen over kunnen vinden.

Geen van mijn voorgangers was in staat geweest, de bergketen inderdaad te onderzoeken, dat is, het was niemand gelukt, de vorming, het verloop der waterscheidingen, de wijze van groepeering en de hoogteverhoudingen der toppen onder elkaar, hun betrekkingen tot de dalen, de uitgebreidheid en rangschikking der gletschers vast te stellen en te beschrijven.

De bekwaamsten hadden waargenomen, dat de sneeuwbergen in vier verschillende groepen gerangschikt zijn; men wist echter niet, of deze door hooge kammen verbonden waren of dat ze door diepe dalen waren gescheiden.

Bij gebrek aan een stelselmatig onderzoek was het onmogelijk, de beschrijvingen der van verschillende punten uit aanschouwde bergen met elkander in verbinding te brengen; de verwarring ten gevolge van de massa der aan de bergen gegeven namen moest een vergelijkende samenstelling der verschillende waarnemingen nog meer bemoeilijken. Voor het overige was het slechts aan zeer weinigen, en dan nog zeer zelden, vergund geweest, op grooten afstand een blik op het geheele bergstelsel te kunnen werpen.

In deze omstandigheden moesten de meeningen der reizigers over de hoogte der belangrijkste toppen, over de uitgestrektheid der gletschers en over den algemeenen aard van het bergmassief wel ver uiteenloopen en alle beslistheid missen, omdat ze de uitkomst waren van een meestal vluchtigen aanblik van verre bergen, die voor het meerendeel door ervoor liggende hoogten aan hun voet verborgen waren, ofwel steunden op de bekendheid met een enkel dal en de toppen daar in de buurt.

Zoo wisselde de schatting der hoogte van de bergen tusschen 5000 en 6000 meter. Het eenige betrouwbare resultaat was, dat, door de hoekmetingen, ten opzichte van den schijnbaar hoogsten top verkregen, welke metingen luitenant Behrens, een lid der met de vaststelling van de grens tusschen de engelsche en duitsche koloniën in Oost-Afrika belaste commissie, van vele ten zuidoosten van den bedoelden top gelegen punten had uitgevoerd. De berekening op grond van deze waarnemingen, gaf tot uitkomst een hoogte van 5107 meter. Maar toch was het, zooals de overste C. Delmé Radcliffe, de leider der expeditie, aanvoert, niet uitgesloten, dat zich verder naar het Noorden nog hoogere toppen bevonden, die van de waarnemingsplaats uit niet zichtbaar waren.

De keten van den Roewenzori, zonder twijfel de belangrijkste groep van bergen en gletschers uit Afrika, en het eenige der met de Nijlbronnen samenhangende raadselachtige vraagstukken, dat nog niet was opgelost, beloofde een vruchtbaar ontdekkingsgebied te worden. Des te meer waren de duidelijke bezwaren van de onderneming en de onbekendheid van de hindernissen, die de oplossing van het vraagstuk in den weg konden treden, geschikt, mij aan te sporen en in spanning te houden.

Het grootste bezwaar, waartegen bijna al mijn voorgangers bij het onderzoek van den Roewenzori hadden moeten strijden, was het aanhoudend slechte weer, de bijna onophoudelijke regen en in de korte tusschenpoozen van droogte de dichte, alles omhullende nevel geweest.

De keuze van het minst ongunstige jaargetijde was dus buitengewoon belangrijk. Maar het leek bij het lezen der berichten over de voorafgegane pogingen, die in alle jaargetijden, bijna zelfs in alle maanden ondernomen waren, alsof er in de bergen bestendig regentijd heerschte, zonder eenige afbreking door mooi weder.

Inderdaad wordt de groote bergketen, die geïsoleerd tusschen de wijde, moerassige vlakten van Oeganda en de onmetelijke oerwouden van het Kongogebied verrijst, tot middelpunt van aantrekking voor de door de tropische zon voortgebrachte dampmassa’s, die zich tegen de verijsde toppen tot een ondoordringbaren sluier van nevels en wolken verdichten. Daardoor kwam het, dat reizigers zich veel maanden in de [287]nabijheid van de keten konden ophouden, zonder ooit de toppen der bergen in het gezicht te krijgen of meer dan zeer vluchtige en korte beelden op te vangen.

Het schijnt wel, als hadden alleen Stairs en Stuhlmann in Juni en David in April iets betere klimaatsvoorwaarden aangetroffen. Maar Wollaston trof het juist in April ellendig. Stanley geeft aan, dat hij in Mei vaak en bijna dagelijks de met sneeuw bedekte bergen door nevelen omhuld had gezien. Sir Harry Johnston bericht, dat naar de meening der plaatselijke autoriteiten November en December de beste maanden waren; daarentegen had Freshfield in dat jaargetijde te lijden onder afschuwelijk weer.

De door de zendelingen in de provincie Toro aan den voet der bergen ingewonnen berichten en het bericht van Sir William Garstin over het bovenbekken van den Nijl, Kaïro 1904, schenen daarin overeen te stemmen, dat de regen minder viel in Januari en Februari, en ook in Juni en Juli, ofschoon in het gebergte ook in die maanden de atmosfeer niet helder werd. Toch waren de ervaringen van mijn voorgangers met deze opgaven slecht in overeenstemming te brengen; maar bij gebrek aan elk ander aanknoopingspunt was het beter, zich er toch naar te richten. Ik besloot dus, Italië in het voorjaar te verlaten en mij begin Juni ter plaatse te bevinden.

De voorbereidingen tot de reis werden getroffen in de eerste maanden van het jaar 1906, en wel op een wijze, die maakte, dat de expeditie zoo goed mogelijk toegerust was voor de buitengewone omstandigheden, waaronder het onderzoek moest plaats hebben in een bijna totaal onbekend gebergte en in een landstreek met zoo eigenaardige verhoudingen, in het hart van een werelddeel, waarin nog zooveel te ontdekken was.

Het voornaamste werk der expeditie was natuurlijk een aardrijkskundig, want men moest de topografie van de bergketen vaststellen en de hoogten der bergen meten. Daarbij voegden zich onderzoekingen over geophysica, meteorologie en magnetisme.

Verder was het noodig, met behulp der photografie overvloedige afbeeldingen uit de bereisde gebieden te erlangen. Even belangrijk waren geologische en ijsstudiën, onderzoek van gesteenten en mineralen, dieren en planten. Op grond van dit alles verzocht ik mijn trouwen medewerker, met wien ik zooveel moeiten en gevaren en zoo groote verantwoordelijkheid had gedeeld, kapitein Umberto Cagni, zich bij het reisgezelschap aan te sluiten. Deze en de luitenant ter zee Edward Winspeare als ordonnans zouden mij bij het geografisch en geophysisch werk bijstaan. De photografie werd aan Vittorio Sella toebedeeld, een man, wiens roem als alpinist en photograaf geen verdere verklaring behoeft; de zorg voor de gezondheid was opgedragen aan den officier van gezondheid Achille Cavalli Molinelli, die tijdens mijn Noordpoolexpeditie in 1906 de tweede groep der vooruitgezonden onderzoekers naar Frans-Jozefsland en van daar terug had geleid. Cavalli Molinelli zou ook doctor Alessandro Roccati, die speciaal met het geologisch onderzoek belast was, helpen bij het verzamelen van botanisch en zoölogisch materiaal.

Over de noodzakelijkheid, om bij een onderneming, die in hoofdzaak uit bergbestijgingen zou bestaan, berggidsen uit de Alpen mee te nemen, behoeft niet te worden uitgeweid. Ook hadden we eraan te denken, dat de expeditie waarschijnlijk langen tijd boven de sneeuwgrens zou moeten werken. Dus moest men zich van alles voorzien wat noodig was bij het leven op het ijs, ongeveer als op mijn expeditie in Aljaska. Daarvoor moesten europeesche dragers worden meegenomen, daar men boven den voet der gletschers op de diensten van de inboorlingen niet kon rekenen.

Dus werden bij de leden gevoegd de gletschergids, Giuseppe Petigax, die zich in de Alpen, in Aljaska en op de Noordpoolexpeditie als mijn kloeke en toegewijde begeleider had onderscheiden, en Cesare Ollier met de dragers Giuseppe Brocherel en Lorenzo Petigax, die alle vier uit Courmayeur geboortig waren. Dan was er nog Arminio Botto, de hulp van Sella voor de photografie, die in den Kaukasus, in Aljaska en op den Himalaya aan het harde ontdekkersleven gewend was geworden, en ten slotte Igino Igini, ook een trouwe dienaar van mij, die den arctischen winter in de schuilhut aan de Teplitzbaai op Frans-Jozefsland met mij had doorgebracht.

In het begin van April 1906 was alles klaar, en in den avond van den 16den verliet de expeditie, die voltallig aan boord van de poststoomboot “Bürgermeister”, een duitsche boot, was samengekomen, de haven van Napels, om de vaart naar Afrika te beginnen.

De afstand van Napels naar Mombasa in Engelsch Oost-Afrika aan de kust van den Indischen Oceaan bedraagt ongeveer 4100 zeemijlen en wordt in zeventien dagen afgelegd, waarbij een kort oponthoud in Port Saïd, Suez, Aden en Djiboeti komt.

De aanwezigheid van professor Koch onder de passagiers droeg er voor ons allen toe bij, de eentonigheid van den overtocht door gesprekken over aequatoriaal Afrika te verminderen. Koch keerde daarheen terug, om de studie der slaapziekte te vervolgen, dien verschrikkelijken geesel, die in weinige jaren geheele landstreken in de buurt van de groote meren had ontvolkt.

De laatste dagen van de vaart werden overschaduwd door een geval van ziekte, dat luitenant Winspeare overviel; het was waarschijnlijk een infectieverschijnsel van de ingewanden met hooge koorts; en daar de kwaal langer aanhield, kregen we weldra de zekerheid, dat Winspeare de expeditie niet door de ongezonde zone tusschen de kust en het gebergte zou kunnen vergezellen, een reis, die vaak noodlottig wordt voor diegenen, die den tocht in volle gezondheid aanvangen.

Mombasa, de beste haven aan de geheele oostkust van Afrika, een waardevolle stapelplaats op den ouden zeeweg naar Indië, eer de landengte van Suez was doorboord, is eeuwen lang een der meest begeerde en vurigst omstreden bezittingen geweest tusschen Arabieren, Portugeezen en Turken, die er afwisselend heer en meester waren. Nadat de portugeesche heerschappij in 1729 voor goed geëindigd was, werd het eiland, waarop de stad is gelegen, een volgende eeuw door Arabieren uit het geslacht Mazrui, onder de nominale opperheerschappij van de imams van Oman geregeerd, tot deze, na overbrenging van hun hoofdstad van Maskate naar Zanzibar, de Mazrui uit [288]Mombasa verdreven en in het jaar 1837 hun eigen heerschappij herstelden.

Na het jaar 1848 volgden duitsche en engelsche ontdekkingsreizen elkander op, en in aansluiting daaraan de koloniale handelmaatschappijen, die aan de kusten nederzettingen stichtten en zich langzamerhand landwaarts in terrein zochten, door steeds meer concessies van den sultan van Zanzibar te erlangen en met inlandsche hoofden verdragen te sluiten. Later drongen anglikaansche en katholieke missies ver in het binnenland door, waar de Mohammedanen hun voorgangers waren geweest. Daaruit ontstonden godsdienstoorlogen, die Oeganda langen tijd teisterden.

In het jaar 1890 stelden Duitschland en Engeland door een verdrag de grenzen van hun wederzijdsche belangensferen vast; drie jaren later maakte de engelsche regeering op de kolonie voor zich aanspraak en breidde daarna haar bezit spoedig tot aan de grenzen van den Kongostaat uit.

Op den morgen van den 4den Mei 1906 werd de arme, voortdurend aan koorts lijdende Winspeare naar het ziekenhuis gebracht, dat op een frissche en gezonde plek in het gezicht van de zee en van het schilderachtige portugeesche fort bekoorlijk is gelegen. De grijze hemel, waaruit een fijne regen neerdruppelde, was in overeenstemming met de treurige stemming, die aller gemoed bij het scheiden van den metgezel vervulde. Nadat zijn toestand zich had verbeterd, verliet luitenant Winspeare Mombasa, om den 12den Mei naar Europa terug te keeren.

Aan den Oegandaspoor.

Aan den Oegandaspoor.

Zooals men weet, is Mombasa thans met het Victoriameer door een spoorweg verbonden, die in noordwestelijke richting bijna evenwijdig loopt met de engelsch-duitsche grens, om het meer bij Port Florence, aan het eind van de Kavirondobaai bijna onder den aequator, te bereiken.

Den 4den Mei, om elf uur in den voormiddag, verliet de italiaansche expeditie Mombasa. Zij werd door den spoorweg door streken gevoerd, die voor nog geen dertig jaar volkomen onbekend waren.

Van de kust van den Indischen Oceaan tot aan het Victoriameer bedraagt de afstand 940 kilometer, die tegenwoordig zonder het minste ongerief in twee dagen worden afgelegd, terwijl men gemakkelijk in de kleine spoorwaggons zit, waarvan de spoorwijdte nauwelijks een meter is. Nog slechts weinige jaren geleden was er, om dat eind af te leggen, een gevaarlijke marsch vol moeilijkheden van drie tot vier maanden noodig, die over onbegaanbare wegen door het gebied van oorlogszuchtige stammen voerde; bovendien was het klimaat hoogst ongunstig, en er moest een talrijke karavaan van dragers worden gehuurd, met alle verwikkelingen, hindernissen en kosten, die daarmee gepaard gaan.

De uitvoering van dit met het oog op de verschrikkelijke bezwaren, welke te overwinnen waren, werkelijk grootsche werk is een der schitterendste bewijzen van de volharding en de wilskracht, die de mensch in een zesjarigen onophoudelijken strijd met de zwaarste moeilijkheden heeft aan den dag gelegd. Onmetelijk lange einden van den weg zijn volkomen waterloos en zonder eenige hulpbronnen; het zijn bijna woestijnen. Verder loopt een groot deel der lijn door bergland, waar ze tot 2347 meter stijgt, om dan tot 1829 meter te dalen, dan weer omhoog te gaan tot 2530 meter en aan de oevers van het Victoriameer opnieuw tot 1128 meter naar beneden te gaan.

De bewoners, naakte wilden zonder industrie of handwerk, niet in staat tot eenigen arbeid, konden geen hulp verleenen. Men moest daarom uit Indië een leger van 20 000 arbeiders en handwerkslieden laten komen, die men had te voeden, te kleeden, onder dak te brengen en van gereedschap te voorzien; elke kleinigheid moest uit Engeland of Indië komen, wat groote omzichtigheid en een ingewikkelde organisatie vereischte als voor een veldtocht. Daarbij komt, dat tengevolge van de ongehoorde terreinmoeilijkheden in een land, waar de tsetsevlieg het gebruik van lastdieren niet vergunt, de voorbereidende werkzaamheden van den spoorwegaanleg het verste einde van het reeds gelegde spoor slechts weinig vooruit konden wezen. Dan de ongezonde streken, epidemieën, gezwellen, die door kwellende parasieten werden veroorzaakt, en ten slotte talrijke op menschenvleesch beluste leeuwen, die veel offers eischten en grooten schrik onder de arbeiders verspreidden.

Het werk werd in 1895 begonnen, nog eer de verovering van Oeganda voltooid was. Toen de werkzaamheden tot de helft waren voltooid, brachten in het jaar 1897 de ernstige muiterij onder de soedansche troepen en de opstand der door de mohammedaansche partij opgestookte koningen van Oeganda en Oenyoro de kolonie in groot gevaar. Maar in het derde jaar na de opening der lijn telde de Oegandaspoorweg reeds tegen 179 000 passagiers! [289]

De Roewenzori op 70 kilometer afstand van af Kaibo gezien.

De Roewenzori op 70 kilometer afstand van af Kaibo gezien.

De trein rijdt tot op de pier van Port Florence aan het Victoriameer, waar de “Winifred”, de stoomboot, ankert. Zij onderhoudt met de tweelingboot “Sybil” de gemeenschap tusschen de havens van het Victoriameer. De handel neemt zoo snel toe, dat in het jaar 1907 een derde stoomboot van stapel liep en een vierde is al in aanbouw.

Alleen overdag wordt er gevaren. Aan den avond van den 6den Mei legde dus de “Winifred” aan den mond van de golf van Kavirondo in het meer bij het eilandje Rusinga aan, om er den nacht door te brengen; ze werd dadelijk door booten van inboorlingen omringd. Dat zijn groote booten van slanken vorm, die in staat zijn, twintig en meer roeiers op te nemen, niet ruw uitgeholde boomstammen, maar zorgvuldig gebouwde, gekielde, planken booten, die door touwen van vezel planten saamgebonden en met vezelstoffen en hars gedicht zijn. Het voorste gedeelte is voorzien van een langen, spits toeloopenden snavel.

Op den morgen van den 7den Mei werd bij het aanbreken van den dag de vaart voortgezet, maar nu niet meer in het troebele water van de golf van Kavirondo, maar in het volkomen heldere, doorzichtige water van het meer zelf, dat in een tusschen blauw en groen gelegen tint heerlijk schittert en kristalhelder is. Enkele uren na het vertrek verliezen wij het land geheel uit het gezicht en men komt volkomen in de illusie, dat men zich op open zee bevindt.

Het Victoriameer wordt inderdaad enkel door het Bovenmeer in Noord-Amerika overtroffen in grootte en heeft zulk een uitgebreidheid, dat men er in de lengte en in de breedte meer dan 300 kilometer kan varen, zonder land te zien. Het gelijkt ook op de zee door de talrijke onverwachte stormen, die golven meebrengen, in hoogte volkomen gelijk aan die van den oceaan.

Eerst in het jaar 1907 is de hydrographische studie van de 3200 mijlen lange kusten voltooid, waaraan de commandant der engelsche marine, H. Whitehouse, zeven jaren ingespannen heeft gewerkt. Maar het midden van het meer is nog voor het grootste deel ondoorzocht en levert de stof voor een groote menigte sagen, die in het land verbreid zijn. Men vertelt van eilanden, die door wilde menscheneters bewoond zijn, van schepen, die door geweldige wervelstroomen verzwolgen zijn, van monsters, die de onbekende diepten bewonen en dergelijke verhalen.

De route van de stoomboot loopt ongeveer langs den evenaar en ligt dwars door het noordelijkste deel van het meer, op vrij grooten afstand van de rij eilanden, die den oever omzoomen en daarlangs een bijna onafgebroken, voor stormen welbeschut kanaal afzonderen, waarin de roeibooten en de kleine zeilscheepjes van de inboorlingen in volle veiligheid kunnen varen.

Het belangrijkste en grootste eiland is Roevoema, een van die, welke den toegang tot de Napoleongolf [290]versperren en de uitvloeiing van den Nijl uit het Victoriameer verbergen; het werd vroeger door een krijgshaftigen stam bewoond, die met behulp van een sterke oorlogsvloot steeds met groote dapperheid zijn onafhankelijkheid tegen de machtige koningen van Oeganda verdedigde.

De slaapziekte heeft de meerderheid der verrukkelijke, vruchtbare eilanden van den archipel in groote kerkhoven veranderd. Nadat geheele landstreken van den Kongostaat door de ziekte waren ontvolkt, tastte ze, de hoofdverkeerswegen volgend, tusschen 1900 en 1902 in Oeganda om zich heen en breidde zich al verder uit. Langzamerhand vertoonde ze zich ook in de streken van Oesoga en Kavirondo. Ze richtte onmetelijke verwoestingen aan en eischte tot 40 000 slachtoffers in een enkel jaar. Daar de ziekte hoofdzakelijk mannen in hun beste jaren wegrukt, zijn er dorpen en eilanden, waar enkel vrouwen en kinderen zijn achtergebleven.

Aan de noord westpunt van het meer legde de “Winifred” op 7 Mei des namiddags in de baai van Entebbe aan, en de italiaansche expeditie was aan het eind van de verkeerswegen der beschaving gekomen, nadat ze in drie weken een afstand van 4750 geographische mijlen had afgelegd.

Bij het aan wal gaan ontving mij de oppercommissaris van het Oegandaprotectoraat, de heer Hesketh Bell, die in October 1907 tot gouverneur benoemd werd en bood mij en commandant Cagni gastvrijheid aan in zijn huis. De overige leden der expeditie werden opgenomen door de ambtenaren, de heeren G. F. M. Ennis en W. M. Carter, alsook door Majoor L. C. E. Wyndham. De gidsen werden in het “Equatoriaal Hotel”, dat door den heer Berti, een Italiaan, wordt gehouden, ondergebracht.

Entebbe of Port Alice, dat nauwelijks vijftien jaren geleden door Sir Gerald Portal werd gesticht, is de politieke en administratieve hoofdstad van het engelsche Oegandaprotectoraat. Dit omvat veel meer dan het vroegere koninkrijk van dien naam, daar er ook de rijken Oenyoro en Ankole toe behooren, die in een krans om het Westen en Zuiden van het eigenlijke Oeganda zijn gelegen, alsook de heele streek ten oosten van het Kiogomeer en om den grooten, uitgedoofden vulkaan Elgon. Verder behooren in het Noorden de uitgestrekte gebieden er toe, die de namen Nijlprovincie en Rudolfprovincie dragen.

De stad ligt op twee heuvels op de uiterste punt van een schiereiland tusschen twee armen van het meer. De straten zijn alle breed en worden aan beide zijden door de huizen van Europeanen omzoomd. Die zijn op de in tropische streken gewone manier gebouwd met daken, die over de breede galerijen naar voren springen en zijn door bloemtuinen omringd. De ligging der stad is betooverend mooi; het onmetelijke meer met zijn overvloed van licht en glans en zijn hier en daar verspreide liefelijke en vriendelijke eilanden ligt vóór ons uitgebreid; maar de netten en het gaaswerk vóór de vensters, de hallen en deuren zijn welsprekende getuigen van de heerschende malaria.

