The Project Gutenberg eBook of De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen

Author: Jules Brocherel

Release date: November 21, 2006 [eBook #19891]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE REIS VAN PRINS SCIPIO BORGHESE NAAR DE HEMELSCHE BERGEN ***



[209]

De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen.

De bazar van Tasjkent is in eene oude, vervallen wijk der stad gelegen.

De bazar van Tasjkent is in eene oude, vervallen wijk der stad gelegen.

I.

Van Tasjkent naar Prjevalsk.—De stad Tasjkent.—In den tarantass.—Tsjimkent.—Aoulié-Ata.—Tokmak.—De bergkloven van Bouam.—Het meer Issik-Koul.—Prjevalsk.—Een Kirghizenhoofdman.

Den 28sten Juni, na 34 dagen reizens, kwam ik aan in Tasjkent, de hoofdstad van russisch Turkestan. Toen ik te Genua aan boord ging, dacht ik dien afstand in minder dan drie weken te zullen afleggen.

Maar in ’t Oosten is men niet zuinig op den tijd. Menschen en zaken schijnen ten prooi aan een noodlottige inertie, waartegen de vreemdeling zich te vergeefs poogt te verzetten. ’t Was mij dan ook een verlichting, toen ik op het perron te Tasjkent de lange gestalte ontwaarde van Don Scipio Borghese, en het gebaarde gelaat van den gids Zurbriggen. Zij hadden reeds veertien dagen op mij gewacht, en waren van harte blijde, mij te zien. We besloten ons vertrek op overmorgen vast te stellen; want het seizoen was reeds ver gevorderd, en dit was niet in ons voordeel, bij de zware bergtochten die ons wachtten. Den tijd, die ons overbleef, gebruikten we, om de stad te bezichtigen en op het Meteorologisch Observatorium onze instrumenten in orde te brengen. Tasjkent, van oudsher een handelsstad, is zoo groot als Parijs, maar telt slechts 300 000 inwoners. Op de volksbuurten na, die in de buitenwijken zijn gelegen, heeft de stad een modern, bijna amerikaansch voorkomen. Men ziet dadelijk, dat het een betrekkelijk nieuwe en naar een bepaald plan aangelegde stad is. De breede elkaar kruisende lanen, meerdere wersten lang, zijn ter weerszijden met boomen beplant, en worden besproeid door stroomende beken. De russische huizen zijn comfortabel ingericht, maar meestal niet hooger dan één verdieping, wegens de veelvuldige aardbevingen. Een houten portaal vormt altijd den toegang, en zij zijn aan drie zijden omgeven door een groote schaduwrijke binnenplaats. In de straten ziet men overal winkels, clubs, bibliotheken en café’s, zooals in elke moderne groote stad. Al wordt Tasjkent in den regel niet uitbundig geprezen, de stad behoeft volstrekt niet door te gaan voor een oord der ballingschap, zooals sommige reizigers haar hebben genoemd. Het getal vreemdelingen onder hare inwoners vermeerdert zelfs voortdurend. De stad is bijzonder gunstig gelegen voor het handelsverkeer, op de plek waar de wegen naar Siberië, China, Afghanistan en Perzië samenkomen, en met Europa door een spoorweglijn verbonden. Bovendien is zij aan alle zijden omringd door bebouwde gronden, die zich nog steeds uitbreiden. Als de spoorweglijn gereed zal zijn, die door Semiretchie loopende, zich bij Taïga met den transsiberischen spoorweg [210]zal verbinden, gaat de stad een groote toekomst te gemoet. De bazar van Tasjkent is een oude, vervallen wijk van donkere, modderige straatjes, vol onoogelijke lompen hangend, en met versleten matten belegd, waar een bonte menigte zich verdringt en waar, zonderling genoeg, de verschillende ambachten, die er worden uitgeoefend, in 32 afdeelingen zijn verdeeld, die elk weer 32 specialiteiten bevatten. De keuze wordt lastig op die manier!

Tasjkent is een ware staalkaart van rassen, die er elk hun eigen wijk, kerk, taal, kleeding en gebruiken op nahouden, en gelijkelijk bezield zijn door onderlingen haat. Behalve deze huist hier nog een uit gemengde bestanddeelen samengestelde menschensoort, die de eigenlijke volksklasse uitmaakt, de Sarten, een stam van verwijderden, turksch-mongoolschen oorsprong. Zij vormen een bevoorrechte klasse, en zijn dan ook vlugger van begrip en meer ondernemend dan de overige inwoners.

De woningen van het volk zijn treurig slecht gebouwd; zeer laag, en hoogstens twee of drie vertrekken bevattend, worden ze soms van hout opgetrokken, maar dikwijls ook bestaan de muren slechts uit gedroogde klei. Het dak wordt gevormd door een vlechtwerk van takken, met een laag aarde bedekt, waarop weldra papavers en erwten beginnen te bloeien.

Gedurende den zomer is dit niet onaangenaam. In de hitte is het in zulke huizen heerlijk koel, en zelfs in den winter is de dichte aardlaag voldoende om het weinigje warmte te bewaren, waarover men, bij geringen voorraad van brandstof, beschikken kan. Maar na zware regens vertoonen zich scheuren in de kleilaag; deze barst; het geheele dak stort ineen, en komt neer op de hoofden der verschrikte familie, soms midden in den nacht. Men draagt dan ook zorg, die onvoldoende dakbedekking zorgvuldig te onderhouden.

Den 30sten Juni, om vijf uur ’s morgens, verlieten wij Tasjkent. De tarantassen, die we den vorigen avond hadden gehuurd, stonden gereed op de binnenplaats van het hotel. De bagage wordt opgeladen en wij nemen plaats binnen in het voertuig, waarin we een soort slaapplaats weten in te richten met een paar bossen stroo.

Het doel van onzen tocht is Prjevalsk, aan het meer Issik-Koul, midden in het Hemelsche gebergte. Den afstand van ongeveer 900 K.M. hopen we in een week af te leggen. We zullen natuurlijk dag en nacht doorreizen, zoolang de toestand van de wegen het toelaat, de rijtuigen het uithouden, en wij in staat zullen zijn, telkens van paarden te verwisselen. Op het oogenblik van ’t vertrek schijnt alles best te zullen gaan; de yemtschik klapt met de zweep, de belletjes van de dounga klingelen vroolijk, en de frissche morgenlucht verdrijft den slaap, die ons nog in de oogen zit.

Als wij de buitenwijken achter ons hebben gelaten, voert de weg door het open veld, langzaam stijgend, naar een kale vlakte. Het dorre, verschroeide gras, waartusschen zich hier en daar troebele waterplassen vertoonen, strekt zich uit tot waar de wijde verte samensmelt met den gezichteinder. De oneffen grond, waarover wij in snelle vaart voortgaloppeeren, wordt langzamerhand hobbelig en vol kuilen, en wij maken voor ’t eerst eens goed kennis met onzen tarantass. Al klampen wij ons nog zoo stevig vast aan den rand van de kap, al steken wij onze voeten nog zoo vastberaden voor ons uit onder den bok, ’t is onmogelijk het geweldige schokken en hotsen te vermijden. Onze voertuigen worden voortdurend snel en in tegengestelde richtingen bewogen, tegelijkertijd van voren naar achteren en van links naar rechts, en omgekeerd. Haast nog erger dan op zee. Men wordt omhooggesmeten en weer neergebonsd, stoot zich tegen scherpe kanten, of drukt zijn buurman half plat, om een oogenblik later met een smak weer neer te komen op de valiezen, die ons als zetels dienen. De zon is intusschen hooger geklommen en brandt ons in het gezicht. De paarden, die diep in het mulle zand zakken, werpen met hun hoeven stofwolken op, die ons geheel bedekken, hoewel onze voertuigen opzettelijk op grooten afstand van elkander blijven. De prins en ik kijken beiden nu en dan om, om te zien of Zurbriggen en Abbas nog wel achter ons zijn. Dan zien we noch paarden, noch rijtuig; maar een geweldige stofwolk, die ons in razende vaart najaagt. Van tijd tot tijd ontmoeten we eindelooze rijen karren, getrokken door paarden of buffels, die met de koppen aan het voertuig vóór hen bevestigd zijn. Of ook wel karavanen van kameelen, die langzaam uitwijken, met wonderlijk schommelende bewegingen van hun koppen en lijven, alsof de grond hun onder de voeten golft. Zulke optochten van langzaam voortschrijdende menschen en dieren, allen van een en dezelfde kleur, geven een indruk, alsof het spoken zijn, gedoemd om voor eeuwig op aarde rond te zwerven.

Tegen den middag loopt de weg omlaag, met korte zwenkingen langs de helling van een heuvel, waar, tusschen het groen verborgen, een klein stroompje vloeit. Aan den zoom daarvan staan, tusschen wilgen, yourtes, (kleine huisjes).

In een bescheiden posthuis gebruiken wij ons ontbijt, terwijl andere paarden worden aangespannen. Hier en daar in den omtrek gaat de golvende grond schuil onder gouden korenvelden. Landlieden, te paard, met de zeis op den schouder, gaan ons voorbij, en anderen keeren terug, met groote bundels gras voor op hun zadel. Honden loopen onze paarden na te blaffen, tot we bijna reeds weer midden in de steppe zijn. Den geheelen middag rijden we verder door een woestijn. De stantzia’s liggen niet allen tusschen het geboomte. Er zijn er ook, waar het regenwater wordt opgevangen in bakken, die in den grond zijn uitgegraven. Hoewel wij erg dorst hebben, drinken wij geen droppel. Kort voor Tsjimkent komen we langs een aantal laag gelegen plekken, waar het water, dat in de wagensporen geloopen is, het stof in een taaie slijkmassa heeft veranderd, waaruit wij de wielen bijna niet kunnen loskrijgen. We beproeven er op zij langs te rijden; maar dat is nog veel erger. We steken een rivier over, en komen kort daarna in de stad Tsjimkent. Het is tien uur in den avond. Op een paar lichtjes na, is het in de stad pikdonker, en van de geheele “groene stad” zien wij niets dan een onoogelijk posthuis, waar we twee uur moeten wachten, eer we weer kunnen vertrekken. Er schijnt een generaal te vertoeven, [211]die naar Viernyi moet, en het spreekt van zelf, dat hij het eerst aan de beurt komt om paarden te krijgen, wat ons volstrekt niet aanstaat.

Te middernacht vertrekken wij weer, en weldra zijn wij opnieuw in de steppe. De weg schijnt tamelijk goed, en wij trachten in slaap te komen. De lucht is betrekkelijk koel en er is gelukkig geen stof. Zeer vermoeid van dat vier en twintig uren achtereen schokken, stellen wij pogingen in het werk, om ons op ons gemak uit te strekken, en doen werkelijk een dutje, ondanks het gerammel van het rijtuig, het rinkelen der bellen, en de kreten en zweepslagen, waarmede de koetsier zijn paarden aanzet. Maar weldra schijnt de zon ons recht in het gezicht, en wij worden weer zoo geducht en aanhoudend op en neer gehotst, dat wij de oogen wel moeten openen; van slapen is geen sprake meer. We dalen af langs een kloof, waarin steenen zijn neergestort door het afbrokkelen van de rotsen, en waar de brokken steen midden op den weg zijn blijven liggen. Niemand denkt er aan, ze te verwijderen of op te stapelen aan den kant van den weg. De yemtschik heeft er de dolle vaart van zijn paarden niet om vertraagd; behalve waar de helling te steil is, en hij ze wel eenigszins moet inhouden, doet hij juist alsof hij over een effen grasperk rijdt.

Kaart van den weg, door ons afgelegd.

Kaart van den weg, door ons afgelegd.

Te Vannovsk, een kleine kozakkenpost, midden in de steppe, moeten wij wachten, van tien uur ’s morgens tot drie uur ’s middags. Hier is het niet de generaal, die voorgaat, maar de post.

Ze weten niet precies, wanneer deze wordt verwacht, maar de bode is in aantocht, en zal nog vandaag weer vertrekken. Dus weigert de smotrissiel voorloopig, om ons paarden te verschaffen. Zeer verbaasd over dien ongewonen staat van zaken, vragen wij nadere inlichtingen. De smotrissiel vertelt ons, dat ons podoroyne (reisbiljet) een derde klasse biljet is, en ons dus geen aanspraak geeft op het geringste voorrecht. Wij kunnen eerst paarden krijgen, als de post is voorzien. Gelukkig hooren wij ’s middags, dat moujiks uit het dorp ons wel paarden willen verhuren tot aan het volgend station. Wij onderhandelen over den prijs en krijgen twee troïka’s voor vier roebels. Op de volgende pleisterplaats doen wij hetzelfde; want de post blijft uit, en wij kunnen moeilijk langer wachten. Tegen den avond naderen wij den bergpas van Tsjak-Pak, een breede opening in de Karataou-keten, die als een cyclopenmuur vooruitspringt in de kale vlakte. Van daaruit geraken wij in een nauwe kloof, bezaaid met rotsblokken, en waar een witachtig, laag struikgewas groeit. Daar de helling zeer steil is, zet de koetsier de wielen van de tarantass vast, om de paarden niet te laten meesleepen door de zwaarte van den wagen. Wij stappen uit, om ons wat te vertreden, en ontdekken een heldere bron, die ontspringt uit een rotsspleet. Dat is een verrassing, want onze kelen zijn droog van de hitte en het stof. Tegen den nacht komen wij voorbij Aoulié-Ata, een onbeduidend dorpje, dat bekend is door het graf van een Khan der Kirghizen. Vandaar de naam, die Heilige-Vader beteekent. Na Aoulié-Ata volgt de streek, die de chineesche pelgrim Hiouen-Tsang het land der duizend stroomen noemt, en waar, volgens de overlevering, het eerste koninkrijk werd gesticht der Kara-Kitaïs, de zwarte Chineezen. Het is het stroomgebied van den bovenloop der Tsjoe, waarvan de talrijke zijrivieren, die van de Alexanderbergen neerdalen, het land aan den voet besproeien en vruchtbaar maken. De Tsjoe zelve, ofschoon een tamelijk groote rivier, schijnt te verloopen in het woestijnzand. De vermoeiende eentonigheid der steppen wordt hier dikwijls onderbroken door stroomende rivieren, welker oevers dicht zijn begroeid met hoog riet, waarin zich wilde dieren schuilhouden, vooral tijgers, die jacht maken op talrijke wilde zwijnen en antilopen. [212]

Te Pichpek laten wij den grooten weg, die verder loopt naar Viernyi, links liggen en maken een omweg, langs het gebergte, dat den rechter oever van de Tsjoe begrenst. Eindelijk naderen wij de bergketen, die wij reeds dagen lang aan onze rechterzijde zagen verrijzen, en waarvan de witte toppen ons als het ware schenen te wenken. Het landschap is nu van voorkomen veranderd, en met welbehagen rust onze blik op het groen der weiden. Maar nergens een spoor van bosch of woud. Zullen wij van dat gezicht gedurende de gansche reis verstoken blijven? Juist als wij ons dit afvragen, zien wij een rij karren naderen, beladen met stammen van pijnboomen. Dat is een goed teeken.

Broodverkoopers te Prjevalsk.

Broodverkoopers te Prjevalsk.

Midden in den nacht, na onzen derden reisdag, houden wij stil bij het station Tjillarik, dat zeer eenzaam is gelegen tegen de helling van een voorgebergte, aan den ingang van den bergpas van Bouam. Blootgesteld aan den vinnigen ijskouden wind, kloppen wij aan bij het posthuis; maar te vergeefs. Wij gaan op verkenning uit, maar bespeuren geen teeken van leven. Wij zijn reeds half ontmoedigd, en willen maar weer in de tarantass gaan schuilen, doch Zurbriggen geeft het niet op. “Al moet ik de deur intrappen”, zegt hij, “ik wil weten wat er achter zit.” Hij blijft maar doorbonzen. Eindelijk hooren we den vloer kraken, en de deur gaat open. Er verschijnt een jongen, half aangekleed, en met een kaars in de hand. Wij wachten niet af, of hij ons zal uitnoodigen, binnen te treden, waartoe hij trouwens ook geen aanstalten maakt. Een enkele blik in de ruimte achter hem is voldoende, om ons op onze schreden te doen terugkeeren. Wij hooren, dat er geen enkel paard te krijgen is, en het schijnt ook verstandiger, daar de weg slecht is, om tot den volgenden morgen te wachten Dan kunnen in de vroegte de paarden worden gehaald, die nog in de weide zijn. Wij maken gebruik van dit oponthoud om in onze dekens gewikkeld, wat te gaan slapen. Bij het aanbreken van den dag worden de paarden aangespannen en wij rijden verder.

Onze voertuigen hebben hun snelle vaart thans gematigd, en stapvoets gaat het tegen een steil bergpad op, waarnaast een verschrikkelijke afgrond gaapt. De weg zelf schijnt een lint, dat over een golvende oppervlakte is geworpen, en stijgt en daalt met de oneffenheden van den bodem. De bergkloof, die wij doortrekken, is zeker belangwekkend voor een geoloog, maar zeer vervelend voor den gewonen reiziger, die telkens moet uitstappen, en dan nog niet eens vergoeding kan vinden in een schilderachtig uitzicht. Nadat wij twee pleisterplaatsen zijn gepasseerd, en weer op den rechter oever van de Tsjoe zijn teruggekeerd, zien wij in de verte een blauwe watervlakte die zich uitstrekt zoover het oog reikt. Daarachter verdwijnt de getakte rand van een bergketen in den nevel, en doet ons zien dat wij het hooggebergte naderen. ’t Is het meer Issik-Koul, en de bergketen van Terskeï-Ala-Taou. Voor ons ligt een verrukkelijk landschap uitgebreid. Op den voorgrond [213]de glooiende helling aan den voet van den berg, die langzaam afdaalt naar het meer, aan welks zoom, onder overhangende klippen, troepen wilde zwanen schuilen, pelikanen en andere watervogels. Heerlijk steekt het geelachtig roode oeverzand af bij de wisselende tinten van den glanzigen waterspiegel. In de verte verheffen zich uit een violetten nevel de hooge bergen van de Terskeï-Ala-Taou, met hun grillige licht- en schaduwpartijen. Alle kleuren zijn zoo teêr en vaag, dat de afstand van hier tot het gebergte veel grooter lijkt dan werkelijk het geval is. Gedurende de eerstvolgende honderd werst blijft de streek woest en onbewoond. De weg loopt dikwijls langs neergestorte rotsblokken, waarop zich kleine aardheuvels hebben gevormd, met gepluimd gras begroeid. Wij jagen massa’s hazen op, die naar alle zijden wegvluchten, gretig bespied door groote gieren, die neerstrijken op een Kirghizengraf, of hoog boven onze hoofden blijven zweven. Langzamerhand komt er wat meer leven in de omgeving. Wij zien eenige kudden vee; aouls der Kirghizen, en Kozakkendorpen; twee van deze zijn zelfs bloeiende kleine plaatsjes, daar de rivier hun omstreken besproeit. Wij komen voorbij tallooze Kirghizengraven, ’t zij tot kerkhoven vereenigd, ’t zij alleenstaande monumenten. De oevers van het meer Issik-Koul staan bij de nomaden in den reuk van heiligheid, en rijke lieden laten daar hun graftombe bouwen. Al die graven zijn opgetrokken uit gedroogde klei, en hebben meestal den vorm van een afgeknotte pyramide, met smalle treden. Sommige van die monumenten zijn buitengewoon rijk versierd, als men in aanmerking neemt in welk een verlaten oord zij zich bevinden. Vier muren van klei dragen een soort van koepel, waarop verschillende sieraden zijn aangebracht, schedels van dieren, glazen kralen, en paardestaarten aan een langen stok bevestigd. De voorzijde is voorzien van boogvormige openingen en wordt opgeluisterd door ornamenten en inschriften en relief, alles zeer kinderlijk en onbeholpen van uitvoering.

De Kirghizenhoofdman met zijne kinderen.

De Kirghizenhoofdman met zijne kinderen.

Aan de oostelijke grens van het meer nadert het gebergte zeer dicht tot den oever, en soms is de weg in de rotsen uitgehouwen. De bergwanden zijn vol [214]gleuven en diepe spleten, en uit die kloven rijzen donkere dennenbosschen op. Eenzaam en afgelegen spiegelt het klooster van Troïtsky zich in de wateren van het meer. Het dient tegelijkertijd als gevangenis, schuilplaats, oord van ballingschap en buitenverblijf.

Den 6den Juli, om tien uur, passeeren wij Preobrajensk, waarvan de huizen hoog boven elkander tegen een klip zijn gebouwd.

Nu zijn wij nog maar dertig werst van Prjevalsk verwijderd. De hoogvlakte, die de beide plaatsen scheidt, bestaat uit verschillende opeenvolgende terrassen, welke doorsneden worden door de diepe beddingen van den Troum en den Dargalan. Behalve langs den waterkant, vertoont hier de bodem geen spoor van plantengroei.

Eindelijk hebben wij de laatste golving van het terrein bereikt, en zien in de verte het oude Karakol, dat schilderachtig te midden van het groen is gelegen aan den voet van een amphitheater van hooge sneeuwbergen. Op het eerste gezicht zou men het dorpje voor een gehucht in de Alpen houden, met zijn torenspits, zijn boomgaarden, bosschen en gletschers op de hooge toppen. Doch rondom ligt de wijde steppe, onbebouwd en als door het vuur verschroeid. Dat zachtgroene plekje, bezaaid met stipjes wit en geel, doet ons oog aangenaam aan, zelfs van verre gevoelt men den weldadigen invloed van dien liefelijken plantengroei, en het gezicht van de sneeuw is ons reeds een verkwikking. Dichtbij de stad Prjevalsk is de weg met populieren beplant, waarachter zich velden uitstrekken met graan, waartusschen bonte papavers gloeien. Ter rechterzijde van den weg ligt een kerkhof met zijn grafheuvels en sarkophagen van klei.

Te twee uur in den namiddag rijden wij de binnenplaats van het posthuis te Prjevalsk op, en stappen uit de tarantass.

Dat is een verlichting! We zijn bont en blauw en hebben een gevoel alsof onze ledematen zijn ontwricht. Zurbriggen kan niet nalaten, zijn blijdschap te toonen over die verlossing. Hij beweert, dat hij op al zijn reizen in Indië, Australië en Argentinië, nog nooit zulke ellendige vervoermiddelen heeft leeren kennen.

