The Project Gutenberg eBook of De Zuidster, het land der diamanten

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De Zuidster, het land der diamanten

Author: Jules Verne

Release date: January 23, 2006 [eBook #17580]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZUIDSTER, HET LAND DER DIAMANTEN ***



Jules Verne

De Zuidster

Het land der diamanten

Amsterdam
Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”
1920

Gedrukt bij N.V. Drukkerij Schilt—Utrecht

[1]

Eerste hoofdstuk.

Dolle kerels, die Franschen!

“Spreek, mijnheer, ik luister.”

“Mijnheer, ik heb de eer de hand van miss Watkins, uw dochter, te vragen.”

“De hand mijner Alice?....”

“Ja, mijnheer. Mijn aanzoek schijnt u te verrassen. Is het niet? Toch moet gij mij ten goede houden, dat ik niet recht begrijp, waardoor dat aanzoek u zoo buitengewoon voorkomt. Ik ben zes en twintig jaren oud. Ik heet Cyprianus Méré. Ik ben mijn-ingenieur en heb als numero twee bij den algemeenen wedstrijd de Polytechnische school verlaten. Mijne familie is wel is waar niet rijk, maar zij is geacht en geëerd. De consul van Frankrijk aan de Kaap de Goede Hoop zal u zulks kunnen getuigen, wanneer gij dat zult verlangen, en mijn vriend Pharamond Barthès, de stoutmoedige jager, dien gij evenals iedereen in Grikwaland kent, zou u hetzelfde kunnen getuigen. Ik ben hier in naam van het Fransche Gouvernement door de Académie des Sciences tot het verrichten van wetenschappelijke onderzoekingen gezonden. Verleden jaar heb ik in het Instituut den prijs Houdard voor mijne verhandelingen over de scheikundige samenstelling der vulkanische rotsen van Auvergne behaald. Mijne verhandeling over het diamanthoudend bekken der Vaalrivier, die ik bijna voltooid heb, kan niet anders dan goed ontvangen worden door de geleerden en de wetenschappelijke lieden. Als ik van mijne zending teruggekeerd zal zijn, word ik benoemd tot hulp-professor bij de mijnenschool te Parijs, en ik heb reeds last gegeven vertrekken voor mij te huren in de Universiteitsstraat No. 104 op de derde verdieping. Mijne bezoldiging bereikt met aanstaanden Nieuwjaarsdag, de som van vier duizend acht honderd francs. Dat is het inkomen van Rothschild niet, dat weet ik wel; maar de opbrengst mijner particuliere werkzaamheden, mijner onderzoekingen, academische prijzen, medewerking aan verscheidene tijdschriften, veroorlooft dat ik op een dubbel inkomen mag rekenen. Ik voeg er bij dat, daar mijne behoeften eenvoudig en bescheiden zijn, ik niet meer noodig heb om mij gelukkig te gevoelen. Dus nogmaals, mijnheer, ik heb de eer u de hand van miss Watkins, uwe dochter te vragen.”

Door den flinken en vastbesloten toon van die kleine toespraak, gaf Cyprianus Méré voldoende den toetssteen aan, dat hij de gewoonte had in alle zaken, zelfs in de meest intieme, recht op zijn doel af te gaan en vrij uit te spreken.

Zijne gelaatstrekken daarenboven logenstraften den indruk niet, door zijne taal voortgebracht. Hij had het uiterlijk van een jongmensch, dat zich gewoonlijk met de hoogste wetenschappelijke scheppingen bezig hield en slechts den minst mogelijken tijd aan ’s werelds ijdelheden afstond.

Zijn kastanjekleurig haar, dat hij kort als een borstel geknipt droeg, zijn blonde baard, die bijna met de huidsoppervlakte gelijk geschoren was, de eenvoud van zijn grijs linnen reiskostuum de tienstuivershoed van stroo, dien hij, wel opgevoed als hij was, bij het binnentreden op een stoel had neergelegd, hoewel de persoon tot wien hij sprak, met de gewone slordige onachtzaamheid aan het Angelsaksische ras eigen, met gedekten hoofde was gebleven,—dat alles toonde aan, dat Cyprianus Méré een ernstigen geest bezat niet alleen, maar ook een rustig geweten en een rein hart, dat in zijn kristalhelderen blik zich afspiegelde.

Er moet nog bijgevoegd worden, dat die jeugdige Franschman zoo volmaakt zuiver Engelsch sprak, alsof hij in de meest Engelsche graafschappen van het Vereenigd Koninkrijk langen tijd verblijf gehouden had.

Mr. Watkins hoorde hem aan, terwijl hij zijn lange pijp rookte en in een houten leuningstoel gezeten was, waarbij hij het linkerbeen op een rieten voetenbankje uitgestrekt had, en met den elleboog geleund was op eene tafel, waarop een kruik gin stond, waarbij [2] een glas, half met dien alcoholischen drank gevuld.

Die persoon was gekleed met een witten pantalon, een blauw jasje van grof linnen, een hemd van een geelachtig flanel, evenwel zonder vest of das. Onder den onmetelijken vilten hoed, die op zijn grijs hoofd geplakt of geschroefd scheen, rondde een rood en opgeblazen gezicht, dat waarachtig had kunnen vergeleken worden bij een poppenkop, die met bessenstroop ingesmeerd was. Dat weinig innemende gelaat, dat hier en daar met stukjes baard bezaaid was, van die kleur, welke men gewoonlijk melkboeren-hondenhaar noemt, was versierd met kleine grijze oogen, die er met een centerboor ingeboord schenen en niet veel geduld of goedheid des harten aanduidden.

Ter verschooning van Mr. Watkins dienen wij er dadelijk bij te voegen, dat hij vreeselijk aan het pootje sukkelde, waarom hij genoodzaakt was zijn linkervoet steeds omzwachteld te houden. Nu is het pootje eene ziekte, die evenmin aan de zuidelijke spits van Afrika als overal elders geschikt is, om de gemoedsstemming der lieden, aan wier gewrichten zij knaagt, te verzachten.

Het tooneel viel voor op de gelijkvloers-verdieping van de pachthoeve van Mr. Watkins, die zoo wat gelegen was op den 20sten breedtegraad ten zuiden van de Evennachtslijn en op den 22sten oosterlengte van Parijs op de westelijke grens van den Oranje-Vrijstaat, ten noorden van de Britsche Kaap-Kolonie, te midden van Zuid-Afrika, dat eene gemengde Engelsch-Hollandsche bevolking bezit. Dat land, hetwelk door den rechter oever van de Oranjerivier begrensd wordt, bevindt zich aan de zuidelijke uiteinden van de groote woestijn van Kalahari, welke op sommige ouderwetsche landkaarten den naam van Grikwaland voert, en wordt thans met veel meer recht sedert ruim tien jaren het “Diamonds-Field”, het Diamantenveld, geheeten.

De spreekkamer, waarin deze diplomatische samenkomst plaats had, was waarachtig opmerkenswaardig, zoowel door de minder gepaste weelderigheid van eenige meubelstukken als door de betrekkelijke armoede van de overige bijzonderheden van dit binnenvertrek. De vloer bijvoorbeeld bestond doodeenvoudig uit vast aangestampte aarde, die hier en daar door dikke tapijten en kostbaar pelswerk bedekt was. Aan de muren, die nimmer met eenig behangselpapier geprijkt hadden, was een zeer fraaie pendule in gedreven koper opgehangen, alsook prachtwapens van verschillenden oorsprong, en Engelsche kladprenten, die door overrijke lijsten omgeven waren. Een fluweelen sofa prijkte naast eene tafel van wit hout, die ter nauwernood in eene fatsoenlijke keuken te huis zou behoord hebben. Er stonden leuningstoelen, rechtstreeks uit Europa aangevoerd, die hunne armen te vergeefs naar Mr. Watkins schenen uit te strekken, want deze verkoos steeds op een ouden stoel plaats te nemen, dien hij vroeger met eigen hand lomp en onbehouwen gefatsoeneerd had. Over het algemeen genomen, gaven de voorwerpen van waarde, alsook de achteloosheid waarmede de panterhuiden, luipaardshuiden, giraffe- en tijgerhuiden op den vloer alsook op al de meubelen geworpen waren, aan dit vertrek het uitzicht van barbaarsche welgesteldheid.

Uit de bouworde van het plafond was het duidelijk, dat het huis geen bovenverdieping bezat en slechts uit een reeks vertrekken gelijkvloers bestond. Die woning was, evenals alle andere daar te lande, gedeeltelijk van kleiaarde opgetrokken. Zij was gedekt met bladen van geribd zink, die op een zeer lichten dakstoel aangebracht waren.

Men kon ook zien, dat de bouw van die woning nauwelijks geëindigd was. Want inderdaad, men behoefde zich slechts buiten het venster te buigen, om rechts en links vijf of zes verlaten gebouwen te bemerken, allen van denzelfden bouwtrant maar van verschillende ouderdom, die zich in den meest gevorderden staat van verval bevonden. Dat waren allen huizen, die Mr. Watkins opvolgend gebouwd, bewoond en verlaten had naar mate zijn vermogen toenam, waarvan die woningen derhalve alshetware den stijgenden trap aangaven.

De meest verwijderde was eenvoudig uit plakzoden vervaardigd, en mocht op geen anderen naam dan op dien van hut aanspraak maken. De volgende was uit kleiaarde opgetrokken; de derde uit aarde en planken; de vierde uit kleiaarde en zink. De lezer ziet uit welke [3] toonladder de kunststukken van de nijverheid van Mr. Watkins bestonden en tot welke hoogte hij zich had weten te verheffen. Al die gebouwen, die zich in min of meer ontredderden toestand bevonden, verrezen op een bergje, dat gelegen was bij de samenvloeiing van de Vaal- met de Modderrivier, de twee voornaamste cijnsplichtige wateren van de Oranjerivier in dit gedeelte van Zuid-Afrika. Rondom strekte zich, zoover de blik naar het Zuid-westen en het noorden kon reiken, eene kale en droefgeestige vlakte uit. Het Veld—zooals die vlakte daar te lande genoemd werd—bestond uit een roodachtigen, drogen, onvruchtbaren en stofferigen grond, die hier en daar slechts eenig spaarzaam voorkomend kruid en eenige doornachtige struiken vertoonde. Het totale gemis van boomen is het eigenaardig kenmerk van deze naargeestige landstreek. Als daarbij in aanmerking genomen wordt, dat er ook geen steenkolen aangetroffen worden, en dat de gemeenschapsmiddelen met de zee zeer moeilijk en derhalve niet van de vlugste zijn, dan zal het niemand verwonderen, dat de brandstoffen er ontbreken en dat men er toe moet overgaan, de gedroogde uitwerpselen van de kudden runderen voor de huiselijke benoodigdheden te gebruiken.

Op dien eentonigen bodem, die er werkelijk erbarmelijk uitziet, wordt men den loop der beide rivieren gewaar, die evenwel zoo weinig ingesneden zijn en welker oevers zich zoo weinig boven den waterspiegel verheffen, dat men moeilijk kan begrijpen, waarom zij binnen hare bedding blijven en niet over de geheele vlakte stroomen.

De gezichteinder is alleen naar dien kant van het oosten verbroken door de ver verwijderde kamvormige verhevenheden van twee bergen: den Platberg en den Paardenberg, aan welker voet een scherp oog rookzuilen, stofwolken en witte puntjes kan ontwaren, welke laatsten hutten of tenten zijn, en rondom een gewriemel van levende wezens.

Het is daar in dat Veld, dat de diamant-placers, die in volle ontginning zijn, aangetroffen worden. Daar ligt Du Toit’s Pan, de New Rush, en de rijkste van allen misschien, genaamd het Vandergaarts Kopje. Die onoverdekte mijnen, welke bijna met de oppervlakte van den bodem gelijk liggen, worden met den algemeenen naam van “dry diggings” of droge mijnen bestempeld en hebben sedert het jaar 1870 voor eene waarde van vier honderd millioen aan diamanten en andere kostbare steenen opgeleverd. Die mijnen liggen vereenigd in eene streek, welker omtrek ten naastenbij twee of drie kilometers bedraagt. Men kon ze zeer goed met een kijker van uit de vensters der pachthoeve Watkins waarnemen, die er slechts vier Engelsche mijlen1 van verwijderd lag.

De naam van pachthoeve, zij hier ter loops gezegd, is eene zeer oneigenlijke uitdrukking voor een gebouw van deze soort; want het was onmogelijk, ook maar een spoor van plantenkweeking in den omtrek te bespeuren. Mr. Watkins was, evenals alle andere zoogenaamde pachters in dit gedeelte van Zuid-Afrika, eerder een herdersbaas, een veefokker, een eigenaar van kudden runderen, geiten en schapen te noemen dan de bestuurder eener landbouwonderneming.

Mr. Watkins had intusschen nog niet geantwoord op het verzoek, dat door Cyprianus Méré zoo beleefd, maar ook zoo duidelijk mogelijk uitgesproken was. Na eenige minuten gebezigd te hebben om na te denken, ging hij eindelijk er toe over, om zijn pijp uit den mond te nemen, en uitte hij de volgende meening, die blijkbaar slechts eene verwijderde betrekking met het tegenwoordig vraagstuk had:

“Ik geloof dat er verandering van weer op til is, waarde heer. Nooit heeft mijn podagra mij zoo doen lijden als hedenmorgen !”

De jeugdige ingenieur fronste de wenkbrauwen, boog een oogenblik het hoofd ter zijde en moest zich geweld aandoen om niets van zijne teleurstelling te doen blijken.

“Gij zoudt wellicht in uw belang handelen, wanneer gij den gin liet, mijnheer Watkins,” antwoordde hij, terwijl hij met een gebaar op de aarden kruik wees, die door een vlijtig aanspreken van wege den dronkaard voor meer dan drie kwart geledigd was.

“Den gin laten! Bij God! dat is een kostelijke ui.” riep de pachter uit. “Heeft de gin ooit kwaad aan een braven kerel berokkend?.... Ja, ik [4] weet wel wat gij wilt zeggen!.... Gij wilt mij dat recept opdreunen, hetwelk een geneesheer voorschreef aan een lord-mayor die het pootje had!.... Hoe heette die dokter ook weer?.... Abernethy, geloof ik!.... Wilt gij gezond zijn en blijven? vroeg hij aan zijn patient; leef dan van een shilling daags en verdien dien met persoonlijken arbeid! Dat is fraai en goed geleuterd! Maar ik vraag het u bij al wat heilig is, wanneer men om gezond te zijn van de waarde van een shilling leven moest, waartoe zou het dan dienen een vermogen te verwerven? Dat zijn zotte leuterpraatjes, mijnheer Méré, die iemand van uw verstand geheel onwaardig zijn!.... Dus praat daar niet meer over, wat ik u bidden mag!.... Wat mij betreft, ik zou liever begraven willen zijn!.... Goed eten, goed drinken, een lekkere pijp tabak en dat alles wanneer ik zulks wensch, dan verlang ik niets meer ter wereld !.... En gij zoudt willen dat ik daar afstand van deed?”....

“Wat mij betreft, ik ben er niet op gesteld!” antwoordde Cyprianus openhartig. “Ik heb u slechts een gezondheids-voorschrift in herinnering willen brengen, dat ik voor juist beschouw. Maar laten wij dat onderwerp laten varen als het u onaangenaam is, mijnheer Watkins, en tot het voornaamste doel van mijn bezoek terugkeeren.”

Mr. Watkins, die straks zoo babbelachtig mogelijk was, verschool zich weer in zijne stilzwijgendheid en blies zonder een woord te spreken kleine rookwolkjes uit.

De deur ging in dit oogenblik open, en een jong meisje trad binnen, dat een blaadje droeg waarop een glas stond.

Dit mooie kind, dat, getooid met de groote muts, welke de pachteressen op het veld steeds dragen, bekoorlijk mocht heeten, was eenvoudig met een japon van gebloemd linnen gekleed. Zij was negentien of twintig jaren oud, had eene zeer witte tint van huid, daarbij een fraaien blonden en fijnen haardos, groote blauwe oogen, een zachtzinnig en prettig uiterlijk, en leverde zoo een beeld van gezondheid, bevalligheid en goede luim.

“Goeden dag, mijnheer Méré,” zeide zij in het Fransch, evenwel met een lichten Britschen tongval.

“Goeden dag, juffrouw Alice,” antwoordde Cyprianus Méré, die bij de binnenkomst van het meisje opgestaan was en voor haar boog.

“Ik heb u zien aankomen, mijnheer Méré,” hernam miss Watkins, bevallig glimlachend waardoor hare fraaie tanden zichtbaar werden, “en daar ik weet, dat gij den afschuwelijken gin van mijn vader niet lust, breng ik oranjewater, en hoop, dat gij dat heerlijk frisch zult vinden.”

“Dat is allerliefst van u, juffrouw !”

“Maar ter zake; gij zult nimmer raden wat Dada, mijn struisvogel, dezen morgen heeft ingeslikt,” ging zij zonder verdere plichtpleging voort. “Mijn ivoren maasbal!.... Ja, waarlijk, mijn ivoren maasbal!.... Die bal is nogal van omvang; gij kent hem wel, mijnheer Méré, ik ontving hem rechtstreeks van het billard van New-Rush!.... Welnu die slokop van een Dada heeft hem ingeslikt, alsof het een pil ware!.... Waarlijk, dat boosaardige dier zal mij vroeg of laat den dood nog aandoen.”

In het oog van miss Watkins blonk, terwijl zij dit verhaalde, een vroolijke straal, die niet veel uitzicht opende op de verwezenlijking van die naargeestige voorspelling, zelfs in langen tijd niet. Maar plotseling, met de fijngevoeligheid der vrouwen zoo eigen, merkte zij de stilzwijgendheid, die door haren vader en den jeugdigen ingenieur betracht werd, alsook hun verlegen voorkomen in hare tegenwoordigheid.

“Het is alsof ik de heeren stoor!” zeide zij. “Nu, zeg het maar, als gij geheimen hebt, die ik niet hooren mag, dan zal ik heengaan!.... Ik heb daarenboven niet veel tijd te verliezen. Ik moet mijn sonate studeeren, voordat ik voor het middagmaal kan zorgen!.... Kom, ik ga.... gij zijt heden niets gezellig, mijne heeren!.... Ik laat u dus op uw gemak samenzweren!”

Zij was reeds buiten, maar kwam toch weer terug, en zeide toen met bevallige maar toch hoogst ernstige stembuiging

“Mijnheer Méré, als gij mij over de zuurstof wilt ondervragen, dan ben ik gereed. Ik heb reeds driemaal het betrekkelijk hoofdstuk in de handleiding der scheikunde, die gij mij geleend hebt, gelezen, zoodat “dat gasvormig, kleurloos, reuk- en smaakloos lichaam” hoegenaamd geen geheim meer voor mij [5] is!”

Daarop maakte miss Watkins eene bevallige buiging en verdween als een ijl luchtverschijnsel. Een oogenblik later weerklonken de akkoorden van een uitmuntende piano in een der vertrekken die het meest verwijderd van de spreekkamer gelegen waren, en verkondigden dat het jonge meisje geheel en al in hare muzikale oefeningen verdiept was.

“Welnu, mijnheer Watkins,” hernam Cyprianus, wien de liefelijke verschijning zijn aanzoek in het geheugen teruggeroepen zou hebben, wanneer hij in staat zoude geweest zijn dat te vergeten. “Welnu, mijnheer Watkins, zult gij mij een antwoord op de vraag verleenen, die ik de eer had tot u te richten?”

Mr. Watkins nam zijn pijp uit den mond, spoog met eene poging van voornaamheid op den grond, hief het hoofd op en vroeg terwijl hij een scherpen doordringenden blik op den jonkman wierp:

“Mijnheer Méré, hebt gij haar wellicht daarover gesproken reeds?”

“Waarover gesproken?.... Tot wie?”

“Wel wat gij straks zeidet.... tot mijne dochter?”

“Voor wien ziet gij mij aan, mijnheer Watkins?” hernam de jeugdige ingeneur met eene hartstochtelijkheid, die geen twijfel omtrent zijne oprechtheid toeliet. “Ik ben Franschman, mijnheer!..... Vergeet dat niet!.... Dat wil zeggen, dat ik nimmer veroorloofd zou hebben met mejuffrouw uwe dochter over een huwelijk te spreken, zonder toestemming verworven te hebben!”

De blik van Mr. Watkins had zijne scherpte verloren, maar daarentegen raakte thans zijne tong los.

“Dat ’s uitstekend!.... Beste jongen! Ik verwachtte niets minder van uwe bescheidenheid ten opzichte van Alice!” antwoordde hij op bijna hartelijken toon. “Welnu, vermits ik vertrouwen in u kan stellen, zoo zult gij mij uw woord geven, dat gij haar ook in de toekomst daarover niet zult spreken!”

“Wat? ook niet in de toekomst? Wat beduidt dat, mijnheer?”

“Wel, eenvoudig dat dit huwelijk onmogelijk is en dat het ’t beste zal zijn, de hoop daarop in uwe papieren maar door te schrappen!” hernam Mr. Watkins. “Mijnheer Méré, gij zijt een eerlijk jongmensch, een volmaakt gentleman, een uitmuntend scheikundige, een uitstekend professor, die eene groote toekomst voor zich heeft—daaraan twijfel ik niet; maar gij zult mijne dochter niet hebben, om de eenvoudige reden, dat ik andere plannen voor haar ontworpen heb.”

“Maar, mijnheer Watkins!....”

“Dring niet verder aan!.... het zou overbodig zijn!....” hernam de pachter. “Al waart gij hertog en pair van Engeland, dan nog zoudt gij mij niet bevallen!.... Man, gij zijt zelfs geen Engelsch onderdaan, en gij hebt mij met de meeste openhaartigheid medegedeeld, dat gij hoegenaamd geen vermogen hebt. Kom, alle gekheid ter zijde, gelooft gij ernstig, dat ik Alice opgevoed en haar de beste meesters van Victoria en van Bloemfontein gegeven heb, zooals ik heb gedaan, om haar, zoodra zij twintig jaren oud zoude zijn, af te staan, ten einde te Parijs in de Universiteitsstraat op de derde verdieping te gaan leven met een mijnheer, dien ik niet ken en wiens taal ik zelfs niet versta?.... Denk toch na, mijnheer Méré, en stel u in mijne plaats!.... Vooronderstel, dat jij de pachter John Watkins zijt, de eigenaar van de Vandergaart-Kopjesmijn, en dat ik mijnheer Cyprianus Méré ben, een jeugdig Fransch geleerde, wien men eene zending aan de Kaap heeft opgedragen.... Vooronderstel, dat gij hier in deze spreekkamer in dezen leuningstoel zit, terwijl gij uw glaasje gin slurpt en uwe pijp Hamburgsche tabak rookt; kunt gij u dan ook maar een oogenblik voorstellen.... voorstellen éen enkel oogenblik slechts.... dat gij mij uwe dochter ten huwelijk zoudt schenken?”

“Voorzeker, mijnheer Watkins,” antwoordde Cyprianus “en nog wel zonder eenige aarzeling, wanneer ik in u zou ontdekken de hoedanigheden, die haar geluk moeten verzekeren!”

“Welnu, dan zoudt gij verkeerd handelen, mijn waarde heer, zeer verkeerd!” hernam Mr. Watkins. “Gij zoudt dan handelen als een man, die niet waard was de Vandergaarts Kopjesmijn te bezitten, of beter gesproken, gij zoudt haar dan niet bezitten. Want, wel beschouwd, denkt gij dat die mijn mij uit de wolken in de hand is komen vallen? Gelooft gij, dat ik noch beleid, noch geestkracht, noch bedrijvigheid [6] heb moeten ontwikkelen om haar op te sporen, maar vooral om mij den eigendom er van te verzekeren?.... Welnu, mijnheer Méré, dat beleid, dat ik in die gedenkwaardige en beslissende oogenblikken heb getoond te bezitten, dat beleid zit bij al de daden mijns levens voor, en bovenal bij al mijne daden, die betrekking op de toekomst mijner dochter hebben!.... Daarom herhaal ik: schrap de hoop op een huwelijk met Alice in uwe papieren door!.... Alice is niet voor u bestemd!”

En bij die afdoende uitspraak greep Mr. Watkins zijn glas en ledigde het in één teug.

De jonge ingenieur, geheel ter neergeslagen, scheen niet te kunnen antwoorden. Toen de ander dat zag, ging hij min of meer sarrend voort:

“Gij Franschen zijt verwonderlijke kerels. Gij staat voor niets en twijfelt aan niets, op mijn woord. Wat! gij komt hier zoo onverwachts uit het binnenste van Grikwaland aan, alsof gij uit de maan gevallen waart; gij ontmoet een eenvoudig man, die nooit uwen naam gehoord heeft, die drie maanden geleden nooit over u heeft hooren spreken, die u zeker geen tienmaal gezien heeft in die negentig dagen. Gij zoekt hem op en zegt hem: John Stappleton Watkins, gij bezit eene bekoorlijke dochter, die goed opgevoed is en algemeen als de kostbaarste parel van het geheele land erkend wordt, en die,—wat volstrekt niet onaangenaam is—uwe eenige erfgename is wat betreft den eigendom van de Vandergaarts Kopjes-mijn, van de rijkste mijn niet alleen van dit land, maar van de geheele wereld. Ik, ik ben de heer Cyprianus Méré, afkomstig van Parijs en van beroep ingenieur. Ik heb vier duizend acht honderd francs inkomen!.... Gij zult mij als-je-blieft dat jonge meisje ten huwelijk geven, opdat ik haar naar mijn land kunne voeren en opdat gij niet meer over haar zoudt kunnen hooren spreken, tenzij gij zoudt willen rekenen den brief of het telegram, dat gij zoo nu en dan eens zoudt mogen ontvangen!..... En gij vindt dat alles zeer natuurlijk!..... Ik vind ’t dol!”

Cyprianus was doodsbleek van zijn stoel opgestaan. Hij greep zijn hoed en maakte zich gereed heen te gaan.

“Ja, dol!.... uiterst dol!....” herhaalde de pachter. “O, ik ben niet gewoon de pil, die ik te slikken geef, te vergulden. Ik ben een Engelschman van den ouden stempel, mijn waarde heer! Zooals ge mij daar ziet, ben ik veel armer geweest, ja, veel armer dan gij nu zijt. Ik heb zoo wat alle ambachten bij de hand gehad! Ik was scheepsjongen van een koopvaardijschip, buffeljager in Dakota, mijnwerker in Arizona, herder in de Transvaal!.... Ik heb kennis met de hitte, met de kou, en vooral met de vermoeienis gemaakt. De beschuitkorst, die mij gedurende twintig jaren tot middagmaal strekte, verkreeg ik niet dan ten koste van menigen zweetdruppel! Toen ik wijlen mistress Watkins, de moeder van Alice, de dochter van een Boer van Franschen oorsprong2, huwde, toen bezaten wij met ons beiden niet zooveel om eene geit te kunnen onderhouden! Maar ik heb gewerkt!.... Ik heb den moed niet verloren!.... Thans ben ik rijk, en wil ik van mijn arbeid genieten!.... Het is mijn plan om mijne dochter bij mij te houden,—om vooral mijn pootje te verzorgen en om des avonds muziek voor mij te maken, als ik mij verveel!.... Als zij ooit trouwt, dan zal zij hier trouwen met een kerel van het land, die zoo rijk is als zij zelve, die pachter of mijnwerker is, zooals wij het hier allen zijn, en die er niet van reppen zal om elders te gaan leven als een schooier op eene derde verdieping, in een land, waarin ik nooit een voet wensch te zetten. Zij zal bij voorbeeld met James Hilton of met een anderen kerel van gelijken stempel huwen.... De trouwlustigen, die naar hare hand dingen, ontbreken niet, dat verzeker ik u! Ik wensch tot schoonzoon een echten Engelschman, die voor een glas gin niet vervaard is, en die mij onder het genot van een duchtigen slok bij het rooken eener pijp gezelschap zal willen houden!”

Cyprianus had reeds de hand aan de kruk van de deur. Hij stikte bijna in dat vertrek.

“Gij zijt toch niet boos, hoop ik?” riep hem mr. Watkins achterna. “Ik heb volstrekt niets tegen u, mijnheer [7] Méré; integendeel, ik mag u wel lijden, en ik zal steeds verheugd zijn u te mogen zien, hetzij dan als huurder of als vriend!... Kijk, wij wachten juist heden avond eenige personen ten eten..... Als gij wilt, wees dan ook onze gast!...”

“Neen, dank u, mijnheer!” antwoordde Cyprianus koel. “Ik heb mijne brieven vóór het vertrek van de post nog te sluiten.”

Toen hij heengegaan was, bromde mr. Watkins, terwijl hij zijne pijp met een stuk geteerd touw aanstak, dat tot dit doeleinde steeds smeulende gehouden werd en zich in de onmiddellijke nabijheid zijner hand bevond:

“Dolle, dolle kerels, die Franschen!”

En daarop schonk hij zich een groot glas boordevol met gin in.


1 De Engelsche mijl bedraagt 1609 Meters.

2 Een groot getal Boeren of Hollandsche landlieden, die in Zuid-Afrika wonen, stammen af van Franschen, die ten gevolge van de intrekking van het édict van Nantes naar Holland uitgeweken en van daar naar de Kaapkolonie vertrokken zijn.

Tweede hoofdstuk.

In de diamantvelden.

Wat de jonge ingenieur nog wel het meest vernederend vond in het antwoord, dat mr. Watkins hem gegeven had, was dat hij niet kon nalaten hem, in weerwil van den ruwen vorm, waarin dat antwoord gegoten was, gelijk te geven. Het verwonderde hem zelfs, nu hij er over nadacht, dat hij de tegenwerpingen van den pachter niet voorzien en dat hij zich aan een dergelijk blauwtje blootgesteld had.

Zooveel is zeker, dat hij tot heden niet aan den afstand gedacht had, dien het verschil van vermogen, van ras, van opvoeding, van bewegingskring tusschen het jonge meisje en hem daargesteld hadden. Gewoon als hij sedert vijf of zes jaren was, de mineralen slechts uit een wetenschappelijk oogpunt te beschouwen, waren de diamanten slechts koolstof-monsters, ter nauwernood goed om in het museum van de Mijnschool te prijken. Daarenboven, omdat hij, uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, in Frankrijk zich op een hooger standpunt geplaatst achtte dan dat der Watkins, had hij de onmetelijke koopmanswaarde van de rijke diamantmijn, die het bezit des pachters was, geheel en al uit het oog verloren. Geen oogenblik was het hem in de gedachte opgekomen, dat er werkelijk een aanmerkelijke afstand bestond tusschen de dochter van den eigenaar van de Vandergaarts-Kopjes-mijn en een Fransch ingenieur. En zou ook die gedachte bij hem opgekomen zijn, dan, met zijne Parijsche levensopvattingen en in zijne hoedanigheid van oudleerling der Polytechnische School, zou hij gemeend hebben, dat hij op het punt was een huwelijk beneden zijn stand aan te gaan.

De barre toespraak van Mr. Watkins schrikte hem pijnlijk uit die droombeelden wakker. Cyprianus bezat te veel gezond verstand om de degelijke argumenten van den pachter niet naar waarde te schatten; ook om zich niet nijdig te maken over een vonnis, dat hij in den grond billijk moest noemen.

Dit belette evenwel niet dat de slag, die hem trof, raak, pijnlijk raak was. En nu hij gedwongen was, van het denkbeeld om Alice de zijne te noemen af te zien, gevoelde hij plotseling hoe dierbaar zij hem in die drie maanden geworden was.

Het was inderdaad nog slechts drie maanden geleden, dat Cyprianus Méré in Grikwaland was gekomen en het jonge meisje had leeren kennen.

Wat was dat al lang geleden en wat was dat al ver verwijderd! Hij herinnerde zich toch nog zeer goed dat hij den eindpaal van zijne lange reis van het eene halfrond naar het andere op een uiterst warmen en stoffigen dag bereikte.

Hij was ontscheept te zamen met zijn vriend Pharamond Barthès, een oude schoolmakker, die voor de derde maal in Zuid-Afrika kwam jagen en die hem aan de Kaap vaarwel gezegd had. Die Pharamond Barthès was naar het Basuto-land getrokken, alwaar hij hoopte een troepje negerkrijgslieden aan te werven, dat hem gedurende zijne jachttochten zoude vergezellen. Wat Cyprianus betrof, die had plaats besproken en genomen in den waggon of de kar met veertien paarden bespannen, die den postwagendienst in die streken verrichtte, en had zoo de reis naar de Diamantvelden ondernomen.

Zes of zeven groote kisten—bevattende een compleet scheikundig laboratorium en eene mineralogische verzameling, waarvan hij ongaarne gescheiden zoude zijn—vormden het [8] bagage-materiaal van den jeugdigen geleerde. Maar de vorenbedoelde postwagen liet slechts vijftig kilogrammen passagiersgoed toe, zoodat hij genoodzaakt was geweest die kostbare kisten toe te vertrouwen aan een kar met ossen bespannen, die ze met een voorwereldsche langzaamheid naar Grikwaland zou brengen.

De bedoelde postwagen was een groote Jan pleizier, die twaalf zitplaatsen bevatte en door een tent van zeildoek gedekt was. Hij stond op vier verbazend groote wielen, die voortdurend nat gehouden werden door het water der beken en rivieren, die doorwaad en doorgetrokken moesten worden. De paarden waren twee aan twee gespannen en werden soms door muildieren versterkt.

Een tweetal koetsiers, die naast elkander op den bok zaten, menden hen met groote behendigheid. Een daarvan hield de teugels, terwijl de andere de zeer lange zweep van bamboe voerde, die veel weghad van een hengelstok en niet alleen gebruikt werd om de aangespannen dieren aan te wakkeren, maar ook om hen te geleiden, den weg te wijzen.

De weg voerde langs Beaufort, een fraaie kleine stad, aan den voet van het gebergte Nieuweveld gebouwd, overschreed die bergketen, leidde langs Victoria, vervolgens langs Hope-town—eigenaardige naam, die “stad der hoop” beteekent—die aan den oever der Oranje-rivier gelegen is, om zich van daar naar Kimberley te richten en naar de voornaamste diamant-ontginningsplaatsen, die er slechts weinige mijlen van verwijderd liggen.

Dat was eene moeilijke en eentonige reis, die acht of negen dagen duurde, door dat naakte landschap. Wat men te zien krijgt, stemt slechts tot droefgeestigheid. Roodachtige vlakten, die met steenen als bezaaid waren, grijze rotsbanken, die aan de oppervlakte van den bodem kwamen uitkijken, een stekelig, geel en spaarzaam grasgewas eenige teringachtige struikjes, ziedaar alles. Er waren noch bebouwde akkers, noch natuurtafereelen te bewonderen! Van afstand tot afstand werd eene bouwhoeve opgemerkt, waarvan de bewoner, bij de toewijzing van den door hem gepachten grond, van het Koloniaal Gouvernement de opdracht ontving, om gastvrijheid aan de reizigers te verleenen. Die gastvrijheid wordt evenwel zoo eenvoudig mogelijk beoefend. In die zonderlinge herbergen worden noch bedden voor de menschen, noch stroolegering voor de paarden aangetroffen. Men vindt er ter nauwernood eenige blikken verduurzaamde levensmiddelen, die verscheidene malen de reis rondom de wereld afgelegd hebben en die met goud betaald worden!

Daaruit volgt dus, dat om te voorzien in de voeding der trekdieren, deze eenvoudig op de vlakte losgelaten worden, alwaar zij zich moeten behelpen met het zoeken van eenig schaars voorkomend gras tusschen de keisteenen. Een ander gevolg daarvan is, dat wanneer men weer wil vertrekken, die beesten eerst opgevangen moeten worden, hetgeen groote moeite en een aanmerkelijk tijdverlies veroorzaakt. En welke schokken worden in zoo’n oorspronkelijk vervoermiddel op die nog oorspronkelijker wegen ondervonden! De zitbanken zijn gewoonlijk de bovenvlakken van houten koffers, die voor de opberging van kleine benoodigdheden dienen en waarop het zitvlak van den ongelukkigen reiziger, die daarmede vervoerd wordt, de werkzaamheden van vijzelstamper gedurende een lange week verricht. In zoo’n kast is het onmogelijk te lezen, te slapen, zelfs te praten. Daarentegen rooken de reizigers nacht en dag als fabrieksschoorsteenen, drinken als tempeliers, en voegen daarbij de aangename bezigheid om veel en herhaaldelijk te spuwen.

Zoo bevond zich Cyprianus Méré in dat vervoermiddel met een uitgezocht zoodje van die vlottende bevolking, die van alle oorden van den aardbol komt opdagen, zoodra er sprake is van nieuw gevonden goud- of diamantmijnen. Er bevond zich een loslendige Napolitiaan in met lange zwarte haren, met een echt perkament-gezicht, met oogen om bang van te worden, en die vertelde dat hij Hannibal Pantalucci heette; verder een Portugeesche jood, wiens naam Nathan was, een echte diamant-kenner, die zich in zijn hoekje zeer stil hield en het menschelijk gewriemel met wijsgeerigheid beschouwde; dan nog een mijnwerker van Lancashire, Thomas Steel genaamd, een lange [9] lummel met rooden baard en stevige heupbeenderen, die de steenkolen-mijnen ontvlucht was om zijn gelukkig gesternte in Grikwaland te beproeven; verder een Duitscher, Herr Friedel, die steeds machtspreukig als een orakel sprak, en altijd alles wist wat op de ontginning der diamanthoudende terreinen betrekking had, hoewel hij nimmer een enkelen diamant gezien, veel minder bezeten had; ook nog een Yankee met fijn gevormde lippen, die slechts samenspraken hield met zijne lederen veldflesch en die waarschijnlijk in de ontginningsvelden een drankwinkeltje kwam openen, waarin de meeste verdiensten van den mijnwerker zouden verdwijnen; dan nog een pachter afkomstig van de boorden van de Hart-rivier, een Boer van den Oranje-Vrijstaat; een ivoorhandelaar, die naar het land der Namakken trok; twee kolonisten uit de Transvaal, en een Chinees, die Li heette, zooals een achtenswaardig Chinees betaamt. Die allen vormden het meest uiteenloopend, het meest verschillend en het meest luidruchtig gezelschap, dat ooit een fatsoenlijk man op zijn weg heeft kunnen ontmoeten.

Na een oogenblik hunne gelaatstrekken opgenomen en zich met hunne manieren en gewoonten vermaakt te hebben, begon dat Cyprianus ook te vervelen. Alleen Thomas Steel met zijne krachtige geaardheid en zijn openhartigen lach, en de Chinees Li niet zijne zachtaardige en kat-achtige bewegingen konden hem boeien en belangstelling inboezemen. De Napolitaan daarentegen met zijne akelige geestigheden en met zijne galgentronie, boezemde hem een onoverwinnelijk gevoel van afkeer in.

Een der meest gewaardeerde grappen van dien Italiaan bestond gedurende twee of drie dagen daarin, dat hij aan den haarstaart, dien de Chinees volgens de gewoonte van zijn land op den rug droeg, allerhande dwaze zaken vastbond, als bossen gras, koolstronken, een koeienstaart, een paardenschouderblad, dat hij in de vlakte opgeraapt had, enz.

Li knoopte, zonder zich verontwaardigd te toonen, die dingen los, welke zijn reeds langen staart noodeloos verlengden, wierp ze weg, maar toonde noch door woord, noch door gebaar, zelfs door geen blik, dat het hem voorkwam, dat die grappen de grenzen der gepastheid overschreden. Zijn geelachtig gelaat en zijne kleine scheefstaande oogen bleven onverstoorbaar kalm, alsof hij geheel vreemd was aan hetgeen rondom hem voorviel. Waarlijk, men zou geloofd hebben dat hij geen enkel woord verstond van hetgeen in die arke Noach’s, die op reis naar Grikwaland was, gesproken werd.

Dit gaf aanleiding dat Hannibal Pantalucci aan zijn grappen nog toespelingen in gebrekkig Engelsch toevoegde, die geheel en al den man van lage afkomst kenmerkten.

“Denkt hij dat zijne geelzucht besmettelijk zoude zijn?” vroeg hij hardop aan een zijner medereizigers.

Of ook:

“Had ik maar eene schaar in mijn bezit om hem zijn staart af te knippen, dan zoudt gij eens zien welk gezicht hij zetten zou!”

De reizigers lachten dan; maar wat hunne vroolijkheid nog vermeerderde, was dat de Boeren van het gezelschap steeds eenigen tijd noodig hadden om de snakerij van den Napolitaan te begrijpen, eindelijk in een luid gelach uitbarstten, hetgeen dan een geheele poos na dat van de anderen weerklonk.

Het begon Cyprianus eindelijk te ergeren, dat de arme Li steeds voor zondebok gekozen werd. Hij merkte Pantalucci dan ook op, dat zijn gedrag niet edelmoedig genoemd kon worden. Deze zou ongetwijfeld die opmerking met eene onbeschoftheid beantwoord hebben, toen Thomas Steel tusschen beiden trad, waardoor hij zijne beleediging voorzichtig weerhield.

“Neen,” sprak de brave Engelschman, “dat is geen eerlijk spel, zoo met dien armen drommel om te springen, die niet eens verstaat wat gij zegt!”

En de ronde kerel had er waarachtig spijt van, dat hij met de anderen meegelachen had.

De zaak bleef dus daarbij. Maar weinige oogenblikken later merkte Cyprianus niet zonder bevreemding op, dat de Chinees een slimmen blik op hem vestigde, die wel is waar lichte spotternij verried, maar ook van dankbaarheid getuigde. Toen kwam de gedachte bij hem op, dat Li misschien meer van het Engelsch verstond, dan [10] hij wel wilde laten voorkomen.