Er is een hotel, een protestantsche en een katholieke kerk, drie ziekenhuizen, verschillende handelshuizen en winkels, die door Goaneezen en Indiërs worden gehouden. Een uitgestrekt terrein langs het meer wordt door den botanischen tuin ingenomen.

Aan het uiterste noordeinde der stad bevindt zich het marktplein, het punt van samenkomst der negers, die altijd in grooten getale in de nabijheid der stad zich ophouden in de hoop, eenig werk te krijgen als gidsen of dragers. De woningen der inboorlingen, ongeveer honderd hutten, liggen, tot een dorpje vereenigd, verder van de stad verwijderd onder prachtige boomen te midden van bananenaanplantingen en maïsvelden.

Onze expeditie hield zich van den 7den tot den 15den Mei in Entebbe op, om de organisatie der karavaan in alle bijzonderheden voor te bereiden. Intusschen werd ongelukkigerwijze de commandant een offer van het ongezonde klimaat, ten minste hij kreeg den 8sten Mei koorts en trots de chinine-inspuitingen hield de koorts aan, en de ziekte werd gecompliceerder door een ontsteking van de ingewanden, zoodat hij na eenige dagen naar het ziekenhuis moest worden overgebracht, dat gezond was gelegen en waar voor het herstel de gunstigste omstandigheden te vinden waren.

Ik verloor daardoor de meest waardevolle hulp op een oogenblik, waarop het werk het moeilijkste en ingewikkeldste was.

De uit de “Winifred” ontscheepte uitrusting van de expeditie was door de dragers op de plaats van het “Equatoriaal Hotel” gebracht en werd nu te midden van een dichten drom nieuwsgierigen, kinderen en volwassenen, uit de kisten gehaald, nadat alle vrachtstukken gecontroleerd en geteld waren. Het gezamenlijk materiaal voor het kamp, tenten, bedden, slaapzakken, stoelen, tafels, badkuipen, keukengereedschap, de hermetisch gesloten kisten met kleeren, het photografiemateriaal, alsook dat voor de zoölogische, botanische en mineralogische onderzoekingen, de jachtwapens met munitie vormden te zamen 114 stukken bagage, elk van 23 kilogram zwaarte, die genummerd en van teekens voorzien moesten worden, om, als ze noodig waren, terstond gevonden te kunnen worden.

De voorraad levensmiddelen was onder aanneming van een verblijf van veertig dagen in het hooggebergte boven de sneeuwgrens en een even langen duur der reis van Entebbe tot de bergen, met de terugreis inbegrepen, berekend. Hij vormde 80 dragerslasten van hetzelfde gewicht als de zoo juist genoemde; elke last bevatte het dagelijks benoodigde voor twaalf personen plus de door dunne plaatjes beschermde blikjes gecondenseerde melk. Het eenige onderscheid tusschen de voor het hooggebergte en die voor de lagere regionen bestemde porties bestond daarin, dat de laatste geen vleesch in bussen bevatten, daar versch vleesch in iedere bewoonde landstreek gemakkelijk te krijgen was.

Dus waren er 194 dragers noodig voor het vervoer van de geheele uitrusting. Rekent men daarbij de karavaanleiders, de persoonsbedienden met hun eigen dragers, de met de zorg voor de paarden en muildieren belaste negers en diegenen, die tijdens den marsch de runderen, geiten, schapen, het levend proviand voor de karavaan, moesten drijven, dan komt men tot een gezamenlijk aantal van over de driehonderd menschen.

De collector of hoogste ambtenaar van het district, J. Martin, een man van groote ervaring in het [291]organiseeren van karavanen en reizen, had het heele personeel door den heer Bulli, die toenmaals beambte van het italiaansche koloniale genootschap was, in de maanden vóór de aankomst van de expeditie laten uitzoeken en voorbereiden. Bulli zou bovendien de expeditie als karavaanleider vergezellen.

Er waren drie paarden en drie muildieren gekocht, om de bezwaren van den marsch eenigszins te verlichten; verder twee riksja’s, kleine, lichte tweewielige wagentjes, die voor één of twee personen ruimte boden en door inboorlingen getrokken of geschoven werden; ze moesten dienen, om zonder inspanning de vlakke einden van den weg af te leggen.

Den 12den Mei was alles voor het vertrek gereed. Maar ik wilde nog drie dagen wachten, daar ik er maar moeilijk toe kon overgaan, Cagni achter te laten. Ik moest echter toch besluiten, zonder hem op te breken; de duur van zijn ziekte liet zich in het geheel niet bepalen, en wilde men nog langer talmen, dan liep men gevaar, dat het gunstige jaargetijde tot onderzoek der bergen onbenut verstreek, om geheel te zwijgen van het gevaar, dat er nog een deelnemer ziek kon worden en daarmee de uitslag van de heele onderneming mislukken kon.

Er bleef dus niets anders over, dan de hoop te koesteren, dat Cagni door de nauwlettende verpleging van den uitstekenden dokter Hodge spoedig herstellen zou en dan te gelegener tijd de expeditie weer kon inhalen. Daarom werd in Entebbe de heele uitrusting achtergelaten, dat Cagni zoo gauw mogelijk zou kunnen opbreken.

Den 14den Mei nam ik met mijn metgezellen afscheid van de gastheeren in Entebbe, die alles hadden gedaan, om het verblijf van een week op de aangenaamste wijze voor ons te laten voorbijgaan. Als vertegenwoordiger der kolonie begeleidde collector Martin de expeditie tot aan de grens van het koninkrijk Oeganda met een geleide van 26 askari’s en 67 dragers.

Op den morgen van den 15den Mei verzamelden zich in den vroegen morgen alle dragers met hun karavaanleiders, de boys en de soldaten op de plaats van het hotel Berti, waar de lasten op rijen geschaard stonden. Intusschen namen wij, Europeanen, afscheid van Cagni met hoopvolle woorden en goede wenschen voor zijn spoedig herstel.

Om half negen gingen de dragers onder een oorverdoovend geschreeuw in een lange rij met de lasten op het hoofd langs de breede, vlakke straat op weg naar Kampala.

De spits der ongeveer vierhonderd personen tellende karavaan was reeds buiten het gezicht, toen ik met de overige deelnemers der expeditie eveneens opbrak.

Op korten afstand van Entebbe voert de weg door majestueuse loofwouden. Deze uitgestrekte landstreek, die een onafgebroken hoogvlakte is tusschen de drie meren, het Victoriameer, het Albert Eduardmeer en het Albertmeer, wordt in alle richtingen door heuvelketens doorsneden, die in het Oosten minder duidelijk zijn te onderscheiden en meer samenhang toonen, maar in het Westen meer afzonderlijk van elkander staan.

De grond is meest rood, van de kleur van dakpannen; de verdeeling van den plantengroei richt zich naar den aard van den bodem. De hoogste gedeelten, de hellingen en de toppen der heuvels zijn begroeid met hoog gras, en slechts hier en daar ziet men een eenzamen boom of een groep van weinige boomen, welker voet omgeven is door onderhout; op den grond van de inzinkingen, waar men stroomend water vindt, gedijen prachtige wouden; waar het water niet afvloeit, zijn uitgestrekte moerassige vlakten geheel met hooge papyrusstruiken bedekt, waaronder een rijke waterflora tiert.

De weg, nu eens een pad, dat als een diepe kloof door de twee of drie meter hooge gele grasstengels heen voert, dan weer een vrij breede route op de vlakke einden, loopt volkomen rechtuit als een romeinsche weg, gaat over heuvels heen of volgt een eind ver de kammen, daalt in de dalen neer en dringt in de wouden binnen of passeert groote moerassige streken, waar hij als dam doorheen leidt. Zulk een dam wordt door de inboorlingen gemaakt, doordat ze aan beide zijden papyrusstruiken en riet afhouwen en dwars over den weg leggen; ze maken op die manier een vaste laag, waar dan zand en losse aarde ter voltooiing van den weg wordt uitgestort. Voor de stevigheid wordt aan den weg vastheid gegeven door palen, die aan den kant diep in het moeras zijn gedreven.

De temperatuur, die des morgens aangenaam is, wordt tegen den middag gloeiend heet en verstikkend, ofschoon in de heetste uren de lucht tengevolge van een meteorologische inrichting, die men niet genoeg kan prijzen, met meer of minder dichte wolken bedekt is, die voldoende zijn om de onbarmhartige zonnestralen tegen te houden. Bijna elken dag en iederen nacht breekt er een hevig onweder los, dat door stormachtige winden, donderslagen en vlammende bliksemstralen en regenbuien vergezeld wordt, maar in den regel slechts kort duurt. Gelukkig had de karavaan niet met de ergste orkanen, met water- en windhoozen te kampen, die op hun weg alles ontwortelen, vernielen en overstroomen en door gevaarlijke electrische ontladingen vergezeld gaan, zooals naar de mededeelingen der schrijvers vaak in Oeganda voorkomen.

Het weder verandert altijd zeer plotseling. Binnen weinige minuten wordt de tot dien tijd heldere hemel zwart als de nacht en begint er akelig dreigend uit te zien; met dezelfde verbazende snelheid verdeelen zich na een regenbui, die maar zeer kort duurt, de dichte, zware wolken, en opnieuw straalt de gloeiende zon.

De duur van de dagmarschen wisselt af tusschen drie en zes uren, waarin 15 tot 30 kilometer worden afgelegd. De dragers loopen in den regel snel, onverschillig hoe de weg ook zij. Men breekt ’s morgens om half zes op, en voor den middag is de marsch ten einde, zoodat men op de warmste uren van den dag kan rusten. Onderweg neemt de karavaan bijna een halven kilometer ruimte in; er heerscht een aanhoudend rumoer van stemmen, gelach, geschreeuw, dat op de bezwaarlijkste einden ietwat kalmer wordt, als een steile helling ook de niet beladen personen doet hijgen. Uit de aan den weg liggende kleine dorpen stroomen de inboorlingen nieuwsgierig toe, om den optocht te bekijken en met de dragers onder luid gelach te schertsen. [292]

Soms kruist de karavaan een andere, die zout uit de salinen of ivoor uit den Kongostaat brengt, of er komt ons een blanke koopman tegen met een geleide. De askari’s handhaven een zekere tucht onder de talrijke schaar en komen dikwijls tusschenbeide, om twisten te beslechten. Die worden meestal door de dragers veroorzaakt, die, om zich het werk te verlichten, graag met geweld inboorlingen, die ze onderweg ontmoeten, tot het dragen der lasten willen pressen.

Worstelwedstrijd van dragers.

Worstelwedstrijd van dragers.

Voor het overige zijn de negers als kinderen, goedig en zachtmoedig of boosaardig en lastig, al naarmate men ze behandelt; met een beetje tact en welwillendheid, waaraan niet een zekere vastheid van wil ontbreekt, is het gemakkelijk, hun levendig temperament in de goede richting te leiden. De karavaan bestaat voor het meerendeel uit Waganda’s, die echter, hoewel ze de eigenlijke inboorlingen van Oeganda zijn, verschillende anthropologische kenmerken in zich vereenigen, zoodat ze een uit vele stammen gemengd volk schijnen te zijn. Ze dragen de trekken van de echte negers in hun kroes, pikzwart haar, den breeden, platten neus, de dikke lippen en de afstaande ooren, maar het prognatisme is onduidelijk, en het voorhoofd is breed en wijkt niet achteruit. In den regel zijn het magere menschen, niet gespierd ook, en ze zien er niet als sterke lieden uit.

Het kamp werd steeds ver van de dorpen, op van te voren gereed gemaakte plekken opgeslagen. In den regel bestond het uit een groote schuilhut, waarin de blanken hun maaltijden gebruikten, en een of twee beschuttende daken voor het bergen van het materiaal en om het tegen slecht weder te beschutten. Martin sloeg een tweede kamp op, dat van het mijne afgezonderd lag. In beide wapperden de italiaansche en de engelsche vlag.

De tenten waren omgeven door een seriba, een omheining van gevlochten riet, die niet zoozeer diende ter verdediging dan wel om het kamp der blanken van dat der dragers te scheiden.

De negers kwamen altijd zingend en lawaaimakend op de plaats van het kamp aan, legden de lasten in groote haast neer op de daarvoor bestemde plaats en gingen dadelijk aan het bouwen van hun slaaphutten. Met verwonderlijke snelheid verrezen die dan in het rond.

De zeer doelmatige manier van bouwen bestaat hierin, dat ze een rij van takken of buigzame riethalmen in een kring in den grond steken, naar het midden omgebogen en daar aan elkaar verbonden, zoodat een ronde koepel ontstaat. Daarop worden gelijkmatig gerangschikte bundels gras gelegd, terwijl een smalle opening voor ingang dient. In minder dan een kwartier veranderde een groote grasvlakte in een flink dorp.

Tijdens het vlijtige werken van de negers verschijnen in het kamp lange rijen vrouwen en kinderen uit de naburige dorpen met bundels bananen en zoete bataten op het hoofd. Een schaar naakte kinders begeleidt hen; de kleinste worden door de moeders op den rug in een plooi van het kleed gedragen. Op deze wijze wordt de karavaan door de bevolking van het land volop van levensmiddelen voorzien.

Intusschen ontving ik de huldigingsbezoeken van eenige hoofden, die in het kamp met een praal verschenen, in overeenstemming met hun beteekenis. Ze werden door vroeger komende afgezanten aangekondigd; in den regel waren ze in een witte tunica of in een mantel van meer of minder kostbare stof gekleed en hadden sandalen aan de voeten. Slaven vergezelden hen, die de teekens van de macht van hun gebieder droegen, het zonnescherm en den zetel; daarachter verdrong zich een gevolg van bedienden en een met lansen en sabels gewapende lijfwacht.

Dan volgde een menigte inboorlingen, die de geschenken aan geiten, schapen, soms ook kalveren en stieren voor zich uit dreven en korven met kippen, eieren, bananen, in het kort alle voortbrengselen der streek, droegen. Een levenmakende muziekkapel met trommels, fluiten, horens en andere instrumenten volgde den optocht of ging in de voorhoede.

Dans in het kamp.

Dans in het kamp.

Nu en dan kwamen de hoofden met dezelfde vertooning van staatsie de expeditie tot aan de grens van hun gebied tegemoet en sloten zich bij de menigte aan tot aan het kamp. De muzikanten begeleidden de karavaan vaak verscheiden dagen achtereen en [293]bewezen haar de eer van haar onverbiddelijke muziek.

Het tegenbezoek bracht ik of bracht een ander door mij aangewezen lid van de expeditie aan het hoofd, waarbij de geschenken door ons beantwoord werden met een vergoeding, die in den regel zeer royaal uitviel.

De woningen der hoofden zijn cirkelronde huizen met wanden van in elkander gevlochten riet en met het gewone dak der inboorlingenhuizen. De binnenruimte is door gordijnen in verschillende vertrekken verdeeld; de wanden zijn behangen met platen uit geïllustreerde tijdschriften; op den vloer liggen matten en dierenvellen; meestal treft men een bescheiden uitstalling van stoelen aan en van kussens, en alles is zindelijk en in goeden staat. Om het huis loopen verscheiden seriba’s of omheiningen, en in de ruimte tusschen twee daarvan bevinden zich de hutten voor de vrouwen, de bedienden en de askari’s.

Gedurende de eerste marschdagen was het noodig zich met ontelbare kleinigheden te bemoeien, opdat alles goed in elkaar zou sluiten en het werk gelijkmatig over allen verdeeld zou zijn, zoodat er weinig tijd overbleef om de schilderachtige zijde van het nomadenleven te waardeeren. Maar later, toen ieder met wat hij te doen had vertrouwd was geraakt, werd alles ons tot een bron van genot.

Zoodra de avond langzaam begon te vallen, vlammen in den omtrek van het kamp honderden van vuren op, waaromheen de dragers tot laat in den nacht vertoeven, om de zoete bataten te roosteren of de bananen te koken, die bijna hun eenig voedsel uitmaken en waarbij soms nog wat gedroogde visch komt.

Na een marsch van vijf of zes uren over een dikwijls moeilijken weg, waarbij de menschen vrij zware lasten op het hoofd droegen, is die hoogst eenvoudige, eenige maaltijd des avonds voldoende voor hun verzadiging.

Tegen den avond werd het weder meestal koeler. Na gebruik van den maaltijd verzamelden zich de blanken om een groot vuur, dat ook, afgezien van de warmte, die het verspreidde, niet onaangenaam was en beschutting tegen de kleine gevaarlijke vijanden gaf, die de malaria overbrengen. De steekmuggen vlogen inderdaad in ontelbare menigten in de lucht rond; des nachts werden ze tot een ware kwelling. Uren lang hoorde men door slapeloosheid den roep der schildwachten en het eigenaardig getriller van den buga-buga, een kleinen, in de buurt van het kamp nestelenden vogel.

Tusschen drie en vier uur ’s morgens klonk een stoot op de trompet als réveille, en het heele kamp was dadelijk in drukke beweging. In weinig meer dan een uur was het kamp afgebroken. De dragers grepen hun lasten en marcheerden af met het gewone doordringende geschreeuw.

De bloeiende vlakte bij Boeamba.

De bloeiende vlakte bij Boeamba.

De expeditie had 15 dagen noodig, om den afstand tusschen Entebbe en Fort Portal af te leggen.

Den 18den Mei werd het kamp in Mitiana opgeslagen in de nabijheid van een neerzetting der katholieke missie van de Franschen aan den voet van een met een kerkje versierden heuvel. Er werden bezoeken gewisseld met de zendelingen, die prachtige europeesche groenten en fruit als geschenk hadden [294]gezonden. Den volgenden avond kwam de expeditie te Bujongolo tegenover het vischrijke Isoldemeer in boschrijke omgeving. Het kamp werd hier door sterke omheiningen en palissaden beschermd, wat ook met de volgende kampen het geval was, daar de omgeving door leeuwen onveilig werd gemaakt, zoodat de inboorlingen het niet wagen, ’s nachts zich op weg te begeven.

Den 25sten Mei werd de grens tusschen de provincie Oeganda en de Westprovincie overschreden, die de districten Toro, Oenyoro en Ankole omvat. Buiten enkele hoofden van het nieuwe gebied met hun hofstaat had ik, ter begroeting van de expeditie den ondercommissaris van de provincie, den heer A. F. Knowles aangetroffen, die ons zou begeleiden door het door hem bestuurde terrein, terwijl de heer Martin met zijn bedekking naar Entebbe terugkeerde.

Bij gedeelten is de weg zeer lastig en vermoeiend; het weer is slechter geworden en de vele regens maakten den weg moerassig en glibberig.

Hoe meer wij het Albert- en het Albert-Eduardmeer naderden, des te grooter werd de spanning, om de keten van den Roewenzori te zien te krijgen. Nadat we het gebied Toro hadden bereikt, waren aller blikken voortdurend naar het Westen gericht, vooral als de weg naar den top van een heuvel voerde, die een weinig boven de vlakte uitstak. Tweemaal hadden we, van opwinding bevend, gemeend, de bergen te aanschouwen, maar het was een vergissing geweest, een beeld van witte wolken aan den horizon.

Eindelijk op den morgen van den 28sten Mei daagden van een paar heuvels ten noorden van Kaibo, bij bedekten hemel maar heldere atmosfeer, op eens in het Westen hoog in de lucht opstekend, de met ijs bedekte toppen van de geweldige bergketen op. Ze waren nog ongeveer 70 kilometer verwijderd en schenen in de lucht te zweven tusschen de nevels, die den geheelen voet van de bergen omhulden, en de grijze hoopen wolken, die den hemel boven de toppen bedekte en ze bijna aanraakte.

Van dit punt uit schenen de bergen in drie hoofdgroepen verdeeld. De middelste wordt beheerscht door een karakteristieken, met sneeuw bedekten top met twee punten, die de hoogste van alle schijnt te zijn; hij is van de zuidelijke groep gescheiden door een diepe insnijding. De derde groep ligt ten noorden of noordoosten van het middelmassief. Van de hooge kammen reiken gletschers naar beneden, welker voet door de vóór de keten liggende kleinere bergen verscholen blijft.

Op dien dag werd het kamp te Butiti opgeslagen, waar ook evangelische en katholieke zendelingen werken, die jegens de expeditie zeer vriendelijk waren.

Op den middag van den volgenden dag, 29 Mei, besteeg ik met mijn begeleiders een ongeveer anderhalf uur van Butiti gelegen heuvel in de nabijheid van den weg, om opnieuw den Roewenzori te beschouwen, die zich in zijn vollen glans vertoonde. De karavaan had zich naar het Noordwesten gewend; daardoor scheen de noordelijke groep van de keten dichter bij de middelste te zijn gekomen, die ook van dit punt uit de hoogste was en door de grootste gletschers bedekt bleek te wezen.

De lucht was boven de bergen in het Westen helder, maar donker en dreigend met onweer in het Oosten. Rondom breidde zich de golvende vlakte, met lage, van boven afgeronde heuvels in roodachtige of geel-bruine kleur uit, waar donkergroene vlekken op afstaken, die gevormd werden door de euphorbia’s en de lichtgroene, gevederde acaciabladeren. Het landschap ging in de verte langzamerhand over in de dampige atmosfeer en werd onduidelijk aan den voet van de hooge voorgebergten der keten.