De smotrissiel biedt ons beleefd de vertrekken aan, waar gewoonlijk reizigers logeeren. Meubels zijn er niet; maar wij zullen wel op den grond slapen. Altijd nog beter dan in de tarantass. Intusschen hebben zich een menigte jongens en leegloopers op het plein verzameld, aangetrokken door het gezicht van onze vreemde uitrusting. Iets later verschijnt een forsche politieagent, die onze papieren wil zien. Als hij hoort wie wij zijn, gaat hij aanstonds naar den gouverneur, die ons, vergezeld van een tolk, zijn opwachting komt maken. Wij hadden wel gaarne van de heeren eenige inlichtingen ontvangen omtrent de Khan-Tengri-groep, en de dalen die daarop uitkomen, maar zij weten ons daaromtrent niets nieuws te vertellen. De gouverneur belooft ons echter, dat hij ons door een agent zal laten vergezellen, en de heer Kross, die tolk en apotheker is, verklaart zich bereid, ons in ieder opzicht van dienst te zijn. Den volgenden morgen brengt hij ons bij een Kirghizenhoofdman, die, naar wij hopen, ons inlichtingen en misschien wel een ervaren berggids kan verschaffen. Het was een slim oud heer, met één oog, een langen baard en een soort wijden slaaprok van bontgekleurde zijde. Toen we zijn vervallen woning binnentraden, zagen we op de plaats een grooten troep kinderen, aan ’t spelen met kippen en ganzen, die naar alle zijden een goed heenkomen zochten. Hij ontving ons in een vertrek, dat men, het zij met allen eerbied voor den rang van den bewoner gezegd, gerust een smerig hol mocht noemen. Er lag niets dan een tapijt op den grond, en in de hoeken stonden een paar kisten. Wij gaan op zijn turksch naast hem op den grond zitten en luisteren aandachtig, in de hoop iets te zullen vatten van het koeterwaalsch, dat hij met ongeloofelijk radde tong uitbrabbelt. Onze tolk geeft zich niet bijster veel moeite om het verhaal in het Duitsch weer te geven. Met veel moeite beginnen wij iets van het betoog te begrijpen; onze gastheer gaat geducht te keer tegen de nieuwe overheerschers van het land, die hem van zijn vroegere voorrechten hebben beroofd. Het is niet zeer voorzichtig van hem, zich zoo vrijmoedig uit te laten. Hij zet zijn beweringen klem bij, door ons op den schouder te slaan, of vertrouwelijk de hand op onze knie te leggen, neemt ons soms bij de hand, en spreidt onze vingers vaneen, als hij iets opsomt. Voor we afscheid nemen, krijgen we nog tchiaï, die ons gebracht wordt door een van zijn nichtjes, een heel mooi meisje van zestien jaar, in een nog al luchtig négligé. Van onze Westersche gebruiken schijnt de oude heer niet te best op de hoogte, hij slaat met een borstel de suiker op den vloer stuk, en smijt handig de stukken uit de verte in onze kopjes.

Des avonds gaan we naar den “boulevard”. Zoo noemen de aziatische Russen de parken, die zij in elke stad van eenige beteekenis aanleggen en zorgvuldig onderhouden. De kerk, het park en de club zijn drie onontbeerlijke elementen in dit land. We vinden het park van Prjevalsk zeer merkwaardig, met zijn tuintje van inheemsche planten, en een paar groote witte steenen, die boven de omringende boschjes uitsteken. Uit de verte zien wij niet recht, wat ze moeten voorstellen, maar van dichtbij bespeuren we, dat het ruw gehouwen nabootsingen zijn van menschelijke gelaatstrekken. Het zijn oude grafmonumenten van de Nestorianen, volgelingen van een zekeren Nestorius, welke in lang vervlogen tijden deze streek hebben bewoond.

Wij waren voornemens, te Prjevalsk paarden te koopen, nieuwen mondvoorraad op te doen en onder de inwoners naar geleiders voor onze lastdieren om te zien. De paarden kosten ongeveer dertig roebels, merries tot veertig en vijftig.

De kooplieden echter tot wie wij ons richtten, vroegen ons, daar wij vreemdelingen waren, het dubbele van dien prijs. Wij verijdelden hun snoode plannen door een krijgslist, en lieten overal rondstrooien, dat wij ergens anders moeite wilden doen. Om dit gerucht schijnbaar te bevestigen, brachten wij zelfs onze voertuigen in gereedheid. Dat hielp. Van toen af hadden wij de keus uit al de paarden in de stad en de omstreken, die ons beurt voor beurt [215]op de binnenplaats werden vertoond. Wij kozen er twaalf uit, zes om te berijden, en zes voor het dragen van de bagage. Men kan zich moeilijk voorstellen, hoe lastig het is, om de toebereidselen voor zulk een kleine karavaan tot stand te brengen, in een land, waar men zich slechts met behulp van derden verstaanbaar kan maken. Gelukkig dat Abbas zijn uiterste best deed, en ons trouw en eerlijk ter zijde stond, terwijl de heer Kross ons terechthielp in de winkels.

De bazar van Prjevalsk wordt veel bezocht door Kirghizen en door de karavanen, die een druk verkeer onderhouden tusschen Viernyi en Kasjgar, langs de passen van den Djoukoua en den Bebel. Behalve als handelsplaats, is het plaatsje van weinig beteekenis. De omstreken zijn vruchtbaar, rijk aan wei- en bouwland, en er groeien veel vruchtboomen, maar in deze voortbrengselen wordt geen handel gedreven. Uitgevoerd wordt alleen opium, wol en bontwerk. Door den transaziatischen spoorweg zal het dal van Issik-Koul veel winnen; want de alluviale grond is bijzonder vruchtbaar; water is er in overvloed; de dalen wemelen van wild, en in de mijnen liggen schatten verborgen. Daarenboven is de streek zeer gezond; bekoorlijk boven alle beschrijving, en zij kan roemen op een gematigd klimaat. Eer wij de stad verlieten, gingen wij nog bloemen brengen op het graf van den grooten onderzoeker Prjevalsky, voor wien op de plek, waar hij gestorven is, een eenvoudig gedenkteeken is opgericht. Het staat dicht bij het meer, op den top van een klip; eenzaam, aan den rand der steppe. Geen betere plek had kunnen worden gekozen als rustplaats van hem, die de helft van zijn leven wijdde aan zwerftochten in de eenzame streken van Midden-Azië. Een rotspyramide draagt een arend, met uitgespreide vleugels, die in zijn klauwen een russisch kruis vasthoudt en een gebroken ketting, om door dit zinnebeeld aan te toonen, hoe de russische beschaving het blinde fatalisme heeft vernietigd, dat deze onbeschaafde volken in de ketenen der barbaarschheid hield gekluisterd. Ter halver hoogte van het voetstuk prijkt een medaillon, met het borstbeeld van den beroemden geleerde, en een opschrift, dat zijn daden vermeldt. Het graf is door bloemperken omringd, die zorgvuldig worden onderhouden.

Den 11den Juli, om 2 uur ’s namiddags, vertrekken wij uit Prjevalsk.

Onze karavaan bestaat uit zeven man en dertien paarden. De Kirghizenhoofdman had ons beloofd, een zijner onderhoorigen te laten meegaan, om ons in de bergen den weg te wijzen; maar er verscheen niemand. Later hoorden wij dat de oude heer nooit werkelijk aan het hoofd van eenen stam had gestaan; maar dat hij bij de Nomaden als een wonder van wijsheid, een tweeden Salomo, bekend stond, die de moeilijkste vragen wist op te lossen. De Kirghizen komen hem dan ook dikwijls raadplegen en leggen gaarne honderden wersten af, om zijn hulp in te roepen.

Ruw gehouwen menschelijke hoofden, grafmonumenten der Nestorianen.

Ruw gehouwen menschelijke hoofden, grafmonumenten der Nestorianen.

Ons personeel bestaat uit Abbas, een djighite, een jongen russischen kolonist, Piotra, en een jager, lid van een nomadenstam. Dat zeer uiteenloopend viertal heeft veel moeite om het met elkander te vinden. Abbas is oorspronkelijk een echte Iraniër uit Farsistan, wiens kleedij op zonderlinge wijze herinnert aan de verschillende streken, waar hij heeft verblijf gehouden. Hij is tenger van gestalte, en niet groot, met een gewoon gezicht, een ruigen baard en pikzwart haar, dat in lange krullen over zijn jaskraag golft. Want hij draagt een europeesch kostuum (jasje, broek en vest, met gele bottines), waarover en waaronder hij allerlei losgeplooide perzische omhulsels heeft aangetrokken, die door een gordel met fantasiegesp worden vastgehouden. Aan zijn zijde hangt zijn onafscheidelijke yatagan, en op het hoofd draagt hij een deftige muts van schapevel. Uit de verte ziet hij er krijgshaftig uit, en doet aan een struikroover denken. Het is een beste man, door en door eerlijk, en die door zijn talrijke gaven en voorbeeldigen ijver het ver kan brengen; want hij kan van alles worden, drogman, kok, aanvoerder eener karavaan, en wie weet wat nog meer. De djighite is een soort politieagent in dienst van de russische regeering. Hoewel hij evengoed een Kirghies is als de nomaden, waarover hij gezag heeft, vindt hij zich veel voornamer dan zij, en behandelt hen als uitvaagsel. Het spreekt van zelf, dat bij het innen der belastingen een groot gedeelte in zijn zak verdwijnt, daar de ambtenaar zelf niet al te best op de hoogte is van de statistiek zijner belastingschuldigen. Onze agent had een stuk bij zich, [216]opgesteld in de russische taal en in die der Kirghizen, voorzien van het zegel van den gouverneur, waarin stond, dat hij ons als vrienden moest beschouwen, en ons alles verschaffen wat wij noodig hadden. Dat stuk was als ’t ware een talisman, die onze onschendbaarheid waarborgde. Daar wij onder de bescherming van Rusland stonden, zouden de nomaden zich wel wachten, ons ook maar het geringste in den weg te leggen; want de minste tekortkoming tegenover ons zou hun duur te staan zijn gekomen. De djighite draagt als teeken zijner waardigheid een ijzeren plaatje op zijn tschiapann, en is gewapend met een sabel en een revolver. Onze vriend ziet er zeer schrander uit, en behandelt ons uiterst beleefd, al wordt hij niet door ons betaald. Hij krijgt echter een geschenk, als hij zijn plichten trouw nakomt.

Piotra en de jager zijn minder gewichtige personages. De eerste is de zoon van een Kozak, die te Prjevalsk woont; hij fungeert als onze huisknecht. De jager, Kirghies van top tot teen, is de beste leidsman voor een karavaan, dien men kan wenschen; hij past goed op de paarden en zorgt, dat wij geen ongelukken krijgen; maar als we aan een pleisterplaats zijn gekomen, valt hij als een blok in slaap, en wordt vooreerst niet weer wakker.

Aankomst eener karavaan te Prjevalsk.

Aankomst eener karavaan te Prjevalsk.

Na Prjevalsk volgen wij den weg, die door den Santachpas langs de bergketens van Ala-Taou en Koungheï-Ala-Taou voert, en te Viernyi uitkomt. De weg loopt door een vruchtbare, maar weinig bebouwde streek, aan den voet van het Ala-Taou gebergte.

Na een tiental wersten te hebben afgelegd, komen wij in Aksouïskyie, een havelooze Kozakkenkolonie. De geheele bevolking komt naar ons kijken; de mannen, met zware laarzen en roode hemden, die over hun broek hangen, groeten eerbiedig. De forschgebouwde vrouwen, in felgekleurde lompen gehuld, staan met de handen in de zijden in de deur.

Tegen zeven uur houden wij stil aan den zoom van een beek, om te kampeeren. Iets verder staan een twintigtal hutten achter een wilgenrij, dit is Djarghess, een andere Kozakkenkolonie. Onze komst lokt eenige nieuwsgierigen, Kozakken uit het naburig dorp, die op hun gemak bij ons komen zitten. Eene vrouw is zelfs zoo vriendelijk, ons een pot met melk aan te bieden. Wij geven haar stukken suiker, waarvan zij veel schijnt te houden.

Terwijl ons middagmaal wordt bereid, wandelen wij rondom de tenten, en bewonderen den prachtigen zonsondergang.

Stroomafwaarts zien wij het riviertje Djargalan door de blauwe vlakte kronkelen, waarin eenige alleenstaande boomen zich donker afteekenen tegen de gouden avondlucht. Langs de bochten der rivier liggen de yourtes of tenten der nomaden verspreid, in zalige rust, en uit hun koepelvormige daken stijgt stil de rook naar boven. Links, tweehonderd werst van ons verwijderd, steken de Alexander-bergen, zacht lila getint, hun besneeuwde kruinen omhoog. Rechts springt de Ala-Taouketen naar voren, donkerder van kleur, en hier en daar schel verlicht door de ondergaande zon. Het meer ligt verborgen in den dichten nevelsluier, die in de avondkoelte daaruit opstijgt.

Maar Piotra, de Rus, heeft ons middagmaal gereed gemaakt, op een vilten tapijt voor de tent van den prins. Wij gaan in opgewekte stemming zitten of liever liggen, op onzen elleboog steunend, rondom de servet, waarop ons eenvoudig en sober maal gereed staat. Gebraden kip staat ook op het menu; maar deze is helaas onwrikbaar taai. Om 10 uur kruipen wij in onze slaapzakken, ’t Is de eerste nacht, dat wij buiten kampeeren. Ons lichaam heeft al vrij wat uitgestaan, onze huid is langzaam aan haast ongevoelig geworden in de tarantass; maar toch hindert het ons als we nu en dan in onzachte aanraking komen met kleine steentjes. Het duurt echter niet lang, of de vermoeidheid doet ons in Morpheus’ armen vergetelheid vinden. [217]

De karabijn van Zurbriggen ging van hand tot hand.

De karabijn van Zurbriggen ging van hand tot hand.

II.

Het dal van Tomghent.—Een aoul der Kirghizen.—Wij trekken over den Tomghent-pas.—Bergpaarden.—Een verlaten vallei.—De Kizil-Tao.—De Saridjass.—Kudden paarden.—Het dal van Kasj-Kateur.—Gezicht op den Khan Tengri.

Den 12den Juli zijn wij al om 5 uur op de been; maar wij moeten ontbijten, de paarden losmaken en de bagage verdeelen en opladen, zoodat het reeds zeven uur is geworden, als wij opbreken. Intusschen zijn ons verschillende karavanen voorbijgetrokken; Kirghizen, die naar de Alexanderbergen tijgen, om nieuwe weiden te zoeken. Die lange rijen mannen, vrouwen en kinderen, op paarden, kameelen en ossen gezeten, die duizenden schapen, voortgestuwd als een levende golf, die honderdtallen van paarden, met hun bonte dekkleeden, die troepen aan elkaar gebonden kameelen, in eentonige rijen voortschrijdend onder lasten van allerlei aard;—het aanhoudende geklikklak der hoeven op de steenen van den weg, waartusschendoor het gehinnik weerklinkt der veulens, die hun moeders zoeken, het geblaat der lammeren; de doordringende kreten der kameelen, het fluiten en roepen der herders.... al die gezichten en geluiden smelten samen tot één geheel, een wonderlijk treffend schouwspel, dat een onuitwischbare herinnering achterlaat.

Kort na Djarghess loopt de weg langs een rotsachtige verhevenheid van den bodem en begint langzaam te stijgen langs de linkerhelling van het Djargalan-dal. Meer stroomafwaarts zien wij een geheele stad van yourtes, aan de rivier gelegen, waaruit tallooze kudden wegtrekken, terwijl wij de lieden, die zich om de tenten bewegen, als kleine poppetjes kunnen onderscheiden. Onze weg voert nu naar den ingang van het Tomghent-dal, waarvan de zijden met dichte dennenbosschen zijn bedekt. Wij volgen den linkeroever van den stroom, zeer belemmerd door de stammen en takken, die ons den weg versperren. Toch wordt de weg geregeld begaan door de Kirghizen aan de andere zijde van den berg; maar niemand denkt eraan, die lastige hindernissen uit den weg te ruimen. Wij bewonderen de handigheid, waarmede onze paarden de gevaarlijke plekken weten te vermijden, en mogen hun daarvoor wel dankbaar zijn; want de geringste onvoorzichtigheid of mispas zou voldoende zijn om ons in de rivier te doen storten, die schuimend in de diepte bruist. Langs een primitieve brug van boomstammen, dwars over twee balken geworpen, bereiken wij den anderen oever. Nu volgt de eene steile helling na de andere, en ons pad is bezaaid met losse steenen, die kletterend onder de hoeven der paarden wegglijden. Op een zeker punt schijnen neergestorte rotsblokken ons den weg te zullen versperren; maar als geitjes zoo vlug en behendig, springen de verstandige dieren van den eenen steen op den anderen, en zetten voorzichtig de hoeven in gleuf of spleet, zonder daarbij ooit hun pooten te bezeeren. Het woud wordt thans minder dicht; de vallei opent zich, en in een wijden boog zien wij de groene weiden afdalen naar [218]de rivier. Wij volgen den stroom, en komen aan een Kirghizen-aoul, bestaande uit eenige hutten, langs de rivier verspreid. Al de bewoners komen naar buiten en zien ons angstig aan, blijkbaar doodelijk verschrikt door onze onverwachte verschijning. Het geweer, dat Zurbriggen over den schouder draagt gegespt, schijnt hun alles behalve geruststellend.

Een der mannen, die den djighite herkent, komt vragen, wat wij hier komen doen. Wij houden tegenover hen stil in een glooiing tusschen de heuvels. Terwijl wij onze tenten opslaan, brengen zij ons room, melk en borsaks (beschuiten van gerstenmeel in schapenvet gebakken). In ruil daarvoor geven wij de vrouwen ringen en kammen van aluminium, waarmede ze blijkbaar verrukt zijn. Een jong meisje is erbij, met roode wangen en geregelde trekken. Ze draagt een muts van vossenvel, waaronder een menigte gitzwarte haarvlechtjes uithangen, en onder haar half openhangende tschiapann teekent zich een kloeke, forschgebouwde gestalte af. Onder het heengaan voelt zij zich gedrongen, hare innige blijdschap over het onverwachte geschenk te uiten, door haar kleine broertje zoo hard met de vuist te stompen, dat hij telkens weer in ’t gras rolt. Het is maar onschuldige plagerij.

13 Juli. Hoogerop splitst zich het dal. Wij houden links, in westelijke richting. Twee ruiters komen van de hoogte afdalen, en gaan ons tegemoet. Zij wenden zich tot den djighite, die hun zijn gezegeld papier laat zien. Daar zij het niet kunnen ontcijferen, roepen zij een jongen man, die de eenige geletterde van den stam blijkt. Als zij hooren wie wij zijn, gaan zij den boloch, of het hoofd van den stam, van onze komst verwittigen. Bij de eerste hut aangekomen, worden wij omringd door een menigte lieden in lange gewaden, met mutsen van schapenvacht op het hoofd. Vooraan staan de oudsten van den stam, met den boloch, die ons welkom heet in een onbegrijpelijk taaltje, terwijl hij gedurig diepe buigingen maakt, met zijn handen op zijn buik over elkaar geslagen.

Er wordt een tapijt op het gras gelegd, en hij noodigt ons uit om plaats te nemen. Terwijl wij afstappen, houden eenige mannen de teugels van onze paarden vast. Allen gaan in wijde kringen om ons heen zitten; er wordt een zak met koumiss gebracht, en porseleinen kommen. Dit zijn voorwerpen van weelde voor de inboorlingen; ze komen alleen bij feestelijke gelegenheden voor den dag, en worden bewaard in gevoerde doozen, die tchiennegat genoemd worden.

De geheele karavaan doet den koumiss van den boloch eer aan, behalve Zurbriggen en ik. Gehoor gevend aan de herhaalde en vriendelijke uitnoodiging van onzen gastheer, waag ik het, de kom aan mijn lippen te brengen; maar de inhoud verspreidt zulk een ondragelijken stank, dat ik het hoofd moet omdraaien om niet onpasselijk te worden. Men zegt dat de koumiss een mousseerende drank is, zeer verfrisschend en aangenaam van smaak.

Dat mag waar zijn; maar hij wordt toebereid in leeren zakken, die een paar duim dik onder het vuil zitten, en in de melk zelve drijven allerlei bestanddeelen, die ver van smakelijk zijn. Wat het meeste de belangstelling dezer nomaden gaande maakte, waren onze met spijkers beslagen zolen en de karabijn van Zurbriggen. Deze ging van hand tot hand, terwijl onze laarzen bevoeld werden, en zij het zelfs de moeite waard vonden, de spijkers in onze zolen stuk voor stuk te tellen.

Daar het wat laat wordt, vinden wij het geraden, onze reis nu maar voort te zetten. Eenige ruiters bieden aan, ons te vergezellen tot aan den Tomghet-pas. Wij komen nog verschillende yourtes voorbij, waar vrouwen bezig zijn schapenvellen te looien, en repen stof ineen te vlechten. De vellen worden over in den grond gestoken paaltjes gespannen, en bedekt met een mengsel van gestremde melk en kleiaarde, dat om den anderen dag vernieuwd moet worden; daarna kan men ze met een mes afschrapen. Kudden schapen, geiten en kameelen zijn aan beide zijden van het dal verspreid, tot aan de grens waar de sneeuw begint.

De weg wordt nu zeer steil, en de laag van losse steenen en rotsbrokken steeds dieper. Om twaalf uur ’s middags hebben we den voet van den pas bereikt. Een kale gletscher, zonder sneeuw, waarover in de schuinte een donkere streep loopt, strekt zich voor ons uit. In gewone omstandigheden d.w.z. als er veel sneeuw ligt, volgt men die donkere lijn, het spoor der voorbijgetrokken karavanen. Maar deze weg is thans onbegaanbaar. De paarden zouden op het gladde ijs niet staande kunnen blijven, en wij zouden onvermijdelijk in de diepte storten. Wij zullen dus maar rechtuit den gletscher beklimmen en niet in een schuine richting.

