The Project Gutenberg eBook of De complete werken van Joost van Vondel. Eerste deel

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De complete werken van Joost van Vondel. Eerste deel

Author: Joost van den Vondel

Editor: H. J. Allard

Release date: June 11, 2007 [eBook #21800]
Most recently updated: January 25, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE COMPLETE WERKEN VAN JOOST VAN VONDEL. EERSTE DEEL ***

DE COMPLETE WERKEN
VAN

JOOST VAN VONDEL.


MET EENE VOORREDE
VAN

H. J. ALLARD,

LEERAAR AAN 'T SEMINARIE TE KUILENBURG.

EERSTE DEEL.

's-Hertogenbosch.—Amsterdam.
HENRI BOGAERTS, opvolger van P. N. VERHOEVEN.
1870.







Inhoud.

Voorrede. 1
Schriftuurlijk Bruilofsreferein op het Huwelijk van Jacob Haesbaert met Clara van Tongerlo. 1a
Nieuwjaarslied A°. 1607. 2a
De Jacht van Cupido. 2b
Dedicatie aan de Jonkvrouwen van Friesland en Overijsel. 3b
Oorlof-Lied. 3b
Op het Twaalfjarig Bestand der Nederlanden. 4a
Uitvaart en Treurdicht van Henricus de Groote, Koning van Frankrijk en Navarre. 4b



[Pg 1]

VOORREDE.

Geheel Nederland door is het overbekend, hoe verdienstelijk de Heer Henri Bogaerts zich gemaakt heeft ten opzichte der katholieke pers, door zijne talrijke en goedkoope uitgaven van echt-katholieke of althans onschadelijke werken.

Door aankoop in 't bezit geraakt der Vondel-editie, in de jaren 1864 tot 66 bij H. A. M. Roelants te Schiedam verschenen, deed hij mij het heusch verzoek, om eene Voor- en Narede te schrijven tot dat werk, ten einde het aldus in te leiden bij de katholieke huisgezinnen, waar hij zich voorgenomen heeft het tegen een uiterst geringen prijs te verspreiden.

Dat verzoek heb ik met gretigheid aangenomen.

Aan alle Nederlanders, maar inzonderheid aan Neêrlands Katholieken moet, om genoegzaam bekende redenen, de grootste onzer Dichters, de reinste glorie van ons vaderland, de katholieke Joost van den Vondel bekend en dierbaar zijn.

Doch, daartoe is niet voldoende, dat men met zijn naam voor de buitenlanders brageere—gelijk N. Beets zich eigenaardig uitdrukt;—daartoe is niet voldoende, dat men de vaak vernomen lofspraken, uit den mond van Vondel-kundigen opgevangen, verder naprate en voortvertelle; daartoe is niet voldoende, dat men eenige stukken—doorgaans dezelfde—in deze of gene verzameling hebbe gelezen of zelfs zich in 't geheugen hebbe geprent: daartoe is ook noodzakelijk, dat men den edelhartigen man, in geheel zijne persoonlijkheid, leere kennen uit geheel zijn levensloop, en hem, in al zijne voortreffelijkheid, leere waardeeren uit al zijne werken[1].

En wie kent Vondel? Wie kent den koning van den Nederlandschen Zangberg? Wie kent hem—'t zijn de woorden van een deskundige—in al de waarde zijner poëzij? Wie heeft de maatgedichten zijner "oorspronkelijke" snaren in al hun kracht gesmaakt? Wie kent den ganschen omvang zijner dichtgaaf, in haar heiligen ernst, in haar lachende soms bijtende scherts, hare oneindige diepte en haar spelenden kinderzin, haar goddelijken eenvoud, ook bij de stoutste verheffing en de schrikwekkendste waarheid, haar verkwikkende frischheid, haar bezielenden gang, den natuurlijken rijkdom harer treffende beelden, en de zuivere volheid harer keurige kunst? Wie kent haar, in één woord, zoo als zij gekend moest worden, en zoo als haar te kennen, haar te genieten is?

Dit geldt voor allen:—gansch bijzondere redenen gelden voor de Katholieken.

Zij alleen zijn volkomen in staat, beter dan hun protestantsche medechristenen, om een aantal meesterstukken van Vondel te kunnen begrijpen en smaken.

Immers Vondel, die in het tijdperk der volle kracht van zijn krachtvol genie en leven tot den schoot der Moederkerk is wedergekeerd, de katholieke Vondel heeft met zijn gouden luitstift bijna alles aangeroerd, wat aan Katholieken vooral, en soms uitsluitend, de hoogste belangstelling inboezemt en hun bij uitstek dierbaar moet wezen.

Hij heeft het hoog-rijzende Vaticaan bezongen en de Stad,

Die door de zorg der Hoofdapostelen bevrijd
Gelijk een steenrots staat, daar 't al op stuit en splijt.

Hij heeft de graven dier Hoofdapostelen der Roomsche Kerk, en tevens Petrus' nazaten, de voorzaten van onzen PIUS, in talrijke gedichten gevierd; hij heeft in eene dramatische Elegie het bloedig uiteinde betreurd eener gemartelde Majesteit, eener Maria Stuart, die roomsche bloedgetuige, die [Pg 2]katholieke doode, "over welke tranen zullen gestort worden, zoolang er tranen op aarde zijn"; hij heeft de ijverige priesters herdacht, die, te midden der felste beproeving, onder onze katholieke voorvaderen het heilig geloof behielden en aanwakkerden; hij heeft aan bijna alle katholieke vermaardheden van zijn tijd de hulde zijner bewondering en hoogschatting gebracht, van de Spaansche Aartshertogin Isabella-Clara-Eugenia en de Zweedsche Koningin Christina-Maria-Alexandra, tot de Hoornsche "arme Klarisse" Anna Bruyningh en het Amsterdamsche Jezuïeten-klopjen Dina Noordijck; hij heeft aan de "Feniksmaagd", aan de Moeder des Heeren, een aantal schoone dichtregels gewijd; hij heeft het hoogheilig Altaarsakrament verheerlijkt in een voortreffelijk leerdicht, dat èn den wetenschappelijken zin van een godgeleerde, èn den fijnsten kunstsmaak van een letterkundige, èn het vroom gemoed van den eenvoudigen Christen gelijkelijk bevredigt; hij heeft de "Heerlijkheden" der Roomsch Katholieke Kerk bezongen, en in dat gedicht een klemmend betoog geleverd van haar goddelijken oorsprong, goddelijke wording, goddelijke uitbreiding; hij heeft "Bespiegelingen" over Gods wezen en Gods inwendige eigenschappen, over Gods werken naar buiten en Gods liefdewonderen op aarde, neêrgeschreven, die, ontleend aan den H. Thomas van Aquino, den grootsten wijsgeer en godgeleerde der Middeleeuwen, ons Dante Allighieri in herinnering brengen, en ook aan de diepste denkers een onverdeeld kunstgenot verschaffen; hij heeft eindelijk in tal van schitterende kleinigheden—'t zij bijschrift, 't zij hekelvers, 't zij treurzang, 't zij dankdicht, 't zij vreugdelied—schier al het lief en leed zijner katholieke tijdgenooten bezongen.

Vooral sinds het dankbaar nageslacht, onder algemeene deelneming en toejuiching, den grooten Nederlander, in het hem zoo dierbaar Amsterdam, een standbeeld heeft opgericht, en den Dichterkoning ten troone heeft verheven, is de Vondel-literatuur—en dat verschijnsel is verblijdend—ook van katholieke zijde meer en meer beoefend.

Ik heb hier niet in bijzonderheden te vermelden, wat wij ook in dezen, aan onzen wakkeren, onzen moedigen, onzen kundigen J. A. Alberdingk Thijm, te danken hebben: eene meer bevoegde hand heeft zich reeds, op hare wijze, van die taak gekweten en Alberdingks verdiensten op een en dezelfde lijn geplaatst met die van den grooten Protestantschen Vondelverklaarder J. v. Lennep[2].

Ondankbaar zou het wezen, de goede diensten te miskennen of te vergeten, die de Eerw. Heer J. W. Brouwers ten opzichte van Vondels herstelling en herleving bewezen heeft.

Onze hoogstbegaafde dichter, H. J. A. M. Schaepman, heeft 's lands oudsten en grootsten Poëet op eene, zijner en Vondel waardige, wijze bezongen—menig jeugdig hart heeft hij met geestdrift voor onzen puikdichter vervuld:

Vondel!—zie de polsen zwellen
Van het warmer kloppend bloed;
In de handen beeft de veder,
Die dien naam hergeven moet;
Vondel!—duizend duizend stemmen
Geven antwoord, zingen 't lied,
Dat den dichter roemt en huldigt
Als monarch op 't kunstgebied.
Vondel!—dichter boven allen,
Dichter met uw gansche ziel,
Echo van het eeuwig loflied,
Dat der englen harp ontviel,
Dichter, die in aardsche vormen
't Hemelsch ideaal hergeeft,
Waar de mensch, de wareldkoning
In verrukking henenstreeft.

De Eerw. Heer G. F. Drabbe heeft voor eenige jaren het inwendig proces van Vondels bekeeringsgeschiedenis met zeer veel talent uit de schriften, 't karakter en de lotgevallen des grooten mans opgemaakt[3], en zijne opvatting en voorstelling daarvan met even veel talent tegen J. van Lennep verdedigd[4].

De Katwijksche Leeraar, wijlen P. J. Koets, heeft eene voortreffelijke en belangrijke inleiding geschreven tot het onlangs wederom uitgegeven treurspel "Peter en Pauwels"[5], het eerste gedicht [Pg 3]van Vondel, na zijn openlijken overgang tot de R. K. Kerk in 't licht gegeven, en te beschouwen als het ex-voto van dien overgang, op het roemrijke graf der Apostelen neergelegd."