Moore was door den aanblik herinnerd geworden aan de Alpen, zooals die zich voordoen van uit de piemonteesche en lombardijsche vlakte; maar de vergelijking gaat niet op. Het onderscheid is, zooals men moet voelen, diepgaand, maar men is niet in staat het te analyseeren. Wel hebben de verre, met olifantsgras bedekte hellingen en de door papyrusstengels overdekte moerasvlakten eenige gelijkenis met de bebouwde heuvels en dalen in het voorland der Alpen, en niets verraadt, dat olifanten, buffels, antilopen en verscheurende dieren zich daar verbergen tusschen de velden, die weiden schijnen te zijn of stukken land, waar koren, maïs of vruchtboomen groeien. Maar het landschap is oneindig grootscher en plechtiger; als men de verschijnselen in de verte weg neemt, die meer gelijken op het resultaat van een weerspiegeling dan op onmiddellijke, zinnelijke waarneming, dan ontbreekt alle spoor van menschelijke werkzaamheid. De hutten der negers, de bananenvelden en de andere culturen der inboorlingen zijn slechts met moeite en, als men ernaar zoekt, te onderkennen; ze versmelten volkomen met het landschap en doen op geen manier afbreuk aan den indruk van het maagdelijke en ongerepte.

Bij het voorttrekken kwam de expeditie nog weer door een woud, het laatste, maar ook het mooiste, dat ze onderweg hadden aangetroffen, en dat bevolkt werd door tal van apen. Nog dienzelfden dag werd na een langen marsch van zeven uren Fort Portal bereikt.

Toen we het naderden, werd ik ontvangen door Kasagama, den hier resideerenden koning van Toro, een knap man van meer dan normale lichaamsgrootte en met open, intelligente trekken; hij werd door een talrijk gevolg begeleid, dat veel geschenken bracht. Nadat de karavaan de zich rondom de stad uitstrekkende bebouwde zone was gepasseerd, trok ze over den breeden, gladden, door de gloeiende zon beschenen weg in Fort Portal binnen. De hoofden uit de streek, die met hun gevolg ter ontvangst van de expeditie verschenen waren, maken ruimte; de weg is bezet door een dringende menigte menschen, vooral door lawaai makende kinderen.

Fort Portal werd in 1891 door Lugard aangelegd, nadat hij Kabarega, den bondgenoot van Mwanga, bij zijn opstand onttroond had en in zijn plaats Kasakama had aangesteld, waardoor een tijdperk van gruwelijke vervolgingen en menschenjachten, die bijna het geheele land ontvolkt hadden, beëindigd werd.

Het aantal der in Fort Portal wonende Europeanen beloopt, met de dames erbij, niet meer dan vijftien personen; de ondercommissaris, de collector, de bevelhebber der troepen, en de katholieke en protestantsche zendelingen. De woningen der engelsche beambten liggen op een heuvel; die van den onder-commissaris [295]trekt het meest de aandacht, en het paleis is door een gracht en een palissadenomheining omringd. Op de naburige heuvels hebben de zendingsgebouwen en het ziekenhuis plaats gevonden; op een heuvel in het Zuidoosten, die geheel bedekt is met uitgestrekte bananenaanplantingen, liggen de huizen van den koning van Toro. Beneden aan den voet der heuvels naast een met boomen beplanten weg staan winkels, terwijl ook nog een kazerne aanwezig is voor de inlandsche soldaten en de gewone markt.

Bosch tusschen Butiti en Fort Portal.

Bosch tusschen Butiti en Fort Portal.

De expeditie vond in Fort Portal bij den collector den heer J. O. Haldane een gastvrije ontvangst; aan de dragers werd als kampplaats de beneden liggende vlakte aangewezen.

Twee dagen bleef de expeditie onder slecht weder in Fort Portal. Ik maakte hier kennis met den reverend Fisher en zijn vrouw, die tweemaal in het Moboekoedal tot aan den gletscher waren doorgedrongen, en ook met den ontdekkingsreiziger in het hooggebergte, A. F. Wollaston, die de expeditie van het Britsch Museum, waarvan hij lid was, voor eenige dagen had verlaten, om op uitnoodiging van den ondercommissaris, den heer Knowles, mij te begroeten.

Zooals ik reeds gezegd heb, had Wollaston in de laatste maanden twee van de toppen bestegen, die zich aan het eind van het Moboekoedal verheffen. Van hun hoogste punt uit had hij in het Noordoosten onduidelijk tusschen de nevels nog twee met sneeuw bedekte toppen gezien, die nog hooger waren dan die, waarop hij zich bevond, en die, naar het hem scheen, zich verhieven op de naar den Kongostaat gekeerde westelijke hellingen. Het was hem niet mogelijk geweest, vast te stellen, of deze hoogere toppen met die in het Moboekoedal samenhingen.

De door Stuhlmann aanschouwde en afgebeelde bergen boven het Butagudal in het Westen der keten waren dus verschillend van die, welke van het Oosten uit te zien zijn en welke de italiaansche expeditie van Kaibo en Butiti uit had kunnen waarnemen. Het leek dus aanbevelenswaardiger, de bestijging van de bergen van de westelijke helling uit te beproeven.

Deze mededeelingen waren niet zeer aanmoedigend. Volgde ik den door de voorgangers ingeslagen weg door het Moboekoedal, dan liep ik gevaar, na den top op den achtergrond van het dal te hebben bereikt, mij den toegang tot de hoogere toppen door een diep dal of door een onbestijgbaren kam te zien afgesneden. Aan den anderen kant zouden wij, om naar de westelijke helling van het gebergte te komen, een langen marsch in de vlakte door streken, waar malaria heerscht, moeten maken; we zouden om het uiterste zuidelijke punt van de keten moeten heen gaan en het Semlikidal moeten bereiken, en het was twijfelachtig, of de hulpmiddelen van die streken voor de voeding van de talrijke karavaan toereikend zouden zijn; bovendien was ook de stemming der inboorlingen van den Kongokant, die zich al vaak vijandig en onrustig hadden getoond, een zeer onzekere zaak.

Van de beide wegen bood de tweede stellig groote moeilijkheden, en wel in ongekende mate. Daarom besloot ik, den kortsten, rechten weg te nemen en het Moboekoedal voor de bestijging te kiezen, om zoodra mogelijk op de bergen te komen. Daar zouden wij, met in aanmerking nemen van de nadere omstandigheden, tot een beslissing kunnen komen omtrent den te kiezen weg.

De beide dagen van het oponthoud in Fort Portal waren rustdagen voor de karavaan. Ze waren reeds voldoende geweest, den hechten samenhang te verbreken en de in de beide vorige weken gewonnen tucht losser te maken. Toen dus op den morgen van den 1sten Juni de klank van trommels en trompetten zich om half vijf deed hooren, kwam geen van de boys in beweging en de dragers daagden te laat en afzonderlijk op. Ten gevolge daarvan kon ik de karavaan eerst na twee uren onder het gewone geschreeuw in gang zetten; de engelsche en de italiaansche vlag werden voor haar uit gedragen.

De dragers konden worden verminderd, daar door het gebruik van de levensmiddelen en doordat wij veel dingen in Fort Portal achterlieten, de bagage geslonken was, en wij kozen de gezondste en krachtigste mannen uit voor den verderen tocht. Bij het vertrek werden wij door den heer Knowles, den collector, den heer Haldane, en Dr. Wollaston vergezeld, welke laatste zich naar de expeditie van het Britsch Museum in het Nyamwambadal wilde terugbegeven. [296]

Een geleide van 20 askari’s voltooide de karavaan. De vrouwen der soldaten waren gekomen, om vóór het vertrek van hen afscheid te nemen. De vorm van dat afscheid kon niet zediger en bescheidener zijn; de vrouw laat zich vóór haar man op een knie neer en hij legt haar de hand op het hoofd.

Het overtrekken der Wimi.

Het overtrekken der Wimi.

In drie dagen legden wij den weg tusschen Fort Portal en het Moboekoedal af. Er moesten talrijke wildstroomende beken worden doorwaad; maar slechts één daarvan, de Wimi, beteekent iets. Als ze gezwollen is, kan ze tot een ernstigen hinderpaal worden. Wij vonden het stroompje ongeveer tien meter breed; het water was zeer koud, ongeveer 60 of 70 centimeter diep en sterk stroomend. Dwars over het water werd een lange menschenketen gevormd en aan den bovenkant daarvan trokken de dragers met hun lasten door het water. Diegenen, die struikelden of uitgleden, konden dus dadelijk gesteund en opgeholpen worden. In ongeveer een uur bevond zich onze heele karavaan aan den overkant, waar de helling schuin en met hoog gras bedekt was, zonder dat we een enkel stuk bagage hadden verloren.

De weg, die door een heuvelachtige en bebouwde streek leidt, daalt ten slotte naar de Moboekoe, die door een bedding vloeit, welke zeven of acht meter diep in oude alluviale lagen is ingesneden. De rivier is ongeveer 20 meter breed en 60 tot 70 centimeter diep; de strooming is heftig. Het water is frisch, maar geelachtig van kleur, dus niet tot drinken noodend.

Terwijl de karavaan aan den oever samenkwam, verschenen aan beide kanten de hoofden der naburige dorpen met hun stoelen en zonneschermen en een lang gevolg van inboorlingen. Allen deden hun best, aan de karavaan hulp te bieden bij het oversteken. Er werd dwars over het water een touw gespannen, waarachter voor meerdere veiligheid nog een aantal inboorlingen gingen staan. Alle leden der karavaan gingen daarna afzonderlijk met hun lasten bovenstrooms van het touw naar de overzij, waarbij ze zich aan het touw vast hielden. Zoo bevond zich in korten tijd de karavaan op den anderen oever van de Moboekoe, zonder eenig ongeluk.

In de omgeving van het kamp bevinden zich talrijke dorpen en bananenaanplantingen. De inboorlingen loopen naakt; nauwelijks een ketting van schelpjes hebben ze zich om de heupen geslagen, met een stukje doek eraan. In het kamp wordt bij uitzondering de schuilhut niet opgeslagen, zoodat de blanken niet onder dak kunnen eten; maar gelukkig is het mooi weer en de maaltijden worden in de schaduw van eenige boomen dicht bij de rivier gebruikt. Trots een nauwkeurig onderzoek gelukt het niet, een visch te zien te krijgen.

De avond is wonderlijk helder en de schemering daalt langzaam. Het vertrouwde ruischen van den stroom roept de herinnering aan kalme avonden in afgelegen dalen van de Alpen op. Beneden het kamp branden tallooze vuren, waaromheen de dragers zich bewegen, en die daardoor nu eens schijnen uit te dooven, dan weer helder op te vlammen.

De omtrekken van het dal worden tegen den sterrenhemel duidelijk afgeteekend, en het oog keert terug naar de sneeuwtoppen van den Duwoni, die het fonkelen der sterren zwak weerspiegelen, en lang blijft het eraan hangen.

Aller harten waren weer vol hoop. Gelukkiger dan onze voorgangers, hadden wij vele van de toppen te zien gekregen, eer we den voet van het gebergte bereikten, en wij hadden een belangrijk feit betreffende hun verdeeling kunnen vaststellen, namelijk dat de van Kaibo en Butiti uit in het midden zichtbare berg met twee toppen, die de hoogste van alle scheen te zijn, geen andere kon wezen dan de Duwoni van Johnston.

Nadat de karavaan het kamp had verlaten, stak ze snel de vlakte over, waar Ibanda ligt. De vlakte is hier en daar moerassig en bezet met kleine boschjes hooge acacia’s en drakenbloedboomen, en afgeronde, gladde rotsmassa’s zijn erover verspreid. Dan komen we aan den voet van een hoogen dwarsrichel, die een uitlooper van de rechtsche dalbegrenzing is. Het pad, dat erheen leidt, is hier en daar zoo steil, dat ook de onbeladen deelnemers aan de expeditie den adem verliezen. De karavaan der zwarten, die het eerste deel van den dagmarsch met hun gewone luidruchtigheid hebben afgelegd, verstomt, terwijl ze hijgend de moeilijke helling opklauteren; de samenhang in den optocht gaat verloren en hoe hooger we komen, des te ernstiger en donkerder wordt het pad. [297]

De Alexandra- en de Margheritatop, de beide hoogste punten van de Roewenzori.

De Alexandra- en de Margheritatop, de beide hoogste punten van de Roewenzori.

Ter halver hoogte bevindt zich een smalle, groene vlakte, waarop eenige hutten van inboorlingen verspreid liggen. Het zijn de laatste huizen van het dal, dat hoogerop geheel verlaten is. De plaats heet Bihunga en ligt 536 meter boven Ibanda, dus 1920 meter boven de zee. De expeditie van het Britsch Museum had er zich verscheiden maanden opgehouden, om studiemateriaal te verzamelen; een groote hut herinnerde nog aan het verblijf aldaar.

Daar rondom konden de tenten op de betrekkelijk kleine beschikbare ruimte slechts met moeite worden opgeslagen. De dragers zochten, zoo goed het ging, een onderkomen te vinden op de steile helling van den berg.

Het uitzicht naar boven is door de ervoor liggende hoogten, op welker helling het kamp is opgeslagen, volkomen afgesneden. Naar beneden dwaalt het oog over de vlakte van Ibanda en door het breede dal tot in de verte, waar de wazige atmosfeer het zien belemmert. Rondom zijn de hellingen met dichte bosschen bezet, waartusschen kleine, met hoog gras bedekte open plaatsen te voorschijn komen. In de buurt van het kamp ziet men de eerste Lobelia’s, veel Dracaena’s, een wonderschoon bloeienden koraalboom en de armzalige, smalle velden van het dorpje, dat een groepje Bakongo’s herbergt, trots het ruwe klimaat naakt loopend.

In Bihunga ging ik ertoe over, het aantal deelnemers aan de karavaan te verminderen. Van hier ging de optocht verder door onbewoonde streken, en het werd al moeilijker levensmiddelen te krijgen. Er waren afspraken gemaakt met de hoofden der dorpen in de omgeving van Ibanda, waardoor bepaald was, dat ze geregeld afdeelingen dragers met levensmiddelen door het dal naar boven zouden zenden. Afgezien daarvan echter, dat de hulpmiddelen van zoo’n klein gebied maar beperkt waren, moesten de af te leggen afstand en de bezwaren van den marsch al grooter worden, hoe verder de expeditie naar boven doordrong.

Daarom werd in Bihunga een deel van de bagage achtergelaten, ongeveer veertig lasten, waaronder alle voor persoonlijk gebruik bestemde voorwerpen, die in het koude klimaat van den berg niet gebruikt konden worden; en eveneens deed ik afstand van een gedeelte der boys. Dezen en ook de overbodige dragers gingen naar Butanuka terug, een dorp halfweg tusschen het Moboekoedal en Fort Portal, dat de plaats van samenkomst was van alle uit het gebergte komende werkkrachten. De 20 askari’s van de bedekking, die onder het bevel van sergeant Green, een Engelschman, stonden, bleven in Bihunga als verbindend lid tusschen de expeditie en het benedendeel van het dal. Het achtergebleven materiaal vond een goed onderkomen in de hut van de expeditie van het Britsch Museum.

De op deze wijze bewegelijker gemaakte karavaan toog op den morgen van den 5den Juni weer op weg. Eerst moest ze de hoogten van Bihunga langs een steil en zeer smal pad door dichte struiken, die gezicht en handen door de vaak doornachtige takken [298]ten bloede sloegen, beklimmen, en daarna moest ze over het kleine dal Chawa afdalen in het Mahomadal, waar een belangrijke zijtak der Moboekoe door stroomt.

De helling is zeer steil en voert geheel door een ondoordringbaar woud van hooge boomen. Daaronder komen veel exemplaren voor van mooie coniferen, o. a. van den Podocarpus, die door dicht dooreen geslingerde lianen onderling verbonden zijn en waartusschen loofboomen staan, overdekt met orchideeën. Aan alle kanten verheffen zich hooge, steile bergen, die ook door bosch bedekt zijn. Aan den voet der boomen groeit dichtbebladerd onderhout, dat vermengd is met varens van allerlei soort. Het onderhout staat zoo dicht, dat het pad tot iets van een galerij wordt, waarin men heele einden gebukt moet afleggen. De struiken hebben veel gevallen boomstammen overgroeid, waaronder in den humus een rijke oogst van kleine dieren voor de verzamelingen te vinden is. De grond is zeer vochtig; hij staat hier en daar onder water en is glibberig, zoodat de dragers slechts met moeite zich staande kunnen houden. Het woud vergezelt den weg tot aan den oever der Mahoma.

Na den overgang over den stroom begint de optocht weer omhoog te klimmen over een steile, met reusachtige varens begroeide helling, wat voor de afzonderlijk en zeer langzaam marcheerende dragers buitengewoon inspannend is. Vanaf een bepaalde hoogte mengen zich onder de varens de eerste bamboes en Ericaceeën. Het gladde en moerassige gebied is bezaaid met rotsblokken van allerlei grootte.

Het is alles niet anders dan een geweldige zijmorene van den gletscher, die zich in overoude tijden naar het dal heeft laten glijden en die waarschijnlijk ook de hoogvlakte van Ibanda heeft bedekt. Het is te verwonderen, dat geen van de talrijke onderzoekers, die het Moboekoedal vóór ons bezocht hebben, de ware natuur van dit gebied herkend heeft. Een evenwijdig met de eerste loopende morene gaat langs den tegenovergestelden, den linkschen, kant van het dal. De Moboekoe gaat schuimend meer dan 200 meter lager in de steil afdalende kloof, die ze zich tusschen het rotspuin heeft gebaand, waarbij ze de blokken en het puin van de morene aan de oppervlakte van de doorsnede bloot legde.

De boomen worden langzamerhand dichter, tot men zich boven aan de morene opnieuw midden in het bosch bevindt. De weg loopt een heel eind gelijk met den kam der morene, welke kam op sommige plaatsen minder dan een meter breed is, tot aan een geweldig zwerfblok, dat minstens twintig meter lang en acht tot tien meter hoog is, en waarnaast zich een klein, scheef strooien dak vertoont, dat gedragen wordt door een paar in den grond gestoken palen. Het is de kampplaats van Nakitawa. Daar rondom bestaat het woud uit reusachtige boomen, met dicht onderhout aan hun voet. Er was een arbeid van verscheiden uren noodig, om struiken en boomen te vellen en ruimte te maken voor zes tenten. De zwarten drongen dadelijk om het rotsblok, waarbij de keuken was opgeslagen.

Het kamp ligt 2652 meter boven de zee. Op den laatsten dagmarsch waren er, trots de daling, 732 meter bijgekomen. Bijna den geheelen namiddag kwamen de dragers afzonderlijk opdagen, uiterst vermoeid van den bezwaarlijken marsch. Als bewoners der vlakte waren de Waganda oogenschijnlijk niet in staat, de strapatsen van den tocht door het gebergte te verdragen, en er moest nu aan gedacht, ze door de Bakonjo te vervangen, die aan het klimaat van hun dal gewend waren en bij de jacht op mormeldieren en klipgeiten zich geoefend hadden in het klauteren langs de hellingen.

Zoo ver het oog reikt is alles wat er van hellingen, rotswanden en bergen te zien is, door ondoordringbaar woud overdekt. Het is de aanblik van een maagdelijke natuur; we hebben nu inderdaad de door menschen bewoonde streken verlaten.

In de buurt van Nakitawa, aan de monding van het Mahomadal, vereenigen zich de beide morenen, en in den door de vereeniging der linker morene van het Mahomadal met de rechter van het Moboekoedal gevormden hoek ligt een meertje, dat later bij de terugkomst van de expeditie onderzocht werd. Juist tegenover het kamp aan de linkerzijde van het Moboekoedal verheft zich de groep toppen van den Portal. Aan den voet der steil afdalende wanden mondt een breed dal uit in dat van de Moboekoe; het opent zich tusschen de beide zuidelijke Portal-toppen, die als twee reusachtige grenssteenen aan den ingang staan.

Geen der vroegere onderzoekers had de aanwezigheid van dit zijdal bespeurd, terwijl de ontdekking het mij mogelijk maakte, gewichtige besluiten te trekken omtrent de ligging der toppen. Door de opening van dit nieuwe dal had de expeditie, van Ibanda uit, op den achtergrond den Duwoni van Johnston aanschouwd. Deze berg lag dus niet aan het eind van het Moboekoedal. Vergeleek men echter den aanblik der keten, van Kaibo en Butiti uit, met het geleidelijk zichtbaar worden der afzonderlijke toppen gedurende den marsch door het Himadal tusschen Kasongo en Ibanda en daarna bij het dalen naar het Moboekoedal, dan werd het duidelijk, dat de toppen en gletschers van de middelste en hoogste groep zich zuidelijk van den Duwoni bevonden; dus moesten ze tusschen den Duwoni en het Moboekoedal liggen.

Het scheen dus duidelijk, dat het pas ontdekte dal juist in het hart der keten lag en naar den hoogsten top moest voeren, veel directer dan het Moboekoedal. Bij het ontbreken van bericht over dit dal en onzeker, of ik het tot aan den voet der bergen zou kunnen doorreizen, besloot ik niettemin, den door de vroegere onderzoekers gevolgden weg verder te vervolgen, om zoo spoedig mogelijk bij een hooger punt en op een top te komen en van daar de ligging der toppen en dalen met gewisheid te bepalen. Ik behield voor het ontdekte dal den naam Boejoekoe, dien de inboorlingen van Ibanda eraan gegeven hadden.

Vijf dagen achter elkander was het weder ongewoon zacht geweest voor deze streken, en gedurende de geheele reis hadden we eerst in de laatste dagen, toen de expeditie op het punt stond het gebergte te verlaten, weer een even lange periode van onafgebroken mooi weer. Op den morgen van den 6den Juni viel er evenwel bij het aanbreken van den dag een fijne regen van den grijzen, bewolkten hemel. [299]

De karavaan wachtte op de levensmiddelen voor de negers, die, door tachtig Bakonjo gebracht, eerst om zeven uur aankwamen. De Bakonjo zijn lieden van een krachtig uiterlijk, met nog al vooruitspringende wangbeenderen, soms met een spoor van baard en met geschoren of potsierlijk opgemaakte haren. Hun door de kou, het water en de zon gelooide huid is hard en rimpelig als leer. Ze zijn enkel gekleed in een van de heupen afhangend stuk doek, dragen aan armen en beenen metalen ringen en aan den hals een zak voor pijp en tabak. Enkelen dragen op den rug een luipaardsvel of een soort van mantel van aaneengehechte vellen van klipgeiten. Er zijn geen Christenen onder hen. Tijdens den marsch steunen ze op lange stokken, waarvan ze zich op moeilijke plaatsen met groote behendigheid bedienen.