De afstand tot den top is zoodoende korter, en de paarden zullen hier meer houvast hebben voor hun voet. Terwijl de bagage wordt afgeladen, gaat Zurbriggen treden hakken in het ijs, en ik volg hem op den voet, met mijn paard bij den teugel. Na een vijftig meter te zijn gestegen, bemerk ik dat het dier niet zijn hoeven in de holten zet, maar bij voorkeur iets op zij blijft stappen, waar een laagje vrij hard geworden sneeuw ligt. Zeer ingenomen met mijn schrander ros, dat een geboren bergbeklimmer schijnt, laat ik hem zijn gang gaan, en bereik zonder ongeval den top. Op die wijze kregen wij al onze beesten naar boven. En daarop volgde de bagage. De Kirghizen bewezen ons, ondanks hun onvoldoend schoeisel, uitstekende diensten. Toen alles klaar was, en wij onzen inwendigen mensch een weinig wilden versterken, brak een hagelbui los, die ons in een oogwenk doornat maakte. Wij moesten onze maag hare eischen voorloopig ontzeggen en zoo spoedig mogelijk die hooggelegen plek (3545 M.) verlaten, te meer daar de ijskoude wind gevaarlijk dreigde te worden. Wij daalden langzaam aan de andere zijde naar beneden, en bereikten na eenige buitelingen den weg naar het Kizil-Taodal.

We kampeerden tegen de helling, en de paarden deden zich heerlijk te goed aan het dichte, hooge gras. Er was echter op die bekoorlijke plek geen brandstof te vinden. Waar wij onze blikken ook lieten weiden, geen spoor van struik of boom. De vallei scheen onbewoond, en dus waren wij niet alleen verstoken van brandhout, maar ook van vleesch en melk. [219]

Daar hadden we niet op gerekend, en onze djighite, die toch op de hoogte had moeten zijn van den toestand, had ons niet gewaarschuwd. We liepen met onzen ruimen voorraad proviand nog wel geen gevaar te verhongeren; maar wij wilden dien liever bewaren voor het hooggebergte. Daar wij echter nog in de buurt waren van een Kirghizenstam, en ook het bosch niet ver achter ons lag, besloten wij den volgenden morgen Abbas en den djighite naar den boloch te zenden, om een kudde schapen en een vracht hout te koopen. Intusschen zochten wij gras en droge wortels, waarmede wij niet zonder moeite een vuurtje aanlegden. Het duurde twee uur eer we een kopje thee konden krijgen, en het eten, met veel moeite klaargemaakt, was niet bijzonder lekker; maar dit was een kleinigheid, vergeleken bij de heerlijke gewaarwording, althans iets warms in de maag te krijgen.

14 Juli. Terwijl Abbas en de djighite den terugweg weer aanvaarden, om schapen en hout te halen, gaan wij op verkenning uit in het bovengedeelte der vallei. Een machtig amphitheater van bergtoppen en gletschers strekt zich voor ons uit, waardoor een menigte beken stroomen, die de met gras begroeide golvingen van den grond besproeien.

In het Noorden en het Zuiden openen zich twee passen; de eene, de Karaguer-pas, mondt uit in den oostelijken tak van het Tomghent-dal; de andere, die hooger is gelegen, en meer moeilijkheden oplevert, is de Otrouk-pas, die in den anderen tak van de vallei uitkomt.

Des avonds komen onze vrienden terug met een geheele kudde schapen en geiten, en twee ossen, beladen met boomstammen. De boloch en eenige leden van den stam kwamen zelfs mede. Twee jongelieden bleven bij ons, als drijvers. Nu bestond onze karavaan, menschen en dieren medegerekend, uit drie en zestig koppen.

Het dal Kizil-Tao heeft zijn naam te danken aan de kleur der steenen die daar worden gevonden. Kizil beteekent in de taal der Kirghizen rood, en Tao steen; het is dus het dal der roode steenen. De dalen, toppen en passen van den Tiensjan ontleenen allen hun namen aan de kleuren of vormen van sommige voorwerpen, wier grilligheid de verbeelding der inwoners heeft getroffen. Twee valleien monden in het dal van Kizil-Tao uit, dat grootendeels onbewoond is; rechts die van Otrouk, en links die van Berkout, welke naar het plateau van Saridjass voert. In den bergwand, die het Kizil-Tao-dal scheidt van het dal Keou-eou-leou, opent zich de Torpeu-pas (3066 M.) van waar men een uitgestrekt berglandschap overziet. Deze doorgang, die niet op de russische kaarten is aangegeven, is de meest gebruikelijke weg voor de nomaden, die het dal van Kizil-Tao doortrekken.

Dit dal, tot nog toe bijzonder breed, vernauwt zich plotseling tot een smalle kloof, waar de stroom zich slechts met moeite een doortocht baant. De weg loopt vlak langs de rivier, die hij nu en dan doorsnijdt, om bochten te vermijden. Somtijds moeten wij dan de rivier oversteken op plaatsen, waar de bedding zichtbaar is, om niet door den stroom te worden medegevoerd. Maar wij kunnen niet altijd een doorwaadbare plek vinden, en dan moeten wij maar, zoo goed het gaat, de overzijde zien te bereiken. De schapen worden dan een voor een in het water geworpen, en redden zich, zoo goed zij kunnen. Het was een droevig gezicht, de arme beesten, tegen wil en dank in het water gesmeten, te zien heen en weer slingeren; soms tegen de rotsen gedrukt, of in een diepte zinkend, om toch altijd, na een heldhaftige worsteling, bevend van angst, den tegenoverliggenden oever te bereiken. Als zij er kans toe zagen, klommen zij tegen de steile kanten van den berg op, en dan moest de herder halsbrekende toeren verrichten, om ze weer terug te halen.

Langzaam aan naderen wij het dal van Saridjass, een oord van verschrikking, een verwarde opeenstapeling van rotsblokken, waartusschen een breede stroom zijn troebele wateren voortstuwt. Wij begrijpen niet, waar al dat water een uitweg moet vinden, want aan alle zijden verheft zich een ondoordringbare bergmuur. Zou er misschien ergens een geheimzinnige onderaardsche uitweg zijn? Het is ons niet mogelijk, thans dit raadsel op te lossen. De russische topographen weten er niet meer van dan wij; want op de kaart die wij bij ons hebben, schijnen zij met die rivier geen weg te hebben geweten, en laten haar verdwijnen in het Keou-eou-leou-gebergte.

De weg loopt langs de zijden der steile berghelling, telkens onderbroken door neerstortingen, en daalt dan weer af naar den oever, om weldra weder nieuwe hoogten te bestijgen. In gleuven en spleten schuilt eenig laag struikgewas, en boven langs den rand der klippen steken enkele magere dennen tegen de lucht af. Iets verder zien wij een groot rotsblok midden in de rivier gelegen. Op den top verheft zich een kleine “cairn”, een hoop steenen, waarop een paal staat met een paardenschedel. Dat zonderlinge gedenkteeken dient ter herinnering aan eene dramatische gebeurtenis, die hier heeft plaats gegrepen. De schedel behoorde aan het krijgsros van een Kirghizenhoofdman, een torgoï, die omkwam bij het oversteken der rivier, ten tijde van de russische overwinning.

17 Juli. Uit de verte schijnt het dal van Saridjass een onmetelijke vlakte, begrensd door een rand van sneeuwtoppen. Maar van naderbij staat men verwonderd over het zonderlinge voorkomen van die uitgestrektheid, waarvan men zich een geheel ander denkbeeld had gevormd. Behalve de reusachtige afmetingen, is er niets in het landschap dat aan een vlakte herinnert. Het is een aaneengeschakelde rij golvingen, heuvels en uitsteeksels, vol nauwe gangen, kleine dalen en diepten, alles bedekt met schraal gras, waartusschen hier en daar de gele aarde te voorschijn dringt, of waaruit zich rotsblokken verheffen, die een metaalachtigen weerschijn vertoonen, en om wier voet het modderige water schuimt der rivier. Het is onmogelijk om bij een oppervlakkige beschouwing de oorzaak van dat verschijnsel te gissen. Bij elke bocht van den weg staat de reiziger voor raadselen, die de knapste geoloog niet zou weten op te lossen. Het gletschertijdperk moet wel groote omwentelingen hier hebben teweeg gebracht, daar het zulke diepe sporen van heftige beroering heeft achtergelaten. [220]

Onze karavaan trekt gestadig verder, langzaam en zwijgend als een begrafenisstoet. De hitte is ondragelijk geworden en het landschap blijft kleurloos en eentonig. Wij steken beken over, klimmen tegen oevers op, trekken hellingen langs, dringen tusschen rotswanden door, om weer naar de bedding eener rivier af te dalen, en zoo gaat dat steeds verder. Nu en dan schrikken wij op door den schreeuw van een marmot.

We loopen in de richting, waar het geluid weerklinkt; Zurbriggen stijgt af, legt zijn geweer aan, en wacht geduldig tot het beestje zich zal vertoonen, een schot valt, en het arme slachtoffer wordt bij de overige zegeteekenen gevoegd, die den zadel van onzen gids sieren. Ik kijk, daar ik niets beters te doen heb, naar onze schapen, die door den Kirghizen-jongen worden voortgedreven. Men wordt verbazend plat en nuchter op zulk een reis. Dikwijls is ’t onze eenige troost, te weten, dat er altoos ten minste nog iets te eten valt. Maar op gastronomische genietingen behoeft men zich niet voor te bereiden. De edele kookkunst wordt hier veronachtzaamd. Door dat voortdurende te paard zitten, de snelle stofwisseling en de opwekkende berglucht krijgt men een verslindenden honger, en als ’t etensuur aanbreekt, zijn wij maar al te blij, dat we mogen aanvallen op wat Abbas ons voorzet. Als we maar iets te eten krijgen, en vooral genoeg, dan is het goed. De hoeveelheid is het eenige, waarop het aankomt. De arme kleine lammetjes met de zonderlinge geschoren vetbulten op hun achterlijf, hadden haast geen tijd, om een enkel grassprietje af te rukken; de onverbiddelijke herdersjongen liet hun daartoe geen gelegenheid. Ze moesten onophoudelijk op een drafje blijven loopen, om de paarden te kunnen bijhouden. Als ze een beek moesten overzwemmen, hieven ze een hartverscheurend, jammerlijk geblaat aan, want ze hadden verbazend veel tegen op dat water, al konden ze uitstekend zwemmen. Dikwijls echter was de rivier diep en de stroom sterk en dan leek het wel, of allen met elkaar zouden verdrinken; zoo ver werden ze soms medegesleurd. Als ze dan ook ’s avonds in ons kamp eindelijk met rust werden gelaten, vielen de arme beesten neer van vermoeidheid, te uitgeput, om het weinigje voedsel te zoeken, waaraan zij behoefte hadden.

Ingang van het Kasjkateur-dal. Wij noemden den top van 4250 M., dien wij hadden bestegen, den Kasjkateur-Tao.

Ingang van het Kasjkateur-dal. Wij noemden den top van 4250 M., dien wij hadden bestegen, den Kasjkateur-Tao.

De twee ossen zagen er bespottelijk uit, met een houten ring door hun neus, hun hoekige schoften, en hun lading boomstammen, die aan het eene einde op een soort ruw zadel waren bevestigd, en met het andere uiteinde los over den grond sleepten. Als ze tegen een helling opklommen, was het soms een angstig gezicht, en bij het oversteken van een rivier wisten ze zich nu en dan geen raad, en bleven maar midden in het water pal staan, tot wanhoop van hun drijvers, die hen met geen mogelijkheid tot voortgaan konden bewegen. ’s Avonds kampeerden wij, bij gebrek aan gunstiger gelegenheid, in de buurt van een moeras. Het water daaruit, waarvan wij dronken bij het middagmaal, bezorgde ons krampen, waardoor we den geheelen nacht wakker lagen.

Ingang van het Kasjkateur-dal. Wij noemden den top van 4250 M., dien wij hadden bestegen, den Kasjkateur-Tao.

Ingang van het Kasjkateur-dal. Wij noemden den top van 4250 M., dien wij hadden bestegen, den Kasjkateur-Tao.

Al spoedig nadat we ons weer op weg begaven, kwamen wij voorbij de vallei van Berkout, waarvan de pas in het Kizil-Tao-dal uitmondt. De bergrug, die dit dal van de Saridjass-vallei scheidt, is een reusachtige moraine, bedekt met weiden, waartusschen enkele rotsgroepen zijn verspreid, die de treurige eentonigheid van het landschap eenigszins verlevendigen. Iets later zien wij een troep ovispoli, aan de overzijde der rivier, die rustig aan het grazen zijn. Deze dieren zijn zoo groot als kalveren, maar steviger gebouwd, met een dikke, ruigblonde vacht, en hebben een paar groote, spiraalvormig gewonden horens aan weerszijden van den kop. De Kirghizen noemen ze: Kaudja. Deze wilde schapen komen veel voor op de hoogvlakten van het Pamir- en Tien-sjangebergte. Zij worden niet aangetroffen op steile hellingen, want zij zouden met hun wijd uitstaande [221]horens zich daar stooten aan de rotswanden. In den herfst leveren de mannetjes verwoede gevechten. Meestal stoot een van de beide tegenstanders den schedel te pletter, en zijn lijk wordt spoedig de prooi van roofvogels en wilde dieren. Hun horens blijven liggen, en worden soms verzameld door de nomaden, die ze neerleggen op rotsen, welke door hun grillige vormen hunne opmerkzaamheid hebben getrokken.

Panorama van de Khan-Tengri-groep.

Panorama van de Khan-Tengri-groep.

Op het plateau van Saridjass weiden duizenden kudden paarden, die in de hoogst gelegen dalen zijn verspreid. De streek is daarvoor bijzonder gunstig; de grond is er tamelijk vlak, en al is het gras niet zeer welig, er is toch genoeg om die honderdduizenden dieren te voeden. Het opzicht over al die kudden is aan een betrekkelijk gering aantal bewakers toevertrouwd. Zij hebben dan ook niet veel te doen; niet anders dan de dieren gedurende den dag in het oog te houden en ze ’s avonds rondom hun tenten te verzamelen. Maar overigens hebben die arme herders geen aangenaam leven. Zij slapen onder een overhangende rots, of onder een stuk vilt waarvan [222]ze een soort tent maken; zelden in een yourte, en zij gebruiken geen ander voedsel dan koumiss.

Ik was zeer verheugd over de vaardigheid in het klimmen, door onze paarden aan den dag gelegd.

Ik was zeer verheugd over de vaardigheid in het klimmen, door onze paarden aan den dag gelegd.

Al die paarden zijn het eigendom van Kozakken uit Semiretchie en Dzoungarie. Tweemaal in het jaar komen zij de beste uitzoeken, en brengen een aantal paarden naar de jaarmarkten van Kouldja, Aksou, of Kasjgar, waar zij ze verkoopen, voor 15 à 30 gulden het stuk. De grond, waarover wij loopen, vertoont een menigte rechte, evenwijdige voren, alsof er een ploeg over was gegaan. Dat hebben de paarden gedaan, die evenals kameelen, gaarne naast elkaar loopen, en zoodoende zooveel regelmatige wegen vormen, als de beschikbare ruimte maar toelaat.

De rivier is uit het gezicht verdwenen, en nu schijnt het alsof het geheele dal een groote weide is. Maar dit komt, omdat de rivier hier door een kloof stroomt, met steile hellingen. Later komt zij weer te voorschijn en verspreidt zich in verschillende richtingen. Het plateau is echter nu ten einde, en wij bevinden ons weldra in de hoogere bergstreek. De lucht is scherp geworden, wij voelen de nabijheid der gletschers. En waarlijk, aan onze rechterzijde rijst plotseling de wand van het dal hoog op, en boven de uitgetande toppen verrijzen de gletschers, hoog uitstekend boven de moraines aan hun voet. Tegen den avond zijn wij genaderd tot den ingang van het dal van Kasjkateur, dat zich opent aan de rechterzijde van de Saridjass-vallei, en langs twee passen toegang geeft tot de dalen van Kokdjat en Kapkak, in het stroomgebied van den Ili.

19 Juli. De Khan Tengri, de vorst der Hemelen, zooals de Mongolen hem in hunne schilderachtige taal noemen, is de hoogste top van het Hemelsche gebergte.

Die verheven naam is volstrekt niet misplaatst, als men de ligging van den berg in aanmerking neemt, en laat zich bovendien verklaren door zijn buitengewone hoogte, die volgens sommige reizigers meer dan 7200 Meter bedraagt.

Bijna alle barbaarsche volken, die in aanhoudende aanraking zijn met de woeste natuur, zijn geneigd onbezielde voorwerpen te verheerlijken en beteekenisvolle namen te geven aan al wat door buitengewone eigenschappen treft of hun begrip te boven gaat. Wat Midden-Azië betreft, mag men gerust zeggen, dat al de namen van steden, rivieren, meren en bergen de uitdrukking zijn van een of andere gewaarwording, die hun gezicht bij den bewoner dier streken heeft opgewekt, toen hij ze voor het eerst aanschouwde. Het ware te wenschen, dat de onderzoekers dezen regel zooveel mogelijk trachtten te volgen, en niet door het geven van geleerde namen, buiten eenig verband met de plek die zij heeten aan te duiden, de veel oorspronkelijker benamingen verdrongen, uit de ongekunstelde indrukken der bewoners ontstaan.

De juiste plek, waar de Khan Tengri ligt, is nooit nauwkeurig aangegeven. De aardrijkskundigen hebben hem overal heengezet, behalve op de plek, waar hij zich werkelijk bevindt. Zelfs de enkele reizigers, die hem hebben aanschouwd, stemmen in hun opgaven niet overeen; ongetwijfeld omdat zij hem slechts op een afstand zagen, van uit een der dalen, die zich uitstrekken aan zijn voet.

Terwijl hij zichtbaar is van de vlakte van Tekès, twee honderd wersten verder noordwaarts gelegen, en eveneens van af den weg van Kasjgar naar Koutcha, bedekken hem overal elders de berggevaarten, waartusschen hij zich verheft. Op eenige van de kaarten, die wij onder de oogen kregen, scheen de Khan Tengri een op zich zelf staande bergtop, ten Noorden van het stadje Baï, op den weg naar Ak-Sou. Afgaande op de inlichtingen, die ons in Prjevalsk waren verstrekt, en volgens de aanwijzingen der russische kaart, die wij raadpleegden, moesten wij nu vlak bij den top zijn, daar wij ongeveer twintig werst verwijderd waren van het eindpunt van het Saridjass-dal; dus op de plek zelve, waar de berg heette te liggen. Wij brandden van verlangen om hem van naderbij te beschouwen, en verbeidden reeds vol ongeduld het oogenblik, waarop wij onze opwachting konden maken bij dien geheimzinnigen vorst, die al maandenlang onze gedachten had vervuld.

Wij besloten dus om een der toppen te bestijgen in het dal van Kasjkateur, die hoog genoeg zou zijn, om er een uitgestrekt vergezicht te genieten. Om tien uur kwamen wij aan op den Kasjkateur-pas, den gewonen weg der nomaden, die zich bezighouden met de paardenteelt op het Saridjass-plateau. Uit den pas komt men door het dal van Kokdjart in de dorpen Tald-Boulak, Dgilkarkara en Kheghen.

Ten Zuiden van den pas verhief zich een witte pyramide van ijs, met uitstekende rotspunten. Daarheen richtten wij onze schreden en na twee uren bereikten wij zonder moeite den top, die gevormd werd door een kap van sneeuw, en van waar men een wijd uitzicht had over de vallei van Kapkak. Toen wij onze sneeuwbrillen afzetten, om beter te zien, moesten wij eerst de oogen sluiten voor het verblindende licht. Nog nooit hadden wij ons te midden van zulk een glinsterende witheid, zulk een verblindende tinteling van sneeuw en ijs bevonden. Waar onze blik ook doordrong of rusten bleef, overal ontmoette hij een chaotische mengeling van toppen, koepels, scherpe randen, naalden van ijs en golvende, met sneeuw bedekte bergruggen, die elkaar in alle richtingen schenen te kruisen. Dikwijls heeft men het gezicht van zulke uitgestrekte reeksen sneeuwtoppen vergeleken bij een zee, waarvan de golven als door een tooverslag waren versteend. In de Alpen is deze vergelijking juist, want daar zijn de vormen der bergen werkelijk een vrij getrouwe nabootsing van de golven der zee. Maar hier heerschte zulk een geweldige verwarring, zulk een volkomen gebrek aan regelmaat, dat de vergelijking in geenen deele opging. Eer deed deze bevrozen zee denken aan een oceaan, die door vreeselijke aardschokken tot in zijn diepste diepten wordt beroerd, en waarvan de golven door razende winden ten hemel worden gezweept. De rotsen, die op de hoogste toppen hun grillige vormen afteekenden, vertoonden kleurspelingen als van venetiaansch glas, en zonderlinge schaduw-effecten, die hen als het ware deden ineensmelten met de sneeuwlaag, die hen omgaf.

De hooge top van den Khan Tengri verhief zich boven dien kring van reuzen, die als het ware een legermacht schenen te vormen, welke hem tegen de nadering van oningewijden beschermde. Hij was omtrent veertig wersten verwijderd van de plek, waar wij ons thans bevonden. [223]

Wij begrepen nu zeer goed, dat onze kaart ons gefopt had, en dat wij deze in het vervolg niet meer konden vertrouwen. Wij waren op een verkeerden weg geraakt, en zouden, de vallei van Saridjass volgende, den Khan Tengri nooit hebben bereikt. Wij moesten omkeeren, en hem van een andere zijde pogen te naderen. Wij gaven den top, dien wij thans hadden bestegen, den naam van Kasjkateur-Tao. Deze was 4250 M. hoog. Een uur later waren wij weer in den pas, waar de arme Khirgies, die in den ijzigen wind de wacht hield bij onze paarden, ongeduldig op en neer liep. Toen wij weer naar het kamp terugkeerden, vonden wij op een hoogte van 3000 M. een geweldig hertengewei. Het was rossig verbrand en verbleekt, en zeker reeds zeer lang aan de invloeden van hitte en koude blootgesteld geweest.

20 Juli. Op de Saridjass-Tao volgt het dal van Inghiltsjik, dat waarschijnlijk aan den voet van den Khan-Tengri begint. Maar de bergrug, die de beide dalen scheidt, is zeer hoog en bedekt met eeuwige sneeuw. Voor ervaren bergbestijgers was dit geen bezwaar, en met een gids als Zurbriggen lossen zich alle moeilijkheden als vanzelve op.