In "de Katholiek"[6] heeft verleden jaar een zeer begaafd Leeraar aan het Seminarie Hageveld, onder den titel "een kunstbeeld", zelf een verrukkelijk kunststuk geleverd, waarin hij ons de Maagd Ifis schetst uit Vondels Jeftha of offerbelofte, een treurspel, dat de 72-jarige grijsaard, met reeds bevende hand, aan jeugdige schrijvers als een toonbeeld heeft toegereikt.

Ongetwijfeld hebben wij binnen kort iets zeer uitmuntends te verwachten van den Eerw. Heer J. A. de Rijk, den uitmuntenden spreker en schrijver, die ons Vondels »Maria Stuart" heeft toegezegd.

Eindelijk heb ik zelf, naar best vermogen, getracht het mijne bij te dragen, om Vondel te populariseeren onder de Katholieken door de uitgave van Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus (1868); Vondel en de Moeder des Heeren (1869); Vondel en de Paus (1870), een werkje, dat mij den apostolischen zegen heeft verworven uit het Vaticaan, waar Vondel, omstuwd van onze Hoogeerwaarde Bisschoppen, onlangs "als Koning" zijn intrede heeft gehouden.[7]

Hebben al die studiën van Katholieken op Vondel en Vondels gedichten niet geheel hun doel gemist, dan is de tijd daar, om nader en grondiger kennis te maken met de complete lettervruchten van den man, wiens levensschets, tot gereeder verklaring zijner geschriften, ik hier in het kort zal mededeelen.

Vondel[8] werd ten jare 1587, op den 17den November, feestdag van Gregorius den Wonderwerker »zijn geboorte-heilige," uit Nederlandsche ouders geboren in het Duitsche Keulen; de »trouwe dochter van de Roomsche Kerk, in wier halve-maan men de zon van Rome kon aanschouwen." Aan dat Keulen ontleende hij meermalen den naam van Agrippijner en 't verschafte hem bij het dankbaar nageslacht den eeretitel van Agrippijnsche zwaan.

Een Antwerpsch hoedenstoffeerder, Joost van den Vondel en Sara Kranen, de dochter van een insgelijks uit Antwerpen herkomstigen Rederijker, Peter Kranen—beiden met hunne doopsgezinde familiën uit hun geboortestad ontweken—schonken hem het eerste levenslicht in een huis zur viole of zur Fyolen benennt, de zevende woning, ter rechterzijde gelegen, wanneer men uit de keulsche St. Matthijsstraat de grosze Witschgasse[9] inwandelt. Die viole beteekent hier de bloem van dien naam en helaas! niet het snaarinstrument, wat toch zoo passend zou wezen bij de wieg van den grooten Nederlandschen Zanger.

Als negenjarige knaap (1596) kwam de toekomstige Dichterkoning met zijne ouders, en met eene oudere en jongere zuster, Clemensken[10] en Sara,[11] over Frankfort en Bremen, eerst naar Utrecht, waar hij het lager schoolonderricht genoot, en in 't volgend jaar naar Amsterdam, waar de oude Joost in 1597 in 't poorterboek is ingeschreven en de jonge in 't ouderlijk vak, den kousenhandel, werd opgeleid. Het Vondelgezin woonde er in de Warmoesstraat, waar de Trouw in den gevel prijkte, en werd er in 1599 met een tweeden zoon, Willem[12], in 1602 met eene derde dochter, Catharina[13], gezegend.

Niemand zal beweeren dat juist de kousennering bijzonder geschikt is, om de gave der Poëzij gunstig te ontwikkelen, vooral wanneer, gelijk met Vondel het geval was, de opvoeding niet meer dan burgerlijk geweest is—doch een genie weet zich, in welke omstandigheden ook, een eigen weg te banen. Zoo geschiedde het met onzen Dichtervorst.

Reeds in 1605 trad de jeugdige Vondel met zijn eerste dichtproeve op; 't was een wansmakelijk bruiloftslied in den gebrekkige trant der Rederijkers van zijn tijd. Die Rederijkers bezaten destijds te Amsterdam drie vereenigingen: twee Brabantsche kamers, de Lavendelbloem, onder de zinspreuk »uut levender jonst" en het Vijgenboomken, met het devies »het zoet vergaeren," waarbij een derde eerlang de voornaamste, te voegen is, de Eglantieren, gewoonlijk »de oude Kamer" geheeten of de kamer »in liefde bloeyende." Aanvankelijk sloot Vondel zich vooral bij zijne brabantsche landgenooten [Pg 4]aan, wat toch niet belette, dat hij naast de Protestanten Coster, Brederoo, Hooft en de Katholieken Vechters of Victorijn, Spieghel en Roemer Visscher, lid was van het hollandsch Rederijkersgilde. Daar oefende hij zich in de Dichtkunst.

Zijne handelsbelangen leden niet bij zijne blijkbare voorliefde tot de Poëzij, toen hij op 21-jarigen leeftijd, na den dood zijns vaders (1608), de kousennering alleen begon te drijven. Want spoedig daarop, in 1610, had hij in Mayken (Maria) de Wolf, zuster van zijn zwager Hans, eene voortreffelijke echtgenoote gevonden, die de winkelzaken trouw behartigde, die om »haar vriendschap en gedienstigheên» door den Dichter hoog wordt geprezen en hem vader maakte van vier kinderen. De oudste dezer was de uitmuntende en rijkbegaafde Anna (1611), het toekomstig klopjen, dat eens de grootste troost van den zwaarbeproefden grijsaard zou uitmaken: op haar volgde (1612) een zoon, die wel den naam des vaders droeg, maar niet zijne schoone hoedanigheden van hoofd en hart bezat,—een verkwistende losbol, die wellicht den diepbedroefden vader den smartkreet ontperste:

Och! d'ouders telen 't kind en maken 't groot met smart;
De kleine treedt op 't kleed, de groote treedt op 't hart!

Een tweede zoon, Konstantijntje »'t zalig kijntje" en eene tweede dochter, Saartje, zoo hartelijk door vader beweend en bezongen, stierven op zeer jeugdigen leeftijd.

Het eerste gedicht, dat veler aandacht op zich trok en ook verdiende, was het Pascha of de Verlossing der kinderen Israëls, waarin de Dichter ten jare 1612 de wording der Republiek bezong, gelijk hij in het Lof-Gezang over de wijdberoemde scheepvaart der vereenigde Nederlanden de heerschappij harer vloten over de zeeën verheerlijkte. Na eenige, vrij ongelukkige, dichtproeven—meestal vertalingen—verscheen in 1620 het Hierusalem verwoest, een drama, dat, hoe gebrekkig ook, de meest doorslaande bewijzen leverde van hetgeen Vondel eenmaal worden zou.

Omstreeks dezen tijd, uit een kwijnende ziekte opgestaan, scheen hij een ander mensch geworde. In de Kerk- en Staatspartijen, die ons volk in twee groote afdeelingen gescheiden hadden, had Vondel de zijde der minderheid gekozen. Na het bloedig uiteinde van Oldenbarneveld en de gevangenneming van zijn vriend Huig de Groot, greep hij naar de hekelroede, om de verdrukte Arminianen tegen de vervolgzieke Gommaristen te verdedigen, en in 1625 gaf hij een zijner talrijke meesterstukken in 't licht, getiteld: Palamedes of vermoorde onnoozelheid—eene vrucht van zijne studie der oudheid (hij had intusschen vlijtig de latijnsche taal bestudeerd) en van zijn onverzoenlijken wrok tegen het geweld van Maurits en der grimmige Contra-remonstranten. Heerlijk blonken bij die gelegenheid zijn moed en overtuiging uit: hij toonde zich waarlijk ridder zonder vrees.

Om 't schrijven van bovengenoemd treurspel ter kerkering gezocht door de gerechtsdienaars, begaf hij zich heimelijk,—zoo luidt het verhaal van G. Brandt, zijn oudste levensbeschrijver »ten huize van Hans de Wolf, broeder zyner huisvrouwe, en met zyne zuster, Klementia van den Vondel getrouwt: maar deze vrienden wilden zich met zyne zaken niet bemoeyen; hem begraauwende over zyne schryfzucht. Zy verstonden, dat hy zyn huis behoorde voor te staan, op zyn neering te passen, en al dat schryven en wryven, dat hem in gevaar bracht, te staaken. Hy zeide: Ik zal dat volk de waarheid nog scherper zeggen, en schreef daar ten huize nog steekender heekeldichten, die hy echter op zijn zusters aanhouden in 't vuur smeet, 't welk hem namaals roude."[14] Op 't landgoed Scheibeck bij de familie Baeck werd hij hartelijker ontvangen; Vondel zou 't nooit vergeten.

Slechts de gehechtheid der Amsterdamsche vroedschap aan hare Privilegiën bewaarde den schuilenden Dichter voor 't verlies zijner vrijheid, en deed hem ontkomen met eene boete van 300 gulden en eene scherpe vermaning. Die vermaning baatte luttel; want de verboden Palamedes werd in weinige jaren dertigmaal herdrukt, en spoedig daarop verschenen de vinnigste hekelverzen: de Rommelpot van 't Hanekot (1626) ten gunste van den afgezetten predikant Hanekop en tegen zijne contra-remonstrantste ambtsbroeders te Amsterdam; het sprookje van Reintje de Vos (1627) tegen den oud-burgemeester Reinier Pauw; de Medaellie van den Gommaristen Kettermeester en Inquisiteur te Dordrecht; de Roskam; de Harpoen; een otter in 't bolwerk tegen Otto Radius (allen in 1630); en eindelijk het van verontwaardiging gloeiend Decretum Horribile (1631) tegen de predestinatie-leer van Calvijn.—Vondel scheen onvermoeibaar en onuitputtelijk.