Maar te vergeefs poogde hij op de volgende pleisterplaats een gesprek met hem te beginnen. Het was onmogelijk een woord uit hem te krijgen. De Chinees bleef onwrikbaar stom. Van toen af wekte dat vreemdsoortig wezen de belangstelling van den jongen ingenieur op. Het was hem alsof die man een raadsel was, waarvan hij de oplossing moest vinden. Cyprianus bestudeerde dan ook zeer dikwijls dat geelachtige, gladde, baardelooze gelaat; dien mond, die als door den houw van een sabel gevormd scheen en bij het openen zeer witte tanden liet zien; dien kleinen korten bekervormigen neus; dat breede voorhoofd, die schuinstaande oogen, die bijna altijd neergeslagen waren, alsof zij eene listige uiting wilden verbergen.

Hoe oud zou Li kunnen zijn? Was hij vijftien of telde hij zestig jaren? Dit was onmogelijk uit te maken. Duidden zijne tanden, zijn blik, zijn gitzwarte haren op eene prille jeugd, van een anderen kant wezen de rimpels op zijn voorhoofd, zijne wangen, zijne mondhoeken op een reeds gevorderden leeftijd. Hij was klein van stuk, slank en van uitzicht vlug, evenwel met de oudachtige bewegingen van eene bejaarde vrouw.

Was hij rijk of was hij arm? Dat was eene andere vraag, welker beantwoording ook twijfel kon verwekken. Zijn grijslinnen broek, zijn geelkatoenen kiel, zijn pet van gevlochten koord, zijne schoenen met vilten zolen, die vlekkeloos witte kousen bedekten, konden zoowel een eerste-klasse-mandarijn toebehooren als een man des volks. Zijne bagage bestond uit een eenigen koffer, van rood hout vervaardigd, op welks deksel, met zwarten inkt geschreven stond:

H. Li
from Canton to the Cape
,

wat vertaald beteekent: H. Li, van Canton naar de Kaap.

Die Chinees was bovendien uitermate zindelijk, hij rookte niet, dronk slechts water en benuttigde ieder oogenblik op de pleisterplaatsen om zijn hoofd met de grootste zorgvuldigheid te scheeren. Cyprianus kon er niet meer van te weten komen en gaf het weldra op dit levende vraagstuk te ontraadselen.

Intusschen gingen de dagen voorbij en volgde de eene mijl op de andere. Soms repten de paarden zich bijzonder. Een anderen keer scheen het onmogelijk om hen den stap te doen versnellen. Maar de reis raakte zoo langzamerhand aan haar einde, en op een fraaien dag kwam de vervaarlijke postwagenkast te Hope-town aan. De volgende pleisterplaats, die voorbijgetrokken werd, was Kimberley. Toen verschenen houten hutten aan den gezichteinder.

Dat was New-Rush.

Daar verschilde het kamp der mijnwerkers in niets met die voorloopige steden, in welke streken der aarde ook, door de beschaving opgebouwd en die als door tooverij of als paddestoelen uit den grond verrijzen.

Planken gebouwen, meerendeels zeer klein en niet ongelijk aan de huisjes en hutten der baanwachters langs Europeesche spoorwegen of bij Europeesche werkplaatsen, hier en daar eenige tenten, eenige dozijnen koffie- en drankhuizen, een biljartzaal, een Alhambra of danszaal, “stores” of algemeene magazijnen van de eerste levensbenoodigdheden,—ziedaar wat het oog het eerst ontdekte.

Er was van alles te koop in die winkels, kleederen en meubels, schoenen en vensterglazen, boeken en rijzadels, wapenen en stoffen, bezems en jacht- en krijgsbenoodigdheden, wollen dekens en sigaren, versche groenten en geneesmiddelen, ploegen en fijne toiletzeepen, nagelborstels en verduurzaamde melk, keukenkachels en steendrukplaten, in één woord: er was alles, behalve koopers.

De reden daarvan was dat de bevolking zich nog op het mijnterrein bevond, dat nog drie- of vierhonderd meters van New-Rush verwijderd lag.

Cyprianus deed wat alle nieuw aangekomenen deden: hij spoedde zich naar de mijnen, terwijl men het middagmaal toebereidde in de eenvoudige hut, die met den hoogdravenden naam van Hotel Continental begiftigd was.

Het was ongeveer zes uren in den namiddag. De zon begon zich reeds bij den horizon met eene vergulde tint te omringen. De jonge ingenieur merkte een keer te meer op de overgroote middellijn, welke zoowel de dagvorstin als de maan onder deze zuidelijke breedten aanneemt, zonder dat daarvan [11] vooralsnog eene voldoende verklaring is kunnen gegeven worden. Die middellijn scheen wel dubbel zoo groot te zijn als die in Europa waargenomen wordt.

Maar een ander en meer nieuw schouwspel wachtte Cyprianus Méré bij de Kopjes-mijn, namelijk op het terrein der diamantdelving zelf.

Bij den aanvang der werkzaamheden vormde de mijn een kleinen platkoppigen heuvel, die de vlakte, welke overal elders zoo gelijk als de oppervlakte der zee was, op deze plek als met een bult opschikte. Thans evenwel vertoonde die bult eene onmetelijke, uitholling met trechtervormig toeloopende wanden, een soort van circus van elliptischen vorm, die eene oppervlakte besloeg van ongeveer veertig vierkante meters. Die oppervlakte bevatte niet minder dan drie- of vierhonderd “claims” of mijnvergunningen, die eenendertig voet zijden matten en die door de rechthebbenden naar eigen goedvinden ontgonnen werden.

De arbeid bestaat doodeenvoudig daarin, dat de aarde met pikhouweel en schop uit dien bodem, die over het algemeen uit een soort roodachtig zand vermengd met puin bestaat, losgewerkt wordt. Dan wordt die aarde buiten de mijnboorden gebracht en verder naar de uitzoek-tafels vervoerd, om daar uitgewasschen, gestampt, gezeefd en met de grootste zorg uitgezocht te worden, om te zien of zij geen kostbare gesteenten bevat.

Al die claims zijn onafhankelijk van en zonder verbinding met elkander gegraven, en vormen natuurlijk kuilen van verschillende diepte. Er zijn er die honderd meter en dieper bereiken, anderen peilen slechts vijftien, twintig of dertig meter.

Ieder begiftigde is ter wille van den arbeid, ook van het vrije verkeer in de mijn, door de officiëele reglementen verplicht langs een der zijden van zijn put eene breedte gronds van zeven voet geheel onaangeroerd te laten. Die ruimte, vermeerderd met een gelijke breedte langs den put van den buurman, spaart eene soort weg of dijk uit, die de oppervlakte van den oorspronkelijken bodem uitmaakte.

Dwars over dien dijk of banket wordt eene opeenvolging van balken gelegd, die aan weerszijden ongeveer een meter uitsteken en daardoor eene voldoende breedte daarstellen, dat twee wagentjes elkander zonder gevaar van aanhaking kunnen voorbijrijden.

Ongelukkig voor de stevigheid van dien hangweg, en ook voor de veiligheid der mijnwerkers, gaan de meeste der concessionarissen er toe over den grond, die den voet van den muur vormt, trapsgewijze uit te steken naarmate de uitgravingen dieper vorderen, zoodat de vorenbedoelde balken, die soms boven eene dubbele hoogte van die der torens van de O.L. Vrouwekerk te Parijs uitsteken, eigenlijk op het grondvlak liggen eener piramide, die op hare punt zou rusten. Het gevolg van zulk een gevaarlijke manier van werken is gemakkelijk te voorzien, namelijk dat die dijken veelvuldig, hetzij in den regentijd, hetzij bij plotselinge temperatuurswisselingen, waardoor barsten in den grond ontstaan, instorten. Maar die schier regelmatig terugkeerende ongelukken verhinderen de onvoorzichtige mijnwerkers niet, hun claim tot aan den uitersten grenswand uit te graven.

Toen Cyprianus de mijn naderde, zag hij niets anders dan karren, geladen of ledig, die langs die hangwegen voortreden. Maar toen hij genoegzaam tot den rand genaderd was om den blik in de mijn te laten doordringen, toen bespeurde hij daar eene menigte mijnwerkers van ieder ras, van iedere kleur, van iedere kleeding, die met ijver beneden in die claims arbeidden. Daar waren negers en blanken, Europeanen en Afrikanen, Mongolen en Celten, het meerendeel bijna totaal naakt, of slechts met een linnen broek of een flanellen of katoenen hemd gekleed, terwijl zij op het hoofd breedrandige stroohoeden droegen, die veelal met struisvederen getooid waren.

Al die mannen vulden lederen emmers met aarde en heschen die vervolgens door middel van koorden van koevellen vervaardigd langs dikke ijzerdraadkabels, die door groote houten cilinders in beweging werden gebracht, op naar den rand der mijn. Daar werden die emmers zoo spoedig mogelijk in karren geledigd en daalden weer in den claim af, om andermaal gevuld naar boven gehaald te worden. [12]

Die lange ijzeren kabels waren diagonaalsgewijze in de parellelopipedums gespannen, die door de claims gevormd werden, en verleenden aan de “dry diggings” of aan de zoogenaamde diamantmijnen in den drogen grond een bijzonder uitzicht en karakter. Men zou gezegd hebben dat het de hoofddraden waren van een monster-spinneweb, waarvan de vervaardiging plotseling gestoord en onderbroken was geworden.

Cyprianus schepte een poos vermaak in het beschouwen van dat menschelijke mierennest. Daarna keerde hij naar New-Rush terug, waar de klok, die de gasten aan tafel riep, zich weldra liet hooren. Daar smaakte hij het genoegen, den geheelen avond hier en daar te hooren snoeven op wonderbaarlijke vondsten, mijnwerkers die arm als job waren, maar die door het vinden van een enkelen diamant schatrijk geworden waren, terwijl anderen slechts pruttelden over hun ongelukkig gesternte, over de schraapzucht der handelaren, over de trouweloosheid der Kaffers, die in de mijnen te werk gesteld waren en die kostbare steenen stalen, en andere dergelijke technische gesprekken. Men sprak slechts over diamanten, over karaten en over honderden ponden sterling.

Iedereen zag er over het algemeen in die streek ellendig uit, en tegenover een enkelen gelukkigen digger, die met snoevende stem een flesch champagne bestelde om op zijn welslagen een lekker glas te drinken, zag men zeker twintig lange gezichten, waarvan de weemoedige eigenaars zich met een dun en schraal bier vergenoegden.

Nu en dan ging er een steen rond de tafel van hand tot hand, om gewogen, beoordeeld en geschat te worden, en om eindelijk terug te keeren in den gordel van zijn bezitter. Die grijsachtige en doffe keisteen, die niet meer glans vertoonde dan een gewone silex, die door een beek of bergstroom gerold zoude zijn, was de diamant in zijn omhulling of ganggesteente.

De koffiehuizen vulden zich tegen het vallen van den avond, en dan werden dezelfde gesprekken, dezelfde twistredenen als die, welke het etensuur verlevendigd hadden, vernomen, terwijl de bezoekers hun glas gin of brandy verorberden.

Cyprianus had vroeg zijn bed opgezocht, dat onder eene tent in de nabijheid van het hotel gespreid was. Daar sliep hij weldra in op het geluid van eene danspartij in de open lucht, die door eenige Kaffersche mijnwerkers ergens in de buurt gegeven werd, en op het schel geluid van een klephoorn, die in een openbaar danshuis de maat aangaf bij de chorographische sprongen van eenige blanke heeren.

Derde hoofdstuk.

Een weinig wetenschap van harte onderwezen.

Ter wille van de billijkheid wordt het tijd om te verklaren, dat onze jonge ingenieur niet in Grikwaland gekomen was om zijn tijd in die atmosfeer van schraapzucht, van dronkenschap en tabakslucht door te brengen. Neen, hij had in opdracht om topographische en geologische opnemingen van sommige gedeelten van die landstreek te bewerkstelligen, om monsters van rotssteenen en van diamanthoudende lagen te verzamelen, en om ter plaatse zorgvuldige analyses uit te voeren. Zijne eerste zorg moest dan ook zijn om zich een stille woning te verschaffen, waarin hij zijn laboratorium kon onder dak brengen en die als het uitgangspunt van zijn verkenningstochten door het geheele mijndistrict moest aangemerkt worden.

De heuvel of het bergje waarop de pachthoeve van Watkins gelegen was, trok weldra zijne aandacht tot zich als eene standplaats, die als buitengewoon gunstig voor zijne werkzaamheden beschouwd kon worden. Zij was ver genoeg van het mijnwerkerskamp verwijderd, om slechts weinig van de luidruchtigheid van die nabuurschap te lijden te hebben. Cyprianus was daar ongeveer op een uur afstand van de meest verwijderde Kopjes—want het geheele diamantdistrict meet ter nauwernood een omtrek van tien of twaalf kilometers. Hij kwam er dus toe om een der huizen, door John Watkins verlaten, te kiezen, daarvan de huur te bepalen, en er in te trekken, hetgeen [13] alles bij elkander geteld hem ter nauwernood een halven dag ontroofde. Overigens toonde de Engelschman zich niet schraapzuchtig bij de verhuur; want eigenlijk verveelde hij zich zeer in zijne eenzaamheid, en hij zag met genoegen dat de jonkman zich in zijne nabijheid kwam vestigen, overtuigd als hij was, dat hij van hem wel eenige verstrooiing verwachten kon.

Maar als Mr. Watkins er op gerekend had, in zijn huurder een tafelmakker of een partner bij zijn bestormingsplannen ten opzichte van zijne ginkruik te vinden, dan had hij toch buiten den waard gerekend. Nauwelijks had Cyprianus zijn laboratorium met zijn kolven, zijne haardvuren en zijne reaktiven in orde gebracht in het huis dat hij gehuurd had—en zelfs nog voordat de voornaamste bestanddeelen van zijn laboratorium aangekomen waren—of hij had reeds een begin met zijne geologische omzwervingen in het mijndistrict gemaakt. Wanneer hij dan ook des avonds, doodmoe en zijn zinken doos, zijne jachttasch, zijne zakken en zijn hoed zelfs met rotsblokken gevuld te huis kwam, dan had hij meer lust om zijn bed op te zoeken en in den slaap herstel van krachten te zoeken, dan de oudbakken praatjes en vertellingen van Mr. Watkins te gaan aanhooren. Daarenboven, hij rookte weinig en dronk nog minder, zoodat hij eigenlijk het ideaal van den vroolijken makker, dien zich de pachter gedroomd had, niet verwezenlijkte.

Toch was Cyprianus zoo loyaal en zoo goedhartig, zoo eenvoudig van manieren en van gevoelen, zoo geleerd en evenwel zoo bescheiden en zedig, dat het onmogelijk was, wanneer men voortdurend met hem in aanraking kwam, zich niet aan hem te hechten. Mr. Watkins—misschien deed hij het geheel onbewust—koesterde dan ook meer eerbied voor den jeugdigen ingenieur, dan hij ooit iemand bewezen had. Als die jongen slechts een fatsoenlijk slokje had kunnen drinken! Maar wat toch aan te vangen met iemand die den kleinsten droppel gin niet in het keelgat verdragen kon? Zoo eindigden regelmatig de oordeelvellingen, die de pachter over zijn huurder uitbracht.

Wat miss Watkins betreft, deze had zich dadelijk met den jeugdigen geleerde op den voet eener goede en vrije kameraadschap geplaatst. Zij trof in hem eene geestesmeerderheid aan, die zij in hare gewone omgeving te vergeefs zocht, en zij had dan ook de gelegenheid, die zich zoo onverwacht aangeboden had, met gretigheid waargenomen, om door eenige grondbeginselen der practische scheikunde de zeer degelijke en uiteenloopende opvoeding te voltooien, die zij vooral geput had uit de wetenschappelijke werken, welke zij bij voorkeur tot onderwerp van lectuur koos.

Het laboratorium van den jeugdigen ingenieur met zijne vreemdsoortige toestellen wekte verbazend hare belangstelling op. Zij wenschte vooral alles te weten wat op het wezen der diamanten betrekking had, op die kostbare steenen, die in de gesprekken en in den handel van het land eene zoo groote plaats innamen. En inderdaad, Alice had wel neiging om dat gesteente slechts als een leelijken keisteen te beschouwen. Cyprianus—dat begreep zij wel—deelde op dat punt geheel en al hare geringschatting. Die eensgezindheid van denkbeelden was niet vreemd gebleven aan de vriendschap, die tusschen de twee jonge lieden ontstaan was. Zij waren de eenigen in Grikwaland, dat kon veilig betuigd worden, die er niet aan geloofden, dat het eenige doeleinde van het menschelijk leven was of moest zijn: het zoeken, het kloven, het slijpen en het verkoopen van die kleine steentjes, die door de geheele wereld zoo zeer begeerd worden.

“Het diamant,” legde haar eens de jonge ingenieur uit, “is heel eenvoudig niets anders dan zuivere koolstof. Het is een stuk gekristaliseerde kool, niets anders. Men kan het verbranden evenals een gewone doove kool, en die eigenschap van verbrandbaarheid heeft voor de eerste maal den aard zijner vorming, zijner grondbestanddeelen doen gissen. Newton, die zooveel zaken waargenomen heeft, had opgemerkt dat de geslepen diamant het licht meer weerkaatst dan eenig ander doorschijnend lichaam. Daar hij nu wist dat die hoedanigheid den meesten brandbaren lichamen eigen is, zoo trok hij met zijne gewone stoutmoedigheid daaruit de gevolgtrekking, dat het diamant brandbaar moest zijn. Er eene kort daarop [14] gevolgde proefneming stelde hem geheel in het gelijk.”

“Maar, mijnheer Méré,” vroeg het jonge meisje, “als het diamant slechts kool is, waarom is het dan zoo duur?”

“Omdat het zeer zeldzaam is, mejuffrouw Alice,” antwoordde Cyprianus, “en omdat het nog maar in zeer kleine hoeveelheden in de natuur aangetroffen wordt. Gedurende langen tijd trok men het alleen uit Indië, uit Brazilië en uit het eiland Borneo. Gij moet het u ongetwijfeld nog herinneren, want gij waart toen zeven of acht jaren oud, het tijdstip waarop voor de eerste maal de tegenwoordigheid van diamant in dit gedeelte van Zuid-Afrika aangeduid werd.”

“Voorzeker herinner ik mij dat,” antwoordde miss Watkins. “Een ieder in Grikwaland gedroeg zich of hij gek was! Men zag slechts lieden, gewapend met schoppen en spaden, die al de terreinen nauwkeurig onderzochten, die den loop der beken afleidden en wijzigden, om hare beddingen na te pluizen, en die slechts over diamanten droomden en spraken! Hoe klein ik destijds ook was, mijnheer Méré, zoo verveelden die gesprekken mij toch somtijds. Maar gij zeidet straks, dat het diamant duur is, omdat het zeldzaam voorkomt.... Bestaat zijn waarde alleen in die zeldzaamheid?”

“Dat nu juist niet, miss Watkins. Zijne doorschijnendheid, zijn glans, wanneer hij doelmatig genoeg geslepen is om de lichtstralen te weerkaatsen, de verbazende moeilijkheid van dat slijpen en eindelijk zijne buitengewone hardheid zijn zoovele oorzaken, dat de diamant voor den geleerde een zeer belangwekkend lichaam oplevert, waarbij ik voeg, dat hij voor de nijverheid zeer veel nuttigs heeft. Gij weet zeker dat men hem alleen met zijn eigen stof kan polijsten, en het is die niet genoeg te waardeeren hardheid, die veroorlooft om hem sedert eenige jaren voor de doorboring van rotsen te bezigen. Zonder zijne hulp zou het bewerken van het glas en van andere zeer harde zelfstandigheid niet alleen zeer moeilijk zijn, maar ook het boren van tunnels, het openen van mijngalerijen, het vervaardigen van artesische putten zou meer moeilijkheden aanbieden.”

“O! nu begrijp ik het,” zei Alice, die plotseling een soort achting in zich voelde opwellen voor die arme diamanten, die zij tot heden zoozeer versmaad had. “Maar, mijnheer Méré, wat is die koolstof toch waaruit het diamant in kristalvorm bestaat? Ik druk mij immers goed uit, niet waar? Waaruit bestaat zij?”

“Dat is een enkelvoudig, niet samengesteld lichaam, tot de metaalloïden of niet metalen behoorende, hetwelk het meest verbreid in de natuur voorkomt,” antwoordde Cyprianus. “Alle organisch samengestelde lichamen, zonder eenige uitzondering, als het hout, het vleesch, het brood, het gras, bevatten het in groote en belangrijke hoeveelheid. Zij zijn zelfs aan de aanwezigheid der koolstof in hare bestanddeelen, den graad van verwantschap verschuldigd, dien men onder hen opmerkt.”

“Wat vreemde overeenkomst!” zei miss Watkins. “Zoodat die struiken daarginds, en het gras van dat weiland, en de boom, die ons met zijne schaduw beschut, en het vleesch van mijn struisvogel Dada, en ik zelf, en gij ook, mijnheer Méré, allen gedeeltelijk van koolstof vervaardigd zijn, evenals de diamanten? Alles is dus maar kool in deze wereld?”

“Zeker, juffrouw Alice! Men had daarvan reeds sedert lang een voorgevoel; maar de hedendaagsche wetenschap heeft de strekking, dat al meer en meer en ook afdoend aan te toonen. Of, om duidelijker te spreken, zij heeft de strekking om het getal enkelvoudige lichamen al minder te doen worden; en toch werd dat getal vroeger als onwrikbaar vastgesteld beschouwd. De spectroscopische waarnemingen hebben in den laatsten tijd dienaangaande een nieuw licht over de scheikunde doen opgaan. Zoo kan het wel zijn, dat de twee en zestig lichamen, die als enkelvoudige of niet samengestelde gerangschikt waren, slechts eene enkele atomische zelfstandigheid—de waterstof wellicht—bestaan, die op verschillende elektrische, dynamische en warmtegevende wijzen bewerktuigd zijn.”

“O! gij jaagt mij angst aan, mijnheer Méré, met al die groote woorden,” riep Miss Watkins uit. “Spreek mij maar liever over koolstof: Zoudt gij, heeren deskundigen, die stof ook niet kunnen kristalliseeren, zooals gij met de zwavel [15] doet en waarvan gij mij onlangs zulke fraaie aangeschoten naalden hebt laten zien? Dat zou oneindig gemakkelijker zijn, dan daar gaten in den grond te gaan graven om er diamanten te zoeken!”

“Men heeft dikwijls trachten te verwezenlijken, wat gij daar zegt,” antwoordde Cyprianus. “Ja, men heeft dikwerf getracht om langs kunstmatigen weg diamant te vervaardigen, en dat wel door zuivere koolstof te kristalliseeren. Ik ben verplicht er bij te voegen, dat men zelfs in zekere mate geslaagd is, Despretz heeft in 1853, en nu nog kort geleden in Engeland een ander geleerde, diamantstof verkregen, door cilinders van koolstof, die van iedere mineralische stof gezuiverd en van kandijsuiker vervaardigd waren, aan een zeer sterken elektrischen stroom in het luchtledige te onderwerpen. Maar tot heden heeft dat succes hoegenaamd geene handelswaarde, hoewel het zeer waarschijnlijk is, dat dit nu slechts meer een quaestie van tijd zal zijn. Den eenen of anderen dag zal de vervaardiging van diamant gevonden worden, en wie weet, miss Watkins, of die vinding op het oogenblik dat wij er over spreken, niet reeds geschied is!”

Zoo koutten zij, terwijl zij op het met zand bestrooide plein, hetwelk zich langs de pachthoeve uitstrekte, heen en weer wandelden, of als zij des avonds onder de lichte veranda gezeten waren en naar het glinsteren van den zuidelijken sterrenhemel keken.

Dan verliet Alice gewoonlijk den jeugdigen ingenieur, om naar de hoeve terug te keeren, tenzij zij hem meenam om hare kleine kudde struisvogels te zien, die in eene kleine omsloten ruimte bewaakt werden, welke aan den voet van den heuvel gelegen was, waarop de woning van John Watkins was gebouwd. De kleine witte kop dezer dieren, die zich op een zwartachtig lichaam verhief, hunne dikke stijve pooten, de bossen geelachtige veeren, die hun lichaam ter zijde en op de vleugels en aan den staart versieren, dat alles boezemde het jonge meisje belang in, waardoor zij er dan ook sedert een of twee jaren toe gekomen was, om eene geheele kudde van die reusachtige steltloopers op te voeden.

Gewoonlijk gaat men er niet toe over, deze vogels tot huisdieren te vervormen. De pachters aan de Kaap laten hen eer in een zekeren wilden staat voortleven. Zij vergenoegen zich om hen in een omheining van een buitengewoon grooten omvang af te sluiten, die door hooge schuttingen van ijzerdraad gevormd wordt, nagenoeg gelijk aan die welke in sommige landen langs de spoorwegen aangetroffen worden. De struisvogels, die weinig geschikt zijn om te kunnen vliegen, kunnen daar niet over heen. Daarin leven zij het geheele jaar door in een gevangenschap, die zij zelfs niet vermoeden, voeden zich met hetgeen zij vinden, en zoeken afgelegen hoekjes uit om hunne eieren, die door zeer strenge wetten tegen diefstal beschermd worden, te leggen. Tegen den ruitijd evenwel, wanneer het er op aan komt om de mooie veeren machtig te worden, die door de dames in Europa zoo gezocht zijn, dan jagen de drijvers de struisvogels in eene reeks van afgesloten perken, die al nauwer en nauwer worden, totdat het gemakkelijk is hen te vatten, als wanneer hun vederentooi hun ontrukt wordt.

Die tak van nijverheid heeft sedert de laatste jaren in de omstreken van de Kaap eene buitengewone vlucht genomen, en het is waarachtig te verwonderen, dat die ter nauwernood in Algiers is ingevoerd, waar er niet minder goede resultaten van verwacht konden worden. Iedere struisvogel, die zoo in gevangenschap leeft, brengt zijn bezitter een jaarlijksch inkomen op, dat tusschen twee en drie honderd francs mag geraamd worden, en dat zonder eenige kosten hoegenaamd te veroorzaken. Om dit den lezer goed te doen begrijpen, dienen wij mede te deelen, dat een groote veer, wanneer zij van goede kwaliteit is, voor zestig en zelfs voor tachtig francs, de gewone handelsprijs, verkocht wordt, alsook dat de middelsoort veeren en de kleine ook eene vrij groote waarde vertegenwoordigen.

Miss Watkins onderhield slechts voor haar vermaak een twaalftal van die groote dieren! Zij schepte er genoegen in, hen hunne groote eieren te zien uitbroeden, en vond het een verrukkelijk gezicht, wanneer zij met hare kuikens haar voeder kwam nuttigen, evenals gewone kippen of kalkoenen zouden gedaan hebben. Cyprianus begeleidde [16] het jonge meisje soms daarbij, en schepte er zelfs genoegen in om een der fraaiste van den troep, een zekeren struisvogel met zwarten kop en gulden oogen, te streelen, juist den zoo gevierden Dada, die den ivoren maasbal opgeslikt had, waarvan Alice zich bij het kousenstoppen gewoonlijk bediende.

Cyprianus voelde allengs een dieper en teederder gevoel ten opzichte van dat jonge meisje zijn hart binnensluipen. Hij overreedde zich, dat hij nimmer eene gezellin zou vinden, aan wier hand hij het leven wenschte te doorwandelen, dat leven van arbeid en overdenkingen, hetwelk hij leidde, die zoo eenvoudig van harte was, die levendiger van begrip, daarbij even zacht, beminnenswaardig en volmaakt zoude zijn als zij. En werkelijk, daar miss Watkins hare moeder reeds op jeugdigen leeftijd verloren had, was zij verplicht geweest reeds vroegtijdig de zorgen in het vaderlijke huis voor hare rekening te nemen, waardoor zij tot een degelijke huisvrouw, zoowel, als tot eene vrouw, die zich in de wereld beschaafd voordeed, gevormd werd. Het was zelfs juist dat mengsel van volmaakte voornaamheid en van ongekunstelde eenvoudigheid, hetwelk haar zooveel bekoorlijkheid bijzette. Zonder dat haar de dwaze vooroordeelen en pretenties van zooveel bevallige bewoonsters van de Europeesche steden aankleefden, zag ze er volstrekt niet tegen op hare blanke handjes te gebruiken om een puddingdeeg te kneeden, ook niet om een oog op het gereed maken van het middagmaal te houden, en nog minder om na te gaan of het linnen in het huisgezin in goeden staat was. En dat alles belette haar niet om de fraaiste sonaten van Beethoven even goed, zoo niet beter dan eenige andere ten gehoore te brengen, om twee of meer talen zoo zuiver mogelijk te spreken om de lectuur hartstochtelijk lief te hebben, om de meesterstukken van iedere soort letterkunde te kunnen apprecieeren, en eindelijk om heel veel succes te genieten in de kleine vereenigingen, die bij de rijke pachters van het district gehouden werden.

Niet dat de bekoorlijke en welopgevoede vrouwen schaarsch zouden geweest zijn in die vereenigingen. In Transvaal zoowel als in Amerika, als in Australië en als in die jeugdige landen, waar de materieele arbeidskrachten bij het invoeren eener ontluikende beschaving der mannen uitsluitend deel is, daar is de geestesontwikkeling nog meer dan in Europa het uitsluitend deel der vrouw. Daar zijn zij dan ook meestal meer ontwikkeld dan hare echtgenooten of zonen, wat algemeene opvoeding en kunstzin aangaat. Bijna alle reizigers hebben niet zonder groote verwondering bij menige echtgenoote van een Australische mijnwerker of van een squatter in het Far-West een muzikaal talent van de eerste orde aangetroffen, soms gepaard aan de degelijkste litterarische of wetenschappelijke kennis. De dochter van den voddenrapper te Omaha of van een spekslager in Melbourne zou bij de gedachte blozen, dat zij in opvoeding, onderricht, goede manieren en verdere volmaaktheden beneden eene vorstin van het oude Europa zoude kunnen staan. In den Oranje-Vrijstaat, waar de opvoeding der meisjes reeds sedert lang aan die der jongens gelijk is, maar waar deze laatsten de schoolbanken veel vroeger ontvlieden, is dat contrast tusschen de beide geslachten meer waar te nemen dan ergens anders. De man is daar in het huishouden de broodwinner. Hij behoudt daarbij de hem aangeboren ruwheid, en verkrijgt die, welke hem door zijn arbeid in de open lucht, en door een geheel leven vol moeiten en gevaren medegedeeld worden. De vrouw integendeel aanvaardt dan, behalve hare huiselijke plichten, ook de beoefening der kunsten en der letteren, die door haren echtgenoot veronachtzaamd of verwaarloosd worden.

En zoo gebeurt het, dat eene wezenlijke bloem van schoonheid, van voornaamheid en bekoorlijkheid op de grenzen der woestijn bloeit. En zoo was het ook hier het geval met de dochter van den pachter John Watkins.

Cyprianus had dat alles overwogen en, daar hij recht op het doel afging, zoo had hij geen oogenblik geaarzeld, om zijn aanzoek te doen.

Helaas, zijn schoone droom was thans geëindigd. Hij zag thans voor de eerste maal den bijna onoverkomelijken afgrond, die hem van Alice scheidde. Hij kwam dan ook na dat onderhoud met een benepen hart te huis. Hij was evenwel de man niet, om zich aan een ijdele wanhoop over te geven. Hij was besloten [17] te strijden, te strijden op dat terrein, terwijl hij in den arbeid weldra een zekere afleiding voor zijne smart vond.

De jeugdige ingenieur eindigde, nadat hij aan zijne kleine schrijftafel plaats genomen had, met een loopend en fijn schrift, den langen en vertrouwelijken brief, dien hij des morgens begonnen was en die geadresseerd was aan zijn hooggeachten onderwijzer, den heer M.J. .... lid van de Akademie van Wetenschappen en professor aan de Mijnschool.

“.... Wat ik niet heb moge neerschrijven in mijne officiëele memorie,” schreef hij, “omdat het voor mij nog slechts eene hypothese vormt, is het denkbeeld, dat ik wel geneigd ben aan te nemen na de veelvuldige geologische waarnemingen, die ik gedaan heb op het terrein, omtrent de ware wijze van ontstaan van den diamant. Noch de hypothese, die hem een vulkanischen oorsprong verleent, noch die, welke zijne verschijning in de tegenwoordige lagen, waarin hij aangetroffen wordt, aan ontzettende omkeeringen in de natuur toeschrijft, kunnen mij evenmin als u, waarde leermeester, voldoen. Ik heb voor u de beweegredenen niet op te sommen, die mij hun doen miskennen. De vorming van den diamant op de plaats door de werking van het vuur, is ook eene te nevelachtige opvatting, die mij evenmin voldoet. Welken aard zou dat vuur gehad hebben, en hoe komt het dat het vuur de kalkgesteenten van allerhande soorten, die in de diamanten legeringen aangetroffen worden, niet gewijzigd heeft? Die stelling komt mij eenvoudig kinderachtig voor, geheel en al als de evenknie van de leer der dwarrelwinden of van die der gehaakte atomen.

“De eenige uitlegging, die mij zou kunnen voldoen, zoo niet geheel dan toch binnen zekere grenzen, is die van den aanvoer door waterkracht van de bestanddeelen der oorspronkelijke kiem, en van hare latere kristalvorming op de plaats. Ik ben zeer getroffen door het bijzondere, bijna gelijkvormige profiel van de verschillende legeringen, die ik in oogenschouw genomen en met de meeste zorg gemeten heb. Allen vertoonen min of meer den vorm van een soort beker of een soort kopvormige schaal of nog eerder, wanneer rekening gehouden wordt met de korst die ze omgeeft, van eene jagerflesch, die op haren kant zoude liggen. Het is als een ontvanger van dertig of veertig duizend kubieke meters, waarin een geheel agglomeraat van zand, van modder en van aanslibbingsgrond, op een bodem van oorspronkelijk rotsgesteente verzameld zoude zijn. Dit karakter valt vooral op te merken bij de Vandergaart-Kopjes-Mijn, een van de laatst ontdekte legeringen, die, zooals ik het ter loops kan mededeelen, toebehoort aan den eigenaar van de hut, waarin ik u zit te schrijven.

“Wanneer men in eene kop- of komvormige schaal een vocht schenkt, waarin vreemde stoffen in oplossing zijn, wat gebeurt er dan? Al die vreemde lichamen ploffen voornamelijk op den bodem en langs de wanden van de kopvormige schaal neer. Welnu, hetzelfde wordt in de Kopjes-mijn waargenomen. Vooral in den bodem, in het centrum van het bekken, maar ook langs de uiterste grens daarvan worden de diamanten aangetroffen. En dat feit staat zoo vast en is zoo zeer bekend, dat de daartusschen liggende claims spoedig beneden den middelbaren prijs dalen, terwijl de centrale concessiën of die in de nabijheid der wanden van het bekken al zeer spoedig een buitensporigen prijs erlangen, wanneer maar eenmaal de vorm van de legering bepaald is. Die overeenkomst pleit dus ten sterkste ten voordeele van een vervoer der bestanddeelen door het water.

“Van een anderen kant bestaan een groot aantal omstandigheden, die gij allen in mijne memorie zult vinden, en die op eene vorming op de plaats der kristallen wijzen bij voorkeur boven een vervoer in reeds gevormden toestand. Om daarvan maar twee of drie aan te halen, kan dienen, dat de diamanten bijna altijd vereenigd bij groepen van dezelfde geaardheid en van dezelfde kleur aangetroffen worden, wat zeker niet gebeurd zou zijn, wanneer zij door een bergstroom aangevoerd waren in reeds gevormden staat. Men vindt er zeer dikwijls twee die samengevoegd, als aan elkander gegroeid zijn, maar die zich bij den minsten schok scheiden. Hoe zouden zij aan het gewrijf en aan de wisselvalligheden, van een vervoer door stroomend water veroorzaakt, hebben kunnen weerstand bieden? Daarbij [18] de zware diamanten worden steeds als beschut door eene rots aangetroffen, hetgeen er op zou duiden, dat het de invloed van die rots is—hare warmte-uitstraling of wie weet welke andere oorzaak, die de kristalvorming bevorderd heeft. Het is zeldzaam ten slotte, zeer zeldzaam zelfs, dat groote en kleine diamanten bij elkander worden aangetroffen. Telkens wanneer een fraaie steen aangetroffen wordt, is geen andere in de onmiddellijke nabijheid gevonden. Het is alsof alle diamantenstof-houdende bestanddeelen van het omringende nest, om dat zoo eens uit te drukken, zich ditmaal onder den invloed van bijzondere omstandigheden, tot één enkelen kristal verdicht hebben.

“Deze omstandigheden en vele anderen daarenboven doen mij dus overhellen tot de hypothese der wording op de plaats zelve, nadat de bestanddeelen voor de kristalvorming door den waterstroom bijgebracht zijn.

“Maar vanwaar kwamen die wateren die de organische bestanddeelen meeslibden, die bestemd waren om in diamanten omgezet te worden? Zie, dat heb ik in weerwil van de meest oplettende studie, die ik van de verschillende terreinsoorten gemaakt heb, niet kunnen opsporen.

“Die ontdekking zou toch niet van belang ontbloot zijn. Want kon men inderdaad den weg volgen, die door de wateren gebaand is, waarom zou men dan, door steeds hooger op te gaan, het uitgangspunt niet vinden, waaruit al de diamanten hunnen oorsprong gehad hebben, daar waar er voorzeker een veel grootere menigte aanwezig moeten zijn, dan in de tegenwoordige kleine bekkens, die ontgonnen worden, het geval is? Dat zou een volledig bewijs voor mijne stelling zijn en dat zou mij zeer gelukkig maken.

“Ik ben evenwel bij mijne ontledingen der rotsen gelukkiger geweest.”

En nu trad de jonge ingenieur, terwijl hij zijn verhaal voortzette ten opzichte van zijne werkzaamheden, in technische bijzonderheden, die ongetwijfeld van het hoogste belang voor hem en zijnen correspondent waren, maar die van den minder wetenschappelijke gevormden lezer waarschijnlijk diezelfde uitspraak niet zouden erlangen. Daarom achten wij het voorzichtig hem die te besparen.

Cyprianus doofde te middernacht, na zijn langen brief geëindigd te hebben, zijne lamp uit, kroop in zijn hangmat en sliep weldra den gerusten slaap des rechtvaardigen.

De arbeid had de smart althans gedurende eenige uren verstompt. Een bevallige verschijning evenwel liet zich herhaalde malen te midden der droomen van den jongen geleerde bespeuren en die verschijning zeide hem dat hij nog niet moest wanhopen.

Vierde hoofdstuk.

De van der Gaart-Kopjes-Mijn.

“Waarachtig, ik moet vertrekken,” sprak Cyprianus Méré den volgenden morgen tot zich zelven, terwijl hij bezig was zijn morgentoilet te maken. “Ja, ik moet Grikwaland verlaten! Na alles wat die man mij voorgespiegeld heeft, zou het meer dan zwakheid wezen, wanneer ik nog een dag hier bleef! Hij wil mij zijne dochter niet geven? Misschien heeft hij wel gelijk! In ieder geval past het mij niet bij deze gelegenheid verzachtende omstandigheden te bepleiten. Ik moet met mannelijken moed die uitspraak, hoe smartelijk zij mij ook is, aanvaarden en mag slechts op de toekomst hopen!”

En zonder langer te dralen, begon Cyprianus zijne werktuigen in de kisten te pakken, die hij bewaard had om ze bij wijze van buffetten en kasten te bezigen. Hij was ijverig in de weer en hij arbeidde sedert een uur of twee dapper, toen een heldere stem door het geopende venster met de morgenlucht naar binnen drong en weerklonk alsof een leeuweriken-gezang van den voet van het buitenplein tot hem opsteeg en een der heerlijkste melodiën van den dichter Moor voordroeg:

“It is the last rose of summer,

Left blooming alone;

All her lovely companions

Are faded and gone”.

“Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit, alle hare beminnelijke gezellinnen zijn verwelkt of dood.”

Cyprianus liep naar het venster en bemerkte Alice, die zich naar de omheinde plaats begaf, waar hare struisvogels [19] gestald waren. Zij had haren voorschoot vol lekkernijen volgens hunnen smaak. En zij was het, die zoo de rijzende zon met haar gezang begroette.

“I will not leave thee, thou lone one!

To pine on the stem,

Since the lovely are sleeping.

Go sleep with them....”

“Ik zal u niet laten—u geheel alleen—kwijnen op uw stengel, terwijl de andere schoonen zijn gaan slapen. Kom, slaap met haar!”

De jeugdige ingenieur meende, dat hij niet bijzonder gevoelig was voor de dichtkunst, en toch, die verzen maakten diepen indruk op hem. Hij bleef bij het raam staan, hield zijn adem in en luisterde naar die lieve woorden, of beter uitgedrukt, hij dronk ze.

Het zingen hield op. Miss Watkins deelde het voeder aan hare struisvogels uit en schepte er groot genoegen in, hen hunne lange halzen en hunne eigenaardige bekken te zien uitrekken bij het naderen van hare kleine plaagzieke hand. Toen zij hare uitdeeling beëindigd had, keerde zij naar het woonhuis terug en zong andermaal:

“It is the last rose of summer,

Left blooming alone....

Oh! who would inhabit

This black world alone?”....

“Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit. Ach, wie zou geheel alleen deze sombere wereld willen bewonen?”

Cyprianus stond met vochtige oogen steeds op dezelfde plaats en scheen als vastgenageld door eene betoovering.