De tachtig man waren aangeworven, om de eene helft der Waganda-dragers te vervangen, die dadelijk naar beneden werden gezonden. Nadat alles in orde was en de menschen gegeten en gedronken hadden, konden we eindelijk tegen acht uur opbreken.

Achter Nakitawa verdwijnt de weg bijna geheel en wordt tot een nauwelijks bespeurbaar voetpad. Toen de optocht den kam der morene had verlaten, ging het bergaf en kwam, tusschen bamboeplanten en lianen doordringend, in het op een hoogvlakte gelijkende dal, waar de Moboekoe werd bereikt. De stroom was zoo ondiep, dat men er, van steen op steen springend, met droge voeten overheen kon komen. Een over de rivier gelegde boomstam vergemakkelijkte den dragers den overgang. Het geweldige onderscheid tusschen den overvloed der Moboekoe bij Ibanda en hier boven Nakitawa komt zeker grootendeels door de toevloeiing van de Boejoekoe, die bij gevolg een veel belangrijker rivier moet wezen dan de Moboekoe.

Het vlakke dal is moerassig, en het bosch is er bijna niet anders dan bamboe. De weg bestaat uit nat slijk, waar men dikwijls tot de knieën in wegzinkt. Onder het moeras stoot de voet op steenen of stukken hout, of hij raakt verward in een klimplant of stapt op een omgevallen boomstam en dwingt den reiziger, te grijpen naar de doornstruiken in het rond, om het evenwicht te bewaren. Langzamerhand leert men den weg kennen; men vindt de stevigste plaatsen eruit en het gelukt, zich met sprongen voort te bewegen, nu eens met den eenen voet op den rechter en met den anderen op den linker kant van den weg. Of wel men zoekt naar een steunpunt op de uit het moeras opstekende steenen of wortels of op een vergaanden tak en een gevallen boomstam. Ieder oogenblik echter struikelt men of zakt weg, en de tocht wordt gekruid door uitroepen, die meer krachtig en vol uitdrukking zijn dan wellevend. Intusschen is het bovendien gaan regenen en van de bamboestruiken, de Ericaceeën, de varens van allerlei vorm en grootte en de andere bladeren stroomt aanhoudend een stortbad neer.

Van het hoofd tot de voeten met slijk bedekt, met doornatte kleederen, kwam de expeditie, nadat ze op den linkerkant van het dal was overgegaan, aan den voet van een overhangenden rotswand, die achter in een klein, van voren door een morene versperd, dal lag.

Het is het kamp van Kichuchu, 2997 meter boven de zee, 345 meter hooger dan Nakitawa gelegen. De rotsmuur biedt tegen slecht weer eenige beschutting op een plek, die wel beveiligd is voor den neervallenden regen, maar doornat is door het langs de rotswanden neerloopende water. Er is slechts plaats voor een enkele tent. Alles in het rond is diep slijk. Met behulp van op den grond gelegde takken en boomstammen gelukt het ons, den vasten grond zooveel uit te breiden, dat we nog twee tenten konden opslaan. Veel uren lang moest ik bij de oprichting van het kamp in het moeras in den regen rondwaden.

In de nabijheid is weinig brandhout te vinden en de vuren zijn onvoldoende. De Wagandadragers zijn uitgeput en mismoedig; ze trillen van kou en zijn blijkbaar buiten staat, verder te marcheeren. Ze blijven dus allen met de boys achter en gaan naar beneden naar Boetanoeka, om samen te zijn met de in Bihunga en Nakitawa ontslagen gezellen. Van nu af gaan we enkel met de Bakongo verder; de overcomplete lasten worden achtergelaten en zullen later afgehaald worden.

De vlakte, waarop zich het kamp van Kichuchu bevindt, is het eerste van drie boven elkaar liggende terrassen. Alle drie zijn gelijkmatig met stilstaand water bedeeld; ze worden door drempels van 200 tot 300 meter van elkaar gescheiden en vormen het bovenste deel van het Moboekoedal.

Van Kichuchu af stijgt de weg dadelijk langs een smalle, natuurlijke trap; deze is ingesneden in de rotsen van een ongeveer 300 meter hoogen bergwand, die van den zuidelijksten top der Portalpunten neerdaalt. Waar de rotstrap te smal en ongemakkelijk is, wordt het klimmen door houten trappen verlicht; de weg is zoo steil, dat men op handen en voeten moet klimmen, waarbij men zich moet vastgrijpen aan de weinige lianen en alleenstaande boompjes. Op het laatste, minder steile gedeelte wordt het pad opnieuw geheel tot moeras, steenen en wortels.

Eindelijk komen we op de hoogte, die den rand van het tweede terras vormt. Hier werd de expeditie verrast door een der zeldzaamste tooneelen van de gansche reis. De hoogvlakte was overdekt met een groot woud van boomachtige Ericaceeën. De stammen en takken zijn van boven tot onderen met een dichte laag mossen overtogen, die in lange baarden van alle takken afhangen en die de knoopen van het hout, de uiteinden der afgehouwen takken verdikken en afronden. Tengevolge daarvan doen zich de planten wonderlijk wanstaltig voor en als door gezwellen bedekt, alsof ze lijden aan een groenachtig gelen of rooden uitslag. Geen enkel blad is te zien, uitgezonderd aan de hoogste takken; zwart en donker ligt het woud door den dichten stand der boomen en de dooreenwarring der takken. Van den bodem is door de tallooze doode stammen niets te ontdekken; ze liggen in een onontwarbaar net over en door elkander, bedekt met kleverige, glibberige mossen. Geen woud maakt er somberder indruk dan dit, dat wel een bosch uit den oertijd gelijkt.

Toen we aan de Mokoeboe kwamen, bleek die helder te wezen; de karavaan trok er over en ging daarna naar het derde terras, waar aan den voet van den Buamba een kamp werd opgeslagen ter hoogte van 3518 meter boven de zee. Het was een [300]mooie dag, en ik had bijna geen geduld, om in Buamba te blijven, bijna in het gezicht van Bujongolo, de laatste halt in het dal. Nadat in haast iets was gebruikt, marcheerden we verder dwars over de met allerlei planten begroeide hoogte, met het uitzicht op een geheel door groen en bloemen omsloten waterval, die van de bergen aan de rechterzij van het dal neerstortte.

Marsch door een bosch van Senecios.

Marsch door een bosch van Senecios.

Met mijn metgezellen kwam ik tegen twee uur in den namiddag in Bujongolo aan, een echt adelaarsnest tusschen de rotsen, 3798 meter boven de zee en 800 meter boven Kichuchu. Wij hadden de karavaan van dragers achter ons gelaten. De meesten hadden in Buamba gerust, en slechts enkelen kwamen dien dag de expeditie achterna. De plaats was ruw en woest; van den gletscher waaide een snijdend koude wind, die aan alles eerder herinnerde dan aan den aequator en Midden-Afrika. Allen waren wij onder den indruk, dat we eindelijk aan den voet der bergen waren aangekomen, die we zouden onderzoeken, nadat we een reis van 54 dagen achter ons hadden.

De expeditie bracht den nacht onder den blooten hemel door. Er was geen tent aangekomen, en velen moesten zich ook zonder slaapzak behelpen. Eenige schapen, die met de dragers tot hier gekomen waren, drongen verschrikt tegen elkander aan, en de figuren der naakte negers, die in de nabijheid om een vuur hurkten, teekenden zich in de nachtelijke duisternis in onduidelijke omtrekken af.

Cagni had, nauwelijks hersteld, twee dagen geleden Entebbe verlaten en trok nu in snelle marschen naar ons toe, vol verlangen ons in te halen en door zijn persoonlijke medewerking bij te dragen tot den goeden afloop der expeditie.

Na een tocht naar de toppen op den achtergrond van het Moboekoedal, waarbij we veel nevel hadden, bleven we nog vier dagen in Bujongolo, door slecht weer als opgesloten. Maar eindelijk kwam dan den 14den het onderzoek van de centrale groep aan de beurt, en terwijl ik mij gereed maakte, om Bujongolo te verlaten, ten einde de centrale groep der keten te gaan onderzoeken, trok commandant Cagni in ijlmarschen door het Moboekoedal, en hij had al bijna de tochtgenooten bereikt, toen zij hem nog op vele mijlen afstands vermoedden.

Zooals gezegd, was hij den 5den Juni van Entebbe met 25 dragers, een riksja en een paard opgebroken. In korten tijd had hij zijn krachten in zoo ver herwonnen, dat hij op één dag twee, ja zelfs vier etappen kon afleggen. Daar het juist volle maan was, brak hij op vóór het aanbreken van den dag en zette den tocht tot den laten avond voort, zoodat hij 46 tot 50 kilometer in eens aflegde. De dragers, die door giften van eenige schapen en door kleine geschenken in geld gewillig waren geworden, deden wonderen. Eenmaal marcheerden ze 17 uren en lieten in dien tijd 60 kilometer achter zich.

In zes dagen kwam Cagni te Fort Portal, waar koning Kasagama hem alle mogelijke vriendelijkheid bewees. Den 12den Juni brak hij van daar weer op. In Butanuka trof hij de 178 Wagandadragers, die uit het Moboekoedal teruggestuurd waren. Volgens [301]de door mij gegeven aanwijzingen ontsloeg hij een deel van hen en liet de overigen naar Fort Portal verder marcheeren, waar ze den terugkeer der expeditie uit het gebergte zouden afwachten.

Niet zonder moeite kwam hij over de Wimi, die geworden was tot een tegen 50 meter breeden en hier en daar over een meter diepen bergstroom. Een nog ernstiger belemmering vond hij aan de Moboekoe, die ten gevolge van de regenstroomen, waardoor de expeditie in Bujongolo was opgehouden, eveneens zeer gezwollen was. Daar hij geen touw bezat, dat lang genoeg was, om het over de rivier te spannen, zooals ik had gedaan, behielp hij zich daarmee, dat hij de halsters van het paard en alle touwen van de tenten en de lasten enz. samenknoopte. Op deze wijze kreeg hij een touw, dat wel is waar nauwelijks half zoo breed was als de rivier, maar dat door twee groepen mannen over het middelste en snelst stroomende deel kon worden vastgehouden. Dank zij der gewillige hulp van de hoofden en inboorlingen uit de omliggende dorpen, gelukte het Cagni, de rivier zonder ongevallen te passeeren, maar de overtocht had een halven dag gekost.

Den 14den Juni verwisselde hij in Bihunga, waar de askari’s van het geleide in kwartier lagen, zijn Wagandadragers tegen geboren Bakonjo. Twee dagen later kwam hij te Bujongolo aan; de heele afstand was door hen in slechts tien dagmarschen afgelegd.

Hij vond er alleen Dr. Cavalli. Ik was den avond te voren opgebroken, en Sella en Roccati hadden zich juist dien morgen op weg begeven, om den berg of pas ten zuiden van den Kiyanja te beklimmen.

Lobelia Stuhlmanni in vollen bloei.

Lobelia Stuhlmanni in vollen bloei.

Freshfield had zijn karavaanleider hooren vertellen, dat het zadel in de waterscheiding, waarover de zuidelijke kam van den Kiyanja loopt, eens door de in het Westen der keten wonende inboorlingen als pas werd gebruikt. Ze gingen er over naar het Moboekoedal tot naar Buamba, om met de Bakonjo ruilhandel te drijven.

Daarentegen gelukte het mij niet, van mijn dragers de geringste inlichting te krijgen over de verbindingswegen tusschen de beide kanten van de bergketen. Ze schenen vrees te koesteren voor de streken aan den [302]anderen kant van den kam en waren blijkbaar overtuigd, dat een trekken over de grens van den Kongostaat gelijkstond met den dood. Dus was het natuurlijk, dat de Bakonjo in deze omstandigheden een grooten tegenzin aan den dag legden, om mij naar het Westen te volgen.

Op den morgen van den 15den Juni waren in Bujongolo slechts negen Bakonjo bijeen gekomen, die nauwelijks voldoende waren, samen met de vier gidsen en Botta, de voor een kamp benoodigde onmisbare dingen en levensmiddelen voor eenige dagen te dragen. In het laatste oogenblik stelden de negers nog den eisch, hun loon dagelijks uitbetaald te krijgen, en ik moest een niet gering gewicht aan roepijen meenemen.

Eindelijk tegen acht uur, toen elk ander voorwendsel tot langer talmen ontbrak, verlieten wij het kamp bij stralenden zonneschijn en marcheerden het dal in, dat zich, zooals we hebben gezien, aan den rechter kant van het Moboekoedal in de nabijheid van Bujongolo opende. Nu eens op den eenen, dan op den anderen kant van de beek loopend, bereikten we de hoogte van den uitlooper en kwamen in een dal, waaruit een door de gletschers ten zuiden van den Kiyanga gevoed riviertje te voorschijn komt, hetzelfde, dat den schilderachtigen waterval aan de rechterzij der hoogvlakte van Buamba vormt. In de buurt van het boveneind van het dal verhieven zich twee rotsen, die, als de vorige van Kichuchu en Buamba, natuurlijke schuilplaatsen vormden.

De grond is tengevolge van de in de laatste dagen gevallen regens geheel doorweekt, en de marsch was moeilijk, doordat men bij elke schrede uitglijdt en in het slijk verzinkt. De dragers, die geen vermoeden hebben omtrent het onbekende land, waarheen de tocht gaat, marcheeren mismoedig en met een langzaamheid, die iemand tot wanhoop zou kunnen brengen. Reeds twintig minuten, nadat ze Bujongolo verlaten hadden, maakten ze halt en ontstaken een vuur, waar ze bij gingen zitten rooken. Na nog een half uur herhaalde zich dat verschijnsel. Alle aandrijven beantwoordden ze daardoor, dat ze wezen op hun hoofd, hun buik, hun voeten of beenen, die op eenmaal de zetel van onvermoede ziekte waren geworden.

Om den toestand nog te verergeren, werd het weder opnieuw nevelig, en wij liepen door het geheel in een moeras herschapen dal tusschen Senecio’s, Lobelia’s, mossen en steenen, zonder iets te onderscheiden. Na een lichte stijging, die over de rotsen en later door een kloof leidde, kwamen we eindelijk aan de inzinking in de waterscheiding, het Freshfieldzadel van de kaart. Er waait een frissche bries, en de dragers maken haast, om een windstillen hoek te vinden. We zijn nu 4326 meter boven de zee, en er groeien geen boomen meer, maar enkel mossen en planten, die zoden vormen. Hier en daar verjaagt de wind de nevels en onthult zoo stukken van het landschap. In het Noorden zien we breed en afgerond den zuidelijken kam van den Kiyanga, door een gletscher bedekt, die eenmaal zoo diep daalde, dat hij de heele inzinking vulde. Teekenen daarvan zijn nog op de gladde en geschramde rotsen te zien. In het Zuiden ligt de groep van kammen en toppen, die ik reeds van den top van den Kiyanga uit had aanschouwd. Er zijn twee kleine gletschers te onderscheiden, die twee passen bedekken, en daartusschen een derde inzinking. De zadels sluiten vier toppen in, waarvan de westelijke de verst verwijderde en hoogste schijnt.

Aan den voet van deze bergen en ervan gescheiden door een uitlooper van den Kiyanga, ligt een dal, dat naar het Westen gaat. Men ziet aan den overkant twee meertjes schitteren in een ander dal, dat van het Noorden naar het Zuiden is gericht en naar beneden loopt vanaf den pas tusschen den Kiyanga en de centrale groep van het gebergte. Dien pas wil ik bereiken, om van daar uit de bedwinging der hoogere toppen te ondernemen. Ik teekende alles, wat ik van het landschap te zien kon krijgen, zorgvuldig op, door gebruik te maken van de doorblikjes in de golvende nevels. Er was een gids vooruitgegaan, om te onderzoeken of het niet mogelijk was, de westelijke helling van den Kiyanga boven te overschrijden, want daardoor zou ons het afdalen tot de diepte van het dal bespaard zijn geworden; maar de gids keerde terug, nadat hij had uitgemaakt, dat het onmogelijk was, ter halver hoogte verder te komen, omdat de wanden loodrecht in het dal vielen. Wij moesten dus tot de meren afdalen.

Kort na den middag namen wij, na op den pas een deel der lasten te hebben achtergelaten, om sneller te vorderen, den marsch weer op langs een steile en gladde helling, waarbij we omwegen moesten maken rondom groote rotsblokken, die uit het moeras omhoog staken. De dragers gleden uit en moesten aanhoudend worden aangemoedigd. Tegen vier uur kwamen we aan den oever van het eerste meer, en ik besloot, daar het onmogelijk bleek, de dragers dien dag nog verder te krijgen, op een in het meer uitstekende rots het kamp laten opslaan, het tweede kamp ter hoogte van 4045 meter boven de zee, 250 meter boven Bujongolo.

Hier buigt het dal, dat eerst van het Noorden naar het Zuiden loopt, scherp naar het Westen en is zoo nauw, dat het meer het geheel vult, zoodat de dalgrond bij den eersten aanblik veel gelijkt op een krater. Eenige eenden zwemmen er rond. In de buurt vertoonen zich sporen van luipaards en mormeldieren, en veel raven beschrijven kringen in de lucht. Overigens is er geen bewijs van dierleven te bespeuren. Een bergbeek, die uit de gletschers van den Kiyanga komt, voedt het meer en levert ons water in overvloed, terwijl er in het rond genoeg hout ligt, zoodat al gauw ieder zijn kleeren bij een geweldig vuur kan drogen.

Op dien helderen namiddag spiegelt het meer, welks oppervlakte onder het windje zich rimpelt, de beelden van de met sneeuw bedekte bergen in bevende omtrekken, en langzamerhand verdwijnt in ons tot rust gekomen gemoed de herinnering aan de vermoeienissen en ontberingen. De zon daalt achter een zware wolkenlaag en komt dan er beneden weer te voorschijn, om de lucht, het dal en het oerwoud met haar rood schijnsel te vervullen.

Den volgenden morgen keeren Lorenzo Petigax, Brocherel en drie inlandsche dragers terug, om de den vorigen dag op den pas van Bujongolo achtergelaten lasten te halen. De anderen nemen de overige lasten op en zetten hun marsch voort. De expeditie [303]trekt langs de beide meren aan den voet der rotswanden van den Kiyanga en baant zich stap voor stap een weg door de dicht ineengegroeide plantenwereld van Senecio’s en Helichrysums. Onder de altijd groene struiken zijn exemplaren van een prachtige grootbloemige Hypericum, van Festuca, ranonkels, kruisbloemen, vrouwenmantel, balsamienen e.a.

Het nauwe dal tusschen de steile rotsen is droger dan het Moboekoedal en draagt duidelijke sporen van vergletschering in niet ver vervlogen tijden. Hoog steken de zuidelijke toppen der centrale groep in de lucht, waar twee gletschers van neerdalen, de bronnen van twee armen der rivier; een derde arm ontspringt uit een gletscher van den Kiyanga.

Het derde kamp op de bergen werd ter hoogte van 4219 meter opgeslagen bij een oude eindmorene, bijna loodrecht onder de beide toppen van den Kiyanga, die ik zes dagen te voren bestegen had. Ook hier waren water en hout overvloedig. Van hier uit bestegen we den Scott-Elliotpas zonder moeite, door een oude middelmorene naar boven te volgen. Deze bewijst, dat eenmaal de gletschers van den Kiyanga en van de centrale groep samenvloeiden en vereenigd naar het dal zich bewogen. De Senecio’s en de altijd groene struiken reiken bijna tot den kam, maar worden langzamerhand schaarscher.

Op den pas aangekomen, volgden we den kam naar het Westen tot dichtbij den gletscherrand, die voortliep tot den voet van de zuidelijke toppen der centrale groep. Op rotspuin sloegen wij naast den gletscher, 4516 meter boven de zee, het vierde kamp op.

De levensmiddelen waren nog slechts voor een enkelen dag voldoende. Om die reden zond ik alle Bakonjo, Lorenzo Petigax en Botta naar Bujongolo terug. Bij mij bleven alleen Giuseppe Petigax, Ollier en Brocherel. De namiddag is helder en de bergen teekenen zich duidelijk tegen den hemel af. Aan den voet van het kamp ligt het eerst van den kam op de hoogte van den Moboekoegletscher geziene dal met zijn klein, donkerblauw meer, waarboven bijna loodrecht de noordelijke helling van den pas hangt.

Thans kunnen we dat dal met het oog een lang eind naar het Oosten vervolgen en zien, hoe het in de verte naar het Zuiden ombuigt, om het Moboekoedal te bereiken. Er is dus geen twijfel aan, dat het het Bujukadal is, en dat de geweldige berg in het Noorden feitelijk de Duwoni van Johnston is. In zuidoostelijke richting is het uitzicht door de massa van den Kiyanga afgesloten.

De gidsen, die op den gletscher zijn gestegen, om den weg tot de centrale hoogvlakte der groep te banen, keeren des avonds terug. De zonsondergang was minder helder dan op de vorige dagen. De nabijheid van het doel maakte het wachten tot een zeer pijnlijk iets. Met de gidsen in de enge ruimte van een enkele tent te zamengedrongen, bracht ik een groot deel van den nacht slapeloos door, gepijnigd door zorgen omtrent het weer.