Vijf zangen van een historisch heldendicht: de tocht van Keizer Konstantijn naar Rome, waren ook reeds afgewerkt, toen helaas! de dood hem zijn diepbetreurde echtgenoote in 1635 ontrukte, en den in zijn moed geknakten dichter dwong zijne grootsche onderneming te staken. Slechts op 75-jarigen leeftijd keerde hij in "Joannes de Boetgezant" tot de epische dichtsoort weder.

Algemeenen bijval en groote verdiensten verwierf hij in 1637. Samuel Costers Academie, vroeger slechts een houten loods, was destijds in een schouwburg herschapen, welke, bij de opening, door [Pg 5]Vondel werd ingewijd met een overheerlijk treurspel Gijsbrecht van Aemstel, eene gedramatiseerde navolging van 't tweede boek van Virgilius, waarin hij den »ondergangk" van het doorluchtige Amsterdam bezong. Aan de omstandigheid, dat de handeling op Kerstnacht wordt voorgesteld, hebben wij het hemelsch lied te danken:

O Kerstnacht schooner dan de dagen.

Het is overbekend dat nog jaarlijks de Gijsbrecht ten tooneele wordt gevoerd.

De tijd naderde, waarop een geheele ommekeer in de denkwijze en de levensbetrekkingen van den grooten en edelhartigen man zou plaats grijpen. In 't gevoelen van Menno Simons opgevoed door zijne ouders—ofschoon zijne Roomsch gedoopte moeder wellicht tot de Roomsche Kerk is teruggekeerd en daarin gestorven—was hij altijd godsdienstig en vroom van gemoed geweest en zelfs diaken der Waterlandsche-Doopsgezinde gemeente, eene betrekking nogtans, die hij door ziekte of zwakte verhinderd en door de veelvuldige twisten ontstemd, reeds lang had laten varen. Eerst meende men in den Oud-diaken eene zekere overhelling, en spoedig daarop eene sterke voorliefde tot de R. K. Kerk te bespeuren.

Negen jaren na zijn openlijken overgang tot het Roomsch geloof, getuigde de warme Katholiek van zich zelven:

Mijn jonkheid bond door erref-leer
Zich aan één Secte en geene meer,
Tot dat me, door een klaarder blijk
Van 't Wereldlijk en Kerkelijk,
Ontdekt wierd, in een schooner dag,
De Perle, die verborgen lag,
Waarvoor men' al met winst verliest.
Gelukkig die het beste kiest!

De dichter dezer versregelen was een hoog ernstig man, die, wars van halve overtuiging, niet plotseling tot dien gewichtigen stap was overgegaan. Lang, zeer lang had hij de »verborgen perle" gezocht. Reeds in 1621 of 22 had hij, op verzoek van Anna Roemers, tot lof der kuische Martelares Agnes met den diepsten eerbied over de relieken der Heiligen en hunne jaarlijksche gedachtenisviering gesproken. Of het echt-katholieke kunstjuweel de kruisberg tot het jaar 1624 behoort, hebben wij hier niet te beslissen, daar een gedicht van 1625 of 26 op Paus Urbanus VIII, uit het Latijn zijns broeders vertolkt, nog duidelijker eene katholiseerende strekking verraadt en luide genoeg datgene huldigt, wat een gruwel moest zijn in het oog van ieder Protestant, te weten: het kerkelijke of liever het pauselijk oppergezag in het Katholicisme:

Dees is de groote Sleutelvoogd
Van 's Hemels poorte; rust nu, poogt
Niet meer te weten: buig uw knien
En kus zijn voeten wijd ontzien.

Dat klinkt al vrij roomsch, zelfs ultramontaansch. En was hij niet aan 't twijfelen, stelde hij geen redelijk onderzoek naar de waarheid in, bestond er geen zielestrijd bij hem, die in 1630 schreef:

Ziet, onze Joost
Die zoekt, maar vindt geen troost?

Of ook, was hij geen geestverwant van den katholiseerenden Huig de Groot, toen hij, onder andere, 't volgend vers van hem in 1632 vertaalde:

Zie naarstig van onze eeuw terug na de oude jaren!

Eene frissche, geheel katholieke kleur ligt er verspreid over 't grafschrift, waarin de katholieke rechtsgeleerde C. G. Plemp, in 1638, aldus sprekend door Vondel wordt ingevoerd:

Doch boven Poezy en snaar
Omhelsde ik ijvrig 't Roomsch autaar,
En hing, om staat, noch snood genot,
Mijn hart aan niemand dan aan God
En Jezus' nimmer feilbre stem.
Hier rust nu Plemp: ay, bid voor hem!

Een gebed voor de zielen in 't vagevuur!

In 1639 verscheen het treurspel Maagden en G. Brandt legt de gulle bekentenis af: »hoe pryswaardig het treurspel der Maagden was ten opzicht van de kunst, men vondt er evenwel zaaken in, die veelen bedroefden: des Dichters zucht tot de stellingen en gewoonten der Roomsche Kerke, en zyne afwyking tot haare dwaalingen, die hy welhaast in andere zyne dichtwerken ten volle openbaarde. [Pg 6]Men hielt dat hy, Gysbrecht van Amstels treurspel dichtende, toen alreede aan 't waggelen was."[15]

Brandt en zijn tijdgenooten hadden juist gezien. Het jaar 1640 zal Vondel in ernstige overpeinzing hebben doorgebracht, tot dat hij, in 1641, het voorbeeld zijner beminnelijke Anna volgend, de "verborgen Parel" eindelijk meester werd en openlijk tot de Moederkerk wederkeerde.—Dat was een keerpunt in zijn leven en dichterlijke strekking. Over de beweegredenen en de uiterlijke toedracht dier gewichtige gebeurtenis schrijft de Eerw. Heer W. Everts: »Vondel had de onhoudbaarheid van het beginsel der individueele vrijheid van onderzoek, niet slechts uit de onderlinge twisten en tegenstrijdige leerstukken der Protestanten, maar vooral uit de inconsequente besluiten der Dordsche Synode, ingezien, en daaruit besloten tot de noodzakelijkheid van een onfeilbaar leergezag. Daarbij komen, als menschelijke beweegreden, de aesthetische aanleg, de echte kunstenaarsziel des dichters, die hem, naar de uitdrukking van prof. G. F. Drabbe, vóór alle redeneering, als door louteren natuurdrang, tot de Katholieke Kerk trok; verder zijn omgang, niet alleen met zijne reeds vóór hem Katholiek geworden dochter Anna, wier deugdzaam leven en edelmoedig hart hem stichtten aan den huislijken haard, maar ook met Vechters, Plemp, Tesselschade en den schranderen pastoor en overste van het Bagijnhof, Leonardus Marius, van wien men tot dusverre algemeen geloofd heeft, dat hèm het geluk ten deel viel, Vondel in de Moederkerk op te nemen, en die dan ook ongetwijfeld, hoe groot het aandeel der P.P. Jezuïeten in dit gewichtig werk geweest zij, er veel aan heeft toegebracht."[16]

Deze laatste bijzonderheid is natuurlijk eene bijzaak: ware geen ander de hoofdbewerker van Vondels bekeering geweest, waarom zouden we die eer niet schenken aan den schranderen pastoor en overste van 't Begijnhof? Doch ik geloof dat de kundige schrijver der aangehaalde plaats, hadde hij 't groot aandeel van L. Marius op degelijke gronden te bewijzen, ongetwijfeld vruchteloozen arbeid zou ondernemen. Ik meen voldingend bewezen te hebben[17], dat de Zuid-belgische Jezuïet, Pater Petrus Laurens, het nederig werktuig is geweest, door de goddelijke genade uitgekozen om den braven en edeldenkenden man in de R. Kerk in te lijven.

Op d' Afbeelding van den Eerwaardigen Petrus Laurentius, door Holstein gesneeden, plaatste de katholieke Dichter-glazenmaker Jan Vos het volgend bijschrift:[18]

Dus leeft Lauwrens, die ons de kruisleer, door zijn leven
En lessen, onder 't kruis, op hoop van heil verbreit.
Zoo kan hy d' Afgrondt, die de ziel bestormt, doen beeven:
Het zaadt van Godt wordt best door leer in 't hart gezeit.
Hoe moet men zulk een man, tot loon van deugd versieren?
Lauwrens verdient een krans van hemelsche lauwrieren.

»Eens Roomsch geworden" zegt J. van Lennep[19], »was het klaar, dat Vondel, als alle bekeerlingen, de meest rechtzinnig gehouden leer voorstond, en alzoo veel meer overhelde tot de partij, die men nu gewoon is de ultramontaansche te noemen, dan tot hare tegenstanders." De groote man telde destijds 54 jaren en had in de kunst het toppunt bereikt, waarop hij zich nog 37 jaren lang met nimmer kwijnenden gloed zou handhaven. Men herinnere zich het schoone woord van onzen Alberdingk Thijm »dat Vondel, die alleen meer poezij in zijn ziel had dan al de nederlandsche dichters van zijn tijd.... zijn slechtste vaerzen niet heeft geschreven, nadat hij tot den Godsdienst van Isabella-Clara-Eugenia was te-rug-gekeerd."[20]

Vondels ex-voto, gelijk wij reeds aanmerkten, was het in 1641 verschenen treurspel Peter en Pauwels; hij viert er de hoofdapostelen der Roomsche Kerk en roept zijn tijdgenooten toe:

ziet, hoe 't al wat haar de kroon benijdt
Zijn hart knaagt en vergeefs op diamantsteen bijt.

In het volgend jaar gaf hij de Brieven der Maagden en Martelaressen in 't licht, opgedragen aan de Feniksmaagd:

Gij spant de kroon, o puikkroon aller vrouwen!
De loftrompet van uw benijde faam
Vult hemel, aarde, en zee met uwen naam—
Een naam, waarin wij Kristus' kerken bouwen.