De stem verwijderde zich. Alice zou weldra de hoeve binnentreden. Zij was nog maar op ongeveer twintig meter er van verwijderd, toen een gedruisch van versnelde schreden haar deed omkijken en haar noodzaakte plotseling stil te staan.

Cyprianus was onbewust, maar door een onweerstaanbaar gevoel gedreven, blootshoofds zijne hut uitgestormd en liep het jonge meisje achterna:

“Juffrouw Alice!....”

“Mijnheer Méré?....”

Thans stonden zij, terwijl de opkomende zon hen bescheen, vlak tegenover elkander op den weg, die rondom de hoeve voerde. Hunne rijzige schaduwen vertoonden zich bevallig, maar scherp geteekend tegen de wit houten omrastering, die zich in dat kale landschap verhief. Nu Cyprianus het jonge meisje ingehaald had, scheen hij over zijne eigene daad verwonderd en zweeg thans besluiteloos.

“Hebt gij mij iets te zeggen, mijnheer Méré?” vroeg zij belangstellend.

“Ik wil afscheid van u nemen, juffrouw Alice!.... Ik vertrek heden nog”.... antwoordde hij met haperende stem.

De zachte kleur, die de fijne huid van miss Watkins tintte, verdween plotseling.

“Vertrekken?.... Gij wilt vertrekken?.... Waarheen?” vroeg zij geheel van haar stuk gebracht.

“Naar mijn vaderland terug.... naar Frankrijk,” antwoordde Cyprianus. “Mijne werkzaamheden zijn hier geëindigd!.... Mijne zending is afgeloopen.... Ik heb niets meer in Grikwaland uit te voeren.... en ik ben verplicht naar Parijs terug te keeren.”

Terwijl hij zoo met weifelende en afgebroken stem sprak, had hij wel het uiterlijk van een schuldige, die zich verontschuldigde.

“Ach!.... Ja!.... Dat’s waar!.... Dat moest zoo gebeuren, niet waar?” stamelde Alice, zonder eigenlijk te weten wat zij zeide.

Het jonge meisje was geheel van haar stuk gebracht. De tijding overviel haar zoodanig te midden van haar onbewust gelukkig bestaan, dat het was alsof zij door een knotsslag getroffen was. Plotseling parelden dikke tranen in hare oogen en pinkten aan de lange wimpers, die hen beschaduwden. En daar die uitbarsting van smart haar tot de werkelijkheid teruggevoerd had, herkreeg zij eenige kracht om te glimlachen:

“Vertrekken!....” herhaalde zij. “En uwe toegenegen leerlinge dan? Wilt gij haar verlaten, vóór dat zij haren scheikundigen cursus voltooid heeft?.... Wilt gij, dat ik bij de zuurstof steken blijf, en dat de geheimenissen van de stikstof mij nimmer geopenbaard zullen worden?.... Dat is zeer slecht, mijnheer!”

Zij trachtte zich goed te houden en te spotten; maar de toon van hare stem logenstrafte hare woorden.

Ook schuilde onder die luchthartige [20] woorden een diepe zin, die recht toe het hart van den jonkman bereikte. Want eigenlijk kon het door haar gesprokene aldus vertolkt worden:

“Welnu, en ik dan?.... Telt gij mij niet mede?.... Voor u besta ik eenvoudig niet, zooals het schijnt. Gij zijt u hier te midden van die Boeren, van die hebzuchtige mijnwerkers komen vertoonen als een hooger en meer bevoorrecht wezen, als een geleerd, fier, belangeloos en uitstekend man!.... Gij hebt mij een blik doen slaan in uwe studiën en uwe werkzaamheden.... Gij hebt mij uw hart geopend; gij hebt mij uwe neigingen, uwe literarische voorliefde, uwen kunstsmaak doen deelen!.. Gij hebt mij geopenbaard, welke afstand bestaat tusschen een denker zoo als gij zijt en de tweevoetige dieren, die mij omringen!.... Gij hebt alles aangewend om u te doen bewonderen en te doen beminnen!.... Daarin zijt gij volkomen geslaagd!.... En dan komt gij mij zoo maar zonder eenigen omhaal mededeelen, dat gij heengaat, dat het uit is, dat gij naar Parijs terugkeert en trachten zult, mij hoe eer hoe liever te vergeten!....

“En gij gelooft daarbij voorzeker, dat ik mij wijsgeerig en met berusting aan mijn lot zal onderwerpen?”

Ja, dat alles straalde in de woorden van Alice door, en hare vochtige oogen verkondigden dat zoo duidelijk, dat Cyprianus op het punt was dat onuitgesproken en toch zoo welsprekend verwijt te beantwoorden. Het scheelde inderdaad weinig, of hij riep onbewust uit:

“Ik moet heen!.... Gisteren smeekte ik uwen vader, dat hij mij u tot vrouw zou geven!.... Hij weigerde zonder eenige hoop te laten koesteren! Begrijpt gij nu, waarom ik vertrekken moet?”

Maar hij herinnerde zich bij tijds zijne belofte. Hij had zich verbonden, nimmer aan de dochter van John Watkins iets te openbaren omtrent den schoonen droom, dien hij gedroomd had; en hij zou zich zelven als verachtelijk veroordeeld hebben, wanneer hij zijn woord niet hield.

Hij gevoelde evenwel hoe ruw dat plan was om te vertrekken, hetwelk hij onder den invloed zijner teleurstelling gevormd had. Het kwam hem zelfs onzinnig en wreed voor. Het scheen hem thans onmogelijk toe, dat bekoorlijke kind, hetwelk hij beminde en dat hem wederkeerig liefhad, zoo zonder voorbereiding, zoo zonder uitstel te verlaten. En dat zij hem liefhad, dat was maar al te zichtbaar. Ongetwijfeld, zij was onder den invloed eener oprechte en diepgewortelde genegenheid.

Hij gevoelde thans afschuw voor dat besluit, hetwelk hij twee uren vroeger genomen, en dat hij toen als uiterst noodzakelijk beschouwd had. Thans durfde hij het zelfs niet meer bekennen.

Ja, hij ging er toe over dat besluit te loochenen.

“Als ik over mijn vertrek spreek, juffrouw Alice,” zei hij, “dan moet gij niet denken, dat ik dezen morgen of zelfs heden reeds wil heengaan!.... Ik moet nog eenige aanteekeningen maken,—dan moet ik ook mijne maatregelen treffen!.... In ieder geval, ik zal de eer hebben om u weer te zien, om met u te praten.... over uwe studieplannen.”

Toen draaide Cyprianus plotseling op de beide hielen rond en nam de vlucht niet ongelijk aan een dwaas! Hij vloog naar zijne hut, liet zich daar op een stoel vallen en verviel in een diep gepeins.

Zijn gedachtengang was geheel veranderd.

“Zou ik, bij gebrek aan wat geld, van zoo veel bevalligheid afstand doen?” sprak hij tot zich zelven. “Zou ik reeds bij den eersten hinderpaal de partij als verloren beschouwen? Is dat wel zoo manmoedig, als ik mij dat verbeeld? Zou het niet beter zijn eenige vooroordeelen op te offeren en mij harer waardig trachten te maken?.... Er bestaan zoo vele lieden, die met diamantzoeken in weinige maanden een vermogen verwerven! Waarom zou ik dat ook niet doen? Wat zou kunnen beletten, dat ook ik er in slaagde een steen van honderd karaten te vinden, zooals dat zoovelen wedervaren is; of beter, waarom zou ik geen nieuwe legering ontdekken? Ik bezit voorzeker meer theoretische en practische kennis dan het meerendeel der menschen hier! Waarom zou de wetenschap mij niet verschaffen, wat de arbeid, door een weinig geluk geholpen, aan zoo velen gegeven heeft?.... En goed beschouwd, ik waag er niets bij met te probeeren. [21] Zelfs van het standpunt mijner zending beschouwd, kan het niet als eene overbodige daad aangemerkt worden, wanneer ik de schop ter hand neem en mijnwerker word!.... En, als ik eens mocht slagen?.... als ik eens rijk werd door dat oorspronkelijke middel?.... wie weet, of John Watkins zich dan niet liet vermurwen, wie weet of hij dan niet op zijn eerstgenomen besluit zou terugkomen. Dat doeleinde is wel waard, dunkt me, dat er de proef van genomen wordt!....”

Cyprianus liep daarop zijn laboratorium op en neer. Zijne armen waren daarbij evenwel in rust; zijn denkvermogen alleen arbeidde.

Plotseling bleef hij stilstaan, daarop greep hij zijn hoed en ging naar buiten.

Nadat hij het pad ingeslagen had, dat naar de vlakte voerde stapte hij met groote passen in de richting van de Vandergaart-Kopjes-Mijn voort.

In minder dan een uur had hij die bereikt.

De mijnwerkers keerden juist in dit oogenblik in menigte naar hun kampement terug, om hun tweede ontbijt te nuttigen. Cyprianus vroeg zich af, terwijl hij al die getaande gezichten in oogenschouw nam, tot wien hij zich zou wenden om de inlichtingen in te winnen, die hij noodig had, toen hij eindelijk te midden van een groep het open gelaat herkende van Thomas Staal den gewezen mijnwerker van Lancashire. Hij had al twee of driemaal gelegenheid gehad om hem te ontmoeten, sedert zij te zamen in Grikwaland gekomen waren en hij had zich daarbij overtuigd, dat de brave kerel welvarende was, zooals zijn blozend gelaat, zijne spiksplinternieuwe kleeren en vooral de breede lederen riem, die zijn middel omsloot, afdoende getuigden.

Cyprianus besloot om hem aan te spreken en hem deelgenoot van zijne plannen te maken, hetgeen trouwens in weinige woorden geschiedde.

“Gij wilt een claim pachten? Wel niets is gemakkelijker dan dat: wel te verstaan, als gij geld hebt!” antwoordde hem de mijnwerker. “Er is juist een beschikbaar naast de mijne. Vier honderd pond sterling1, dit is te geef! Met vijf of zes negers, die hem voor uwe rekening ontginnen zullen, kunt gij er op rekenen, dat gij per week voor drie of vier honderd gulden minstens zult vinden!”

“Maar, ik heb geen vier honderd pond sterling en ik bezit zelfs geen enkel negertje,” zei Cyprianus.

“Welnu, koop dan een gedeelte van een claim, een achtste of een zestiende zelfs, en bewerk dat zelf. Dan komt gij met een groote vijf honderd gulden al ver.”

“Dat komt meer met mijne middelen overeen,” antwoordde de jeugdige ingenieur. “Maar, gij mijnheer Staal, hoe hebt gij het aangelegd. Vertel mij dat eens, als ik niet te onbescheiden ben. Zijt gij hier als bezitter van een kapitaal aangekomen?”

“Ik ben hier met mijn beide armen aangekomen, maar had daarenboven drie kleine goudstukken in den zak,” antwoordde de andere. “Maar, het is mij meegeloopen. Ik heb eerst een achtste in halve rekening met een ander ontgonnen, die evenwel liever in het koffiehuis zat dan dat hij zijne zaken behartigde. Wij waren overeengekomen dat wij de vondsten zouden deelen, en waarlijk, ik was niet ongelukkig. Ik vond onder anderen een steen van vijf karaten, die wij voor twee honderd pond sterling verkochten! Maar, het begon mij te vervelen voor dien luilak te arbeiden. Ik kocht toen een zestiende, dat ik voor mij alleen ontgon. Daar ik er slechts kleine steenen vond, heb ik dat tien dagen geleden van de hand gedaan. Ik werk thans weer in halve rekening met een man, afkomstig van Australië, in zijn claim; maar wij hebben in de eerste week slechts vijf pond met ons beiden gewonnen.”

“Als ik een gedeelte van een goeden claim voor een niet te duren prijs kan koopen, zoudt gij dan genegen zijn u met mij te associeeren, om dien te ontginnen?” vroeg de jonge ingenieur.

“Voorzeker,” antwoordde Thomas Staal; “echter op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat ieder onzer behouden zal, wat hij vindt. Dat is geen wantrouwen jegens u, mijnheer Méré. Maar ziet ge, ik bemerk wel, dat ik, sedert ik hier ben, steeds de lijdende partij ben wanneer er gedeeld wordt, want de schop en het pikhouweel kennen mij en ik verricht tweemaal meer werk dan [22] anderen!”

“Die voorwaarde komt mij billijk voor,” antwoordde Cyprianus.

“O!” riep eensklaps de Lancashire-man uit, terwijl hij den ingenieur in de rede viel. “Een inval en waarschijnlijk een goede ook!.... Als wij met ons beiden een der claims van John Watkins pachtten?”

“Hoe, een zijner claims? Is de geheele grond van de Kopjes-Mijn niet zijn eigendom?”

“Ongetwijfeld, mijnheer Méré; maar gij weet dat het koloniale gouvernement er zich dadelijk meester van maakt, zoodra het bekend is, dat er diamantlegeringen bestaan. Het is het gouvernement die de mijnen bestuurt, voor het kadaster zorgt, die de claims afdeelt en daarbij het grootste gedeelte van den pachtprijs voor zich behoudt en aan den eigenaar slechts een vaste som uitbetaalt. Het moet evenwel erkend worden, dat die vaste som nog een prachtig inkomen daarstelt, wanneer de mijn zoo uitgestrekt als de Kopjes-Mijn is; terwijl van een anderen kant de eigenaar steeds de voorkeur geniet, om een zoo groot getal claims te kunnen terugkoopen, als hij slechts kan laten bewerken. Dat is juist het geval met John Watkins. Hij heeft behalve den feitelijken eigendom van de geheele mijn, bovendien nog verscheidene claims in ontginning. Maar die ontginning gaat niet zoo als hij wel zou willen, omdat het pootje hem belet ter plaatse zelve tegenwoordig te zijn, en ik ben van meening, dat hij u wel aanneembare voorwaarden zoude stellen, wanneer ge hem voorsloegt een claim van hem over te nemen.”

“Toch zou ik wenschen, dat de onderhandeling daarover tusschen u en hem gevoerd werd,” antwoordde Cyprianus.

“Och, als het slechts daar op aan komt” hernam Thomas Staal. “Die zaak kan spoedig in het reine gebracht worden.”

Drie uren later was de halve claim, numero 942, die behoorlijk met paaltjes afgebakend en op de kaart aangeduid werd, in deugdelijken vorm herverpacht aan de heeren Méré en Thomas Staal, tegen de onmiddellijke betaling van een premie van negentig pond2 en tegen de voldoening van de patent-onkosten bij den ontvanger. Bovendien was in het huurcontract wel degelijk vermeld, dat de huurders de opbrengst hunner ontginning met John Watkins moesten deelen en dat zij hem bij wijze van royalty of koningsrecht de drie eerste diamanten boven de tien karaten zouden afstaan, die mochten gevonden worden. Niets duidde aan dat die gebeurlijkheid zich zoude voordoen, maar zij was mogelijk. In de diamantvelden was alles mogelijk.

Alles wel bezien, kon de zaak als buitengewoon voordeelig voor Cyprianus beschouwd worden en Mr. Watkins gaf hem dat met zijne gewone vrijmoedigheid, terwijl hij met hem klonk bij de onderteekening van het contract, genoegzaam te kennen.

“Gij hebt de wijste partij gekozen, mijn jongen,” zei hij, terwijl hij hem op den schouder klopte. “Er zit pit in u en het zou mij niet verwonderen, wanneer gij een der beste mijnwerkers van geheel Grikwaland werdt.”

Cyprianus meende in die woorden een gelukkig voorteeken voor de toekomst te ontdekken.

Miss Watkins, die bij de onderhandeling tegenwoordig was, vertoonde een overheerlijken, helderen zonnestraal in hare blauwe oogen! Neen, waarachtig niet; niemand zou ooit geloofd hebben, dat die oogen gedurende den geheelen morgen geweend hadden!

Als bij stilzwijgende overeenkomst, werd door beide partijen iedere nadere verklaring omtrent het treurige tooneel, op dien morgen voorgevallen, vermeden. Cyprianus bleef, dat was buiten kijf en dat was toch, alles wel beschouwd, het voornaamste.

De jonge ingenieur verwijderde zich thans met een verruimd hart, om zijne maatregelen nopens zijne verhuizing te treffen. Hij nam slechts eenige kleedingstukken in een valies mede, daar hij voornemens was zich onder eene tent in de onmiddellijke nabijheid van de Vandergaart-Kopjes-Mijn te vestigen en slechts naar de hoeve weer te keeren om daar eenige uren van uitspanning door te brengen. [23]


1 4800 gulden.

2 1080 gulden.

Vijfde hoofdstuk.

Eerste ontginnings-arbeid.

De beide vennooten togen reeds den volgenden morgen al heel vroeg aan den arbeid. Hun claim was bij den rand van de Kopjes-Mijn gelegen en moest dus rijk zijn, wanneer namelijk de theorie van Cyprianus Méré gegrond was. Die claim was ongelukkig reeds vlijtig ontgonnen en reikte tot op een diepte van vijftig en meer meters de ingewanden der aarde.

Dat was in zeker opzicht een voordeel omdat, daar de bodem van die claim veel lager was dan die der omringenden, de huurders, volgens de wetten des lands, in eigendom verkregen al den grond en bijgevolg ook al de diamanten, die van de rondom liggende hoogten eens naar beneden mochten rollen.

De arbeid was zeer eenvoudig. De vennooten begonnen met schop, spade en pikhouweel zoo eenvoudig mogelijk een zeker gedeelte aarde los te maken. Toen dat klaar was, klom een hunner op den rand der mijn en heesch met een ijzeren kabel de emmers naar boven, die de andere met grond vulde.

Die grond werd vervolgens met eene kar naar de hut van Thomas Staal vervoerd. Daar werd hij met behulp van groote stukken hout grovelijk geplet en vervolgens van de waardelooze keisteenen ontdaan; men liet hem vervolgens door een netvormige zeef loopen, welker mazen vijftien millimeters wijdte hadden, om de kleinere steenen af te zonderen, die eerst goed onderzocht werden, alvorens ze weg te werpen. De grond werd eindelijk ten tweede male gezift, maar in een zeef met zeer kleine openingen, om er het stof van te scheiden, waarna hij geschikt was, om aandachtig onderzocht te worden.

Die aarde werd dan op een tafel uitgeschud, waaraan de beide mijnwerkers plaats namen, gewapend met een soort hark, die van blik vervaardigd was. Zij doorzochten die aarde alsdan handvol voor handvol met de grootste zorg, waarna zij haar onder de tafel wierpen, om later opgeruimd te worden, wanneer het afgeloopen was.

Al die werkzaamheden hadden ten doel om te ontdekken of er geen diamant in was al ware ’t slechts ter dikte van een halve linskorrel; maar de vennooten boogden op zeer veel geluk, wanneer de dag niet eindigde, zonder dat zij een enkel steentje gevonden hadden. Zij werkten met de meest mogelijke vlijt en ziftten de aarde van den claim met de uiterste zorg, maar de resultaten waren, dat viel niet te ontkennen, gedurende de eerste dagen geheel onbeduidend, ja bijna nul.

Vooral scheen Cyprianus geen geluk te hebben. Werd er een enkel diamantje in den grond aangetroffen, dan was het bijna altijd Thomas Staal, die het vond. De eerste, die hij het genoegen had te ontdekken, woog niet eens ten volle een zesde gedeelte van eene karaat, het omhulsel er onder begrepen.

De karaat is een gewicht dat vier grein zwaar is, dus ongeveer het vijfde gedeelte van een gram of wichtje.1 Een diamant van het helderste water, dat wil zeggen, die zuiver, droogachtig en kleurloos is, heeft eene waarde, nadat hij geslepen is, van honderd vijf en twintig gulden, wanneer hij een karaat zwaar is. Maar hebben de diamanten, die minder wegen, eene evenredig mindere waarde, daarentegen rijzen zij, die zwaarder zijn, sneller en in immer toenemende rede aan waarde. Men rekent gewoonlijk, dat de handelswaarde van een onberispelijken steen gelijk is aan het vierkant van zijn gewicht, uitgedrukt in karaten, vermenigvuldigd met den marktprijs van de karaat. Veronderstelt men dus, dat die marktprijs honderd vijf en twintig gulden is, dan is de prijs van een diamant van tien karaten, die aan de bovenomschreven hoedanigheden voldoet, tien maal tien of honderd maal honderd vijf en twintig of twaalf duizend vijf honderd gulden.

Maar de steenen van tien karaten en zelfs van een karaat zijn zeer zeldzaam. Het is juist daarom, dat zij zoo duur zijn. Er dient hier ook nog bij verteld te worden, dat de diamanten bijna allen een gele tint vertoonen, waardoor hunne waarde aanmerkelijk vermindert.

De vondst van een steentje, dat niet eens een zesde gedeelte van een karaat woog, was, na een onafgebroken arbeid van zeven of acht dagen, wel [24] een magere vergoeding voor al de moeiten en den afmattenden arbeid, die het gekost had. Tegen dat resultaat was het voordeeliger geweest, den akker te bebouwen, schapen te hoeden of keien langs de wegen stuk te kloppen. Dat herhaalde Cyprianus voortdurend in zich zelven.

Toch dreef hem de hoop, dat hij vroeg of laat een fraaien diamant zou vinden, die hem opeens voor den arbeid van vele weken of van vele maanden schadeloos zou stellen, tot volhouden aan. Die hoop ondersteunde hem, zooals zij alle mijnwerkers, zelfs de minst geloovige doet. Wat Thomas Staal betrof, die arbeidde zooals een werktuig dit zou doen, dat wil zeggen: zonder er bij te denken. Het scheen, althans oppervlakkig beschouwd, dat hij het door zijn vlug werken zoo ver gebracht had.

De beide vennooten ontbeten gewoonlijk te zamen en vergenoegden zich met een paar broodjes, die zij met bier besproeiden, dat zij bij een drankverkooper kochten, die zijn handel in de open lucht dreef; maar zij gebruikten hun maaltijd aan een der talrijke openbare tafels, die elkander de klandiezie van de mijnwerkers van het kamp betwistten. Thomas Staal ging des avonds wanneer zij van elkander scheidden om ieder zijns weegs te gaan, gewoonlijk naar de een of andere biljartzaal, om eene partij te spelen. Cyprianus daarentegen ging gewoonlijk een paar uren op de hoeve van John Watkins doorbrengen.

Daar had de jeugdige ingenieur heel dikwijls het ongenoegen, zijn medeminnaar James Hilton te ontmoeten, een grooten lummel met rosachtig haar, blankwitte huid, en een met vlekken bezaaid gelaat, die machtig veel van groote zomersproeten hadden. Dat die mededinger zeer veel vorderingen in de gunst van John Watkins maakte, zal door den lezer niet betwijfeld worden, wanneer wij er bijvoegen, dat de slungel nog meer gin dronk en nog meer Hamburger tabak rookte dan de modelvader zelf.

Daartegenover, stond evenwel, dat Alice slechts eene hooge mate van minachting koesterde voor de boerenbevalligheden en het weinig smakelijk onderhoud van den jongen Hilton. Maar zijne tegenwoordigheid was toch onverdraaglijk voor Cyprianus, en soms zelfs in die mate, dat hij, voelende zich niet meer te kunnen bedwingen, opstond, het gezelschap goeden avond wenschte en heenging.

“Die Frenchman is ontevreden!” zei dan John Watkins, terwijl hij een oog tegen zijn makker knipte. “Het schijnt, dat de diamanten niet van zelf in zijn zak vloeien!”

En dan lachte James Hilton zoo dom mogelijk bij die woorden.

Wanneer zoo iets gebeurde, dan ging Cyprianus gewoonlijk zijn avond doorbrengen, bij een braven Boer, die zich dicht bij het kamp gevestigd had en Jacobus Vandergaart heette.

Het was naar zijn naam, dat de Kopjes-mijn, op welker grond hij zich in de eerste tijden der concessie neergezet had, genoemd werd. Als men hem mocht gelooven, dan was hij door een oneerlijke uitspraak der rechterlijke macht ten gerieve van John Watkins van zijn eigendom ontzet. Thans was hij geheel geruïneerd en leefde in eene leemen hut, waarin hij zich onledig hield met het diamantslijpen, welk ambacht hij vroeger in Amsterdam, zijne geboorteplaats uitgeoefend had.

De mijnwerkers toch brachten hem zeer dikwijls steenen, hetzij om de waarde te weten te komen die zij zouden behouden, na aan het snijden en slijpen onderworpen te zijn, hetzij om ze te laten kloven, hetzij om ze meer fijne bewerkingen te doen ondergaan. Maar die laatste arbeid vereischte eene vaste hand en een scherp gezicht, en oude Jacobus Vandergaart, die vroeger een voortreffelijk werkman was, ondervond tegenwoordig veel moeite om het hem opgedragen werk uit te voeren.

Cyprianus, die hem opgedragen had den door hem gevonden diamant te slijpen en in een ring te zetten, had spoedig eene zekere genegenheid voor hem opgevat. Hij hield er van den eenvoudigen Boer in zijne werkplaats te gaan opzoeken, om wat met hem te praten of eenvoudig om hem wat gezelschap te houden, wanneer hij bezig was met diamantslijpen. Jacobus Vandergaart zag er met zijn witten baard, zijn kaal hoofd, dat met een kalotje van zwart fluweel bedekt was, met zijn langen spitsen neus, waarop een bril met groote ronde oogen prijkte, geheel en al uit [25] als een oude alchimist van de vijftiende eeuw, zooals hij daar te midden zijner vreemdsoortige werktuigen en zijne flesschen met allerhande zuren troonde.

Op eene werktafel, die voor het raam geplaatst was, bevonden zich in een houten nap de ruwe diamanten, die Jacobus Vandergaart toevertrouwd waren, en welker waarde soms aanmerkelijk was. Wilde hij er een kloven, welks kristalvlakken hem niet volmaakt voorkwamen, dan begon hij eerst met zijn vergrootglas de richting der snijdingslijnen na te gaan, die alle kristallen in stukken met evenwijdigloopende vlakken verdeelen. Dan maakte hij met den scherpen kant van een reeds gekloofden diamant eene insnijding in de gewenschte richting, bracht daarin een klein stalen lemmet en sloeg daarop een korten, krachtigen slag.

Daardoor werd de diamant langs een zijner kristalvlakken gekloofd, en de beweging werd verder langs de andere herhaald.

Wilde daarentegen Jacobus Vandergaart een steen snijden, of, om juister te spreken, hem volgens een vastgestelden vorm afslijpen, dan begon hij met de vaststelling van dien vorm, dien hij er aan geven wilde, door op het omhulsel van den diamant met krijt de voorgestelde kleine vakken of facetten te teekenen. Daarna bracht hij ieder dezer vakken in aanraking met een anderen diamant, en onderwierp die beide aan een langdurige wrijving, den een tegen den anderen. De beide steenen sleten alsdan elkander af, en zoo vormde zich de gemelde facet langzamerhand.

Zoo slaagde Jacobus Vandergaart er in, om aan den steen een der vormen te verleenen, die door het gebruik het meest aangenomen zijn en die tot drie groote afdeelingen teruggebracht kunnen worden, namelijk: de “dubbele briljant”, de “enkele briljant”, en de “roos”.

De “dubbele briljant” bestaat uit vier-en-zestig facetten, uit een achtkantig vlak, dat tafel genoemd wordt, en uit een culas of broek, die het benedengedeelte vormt.

De “enkele briljant” vertoont eenvoudig de helft van een dubbelen briljant.

De “roos” is van onderen plat, terwijl het bovenste gedeelte met facetten koepelvormig bijgeslepen is.

Zeer zelden kreeg Jacobus Vandergaart een “briolet” te slijpen, dat wil zeggen: een diamant die noch bovenvlak, noch benedenvlak geeft, maar die den vorm eener peer aangenomen heeft. De brioletten worden in Indië bij hun dun einde doorboord, om er een koordje door te kunnen rijgen.

Wat de “pendeloquen” of oorhangers betreft, die de oude diamantslijper meermalen te slijpen kreeg, dit waren halve peervormige steenen met tafels en culas, die slechts facetten op hunne voorzijde vertoonen.

Was de diamant eenmaal gesneden, dan bleef er slechts nog over hem te polijsten om het werk geëindigd te noemen. Die bewerking geschiedde met behulp van eene soort slijpsteen, die eenvoudig uit eene stalen schijf bestond, die ongeveer acht-en-twintig centimeters doorsnede had en plat op tafel neergelegd werd, maar die toch onder de werking van een groot rad met zwengel om eene as kon draaien met eene snelheid van twee- of drieduizend omwentelingen in de minuut. Die schijf werd met olie besmeerd en daarna met diamantstof, afkomstig van het snijden, bestrooid, waarna Jacobus Vandergaart de facetten van zijn steen de eene voor de andere na tegen die schijf drukte, totdat zij volmaakt gepolijst waren. De zwengel werd óf door een kleinen Hottentotschen jongen gedraaid, die daartoe, wanneer dit noodzakelijk was, bij den dag ingehuurd werd, óf door een vriend, zooals Cyprianus er een was, en die dan ook nimmer er tegen opzag dien dienst uit loutere vriendschap te bewijzen.

En gedurende den arbeid bleven de monden niet dicht; integendeel, men praatte veel. Somwijlen zelfs staakte Jacobus Vandergaart plotseling zijn arbeid, om eenige geschiedenis uit een lang vervlogen tijd te vertellen, waarbij hij dan niet vergat zijn bril tot op zijn voorhoofd te schuiven. En inderdaad, hij wist veel, zoo niet alles, aangaande dit gedeelte van zuidelijk Afrika, hetwelk hij sedert veertig jaren bewoonde. En wat zijne verhalen eene ongemeene aantrekkelijkheid bijzette, was juist, dat hij de overlevering des lands ongeschonden weergaf, eene overlevering welke geheel jeugdig en levendig was.

Die oude diamantslijper kon vooral [26] niet zwijgen, wanneer hij op het kapittel zijner patriotsche en personeele grieven gebracht werd. Volgens hem waren de Engelschen de grootste afzetters, die door de aarde ooit gedragen werden. Hieromtrent moest hem de geheele verantwoordelijkheid zijner meeningen, die blijkbaar overdreven waren, gelaten worden, hoewel ze alleszins vergeeflijk waren.

“Het is waarachtig niet te verwonderen,” herhaalde hij steeds met voldoening, “dat de Vereenigde Staten van Amerika zich onafhankelijk verklaard hebben. Indië en Australië zullen ook wel zoo handelen; dat kan niet uitblijven! Welk volk wil zulke tirannie verdragen?.... O, mijnheer Méré, als de wereld al de onrechtvaardige bedrijven kende, welke die Engelschen, die zoo trotsch op hunne gouden guinjes en op hunne zeemacht zijn, over de geheele oppervlakte der aarde gepleegd hebben, dan bestond er geen woord in de menschelijke taal, dat beleedigend genoeg zou kunnen klinken, om hen in het aangezicht te spuwen.”

Cyprianus keurde die taal niet goed. Hij keurde ze ook niet af. Hij luisterde slechts, zonder te antwoorden.

“Wil ik u verhalen, wat ze mij geleverd hebben, mij, die thans tot u spreek?” hernam Jacobus Vandergaart terwijl hij zich opwond. “Luister naar mij, en dan zult gij kunnen uitmaken of er twee meeningen omtrent die schavuiten bestaan kunnen.”

Toen Cyprianus hem verzekerd had, dat hij hem daarmede veel genoegen zou doen, verhaalde de brave Boer het navolgende:

“Ik ben in 1806 gedurende eene reis, die mijne ouders ondernomen hadden, te Amsterdam geboren. Later ben ik daar teruggekomen om er mijn ambacht te leeren; maar ik heb mijne kindsheid aan de Kaap doorgebracht, waarheen mijne familie een vijftig jaren vroeger getrokken was. Wij waren Hollanders, en daar zijn wij nog zeer trotsch op, toen Groot-Brittanje zich van de kolonie meester maakte, voorloopig, zooals het beweerde. Maar John Bull geeft niet licht weer, wat hij eenmaal geroofd heeft. In 1815 werden wij door Europa, dat in Congres vereenigd was, plechtig tot onderdanen van het Vereenigd Koninkrijk verklaard.

“Ik vraag u in gemoede, wat Europa zich met deze Afrikaansche landstreken te bemoeien had?

“Engelsche onderdanen! maar mijnheer Méré, dat wilden wij niet zijn! Toen, overwegende dat Afrika wel groot genoeg zou zijn om ons een vaderland in vollen eigendom te verschaffen, verlieten wij de Kaapkolonie, om in de wilde binnenlanden, die zich ten noorden van ons uitstrekten, binnen te dringen. Men noemde ons toen Boeren of ook wel Voortrekkers. Ja, dat zijn wij! Boeren! d.w.z. landbouwers! Voortrekkers! d.w.z. pioniers, die steeds vooruit willen!

“Nauwelijks hadden wij die nieuwe gronden in akkers ontgonnen; nauwelijks hadden wij ons met hard werken en noesten vlijt andermaal een onafhankelijk bestaan geschapen, toen het Engelsche gouvernement die streek ook opeischte—steeds onder voorwendsel dat wij Britsche onderdanen waren.

“Toen had onze groote Exodus plaats. Dat was in 1833. Andermaal trokken wij in massa uit. Na onze wagens met onze meubelen, akkergereedschappen en graan beladen te hebben, spanden wij er onze ossen voor en drongen wij dieper de woestijn binnen.

“In dien tijd was Natal nagenoeg geheel ontvolkt. Een bloeddorstige veroveraar, Tchaka genaamd, een ware Neger-Attila, tot den stam der Zoeloe’s behoorende, had daar meer dan een millioen menschen om het leven gebracht in het tijdvak van 1812 tot 1828. Zijn opvolger, Dingaan, heerschte ook slechts door schrik en angst te verspreiden. Het was deze wilden-koning, die ons toestond, om ons in die landstreek te vestigen, waar thans de steden Durban en Port-Natal verrijzen.

“Maar het was slechts met de bijgedachte om ons aan te vallen, wanneer ons land bloeien zou, dat die gluiperd van een Dingaan, ons deze toestemming verleende! Ieder wapende zich dan ook om tegenweer te kunnen bieden, en het was slechts ten gevolge onzer overgroote inspanningen, en ik durf er bijvoegen, ten gevolge der heldenfeiten, in meer dan honderd gevechten tentoongespreid, waarbij onze vrouwen en onze kinderen aan onze zijde streden, dat het mogelijk was, ons in het bezit die [27] landen, die wij met ons zweet en bloed besproeid hadden, te handhaven.

“Maar ziet, nauwelijks hadden wij over den zwarten despoot gezegevierd en zijne macht vernietigd, toen het gouvernement van de Kaap ons eene Engelsche kolonne toezond, met opdracht om het grondgebied van Natal in bezit te nemen in naam van Hare Majesteit de Koningin van Engeland!.... Gij ziet, men beschouwde ons steeds als Britsche onderdanen! Dat gebeurde in 1842.

“Andere emigranten van onzen landaard hadden de Transvaal ten onder gebracht en de macht van den tyran Moselekatze langs de boorden der Oranje-rivier vernietigd. Ook zij zagen zich hun nieuw vaderland, dat zij met zooveel moeite verworven hadden, bij eene eenvoudige dagorder ontnemen!

“Och, ik sla de bijzonderheden maar over. Die strijd duurde twintig jaren. Steeds trokken wij verder, maar ook steeds strekte Groot-Brittanje de roofzuchtige hand naar ons uit, als naar zoovele slaven, die haar toebehoorden, zelfs na haar verlaten te hebben.

“Eindelijk, na zeer vele moeilijkheden en na vele bloedige gevechten, geraakten wij er toe onze onafhankelijkheid in den Oranje-Vrijstaat te doen erkennen. Een koninklijke verordening, door Koningin Victoria, op den 8sten April 1854 geteekend, verzekerde ons de vrije bezitting onzer gronden en het recht om ons bestuur naar onzen zin in te richten. Wij vestigden dientengevolge eindelijk eene Republiek, en toen eerst kon beweerd worden, dat onze Staat gegrond was op de stipte eerbiediging der wettelijke bepalingen, op de vrije ontwikkeling der individueele geestkracht, en op het zuiver onderwijs, waarmede alle maatschappelijke klassen bedeeld werden. Inderdaad, die jeugdige Staat kon tot voorbeeld strekken aan menige natie, die zich waarschijnlijk meer beschaafd achtte dan dat kleine uithoekje van de Zuidpunt van Afrika.

“Grikwaland maakte daar deel van uit. Het was tegen dien tijd, dat ik mij als pachter in hetzelfde huis, waarin wij ons thans bevinden, met mijne arme vrouw en mijne twee kinderen vestigde. Toen zette ik de omheining uit van mijne kraal of veepark op de plek zelve der mijn, die gij thans ontgint. Tien jaren later kwam John Watkins in het land en trok er zijne eerste hut op. Men wist toen niet, dat de streek diamanten opleverde, en wat mij betreft, ik had sedert dertig jaren, dat ik hier woonde, zoo weinig gelegenheid om mijn oud handwerk van diamantslijper uit te oefenen, dat ik mij ternauwernood het bestaan van edelgesteente herinnerde!

“Het gerucht verspreidde zich plotseling, in het jaar 1867, dat onze gronden hier diamanthoudend waren. Een Boer, bewoner van de oevers van de Hart, had zelfs de diamanten in de uitwerpselen zijner struisvogels ontdekt, zelfs in de leemen muren zijner pachthoeve.2

“Dat was nauwelijks bekend, of het Engelsche gouvernement, aan zijne oneerlijke en inhalige staatkunde getrouw, verklaarde, met terzijdestelling van al de gesloten verdragen en van alle mogelijke rechten, dat Grikwaland Britsch grondgebied was.

“Onze Republiek protesteerde te vergeefs! Zij bood te vergeefs aan, het geschil aan de scheidsrechterlijke beslissing van een Regeeringshoofd in Europa te onderwerpen. Engeland weigerde stoutweg iedere scheidsrechterlijke tusschenkomst en nam ons eigendom in bezit.

“Nu mocht men hopen, dat de private eigendomsrechten door onze onrechtvaardige bestuurders geëerbiedigd zouden worden! Ik voor mij, die ten gevolge der schrikkelijke besmettelijke ziekte, die in 1878 woedde, weduwnaar was geworden en mijne kinderen verloren [28] had, zag er tegen op, om alweer een nieuw huis te gaan bouwen, het zesde of zevende gedurende mijn lange loopbaan! Ik bleef dus in Grikwaland en bleef misschien geheel alleen bevrijd van de diamantkoorts, die bijna iedereen aangetast had. Ik ging voort met het bebouwen van mijn groententuin, even alsof de diamantelegering van Du Toit’s Pan niet op een geweerschotsafstand van mijn huis ontdekt was.

“Maar verbeeld u mijne verwondering toen ik op zekeren morgen ontwaarde, dat de muur van mijn kraal, die volgens gewoonte in drogen steen opgeschoten was, gedurende den nacht afgebroken was en dat de materialen op driehonderd meter verder in de vlakte gebracht waren. John Watkins, geholpen door een honderdtal Kaffers, had ter zelf der plaats een andere kraal opgericht, die zich aan de zijne aansloot en die een heuvel van roodachtige zandaarde omsloot, die tot op dat oogenblik mijn onbetwistbaar eigendom was.

“Ik beklaagde mij bij John Watkins over die wederrechtelijke toeëigening..... hij lachte mij openlijk uit. Ik dreigde hem een proces aan te doen, hij raadde mij aan dit te beproeven.

“Drie dagen later gingen mij de oogen open en begreep ik de raadselachtige handeling. Die zandheuvel was eene diamantlegering. Toen John Watkins daar de zekerheid van bekomen had, haastte hij zich mijne omheining te verbreken en te verplaatsen. Daarna vertrok hij naar Kimberley om de nieuwe mijn officieel op zijn naam te laten inschrijven.

“Ik begon een proces.... Och, mijnheer Méré, geve de hemel, dat gij nooit een geding voor een Engelsch gerechtshof te voeren moogt hebben....! Ik raakte voor en na mijne ossen, mijne paarden en mijne schapen kwijt!.... Ik verkocht tot mijne meubelen, tot mijne schamele kleeding, om die bloedzuigers in menschengedaante, die men solicitors, attorney’s, sherifs en deurwaarders noemt, de handen te vullen... Om kort te gaan, na een jaar lang heen en weer gedobberd en in gespannen verwachting doorgebracht te hebben, na voortdurend de hoop teleurgesteld te zien, werd het vraagstuk omtrent mijn eigendomsrecht eindelijk in laatste instantie uitgemaakt, zonder dat er eenig beroep of cassatie meer mogelijk was....

“Ik had mijn proces verloren, en, wat erger was, ik was totaal ten gronde gericht. Een vonnis verklaarde mijne vorderingen ongegrond en ontzegde mij mijn eisch, aangezien—zoo stond er in te lezen—het der rechtbank onmogelijk was het wederzijdsche recht van beide partijen helder en overtuigend uit te maken, maar dat het voor de toekomst van belang was, dat thans eene niet te veranderen grens getrokken werd. Men stelde dan ook den vijf-en-twintigsten graad westerlengte van Greenwich als grenslijn vast, die de beide eigendommen zou scheiden. Het terrein, ten westen daarvan gelegen, werd toegewezen aan John Watkins, en dat oostwaarts daarvan gelegen aan Jacobus Vandergaart.

“De motieven, die de rechters tot deze zonderlinge grensverdeeling leidden, was dat werkelijk die vijf-en-twintigste lengtegraad op den plattegrond van het district over het grondgebied, waarop mijn kraal gestaan had, getrokken was.

“Maar de mijn, helaas! lag ten westen van die lijn en viel dus natuurlijk John Watkins ten deel.