Eindelijk brak de morgenschemering van den 18den Juni aan bij bedekte, grijze lucht. Snel, zonder een woord te verliezen, werd de volgorde van den stoet vastgesteld. Giuseppe Petigax en Ollier gingen vooraan, dan kwam ik, Brocherel als laatste; zoo begonnen wij den gletscher te bestijgen langs den weg, dien de gidsen den dag te voren hadden aangewezen. Zonder moeite werd in ongeveer een uur de groote gletschervlakte bereikt. Het was half zeven, en de begeerde toppen lagen op geringen afstand vóór ons. Beide waren ze door sneeuw bedekt; de zuidelijke, dichtstbijzijnde, viel naar het Oosten in een loodrechten wand neer en werd door een machtigen sneeuwmuur overwelfd; door een afgerond ijszadel stond hij met den noordelijken, veel hoogeren top in verbinding. Daarvan gingen twee kammen uit, de eene naar het Oosten, recht op het dal toe, de andere naar het Noordwesten, met zachte kromming, en uitloopend in een karakteristieke punt. Toppen en kammen waren omzoomd door het reusachtigste sneeuwdek, dat men zich kan voorstellen en dat door tallooze ijszuilen en ijsnaalden gesteund werd, in de verte den indruk makend van een verblindend witte kantstrook.

De sneeuw in het rond had de glanslooze, bleeke kleur, die er altijd bij slecht weer over ligt. Een oogenblik glansde ze onder een zonnestraal, die echter dadelijk door dichte wolken, snel naderend uit het Oosten, weer werd verduisterd. Er kwamen windstooten uit het Oosten; nevelsluiers stegen uit het dal in zware massa’s omhoog en hulden ons in korten tijd geheel in.

Wij vieren zetten zwijgend onzen gang naar de hoogte voort. Zonder wankelen, met den niet in de war te brengen blik op den juisten weg, schreed Giuseppe Petigax in den ondoorzichtigen mist vóór ons allen uit, tegen de hoogvlakte op, tot den voet van den zuidoostelijken kam van den zuidelijken top. De vaste sneeuw, die niet meegaf onder de voeten, vergunde het, dat we den uitgebreiden sneeuwkam vlug bestegen, waarbij op de steilste plaatsen eenige trappen moesten worden gehouwen. Om half acht was de hoogte van den eersten top bereikt.

Een hevige wind waaide van het Oosten. Alles in het rond was onzichtbaar door den witglanzenden, voor het oog ondoordringbaren nevel. Ieder had zich vast voorgesteld, dat de hoogste top op weinige honderden meters afstands onzichtbaar zou wezen. En wij allen wachtten, met de blikken onafgebroken naar het Noorden. In anderhalf uur tijds konden we slechts enkele oogenblikken door den even optrekkenden nevel de onbepaalde omtrekken van den hoogeren top onderscheiden.

Er waren maar twee wegen, om hem te bereiken, namelijk naar den pas af te dalen en te beproeven, of men van hier uit den, door de sneeuwmassa’s van boven afgesloten, ijswand kon beklimmen, of op de hoogvlakte terug te keeren, haar onder den pas over te steken en over den oostelijken kam omhoog te gaan, een verre omweg, die in den nevel zonder een vast punt, om zich naar te richten, zou moeten worden afgelegd. De gedachte, voor dezen dag van een poging tot bestijging afstand te moeten doen en in het kamp terug te keeren, kwam, zooals een blik op de ernstige, vastbesloten trekken van de zwijgende gidsen aantoonde, geen van hen in de gedachte.

Om 9 uur besloten wij, het wachten moe, tot den aanval langs den meest rechtstreekschen, kortsten en gevaarvolsten weg, en de een na den ander begaf zich naar de helling, die naar den pas voerde. [304]

Met het oog op de sneeuw gericht, gingen wij voorwaarts, de voeten voorzichtig zettend in de groote holten, die Petigax in de gelukkig vaste sneeuw, die niet meegaf onder den voeten, had uitgehouwen.

Het zadel maakt den indruk van een ijsband, die van den eenen tot den anderen top reikt. Het is onmogelijk, rechts of links van den weg af te raken, maar men moet rechtuit op den ijsmuur af, waarvan de nabijheid door den nevel nauwelijks wordt vermoed. Waar de helling steil begint te worden, worden de rugzakken en alle overtollige voorwerpen afgelegd, en Petigax gaat aan het moeilijke werk. Binnen kort zijn alle vijf zoo goed als loodrecht boven elkander, langzaam de rechte lijn van trappen klimmend, die Petigax met krachtige, breede bijlslagen uithouwt in den wand, waarbij hij ons met een hagel van stukken sneeuw en ijs treft. Naar beneden verdween de wand dadelijk in de duisternis, en het was alsof we boven een grondeloozen afgrond zweefden.

Zoo kwamen we onder den sneeuwmuur tusschen de ijszuilen, die van nabij gezien, een rij vormden, dicht als de boomen in een woud; daarop rustte de zware sneeuwwelving. waarvan de stevigheid twijfelachtig was. De indruk, dien het geheel in den nevel maakte, was buitengewoon eigenaardig en onvergetelijk.

In dien onveiligen stand moesten wij, ons vasthoudend aan den steilen wand, om de ijspilaren loopen, om beneden aan de plaats te komen, waar het sneeuwdek aan den wand aansloot en daar een doorgang te zoeken.

Wij vonden dien in een insnijding, die een nauw, loodrecht kanaal van één tot twee meter vormde.

De Alexandra- en Margarethatop van af den Stanley-gletscher gezien.

De Alexandra- en Margarethatop van af den Stanley-gletscher gezien.

Ollier, stevig geplant op een breed punt, moest Petigax tot gids dienen. Deze steeg hem met zijn zware, van spijkers voorziene bergschoenen op de schouders, dan op het hoofd en groef den bijl diep in den sneeuw, om zich tot den kam te kunnen optrekken. Voor de overigen was het kinderspel, hem te volgen. De kam was bedwongen. Nog weinige minuten en ik zette den voet op den hoogsten top van den Roewenzori!

Uit de duisternis waren wij in een van stralend licht vervulde vrije ruimte getreden. Aan onze voeten golfde een nevelzee; een onmetelijke vlakte van lichte nevels van witachtig aschgrijze kleur bewoog zich, door den wind gedreven, naar het Noordwesten. Uit de eindelooze, bewegelijke, eenvormige vlakte staken slechts twee vaste punten omhoog, twee verblindend witte, in de zon van myriaden sneeuwkristallen glinsterende pyramiden, de uiterste punten van de beide hoogste toppen.

Aan die twee gaf ik in dat uur de namen Margherita en Alexandra, omdat, zooals in het “Bollettino della Società Geografica Italiana” van Februari 1907, op bladz. 117 is aangegeven, “onder de auspiciën van de twee koninginnen de naam van haar beider landen gemeenschappelijk door de wereld werd gedragen: die van Italië, welks naam als de eerste op deze sneeuwvelden in een triomfkreet weerklonk, en die van Engeland, waarvan de bewonderenswaardige koloniale uitbreiding de beschaving tot aan de hellingen van deze bergen heeft gebracht.”

Een oogenblik later liet ik met bewogen gemoed de kleine vlag in den wind fladderen, een kostbaar geschenk van de koningin-moeder Margherita, en ze schitterde in de zon, de groen-wit-roode banier met de kleine letters van de bemoedigende zinspreuk: “Ardisci e spera!” (“Waag en hoop!”), die de hooge vrouwe erop had laten borduren.

Ornament.

[377]

De Stanley.

De Stanley.

Den 21sten Juni was de expeditie in het vierde kamp boven den Scott-Elliotpas bij den Helenagletscher van den Stanley vereenigd.

Den daarop volgenden morgen besloot ik mij nog eens van mijn metgezellen te scheiden, om het onderzoek van het gebergte voort te zetten en wel om nu de noordelijke groep onderhanden te nemen. Eenige dagen te voren had ik van den hoogsten top van den Alexandra kunnen waarnemen, dat de gemakkelijkste en meest directe weg naar den Speke en den Emin over de westhelling ging. Daarheen kon ik zonder veel moeite komen, als ik door het hoogste deel van het Bujuku-dal en over den tusschen den Speke en den Stanley gelegen Stuhlmannpas reisde. Met mij samen waren de gidsen Giuseppe en Lorenzo Petigax, Ollier en vijf Bakonjodragers.

De noordelijke wand van den Scott-Elliotpas daalt, zooals reeds werd gezegd, steil af naar het Bujukumeer. Na een korte daling tusschen zware, met mossen begroeide rotsblokken kwam onze kleine schaar in een nauwe kloof en daarna in een steile, met steenpuin gevulde rivierbedding. De zwarte dragers, die weinig gewend waren aan de in deze omstandigheden te nemen voorzorgsmaatregelen, traden steenen los en brachten die aan het rollen, tot groot gevaar van degenen, die vooraan liepen. Men moest zeer langzaam en voorzichtig dalen en allen moesten te zamen blijven.

De negers hadden nu al een grooter vertrouwen in hun tijdelijke meesters gesteld en volgden gewilliger; de berggidsen schonken hun op alle moeilijk te passeeren plaatsen hulp en bijstand, en de goede luim was teruggekeerd.

Aan het eind van de kloof troffen we weer het Seneciowoud aan, waardoor we langs een zachtere helling dieper dalwaarts gingen naar een moerassige, boomlooze vlakte, die 3933 meter hoog lag. Na een marsch van 2½ uur kwamen we hier aan, nadat we den bergstroom boven het Bujukumeer waren overgegaan. Van hier uit begonnen we over een niet al te steile helling rechtuit in de richting van den zuidwand van den Speke te stijgen. Ongeveer honderd meter verder naar boven stieten we op een sneeuwveld [378]van resten van lawinen aan den voet van den rotswand, die van boven met een in seracs verbrokkelden en als over het dal zwevenden gletscher bedekt was. Wij trokken links om het sneeuwveld heen en stegen verder naar de plaats, waar de zuidwestelijke punt van den Speke met den Stuhlmannpas te zamen komt, ten noorden van een vooruitspringende rots, die in het midden van den pas duidelijk zichtbaar is. Het laatste eind van den weg, aan den voet van den door de eindseracs van den gletscher omzoomden, loodrecht opstijgenden wand is blootgesteld aan het gevaar van steenval; het stijgen was niet moeilijk, maar inspannend door de met mos bedekte, glibberige rotsen.

Toen wij den hoofdkam hadden bereikt, was de nevel ten gevolge van den mooien, warmen zonneschijn verdwenen, en wij hielden voor korten tijd rust, om ons te verkwikken met het heerlijke uitzicht over het bovenste amphitheater van het Bujukudal. Aan alle zijden is het door loodrecht oprijzende rotsen omgeven; alleen onder den Margheritatop en den Alexandra vergunt de zachtere helling den gletscher, verder naar beneden door te dringen; in den geheelen verderen omtrek eindigen de gletschers op de tinnen der rotswanden. Van tijd tot tijd weerklinkt de donder van ijslawinen, die in het dal storten. Bijzonder grootsch zijn de rotstorens der toppen Helena en Savoye en de steile rotsen van den noordmuur van den Baker, die naar het Oosten in hoogte overtroffen worden door de toppen Moore en Wollaston.

Nadat we den voet van den Speke in het Zuidwesten waren omgetrokken, marscheerde ons klein gezelschap bijna in horizontale richting onder den westelijken wand voort, waarbij we ons steeds aan den rand van den gletscher boven hielden. Deze heeft zich in den jongsten tijd teruggetrokken en daarbij een breeden zoom van rotsblokken en morenepuin achtergelaten, waartusschen eenige groepen van Senecio’s en Helichrysums wortel hebben geschoten.

Iets verder naar boven, op een smalle strook tusschen twee langwerpig ronde meren en aan den rand van den Spekegletscher, liet ik het kamp opslaan. Het was het vijfde, 4475 meter boven de zee gelegen, juist beneden den Victor-Emanueltop. In de nabijheid staan eenige Senecioboomen; de negers zoeken verder naar beneden, waar hout in overvloed te vinden is, een rustplaats. Boven is de lucht helder, maar om de bergen en in de dalen hangen trage nevels, die het grootste deel van het landschap omhullen. Op korten afstand en wat verder naar beneden ligt een derde meer, dat een weinig grooter is dan de beide naast het kamp.

Den volgenden dag bereikten wij, eerst over rotsen, dan over plaatsen vol sneeuw langs een zachte helling, zonder van het touw gebruik te moeten maken, in weinig meer dan een uur den top van den 4901 meter hoogen Victor Emanuel. Het was half zeven in den morgen en alles in het rond lag reeds in een dichten nevel. Wij bleven bijna acht uren boven, altijd in afwachting van een opklaring van het weder, die echter uitbleef. Er woei een zwakke, veranderlijke wind, en ieder oogenblik begon het nu eens te sneeuwen, dan weer vielen korte en krachtige hagelbuien neer. Op eens waren de bergbestijgers omhuld door een met electriciteit beladen wolk, en op de bijlen en houweelen, de statieven, den barometer en de naburige rotsen begonnen kleine ontladingen te knetteren. Zelfs de haren op het hoofd werden electrisch. Het was een onbehagelijke en ook niet ongevaarlijke toestand.

Om ons den tijd te verdrijven bouwden wij een grooten steenhoop op de noordwestelijke rotspunt, die enkele meters lager is dan de met sneeuw bedekte top. In den namiddag ging het naar het kamp terug, terwijl het weder nog slechter werd. De dag was voor het verder onderzoek volkomen verloren.

Den 24sten en 25sten Juni weken de nevels in het geheel niet van den grond, en er heerschte een aanhoudende afwisseling van regen, sneeuw en hagel. De gidsen ondernamen een klein uitstapje om een weg te zoeken naar den Eminberg dwars over de dalen ten noordwesten van den Speke. Den 25sten deden we een poging, om verder te marscheeren, maar na korten tijd moesten wij omkeeren; de nevel was te dicht; het scheen wel nacht te wezen. Op die twee dagen van gedwongen rust kon ik in de van den Spekegletscher komende beken de karakteristieke, door het smelten van het ijs te voorschijn geroepen, periodieke schommelingen tusschen een minimum en een maximum in den morgen en in den avond nauwkeurig nagaan. Er zou geen reden zijn, dat feit te vermelden, als Freshfield niet door de geringe waterrijkdom van de Moboekoe op de plaats, waar ze van den gletscher komt en door de helderheid van het water tot het besluit was gekomen, dat de stroom zijn oorsprong waarschijnlijk eerder aan een bron onder den gletscher dan aan het smelten van het ijs te danken had.

Die waarneming staat in verband met een algemeene theorie van Freshfield, dat de gletschers in de tropen hoofdzakelijk door verdamping en maar voor een gering deel door afsmelting kleiner worden. Hoe echter ook de omstandigheden in den Himalaya mogen wezen, er is geen twijfel aan, dat in dat opzicht de gletschers van den Roewenzori op die van de Alpen gelijken en alle aan hun uiterste einden bergstroomen laten ontspringen, die geheel de eigenschappen van gletscherbeken bezitten. Inderdaad heeft het klimaat van den Roewenzori niet veel van het tropische aan zich, en waarschijnlijk laat een atmosfeer, die zoozeer met vocht overladen is, dat er bijna aanhoudend nevels hangen, geen zoo aanmerkelijke verdamping toe, dat zich daaruit alleen de aanzienlijke vermindering laat verklaren.

De zuiverheid van het water van sommige uit de gletschers van den Roewenzori te voorschijn komende stroompjes heeft zeker haar oorzaak in de onbewegelijkheid van deze gletschers, die den rotsgrond, waar ze op rusten, niet afschuren en verbrokkelen. Werkelijk zijn deze gletschers meer ijsdeksels op toppen en kammen dan ijsstroomen, die, als in de Alpen, uit een verzamelbekken zich naar beneden bewegen.

Zeker moet men, om zich rekenschap te geven van de beteekenis, die de Roewenzoriketen heeft voor de voeding van den Nijl, de keten in haar geheel beschouwen. Met haar toppen reikend tot in de koudste luchtlagen, trekt ze de massa’s der uit verren omtrek opstijgende waterdamphoeveelheden [379]tot zich en laat ze als regen en sneeuw neervallen. Daarbij komt het stelsel der dalen, die als groote verzamelbekkens voor het regenwater dienen. Ik herinner eraan, dat Stanley alleen op de westelijke en zuidelijke helling 62 bergbeken telde, die zich van het gebergte in de Semliki en in het Albert-Eduardmeer stortten.

In den avond van den 25sten Juni helderde ten gevolge van een plotselingen omslag van het weder de lucht geheel op, en een wondervolle zonsondergang overgoot het geheele dal en het verre oerwoud van het Kongogebied met een vlammend rood. Er volgde een bitterkoude nacht. Op den morgen van den 26sten, om vier uur, was ik met de gidsen reeds onderweg. Alles was stijf van de vorst; er vloeide geen druppel water, en het meer was zoo goed als geheel bevroren. De harde sneeuw op den gletscher knarste onder de voeten. Om half zes was ons klein gezelschap weer op den Victor-Emanueltop. Er woei een koude wind van het Noordwesten; in de heldere, doorschijnende lucht teekenden zich de lijnen der kammen schitterend tegen het uitspansel af. Het was ideaal weêr voor het doen van hoekmetingen.

De Victor-Emanueltop ligt zoowat in het midden van den wijden kring, waarin de bergen en gletschers van den Roewenzori verrijzen, en zonder twijfel is hij het geschiktste punt voor de waarneming der geheele keten. Van den top verloopt naar het Noorden de lange vergletscherde kam, die dan tot het Cavalli-zadel daalt en zich van daar weer tot den Humberttop van den Eminberg verheft. Een diepe, van het Noorden naar het Zuiden gerichte kloof met steile wanden scheidt den Emin van den Gessi, van waar uit de beide toppen Jolanda en Bottego aan het uiterste einde van den met sneeuw bedekten eindkam duidelijk zichtbaar zijn. In het Zuidwesten steekt ver boven alle andere bergen de Stanley op met zijn vijf toppen, van welke de Alexandratop maar even links achter den Margheritatop te zien is. Op de groote gletschervlakte aan den voet der beide toppen kan men zwarte punten onderscheiden; dat is de karavaan van Sella, die op dezen morgen den Alexandratop bestijgt. De kring van gletschers eindigt in het Oosten in den Mooretop van den Baker, waar zich de enkele dagen te voren door Sella opgerichte steenhoop verheft.

Over den Scott-Elliotpas heen ziet men als door een venster in de verte den uitersten westelijken rand van den Luigi-van-Savoyeberg. Tusschen dezen en den pas kan de blik zich in de dalen verdiepen met de meren ten westen van den Baker, en in het nog vale licht der morgenschemering onderscheidt men daar in de diepte een vuur; dat is van het kamp der zwarte dragers, die de levensmiddelen brengen.

Zoo was ik in dat morgenuur, van den hoogen top van den Speke uit, getuige van de veelzijdige, opgewekte werkzaamheid van mijn karavaan en zag vóór mij den geheelen goed georganiseerden arbeid der expeditie zich ontvouwen. Na zeven uur bevonden we ons reeds op den terugweg naar de tent en brachten het overige van den dag door met het drogen van onze kleeren, die door de regens van de laatste dagen doornat waren.

Tegen den avond kwamen nog eenige Bakonjo’s met levensmiddelen aan. De nacht was helder en de sterren fonkelden; de zon ging op aan een volkomen wolkenvrijen hemel. Ik ging met een gids vooruit in de richting naar het Noorden op de vlakte tusschen de meren en den voet van den bergmuur, een rotsterras, waarop ongeveer 200 meter verder de gletscher met een groep van seracs eindigt. Wij komen vooruit door te springen van het eene aan den voet der rots opgestapelde rotsblok op het andere. De dragers vinden iets verder naar beneden een gemakkelijker weg, die tusschen het tweede en het derde meer onder Senecio’s en Helichrysum loopt.

Zoo bereiken wij steeds langs den rand van den gletscher de hoogte van den hoogen voormuur, die zich van den Speke naar het Westen wendt en de dalen ten westen van den Stuhlmann- en den Cavallipas van elkander scheidt. Op den kam steekt een rotspunt uit, een soort van uitzichttoren, 4494 meter hoog, van waar uit men den af te leggen weg kan overzien. Ongelukkigerwijze begon de lucht alweer te betrekken, en nevels, die zich hier en daar vormden, schoven zich snel tusschen den beschouwer en het landschap. Op een van de in het Westen vóór den Emin gelegen uitloopers bemerkten we van hier uit duidelijk een loodrechten rotskegel, een soort van kleinen Matterhorn, die wel een van de “tweeling-kegels” zou kunnen zijn, waarop Stairs bij zijn excursie naar het noordwestelijk deel der keten marcheerde.

Om aan den voet van den Emin te komen, moesten wij het bovendeel van het dal oversteken, dat naar het Westen van het Cavalli-zadel daalt, en een tweede, lager rotsbastion, dat van den Speke af in dit dal vooruitspringt, passeeren. Van daar uit ging de weg verder langs den berg onder den Grantgletscher, die zich nog sterker dan de overige op den rug van dezen uitlooper schijnt te hebben teruggetrokken; daarna stegen we erlangs in de richting van den Cavallipas verder. Wij bemerkten daarbij, dat er, als door de Voorzienigheid geschapen trappen waren, ingesloten tusschen rotsblokken, waar we anders onmogelijk over zouden hebben kunnen heen komen. Er groeiden een menigte Helichrysumstruiken, waar de gidsen een pad door moesten banen.