[Pg 7]Om niet te gewagen van een aantal gedichten meest van godsdienstigen of polemisch-godsdienstigen aard, wijzen wij hier slechts op het Eeuwgetij der H. Stede (1645), dat zooveel opspraak en verbolgenheid verwekte bij zijne vroegere geloofsgenooten. »Vondel—zoo schrijft Hooft in volstrekt geen gloeiende verontwaardiging—heeft een veirs gemaakt op het wonder, waar af de Heilige Stee haar naam draagt, ende laat het openbaarlijk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelijk de voorvechters de messen in de luifels steeken, om de oogen der voorbijgangers te tergen, als met zeggen: wie 't hart heeft pluike. My deert des mans, die geenes dings eerder moede schijnt te worden, dan der ruste. 't Schijnt dat hy noch drie hondert guldens in kasse moet hebben, die hem dreigen de keel af te byten. Noch weet ik niet, oft hem niet wel dierder mogte komen te staan: ende d' een oft d' andre heethersen, by ontyde, de handen aan hem schenden, denkende, dat er niet een haan na kraayen zou."

't Baatte al wederom niet: de onvervaarde en strijdlustige Vondel kende geen halfslachtigheid. »Het gedicht op het Eeuwgetijde, en het Kenteeken des Afvals waren maar voorloopers geweest, lichte troepen uitgezonden om den weg te banen voor een krachtig leger, met voor- en middeltocht- en achterhoede, met andere woorden, voor een doorwrocht leerdicht, even uitmuntende door zaakrijkheid en fiksche dialektiek, als door gloed van poezy en vernuftige gedachten"[21] 't luidde:

Ik zing van Gods Altaargeheimenissen
Van d' Offerspijs der heilige offerdisschen
Van Offereere, en eeuwige Offerand.

De tegenschriften en lasterverzen, bij deze gelegenheid verschenen, stoorden de kalmte niet van Joost den Rechtvaardige, levend van de snaren en door het geloof. Want na de vierbaak van Ignatius Loyole en Grotius' Testament, ontboezemde hij even gerust zijn katholiek hart in een treurspel, getiteld Maria Stuart of Gemartelde Majesteit (1646). Wel haalde't hem een vloed van scheldwoorden op den hals en een boete van honderd tachtig gulden, waarmede »die paapsche stoutigheid" betaald moest worden; maar Vondel bleef het woord getrouw, eens door zijn kunstverwant, den Muider Drost, op hem toegepast:

Virtutis est domare quae cuncta pavent
Hetgeen, daar alle man voor zwicht,
Te temmen, is manhaftheits plicht.

En zoo hebben we Vondel begeleid tot het jaar 1647, toen hij in zijn Geboortezang aan Gregoriu Thaumaturgus nogmaals bezong:

De beste paerle, die zoo diep
Begraven lag, bestulpt met aarde,
Eer Hij ons tot zijn Waarheid riep,
Uit geen verdienste, maar genade.
Gelukkig zijn ze, die vóór 't end
Met vleesch noch bloed niet gaan te rade,
Noch dit vergankelijk element.
De melk der voêster, slimme wennis
En d' eerste plooi van erref-leer
Wordt spa verleerd door beetre kennis,
Zoo lang men d' ootmoed nog ontbeer':
Die schiet te traag haar eedle wortlen
In steen van 't eigenzinnig hart,
Hetwelk verhardt in tegensportelen,
En bij zijn opzet blijft verward.
Geboorteheilig, die in 't midden
Der zaligen uw zetel hebt,
Volhard voor mij en elk te bidden
Bij Hem, die licht uit duister schept!

In de Voorrede van 't volgende deel zullen wij onzen Dichter van den Munsterschen vrede tot het jaar 1679 volgen.

Mogen deze vluchtige levenstrekken onzen Dichterkoning welkom doen zijn bij Neerlands Katholieken!! want Vondel is de glorie van Nederland, de glorie tevens der Katholieke Kerk.

H. J. ALLARD, R. K. Pr.

Seminarie Kuilenburg, 1(ste) der Meimaand 1870.


Voetnoten

[1] Hiermede wil ik niet zeggen, dat Vondel in zijn geheel, aan iedereen, op elken leeftijd, mag in handen gegeven worden. Om zich zelven te oefenen in de klassieke talen, heeft Vondel sommige voorbeelden ter vertolking uitgekozen, die voor menigeen gevaarlijk zouden kunnen zijn. Daarbij heeft zijn argelooze deugd, die nimmer kwaad in anderen vermoedde, en zijn echte kunstenaarsziel zich eenige al te vrije schilderingen veroorloofd: dat was 't gebrek van zijn tijd. Overigens—'t is ook het gevoelen der Eerw. Heeren G. F. Drabbe en J. W. Brouwers—overal waar Vondel, volkomen vrij, zijn aangeboren zangdrift volgt, "is hij gewoonlijk, tot stichtens toe, kiesch en zedig!"

[2] E. J. Potgieter, voorrede der Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren door R.C. Bakhuysen van den Brink.

[3] De Katholiek. Dl. LI. blz. 352.

[4] t.a.p. Dl. LIII. blz. 20.

[5] C. L. van Langenhuyzen. 1869.

[6] Dl. LVI. blz. 69.

[7] Zie het Pius-Album. blz. 433.

[8] Het woord Vondel, ook vonder of vlondel, beteekent eigenlijk een brugje. De dichter zelf en zijn tijdgenooten schrijven nu eens Vondel, van Vondel, van den Vondel, dan weer van Vondelen, van der Vondelen Of ook wel Vondelens, van Vondelens.

[9] Dus noch de Weingasse van G. Brandt, noch de Weisgasse van V. Lennep, noch de Waisenhaus-gasse van Mr. H. J. Koenen, noch de Waisengasse van Dr. Eelco Verwijs. Zie D. Warande D. IX blz. 86.

[10] In 1607 met Hans de Wolf, een te Keulen geboren Amsterdamsch passement- en linthandelaar, gehuwd.

[11] In April des jaars 1614 gehuwd met Joost Willemz van Nyenkerke.

[12] Deze, Mr. in de rechten, stierf ongehuwd ten jare 1628 in Italië. 't Is niet onwaarschijnlijk dat hij Katholiek is geworden. Zie mijn Vondel en de Paus blz. 47 en 48.

[13] In Juni des jaars 1621 met Arie Bruyningh gehuwd. Zij werd Katholiek met al hare kinderen. Zie: Vondels gedichten op de Sociëteit van Jezus, in de Studiën, eerste jaargang, I. blz. 18.

[14] G. Brandt. Leven van Vondel.

[15] Leven van Vondel.

[16] Geschiedenis der Nederlandsche letteren II. blz. 51.

[17] Vondels gedichten op de Societeit van Jezus blz. 5-6 en 12-16.

[18] Alle de gedichten van J. Vos I. blz. 304.

[19] De werken van Vondel, XII. blz. 148.

[20] Volks-Alm. voor Neerl. Katholiek, 1859 blz. 146.

[21] J. V. Lennep, De werken van Vondel IV. blz. 451.




[Pg 1a]

Schriftuurlijk Bruilofsreferein
OP HET HUWELIJK VAN
JACOB HAESBAERT
MET
CLARA VAN TONGERLO.

JUNIJ[1] 1605.

Verheugt, o Febi jeugd![2] door dezen zoeten tijd:
De Zomer, door zijn deugd, vertoont zijn groene blaâren;
't Gevogelt' zich vervreugt, 't gediert' in 't Bosch verblijdt;
't Veld lacht elk toe verjeugd; vliedt weg alle bezwaren!
Droefheid, neemt[3] fluks uw keer! nijd, strijd, wilt henenvaren!
Voor u de Bruiloft wijkt, zoo gij daar komt omtrent.
Klein, groot, ja wie 't mag zijn, jong' jeugd of grijze haren,
Zijt welkom in 't gemeen; weest gegroet hier present,
Die om[4] vergad'ren hier, u zoo ootmoedig[5] kent,
In liefd' sticht'lijk verheugd, bij een met rein manieren.
Dus zeg ik nog: vliedt fluks van hier, gij nijdig tieren!
Laat jonst[6] begeerig zijn, gelijk eens Herts bestieren,
En d' Haas-baart[7] zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar[7]; 'k en kan 't[8] beter gelijken?
[Pg 1b]
Geenszins en laat in zang Hymenaeus[9] zijn verhoogd
Noch Thalassus[10] geclangh, maar Godes lof voortbringen,
Hoe hij overvloed schank[11], en 't water gansch verdroogd,
Zonder iemands bedwang, betoond' zoo vreemde dingen,
Uit 't water, wijn zeer klaar, als een fontein deed springen,
Vervuld' zes kruiken vol, in 't Galilesche land;
Te Cana in de Stad, een Bruiloft zonderlingen,
't Eerste teeken Christi, men elk maakte bekand[12].
Door zulks ons merk'lijk leert[13], dat in't Huwlijks-verband
Alleen men eerlijk hoort te houden goed' geruchten:
Den getrouwden hij meest behoeden zal voor schand':
Wie hem met lust bemint, en derft[14] voor niemand duchten,
Zoo liefd' begeerig haakt, als 't Hert doorsnelt gehuchten
En d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
Wat Christus, met zijn Bruid, elkeen te kennen geeft,
Laat ons, met goed beduid, elkander daarin stichten,
Die hij met zoet geluid, zoo vriend'lijk roept beleefd:
Komt, overschoone spruit, die mijn hart kan verlichten!
Mijn paarl, mijn edelgrein[15], ter weiden komt bedichten!
Schoon' bloem en Roos in 't dal, nooit minnaar mijns gelijk,
Voor niemand zijt bevreesd, Rein' Duivel wilt niet zwichten,
Die uitverkoren zijt! Mijn jonst zonder afwijk,
Al laagt gij hier veracht, in 't bloed, op 't veld, in 't slijk,
Vertreden van elkeen, nochtans u niet begeven[16],
Maar wiesch uw aanschijn schoon, welriekend met praktijk,
Balsemd' uw zoeten reuk, boven al waard verheven[17];
Als gij schier waart vernield, mijn liefd' vurig gedreven,
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
Gods kerke de Bruid recht, 't lichaam Christi eenpaar
Van Christo, haren echt[18], werd zij zalig naar reden,
Zeer lieflijk hij beslecht al haar zaken eerbaar,
Mint, naar reden en recht, alleen zijns lichaams leden,
Die al ter Bruiloftsfeest lieflijk werden gebeden,
Verkoren volk alleen, uit goedaardig geslacht;
't Bruiloftskleed zij ontfaân[19] door dezen Vorst vol vreden,
Zijn' Bruid wordt bovenal aldaar waardig geacht,
[Pg 2a]
Zittend' in Haar Troon na de genooden wacht[20],
In witte zijd' gekleed, met paarlen fraai behangen;
Een kroone zij ontvangt, van den Bruid'gom gewracht[21],
Een Trouwring, haar bedacht, Zijns geests, heeft zij ontvangen.
Hierom spoedt u ter feest, begeerig met verlangen
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
PRINCE[22].
Prinsen, de Bruid present, voor al die zijn vergaârd,
Laat ons voor 't slot en end, 't geluk haar lieflijk bieden;
Dat God zijn zegen wendt, als David ons verklaart,
In zijn Psalm maakt bekend, klaarlijk voor alle lieden:
Wel, die den Heere vreest! Geluk zal hem geschieden,
In al zijn wegen zal[23] verleenen overvloed,
Uw wijf zal gelijk zijn den wijnstok, na 't bedieden[24],
Die vrucht draagt t' zijner tijd, zij zal ontvangen spoed[25];
Aan den Disch, als een kroon, uw kinders lieflijk zoet,
Als olijfranken schoon, zult gij ze klaar aanschouwen,
Met veel weldaden meer, van God verkrijgen goed:
De Heer geev' haar doch kracht,om inliefd' niet te flaauwen,
Maar Jonst hen voege t' zaâm, begeerig na vreeds-dauwen,
Als d' Haas-baart zijn kracht snel, om loopend d' Hond t' ontwijken,
Snakkend naar 't water Claar; 'k en kan 't beter gelijken.
LIEFDE VERWINNET AL.