“Evenwel, om onuitwischbaar aan te duiden, hoe de openbare meening over dat onrechtvaardig vonnis dacht werd de mijn sedert steeds de Vandergaart-Kopjes-mijn genoemd.

“Welnu, mijnheer Méré, heb ik niet eenigermate het recht om te beweren, dat de Engelschen schurken zijn?” vroeg de oude Boer, toen hij zijne geschiedenis, die stipt met de waarheid overeenkwam, eindigde.


1 Weegt zuiver, 0,2052 gram.

2 Die Boer heette Jacobs. Een zekere Niekerk, Hollandsch handelaar, die daarin die streken in gezelschap van een struisvogelen-jager, O’Reilly genaamd, reisde, herkende in de handen der kinderen van dien Boer een steen, waarmede zij speelden, een echten diamant, dien hij voor weinige stuivers kocht en dien hij voor zes-duizend-twee-honderd-vijftig gulden van de hand zette aan sir Philip Woodehouse, Gouverneur van de Kaapkolonie. Deze steen, die onmiddellijk geslepen naar Parijs gezonden werd, verscheen op de Parijsche tentoonstelling op het Marsveld in 1867 gehouden. Sedert dat tijdstip is er gemiddeld voor een jaarlijksche bedrag van twintig millioen aan diamanten uit den bodem van Grikwaland te voorschijn gehaald. Een zeer wetenswaardige bijzonderheid is, dat het bestaan der diamanthoudende legeringen in dat land vroeger bekend, maar sedert in het vergeetboek geraakt was. Er bestaan oude kaarten van de XVe eeuw, waarop deze vermelding te lezen staat: Here diamonds, hetgeen beteekent: Hier zijn diamanten te vinden.

Zesde hoofdstuk.

Kampzeden.

Dat onderwerp van gesprek kon voor den jeugdigen ingenieur niet aangenaam zijn. Dat zal iedereen moeten toegeven. Dergelijke inlichtingen omtrent de minder stipte eerlijkheid van den man, dien hij als zijn toekomstigen schoonvader bleef beschouwen, konden onmogelijk in zijn smaak vallen. Hij kwam er dan ook weldra toe, om de meening van Jacobus Vandergaart over de Kopjes-mijn te beschouwen als het idée fixe van een pleiter, die zijn proces [29] verloren heeft en waarvan dus veel af te dingen valt.

Hij had eens over die zaak een enkel woord tegen John Watkins gezegd. Deze was eerst in lachen uitgebarsten, had verder geen antwoord gegeven, maar zijn wijsvinger aan het voorhoofd gebracht, alsof hij wilde te kennen geven, dat het met Jacobus Vandergaart mis was en dat zijn gezond verstand hem al meer en meer in den steek liet.

Zou het inderdaad niet mogelijk zijn, dat de grijsaard, onder den indruk van de ontdekking der zoo rijke diamantlegering, zich zonder voldoende motieven in het hoofd gehaald had, dat die mijn zijn eigendom was? Maar alles goed bezien, de rechtbanken hadden hem geheel in het ongelijk gesteld, en het was zeer onwaarschijnlijk dat de rechters hem verongelijkt zouden hebben. Zoo was de redeneering, die de jonge ingenieur zich zelven gedurig herhaalde, om een verontschuldiging voor zijn eigen geweten te hebben, dat hij nog eenige gemeenschap met John Watkins onderhield, na al hetgeen Jacob Vandergaart omtrent dien man medegedeeld had.

Er was nog een andere buurman in het kamp, bij wien Cyprianus ook bij gelegenheid gaarne een praatje ging maken, omdat hij er het leven der Boeren in al zijne oorspronkelijkheid terugvond. Die bevoorrechte was een pachter, die Matthijs Pretorius heette en bij al de mijnwerkers van geheel Grikwaland goed bekend was.

Die Matthijs Pretorius had ook, hoewel hij te nauwernood veertig jaren oud was, langen tijd in het uitgestrekte bekken der Oranje-rivier rondgezworven, alvorens hij zich in deze streek neergezet had. Maar dat zwervend leven had voor hem hetzelfde gevolg niet gehad als voor den ouden Jacobus Vandergaart. Hij was er namelijk niet door vermagerd en ook niet door verbitterd. Hij was er eerder door verwilderd en zoodanig in vetheid toegenomen, dat hij moeite had om te gaan. Men kon hem gevoegelijk met een olifant vergelijken.

Hij was bijna altijd in een kolossalen houten armstoel gezeten, die speciaal vervaardigd was, om zijne zwaarwichtige vormen te bevatten. Matthijs Pretorius bewoog zich buitenshuis niet anders dan in een rijtuig, in een soort van tentwagen, van gevlochten teenen vervaardigd, waarvoor een reusachtige struisvogel gespannen was. De gemakkelijkheid, waarmede deze steltlooper de zware massa achter zich aansleepte, was wel geschikt, om een zeer hoog denkbeeld van de kracht zijner spieren te geven.

Matthijs Pretorius kwam gewoonlijk naar het kamp, ten einde den een of anderen groentenhandel, met de kooplieden in die waren te sluiten. Hij was er zeer gewild, hoewel niet op zeer benijdenswaardige wijze; want zijn populariteit grondde zich op zijn buitengewone bangheid. De mijnwerkers vonden er dan ook het grootste genoegen in, om hem vreeselijk beangst te maken en bereikten dat doel door hem allerhande dwaasheden te verhalen.

Nu eens vertelde men hem dat een inval van de Bassuto’s of van de Zoeloe’s te duchten was. Een andermaal hield men zich in zijne tegenwoordigheid, alsof men uit een dagblad las, dat een wetsontwerp aanhangig was, om in de geheele uitgestrektheid der Engelsche bezittingen de doodstraf in te voeren op een ieder, die overtuigd zou worden van meer dan driehonderd pond zwaar te zijn! Of ook deelde men hem mede, dat een dolle hond bespeurd was op den weg van Driefontein, waardoor de arme Matthijs Pretorius, die langs den weg naar huis terug moest keeren, duizend en meer redenen en uitvluchten vond om in het kamp te blijven toeven.

Maar al die hersenschimmige angsten haalden niets bij den werkelijken angst, dien hij koesterde, dat op zijn grondeigendom eene diamantmijn zou worden ontdekt. Bij voorbaat ontwierp hij reeds een schrikkelijke schildering van hetgeen dan zou gebeuren, wanneer hebzuchtige menschen zijn groententuin zouden binnendringen, daar zijne perken en bedden zouden omwoelen, en hem eindelijk van zijne bezittingen zouden verdrijven en die onteigenen. Want, er viel niet aan te twijfelen, dan zou hem een dergelijk lot als dat van Jacobus Vandergaart treffen! De Engelschen zouden wel drogredenen vinden, om te bewijzen dat zijne bezitting hun eigendom was.

Wanneer die sombere gedachten hem overvielen, dan martelden zij hem letterlijk. Wanneer hij bij ongeluk een [30] landmeter of een opnemer in de nabijheid zijner woning zag rondzwerven, dan was hem alle lust benomen, dan at en dronk hij dien dag niet!.... En toch, het viel niet te ontkennen, hij werd steeds vetter!

Een zijner bitterste plaaggeesten was thans Hannibal Pantalucci. Die boosaardige Napolitaan—wien het, tusschen twee haakjes gezegd, zeer naar wensch scheen te gaan, want hij had drie Kaffers op zijn claim in dienst en stalde een kolossalen diamant op het borststuk van zijn plooihemd uit—had het zwak van den rampzaligen Boer ontdekt. Hij liet dan ook niet na, zich eens per week het genoegen van zeer twijfelachtig allooi te verschaffen, om grondboringen in de nabijheid van de hoeve van Pretorius te gaan verrichten of den grond daar in den omtrek te gaan omspitten.

Het eigendom van den Boer strekte zich op den linkeroever van de Vaalrivier uit en was ongeveer op twee mijlen bovenstrooms van het kamp gelegen. Het bestond voornamelijk uit aanslibbingsgronden, die waarachtig zeer goed diamanthoudend konden zijn, hoewel tot heden niets daarvan was gebleken. Hannibal Pantalucci nam de voorzorg, om zijne akelige scherts te doen slagen, door zich zoodanig voor de vensters van Matthijs Pretorius te plaatsen, dat deze hem zien moest, terwijl hij daarenboven steeds een paar vrienden medenam om van die grap te genieten.

Men kon dan den armen drommel zien, zooals hij verborgen achter zijne katoenen gordijnen, stond te gluren om al hunne bewegingen met angstvalligheid gade te slaan en om al hunne gebaren te spionneeren. Hij was dan steeds gereed om naar zijn stal te ijlen, ten einde zijn struisvogel aan te spannen, om te kunnen ontvluchten, zoodra hij zeker meende te zijn dat zijn eigendom hem zoude ontweldigd worden.

Waarom was hij ook zoo ongelukkig of beter zoo dom geweest, om aan een zijner vrienden toe te vertrouwen dat hij zijn trek-vogel dag en nacht opgetuigd gereed hield, dat hij de bergplaatsen van zijn tentwagen steeds voorzien hield van mondbehoeften, om in staat te zijn, bij het eerste daadwerkelijke begin van wederrechtelijke toeëigening, weg te ijlen.

“Ik ga dan naar de Boschjesmannen, die ten noorden van de Limpopo-rivier wonen,” zei hij. “Tien jaren geleden dreef ik ivoorhandel met hen. En het is duizendmaal meer verkieslijk zich te midden der wilden te bevinden, of te midden der leeuwen, tijgers, jakhalzen en ander wild gedierte, dan te midden van die onverzadelijke Engelschen te blijven!”

Maar die vertrouwde vriend van den ongelukkigen pachter had zich als echt vertrouwde gehaast die plannen aan Jan en Alleman te vertellen! Het zal wel onnoodig zijn er bij te voegen, dat Hannibal Pantalucci daar zijn voordeel mee deed, om de mijnwerkers uit den omtrek van tijd tot tijd een koddig schouwspel te bezorgen.

Een ander slachtoffer van de zoutelooze snakerijen van dien Napolitaan was, zooals wij vroeger reeds verteld hebben, de Chinees Li.

Die had zich ook bij de Vandergaart-Kopjes-mijn gevestigd en had eenvoudig een waschhuis opgericht. Het is bekend, dat de zonen van het Hemelsche Rijk uiterst geschikt zijn om als waschbazen op te treden.

Waarachtig, die roode doos, welke gedurende de geheele reis van de Kaap naar Grikwaland de nieuwsgierigheid van Cyprianus geprikkeld had, bevatte slechts borstels, soda, stukken zeep en blauwsel. Alles goed gerekend, heeft een ontwikkeld Chinees niet meer noodig om in dat land een vermogen te verzamelen. Onze jeugdige ingenieur kon veelal een glimlach niet weerhonden, wanneer hij Li ontmoette, die, steeds zwijgend en achterhoudend, met zijn mand aan den arm daarheen stapte, om het linnengoed bij zijne klanten terug te brengen.

Maar wat hem toch woedend maakte, was dat Hannibal Pantalucci inderdaad wreed ten opzichte van dien armen drommel te werk ging. Nu eens wierp hij eenige flesschen inkt in zijn zeepsop; dan weder spande hij een touw dwars voor zijn deur ten einde hem te doen vallen; een anderen keer nagelde hij hem aan zijn bank vast, door met een mes zijn kiel in het hout vast te steken. Als de gelegenheid schoon was, dan liet hij haar nooit ontglippen om den armen drommel tegen de beenen te schoppen [31] en hem daarbij voor heidenhond uit te schelden. En dat hij hem zijne klandizie geschonken had, was alleen om zich wekelijks aan zijne plagerijen te kunnen overgeven. Hij vond nimmer zijn linnen helder genoeg, hoewel Li zijn uiterste best deed en het zeer zorgvuldig streek. Om de minste verkeerde plooi werd hij schrikkelijk boos, en dan ranselde hij den ongelukkigen Chinees, alsof hij zijn slaaf ware.

Zoodanig waren de ruwe genoegens van het kamp, die evenwel soms als een treurspel eindigden. Zoo gebeurde het wel eens, bij voorbeeld, dat een neger, die in de mijn te werk gesteld was, beschuldigd werd een diamant gestolen te hebben. Dan begeleidde een ieder den beklaagde tot voor den magistraat, terwijl hij onderweg met vuistslagen overladen werd, zoodat, wanneer de rechter hem onschuldig bevond en hem ontsloeg, hij die mishandelingen toch alvast beet had. Hoewel er bij verklaard moet worden, dat in dergelijke gevallen een bevel tot invrijheidstelling zeer zelden gegeven werd. De rechter was nog eerder met eene veroordeeling klaar dan met het verorberen van een schijfje van een oranjeappel in zout gedoopt,—hetgeen een der lekkerste snoeperijen van het land is. Het vonnis verwees gewoonlijk den beschuldigde tot veertien dagen dwangarbeid en tot twintig slagen met de cat of nine tails, de kat met negen staarten, eene soort van uitklopper met knoopen, waarvan men nu nog in Groot-Brittanje en in de overzeesche bezittingen van dat Rijk gebruikt maakt, om de gevangenen te ranselen.

Maar er was eene misdaad, die nog minder genade in de oogen der mijnwerkers vond dan de diefstal; dat was het helen.

De Yankee Ward, dezelfde die te gelijkertijd met den jongen ingenieur in Grikwaland aangekomen was, deed daarvan eens de wreede ondervinding op, door eenige diamanten van een Kaffer op te koopen. Nu kan een Kaffer geen wettig bezitter van diamanten zijn, daar de wet hem het recht ontzegt, die bij een claim te koopen of een mijn voor eigen rekening te ontginnen.

Het feit was nauwelijks bekend geworden,—dat gebeurde tegen den avond, op het tijdstip dat de bevolking van het kamp na haren maaltijd het meest rumoerig was,—of eene woedende menigte viel op het huis van den schuldige aan, brak dat tot op den grond toe af en stak de materialen daarna in brand. Zeer waarschijnlijk had men den Yankee opgehangen aan eene galg, die gewillige borsten reeds overeindstelden, toen zeer gelukkig een dozijn rijdende politiedienaren bij tijds aankwam en hem het leven redde, maar hem daartoe naar de gevangenis moest meênemen.

Tooneelen van geweld kwamen daarenboven te midden van die gemengde, hartstochtelijke en half wilde bevolking veelvuldig voor. Daar kwamen al de rassen in botsing met elkander. Daar werkten de gouddorst, de dronkenschap, de invloed van een verzengend klimaat, de teleurstellingen en de misrekeningen te zamen om de hersenen te verhitten en de gewetens te verwarren. Wellicht wanneer al die mannen gelukkig in hunne delvingen waren, zouden zij meer hunne kalmte en hun geduld bewaard hebben; maar tegen een enkele, die van tijd tot tijd eens een steen van groote waarde vond, stonden er honderden, die moeitevol een plantenleven leidden en te nauwernood zooveel verdienden om in hunne eerste behoeften te voorzien. Veelal vervielen zij in de grootste ellende. De mijn kon beschouwd worden als de groene tafel in een speelhol, waarop men niet alleen zijn kapitaal, maar ook zijn tijd, zijne moeite en zijne gezondheid waagde. En het getal der gelukkige spelers, die de claims van de Vandergaart-Kopjes-mijn met hunne pikhouweelen doorwroetten, was zeer klein.

Dat begon Cyprianus van dag tot dag meer en meer helder in te zien. Hij vroeg zich dan ook ernstig af, of hij al dan niet voortgaan moest met een arbeid, die hem zoo bitter weinig voordeel opbracht, toen hij er eensklaps toe kwam om zijne gewone wijze van doen bij zijn werk te wijzigen.

Hij bevond zich namelijk op een morgen vlak tegenover eene bende, bestaande uit een dozijn Kaffers, die naar het kamp toe kwam om er werk te zoeken.

Die arme lieden kwamen uit het verre gebergte, dat het eigenlijke Kafferland van het land der Bassuto’s scheidt. Zij hadden meer dan honderd-vijftig [32] uren gaans afgelegd langs de Oranjerivier, en daarbij op Indiaansche wijze, dat wil zeggen: de een achter den ander, geloopen. Onderweg hadden zij geleefd van hetgeen zij vonden, van wortels, bessen en sprinkhanen. Zij waren dan ook zoo vermagerd, dat zij eerder op geraamten geleken dan op levende wezens. Met hunne uitgeteerde spillebeenen, met hunne geheel naakte ruggen, die als met perkament overtogen waren en veel van een leegen romp hadden, met hunne vooruitstekende ribben, hunne ingevallen wangen, hadden zij er meer van op een flinken beafsteak van menschenvleesch belust te zijn, dan wel geneigd bevonden te worden eene goede karwei te volvoeren. Niemand was dan ook genegen om hen in dienst te nemen, en zij zaten thans op den kant van den weg neergehurkt, met een weifelachtig uiterlijk, terneergeslagen en als het ware verdierlijkt door de ellende.

Bij dat schouwspel voelde Cyprianus zich diep bewogen. Hij gaf hun door teekens te verstaan, dat zij hem zouden wachten, liep toen naar het hotel terug, waar hij gewoonlijk zijn maaltijd gebruikte, en bestelde daar een grooten ketel gevuld met maïsmeel, dat in kokend water opgelost was, dien hij de arme drommels deed brengen, te gelijker tijd met eenige blikken bussen verduurzaamd vleesch en twee flesschen rum.

Daarna schonk hij zich de pret, die lieden te zien smullen aan een maaltijd, welks weerga zij nimmer onder de oogen gehad hadden.

Waarachtig, men zou gemeend hebben schipbreukelingen voor zich te zien, die, na gedurende veertien dagen honger geleden en in doodsangst doorgebracht te hebben, van een watervlot gered waren! Zij aten zooveel, dat hunne buiken een kwartier later tot barstens toe gevuld waren. In het belang hunner gezondheid moest een eind gemaakt worden aan die smulpartij, anders kon eene algemeene verstikking de gasten naar het rijk der dooden doen verhuizen.

Een enkele van die negers, met een slim en ontwikkeld uiterlijk—de jongste van allen, voor zooveel een oordeel over hun ouderdom te vellen was,—had eenige matigheid bij het stillen van zijn honger aan den dag gelegd. En wat nog meer zeldzaam was, hij kwam op de goede gedachte zijn weldoener te bedanken, wat in het brein der anderen in het geheel niet opkwam. Hij naderde Cyprianus, greep zijne hand met een kinderlijk en bevallig gebaar, en legde deze daarna op zijn gekroesd hoofd.

“Hoe heet gij?” vroeg de jonge ingenieur, door dat dankbaarheidsbetoon getroffen, om wat te zeggen.

De Kaffer, die bij toeval eenige woorden Engelsch verstond, antwoordde dadelijk:

“Makatit.”

Zijn heldere en vertrouwvolle blik beviel Cyprianus. Hij vatte dan ook dadelijk het denkbeeld op, dien flink gebouwden jongen aan te werven, om in zijn claim te arbeiden, en dat denkbeeld kon niet anders dan goed wezen.

“Iedereen hier in het district doet zoo, alles wel beschouwd!” sprak hij tot zich zelven. “En voor dien armen Kaffer zal het ook beter zijn mij tot meester te hebben, dan den een of anderen Pantalucci.

“Welnu, Makatit, je komt voorzeker werk zoeken?” vroeg hij.

De Kaffer gaf een bevestigend teeken.

“Wil je bij mij arbeiden? Ik zal je te eten geven, ik zal je de noodige gereedschappen leveren, en daarenboven krijg je nog twintig shillings per maand!”

Dat was de bepaalde prijs, en Cyprianus wist wel, dat hij niet meer mocht uitloven, zonder zich aan de woede van de kampbewoners bloot te stellen. Maar hij maakte bij zich zelven de afspraak, die schrale betaling te vergoeden door hem kleedingstukken te schenken, alsook huisraad en andere dingen, die hij denken kon, dat kostbaar in het oog eens Kaffers waren.

Makatit lachte en vertoonde voor eenig antwoord zijn beide rijen hagelwitte tanden. Daarna plaatste hij andermaal de hand van zijn beschermer op zijn hoofd. Zoo was het wederzijdsche contract geteekend.

Cyprianus voerde dadelijk zijn nieuwen bediende in zijne woning. Hij nam uit zijn valies een linnen broek, een flanellen hemd en een ouden hoed, en gaf dit alles aan Makatit, die daar bedremmeld stond en zijne oogen niet durfde gelooven. Wat! zich reeds bij [33] zijne komst in het kamp in het bezit gesteld te zien van een zoo prachtig kostuum! Zie, dat overtrof de stoutste verwachtingen, de meest buitensporige droomen van den armen drommel. Hij wist niet hoe hij zijne dankbaarheid zoude te kennen geven. Hij danste van vreugde, hij lachte en weende te gelijker tijd.

“Ik geloof dat je een goede jongen bent, Makatit,” zei Cyprianus. “En ik geloof dat je een beetje Engelsch verstaat.... Maar kan je geen enkel woord spreken?”

De Kaffer wenkte: neen.

“Welnu, als dat zoo is, dan raad ik je aan, om het Fransch te leeren,” hernam Cyprianus.

En zonder dralen begon hij zijn leerling eene eerste les te geven. Hij wees hem de meest gebruikelijke voorwerpen aan, sprak de namen dan uit en deed ze hem herhalen.

Nu was Makatit niet alleen een kloeke jongen, maar hij had ook een ontwikkelden geest en was begaafd met een meer dan gewoon geheugen. Hij had in minder dan twee uren meer dan honderd woorden geleerd, die hij zeer zuiver uitsprak.

De jonge ingenieur was opgetogen over zulk een gemakkelijk bevattingsvermogen, en nam zich voor, dat nog meer te ontwikkelen.

Er waren voor den jongen Kaffer zeven of acht dagen rust noodig, gepaard aan eene degelijke voeding, om zich van de vermoeienissen der reis te herstellen en volkomen in staat te zijn den arbeid te beginnen. Nu waren die acht dagen zoo goed door hem en door zijn professor aangewend, dat Makatit bij het einde der week reeds in staat was zijne gedachten in het Fransch uit te drukken, nog slechts onnauwkeurig wel is waar, maar toch volkomen verstaanbaar. Cyprianus benuttigde dien staat van zaken om den neger zijne geheele geschiedenis te laten vertellen. Zij was vrij eenvoudig.

Makatit wist zelfs den naam van zijn land niet, dat in het gebergte naar den kant van de opgaande zon gelegen was. Alles wat hij er van wist te vertellen, was, dat hij het er zeer ellendig gehad had. Toen was hij op de gedachte gekomen, zijn fortuin te beproeven, zooals ettelijke krijgslieden van zijn stam gedaan hadden, die daartoe hun vaderland verlaten hadden, en zoo was hij evenals zij naar de Diamantvelden gekomen.

Wat dacht hij daar te verdienen? Niets anders dan een rooden rok en tienmaal tien zilveren geldstukken.

De Kaffers versmaden werkelijk goud geld. Dit spruit voort uit een onuitroeibaar vooroordeel, dat hun de eerste Europeanen, die met hen handel dreven, medegedeeld hebben.

En wat zou nu de hebzuchtige Makatit met die zilveren geldstukken uitvoeren?

Welnu, hij zou zich een rooden rok aanschaffen, een geweer en buskruit; daarna zou hij naar zijne kraal terugkeeren. Daar zou hij zich eene vrouw koopen, die voor hem zou werken, zijne koe zou oppassen en zijn akker met maïs beplanten. In dien toestand zou hij een belangrijk man zijn, een groot opperhoofd. Iedereen zou hem zijn geweer en zijn groot vermogen benijden, en hij zou na lange jaren geacht en geëerd ten grave dalen.

Dat was niet zeer ingewikkeld, niet waar?

Cyprianus verzonk in gedachten, toen hij dit zoo eenvoudige programma vernam. Zou hij er zich toe leenen dat te wijzigen? Moest hij den bekrompen gezichteinder van dien armen wilde verruimen? Moest hij voor zijn ijver en werkzaamheid een ander doel aanwijzen, een grootscher en verhevener dan het veroveren van een rooden rok en een prullig vuursteengeweer? Of was het niet beter, hem in zijne kinderlijke onwetendheid te laten, hem in vrede het leven in zijne kraal te laten leiden en genieten, zooals hij zoo vurig gewenscht had? Dat was een belangrijk vraagstuk, dat de jonge ingenieur niet durfde oplossen, maar dat Makatit zelf weldra tot oplossing bracht.

En waarlijk, nauwelijks waren den jeugdigen Kaffer de grondbeginselen der Fransche taal medegedeeld, of hij toonde een onverzadelijken leerlust te bezitten. Hij vroeg steeds, hij verlangde alles te weten, niet alleen den naam van ieder voorwerp, maar ook zijn gebruik, zijn oorsprong, waarvan het gemaakt was, enz. Toen kwam het leeren lezen, het leeren schrijven, het leeren rekenen aan de beurt, om hem hartstochtelijk [34] leerlustig te maken. Waarachtig, die negerjongen was onverzadelijk.

Het besluit van Cyprianus was weldra genomen. Tegenover zulk eene blijkbare roeping viel er niet te aarzelen. Hij besloot dus iederen avond een uur les aan Makatit te geven, die na zijne werkzaamheden in de mijn volbracht te hebben, al zijn vrijen tijd, die hem beschikbaar bleef, aan zijne vorming besteedde.

Miss Watkins, op hare beurt ook getroffen door dien zeldzamen ijver, nam op zich den jeugdigen Kaffer bij haar een herhalingscursus te laten doorloopen. Dat was eigenlijk minder noodig; want hij zei zijne lessen gedurende den geheelen dag bij zich zelven op, terwijl hij in den claim met krachtigen arm het pikhouweel hanteerde.

Zijn ijver bij het werk was zoo aanstekelijk, dat hij zich aan het geheele personeel mededeelde als eene besmetting zoodat de mijnarbeid veel beter en met meer zorg scheen te geschieden.

Cyprianus had daarenboven op aanbeveling van Makatit zelf een anderen Kaffer van denzelfden stam in dienst genomen, die Bardik heette en wiens ijver en schranderheid insgelijks opmerkelijk waren.

Het was in die dagen, dat den jeugdigen ingenieur een gelukje ten deel viel, dat hem nog niet overkomen was; namelijk van een steen van ongeveer zeven karaten te vinden, dien hij onmiddellijk voor twee-duizend-vijf-honderd gulden aan den makelaar Nathan verkocht.

Dat was waarlijk een fraaie vondst. Een mijnwerker, die van de opbrengst zijns arbeids slechts een normale vergoeding verwachtte zou zich met recht tevreden gesteld gezien hebben. Voorzeker! Ongetwijfeld! Toch was Cyprianus het niet.

“Als mij alle twee of drie maanden zoo’n buitenkansje wedervoer,” vroeg hij zich zelven af, “zou ik dan wel veel verder zijn? Ik moet niet één steen van zeven karaten hebben, ik zou duizend of vijftien-honderd dergelijke steenen moeten vinden,.... of Miss Watkins is voor mij verloren, om ten buit te vallen aan James Hilton of aan eenigen anderen mededinger, die haar even onwaardig is?”

Het hoofd vol van die treurige gedachten, keerde Cyprianus op een snikheeten dag, dat de atmosfeer met fijn rood verblindend stof, hetwelk in de lucht der diamantvelden steeds zwevende is, bezwangerd was, naar de Kopjes-mijn terug, toen hij plotseling, bij het omslaan van den hoek eener hut, met afgrijzen achteruit deinsde. Een treurig schouwspel trof daar zijne oogen.

Aan den disselboom eener ossenkar, die rechtop tegen den gevelmuur der hut, met het onderste gedeelte op den grond rustende en het andere einde omhoog gesteld was, was een man opgehangen. Bewegingloos, met uitgestrekte voeten, de handen machteloos omlaag, hing dat lichaam daar te midden van eene verblindende lichtstraal recht als het koord van een schietlood en vormde met den disselboom een hoek van twintig graden.

Dat was een akelig gezicht.

Cyprianus, die eerst zeer ontsteld was, werd weldra door groot medelijden bewogen, toen hij den Chinees Li herkende, die daar door middel van zijne lange haarvlecht, die om den hals was geslagen, opgehangen was.

De jeugdige ingenieur aarzelde geen oogenblik over hetgeen hij te doen had. Naar het boveneind van dien disselboom opklimmen, het lichaam des gehangenen onder de armen aanvatten, het ophijschen om de verdere werking der verstikking te doen ophouden, en eindelijk de haarvlecht met zijn zakmes doorsnijden, dat alles was het werk van een halve minuut. Toen dat volvoerd was, liet hij zich langzaam en voorzichtig naar beneden glijden en legde zijn last in de schaduw, door de hut geworpen, neer.

Het was waarlijk tijd, Li was nog wel niet koud; zijn hart klopte zwakjes, maar het klopte nog. Weldra opende hij de oogen en wat het zonderlingste was, met die beweging kreeg hij ook zijn geheele bewustzijn terug.

Op het strakke gelaat van den armen drommel was zelfs in dit uiterste beproevingsuur noch schrik noch eenige verwondering merkbaar. Men zou waarlijk gezegd hebben, dat hij eenvoudig uit een lichten slaap ontwaakt was.

Cyprianus liet hem wat water met azijn vermengd, dat hij in zijne veld flesch bij zich droeg, drinken. [35]

“Kunt gij thans spreken?” vroeg hij werktuiglijk, vergetende dat Li hem niet begreep.

De andere knikte evenwel bevestigend.

“Wie heeft u opgehangen?”

“Ik,” antwoordde de Chinees met kalmte, zonder dat iets aanduidde, dat hij er zich van bewust was iets buitengewoons of iets berispelijks verricht te hebben.

“Gij?.... Maar ongelukkige, gij wildet dan zelfmoord plegen?.... Wat bewoog u daartoe?”

“Li had het te warm!.... Li verveelde zich!....”

Daarop sloot hij de oogen, als om aan meerdere vragen te ontsnappen.

Thans bemerkte Cyprianus eerst de vreemde bijzonderheid, dat het gesprek in het Fransch gevoerd was.

“Spreekt gij ook Engelsch?” vroeg hij.

“Ja,” antwoordde Li, terwijl hij de oogen opende.

Waarachtig, het was of twee schuine knoopsgaten ter weerszijden van zijn kleinen stompneus gaapten.

Cyprianus meende thans weer in dien blik iets van die spotzucht te ontwaren, die hij herhaaldelijk meende te betrappen gedurende de reis van Kaapstad naar Kimberley.

“Uwe beweegredenen zijn al te dwaas!” zei hij gestreng. “Men doet zijn leven niet te kort omdat men het te warm heeft!.... Spreek ernstig.... Ik wed dat daaronder weer een gemeene streek van dien Pantalucci schuilt?”

De Chinees boog het hoofd.

“Hij wilde mij mijne haarvlecht afsnijden,” fluisterde hij zacht; “en ik ben zeker, dat hij in dat opzet geslaagd zoude zijn, eer wij twee dagen verder waren.”

Maar in hetzelfde oogenblik zag hij dien belangrijken haarstaart, dien Cyprianus nog steeds in de hand hield, en kreeg daardoor de overtuiging dat hetgeen wat hij boven alles gevreesd had, geschied was.

“O, mijnheer!....” riep hij met een hartverscheurenden kreet uit. “Wat!..... Hebt gij.... gij mij mijn staart afgesneden?”

“Ik moest wel, om u van dien strik los te maken, mijn vriend,” antwoordde Cyprianus. “Maar wat duivel, zult gij in dit land zonder staart een stuiver minder waard zijn? Kom, stel u niet zoo dwaas aan!”

De Chinees scheen evenwel zoo wanhopig over dat verlies te zijn, dat Cyprianus, vreezende dat hij weer het een of ander middel tot zelfmoord te baat zou nemen, besloot naar huis terug te keeren en hem mede te nemen.

Li volgde hem gewillig, zette zich aan tafel met zijn redder, liet zich geduldig kapittelen en beloofde zijne poging niet te herhalen. Zelfs ging hij zoover in zijne vertrouwelijkheid, dat hij onder het genot van een kop brandend heete thee eenige mededeelingen betreffende zijne levensgeschiedenis leverde.

Li, die te Kanton geboren werd, was in een Engelsch handelshuis voor den handel opgeleid. Daarna was hij naar Ceylon en van daar naar Australië overgestoken, om eindelijk in Afrika terecht te komen. Nergens was het hem meegeloopen. De wasch-affaire hier in het mijndistrict ging al even slecht als twintig andere handwerken, die hij uitgeoefend had. Zijne nachtmerrie was Hannibal Pantalucci. Dat wezen maakte hem ellendig, en zonder dien kerel zou hij tevreden zijn met de schamele bete broods, die hij in Grikwaland verdiende. Om kort te gaan, het was om die vervolgingen en die martelingen te ontgaan, dat hij een einde aan zijn leven had willen maken.

Cyprianus troostte den armen kerel en sprak hem moed in. Hij beloofde hem tegenover den Napolitaan te zullen beschermen, gaf hem al zijn vuil linnen, dat hij onder de hand had, om te wasschen, en zond hem heen niet alleen getroost, maar volmaakt genezen van zijn bijgeloof betreffende zijn harig aanhangsel.

En wil de lezer weten hoe de jonge ingenieur dat doel bereikt had? Niets eenvoudiger dan dit: Hij had hem met den meest mogelijken ernst verzekerd, dat de strop eens gehangenen geluk aanbrengt en dat de invloed van zijn ongelukkig gesternte een einde zou nemen, nu hij zijn staart in den zak had.

“In ieder geval zal Pantalucci hem nu niet meer kunnen afsnijden!”

Deze echt Chineesche redeneering bracht Li’s genezing tot volmaking. [36]

Zevende hoofdstuk.

De aardstorting.

Sedert vijftig dagen had Cyprianus geen enkelen diamant in zijne mijn gevonden. Dat mijnwerkersbaantje, dat hem voorkwam een ellendig baantje te zijn, wanneer men althans geen geld genoeg heeft om een uitstekenden claim te koopen en een dozijn Kaffers daarin te werk te stellen, begon hem dan ook mooi de keel uit te hangen.

Dientengevolge liet Cyprianus op zekeren morgen Makatit en Bardik alleen met Thomas Staal vertrekken en bleef in zijne hut achter. Hij wilde een brief van zijn vriend Pharamond Barthés beantwoorden, die hem tijdingen had doen toekomen door tusschenkomst van een ivoorhandelaar, die op reis naar de Kaapstad was.

Pharamond Barthés was in de wolken over zijne jagersleven en over de door hem ondervonden avonturen. Hij had reeds drie leeuwen gedood, zestien olifanten en zeven tijgers, zonder nog te spreken van een onnoemlijk aantal giraffen en antilopen. Van het kleine wild maakte hij eenvoudig geen gewag.

Hij voedde, zeide hij, den oorlog door den oorlog, evenals dat de historische veroveraars deden. Hij slaagde er niet alleen in om het geheele expeditionaire korps, dat hij met zich voerde, te onderhouden, maar het zou hem gemakkelijk gevallen zijn, wanneer hij zulks gewild had, groote winsten te behalen met den verkoop van de pelterijen en van het ivoor, van die jachtpartijen afkomstig, of door ruilhandel te drijven met de Kafferstammen, in welker midden hij leefde.

Hij eindigde zijn schrijven in dier voege:

“Zult gij mij niet vergezellen bij het volvoeren eener reis langs de boorden van de Limpopo-rivier? Ik zal er tegen het eind van de aanstaande maand aankomen. Ik heb het plan dien stroom af te zakken tot zijne ontwatering in de Delagoa-baai, om vervolgens over zee naar Durban terug te keeren, waarheen ik volgens contract mijne Bassuto’s terugvoeren moet. Laat toch dat schrikkelijke Grikwaland voor eenige weken links liggen en kom mee....”

Cyprianus las en herlas dien brief, toen eensklaps eene vreeselijke losbarsting vernomen werd, die onmiddellijk door een helsch spektakel in het kamp gevolgd werd. Hij vloog natuurlijk in alle haast op en stormde zijne tent uit.

Al de mijnwerkers liepen in de grootste wanorde en met al de teekenen eener buitengewone radeloosheid naar de mijn.

“Eene aardstorting!” schreeuwde men van alle kanten.

De nacht was inderdaad zeer frisch, ja, koud te noemen geweest, terwijl de vorige dag als een der warmsten, die men in langen tijd beleefd had, kon aangerekend worden. Gewoonlijk na zulke groote en spoedig ingevallen temperatuursverschillen hadden samenkrimpingen van de blootgestelde aardmassa’s plaats, waardoor zulke rampen als de hier aangeduide mogelijk werden.

Cyprianus haastte zich naar de Kopjes-mijn.

Toen hij daar aankwam, overzag hij het gebeurde met één blik.

Een aarden wal van minstens zestig meter hoogte en van twee honderd meter lengte was van boven tot onder gespleten en vormde eene gaping, die heel veel geleek op de bres van een door geschut geteisterden muur. Verscheidene duizenden kubieke meters grind waren losgeraakt en naar beneden gestort, waar zij de claims met zand, met steenen en met aarde bedolven. Alles wat zich op het oogenblik der aardstorting boven op den rand bevonden had, als menschen ossen, karren enz., was plotseling in den afgrond te recht gekomen en lag daar door elkander.

Gelukkig dat het grootste gedeelte der mijnwerkers nog niet in de mijn afgedaald was, want anders ware meer dan de helft van de kampbewoners bedolven geweest.

De eerste gedachte van Cyprianus betrof zijn vennoot, Thomas Staal. Hij had weldra het genoegen hem te ontdekken te midden van een groep mannen, die zich rekenschap trachtten te geven van den omvang van de ramp en daartoe op den rand der gevormde spleet stonden. Hij liep naar hem toe en ondervroeg hem.

“Ja, wij zijn het mooi ontsnapt!” zei de mijnwerker uit Lancashire, terwijl hij den Franschman de hand drukte.

“En Makatit?” vroeg Cyprianus.

“De arme jongen ligt daaronder,” [37] antwoordde Thomas Staal, op de puinhoopen wijzende, die zich op hun gemeenschappelijk eigendom opgestapeld hadden. “Nauwelijks had ik hem bevel gegeven om in de groeve af te dalen, en stond ik reeds te wachten op den eersten emmer, om dien op te hijschen, toen de noodlottige gebeurtenis plaats vond.”

“Maar wij kunnen zoo niet met de armen over elkander geslagen staan toekijken, zonder iets uit te richten!” riep Cyprianus uit. “Misschien leeft hij nog.”

Thomas Staal schudde het hoofd.

“Het is onwaarschijnlijk, dat hij onder een last van minstens twintig ton aarde nog in leven zoude zijn,” antwoordde hij. “Daarenboven tien menschen zouden zeker twee of drie dagen moeten arbeiden om den boel op te ruimen.”

“Dat kan me niet schelen,” was de meening van den jongen ingenieur, vastbesloten. “Ik wil niet dat gezegd zal worden, dat wij een menschelijk wezen in dat graf bedolven hebben gelaten, zonder dat wij alle pogingen aangewend hebben, om hem er uit te halen.”

En zich door tusschenkomst van Bardik tot eenige andere Kaffers wendende, die daar in de nabijheid stonden, bood hij hen een hoog loon, van vijf shillings per dag aan, voor ieder, die onder zijne aanwijzing arbeiden wilde om zijn claim te ontruimen.

Een dertig negers boden terstond hunne diensten aan, en de arbeid werd zonder een oogenblik verloren te laten gaan, aanvaard. De pikhouweelen, de schoppen en spaden ontbraken niet, de emmers en de kabels waren geheel gereed, de karretjes ook. Een groot aantal blanke mijnwerkers boden op de tijding, dat het gold een armen sukkel van onder de aardstorting te voorschijn te halen, grootmoedig hunne hulp aan. Thomas Staal, ontvonkt door den moed en den ijver van Cyprianus, bestuurde met geestdrift den arbeid, die dienen moest, om een menschenleven te redden.

Tegen het middaguur waren reeds eenige tonnen zand en steenen verwerkt en buiten den claim gebracht.

Bardik liet zoowat tegen drie uur een rauwen kreet hooren. Hij bespeurde onder zijne schop een zwarten voet, die boven den grond uitstak.

Men verdubbelde natuurlijk de inspanningen, en weinige minuten later was het lichaam van Makatit geheel uitgegraven. De ongelukkige Kaffer lag op den rug uitgestrekt, bewegingloos en was volgens alle waarschijnlijkheid dood als een pier. Een der lederen emmers evenwel, die hij bij zijn arbeid bezigde, was met de opening op zijn gelaat gevallen en bedekte dat zooals een mombakkes dat zoude gedaan hebben.

Die omstandigheid, die door Cyprianus niet onopgemerkt bleef, deed de gedachte bij hem opkomen, dat hij den ongelukkige wellicht in het leven kon terugroepen; maar die hoop was in werkelijkheid uiterst zwak; want het hart klopte niet meer, de huid was koud, de ledematen waren verstijfd, de handen waren door den doodstrijd gesloten en gebald, en het gelaat, dat met die eigenaardige bleekheid der negers in het stervensuur overtogen was, was schrikkelijk verwrongen door de stuiptrekkingen bij dien verstikkingsdood.

Toch verloor Cyprianus den moed niet. Hij deed Makatit naar de hut van Thomas Staal, die het dichtste in de nabijheid lag, overbrengen. Men strekte hem op een tafel uit, die gewoonlijk gebezigd werd om het grind en het zand der mijn uit te zoeken, en hij werd toen onderworpen aan stelselmatige wrijvingen en aan bewegingen van de wervelkolom en van de borstkas, geschikt om eene kunstmatige ademhaling in het leven te roepen. In één woord men wendde alle hulpmiddelen aan, die bij drenkelingen gebezigd worden. Cyprianus wist, dat die middelen bij alle soorten van verstikking dienstig kunnen zijn. Ook was er in het gegeven geval niets anders te verrichten, want geene wond, geene breuk, noch eenige ernstige beleediging waren te bespeuren.

