The Project Gutenberg eBook of Thuringen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Thuringen

Author: Anonymous

Release date: May 14, 2006 [eBook #18389]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THURINGEN ***



[297]

Thuringen.

Gezicht op Koburg.

Gezicht op Koburg.

I.

Kent ge Thuringen, lezer? Zoo niet, dan mist ge een zeker aantal aangename herinneringen, weldadige indrukken, die, naar ik meen, weinig andere landen van zoo luttele uitgestrektheid u in gelijke mate geven kunnen. Zoo ja, dan zal zich ongetwijfeld in uw gemoed het beeld hebben gegrift van deze landstreek, als van eene der liefelijkste en in menig opzicht belangrijkste die het u immer gegeven was te aanschouwen. De natuur en de menschenwereld hebben hier gelijkelijk recht op uwe aandacht, uwe volle belangstelling, uwe liefde; beiden spreken met gelijken nadruk tot u, en wedijveren in de tentoonspreiding van wat geest en gemoed boeien, streelen, verheffen kan. Maar hetzij ge Thuringen door eigen aanschouwing kent, hetzij ge [298]uwe wetenschap van dat land tot dusver aan anderen ontleenen moest: toch durf ik u uitnoodigen, in gedachte op enkele uitverkoren plekjes van deze rijk gezegende streek te vertoeven. De meer dan eenvoudige potloodschetsen, die ik u biede, mogen u welkom zijn, hetzij als beelden uwer eigene herinnering, hetzij als opwekking om wat ge tot dusver miste, zelf te gaan genieten.

Thuringen is het hart van Duitschland. Het is dat niet alleen door zijne ligging genoegzaam in het midden van het groote rijk: het is dit ook in anderen en hoogeren zin: door het krachtige, frissche, nieuwe leven, dat reeds meer dan eenmaal zich vanhier door alle aderen der groote duitsche nationaliteit uitstortte. Ja, hoezeer het gebergte van Thuringen, het heerlijke Thuringer-Wald, een door de natuur zelf gevormde grensscheiding is tusschen noordelijk en zuidelijk Duitschland, tusschen de dialekten en eigenaardigheden der verschillende germaansche stammen, tusschen het protestantsche noorden en het katholieke zuiden; zoo vertoont toch, niet alleen de thuringsche natuur, maar vooral ook het thuringsche volk, eene merkwaardige samenvloeiing en samensmelting van wat noord en zuid eigenaardigs en karakteristieks hebben. Niet ten onrechte heeft men daarom Thuringen dikwerf Klein-Duitschland genoemd. Meen echter niet, dat deze gelijkenis met het beeld der naburen ten noorden en ten zuiden, oorspronkelijkheid en eigen zelfstandigheid uitsluit. Integendeel: in weinig streken van Duitschland zult ge zoovele plaatselijke eigenaardigheden, zoovele karakteristieke bijzonderheden in het volksleven en karakter aantreffen, als juist hier; en nergens bijna vindt ge zoo trouwe gehechtheid aan voorvaderlijke gebruiken en overleveringen nevens zoo geopenden zin voor de eischen en behoeften van den nieuweren tijd, en zoo ijverige begeerte om anderen op de baan der ontwikkeling voor te gaan.

Het is inderdaad een merkwaardig volk, dat volk van Thuringen, daarbij trouwhartig, eerlijk, arbeidzaam, vriendelijk en opgeruimd; de ernst en bedachtzaamheid van het noorden paart zich hier aan de gemoedelijkheid en vroolijkheid van het zuiden. Wat frissche, opgewekte levenslust komt u hier overal verkwikkend te gemoet. Overal gezang en gejubel, op de wegen, in de steden, in de dorpen; over het gansche land zweeft als het ware een onsterfelijk, duizendstemmig lied. Niet alleen heeft iedere stad hare zangvereenigingen, maar ge zult bijna geen dorp vinden zonder eene eigene liedertafel. Nog heden ten dage trekken de dusgenaamde Kurrendschüler, door de straten van meer dan eene thuringsche stad, zooals weleer Maarten Luther, en zingen in koor hunne vrome liederen. Op schoone zomeravonden komen de jongelingen en jongedochters te zamen op de markt of bij de eenvoudige dorpskerk, en heffen een dier schoone volksliederen aan, waaraan Thuringen zoo overrijk is, en wier innige melodie zelden nalaat het gemoed te treffen. Uw gids zingt, als hij met u door het gebergte dwaalt; uit de boerenwoningen, waar het spinrad nog altijd snort; uit de fabrieken, waar het stoomtuig zucht en stampt; uit de herbergen, waar de kroes met Lagerbier lustig rondgaat: van alom klinkt u gezang tegen. En dan, wat benijdbare verscheidenheid van volksfeesten, die hier nog inderdaad volksfeesten zijn, waaraan ieder deel neemt, vroolijke dagen, waarnaar ieder uitziet, waarvan de heugenis bij allen levendig blijft. De stedelingen hebben hun vogel- of schijfschieten; de landbewoners hunne kermis of feest der kerkwijding; daarenboven nog de geregeld wederkeerende zang- en turnfeesten, het Meifeest, dat hier nog altijd, hoezeer dan ook vervallen van zijn vroegeren luister, in stand is gebleven; evenals op vele plaatsen, het midzomer- en October-vuur. Bij al deze feesten, en niet minder op de druk bezochte jaarmarkten, gaat het lustig en vroolijk, bijwijlen wel wat ruw toe: dans, muziek, bier en worst spelen bij dergelijke gelegenheden overal de hoofdrol.

Het is een vroolijk, levenslustig, zangerig, dichterlijk volk, dat volk van Thuringen, en warm klopte steeds zijn hart voor wetenschap en kunst, voor poëzie bovenal. Is niet zijn land bij uitnemendheid het vaderland der duitsche sage, die hier hare liefelijkste, heerlijkste bloemen heeft ontplooid, en nog met haar tooverglans iederen berg en ieder dal, iedere rots en iedere beek, omstraalt? Was niet de Wartburg het vereenigingspunt der uitnemendste minnezangers, en werden ze niet daar voor het eerst gezongen, de oude schoone zangen der duitsch-middeleeuwsche poëzie? Was niet gansch Thuringen als bezaaid met kloosters, waaronder velen van wijdberoemden naam, die eerwaardige kweekplaatsen van wetenschap en geleerdheid eeuwen lang? Was de machtige baanbreker van den nieuweren tijd, Maarten Luther, geen zoon van Thuringen, dat ook onder de eerste duitsche landen behoorde, die zich bij zijne banier voegden? Waren niet eindelijk, in later eeuw, de thuringsche residentiesteden, Weimar in de eerste plaats, de brandpunten en kweekplaatsen der duitsche litteratuur, die juist hier hare grootste heroën te zamen bracht, hier hare schitterendste triomfen vierde? Behoort niet Thuringens universiteit te Jena tot de beroemdste van Duitschland? Voorwaar, waar zulke herinneringen u bij iederen voetstap schier ontmoeten, daar behoeft ge niet te vragen of het volk ook hart heeft voor de hoogere belangen des geestes, voor de ideale zijde des levens. En om de uitnemendheid dezer gave wil, vergeeft ge den Thuringers wel gaarne hunne zorgeloosheid en lichtzinnigheid, waarvan zij niet zelden blijk geven; ja zelfs, hunne liefhebberij voor politiek.

En maakt het volk op den vreemdeling een gunstigen indruk, niet minder boeit en bekoort hem het land. De kroon van Thuringen is wel ongetwijfeld het Thuringer-Wald, “de parel der duitsche bergen”, het doelwit der duizende bedevaartgangers, die telken jare, van dat de eerste zwoele lentelucht de teeder-groene blaadjes ontzwachtelt, tot het woud zich met den bonten herfsttooi kleedt, naar dit heerlijke gebergte trekken. Zal ik het u schilderen? Ge scheldt me de zwakke poging kwijt, om deze rijke natuur te teekenen, overtuigd dat noch gij, noch ik bevredigd zoudt zijn door de onvoldoende uitkomst. Toch voegt een enkele trek, om u althans eenigermate het karakter dezer bergstreek aan te duiden. Moest ik een uitdrukking kiezen, om [299]den indruk te teekenen, dien het Thuringer-Wald-landschap op den aanschouwer maakt, ik zou dien niet beter weten aan te duiden, dan door de beide woorden liefelijkheid en bevalligheid. Dit bergland verwondert, verrast, overweldigt u niet zoozeer door ontzagwekkende majesteit, door de stoutheid zijner vormen, door het kolossale zijner afmetingen; ge mist hier de geweldige gletschers, de ten hemel steigende, met ijs en sneeuw omschorste klippen en naalden, de blauwe meren van Zwitserlands Alpen:—de natuur is hier rustiger, kalmer, meer binnen uw bereik, en toch zoo betooverend schoon, zoo frisch en krachtig, zoo rijk aan afwisseling, dat hart en geest beiden hier op het innigst worden aangedaan, geboeid en opgeheven. Waar vindt ge in Europa statiger en indrukwekkender wouden dan juist hier: wouden van dennen, pijnen en beuken, die ge niet meer vergeet, wanneer het u eenmaal was vergund onder hunne geheimnisvolle, wonderschoone schaduwen te wandelen? Wat is er liefelijker dan een dier smalle, stille dalen, Gründe, zooals men ze hier noemt, met hun zoom van boschrijke bergen; met hun schilderachtige afwisseling van woud en weide, met hun zilveren beekjes, dartelend en kabbelend voorthuppelend over het bed van kleine, ronde steentjes, en het stille dal vervullende met muziek? Is het geen weelde hier te toeven, in den lommer van een eeuwenheugenden beuk, terwijl van verre en nabij het lied der vogelen weerklinkt—Thuringen schijnt wel het vaderland der zangvogels; waar het melodisch klepperen van den molen zich paart aan het ruischen des waters, en van ginds, van den bergwand, u de liefelijke muziek tegenklinkt der harmonisch gestemde klokjes, die de weidende kudden om den hals dragen. Uren en uren zoudt ge hier willen toeven, luisterende naar de zoo veelzijdig afwisselende stemmen der natuur; het wondere tooverspel bespiedende van licht en bruin in die donkere, ernstige wouden, op die met bloemen bezaaide weidevelden, in de schalke beek, nu eens half wegduikende onder de zware overhangende takken, dan stralend en schitterend, als een vloeiend diamantensnoer, in het heldere zonnelicht; het kronkelend grijze rookwolkje naturend, dat ginds boven het donkere dennenwoud opstijgt, de hut van den houthakker of kolenbrander verradende; de vluchtige wolkschaduwen volgende, als zij heenglijden over de berghellingen en rotsen, over de bosschen en de weiden; en nu en dan in uwe mijmering gestoord door de verschijning van een schichtig hert, dat, u bemerkende, een oogenblik nieuwsgierig blijft staan, om dan met een vluggen sprong in het woud te verdwijnen.—Doch onwillekeurig zou ik mij laten verlokken, toch te beproeven, wat ik mij had voorgenomen niet te onderstaan. Laten de enkele, vluchtige trekken voldoende zijn: de uitwerking tot volledige teekening, tot kleurrijke bezielde schilderij, blijve bekwamer handen, blijve liefst u zelf, na eigen aanschouwing, overgelaten.

Thuringen is ook hierin een beeld in het klein van Duitschland, dat het land onder veler heeren gebied is verdeeld. In staatkundigen zin, bestaat Thuringen eigenlijk niet: het is een denkbeeld, eene abstractie, zoo als Duitschland tot voor korten tijd was. Toch was Thuringen eenmaal, in overouden tijd, een zelfstandig rijk, een koninkrijk, dat echter reeds in 528 voor de vereenigde macht van Saksers en Franken bezweek. Drie eeuwen lang duurde de frankische heerschappij, tot Thuringen, in 840, bij de deeling van het rijk van Karel den Groote, onder de heerschappij kwam der duitsche keizers, die het land in hun naam, aanvankelijk door hertogen, later door landgraven lieten regeeren. Dit tijdperk der landgraven, van 1125 tot 1482, is wel het schoonste en schitterendste van Thuringens geschiedenis; geen ander is in zoo rijken overvloed omkranst met de rijkste, de liefelijkste bloemen van sage en poëzie, traditie en legende; in geen ander treden ons zoovele figuren tegen, die om allerlei uitnemendheid, boven anderen onze aandacht trekken. Bij den uitgang der middeleeuwen eindigt ook de echt middeleeuwsche, hoog dichterlijke geschiedenis van het oude Thuringen, die ons bijna als eene wondervolle sproke tegenklinkt, zoo rijk en weelderig van kleur, gelijk geheel het bewogen, bezielde, van de hoogste idealen gedragen leven van dien grootschen, schitterenden tijd. Het aloude stamhuis der thuringsche vorsten zonk ten grave, en het land werd tusschen onderscheidene verwante vorstelijke familiën verdeeld en telkens op nieuw verdeeld, tot het in de officiëele geschiedenis zijn naam verloor. Maar niet alzoo in het hart en de herinnering des volks, niet in de zangen der dichters, in het bloeiende schemerende rijk der liefelijke sage, waar de naam van Thuringen leven bleef als van een der rijkst begaafde, der schoonste en beminnelijkste streken van het groote duitsche vaderland.