Maar wij waren niet alleen, en moesten ook al de bagage vervoeren; want aan de andere zijde zonden wij niets vinden, dat ons tot voedsel of beschutting kon dienen. Onze paarden hadden geen last van duizeligheid, en hun vaardigheid in het klimmen deed ons verwachten, dat zij zich ook in moeilijke omstandigheden wel erdoor zouden weten te slaan; maar wij moesten een overgang zoeken, en dit was niet gemakkelijk, ten eerste door onze onbekendheid met het terrein, en ten tweede, wijl wij uit ongeduld weinig geneigd waren tot voorzichtig wikken en wegen van elken stap. De djighite verzekerde echter, dat hij er misschien nog wel iets op zou vinden, als hij nauwkeurig de bewakers der kudden paarden ondervroeg.

Van de plek waar wij thans waren, zouden wij ons doel niet bereiken. Wij moesten eerst een pas zien te vinden, die geen al te groote moeilijkheden voor de paarden opleverde.

Intusschen lag, toen wij wakker werden, de sneeuw twintig centimeter dik op onze tenten; wij gingen dus eerst laat op weg. De overtocht over de Saridjass-Sou was nog al gevaarlijk; maar wij kwamen toch, ondanks eenige onderdompelingen, behouden aan den anderen oever. Daar ontdekten wij, tot onzen schrik, dat de grond niet vlak was, zooals wij hadden verwacht; maar heuvelachtig, vol plassen, en doorsneden door beken, die in spleten en gleuven van den bodem verdwenen. De grond was moraine-achtig, dus zeer poreus, en de streek verbazend eentonig. Men zou er zeer licht hebben kunnen verdwalen en wij verloren elkander dan ook nooit uit het gezicht, maar bleven allen vlak achter elkander rijden.

Des avonds kampeerden wij in het dal Adeurteur, waar een der gletschers naar Mouchktoff is genoemd, een russisch officier, die het eerst het plateau van Saridjass ontdekte. Den volgenden morgen wachtte ons dezelfde verrassing als den dag te voren. Weer lag de sneeuw dik op onze tenten. Al heel vroeg deed een oorverdoovend gehinnik en hoefgetrappel ons opschrikken. ’t Was een stortvloed van paarden, die door een hevigen sneeuwstorm van de hoogere toppen naar beneden werden gedreven.

Tegen den middag zetten wij onzen weg voort; altijd langs dezelfde helling, die nu steiler wordt en meer en meer bergachtig. Wij zien verschillende waterplassen, waar troepen wilde eenden nestelen. Piotra, onze jonge russische kolonist, wil er eenige vangen; hij trekt zijn kleeren uit, gaat onder water, en grijpt de dieren bij de pooten, als zij, zonder zijn tegenwoordigheid te bespeuren, rustig voorbijzwemmen. Intusschen heeft de djighite inlichtingen ingewonnen bij de herders, en hij heeft vernomen, dat er een weg bestaat, waarlangs wij den berg kunnen bereiken. ’t Is de pas van Tuz. Wij verhaasten onze schreden, en komen tegen den avond aan den ingang van het dal van dien naam.

III.

In den pas van Tuz.—Ontmoeting met antilopen.—Het dal van Inghiltsjik.—De tchiou-mouz.—Nog een Kirghizenhoofdman.—De bergengte van Attiaïlo.—De aoul van Oustchiar.—De rotsen versperren ons den uitgang.

De pas van Tuz is een der meest gewichtige punten van onzen tocht door het Hemelsche gebergte; maar het dal, dat aan dien pas voorafgaat, konden wij uit de vallei van den Saridjass-sou niet dadelijk bereiken, het bleef verborgen achter een moraine die, als een soort van dijk, de beide rivieren scheidt, welke een tijdlang bijna evenwijdig aan elkaar loopen, eer ze zich vereenigen.

Toen we den 22sten ons kamp opbraken, werden we geplaagd door zwermen muskieten, die het ons bijzonder lastig maakten. Al sloegen wij nog zoo driftig met onze karwatsen om ons heen, om ze van ons af te houden, zij weten onze gevoelige plekjes wel te vinden, en steken alleronaangenaamst.

Tegen tien uur zien we een groep van drie arkars, een antilopensoort, die op gemzen gelijkt, rustig aan ’t grazen tegen een begroeide helling. Zij schijnen volstrekt niet verbaasd over onze verschijning, en in plaats van bij onze nadering op de vlucht te gaan, blijven zij kalm voortgrazen, en lichten af en toe den kop op, om ons aan te kijken. Ze zijn zoo groot als kleine gemzen, met kort, geelbruin haar, dat bijna niet afsteekt bij de kleur van den bodem, en kleine rechte horens, een weinig schuin naar buiten staande. ’t Is de antilope argalis, die veel voorkomt in het gebergte van Tiensjan.

Het dal van Tuz splitst zich in drie afdeelingen, waarvan wij diegene kiezen, die het meest naar rechts is gelegen; de beide overige zijn onbegaanbaar. Langs iets, dat in de verte op een pad gelijkt, komen wij al spoedig aan de eerste hellingen van losse steenbrokken, aan den voet van een geweldigen bergmuur vol diepe rotskloven. Wel zien we van hier een soort van weg, die langs den steilen bergwand omhoog slingert en die, waar de voorbijtrekkende karavanen de steenen hebben verplaatst en verschoven, witachtig afsteekt bij den roestkleurigen bodem. Maar een pad is dit eigenlijk slechts in naam; want wij komen met de grootste moeite voorwaarts; de steenen glijden ons onophoudelijk onder de voeten weg. Zurbriggen, die een eindweegs vooruit is, staat ons als een ruiterstandbeeld op de hoogte af te wachten. [224]

Als we hem genaderd zijn, schudt hij bedenkelijk het hoofd met den rossen baard, en kauwt op de uitgegane pijp in zijn mondhoek. Dat voorspelt niet veel goeds.

“Hoe komen we daarlangs?” vraagt hij, terwijl hij rondziet naar het amphitheater van rotsen en ijs, dat zich op een afstand van een paar honderd meters voor ons uitstrekt. Wij roepen den djighite. Deze wijst op een donkere streep, die midden over den gletscher loopt. “Vot doroga”, (dat is de weg) zegt hij tegen ons in ’t russisch. “Djol djâman” (heel slecht) voegt hij er in zijn eigen dialect bij. Dicht bij ons vangt een klein meer het water der drie gletschers op, die, hoewel niet bijzonder hoog, bijna geheel kaal zijn, en bedenkelijk steil. Maar onze jager is, met twee paarden aan den teugel, reeds begonnen de moraine vóór ons te beklimmen. Wij volgen hem, zonder eigenlijk goed te bedenken wat we beginnen. Met een moed, dien men haast doldriftig zou kunnen noemen, sleepen wij de dieren naar den top van de rotsen, waar ze bijna geen ruimte hebben om te staan, en de grond glibberig is van het gletscherwater.

Wij wagen ons dapper op de ijshelling.

Wij wagen ons dapper op de ijshelling.

Zurbriggen waagt zich, zijn paard bij den teugel houdend, onversaagd op de ijshelling. Eerst klimt hij in een rechte lijn omhoog; maar een steilte, die voor hem oprijst, noodzaakt hem, schuins rechts te houden. Wij volgen zijn voorbeeld, steeds zoekend naar spleten en kanten, om onzen voet neer te zetten, en ruwe plekken, waar we even staande kunnen blijven. We hebben geen houweel bij ons, en moeten ons dus met de handen vastklemmen, om niet te vallen. Maar op de plek aangekomen, waar wij in de schuinte moeten gaan klimmen, beginnen wij in te zien, dat het nu toch te gevaarlijk wordt. De paarden zouden hier allicht door de zwaarte van hun last omvergetrokken worden, en neerstorten op de puntige rotsen daar beneden. Zurbriggen, die op wonderbaarlijke wijze een veilig punt heeft weten te bereiken, roept ons uit alle macht toe, dat we niet verder mogen gaan; zijn eigen paard was bijna uitgegleden, en beeft nog van angst. Op eens tuimelt een der vrachtpaarden als een steen naar beneden, waar de andere helft van onze karavaan nog staat te wachten. Abbas geeft een kreet van pijn; hij is door een trap van het gevallen paard aan zijn been gekwetst.

Het zou al te dwaas zijn, onder deze omstandigheden ons plan te willen doorzetten. Wij besloten dus, te kampeeren bij het meer en gedurende het verdere verloop van den dag een beteren weg te zoeken. Wij lieten nu onze paarden alleen staan, en volgden onzen gids naar den top van den pas, dien wij vrij spoedig bereikten. Wij waren hier op een hoogte van 3450 M. Aan onze voeten strekte zich het Inghiltsjik-dal uit, over een lengte van honderd werst, ten Zuiden begrensd door een duizelingwekkenden bergwand, meer dan 6000 M. hoog. Maar wij hadden haast, en het kwam er thans meer op aan, een veiligen overgang te vinden, dan te genieten van dat prachtig schouwspel. Rechts van den pas daalde een gletscher af, waarvan de helling volstrekt niet steil was, en langs dien weg besloten wij verder te trekken.

Toen wij in het kamp terug kwamen, vonden wij daar twee zieken, Abbas en Piotra. De laatste rolde over den grond, met hevige krampen in den buik, en Abbas klaagde over zijn been.

Wij wreven hen in met een antiseptisch middel en gaven den jongen Rus iets verzachtends. Het blinde vertrouwen van die eenvoudige lieden op onze macht en onze kennis hielpen haast evenveel als de geneesmiddelen zelf. Later kregen wij nog gelegenheid, bij de Kirghizen voor dokter te spelen. Hoewel deze zeer gehard zijn, speelt bij hun ongesteldheden de verbeelding een groote rol. Een kleinigheid is dan ook voldoende om hen te genezen, en zij stellen dus in de wetenschap der beschaafde lieden onbegrensd vertrouwen.

Den volgenden morgen kwamen wij na drie uren aan den tweeden pas van Tuz. Er zijn werkelijk twee passen van dien naam, die beide door de nomaden worden overgetrokken, al naar gelang van hun meerdere of mindere begaanbaarheid. Wij hadden dus het voorbeeld der Kirghizen gevolgd. Om van het hoogste punt van den pas weer af te dalen in de vallei, doet men als ’t ware een sprong van 2000 meter in de diepte. Er is geen gebaande weg, en men kan zich maar niet op goed geluk naar beneden laten glijden. Den weg moet men zelf maar zoeken. Toen ik de streek, waar gras groeide, weer had bereikt, waren de vier pooten van mijn paard bloedig gewond, en het arme dier scheen alles behalve behagen te scheppen in die halsbrekende klimpartij.

[225]

De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.

De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.

Tegen drie uur hadden wij den voet van den berg bereikt. Het landschap bleef steeds eentonig; hoewel het thans werd verlevendigd door struikgewas, dat aan den oever der rivier groeide. Enkele cruciferen met saffraankleurige bloemen, distels, en gele anemomen bloeien tusschen de struiken in den schralen bodem. Hier en daar ontspringt onverwacht een beek uit het dorre rotsgesteente, en besproeit kleine grasvelden, die ons werkelijk als een oasis voorkomen in deze steenwoestenij. Op een kleine verhooging langs den oever zien wij iets, dat onze aandacht trekt.

Het is een Kirghizengraf, gebouwd uit gekruiste boomstammen, waarop een pyramide van steenen is opgericht. Kort daarop komen wij aan een aoul, die door de nomaden is verlaten. Hier hebben zij verblijf gehouden in het koude jaargetijde, want deze zijde van den berg, dien wij nu juist zijn overgeklommen, schijnt dan aan de zonnestralen te zijn blootgesteld, zoodat de sneeuw er spoedig smelt en de bodem met gras bedekt is. Rondom een groot granietblok ziet men duidelijk de kringen, die de keregas hebben achtergelaten; dat zijn de houten afsluitingen, die als ’t ware het geraamte der yourtes vormen. In het midden liggen nog de drie zwart geschroeide steenen, die als haard hebben gediend. Het gras groeit hoog en dicht, waar het vee den grond bemest heeft. Maar wij willen toch liever niet kampeeren op deze plek, en achten het beter, beschutting te zoeken achter een verhevenheid van den bodem, om den killen luchtstroom te ontwijken, die ons tegenwaait van den gletscher, uit welks tallooze spleten en gleuven stroomen modderig water neerstorten. Vlak tegenover ons begroet ons de geweldige, in wolken gehulde Kizil-Tao met donderende sneeuwlawinen, die ons echter volstrekt geen angst aanjagen, daar zij ons hier niet kunnen bereiken. Niet ver van ons blinkt een kleine waterval tusschen struikgewas.

De Kirghizen verzamelen hier dikwijls hun kudden, daar de plek als ’t ware een natuurlijke besloten ruimte vormt.

24 Juli. Wij gaan op verkenning uit naar den Inghiltsjik-gletscher om een plaats te zoeken, waarlangs we de paarden kunnen overbrengen. Als ons dat gelukt, zullen we zoo hoog mogelijk zien te geraken, om ons hoofdkwartier te kunnen betrekken vlak bij den voet van den Khan Tengri. Hij ligt ongetwijfeld aan het eind van dat reusachtige ijsveld, dat de nomaden den “tchiou mouz” (grooten gletscher) noemen. De oppervlakte ervan is zeer oneffen, ’t is een aaneenschakeling van meren en stroomen, dalen en heuveltjes, bezaaid met steenen, die, al naar de richting waarin zij zijn afgegleden, en de meerdere of mindere hardheid van den gletscher, liggen [226]opgehoopt in strepen, die in verschillende richting loopen, en afwisselend zijn van kleur. Van boven af gezien gelijkt de gletscher op het schild van een reptiel.

Wij behoeven niet lang te twijfelen aan de volslagen onmogelijkheid om onze paarden hierheen te brengen, wegens het gebrek aan gras en de onbegaanbaarheid van den bodem. Om dien Inghiltsjik-gletscher te kunnen volgen tot aan zijn oorsprong, en op die plek eenige weken te vertoeven, zouden we moeten beschikken over een flinken troep sterke lastdragers, met doelmatig schoeisel, en aan deze eischen voldeden noch de lieden, die wij hadden medegenomen, noch zij, die wij in de naburige dalen hadden aangetroffen. Want de inwoners zijn onvoldoende gekleed, en kunnen bovendien volstrekt geen vrachten op den rug dragen. Wij moesten er dus in berusten, en op een ander punt den Khan Tengri zien te naderen. We wilden het nu beproeven langs den pas Mouj-art, op chineesch grondgebied.

Bij het opbreken waren wij niet weinig verbaasd, toen wij onzen djighite zagen aankomen met een ouden Kirghies, die zich zoo diep voor ons neerboog, alsof hij ons een gunst kwam afsmeeken. Het was niemand minder dan het hoofd, of chirtaï van het Kaënde-dal, die ons zijn diensten kwam aanbieden. Toen wij den vorigen avond op den gletscher rondzwierven, was de djighite plotseling zonder waarschuwing verdwenen en had in 24 uren 150 werst afgelegd, om den man op te zoeken, dien hij nu medebracht. Onze vriend Abbas liet zijn potten en pannen in den steek, om met de grootste deftigheid zijn plichten als tolk en ceremoniemeester te vervullen. Altoos onverstoorbaar kalm, gedroeg hij zich ook bij deze gelegenheid met voorbeeldigen tact, en behandelde onzen gast als een ouden bekende. Hij had het anders op de Kirghizen volstrekt niet begrepen en koesterde de diepste minachting voor hen. Hij ging zelfs zoo ver, hen en hun vrouwen te verklaren voor “vuile honden, die alles zouden eten, tot krengen toe”.

Die chirtaï scheen nu ook niet bepaald een voornaam personage. Op een paar beleefde phrases na, die Abbas ons op zijn manier in ’t Fransch overbracht, scheen hij zich niet anders te kunnen uitdrukken dan door buigingen en salamaleks, die hij onophoudelijk ten beste gaf, met gesloten oogen en de handen op de borst gedrukt. Toen we pas op weg waren, kwamen ons twee mannen te paard tegemoet rijden, die zich bij onze karavaan voegden. ’t Waren onderdanen van onzen autocraat in miniatuur, door hem uitgezonden, om ons hun hulp aan te bieden.

Al was hun hoofd niet precies op de hoogte van de vormen der wellevendheid, hij wist zeer goed, wat de plicht der gastvrijheid gebood. Die twee lieden bewezen ons uitstekende diensten bij het oversteken van de rivier, die op sommige punten bijna 200 meter breed was. Wij bereikten de overzijde aan den ingang van het Attiaïlo-dal, de eenige toegang tot de vallei van Kaënde, die ten Zuiden van het Inghiltsjik-dal is gelegen.

Het gebergte, dat de beide dalen scheidt, is uit een geologisch oogpunt beschouwd, de kern van de Khan Tengri-groep. Het vertoont een eigenaardig karakter, zoowel door zijn uiterlijk voorkomen als door den aard van het rotsgesteente. De hoekige omtrekken en de waaiervormige ligging der granietlagen verraden den plutonischen oorsprong van zijn vorming. Wat ons als een zonderling verschijnsel trof, was het feit, dat de berg plotseling afbreekt, en schuin doorsneden wordt in de richting van het Z.W. naar het N.O. door de bergengte van Attiaïlo. Uit de verte zou men dit niet hebben verwacht; want de bergketen schijnt onafgebroken door te loopen, en zich als een zware versterking aan te sluiten bij de reuzenmassa van den Kizil-Tao. Maar van dichtbij gezien, zooals wij daartoe gelegenheid hadden bij onzen doortocht door het Attiaïlo-dal, bemerkte men, dat dit aanhangsel een geheel verschillenden oorsprong en bouw verraadt. Twee of drie wersten verder splitst zich het dal in tweeën. Links opent zich een geweldige kloof, die den hoogen bergwand volgt, en als ’t ware afscheidt. Wij blijven rechts houden. Een paar uur later komt er een regenbui, die ons noodzaakt, stil te houden aan den voet van hooge rotsen, wier toppen met ijs zijn bedekt. Af en toe vallen steenen uit de hoogte rondom ons neer; maar aan zulke kleine bezwaren zijn wij nu reeds gewend, en wij letten er niet eens meer op. Met den rand van onzen hoed over de oogen neergeslagen, den kraag tot over de ooren opgetrokken, en een plaid om de schouders, vertrekken wij uit ons bivouak op een hoogte van 3000 M., en weten nog niet recht waar we heden avond zullen slapen.

Langzaam, terwijl de wind ons den regen in ’t gezicht zweept, beklimmen wij de eene helling van losse steenen na de andere, en vervolgen onzen weg, om moraines heen, welker gletschers in ijzige mistwolken zijn gehuld. Op het hoogste punt van den pas klaart de lucht op, en wij zien, dat we langs de oevers van een meer rijden, dat te midden van bloemrijke weiden gelegen is. In onze onverschillige en gedrukte stemming brengt dit liefelijk landschap, door een wazigen nevel gezien, een oogenblikkelijke omkeering teweeg. Onze stompe zwaarmoedigheid maakt plaats voor opgewektheid, en bijna met vreugde begroeten wij dat zonnige groene plekje, dat ons aan een Alpenlandschap doet denken, en als een herinnering is aan ons schoon vaderland. Maar die liefelijke indrukken zijn niet van blijvenden aard. Na deze oase volgt plotseling, zonder overgang, een akelige nauwe kloof, die op een tunnel gelijkt. De lucht betrekt weer, en het begint opnieuw hard te regenen. De rivier is bovenmatig gezwollen. Toch moeten wij den stroom herhaalde malen oversteken en langs den oever rijden, voortdurend bedreigd door de vallende steenen, die met angstwekkende snelheid van de hooge hellingen komen neerstorten. Om ongelukken te voorkomen, moeten we soms gevaarlijk hard rijden op den glibberigen natten oever, waar we bijna niet staande kunnen blijven van de gladheid. Op eens houdt de djighite stil, en wenkt ons, zijn voorbeeld te volgen. Hij roept ons toe, dat we ons vlak bij een vreeselijken afgrond bevinden en dat het onverantwoordelijk onvoorzichtig zou zijn, onzen weg te vervolgen. Wij zien elkaar verschrikt en verwonderd aan. Wat zullen we doen? Waarom heeft hij ons niet eerder gewaarschuwd? Moeten wij dan op deze plek ons kamp opslaan? De bodem, waarop wij [227]staan, is los puin, dat door de rivier wordt medegevoerd, en naast ons bruist het water, dat groote rotsblokken voortstuwt, die, als zij een versperring vormden, ons en ons kamp zouden kunnen doen medesleuren. Maar bij de gedachte, dat ons niet anders overblijft, dan op onze schreden terug te keeren, zinkt ons de moed in de schoenen, en wij schikken ons gelaten in ons lot.

Dien avond wandelden we niet langs de tenten, zooals anders, om een gezellig praatje te houden, en we gebruikten niet kalm het middagmaal op den tchiamkerr, die voor den ingang onzer tent werd uitgespreid. Nadat we ons goed hadden vergewist, dat de tenten stevig waren vastgemaakt, en geen vocht doorlieten, kropen we in onze slaapzakken en wachtten, tot de god van den slaap zich over ons zou ontfermen. Gedurende den nacht werden we onophoudelijk gekweld door afschuwelijke droomen, en telkens sprongen we verschrikt op, in de meening, dat ons laatste uur geslagen was. De regen, die met steeds meer geweld op het dak der tenten kletterde, deed ons denken aan den toestand der rivier, die dus ook steeds bleef wassen, en waarin wij het doffe tegen elkander botsen hoorden van de steenen, die het woest geweld van den stroom losrukte van den oever. Als de paarden, die onrustig buiten heen en weer liepen, langs de tenten streken of struikelden over de gespannen koorden en palen, beving ons soms werkelijk de angst, dat onze schuilplaats geen voldoende beschutting zou blijven verleenen. Tegen den morgen echter klaarde de lucht op, en in den warmen zonneschijn begon onze doorweekte bagage spoedig te drogen. De afgrond, waarvan onze djighite den avond te voren sprak, was een geweldig diepe kloof, die de berghelling doorsneed en ons den weg versperde.