Het dal wordt in zijn bovengedeelte beneden de inzinking gepasseerd, en het zesde kamp wordt een paar honderd meter onder den Humbertgletscher op een kleine rots vlakte opgeslagen, waar de rots loodrecht in het dal afdaalt. Dit mondt 160 meter verder uit in een soort van amphitheater, dat door loodrechte wanden is omgeven; in het midden echter leidt een minder steile helling naar het Cavallizadel omhoog. In het Westen trekt zich het dal samen tot een enge kloof, waarin zich de uit de zuidelijke gletschers van den Emin komende bergstroom uitstort.

De op dien dag afgelegde weg was lang geweest, en wij allen voelden ons vermoeid.

Op den morgen van den 28sten Juni kondigde zich de dag met slecht weer aan. Wij braken bij bewolkten hemel op en begonnen de vooruitspringende rots te beklimmen, die van den Humberttop tusschen den Emingletscher en den Humbertgletscher in dalende richting voortloopt. Toen we den rechtschen rand van [380]den laatste hadden bereikt, lieten we hier, juist 200 meter boven het zesde kamp, de tent achter en begonnen de bestijging door de sneeuw, die den gletscher bedekte. Boven aangekomen, bogen wij naar het Westen af in de richting van een rotskam, waarover we den Humberttop bereikten ter hoogte van 4815 meter. Hier bleven we vijf uren; toch viel het ons nauwelijks te beurt, hier en daar een paar bergen tusschen de nevels te voorschijn te zien komen. We richtten op den breeden, steenachtigen top een groot en steenhoop op.

Een machtige, verbrokkelde kam strekt zich in het Noorden tot den Kraepelintop uit, die lager en eveneens steenachtig is. De Gessi, aan de overzijde van een nauwe kloof met steil afdalende wanden, heeft het aanzien van een breed zadel met twee weinig uitstekende punten aan het uiterste noord- en het uiterste zuideinde van een langen, met sneeuw bedekten kam. Laat keerden wij naar de tent in de nabijheid van den gletscher terug.

Den dag daarop wilde ik naar den Humberttop terugkeeren, om hoekmetingen te verrichten, maar reeds in den morgen dreigde slecht weer. Wij hadden nog slechts levensmiddelen voor een enkelen dag. Bij den grooten afstand van Bujongolo, de eenige basis, waar we iets konden vinden, en bij zoo moeilijke wegen was de regelmatige proviandeering niet licht. Dus moesten we den terugweg inslaan.

In een half uur hadden we het zesde kamp onder het Cavallizadel bereikt; daarna stegen we weer omhoog naar den “uitzichttoren”, en in de eerste uren van den namiddag sloegen we, onderweg door een sneeuwstorm, overvallen, de tent nogmaals aan den voet van den Victor-Emanueltop op. Den volgenden dag trokken wij in een langen dagmarsch over het Stuhlmannzadel, staken het bovengedeelte van het Bujukudal over, klommen tegen den steilen wand van het Scott-Elliotzadel op en overnachtten weer in het tweede kamp aan den oever van het meer en aan den voet van den westelijken wand van den Baker. De levensmiddelen waren op den terugweg op vooraf aangewezen punten verdeeld, zoodat de karavaan snel vooruit kwam, daar ze slechts het weinige kampmateriaal had mee te voeren.

Het beklimmen van den Alexandratop.

Het beklimmen van den Alexandratop.

Den 1sten Juli keerde ik, na den Freshfieldpas te zijn overgegaan, waar Sella gemeenschappelijk met Botta zijn tent had opgeslagen, om te kunnen photografeeren, steeds onder stroomenden regen in het moerassige Moboekoedal terug. Na een afwezigheid van zeventien dagen zag ik het kamp van Bujongolo weer.

Den geheelen tijd door had ik op een hoogte van meer dan 4000 meter geleefd, waarbij mij maar weinig en primitief kampmateriaal ter beschikking stond; er moesten drie personen in een enkele kleine bergtent zonder veldbedden slapen, bijna altijd met door regen en sneeuw doorweekte kleeren, onder ontberingen en strapatsen, die enkel kunnen beoordeeld worden door wie het leven in het hooggebergte onder dergelijke omstandigheden kent.

In die zeventien dagen was het mij mogelijk geweest, een flink stuk werk te doen; ik had de toppen Margherita, Alexandra, en dien tweemaal, Helena en Savoye van den Stanley, den Victor-Emanueltop van den Speke ook tweemaal en den Humberttop bestegen; ik had mij een weg gebaand over de zadels naar Freshfield, Scott-Elliot en Stuhlmann genoemd, het bovengedeelte van het Bujukudal kunnen onderzoeken en de westelijke hellingen van den Speke en daar bij tevens de studie van de verdeeling der toppen en van den aard van den samenhang der afzonderlijke groepen onder elkander kunnen voltooien, wat ik voor een deel reeds sedert de eerste bestijgingen der toppen van den Baker ondernomen had en wat ik later door talrijke hoogte- en hoekmetingen verder had uitgebreid.

Dat alles werd op de gelukkigste wijze aangevuld door de werkzaamheden, die de overige leden der expeditie hadden uitgevoerd. Wat dien arbeid van mijn medeleden betreft, kan ik het volgende mededeelen.

Het bericht over de werkzaamheid van een expeditie als die der Roewenzori-bestijging, welker afzonderlijke afdeelingen hun bijzondere taak hebben en die zich gelijktijdig met verschillende dingen bezighouden op uiteenloopende punten, kan noodwendig enkel in brokstukken worden gegeven en moet in den tijd nu en dan teruggaan, om de veelzijdige werkzaamheid van de karavaan in het licht te stellen.

Toen ik den 22sten Juni het vierde kamp op den Scott-Elliottop verliet, om mij door het Bujukudal naar de noordelijke bergen te begeven, bestegen Cagni en Cavalli onder leiding van den gids Brocherel [381]den Alexandratop. Jammer genoeg, was het weer nevelig, zoodat ze in de drie uren, die ze op den top doorbrachten, slechts af en toe een vluchtig oogenblik uitzicht hadden, waardoor ze den naburigen Margheritatop waarnemen en van de omringende bergen eenige hoekmetingen konden doen. Bij den terugkeer geraakten ze in een erge sneeuwjacht, zoodat ze er tot de knieën in wegzonken.

Sella was bij het aanbreken van den dag met de photografietoestellen opgebroken en kon een paar foto’s van de kammen in de buurt van het kamp nemen, terwijl Roccati geologische waarnemingen deed en mineralen verzamelde.

Den 23sten en den 24sten hinderde hetzelfde slechte weer, dat mijn eerste bestijging van den Victor-Emanueltop had belet en mij twee dagen in het vijfde kamp gevangen had gehouden, Sella en Roccati bij alle werk buiten de tent.

Cagni had haast om naar Bujongolo terug te keeren, om zoodra mogelijk de magnetische waarnemingen te beginnen en de ligging van de ter beeindiging der trianguleering vereischte basislijnen vast te stellen. Hij verliet den 23sten, te zamen met Cavalli, het vierde kamp en kwam nog denzelfden avond over het Freshfieldzadel naar Bujongolo, waarbij hij den geheelen weg moest afleggen in een regen, die op wolkbreuken geleek. Langs den weg had hij op geschikte punten voorraden van levensmiddelen laten plaatsen ten gebruike voor allen, die nog in het gebergte waren achtergebleven. Cavalli, die zich met het oog op botaniseeren in het derde kamp, aan den voet van den westelijken wand van den Baker had opgehouden, keerde den volgenden dag naar Bujongolo terug, eveneens tot op de beenderen nat.

Hij trof Cagni verdiept in allerlei werk. Nadat hij weer orde had gesteld op de organisatie van de expeditie, zorgde hij voor de vorming van vliegende negertroepjes, die tot taak hadden mij van levensmiddelen in de verre dalen ten westen van den Speke te voorzien. Verscheiden Bakonjo hadden gewonde voeten en behoefden geneeskundige hulp. Daar de meerderheid van de tenten ontbrak en de plaats open was, nam Dr. Cavalli het kampwerk weer op, liet de reeds gereed gemaakte platformen herstellen en nieuwe aanleggen, de gaten vullen, blokken ver wij deren en boomen vellen ter vergrooting van de beschikbare ruimte.

De Speke.

De Speke.

Het slechte weer vergunde geen enkele waarneming. In den loop van een week kon Cagni de zon niet een enkel uur lang onafgebroken te zien krijgen. De regen was niet hevig, maar viel onophoudelijk, en de nevel was zoo dicht, dat men niet eens den overkant van het dal kon zien. [382]

Toch kon Cagni op 25, 27 en 28 Juni, in de zeer kleine tusschenpoozen waarin het weder ophelderde, eenige astronomische waarnemingen doen. Ook Sella benutte den 26sten het ietwat betere weêr, om van het vierde kamp uit in gezelschap van Roccati, Brocherel en Botta de bestijging van den Möbiustop, den eenigen nog niet bestegen top van den Stanley, te voleindigen, en deed een kort uitstapje over den kam naar de Serpentinrotsen van de westelijke hellingen, nadat hij het geweldige sneeuwdek op dien kam met bijlslagen had verbrijzeld. Van daarboven waren de beide kleine meren aan den voet van den rotswand duidelijk zichtbaar. Het viertal keerde in een dichten sneeuwstorm naar het kamp terug, maar de dag was toch tot iets nuttig geweest.

Den volgenden dag brak Sella met Brocherel en Botta in de vroege morgenschemering weer op. Van de gletschervlakte uit kon hij mij tijdens mijn oponthoud op den Victor-Emanueltop waarnemen. In de tusschenpoozen tusschen de nevels deed hij opnamen met het photografietoestel en kwam ten slotte ook op den Alexandratop. Onder den terugkeer van Sella begon het weer te sneeuwen.

Nog gunstiger liep de 27ste Juni af. Sella keerde met Roccati naar den Alexandratop terug. Het was de vijfde bestijging van den top. Weer beneden aangekomen, trok hij met Brocherel en Botta over den pas tusschen den Alexandra- en den Möbiustop en daalde langs den van spleten doorsneden gletscher aan de westzijde ongeveer 400 meter naar beneden. Van een rotspunt uit, die vooruitsprong tusschen de gletschers van de beide toppen, kon hij verschillende opnemingen van de westelijke wanden maken en zoo de voorstelling in beeld van den Stanley van alle windstreken uit voltooien. De door Sella bestegen rots aan den voet der westelijke gletschers was daar de laatste overwinning; den volgenden dag braken ze bij storm en hagel met hulp van de uit Bujongolo aangekomen dragers het kamp af en daalden naar de meren ten westen van den Baker.

Den 29sten sloegen ze nogmaals hun kamp op het Freshfieldzadel op. Op dien dag werd het photografietoestel op den kam ten zuiden van den Eduardtop dicht bij den rand van den gletscher opgesteld. Na drie uren van vergeefsch wachten in regen en sneeuwjacht lieten ze het daar staan en keerden naar hun tent terug. Den geheelen volgenden dag brachten ze op den kam door, terwijl de sneeuw om hen heen stoof, zooals ze daar zaten gehurkt bij het toestel. Ook beneden op den pas was zooveel sneeuw gevallen, dat het gewicht ervan de tent had omvergeworpen. Trots rijkelijke besproeiing met petroleum gelukte het eerst met de grootste moeite een klein vuur aan te leggen met het doorweekte hout.

Den 1sten Juli steeg ook Roccati, die de inzameling van mineralen en steensoorten in de omgeving van den pas en de naburige gletschers voltooid had, naar Bujongolo naar beneden en liet Sella, die vast besloten was zijn plan te volvoeren, met Brocherel en Botta achter. In den namiddag van dien dag trok ook ik op den terugweg van den verren Emin over den pas, van waar ik mij rechtstreeks naar Bujongolo begaf.

Den daarop volgenden morgen steeg Sella bij weinig belovend weer met zijn beide begeleiders, van den pas uit, over den zuidelijken kam omhoog naar den Eduardtop. Hij kon enkele foto’s maken en ook een vrij onvolledig panorama verkrijgen. Bij de daling werd hij door een hevig onweer overvallen, dat den geheelen volgenden dag met regen, hagel en sneeuw aanhield.

Het schouwspel, dat een onweer op deze hoogte van 4322 meter aanbiedt, is een der meest grootsche, die men kan aanschouwen. Zware wolkenmassa’s waren gelegerd boven de Semliki, die in de verte zich als een zilveren lint voortslingerde. Geweldige wervelingen van nevels komen aanhoudend uit de oostelijke en westelijke dalen op, vloeien te zamen en lossen zich onder voortdurend opvlammen van bliksemstralen en kraken van donderslagen op, om dadelijk door nieuwe, uit de diepte opkomende dampmassa’s te worden vervangen.

Dikwijls klaarde in den avond na een onder nevel, regen, sneeuw en hagel verloopen dag het weer op. In de van waterdamp verzadigde atmosfeer van kristalheldere doorschijnendheid is de ondergaande zon als een reusachtige vuurbol, en dalen, gletschers en sneeuwvlakten in het Westen worden overgoten door een vlammend rood.

Op den morgen van den 4den Juli verliet Sella met zijn begeleiders opnieuw de tent, om den middelsten top van den Luigi van Savoye, die thans den naam van Sella draagt, te bestijgen. Na door het hoogst gelegen deel van het dal te zijn getrokken ten westen van den Freshfieldpas, kwamen ze aan een inzinking van den kam. Het was moeilijk, zich in den nevel te oriënteeren. De talrijke rotstorens noodzaakten hen, over een steil hellend sneeuwveld ten zuiden van den kam te gaan en daarna naar de noordzijde beneden den top terug te keeren, dien ze eindelijk door een rotskloof bereikten. De 4659 meter hooge, rotsachtige Sellatop is eveneens bezaaid met uiterst talrijke plekken, waar de bliksem verwoestingen heeft aangericht. Eenige rotsen waren aan den rand over een dikte van verscheiden centimeters geheel doorboord en zagen eruit, alsof ze wormstekig waren geworden. Ze bleven verscheiden uren op den top, zonder dat het hun gelukte, ook maar een enkele photografische opneming te doen. Nauwelijks konden ze in het Zuidwesten door den een oogenblik lichter wordenden nevel den Weismanntop aan het uiterste einde van een met sneeuw bedekten kam onderscheiden.

Bij den terugkeer daalden ze rechtstreeks naar het dal, dat vol moerassige plaatsen was en de gewone vegetatie van Senecio’s vertoonde; na het aanbreken van den nacht kwamen ze in mooien maneschijn in hun tent terug.

Eindelijk op den 5den Juli trof Sella weer met de expeditie in Bujongolo samen, nadat hij een geheele week op den Freshfieldpas vertoefd had en steeds uitvluchten op de kammen had gedaan, waarbij hij uren en uren naast zijn photografietoestel in ellendig weêr had doorgebracht. Niettegenstaande zijn volharding en geduld was het hem niet mogelijk geweest, het geheele panorama der bergen van den Eduardtop uit op te nemen, zooals zijn bedoeling was geweest. [383]

Ondertusschen was men in Bujongolo niet werkeloos gebleven. Cagni had te vergeefs beproefd, magnetische waarnemingen te doen. Ze waren door de menigte der in de gesteenten bij Bujongolo voorkomende ijzerhoudende mineralen verhinderd geworden, welker invloed zich zelfs openbaarde, als de inclinatienaald geplaatst werd op een met opzet voor dat doel gebouwd getimmerte, dat vele meters boven den grond uit balken was opgetrokken.

De grootste moeite was het echter, om een voldoende vlak en uitgestrekt veld te vinden, waarop men een basislijn kon afpalen, welker beide einden met de twee toppen verbonden moesten worden, die in het net begrepen waren der door mij van verschillende bergen uit gemeten hoeken.

Tegenover de hooge rots, aan welker voet Bujongolo lag, bevond zich iets achterwaarts een effen terrein. Maar van daar kon men alleen den Eduard- en den Cagnitop zien, die met de overige toppen niet verbonden waren. Een andere nog hooger gelegen plaats op den naar het Freshfieldzadel voerenden weg, die door het slechte weder en door het heen en weer gaan van de dragers in een moeras was veranderd, bood al geen betere gelegenheid. Ik moest mij met Cagni ervan overtuigen, nadat wij hier een geheelen dag in den regen hadden doorgebracht.

Nu werd het plan overwogen, de basis naar de vlakte achter Bujongolo te verleggen. Ik zou dan naar den Eduardtop zijn gestegen, en Cagni zou den top, die zijn naam draagt, hebben beklommen, om van die punten uit de hoeken der overige bergen te meten. Alles hing ervan af, of het ons gegeven zou wezen, eenige uren helder weêr op de bergen te treffen.

Intusschen ondernam ik een onderzoek in het dal, dat zich tegenover Bujongolo tusschen den Baker en den Cagnitop bevindt, en zag, dat het door sterk hellende, gladde en voor de zwarte dragers zeker onoverkoombare rotsblokken versperd was. Het weêr bleef als te voren slecht; de Baker was geheel met versche sneeuw bedekt; in het dal had de regen de heele aarde in taai slijk veranderd.

Den 4den Juli gelukte het, trots den aanhoudenden regen en den dichten nevel, door gebruik te maken van elk windje dat de wolken verdreef, de basislijn op de vlakte boven het kamp af te steken op een mostapijt op moerassigen grond, begroeid met Senecio’s, die van het water dropen. Om de theodoliet aan de beide einden der lijn te kunnen opstellen, moest men bepaalde fondamenten leggen, door steenen als paalwerk tot op twee meter diepte in het moeras te brengen. Nauwelijks waren de voorbereidselen voltooid, of het weer begon beter te worden, en op den 5den Juli, op een helderen, zeer kouden morgen, kon ik den Freshfieldpas bestijgen. Roccati, die mij tot zoo ver vergezeld had, keerde met Sella weer naar Bujongolo terug, terwijl ik rechtstreeks naar den Eduardtop verder trok, langs den zuidelijken kam, waarover drie dagen te voren Sella de bestijging had volbracht. De nevel keerde weer, eer ik den top had bereikt, en eerst laat in den namiddag kon ik bij een kort oogenblikje van helderheid eenige hoeken meten. In den laten avond keerde ik in het kamp terug.

Den 6den werd ik door het opnieuw slecht geworden weer in mijn werk gehinderd; den 7den echter was ik op een vroeg morgenuur naar den top gestegen en kon alle metingen voleindigen. Den volgenden dag ondernam ik nog de bestijging van den Stairstop van den Luigi van Savoye, vóór ik naar Bujongolo terugging.

Commandant Cagni was den 6den Juli met Giuseppe Petigax, Brocherel en eenige zwarten opgebroken, om de bestijging van den rotstop ten noorden van het kamp te verrichten, welke top aan het eene einde der basislijn en aan het hoeknet zou worden aangesloten.

De Cagnitop ligt aan het uiterste zuidelijk einde van een rotsmuur, die zich tusschen den Baker en den zuidelijken Portaltop bevindt, ingesloten tusschen twee korte dalen, die meertjes bevatten en door zijtakken van de Moboekoe worden doorstroomd.

Daar Cagni de rotsblokken, die mij bij het onderzoek van den 2den Juli hadden belet voort te gaan, wilde vermijden, en ook om het Moboekoedal niet dwars te moeten oversteken door het moeras, besloot hij de wanden van den Baker beneden den Wollastontop te bestijgen en dan op de hoogte naar den Cagnitop te marscheeren.

De expeditie sloeg dus eerst den weg naar het kamp aan den Moboekoegletscher in en wendde zich van daar naar de oostelijke hellingen van den Baker met het doel, den pas ten oosten van den Mooretop te bereiken. Maar de nevel, die eeuwige vijand, dwong hen, aan den steilen wand te midden van sneeuw, rotsblokken en moerassen halt te houden. Den volgenden dag zag men in, dat men op den ingeslagen weg niet verder kwam. Men moest in de nauwe kloof tusschen den Wollaston- en den Cagnitop afdalen. Dat was geen lichte taak, en op meer dan één plaats moest men de lasten en ook de dragers, alsof het zakken waren, aan een touw neerlaten. Toen men aan den voet der loodrecht oprijzende zuidwestelijke wanden van den Cagnitop en beneden in het kleine dal was gekomen, steeg men door een dicht boschje van Ericaceeën weer naar den bovensten rand en sloeg de tent dadelijk beneden den pas op.

Van dit punt uit volgde men den 8sten Juli het bergland, aan welks uiterste einde de top ligt en bleef daarbij aan den westkant. Aan den voet van den eindkegel gekomen, liet men de kampbenoodigdheden achter en kwam na wat geklauter om half vier in den namiddag, midden in den nevel, op den in een kleine vlakte uitloopenden top. Dadelijk werd de kleine magneettheodoliet op het statief gezet. Op eens ontdekten de bergbestijgers door den nevel heen, ten zuiden van het punt waar ze zich bevonden, den werkelijken top, die door de straalbreking zeer hoog boven hen zich scheen te verheffen. Terstond werd de theodoliet eraf genomen en opgeborgen; de expeditie daalde naar de inzinking en klom van daar in een verbazend moeilijken klim om en over glibberige rotsblokken omhoog, tot ze om zes uur op den echten top stond.

De nevel was opgetrokken, maar het was bijna nacht. Cagni had nauwelijks den tijd, alle toppen met het kompas op te nemen. Daarna daalde de kleine schaar weer naar beneden, om te gaan rusten. Den volgenden morgen bij zonsopgang en kristalhelderen [384]hemel was Cagni weer op den top en kon alle hoeken met de theodoliet en het kompas meten. Na oprichting van een steenhoop aanvaardde men om acht uur den terugweg, toen de eerste nevels begonnen op te stijgen. De expeditie sloeg den weg in naar het ten westen gelegen kleine dal en trok daar door tot aan het Moboekoedal. Hier werd de marsch door het dichte woud in den nevel bezwaarlijk, maar nog denzelfden avond was men in Bujongolo terug.

Het Bujuku-meer met den Stanley.

Het Bujuku-meer met den Stanley.