Laat ons nu enkele der schoonste en merkwaardigste punten—de keuze zal moeielijk genoeg zijn, waar bijna iedere plek tot bezoeken en verwijlen noodigt—van Thuringen bezoeken.

II.

De spoortrein, die u van Leipzig heeft weggevoerd, staat stil. Ge verlaat uw wagon; ge zijt te Weimar, de hoofd- en residentiestad van het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach, in eene schilderachtige streek, aan den oever der Ilm gelegen. Maar, als ge, op het terras van het hoog gelegen station eenige oogenblikken toevende, het vriendelijk stedeke, met zijn tuinen en parken en krans van groenende heuvelen, overziet, dan is het niet de gedachte aan staatkundige beteekenis en vorstelijken rang, die het eerst in u opkomt.—Athene aan de Ilm, was de naam, waarmede Weimar in vroeger dagen placht begroet te worden, de eeretitel, waarop het nog heden roem draagt. En inderdaad, de vergelijking met de geestelijke hoofdstad der oude wereld, de moederstad der Muzen, de kweekplaats van kunst en wetenschap; eene vergelijking, zoo vaak van blinde vooringenomenheid en bekrompen waan getuigende, die het geheel ongelijksoortige, met lichtvaardige vermetelheid, te zamen voegt; deze vergelijking mocht hier niet enkel aanmatiging heeten. Daar was, daar is grond voor die naamsduiding: niet enkel omdat Weimar, gedurende ongeveer eene halve eeuw, hot vereenigingspunt was van de [300]uitnemendste geesten, waarop het Duitschland van het laatste vierdedeel der vorige en het eerste der tegenwoordige eeuw roemen mocht, van de grondvesters, de herscheppers en heroën der nieuwere duitsche letterkunde; maar nog meer, omdat wellicht nooit en nergens, sedert den ondergang der oude wereld, de echt klassieke helleensche geest zoo zuiver in kunst en litteratuur is herleefd, zoo volkomen de scheppingen eene moderne letterkunde heeft bezield en doordrongen, als hier in de school, die naar Weimar werd genoemd. Ge vergt van mij geene bewijzen tot staving dezer uitspraak: zouden ze ook niet overtollig zijn, daar toch welbekendheid met dit schitterende tijdperk van de letterkundige ontwikkeling onzer oostelijke naburen veilig mag worden ondersteld? Het volsta dan den naam te noemen van een enkel man, die, meer dan eenig ander, op dit gansche tijdperk zijn stempel heeft gedrukt, die zes-en-vijftig jaren van zijn werkzaam leven te Weimar heeft gesleten, de naam van Goethe, die modernen Griek, in wien de geest van het oude Hellas was gevaren, als wellicht in geen ander vóór hem. Zijn naam komt u toch wel het eerst op de lippen, als [302]ge aan Weimar denkt, als gij over Weimar uwe blikken laat weiden; zijn beeld rijst voor u op, als ge de stad en hare omstreken doorwandelt, nog overal vervuld met zijn herinneringen; deze majesteit heeft nog niets van haren glans verloren, en straalt den luister van andere namen, den luister van vorstenpraal dof. Doch neen, deze laatste tegenstelling, zoo menigmalen een zinledig woordenspel, ware hier erger, ware hier eene krenkende onwaarheid. Waar Weimar roem draagt op haar naam van Muzenstad, op haar titel van duitsch Athene, daar voegt het allerminst te vergeten, aan wie zij, nog in de laatste jaren der vorige eeuw door Schiller een dorp genoemd, die glorie dankt. En dan worde hier in de eerste plaats, met dankbare hulde, de naam genoemd van de voortreffelijke hertogin Anna-Amalia, die, vroeg verweduwd, niet alleen voor haar minderjarigen zoon, met zeldzaam beleid en tot grooten zegen voor haar land en volk, de regeering heeft gevoerd, maar ook de grondslagen heeft gelegd voor het schitterende tijdperk dat volgen zou. Aan haar, de wegbereidster van de gouden eeuw, heeft Weimar het te danken, dat het niet, als zoo menige andere kleine stad, in doffe vergetelheid is weggezonken; aan haar, die de uitnemendste geesten van haar tijd aan haar klein hof wist te vereenigen, waar toen Wieland de eerste plaats innam: aan haar, wier voorgang en voorbeeld wel bovenal zal hebben medegewerkt om haar beroemden zoon te maken tot wat hij geworden is: de vriend van Goethe, de edele Karel-August, de hoog ontwikkelde vorst, wiens naam onverbrekelijk verbonden is met een der merkwaardigste, der schitterendste episoden in de geschiedenis van den menschelijken geest. Eere en dank dit voortreffelijk vorstengeslacht, dat, trots de beperktheid van zijn nauw begrensd gebied, zich eene zoo ruime en gewichtige plaats in de wereldhistorie wist te verwerven, en dat ook heden nog blijkt aan die grootsche traditiën getrouw te willen blijven.

De Mariënglashöhle bij Reinhardsbrunn.

De Mariënglashöhle bij Reinhardsbrunn.

Ergert gij u aan ons marren, en verlangt gij de stad zelf te betreden? Welnu, volg mij: al durf ik u slechts een vluchtig bezoek, een haastig geworpen blik beloven: toefden wij hier naar onzen wensch, de tijd zou ons ontbreken om ook nog naar elders onze schreden te richten.

De kathedraal te Erfurt.

De kathedraal te Erfurt.

Doch, hoe beperkt onze tijd moge zijn, niet onbezocht moogt ge het nieuwe museum laten, dat ge, van het station naar de stad wandelende, aan uwe linkerhand ziet liggen. Het bezoeken van museums en kunstverzamelingen heeft zijne schaduwzijde, vooral voor den toerist, wien zulke bezoeken soms niet meer zijn dan het voldoen aan een eisch der wellevendheid, te hinderlijker, naarmate hij zich meer bewust is, dat zoo vluchtig een overzien van wat alle aanspraak op ernstige en gezette studie heeft, bijna een vergrijp aan de kunst mag heeten. Ik zal u dan ook niet wijzen op de schilderijen en beeldwerken, zelfs niet op de vrij wat belangrijker verzameling van teekening en kartons, hoezeer dezen ook uwe volle aandacht mogen verdienen; maar verzuimen moogt ge het toch niet, uwe schreden te richten naar de dusgenaamde “Preller-Grallerie”, op de tweede verdieping van het fraaie, in italiaanschen renaissance-stijl opgetrokken gebouw. Langs de wanden van deze, ook door ordonnancie en architektonische versiering uitmuntende galerij, heeft de weimarsche hofschilder Preller, in zestien groote tafereelen, de lotgevallen der veelbeproefden Odysseus geschilderd, op zijn avontuurlijken terugtocht van het verwoeste Troje naar zijn vaderland Ithaka. Ge weet niet wat in deze heerlijke, inderdaad klassieke kunstscheppingen meer te bewonderen: de zeldzame, aangrijpende schoonheid van het landschap, door den schilder aan de kusten der Adriatische-zee, in het oude Groot-Griekenland, bestudeerd en der natuur afgezien; of de eenvoudig verhevene, echt naïve opvatting van het menschenleven, waaruit u de antieke geest tegenademt. Dit is meer dan bloot het woord des dichters in beeld brengen, meer dan enkel illustreeren, dit is inderdaad eene vertolking, eene vrije en zelfstandige, en juist daarom in den hoogsten zin getrouwe naschepping van een groot kunstwerk. Om u dit te doen gevoelen, heb ik u hierheen gevoerd; om u te doen zien, hoe men, ook in onze dagen, aan de hoven der duitsche Vorsten, de kunst waardeert en haar weet te bevorderen. Is het mijne schuld, indien de gedachte aan hetgeen in dit opzicht ten onzent geschiedt en niet geschiedt, bijkans in staat zou zijn, u het genot dezer heerlijke kunstschepping te bederven?

Inmiddels zijn wij de stad ingewandeld. In het voorbijgaan werpen wij een blik op het huis, waar Wieland, de dichter van Oberon, tien jaren lang, tot aan zijn dood in 1813 woonde. Hij was, zooals ge weet, als opvoeder van den jongen prins Karel-August, door de hertogin-weduwe naar Weimar ontboden, en vormde daar het middelpunt van een letterkundigen kring, tot zijn gestarnte verbleekte voor de schitterende zon van Goethe, met wien deze meer fijne dan diepe en niet zeer ernstige geest zich wel niet meten kon.—Doch reeds went ge uwe blikken van deze woning af, om ze vol bewondering te laten rusten op die heerlijke groep van Goethe en Schiller, door de meesterhand van Rietschel gewrocht, en midden op de kleine Theaterplatz verrijzende. Gij kent de groep, en hebt dus geene beschrijving van noode; en terwijl ge ze weder voor het oog uwer verbeelding laat te voorschijn treden, prijst ge op nieuw de gelukkige conceptie die de wederzijdsche verhouding der beide dichters en hun beider beteekenis voor de vaderlandsche litteratuur, zoo juist en treffend wist weer te geven. “Dem Dichterpaare das dankbare Vaterland”, luidt het eenvoudige opschrift, recht doende aan beide genieën, waar het ze in eene zelfde hulde samenvat.

Zoo ge van van de Theaterplatz Schillerstrasse ingaat, bevindt ge u weldra voor het nederige hoekhuis, thans eigendom der stad Weimar, waar de dichter de laatste drie jaren zijns levens heeft gewoond. Het is een soort van museum en dagelijks te bezichtigen. Wilt gij er binnentreden? Hetzij dan om u naar de hoekkamer op de tweede verdieping te begeven, waar Schiller gemeenlijk arbeidde, en die nog in denzelfden toestand is behouden, als tijdens het leven van den dichter. Ge ziet hier zoowel zijne schrijftafel, als het bed waarop hij, in de vooravond van den 9den Mei 1805, overleed; benevens eenige voorwerpen van hem afkomstig. Aan [303]dit vertrek grenst zijn meer dan eenvoudig slaapvertrek, een zolderkamertje, waar het bed plat op den grond lag. Was hij des peinzens en des arbeidens moede, dan wierp hij zich op zijn leger, om een korte rust te smaken. Gebeurde het dat hem eene of andere gedachte inviel, dan rees hij haastig op, om die aanstonds op te teekenen: licht en schrijfgereedschap waren steeds bij de hand. Eerst in Schillers laatste ziekte, werd zijn bed, dat weldra zijn sterfbed worden zou, in zijne studeerkamer overgebracht.

Weimar is eene kleine stad: ge behoeft dus niet ver te gaan, om het vrij wat statiger en indrukwekkender huis te aanschouwen, waarin Zijne Majesteit Goethe negen-en-dertig jaren lang heeft gewoond, en waar hij, den 22sten Maart 1832, den laatsten adem uitblies. Met deze aanschouwing moet ge u, indien ge, zooals hij, die zich verstoutte uw gids te zijn, tot het gewone “publiek” behoort, vergenoegen: de familie ontzegt vreemden den toegang.—Om ons voor dit gemis schadeloos te stellen, wandelen wij de Marktplatz over, waar het in gothischen stijl gebouwde raadhuis billijk uwe aandacht trekt, en gaan verder het oude gedeelte der stad in. Maar niet zonder eerst een blik geworpen te hebben op dat huis tegenover het raadhuis, waar nu een boekhandel is gevestigd, doch waarin eenmaal de beide schilders Lucas Cranach de oude en de jonge woonden en stierven. Ge ziet, de aanspraak van Weimar op kunstroem dagteekent niet geheel slechts uit later eeuw.—Nog weinige schreden, en daar verrijst het standbeeld van Herder, vóór de kerk, waar hij, als vroeger Luther, predikte, en waarin hij, nevens vele andere beroemdheden, rust. Als ge in deze kerk, Weimars Westminster-abdij, de heerlijke schilderij van Lucas Cranach den Oude, Christus aan het kruis, bewondert, vergeet dan ook niet dat Sebastiaan Bach, die heros der duitsche muziek, hier eenmaal het orgel bespeelde. Achter de kerk is het huis, waar Herder, als generaal-superindentent en hofprediker, van 1776 tot aan zijn dood in 1803, woonde.

Ge gaat eene kleine straat door, en daar verrijst het groote, statige slot, na den brand van 1774 geheel nieuw gebouwd, en vooral inwendig met smaak en vorstelijke pracht versierd. Ik onderstel echter, dat ge niet van mij vergt, u door paleizen rond te voeren, wanneer daartoe geene bijzondere aanleiding bestaat. En schoon die hier licht te vinden ware in een bezoek aan de vier beroemde zalen, aan de vier dichters van Weimar, Herder, Wieland, Schiller en Goethe, gewijd, en met voorstellingen uit hunne werken gesierd:—toch willen wij het paleis onbezocht laten. Wij staan hier aan de oevers der Ilm, en voor ons strekt zich het heerlijke Park uit, dat u niet alleen aantrekt door zijne prachtige boomgroepen en fluweelige grasperken, door zijne lommerrijke lanen en schilderachtige bosschages, maar vooral ook door de herinneringen, waaraan het zoo overrijk is. Wij kunnen niet meer dan ze vluchtig aanstippen. Hier, in dit Park, ligt het dusgenaamde Romeinsche huis, het lievelingsverblijf van Karel-August en van Goethe. Aan den voet der trap, die naar deze hoogst eenvoudige woning voert, leest ge op een marmeren plaat, deze regels van Goethe:

“Die ihr Felsen und Bäume bewohnt, o heilsame Nymphen,

Gebet Jeglichem gern, was er im Stillen begehrt!