“Kijk toch, mijnheer Méré, hij houdt nog eene kluit aarde in de vuist geknepen!” deed Thomas Staal, die het beste hielp, om dat groote zwarte lichaam te wrijven, opmerken.

En hij wreef goed, die brave mijnwerker van Lancashire. Wanneer hij bezig ware geweest de groote krukas eener stoommachine van twaalfhonderd paardenkracht met amaril en olie te polijsten, dan zou hij aan dat werk zijne vuisten niet met meer kracht hebben kunnen gebruiken!

Die inspanningen droegen eindelijk [38] goede vruchten. De lijkenstijfheid van den jeugdigen Kaffer scheen langzamerhand te verdwijnen. De temperatuur zijner huid wijzigde zich aanmerkelijk. Cyprianus, die met het oor op de hartstreek het geringste teeken van leven bespiedde, meende onder zijne hand eene lichte trilling te gevoelen, die hem een goed voorteeken scheen.

Die kenteekenen werden weldra duidelijker. De pols begon te kloppen, eene zachte inademing van lucht tilde bijna onmerkbaar de borstkas van Makatit op, terwijl een daarop volgende sterkere uitademing kenteekende, dat het lichaam tot zijne levensverrichtingen terugkeerde.

Plotseling traden twee heftige niesbuien in, die de groote zwarte karkas, vroeger zoo bewegingloos, van het hoofd tot de voeten deden schudden. Makatit opende de oogen, haalde diep adem en herkreeg zijn bewustzijn.

“Hoera! hoera! De kameraad is uit de klem!” riep Thomas Staal, wien het zweet van het lichaam gutste en die thans met zijne wrijvingen ophield. “Maar kijk dan toch, mijnheer Méré, hij laat zijne kluit aarde, die hij steeds in de samengeknepen vuist houdt, maar niet los.”

Onze jonge ingenieur had wel wat anders te doen in die oogenblikken, dan op die bijzonderheid te letten. Hij liet den lijder een kleinen lepel vol rum inslikken en tilde hem op, om zijne ademhalingswerktuigen in hunne werking behulpzaam te zijn. Toen hij hem eindelijk goed en wel tot het leven teruggeroepen zag, wikkelde hij hem in eenige dekens en deed hem door drie of vier gewillige kerels naar zijne hut, die op het erf van Watkins gelegen was, overbrengen.

Daar werd de arme Kaffer op zijn bed gelegd en deed Bardik hem een kop heete thee drinken. Makatit sliep na een half uur rustig en kalm in en kon nu als gered beschouwd worden.

Cyprianus gevoelde in zijn binnenste die onvergelijkelijke vreugdevolle gewaarwording, die ieder mensch ondervindt, wanneer hij een menschenleven aan de klemmende vuist des doods ontrukt heeft. Terwijl Thomas Staal en zijne makkers, dorstig geworden door zooveel therapeutische handelingen, hun goeden uitslag bij den naburigen kroeghouder gingen vieren, door een groote hoeveelheid bier te verorberen, greep Cyprianus bij Makatit wenschende te blijven, een boek en zette zich naast zijne sponde, en onderbrak slechts zijne lectuur om den Kaffer te zien slapen zooals een vader den slaap van een van ziekte herstellenden zoon zoude bewaakt hebben.

Makatit was sedert zes weken in dienst bij Cyprianus getreden, en deze had niet anders dan redenen gehad om tevreden, ja, zelfs opgetogen over hem te zijn. Zijne schranderheid, zijne gewilligheid, zijn ijver bij den arbeid waren uitmuntend en werkelijk bij die van geen andere te vergelijken. Hij was moedig, goedhartig, dienstvaardig en begaafd met een bijzonder zacht en vroolijk karakter. Geen werk was hem te zwaar, geen moeilijkheid rees boven zijn ijver en moed. Er kon met recht gezegd worden, dat er geen verheven maatschappelijk standpunt bestond, hetwelk een Franschman, met zulke hoedanigheden en eigenschappen begaafd, niet zou hebben kunnen bereiken. En het noodlot wilde, dat al die kostbare gaven onder die zwarte huid en in den gekroesden schedel van een eenvoudigen Kaffer gehuisvest waren!

Toch had Makatit een gebrek—een ernstig gebrek—een gevolg waarschijnlijk van de eerste opleiding, die hem deelachtig werd, en van de al te Spartaansche gewoonten, die hij in zijne kraal aangeleerd had. Zullen wij dat gebrek mededeelen? Makatit was een weinig diefachtig; maar was dat geheel onbewust. Wanneer hij een voorwerp ontwaarde, dat hem aanstond, vond hij het heel natuurlijk zich dat voorwerp toe te eigenen.

Te vergeefs hield hem zijn meester, die door de neiging zich beangstigd gevoelde, hem de meest ernstige en de meest strenge vertoogen. Te vergeefs dreigde hij hem te zullen heen zenden, wanneer hij hem andermaal betrappen of schuldig bevinden mocht. Bij zulke gelegenheid beloofde Makatit beterschap, hij huilde dan en smeekte om vergeving! maar.... den volgenden morgen, wanneer de gelegenheid zich aanbood, was hij weer de oude zondaar.

Zijne ontvreemdingen betroffen gewoonlijk dingen, die niet belangrijk waren. Al de zaken, die zijne hebzucht in het bijzonder opwekten, hadden niet [39] veel waarde, zooals een mes, een das, een potloodhouder, of dergelijke nietigheid. Toch deed het Cyprianus pijnlijk aan, dat een zoo edel karakter met zulk eene ondeugd behept was.

“Laat mij wachten.... laat mij de hoop niet verliezen!” zei hij tot zich zelven. “Wellicht gelukt het mij, hem het slechte van die diefstallen te doen begrijpen!”

En terwijl hij hem zoo gedurende zijn slaap aankeek, overdacht Cyprianus die zoo scherpe afwijkingen in zijne hoedanigheden, die haren oorsprong vonden in Makatit’s verleden, te midden van zijn stam doorgebracht.

Toen de avond begon te vallen, ontwaakte de jeugdige Kaffer zoo frisch en zoo welbehaaglijk mogelijk, net alsof hij geen twee uren lang in een staat van verstikking doorgebracht had. Hij kon thans vertellen, wat hem wedervaren was.

De emmer, waarmede zijn aangezicht zeer bij toeval bedekt was geworden, en een lange ladder, die als een korbeelstut boven hem dienst gedaan had, hadden hem aanvankelijk tegen de onmiddellijke mechanische gevolgen van de aardstorting beschermd en ook geruimen tijd voor een volkomen verstikking behoed, daar zij hem in zijne onderaardsche gevangenis een kleinen voorraad lucht verschaft hadden. Hij had zich zeer goed rekenschap weten te geven van die gelukkige omstandigheid en had alles aangewend om haar zoo veel mogelijk te benuttigen, door slechts met groote tusschenpoozen adem te halen. Maar die geringe voorraad lucht was langzamerhand bedorven geraakt. Toen had Makatit zijne geestvermogens langzamerhand voelen benevelen. Eindelijk was hij in een soort van zwaargeestigen slaap vol doodsangsten geraakt waaruit hij bij wijlen ontwaakte en dan met een uiterste inspanning lucht poogde in te ademen. Eindelijk was zijn denk- en herinneringsvermogen als uitgewischt. Hij wist niet meer, wat met hem gebeurde en was nu dood.... want het was werkelijk uit den dood, dat hij verrezen was.

Cyprianus liet hem een poos voortpraten; hij liet hem daarna drinken en eten en noodzaakte hem, in weerwil van zijne tegenstribbelingen, om den geheelen nacht op het bed te blijven liggen, waarop hij hem had doen uitstrekken. Toen hij eindelijk zag, dat alle gevaar geweken was, liet hij hem alleen en begaf zich naar de hoeve van Watkins, om daar zijn gewoon bezoek af te leggen.

De jeugdige ingenieur gevoelde behoefte, om aan Alice zijne ondervonden indrukken op dien dag mede te deelen, als ook den afkeer van het mijnwerk, dien hij ondervond en die sedert het ongeval van dien morgen nog vermeerderd was. Het denkbeeld hinderde hem, dat het leven van Makatit in gevaar gesteld was alleen voor de twijfelachtige kans om eenige kleine en onbeduidende diamanten te vinden.

“Dat ik dien arbeid zelf verricht,” mompelde hij in zich zelven, “kan er nog door. Maar dat gevaarvolle werk op te dragen aan dien ongelukkigen Kaffer, en dat voor een ellendig loon, is eenvoudig verachtelijk te noemen!”

Hij deelde dus het jonge meisje zijne gewetenswroeging en zijne teleurstellingen mede. Hij vertelde haar van den brief, dien hij van Pharamond Barthès ontvangen had, en vroeg haar raad of hij niet beter zou handelen met de uitnoodiging van zijn vriend op te volgen. Wat zou hij er bij verliezen, wanneer hij naar de boorden van de Limpopo-rivier vertrok en het jachtveld betrad. Het zou in ieder geval edeler zijn dan in de aarde te wroeten als een gierigaard of daarin arme drommels voor zijne rekening te doen wroeten.

“Wat denkt gij er van, miss Watkins,” vroeg hij, “gij die zooveel wijsheid aan zooveel practischen zin paart? Geef mij toch raad! Ik heb goeden raad hard noodig! Ik ben waarachtig mijn weerstandsvermogen kwijt. Er is waarlijk een vriendinnenhand noodig om mij weer op het rechte pad te brengen.”

Zoo sprak hij in alle oprechtheid en vond er een onverklaarbaar genoegen in, nu hij zijne terughoudendheid verbroken had, zoo te praten en voor dat lieve en bekoorlijke kind de ellende zijner besluiteloosheid bloot te leggen.

Dat gekeuvel werd sedert eenige minuten in het Fransch voortgezet en ontleende aan die eenvoudige omstandigheid een grooten graad van vertrouwelijkheid, hoewel John Watkins, sedert eenige oogenblikken, na zijn derde pijp gerookt te hebben, ingedommeld, nooit eenige aandacht verleend had aan hetgeen [40] de twee jongelieden met elkander praatten in het Engelsch of in welke taal ook.

Alice hoorde hem met belangstelling aan.

“Alles wat gij mij thans zegt, mijnheer Méré,” antwoordde zij, “heb ik reeds lang gedacht. Ik kan moeilijk begrijpen, hoe een ingenieur, een geleerde zoo als gij zijt, er goedsmoeds heeft toe kunnen overgaan zoo een leven te leiden! Is dat geene misdaad jegens u zelven? Is dat geene misdaad jegens de wetenschap? Uw kostbaren tijd te verknoeien met een oppermanswerk, dat een eenvoudige Kaffer of een domme Hottentot beter dan gij verricht. Vergeef mij, maar dat is niet goed gehandeld; het is zelfs slecht gehandeld, geloof mij.”

Cyprianus zou slechts een enkel woord behoeven te zeggen, om dat raadsel op te lossen, om voor het jonge meisje helder en duidelijk te maken, hetgeen haar zoo verwonderde en zoo ergerde.... Wie weet trouwens, of zij hare verontwaardiging niet een weinig overdreef om hem tot eene verklaring te brengen!.... Maar.... hij had zich voorgenomen die verklaring in zijn hart te bewaren, en hij zou zich zelven geminacht hebben, wanneer hij haar liet ontsnappen. Hij weerhield haar dus en zweeg.

Miss Watkins ging evenwel voort:

“Als gij er zoo op gesteld zijt om diamanten te vinden, mijnheer Méré, waarom zoekt gij die niet daar, waar gij, volgens mij, wel kans zoudt hebben om ze te vinden, namelijk in uw kroes? Hoe nu! gij zijt scheikundige, gij beter dan iemand weet wat die ellendige steenen, waaraan zooveel waarde gehecht wordt, eigenlijk zijn, en gij gaat ze verwachten van een ondankbaren en werktuigelijken arbeid? Wat mij betreft, ik herhaal mijn denkbeeld: als ik in uwe plaats was, dan zou ik eerder trachten diamanten te vervaardigen dan dat ik moeite zou doen ze geheel gereed te vinden!”

Alice sprak met zulk eene opgewondenheid, met zulk eene hoop en geloof in de kracht der wetenschap, en ook in de kunde van Cyprianus zelven, dat het hart van den jongen man zich als met een verkwikkenden dauw gedrenkt gevoelde.

Jammer, doodjammer, in dit oogenblik ontwaakte John Watkins uit zijn dut en vroeg berichten omtrent de Vandergaart-Kopjesmijn. De jongelieden waren dus genoodzaakt hun afzonderlijk gesprek te staken en de Engelsche taal weer te bezigen. De betoovering was verbroken.

Maar het uitgestrooide zaad was in goede aarde te recht gekomen en moest ontkiemen. De jeugdige ingenieur overdacht bij het naar huis gaan die zoo juiste woorden, welke in zijn binnenste trilden en daar een zoo grooten weerklank vonden, en die miss Watkins hem met haar lieven mond toegevoegd had. Wat die woorden hersenschimmigs hadden, verdween voor zijne oogen, om hem slechts te laten zien, wat zij aan edelmoedigheid, aan vertrouwen en teederheid jegens hem inhielden.

“En waarom niet.... alles wel beschouwd?” vroeg hij zich af. “De kunstmatige bereiding van het diamant kon eene eeuw geleden hersenschimmig heeten, thans is zij als het ware een voldongen feit! De heeren Frémy en Peil te Parijs hebben robijnen, smaragden en saffieren vervaardigd, die in werkelijkheid niets anders zijn dan aluminiumkristallen, die verschillend gekleurd zijn. De heer Mac Tear van Glasgow en de heer M.J. Ballantine Hannay uit dezelfde stad, hebben in 1880 gekristalliseerde koolstof verkregen, die al de eigenschappen van het diamant bezat, doch het eenige gebrek had schrikkelijk duur te zijn—veel duurder dan de natuurlijke diamanten van Brazilië, van Indië, van Borneo of van Grikwaland, en dus aan de behoefte van den handel niet voldeed. Maar wanneer de wetenschappelijke oplossing van een vraagstuk gevonden is, dan is de nijverheids-oplossing niet verre meer af! Waarom haar niet op te sporen? Al die geleerden, die er niet in slaagden haar te vinden, waren theoretici, mannen van het studeervertrek, boekenwurmen, laboratorium-bewoners. Zij hebben het diamant niet plaatselijk bestudeerd, in zijn oorspronkelijk terrein, in zijne bakermat, in zijne wieg om zoo te zeggen. Ik kan mijn voordeel met hunne studiën, met hunne ondervinding doen, en ook mijne eigene gebruiken. Ik heb het diamant met eigen handen opgedolven. Ik heb de terreinen, waarin het zich bevindt, onder alle opzichten ontleed! [41] Wanneer iemand slagen moet om de laatste moeilijkheden te boven te komen, dan, met een weinig geluk, moet ik dat zijn.... ja, ik!”

Ziedaar wat Cyprianus gedurig in zich zelven herhaalde en waarmede hij gedurende den ganschen nacht bijna zijn geest bezig hield.

Zijn besluit was weldra genomen. Den volgenden ochtend reeds gaf hij Thomas Staal kennis, dat hij niet meer, ten minste voorloopig niet meer, in zijn claim zou werken of doen werken. Hij kwam er zelfs voor uit, dat wanneer hij zijn gedeelte zou kunnen verkoopen, hij hem daartoe machtigde. Daarna sloot hij zich in zijn laboratorium op, om zijne nieuwe plannen te overpeinzen.

Achtste hoofdstuk.

De groote proef.

Cyprianus had te midden van herhaalde nasporingen over de oplosbaarheid der vaste lichamen in de luchtvormige—nasporingen die hem het geheele vorige jaar beziggehouden hadden—zeer goed opgemerkt, dat sommige zelfstandigheden, als het silicium en het aluminium bijvoorbeeld, onoplosbaar in water, evenwel oplosbaar in waterdamp zijn, die onder hooge drukking gebracht en uitermate verhit is.

Vandaar de beweegreden van het besluit, hetwelk hij nam, om te onderzoeken of er geen oplossingsmiddel van de koolstof te vinden was, om zoo tot hare kristalvorming te geraken.

Maar al zijne pogingen in die richting bleven vruchteloos, en na zoo eenige weken in ijdele nasporingen doorgebracht te hebben, was hij verplicht van batterij te veranderen.

Batterij is hier het ware woord, zooals men zien zal, want bij de nu volgende proef zou een kanon eene voorname rol spelen.

Verschillende vergelijkings-theorieën brachten er den jeugdigen ingenieur toe om als aanneembaar te beschouwen, dat het diamant zich wel in de Kopjes zelven vormde, op dezelfde wijze als de zwavel zich in de solfatara’s of zwavelbronnen vormde. Men weet toch dat de zwavel ontstaat uit eene halve oxydatie of verzuring van zwavelwaterstofgas, nadat een gedeelte daarvan in zwaveligzuur omgezet is, waardoor het andere zich in kristallen langs de wanden van de zwavelbron neerslaat.

“Wie weet,” sprak Cyprianus in zich zelven, “of de diamantlegeringen geen ware carbonataren of koolstofbronnen zijn? Vermits een mengsel van waterstof en koolstof er noodwendig met het water en de aanslibbingsafzettingen onder den vorm van moerasgas aangevoerd wordt, waarom zou dan eene oxydatie van het waterstofgas met eene gedeeltelijke oxydatie van de koolstof niet de kristalvorming van de in te groote hoeveelheid aanwezige koolstof teweegbrengen?”

Om van dat denkbeeld tot de proef, om door eene gelijksoortige maar geheel kunstmatige reactie tot de theoretische werking van de zuurstof te besluiten en over te gaan, had voor een waren scheikundige niet veel om het lijf.

Tot de onmiddellijke uitvoering van dat program werd dan ook door Cyprianus besloten.

Het kwam er in de eerste plaats op aan, om eene proefondervindelijke handeling uit te denken, die zooveel mogelijk de veronderstelde gegevens omtrent de voortbrenging van den natuurlijken diamant nabijkwam. Die handeling moest vooral zeer eenvoudig wezen. Alles wat de natuur groot en verheven wrocht, geschiedt op die wijze. Hoe weinig samengesteld toch zijn de schoonste ontdekkingen, door het menschdom veroverd; de zwaartekracht, de magneetnaald, de boekdrukkunst, het stoomwerktuig, de electrische telegraaf bij voorbeeld?

Cyprianus ging zelf een voorraad aarde uit de diepte der mijn te voorschijn halen, die volgens zijne meening de meest gunstige hoedanigheid bezat tot het welslagen zijner proef. Toen bereidde hij met die aardsoort een dikke brij, waarmede hij het binnenste eener stalen buis bestreek, die een halven meter lang en vijf centimeter dik was en een kaliber had van acht centimeter.

Die buis was niets anders dan het langeveld van een buiten dienst gesteld kanon, dat hij te Kimberley van een troep vrijwilligers, die na een veldtocht tegen de Kafferstammen afgedankt was, had kunnen koopen. [42]

Dat kanon werd in de werkplaats van Jacobus Vandergaart op behoorlijke lengte afgezaagd en verschafte het werktuig wat noodig was, dat wil zeggen: een ontvanger, die weerstandskracht had om een buitengewoon hooge drukking in zijn binnenholte te kunnen verdragen.

Cyprianus plaatste in die buis, nadat hij een harer uiteinden degelijk gesloten had, stukjes koper en ongeveer twee kannen water, en vulde haar vervolgens met moerasgas. Daarna sloot hij haar zorgvuldig met een soort verkitsel en deed de beide uiteinden met stevige en beproefde metaalbouten verzekeren.

Het werktuig was thans klaar. Er bleef niets anders over dan het aan eene zeer groote hitte bloot te stellen.

De buis werd dan ook in een grooten hoogoven geplaatst, welks vuur nacht en dag door zoodanig gestookt moest worden, dat zij wit gloeiend bleef en dat gedurende twee weken.

Buis en oven waren daarenboven nog overdekt met een dikken mantel van vuurvaste klei, die bestemd was om de grootst mogelijke hoeveelheid warmte te bewaren, alsook om het geheel niet dan zeer langzaam te laten afkoelen, wanneer het oogenblik daarvan zoude gekomen zijn.

Het geheel geleek vrij wel op een overgrooten bijenkorf, of ook wel op een Eskimo’s hut.

Thans was Makatit in staat zijn meester eenige diensten te bewijzen. Hij had al de voorbereidende maatregelen van de proef met de uiterste aandacht gevolgd, en toen hij begreep dat dat alles diende om diamant te vervaardigen toen was hij wel de ijverigste om de onderneming met den besten uitslag te doen bekronen. Hij had weldra geleerd het vuur te stoken en te onderhouden, en wel zoo, dat Cyprianus hem dat gedeelte der taak gerust kon toevertrouwen.

Men kan zich bezwaarlijk een begrip vormen hoeveel moeilijkheden die overigens zoo eenvoudige maatregelen ontmoetten en welk tijdverlies ze vorderden, alvorens ze getroffen waren. In een groot laboratorium te Parijs zou zulk eene proef binnen twee uren, nadat ze ontworpen was, in vollen gang zijn; te midden van dat half wilde land had Cyprianus niet minder dan drie weken noodig, om zijn ontwerp tot een begin van uitvoering te brengen, en dat nog zoo gebrekkig mogelijk. En toch moest hij erkennen, dat de omstandigheden hem meeliepen, namelijk dat hij op het juiste oogenblik niet alleen een oud kanonstuk kon machtig worden, maar ook dat hij de noodige houtskool kon aanschaffen. En inderdaad, die voor zijn proef zoo onmisbare brandstof was te Kimberley zoo zeldzaam, dat om er zich de hoeveelheid van eene ton van te verschaffen, Cyprianus zich ter zelfder tijd tot drie handelaren in die soort van dingen moest wenden.

Eindelijk waren al de moeilijkheden en hinderpalen overwonnen, en toen het vuur maar eenmaal ontstoken was, zorgde Makatit voorbeeldig dat het niet meer uitging.

Het moet gezegd worden, de jeugdige Kaffer was uitermate trotsch op zijn emplooi. Zijne werkzaamheden moesten hem niet al te vreemd van de hand gaan, want ongetwijfeld had hij bij zijn stam wel voor heetere vuren gestaan en daar meer dan eens in de keuken van den duivel dienst gedaan.

En waarlijk, Cyprianus had, sedert Makatit in zijn dienst getreden was, meer dan eens kunnen opmerken, dat deze bij de andere Kaffers als een wezenlijke toovenaar bekend stond. Eenige onbeduidende grondbeginselen van heelkunde, een zeker aantal behendige goochelkunstjes, die hij van zijn vader geleerd had, vormden den geheelen inventaris van zijne toovenaars-wetenschap. Maar men kwam hem over werkelijke en ingebeelde kwalen raadplegen; men kwam de uitlegging van droomen van hem verzoeken; men nam hem als scheidsrechter bij allerhande geschillen. Nooit verraste men Makatit of schoot hij te kort, steeds gaf hij een recept, steeds voorspelde hij de toekomst, steeds was hij met zijn uitspraak gereed. Die recepten waren soms vreemdsoortig, en de vonnissen allerdwaast, maar zijne landgenooten waren er mede tevreden. Wat wil men meer?

Er moet nog bijgevoegd worden, dat de kolven en de ontvangers, waarmede hij tegenwoordig in het laboratorium van den jeugdigen ingenieur omringd [43] was, zonder nog te gewagen van de geheimzinnige handelingen, die hij moest helpen volvoeren, het hunne krachtig er toe bijbrachten, om zijne toovenaars-beruchtheid te vermeerderen.

Cyprianus moest telkens glimlachen over het solemneele uiterlijk, dat die brave kerel aannam om zijn nederig baantje van stoker en voorbereider waar te nemen, wanneer hij den oven met houtskolen opstookte, of wel eene reeks reageerbuizen of kroesjes reinigde en waschte of afstofte. En toch was er iets verteederends in dien ernst, in die deftigheid; want zij ontstonden uit den eerbied, dien de wetenschap aan iedere onwetende maar schrandere ziel inboezemt, die naar onderwijs hunkert.

Makatit had buitendien ook zijne kwajongensbuien en zijne uren van vroolijkheid, vooral wanneer hij zich in gezelschap van Li bevond. Een diepgewortelde vriendschap was tusschen die twee wezens, zoo verschillend van oorsprong, ontstaan gedurende de bezoeken, die de Chinees thans aan de hoeve Watkins bracht. Beiden spraken genoegzaam Fransch, beiden waren door Cyprianus van een dreigenden dood gered, waarvoor zij hem zeer dankbaar waren. Het was dus natuurlijk, dat eene onderlinge sympathie hen verbond; en die sympathie was weldra in eene hartelijke toegenegenheid overgegaan.

Wanneer zij onder elkander waren, dan gaven Li en Makatit den jongen ingenieur een eenvoudigen en aandoenlijken naam, die den aard van het gevoel, dat zij voor hem koesterden, volkomen aanduidde.

Zij noemden hem “vadertje” en bezigden slechts uitdrukkingen van bewondering en van de meest opgewonden toewijding, wanneer zij van hem spraken.

Die toewijding openbaarde zich van de zijde van Li door de zorg, waarmede hij het linnengoed van Cyprianus waschte, steef en streek,—van den kant van Makatit, door de schier godsdienstige oplettendheid en nauwkeurigheid, waarmede hij al de aanwijzingen en bevelen zijns meesters opvolgde.

Maar de beide makkers gingen soms wel een beetje ver in hun ijver om “vadertje” genoegen te doen. Het gebeurde bijvoorbeeld wel eens, dat Cyprianus op zijne tafel—hij gebruikte thans zijne maaltijden bij zich aan huis—vruchten of lekkernijen zag waaraan hij niet gedacht en die hij dus ook niet bevolen had te koopen, en waarvan de herkomst geheim bleef, want hij zag ze op geen der rekeningen zijner leveranciers verschijnen. Of wel het waren hemden waaraan, wanneer zij van den waschbaas kwamen, gouden knoopjes prijkten, terwijl niemand wist vanwaar die kwamen. Een anderen keer was het eene gemakkelijke en elegante zitting, of een geborduurd kussen, of een pantervel, of de een of andere kostbare snuisterij, die het ameublement van het huis kwam vermeerderen.

En als Cyprianus hetzij Li, hetzij Makatit daarover ondervroeg, dan kon hij er niets anders dan onduidelijke of ontwijkende antwoorden uithalen, zooals:

“Ik weet niet!.... Ik heb het niet gedaan!.... Dat zijn zaken die mij niet aangaan!....”

Cyprianus had wellicht vrede met die geschenken gehad, maar zij hinderden hem thans, omdat hij niet zeker was of ze wel uit zuivere bron verkregen waren. Intusschen bevestigde niets die meening, en de meest zorgvuldige nasporingen dienaangaande verspreidden volstrekt geen licht.

En achter zijn rug wisselden Makatit en Li glimlachjes, steelsche blikken en geheimzinnige teekens, die blijkbaar beteekenden:

“Eh eh, “vadertje” begrijpt er toch niets van!”

Daarenboven, andere zorgen, ernstige, gewichtige zorgen kwelden het brein van Cyprianus. John Watkins scheen besloten Alice uit te huwelijken, en te dien einde had hij sedert eenigen tijd zijn huis tot een museum van mededingers naar hare hand gemaakt. Niet alleen bracht James Hilton er bijna iederen avond door; maar al de ongehuwde mijnwerkers die door het slagen hunner ontginning volgens de opvatting van den pachter begiftigd schenen met de meest onontbeerlijke hoedanigheden, die te bedenken waren om tot schoonzoon bevorderd te worden, werden te zijnen huize gelokt, werden ten eten verzocht, en eindelijk aan de keuze zijner dochter onderworpen. [44]

De Duitscher Friedel en de Napolitaan Pantalucci behoorden onder dat getal. Beiden telden thans onder de meest gelukkige mijnwerkers van het kamp. Het aanzien, dat overal het succes vergezelt, ontbrak hun niet, zoowel in de Kopjesmijn als op de hoeve. Friedel was pedanter en scherper dan ooit te voren, nu zijn onverdraaglijke trots gesteund werd door eenige duizenden ponden sterling. Wat Hannibal Pantalucci betreft, die was in een kolonialen modekwast veranderd, die schitterde van gouden kettingen, ringen en diamanten spelden. Hij droeg kleeren van wit linnen, die zijn huid nog geler en nog aardachtiger deden uitkomen.

Maar dat belachelijk persoontje poogde te vergeefs Alice te verlokken met zijne snakerijen, met zijne Napolitaansche liedjes en met zijne valsche geestigheid. Neen, zij verwaardigde zich niet eens hem in het bijzonder te kleinachten, ook niet om te bespeuren wat hij op de hoeve verrichten kwam. Zij vergenoegde zich met ongaarne hem aan te hooren, en lachte noch om zijne aardigheden, noch om zijne gebaren. Hoewel zij nog te onbekend was met de zedelijke leelijkheden, om het treurige doel van al dat gepraal te beseffen, zag zij in hem niets anders dan een gewoon bezoeker van het huis haars vaders, die niet minder vervelend was dan de anderen. Dit bleek duidelijk voor Cyprianus uit hare handelingen, en hij zou vreeselijk geleden hebben, wanneer hij haar, die hij eene zoo hooge plaats in zijn eerbied en zijne teederheid ingeruimd had, in een geregeld gesprek zou gezien hebben met dat verachtelijk wezen.

En hij zou er te meer onder geleden hebben, omdat zijne natuurlijke fierheid hem belet zoude hebben daarover iets te laten blijken, omdat hij het te vernederend vond een poging te wagen en in de oogen van miss Watkins zelfs een zoo onwaardigen mededinger te hekelen. Welk recht had hij daartoe buitendien? Waarop zijn hekel te gronden? Hij wist niets omtrent Hannibal Pantalucci, en werd slechts geleid door een instinctmatigen afkeer bij de ongunstige oordeelvelling, die hij over hem uitbracht. Een poging om Hannibal uit een ernstig oogpunt te doen beschouwen, zou hemzelven slechts belachelijk maken. Ziedaar wat Cyprianus duidelijk begreep, en hij zou wanhopig geweest zijn, wanneer Alice zulk een man zelfs de minste aandacht schonk.

Daarenboven, hij had zijne taak weer hervat met zulk een ijver, dat zijn gedachtengang daardoor dag en nacht in beslag werd genomen. Het was niet alleen de diamantfabricage, die hem bezig hield, maar hij had tien, twintig verschillende proeven in bewerking, die hij hoopte allen tot een goed einde te brengen, wanneer zijne hoofdproef zou geslaagd zijn. Hij vergenoegde zich niet meer met theoretische gegevens, met formules, waarmede hij uren lang zijne aanteekeningboeken overdekte. Ieder oogenblik vloog hij naar de Kopjesmijn, om daar nieuwe monsters van rotsblokken en van grondsoorten te halen. Dan hervatte hij zijne scheikundige ontledingen wellicht voor den honderdsten keer, maar dan met eene stiptheid en eene nauwkeurigheid, die geen enkele dwaling toelieten. Hoe meer het gevaar dreigde, dat miss Watkins hem zou ontsnappen, hoe meer hij vast besloten was niets na te laten om zich van de overwinning te verzekeren.

En toch zijn wantrouwen in zijn kracht was zoodanig, dat hij niets aan het jonge meisje had willen mededeelen van de proef die hij onder handen had. Miss Watkins wist alleen, dat hij op haren raad het mijnwerkersvak had vaarwel gezegd en de scheikunde weer beoefende, en gevoelde zich daardoor gelukkig.

Negende hoofdstuk.

Eene verrassing.

De dag waarop de proef eindelijk ten einde zoude loopen, kon een groote dag genoemd worden.

Het vuur werd sedert twee weken niet meer opgestookt, hetgeen ten gevolge had dat het geheele toestel langzamerhand was afgekoeld. Cyprianus oordeelde dat de kristalvorming van de koolstof, wanneer zij onder deze omstandigheden had kunnen plaats hebben, thans moest geschied zijn en ging er dan ook toe over om de laag klei, die om den oven een mantel vormde, weg te nemen. [45]

Die mantel moest met het pikhouweel afgebikt worden, want hij was als de baksteen in den oven van een steenbakker zoo hard geworden. Maar onder de ijverige krachtsinspanning van Makatit was hij weldra in zoover weggeruimd, dat het bovenste gedeelte van den oven—wat men het kapiteel noemt—zichtbaar was. Daarna kwam de geheele oven te voorschijn.

Het hart van den jeugdigen ingenieur bonsde hem in het lijf. Het telde zeker honderd-twintig slagen in de minuut op het oogenblik dat de jonge Kaffer en Li dat kapiteel afnamen.

Hij geloofde zelf niet aan het welslagen zijner pogingen, want hij was een dier menschen die steeds aan hunne eigen krachten twijfelen. Maar, alles goed bekeken, was het toch mogelijk! En wat vreugde zoude het zijn, wanneer dat zoo eens was! Was al zijne hoop op geluk, op roem, op vermogen niet in dien dikken zwarten cylinder besloten, die daar na weken wachtens weer voor zijn oog opdoemde?

O! ellende!.... Het kanon was gesprongen.

Ja, inderdaad, aan de vreeselijke drukking, door den waterdamp en door het moerasgas, die uitermate verhit waren geworden, uitgeoefend, had het staal zelfs geen weerstand kunnen bieden. De buiswand, hoewel die eene dikte van vijf centimeter had, was gebarsten alsof hij van glas geweest ware. Hij vertoonde ter zijde, zoowat op de helft zijner lengte, een gapenden barst, die zich als een breede zwarte muil voordeed, die door de vlammen aangezwart en verwrongen was en die den ontstelden geleerde boosaardig scheen uit te lachen.

Dat was wel ongelukkig! Zoo vele moeiten om dat ellendige resultaat te bereiken! Waarlijk, Cyprianus zou zich minder vernederd gevoeld hebben, wanneer zijn toestel, beter beschermd en beter verzekerd, die vuurproef had kunnen doorstaan! Dat er in den cylinder geen gekristalliseerde koolstof zou gevonden worden, zou hem minder gedeerd hebben, op die teleurstelling had hij zich herhaaldelijk voorbereid! Maar die oude rol staal, die thans slechts bij het oudroest kon geworpen worden, gedurende een maand verhit, afgekoeld, ja, laten wij gerust zeggen gekoesterd te hebben, zie, dat was spotternij van het noodlot. Waarachtig, hij zou die buis met zijn hiel de heuvelhelling hebben willen afschoppen, wanneer hare zwaarte zich niet tegen zulk eene behandeling verzet had!

Cyprianus wilde haar in den oven laten en maakte zich gansch bedroefd gereed om aan Alice dien ellendigen uitslag te gaan mededeelen, toen de weetgierigheid van den scheikundige weer boven kwam en hem er toe bracht een aangestoken lucifer bij de opening der buis te brengen om de binnenruimte te onderzoeken.

“Ongetwijfeld is de laag aarde, waarmede ik den binnenwand bestreken heb, in baksteen veranderd, evenals de buitenmantel van den oven.”

De veronderstelling was gegrond. Evenwel, door een uiterst zeldzaam verschijnsel, dat Cyprianus zich aanvankelijk niet verklaren kon, scheen een soort kleibal zich van die laag aarde afgescheiden te hebben en was afzonderlijk in de buis verhard.

Die bal had eene roode, zwartachtige kleur en omstreeks de doorsnede van een oranjeappel. Hij kon best door den barst van den cylinder heen. Cyprianus greep dien bal vrij onverschillig, om hem te onderzoeken. Hij bemerkte dat het een stuk van de leembrei was, die zich gedurende de verhitting van den cylinderwand kon afgescheiden hebben, en dat daardoor afzonderlijk gebakken was. Hij wilde het wegwerpen, toen hij bespeurde dat het hol klonk, evenals, een aarden pot.

Het geleek wel op eene kleine kruik zonder opening, waarin een soort zware knikker rammelde.

“Net een aarden kinderspaarpotje,” zei Cyprianus.

Indien hij evenwel op verbeurte van zijn leven den uitleg van dat geheimzinnige ding had moeten geven, dan was hij er gek aan toe geweest.

Hij wilde toch weten, wat er in dien bal zat. Hij greep dus een hamer en sloeg dien spaarpot stuk.

Ja waarlijk, het was een spaarpot, en nog wel een, die een onwaardeerbaren schat bevatte. Neen! waarachtig niet! men kon zich niet vergissen met betrekking tot den zwaren keisteen, dien de jeugdige ingenieur toen in de handen hield. Die keisteen was [46] een diamant, in zijne legering besloten evenals gewone diamanten; maar het was een diamant van kolossale afmetingen, van afmetingen die onwaarschijnlijk, en nimmer te voren gezien waren!

Dat de lezer oordeele! Die diamant was dikker dan een hoender-ei en had het uitzicht van een aardappel. Hij moest minstens driehonderd gram wegen. “Een diamant!.... Een kunstmatige diamant!....” herhaalde Cyprianus mompelend en met gedempte stem, want hij was letterlijk verplet. “Ik heb dus de oplossing van het vraagstuk omtrent deze fabriekmatige bereiding gevonden!.... En dat nog wel in weerwil van het ongeval aan de buis overkomen!.... Ik ben dus rijk.... Ik! rijk!!.... En Alice, mijn dierbare Alice, behoort mij dus!”

Maar dan begon hij zijne oogen weer te wantrouwen. Hij geloofde niet wat hij zag.

“Maar dat is onmogelijk!.... Dat is een droombeeld!.... eene zinsbegoocheling!” herhaalde hij, terwijl de duivel des twijfels hem aan het hart knaagde.

En zonder zich den tijd te gunnen om zijn hoed op te zetten, buiten zich zelven, waanzinnig van vreugde, zooals Archimedes moet geweest zijn, toen hij bij het verlaten van zijn bad zijn beroemd grondbeginsel vond en zijn “Eureka” uitgalmde, vloog Cyprianus, eerder dan hij liep, met ongekende vaart, in één rek door naar de woning van Jacobus Vandergaart en viel bij den oude als een bom binnen.

Hij vond den ouden diamantslijper bezig met steenen te onderzoeken, die de makelaar Nathan hem gebracht had om geslepen te worden.

“O! mijnheer Nathan, gij komt juist van pas!” riep Cyprianus uit. “Kijk!.... en gij ook, mijnheer Vandergaart, kijk wat ik u daar breng en zeg mij wat dat is.”

Hij legde daarbij zijn keisteen op de tafel en kruiste zich de armen over de borst.

Nathan nam ’t eerst den steen en verbleekte van verbazing, en gaf hem daarna met opengesperde oogen en geopenden mond aan Jacobus Vandergaart over. Deze bracht het voorwerp ter hoogte van zijne oogen onder het daglicht, dat door zijne vensters binnenviel, en beschouwde het op zijne beurt door zijn bril. Daarna legde hij het op de tafel neer en zei tot Cyprianus met uiterst bedaarde stem:

“Dat, dat is de grootste diamant, die ter wereld bestaat!”

“Ja!.... de grootste,” herhaalde Nathan. “Hij is twee of drie malen grooter dan de Kohinoor, de Berg van Licht, de prachtigste van de Engelsche kroonjuweelen, die honderd negen en zeventig karaten weegt!”

“Hij is twee of driemaal grooter dan de Groote Mogol, de grootste bekende diamant, die twee honderd en tachtig karaten weegt!” hernam de oude diamantslijper.

“Hij is vier of vijfmaal grooter dan de diamant van den Czaar, die honderd drie en negentig karaten weegt,” voegde Nathan er geheel verbouwereerd aan toe.

“Zeven of achtmaal grooter dan de Regent, die honderd zes en dertig karaten weegt,” ging Jacobus Vandergaart voort.

“Twintig of dertigmaal grooter dan de diamant van Dresden, die er slechts een en dertig weegt!” riep Nathan.

En hij voegde er aan toe:

“Ik reken dat deze, na geslepen te zijn, nog vier honderd karaten zal wegen! Maar hoe kan men zich aan eene taxeering van zoo’n steen als deze wagen? Die ontsnapt aan iedere berekening!”

“Waarom zou men hem niet kunnen taxeeren?” vroeg Jacobus Vandergaart, die het kalmste van alles gebleven was. “De waarde van den Kohinoor is op vijftien millioen gulden geschat; die van den Grooten Mogol op zes millioen; die van den diamant van den Czaar op vier millioen; die van den Regent op drie millioen!.... Welnu, deze moet voorzeker op zijn minst gerekend vijftig millioen waard zijn!”

“Ho, ho! dat hangt van zijn kleur en van zijn kwaliteit af!” hernam Nathan, die zijne kalmte herkreeg en de voorbereidende maatregelen reeds meende te moeten nemen met het vooruitzicht op een mogelijken koop van dien steen. “Wanneer hij geheel kleurloos en zonder gebreken is, ja, dan, ja, dan is de waarde onschatbaar! Maar is hij geelachtig getint, zooals de meeste diamanten van Grikwaland, [47] dan zal de waarde minder zijn!.... Maar ik weet niet of ik voor een steen van dezen omvang niet eene fraaie saffierblauwachtige schakeering zou verkiezen, zooals de diamant van Hope, of rooskleurig zooals de Groote Mogol, of zelfs smaragdgroen zooals de diamant van Dresden.”

“Waarachtig niet.... neen!...... neen!” riep de oude diamantslijper met vuur uit. “Ik stel niets boven de kleurlooze steenen!.... Spreek mij van den Kohinoor of van den Regent! Dat is edelgesteente! Daarbij vergeleken zijn de andere maar fantasie-steenen!”