Sella wachtte er op de bergtent van Cagni, om nogmaals er op uit te trekken voor een photografeertocht. Ik was dien dag naar het eerste kamp op den Baker gegaan, van waar ik den volgenden dag, den 10den Juli, naar den Wollastontop ging, die 4659 meter hoog is en nog door geen lid der expeditie was bestegen. De rotsen waren met ijs bedekt, het weêr was helder en ik kon twee uren aaneen waarnemingen doen. Toen zette ik mijn marsch over den kam voort tot den Mooretop, van waar ik over den reeds door Sella beklommen kam den terugweg naar Bujongolo insloeg.

Sella was des morgens met Botta en eenige negers weer opgebroken en was naar het Freshfieldzadel teruggekeerd. Den 11den Juli was hij bij zonsopgang nog weer op den Eduardtop, en het gelukte hem eindelijk, het geheele panorama der keten op te nemen, ter wille waarvan hij een geheele week op het Freshfieldzadel in zijn tent had gewacht. Bij het dalen bracht hij een bezoek aan den kleinen, wat lageren, tweemaal door Wollaston bestegen top en vond er een korte, schriftelijke mededeeling van den engelschen onderzoeker. Daarin waren de beide bestijgingen van den 17den Februari en den 3den April 1906 vermeld, alsook de namen der onderzoekers van het hooggebergte “A. F. R. Wollaston, R. B. Woosnam, 17 Febr. 1906. Height by aneroid 16050 feet.

A. F. R. Wollaston (Alpine Club), R. B. Woosnam, D. Carruthers of the British Museum Expedition to Ruwenzori, 5 hours from Bujongolo. Waterboil 183,6; Temp. of air 39,7; aneroid 16150 feet. April 3, 1906.

Den 12den Juli besteeg Sella bij aanhoudend mooi weer opnieuw den Stairstop en kon er een groot aantal photografieën maken. Intusschen had Cagni in twee dagen van ijverig werken de meting van de basis voltooid, haar met den Eduard- en den Cagnitop verbonden en kon door waarneming eener bedekking lengte en breedte van het eene eindpunt van de basis bepalen.

Toen de expeditie naar Bujongolo was teruggekeerd, had een luipaard stoutmoedige bezoeken aan het kamp gebracht, had schapen verscheurd en vleesch geroofd tot van dichtbij het vuur midden tusschen de dragers. Allen hadden het te druk, om op het dier te letten. De kok Igini en Bulli zetten echter een val voor hem neer, uit twee karabijnen en een stuk vleesch vervaardigd, en zóó aan de trekkers bevestigd, dat de wapens afgingen, als het dier eraan rukte. En inderdaad werd op een nacht het mooie dier gevangen en werd dadelijk door de beide kogels, die hem in den schedel drongen, gedood. [385]

Ik kon thans onze werkzaamheden als volkomen afgedaan beschouwen. Den 7den was Roccati, nadat hij nog eenmaal naar den Moboekoegletscher was teruggekeerd, om op verscheiden plaatsen der rotsen de grenzen der gletschers met roode verfstrepen aan te geven, en nadat hij al zijn verzamelingen volkomen in orde had gebracht, met Dr. Cavalli en een aantal Bakonjo, die een deel van de gereedschappen droegen, van Bujongolo opgebroken, om zich naar Ibanda, het lager dan het Moboekoedal gelegen kamp, te begeven.

Er bleef een enkele berg over, waarvan de top door niemands voet nog was betreden, de Gessi. Natuurlijk wilde ik het mij niet laten ontgaan, ook hem onder handen te nemen, des te minder daar de bestijging te verbinden was met het onderzoek van het Bujukudal, dat nog volkomen onbekend was en dus de moeite beloonde, het in zijn gansche uitgestrektheid door te trekken. Daarom had ik vroeger al de opdracht gegeven, dat een aantal Bakonjo van het punt af, waar het Bujukudal uitmondt in het Moboekoedal tegenover Nakitawa, een ruw pad aan moesten leggen tot op de hoogte. Nu was de arbeid zoo ver gereed, dat hij in de eerstvolgende dagen beëindigd moest worden.

Gezicht op den Stanley en den Baker.

Gezicht op den Stanley en den Baker.

Ik had het plan, met Sella den weg naar beneden door het Bujukudal af te leggen, terwijl Cagni het transport van alle overige voorwerpen, die in het kamp van Bujongolo achtergebleven waren, zou leiden en met zijn gezellen Cavalli en Roccati in Ibanda zou samentreffen, om mij daar te wachten.

Ibanda werd dus de algemeene plaats van samenkomst voor de karavaan.

Dadelijk na mijn op 1 Juli plaats gehad hebbenden terugkeer van den Emin naar Bujongolo, werd met de toebereidselen voor den definitie ven terugkeer uit het gebergte begonnen, waartoe we de tusschenpoozen gebruikten, die tusschen de verschillende werkzaamheden in het kamp vrij bleven. Zoo werden langzamerhand de lasten met de wetenschappelijke verzamelingen en alle niet meer noodige instrumenten en overige voorwerpen in gereedheid gebracht.

Wij beschikten nu over veertig Bakonjodragers, daar de voeding van een grooter aantal op zoo verren afstand van Ibanda moeilijk zou geweest zijn. Zoo kon altijd slechts een deel van het materiaal vervoerd worden, en de dragers moesten den weg herhaaldelijk afleggen. De eerste schaar Bakonjo was met veertig lasten den 4den Juli van Bujongolo opgebroken. Den 7den ging een tweede karavaan weg, begeleid door Roccati en Dr. Cavalli. De laatste had zijn vertrek vervroegd, daar hij had hooren vertellen, dat er zieke dragers in de andere kampen van het dal waren, een gerucht, dat echter ongegrond bleek. Een week later verliet Cagni met Lorenzo Petigax, Brocherel, den kok Igini en 23 [386]dragers Bujongolo. Ikzelf was den dag te voren naar het Bujukudal opgebroken. Ten slotte lag op den 15den Juli Bujongolo, nadat ook Bulli en een laatste groep van 30 Bakonjo de plaats verlaten hadden, weer doodsch en verlaten in de stille bergeenzaamheid.

Ten volle bevredigd door den gedanen arbeid, met een verheugd hart bij de gedachte aan den terugkeer in het vaderland, verlieten allen zonder leedwezen het ongastvrije rotsland, dat hun vijf weken lang had geherbergd; vol ongeduld het moeras, de steenen, de treurige vegetatie van schimmelplanten en korstmossen, het vale licht der nevels, den eeuwig stroomenden regen, het vocht en de koude te verlaten, om de zon, de droge warmte en de levensvolheid van de tropische vlakten met haar kleurenpracht, haar vogelgekrijsch en haar vroolijk volkje van zorgelooze Waganda’s ervoor in de plaats te krijgen.

De Moboekoe, die gezwollen was door een langer dan veertien dagen aanhoudenden regentijd, was niet weer te herkennen; ze vormde grootsche watervallen tusschen de terrasvormig oprijzende, afzonderlijke hoogvlakten van het dal. Overal ontmoetten de dalende karavanen afdeelingen van dragers, die naar Bujongolo omhoog gingen, om nieuwe lasten te halen.

Terwijl een maand te voren aan hen, die uit de vlakte kwamen, het dal zoo goed als ontbloot van dierlijk leven was voorgekomen, maakte nu, na het wekenlang verblijf in het zwijgende hooggebergte, waar hoogstens eenige raven kringen in de lucht beschreven, elk gonzen van een insect, elk geluid van een vogel een diepen indruk op ons.

Bihunga was tot een belangrijk punt van samenkomst geworden; het was de plaats waar de Bakonjodragers de Waganda’s uit de vlakte aflosten, welke laatsten weer in Ibanda samentroffen.

De leden der expeditie werden, toen ze na elkander in Ibanda uit Bujongolo aankwamen, door de naburige hoofden met het gewone ceremoniëel en met geschenken ontvangen. Het kamp was natuurlijk de verzamelplaats voor alle bewoners van het omliggende land. Vrouwen en grijsaards waren ijverig bezig met het uitrukken van gras en in orde brengen van den grond voor den bouw van nieuwe hutten naast de tenten. Van den vroegen morgen tot den laten avond duurde het gelach, het rumoer, het dringen om de vuren, om de keukens en bij het haar- en baardscheren, terwijl de askari’s zich hier en daar door de menigte bewogen en hun best deden, een weinig orde in de menschenmassa te bewaren. De rivier was steeds vol badende negers, die in het water zich met allerlei grappen vermaakten.

Dr. Cavalli kreeg opeens veel te doen, en verscheiden uren van den dag moest hij zich met de zieken bezighouden, die van heinde en ver tot hem kwamen, door verwanten of vreemden met trouwe zorg gesteund of gedragen. Bij de kleine operaties schreeuwden en weenden ze, om dadelijk erna te lachen, juist als kinderen.

Cagni deed een reeks magnetische waarnemingen. Dr. Roccati ondernam geologische en mineralogische excursies in de omgeving, waaronder een naar het meer boven Nakitawa, bij de monding van de Mahoma, in het Moboekoedal. Dit meer was reeds door Moore, door Johnston, door Dawe en anderen gezien; Freshfield noemt het Kobokorameer; maar te oordeelen naar de reisberichten, schijnt geen der genoemden in de nabijheid te zijn geweest. Om erbij te komen, moet men van Nakitawa zonder eenig spoor van een weg in het dichte oerwoud doordringen en zich met de bijl een pad banen door het bamboestruikgewas, de lianen en de Ericaceeën. Men komt over morenenruggen, die een zoo weelderigen plantengroei vertoonen, dat men op veel plaatsen over de struiken loopt, over een elastische, vaak vier tot vijf meter hooge onderlaag van takken en loof. Van tijd tot tijd klautert een van de Bakonjogidsen op een boom, om zich te oriënteeren.

In de buurt van een omgevallen boom zijn sporen te ontdekken van een verlaten vuurhaard, een stuk courant en een oud sardinenblikje, aanwijzingen van een vroegere onderzoekingsreis, misschien van Wollaston of een ander medelid van de expeditie van het Britsch Museum.

Van hier uit bereikt men in een uur het meer. Het is blijkbaar een langwerpig rond glaciaal meer; het strekt zich uit van het Zuidoosten naar het Noordwesten, met loodrecht oprijzende oevers, en is omgeven door een smallen zoom van moerasmossen, waarbuiten het water dadelijk zeer diep is. Er hangen nevelen in het rond en er heerscht een doodsche stilte; nergens een spoor van dierlijk leven. Roccati verzamelde hier planten en dieren aan de moerassige oevers. Lorenzo Petigax en Brocherel bezochten later nog eenmaal het meer en konden zich nog beter ervan overtuigen, dat onder normale omstandigheden geen rivier eruit ontspringt.

Terwijl in Ibanda allen met velerlei arbeid bezig waren, bracht ik het onderzoek van het gebergte ten einde. Ik was op den morgen van den 13den Juli van Bujongolo opgebroken met de gidsen Giuseppe Petigax en Ollier, een askari, een boy en zeventien zwarte dragers met den gids, die bij hen behoorde, een knappen ouden man van vijftig jaren. Op het Freshfieldzadel waren Sella en Botta bij mij gekomen, en wij marcheerden daarna te zamen tot aan het derde kamp beneden de westelijke hellingen van den Baker.

Het dal met de meren, waardoor wij zoo dikwijls bij regen en nevel waren getrokken, nam nu op den mooien, helderen dag een geheel ander landschappelijk karakter aan. Toch brengt de zon, door de dichte, donkere Senecioboschjes gezien, iets in de natuur, dat er niet bij past; de Helichrysums maken den indruk van bloemskeletten; het geheele landschap is doodsch en ernstig, zonder leven, en van beklemmende stilte.

Den volgenden dag werd de lucht na een zonsopgang van verblindende helderheid opnieuw door nevels verduisterd. Op den bekenden weg bestegen wij het Scott-Elliotzadel en marcheerden dan in het uitgedroogde rivierbed op het Bujukudal toe. De vooraangaanden waren aanhoudend in gevaar, getroffen te worden door de steenen, die ondanks alle voorzichtigheid onder de schreden van de beladen negers losraakten.

Aan het benedeneind van de geul aangekomen, [387]moest de expeditie nog een uur door een donker bosch trekken van altijdgroene gewassen, dat op een plek afgebroken werd door een moeras, en was daarna aan het Bujukumeer, een bekoorlijk, rustig waterbekken ter hoogte van 3918 meter, waarop eenige eenden rondzwommen. De aanblik van de toppen van den Stanley en den Baker met hun ontzaggelijke, loodrecht afdalende wanden is hier onvergelijkelijk veel grootscher dan in het bovengedeelte van het Moboekoedal.

Op de met mos bedekte oevers, tusschen het riet, wordt spoedig de voor de expeditie door de Bakonjo aangelegde weg zichtbaar, die langs een zachte helling dwars over het bovenste terras van het dal leidt. De weg eindigt in een rotsspleet, die gevormd wordt door bergmassa’s, afdalend van den Mooretop van den Baker en van den Johnstontop van den Speke. Hier verheft zich een eerste steile trap naar boven en de eerste Ericaceeën verschijnen weer op een hoogte van 3748 meter, vermengd met weinige Lobelia’s, die echter bijna alle afgestorven zijn.

Thans gaat het nu eens op den rechtschen, dan weer op den linker oever van den stroom bergaf, tot men op een tweede hoogvlakte komt, waarachter zich het dal samentrekt tot een smalle kloof, die daardoor gevormd wordt, dat het bergmassief, aan welks uiterste zuidelijk einde de Cagnitop ligt, dwars over het dal zich uitstrekt naar het Noorden. Het loopt zoo ver door, dat het met het langgerekte, geweldige massief van den Speke samenvalt. Dit is van het Westen naar het Oosten gericht en vormt tot hier de noordelijke, linkerzijde van het dal. Op den kam van dien rotsvoorsprong van den Speke verheft zich de zeldzame monolithische rots van regelmatige, architectonische vormen, die al in de schildering der eerste bestijgingen van den Baker werd genoemd.

Wij dalen door de kloof aan de rechterzijde; beneden groeit er een dicht woud van Ericaceeën, dat veel tijdverlies zou hebben veroorzaakt, als er niet reeds een pad door gehouwen was. Daaruit komen we op de zeer uitgestrekte derde hoogvlakte, waarop verschillende, van het Noorden komende, zijdalen uitmonden. Het eene verloopt naar het Noordwesten achter den oostelijken voorlooper van den Speke, om in de nauwe kloof tusschen den Emin en den Gessi te eindigen; het is het Migusidal. Twee andere uitloopers, die door een nevenkam gescheiden zijn, worden doorstroomd door den bergstroom Kurungu, die uit een door den Jolandagletscher van den Gessi gevoed meer ontspringt; en ook vloeit er de Waigga door, die eveneens uit een meer aan den voet van den noordelijken Portalberg komt.

Nauwelijks op de hoogvlakte aangeland, sloegen we op een geschikt punt de tenten op, in de nabijheid van een tegen het weer beschuttende rots, aan den voet van den rechter dal wand in een open ruimte van het bosch, waar overal Helichrysum bloeide. De 3506 meter hooggelegen plek is uiterst schilderachtig; ze is omgeven door hellingen en bergwanden, die geheel met dicht woud bedekt zijn en ligt tegenover de rotstorens van den noordelijken Portaltop.

Dit negende kamp werd het uitgangspunt voor de bestijging van den Gessi, den laatsten top, die nog bedwongen moest worden.

Op den morgen van den 15den Juli trok ik met de beide berggidsen en eenige negers over de vlakte in noordelijke richting en wendde mij naar een inzinking in den van den Speke afdalenden noordwand van het dal. Daarheen trok onze kleine schaar, door in een klein dal op een der hellingen door te dringen, om niet door het dichte woud te moeten gaan. Van den kam daalden wij naar het Migusidal, waarbij we een eindweegs de sporen van een luipaard volgden, die zich een weg door de struiken had gebaand.

Ook het Migusidal wordt gevormd door terrasvormig boven elkander gelegen vlakten. De expeditie bestijgt een paar van die terrassen en komt ten slotte op een hoogvlakte, die zacht hellend omhoog voert naar een bergketel, waar de kloof eindigt, die den Emin van den Gessi scheidt. Wij vermeden de hoogvlakte, doordat wij langs den rechter rotswand van het dal omhoog gingen, tot wij op het terras kwamen, waar de Jolandagletscher eindigt. De brave Bakonjo marcheerden uitstekend; de meeste inspanning werd echter van de gidsen gevergd, die den weg moesten banen, door boomen en struiken van allerlei soort om te hakken.

Het tiende kamp werd op een hoogte van 4166 meter boven de zee in de nabijheid van een oude morene opgeslagen, een paar honderd meter van de tegenwoordige eindmorene van den gletscher verwijderd, die in seracs verbrokkeld, op den rand van een loodrechte rots eindigt. Senecio’s en Helichrysum dringen slechts nog een kort eind boven het kamp door. Van dit hoog terras af gezien, vormt het amphitheater der bergen een der mooiste panorama’s, die er op den Roewenzori te zien zijn.

Op den morgen van den 16den was alles rondom het kamp bevroren. Eer de dag aanbrak gingen we weer op weg. Door een van boven door de eindseracs van den Jolandagletscher gekroonde kloof, dan over de rotsen daar rechts van bereikten we de firnsneeuw en daarmee den zuidoostelijken kam van den berg. Om half zeven zette ik, zonder dat ik van het touw gebruik had behoeven te maken, den voet op den 4769 meter hoogen Jolandatop, en Ollier begon terstond met het bouwen van een reusachtigen steenhoop.

Het weer, dat er bij het opbreken uit het kamp dreigend uitzag, was langzamerhand geheel opgeklaard, en wij hadden een prachtigen kijk op alle bergen te zamen, zoodat ik nog een photografisch panorama van het geheele gebergte kon opnemen. De keten was nu volkomen in twee panorama’s opgenomen, die vanaf de uiterste einden van den onmetelijken cirkelboog uit gephotografeerd waren, namelijk van den Stairstop van den Luigi van Savoye en van den Jolandatop, die bij den Gessi behoort. Daar sluiten zich dan bij aan het van den Eduard-top genomen panorama en dat van de Grauerrots. Tegenover mij zag ik op korten afstand den gespleten en verbrokkelden kam van den Emin, ten zuiden daarvan den Speke met den machtigen Victor-Emanuelgletscher, die van geen punt uit zoo duidelijk zichtbaar is als van de toppen van den Gessi. Achter hem verheft zich de bovenste kam van den Margheritatop met den geweldigen noordwestelijken schouder. Nog verder zuidelijk ligt de geheele Baker met zijn woesten, loodrecht naar het Bujukudal afdalenden rotswand. [388]

Ten oosten van den laatste steekt achter een reeks uitloopers de Cagnitop omhoog.

De Gessi staat in zuidoostelijke richting door middel van een langgestrekten uitlooper met den noordelijken Portaltop in gemeenschap. Het schijnt alsof de waterscheiding van hier uit over een rij van ruggen verloopt, die in noordoostelijke richting tegen elkander aan liggen, zoodat de van de oostzijde van den Gessi afstroomende wateren tot het stelsel van de Semliki zouden behooren.

Lang vertoefde ik op den top, om voor de laatste maal het grootsche schilderij te bewonderen van de bergen en de gletschers, dat nu geen geheimen meer voor mij had. Dan besteeg ik langs den met sneeuw bedekten kam in een half uur nog den Bottegotop, die vijftig meter lager is dan de Jolandatop. Het uitzicht is, in het groot beschouwd, hetzelfde. In een eng dal ten noorden van het tusschen den Gessi en den Emin gelegen Cavallizadel wordt een meertje zichtbaar.

Het Bujukudal.

Het Bujukudal.

Aan den noordoostelijken en noordelijken kant van den Emin dalen drie kleine gletschers naar beneden. De westelijke wand van den Gessi wordt geheel door een gletscher ingenomen, terwijl de oostelijke wand een naakte rots is.

Nog vóór het middaguur waren wij weer in onze des morgens verlaten tent terug. We hadden denzelfden weg genomen, maar waren langs den rand der kloof gegaan en niet onder door, om ons niet bloot te stellen aan het gevaar, bij de seracs van den Jolandagletscher door lawinen te worden getroffen. Na korte rust werd de terugweg aanvaard, en snel daalden wij naar het negende kamp in het Bujukudal.

Gedurende het geheele uitstapje was de zonderlinge monoliet op den uitlooper, die het Bujukudal van het Migusidal scheidt, in het gezicht gebleven. Door zijn eigenaardig uitzien aangelokt, had Sella er afstand van gedaan mij naar den Gessi te vergezellen, om te trachten die rots van nabij te bekijken.

Op den morgen van den 15den brak Sella in gezelschap van Botta op en keerde eerst naar het tweede terras van het dal terug, om dan tegen den, met reusachtige Ericaceeën en altijdgroene struiken begroeiden noordwand omhoog te gaan. Het terrein was zeer oneffen, en geweldige rotsblokken moesten worden vermeden, die soms troonden op omgevallen en met mos begroeide boomen. De nevel omhulde Sella, eer hij hoog genoeg had kunnen komen om den monoliet duidelijk te zien.

Den volgenden dag kon hij zijn doel beter naderen, maar zag zich teleurgesteld, daar hij zich bevond vóór een rotstop, die tengevolge van zijn geïsoleerden stand op een kam grootscher leek, dan hij in werkelijkheid was. Tegen het vallen van den nacht keerde hij naar het negende kamp terug.

Den 17den Juli werd met de daling begonnen bij bedekte lucht, maar zonder regen of nevel. Wij gingen over de vlakte, waar zich de dalen Bujuku, Migusi en Kurungu vereenigen en die waarschijnlijk de bodem is van een vroeger meer, thans geheel met riet bedekt, en marcheerden langs den linkerkant, waar zich overal kleine, met gras begroeide heuvels vertoonden. De expeditie kwam op het derde terras, daarna bij de derde vernauwing van het dal tusschen de beide zuidelijke Portalbergen.