Schaffet dem Traurigen Trost, dam Zweifelhaften Belehrung,

Und dem Liebenden gönnt, das ihm begegne sein Glück!”

Verder vindt ge de Schillerbank, een rustig stil, bekoorlijk plekje, waar de dichter gaarne nederzat. Hij mag dan wel zijne peinzende blauwe oogen hebben laten weiden over de kronkelende Ilm aan zijn voet, dier, naar zijne eigene uitdrukking, in het voorbij-ruischen menig onsterfelijk lied vernam; over den heuvel aan de overzijde, waar Goethes Berggarten met het eenvoudige, zoo geliefde tuinhuis lag. Gelukkig werd toen de liefelijk-vredige indruk van dit kalme, idyllische landschap nog niet verstoord door die groote, nieuwe kazerne, die zich nu, zoo onwelkom en onbescheiden, aan u opdringt: veelbeduidend teeken des tijds, waarin het zwaard eene zoo gewichtige rol speelt, en het ongewapende recht sinds lang voor het overmachtige geweld zwichten moest. Kazernen behooren nu eenmaal tot de signatuur dezer hooggeloofde negentiende eeuw, ook en vooral in het vaderland van Goethe en Schiller.

Wij keeren in de stad terug, doch ge schenkt mij de beschrijving van wat Weimar verder bezienswaardigs heeft: van de bibliotheek, van het theater, waar Liszt eenige jaren muziek-direkteur was; van het Leesmuseum, van den fraaien tuin der sociëteit Erholung, die ook in de stad een zeergoed ingericht lokaal heeft, dat voor vreemden toegankelijk is; en van nog andere merkwaardigheden. Eéne plek moeten wij echter nog bezoeken: het nieuwe kerkhof. Zouden wij den duitschen naam Friedhof met Vredehof mogen vertolken?—Niet om den schoonen aanleg, om de heerlijke boomen en de prachtige bloemen, die dezen doodenakker tot eene bloeiende gaarde maken, voere ik u derwaarts, maar om een pelgrimage te volbrengen, waartoe uw hart u dringt. Als ge de breede laan hebt betreden, ziet ge voor u, op eene kleine verhevenheid, de in 1824 gebouwde tempel, die den vorstelijken grafkelder bevat. Daar rusten, nevens hun vriend en vereerder, den groothertog Karel-August († 1828), ook Schiller en Goethe, de twee koningen in het rijk der duitsche letterkunde: eene vorstelijke eere, vorstelijk bewezen; en vooral niet minder getuigende voor hem, die ze brengt, dan voor hen, die ze geldt. Schillers lijk, eerst in alle stilte en eenvoudigheid, in den nacht, op het oude of Jacobskerkhof teraardebesteld, werd in 1827 herwaarts overgebracht. Op zijn sarkophaag prijkt een zilveren eikenkrans, bij gelegenheid van het eeuwgetijde zijner geboorte, door de vrouwen van Hamburg hier nedergelegd. Goethe werd dadelijk na zijn overlijden, met groote staatsie, in den vorstenlijken grafkelder, waar zijn vriend sedert vier jaren rustte, bijgezet. Achter de Fürstengruft bevindt zich de prachtige grieksche kapel, waar de in 1859 gestorven groothertogin Maria-Paulowna, dochter van keizer Paul van Rusland en moeder van den tegenwoordigen groothertog, is begraven.

De gang naar dezen doodenakker, die stoffe levert voor zoo velerlei gedachten en overleggingen, zij de laatste, voor ge de stad verlaat, waar zij, die hier ter ruste zijn gelegd, maar vooral een hunner, de grootste, nog voortleeft in de herinnering niet alleen, maar in zoo [304]menig teeken van vroegere werkzaamheid. Weimar is wel niet eene doodenstad:—daartoe geeft het te veel bewijzen van nog frisch en krachtvol leven, ook op het hooger gebied des geestes;—maar toch zijn de herinneringen aan de beroemde dooden, die binnen zijne muren rusten, wel de grootste schat, waarop het bogen mag: daarom besluite de bedevaart naar hunne graven een bezoek aan de stad, waar zij hebben geleefd en gewerkt.

Luthers huis te Eisenach.

Luthers huis te Eisenach.

Ook wij nemen afscheid, door den nood gedrongen. Ware de ruimte mij gegund, hoe gaarne toefde ik met u op zoo menige plek in en om de stad; hoe gaarne [305]leidde ik u naar het vorstelijk lustslot Belvedere, met zijn prachtige tuinen en zeldzaam rijke oranjerie; naar het kleinere slot te Tieffurt vooral, met zijn schilderachtig park, het geliefkoosde verblijf van hertogin Amalia, die hier den “Tieffurter Abendkreis” om zich vergaderde. Behoef ik het te zeggen, dat ge overal, te Bellevue als te Tieffurt, schier bij iederen voetstap, herinneringen aan Goethe aantreft? Maar waar vindt ge hem niet, den olympischen heros, die langer dan eene halve eeuw Weimar met zijne tegenwoordigheid vervulde?

Gezicht op Wartburg.

Gezicht op Wartburg.

III.

Erfurt. In eene gansch andere wereld ziet ge u, van Weimar komende, hier verplaatst. Daar, de kalme, rustige, vreedzame Muzenstad, met hare herinneringen aan de heroën van kunst en wetenschap en poëzie; de stille, huiselijke kleine residentiestad, waar het leven nog iets aartsvaderlijks heeft overgehouden, en waar ge u zoo spoedig te huis en op uw gemak gevoelt. Hier, te Erfurt, in de pruissische vesting, het militair element, dat al het andere op den achtergrond dringt. De stad heeft eene bezetting van omstreeks vierduizend man, geloof ik; op de straat, in de restaurants [306]en konditoreien, in de buitentuinen en zomertheaters, overal wemelt het van soldaten en officieren, wien ge het kunt aanzien dat zij zich ten volle bewust zijn van de hooge beteekenis der armee in den pruissischen staat. Dit leger heeft in de laatste jaren te groote dingen gedaan, dan dat het ook hem, die voor militaire glorie tamelijk koel blijft, betamen zou, daarvan met kleinachting te spreken. Bovendien mag niet over het hoofd worden gezien, dat deze armee, in hare samenstelling echt nationaal, voor geheel het volk eene zeer wezenlijke school van tucht en orde is; dat zij, te midden van velerlei maatschappelijke ontbinding en voortwoekerend egoïsme, nog altijd het levend symbool blijft van gehoorzaamheid en onderwerping, van onvoorwaardelijke toewijding aan eene idee, aan een doel, dat buiten en boven het persoonlijk eigenbelang ligt en daar dikwerf tegenover staat. Als drager van deze hooge zedelijke ideeën, zonder welke geene enkele maatschappij bestaan kan, zonder welke de chaos der barbaarschheid terugkeert,—de ideeën van gehoorzaamheid en orde, van tucht en zelfverloochening—verdient het leger, en met name het pruissische leger, al onze achting en sympathie, zou het niet zonder overgroote schade kunnen gemist worden in onze ontwrichte, zoo vaak oproerige en van allen innerlijken samenhang beroofde maatschappij. De armee vertegenwoordigt gewis niet de hoogste orde, die op vrijwillige, bewuste onderwerping aan de wet berust, maar naarmate onze eeuw minder geneigd blijkt zich aan deze orde te onderschikken, naar die mate zal de armee, zal het militaire element, onmisbaarder worden, en sterker zijn overwicht doen gevoelen. Daarom is het voorshands ten minste nog onvermijdelijk dat in Pruisen de soldaat de hoogste plaats inneemt, dat alles daar op militairen voet is ingericht, en aan de militaire belangen ondergeschikt gemaakt. Hoe onaangenaam dit militairisme ons moge aandoen, het is nu eenmaal nog onmisbaar; en bij de roeping, die de pruisische staat zichzelven heeft toegekend, is het vooreerst niet te verwachten, dat daarin verandering komen zal. O, geniale Wiertz, met uwe fraaie schilderij, waarop de Beschaving wordt voorgesteld, het laatste kanon verbrekende: hoe schrikkelijk heeft de werkelijkheid van onze dagen dien ijdelen droom verstoord! De beschaving onzes tijds schijnt nog wel, bij al haar edeler streven, zich er op te moeten toeleggen zich te scherpen op het vermenigvuldigen en volmaken der moordwerktuigen! Staan de volken van Europa niet tot de tanden gewapend? Wie zal antwoord geven op de angstige verzuchting des harten: Wachter, wat is er van den nacht?

Doch, waar dwalen wij heen! Het grijze Erfurt is zich zeker niet bewust, tot zoo sombere fantasiën aanleiding te kunnen geven. Ja wel, het grijze Erfurt. De oude hoofdstad van Thuringen heeft heugenis van meer dan twaalf eeuwen; hare geschiedenis is rijk aan aangrijpende lotwisselingen, aan groote gebeurtenissen. Zij ontving den uitnemenden apostel van Duitschland binnen hare muren, den heiligen Bonifacius, die hier eene kerk en twee kloosters stichtte. In de dagen harer grootste macht, in den aanvang der vijftiende eeuw, telde zij, naar men zegt, eene bevolking van 80,000 zielen, en kon zij 30,000 man onder de wapenen brengen. Maar ook Erfurt verging het, als zoo menige middeleeuwsche vrije stad: burgertwist en partijschappen—de onafscheidelijke gezellinnen der demokratie—brachten haar ten val en deden haar hare vrijheid inboeten. Na den dertigjarigen oorlog was hare bevolking tot op 14,000 zielen geslonken; en heeft de stad zich in later tijd weder uit haar verval opgeheven, de glansrijke dagen van vroeger zijn wel voor altijd voorbij.

Van die glorie des ouden dags verhaalt nog menig trotsch gebouw, verhaalt bovenal de prachtige dom, om wier wille ge Erfurt niet gedachteloos moogt voorbijgaan. Weinig kerken in Duitschland maken een zoo verrassenden, zoo overweldigenden indruk als dit grootsche, machtige gebouw, dat ook door zijn eigenaardigen vorm uwe bewondering opwekt. Nevens den dom verheft de Severi-kerk hare drie spitse torens in de lucht, en helpt het statige geheel voltooien; dat u onwillekeurig verplaatst in den tijd, die in zulke onverwoestbare kunstgewrochten zijne hoogste gedachten, zijne innigste aspiratiën uitsprak.

Maar Erfurt behoort nog slechts half aan Thuringen: wij mogen hier niet te lang toeven. Voort naar Gotha.

Hoe jammer, dat ons de tijd niet gegund is! Anders zou ik niet verzuimen u naar Arnstadt te voeren, het overoude Arnstadt, naar men wil door koning Merowig gesticht, maar nog veel merkwaardiger door zijne schilderachtig schoone ligging aan den voet der eerste bergen van het Thuringer-Wald, en zijne heerlijke, romantische omstreken. En waren wij te Arnstadt, zeker zou ik u uitnoodigen, met mij den somwijlen wel wat bezwaarlijken, maar onbeschrijfelijk schoonen, aan afwisseling rijken weg te wandelen, die over de bergen en door het woud naar Plaue voert. En vandaar zouden wij, altijd door een steeds prachtiger, romantischer berglandschap, ons begeven naar Ilmenau, de fraaie veelbezochte badplaats, zoo geliefd door Goethe, die de heerlijke omstreken der vriendelijke stad zoo onnavolgbaar schoon heeft geschilderd. Daar zijt ge in het hart van het gebergte, en zoudt niet mogen verzuimen een der hooge toppen van het Thuringer-Wald, den Kickelhahn, te beklimmen, om van zijn kruin het prachtig panorama te genieten, dat zich voor uwe blikken ontvouwt. En zoudt ge het van u kunnen verkrijgen, geen uitstapje te maken naar Paulinzelle, met die heerlijke ruïne der oude abdij, zoo roerend schoon te midden van het donkere bosch, in een door heuvelen omkranst weideveld oprijzende? En verder nog..... doch ik vergeet, dat wij in den spoortrein zitten, die ons van Erfurt naar Gotha voeren moet!

Toch is het niet zoo vreemd, dat al deze beelden voor mij oprijzen: want telkens lokt en trekt en boeit ons het gebergte, dat daar ginds zijne schoone bevallige lijnen in de blauwe lucht teekent, en zijne lagere heuvelen tot aan den spoorweg naderen doet. Het is eene opeenvolging van liefelijke, schilderachtige landschappen, waarvan ge het alleen betreurt, [307]dat ze in zoo ijlende vaart langs u heenvliegen. Maar nu—daar zijt ge in Gotha; ge werpt, van het hooggelegen station, nog eens een blik op het donkergroene gebergte, en richt dan uwe schreden naar de fraaie, bloeiende stad, aan den voet van haar kolossaal slot, den Friedenstein, in een krans van gaarden en tuinen gelegen.