Cyprianus hoorde reeds niet meer.

“Mijne heeren, gij zult mij verontschuldigen,” sprak hij haastig, “maar ik ben verplicht heen te gaan.”

En na zijn steen weer bij zich gestoken te hebben, sloeg hij met de grootst mogelijke haast den weg naar de hoeve in.

Zonder er zelfs aan te denken om aan te kloppen, deed hij de deur der spreekkamer open en hij bevond zich terstond tegenover Alice, die hij, zonder over de onbetamelijkheid van zijn gedrag na te denken, in zijne armen sloot en op beide wangen zoende.

“Welnu, wat heeft dat te beduiden?” riep John Watkins geërgerd over dat onverwacht gedrag uit.

Hij zat aan tafel tegenover Hannibal Pantalucci en was bezig met dien akeligen grappemaker een partij piket te spelen.

“Vergeef mij, miss Watkins!” stamelde Cyprianus, geheel uit het veld geslagen door zijne onbetamelijke daad, hoewel hij van vreugde straalde. “Ik voel mij gelukkig! Ik ben krankzinnig van geluk! Kijk.... wat ik u breng!”

En hij wierp zijn diamant, meer dan hij hem legde, op de tafel tusschen de beide spelers.

Evenals Nathan en Jacobus Vandergaart, begrepen deze beide mannen dadelijk wat er gaande was. John Watkins, die nog maar zeer weinig gin gebruikt had, was buitengewoon helder van geest.

“Gij hebt dien gevonden.... gij zelf.... in uwen claim?” vroeg hij met buitengewone levendigheid.

“Gevonden?.... dezen?” antwoordde Cyprianus met zegevierende stem. “Ik heb beter dan dat gedaan!.... Ik heb hem zooals hij daar ligt, zelf vervaardigd!.... O! mijnheer Watkins, wat is de scheikunde, goed beschouwd, toch eene prachtige wetenschap!”

En hij lachte en hij drukte de fijne vingertjes van Alice in zijne handen, die geheel bedremmeld was over die hartstochtelijke uitingen, maar toch ook verrukt over het geluk van haren vriend. Een bekoorlijk lieve glimlach zweefde om hare lippen.

“O! u ben ik die ontdekking verschuldigd, juffrouw Alice!” hernam de gelukkige Cyprianus. “Wie heeft mij geraden om de scheikunde weer ter hand te nemen? Wie heeft gevorderd, dat ik mij zoude toeleggen op het zoeken naar de vervaardiging van den kunstmatigen diamant? Niemand anders dan uwe bekoorlijke, uwe aanbiddenswaardige dochter, mijnheer Watkins!.... O! ik kan haar mijn eerbied betoonen, zooals de dapperen van vroegere tijden aan hunne dame brachten, en ik kan overal verkondigen dat haar, haar alleen de geheele verdienste dezer ontdekking toekomt!.... Zou ik zonder haar aan zoo iets gedacht hebben?”

John Watkins en Hannibal Pantalucci bekeken den diamant, wierpen elkander een blik toe en schudden het hoofd. Zij waren ten zeerste ontsteld.

“Gij zegt, dat gij dezen vervaardigd hebt.... gij zelf?” hernam eindelijk John Watkins. “Het is dus een valsche steen?”

“Een valsche steen!” riep Cyprianus uit. “Welnu ja!.... een valsche steen!.... Maar Jacobus Vandergaart en de makelaar Nathan schatten hem op een waarde van minstens vijftig millioen, misschien wel meer. Indien het slechts een kunstmatige diamant is, dien ik door eene wijze van bewerking, waarvan ik de uitvinder ben verkregen heb, dan is hij toch behoorlijk authentiek en in niets van een natuurlijken te onderscheiden!.... Ziet zelf, er ontbreekt niets aan.... zelfs de steenlegering niet, waarin de natuurlijke besloten is!”

“En neemt gij op u andere dergelijke diamanten te vervaardigen?” vroeg John Watkins met aandrang.

“Of ik dat op mij neem, mijnheer Watkins! Voorzeker. Ik zal u diamanten leveren in zoo grooten getale dat gij [48] ze met een schop zult kunnen opscheppen!.... Ik zal er u een vervaardigen, die tienmaal, honderdmaal zwaarder zijn dan deze, als gij dat verlangt!.... Ik zal er in zoo groote menigte maken, dat gij uw terras daarmede bevloeren, de wegen van Grikwaland bestraten kunt, als gij dat zult willen!.... De eerste proef is bij zulke zaken de moeilijkste, en de eerste steen eenmaal verkregen, kan het overige als bijzaak beschouwd worden, niets anders dan het regelen van eenige technische bijzonderheden!”

“Maar als dat zoo is,” hernam de Engelschman, die bleek geworden was, “dan zal dat de ondergang der mijnbezitters zijn, zoowel voor mij als voor geheel Grikwaland!”

“Klaarblijkelijk!” riep Cyprianus uit. “Welk belang zal iemand nog hebben om in den grond te wroeten, om kleine bijna waardelooze diamanten te vinden, van het oogenblik af dat het even gemakkelijk zal zijn om door de nijverheid diamanten van alle afmetingen te vervaardigen als een brood van vier pond te bakken!”

“Maar dat is monsterachtig!....” hernam John Watkins. “Maar dat is infaam!.... dat is afgrijselijk!.... Wanneer, wat gij zegt, waar is, wanneer gij werkelijk dat geheim bezit....”

Hij bleef half verstikt in zijne woorden steken.

“Gij ziet,” sprak Cyprianus kalm, “ik vertel geen bakersprookjes. Ik heb hier mijn eerste fabrikaat medegebracht, en ik denk, dat het fraai genoeg is om u te overtuigen!”

“Welnu,” hernam eindelijk John Watkins, nadat hij weer bij adem gekomen was, “welnu, wanneer het waar is.... dan moest men u oogenblikkelijk doodschieten op den grooten weg bij het kamp!.... Ziedaar mijn gevoelen, mijnheer Méré!”

“En het mijne ook!” meende Hannibal Pantalucci met een gebaar van bedreiging er bij te moeten voegen.

Miss Watkins was doodsbleek van haren stoel opgesprongen.

“Mij doodschieten, omdat ik een vraagstuk opgelost heb, dat sedert vijftig jaren ongeveer gesteld is?” vroeg de jeugdige ingenieur, terwijl hij onverschillig de schouders optrok. “Drommels, dat zou toch een beetje al te kras zijn!”

“Er valt niet te lachen, of de schouders op te halen,” hernam de pachter woedend. “Hebt gij wel eens over de gevolgen van uwe zoogenaamde ontdekking nagedacht?.... Aan den gestoorden mijnarbeid.... aan Grikwaland, dat gij van zijne voornaamste nijverheid berooft.... aan mij dien gij tot den bedelstaf brengt?”

“Drommels, ik erken gaarne, dat ik daaraan niet gedacht heb,” antwoordde Cyprianus zeer openhartig, “maar dat zijn de onvermijdelijke gevolgen van den vooruitgang in de nijverheidszaken, en daaromtrent heeft de zuivere wetenschap zich niet te bekreunen!.... Daarenboven, gij persoonlijk hebt u daaromtrent niet te bekommeren, mijnheer Watkins. Weest gij zonder vrees! Wat mij toebehoort is het uwe, en gij kent zeer goed de beweegreden van mijn arbeid in die richting!”

John Watkins begreep eensklaps hoeveel partij hij trekken kon van de ontdekking van den jeugdigen ingenieur. Wat dan ook de Napolitaan er van denken mocht, hij aarzelde geen oogenblik om van meening te veranderen.

“Goed beschouwd,” hernam hij, “is het mogelijk, dat gij gelijk hebt, en gij spreekt als een degelijke, brave kerel, die gij ook zijt, mijnheer Méré! Ja!.... als ik de zaak goed overdenk komt het mij voor, dat wij ons wel verstaan zullen. Waarom zoudt gij eene buitensporige menigte diamanten maken? Dat zou uwe uitvinding verkleinen, onder den voet brengen! Ware het niet wijzer het geheim daarvan te bewaren en er een matig gebruik van te maken, door bij voorbeeld slechts een of twee dergelijke steenen te vervaardigen, of zelfs het bij dit welslagen te laten, daar hij u op eens een aanmerkelijken schat verschaft en u den rijksten man van het geheele land maakt!.... Zoodoende zal iedereen tevreden zijn: de zaken kunnen haar gang gaan, zooals zij tot heden deden, en gij zult de meest eerbiedwaardige belangen niet gedwarsboomd hebben.”

Dat was waarlijk een nieuw gezichtspunt van de kwestie, waaraan Cyprianus nog niet gedacht had; maar het dilemma stelde zich daar plotseling voor zijne oogen, in zijne onvermurwbare gestrengheid: [49] òf het geheim der uitvinding voor zich behouden, de wereld er onkundig van laten en er misbruik van maken, om zich te verrijken, òf wel, zooals John Watkins met recht bemerkte, al de diamanten, de natuurlijke zoowel als de kunstmatige, in waarde te doen verminderen en bijgevolg de fortuin af te wijzen om wat te doen?.... om al de mijnwerkers van Grikwaland, van Brazilië, van Indië en van Borneo ten gronde te richten!

Op dien tweesprong geplaatst, aarzelde Cyprianus een oogenblik, maar ook slechts één enkel. En toch, hij begreep dat wanneer hij partij koos voor de eer, voor de oprechtheid, voor de getrouwheid aan de wetenschap, hij zich daarna onherroepelijk den weg afsloot tot de hoop, die de voornaamste aanleiding was van zijne ontdekking!

De smart was bitter, was knagend, vooral omdat zij hem onverwacht overviel. Zoo’n fraaie droom, en.... zoo neer te storten!

“Mijnheer Watkins,” zei hij ernstig, “indien ik het geheim van mijne ontdekking voor mij hield, dan zou ik slechts een falsaris zijn. Ik zou gelijkstaan, met hem, die met vervalscht gewicht verkoopt; ik zou het publiek omtrent de koopwaar bedriegen! De ontdekkingen door een geleerde gedaan, zijn zijn eigendom niet! Zij maken deel uit van het bezit van allen. Zich eene ontdekking toeëigenen uit eene baatzuchtige beweegreden, zou zich schuldig maken zijn aan de verachtelijkste daad, die een mensch bedrijven kan. Dat zal ik nooit doen!.... Neen! waarachtig niet!.... Ik zal geen week, geen dag wachten om de formule, welke het toeval mij, geholpen door een weinig nadenken, mededeelde, tot publiek domein te maken. Mijne eenige bedenking is hierbij, dat ik het billijk en betamelijk vind, die formule het eerst aan mijn vaderland te doen kennen, aan Frankrijk, dat mij in staat stelde het te kunnen dienen!.... Morgen reeds zal ik het geheim mijner bewerking aan de Academie van Wetenschappen aanbieden. Vaarwel, mijnheer, ik ben u dankbaar mij mijn plicht zoo scherp begrensd onder het oog te hebben gebracht. Ik erken, dat ik aan dien plicht niet gedacht heb!.... Miss Watkins, ik heb een fraaien droom gedroomd!.... Helaas, ik moet er afstand van doen!”

En nog vóór het jonge meisje eene beweging had kunnen doen, om hem in de armen te vliegen, had Cyprianus zijn diamant gegrepen, een buiging voor miss Watkins gemaakt, en was naar buiten geijld.

Tiende hoofdstuk.

John Watkins peinst.

Toen Cyprianus met gebroken hart heengegaan was, vastbesloten om zooals hij dat noemde, zijnen ambtsplicht te vervullen, begaf hij zich andermaal naar Jacobus Vandergaart. Hij vond hem thans alleen. De makelaar Nathan had zich gehaast de eerste te zijn, om in het kamp het nieuws te verbreiden, waarin alle mijnwerkers zoozeer belang stellen moesten.

En dat nieuws baarde veel opzien, hoewel men nog niet wist, dat de overgroote diamant van den “monsieur”, zooals men Cyprianus noemde een kunstmatige was. Maar de “monsieur” stoorde zich hoegenaamd niets aan de oudewijvenpraatjes van de Kopjes-mijn! Hij had haast om met den ouden Vandergaart de kwaliteit en de kleur van den steen te onderzoeken, ten einde zijn rapport nauwkeurig te kunnen opmaken. Daarom maakte hij zooveel haast.

“Mijn waarde Jacobus,” zei hij, terwijl hij naast den juwelier plaats nam, “wees zoo vriendelijk daar op dien bult een facet te slijpen, om te kunnen oordeelen, wat onder die steenlegering verborgen zit.”

“Niets is gemakkelijker dan dat,” antwoordde de oude diamantslijper, terwijl hij den steen uit de hand van zijn jongen vriend aannam. “Gij hebt waarachtig een goede plek gekozen,” ging hij voort, terwijl hij op eene kleine dikte aan een der zijden van den steen wees, die bijna overigens volmaakt eirond was. “Wij wagen er niets bij, om aan dien kant te slijpen.”

Jacobus Vandergaart ging zonder dralen aan het werk, en na uit zijne verzameling een ruwen steen van vier of vijf karaten gezocht te hebben, [50] bevestigde hij dien aan het uiteinde eener spil en begon hij de beide uitwendige schillen der twee steenen af te slijpen.

“Ik zou eerder klaar zijn, wanneer ik den steen kon kloven,” zei hij. “Maar wie zou een hamerslag op een steen van dien prijs durven toebrengen?”

De arbeid was zeer lang en zeer eentonig en vorderde niet minder dan twee uren. Toen de facet ruim genoeg was om over den aard van den steen te kunnen oordeelen, moest hij op de draaischijf gepolijst worden, hetgeen ook veel tijd vorderde.

Het was evenwel nog volle dag, toen die werkzaamheden afgeloopen waren. Cyprianus en Jacobus Vandergaart gaven toen aan hunne nieuwsgierigheid toe en bekeken den steen om den uitslag van die slijping en polijsting waar te nemen.

Een fraaie facet, gitzwart van kleur, evenwel van eenen onvergelijkelijk schitterenden glans, vertoonde zich aan hunne oogen.

De diamant was zwart. Eene schier eenige of ten minste hoogst zeldzame bijzonderheid, die de waarde van den steen zoo mogelijk nog verhoogde.

De handen van Jacobus Vandergaart beefden van aandoening, terwijl hij het prachtstuk in het zonlicht liet flikkeren.

“Dat is de meest merkwaardige en schoonste diamant, die ooit te zien is geweest,” zei hij met een zweem van godsdienstigen eerbied. “Wat zal het wel zijn, wanneer hij de lichtstralen zal kunnen weerkaatsen, wanneer hij aan alle kanten geslepen zal zijn!”

“Wilt gij dien arbeid ondernemen?” vroeg Cyprianus levendig.

“Gaarne, mijn waarde vriend! Dat zou de eer en de bekroning van mijn lange loopbaan zijn!.... Maar wellicht doet gij beter een jeugdiger en vaster hand dan de mijne voor dat werk te kiezen.”

“Neen,” antwoordde Cyprianus liefderijk; “niemand, daar ben ik verzekerd van, zal dat werk met meer zorg en niet meer handigheid verrichten dan gij. Houd dien diamant, mijn waarde Jacobus, en slijp hem op uw gemak en naar uwen smaak. Gij zult er een kunststuk van maken! Dat is eene afgedane zaak!”

De grijsaard rolde en draaide den steen tusschen zijne vingers en aarzelde om zijne gedachten mede te deelen.

“Eéne zaak verontrust mij,” zeide hij ten slotte. “Ik kan mij zoo moeilijk over de gedachte heenzetten, dat ik onder mijn dak een kleinood van zooveel waarde zal bergen! Dit is op zijn minst vijf-en-twintig millioen, en misschien wel meer, die ik daar in de palm mijner hand berg! Het is niet zeer voorzichtig, zulk eene verantwoordelijkheid te aanvaarden!”

“Niemand zal er iets van weten, mijnheer Vandergaart, als gij het niet vertelt; en wat mij aangaat, ik verzeker u dat ik zwijgen zal!”

“Hm! men zal gissen! Men kan u gevolgd hebben, toen gij hier heen gingt.... Men zal veronderstellingen maken omtrent hetgeen men niet met zekerheid weet! Het is zoo’n raar volk in dit mijndistrict!.... Neen, ik zou niet gerust slapen!”

“Misschien hebt ge gelijk,” antwoordde Cyprianus, die de aarzeling van den grijsaard wel begreep. “Maar wat dan te doen?”

“Daar peins ik juist over,” hernam Jacobus Vandergaart, die gedurende eenige minuten stilzwijgend bleef zitten.

“Luister,” zei hij eindelijk. “Wat ik u voor te stellen heb, is kiesch en gaat van de veronderstelling uit, dat gij in mij een volkomen vertrouwen stelt. Maar gij kent mij genoegzaam, om niet vreemd te vinden, dat de gedachte van mij uitgaat, om zooveel voorzorgsmaatregelen te nemen!.... Ik moet dadelijk met dezen steen en mijne gereedschappen vertrekken, om ergens eene toevlucht te zoeken in het een of andere hoekje, waar niemand mij kent—te Bloemfontein of te Hope-town bij voorbeeld. Ik zal een bescheiden vertrek huren, ik zal mij daar opsluiten om in het grootste geheim te arbeiden, en ik zal eerst terugkomen, wanneer ik mijne taak zal volbracht hebben. Misschien gelukt het mij zoo, de boosdoeners van het spoor te brengen!.... Maar ik herhaal het: ik ben bijna verlegen om een zoodanig plan te berde te brengen!”

“En toch vind ik het goed ontworpen,” antwoordde Cyprianus; “en ik kan u slechts aansporen om het te verwezenlijken!”

“Reken er op dat het lang zal duren. [51] Ik zal minstens een maand noodig hebben, en onderweg kan mij eenig ongeval overkomen.”

“Om het even, als gij meent dat dit het beste is, wat wij doen kunnen, mijnheer Vandergaart. En alles wel beschouwd, het ongeluk zou zoo groot niet zijn, wanneer de diamant verloren ging.”

Vandergaart keek zijn jeugdigen vriend met schrik aan.

“Zou hem dat onmetelijk vermogen naar het hoofd geslagen zijn?” vroeg hij zich af.

Cyprianus begreep zijn gedachtengang en glimlachte. Hij legde hem de herkomst van dien diamant uit en hoedanig hij er later meerdere kon vervaardigen zooveel als hij slechts verkoos. Maar hetzij dat de oude diamantslijper slechts weinig geloof aan dat verhaal schonk, hetzij hij eene persoonlijke reden had om niet alleen met een steen van wellicht vijftig millioen in zijn hut te blijven, hij drong er op aan om dadelijk te vertrekken.

Daarom verzamelde dan ook Jacobus Vandergaart al zijne gereedschappen en zijne schamele plunje in een ouden lederen zak, hing aan de deur een lei: waarop geschreven stond: afwezig voor zaken, stak den sleutel in zijn zak, den diamant in zijn vestzakje en vertrok.

Cyprianus begeleidde hem gedurende twee of drie mijlen langs den weg naar Bloemfontein en verliet den oude eerst toen deze daarom herhaaldelijk verzocht had.

De nacht was reeds gevallen, en het was pikdonker toen de jeugdige ingenieur te huis kwam. Hij dacht toen meer aan miss Watkins dan aan zijne grootsche ontdekking.

Zonder zich den tijd te gunnen zijn maaltijd, door Makatit bereid, te gebruiken, nam hij plaats aan zijn werktafel en begon met de memorie-opstelling, die hij met de eerste postgelegenheid aan den secretaris van de Academie van Wetenschappen hoopte te verzenden. Dit was eene nauwkeurige en volledige beschrijving van zijne handeling met betrekking tot den vervaardigden diamant, waarop hij een zeer schrander uitgedrukt theoretisch stelsel liet volgen omtrent de reactie, die tot de vorming van dat prachtige stuk gekristalliseerde koolstof had aanleiding gegeven.

“Het meest opmerkenswaardige karakter onder anderen van dat product is,” schreef hij, “zijne volledige overeenkomst met den natuurlijken diamant, vooral door de aanwezigheid van de uitwendige steenlegering, waarin diamant besloten is.”

Inderdaad, Cyprianus aarzelde geen oogenblik, om die zoo zonderlinge uitwerking toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij zijne buis van binnen met eene brei van aarde bestreken had, die hij met alle zorg in de Vandergaart-Kopjesmijn uitgezocht had. De wijze, waarop een gedeelte van die aarde van de omwanding losgelaten had, om rondom het kristal een werkelijken notenbast te vormen, was niet gemakkelijk uit te leggen, en dat was een punt, waaromtrent latere proeven ongetwijfeld meer licht zouden verschaffen. Men kon wellicht veronderstellen, dat men hier met eene soort van scheikundige aantrekkingskracht of overeenkomst te doen had, waarvan onze jonge man vast besloot eene gezette studie te maken. Hij was niet zoo verwaand om al dadelijk bij een eerste optreden, de volledige en onherroepelijk vastgestelde theorie van zijne ontdekking aan te geven. Wat hij thans wilde, dat was haar zonder verwijl mededeelen aan de wereld der geleerden, dat was haar Frankrijk aanbieden, dat was de hulp zijner collega’s inroepen om nog meer licht over menig onverklaarbaar feit te erlangen.

Toen de memorie begonnen was en hij zoo aan zijn geweten als geleerde voldoening had verschaft, dacht hij er aan om wat te eten en te gaan slapen. Hij zou dat wetenschappelijk stuk later met menige nieuwe opmerking verrijken en het daarna beëindigen om het te verzenden daar waar het behoorde.

Cyprianus verliet den volgenden morgen al heel vroeg zijne woning en maakte geheel in gedachten verzonken eene wandeling op de verschillende mijn-terreinen. Zekere blikken, die niets sympathieks hadden, werden hem in het voorbijgaan toegeworpen. Hij merkte er niets van, want hij had al de gevolgen van zijn groote ontdekking vergeten. Toch waren die gevolgen hem door John Watkins genoegzaam aan het verstand gebracht, en die bestonden in [52] den ondergang, na korteren of langeren tijd, van de mijnwerkers van geheel Grikwaland.

Zoo iets was wel geschikt om de gemoederen te verontrusten in een land van half-wilden, waar men geenszins aarzelt om zijn eigen rechter te zijn en het beulsbaantje met eigen handen uit te oefenen; waar de veiligheid van den arbeid, en bij gevolg ook van den handel, die er uit voortspruit, de eenige, de hoogste wet is. Werd de vervaardiging van den kunstmatigen diamant werkelijk als practische nijverheid mogelijk, dan waren alle millioenen in de mijnen van Brazilië, zoowel als die in Zuid-Afrika, ongerekend de vele menschenlevens daaraan verbonden, onherroepelijk verloren. De jeugdige ingenieur zou ongetwijfeld zijne ontdekking geheim kunnen houden, maar dienaangaande was zijne verklaring zoo duidelijk mogelijk geweest. Dat zou hij niet doen!

Van de andere zijde had de vader van Alice gedurende den langen nacht, waarin hij nu eens droomde van onmogelijk groote diamanten, vertegenwoordigende een waarde van verscheidene milliarden, dan weer zich slapeloos op zijne legerstede heen en weer wentelende, ernstig nagedacht en het volgende overwogen. Dat Hannibal Pantalucci en de andere mijnwerkers met ongerustheid en ook met woede de omwenteling beschouwden, die door de ontdekking van Cyprianus zou worden te weeg gebracht met betrekking tot de diamanthoudende gronden, was zeer natuurlijk, daar zij die gronden ontgonnen voor eigen rekening. Maar de toestand van hem, eenvoudig eigenaar van de hoeve Watkins, was niet dezelfde. Ongetwijfeld, wanneer de claims ten gevolge van de waardevermindering der diamanten verlaten werden, wanneer die mijnwerkersbevolking Grikwaland den rug toekeerde en heentoog, dan zou de waarde van zijn hoeve aanmerkelijk verminderen, zijne voortbrengselen zouden geen zoo gereeden aftrek meer hebben, zijne huizen en zijne hutten zouden wegens gebrek aan huurders leeg blijven staan, en wellicht zou hij zelf het land moeten verlaten, omdat er geen zaken meer te doen waren.

“Maar jawel,” mompelde John Watkins bij zich zelven, “maar zoover zijn wij nog niet. Om daartoe te geraken zullen nog wel ettelijke jaren voorbijgaan. De vervaardiging van kunstmatige diamanten is nog niet practisch mogelijk, zelfs niet met de wijze van werken van mijnheer Méré! Misschien bestaat er heel veel toeval in zijn zaak. Maar toeval of niet, hij heeft toch een steen van onmetelijke waarde vervaardigd, die als natuurlijke diamant ongetwijfeld vijftig millioen waard zou zijn, en nu hij kunstmatig verkregen is, toch nog verscheidene millioenen waard is. Ja, ik moet dien jongen man in het oog houden. Hij moet in mijne nabijheid blijven, het koste wat het wil. Althans gedurende eenigen tijd. Ik moet hem beletten zijne ontdekking uit te bazuinen. Die fraaie steen moet het bezit der familie Watkins worden en mag die familie niet verlaten dan tegen een eerbiedwaardig aantal millioenen. Wat betreft het hier houden van den maker van dien steen, dat is gemakkelijk genoeg—zelfs zonder zich onherroepelijk te verbinden. Ik heb Alice bij de hand, en door middel van Alice zal ik hem wel beletten naar Europa te vertrekken!.... Ja, al moest ik hem hare hand beloven!.... al moest ik hem mijn dochter ten huwelijk schenken!....”

Waarachtig, John Watkins, door zijne onverzadelijke hebzucht gedreven, zou zelfs daartoe in staat zijn. In die geheele zaak zag hij slechts zijn eigen ik, dacht hij slechts aan zijn eigen persoon. En dacht de oude zelfzuchtige ook al een enkele maal aan zijne dochter, dan was het slechts om in zichzelven te mompelen:

“Welnu, al gebeurde dat ook, dan zou Alice zich niet te beklagen hebben! Die jeugdige dwaze geleerde ziet er vrij goed uit! Hij bemint haar, en heb ik het wel, dan is zij tegenover die liefde niet gevoelloos gebleven.”

“Nu, wat valt er inderdaad beter te doen dan twee harten, die voor elkander geschapen schijnen, te verbinden.... of ten minste hun die vereeniging te laten hopen, tot het oogenblik gekomen zal zijn, dat ik helder in die zaak zien kan.... Welnu, bij Sint John, mijn schutspatroon, de duivel hale Hannibal Pantalucci en zijne makkers. Hier in Grikwaland vooral geldt het: ieder voor zich!”

Zoo redeneerde John Watkins, terwijl [53] hij die denkbeeldige weegschaal hanteerde, waarin hij tusschen de toekomst zijner dochter en een eenvoudig stuk gekristalliseerde koolstof evenwicht trachtte te verkrijgen, en hij zich uiterst gelukkig gevoelde, toen hij vermeende, dat de beide schalen in hetzelfde vlak, of beter, op dezelfde horizontale lijn bengelden.

Zijn besluit was dan ook reeds den volgenden ochtend genomen: hij zou niet overijld handelen, hij zou op zien komen spelen, de zaken zachtjes hun gang laten gaan, zeker als hij was van den loop dien zij zouden nemen.

Maar vooreerst stelde hij er belang in om zijn huurder weer te zien,—wat vrij gemakkelijk was, daar de jeugdige ingenieur dagelijks op de hoeve kwam—; maar hij wilde ook den fraaien diamant weer zien, die in zijne droomen kolossale afmetingen aangenomen had.

John Watkins begaf zich dan ook naar de hut van Cyprianus, die, daar het vroeg in den morgen was, nog thuis was.

“Welnu, mijn jonge vriend,” zei hij op een zekeren toon van opgeruimdheid. “Hoe hebt gij dezen nacht doorgebracht.... dien eersten nacht na uwe grootsche ontdekking?”

“Wel, zeer goed, mijnheer Watkins, zeer goed!” antwoordde de jonkman koeltjes.

“Wat? Hebt gij kunnen slapen?”

“Zoo als gewoonlijk! Waarom niet?”

“Al die millioenen, die uit dat fornuis daar te voorschijn getreden zijn,” hernam Mr. Watkins, “hebben dus uwen slaap niet gestoord?”

“Waarachtig niet,” antwoordde Cyprianus, “in geenen deele. Begrijp dan toch goed, mijnheer Watkins, die diamant zou slechts millioenen waard zijn, wanneer hij door de natuur en niet door een scheikundige voortgebracht ware.”

“Jawel.... jawel.... mijnheer Méré! Maar zijt gij overtuigd een anderen of meer anderen te kunnen vervaardigen? Zoudt gij dat durven verzekeren?”

Cyprianus aarzelde. Hij begreep beter dan iemand hoeveel teleurstellingen bij een arbeid als deze kunnen ondervonden worden.

“Gij ziet het!” hernam John Watkins! “Gij durft het niet bevestigen. Dus zal die diamant, totdat gij bij eene volgende proef geslaagd zult zijn, zijne overgroote waarde behouden!”.... En dat aangenomen, waarom zoudt gij dan gaan vertellen, althans voorshands, dat het een kunstmatige steen is?”

“Ik herhaal, wat ik u vroeger reeds gezegd heb,” antwoordde Cyprianus; “dat ik de oplossing van zoo’n belangrijk vraagstuk wetenschappelijk niet geheim kan houden.”

“Jawel!.... jawel!.... ik begrijp dat,” hernam John Watkins terwijl hij den jonkman met een gebaar tot zwijgen uitnoodigde, alsof hij bevreesd ware, dat hun gesprek buiten gehoord kon worden. “Jawel!.... jawel!.... wij zullen daarover later wel praten!.... Maak u evenwel niet ongerust over Pantalucci en de overigen!.... Zij zullen omtrent uwe ontdekking niets vertellen, dewijl hun belang medebrengt dat zij daarover zwijgen!.... Geloof, mij.... wacht!.... en denk er wel om dat mijne dochter en ik zeer gelukkig zijn over uwe ontdekking!.... Ja, zeker, zeer gelukkig!.... Maar, zou ik dien prachtigen diamant nog eens mogen zien?.... Ik heb gisteren ternauwernood tijd gehad om hem aandachtig te bekijken!.... Wilt gij mij dus andermaal veroorloven....”

“Ik heb hem niet meer!” antwoordde Cyprianus.

“Gij hebt hem naar Frankrijk gezonden?” riep John Watkins uit, die alleen door de gedachte daaraan zich vernietigd gevoelde.

“Neen.... nog niet!.... In zijn ruwen toestand kon niet over zijne schoonheid geoordeeld worden. Dus gij kunt gerust zijn.”

“Aan wien hebt gij hem dan ter hand gesteld? Bij alle heiligen van Engeland, aan wien?”

“Aan Jacobus Vandergaart, om hem te slijpen. Ik weet niet of hij hem heeft medegenomen.”

“Gij hebt zoo’n diamant aan dien ouden gek toevertrouwd?” riep John Watkins woedend uit. “Maar dat is waanzin, mijnheer! Inderdaad waanzin!”

“Bah!” antwoordde Cyprianus. “Wat wilt gij dat Jacobus of wie ook ter wereld met zoo’n diamant, wiens waarde voor hen, die met zijne afkomst onbekend zijn, op minstens vijftig millioenen geschat moet worden, zal uitvoeren? [54] Zoudt ge denken dat het gemakkelijk zou zijn hem heimelijk aan den man te brengen?”

John Watkins scheen getroffen door dat argument. Neen! een diamant van die waarde zou niet gemakkelijk van de hand te doen zijn. Toch was de pachter niet gerust, en had veel willen geven, ja zeer veel, indien Cyprianus hem niet aan den ouden diamantslijper had toevertrouwd.... of tenminste dat de oude diamantslijper reeds in Grikwaland teruggekeerd ware met dien kostbaren steen!

Maar Jacobus Vandergaart had een maand tijd bedongen, en hoe ongeduldig John Watkins ook was, hij was wel verplicht te wachten.

Het was buiten kijf dat zijne gewone huisbezoekers, als Hannibal Pantalucci, Herr Friedel, de jood Nathan niet nalieten den doodeerlijken diamantslijper te belasteren. Bij afwezigheid van Cyprianus spraken zij veel over hem en merkten dan steeds op, dat de tijd voorbijvlood en dat Jacobus Vandergaart niet terugkwam.

“En waarom zou hij in Grikwaland terugkeeren?” vroeg Friedel, “daar het hem zoo gemakkelijk is dien diamant, die zoo’n overgroote waarde heeft en welker fabriekmatige afkomst nog nergens bekend is, voor zich te behouden?”

“Omdat hij geen kooper er voor zal vinden!” antwoordde John Watkins, die hetzelfde argument van den jeugdigen ingenieur te berde bracht, dat hem evenwel volstrekt niet gerust stelde.

“Een mooie reden!” grinnikte Nathan.

“Ja, waarachtig! een mooie reden,” vulde Hannibal Pantalucci aan. “Geloof mij, die oude kaaiman is reeds ver op dit oogenblik! Wat is er gemakkelijker, vooral voor hem, dan dien steen geheel onherkenbaar te maken? Gij kent zijne kleur zelfs niet! Wie zal hem beletten dien zwaren diamant in vier of zes deelen te verdeelen, waardoor er door kloving verscheidene steenen bekomen worden, die toch nog een eerbiedwaardige afmeting zullen hebben?”

Die gesprekken verontrustten het gemoed van John Watkins zeer. Hij begon ook te gelooven, dat Jacobus Vandergaart zich niet meer zou laten zien.

Cyprianus alleen was stellig overtuigd omtrent de eerlijkheid van den oudere diamantslijper. Hij verkondigde openlijk, dat de oude op den gestelden dag tegenwoordig zou zijn, en hij had gelijk.

Jacobus Vandergaart kwam zelfs tweemaal vier en twintig uren vroeger terug. Hij had zich zoodanig gehaast en zoo veel ijver bij den arbeid betoond, dat hij den diamant in zeven en twintig dagen geslepen had. Hij keerde tegen den avond terug om hem op de schijf te polijsten, zoodat de grijsaard zich in den morgen van den negen en twintigsten dag bij Cyprianus vervoegen kon:

“Hier is de steen,” zei hij op eenvoudigen toon, terwijl hij een kleine houten doos op de tafel plaatste.

Cyprianus opende de doos en werd verblind.

Op een kussentje van witte katoenvlokken vertoonde zich een overgroote zwarte kristal met ruitvormige twaalfvlakken, die zulke prismatische lichtbundels uitstraalde, dat het geheele laboratorium verlicht scheen.

Die combinatie van eene gitzwarte kleur met eene uiterst volmaakte diamantachtige doorzichtigheid en met een weergaloos straalbrekingsvermogen, bracht het meest wonderlijke en meest verrassende effect te weeg. Men gevoelde zich tegenover dien diamant als tegenover een waarlijk eenig verschijnsel, dat als een speling der natuur kon beschouwd worden, dat zijne wederga niet had. Zelfs als men ieder denkbeeld aan waarde ter zijde stelde, dan nog blonk de heerlijkheid van dat kleinood ten volle uit.

“Het is niet alleen de zwaarste diamant, die er op de wereld bestaat,” zei Jacobus Vandergaart hoogst ernstig en met een soort van vaderlijken trots; “maar het is ook de fraaiste. Hij weegt vier honderd twee en dertig karaten! Gij kunt u vleien, mijne jonge vriend een kunststuk uitgevoerd te hebben. Uw proefstuk is een meesterstuk.”

Cyprianus had op die complimenten van den ouden diamantslijper niets geantwoord. Wat hem betreft, hij beschouwde zich als de uitvinder van eene zeldzame aardigheid, niets meer, niets minder. Vele anderen hadden zich beijverd de oplossing van het vraagstuk te vinden, zonder te slagen. Het was hem gelukt op dat terrein der anorganische scheikunde de bestaande moeielijkheden [55] te overwinnen. Maar welke nuttige gevolgen zou de menschheid uit de vervaardiging van kunstmatigen diamant trekken? Zij zou ontwijfelbaar al diegenen ten gronde richten, die van den handel in edelgesteenten leefden, zonder iemand te verrijken of ook maar te bevoordeelen.

Die beschouwing verdreef wel ietwat de droombeelden, waaraan de jonge ingenieur zich in de eerste dagen na zijn ontdekking had overgegeven. Ja, nu verscheen hem die diamant, hoe bewonderenswaardig hij ook genoemd moest worden, nadat hij uit de handen van Jacobus Vandergaart gekomen was, slechts als een waardelooze keisteen, die niet eens de zinsbegoocheling der zeldzaamheid bezat.

Cyprianus greep het doosje, waarin de onvergelijkelijke steen bevat was, drukte den grijzen diamantslijper de hand en begaf zich naar de woning van John Watkins.

De pachter bevond zich in zijn benedenvertrek. Hij was steeds ongerust over de terugkomst van Jacobus Vandergaart. die hem als zeer onwaarschijnlijk voorkwam. Zijne dochter was bij hem en trachtte hem zooveel mogelijk gerust te stellen.

Cyprianus opende de deur en bleef een oogenblik op den drempel staan.

“Welnu?”.... vroeg John Watkins met levendige stem, terwijl hij vlug van zijn stoel opsprong.

“Welnu, de trouwhartige Jacobus Vandergaart is heden ochtend aangekomen,” antwoordde Cyprianus.

“Met den diamant?”

“Ja, met den diamant, dien hij bewonderenswaardig geslepen heeft. Deze weegt nog vier honderd twee en dertig karaten.”

“Vier honderd twee en dertig karaten!” riep John Watkins uit, “En gij hebt hem bij u?”

“Hier is hij.”

De pachter greep het doosje, deed het open en bekeek den diamant met oogen, die bijna evenzeer fonkelden als het edelgesteente zelf. Hij was als met stomheid geslagen en had het uiterlijk van een verrukte!

Vervolgens, toen het hem vergund was, om de kolossale waarde, die de diamant vertegenwoordigde, onder dien tegelijkertijd lichten, draagbaren, kostbaren en schitterenden vorm tusschen de vingers te mogen houden, toen verkreeg zijn verrukking een graad van overdrijving, die hem uiterst bespottelijk maakte.

John Watkins had tranen in de oogen en sprak den diamant aan alsof het een bezield wezen ware geweest.

“O! die schoone, die prachtige, die schitterende steen!....” riep hij uit. “Gij zijt dus teruggekomen, mijn liefste!.... Wat zijt ge schitterend!.... Wat zijt ge zwaar!.... Hoevele klinkende schijven zult ge wel waard zijn?.... En wat zal men met u aanvangen, mijn overschoone?.... O, eerst wordt ge naar de Kaapstad, later naar Londen gezonden, om daar gezien en bewonderd te worden!.... Maar wie zal rijk genoeg zijn om u te koopen? De Koningin zelve kan zich zulk eene weelde niet veroorloven!.... Haar geheele inkomen van twee of drie jaren zou daarmee heengaan!.... Er zal een votum van het Parlement noodig zijn, of beter nog een nationale inschrijving!.... O! men zal die in het leven roepen, wees daaromtrent gerust.... En gij zult rusten in Londen’s Toren naast den Koh-i-noor, die zich slechts als een klein kind naast u zal vertoonen!.... Wat zoudt gij wel waard zijn, mijn hartedief?”

En na een oogenblik in stilte berekend te hebben, vervolgde hij:

“De diamant van den Czaar is door Katharina II met een millioen roebels comptant betaald geworden, terwijl daarenboven nog eene jaarlijksche lijfrente van acht en veertig duizend gulden aan den verkooper verleend werd. Er zal niets overdrevens in gevonden worden, wanneer voor dezen steen een millioen pond sterling gevraagd wordt en eene eeuwigdurende rente van twee honderd vijftig duizend gulden!”

En plotseling door een invallende gedachte getroffen:

“Mijnheer Méré,” vroeg hij, “zoudt gij niet denken dat men den eigenaar van een zoodanigen steen tot het pairschap zoude verheffen? Alle soorten van verdiensten hebben recht om in de pairskamer zitting te nemen, niet waar? En zoo’n diamant van zulken omvang te bezitten, zou geen geringe verdienste zijn!.... Kijk dan toch, mijn dochter, kijk!.... Men heeft aan [56] zijne twee oogen niet genoeg, om zoo’n steen te bewonderen!....”

Miss Watkins bekeek voor de eerste maal van haar leven een diamant met eenige belangstelling.

“Hij is waarlijk zeer schoon! Hij glinstert als een stuk kool, wat hij ook is, maar als een gloeiende kool!” zeide zij, terwijl zij den diamant voorzichtig van zijn leger van watten nam.

Vervolgens naderde zij met instinctmatige beweging, die ieder jong meisje in hare plaats ondervonden zou hebben, den spiegel, die boven den schoorsteen prijkte, en plaatste het bewonderenswaardige kleinood op haar voorhoofd te midden van haren rijken blonden haardos.

“Eene ster in goud gevat!” zei Cyprianus galant en liet zich daarbij tegen zijne gewoonte tot het zeggen van eene geestigheid verleiden.

“Dat ’s waar!.... Waarlijk, men zou zeggen eene ster!” riep Alice uit, terwijl zij vroolijk in de handen klapte. “Welnu, die diamant moet dien naam behouden. Laten wij hem de Zuidster doopen!.... Wilt ge, mijnheer Cyprianus? Is onze ster niet zwart als de inlandsche schoonen van dit land en is zij niet schitterend als het prachtig gesternte van onzen Zuidelijken hemel?”

“Goed! de Zuidster!” zei John Watkins, die aan den naam slechts luttel hechtte. “Maar pas op, laat hem niet vallen!” hernam hij met schrik, toen het jonge meisje een plotseling beweging maakte. “Hij zou als glas breken!”