Voetnoten

[1] Eigenlijk de tweede naamval van 't Lat. Junius (even als Julius, Augustus, enz.), en dus zonder voorafgaand dagcijfer minder juist gebezigd. De ij staat (gelijk steeds in dezen tijd) voor ii, en zou thans dus best door een y vervangen worden, sedert de ij als ei uitgesproken wordt, en dus in dezen slechts tot wanspraak (Junei, Ju-lei, enz.) verleidt.

[2] Verheugt u, zonen van den dichtgod.

[3] Thans, minder juist, neem; daar, sedert het verdringen van 't tweeden persoons voorn. w. (du) door 't meerv. (gij), natuurlijk ook het werkw. in 't meerv. diende te staan. Wij zullen dit daarom ook in deze uitgave steeds behouden.

[4] Thans om te, dat eigenlijk tweemaal 'tzelfde uitdrukt.

[5] Minzaam.

[6] Gunst.

[7] Zinspeling op de namen van bruidegom en bruid, naar den smaak des tijds, die echter (gelijk meer) tot gedwongenheid aanleiding geeft. Versta: Laat gunst zich genegen toonen, gelijk een hert naar 't klare water snakt, en de haas zijn snelheid toont, om de honden te ontkomen.

[8] Ik kan het niet;—en (niet met het verbindend en, eig. ende, te verwarren) staat met het Fransche ne gelijk, en had dan (even als dit pas) gewoonlijk niet bij zich, maar heeft dit allengs geheel zijn plaats geruimd. Verg. ook in den volg. regel en laat.

[9] De (Grieksche) huwelijksgod.

[10] De Gr. bruiloftsgod.

[11] Thans schonk.

[12] Voor bekend.

[13] leert hij nam. Kristus.

[14] behoeft.

[15] edelgesteente.

[16] Versta: begeven zou.

[17] waardig, verheven te worden boven alles.

[18] echtgenoot.

[19] Thans ontvangen; welke verlengde vorm allengs den oorspronkelijken ontva-en geheel verdrongen heeft.

[20] Versta: wacht zij.

[21] Voor gewrocht.

[22] Naar den Rederijkerstrant, waarin dit geheele—meer gekunstelde dan kunstrijke—Referein gerijmd is, wordt in 't slotcouplet de Prins der Kamer aangesproken.

[23] Nam. de Heer.

[24] Naar de beteekenis (van den bedoelden bijbeltext).

[25] Voor voorspoed.




Nieuwjaarslied,

A°. 1607.

gesteld op den toon van den 2den Psalm.
De Dood, zeer snood, d'[1] Aarde haar pijlen bood,
D' Ondeugd verheugd was met haar Helsche scharen,
Deugd vlood door nood, durfd' haar[2] niet geven bloot,
Haar vreugd, verjeugd, veranderd' in bezwaren,
Omdat, het pad der Waarheid, werd bestreden;
De Trouw, met rouw, zeer deerlijk was verplet;
Liefd's schat, Gods stad, de vrucht in 't lustig Eden—
Een vrouw, (te flaauw, helaas!) elk waas besmet.
Maar 't Licht, 't Gezicht der Blinden, die 't al sticht,
Bekleedt met vreed' een spruit wiens TROUW MOET BLIJKEN[3],
Wiens plicht opricht elks Heil, met Liefdes schicht,
Bestreed het wreed' geslacht, 's vijands praktijken:
D' Ootmoed hem voedt, in Davids stad onrustig:
Een kroon, zeer schoon, hij biedt, van God gewracht:
Doet boet, met spoed, voor deez' Ziel-Rust wellustig:
Gods Zoon, tot loon, 't Leven uit Sion bracht.
Dit Lam, Gods stam, 't welk Satans macht benam,
Zijn' bruid, de spruit, die zijn hart heeft ontstolen,
Waarnam, en kwam tot haar, der Jonsten vlam,
[Pg 2b]
Om uit 't besluit der feest[4] niet meer te dolen.
Haar deel, 't Juweel, 't nieuw Paradijs verheven,
Schonk haar, 't Nieuw-Jaar, Christus d' Opperste pand;
Een eêl prieel, Gods Geest, der Eng'len leven,
Alwaar dit paar[5] des levens Boom herplant.
Het kind bemint[6] de Liefd', die 't kwaad verwint,
Elk noodt, minioot[7]: kiest mijn eenvuldig[8] wezen;
Die blind gezind, u tot 's Doods vruchten bindt,
Ontbloot[9] devoot, uw eigen wil misprezen,
En tracht, bedacht, om[10] zuiveren inwendig
Uw Hart, verward, bevlekt, van 't Aardsch gekwel;
Verwacht d' Eendracht, na dit Leven ellendig;
Gij werdt van smert vrij, door Emanuël.
PRINSE
Verlaat dan 't kwaad, gij Prinsen metter daad
Ontziet verdriet noch kruis om[10] zijn herboren,
Al staat vleesch-raad, en[11] poogt naar 's wer'lds onmaat,
Rust niet, maar vliedt naar Bethlehem verkoren,
Beschreidt uw leid[12], zoo komt u mild te baten,
't Kind klein, 't welk pleyn[13] u heerschen[14] moet vooral;
Want scheidt Goedheid van u (door 's Deugds verlaten)
Deez' rein' Fontein uw Hart niet zuiv'ren zal.
LIEFDE VERWINNET AL.

Voetnoten

[1] Daar men in Vondels tijd nog niet gewoon was, de stomme slot-e met den volgenden klinker te laten samensmelten, was deze afkorting van 't lidwoord (thans alleen voor den in zwang) noodig. Verg. ook in den volg. regel D' ondeugd, en later D' ootmoed.

[2] Thans zich.

[3] Naam der rederijkers-kamer, in welke Vondel dit lied dichtte.

[4] Buiten den kring van 't feest; dit laatste woord (naar den aard van 't lat. festa) oudtijds vrouwelijk, verscherpte alras, door de werking der f, de voorafgaande d, en werd daardoor allengs als onzijdig beschouwd. Evenzoo venster (beter fenster) voor 't lat. fenestra.

[5] Kristus en zijn kruis.

[6] Het beminde kind, nam. de Liefde.

[7] Minzaam, liefelijk.

[8] Eenvoudig.

[9] Verzaakt.

[10] Thans om te; verg. vroeger.

[11] niet.

[12] Voor leed.

[13] Volkomen.

[14] Voor beheerschen.


De Jacht van Cupido.