Gotha is de hoofdstad van het hertogdom Saksen-Gotha, dat, sedert 1827, door den hertog van Saksen-Koburg wordt geregeerd. De beide hertogdommen, schoon te zamen den naam van Saksen-Koburg-Gotha voerende, hebben echter tot dusverre, ondanks alle pogingen tot nadere verbinding, hunne eigene zelfstandigheid bewaard; zij hebben geen anderen band met elkander gemeen dan het vorstenhuis, dat over beiden regeert. Gotha is de tweede residentie van den hertog, die, als hij gedurende zekeren tijd des jaars de stad bezoekt, zijn intrek neemt in het fraaie paleis, eener italiaansche villa gelijk, dat ge op uwe wandeling van het station naar de stad, ter rechterhand ziet liggen.

Als ge de aan fabrieken en allerlei industriëele en commerciëele inrichtingen zeer rijke stad doorwandelt, zal zij ongetwijfeld een gunstigen indruk op u maken; zij is, misschien nog meer dan Weimar, de type van eene dier duitsche residentiesteden van den tweeden rang, die zooveel aantrekkelijks hebben, over het algemeen zich zoo loffelijk onderscheiden door een open zin voor al wat met de hoogere belangen des geestes in verband staat, en ook in haar uiterlijk voorkomen den goeden smaak en den kunstzin zooveel mogelijk trachten te bevredigen. Ook Gotha is eene fraaie stad, uitmuntende niet alleen door hare schoone, smaakvolle, dikwerf prachtige huizen, maar vooral ook door haar heerlijk park en hare lommerrijke dreven en singels, door villa’s en tuinen omzoomd. En wat kunst en wetenschap aangaat, moge Gotha niet met het duitsch Athene, de Muzenstad Weimar, kunnen wedijveren: dat zij ook hier niet verwaarloosd worden, maar ijverige beminnaars en bevorderaars vinden, ge zult het mij toestemmen, als ik u den naam noem van Perthes, de beroemde boekhandelaarsfirma, die zich vooral door de stichting van de Geographische Anstalt en door de uitgave der Geographische Mittheilungen, door de gansche beschaafde wereld een welverdienden roem heeft veworven.—En zoo ge nog verder bewijs verlangt, ook voor den kunstzin van Gotha’s vorsten, ik zou u geleiden naar het omvangrijke, echter meer plompe dan indrukwekkende slot Friedenstein met zijne twee torens, en ik zou u uitnoodigen de onschatbare verzamelingen te bezichtigen, die daar bewaard zijn. Ge vindt hier niet alleen een hoogstbelangrijke, aan incunabelen en handschriften zeer rijke bibliotheek, maar ook een schilderijenkabinet, waarbij stukken van de beroemdste oud-duitsche, vlaamsche en hollandsche meesters, Cranach, Dürer, Holbein, Rubens, Van Dijck, Mieris, Rembrandt, Dou, enz; voorts eene verzameling van afgietsels naar antieken, een munt- en penningkabinet; een museum van natuurlijke historie; eene uitgebreide verzameling van chineesche voorwerpen, huisraad, porselein, ivoor en dergelijke zaken; en eindelijk eene kostbare collectie van zeldzaamheden, cameeën, oudheden, antieke meubelen en huisraad, wapens, snijwerk in hout en ivoor, mozaïeken, vazen en vele andere kunstgewrochten van zeer groote waarde. Deze kunstschatten, door verschillende vorsten bijeengebracht, moeten hunne plaats vinden in het nog onvoltooide, prachtige museum, dat achter het slot, aan den ingang van het park, verrijst.

IV.

Mij dunkt, wij hebben nu vooreerst genoeg van den spoortrein. Ook hebben wij meer behoefte aan de vrije natuur, dan aan nieuwe stadsgezichten. Welnu: ge ziet niet op tegen eene fiksche wandeling, niet waar, die bijkans eene voetreis heeten mag? Laat ik u dan nogmaals ten gids mogen verstrekken: wij gaan over Reinhardsbrunn naar den Inselsberg, en verder over Liebenstein en Ruhla naar Eisenach wandelen. Zoo ge er niet tegen hebt, zullen wij in den Inselsberg overnachten: wellicht gunt de hemel ons een fraaien zonsondergang of opgang. Aan heerlijke natuurtooneelen zal het ons op de wandeling in geen geval ontbreken.

Vroeg in den morgen verlaten wij Gotha, en volgen den straatweg, die over Schnepfenthal naar Reinhardsbrunn voert. Rijk aan schoone gezichten is deze weg, door de bergachtige, romantische streek: voor u uit verheffen zich de hooge, met donker bosch begroeide heuvelen en bergen, die van de hoofdketen van het Thuringer-Wald uitgaan. De nog laag aan de kim staande zon hindert u niet; de frischheid van den morgen waait u tegen: met vroolijken moed stapt ge voort, door de ontwakende dorpjes Sundhausen, Leina en Wahlwinkel. Na eene verfrisschende wandeling van ruim twee uren, zijn wij te Rödichen, waar wij even toeven zullen. Ziet ge die statige groep gebouwen op dien heuvel met zijne fraaie boomgroepen? Dat is het opvoedingsgesticht, in het laatst der vorige eeuw door den beminnelijken en eerwaardigen Salzmann gesticht, en nog heden door zijn kleinzoon bestuurd. Moesten wij niet spaarzaam zijn met onzen tijd, dan zou ik u uitnoodigen dit uitmuntend gesticht, dat zoowel onder zijne leeraars als onder zijne kweekelingen menigen beroemden naam heeft geteld, te bezoeken: het is uwe belangstelling alleszins waard.

Doch nu, na ons even verfrischt te hebben, verder door het liefelijke dal, ter wederzijde door donkere dennen en sparren ingesloten, en waarin telkens zilveren waterplassen de omringende heuvelen weerspiegelen. Daar valt u reeds het logement in het oog: ge zijt weldra ter plaatse uwer eerste bestemming. Doch ja, hier moogt ge wel even stilstaan. Een panorama van zeldzame schoonheid breidt zich uit voor uwen blik. Dáár, in zijn heerlijken krans van donkergroene, met eeuwenheugend bosch bedekte bergen, te midden der met zoo onberispelijken smaak geschakeerde bosschages, boomgroepen, grasperken, tuinen, vijvers—in deze paradijsachtig schoone omgeving, ligt Reinhardsbrunn, het lustslot van den hertog van Koburg-Gotha, dat door zijn oud-duitschen bouwstijl eene ongemeen treffende [308]uitwerking doet. Dat plekje is inderdaad zoo wonderschoon, dat we onmogelijk den lust kunnen weerstaan ons hier neder te zetten, en met volle teugen de heerlijkheid in te drinken van dit verrukkelijke landschap, dat de majesteit eener vrije bergnatuur paart aan de liefelijkheid van een idyllisch dal, door de kunst in een heerlijk park herschapen.

De veste Koburg.

De veste Koburg.

Terwijl wij hier rusten, gunt gij me wel een oogenblik gehoor, om u de sage van Reinhardsbrunn te verhalen. In de tweede helft der elfde eeuw regeerde als graaf van Thuringen, Lodewijk de Saliër, de stichter van den Wartburg en van het slot Neuenburg bij Freiburg. Vooral dit laatste slot werd des graven lievelingsverblijf. In de nabijheid toch lag de Weissenburg, waar paltsgraaf Frederik van Saksen met zijne bevallige gemalin Adelheide woonde. Het harte van graaf Lodewijk werd, haar ziende, door zonderling sterke minne bewogen, alzoo dat hij zich voornam haar te bezitten. En de paltsgravinne bleef niet ongevoelig voor de hartstochtelijke hulde van den dapperen ridder. Het geschiedde dan op zekeren dag, dat de jonge Frederik van Saksen ter jacht toog, en niet weder huiswaarts keerde: de hand eens vuigen moorders had den jeugdigen vorst getroffen. Had Lodewijk zelf zich met het bloed van den wreed misleiden echtgenoot bezoedeld? Of had hij een booswicht omgekocht, die voor hem het gruwelstuk volbracht? Wat hiervan zij: toen de voorgeschreven rouwtijd verstreken was, liet de jonge weduwe zich door graaf Lodewijk, nadat deze zijne eigene gemalin verstooten had, als zijne wettige echtgenoote op den Wartburg voeren, en leefde daar met hem in lust en vreugd. Maar mochten beiden dus de geboden Gods en der kerk met voeten hebben getreden: een duurzaam geluk was hun niet weggelegd. Te midden van zijn woelig leven, in bijkans voortdurende oorlogen gesleten, vervolgde graaf Lodewijk de gedachte aan zijne dubbele echtbreuk en moord. En naarmate de jaren klommen, en ernstiger overwegingen den overmoed der wilde jeugd deden wijken, pijnde en kwelde hem het berouw over zijne ergerlijke zonde, en werd de dringende begeerte steeds levendiger om door eene openlijke daad van boete en berouw zijne groote schuld te verzoenen. Hij scheidde zich van de zoo vurig beminde Adelheide, die zelve in het klooster te Scheiplitz den sluier aannam; daarna verdeelde hij zijne goederen onder zijne twee zonen, gordde het haren kleed eens boetelings om de leden, en stierf als benediktijner-monnik in het klooster Reinhardsbrunn, door hem zelf gesticht op de plek, waar de houthakker Reinhard, vele nachten achtereen, drie vuurtongen had gezien, zwevende over eene bron.—Dit verhaalt de kroniek omtrent de stichting van de in later eeuw zoo machtige abdij Reinhardsbrunn, de nekropolis der landgraven van Thuringen. En wat zij verhaalt mag volkomen waar zijn, want het draagt geheel en al den stempel des tijds, waarin het zou zijn geschied.—Bij den wilden boerenkrijg ging het prachtige klooster te gronde; de plek waar het gestaan had, bleef tamelijk vergeten, tot hertog Ernst I van Koburg, in 1835, op de grondslagen en met aanwending van de weinige overblijfselen der oude abdij, het schilderachtig schoone, romantische slot liet bouwen, dat nu door zijn antiek-moderne pracht, en nog meer door zijne omgeving, zoo onwederstaanbaar uwe blikken boeit.

Het logement te Reinhardsbrunn en de hotels en particuliere woningen in het vlak nabij gelegen Friedrichroda zijn des zomers, in den regel, vol gasten: want deze streek is in de laatste jaren een bedevaartsplaats voor duizende toeristen geworden. Hoe gaarne zou ik hier met u eenige dagen toeven, om u door den heerlijk schoonen omtrek rond te voeren, en u naar zoo menige plek te brengen, die, eens gezien, voor altijd onvergetelijk zou blijven. De Gottlob, de Schauenburg, de Abtsberg, de Tanzbuche, de Spiessberg, de Uebelberg, de Ungeheuerngrund: hoe lokken ze allen tot een bezoek, hoe rijk, zij het ook op verschillende wijze, loonen zij de moeite, die trouwens een genot is, der wandeling. Maar wij mogen aan die begeerte niet toegeven; slechts even zij u de tijd gelaten voor eene wandeling door het heerlijke park van Reinhardsbrunn, en een vluchtig bezoek aan het in oud-duitschen stijl prachtig versierde en gemeubelde slot.

Wij moeten even van den naasten weg afwijken om de dusgenaamde Marienglashöhle te bezichtigen: eene steengroeve, waar het zoogenaamde Mariaglas, eene soort van gips vol kristallen, en ook albast gedolven wordt. Eigenaardig is de indruk, wanneer ge, door den bergwerker met zijn fakkel vergezeld, de grot betreedt, die bij het duizendvoudig weerkaatste licht, een onderaardsch feeënslot gelijkt.