“Waarlijk?.... Is zoo’n steen zoo bros?” antwoordde Alice, terwijl zij den diamant met vrij wat geringschatting in zijn doosje legde. “Arme ster, gij zijt dus eene valsche ster, niets anders dan de stop eener karaf.”

“De stop eener karaf!” riep John Watkins woedend uit. “De kinderen eerbiedigen niets meer!”....

“Juffrouw Alice,” hernam toen de jeugdige ingenieur, “gij zijt het, die mij aangemoedigd hebt om de kunstmatige vervaardiging van het diamant te zoeken! Aan u is deze steen zijn bestaan verschuldigd!”

”.... In mijn oogen evenwel is dat een kleinood, dat zoodra men zijne herkomst zal kennen, geene handelswaarde hoegenaamd meer zal bezitten!.... Uw vader zal mij dan ook ongetwijfeld veroorloven, u dien steen aan te bieden als eene herinnering aan uwen gezegenden invloed op mijne werkzaamheden!”

“Hé! wat!” riep John Watkins uit, die onmogelijk in dit oogenblik kon bemantelen, wat in zijn binnenste omging bij die.... onverwachte aanbieding.

“Juffrouw Alice,” hernam Cyprianus, “die diamant behoort u!.... Ik bied u hem aan, ik geef hem u!”

Miss Watkins antwoordde niet, maar zij reikte den jonkman hare hand, die deze teederlijk in de zijne drukte.

Elfde hoofdstuk.

De Zuidster.

Het nieuwtje van den terugkeer van Jacobus Vandergaart had zich bliksemsnel verspreid. Een menigte bezoekers stroomde dan ook naar de hoeve, om het wonder van de Kopjes-mijn te bewonderen. Men vernam weldra dat de diamant aan miss Watkins toebehoorde, maar dat haar vader meer dan zij zelve daar de bezitter van was. Daardoor ontstond eene algemeene nieuwsgierigheid ten opzichte van dien diamant, die niet door de natuur, maar door een menschenhand gemaakt was.

Wij moeten hier evenwel doen opmerken, dat nog niets uitgelekt was omtrent den kunstmatigen oorsprong van den diamant in kwestie. Van den eenen kant waren de mijnwerkers van Grikwaland, die met dien oorsprong bekend waren, niet dwaas genoeg geweest, om een geheim rond te kraaien, dat hun onmiddellijken ondergang kon bewerken. Van zijn kant had Cyprianus, die van het toeval niet afhankelijk wilde zijn, ook gezwegen en besloten zijne memorie betreffende de Zuidster niet te verzenden, alvorens zijn welslagen bevestigd te hebben gezien door een tweede proef. Hij wilde zeker zijn datgene, wat hij eens vervaardigd had, ook een tweede maal te kunnen voortbrengen.

Aller nieuwsgierigheid was dan ook ten hoogste gespannen en John Watkins [57] had onmogelijk een gevoeglijke reden kunnen uitdenken, om aan die nieuwsgierigheid niet te voldoen, te meer niet daar zij zijne ijdelheid zeer streelde. Hij plaatste dus de Zuidster op een kussen van watten op eene kleine wit marmeren kolom, die midden op den schoorsteen zijner spreekkamer prijkte en den geheelen dag bleef hij daar op wacht, gezeten in zijn grooten armstoel, om het onvergelijkelijk kleinood zorgvuldig in het oog te houden en het aan het publiek te vertoonen.

James Hilton was de eerste persoon, die hem op het gevaarlijke van zulk eene handelwijze opmerkzaam maakte. Hield hij wel rekening met de gevaren, die hij als het ware over zijn hoofd uitlokte, door de overgroote waarde, welke hij in zijne woning huisvestte, zoo voor aller blikken ten toon te stellen? Het was volgens Hilton volstrekt noodzakelijk, om van Kimberley eene speciale wacht van politieagenten te ontbieden; deed hij dat niet, dan zou de eerstvolgende nacht niet zonder noodlottige gebeurtenissen voorbijgaan.

John Watkins, uiterst verschrikt over dat vooruitzicht, haastte zich dien welgemeenden raad van zijn gast op te volgen en was niet eerder gerust dan toen hij tegen den avond een troep bereden politiedienaren zag aankomen. Die vijf en twintig man werden in de bijgebouwen van de hoeve gehuisvest.

De toevloed van nieuwsgierigen bleef de volgende dagen steeds aangroeien en de faam van de Zuidster had weldra de grenzen van het mijndistrict overschreden om zich tot de meest verwijderde streken uit te strekken. De dagbladen in de kolonie wijdden artikel op artikel aan de beschrijving van den omvang, van den vorm, van de kleur en van den glans van den bewonderenswaardigen diamant. Langs den telegraafkabel werden al die bijzonderheden over Zanzibar en Aden eerst naar Azië en Europa, vervolgens naar Noord- en Zuid Amerika en Australië overgeseind. Photografen smeekten om de eer, van den prachtigen steen eene afbeelding te mogen nemen. Speciale teekenaars kwamen uit naam der geïllustreerde tijdschriften er eene schets van maken. In één woord, die diamant stelde een wereldgebeurtenis daar.

De legende werd er zelfs mede gemoeid. Er werden in de vereenigingen der mijnwerkers fantastische verhalen gefluisterd over de geheimzinnige eigenschappen welke men dien steen toeschreef. Men zei met gedempte stem, dat een zwarte diamant niet anders dan ongeluk kon aanbrengen! Ervaringsvolle lieden schudden het hoofd en verklaarden volmondig, dat zij dien duivelssteen liever bij Watkins aan huis dan bij zich zagen. In het kort, het kwaadspreken en zelfs de laster, die aan iedere beroemdheid als het ware kleven, ontbraken ook aan de Zuidster niet, die er zich natuurlijk niets van aantrok; maar:

Geheele bundels prachtvolle lichtstralen

Op die lasteraars liet nederdalen!

Anders was het evenwel met John Watkins gesteld, die over die oude-wijven-praatjes verwoed was. Het was hem te moede, alsof al dat geklets iets van de waarde van dien steen ontnam en hij werd er door aangedaan als door persoonlijke beleedigingen. Sedert dat de gouverneur der kolonie, de officieren der naburige garnizoensplaatsen, al de magistraten, de beambten, de geconstitueerde lichamen en firma’s hunne hulde hadden komen bewijzen aan zijn kleinood, zag hij eene heiligschennis schier in iedere vrije gedachtenwisseling die er over gevoerd werd.

Om dan ook een tegenwicht tegenover al dat gezwets te stellen, en ook om aan zijne zucht tot lekkerbekken te voldoen, besloot hij een groot diner ter eere van dien lieven diamant te geven, dien hij hoopte, in weerwil van wat Cyprianus er van denken mocht, en wat ook de wensen zijner dochter, om hem in den diamantvorm te behouden, mocht zijn, weldra tegen klinkende munt verwisseld te zien.

Helaas! zoodanig is in den regel de invloed van de maag op de meeningen van het meerendeel der menschen, dat de aankondiging van het diner voldoende was om de uitgesproken openbare meening in het kamp van de Vandergaart-Kopjesmijn van den eenen dag tot den anderen geheel te wijzigen. Men hoorde toen lieden, die de meest boosaardige taal ten opzichte van de Zuidster uitgeslagen hadden, plotseling een geheel anderen toon aanslaan en beweren, dat die steen geheel onschuldig [58] was aan den boozen invloed, die hem toegeschreven werd, waardoor zij eene uitnoodiging van John Watkins hoopten te verwerven.

O, men zal nog lang van dat feestmaal in het bekken van de Vaalrivier gewagen! Dien dag zaten tachtig gasten aan de tafel, die gedekt was onder eene tent, welke opgeslagen was langs de lange zijde van de spreekkamer, welker buitenmuur men voor die gelegenheid omver gehaald had. Een “koninklijke baron”, zoo werd een kolossaal braadstuk genoemd, dat uit de geheele ruggestreng van een os bestond, besloeg het midden der tafel. Dat braadstuk werd door heele gebraden schapen en door allerhande soorten wild van die streek geflankeerd. Bergen van groenten en vruchten, alsmede geheele tonnen bier en geheele vaten wijn, die opengeslagen en op gelijke onderlinge afstanden geplaatst waren, completeerden het samenstel van dit diner, hetwelk op kolossale verhoudingen kon bogen.

De Zuidster, op haar voetstuk geplaatst en door brandende waskaarsen omgeven, prijkte achter John Watkins en presideerde eigenlijk dat diner, hetwelk ter harer eere gegeven werd.

De bediening aan tafel geschiedde door een twintigtal kaffers, die voor deze gelegenheid ingehuurd waren. Zij stonden onder opzicht van Makatit, die zich, na daartoe verlof van zijn baas bekomen te hebben, aangeboden had om hen te leiden en aan te voeren.

Er waren daar genoodigd, behalve de brigade politiedienaren, waaraan John Watkins dank voor hunne waakzaamheid verschuldigd was, al de voornaamste personen van het kamp en zijne omstreken. Zoo waren daar Matthijs Pretorius, Nathan, James Hilton, Hannibal Pantalucci, Friedel, Thomas Staal en vijftig anderen.

Zelfs de dieren van de hoeve: de ossen, de honden, maar vooral de struisvogels van miss Watkins trachtten hun deel van het feest te krijgen en kwamen om de kliekjes en den afval bedelen.

Alice had aan het uiteinde der tafel vlak tegenover haren vader plaats genomen en hield de eer des huizes met hare gewone bevalligheid op. Zij was evenwel heimelijk bedroefd, omdat noch Cyprianus Méré, noch Jacobus Vandergaart dat diner bijwoonden; ook omdat zij de redenen van die terughouding begreep.

De jeugdige ingenieur had steeds, zooveel hem maar mogelijk was, het gezelschap der Friedels, der Pantalucci’s en soortgelijke vermeden. Hij droeg bovendien kennis van hunne weinig welwillende stemming jegens hem, sedert hij zijn grootste ontdekking gedaan had en had meermalen hunne bedreigingen gehoord jegens den uitvinder van die kunstmatige vervaardiging, die hen geheel en al ten gronde kon richten. Hij had dus geen aanleiding gevonden, om dien maaltijd bij te wonen. Wat Jakobus Vandergaart betreft, bij wien John Watkins ijverige pogingen had laten aanwenden, om eene verzoening te bewerken, deze had iedere toenadering met trots van de hand gewezen.

Het maal liep op zijn einde. De grootste orde had daarbij geheerscht, maar dat was te danken aan de tegenwoordigheid van miss Watkins, die een voldoend dekorum aan de meest woeste mijnwerkers had opgelegd, hoewel zij niet had kunnen verhoeden dat Matthijs Pretorius zooals altijd, ten doelwit had gestaan aan de zoutelooze snakerijen van Hannibal Pantalucci. Deze liet den ongelukkigen Boer de dolste uien slikken. Zoo zou er een vuurwerk onder tafel afgestoken worden!.... Zoo werd er slechts gewacht, dat miss Watkins zich zou verwijderd hebben, om den diksten man van het gezelschap te noodzaken achter elkander twaalf flesschen jenever uit te drinken!.... Zoo zou ook uitgemaakt zijn, dat na het diner het feest zou bekroond worden met een algemeen vuistgevecht, terwijl men eindelijk elkander met revolverpistolen zou beschieten!

Gelukkig werd aan al die akelige grappen een einde gemaakt door John Watkins, die in zijne hoedanigheid van president van het feest, met het hecht van zijn mes op de tafel sloeg, om de traditioneele heildronken aan te kondigen.

Toen er genoegzame stilte ingetreden was, verhief de gastheer zijn lange gestalte, leunde met zijne beide duimen op het tafellaken en begon zijne toespraak met eenigszins dubbelslaande tong, ten gevolge van te veel in zijn glas gekeken te hebben. [59]

Hij verzekerde, dat die dag de grootste herinneringsdag van zijn leven als mijnwerker en als landbouwer zou zijn. Na al de beproevingen, die hij sedert zijne jeugd doorstaan had, zag hij zich thans in het rijke Grikwaland gevestigd en was hij thans omringd door tachtig vrienden, om met hem feest te vieren over het bezit van den grootsten diamant der wereld. Zoo iets verschaft eene onvergetelijke vreugde!.... Het is waar, dat een der eerzame mijnwerkers, die thans om hem gezeten waren, morgen een nog grooteren steen kon vinden!.... Maar dat was juist het pikante en de dichterlijke zijde van het mijnwerkersleven!.... (Levendige toejuiching). Dat geluk wenschte hij zijne gasten van harte toe!.... (Gelach en handgeklap). Hij meende evenwel te kunnen verzekeren, dat hij slechts moeielijk te voldoen was, die met zoo’n diamant niet tevreden was!.... Om kort te gaan, hij noodigde zijne gasten om te drinken op Grikwalands welvaren, op de bestendigheid der marktprijzen van de diamanten, welke mededinging zij ook te duchten mogen hebben,—eindelijk op de goede reis, welke de Zuidster ging ondernemen, om eerst in de Kaapstad en vervolgens in Engeland in alle hare heerlijkheid te gaan schitteren!

“Maar,” zei Thomas Staal, “is het niet gevaarlijk een steen van die waarde naar de Kaapstad te verzenden?”

“O! hij zal goed geëskorteerd worden!....” antwoordde John Watkins. “Veel, zeer veel diamanten hebben onder die omstandigheden de reis gemaakt en de veilige haven bereikt.”

“Zelfs de diamant van den heer Durieux de Sancey,” zei Alice, “en toch zonder de toewijding en opoffering van zijn knecht....”

“Hé! wat is er dan toch buitengewoons gebeurd met dien diamant?” vroeg James Wilton.

“Ziehier het verhaal van het gebeurde” antwoordde Alice zonder zich te laten bidden:

“Mijnheer de Sancey was een Fransch-edelman, tot de hofhouding van Hendrik III behoorende. Hij bezat een beroemden diamant, die thans nog zijn naam draagt. Die diamant—het zij hier tusschen twee haakjes gezegd,—had reeds talrijke avonturen beleefd. Zoo had hij bij voorbeeld aan Karel den Stouten toebehoord, die hem bij zich droeg, toen hij onder de wallen van Nancy gedood werd. Een Zwitsersch soldaat vond den steen op het lijk van den hertog van Bourgondië en verkocht hem voor een gulden aan een armen priester, die hem voor vijf of zes gulden aan een jood overdeed. Ten tijde dat hij in het bezit was van den heer de Sancey, verkeerde de Koninklijke Schatkist in groote ongelegenheden. Toen stemde de heer de Sancey er in toe, om zijn diamant in onderpand te geven om de waarde daarvan aan den Koning voor te schieten. De geldschieter bevond zich te Metz. Men moest dus het kleinood aan een dienaar toevertrouwen om het over te brengen.

“Vreest gij niet dat die man met zijn schat naar Duitschland zal ontvluchten?”” vroeg men den heer de Sancey.

“Neen, ik stel ten volle vertrouwen in hem.”

“Toch kwam in weerwil van dat vertrouwen, noch de man, noch de diamant ter gewenschte plaats aan. Het geheele hof lachte den heer de Sancey hardop uit.

““Toch blijft mijn vertrouwen in mijn bediende ongeschokt,”” antwoordde deze. ““Hij moet ergens vermoord zijn.””

“En inderdaad, toen men zocht en goed zocht, vond men het lijk in een sloot langs den weg.

““Snijd hem open,”” zei de heer de Sancey, ““de diamant moet zich in zijn maag bevinden.””

“Men voldeed aan zijn verlangen en zijn vermoeden werd volkomen bevestigd. De nederige held, wiens naam hem zelfs niet overleefd had, was zijnen plicht en der eer tot in den dood getrouw gebleven. “Hij overvleugelde door zijne schitterende daad het kleinood, dat hij droeg,” verzekerde een oude kroniekschrijver uit die dagen.

“Het zou mij zeer bevreemden,” voegde Alice tot slot van haar verhaal er bij, “wanneer de Zuidster bij voorkomende gelegenheid gedurende hare reis niet eene dergelijke toewijding zou opwekken.”

Een algemene kreet van instemming begroette die woorden van miss Watkins. Tachtig handen hieven tachtig glazen omhoog en aller oogen wendden [60] zich instinctmatig naar den schoorsteen, om daadwerkelijk hulde te brengen aan den onvergelijkelijken diamant.

Maar.... de Zuidster was niet meer op haar voetstuk, waarop zij zoo even nog achter John Watkins prijkte.

De verbazing, op tachtig aangezichten uitgedrukt, was zoo duidelijk, dat de gastheer zich plotseling omkeerde, om er de oorzaak van te ontdekken.

Nauwelijks had hij die ontwaard, of hij viel verlamd op zijn leuningstoel neer, als ware hij door den bliksem getroffen.

Men vloog naar hem toe, men maakte zijn das los, men wierp hem water op het hoofd.... Eindelijk ontwaakte hij uit zijne bezwijming.

“De diamant!....” bulderde hij met donderende stem. “De diamant!.... Wie heeft den diamant genomen?”

“Heeren, dat niemand het vertrek verlate!” zei de chef der politie-brigade, terwijl hij al de uitgangen deed bezetten.

Al de gasten keken elkander met verlegenheid aan en wisselden hunne meeningen al fluisterend. Het was nog geen vijf minuten geleden, dat allen den diamant nog gezien of gemeend hadden hem te zien. Maar men moest zijne oogen wel gelooven: de diamant was weg.

“Ik verlang dat alle hier tegenwoordige personen aan den lijve worden onderzocht, alvorens zij het vertrek verlaten!” stelde Thomas Staal met zijne gewone rondborstigheid voor.

“Ja!.... ja!”.... antwoordde de vergadering, met eene zoo het scheen eenparige stem.

Dat voorstel liet een glimp van hoop voor John Watkins schemeren.

De politie-beambte deed diensvolgens al de gasten langs een der zijden van de zaal op eene rij plaats nemen en begon zich het eerst aan de geëischte behandeling te onderwerpen. Hij keerde zijne zakken het binnenste buiten, hij deed zijne schoenen uit en liet zijne kleederen bevoelen en betasten door wien maar wilde. Vervolgens onderwierp hij ieder zijner ondergeschikten aan hetzelfde onderzoek. Eindelijk kwamen de gasten een voor een voor en ondergingen opvolgend het meest nauwkeurige onderzoek.

Helaas! dat alles gaf niets!

Al de hoekjes en gaatjes van de feestzaal werden met de meeste zorg doorgesnuffeld.... men vond zelfs geen spoor van den diamant!

“Nu de Kaffers, die met het bedienen der tafel belast waren!” zei de politiebeambte, die de zaak nog niet wilde opgeven.

“Dat’s juist!.... De Kaffers zijn de schuldigen!” kreeg hij tot antwoord. “Zij zijn diefachtig van aard genoeg, om dat schelmstuk uitgevoerd te hebben!

De arme drommels hadden evenwel het vertrek reeds verlaten, vóór dat John Watkins zijn toast uitbracht, daar hunne diensten niet meer benoodigd waren. Zij zaten buiten neergehurkt rondom een groot vuur, dat in de open lucht ontstoken was. Zij hadden lekkertjes gesmuld van de kliekjes vleeschspijzen, die van het feestmaal waren overgeschoten en waren juist op het punt een echt Kaffersch concert te beginnen. Zij hadden reeds hunne guitaren gegrepen, die van een kalabas vervaardigd waren, hunne fluiten, waarin zij met de neusgaten bliezen, hunne schelklinkende tamtams, van verschillende grootte, en waren reeds begonnen dat helsch rumoer te laten hooren, hetwelk iedere muziekuitvoering der inboorlingen van Zuid-Afrika voorafgaat.

Die Kaffers begrepen waarachtig niet volkomen, wat men van hen verlangde, toen men hen naar binnen riep om hen te betasten en hunne spaarzame kleedingstukken te onderzoeken. Zij kwamen eindelijk op de hoogte, dat het den diefstal van een diamant van groote waarde gold.

Evenals de voorgaande onderzoekingen waren deze ook nutteloos en vruchteloos.

“Wanneer de dief onder de Kaffers schuilt—wat voor mij aan geen twijfel onderhevig is”—zei een der gasten “dan heeft hij tienmaal meer tijd gehad dan noodig is, om het gestolene op eene veilige plaats te bergen!”

“Dat’s buiten eenige twijfel,” zei de politiebeambte, “en er is maar één middel om hen te noodzaken zich zelven te verraden, en dat is om zich tot een toovenaar of waarzegger van hun ras te wenden. Die lokt soms verrassende uitkomsten uit.”

“Als gij het toestaat,” zei Makatit, die zich nog bij zijne reisgenooten bevond, “dan kan ik de proef leiden!” [61]

Dit aanbod werd terstond aangenomen. De gasten rangschikten zich aaneengesloten rondom de Kaffers, waarop Makatit, die in de rol van toovenaar geheel en al te huis was, zijne voorbereidselen trof, om zijn onderzoek te beginnen.

Vooraf nam hij twee of drie snuifjes fijne tabak uit een hoornen snuifdoos, die hij steeds bij zich droeg, en snoof die krachtig op.

“Ik zal thans de proef met de stokjes nemen!” zei hij toen dat snuiven afgeloopen was.

Hij ging bij een naburigen struik een twintigtal stokken afhakken, die hij nauwkeurig afmat en op gelijke grootte, namelijk van twaalf Engelsche duimen sneed. Toen deelde hij die aan de Kaffers uit, die op een gelid gerangschikt stonden en behield er een voor zich.

“Gij kunt u gedurende een kwartier uurs verwijderen, waarheen gij wilt,” zeide hij op plechtigen toon tegen zijne makkers, “maar gij moet terugkomen, wanneer gij den tam-tam hoort weêrklinken! Wanneer de dief onder u schuilt, dan zal zijn stokje drie vingers langer geworden zijn.”

De Kaffers, zeer onthutst door die toespraak, verspreidden zich, maar gevoelden zich niet op hun gemak, daar zij zeer goed wisten, dat met de korte en afdoende rechtspleging in Grikwaland iemand al heel spoedig als verdacht opgepakt, maar nog sneller gehangen werd.

De gasten van John Watkins, die de bijzonderheden van dat comediespel met alle aandacht gadegeslagen hadden, deelden elkander natuurlijk hunne gevoelens mede.

“De dief, wanneer hij zich onder die menschen bevindt, zal zich wel wachten terug te keeren,” zei de een.

“Welnu, dat zou hem juist verraden!” antwoordde de ander.

“Bah! Hij zal slimmer zijn dan Makatit en zal zich vergenoegen met drie vingerlengten van zijn stokje af te snijden, om de gevreesde verlenging te bezweren!”

“Dat is het waarschijnlijk juist wat de toovenaar hoopt. Want die onhandige verkorting zou genoegzaam den schuldige aanwijzen.”

Toen de vijftien minuten verloopen waren, sloeg Makatit plotseling op den tam-tam om zijne rechtsonderhoorigen terug te roepen.

Zij kwamen allen tot den laatste toe terug, rangschikten zich voor hem en reikten hem hunne stokjes over.

Makatit nam ze, vormde er een bundel van en bevond dat ze allen even lang waren. Hij wilde ze reeds weggooien en verklaren dat de proef afdoende de eerlijkheid zijner landgenooten had aangetoond, toen hij van gedachte veranderende, de stokjes, die men hem aangereikt had met dat hetwelk hij behield, vergeleek.

Allen waren drie vingeren korter.

De arme drommels hadden het voorzichtig geoordeeld, dien voorzorgsmaatregel te nemen tegen eene verlenging, die volgens hun bijgeloovig verstand, zeer goed plaats kon grijpen. Dat duidde nu wel op geen volmaakt zuiver geweten, en waarschijnlijk had ieder hunner in den loop van den dag den een of anderen diamant gestolen.

Een schaterlach begroette die onverwachte uitkomst. Makatit sloeg de oogen neer en scheen geheel ter neergeslagen en vernederd, dat een middel, hetwelk hem in zijne kraal zoo dikwerf bijzonder goed gediend had, nu in het beschaafde leven geheel waardeloos gebleken was.

“Mijnheer, er blijft ons niets over dan onze onmacht te bekennen!” zei toen de politiebeambte met een beleefden groet tot John Watkins, die op zijn leuningstoel in zijn wanhoop verdiept, was blijven zitten. Misschien zullen wij morgen gelukkiger zijn, wanneer wij eene groote belooning zullen uitloven aan hem die ons op het spoor van den dief zal brengen!”

“De dief,” riep Hannibal Pantalucci eensklaps uit. “Maar waarom zal hij dat niet zijn, wien gij opgedragen hadt zijne gelijken te beoordeelen?”

“Wat wilt gij daarmee zeggen?” vroeg de officier van politie.

“Welnu.... die Makatit, die daar de rol van toovenaar op zich nam, heeft kunnen hopen alle verdenking van zich af te wenden!”

Wie in dat oogenblik aandachtig op Makatit gelet had, zou hem een leelijk gezicht hebben zien trekken, en hem de zaal hebben zien verlaten om op een drafje naar zijne hut te snellen.

“Ja,” hernam de Napolitaan, “hij [62] was steeds bij diegenen zijner makkers die den dienst binnenskamers verrichten!.... Hij liep heen en weer!.... Dat is een schurk, een schoft, wien mijnheer Méré zeer genegen is, men weet waarachtig niet waarom.”

“Makatit is eerlijk! Daar durf ik voor instaan!” riep miss Watkins uit, die gereed was voor den bediende van Cyprianus in de bres te springen.

“Wat weet jij er van?” grauwde John Watkins zijne dochter ruw toe. “Ja....! hij is in staat om den diamant gestolen te hebben!”

“Hij kan niet heel ver zijn,” hernam de politiebeambte. “Binnen weinige oogenblikken zullen wij hem doorzocht hebben. Als de Zuidster in zijn bezit gevonden wordt, dan zal hij net zooveel zweepslagen ontvangen, als zij karaten zwaar is en als hij vóór dien tijd nog niet bezweken is, zal hij na den vierhonderd twee en dertigsten slag opgeknoopt worden!”

Miss Watkins ijsde bij het vernemen van die wreede taal. Al die half wilde mannen klapten in de handen bij het hooren van die afschuwelijke uitspraak van den politiebeambte. Maar wat te doen tegenover die woeste naturen, die geen wroeging noch medelijden kenden?

John Watkins bevond zich met zijne gasten een oogenblik later voor de hut van Makatit en zij braken de deur open.

Makatit was er niet en te vergeefs wachtte men hem gedurende den geheelen nacht op.

Den volgenden morgen was hij nog niet terug. Men moest toen wel erkennen dat hij de Vandergaart-Kopjesmijn verlaten had.

Twaalfde hoofdstuk.

Toebereidselen tot vertrek.

Toen Cyprianus den volgenden morgen al heel vroeg vernam, wat den vorigen avond gedurende het diner plaats gegrepen had, was zijne eerste daad om dadelijk te protesteeren tegen de zware beschuldiging, die tegen zijn bediende ingebracht was. Hij kon onmogelijk aannemen dat Makatit zulken diefstal zoude gepleegd hebben, en Alice deelde dien twijfel volkomen met hem. Hij zou eerder Hannibal Pantalucci, Herr Friedel, Nathan of ieder ander van die wezens, die voor hem slechts menschen van twijfelachtig allooi waren, verdacht hebben!

Het was evenwel zeer onwaarschijnlijk dat een Europeaan zich aan dien diefstal had schuldig gemaakt. Voor allen, die met den oorsprong van de Zuidster onbekend waren, was zij een natuurlijke diamant, en bezat bijgevolg eene waarde, die het zeer moeilijk moest maken, hem van de hand te zetten.

“En toch,” herhaalde Cyprianus bij zich zelven, “is het niet mogelijk, dat Makatit de dader is!”

Maar dan kwam toch weer twijfel bij hem op; dan herinnerde hij zich enkele kleine diefstallen, waaraan de Kaffer zich in zijn dienst had schuldig gemaakt. In weerwil van de vermaningen zijns meesters, had hij, zijner geaardheid getrouw—die omtrent het mijn en het dijn zeer zonderlinge en zeer ruime opvattingen had—, zich nimmer van die ergerlijke gewoonte kunnen ontdoen. Het gold destijds, wel is waar, slechts kleinigheden, min kostbare zaken, maar dat was toch voldoende om de eerlijkheid van Makatit niet geheel en al boven iedere verdenking verheven te achten.

Daarenboven kwam er nog bij, dat de tegenwoordigheid van den Kaffer in de feestzaal overeenstemde met het verdwijnen van den diamant als bij tooverslag; dan nog die zonderlinge omstandigheid, dat hij weinige oogenblikken later in zijn hut niet meer te vinden was geweest; eindelijke zijne vlucht—want weg was hij, dat was duidelijk, die toch hare redenen meest hebben.

Cyprianus wachtte inderdaad den geheelen morgen op Makatit, terwijl hij nog steeds iedere gedachte aan de schuld van zijn bediende verwierp. Maar deze kwam niet terug. Hij moest zelfs erkennen, dat de zak, waarin deze zijne spaarpenningen, zijn gereedschappen, zoo onmisbaar voor iemand, die de woeste streken van Zuid-Afrika wil doorreizen, geborgen had, uit de hut verdwenen was. Ja, toen was geen twijfel meer mogelijk.

Zoo omstreeks tegen tien uur begaf [63] de jeugdige ingenieur, die eigenlijk meer bedroefd was over het gedrag van Makatit, dan over het verlies van den diamant, zich naar de hoeve van John Watkins.

Hij vond daar den bewoner der hoeve, Hannibal Pantalucci, James Hilton en Friedel in een druk gesprek gewikkeld. Alice, die hem had zien komen, trad met hem de zaal binnen, waarin haar vader en zijne drie makkers met heftigheid zaten te redetwisten over de maatregelen, die genomen moesten worden, om weer in het bezit van den diamant te geraken.

“Men moet dien Makatit nazetten, men moet hem achterhalen!” riep John Watkins met hevige woestheid uit. “En wanneer men den diamant niet bij hem vindt, dan moet men hem den buik opensnijden, om te zien of hij hem niet ingeslikt heeft!.... O! mijn dochter, wat hebt ge goed gedaan met ons gisteren die geschiedenis te verhalen!.... Men zal dien diamant tot in de ingewanden van dien schoft zoeken!”

“Maar,.... maar....” antwoordde Cyprianus op spottenden toon, die den Engelschman volstrekt niet beviel, “om een steen van die dikte te kunnen inslikken, zou Makatit een struisvogelmaag moeten bezitten!”

“Is een Kaffermaag niet tot alles in staat.... mijnheer Méré?” vroeg John Watkins. “En vindt gij het gepast in dit oogenblik en over dat onderwerp te lachen en te spotten?”

“Ik lach of spot niet, mijnheer Watkins,” antwoordde Cyprianus op hoog ernstigen toon. “Wanneer ik evenwel het verlies van dien diamant betreur, dan is het alleen, omdat gij mij toegestaan hadt hem aan juffrouw Alice aan te bieden....”

“En ik ben er u dankbaar voor, mijnheer Cyprianus,” zei miss Watkins, “even dankbaar alsof ik hem nog in mijn bezit had.”

“Daar heb je nu een staaltje van het vrouwenverstand!” riep Watkins uit. “Even dankbaar alsof zij hem nog in haar bezit had, een diamant, die zijn weerga in deze wereld niet heeft!....”

“Inderdaad, dat is niet geheel en al hetzelfde, miss Watkins!” merkte James Hilton op.

“Neen, waarachtig niet!” vulde Friedel aan.

“Jawel, het is volkomen hetzelfde!” antwoordde Cyprianus, “daar ik, nu ik dezen diamant vervaardigd heb, wel weer een andere zal kunnen maken!”

“O mijnheer de ingenieur,” sprak Hannibal Pantalucci met eene bedreigingsvolle stem, “ik geloof dat gij wèl zult doen wanneer gij uwe proeven staakt.... wèl in het belang van Grikwaland.... voorzichtig in uw eigen belang!”

“Waarlijk, mijnheer!” antwoordde Cyprianus, “mijne meening is, dat ik u dienaangaande geen verlof te vragen heb!”

“Het oogenblik is bij mijne ziel goed gekozen om daarover te twisten,” riep John Watkins uit. “Is mijnheer Méré ook wel verzekerd van bij eene tweede proefneming te zullen slagen? Zou de tweede diamant, die in zijne werkplaats zou ontstaan, dezelfde kleur, hetzelfde gewicht en derhalve dezelfde waarde als de eerste hebben? Kan hij zelfs verzekeren geen anderen steen te kunnen vervaardigen, al ware het ook een van mindere waarde? Zou hij durven beweren dat het niet een groot toeval, louter toeval is geweest?”

Wat John Watkins daar sprak, was te redelijk om niet de gedachten van den jeugdigen ingenieur te treffen! Dat kwam daarenboven geheel en al overeen met de tegenwerpingen, die hij zich zelven meermalen gemaakt had. Zijne wijze van werken kwam voorzeker geheel en al overeen met de gegevens, die hij uit de nieuwere scheikunde geput had; maar was het toeval hem niet bovenal behulpzaam geweest bij dat eerste welslagen? En was hij verzekerd, dat hij bij een tweede poging andermaal slagen zou?

Onder die omstandigheden was het noodzakelijk, dat de dief, maar wat nog beter zou zijn, het gestolene achterhaald werd.

“Heeft men geen spoor van Makatit gevonden?” vroeg John Watkins.

“Geen enkel,” antwoordde Cyprianus.

“Heeft men al de omstreken van het kamp doorzocht?”

“Ja, en goed doorzocht ook,” zei Friedel. “De schurk is waarschijnlijk gedurende den nacht verdwenen en het zal moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn, te bepalen waarheen hij gevlucht is!”

“Heeft de politiebeambte zijne hut [64] doorzocht?”

“Ja,” antwoordde Cyprianus; “maar hij heeft niets ontdekt, wat hem op het spoor van den vluchteling kon brengen.”

“O!” riep John Watkins uit, “ik zou vijfhonderd, ik zou duizend pond sterling willen geven, wanneer men den schoft vatte.”

“Dat geloof ik wel, mijnheer Watkins,” zei Hannibal Pantalucci. “Ik vrees echter dat gij uwen diamant en ook den dief nimmer wederziet!”

“Waarom dat?”

“Omdat Makatit, eenmaal aan het loopen, zoo dom niet zal zijn om onderweg op te houden! Hij zal de Limpopo-rivier oversteken, hij zal de woestijn doortrekken, hij zal naar Zambessa of naar het meer Tanganayki, of naar de Boschjesmannen gaan, als hij dat noodig oordeelen zal.”

Deelde de spitsvondige Napolitaan, door zoo te spreken, openhartig zijne gedachten mede? Of poogde hij aldus te beletten dat men de vervolging van Makatit ondernam, om die zorg later zelf op zich te nemen? Die vraag stelde Cyprianus zich, terwijl hij hem aandachtig waarnam.

Maar John Watkins was de man niet om eene onderneming op te geven eenig en alleen omdat zij moeilijk in de uitvoering was. Hij zou werkelijk zijn geheel vermogen opgeofferd hebben om weer in het bezit van den onvergelijkelijken steen te geraken, en door het geopende raam boorden zijne woedende blikken ongeduldig tot bij de groenende zomen der Vaalrivier, alsof hij hoop had daar bij dien boschrand den vluchteling te ontdekken.

“Neen!” riep hij, “dat kan zoo niet toegaan!.... Ik moet mijn diamant terug hebben!.... Die schoft moet achterhaald worden!.... O! als ik maar niet aan het pootje leed, dan zou dat spoedig genoeg geschied zijn, dat verzeker ik!”

“Vaderlief!....” kwam Alice tusschenbeide, om hem tot kalmte te stemmen.

“Kom, wie belast er zich mede?” riep John Watkins uit, terwijl hij den blik rondom zich liet waren. “Wie wil zich met de vervolging van den Kaffer belasten? De belooning zal flink zijn, daarop geef ik mijn woord!”

En daar niemand antwoordde:

“Kijk heeren,” hernam hij, “gij zijt alle vier jonge mannen, die naar de hand mijner dochter dingen! Welnu, brengt mij den dief met mijn diamant terug”—hij zei thans reeds “mijn diamant”—“en op de eer van een Watkins, hij die mij den steen terugbrengt, zal mijne dochter krijgen!”

“Aangenomen!” riep James Hilton.

“Ik doe meê!” verklaarde Friedel.

“Wie zou niet trachten een zoo kostbaren prijs te winnen!” mompelde Hannibal Pantalucci met een akeligen grijnslach om de lippen.

Alice’s gelaat was hoogrood van schaamte; zij gevoelde zich uiterst vernederd, zich zoo tot inzet van zulk eene partij gesteld te zien, en dat nog wel in tegenwoordigheid van den jongen ingenieur. Zij trachtte te vergeefs hare verlegenheid te verbergen.

“Miss Watkins!” fluisterde haar Cyprianus toe, terwijl hij zich eerbiedig voor haar boog, “ik zou mij wel als mededinger willen opdoen, maar mag, kan ik dat zonder uwe toestemming?”

“Die hebt gij, mijnheer Cyprianus,” antwoordde zij levendig, “en ik voeg er mijne beste wenschen bij.”

“Dan ben ik bereid om naar het uiteinde der wereld te reizen,” zei hij terwijl hij zich tot John Watkins wendde.

“Bij mijne ziel, waarschijnlijk zult gij niet ver van de wijs zijn”, meende Hannibal Pantalucci, “en ik geloof dat die Makatit ons een aardig eindje ver zal voeren. Als hij goed doorgeloopen heeft, kan hij morgen te Potchefstroom zijn en zal hij de bovenlanden bereikt hebben, alvorens wij onze woningen zullen hebben verlaten!”

“Maar, wat belet ons om heden nog.... om dadelijk te vertrekken?” vroeg Cyprianus.

“O, ik waarachtig niet, als gij daarin trek hebt!” antwoordde de Napolitaan. “Maar, wat mij betreft, ik scheep mij nooit in zonder mondvoorraad. Een degelijke wagen met een dozijn ossen bespannen en twee rijpaarden, dat is wel het allerminst wat noodig kan geacht worden voor een tocht als deze. En dat alles is slechts te Potchefstroom te verkrijgen.”

Nogmaals, sprak Hannibal Pantalucci ernstig? Of was het hem alleen te doen [65] om zijne mededingers te doen terugdeinzen? De bevestiging daarvan kon aan twijfel onderhevig zijn. Wat evenwel niet twijfelachtig kon genoemd worden, was dat hij volkomen gelijk had. Zonder zulke vervoermiddelen, zonder dien mondvoorraad zou het volslagen dwaasheid zijn in het noorden van Grikwaland te gaan reizen.

Evenwel, een span ossen—dat wist Cyprianus wel—kostte vier of vijf duizend gulden, en wat hem betrof, hij bezat er geen twee duizend.

“Een goede inval!” zei plotseling James Hilton, die, in zijne hoedanigheid van geboren Afrikaan van Schotschen oorsprong, zeer zuinig van aard was, “waarom zouden wij met ons vieren geen vennootschap aangaan? Iedere kans zou dezelfde blijven, en de onkosten zouden veel minder wezen, daar zij door allen gedragen werden!”

“Dat komt mij zeer juist voor,” zei Friedel.

“Top, dat neem ik aan,” antwoordde Cyprianus zonder aarzeling.

“In dat geval,” meende Hannibal Pantalucci te moeten opmerken, “zullen wij moeten overeenkomen, dat ieder onzer zijne onafhankelijkheid blijft behouden, en dat hij vrij zal wezen zijne makkers te verlaten, wanneer hij dit nuttig en doelmatig zal achten om den vluchteling te achterhalen!”

“Dat spreekt van zelf,” antwoordde James Hilton. “Wij vormen eene maatschap tot aankoop van een wagen, van ossen en levensvoorraad, maar ieder onzer kan heengaan wanneer hij zulks oorbaar of passend zal achten! En des te beter voor hem die het eerste het doel bereikt!”

“Aangenomen!” zeiden Cyprianus, Hannibal, Pantalucci en Friedel.

“En wanneer vertrekt gij?” vroeg John Watkins ongeduldig, daar die overeenkomst zijne kansen, om weer in het bezit van den beroemden diamant te geraken, vervierdubbelde.

“Morgen met den postwagen van Potchefstroom,” antwoordde Friedel.

“Er valt niet aan te denken om vóór dat voertuig aan te komen.”

“Aangenomen!”

Alice had middelerwijl Cyprianus ter zijde genomen en vroeg hem of hij waarlijk geloofde dat Makatit zulk een diefstal zoude bedreven hebben?

“Miss Watkins,” antwoordde de jeugdige ingenieur, “ik ben verplicht te erkennen, dat alle omstandigheden tegen hem pleiten, doordat hij de vlucht genomen heeft. Maar wat mij zeker voorkomt, dat is dat die Hannibal Pantalucci mij geheel den indruk heeft gegeven, dat hij meer van de verdwijning van den diamant afweet, dan hij wel zal willen bekennen. Wat een galgentronie heeft die man.... en welken schitterenden vennoot zal ik in hem aantreffen!... Maar bah! men moet roeien met de riemen die men heeft! Het is, alles goed beschouwd, toch nog beter dien man in de nabijheid te hebben, om zijne bewegingen te kunnen gadeslaan, dan dat hij alleen en volgens zijn eigen goedvinden kon handelen.”

De drie mededingers namen weldra afscheid van John Watkins en van zijne dochter. Wat in de gegeven omstandigheden zeer natuurlijk bevonden moest worden, is dat het afscheidnemen uiterst kort geschiedde en zich bepaalde tot het wisselen van een handdruk. Wat zouden die ijverzuchtige mededingers, die te zamen vertrokken en elkander naar den duivel wenschten, ook te vertellen hebben gehad, wat de anderen niet mochten hooren?