Hier buigt zich het dal licht naar het Zuiden, en de weg voert steil bergaf langs den linkeroever der rivier, die met stroomversnellingen en schuimende watervallen zich naar beneden spoedt. Een klein eind beneden de vlakte houden de Senecio’s op, terwijl de Lobelia’s (Lobelia Stuhlmanni en Deckeni) nog voorkomen.

Nadat we over de Manureggio gegaan waren, een linker zijtak van de Bujuku, kwamen we in een gebied, dat met een reusachtige grassoort begroeid is, een echt rietbosch tusschen de Ericaceeënstammen, en waarmee alle steile hellingen in den omtrek bedekt zijn. Hier waren groote rotsblokken verspreid, en de hellingen werden telkens door kleine bochten afgebroken.

De negers hebben hier het pad aangelegd, door de lange, dikke rietstengels eenvoudig uit te trekken; die vormden een veerkrachtige onderlaag, maar waarop men bij iederen stap uitglijdt of struikelt of wegzakt. [389]

Het elfde kamp werd beneden de Porta-lengte ter hoogte van 2910 meter boven de zee opgeslagen. Eindelijk bevond men zich weer in een echt bosch, omgeven door trotsche boomen, waaronder mooie, met lianen bedekte Podocarpusboomen, bamboestruiken, en buiten het gebied van Senecio’s en Lobelia’s. Kudden van apen dartelden tusschen de takken, en de lucht was vervuld van vogelgezang.

Des avonds begon het weer te regenen, voor de eerste maal na tien dagen van droog weer. De eenige tijd van onafgebroken mooi weer, dien de expeditie in het bergland beleefde, lag achter ons.

Den volgenden dag ging het op den linkeroever van de rivier over een al beter wordenden weg bergaf. Beneden in het dal aangekomen, wendden we ons naar het Zuiden, recht naar de Moboekoe, waarover een bamboebrug gelegd was. Kort daarna kwam de expeditie op den ouden weg door het Moboekoedal en steeg omhoog naar de morene van Nakitawa. Twee uren later kwam ze te Bihunga, en na nog twee uren te Ibanda, waar de geheele expeditie eindelijk weer vereenigd was. Onze taak was volbracht. Door het goede in elkander grijpen van ons aller werk was de onderneming in elk opzicht gelukt.

De Moboekoe-rivier in het Ericaceeënbosch.

De Moboekoe-rivier in het Ericaceeënbosch.

In twee dagen reisde de expeditie van Ibanda naar Fort Portal. De Roewenzori had zich in zijn gewonen wolken- en nevelsluier gehuld en werd niet weer zichtbaar. Wij waren in de verstikkende hitte der vlakte teruggekeerd onder de vroolijke menigte der dragers, naar de vertrouwde vertooningen der inboorlingendorpen met hun bananenaanplantingen. Bij elk kamp werden we door de hoofden met het gansche ceremoniëel der afrikaansche étiquette ontvangen.

In Fort Portal wedijverden de engelsche officieren, koning Kasagama met zijn hofstaat en de zendelingen met elkander in het betoonen van gastvrijheid en beminnelijkheden.

Roccati begaf zich van hier uit in gezelschap van Sella naar de kraters en de kratermeren van Toro op een geologisch-photografisch uitstapje. De oevers van die meren zijn bezet met een ondoordringbaar dichten plantengroei van palmen, drakenbloedboomen, en Euphorbia’s, die zich in het water weerspiegelen, en alles wemelt van een ongeloofelijk mild dierenleven, op het water, in de lucht, in de struiken, misschien wel bewaard door het bijgeloof der inboorlingen, die zich niet graag in de nabijheid der vulkanen wagen, de plaatsen, waar zich toovenaars en booze geesten ophouden en die daarom gevreesd zijn.

Intusschen ondernam ik in gezelschap van Cagni en Cavalli jachtuitstapjes. We waren in het droge, niet gunstige jaargetijde. Het was een onmogelijkheid, door het hooge gras vooruit te komen, want het sluit de paden als muren in en belet den jager alle uitzicht. Des nachts schittert de heele omgeving van Fort Portal van het roode schijnsel der vuren, als de kilometerlange stukken van de uitgedroogde prairieën in vlammen staan.

Zoo naderde Augustus en daarmee het uur van [390]onze terugreis. De expeditie verliet Fort Portal, begeleid door de heeren Knowles en Haldane. Trots de talrijke regenbuien barstten overal branden uit, die soms, als er wind was, ook het bouwland aantastten. Groote velden waren kaal en met asch bedekt.

Den 7den Augustus overschreed de karavaan de grens tusschen Toro en Oeganda, aan de scheiding ontvangen door majoor Wyndham. De dragers schenen ook aangegrepen door het ongeduld van de naar huis keerenden en trokken snel, met slechts weinig rustpoozen, huns weegs. De dagmarschen waren op verschillende manier ingedeeld, en dikwijls werd het kamp opgeslagen op plaatsen, waar men op den heenweg niet gekampeerd had.

In Byndia werd, evenals reeds in Kichiomi in het koninkrijk Toro, de marsch afgebroken, om een reeks magnetische waarnemingen te doen.

Eindelijk, den 14den Augustus, kwamen wij aan de oevers van het Victoriameer. De discipline van de karavaan was er in de laatste dagen niet beter op geworden, en ieder oogenblik ontstonden er twisten, gekibbel en lasterpraatjes onder de dragers.

Bij den terugweg hadden we een korteren weg ingeslagen en bereikten de oevers van het meer tegenover de uiterste punt van het schiereiland, waarop Entebbe ligt.

Terwijl de booten klaar werden gemaakt en de lasten erover werden verdeeld, ontbeten wij aan den oever van het meer in de schaduw van de majestueuse boomen. In de eerste middaguren kwamen we in Entebbe aan.

Na een week, die met de verpakking van al het materiaal in kisten werd doorgebracht, en waarin aan de scheidenden de hartelijkste bewijzen van gastvrijheid en deelneming van den kant van alle in de stad wonende Europeanen werden gegeven, verliet onze expeditie Entebbe en zijn krans van bloeiende eilanden en kusten op de stoomboot “Sybil”.

Onderweg deden wij Jinja aan, om de beroemde Riponwatervallen te bezoeken, die den oorsprong van den Victoria-Nijl vormen; we ondernamen in de langgestrekte booten der inboorlingen een uitstapje op de donkergroene wateren van de rivier.

Den 24sten Augustus verliet de italiaansche expeditie op de stoomboot “Natal” van de fransche Messageries Maritimes den afrikaanschen grond.


Vijf maanden later had ik de gelegenheid, in Rome in een plechtige vergadering van het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap te verklaren, dat vervuld was wat Sir Henry Stanley vijf jaren geleden in hetzelfde genootschap als wensch had uitgesproken: “Dat een hartstochtelijk vriend der Alpen met volle toewijding aan zijn taak, den Roewenzori tot doel kiezen zou en hier een grondig werk zou verrichten, door de bergketen van haar hoogsten top tot haar diepste laagte in al haar uitgestrekte dalen en diepe kloven te onderzoeken.”

Den grooten, sedert twee en een halfjaar gestorven onderzoeker is het niet gegund geweest, de vervulling van zijn wensch te beleven.

De Roewenzoriketen heeft zoowel in orographisch als in hydrographisch opzicht veel eigenaardige trekken. Terwijl in den regel de continenten in trappen van de zee opstijgen naar de uitloopers aan den voet der bergstelsels, verheft zich de Roewenzori in de groeve van het Albertmeer, een gebied, dat ongeveer 300 meter dieper ligt dan de gemiddelde hoogte van Oeganda, en waarin de bekkens van het Albert- en het Albert-Eduardmeer met de noordelijke verlenging van het laatste, het Dueru- of Ruisambameer liggen.

Deze depressie is niets anders dan een deel van de westelijke groote geul in Afrika. Die inzinkingen of geulen, misschien het interessantste geologische verschijnsel in Afrika, zijn twee enorme, 30 tot 70 kilometer breede insnijdingen, die, ongeveer zes lengtegraden van elkander verwijderd, bijna evenwijdig loopen en het werelddeel, van het Nyassameer af, in noordelijke richting doorsnijden. De oostelijke geul volgt den 36sten meridiaan tot voorbij het Rudolfmeer en wendt zich dan naar de Roode Zee; de westelijke verloopt tusschen den 29sten en den 30sten meridiaan en eindigt bij Gondokoro in het dal van den Boven-Nijl. Beide geulen bevatten een bijna onafgebroken reeks van meren alsook talrijke vulkanische bergen, kegels en kraters; beide zijn door een dwarskam in twee deelen verdeeld, die twee hydrographische stelsels, een noordelijk en een zuidelijk, van elkander scheidt. In de oostelijke geul ligt deze kam in de nabijheid van het Naiwaschameer, ongeveer daar, waar de Oegandaspoorweg de depressie snijdt. In de westelijke geul wordt de waterscheiding door een formeele keten van vulkanische bergen gevormd, waarvan enkele nog heden werkzaam zijn; deze keten scheidt ook de merenreeks in twee verschillende systemen. Tot het zuidelijke behooren de Kiwoe- en Tanganyika-meren en tot het noordelijke het Albert-Eduard- en het Albertmeer.

Aan het uiterste zuideinde van de Roewenzoriketen verdeelt zich de geul in twee armen; de eene loopt ten oosten van de keten en eindigt aan den voet der bergen, die de noordelijke afsluiting van het Ruisambabekken vormen en waar Toro en Fort Portal op liggen; de andere arm loopt ten westen van het gebergte, vormt het dal der Semliki en het bekken van het Albertmeer en strekt zich ook nog ter lengte van eenige honderden kilometers in het Nijldal uit. De Roewenzori is op deze wijze bijna volkomen door de inzinking van het Albertmeer omgeven en vormt te zamen met de drie meren een zelfstandig, van het Victoriameer geheel afgescheiden hydrographisch stelsel.

Zoo komt het, dat de geheele bergketen al haar water, onverschillig of het afloopt naar het Oosten, Westen, Zuiden of Noorden, uitstort in een en hetzelfde riviergebied en bijna geheel alleen de drie meren en de Semliki voedt, die te zamen de zuidwestelijke bronnen van den Nijl vormen. Ofschoon de Roewenzori zonder twijfel de belangrijkste groep van met sneeuw bedekte bergen is in het geheele werelddeel, en ofschoon hij in het centrum van Afrika ligt evenals in de richting van de hoofdas, maakt hij toch geen deel uit van de groote waterscheiding. Integendeel is de waterscheiding tusschen Kongo en Nijl een lage hoogte, die geheel door het beide hellingen bedekkende groote woud gemaskeerd wordt en zich [391]naar het Westen op korten afstand van de Semliki voortzet, in het Noorden tot het Albertmeer voortloopt, in het Zuiden zich in de vulkaanketen tusschen het Kiwoe- en het Albert-Eduardmeer, dat is in den scheidingskam van de geul voortzet, en dan een buiging langs de oostelijke oevers van het Kiwoe- en Tanganyikameer maakt.

Ik had voor de keten den naam Roewenzori behouden, die haar door Stanley, haar eersten ontdekker, was geschonken en die in het vervolg door de meerderheid der aardrijkskundigen was aangenomen. Stanley had het gebergte door de noordelijk en westelijk wonende inboorlingen met de namen Roewenzori, Ukonju, Bugombowa, Avuruka, Avirika, Ruwenzururu, Ruwenjura enz. hooren aanduiden. Het scheen hem, alsof Roewenzori de in de Bantoetaal het veelvuldigst gebruikte benaming was; ze zou te vertalen wezen met “Koning der nevelen” of ook met “Regenvoortbrenger”.

Stuhlmann hoorde de namen Runssoro en Rundjuru van de inboorlingen van den Wanyoro- en Bakonjostam. In hun taal beteekenen Niuru en Nssoro regen; daardoor wordt de juistheid van de vertaling van den naam door Stanley gegeven bevestigd. Stuhlmann verandert echter de schrijfwijze eenigszins. Ook David schreef “Roenssoro; buitendien hoorde hij de hoogste toppen Kokoro noemen.

Scott-Elliot geeft als inheemschen naam Runsororo aan; ook hoorde hij van zeer velen den naam Kiriba, die bergtop zou beduiden.

Volgens A. B. Fisher hebben de inboorlingen van Oeganda geen naam voor den geheelen berg, doch enkel namen voor de afzonderlijke toppen. Fisher vermeldt echter de namen Rwenzozi en Rwenseri, waaraan hij de beteekenis “berg der bergen” of “de zeer bijzondere berg” en “berg daar beneden” geeft.

Bij zoo groote onzekerheid had Stanley het volle recht, een bepaalden naam te kiezen, en niemand kan er iets tegen hebben, want als hij het gebergte met een naam had gedoopt, die in geenerlei betrekking stond tot den door de inboorlingen gebruikten, als hij het bij voorbeeld Maangebergte, Ptolemaeusgebergte of Victoriagebergte had genoemd, zouden alle geografen den naam zonder tegenspraak en zonder pogingen tot verandering hebben aanvaard.

Deze korte opmerkingen over den naam Roewenzori zullen voldoende zijn om aan te toonen, welk een onmogelijke onderneming het is, van de inboorlingen plaatselijke namen voor alle afzonderlijke bergen en toppen der keten te krijgen. Tot heden heeft de poging het resultaat gehad, dat elke onderzoeker zich van een anderen, afwijkenden naam bediende. Overigens is het zeer waarschijnlijk, dat de inboorlingen nooit speciale namen voor de verschillende toppen hebben gehad, als men bedenkt, dat zelfs in onze Alpen vele toppen eerst na het opkomen van het Alpinisme hun namen hebben gekregen.

Het was daarom noodig, aan de Roewenzoriketen een naam te geven, die niets meer dan een middel is voor topografische aanduiding. Met inachtneming van het werk mijner voorgangers, die aan de bergen reeds namen hadden gegeven, onderhandelde ik na mijn terugkeer uit Afrika met Sir Harry Johnston en Dr. Stuhlmann mondeling over dit onderwerp. Een overeenstemming werd gemakkelijk verkregen, daar beide uitstekende onderzoekers met al mijn voorstellen meegingen. Ik had namelijk voorgesteld, aan de bergen de namen te geven der tot hiertoe met de geschiedenis van het onderzoek van Centraal Afrika verbonden reizigers en voor de afzonderlijke toppen de namen te behouden, die Stuhlmann reeds had gegeven.

Sir Harry Johnston had reeds vroeger voorgeslagen, de bergen met de namen van beroemde reizigers aan te duiden, daar er geen juiste en voldoende onderscheidende inlandsche namen te vinden waren. Zie Johnston, The Uganda Protectorate, 2de druk, Londen 1904 blz. 159.

De kaart van het Roewenzorigebied, die het voornaamste resultaat van de italiaansche expeditie in geografisch opzicht voorstelt, werd op den grondslag der talrijke hoekmetingen geteekend, die ik van de verschillende toppen uit door middel van het meetkompas had uitgevoerd met behulp van een basis, die over een lengte van 300 meter op het veld bij Bujongolo door commandant Cagni was afgestoken en door hem met den Kiyanja, dat is met den Eduardtop van den Baker, en met een ten noordoosten van Bujongolo gelegen rotstop, den Cagnitop, verbonden was geworden, van welken top uit Cagni zelf alle hoeken der toppen met een reistheodoliet had gemeten.

Ten slotte maakt de berekening van de lengte en breedte van Bujongolo het mogelijk, aan de bergketen de haar op de kaart van Afrika toekomende plaats te doen toekomen. Naar de kaart ligt Bujongolo op 0 graden, 20 minuten en 23 seconden N. B. en op 30 graden, 1 minuut en 34 seconden O. L. van Greenwich. Deze getallen zijn eenige seconden boven de in mijn voordracht in het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap genoemde en op de kaart vermelde. Door aanwijzingen van het astronomisch observatorium van Greenwich konden eerst later de verbeteringen worden aangebracht.

Ofschoon de waarnemingen onder ongunstige atmosferische omstandigheden werden gedaan en ook niet alle metingen plaats hadden met een zij ’t ook nauwkeurig, maar zwaar, gevoelig en moeilijk verplaatsbaar instrument als de theodoliet, toch kan de topografische schets als voldoende nauwkeurig worden beschouwd, daar ze op zeer talrijke, van dezelfde punten uit dikwijls herhaalde waarnemingen steunt, die bovendien, daar ze grootendeels in betrekking tot elkander staan, elkaar wederzijds contrôleeren.

De Roewenzoriketen wordt door zes bergen of groepen van toppen met gletschers gevormd, die door niet met sneeuw bedekte inzinkingen, zadels of passen, worden gescheiden en daardoor met preciesheid van elkaar kunnen worden afgezonderd. De met gletschers bedekte zone is, gemeten in rechte lijn van het Zuiden naar het Noorden meer dan 11.5 kilometer lang en, gemeten van het Oosten naar het Westen, ongeveer 6.5 kilometer breed. De lijn der waterscheiding, die alle bergen, dus de gezamenlijke met sneeuw bedekte keten omvat, is ongeveer 19 kilometer lang. [392]

In het Noorden begint de keten met twee bergen, twee evenwijdige, met sneeuw bedekte kammen, die bijna precies van het Noorden naar het Zuiden zijn gericht, waarvan de oostelijke door mij Gessiberg werd genoemd ter herinnering aan den italiaanschen onderzoeker, die als eerste in een boot het Albertmeer rondvoer; de westelijke Emin naar Emin Pacha, die voor de eerste maal met Stanley te zamen door het Semlikidal trok.

Bij den Emin sluit zich de Speke aan, die den naam draagt van den onderzoeker, aan wien men de ontdekking is verschuldigd, dat de Nijl uit het Victoriameer ontspringt. Dan vormt de keten een hoek naar het Westen, om zich tot de hoogste groep te verheffen, die met het volste recht den naam Stanleyberg draagt, en ze zet de buiging naar het Oosten voort met de groep, die den naam van Baker voert, den onderzoeker, die het Albertmeer ontdekte en van daar uit als eerste het bergmassief van den Roewenzori aanschouwde.

De expeditie bij haar terugkeer aan het Victoriameer.

De expeditie bij haar terugkeer aan het Victoriameer.

De groep ten zuiden van den Baker, die in het algemeen een richting van het Noordoosten naar het Zuidwesten heeft, werd Thomson genoemd ter herinnering aan J. Thomson, den succesvollen onderzoeker van Nigerië. Na mijn terugkeer naar Europa stemde ik in met het voorstel van het engelsch Aardrijkskundig Genootschap, om den Thomson den naam te geven van Luigi van Savoye, daar de maatschappij den bovengenoemden berg met mijn ontdekkingen wenschte te verbinden. De naam Thomson werd behouden, om een van de gletschers van dezelfde groep naar hem te noemen.

De Stanley omvat de hoogste toppen, den Margherita, 5125 meter, den Alexandra, 5105 meter, den Helena, 4995 meter, en den Savoye, 4980 meter. Van een vijfden top, den Möbius, die tusschen Helena en Alexandra ligt en iets lager is dan de Savoye, is de hoogte niet gemeten.

Van de beide noordelijke groepen heeft de Emin de toppen Humbert, 4815 meter, en Kraepelin, 4801 meter; de Gessi de toppen Jolanda, 4769 meter, en Bottego, 4719 meter. De Luigi van Savoye eindelijk omvat de toppen Weismann, 4663 meter, Sella, 4659 meter, en Stairs, 4590 meter. De top tegenover Bujongolo draagt den naam Cagnitop naar dengene, die hem besteeg, om van daar uit de triangulatie te verrichten. Hij is 4519 meter hoog.

De voornaamste gletschers hebben hun namen gekregen naar de toppen, van waar ze afdalen.

De vijf inzinkingen, die de zes bergen van elkander scheiden, dragen in de richting van het Noorden naar het Zuiden de namen Roccati, Cavalli, Stuhlmann, Scott-Elliot en Freshfield. Ze zijn alle tusschen 4300 en 4400 meter hoog, met uitzondering van het Stuhlmannzadel tusschen de beide hoogste bergen, den Speke en den Stanley, dat iets lager is, namelijk 4200 meter.

Aan de dalen, meren, rivieren en bergbeken heb ik de door de Bakonjo gebruikte namen gelaten.

Ornament.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.

This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

Dit artikel is een samenvatting van: Ludwig Amadeus von Savoyen Herzog der Abruzzen (1873–1933), Der Ruwenzori. Erforschung und erste Ersteigung seiner höchsten Gipfel, Leipzig, F.A. Brockhaus, 1909. xii, 471 p., with 190 illustrations by Vittorio Stella (35 plates, 4 panoramas, 4 maps), 8vo original decorated cloth.

Italiaanse vorm van de naam van de auteur: Luigi Amedeo Giuseppe Maria Ferdinando Francesco di Savoia, duca degli Abruzzi; Spaanse vorm: Luis Amadeo de Saboya, Duque de los Abruzos.

Documentgeschiedenis

  1. 2008-12-27 begonnen.

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
286 Kyanja Kiyanja
287 zoologisch zoölogisch
288 Oeganda-spoor Oegandaspoor
288 terrienmoeilijkheden terreinmoeilijkheden
292 .. .
293 beantwooord beantwoord
380 Alexandra-top Alexandratop
382 [Niet in bron] ,
382 rensachtige reusachtige
385 plaatsten plaatsen
385 [Niet in bron] zou
389 Ericaceënbosch Ericaceeënbosch
390 Roewenzori-keten Roewenzoriketen
391 Oaganda Oeganda
392 Moebius Möbius