En nu voort, naar den Inselsberg. De gansche streek tusschen Reinhardsbrunn en den berg is als het ware een groot, door de natuur zelf aangelegd park, waarvan ge de wedergade waarschijnlijk te vergeefs in geheel Duitschland zoeken zoudt. De prachtigste landschappen wisselen hier, in de rijkste verscheidenheid, elkander af: wouden en rotsen en dalen, wijde panorama’s en eng omsloten valleien: al de heerlijkheid der bergnatuur, in wier midden gij u thans bevindt. Het gaat nu eens, op steile paden, naar omhoog; dan, verloren in de schaduwen van het woud, omlaag naar een vreedzaam dal, waar een zilveren beek klatert, en te midden der donkere bosschen, wier statige mantel om de hellingen is geplooid, grillig gevormde rotsgevaarten u tegenblikken. Ziehier, bij voorbeeld, een der zonderlingste onder al deze vreemde rotsformatiën—den Thorstein, eene door de natuur gevormde poort, die u, zoo ge in de Saksische Schweiz bekend zijt, aanstonds aan den zoogenaamden Koestal denken doet. Maar wat bijna nog meer dan deze vreemde rotsgevaarten, nog meer dan de verrukkelijk schoone panorama’s, die zich telkens ontplooien, uwe aandacht trekt en uwe ziel vervult, dat is het woud, het onafzienbare dennen- en beukenwoud, dat bijna al deze bergen en valleien bekleedt. Hoe onuitsprekelijk schoon en heerlijk is het hier, in de stille lommer dezer eeuwenheugende bosschen, die u van alle zijden omringen. In onafzienbare rijen verheffen zij zich, deze schoone, krachtige pijnboomen, als slanke zuilen ten hemel stijgende, hunne donkere bladerkroon torschende, en [310]geheel de lucht vervullende met hunne welriekende geuren. Wie schildert de weelde van zulk eene wandeling, al valt het stijgen soms wat moeilijk? Wie teekent ons al de schakeeringen, al de wondervolle spelingen van licht en bruin, als de zonnestralen door het dichte looverdak dringen, langs de purperen stammen glijden en breede strepen teekenen over den rossigen, met fluweelig mos begroeiden grond? Met volle teugen ademt ge de frissche, versterkende berglucht in: en voorwaarts gaat het, met korte poozen van rust op een rotsblok of aan den zoom des wegs; voorwaarts, door en over rotsen en klippen, altijd door het heerlijke woud, hooger en hooger steeds. Ge hebt hem reeds een en andermaal gezien, den Inselsberg, stralende in het zonlicht, zijne kruin opheffende boven de groep van lagere bergen, rondom hem gelegerd. Nu hebt ge zijne helling betreden, en al hooger en hooger voert uw pad, dat al steiler wordt. Zie, hoe het geboomte rondom u krimpt en slinkt: de fiere, krachtige beuken zijn verdwenen; de slanke dennen zijn tot dwergen gekrompen; welhaast ziet ge weinig meer dan laag kreupelhout en struikgewas. Een frissche windstroom waait u tegen: nog eenige oogenblikken, en daar ziet ge, op het hooge bergvlak, de beide logementen, en vlak daarbij den top des bergs, waarop een kleine toren is gebouwd.

Zijt ge moede van den langen tocht? Dan eerst uitgerust in het groote goed ingerichte hotel Gotha, en gewacht tot vermoeienis en verhitting geweken zijn, eer ge den top en den toren beklimt. Bedenk dat ge hier op een hoogte van 2815 voet boven de zee staat; bovendien waait hier in den regel een tamelijk sterke en koude wind. Zoo ge nu uitgerust zijt en u wat door spijs en drank hebt verkwikt, maak dan van den heerlijken avond gebruik om den toren te beklimmen, en het prachtige uitzicht te genieten, dat zich hier naar alle zijden voor u uitbreidt. Want de Inselsberg, schoon op verre na niet de hoogste berg van het Thuringer-Wald, bezit toch, naar het oordeel der meeste reizigers, het schoonste en bekoorlijkste panorama. Ge overziet van het platte dak des torens niet alleen gansch Thuringen, maar ook de omliggende landstreken: in het noorden stuit uw blik tegen den Brocken, in het zuiden tegen den Kreutzberg in het Rhöngebergte. Vraag nu geene beschrijving van dit wondervolle panorama, dat daar in al zijne afwisseling van bergen en dalen en vlakten, van bosschen en velden met dorpen en steden bezaaid, eindeloos, onafzienbaar voor u ligt. Laat u ook niet storen door eene optelling van al de verschillende toppen, door een catalogus van alle steden en vlekken, wier wegsmeltende huizengroepen, wier schemerende torens ge van hier ontdekken kunt: niet in deze dorre wetenschap schuilt de betoovering van dit tafereel. Neen, zet u liever neder, en aanschouw dit matelooze landschap, waarop nu de vast ter kimmen dalende zon hare laatste stralen schiet, en waarover de avond zijn fantastischen kleurengloed heenwerpt. Aanschouw dit, en prent dit beeld in uw hart.

En wanneer ge straks, na den verkwikkenden avondmaaltijd, waarbij het u zelden aan gezelligen kout en goed gezelschap ontbreken zal, niet al te vermoeid zijt, ga dan nog eens naar buiten, en laat uwe blikken weiden over dit onmetelijk panorama, badende in het zilveren schijnsel der volle maan. Doch is u deze betooverende aanblik gegund, weet dat het u dan moeite zal kosten van dit geheel eenig, onbeschrijfelijk aangrijpend tafereel te scheiden, en niet, als buiten u zelven, door eene onwederstaanbare bekoring overmeesterd, op den bergtop te blijven staren en mijmeren, tot de oosterhemel zich kleurt met goudgeel en purper en de rozige gloed van den dageraad de bergtoppen tint.—Een zonsopgang op den Inselsberg—ja, die is schoon en heerlijk, vooral wanneer de lagere streken aanvankelijk in nevelen zijn gehuld, die allengs wijken; en ik wensch u toe, dat ge tot de bevoorrechten moogt behooren, die in hunne verwachting van een onbewolkten zonsopgang niet worden teleurgesteld. Want ook de Inselsberg heeft zijne nukken, en hult zich vaak dagen lang in wolken en donkerheid. Maar boven een zonsopgang geef ik de voorkeur aan een helderen nacht, als de volle maan langs den donkerblauwen hemel drijft, en haar fantatisch, mystisch licht over het weergalooze, onafzienbare landschap uitgiet. Van dit tooneel kunt ge u geen denkbeeld vormen; een zonsopgang daarentegen—kan die, heb ik mij zelf wel eens afgevraagd, ergens schooner zijn dan op een fraaien herfstmorgen in onze duinen?

De zon is opgegaan, en heeft de nevelen, die langs de bergtoppen dreven en in de dalen legerden, verjaagd en opgelost. Nu voort; want een lange en heerlijke tocht wacht ons.

Naarmate wij van den top des bergs afdalen, omgeeft ons weder van alle zijden het hooge prachtige woud, eerst voornamelijk dennen, straks ook breedgetakte beuken. Weldra bereiken wij de zoogenaamden Dreiherrnstein, waar de grenzen van Pruisen, Meiningen en Gotha samenloopen, en zes verschillende wegen elkander ontmoeten. Wij gaan nog steeds rechtdoor, nu eens rijzende dan dalende, en staan straks aan den voet van den Gerberstein, een der merkwaardigste rotsformatiën van het Thuringer-Wald. Eene reusachtige granietruïne: ziedaar de indruk, die deze ontzaglijke steenmassa op u maakt; als zaagt ge de bouwvallen van een of ander rotspaleis, in voorhistorische tijden door giganten of cyclopen gebouwd, zoo staan daar die zuilen van graniet, vijftig tot zestig voet hoog, of liggen, in wilde wanorde, over en op en door elkander. Uit de spleten en gaten wuiven groene beukentwijgen, en boven de dreigende rotsmassa’s wiegelt de sierlijke varen. Laat u, door het ongenaakbare voorkomen der rots, niet van eene bestijging afhouden: het gaat gemakkelijker dan gij dacht. Nu even het schilderachtige panorama genoten: een blik in het bloeiende Werrathal; op den Inselsberg, op de heerlijke, dichtbebouwde vlakte van noordelijk Thuringen, op den Brocken, die aan den verren, verren horizont flauwelijk zijne omtrekken in de lucht teekent:—dan naar beneden, langs een tamelijk steil rotspad, en voorts het koele, schaduwrijke woudpad aan uwe linkerhand in. [311]

Dalwaarts voert ons dat pad, in eene dier vredige, liefelijke valleien, waaraan Thuringen zoo rijk is. Daar opent zich het statige, heerlijke woud: midden op een open plek verrijst een steenen gedenknaald, in gedaante een gothisch torentje gelijk. Wij staan voor het Luther-Denkmal, het eenvoudige monument, op de plek opgericht, waar de hervormer, van den Rijksdag te Worms terugkeerende, den 14den Mei 1521, op last van zijn beschermer, keurvorst Frederik den Wijze van Saksen, werd opgelicht, om naar den Wartburg te worden gebracht. Luther had zich, met zijn broeder Jakob en zijn vriend Amskorff, hier in het bosch onder een beuk nedergezet, om zich aan de voorbijvlietende beek te laven, toen eene kleine gewapende benden verscheen, en hem als gevangene medevoerde. De beuk, waaronder hij gerust had, werd, op den 18den Juli 1841, door een storm ter aarde geworpen; slechts een brok van den stam bleef staan, waaruit een nieuwe twijg is ontsproten, die nu door staketsels wordt gestut.

Nadat wij hier even gerust hebben, vervolgen wij onzen weg door het liefelijke dal, en komen, na eene wandeling van bijna een uur, te Altenstein. Hier zijt ge nu weder op een der glanspunten van het Thuringer-Wald, waar ge best zoudt doen eenige dagen te vertoeven. Niet slechts is het stedeke allerschilderachtigst gelegen, maar de gansche omtrek tot het naburige druk bezochte Bad Liebenstein, is één groot park, door natuur en kunst beiden met de bekoorlijkste schoonheden kwistig getooid. Verrassende afwisseling van berg en dal, heerlijke woudpartijen, prachtige aangelegde parken en lusthoven, schoone vergezichten, en bovendien nog eene der merkwaardigste grotten van geheel Duitschland: ziedaar genoeg, om ons tot blijven te verlokken. Maar wij mogen ons hier niet ophouden. Laat ons een dier fraaie rijtuigjes nemen, die zoo uitlokkend schijnen te wachten.—Voort dan nu, even door deze verrukkelijke streek rondgereden: een blik geworpen op Liebenstein met zijn Kurhaus en al den weelderigen toestel, die tot eene badplaats in de mode behoort; maar vooral ons oog en hart verkwikt aan het wonderschoone landschap, dat ons aan alle zijden omringt. Dan even naar boven geklommen, langs een fraaien, aan heerlijke vergezichten rijken weg, naar de burgtruïne van Oud-Liebenstein, waar ons een verrukkelijk panorama wacht. En dan, weder in ons rijtuig plaats genomen, en den weg ingeslagen naar Ruhla.

Nogmaals door het woud, dat telkens nieuwe schoonheden biedt. Werp even van deze hoogte een blik in die diepe kom, waar, aan de samenvloeiing van drie dalen, het vlek Steinbach ligt; en ik laat u voorts ongestoord over aan de verkwikkende indrukken, die het heerlijke bosch op u maakt. Straks wacht u eene verrassing, die zelfs in deze aan verrassingen zoo rijke streek, al de bekoring van het geheel onverwachte voor u hebben zal. Daar ligt Ruhla—zoo iets hadt ge u niet voorgesteld, niet waar? Links en rechts verrijzen steile, ongeveer twee duizend voet hooge bergen, tot de kruin met dichte wouden bewassen, en in het smalle dal daartusschen strekt zich, in bijkans onafzienbare verte, eene enkele lange, lange straat uit: ziedaar het vlek Ruhla, dat, meer dan eenig ander in Thuringen, aan sommige zwitsersche stadjes herinnert. Ruhla is een badplaats, en tegelijk een zeer nijver stedeke, beroemd, ook ver buiten de grenzen van Duitschland niet slechts maar zelfs van Europa, door zijn meerschuimen pijpekoppen, die hier in ongeloofelijke menigte vervaardigd worden. Wij zullen hier ons rijtuig verlaten, dat naar Liebenstein terugkeert, en terwijl men ons in het fraaie Kurhaus-hotel, op de met statige linden beplante Kurplatz, het middagmaal gereed maakt, den Ringberg beklimmen, om van de hoogte van den Karel-Alexanderstoren den schilderachtigen omtrek en een groot deel van Thuringen te overzien. Een panorama wel de moeite der beklimming van den somtijds steilen berg waard.

En nu, ons aangegord voor het laatste gedeelte onzer wandeling. Naar Eisenach, waar wij nog voor den avond zullen aankomen. Al weder bergopwaarts, gelukkig meerendeels langs lommerrijke paden, waar ge menigmalen stil zult staan om een blik te werpen in het achter u zinkende dal. Grootsche bergnatuur om ons heen: rotsen en klippen en gapende afgronden, afgewisseld door grazige vlakten, met schilderachtige boomgroepen gegroepeerd. Altijd hooger, tot ge een zonderling gevormd rotsgevaarte bereikt, den Wachstein, dat dreigend boven een diepen afgrond zweeft, waaruit het dichte beukenwoud zich verheft. Zetten wij ons neder op eene dezer steenen banken. Welk een panorama wederom! Diep, aan uwe voeten, in het lommerlijke dal het dorp Mossbach, door bloeiende akkers: als een mozaïek, omgeven; en daarachter het Hörselgebergte, waar, volgens de sage, Vrouw Venus, in de onderaardsche spelonk, haar hof houdt; voorts het idyllische Hainbachsthad, begrensd door de steile rotswanden van den Hangstein; en nog verder, kenbaar te midden van vele andere bergtoppen, de Wartburg;—en geheel dit betooverend schoone landschap gevat in een lijst van verre bergen, waarboven de Brocken nog even kenbaar is.—Nu terug naar den grooten weg, en te midden van heerlijke dennen- en beukenwouden voortgewandeld naar de Hohe-Sonne, een eenvoudig jachthuis, tevens herberg, op den kam van het gebergte. Wij zullen hier even rusten en een kop koffie gebruiken; maar volg mij, eer wij verder gaan, naar gindsch prieel in den tuin, waar ge, door eene opening in het woud, eensklaps, in een verrassend perspectief, den Wartburg voor u ziet.

Opgang naar het Romeinsche huis in het park te Weimar.