Wij moesten eerst langs den rand dier kloof hoogerop klimmen, en zóó, uiterst voorzichtig, op den vochtigen grond, een omweg maken, eer wij de overzijde der kloof weer hadden bereikt. Bij het afscheid van die bergengte van Attiaïlo bootsten wij onwillekeurig Dante’s gebaar van afgrijzen na, bij het verlaten der hel. Op een betrekkelijk veilige plek aangekomen, zagen wij bijna met ontzetting terug naar die duistere kloof, vol sombere schoonheid, waarin de stroom als razend worstelt tegen de nauwe kerkerwanden, die hem omsluiten, om somtijds geheel te verdwijnen in onzichtbare, onderaardsche kolken. De steile wanden der kloof, die wij zijn omgetrokken, vertoonen hun kale rotslagen van mica en kwarts, hier en daar afgebroken, waar verzakkingen hebben plaats gehad en de overblijfselen van verschillende lagen een bontgekleurde mengeling vormen. Aan de andere zijde heeft de harde rotswand meer zijn oorspronkelijken bouw bewaard; het zijn loodrechte muren, trapsgewijs opklimmend, en op den top bekroond door alleenstaande rotsblokken, die den indruk geven van middeleeuwsche burchten, zoo plomp en zwaar. De roestkleur der rotsen, waarover loodrechte blauwachtige strepen loopen, verkleurd door het afloopen van het water, en de vele holten en spleten gaven aan die kalksteenrotsen een schilderachtig vervallen voorkomen.

Na nog een eindweegs te hebben afgelegd, dalen wij af in het Kaënde-dal, waar de chirtaï ons opwachtte, met twee van zijn onderhoorigen. Hij bracht ons een zak met koumiss, dien hij ons zeer welwillend aanbood. Daarop plaatste hij zich aan het hoofd van den stoet, om ons den weg te wijzen door het warnet van kanalen, die tusschen de steenen van den thalweg kronkelen, en bracht ons zoo, na eenige onderdompelingen, op een met gras begroeide hoogte aan de grens van een dennenbosch. Hier verzocht hij ons, of wij ons naar zijn aoul wilden begeven, die, ongeveer een halve dagreis van ons verwijderd, meer stroomopwaarts lag. Maar daar wij zeer verlangend waren, om het doel van onzen zwerftocht te bereiken, bedankten wij voor zijn vriendelijk aanbod en beloofden hem, zoo mogelijk, later aan zijn beleefde uitnoodiging te zullen voldoen. Om den bergwand te kunnen beklimmen, die de vallei van Kaënde aan de zuidzijde afsluit, moeten wij nog ongeveer drie uren door het dal trekken, waarna wij door weelderige grasvelden den Oustchiar-pas bereiken, te ongeveer twee uur des middags. Daar wachten ons twee onbekende Kirghizen, met het gewone huldeblijk, de traditioneele koumiss. Hun aanwezigheid op die plek doet ons niet weinig verbaasd staan. Hoe wisten die menschen dat wij in aantocht waren, terwijl zij aan de tegenovergestelde zijde van het dal wonen? Wij kunnen het raadsel niet oplossen. Begeleid door deze eerewacht, kwamen wij een uur later aan hun aoul, die aan de rivier was gelegen, in een kromming van het dal.

Al de mannen kwamen ons onmiddellijk te gemoet, terwijl de kinderen verschrikt wegliepen, en de vrouwen ons angstig bespiedden door de reten der yourtes. Geen van allen begreep, wat dit bezoek van vreemdelingen in hun land moest beteekenen. Het kostte den djighite en Abbas vrij veel moeite, om hun het doel onzer reis uit te leggen, en hen te overtuigen, dat wij niet het geringste kwaad in den zin hadden.

Den geheelen middag werd ons kamp druk bezocht door het mannelijk element van de kolonie, en al spoedig werden wij met broederlijke hartelijkheid behandeld. De Kirghizen hebben een opmerkelijke eigenschap; als zij eenmaal weten, dat men hun geen kwaad zal doen, worden zij verregaand opdringend en onbescheiden.

De koumiss vloeide in stroomen, en Abbas onthaalde hen, bij wijze van contra-beleefdheid, rijkelijk op thee, die vooraf in een grooten ketel werd klaargemaakt. Des avonds deden wij een wandelingetje langs de tenten, tot schrik van de vrouwen, die zich verscholen toen zij ons zagen aankomen. Maar de mannen, die ons vergezelden, haalden hun echtgenooten voor den dag, en lieten ze op een rij staan, zoodat wij ze bedaard konden opnemen, ’t geen zij zich goedschiks lieten welgevallen. Hare kleeding was wel schilderachtig; maar overigens waren zij niet bijzonder aantrekkelijk van uiterlijk, en men moest ze goed aankijken, om ze te onderscheiden van de mannen, zoo lomp en forsch waren zij gebouwd, en zulke ruwe, afstootende gezichten hadden zij. Een der Kirghizen noodigde ons uit, zijn yourte binnen te treden. Twee vrouwen verstopten zich daarbinnen achter een gordijn, dat de man op ons verzoek wegschoof. De eene was bezig, een kleintje van een paar maanden in te bakeren in een lamsvacht. Daarop [228]gaf ze hem een zuigflesch, vervaardigd uit een hollen ossenhoren, met een perkamenten blaas bij wijze van speen. De andere borduurde een muts voor haar man. Ze had de stof over een houten ring gespannen, dien ze tusschen de knieën vasthield, en ze reeg een wollen draad door het weefsel, met een beensplinter, die als naald diende. De teekening was niet symmetrisch; maar de levendige, frissche kleuren waren met smaak gerangschikt, en het borduurwerk maakte een zeer fraaien indruk.

Intusschen kwam het vee naar kooi. ’t Was een merkwaardig schouwspel, die menigte kudden, die daar van de bergen kwamen afdalen, en door de herders werden opeengedrongen in de nauwe ruimte, waar men ze gedurende den nacht houdt opgesloten. De geheele aoul was in rep en roer bij de aankomst der kudden. Alle vrouwen kwamen uit de hutten te voorschijn, elk haar eigen vee zoekend, en trachtend, het te roepen en bij elkaar te houden. Er is een lang touw op den grond gespannen, waaraan schapen, geiten, koeien en paarden in afzonderlijke groepen worden bevestigd. De grootere kinderen helpen hun moeders bij dat werk. Maar de mannen voeren niets uit; zij vergenoegen zich met toekijken en, waar zij het noodig achten, de vrouwen duchtig onderhanden te nemen, als zij zich vergissen.

Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.

Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.

Kleine, dikke kleuters van twee of drie jaar, met bruine gezichten en stevige armpjes en beentjes, zoo leelijk “als Kirghizen”, kleine monstertjes van dikte en gezondheid, springen in die drukte rond, rollen tusschen het vee over den grond, en willen het voorbeeld der ouderen volgen.

29 Juli. Daar een onzer paarden kreupel ging, ruilden wij dit, bij ons vertrek uit den aoul van Oustchiar, voor een paar roebels tegen een ander paard van de nomaden. De geheele stam kwam bij dien koop te pas, en wie weet hoe lang het zou hebben geduurd, als wij Abbas niet bevolen hadden, korte metten te maken met al die praatjesmakers.

Om tien uur bereiken wij den Artchiar pas, den bergwand tusschen de dalen van Oustchiar en Artchiar. Van af het hoogste punt heeft men een mooi gezicht op den Oustchiar-top, die achter den aoul oprijst, in een pantser van ijs gehuld, en bedekt met sneeuw. Aan de andere zijde van den pas rijzen vier of vijf bergreeksen op, die elkander in verschillende richtingen kruisen, en wij weten nog volstrekt niet, waarheen de uitgang aan onzen voet ons leiden zal. Wij volgen de nauwe kloof, die na een paar uren ons voert tot een plek, waar de rivier plotseling verdwijnt in een afgrond, waarvan de rotswanden tot elkaar schijnen te naderen, om ons den weg te versperren. Maar een soort van pad slingert door losse steenbrokken langs de helling omhoog, langs een reeks scherpe, vooruitstekende rotspunten. Wij zijn omgeven door een chaos van gevallen rotsblokken, van duizelingwekkende hoogten in onpeilbare diepten neergestort. ’t Is alsof we in een nauwe schroef zijn geklemd, en nooit meer een uitweg zullen vinden.

Toch stappen de paarden geduldig voort, wringen zich met katachtige lenigheid rondom de belemmeringen, die ons den weg versperren, stappen over losse steenen heen, wijken uit voor spleten, springen over kloven, treden voorzichtig langs den rand eener klip, en zoo duurt dat voort, nu reeds meer dan twee uren lang. Ons stevig vastklemmend aan onzen zadelknop, laten wij ons maar op goed geluk voortdragen. Onze vaardigheid in het paardrijden is ons hier van geen het minste nut; het zou ons slecht [229]bekomen, als wij onze kennis van de hoogere rijkunst hier in toepassing wilden brengen, want de geringste mispas zou ons met paard en al in de diepte doen storten.

Nu en dan kijken wij eens, op een hoog punt gekomen, of de geheele karavaan nog aanwezig is. Als de laatste verhevenheid is beklommen, dalen wij af langs diepe gleuven, tusschen wallen van kleiaarde, naar beneden in het dal, dat zich hier in twee takken splitst. De plantengroei heeft het vroegere alpenkarakter verloren, en wordt hier in de hoogste mate grillig en wonderlijk. Stekelige, lederachtige grassoorten, met veelkleurige bloemen, groeien op den rossig gelen grond; boschjes van dicht struikgewas, waaruit een walgelijke reuk opstijgt, tamarinde, knoflook, thym en een menigte onbekende planten groeien hier in vreemde kronkelingen en bochten, als verwrongen in stuiptrekkingen van pijn, en ademen een lucht van bederf uit, die u de keel toesnoert. Midden in de rivier staat een eenzame wilg, verwrongen en verminkt door het geweld van den vloed. Die reeks van afgronden en die zonderlinge plantengroei doen u vol verbazing beseffen, dat gij door een geheimzinnig oord trekt, waar elk voorwerp u treft door zijn bizarre afwijking van allen regel.

Een Kirghizen-graf.

Een Kirghizen-graf.

De eenige weg, waarlangs wij verder kunnen trekken, is het bed van de rivier, slechts weinige meters breed, en waarin het water zich met geweld een weg zoekt te banen tusschen opgestapelde steenblokken en twee hooge rotswanden, die zich aan beide zijden ten hemel verheffen. Die sombere gevangenismuur, waarop zich plekken roodachtig mos vertoonen, die gelijken op bloedvlekken; die gapende wonde in het gebergte boezemt ons schrik en ontzetting in. Maar wij denken aan de lange rust dier rotsen, die al zoovele eeuwen den voorbijtrekkenden reiziger hebben bedreigd, en wij betreden zonder vrees den ingang dier hel, om in het halfduister der kloof door te dringen.

Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.

Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.

Een eindweegs verder, bij een scherpe bocht, schuimt de rivier met kracht tegen den rotswand omhoog, en snijdt ons den pas af. Wij moeten het water in, en ons al spartelend op het droge redden. Dat gevaarlijke spelletje herhaalt zich nog eenige malen, tot groote ontevredenheid van Zurbriggen, die niets gesteld is op die gedwongen zwemoefeningen. Om de handen vrij te houden, heeft hij zijn onafscheidelijke pijp zelfs in den zak gestoken.

De bergengte van Artchiar mondt uit in het dal van Koékab, waarheen wij thans onze schreden richtten. Wij hielden stil op een landtong, die zich tusschen de beide rivieren uitstrekt. Deze dijk, door aanslibbing ontstaan, gaf ons werkelijk een gevoel van verademing, na de strakke steilheid van die kale berggevaarten. Des avonds ontstaken wij groote vuren, om de wilde dieren te verjagen, die, volgens de Kirghizen, hier zeer talrijk waren.

Ons plan was, om op chineesch grondgebied over te gaan, en den Khan Tengri te naderen door het dal van Mouj-art, den loop volgend van den Koékab-Sou, die ons, zooals wij dachten, naar den Ak-Sou zou voeren. Maar wij beraamden dit plan, zonder juiste kennis te bezitten omtrent het terrein, waarop wij ons wilden begeven. Toen wij het dal van Koékab genaderd waren, zagen wij dadelijk, dat het onmogelijk was, onzen weg in die richting voort te zetten. Een kloof van bijna duizend meter diepte, en op den bodem daarvan een bruisende stroom, die in razende vaart voortjoeg, en waaruit wolken van damp omhoog sloegen, dat was de eenige weg, waarlangs wij op deze wijze ons doel konden bereiken. [230]Er viel niet aan te denken, dit plan was onuitvoerbaar.

Meer stroomopwaarts schijnen de zijden van het dal toegankelijker, en op een niet al te steile plek trachten wij omhoog te klimmen. Als wij echter een tijdlang den voet van den berg hebben gevolgd, en de rivier hebben doorwaad, zien wij ons ongelukkigerwijze genoodzaakt, tegen den stroom op te zwemmen. Het water is hier 3 à 4 meter diep. De paarden worden onmiddellijk machteloos teruggedreven door het geweld van den stroom.

En als daarna de weg dan nog maar vrij was! Maar waar onze blik ook rust, nergens is een uitweg te zien. Wij weten niet recht, wat wij nu moeten beginnen. Zoover te zijn gekomen, om ons thans door de rotsen den weg te zien versperd! Het was wel teleurstellend. Maar wat zouden wij doen? Te voet onzen weg voortzetten ging niet aan. Wij moesten, goed- of kwaadschiks, op onze schreden terugkeeren.

Intusschen kampeerden wij maar op de plek, waar wij nu waren aangekomen, want wij hadden geen moed meer, om weer telkens tegen wil en dank een bad te nemen. Wij sloegen de handen aan ’t werk om steenen weg te dragen, terwijl de paarden gingen knabbelen aan de struiken op den oever.

We willen het dal van Koékab echter niet verlaten, zonder het ten minste goed te hebben opgenomen. Den volgenden morgen beklimmen wij den bergrug achter ons. ’t Is een lange en moeilijke tocht, waarop wij meerdere kudden zien van schapen met groote horens, die de geleerden ovis argalis noemen. Om vier uur zijn wij ter hoogte van 3850 M. geklommen. Wij zijn nog niet op het hoogste punt; maar het wordt laat, en wij mogen niet vergeten, dat de terugtocht ons nog wacht. Van ons standpunt zien wij slechts de groote lijnen der hoofdketens, die op het dal uitkomen. In ’t Oosten en Zuiden rijzen toppen op van 5000 en 6000 M. hoog, bedekt met gletschers en eeuwige sneeuw. Aan het uiterste eind van den Kok-Chaal-Tao onderscheiden wij in een wijde insnijding een nevelige vlakte; waarschijnlijk de woestijn van Taclamakan. De zon begint te dalen. Twee duizend meter beneden ons zien wij duidelijk onze metgezellen en de dieren die zich bewegen bij de tenten van het kamp. De weg erheen schijnt ons als ’t ware aangewezen, langs een helling van losse steenen, die eindigt in een nauwen doorgang. Met een paar sprongen zijn wij zoover. Maar nu begint het eerst.

We moeten van het eene rotsblok op het andere springen, over glibberige steenen glijden, met kleine stapjes langs smalle richels loopen, acrobatische toeren verrichten, en ten slotte komt de zwaarlijvige Zurbriggen ons op de schouders tuimelen. Als we eindelijk gelooven, dat nu het ergste toch geleden is, staan we—n.b. aan den ingang der bergkloof van Artchiar. Dat is toch wel heel erg! Wij hebben begrijpelijkerwijze geen lust, om den nacht in die gevangenis door te brengen en er longontsteking op te doen. Wij trachten de zaak zoo gelaten mogelijk onder de oogen te zien, en besluiten, hoe ’t ook moge afloopen, in elk geval ons kamp weer te bereiken. Maar het kost moeite. Met ons drieën aan één touw gebonden, met de voeten voorzichtig in ’t water plassend en met de handen, of ons houweel op den tast den weg zoekend, komen wij te middernacht in ons kamp aan. Onze schoenen zaten vol kiezel, onze zakken vol water, en wij waren door en door nat. Maar een goed vuur, een bord warme soep, en een verkwikkende nachtrust deden ons spoedig al de onaangenaamheden vergeten, die wij op dien ongelukkigen tocht hadden uitgestaan.

IV.

Op den top van de Oustchiar-spits.—De aoul van Kaënde.—Het gezicht op den Khan-Tengri.—De Kaënde-gletscher.—Ingesneeuwd.—Wij denken over terugkeeren.—In het Irtach-dal.—Bij den Kaltchè.—De kookkunst der Kirghizen.—Einde van onze topographische verrichtingen.—Een Kirghizen-begrafenis.

1 Aug. Wij veroorloofden ons de weelde, van een dag rust te nemen in de omstreken der bergengte van Artchiar, namen lucht- en zonnebaden, en gingen planten zoeken in den omtrek, zoodat wij onze verzameling met eenige zeldzame exemplaren vermeerderden. Des middags zagen wij een troep wolven op de berghelling. Wij zonden hun een paar kogels na, en zij vluchtten huilende weg.

Dien nacht begon het hevig te regenen, en vier en twintig uren achtereen duurde die zondvloed, die stroomen van slijk en steenen van de bergen deed neerstorten, en ons in onze tenten hield opgesloten. De Koékab-Sou, die het water van beide zijden van het dal opvangt, stijgt geweldig door de duizenden stroomen, die van de hoogte neerstorten en alles in hun vaart medesleepen. De berg gelijkt op een reuzenspons, en uit alle openingen spuit het water met verbazende kracht. De beide rivieren veranderen telkens hun loop, en bedreigen zelfs de helling, waar wij onze tenten hebben opgeslagen.

Als wij echter den 3den Augustus buiten komen, is de hemel helder en effen, en de zon schijnt. De berg is tot rust gekomen, en van al het misbaar van den vorigen dag is niets meer te bespeuren, dan nog wat zacht geruisch van beekjes, die langs de oneffenheden in het rotsgesteente vloeien en een aangename koelte verspreiden. Wij kunnen dus zonder gevaar de bergengte van Artchiar weer doortrekken, en ons over den pas terugbegeven, langs denzelfden weg, dien wij vijf dagen te voren hebben afgelegd.

Als we des avonds, na onderweg een herder met zijn kudde te hebben ontmoet, te Oustchiar aankomen, zijn de nomaden zeer verheugd, ons weer te zien. Wij vinden daar een koerier, die door den gouverneur van Prjevalsk ons is nagezonden, met een brief, waaruit wij vernemen dat in China de oorlog is uitgebroken. De boodschapper raadt ons met nadruk af, om ons op dat onveilig grondgebied te begeven, als wij ons niet aan onaangenaamheden willen blootstellen. Den volgenden dag maken wij nader kennis met de Kirghizen, bekijken hun tenten, bezichtigen met belangstelling hun werk (een van hen was bezig een arend af te richten), zien toe, hoe de vrouwen hare huiselijke bezigheden verrichten, en geven haar sieraden van aluminium ten geschenke. Zij zijn ons uiterst dankbaar, lachen ons vriendelijk toe, en zouden zeker graag een praatje met ons maken, als zij maar konden. Ze zijn nu in ’t geheel niet bang meer; eer het tegendeel.

Om drie uur ’s middags gaan de prins, Zurbriggen en ik, begeleid door een der Kirghizen te paard, [231]een uitstapje doen. We richten onze schreden naar de bevallige Oustchiar-spits. Tegen den avond bivakkeeren we op een hoogte van 3850 M., aan den voet van den allerhoogsten top. Als we weer opbreken, beweert Zurbriggen, dat we nog in ons kamp zullen kunnen ontbijten. Hij heeft er niet op gerekend, dat we, als ’t ware, door een nauwen koker van ijs moeten omhoogklimmen, en dat we, steeds gebombardeerd door vallende steenen, vier uur zullen noodig hebben, om een paar honderd meter te stijgen. Het ijs was spiegelglad, en de berijpte rotsen boden ons niet het minste houvast; bijna verloren wij den moed. Maar geduld overwint alles, en met de noodige voorzichtigheid bereiken ook wij ons doel; we komen, langs den zuidelijken bergkam, om ongeveer één uur ’s middags aan op den allerhoogsten top van de Oustchiar-spits. Deze wordt eerst gedoopt, en daarna gaan wij onzen inwendigen mensch versterken. 4500 meter is hij hoog, die slanke toren van graniet en ijs. Vóór alles moeten we weten, of we den langgezochten Khan Tengri hier ook kunnen zien. We krijgen hem dadelijk in het oog; want hij rijst op tegen den achtergrond van het Kaënde-dal, als op een voetstuk van gletschers, die naar alle zijden afdalen. De dalen van Kaënde en Koékab strekken zich uit naar het Zuiden en het Westen, met den rug naar elkander toegekeerd.

Maar dat verschiet van golvende bergruggen biedt een woest en verlaten schouwspel aan. Geen enkel plekje groen siert den dorren bodem, uitgedroogd door de zonnehitte. Zonder de sneeuw, die de uitstekende rotspunten omzoomt, zou men het geheele landschap voor een in ruwe klei ontworpen beeldhouwwerk houden.

In het Zuiden schijnen twee hooge toppen, de Ak-Sou-Tao en de Djannart-Tao, als schildwachten opgesteld aan den ingang van twee valleien, de wacht te houden bij de nadering van een denkbeeldigen vijand. Daartusschen vertoont zich een wijde opening, waardoor de wateren een uitweg vinden van den Djannart-Sou, dien wij in de verte als een zilveren lint zien kronkelen door de blauwachtige vlakten van Kasjgarië. Daarboven volgt ons oog de vage golvingen der keten van den Bittama-Tao, die de zuidelijke grens vormt van het plateau van Outch-Tourfan. En nog verder ligt de geheimzinnige Gobi, dien men meer vermoedt dan meent te onderscheiden, aan den verren gezichteinder.