In het zoetste van den tijd,
Als Zefyrus Flora vrijdt[1],
Als Febus[2], met helder stralen,
Taurus[3] snel ging achterhalen,
Kwam Cupido, Venus' zoon,
's Morgens tot zijn moeders troon,
Eer Titons bruid[4], met verlangen,
Vertoont haar bloeyende wangen.
Venus lag in ruste zoet,
Die door Lethes[5] werd gevoed;
Cupido, met heuscher spraken[6],
Onverziens haar deed ontwaken:
"Moeder! (riep hij) slaapt gij zacht?
'k Neem oorlof, ik ga ter jacht."
Zij ontsprong[7], en goedertierig
Schoof op haar gordijntjens cierig[8]:
"Wel (sprak zij), mijn zone waard[9]!
Aanvangt[10] gij uwe dagvaart?
Ik wensch, uw kracht zoo vermeere,
Dat niemand uw pijlen keere;
Keert in tijds tot mijn paleis,
Fortuin bejongstig' uw reis!"
Fluks heeft zich Cupido waardig
Tot de jacht snel gemaakt vaardig;
[Pg 3a]
Niet, als Adonis, beangst[11]
Om der wilder[12] dieren vangst,
Maar om hemel en aard' tranig[13]
Zich te maken onderdanig.
Hij streelde zijn haar verguld,
Zijnen koker hij vervuld'
Met zijn pijlen, t'wreed bezuren[14],
Doch verscheiden van naturen,
Waarmeê hij, zonder geschil,
De minnaars pijnt naar zijn wil;
Hij ontsloeg[15] zijn wakkre vlerken,
Om zijn krachten te doen werken;
Eer hij toegemaakt[16] vol jonst
Was, door der Chariten[17] konst
Zag hij 's werelds lamp[18] verschijnen,
Nu hij tot de reis ging pijnen[19].
Aura[20] en Zefyrus beid'
Speurend, dat hij was bereid,
Als voorboden gingen zwieren,
Beekskens, blaadren deden beven;
Cupido haar volgde snel,
Om spelen 't gewoonlijk spel.
Beiden, menschen ende Goden,
Haast vernamen, door dees boden,
Wat kwale hen overviel,
Tot beroering van hun ziel;
Maar eer zij konden ontvluchten
Dezen schutter, 't pijnlijk zuchten,
Werden zij, in korter[21] stond,
Van zijn pijlen wreed doorwond;
Gelijk 't nachtegaaltjen jeugdig,
't Welk, in 't kwinkeleeren vreugdig,
Onverziens zich vindt bezet
In des vooglaars listig net,
Alzoo dees vrijen, in orden[22],
Moesten Liefdes slaven worden;
Jupiter[23], uit den Olimp,
Die voormaals, met spot en schimp,
Dezen jager ging begekken,
Moest nu Liefdes keten trekken;
Apollo, en Pluto rijk[24],
Mercurius, vol praktijk[25],
't Moest al onder zijn juk buigen:
Mars moest Venus borsten zuigen,
Niet de rechter borst vol wijn,
Maar de slinke vol venijn;
Lyaeus[26], voor zijn zoete druiven,
Moest van Liefdes spijze kluiven;
't Kind hield d' overhand in 't perk[27]
Over menschen, Goden sterk,
Ving en schoot stadig vol kwalen,
't Waar te lange om verhalen;
En, gelijk 't vermoeide hert,
't Welk in strikken is verward,
En 's jagers list is beproevig[28],
[Pg 3b]
Schreyet bittre tranen droevig,
Alzoo ook met tranen elk
Moest vervullen Venus' kelk;
Deze schutter, naar zijn wenschen,
Trefte[29] Goden ende menschen.
Den tijd, die (steeds onvermoeid)
Gedurig voortvaart en spoeit,
Liet Hesperus[30] zien, terwijlen
Cupido verschoot zijn pijlen;
D'avond dekte 's werelds oog,
't Weeldrig kind van Pafos vloog,
Om zijn moeder te verzellen,
En zijn avontuur vertellen;
Als Venus haar kind vernam,
Zij hem in haar armen nam.

Voetnoten

[1] Als 't Westewindjen met de bloemen koost.

[2] De Grieksche Zonnegod.

[3] De Grieksch-Latijnsche naam van 't sterrebeeld de Stier.

[4] Aurora,'t morgenrood.

[5] de vergetelheid.

[6] met heusche taal.

[7] Sprong op.

[8] Anders sierlijk, fraai.

[9] Thans mijn waarde zoon.

[10] Thans vangt aan.

[11] bezorgd, er op uit om, begeerig, belust; 't laatste ware dan ook wel zoo juist geweest, en 't eerste waarschijnlijk alleen om het rijm gekozen.

[12] Naar den weggeslonken verbuigingsvorm; thans wilde.

[13] in tranen.

[14] Tot wreede kwelling.

[15] Sloeg open, ontvouwde.

[16] klaargemaakt.

[17] De drie Graciën, Bevalligheden.

[18] De zon.

[19] Voor zich op reis ging begeven.

[20] zacht windjen.

[21] Thans (bij weggeslonken verbuigingsvorm) korte.

[22] Naar den rij af.

[23] De Grieksch-Latijnsche hoofdgod, die op den Olymp zetelde.

[24] Uit dit bijv. naamw. zou men een verwarring van den God des rijkdoms (Plutus) met dien der onderwereld (Pluto) vermoeden.

[25] vol sluwheid (als de God van handel en dieven).

[26] Bacchus.

[27] strijdperk.

[28] beproeft, ondervindt.

[29] Verkeerdelijk voor trof.

[30] De avondster.



Dedicatie
AAN DE JONKVROUWEN
VAN FRIESLAND EN OVERIJSEL[1].

Als Venus goedertier[2] de liefd' ter werelt bracht,
Werd Jupiter beroerd, die terstond alle Goden
In 's Hemels hoogste zaal liet dagen door zijn boden,
Die aan dit kinds gedaant'[3] oordeelden, met voordacht,
Dat hij de menschen zoû beroeren met tweedracht;
Dies zij bestemden[4] al dit dartel kind te dooden.
Venus dit haast[5] vernam, is met haar kind gevloden.
En bracht het om te voên bij u, o zoet geslacht!—
Dit kind hebdy[6] gevoed, geleerd, en bovendien
Met boog en pijlen straf gewapend en voorzien;
Het treft (naar uwen wil) ons met zijn scherpe stralen[7],
Dat wij, als zwanen droef, vóór onzen ondergang,
Met een treurig geluid u bieden ons gezang;—
Jonkvrouwen! uw gezicht laat minlijk daarop dalen!

Voetnoten

[1] Onder dezen titel kwam dit klinkdicht in Den Witten verbeterden Lusthoff (Amsterdam bij Dirk Pietersz, in de Witte Persse, 1607) het eerst voor, en schijnt (naar Van Lenneps opmerking) uit een handelsreis van den jongen Vondel naar beide provinciën geboren. Later gaf hij het, onder zijne Oude Rijmen, met het opschrift Aan de Jonkvrouwen van Nederland uit.

[2] Thans de goede Venus.

[3] Uit de gestaltenis van dit kind wijselijk opgemaakt.

[4] Bepaalden; verg. over dit woord de juiste opmerkingen van Mr. A. Bogaers in den Taalgids IV, 1.

[5] ras, spoedig.

[6] Saamgetrokken uit hebt gij (of eig. gy.)

[7] pijlen.


Oorlof-Lied.[1]

(Op den toon: de rein liefde vierig.)
D'wijl Saturnus vluchtig, Die ons heeft vergaârd[2],
Ons nu scheiden zuchtig[3] Doet, geheel bezwaard,
Neem ik met verlangen Oorlof aan u, mijnen lust,
G'hebt mijn hart bevangen, Ik versmacht naar pijnen-rust[4].
Doch hoewel wij scheiden, Met droefheid en pijn,
Ja, met tranig schreiden[5], Zal uw zoet aanschijn,
't Welk mij heeft verwonnen Door Cupido's schichten fel,
Mij verheugen konnen, En mijn hart verlichten wel.
Ja, mijn liefde krachtig, Die ik t'uwaarts draag,
Als Piram[6] eendrachtig, Blijft u trouwe[7] staâg;
[Pg 4a]
Dit zal ik doen blijken, Als die liefd' bestrijdet mij,
'k Zal geenszins bezwijken voor den dood; belijdet[8] mij.
Nooit minnaar gestadig Als ik, dijnen[9] knecht,
Mijn[10] Hero weldadigh! Die uw haren vlecht
Als Diana cierig; Mij van gelijken gerieft[11],
Groeit in liefd vierig! Troost mij laat blijken de liefd'!
Stort dijne gebeden, Als ik ben op reis,
Opdat ik met vreden Keer in dijn paleis;
Bid Neptunus jonstig, Dat hij zij behoedig mij,
En Aeool mij jonstig, Door Zefyr, voorspoedig zij.
Trouw als Penelope Mij, Ulysses, wacht!
Ik stel al mijn hope Op u, dag en nacht;
Als Océaan woedig Het gantsche schip deyen doet,
Door golven onspoedig, Zal ik aan dij peizen vroed.
Lijdzaam wilt verwachten Mijn weêrkomst verheugd,
Met wankel gedachten Maakt geen ongeneugt';
Geen Paris lichtvaardig, Ben ik, zoo gij merken moogt,
Oënone waardig! mij een vreugds versterken toogt[12].
Mijn Tempe verheven, Daar ik in vermei!
Mijn vreugd en mijn leven, Wiens troost ik verbeî!
Wie kan mij aftrekken Van uw lieflijk wezen zoet,
Gij kunt mij verwekken Door uw deugd geprezen goed.
Cyrce's tooverkruiden[13] Hoef ik zoeken niet,
In 't Noorden of Zuiden, Met pijn en verdriet;
Gelijk Glaucus zwaarlijk[14] Om Scylla veel pijnen leed,
Gij troost mij eenpaarlijk[15] Zijt mijn medicijnen reed!
Oorlof, mijn Princesse! Waardig om bespien,
Voor de laatste lesse[16], Tot een wederzien,
Als mijn kwaal zal blusschen Uw bijwezen vreugdig tier;
Met een treurig kussen, Oorlof! gij, schoon jeugdig dier[17]!

Voetnoten

[1] Afscheidslied.

[2] Samenbracht.

[3] zuchtend.

[4] Verpoozing van leed.

[5] Voor schreyen.

[6] Piramus, de bekende minnaar van Thisbe.

[7] getrouw.

[8] bekent het.

[9] Thans uwen of liever uw.

[10] Zoo zal men wel lezen moeten voor het onverstaanbare Min.

[11] Zoo lees ik voor geriefd', dat geen zin geeft, en wellicht alleen voor 't rijm op liefd' zoo gespeld werd.

[12] toont, schenkt.

[13] Zoo werd reeds door Mr. van Lennep voor Toonderkruiden gelezen.

[14] moeitevol.

[15] gelijkerwijs.

[16] maal, keer.

[17] meisjen.