Opgang naar het Romeinsche huis in het park te Weimar.

Van de Hohe-Sonne dalen wij, aanvankelijk langs een aantal in de rots gehouwen trappen, neder in het Anna-Thal. Hier zoudt ge u te midden der zwitsersche of tyroler Alpen verplaatst wanen. Ter wederzijde stijgen hooge, wonderlijk gevormde, met mos en varens en slingerplanten begroeide rotswanden omhoog, die eene zoo smalle opening tusschen zich laten, dat de kabbelende beek nauw ruimte voor haar schuimende wateren vindt, en eene over haar geslagen brug tot pad dient. Zoo eng is de kloof, dat ge op sommige punten ternauwernood door kunt gaan: waren de rotsen hooger, dan zou dit dal kunnen wedijveren met de beroemdste gorges der Alpen. Straks echter [312]verwijdt het zich; de rotswanden treden terug; heerlijke beuken overschaduwen den weg, waarlangs de nu vrijer geworden beek, vroolijk murmelend, voorthuppelt. Nog meer verbreedt zich het heerlijke dal, van karakter veranderende, zonder aan schoonheid te verliezen. Reeds hebt ge het Anna-Thal verlaten, en bevindt ge u in het Marien-Thal, met zijne schilderachtige rotspartijen en zijne reeks van prachtige villa’s en hotels, die u de nabijheid eener drukbezochte stad verkondigen. In een dezer villa’s woont de u immers welbekende Fritz Reuter, de schrijver van Olle Kamelle.—Waardige inleiding voor Eisenach, dat ge dus langs dezen heerlijken weg, zoo rijk aan schoonheden van allerlei aard, nadert. Waardige bekroning [313]ook van onze tweedaagsche voetreis, die ons enkele der uitnemendste punten van het Thuringer-Wald te aanschouwen gaf. Is het mij ook maar eenigermate gelukt, u een denkbeeld te geven van het velerlei genot dat zulk eene wandeling van Gotha over Reinhardsbrunn naar den Inselsberg, en vandaar over Altenstein, Liebenstein en Ruhla naar Eisenach, u bieden kan, dan zult ge mij gewis toestemmen, dat het Thuringer-Wald niet ten onrechte den naam draagt van “parel der duitsche bergen.”

De kamer van Luther op den Wartburg.

De kamer van Luther op den Wartburg.

En nu—welkom te Eisenach, waar voor het oogenblik u wel niets welkomer zal zijn dan een avondmaaltijd en een bed. Tot morgen alzoo!

V.

Eisenach, de tweede stad van het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach, heeft, behalve zijne verrukkelijk schoone omstreken, weinig merkwaardigs. Het is een net, vriendelijk stedeke, schilderachtig gelegen, beroemd in de sage—koning Gunther, wel bekend uit het Nibelungenlied, hield te Ysenac hof, en ontving daar den geduchten hunnenkoning Etzel [314](Attila), die zijne schoone dochter Chriemhilde huwde;—maar dat toch niet bijzonder uwe belangstelling wekken zou, ware het niet dat, in zijne onmiddellijke nabijheid, op den top van een zijner bergen, die aloude vorstelijke burgt troonde, wiens naam alleen reeds eene gansche wereld van herinneringen voor uwen geest roept, en die, vooral na de voortreffelijke restauratie, onder de vele vorstelijke burgten en sloten, niet alleen van Duitschland, maar van geheel Europa, geen wedergade vindt. De Wartburg, de kroon, de roem, het palladium van Thuringen, dat aloude bergkasteel, niet enkel in de liefelijke sage, maar ook in de geschiedenis wijdberoemd en gevierd boven menige groote stad: zoudt ge het u kunnen vergeven, Thuringen te hebben bezocht, zonder uwe schreden naar den Wartburg te hebben gericht? Derwaarts zij onze eerste gang.

Laat ons den weg door het Georgenthal nemen: het is niet de kortste, maar zeker wel de fraaiste der vele wegen, die van Eisenach naar den Wartburg voeren. Vooral wanneer ge mijn voorstel inwilligt, om het voetpad in te slaan, dat u langs den Teufelskanzel en den Hollunder brengt en u eene afwisseling van woud- en rotspartijen en heerlijke panorama’s biedt, als ge wellicht op geen ander vinden zult, zal de meerdere lengte van den weg u niet verdrieten. Mocht het stijgen u vermoeien, zet u dan even neder op die steenen bank aan den Hollunder, en geniet daar, te midden der diepe stilte en eenzaamheid van het woud, den aangrijpend romantischen aanblik van den Wartburg, hoog boven u, als een arendsnest, op de steile rotsen troonende. Zoo ge wilt, vertel ik u, terwijl ge hier toeft, in slechts enkele woorden, de geschiedenis van den burgt.

Graaf Lodewijk de Saliër, de Springer bijgenaamd, met wien wij reeds te Reinhardsbrunn kennis maakten, dwaalde, op een zijner jachttochten, over berg en dal, tot hij den top bereikte van den fieren rotskegel, waarop nu de Wartburg troont. Getroffen door de schoonheid van het landschap en het wijde vergezicht, riep hij in geestvervoering uit: “Warte Berg, du sollst mir eine Burg werden!”—De plek, waarop hij stond, was echter in het bezit van den heer van Frankenstein: maar graaf Lodewijk wist raad. Op zijn slot den Schauenburg, liet hij twee houten torens en een woonhuis timmeren, die nu op zekeren dag naar den uitverkoren berg werden overgebracht en daar opgeslagen. De Frankensteiner beklaagde zich bij den keizer over deze schending van zijn eigendomsrecht; graaf Lodewijk verweerde zich zoogoed hij kon; en als de zaak den keizer te duister werd, vorderde hij, dat Lodewijk, met twaalf zijner ridders, onder eede zou verklaren, dat hij de beide torens en het huis op zijn eigen grond en bodem had gebouwd. De Graaf, een middeleeuwsch edelman, deinsde terug voor een meineed: maar zijn vernuft liet hem ook nu niet in den steek. In allerijl liet hij des nachts eenige honderde korven, met aarde van zijn eigen erfgrond gevuld, naar den berg dragen: nu deed hij met zijne ridders, terwijl zij hunne zwaarden in dien grond staken, den eed, dat hij op eigen bodem stond. Daartegen viel niet in te brengen: en ’s keizers uitspraak wees den berg aan graaf Lodewijk toe. Welhaast verrees daar nu de burgt, die, in den loop des tijds, deels vernieuwd, deels vergroot en bijgebouwd, langer dan drie eeuwen de zetel der landgraven van Thuringen zou zijn, en gedurende dien tijd het middeleeuwsche leven, in zijn rijksten glans, in al zijne wonderbare heerlijkheid, zich binnen zijne muren zou zien ontplooien. Landgraaf Balthasar († 1406) was de laatste vorst, die op den Wartburg woonde; zijn zoon, met wien het oude geslacht ten grave zonk, bracht zijne hofhouding naar Weissensee over. Sinds dezen tijd stond de oude vorstelijke burgt eenzaam en verlaten, aan verval en vergetelheid ten prooi. Luther toefde hier, na den Rijksdag te Worms, tien maanden lang, onder den naam van Jonker George; na zijn vertrek van dit zijn “Pathmos”, scheen zich niemand over den steeds meer tot bouwval zinkenden burgt te bekommeren, tot eindelijk het zooveel gerucht makende studentenfeest van 1817 de aandacht weder op het aloude slot vestigde. Maar eerst nadat in 1847 de groothertog Karel-Alexander van Weimar het loffelijke besluit genomen had, den stamburgt der Saksische vorsten in zijne aloude heerlijkheid te herstellen, werd de Wartburg als tot een nieuw leven herboren. Het moeilijke en omvangrijke werk der restauratie werd, naar het plan en onder het oppertoezicht van den hofbouwraad Dr. Von Ritgen uit Giessen, onder leiding van den architekt Dittmar, en met medewerking van verschillende uitnemende kunstenaars, met de uiterste zorgvuldigheid ter hand genomen en voortgezet. Het nadert thans zijne voltooiing. De oude burgt vertoont zich weder, voor verreweg het grootste gedeelte, in nagenoeg dezelfde gedaante, als in de dagen van zijne bloeiende heerlijkheid. Maar het was niet enkel te doen om eene zoo getrouw mogelijke restauratie van de grijze veste: eene hoogere gedachte lag aan den arbeid ten grondslag. De Wartburg moest zóó hersteld worden, dat hij een getrouw beeld te aanschouwen gaf van het schitterende tijdvak, toen, in de twaalfde en de dertiende eeuw, Thuringens machtige landgraven hier hun prachtig hof hielden, en het slot de kampplaats was der grootste duitsche dichters in de middeleeuwen; en dan later, van het begin der zestiende eeuw, als wijkplaats van Luther, en als uitgangspunt van den grooten strijd der Hervorming. Vier groote momenten in de ontwikkelingshistorie van den germaanschen geest moesten hier, in beeld, worden veraanschouwelijkt: de romantiek der riddertijden, de epische poëzie der middeleeuwen, de katholieke mystiek, en de zegepraal van het Protestantisme. Met de uiterste zorgvuldigheid, met zeldzaam talent en degelijke, ernstige, veelomvattende geleerdheid, aan fijnen kunstsmaak gepaard, is dat groote en moeilijke werk jaren achtereen voortgezet en bijkans voltooid. De eigenlijke Hofburg staat, althans in de hoofdtrekken, weder geheel daar, zooals hij zich tijdens de regeering van landgraaf Herman I (1191 tot 1216) vertoonde; de restauratie van den Voorburg of het Ridderhuis nadert hare voltooiing. Daarmede zal het groote werk geheel zijn volbracht, en zal Thuringen mogen [315]roemen op het bezit van een monument, dat, in meer dan een opzicht, zonder wedergade is.

Sla na nog eens de blik op dien eerwaardigen burcht daar boven u, door zoovele en zoo groote herinneringen gewijd: de woning van de heilige Elisabeth en de wijkplaats van Luther! En dan onze wandeling vervolgd, tot wij den top der rots hebben bereikt, en voor de ophaalbrug staan, die toegang geeft tot den Wartburg. Wij treden over die brug en door het zware, sombere poortgebouw, en staan nu op een voorplein, aan alle zijden door gebouwen omringd, en op de achtergrond, door eene tweede poort, gemeenschap hebbende met een grooteren binnenhof, die de eigenlijke vorstelijke woning bevat. Ge ziet, hier is nog geheel de oude bouwtrant der heerlijke burchten bewaard: de voorburg, met de gebouwen voor het dienstpersoneel, het hofgezin en de gasten; en de eigenlijke hofburg, waar de heer zelf met zijne naaste omgeving woonde. Deze laatste vormt eene sterkte op zich zelve, die, ook nadat de voorburg reeds in ’s vijands handen gevallen was, nog geruimen tijd kon worden verdedigd.

Hoe ik het betreur, dat het mij niet gegund is, u door den ganschen burcht rond te voeren, om u al de schoonheden van dit zoo uitnemend merkwaardige gebouw te toonen. Het mag wederom slechts een vluchtig bezoek zijn, waartoe ik u uitnoodig; wij moeten veel overslaan, wat der bezichtiging, der bestudeering zoozeer waard zou zijn. Bepalen wij ons dan tot het voornaamste; en laat dit eerste bezoek u prikkelen tot herhaalden wederkeer. De Wartburg verdient het wel, dat ge hem ten volle leert kennen en begrijpen; en dat is bij een eerste, ja zelfs bij een tweede bezoek nog niet wel mogelijk. Wat de Duitschers zoo eigenaardig eene Wartburgstemming noemen, komt eerst langzamerhand over u: maar dan ook verstaat ge hem en krijgt ge hem lief, dien weergaloozen burgt, met zijn prachtig verleden.

Wij staan op het binnenplein, het middenpunt van den eigenlijken hofburg. Aan onze rechterhand verrijst de hooge, vierkante, geheel nieuw opgetrokken wachttoren, de Bergfried, op welks spits het gouden kruis straalt. Aan den voet van dezen toren staat de Kemenade, het vrouwenverblijf, waar de landgravinne met hare vrouwen en jonkvrouwen woonde. Ook dit gebouw is, geheel in den oorspronkelijken byzantijnschen stijl, zoogoed als geheel vernieuwd, het bevat een aantal kostbare meubelen, op den burgt zelf door den beeldhouwer Hrdina, in den stijl der twaalfde eeuw vervaardigd; voorts muurschilderingen, beeldwerken en vele andere zeldzaamheden. Gaarne zoudt ge ook het prachtige panorama willen genieten, dat zich hier vooral uit de vensters van den zoogenaamden Erker (een uitstek in den muur) in de Landgravinne-kamer, voor uwen blik ontplooit; maar de Kemenade is in den regel gesloten; en daar onze tijd ons dringt, moet ge een poging om dit heiligdom voor u te doen ontsluiten, maar tot later uitstellen.