Wij kunnen van af dit hooggelegen punt met een oogopslag de reuzenkom overzien, die het water van honderden gletschers opvangt en omringd is door een kring van 5000 Meter hooge bergreuzen. Wij bespeuren, dat de hoofdader van dit stroomstelsel de Saridjass-Sou is, die, behalve bij de uitmondingen der dalen, verborgen blijft in haar nauwe en diepe bedding, driehonderd wersten lang. Het is een vreemd en indrukwekkend gezicht, dien statigen, melkwitten stroom zich door de bergen te zien kronkelen, om plotseling bij een kromming achter een hoogte te verdwijnen, en verderop weder te voorschijn te treden, als uit de diepste diepten der aarde opwellend.

In het Westen zien wij, vlak tegenover ons, twee dalen; links het Djannart-dal, met de valleien van Kaïtche, Bichirtik en Archiriak, die zich openen in den Kok-Chaal-Tao. Daartusschen zien wij, door de opening van het Ichtik-dal, de golvingen van het plateau van Karagan, waarop de Naryn ontspringt, die later Syr-Daria genoemd wordt. Rechts wendt zich het Irtach-dal, na de eerste dertig werst, plotseling naar het Noorden, achter den Terekty-Tao en den Keou-eou-leou-Tao.

Nog een oogenblik blijven wij de drie toppen bewonderen, welke het dichtst bij de Oustchiar-piek zijn gelegen. De middelste vooral trekt onze aandacht; zijn dreigend voorkomen lokt niet uit tot een beklimming. Wij noemen hem den Kargan-tach (den steenen arend).

In een omzien zijn wij in ons kamp terug. En als wij in onze ruime tent aanliggen om den disch, waarop fijne confituren ons toelachen, en genieten van een geurig kop thee, komt dat verblijf ons waarlijk als een paleis voor. Op het gras te slapen, na een nacht op de steenen en een dag tusschen ijsvelden te hebben doorgebracht, is in deze streken het grootste genot, dat men zich denken kan.

6 Aug. Het gezicht op den Khan Tengri bezielt ons met nieuwe geestdrift. Wij beginnen zelfs te denken, dat het beklimmen van dien top volstrekt niet gevaarlijk zal zijn. We zouden dan moeten kampeeren aan den voet, en wachten op het gunstige oogenblik om den tocht te ondernemen. Maar dan moet het eerst mooi weer worden; anders zal het niet gaan. Vandaag luieren wij maar, evenals de Kirghizen, en rollen als kleine kinderen in het gras. Na langdurige lichamelijke vermoeienis en zenuwachtige spanning is het een genot, in ’t gras te liggen en naar de wolken te kijken, terwijl onze spieren zich ontspannen en onze polsslag weer normaal wordt. Het is een echte gezondheidskuur.

Den volgenden morgen vertrekken wij naar den aoul van Kaënde. De Kirghizen vergezellen ons tot aan den Oustchiar-pas. Wij keeren langs denzelfden weg terug, dien we den 28sten Juli zijn gegaan, en trekken dan langs de linkerzijde van het dal, door zachtglooiende weiden en dennenbosschen. Tegen zonsondergang bereiken wij het kamp der nomaden. Deze zijn op een heuveltje vergaderd, en begroeten ons met eindelooze salaams en baïs. De chirtaï geeft ons te kennen, dat hij zelf, zijn familie en zijn stam zich zeer verheugen, ons als gasten te mogen ontvangen. Hij verzoekt ons, eenige dagen te blijven, en wij stemmen gaarne hierin toe.

De aoul van Kaënde telt ongeveer honderdvijftig personen, die verdeeld zijn over een twintigtal tenten.

De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.

De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.

Daar Abbas ons heeft verteld, dat de dochter van den chirtaï onlangs verloofd is, dringen wij er zeer op aan, haar te mogen zien en photographeeren. Eer zij zich echter aan ons vertoont, maakt zij zich zoo mooi als zij kan en trekt haar fraaiste kleeren aan. Zij is nog zeer jong, en bijzonder groot voor haar leeftijd. Maar al draagt zij een zijden gewaad, al blinken er edelgesteenten aan haar vingers en polsen, en in haar ooren, al draagt zij sierlijk bewerkte laarsjes en al prijkt een bos witte veeren op haar bonten muts, zij is en blijft een leelijk Kirghizen-mormeltje, met gespleten schuine oogjes, uitstekende jukbeenderen en een dikken neus. De jonge dame kan ons maar volstrekt niet bekoren. [232]Zij is verloofd met den kaltchè (hoofd) van het Irtach-dal, een der rijkste mannen in den omtrek.

Maar eer deze zijn bruid in ontvangst neemt, zal hij een groot gedeelte van zijn kudden moeten afstaan. De chirtaï en zijn beide ongetrouwde zoons waren niet zeer bescheiden in hun eischen geweest; op den dag van het huwelijk moet de jonge echtgenoot 40 kameelen, 400 paarden en 5000 schapen aan zijn schoonvader afleveren, en bovendien nog een menigte kleinere geschenken uitdeelen. Zij is lang niet de eerste de beste, dat dertienjarige dochtertje van den Kirghizenhoofdman!

De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.

De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.

9 Augustus. Een paar uur nadat wij ons op weg hebben begeven, komen wij aan den Kaënde-gletscher, en gedurende de eerste twee of drie wersten volgen wij de moraine, die het meest naar links is gelegen. Daar de weg door de rotsblokken steeds meer ontoegankelijk wordt, besluiten wij hier stil te houden en ons kamp op te slaan in een plooi van het terrein, tusschen twee stroomen die van de hoogste gletschers storten. Wij vinden op deze plek al wat wij noodig hebben, indien wij hier eenigen tijd vertoeven. Er groeien een menigte téogoïroukstruiken, waarlangs een helder beekje stroomt, en de paarden kunnen voldoende voedsel vinden, om hun honger te stillen.

Den volgenden dag klimmen wij tot op een hoogte van 4000 M. boven dit kamp, om de omstreken te verkennen en te zien, of wij de paarden nog iets hooger kunnen brengen. De Kaënde-gletscher ligt zeer nauw besloten tusschen twee hooge rotswanden, en zijn langzaam glooiende oppervlakte vertoont op het eerste gezicht geen bepaalde belemmeringen. Aan weerszijden is hij met die rotsmassa’s verbonden door een reeks van nevengletschers, die op de plaats waar zij met den hoofdgletscher samenkomen, een duidelijk afgebakende grenslijn vertoonen, aangegeven door verspreide steenblokken. Een dubbele rij hooge toppen, donkere steenkolossen, of glinsterende pyramiden van ijs, schijnt hem als een eerewacht te begeleiden. Op den achtergrond rijst, hoog verheven, de Khan Tengri op, als een geweldige kristallen koepel, de dom eener reuzenmoskee. Hij heeft niets schrikwekkends, en doet denken aan een oostersch vorst, die met kalmen glimlach en onverstoorbare waardigheid op zijn hovelingen nederziet.

Daar wij zien, dat op de lagere hellingen gras groeit, en de gletscher zelf vrij effen is, durven wij het wagen, onze paarden nog wat hooger op te brengen, en een paar wersten verder ons kamp op te slaan. [233]

Wij laten een gedeelte van de bagage, den mondvoorraad en onze geiten en schapen achter in de hoede van den djighite, en trekken den volgenden morgen den Kaënde-gletscher op. In één dag leggen we niet meer dan 15 K.M. af. Maar met hoeveel moeite en bezwaren, vooral voor onze paarden, gaat die tocht gepaard! De arme dieren zijn totaal uitgeput; hun pooten zijn bloedig ontveld, en een heeft zich zelfs bij een val aan de dij gekwetst, en veel bloed verloren. Des avonds brengen wij ze naar een met gras begroeide plek, die dicht bij ons kamp is gelegen, om daar te wachten, tot wij terugkeeren. We zijn hier op een hoogte van 3296 M. We kampeeren op den gletscher zelf, of liever op de korst van steenen, waarmede hij bedekt is. Abbas is niet al te best in zijn schik. Wij vernemen nu eerst, dat hij nog nooit in zijn leven sneeuw had gezien. Dat laat zich wel hooren; hij komt van de oevers van den Chatt-el-Arab! En steeds met zijn onafscheidelijke muilen aan de voeten.

Kirghizenherder met zijne kudde.

Kirghizenherder met zijne kudde.

12 Augustus. Een sneeuwstorm houdt ons den geheelen dag in onze tenten opgesloten. De schapen en geiten blaten den geheelen dag allerjammerlijkst, en om hun razenden honger te stillen, eten zij maar vast ons brandhout op. We bevinden ons te midden van dichte nevelwolken, en onafgebroken stuiven de witte vlokken neer. Als dat zoo aanhoudt, zullen we wel een paar dagen hier moeten blijven, en op rantsoen gesteld worden. Twee dagen later bedaart de storm, het wordt mooi weer, en wij maken van die gelegenheid gebruik om weer een uitstapje op den gletscher te wagen. Drie Kirghizen, met schoenen van paardenvel aan, zullen meegaan als vrachtdragers. Daar we niet weten hoe lang we zullen wegblijven, nemen we zooveel proviand als we kunnen, en twee tenten mee.

In ’t begin gaat alles goed. Eerst loopen we over de steenen, waarmee de gletscher is bedekt, en daarna op het ijs zelf; de dunne laag sneeuw hindert niet. Maar die laag wordt gaandeweg dieper en minder hard, en we moeten ons met touwen aan elkaar binden. De gletscher is doorsneden door dwarsspleten, afgronden en draaikolken, en wij moeten de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Ondanks de meesterlijke behendigheid, waarmede Zurbriggen de moeilijkheden weet te overwinnen, loopen wij telkens gevaar, zoo de dichte sneeuwlaag bezwijken mocht onder het gewicht van onze zwaarte, in een afgrond te storten; maar gelukkig houdt het touw ons tegen. Op het hoogst gelegen gedeelte komen wij aan een gevaarlijke plek. Al is de steilte der helling hier niet te vergelijken bij de Mer de Glace, de scherpe ijsranden zijn zoo dicht opeengedrongen, en zoo lang, dat ze gelijken op de bladen van een half opengeslagen boek. Om zich daarover voort te bewegen, moet men zoo behendig zijn als een koorddanser, en het ijs is zoo broos, dat het bij den eersten slag van het houweel in stukken stuift. Wij vinden het dus nog maar het beste, langs de sneeuwhelling links [234]van ons op te klimmen, waarop de lawinen van hooger gelegen gletschers neerstorten. Hier hebben we althans vasten grond onder de voeten; maar de zekerheid, dat we elk oogenblik onder een stortvloed van sneeuw en ijs kunnen worden bedolven, jaagt ons voort, tot we eindelijk met een paar sprongen een moraine bereiken, waar we besluiten, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, te kampeeren. We graven een opening in den grond, om er den nacht in door te brengen; maar het gat loopt vol water, dat tusschen de steenen doorsijpelt. Zurbriggen neemt de wijk in een rotsspleet. De Kirghizen kunnen niet eten van vermoeidheid, en lijden ondragelijke pijn; want daar zij geen brillen dragen, zijn hun oogen hevig aangedaan door het schitteren van de sneeuw. Wij doen voor hen wat in ons vermogen is, en raden hen aan, zich zoo warm mogelijk in te stoppen onder hun tent.

’t Is een treurige nacht. Onder ons de vochtige, scherpe steenen, en boven ons, op het dak van onze tent een 20 cM. dikke laag sneeuw; terwijl het 16 graden vriest; men kan zich voorstellen, dat onder zulke omstandigheden van slapen weinig inkomt. Om vijf uur komt Zurbriggen ons wekken,—bij wijze van spreken dan altoos,—en wij trekken onze stijf bevroren kleeren en laarzen weer aan, na ons van ’t hoofd tot de voeten te hebben gewreven, om wat te ontdooien. Dan binden we ons opnieuw aan elkander vast; Zurbriggen vooraan, ik achteraan, en de prins in ’t midden. Wij klimmen den pas op, die vlak tegenover ons ligt, om te zien, of van deze zijde de top, dien wij voor den Khan Tengri houden, misschien zal kunnen bestegen worden.

Ons bivouak ligt op een hoogte van 4040 M., en de bewuste top is ruim 6000 M. hoog. Tusschen dien top, en de spits aan onze linkerhand ligt een gletscher, waarin zich enkele spleten vertoonen. De eerste zonnestralen vallen op den rotswand, die zich rechts van den gletscher verheft, en die gekroond wordt door een vooruitspringenden ijsrand, waarvan, als een franje, een rij scherpe ijskegels afhangt, welke, als ’t ware, schijnen te wachten op onzen doortocht, om ons te treffen. Maar die haaientanden zijn al te begeerig, en waarschuwen ons door hun geklapper, dat wij op onze hoede moeten zijn voor hun vraatzucht. Nu komen wij aan het punt, waar de spleten beginnen, en waar we, steeds links en rechts, voor- en achterwaarts wijkend, zeker niet meer dan twee of drie meter vorderen in een kwartier. Eindelijk komt er een oogenblik, waarop we boven op een massieve ijsnaald staan, terwijl aan alle zijden rondom ons een afgrond gaapt.

Wel spant zich een soort hangende brug van sneeuw over een wijde en diepe kloof; maar de gids, die met zijn houweel de sterkte heeft beproefd, durft zich er niet op te wagen. Daar wij echter geen anderen uitweg zien uit onze benarde positie, begroeten wij dat gevaarlijke pad als een uitkomst in den nood. Terwijl de gids op handen en voeten voortkruipt, houden wij het touw vast, dat stevig om het handvat van het diep in de sneeuw gestoken houweel gerold is. Eén voor één kruipen we zoo voort, angstvallig elken schok vermijdend, en zonder onze stem te durven verheffen, want de geringste trilling der lucht zou een lawine kunnen doen neerploffen. Maar van af dit punt wordt de gletscher vlak en effen. Binnen weinige minuten bereiken we den voet van den pas, door treden in de harde sneeuw te hakken. De Ak-Moïnok pas—zooals wij hem noemen—is 4560 M. hoog en opent zich in het verst naar het Oosten gelegen uiteind van den bergwand, die de dalen van Inghiltsjik en Kaënde scheidt. Wij zijn de eersten, die hem hebben beklommen en zullen ook wel de laatsten zijn. Deze laatste tocht is werkelijk de gewichtigste van onze geheele onderneming geweest; want nu eerst zijn wij in staat gesteld, de juiste ligging van den Khan Tengri te bepalen.

De top, dien wij op den Oustchiar-piek tegen den achtergrond van het Kaënde-dal zagen oprijzen, was de Khan Tengri niet. Deze is meer naar het Noorden gelegen, twintig wersten verwijderd van den Ak-Moïnok pas.

De Inghiltsjik-gletscher verdeelt zich hoogerop in twee groote takken, gescheiden door een bergmassa, op welker top zich de pyramide van den Khan Tengri verheft.

Deze top staat dus op zich zelf, en hangt volstrekt niet samen met een der talrijke bergketens, die hem omgeven. Toch is het zeker, dat door zijn granietvorming dit bergstelsel een homogeen geheel uitmaakt, en dat de hoofdgroep, uit welks midden de Khan Tengri zich verheft, eveneens de ketens omvat van den Saridjass-Tao, den Inghiltsjik-Tao, den Kaënde-Tao en den Mouj-Art-Tao, om slechts de voornaamste ketens te noemen, die door ons zijn bezocht.

Wij maakten gebruik van de bijzonder gunstige gelegenheid, welke de Ak-Moïnok-pas ons bood, voor het doen van waarnemingen met de instrumenten, die wij hadden medegenomen. Het afdalen ging vrij snel in zijn werk, en een uur later kwamen wij weer aan ons bivouak. Thans scheen het ons niet meer noodig, den Kaënde-top te beklimmen, dien wij voor den Khan Tengri hadden aangezien. Als het weer niet zoo wisselvallig was geweest en onze Kirghizen zich gemakkelijker van het kamp naar ons bivouak en terug hadden kunnen begeven, zouden wij zeker hier nog eenige dagen zijn gebleven. Wij hadden wel gaarne willen weten, hoe de Khan Tengri er van de andere zijde uitzag.

Den volgenden morgen werden de paarden van den gletscher naar ons kamp teruggebracht. Zij konden bijna niet meer loopen, en waren in een deerniswaardigen toestand. Toen ik goed en wel te paard zat, kon het arme dier geen stap voorwaarts doen; ’t was alsof zijn pooten van hout waren. Een der Kirghizen was zoo vriendelijk, mij het zijne af te staan. Zoo kwamen wij, al hinkend en strompelend, terug op de plek, waar wij onzen djighite hadden achtergelaten. Hij is op zijn post; maar dat blijkt eigenlijk puur toeval te zijn. Wij weten trouwens wel, dat hij niet al dien tijd op onze bagage heeft gepast. Hij heeft gebruik gemaakt van onze afwezigheid, om de verlaten vrouwen in Kaënde te gaan troosten. Zijn aanwezigheid is trouwens op zich zelf reeds voldoende, om de veiligheid van onze bezittingen te verzekeren.

Twee dagen achtereen kunnen wij onze tenten [235]niet verlaten; want het regent onophoudelijk door, en het geeft niet, of wij ons al eens willen vertreden. De grond is zoo doorweekt, dat wij er tot aan de enkels inzakken, en bovendien bestookt ons de berg met een regen van projectielen. De paarden zakken telkens door hun eigen zwaarte in diepe kuilen, en blijven liefst maar dicht in de buurt.

Ten laatste wordt toch de lucht weer helder, en wij kunnen eindelijk dit onherbergzaam oord vaarwel zeggen. Binnen weinige uren bereiken wij het kamp der nomaden, die zich gedurende onze afwezigheid dieper in het dal hebben begeven. De Kirghizen zijn bijzonder gedienstig, en willen niets liever dan ons behulpzaam zijn. Ik begrijp niet, waarom sommige reizigers zulk een ongunstig oordeel over hen vellen. Dat ze onbeschaafd zijn, is hun schuld niet; maar onder die ruwe schors zijn eigenschappen aanwezig, die men waarlijk wel mag op prijs stellen.

Wij wilden naar Prjevalsk terugkeeren langs een anderen weg dan wij gekomen waren. Als wij ons wat haastten, konden wij ook het Irtach-dal nog gaan bezoeken, en zoodoende onze topographische opnamen tot een bevredigend einde brengen, daar wij dan het geheele stroomgebied van den Djannart-Sou zouden hebben onderzocht.

Onze paarden waren eigenlijk allen onbruikbaar geworden, en daar wij nog meerdere groote rivieren moesten oversteken, zouden de uitgeputte dieren allicht niet in staat zijn, onze bagage behouden over te brengen. Toen de chirtaï dit vernam, bood hij ons zeer welwillend drie kameelen aan, om onze bagage te dragen en rijpaarden voor alle personen, die deel uitmaakten van onze karavaan. Wanneer wij aan den aoul van Irtach kwamen, zouden deze worden vervangen door de paarden van den kaltchè, zijn aanstaanden schoonzoon, aan wien hij onmiddellijk bericht zond van onze komst. Wij waren hem voor die bijzonder welwillende behandeling zeer erkentelijk; beloofden de mannen die ons vergezelden een ruime belooning te schenken, en verzekerden hem, dat wij hem in de gunst van den gouverneur van Prjevalsk zouden aanbevelen. Wij namen daarop afscheid van den aoul en zijn bewoners, met wie wij hartelijke handdrukken wisselden, terwijl de vrouwen zich verdrongen om ons goedendag te zeggen, ons hare zuigelingen toestekend, en om ’t hardst roepend: “Koch, Koch!” (vaarwel, vaarwel).

De Kaënde-top is 6000 M. hoog

De Kaënde-top is 6000 M. hoog

Het dal van Kaënde is wel de zonderlingste vallei, die men zich kan voorstellen. Ongeveer zestig wersten lang, strekt het zich uit in grillige bochten en kronkelingen, nu eens breed, dan weer zich vernauwend, hier begrensd door steile rotswanden, dáár zacht omhoogstijgend langs glooiende hellingen. In geologisch opzicht is het gedeelte, dat volgt op den pas van Oustchiar, het merkwaardigst. Het schijnt, dat in dien pas een plotselinge verzakking van het gebergte heeft plaats gegrepen, en dat de opeengehoopte overblijfselen, door die bergstorting ontstaan, van lieverlede zijn medegevoerd naar het dal. Langs den oever van den stroom verheffen zich grillige klippen, gegroefd en doorknaagd door de werking van het water, die aan romeinsche bouwconstructies doen denken.

Ditmaal voert onze weg ons langs een begraafplaats der Kirghizen. De grond is er zeer oneffen, vol kuilen, grafheuvels van klei, en steenhoopen. De Kirghizen koesteren grooten eerbied voor de nagedachtenis hunner dooden. Als zij langs een kerkhof komen, gaan zij altoos de graven hunner verwanten bezoeken en er voor hen bidden. Als het noodig is, brengen zij dan meteen herstellingen aan. De graven zijn altoos goed onderhouden, en worden nooit verwaarloosd.

Als wij de uiterste grens van het dal hebben bereikt, zien wij ons den weg versperd door den Saridjass-Sou, die met bruisend geweld zijn wateren tusschen de steile oevers voortstuwt. Vóór ons ligt de ingang van het Irtach-dal; maar wij weten niet hoe we het zullen bereiken, want we kunnen dien onstuimigen stroom onmogelijk doorwaden. Er zit niet anders op, dan weer terug te keeren, tot we een plek vinden, waar we kunnen oversteken.

We volgen een pad langs den linker oever, en na veel moeite slagen wij erin, den overkant te bereiken.

Het Keou-eou-leou-dal, dat wij thans eerst moeten doortrekken, vertoont geen bijzondere eigenaardigheid, en de eentonigheid van onzen weg wordt hier door niets verbroken. Aan het eind van deze vallei gaan de Kirghizen, die ons van af den Oustchiar-pas hebben vergezeld, huns weegs, om den weg te volgen, die over den pas van Karakol rechtuit naar Prjevalsk gaat. Het beklimmen van den Keou-eou-leou-pas, die 4160 M. hoog is, gaat slechts langzaam; de kameelen hebben last van de ijlere lucht, en moeten telkens blijven staan, om adem te scheppen. Als we den volgenden dag naar het laag gelegen [236]dal van Irtach afdalen, wordt het ondragelijk warm. De grond is geel, de berghellingen rood, en de lucht fel blauw. ’t Is, alsof we door de ambas van Midden-Afrika trekken. Nu en dan echter schemeren verre gletschers door de openingen in het gebergte, aan weerszijden der vallei. Plotseling maakt deze een kromming naar het Oosten en wordt thans aan de zuidzijde begrensd door een zonderlingen muur van basaltrotsen, welker onafgebroken gelijkvormigheid bijna iets onnatuurlijks heeft.