Op het Twaalfjarig Bestand
der Nederlanden

De Hemel, krijgens zat, erbarmt zich onzer kwalen,
Kastiljen wordt beweegd[1] den Vrede ons aan te biên;
De Staten leenen 't oor, dies wij verwonderd zien
Het Vredemakend volk[2] genaken onze palen.
Na onderling gesprek, opschorsing, en lang dralen,
Vergunt men hun 't Bestand voor jaren twee en tien:
Op hope, of metter tijd een Vrede-zon misschien
De Nederlanden mocht geduriglijk bestralen.
Nassau ontwapent zich, om ruste te verwerven,
Steekt op zijn dreigend staal, geschaard van 't veel doorkerven,
En 't Bondig Land[3] geniet de vruchten van zijn zweet.
Van vreugde golven vuurs ten Hemel opwaarts varen,
Men offert lof en dank den Heere der Heerscharen,
Die nu in lout're vreugd doet eindigen ons leed.

Voetnoten

[1] Thans minder juist bewogen.

[2] De gevolmachtigde onderhandelaars.

[3] De verbonden of Vereenigde Nederlanden.


[Pg 4b]

Uitvaart en Treurdicht
VAN
HENRICUS DE GROOTE,
KONING VAN FRANKRIJK EN NAVARRE.[1]

Welaan, mijn Zang-Godin! 't is tijd, dat wij aanvangen
Te stellen op 't Tooneel, al zijn wij plomp en grof,
Het droevig Treurspel van 't Parisiaansche Hof,
Waarom de tranen nog bepaarlen onze wangen.
Gij wereld-Goden, o! die op uw groote kroonen,
Op uw Rijks-staven en verheven zetels pocht,
Wiens wortels in de Hel, wiens spitsen in de Locht[2]
Zich bergen, komt nu hier! komt hier, ik zal u toonen
Dit heerlijk schouwtooneel: komt, doet uw oogen open,
't Zij of gij heerscht, daar ons met zijn gespiegeld licht
De Morgen-wekker[3] roept, 't zij of gij hebt gesticht
Uw troonen, daar den dag ons afpunt[4] gaat ontloopen.
Ziet, in dit tafereel, van uwe heerlijkheden
Den wankelbaren stand; ziet, hoe eens Konings roem
En blijdschap eer verwelkt dan een versierde bloem,
Die 's morgens vrolijk bloost, en 's avonds ligt vertreden.
Schouwt's tijds getuimel aan, die[5] als een gramme Leeuwe
Uw vluchtig leven scheurt, en hier in 't aardsch gewoel
Den Vader rukt in 't graf, den Zoon stelt op den stoel,
En wendt zoo stadig 't glas van Koning, Staat, en Eeuwe.
Zijn hooge Majesteit, de Kristelijkste Koning[6]
Zich nu gezegend vond, en Frankrijk in 't gemeen
Riep: tot verzeekring van dees' Monarchie, alleen
Ontbreekt onz' Koningin[7] de Koninklijke krooning.
De krooninge, wiens glans van 't Oosten tot het Westen
Gelijk de bliksem licht, en onzen Dolfijn[8] voedt
Zoo mann'lijk tot de Kroon, als wel zijn Edel bloed
Rechtvaardig' erfgenaam hem tuigt, en kan bevesten.
Dus rees tot Sint Denijs[9] den blijden dag besloten,
Tot Medicis[7] triumf, waar voor de schoone Mei
Haar bloemen allesins op 't aardrijk, als een sprei,
Had verwig uitgespreid, en rijkelijk gegoten.
De vuur'ge Zonne-kloot (die met een heet gebluister[10]
Naar 't Tweelings teeken liep) heeft zich van spijt gebergd[11],
En, van zoo veel gesteente en dierbaar goud getergd,
Verloor zijn heerlijkheid, en zijner stralen luister.
Wat pratter[12] pronkerij! wat zeldzaam' levereyen
Vertoonen zich alhier! hoe blinkt hier menigvoud
Den aardschen Hemel! ô, hoe ruischt en kraakt hier 't goud
Der kleedingen, waarin zich Zephyr komt vermeyen!
't Is Salomonis Eeuw, 't zijn d' Idumeesche stranden,
De Paarlen zijn gemeen, en 't Goud hier ongeacht;
Hier heeft Natuur en Kunst om 't kunstigste gewracht,
Zij off'ren samen hier de werken hunder[13] handen.
Maar wie in al 't gedrang zoo heerlijken van verre
Doch bovenal uitmunt, o, 't is de Koningin!
Henrici schoone Bruid, de sterflijke Godin,
Die men de Kroon opstelt[14] van Frankrijk en Navarre.
Die, met haar witte hand en vingeren ompeerelt[15]
Den Scepter Galliae, eenstemmig algelijk
[Pg 5a]
Men Koninginne kroont van 't Fransche Koningrijk,
En wettelijk omdrukt[16] voor God en al de wereld.
Ai! ziet, wat grooter vreugd en vrolijkheid der Franschen
Gemoeden[17] rêe bevangt, nu met een luide stem
Des Hemels Echo roept: veel heils de Diadem,
Die op Maria's hoofd weêrlicht met helder glansen!
Leef lang, o Koningin! die door uw kinder-baren
Ons gelukzalig maakt, uit wier vruchtbaren schoot
De Dolfijn is verwekt, die na zijns Vaders dood
Den sleutel van dit Rijk zal houden en bewaren.
Ter goeder tijd en uur, Princesse! gij Florencen
Tot onzer baten liet, en braakt de blaauwe zee
Haar golven met de kiel uws vlottigs Schips in twee,
En landen[18] spoedig als een Venus aan onz' grenzen.
Dus eindigt deze Feest. Vive! o Vive la Reine!
De naklank al den nacht vast wederschalt verheugd,
Denijs[19] onwetens is op 't hoogste van zijn vreugd',
Met dat zich Febus weêr komt spieg'len in de Seine.
De Koning vindt Parijs met vrolijkheid bevangen,
En overgeven heel; hij ziet, naar zijnen lust,
Hoe vlijtig ieder zich siert, wapent, en toerust,
Om 's volgenden Sabbats[20] zijn' Koningin te ontvangen.
Henricus, die de deugd en 't heilig Evangelie
Zoo vuriglijk beschermt, helaas! denkt luttel, ach!
Dat met de Zon alreê gerezen is de dag,
Waarin zijn leven zal verwelken als een Lelie.
Als hij na middag doet den Koetsier zijnen wagen
Voorthalen met 't gespan, terwijl, aan 's Hemels glas,
De Zonne wederom gaat vallen in het gras,
Zoo heeft de klok zijns tijds de laatste uur geslagen.
Hij klimt ontijdelijk in zijn gewielde Koetse,
Om, volgens zijnen aard, in 't Heldisch Arsenaal
Zich spieglen in 't azuur van 't Oorlogs wapen-staal,
Daar van zijn vromigheid[21] blijkt de beproefde toetse.
Waar is de dapp're schild, daar zijn verwonnen Steden
Men in gebliksemd ziet? daar hij met 't bloedig zwaard,
Met roode sluyers, en veel krijgs-roof kwam te paard,
Zelfs uit den slag Ivry[22] triumfelijk gereden;
Daar 't bloed liep van zijn arm met karmozijnen stralen,
Daar hij stak in de lucht de bloedige Trofeên,
Waar met[23] de Ligue in 't vlak bestoven veld verscheen,
En meende van zijn hoofd de groote kroon te halen.
De blazers[24] liggen hier, daar zijn rebelle Gallen
Eer met gedwongen zijn tot onderdanigheid,
Waar met de dolle Mars ter neder is geleid,
Waar met beschoten zijn zoo veel versteende wallen.
Maar och! hij rijdt al voorts; lijf-wachters! wilt u schamen,
Dat gij zoo traaglijk volgt; 't is tijd om toe te zien,
Gij laat hem in zijn koets met weinige Edel-liên
Zijn einde vinden, en zijn duister tombe samen.
De Voerman, die hier stuurt de breidels en de toomen,
Den Stuurder recht gelijkt, die met 't gevlerkte schip
Loopt op een blinde klip, op een verrader-klip,
Op een gedoken Roots[25] in d' Oceaansche stroomen.
De Rossen doen 't gebit van hare breidels schuimen,
En weig'ren lui en traag te trekken hunnen last,
De toom die hun[26] bedwingt, de geesel-zweep die klast[27],
Doet hun het laatste pad van 's Konings rid opruimen.
't Plaveisel van de straat, d' oneffen harde steenen,
De Koetse weren wil in haren kwaden tocht:
Des Hemels oog verdompt[28], zijn fakkel in de locht,
De blaauwe Hemel zich ontluistert al met eenen.
[Pg 5b]
Gelijk men menigmaal de teekens en voorboden
Van 't aanstaande onweêr ziet, als over 's werelds kruin
Zich donder, bliksem, wind wroegt[29], dampig, mistig bruin,
Als Juno[30] krijgen zal met haren God der Goden;
Zoo ziet men hier alreê bewegelijk voorloopen
De bonte Regen-boog, der zwarte wolken val,
Die Frankrijks Horizont, met 't schreyende kristal
Van een stort-regen, zal in droeve tranen doopen.
François[31] (o, geen François, maar overgeven Moorder!)
Den wagen heeft in 't oog, welk bij Sint Innocent
Een Karre en Koetse[32] ontmoet, die met hun wielen, blend[33]
Weêrhouden 's Konings Koets, dat achterwaarts noch voorder
Geen van hun allen mag; 't zij dat de raders haken
In d' een en d' anders As, of 't zij elkanders rad
Malkanderen in 't spoor van eenen wagen-pad
Weêrhouden, en soo t' zaâm aan 't stille staan geraken.
De booswicht hierop loert, en ziet zijn zake schoone,
Dies wapent Satan hem: hij rukt uit zijne scheê
't Geblinddoekt hand-staal[34] daar hij met (o schriklijk wee!)
Bourbon[35] twee wonden geeft, aldaar hij zit ten toone:
Beide in zijn linkerzijd', vervloekte Moorder-stukken!
D' een naar de schouder toe, niet dieper is gepriemd,
Dan recht door 't vliezig vel, en d' ander, al gevliemd[36],
Van 's Konings edel hart gaat d' ader diep doordrukken.
Beneên de zesde rib 't gepunte moord-mes krachtig
In 's Konings lichaam dringt, zoodat het met zijn spits
Den hollen[37] ader treft; o doodelijke flits!
De wereldsche Monarch zinkt in zijn koetse onmachtig.
Gelijk op Helicon[38] uitbortelende d' ader
Des Bergs ten Hemel sprong, toen met 't hoef-ijzer straf
Perseï lichten Hengst haar sloeg en oorsprong gaf,
Zoo spuit ook alsins 't bloed van dezen Franschen Vader;
Zijn Edelliên verbaasd, om 't edel bloed te stelpen,
Fluks wenden naar 't Paleis de Koninklijke koets,
Die stroomig overliep van een riviere bloeds:
Men riep, men kreesch om hulp; helaas! het mocht niet helpen.
Van alle kanten 't volk de straten kwam vervullen,
En bootsen[39] 't baar-gedrang van een vergramde Zee:
D' een, om den moordenaar te scheuren fluks in twee,
Men als een Leeuwe zag van toorne en gramschap brullen;
D' een loopt naar 't groot Paleis, en d' ander, met veel scharen,
Zich op de wallen geeft; d' een spoedt zich vlug en rad,
Om 't Capitolium van dees beroemde stad,
En d' ander om Loys, den Dolfijn, te bewaren.
Dus ondertusschen raakt de Koning in de Louvre,
Alwaar zijn bleek gelaat naar 't leven vast de dood
Afschildert, en betuigt den sterfelijken nood,
En star-oogt Hemelwaarts naar aller vromen oevre[40].
Zijn handen vlecht hij t'zaâm naar den gesternden Troone
En roept helaas! (zoo 't schijnt) den hoogsten Koning aan:
Wil tot een Offerande, o Heer! mijn Ziel ontfaan,
Als 't Lichaam zal ontlast zijn van deez' aardsche Kroone.
Driemalen schijnt hij nog adieu te roepen t' elken[41]:
Adieu, mijn Koningin, mijn Kinders, en mijn Hof!
Mijn leven nu verscheidt uit 's Lichaams brooze stof,
[Pg 6a]
Onsterflijk zij mijn Ziel, 's Geest's hutte moet verwelken.
Daar werd zijn lijk beschreid met heet beweegde tranen,
De droefheid overvloeit tot 's Hemels hoog gebouw,
't Geluid ten wolken klimt; daar kleedt zich in den rouw
De Choor des Parlements[42], met al zijn onderdanen.
De duizend-tongsche Faam zij uw gerucht bevolen,
Beklaaglijke Monarch! aldus de Peleaan[43],
Met Cesar de Romein dy[44] lange is voorgegaan,
Doch huns naams Echo speelt nog heden in de polen[45].
Jaar-maanden zeventien, en elf Olympiaden[46]
Afgunstig heeft de tijd uw dagen afgemaaid,
En eindelijke 't wiel van dynen[47] loop gedraaid,
Na dat men heeft gezien de bliksems van uw daden:
Na dat men den Olijf heeft vredelijk zien bloeyen
Sinds gij den Traciër[48] hebt zijn wapenen beroofd,
En, onder 't lief ontzag van uw gelauwerd hoofd,
Navarre en Frankrijk tot één Ligchaam laten groeyen:
Nu slaapt, Henrice! slaapt; nu rust op der gedachten
Verheven Altaar-plat, na zoo veel Wapen-strijds:
Vermeluwt[49] dijn Colos door 't oud verloop des tijds,
Of wischt men't grafschrift uit van mijn geveêrde schachten,
Uw vliegende gerucht kan tijd noch eeuw verrassen:
De Fenix beeldt dit af, die eindelijken[50] spijst
't Vuur met zijn sterflijkheid[51] waar uit de jonge rijst:
Zoo ziet men weêr verwekt den Dolfijn uit uw asschen.
O, snoode Ravaillac! God zal hier namaals eischen
Van u (die Jean Castel, La Barre, en Biron volgt
Welk Acherontis poel en Styx[52] heeft op gegolgd[53])
Het duur vergoten bloed met een gekromde zeisen.
Helaas! gij moordt uw ziele in droefheid en ellenden,
Met 's Konings sterflijk lijf te maayen in het graf,
En moet hier evenwel, door d' allerwreedste straf,
Treurspelig dijnen tijd met 's Konings eind' volenden.
[Hoe lange zuldy[54] nog den hoogsten rechter tergen,
Gij, Babylonsche hoer! die in de wereld zaait
't Vermaledijde zaad, waarvan men eindlijk maait
Dees vruchten; o, de val genaakt uw zeven bergen!
De waarheid schuift alsins de breê gordijnen open,
Waarachter gij boeleert met dijnen Helschen boel!—
Afgodisch knielt niet meer voor haren stoel,
Doet eens uw oogen op, gij, vorsten van Europen!
Ziet, hoe zij hare schaamt', met een onnut geweven
En ijdel spinneweb, nog te bedekken tracht,
Wat monster zij in 't licht der zonne heeft gebracht,
En hoe heur beelde Krist gelijkt als dood en leven!
D'onvastigheid aanschouwt van hare kerkpilaren,
Welk dreigen al van zelf te vallen onder voet,
Haar Evangelie-boek, bezegeld met het bloed
Des moorders, welk zij noemt haar heilge martelaren!][55]
De Hemel zij geloofd, die met zijn goedheids-vlerken
Heeft Frankrijk overschaâuwd, en met genade omarmd,
Die in zoo grooten storm den Dolfijn heeft beschermd
Met d'Eed'le Koningin; nu prijst Gods wonderwerken!
Veel heils en veel geluks, o schoone Morgen-sterre!
Die over Frankrijk licht, en in uw Vaders plaats
Met dijn Vrouw-Moeder heerscht, met zoo veel wijzen raads:
Io! Io! de Kroon van Frankrijk en Navarre!
[Pg 6b]
Dolfijn (niet meer Dolfijn, maar Koninklijke Lelie[56],)
Loys! die stadig moet vertreden zien den kop
Zijns vijands, en alsins 't veldteeken richten op,
De roode Standaart-Vaan van 't dobbel[57] Evangelie!—
Tot eenen Gyges[58] groeit; dat, door uw kloek bestieren,
Des Ibers jalouzie[59] dy nimmer achterhaalt;
Als[60] 't Pyreneesch gebergt' dijn Rijk van Spanje paalt[61],
Schut zijn afgunstigheid ook zoo van uw frontieren!
I. V. VONDELEN.