Aan de Kemenade grenst het hoofdgebouw van den ganschen burgt, dat, zoodra ge den binnenhof betreedt, in de eerste plaats uwe aandacht trekt: het LandgravenhuisPalas, Mushaus, Hooge-huis—de residentie der thuringsche vorsten. Hier vooral heeft de begaafde kunstenaar, aan wien het groote werk der restauratie was opgedragen, al zijn talent getoond om, met gebruikmaking van hetgeen nog van de oorspronkelijke stichting was overgebleven of te onderkennen viel, een monument te stichten, dat niet enkel in de hoofdtrekken, maar ook in de bijzonderheden; getrouw het karakter draagt van den tijd, waarin het den aanschouwer verplaatsen moet. Als ge dit heerlijke paleis hebt bezocht en bestudeerd, durf ik mij vleien, dat ge al uwe, in vele gevallen maar al te gegronde, bedenkingen tegen de kunstmatige restauratie van dergelijke antieke gedenkteekenen, althans wat den Wartburg betreft, zult hebben laten varen. Wij kunnen niet alle vertrekken van dit ruime, drie verdiepingen hooge gebouw bezoeken; maar de voornaamste moogt ge toch niet voorbijgaan.

Wij gaan de steenen trap op, het met schilderwerk versierde voorvertrek door, en treden de groote, ruime zaal in, waar weleer de landgraven gehoor verleenden, gezanten ontvingen en ten gerichte zaten: de Landgravenkamer. De platte, op balken rustende zoldering wordt in het midden gedragen door eene uitnemend fraaie zuil, waarvan alleen enkele ornamenten vernieuwd zijn. Treft u niet de aanblik van dit prachtige vertrek, met zijne gebeeldhouwde meubelen in den stijl der twaalfde eeuw; met zijne statige rondboog-vensters, die zoo heerlijk een panorama omlijsten, met zijne eigenaardige dekoratie? Zie, de wanden zijn tot ruim eene manshoogte met regelmatige figuren beschilderd: bij feestelijke gelegenheden wordt dit gedeelte van den wand met tapijten bekleed; daar boven is de geheele ruimte ingenomen door zeven groote freskoschilderijen van de hand van Moritz Von Schwind, voorstellingen uit de geschiedenis der eerste landgraven. Ge waardeert toch den fijnen tact van den meester, dat hij in deze voorstellingen der legende ruimer plaatse schonk dan der strenge kritiek? Is niet deze gansche Wartburg één groot, in steen gehouwen gedicht? Schenk mij de beschrijving der schilderijen, die ons te ver voeren zou; vergun mij liever, er u op te wijzen, hoe de meester ook in dit opzicht getoond heeft, den geest des ouden tijds te begrijpen, dat het schilderwerk in deze zaal niet iets bijkomstigs is, een sieraad, dat ge evengoed overal elders zoudt kunnen aanbrengen; maar veelmeer een onmisbaar bestanddeel van het geheel, met architektuur en ornamentiek in overeenstemming, en alzoo het gansche vertrek tot één harmonisch kunstgewrocht stempelende. Zoo begrepen zij inderdaad de kunst, die meesters der “duistere, barbaarsche” middeleeuwen, op wie wij, immers met volle recht, zoo laag neerzien!

Uit de landgravenkamer treden wij in de Zangerzaal, waar, naar de legende wil, ten jare 1208, die wijdberoemde wedstrijd tusschen de zes grootste epische en lyrische dichters van het middeleeuwsche Duitschland zou gehouden zijn, waaraan ook de geheimzinnige meesterzanger en magiër Klingsor uit Hongarije deel nam. Is deze “Sängerkrieg” een feit? Wat doet er dat toe: ons resten de zangen zelven [316]dezer eerste helden der duitsche letterkunde; en dat reeds het zeer oude gedicht, waarin deze krijg geschilderd wordt, het tooneel juist op den Wartburg plaatst, bewijst het niet dat het paleis van Thuringens landgraven van oudsher eene kweekplaats was van kunst en poëzie? Hoe gaarne zouden wij hier toeven, en ons nog eens de gansche dichterlijke legende laten verhalen, waartoe de uitnemende fresko-schilderij van Schwind zoo gereede aanleiding en welkomen leiddraad geven zou! Bewonderen we slechts de prachtige, zinrijke dekoratie dezer heerlijke zaal, met haar wonderschoone Laube—een soort van tooneel, waarop de zangers stonden—uitgedost en versierd als een bloemenprieel, en dubbel aantrekkelijk door den rijkdom van dichterwoorden en spreuken, aan de werken der zangers zelf ontleend.

Treed eerbiedig voort, ge staat op heiligen grond. De Elisabeth-galerij, aldus genoemd omdat de vorstin, na het vernemen der doodsmare haars gemaals, hier machteloos nederzonk, en ook omdat de wanden der galerij met voorstellingen uit haar leven zijn versierd. Voorzeker, de geheele Wartburg is vervuld van hare herinnering: maar deze plek is toch meer bijzonder aan hare nagedachtenis gewijd. In zes groote tafereelen heeft Moritz Von Schwind de belangrijkste oogenblikken uit het leven der heilige veraanschouwelijkt; de zeven medaillons daartusschen stellen de zeven werken der barmhartigheid voor. Ik mag het u niet verhalen, het veelbewogen leven dezer engelreine lijderesse, die reeds op haar vier-en-twintigste jaar de kroon der heerlijkheid mocht beërven. Maar laten anderen die taak voor mij overnemen, en u dat heerlijke beeld teekenen, gewis een der liefelijkste en verhevenste, waarop de middeleeuwen hebben te wijzen. De heilige Elisabeth—zeker, zoo eene, worde zij met volle recht heilig genoemd; zij, ideaal van christelijken ootmoed en nederigheid, ideaal van christelijke liefde en toewijding bovenal; eene dier van God uitverkoren zielen, wier enkele verschijning aan den hemel herinnert, die als engelen des lichts voor een poos over deze duistere aarde zweven, en een spoor achterlaten, dat nog na eeuwen het harte van den moeden, worstelenden twijfelaar verkwikt. Ja, wel de heilige Elisabeth, wier naam ook door hen, die zich het recht aanmatigen de vormen te bedillen, waarin de godsvrucht dezer zoo hoog verhevene, engelreine ziel zich uitsprak, niet dan met den diepsten eerbied, met schaamte en verootmoediging, mag worden genoemd. Wat zijn wij toch, vergeleken bij deze?

Aan de Elisabeth-galerij grenst de kleine rijkversierde burgtkapel, waar Luther, tijdens zijn verblijf op den Wartburg, meermalen gepredikt heeft. Wij kunnen ons bij de beschouwing van al wat zij bezienswaardigs bevat, niet ophouden, en spoeden ons naar boven, naar de derde verdieping, die in haar geheele lengte en breedte door de monumentale Ridderzaal wordt ingenomen. Vooral hier is een meer dan vluchtig bezoek gewenscht: de gansche rijke ornamentiek dezer vorstelijke zaal heeft, tot in de kleinste bijzonderheden, een diepen symbolischen zin: zij moet zoowel de zegepraal des Christendoms over het heidendom, als, in verband daarmede, den triomf des lichts over de duisternis in elke menschenziel, veraanschouwelijken. Maar wij mogen hier niet toeven, om u de echt middeleeuwsche, rijke, veelzijdige opvatting en uitwerking dezer grootsche idee, waarbij de kunstenaar al den rijkdom zijner fantazie heeft ten toon gespreid, te toonen. Nergens misschien in den ganschen burgt, gevoelt ge u zoo zeer en volkomen in den ouden tijd verplaatst, als in deze heerlijke zaal, wier voortreffelijke restauratie in den zuiversten romaanschen stijl, alleen voldoende zou zijn om uwe ingenomenheid met deze moderne wedergeboorte van het oude monument te wettigen.

Wij zullen de zoogenaamde Dirnitz met hare wapenzaal maar onbezocht laten, en keeren door de poort naar het voorhof terug. Daar staat het Ridderhuis, waarvan de restauratie nog niet geheel voltooid is, en dat tot woning dient voor den kommandant of kastelein, zooals zijn eigenlijke titel is. In dat Ridderhuis bezoeken wij alleen een klein vertrek, op de tweede verdieping van den westelijken vleugel: de kamer van Luther, waar de hervormer tien maanden heeft gewoond, en zijne Bijbelvertaling begonnen. Het eenvoudige vertrek bevindt zich nog in dezelfden toestand, als toen Luther hier vertoefde; slechts bevat het, behalve het gewone ameublement, eenige voorwerpen, die van Luther afkomstig zijn of tot hem in betrekking staan, zooals: een tafel uit het huis zijner familie te Möhra; eene bedstede, waarin hij op het kasteel Gleichen geslapen heeft; een fraaie gothische boekenkast; een lamp, die zijn vader in de mijnen gebruikte; de portretten van Luther en van zijne ouders door Cranach, en nog eenige andere merkwaardigheden. Maar het zijn niet deze voorwerpen, die in de eerste plaats uwe aandacht trekken: bij het binnentreden dier kamer is het de gedachte aan dezen machtigen geest zelf, die u geheel vervult; en onwillekeurig denkt ge u hem, daar op die houten stoel, voor die zwaren tafel gezeten, peinzende over zijn Bijbelvertaling of een dier bezielde brieven schrijvende, die zoo krachtig van zijne voortdurende werkzaamheid, zijne deelneming aan hetgeen daarbuiten voorviel getuigden. Toch, hoezeer het hem niet aan afleiding en beweging ontbrak, moet het hem in zijne eenzaamheid meermalen bang zijn gevallen: kon en mocht hij zich verbergen, nu in de wereld aan alle zijden de beweging zich voortplantte; waartoe hij den eersten stoot gegeven had, en heftiger steeds de strijd ontbrandde, door hem verwekt? Geen wonder, dat hij het eindelijk op den Wartburg niet meer harden kon, en weder zelf op de kampplaats verscheen, om het aangevangen werk te voltooien. Het is hier niet de plaats, om over het werk van dezen man, waarover thans een zoo scherp gerichte gaat, dat in onze dagen aan zoo felle vuurproef onderworpen wordt, te spreken: voor een eindoordeel is wellicht de tijd nog niet gekomen. Maar welk ons oordeel ook moge zijn over het Protestantisme; als wereldhistorisch verschijnsel: niets behoeft ons te weerhouden onze eerbiedige hulde te betuigen aan den man, die, wel ongetwijfeld door zijn geweten gedrongen en niet om verstandelijke [317]overleggingen of kritische bezwaren, den strijd aanvaardde tegen de hoogste machten der wereld; den man, die—echt kenmerk zijner waarachtige grootheid—aan dien reusachtigen heldenmoed eene naïeveteit, eene kinderlijke eenvoudigheid, eene zoo argelooze oprechtheid paarde, die noch voor inconsequentiën, noch voor halfheden terugdeinsde, en niets wist van die tyrannie der logika, die het merk en de vloek is van kleine, zelfzuchtige geesten. Een koninklijke geest, deze Luther, een echte zoon der hooghartige, vrije, koninklijke middeleeuwen, en tevens de baanbreker voor den nieuwen tijd; een heros, [318]wiens werk niet ijdel zal zijn geweest, ook al mocht zijne hervorming in het eind eene vergissing blijken.... Ge ziet naar die zwarte vlek op den muur? Ik vertrouw dat ge te hoog staat, om met een medelijdenden glimlach de schouders op te halen, als ge verneemt dat Luther zijn inktkoker greep en dien naar het hoofd van den duivel slingerde. Laat ons eerst dezen man leeren begrijpen, eer wij over hem oordeelen; ja zelfs ware het niet kwaad, dat we eerst ons zelven in onze weinigbeduidendheid plaatsten tegenover zijn heldhaftige figuur, om ons te stemmen tot ootmoed en waardeering. Genoeg hiervan: wat deze vlek ook moge bewijzen, zeer zeker wel dit, dat er in den geest van den grooten hervormer een strijd moet hebben gewoed, van welks hevigheid en ontzaglijken ernst wij, alledaagsche menschen, ons in de verte geen denkbeeld kunnen vormen. Wij, kinderen der negentiende eeuw, weten nog maar ternauwernood wat eene overtuiging is, en verwisselen die bij de geringste aanleiding; deze man durfde eene overtuiging te hebben en te belijden, waarmede hij alleen stond tegenover de gansche wereld, alleen tegenover de duizendjarige geschiedenis van zijn volk en zijne kerk. Kunt ge u eenigszins denken wat dit zeggen wil?

Wij scheiden, hoe noode ook, van deze eenige plek, waaraan zoovele en zoo heerlijke herinneringen zich hechten, die ons, voor zoover we gemeenschap des geestes voelen met hen, die hier gewerkt en geleden, gestreden en gedacht hebben, dierbaar en gewijd is boven vele andere. De Wartburg aanschouwde de hoogste uitingen van het christelijk-germaansche leven in zijne twee hoofdrichtingen: de heilige Elisabeth en Luther; zal de eerwaardige veste ook eenmaal getuige zijn van de heeling der noodlottige breuke die deze twee gescheiden houdt, en zoo groote oorzaak is van veelvuldigen jammer, van de machteloosheid ook der tot zegepraal en heerschappij geroepen kerk van Christus? Luther en de heilige Elisabeth! zoo gansch verschillend en toch, in het wezen der zaak, aan elkander verwant, op denzelfden levensbodem staande. Of het beeld der middeleeuwsche koningsdochter, in hare roerende aantrekkelijkheid, wel eens verrezen is voor den blik van den worstelenden kluizenaar op den Wartburg? Doch, de gedachten verdringen zich in ons: wij moeten voort. Nog een laatste blik, nog een laatste groet, zij het tot wederzien!