De Kaënde-gletscher.

De Kaënde-gletscher.

Nog altijd dalen wij, voorovergebukt op onze paarden gezeten, met pijn in de oogen en geschroeide huid door de hitte en de felle weerkaatsing van het zonlicht. Als we na een rit van 12 uren nog geen nomaden ontmoeten, houden we stil, om te kampeeren, ondanks het koppig verzet der Kirghizen, die volstrekt nog dien avond den kaltchè willen opzoeken. Doch deze is reeds gewaarschuwd en komt ons een bezoek brengen. Hij weet wie wij zijn, en wat we van hem verlangen. Het vereischte aantal paarden en kameelen zal hij ons dan ook verschaffen. Maar hij is wat teruggetrokken en op een afstand, en schijnt zich niet te verheugen over onze komst, zooals onze vriend, de chirtaï.

De prins en ik gaan den volgenden dag zijn bezoek beantwoorden. Hij ontvangt ons in een weelderig ingerichte yourte, blijkbaar ter eere van deze feestelijke gelegenheid rijk versierd. We gaan op een tapijt van dierenvellen zitten, neergehurkt op de wijze der Kirghizen. Langs de wanden hangen echte tapijten uit Kasjgar, en draperieën van bontgekleurde stof.

De kaltchè stelt ons aan zijn vrouwen voor, die een buiging maken en daarna in een halven kring bij elkaar kruipen, vlak tegenover ons. Op den grond wordt een servet gelegd, waarop bedienden schotels met dampende vleeschgerechten neerzetten, benevens melk, thee, suiker en borsaks. Het is wel jammer, dat wij pas in ons kamp hebben gegeten. Ondanks onze verontschuldigingen dringt ons de kaltchè een stuk schapenrib op, dat hij ons met de vingers toesteekt.

Hij kiest de allervetste stukken uit, en wij kunnen ze, met den besten wil, niet door de keel krijgen. De kaltchè bemerkt wel, dat het ons moeite kost, en geeft bevel, andere spijzen voor ons gereed te maken. Wij zien ongelukkig, hoe dat in zijn werk gaat, en het gezicht alleen is al voldoende, om ons vooruit allen eetlust te benemen. Het recept is als volgt: Men raspt vleesch in bouillon, kneedt het ferm met beide handen, en strooit er vóór het opdienen wat zout en kruiden over.

Wij drinken echter, om hem genoegen te doen, gaarne een paar koppen thee en melk. Vóór deze ons worden aangeboden, vischt een der Kirghizen er met een strootje de verschillende ongerechtigheden uit, die er in zwemmen, en als wij ze hebben leeggedronken, likken de vrouwen smakelijk de koppen uit, en zorgen, dat er geen droppeltje overblijft. Deze staaltjes geven een goed denkbeeld van de argelooze ongedwongenheid, die er heerscht in de zeden en gebruiken der Kirghizen.

Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.

Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.

Daarna doen we nog een uitstapje in de drie dalen, die te samen den naam Outchkoul, de drie meren, dragen. Feitelijk treffen we slechts één meer aan, in de eerste vallei, dat daarom den naam Bach-koul draagt. Het is een bij uitstek geschikte plek voor een winterverblijf.

29 Aug. Om onze topographische werkzaamheden te besluiten, klimmen Zurbriggen en ik op den top, die ten Zuiden van ons kamp gelegen is. ’t Is het hoogste punt van den Ichigart-Tao, die de dalen van Irtach en Djannart scheidt. Wij vermijden de steenachtige hellingen, en klimmen langs den noordelijken bergrug omhoog, waar steile kalksteenrotsen het ons verbazend lastig maken. Wij dachten dat de weg volstrekt niet moeilijk zou zijn, en hebben zelfs geen touw meegenomen, zoodat we weer toeren verrichten, die geen acrobaat ons verbeteren zou. En [237]langs de andere helling hadden we den berg desnoods te paard kunnen bestijgen! Hier loopen we levensgevaar, spannen ons in tot het uiterste, en scheuren onze nagels bijna stuk, terwijl we op ons doode gemak ons doel hadden bereikt, als we een anderen weg hadden gekozen. Maar onze moeite wordt ruim beloond door het prachtige uitzicht, dat wij genieten op den top van den Karahoum, die 4150 M. hoog is.

Vooral het geheimzinnige Djannart-plateau wordt onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek.

Ik geloof niet, dat men ergens elders zulke zonderlinge, verrassende en onverklaarbare tegenstellingen zal ontmoeten als in het Hemelsche Gebergte. Dat is ons reeds meermalen opgevallen. De natuur schijnt hier te hebben gehoorzaamd aan wetten, wier oorsprong buitengewoon moeilijk is na te gaan. Hoe zijn die zonderlinge bergen ontstaan, en welke ontzaglijke veranderingen moeten zij hebben ondergaan, om zoo ten eenenmale af te wijken van de voorstellingen, die wij ons vormen omtrent de gevolgen eener vulkanische uitbarsting?

De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.

De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.

Het aan anderen overlatend, deze raadselen op te lossen, zullen wij ons vergenoegen met een beschrijving te geven van die wijde kom, die het eigenlijke Djannart-dal vormt. Ongeveer 150 wersten lang en 100 breed, strekt het zich uit als een geweldige arena, in het midden bijna vlak, en omgeven door trapsgewijs opstijgende, hooge bergmuren. In het Zuiden verbergen de besneeuwde toppen van den Kok-Chaal-Tao de grens tusschen het russische en chineesche grondgebied. In dien bergwand onderscheiden wij het Djannart-dal, waarnaar de geheele kom genoemd is, het dal van Kaïtche, en dat van Bichirtik, en eindelijk het Ichtik-dal, dat zich aansluit bij het plateau van Karagan. Daarop volgt het dal van Akchirak, dat begint bij den pas van dien naam, die tevens het eene uiteinde vormt van de keten, waarop wij ons bevinden. Van dit hooge punt zien wij met genoegen naar de ons reeds welbekende toppen, dien van Oustchiar, den Kaënde Tao, den Khan Tengri, den Kizil-Tao, en de groepen van Terekty en Keou-eou-leou, waaruit een met sneeuw bedekte spits oprijst, die ons aan den Cervin herinnert.

In het Westen rijzen de koepelvormige sneeuwgevaarten op, die den gletscher van Pretovsk bekronen, waarop men vermoedt dat de Syr-Daria ontspringt.

Als wij ons kamp opbreken, heeft er juist een Kirghizenbegrafenis plaats. Eenige dagen geleden hebben herders een lijk in de rivier gevonden. De kaltchè, die het niet herkende, heeft het bericht laten verspreiden, en het is doorgedrongen tot Prjevalsk, waar de ouders van den overledene wonen. Intusschen heeft men het lijk, met touwen gebonden, en met steenen bezwaard, in het water gelegd. Dat stelsel van bevriezen is bij de nomaden in zwang.

Als de ouders van den doode zijn aangekomen, wordt het lijk op een ruwe baar naar de plek vervoerd, waar het zal begraven worden. De plechtigheid is niet indrukwekkend. De kaltchè vraagt aan de ouders, of zij in den doode hun zoon herkend hebben, en als zij die vraag bevestigend hebben beantwoord, laat hij de aanwezigen met luider stem [238]herhalen, dat...., zoon van...., door een ongeluk om het leven is gekomen. Daarop wordt het lijk in een vilten omhulsel gewikkeld, met touwen vastgebonden, en in den kuil neergelaten. De aanwezigen gaan in optocht rond het graf, en werpen er bij elken stap een handvol aarde in, tot de kuil gevuld is. Daarna wordt er een hoop steenen op gestapeld. Het is een weinig tijdroovende, eenvoudige, en niet kostbare begrafenisplechtigheid.

Toen wij des avonds in het hooger gelegen gedeelte van het Irtach-dal kampeerden, vernamen wij, waarom het dezen naam draagt. In het dal bevindt zich een steen, die op een paardenzadel gelijkt. Op een afstand van honderd mijlen in den omtrek is die steen bekend, en al de nomaden, die er voorbijtrekken, gaan erheen, om er dierenschedels neer te leggen. De steen staat op een groot rotsblok, waaromheen de horens van allerlei dieren liggen opgehoopt.

V.

De terugreis.—Het Irtach-dal.—Bij het douane-station.—Aankomst te Prjevalsk.—Wij gaan uiteen.

Het Irtach-dal, dat bijna honderd wersten lang is, vertoont den vorm van een wijden Z. Het bovenste dwarsstreepje grenst aan de Terskeï-ala-Tao, die de vlakte afsluit, waarin het meer Issik-Koul is gelegen. Aan het eind van die dwarsstreep, waar het haakje ombuigt, ligt de Djoukoutchiak-pas, de gewone weg der nomaden, die zich naar Prjevalsk begeven.

Dit zou ook onze terugweg zijn. Tegenover den pas, aan de zuidzijde, strekt zich een kring van weiden uit, waartusschen gletschers afdalen, welker stroomen een groote vlakte besproeien en verloopen in eene menigte kleine poelen en plassen. Deze pas, 3850 M. hoog, is zeer gevaarlijk voor de paarden; de hellingen zijn dan ook bezaaid met rottende lijken of met geraamten, die door de gieren zijn afgeknaagd, welke voor ons uitvliegen op onzen weg. Eerst moet men zich een weg banen tusschen steenen, en dan een ijshelling beklimmen, waarna men den rand der moraines volgt, tot aan de eerste grasvlakten. Langzamerhand geraken wij uit het hooggebergte in een boschrijke streek. De noordelijke helling van den Terskeï-ala-Tao is bedekt met wouden, waarin zich zoovele dieren ophouden, dat men geen stap kan doen, zonder ze naar alle zijden te doen wegvluchten onder de struiken, waaruit zwermen vogels opvliegen.

Dit dal sluit zich aan bij de Zououka-vallei, waardoor de karavanen trekken, die geregeld vrachtgoederen vervoeren tusschen Viernyi en Kasjgar. Dat vervoer is uitsluitend in handen van een stam der Sarten, en de post gaat over van vader op zoon. Onderweg vinden zij dikwijls nog gelegenheid, om onder de nomaden hun slag te slaan, en kostbare pelterijen in te ruilen tegen katoentjes en snuisterijen uit Rusland. De lieden, die aan deze tochten deelnemen, slijten hun geheele leven in de Hemelsche Bergen, in alle jaargetijden. Hun familie trekt mede, de vrouwen wijdbeens op balen katoen of rollen linnen gezeten, de kinderen veilig geborgen in houten kooien, die aan beide zijden van den zadel zijn bevestigd. Bij het douanenstation van Zoukoua, aan het begin der vallei, zien wij hoe de goederen gevisiteerd worden. Ze zijn in schilderachtige verwarring op het gras uitgespreid, en schapen en honden wandelen er overheen. De beambten zien op hun gemak na, of er ook contrabande onder schuilt, en laten geen enkel pakket ongeopend de revue passeeren. Ze laten zelfs de vrouwen zich ontkleeden, om te zien, of zij ook verboden waar onder hare kleeren verborgen hebben.

Natuurlijk hebben zij altoos gelijk, en noch het heftig verzet der vrouwen, noch de scheldwoorden der mannen brengen hen van hun stuk. Soms worden er stokslagen uitgedeeld, als het eenvoudigste middel om de zaak in ’t reine te brengen. De vrouwen zijn voor zulke reizigsters bijzonder fraai gekleed. Ze dragen zilveren sieraden om den hals, en aan hare ooren hangen kettingen, die tot op de schouders bengelen, en telkens verward raken in de knoopen van haar lijfje.

Na Zououka wordt het dal zeer breed; de beide zijden nemen zichtbaar in hoogte af, en worden langgestrekte heuvels, die aan steenen muren doen denken. Werkelijk geven die lage, roode rotswanden, waardoor diepe, horizontale groeven en kleine, loodrechte insnijdingen loopen, den indruk van twee geweldige gemetselde dijken, die een denkbeeldigen stroom moeten insluiten. De bodem vertoont overal die zelfde roode kleur, zoodat de rivier, als er regen valt, een bloedstroom gelijkt, die uit een of ander reuzen-abattoir is losgebroken. Terwijl wij steeds lager dalen, en het gebergte achter ons laten, zien wij vaag, als in een droom, een witte wolk oprijzen aan den horizon, als een windveer in de lucht. Het is de Koungheï-ala-Tao, aan de overzijde van het meer Issik-koul, waarvan de zachtblauwe waterspiegel zich voor ons uitbreidt, in het trillende, gulden waas, dat uit den grond schijnt op te stijgen.

De vallei van Issik-koul is overal waar men het oog laat rusten, even bekoorlijk. De wisselende tinten van het landschap zijn zoo ijl en doorzichtig, en de lijnen van elk tafereel zoo wazig en onbestemd, dat men zich vol verrukking overgeeft aan de indrukken, gewekt door het aanschouwen van grootschheid, die met bevalligheid gepaard gaat.

Weldra komen wij te Slifkina, een kozakkendorp, op de grens tusschen de beschaafde wereld en het Hemelsche Gebergte gelegen. ’t Is het laatste russische dorp in de streek ten Zuiden en Westen van het meer Issik-koul. Men kan zich niet voorstellen, hoe blijde wij zijn, eindelijk eens weer menschelijke wezens te zien, die geen Kirghizen zijn, en woningen, die er anders uitzien dan de yourtes. ’t Is werkelijk, alsof we in een groote stad zijn aangekomen. De verwarde haren en scharlaken kleeding der kozakken doen ons oog bepaald aangenaam aan, en het welgedane voorkomen der roodwangige russische vrouwen maakt thans op ons een geheel anderen indruk dan vroeger. Wij vinden ze nu bijna mooi. Met de matigheid, die wij zoo lang hebben moeten betrachten, is het nu ook gedaan. We halen onze schade in, en doen ons te goed aan pivo en heerlijke goudgele appelen, terwijl we des avonds een stevig maal eer aan doen van eieren, kip, aardappels, rijst en vruchten. Slifkina of Kizil-sou, zooals de Kirghizen het [239]noemen, ligt dertig wersten ten Westen van Prjevalsk. Niet meer over gletschers, door steenen, noch langs afgronden voert ons pad; wij rijden rustig over een breeden, witten weg, die als een lint door groene velden slingert. Geen sprake meer van bezorgdheid over de meer of mindere doorwaadbaarheid der rivieren, nu de hoeven onzer paarden vroolijk over de stevige bruggen trappelen, die de oevers verbinden van elken stroom.

En toch, ondanks die rust en die veiligheid, komt die kalme, vlakke streek ons na de eerste twintig werst eentonig voor, en wij verbeelden ons, dat het rijden hier ons veel meer vermoeit dan onze tochten door de bergen. En dan die zon,—en dat stof!...

Kort daarna kwamen wij behouden te Prjevalsk. Om een al te plotselingen overgang te vermijden, sliepen wij niet in het posthuis; maar kampeerden buiten, in een boomgaard.

Twee dagen later, den 4den September, gingen wij ieder onzes weegs. Zurbriggen en Abbas keerden terug naar Tasjkent; terwijl de prins en ik onze reis voortzetten naar Siberië.

VI.

De Kirghizen.—Oorsprong van het ras.—Kozakken en Kirghizen.—Verdeeling der Bourouts.—Kleederdracht.—De yourte.—Zeden en gebruiken.—Huwelijk.—Besluit.

De wetenschap heeft haar laatste woord nog niet gesproken omtrent de samengestelde stammen, die slechts een karig levensonderhoud vinden in die gedeelten van Midden-Azië, welke wij thans hadden bezocht. Meerdere reizigers meenen die lastige vraag bevredigend te hebben opgelost. Waar het onderzoek van den geleerde zich grondt op de geschiedenis, en zekere bewijzen bestaan voor den samenhang van bepaalde gebeurtenissen, kan men licht een stelsel opbouwen, een redeneering volgen, die niet al te veel van de waarheid afwijkt.

Maar niet alle volken hebben achter zich, wat men een geschiedenis noemt; niet allen bezitten bewijzen van hun ouderdom of gedenkteekenen, die ons hun verleden weder voor den geest roepen. Door bergen of woestijnen afgesloten, zonder ooit den invloed der beschaving te hebben ondergaan of deze met opzet ontwijkend, uit vrees hun vrijheid te verliezen, zijn zulke volken gebleven in den primitieven staat, waarin zij zich bevonden van den beginne. Met de dieren en als de dieren levend, hebben zij nooit behoefte gevoeld, in dien toestand verandering te brengen. Tot die volken behooren ook de Kirghizen. Zij zijn nagenoeg dezelfden als voor 2000 jaar. En in al die eeuwen hebben zij niets verricht, dat den geleerde opheldering zou kunnen verschaffen omtrent hunne afstamming of de wisselvalligheden van hun bestaan. Nog steeds verdiept men zich in gissingen omtrent den oorsprong van hun naam. In het Turksch schijnt het woord: “landbewoners” te beteekenen; terwijl het in de taal der nomaden vertaald kan worden door: “veertig meisjes” (Karr-Keuz). Wij zouden eer vermoeden, dat in de chineesche taal de juiste oplossing van dit raadsel is te vinden. Sedert de 10de eeuw van onze jaartelling wordt in chineesche boeken gesproken van een volk, dat den Tiensjan-Nan-Sou bewoont, het zuidelijk deel van het Hemelsche gebergte. Later, tegen het eind der 13e eeuw, spreekt de beroemde zendeling Hiouen Tsang, de eerste man, die het aziatische vasteland bereisde, van de Ki-zi-li-tsé, die hij op zijn tochten had leeren kennen. Hij zegt, dat hij Kirghizen ontmoet heeft in het dal van Dzoungarie. Deze streek zou, volgens hem, hun aangenomen vaderland zijn geweest; oorspronkelijk bewoonden zij het oostelijk deel van het Altaï-gebergte. Onophoudelijk bedreigd door de Mongolen in het Zuiden en de Tartaren in het Noorden, waren zij gedwongen eerst naar het Tabargataï-gebergte te verhuizen en daarna, eenige eeuwen later, naar de Hemelsche bergen. De naam Ki-zi-li-tsé zou later veranderd zijn in Kirr-ki-tsé, toen het volk van dien naam zich tot het Mohammedaansche geloof had bekeerd.

De heer Ujfalvy de Mezö-Kovesd heeft bij zijn onderzoekingen in Turkestan rassenverwantschap meenen te ontdekken tusschen de bewoners der steppen en die van het gebergte. Volgens hem, en andere reizigers, zou er geen onderscheid bestaan tusschen de Kara-Kirghizen en de Kirghizen-Kazakken, de nomaden uit de vlakte.

Al leiden deze volken echter hetzelfde leven, en al kleeden zij zich nagenoeg op dezelfde wijze, hun taal is niettemin zeer verschillend. En bovendien koesteren zij jegens elkander zulk een hevigen haat, dat het bijna niet mogelijk is aan stamverwantschap tusschen die beide volken te gelooven.

Uit anthropologisch oogpunt beschouwd, vertoonen de beide typen ook opvallende punten van verschil. Hun lichaamsbouw, de vorm van hun hoofd, hun gelaatstint, de soort en kleur van hun haar, dat alles is geheel verschillend. Het is dus wel wat voorbarig, te beweren, dat de Kazakken niet anders dan Kirghizen zijn. Om dit te kunnen vaststellen, moest men overtuigende bewijsgronden kunnen aanvoeren, verzameld na een langdurig verblijf in die streek.

Ons zijn alleen bekend de Kirghizen, of Bourouts, een volk, dat uitsluitend in de dalen van den Tiensjan woont; van Pamir tot Dzoungarie; van het meer Issik-koul tot Ak-sou. Het is onmogelijk, hun aantal ook maar bij benadering vast te stellen. Men hoort het getal 400 zoowel als 500 000 noemen; maar er zullen er nog wel tweemaal zooveel zijn in de werkelijkheid. Als men aan een der hoofden vraagt, hoeveel lieden in zijn aoul wonen, kan hij het niet zeggen; wel weet hij precies, hoeveel schapen en paarden zijn volkje bezit. Men kan de Kirghizen ook moeilijk rangschikken in verschillende groepen. Hun land is niet eens geheel en al bekend, en er zijn dus stellig stammen, die nooit met vreemdelingen in aanraking zijn geweest.

De berichten der nomaden zelf dienaangaande zijn volstrekt niet te vertrouwen. Tot nu toe verdeelt men de Kirghizen in twee groote groepen, de linker- en de rechtergroep. De eerste, sol genaamd, omvat het bekken van den Naryn, den hoogen Oxus en de Kok-Chaal-daria.

Die groep wordt onderscheiden in 4 stammen: Koutchi, Sorou, Moundouz en Kitaïs. De laatste benaming dragen zij, die chineesch grondgebied bewonen.

De rechter groep, on genaamd, houdt zich op in [240]het bekken van het meer Issik-koul, en de dalen rondom de Khan-Tengri-groep. Zij wordt verdeeld in zeven stammen: Bogon, Sary-Baghichtch, Son-Baghichtch, Soulton, Echerik, Sagaz en Bassindz.

Het russische gouvernement volgt een andere indeeling, op het voorbeeld der aoulbewoners, die hun buren in de andere valleien eenvoudig noemen naar de plaatsen, waar ze gewoonlijk kampeeren. Zoo noemen zij de lieden, die in de omstreken huizen van het Tourghent-dal, Tourghensky, en blijven ook verder aan dien regel getrouw.

Het spreekt van zelf, dat de russische regeering het aantal harer onderdanen in deze streken volstrekt niet kent. De meesten ontsnappen dan ook aan de, overigens niet hooge, belasting van anderhalven roebel per yourte of familie. Die schatting is de eenige band, welke hen aan Rusland bindt; want ze zijn volstrekt niet veranderd sedert de verovering van Turkestan, en nog even vrij en onafhankelijk als voorheen.

De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.

De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.