Voetnoten

[1] Die, gelijk men weet, den 15en Mei 1610, door Ravaillac vermoord was.

[2] Voor lucht.

[3] Nam. de Zon.

[4] gezichtspunt.

[5] Nam. de tijd.

[6] Naar de bekende Fransche koningstitel van Allerkristelijke Majesteit.

[7] Hendriks tweede gade, Maria de Medicis.

[8] De welbekende naam van den Franschen kroonprins.

[9] De koninklijke begrafenis-abdij.

[10] Geblaak (verg. 't Eng. to blister).

[11] Thans geborgen.

[12] trotscher.

[13] voor hunner (harer).

[14] voor opzet.

[15] Vleyend voor omvat.

[16] Voor omspant (met de kroon nam.).

[17] Thans gemoederen, met verlengden meervoudvorm.

[18] Thans landdet.

[19] Frankrijks beschermheilige; verg. [24].

[20] op den volg. zondag.

[21] Wakkerheid, kloekheid, naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord.

[22] Door Hendrik op de Ligue gewonnen.

[23] Thans waarmeê; verg. ook drie regels later.

[24] De vuurwapenen.

[25] Voor rotse, thans rots.

[26] Thans hen.

[27] kletst.

[28] dooft.

[29] Voor wringt.

[30] Mythologische vergelijking naar den wansmaak der eeuw.

[31] Klankspeling op den voor- en volksnaam van den moordenaar (Frans en Fransch).

[32] Eig. twee vrachtwagens.

[33] Voor blind.

[34] De verholen dolk.

[35] Hendriks stamnaam.

[36] Thans golvend, doorsnijdend.

[37] De zoogenoemde vena cava, door welke 't bloed naar 't hart vloeit

[38] De welbekende Grieksche zangberg, op welken, naar de overlevering, door den hoefslag van Perseus' paard de zangbron (of Hippokrene) ontsprong.

[39] Thans nabootsen.

[40] Voor oever, boord.

[41] Thans telkens.

[42] Het bekende hooge Fransche staatslichaam van vóór 1789.

[43] Achilles (de zoon van Peleus).

[44] Derde en vierde naamval van 't verouderde voorn. w. van den tweeden persoon (du).

[45] Versta: tusschen de polen, d. i. in de wereld.

[46] Wansmakelijke en onjuiste vermenging der Grieksche en latere jaartelling voor 56 j. en 5 m.

[47] Thans uwen; verg. den vorigen regel.

[48] Den Turk, als bewoner van 't vroegere Thraciën.

[49] Vermolmt.

[50] Thans, met onverbogen vorm, eindelijk.

[51] Voor lichaam.

[52] Ach. en Styx de bekende wateren der onderwereld.

[53] Uitgegolpt.

[54] Saamgetrokken, voor zult gij.

[55] De toespraak tot Rome, in de 16 voorafgaande regels vervat, wordt slechts in sommige uitgaven gevonden, en is wellicht niet van Vondel.

[56] Niet meer kroonprins, maar koning.

[57] Het O. en N. Verbond.

[58] Lees Gigas d. i. reus.

[59] Spanjes naijver.

[60] gelijk.

[61] Voor scheidt.