Nu wij den Wartburg hebben gezien, heeft Eisenach niets meer, dat ons boeien kan. Nog een zeer vluchtig uitstapje wacht ons: naar Koburg.

VI.

Te Eisenach nemen wij plaats in den wagen van den spoortrein—de Werrabaan—die ons door het schilderachtige Werradal naar Koburg zal voeren. Deze spoorweg zelf, die het Thuringer-Wald doorsnijdt, is rijk aan allerlei afwisselingen: nu eens gaat het over hooge viaducts, door kloven en dalen; dan midden door de rotsen, wier loodrechte wanden ter wederzijde omhoog rijzen; dan door lange tunnels dwars door de bergen heen; straks weder door breede, welbebouwde valleien, waar welvarende dorpen en pittoreske stadjes uwe aandacht trekken. Jammer slechts, dat al deze rijke, telkens afwisselende beelden u in zoo vliegende vaart voorbij ijlen, dat ge geen tijd hebt, een enkel daarvan in uw geheugen, in uw gemoed te prenten, en in het eind u slechts verwarde, onsamenhangende indrukken bijblijven. Inderdaad, juist een rit door zoo prachtig schoon eene landstreek versterkt mij steeds meer in de overtuiging, dat spoorwegen eigenlijk alleen in de woestijn behoorden aangelegd te worden, waar aan het landschap niets te bederven valt, en de vluchtige beschouwing u niets derven doet.

Nog een laatste blik op den Wartburg, die ons, van zijne hooge rots, in kalme, rustige majesteit groet, en medelijdend schijnt neder te zien op ons ademloos voortjagen. En dan—voort. Zij gaan ons voorbij, de bergen en rotsen, de dalen en valleien, de dorpen en steden ook, die zoo dikwerf tot blijven uitnoodigen, en voor ons nu niets meer zijn dan stations, waarop we even, bij een vluchtig oponthoud, een blik werpen. Zelfs de nederige hoofdstad Meiningen, die met haar nieuwe wijken zoo statelijke vertooning maakt, en daar zoo schilderachtig ligt in haar krans van kalkbergen, wier terrassen met tuinen en boomgaarden zijn bedekt;—zelfs het hertogelijke Meiningen kan ons niet tot blijven bewegen. Voort vliegt de trein, langs Themar en Hildburghausen en het overoude Eisfeld, naar Koburg.

Koburg is de hoofd- en residentiestad van het hertogdom Saksen-Koburg, dat zich, als pépinière van vorsten, eene eigenaardige vermaardheid verworven heeft. De dynastie van Saksen-Koburg heeft op meer dan een europeeschen troon een harer leden plaats zien nemen: zij regeert in Groot-Brittannië, in België, in Portugal. Komt er ergens een troon vacant—geen zeldzaam verschijnsel in onze dagen!—dan is er ook doorgaans een prins uit het saksisch-koburgsche huis, die als kandidaat in aanmerking komt. Laat ons echter billijk zijn, en er bijvoegen, dat deze vorstelijke familie zich zoowel in haar eigen land, als in de vreemde landen, waar zij tot de regeering geroepen werd, over het algemeen, zeer gunstig heeft onderscheiden.

Hare residentiestad is weder eene dier half-landelijke aangename, behagelijke, kleine duitsche steden, die voor iederen beminnaar van de natuur en van de kalme studie zooveel aantrekkelijks hebben; zoo rustig en zoo stil, en toch aan de tegenwoordigheid van het hof zekere levendigheid en veelzijdigheid dankende, die het bekrompene kleinsteedsche wegneemt. Het is niet te zeggen, hoeveel Duitschland, hoeveel de wetenschap en de kunst, juist aan deze kleine steden te danken hebben; hoe gunstig deze verspreiding, deze verbrokkeling zoo ge wilt, van krachten op de ontwikkeling van den duitschen geest gewerkt heeft; hoeveel wij te danken hebben aan de zelfstandigheid, de eigen werkzaamheid en het eigen leven van al deze middelpunten der gedachte, door het gansche groote vaderland verspreid. Zal dit voortaan alles anders worden? Zal ook in Duitschland zich een middelpunt vormen, waarin zich langzamerhand alle leven samentrekt, [319]waarin het gansche land als verzwolgen wordt, alzoo dat de verschillende deelen, afgesneden van dit hoofd, machteloos en levenloos zijn? Zal Berlijn worden, wat—in menig opzicht Frankrijk ten vloek—Parijs geworden is? Zal ook de edele, hoog-begaafde duitsche geest zich van zijn eigenlijke bestemming laten afleiden, zijn heerlijk geestelijk ideaal vergeten, om het toch altijd bloot materiëele feit eener uitwendige, mechanische eenheid te verwezenlijken? Om de heerschappij in het rijk des geestes en der gedachte te laten varen voor de overmacht op stoffelijk gebied, voor politieken invloed en militaire heerschappij? Wat al vragen! Maar die toch van zelve oprijzen, bij wien op de teekenen der tijden let, en, ook met den besten wil, ook met de hartelijkste sympathie, niet enkel juichensstof vinden kan in wat met zoo groote geestdrift wordt opgehemeld en verheerlijkt. Dit jagen naar uitwendige eenheid—heeft het niet zijne zeer bedenkelijke zijde, en belooft het inderdaad zoo rijke vruchten af te werpen voor de hoogere ontwikkeling des geestes? Ja, is dat streven niet op zichzelf wellicht een teeken van afnemende levenskracht, van ouderdom en verval? Bij jeugdige volken zijn ook de kleinste deelen krachtig genoeg om op zichzelf te staan, en een eigen leven te leiden, dat voorwaar niet arm aan daden is. Dat nieuwe duitsche rijk, op de slagvelden geboren en met zoo schitterende militaire glorie omstraald, vertoont het geen trekken, die twijfel en bezorgdheid wekken bij ieder, wien het om den waarachtigen vooruitgang, om de waarachtige vrijheid en de hoogere zedelijke belangen der menschheid te doen is? Herkent ge in dat trotsche keizersbeeld niet de trekken van het moderne Cesarisme met zijne bedenkelijkste eigenschappen: staatsalmacht en militaire heerschappij? Voorwaar, voorwaar, daar is niet enkel juichensstof; daar is reden tot ernstige bekommering. Wij, die Duitschland liefhebben, die zijne zegepralen van harte hebben toegejuicht,—wij mogen wel vurig bidden, dat dit edele, hoogbegaafde, goede volk bewaard blijve voor den val in den afgrond, die zich onmiskenbaar voor zijne voeten opent, maar die het, in de bedwelming der overwinningen, niet schijnt te zien. Dat ware te wreed eene wrake, indien de kanker, die Frankrijk ten verderve voerde, door de zegepraal zelf op Duitschland werd overgeplant! Daar is in het duitsche volk nog een krachtige kern van eigen gezond leven, van vrijheidsliefde en zelfstandigheid: geve God, dat deze goede eigenschappen, ontwakende, en zich met allen ernst doende gelden, den demon mogen overwinnen, die thans gansch Duitschland bedreigt, den demon van het staatsabsolutisme, die onlijdelijkste van alle tyrannieën. Zoo niet, dan zou de dag van zijn militaire zegepraal voor Duitschland de aanvang worden van zijn geestelijken ondergang.

Wij zijn, dus peinzende, Koburg ingetreden. De vriendelijke stad heeft weinig bezienswaardigs. Wij brengen een groet aan het bronzen standbeeld van Prins Albert, den broeder van den regeerenden hertog; en bewonderen, op het fraaie slotplein, den smaakvollen, in half romaanschen, half gothischen stijl ontworpen voorgevel van het hertogelijke residentieslot. Doch wie Koburg bezoekt, wordt in de eerste plaats daarheen gelokt door de heerlijk schoone omstreken. En onder de schoonheden der omgeving verdient wel bovenal genoemd te worden de aloude, uitgestrekte burgt, de veste Koburg, die zich op haar rotsigen berg ruim vijfhonderd voet boven de stad verheft, en met haar drievoudige ringmuren, haar terrassen, torens en bolwerken, een inderdaad ontzagwekkenden indruk maakt. Wij willen den alouden, in den laatsten tijd weder gerestaureerden burgt bezoeken, niet zoozeer om de verzamelingen van wapenen, rijtuigen, munten, gravures en handschriften te bezichtigen, die hier bewaard worden, noch om het kabinet van natuurlijke historie, noch zelfs om de vorstelijke gebouwen met hunne kunstwerken en andere merkwaardigheden: maar om het heerlijk panorama te genieten, dat zich bij eene wandeling langs de bolwerken van de uitgestrekte vesting voor onze blikken ontvouwen zal. Zuidwaarts dwaalt ons oog over het rijke, schilderachtig geschakeerde heuvelland tot aan de bergen, die den loop van de Main teekenen; noordwaarts stuit onze blik tegen de bergreeks van het Thuringer-Wald, dat zich in zijne volle lengte voor ons uitstrekt. Wel, laat ons een laatsten blik werpen op dat schoone gebergte, dat zijne golvende lijnen, zoo stout en zoo bevallig tevens, in de blauwe lucht teekent, en dat wij van deze hoogte voor het laatst aanschouwen. Het Thuringer-Wald—wij hebben het niet meer dan vluchtig bezocht, slechts even zijne vele schoonheden als met den vinger aangeduid; maar volkomen zouden wij ons doel bereikt, onzen wensch vervuld achten, indien het ons gegeven ware, de herinnering van gesmaakte weelde, van onvergetelijk schoone dagen bij u weder in het leven te roepen, of wel het besluit tot rijpheid te brengen, door eigen aanschouwing u schadeloos te stellen voor de onvolkomenheid onzer teekening.

Bijschrift bij de platen.

Het slot te Heidelberg. Reeds vroeger (Aarde, jaargang 1869, bladz. 146 en volg.) gaven wij onzen lezers eene korte beschrijving van dit beroemde slot. Wij mogen thans volstaan met de verwijzing naar deze schets, tot toelichting ook van de fraaie plaat op bladz. 317, die u den hoofdingang van het kasteel te aanschouwen geeft. Is de zoo schoon gerestaureerde Wartburg een geheel eenig monument onder de vorstelijke burgten in Duitschland: het slot te Heidelberg, niet zonder recht de duitsche Alhambra genoemd, kent evenmin hare wedergade onder de burgtruïnen waaraan het vaderland onzer oostelijke naburen toch zoo overrijk is. En niet minder dan Eisenach aan den Wartburg, dankt Heidelberg voor een goed deel zijne beroemdheid aan zijn slot.

Gezicht in het slot te Heidelberg. (Zie bladz. 319).

Gezicht in het slot te Heidelberg. (Zie bladz. 319).

[320]

Nabij de oude poolsche hoofdstad Krakau, die als vrije stad nog het langst de herinnering aan het aloude rijk heeft bewaard, verrijst op een heuvel het eenvoudige gedenkteeken voor Thaddeus Kosciuszko, den laatsten veldheer, den laatsten verdediger van Polen. Eene edele, belangwekkende figuur, deze Kosciuszko, in wien al de schitterende, ridderlijke eigenschappen van zijn nobel, maar door eigen roekeloosheid en tuchteloosheid zoo ongelukkig volk waren saamgevat. Met onbezweken heldenmoed heeft hij gekampt om, ware het nog mogelijk geweest, zijn zinkend vaderland van het verderf te redden; en toen hij, met wonden bedekt, op het slagveld van Maciejowice nederzonk, was zijn uitroep Fins Poloniae! wel inderdaad de stervenskreet van het rampzalige, toch eenmaal zoo machtige en roemrijke land. Maar niet minder groot toonde Kosciuszko zich hierin dat hij, getrouw aan zijn woord, bij zijne vrijlating den keizer van Rusland gegeven, nimmer medeplichtig is geworden aan eenigen aanslag, hetzij in het openbaar, hetzij in het geheim tegen den overwinnaar van Polen beproefd, al hield hij niet op, zijn invloed aan te wenden om het lot van zijn volk zooveel mogelijk te verzachten. Hij stierf, tengevolge van een val met zijn paard in een afgrond nabij Vevay, den 15den October 1817. In het volgende jaar werd zijn lijk, op kosten van keizer Alexander, van Solothurn naar Krakau gevoerd, en daar in de domkerk bijgezet.

Het monument van Kosciuszko bij Krakau.

Het monument van Kosciuszko bij Krakau.

Het gedenkteeken, door vrijwillige bijdragen van alle standen en rangen der poolsche natie, door eene aanzienlijke gave ook van keizer Alexander, voor den held opgericht, is een eenvoudige, kunstmatige heuvel, met bloemen en plantsoen en met zijn voortreffelijk borstbeeld versierd. Van den top der hoogte, waarop deze heuvel verrijst, heeft men een prachtig panorama over de stad Krakau en de oevers van den kronkelenden Weichel. De plek is eene geliefkoosde wandeling voor de burgers der stad.