De Kirghizen zijn in den regel goed gebouwd en zeer sterk. Ze hebben een dikken neus, een stompen gelaatshoek, uitstekende jukbeenderen, en zwarte, kleine, schuinstaande oogen, evenals de Chineezen. De baardgroei is zeer gering. Hun haar is sluik en zwart; blonde personen ziet men zeer zelden. Dikwijls treft men onder hen zuiver mongoolsche typen aan. De mannen zijn goed geproportionneerd en niet terugstootend.

Het voorkomen der vrouwen heeft weinig aantrekkelijks. De jonge meisjes hebben vrij geregelde gelaatstrekken; maar, al zijn ze niet mager, hare vormen zijn hoekig en schraal. Ze hebben echter mooie zwarte oogen en prachtige tanden. Haar costuum draagt er echter niet toe bij, hare bekoorlijkheid te verhoogen.

De kleederdracht der Kirghizen is uiterst eenvoudig. Over een bont katoenen hemd, met bespottelijk lange mouwen, en een wijde, lange linnen broek, met een gordel om het middel vastgemaakt, dragen zoowel vrouwen als mannen een soort overkleed van cretonne, met wol of watten gevoerd, dat op de borst met houten knoopen wordt gesloten, en om het middel wordt vastgehouden door eene lange sjerp, die van voren geknoopt wordt. De mouwen van dit kleedingstuk reiken niet eens tot aan den elleboog; maar die van het hemd vallen over de hand, en worden telkens door een snelle beweging van den pols weer opgeschoven. Dat gebaar maken de Kirghizen nu al eeuwen lang.

Deze primitieve kleedij wordt binnenshuis gedragen, en ook des zomers, als zij buiten zijn. Hooge, tot de knie reikende laarzen, met hielen van minstens 10 cM. hoog, en een smerig kapje op hun kaalgeschoren kruin voltooien hun costuum. In den winter en op hun reizen trachten de Kirghizen zich tegen de koude te beschermen door hun wijden tschiapann, een grooten, gevoerden overjas, waarin ze geheel verdwijnen. Soms dragen ze, bij strenge koude, twee, drie of meer van die omhulsels over elkaar. Daarbij bedekken ze dan hun hoofd met een ronden, wit vilten hoed met een zwarten rand, van voren neer, van achteren opgeslagen. Dat hoofddeksel is van chineeschen oorsprong, en daar niet ieder zich zulk een hoed kan verschaffen, dragen zij in de plaats daarvan ook wel een muts van ruw vilt, met lamsvel gevoerd.

Dat staat niet leelijk, en past goed bij hun overig costuum. Zulke mutsen kunnen in de bergen over de ooren getrokken worden, en als het regent, wordt de lamsvacht naar buiten gekeerd. De vrouwen gaan precies zoo gekleed als de mannen; alleen in kleinigheden is eenig verschil op te merken. Hare laarzen zijn sierlijker, met zijde geboord, of met randjes van gekleurd leer versierd, en de hielen en teenen zijn met koper beslagen. Haar broeken zijn wijder en langer, en hare tschiapanns zijn vervaardigd van fijnere en bontgekleurde stoffen; soms wel van zijde uit Bokhara of Kasjgar. [241]

Met haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijk

Met haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijk

Het merkwaardigste onderdeel van de kleederdracht der Kirghizenvrouwen is de witte kap, dien zij op het hoofd dragen, en die haar op nonnen doet gelijken. ’t Is een cylindervormig gewonden band van gesteven linnen, wel 30 cM. breed, die om het hoofd sluit, en waarvan de einden los op den rug hangen. Het haar wordt glad achterover gekamd, en zorgvuldig onder die soort van doos verborgen, die tevens als bergplaats dient van kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik. Een bijzonder praktische inrichting, zooals men ziet.

Van achteren wordt het haar in twee of meer vlechten gevlochten, waarvan er eenige op den rug neerhangen, en met een kettinkje of gesp zijn vastgemaakt. Daaraan bengelt weer een bos sleutels, of koperen plaatjes, die tot op de hielen hangen, zoodat ze bij elke beweging een rinkelend geluid maken. Dien tulband of eletchik dragen alleen de getrouwde vrouwen.

De jonge meisjes zijn meer behaagziek. Zij tooien zich met mutsen van vossenvel, waarop een bosje arendsveeren prijkt. Het haar vlechten ze in een menigte dunne vlechtjes, die langs de slapen en op den rug neerhangen, waar ze worden bijeengehouden door een lap stof, met glazen kralen versierd. Als jonge meisjes een man willen veroveren, flonkeren ze van blinkende sieraden en trachten zich zoo rijk mogelijk uit te dossen. Maar later moeten zij dikwijls zwaar voor hare ijdelheid boeten, want ze worden de slavinnen van mannen, die haar geheel in hun macht hebben en gewoonlijk ruw behandelen.

De yourte der Kirghizen is niet zoo ruim als die der Kozakken, of als de kibitka der Turkomanen. Zij is bescheidener van afmeting en minder weelderig ingericht. De Kirghizen moeten dikwijls verhuizen, wegens gebrek aan weidegrond. Bovendien noodzaken hen de strenge en langdurige winters, de afmetingen van hun woonvertrekken tot een minimum te beperken, om ten minste nog zooveel mogelijk warmte te genieten bij het weinigje brandstof, waarover zij kunnen beschikken. De tenten der Kirghizen bestaan uit een geraamte van buigzaam hout, dat met paaltjes in den grond wordt gestoken en met riemen van dierenhuid doorvlochten is. Dat geraamte is ongeveer twee of drie meter hoog, en evenzoo breed. De zoldering wordt gesteund door houten latten, die schuin oploopen naar een opening in het midden, welke als schoorsteen, en tevens als venster dient. Over dit onderstel worden zware lappen vilt geslagen, die met touwen worden omwonden en bevestigd.

Zulk een tent wordt binnen eenige minuten opgeslagen, of weer afgebroken, en kan door twee kameelen worden vervoerd. De inrichting is, zelfs bij rijkere lieden, zeer eenvoudig. De stapels vilt, die als matrassen dienst doen, de houten kisten, zakken, paardetuig en dergelijke benoodigdheden liggen over den grond verspreid, of worden langs de zijden van de tent opgehangen. Midden in de yourte, op drie rechtopstaande steenen, of op een ijzeren voetstuk geplaatst, staat een groote ijzeren pot, de kazan, het eenige gerei, waarvan zich de nomaden bedienen om hun potje te koken. Overigens zijn de werktuigen, die zij gebruiken bij het verrichten van hun dagelijksche bezigheden, noch talrijk, noch gecompliceerd. Behalve den kazan, hebben zij meestal een soort kan van geciseleerd koper, en twee of drie houten [242]nappen; hun vingers moeten vorken en lepels vervangen. Voor het melken gebruiken ze emmers van dierenvel, en in leêren zakken wordt de melk bewaard.

Lucifers zijn bij de Kirghizen niet bekend, ieder draagt een leeren zakje bij zich, met een vuursteen, een stuk ijzer, en een brok zwam. Van dat zakje en een klein stevig dolkmes, aan hun gordel bevestigd, zijn ze onafscheidelijk. Het mes wordt voor de meest verschillende doeleinden gebruikt; om dieren te dooden, vellen af te schrapen, hun hoofd te scheren, hout te snijden, enz. ’t Is het eenige scherpe werktuig, dat bij de nomaden in gebruik is.

Al het werk komt neer op de vrouwen. Die hebben den geheelen dag volop te doen. Als ’s morgens het vee naar de weide is, maken zij koumiss van de melk van den vorigen dag, looien dierenhuiden, kloppen vilt, vlechten tres, maken kleeren, en als ze er tijd voor kunnen vinden, borduren ze ook nog met wol. ’s Avonds halen ze, geholpen door de grootste kinderen, het vee weer binnen, en binden de dieren aan lange touwen vast. Ondanks dien zwaren arbeid, die haar geen oogenblik verpoozing gunt, schijnen de vrouwen der Kirghizen niet ontevreden met haar lot. Ze zijn zeer vroolijk en altijd tot babbelen en lachen geneigd.

De mannen brengen den dag door met op hun vrouwen te passen, en elkaar over en weer verhalen te doen, of te beraadslagen omtrent plannen, die ze in den zin hebben. Het gesprek loopt hoofdzakelijk over paarden. De taal der Kirghizen, overigens vrij arm, is uiterst rijk aan uitdrukkingen, die op paarden betrekking hebben; en elk jaar krijgen de dieren weer een anderen naam. Het paard is voor den Kirghies niet, zooals voor den Arabier, een voorwerp van vereering; zij hebben het niet weten te veredelen of verfijnen; maar het is hun onafscheidelijke metgezel, en zij zouden niet kunnen leven zonder dien trouwen kameraad. In de oudheid stelde men zich voor, dat de Tartaren verblijf hielden in deze onbekende streken, en de verbeelding dacht zich die half wilde wezens als centauren, half mensch, half paard. Aan die voorstelling beantwoordt nog steeds de Kirghies van thans.

Als men hen te paard ziet zitten, schijnen ze als aan den zadel vastgegroeid, en hoewel dit van hout en zeer ongemakkelijk is, leggen zij zonder de minste vermoeienis lange dagreizen af, langs meestal gevaarlijke wegen. Van loopen houden ze echter volstrekt niet; ze worden spoedig moede, en zullen zonder noodzaak geen honderd schreden te voet gaan. Voor ’t geval, dat ze zich van hun yourte naar een andere willen begeven, staat altijd een paard aan den ingang der tent gereed. Ze zijn ontzettend lui, en kunnen slapen als marmotten. Men ziet ze nooit langer dan een paar minuten achtereen rechtop staan, en het is ondenkbaar, dat twee Kirghizen in staande houding een gesprek zouden voeren. Als ze elkaar iets te zeggen hebben, gaan ze op de hurken zitten, vatten elkaar bij beide handen, en in die positie bespreken zij alles, wat zij te verhandelen hebben. In die ongemakkelijke houding blijven ze soms een halven dag achtereen zitten.

Nog een andere reden waarom de Kirghizen hun paarden in eere houden, is deze, dat zij uit de melk der paarden den koumiss bereiden. Alle Oosterlingen zijn dol op dien heerlijken drank; maar niemand is er blijkbaar zoo op verlekkerd als de Kirghizen. Zij leven van koumiss en voor koumiss alleen. Wilde men hen van dien drank berooven, dan zou men hen evengoed het genot van frissche lucht kunnen ontzeggen. Als ze zich niet letterlijk eraan hebben te buiten gegaan, zijn ze niet te houden; ze zouden uw karavaan in den steek laten, en de afgelegenste hoeken van het gebergte doorzoeken, om een aoul te vinden waar ze hun verlangen kunnen bevredigen. De zak met koumiss staat altijd voor den voorbijtrekkenden reiziger gereed en wordt hem nimmer geweigerd. De Kirghizen vinden het dan ook volstrekt niet noodig, op hun tochten voedsel mede te nemen; zij weten zeer goed, dat ze erop kunnen rekenen, in de aouls, op hun weg verspreid, voldoende onderhoud te vinden. Behalve koumiss, dien zij den geheelen dag door drinken, gebruiken de Kirghizen slechts één maaltijd per dag. Bij troepen van tien, vijftien, tot twintig personen vereenigen zij zich in de yourte om den kazan, waarin een geheel schaap gekookt wordt. Ieder haalt zijn pitchiak uit de scheede, grijpt een been, en gaat smakelijk aan ’t kluiven, terwijl men af en toe het vleeschnat toespreekt. Tot besluit volgt natuurlijk weer koumiss, die eerst, om hem goed te laten schuimen, duchtig wordt geschud. Als ze dan volop gegeten hebben, geven ze met welbehagen toe aan de onvermijdelijke slaapzucht, die het gevolg is van zulk een overvloedig maal. Thee en brood gebruiken alleen rijke lieden. Het laatste wordt in den aoul zelf toebereid uit gerstemeel, waarvan koeken worden gekneed, die zij bakken in schapenvet.

De brandstof der Kirghizen bestaat bijna uitsluitend uit twijgen en wortels van den téo-goïrouk (kameelenstaart), die zoo genoemd wordt, omdat de takken ervan veel op dat aanhangsel gelijken. Het is een soort rhododendron, die in den grond geworteld, en met doornachtige takken, ongeveer een halven meter hoog is. Deze plant groeit tot op een hoogte van 3000 M.; altijd op de noordelijke berghellingen.

Aan de aanwezigheid van die struiken hebben de nomaden het te danken, als zij zich kunnen ophouden in de hooggelegen dalen van den Tiensjan, welke, dicht bij de gletschers gelegen, lang groen blijven, ondanks de zomerhitte.

Wanneer echter op honderd mijlen in den omtrek geen brandhout te vinden is, gebruiken de Kirghizen dierenmest als brandstof. Zulk een vuurtje is niet bevorderlijk voor de frischheid der atmosfeer in de benauwde yourte; maar overgevoelige reukzenuwen hebben de Kirghizen niet.

Als zij niets beters te doen hebben, gaan zij somtijds op de jacht. Ze richten arenden af voor de vangst van vossen en pelsdieren, en dooden grootere dieren, zooals wolven, beren en ovispoli met een flintgeweer, waaraan, op ongeveer een derde van den loop, een beweegbaar steunsel is bevestigd voor het aanleggen. De Kirghies is echter geen geweldig Nimrod, en de tallooze dieren, die zich in de dalen van het Hemelsche gebergte ophouden, hebben van zijn zijde geen groot gevaar te duchten. Hij jaagt alleen [243]om in zijn onderhoud te voorzien, en drijft geen handel in pelterijen.

Men heeft dikwijls willen beweren, dat de Kirghizen woest en onhandelbaar zijn. Wij vonden hen integendeel zeer zachtaardig en onderworpen. Ook daarin verschillen zij van de Kozakken, want deze zijn diefachtig en niet te vertrouwen. De Kirghizen zijn volstrekt niet strijdlustig, zooals de Turkomanen en Afghanen; hun aard is zelfs bijzonder vreesachtig. Dreigt hun geen gevaar, dan zullen zij nooit geweld plegen. Diefstal komt bij hen zeer veel voor. Daarom moeten ze bijzondere zorg dragen voor hun kudden, die ’s nachts bij den aoul worden verzameld en door honden bewaakt. De Kirghizen zijn werkelijk buitengewoon goedaardig en naïef. Die eenvoud is zeker wel het gevolg van het leven, dat zij leiden en de afzondering, waarin zij hun dagen slijten. Fatalisten zijn ze allen en in alle omstandigheden. Alles is hun een goed of slecht voorteeken, het vallen van een draad op een witten steen, de kleurspelingen in een vlam, de vormen der wolken, een ontmoeting van bepaalde dieren; of het gezicht van een zekere bloem, alles heeft voor hen beteekenis, en van die toevallige kleinigheden laten zij dikwijls gewichtige besluiten afhangen.

Ze nemen allerlei middelen te baat, om de booze geesten te bezweren. Men kan zich geen denkbeeld vormen van hun kinderachtige bijgeloovigheid. Een grillig gevormde rots, een struik in een kloof geworteld, een vallende meteoorsteen, of een warme bron, ’t zijn voor hen louter wonderbare verschijnselen, die zij niet anders dan met uitgespreide armen en vele kniebuigingen durven naderen.

Ze noemen zich Sunitische Mohammedanen; maar zij zijn dit in werkelijkheid niet. Zij verrichten noch de wasschingen, noch de gebeden, die door den Koran worden voorgeschreven, zij hebben geen moskeeën, noch mollahs, en ondernemen nooit bedevaarten naar het graf van den Profeet. Wel hebben ze eenige gebruiken bewaard, die aan den mohammedaanschen godsdienst zijn ontleend; maar dat is slechts een uiterlijke vertooning, die zij ten behoeve van vreemdelingen ten beste geven. Feitelijk hebben zij geen bepaalden godsdienst, behalve enkele herinneringen aan de vele verschillende secten, waarvan het Noorden van Azië eertijds wemelde. Een voorschrift van den Koran volgen zij echter letterlijk op, n.l. dat omtrent de veelwijverij. Als het hem maar eenigszins mogelijk is, huwt de Kirghies twee, drie of meer vrouwen. Het aantal zijner echtgenooten staat in verband met het getal kudden, dat hij bezit; want dat is het ruilmiddel waarmede hij zijn vrouwen koopt. Vergezeld van eenige vrienden en verwanten, trekt hij bergop, bergaf, doorzoekt alle aouls, en geeft zich veel moeite om, desnoods door list, de meisjes, die bijna altijd in de hutten blijven, te zien te krijgen. Als hij een keuze heeft gedaan, worden met de ouders onderhandelingen aangeknoopt over de huwelijksgift. Na maandenlang loven en bieden wordt men het eindelijk eens, en van nu af telt het jonge meisje, om zoo te zeggen, niet meer mede.

Als de koop gesloten is, mag zij gedurende een geheel jaar met geen andere mannen meer spreken dan haar familieleden en moet altijd in de yourte blijven, waar de andere vrouwen urenlang met haar komen babbelen, en haar helpen om haar uitzet gereed te maken.

Het huwelijk wordt voltrokken door het hoofd van den stam. De plechtigheid bestaat voornamelijk in een wisseling van begroetingen tusschen het jonge paar en hun verwanten, waarna alle aanwezigen zich vereenigen tot een reuzenmaaltijd, waarbij de koumiss vloeit in stroomen en ieder zich te goed doet aan borsaks en schapenbout. Daarop biedt de jonge echtgenoot zijn schoonvader de beloofde kudden aan. Deze stelt een nauwkeurig onderzoek in naar den toestand der dieren, en telt ze, om zeker te zijn dat hij niet bedrogen wordt. In ruil daarvoor schenkt hij zijn schoonzoon, als bruidschat zijner dochter, eenige kameelen en paarden, die zoolang zij leeft haar eigendom blijven. De man behoudt en gebruikt ze, zoolang zijn vrouw onder zijn dak vertoeft; maar als hij haar verstoot, moet hij ze teruggeven, tenzij zij een misstap begaan heeft. De Kirghizen nemen niet meerdere vrouwen tegelijk ten huwelijk, zooals de Mohammedanen doen. Zij huwen slechts ééne; maar als deze hun na eenigen tijd niet meer behaagt, nemen zij een jongere vrouw, en zoo gaan zij voort, zoolang hun middelen hun dit veroorloven. De laatste is natuurlijk altijd de gunstelinge van haar echtgenoot; de anderen tellen niet meer mede. De jonggetrouwde zit op haar gemak in de yourte, verwend en vertroeteld door haar man, en de andere vrouwen werken buitenshuis en slapen afzonderlijk.

Eer zij met de Russen in aanraking kwamen, kenden de Kirghizen het gebruik van het geld niet; zij ruilden hun koopwaren in voor vee. Ook thans nog hebben zij van tijdverdeeling geen begrip; zij weten niet hoe oud zij zijn, en zijn evenmin op de hoogte van het begin der mohammedaansche tijdrekening. Het jaar wordt ingedeeld naar de manen, en de maand naar het wassen en afnemen daarvan. Om een bepaalden tijdsduur aan te geven, spreken zij van een dag, een halven of een kwart dag, en zoo berekenen zij ook afstanden. Voor kleinere maten gebruiken zij hun arm, hand of voet.

Hoogst zelden treft men onder de nomaden van den Tiensjan lieden aan, die kunnen lezen en schrijven. De meesten zijn zeer tevreden in hun staat van volslagen onwetendheid, en vertoonen niet de minste neiging om zich te ontworstelen aan den toestand van barbaarsche duisternis, waarin hun geest sedert eeuwen is gehuld. Dit gemis van de eerste beginselen der beschaving heeft hen ook altijd verhinderd, zich tot een geheel volk te vereenigen. Elke stam blijft binnen zijn eigen domein, en vermijdt de nabijheid zijner buren. Zij kampeeren op vaste plaatsen, en elke yourte wordt neergezet op dezelfde plek, waar zij het vorige jaar werd opgeslagen. Slaven der gewoonte zijn de Kirghizen, naar lichaam en ziel. Hun aanhankelijkheidsgevoel is weinig ontwikkeld. Gehechtheid aan personen of zaken kennen zij niet. Voor hun vrouwen koesteren zij geen andere gevoelens, dan die van het dier voor zijn wijfje, en de genegenheid voor hun kroost gaat ook niet zeer diep.

Als zij aan hun bergen gehecht zijn, vloeit dit voort uit gewoonte; en zij zouden dan ook nergens [244]elders het ongebonden, zwervend leven kunnen leiden, waaraan zij behoefte hebben.

Hun kunstzin is nagenoeg niet ontwikkeld, doch zingen doen zij gaarne, zoowel de mannen als de vrouwen. Soms begeleiden zij dat gezang op een soort van gitaar, uit een massief stuk hout vervaardigd, waarover snaren van darmen zijn gespannen.

Een ander muziek-instrument is een fluit, uit een uitgeholden boomtak gesneden, die rauwe en on welluidende klanken voortbrengt. Het is een volk, dat den trap der eerste kindsheid nog niet heeft overschreden. Maar zoolang zij binnen hun bergen blijven opgesloten, door hooge graniet wanden gescheiden van de bewoonde wereld, zullen de Kirghizen ongetwijfeld blijven zooals zij zijn.

Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.

Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.

Wat de uitkomsten onzer reis naar het Hemelsche gebergte betreft, die uitsluitend met een wetenschappelijk doel werd ondernomen, kunnen wij tevreden zijn. Al ontdekten wij niet anders dan gletschers en stroomen, al zagen wij geen historische bouwvallen, en al liepen wij er geen gevaar, door kannibalen te worden verslonden, voor wie de bekoring ondergaat dezer woeste en maagdelijke natuur, zullen deze sombere, verlaten berggevaarten, deze wijde, schijnbaar onvruchtbare dalen niet langer verlaten en somber schijnen, daar zij hem spreken van het onbekende, zijn weetgierigheid prikkelen, en hem opwekken tot het naspeuren van de vele raadselen, welker oplossing hem nog wacht.

In dien zin opgevat, mogen wij op onzen eentonigen en vermoeienden tocht met voldoening terugzien, daar ons onderzoek ons in staat gesteld heeft een nauwkeurig beeld te ontwerpen van een tot nog toe geheel onbekend gebleven gedeelte onzer aardoppervlakte. En dit eindresultaat, dat der geographische wetenschap ten goede komt, vergoedt ons ruimschoots de vermoeienissen en gevaren van onzen bezwaarlijken tocht.

Ornament.