Toen Cyprianus te huis kwam, vond hij daar Li en Bardik. Die jonge Kaffer had zich, sedert hij bij den Franschman in dienst getreden was, zeer ijverig betoond. De Chinees stond met hem op den deurdrempel te babbelen. De jonge ingenieur deelde hen mede, dat hij ging vertrekken in gezelschap van Friedel, van James Hilton en van Hannibal Pantalucci, om jacht op Makatit te maken.

Beiden wisselden toen een blik, een enkelen slechts; naderden elkander, en zonder in het minst hunne meening omtrent den vluchteling uit te spreken, zeiden zij :

Vadertje, neem ons mede met u; wij smeeken er u dringend om!”

“U meenemen?.... Om wat te doen, asjeblieft?”

“Om uwe koffie te zetten en uwe maaltijden gereed te maken,” zei Bardik.

“Om uw linnengoed te wasschen,” vulde Li aan.

“En om de kwaadwilligen te beletten u te schaden,” hernamen beiden te [66] zamen, alsof zij zulks vooraf afgesproken hadden.

Cyprianus gunde hun een dankbaren blik.

“Goed!” antwoordde hij, “op uw verlangen neem ik u beiden mede!”

Daarop ging hij afscheid nemen van den ouden Jacobus Vandergaart, die, zonder goed- of af te keuren dat Cyprianus aan dien tocht deelnam hem hartelijk de hand drukte en hem een goede en voorspoedige reis toewenschte.

Toen de jeugdige ingenieur zich den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, gevolgd door zijne twee getrouwen, naar het kampement Vandergaart begaf om den postwagen van Potchefstroom te bereiken, wierp hij in het voorbijgaan een blik op de hoeve van John Watkins, waar alles zoo het scheen nog in slaap gedompeld was.

Was het verbeelding? Of een droombeeld? Hij meende achter het witte mousseline van een der vensters een lichte gedaante te herkennen, die op het oogenblik dat hij voorbijstapte hem een gebaar van vaarwel toewenkte.

Dertiende hoofdstuk.

Dwars door de Transvaal.

Toen de vier reizigers te Potchefstroom aankwamen, vernamen zij dat een jonge Kaffer—wiens signalement geheel en al overeenkwam met den persoon van Makatit—den vorigen dag door de stad getrokken was. Dit werd als een gunstig voorteeken voor de kans van welslagen der onderneming beschouwd. Maar het vooruitzicht werd tevens geopend, dat de vervolging waarschijnlijk zeer langdurig zoude zijn, daar de reizigers vernamen, dat de vluchteling zich daar een lichte karikel had aangeschaft, met een struisvogel bespannen, zoodat het moeilijk werd hem in te halen.

En inderdaad, er bestaan geen betere loopers ter wereld dan die dieren, die volharding aan snelheid paren. Wij moeten er hier bijvoegen, dat trekstruisvogels zelfs in Grikwaland uiterst zeldzaam zijn, omdat zij zoo moeilijk zijn af te richten. Daarom kon noch Cyprianus noch zijne makkers zich te Potchefstroom die dieren aanschaffen.

Nu moet betuigd worden, dat Makatit in die omstandigheden naar het noorden trok met een zeer snel vervoermiddel, terwijl tien postpaarden, al werden zij ook geregeld verwisseld, zich bek-af zouden geloopen hebben.

Er bleef dus niets anders over dan te trachten den vluchteling zoo spoedig mogelijk te volgen. Het is waar, deze had, behalve een grooten voorsprong, ook nog het voordeel van over eene grootere snelheid te kunnen beschikken dan het vervoermiddel, dat zijne vervolgers bezigen moesten. Maar.... maar de krachten van een struisvogel hebben ook hare grenzen. Makatit zou wel genoodzaakt worden ergens op te houden, en dat zou tijdverlies voor hem zijn. Op het ongunstigste gerekend, zoude men hem op het einde zijner reis inhalen.

Cyprianus kwam weldra in het geval, zich geluk te kunnen wenschen dat hij Li en Bardik medegenomen had, vooral toen het er op aankwam om zich voor den tocht uit te rusten. Dat was geen gering werk om in zulke omstandigheden met juistheid en beleid die voorwerpen te kiezen, die werkelijk nut zouden opleveren. Dienaangaande kon niets tegen de ondervinding, in de woestijn opgedaan, opwegen. Al was Cyprianus ook al een bovenste beste, een matador in de differentiaal- en integraalrekeningen, zoo was hij toch onwetend als een zuigeling in het abc-boek van woestijnbestaan, in het “trek“leven, waardoor daar ginds de wetenschap aangeduid wordt om “het spoor van de raderen van een wagen te kunnen volgen.” Daar kwam nu nog bij dat zijne makkers niet alleen geen zucht aan den dag legden om hem met raad en daad te willen helpen, maar integendeel eene neiging vertoonden om hem in dwaling te brengen.

De zaken gingen vrij wel, wat den wagen, die met eene voor het water ondoordringbare huif moest overdekt zijn, de spannen ossen en de verschillende voorraadsmiddelen betrof. Het algemeene belang noodzaakte gebiedend om die oordeelkundig uit te kiezen en aan te schaffen. Die taak nam James Hilton op zich, en hij voerde ze naar wensch uit. Maar zoo werd niet te werk gegaan met al hetgeen aan ieders individueel initiatief werd overgelaten, [67] bij voorbeeld bij den aankoop van een paard.

Cyprianus had op de markt reeds het oog geslagen op een zeer fraai, vurig veulen van drie jaren oud, dat men hem voor een matigen prijs aanbood. Hij had het bij wijze van proef bereden en zeer gedresseerd bevonden en hij stond reeds gereed den koopman de gevraagde som uit te betalen, toen Bardik hem ter zijde nam en vroeg:

“Hoe is het, vadertje, gaat ge dat paard koopen?”

“Voorzeker, Bardik, het is het schoonste dat ooit voor een dusdanigen prijs te verkrijgen zal zijn.”

“Gij moet het niet nemen, al wou men het u te geef opdringen,” antwoordde de jeugdige Kaffer. “Dat paard zal geen acht dagen de vermoeienissen van een reis in de Transvaal volhouden!”

“Wat meent ge?” vroeg Cyprianus. “Wilt ge ook bij geval tegenover mij de rol van waarzegger op u nemen!”

“Geenszins, vadertje; maar Bardik kent de woestijn en waarschuwt u, dat dit paard niet “van zouten” is.”

“Van zouten?” Wil je mij dan een gekuipt paard doen koopen?”

“Neen, vadertje; maar die uitdrukking wil zeggen, dat dit paard de landziekte nog niet gehad heeft, dat het die weldra ondergaan zal, en dat, wanneer het er niet aan sterft, het voor u niettemin nutteloos zal zijn.”

“Zoo!” zei Cyprianus, zeer opmerkzaam gemaakt door die waarschuwing van zijn bediende. “En wat is dat voor eene ziekte?”

“Dat’s een hevige koorts, met hoesten gepaard,” antwoordde Bardik. “Het is onontbeerlijk bij zoo’n reis slechts paarden aan te schaffen, die de ziekte reeds gehad hebben,—hetgeen aan hun uiterlijk gemakkelijk te zien is—, omdat, wanneer zij aan den dood ontsnapt zijn, het zeer zeldzaam is, dat zij een tweede maal aangetast worden.”

Tegenover zulk eene gebeurlijkheid mocht niet geaarzeld worden. Cyprianus brak iedere verdere onderhandeling af en ging op kondschap uit. Iedereen, dien hij sprak, bevestigde Bardik’s raadgeving. Die zaak was zoo bekend in het land, dat men er zelfs niet over sprak.

Zoo tegen zijne onervarenheid gewaarschuwd, ging de ingenieur met meer voorzichtigheid te werk en riep den raad in van een veearts te Potchefstroom.

Dank zij de tusschenkomst van dien deskundige, werd het hem mogelijk zich binnen weinige uren een zoodanig rijpaard aan te schaffen, als voor die reis geschikt was. Het was een grijs paard, dat slechts vel en beenderen scheen te hebben en slechts een stuk staart in eigendom bezat. Maar het was hem bij onderzoek duidelijk aan te zien, dat die “van zouten” was, dat al had hij ook al een onaangenamen draf, hij beter was dan hij er uitzag. Templar—zoo heette hij—genoot in het geheele land een zekere vermaardheid wegens zijne onvermoeibaarheid. Bardik, die wel met recht mocht geraadpleegd worden, verklaarde ook dat dit paard hem volkomen voldeed.

Bardik zelf zou in het bijzonder met de leiding van den wagen en van de ossenspannen belast, en daarin door zijn makker Li bijgestaan worden.

Cyprianus behoefde zich dus niet om rijpaarden voor hen te bekommeren. Het zou hem ook onmogelijk geweest zijn, die aan te schaffen, wegens de kolossaal hooge prijzen, die hij er voor zou hebben moeten besteden.

De keuze der wapens was niet minder moeilijk. Cyprianus had wel ettelijke vuurwapenen uitgekozen, b.v. een uitmuntend getrokken geweer van het stelsel Martini-Henri en een Remmington-karabijn, die niet door fraaie bewerking uitblonken, maar die juist schoten en spoedig geladen konden worden. Maar, waaraan hij nimmer gedacht zou hebben, wanneer Li de Chinees hem er het denkbeeld niet van had ingefluisterd, was om zich te voorzien van een zeker getal patronen met ontplofbaren kogel. Hij meende ook dat hij genoeg munitie zou hebben, wanneer hij voor vijf of zes honderd schoten kruit en lood zou bezitten, en was zeer verbaasd toen hij vernam, dat vierduizend schoten, per geweer gerekend, een minimum-voorraad was, die door de voorzichtigheid in dat land van wilde dieren en van inboorlingen, die niet minder zeer te duchten waren, geboden werd.

Cyprianus schafte zich ook twee revolvers aan, en patronen daarvoor, [68] ook met ontplofbaren kogel, en voltooide zijne bewapening met den inkoop van een prachtig jachtmes, dat al sedert vijf jaren in de uitstalling van den zwaardveger te Potchefstroom geprijkt had, zonder dat ooit iemand een zucht om het te koopen getoond had.

Het was ook weer Li, die op dien inkoop aangedrongen en daarbij verzekerd had, dat dit mes zeer nuttig bevonden zoude worden. De zorg daarenboven, die de Chinees wijdde aan het onderhoud en aan de scherpte en den onbevlekten glans van dat korte en breede lemmer, hetwelk veel op eene sabel-bajonet van de Fransche infanterie geleek, toonde genoegzaam welk vertrouwen hij in de blanke wapens stelde, vertrouwen dat door alle mannen van zijn ras gedeeld wordt.

Er moet nog vermeld worden, dat de reeds vermelde roode koffer den voorzichtigen Chinees steeds vergezelde. Hij stopte er, bij eene menigte doozen en doosjes met geheimzinnigen inhoud, ongeveer zestig meter dun en lenig touw in, stevig gevlochten, van dat soort hetwelk de matrozen “kabelgaren” noemen. Toen men hem vroeg wat hij daarmede wilde uitvoeren, antwoordde hij ontwijkend:

“Moet ik de wasch in de woestijn niet even goed ophangen als elders?”

Alle inkoopen waren binnen twaalf uren volbracht. Ondoordringbare huiven, wollen dekens, keukengereedschap, overvloedige mondvoorraad in dichtgesoldeerde blikken bussen, jukken voor de ossen, kettingen, verwisseltuigen, ledergoed, dat alles vulde in het achtergedeelte van den wagen het algemeene magazijn. Het voorste gedeelte, overvloedig met stroo gevuld, zou tot slaapplaats dienen, zoowel voor Cyprianus als voor zijne reismakkers.

James Hilton had zich opperbest van zijne taak gekweten en scheen alles zeer behendig en doelmatig gekozen en aangeschaft te hebben, wat voor de vennootschap op reis noodig zou voorkomen. Hij was zeer ijdel, en op zijne ervaring als volkplanter liet hij zich veel voorstaan. Zoo zou hij waarachtig er toe overgegaan zijn om zijn makker volledig omtrent de gebruiken in de Transvaal in te lichten, niet zoozeer uit kameraadschappelijken aandrang als om zijne meerderheid te toonen en zijne ijdelheid bot te vieren.

Maar dan kwam Hannibal Pantalucci steeds tusschen beiden om hem in de rede te vallen.

“Waartoe dient het den Franschman uwe wetenschap en uwe ondervinding op te dringen?” vroeg hij dan fluisterend. “Zijt gij er op gesteld, dat hij den prijs van den wedren wint? Als ik in uwe plaats was, zou ik al die bijzonderheden voor mij houden en er geen woord over kikken!”

James Hilton keek dan den Napolitaan met bewondering aan en antwoordde:

“Het is sterk en slim wat gij daar zegt. Zeer sterk en zeer slim!.... Waarachtig, dat denkbeeld zou niet bij mij opgekomen zijn!”

Cyprianus had evenwel geen oogenblik geaarzeld om Friedel ridderlijk te waarschuwen en hem openhartig mede te deelen, wat hij omtrent de paarden in dit land vernomen had; maar hij stootte zich gevoelig tegen eene grenzelooze zelfgenoegzaamheid en stijfhoofdigheid. De Duitscher wilde naar niets hooren en verlangde te handelen zooals hij verkoos. Hij kocht dus het jongste en het vurigste paard, hetwelk hij vinden kon—juist hetzelfde dier dat Cyprianus geweigerd had—en maakte er bijzonder werk van om zich vischgereedschap aan te schaffen. Hij beweerde dat hij al heel spoedig beu van het wildbraad zoude zijn.

Toen al die voorbereidende maatregelen eindelijk getroffen waren, kon men zich op weg begeven, waartoe de karavaan zich in de volgorde rangschikte, zooals wij mededeelen zullen.

De wagen werd getrokken door twaalf ossen, die rosachtig en zwart gevlekt waren en die door Bardik gemend werden. Deze liep nu eens met de zweep in de hand naast de stevige dieren, of wel sprong om uit te rusten op den disselboom achter het laatste span. Dan, dicht bij den bok gezeten, gaf hij zich aan het geschommel en gehots van het voertuig over zonder zich verder om iets te bekommeren, en scheen uitermate ingenomen met dat soort van vervoermiddel. De vier ruiters reden in front en maakten de achterhoede uit. Zoodanig zou de marschvorm [69] gedurende de lange dagen geregeld blijven, en slechts om eene patrijs te schieten, hetzij om eene verkenning uit te voeren, mocht deze of gene het gelid verlaten.

Na een vluchtige beraadslaging werd besloten, dat men zich regelrecht naar de bronnen van de Limpopo zoude begeven. Alle inlichtingen, die men ingewonnen had, toonden aan dat Makatit zich hoogstwaarschijnlijk derwaarts begeven had. En inderdaad, hij kon geen anderen weg ingeslagen hebben, wanneer het althans zijne meening was, om zich spoedig buiten de grenspalen der Engelsche bezittingen te begeven. Het voordeel, dat de Kaffer op zijne vervolgers vooruit had, was vooreerst zijne uitmuntende kennis met de streek, en dan de lichtheid van zijn voertuig. Van den eenen kant wist hij waarheen hij trok, en kon hij den naasten weg inslaan; van den anderen kant was hij verzekerd, dank zij zijne kennissen en betrekkingen in het noordergedeelte van het land, dat hij overal hulp en bescherming, voeding en onderkomen—zelfs bondgenooten, als die noodig zouden zijn, zoude vinden. Daarenboven kon men verzekerd zijn dat hij van zijn invloed op de inboorlingen zoude gebruik maken om hen te gemoet te treden, die hem vervolgden, en dan desnoods gewapenderhand te doen aanvallen. Cyprianus en zijne makkers beseften dus al meer en meer de noodzakelijkheid om gezamenlijk te marcheeren, ten einde elkander te ondersteunen, wilden zij ten minste dat een hunner de vruchten hunner pogingen plukte.

De Transvaal, die van het zuiden naar het noorden doorreisd zoude worden, is die uitgestrekte landstreek van Zuidelijk Afrika—ongeveer dertigduizend hektaren groot—welker oppervlakte zich uitstrekt tusschen de Vaalrivier en de Limpopo, ten westen van den Drakenbergketen, van de Engelsche kolonie Natal, van het Zoeloeland en van de Portugeesche bezittingen gelegen.

Geheel en al door de Boeren, die oude Hollandsche kolonisten van het Kaapland, ingenomen, die er in twintig of dertig jaren eene arbeidzame bevolking van landbouwers van meer dan honderdduizend zielen hebben heengetrokken, heeft de Transvaal natuurlijk de onverzadelijke begeerlijkheid van Groot-Brittannië opgewekt. Die mogendheid heeft dan ook dat land in 1877 bij hare bezittingen aan de Kaap ingelijfd. Maar de gedurige opstanden van de Boeren, die hardnekkig en onafhankelijk willen blijven, maken dien toestand van inlijving van dit zoo schoone land nog zeer twijfelachtig.1

Het is een van de meest schilderachtige, een van de vruchtbaarste streken van Afrika, maar ook een van de gezondste, en dat verklaart, zonder haar evenwel te rechtvaardigen, de aantrekkingskracht, welke zij op hare geduchte buurvrouw uitoefent. De goudmijnen, die er kort geleden ontdekt werden, zijn niet zonder invloed gebleven op de politieke gedragslijn van Engeland ten opzichte van de Transvaal.

Op geografisch gebied verdeelt men gewoonlijk dit land, en ook de Boeren, die het bewonen, in drie hoofdstreken, te weten: het hooge land of het Hooge Veld, het heuvelland of het Banken-Veld, en het struikenland of het Bosch-Veld.

Het hooge land is het meest zuidelijk gelegen. Het wordt door de bergketen gevormd, die van den Drakenberg naar het westen en naar het zuiden vertakken. Dat is het Transvaalsche mijndistrict, waar de dampkring koud en droog is, evenals in het Berner Oberland. Het Banken-Veld is het landbouwdistrict bij uitnemendheid. Het strekt zich ten noorden van het Hooge Veld uit en herbergt in zijne diepe dalen, die door flinke stroomen besproeid en door steeds groenende boomen beschaduwd worden, het grootste gedeelte der Hollandsche bevolking.

Het Bosch-Veld eindelijk of het struikenland is voornamelijk de jachtstreek. Die strekt zich in onmetelijke vlakten noordwaarts tot aan de oevers van de Limpopo, en westwaarts tot aan het land der Betjuanen-Kaffers uit.

Onze reizigers, die van den Potchefstroom, in het Banken-Veld gelegen, vertrokken waren, moesten het grootste gedeelte van die streek diagonaalsgewijs doortrekken, voor dat zij het Bosch-Veld bereiken konden, om zich [70] verder noordwaarts naar de boorden der Limpopo te begeven.

Dit eerste gedeelte der reis door de Transvaal was natuurlijk het gemakkelijkste. Men bevond zich toen nog in een half beschaafd land. De grootste ongevallen, die den reizigers overkomen konden, bepaalden zich tot een rad, hetwelk in het modderige wagenspoor van den weg wegzonk, of tot een zieken os. De wilde eenden, de patrijzen, de reeën werden langs het pad overvloedig aangetroffen en vormden iederen dag den grondslag van het ontbijt of van het middagmaal. De nacht werd gewoonlijk in de een of andere hoeve doorgebracht, welker bewoners, gedurende drie vierden van het jaar van het overige gedeelte der schepping afgesloten, de gasten, die bij hen aanklopten, met eene waarachtige vreugde welkom heetten.

De Boeren werden overal van hetzelfde karakter aangetroffen, dat wil zeggen: dat zij gastvrij, voorkomend en belangeloos waren.

’s Lands gebruik eischt wel is waar, dat hun eene vergoeding wordt aangeboden voor het onderkomen, dat zij aan menschen en dieren verleenen; maar zij weigeren die vergoeding immer. Daarentegen dringen zij bij de reizigers aan, wanneer het op vertrekken aankomt, om meel, oranje-appelen en gedroogde perziken aan te nemen. En laat men hen in ruil eenig uitrustingstuk, of jachtinstrument, eene zweep, kruithoorn of iets dergelijks, dan zijn zij verrukt, al is de waarde van het ontvangen voorwerp ook nog zoo gering.

Die brave lieden leiden te midden van hunne uitgestrekte eenzame streken, een vrij rustig bestaan; zij en hunne familie leven zonder veel moeite van de opbrengst hunner kudden en bebouwen met behulp van Hottentotten of Kaffers slechts zooveel grond, om jaarlijks voldoenden voorraad granen en groenten te gewinnen.

Hunne woningen zijn eenvoudig uit leem omgetrokken en met een dik stroodak gedekt. Wanneer de regen hunne muren in bres legt—wat niet zelden gebeurt,—dan hebben zij het geneesmiddel dicht bij de hand. De geheele familie houdt zich dan onledig, leem met water te kneden, en hebben zij daarvan een goeden voorraad vervaardigd, dan grijpen jongens en meisjes geheele handvollen van die pap en bombardeeren daarmede de opening totdat zij gedicht is.

In het innerlijke dier woningen worden ter nauwernood eenige meubelen aangetroffen; bij voorbeeld houten banken, ruwe tafels, bedden voor de groote personen, terwijl de kinderen zich met schapenvachten vergenoegen.

En toch vindt de kunst eene gereede plaats te midden van dat oorspronkelijk bestaan. Bijna alle Boeren beoefenen de muziek; zij krassen op de viool of spelen op de fluit. Zij zijn dol op het dansvermaak, en kennen noch hinderpalen noch vermoeienis, wanneer het geldt om soms van twintig mijlen in de rondte te zamen te komen ten einde aan hunnen hartstocht voor het dansen te voldoen.

Hunne dochters zijn zedig en zien er vaak zeer schoon uit in den eenvoudigen tooi der Hollandsche boerinnen. Zij huwen jong, brengen haren aanstaande slechts een bruidschat van een dozijn ossen of geiten, alsook een wagen of eenig ander weeldestuk van dien aard mede. De echtgenoot beijvert zich om een huis te bouwen, om in den omtrek eenige bunders land te ontginnen, en daarmede is het huisgezin op gang geholpen.

De boeren leven lang en worden zeer oud. Nergens ter wereld worden zooveel honderdjarigen aangetroffen als in de Transvaal.

Een zonderling verschijnsel, hetwelk evenwel nog niet voldoende verklaard is, valt op te merken in de zwaarlijvigheid waarmede bijna allen op rijperen leeftijd behept worden en die bij hen een verbazenden omvang bereikt. Overigens zijn zij hoog van gestalte, en die kenmerken worden zoowel bij de kolonisten van Franschen en Duitschen als van zuiver Hollandschen oorsprong aangetroffen.

Intusschen werd de reis, zonder bijzondere voorvallen te ontmoeten, voortgezet. Het was zelden, dat de expeditie niet in hoeven, waar zij iederen avond halt maakte, inlichtingen omtrent Makatit kon inwinnen. Overal had men hem zien voorbijstuiven, met spoed voortgetrokken door zijnen struisvogel, eerst met een voorsprong van twee of drie dagen, later met een van vijf of zes, [71] eindelijk met een van zeven of acht. Men was hem klaarblijkelijk op het spoor, maar tevens kwam daarbij helder uit, dat hij het in vlugheid won op hen, die hem vervolgden.

De vier menschenjagers schenen evenwel zeker van hun welslagen te zijn. De vluchteling zou toch eindelijk genoodzaakt zijn om halt te maken. Zijne vangst was dus slechts eene kwestie van tijd.

Cyprianus en zijne makkers vatten hunne taak dan ook van de gemakkelijkste zijde op. Langzamerhand begonnen zij zich aan hunne lievelingsgenoegens over te geven. De jonge ingenieur verzamelde rotssoorten; Friedel herbariseerde en beweerde de eigenschappen der planten, die hij verzamelde, te herkennen aan hun uiterlijke kenteekenen; Hannibal Pantalucci plaagde of mishandelde hetzij Bardik, hetzij Li, en verwierf slechts genade van zijne reisgenooten voor zijne ongure grappen, door op de pleisterplaatsen een schotel overheerlijke macaroni te bereiden; James Hilton hield zich onledig met de karavaan van wildbraad te voorzien. Er gingen weinige dagen voorbij, waarin hij niet eenige dozijnen patrijzen, een overvloed van kwartels, soms een wild zwijn of een antiloop schoot.

Zoo den eenen dag vóór, den andere nà voorttrekkende, bereikte men eindelijk het Bosch-Veld. De hoeven werden weldra al meer en meer zeldzaam en werden later niet meer ontmoet. Men had de uiterste grenzen der beschaafde wereld bereikt.

Men moest van dat tijdstip af iederen avond kampeeren, groote vuren ontsteken, waaromheen menschen en dieren zich onder de hoede van een waakzame wacht konden ter ruste leggen.

De landstreek had een uiterst woest uitzicht aangenomen. Vlakten van geelachtig zand, boschjes van doornachtige struiken, hier en daar een beek, die door eene moerassige strook kronkelde, hadden het lachende groene landschap van het Banken-Veld afgewisseld. Soms moest er een aanmerkelijke omweg gemaakt worden om een wezenlijk woud van thorn trees of doornboomen te ontwijken. Dat zijn boompjes van drie tot vijf meters hoog, die eene groote menigte horizontaal uitgestrekte takken dragen, gewapend met doornen van twee tot vier duim lang, zeer hard en scherp als een dolkmes.

Deze grensstrook van het Bosch-Veld wordt gewoonlijk Lion Veld of Leeuwen Veld genoemd; maar zij schijnt die schrikwekkende benaming niet te rechtvaardigen, want na drie dagen reizens had men nog geen van die wilde dieren gezien.

“Die naam zal slechts bij overlevering bestaan,” mompelde Cyprianus bij zich zelven. “De leeuwen zullen meer naar den kant der woestijn getrokken zijn!”

Toen hij evenwel die meening in tegenwoordigheid van James Hilton uitte, begon deze luidkeels te lachen.

“Gij gelooft dus dat er geen leeuwen zijn?” vroeg hij, toen zijne lachbui over was. “Dat komt daar vandaan, dat gij er niet op geoefend zijt om ze te zien.”

“Mooi zoo! Een leeuw te midden van die kale vlakte niet zien!” antwoordde Cyprianus op spottenden toon.

“Welnu, ik wed om tien pond,” zei James Hilton, “dat vóór wij een uur verder zijn, ik er u een zal wijzen, dien gij niet opgemerkt zult hebben!”

“Uit beginsel wed ik nooit,” antwoordde Cyprianus; “toch vraag ik niet beter dan door de ondervinding geleerd te worden.”

Men trok nog gedurende vijf en twintig of dertig minuten voort, en niemand dacht meer aan leeuwen, toen James Hilton eensklaps uitriep:

“Heeren, kijkt toch dat mierennest, hetwelk daar ter rechterzijde wordt ontwaard!”

“Wat is daaraan te zien?” vroeg Friedel. “Sedert twee of drie dagen zien wij niets anders.”

Inderdaad, niets komt in het Bosch-Veld meer menigvuldig voor dan die groote gele aardhoopen, die door ontelbare mieren opgeworpen zijn, en die van tijd tot tijd alleen met eenige doornstruiken of boschjes van magere mimosa’s eenige afwisseling in de vreeselijke eentonigheid van de zich rondom uitstrekkende vlakte aanbrengen.

James Hilton lachte, maar stil en geheel voor zich.

“Mijnheer Méré,” hernam hij, “laat uw paard een harden galop aannemen, tot in de nabijheid van die mierennesten.—Kijk dan in de richting van mijn vinger.—Ik beloof u dat gij zien zult [72] wat gij verlangt te zien. Kom er evenwel niet te dicht bij, of het zou u kunnen berouwen.”

Cyprianus gaf zijn paard de sporen, en reed naar de plek, die door James Hilton een mierennest genoemd werd.

“Het is een leeuwenfamilie, die daar gelegerd is!” zei de Duitscher, zoodra Cyprianus zich verwijderd had. “Ik durf tien tegen een wedden, dat die gele hoopen, die gij daar ziet, en die gij voor mierennesten aanziet, niets anders zijn!”

Per Bacco!” riep Hannibal Pantalucci uit. “Gij hadt wel noodig om hem aan te bevelen er niet te dicht bij te komen!”

Maar bemerkende dat Bardik en Li naar hem luisterden, hernam hij, terwijl hij een draai aan zijne uitgedrukte gedachten gaf:

“De Franschman zou aardig verschrikt geworden zijn en wij zouden eens hartelijk gelachen hebben.”

De Napolitaan vergiste zich. Cyprianus was er de man niet naar om zich te laten verschrikken, zooals hij zeide.

Toen deze op tweehonderd passen gekomen was van het doel, dat hem aangewezen was, herkende hij met welk schrikkelijk mierennest hij te doen had. Er waren daar een kolossale leeuw met zijne leeuwin en drie welpen, die in elkaar gerold op den grond lagen als katten, en gerust in de zon sliepen.

Toen het geluid van den hoefslag van Templar zijn oor bereikte, opende de leeuw zijne oogen, hief zijn overgroot hoofd op en geeuwde terwijl hij tusschen twee rijen vreeselijke tanden een afgrond liet ontwaren, waarin een kind van tien jaren met huid en haar kon verdwijnen. Toen keek hij den ruiter aan, die op twintig passen afstands zijn paard tot staan had gebracht.

Het wilde dier had gelukkig geen honger, anders had hij zich zoo onverschillig niet gedragen.

Cyprianus wachtte met de karabijn in de hand gedurende twee of drie minuten wat de leeuw zou gelieven te doen. Maar toen hij bemerkte, dat deze niet van zins was de vijandelijkheden te beginnen, had hij den moed niet om het vreedzame geluk van dat belangwekkende gezin te storen. Hij wendde zijn paard en kwam in een korten draf bij zijne makkers terug.

Dezen, verplicht om hem hulde te brengen wegens zijne koelbloedigheid en dapperheid, ontvingen hem met juichkreten.

“Ik zou de weddenschap verloren hebben, mijnheer Hilton,” zei Cyprianus in allen eenvoud.

Dienzelfden avond kwam men bij den rechteroever der Limpopo aan, alwaar halt gemaakt werd. Friedel wilde van de gelegenheid gebruik maken om een vischzootje in die rivier te vangen. Hij zette dat plan, in weerwil van de waarschuwingen van James Hilton, stijfhoofdig door.

“Dat is zeer ongezond, kameraad,” zeide deze. “Ik waarschuw u. In het Bosch-Veld moet men na zonsondergang noch langs de rivieroevers verwijlen, noch....”

“Kom, kom! Ik heb in mijn leven wel want anders bijgewoond!” antwoordde de Duitscher met de stijfhoofdigheid aan zijn natie eigen.

“Juist,” riep Hannibal Pantalucci uit; “wat zou er daarenboven ongezonds in gelegen zijn, om gedurende een uur of twee op den oever der rivier te verwijlen? Het is mij wel gebeurd, dat ik, terwijl ik op de eendenjacht was, er halve en heele dagen doorbracht en ik daarbij tot aan de schouders nat was!”

“Maar dat is volstrekt niet hetzelfde,” hernam James Hilton. “Pas op, Friedel!”

“Praatjes allemaal!” antwoordde de Napolitaan. “Mijn waarde Hilton, gij zoudt beter doen de bus met geraspte kaas op te zoeken om mijne macaroni klaar te kunnen maken, dan te pogen onze makkers te beletten een schotel visch machtig te worden. Drommels, die zou eene aangename afwisseling in onzen maaltijd brengen.”

Friedel stapte op, zonder naar goeden raad te willen luisteren. Hij vermaakte zich zoodanig met hengelen, dat het stikdonkere nacht was, toen hij in de legerplaats terugkeerde.

Daar gebruikte de hartstochtelijke hengelaar zijn maaltijd met den meesten eetlust en deed van allen wel de grootste eer aan de visschen die hij zelf gevangen had. Toen hij evenwel zich in den wagen bij zijne makkers te slapen legde, klaagde hij over hevige huiveringen, die hem overvielen. [73]

Toen den volgenden morgen de dag aanbrak en men opstond om te vertrekken, had Friedel eene hevige koorts en bevond hij zich in de volslagen onmogelijkheid om te paard te stijgen. Hij verlangde evenwel, dat men opbreken en de reis voortzetten zoude, verzekerende dat hij zeer goed op het stroo in den wagen lag. Men deed, zooals hij begeerde. Tegen het middaguur ijlde hij.

Toen het drie uur was, was hij dood.

Zijne ziekte was het gevolg van een bloedbederfkoorts van de ergste soort.

Bij dat plotselinge uiteinde kon Cyprianus de gedachte niet verbannen, dat Hannibal Pantalucci, door zijne slechte raadgevingen, in die gebeurtenis eene groote verantwoordelijkheid op zich geladen had. Maar niemand anders dan de Franschman dacht er aan, die opmerking te maken.

“Gij ziet nu, dat ik gelijk had toen ik gisteren beweerde, dat men bij het vallen van den avond niet op den oever eener rivier moet verwijlen,” vergenoegde zich James Hilton op wijsgeerigen toon te herhalen.

Men stond gedurende eenigen tijd stil om het lijk te begraven, dat men toch niet ten prooi aan de wilde dieren kon laten.

Het was het lijk van een medeminnaar, van een vijand bijna, en toch gevoelde zich Cyprianus bij die laatste plechtigheid innig bewogen. Het gezicht van den dood, overal zoo treffend en zoo aangrijpend, scheen in de woestijn nog des te meer indruk te maken. In het aangezicht slechts van de natuur schijnt de mensch beter te begrijpen, dat de dood de onvermijdelijke eindpaal is van alles wat leeft. Verre van zijne verwanten, verre van allen, die hij liefhad, vlogen zijne gedachten in dit sombere uur met weemoed naar hen heen. Hij zei tot zich zelven, dat hij morgen wellicht op de onmetelijke vlakte zou neervallen om niet meer op te staan, dat hij dan ook onder een voet zand zou gestopt worden, dat ook boven zijn lijk een naakte steen zou gerold worden, en dat noch de tranen eener zuster of moeder, noch de weeklachten van een vriend hem tot bij zijne eenzame groeve zouden vergezellen. En een weinig van het medelijden, dat hem het lot van zijn makker inboezemde, op zijn eigen toestand overbrengende, was het hem, alsof een gedeelte van zijn eigen ik in dat graf besloten werd.

Daags na die treurige plechtigheid werd het paard van Friedel, dat vastgemaakt aan den wagen volgde, door de Veld-ziekte aangetast. Men moest het achterlaten en afmaken.

Het arme dier had zijn baas slechts weinige uren overleefd.


1 Dit werk werd geschreven in 18.... Sedert is, zooals men weet, heel wat verandering in dien toestand gekomen. (De Vertaler).

Veertiende hoofdstuk.

Ten noorden van de Limpopo-Rivier.

Er waren drie dagen van onderzoekingen en loodingen noodig om eene waadbare plaats dwars door de bedding van de Limpopo te vinden. En het was nog maar zeer twijfelachtig, of men haar gevonden zou hebben, wanneer niet eenige Macalaccasche Kaffers, die daar bij den oever der rivier rondzwierven, waren aangetroffen en zich hadden bereid verklaard om de karavaan tot gidsen te verstrekken.

De Kaffers van dat ras zijn arme domme duivels, die door de meer ontwikkelde Betjuanen in eene afzichtelijke dienstbaarheid gehouden worden. Zij worden, zonder op eenige belooning uitzicht te hebben, tot den meest zwaren arbeid gedwongen, en daarbij met hardheid en ruwheid behandeld. Wat meer zeggen wil: het is hun op straffe des doods verboden vleeschspijzen te eten. De rampzalige Macalaccassen kunnen zooveel wild dooden, als zij op hun pad ontmoeten, op voorwaarde dat zij het bij hunne heeren en meesters te huis brengen. En die laten hun niets anders dan de ingewanden over, zooals de Europeesche jagers ongeveer met hunne jachthonden handelen.

Een Macalaccasche Kaffer bezit niets in eigendom, zelfs de ellendige hut, niet, die hij bewoont, zelfs de kalabas niet, waaruit hij drinkt. Hij loopt nagenoeg naakt rond, is mager en zonder vleesch, en draagt buffeldarmen over den schouder, die men op eenigen afstand voor ellenlange zwarte worsten zoude kunnen houden en die in werkelijkheid niets anders zijn dan zeer oorspronkelijke ontvangers, waarin hij zijn voorraad water met zich voert. [74]

De handelsgeest van Bardik openbaarde zich weldra in het volleerde kunststukje, waardoor hij die ongelukkigen tot bekentenis wist te brengen, dat zij in weerwil van hunne ellende eenige struisveeren bezaten, die zij zorgvuldig in naburige struiken verborgen hadden. Hij deed hen onmiddellijk den voorslag om ze te koopen, waartoe hij met hen des avonds op eene bepaalde plaats zou samenkomen.

“Gij hebt dus geld om hen in ruil daarvoor te geven?” vroeg Cyprianus tamelijk verwonderd.

Bardik haalde al lachende een handvol koperen knoopen te voorschijn, die hij sedert een paar maanden opgezameld had en die hij in een linnen zakje bij zich droeg.

“Dat’s gekheid!” zeide Cyprianus. “Dat is geen gangbare munt, en ik mag niet toestaan, dat die arme drommels met eenige dozijnen knoopen gefopt worden!”

Hij had mooi praten; het was onmogelijk Bardik te doen begrijpen, dan in zoo’n handel iets berispelijks gelegen was.

“Wanneer de Macalaccassen mijne knoopen tegen hunne struisveeren willen inruilen,” antwoordde hij in allen ernst, “wie zal er dan wat tegen te zeggen hebben? Gij weet zeer goed, dat de inzameling van die veêren hen niets gekost heeft. Zij hebben zelfs het recht niet om die te bezitten; zij durven ze slechts ter sluiks vertoonen! Een knoop daarentegen is een nuttig voorwerp, veel nuttiger dan een veer van een struisvogel! Waarom zou het mij dan verboden zijn hen een of twee dozijn van die nuttige knoopen in ruil voor een gelijk aantal veeren aan te bieden?”

Die redeneering was wel spitsvondig, maar toch niet eerlijk. Wat de Kaffer niet inzag was, dat de Macalaccassen zijne knoopen zouden aannemen niet zoozeer voor het gebruik, dat zij er van zouden kunnen maken, daar zij bijna geen kledingstukken aan het lijf droegen, maar wel voor de veronderstelde waarde, die zij aan die metalen schijfjes, welke zoozeer op muntstukken geleken, toekenden. Zoo beschouwd, was die ruil werkelijk bedrog.

Toch moest Cyprianus tot de erkenning komen, dat zijne redeneering te hoog was voor het begrip van dien wilde, die op het gebied van warenomzetting een ruim geweten had. Hij liet hem dus handelen zooals hij wilde.

De handelsoperatie van Bardik werd des avonds met fakkellicht volvoerd. De Macalaccassen waren klaarblijkelijk zeer bevreesd door hun opkooper bedrogen te worden. Zij vergenoegden zich dan ook niet met de lichten, die de blanken ontstoken hadden, maar zij brachten elk een bos maïs-stengels mede, die zij in den grond plantten en daarna aanstaken.

Vervolgens haalden die inboorlingen hunne struisveeren voor den dag en beijverden zich om de knoopen van Bardik te bezichtigen.

Toen begonnen zij onder een oorverdoovend geschreeuw, gepaard met buitensporige gebaren, een redetwist over den aard en de waarde van die metalen schijfjes.

Niemand verstond een woord van hetgeen zij in hunne snelsprakige taal vertelden, maar het was voldoende om hunne met bloed beloopen oogen, hunne welsprekende gebaren en hunnen toorn te zien, om te begrijpen, dat de woordentwist over een hoogst belangrijk vraagstuk voor hen liep.

Dit hartstochtelijke gekakel werd plotseling door eene onverwachte verschijning afgebroken.

Een neger van hooge gestalte, die zich waardiglijk in een leelijken mantel van rood katoen gewikkeld had en wiens voorhoofd getooid was met een soort van diadeem, die door de Kaffersche krijgslieden wordt gedragen en van schapendarmen vervaardigd is, trad uit het struikgewas te voorschijn, in welker nabijheid het loven en bieden geschiedde. Hij sloeg woest met den steel zijner lans op de Macalaccassen, die op heeter daad betrapt waren, zich met verboden handelszaken in te laten.

“Lopepo!...... Lopepo!......” schreeuwden de ongelukkige wilden, terwijl zij uit elkaar stoven als een troep overvallen ratten.

Een kring van zwarte krijgslieden kwam evenwel uit al de omliggende struiken te voorschijn en omgaf de schuldigen, die natuurlijk in hunne vlucht weerhouden werden.

Toen deed Lopepo zich al de knoopen overhandigen. Hij bekeek ze zeer [75] zorgvuldig bij het schijnsel der toortsen en borg ze met een lach van vergenoegen in zijn leeren tasch. Daarna trad hij op Bardik toe, nam hem de reeds geleverde struisveêren uit de handen en eigende zich die ook toe, zooals hij met de knoopen gedaan had.

De blanken waren lijdzame toeschouwers van dat geheele tooneel gebleven. zij wisten niet, wat zij doen zouden, òf lijdzaam blijven òf tusschenbeiden komen. Lopepo hakte den knoop door. Hij trad hen te gemoet, en op eenige passen afstand van hen gekomen, maakte hij halt en hield eene aanspraak op zeer bevelenden toon, die voor allen, op een na, geheel onverstaanbaar was.

James Hilton evenwel, die eenige woorden van de Betjuanen-taal verstond, slaagde er in om den algemeenen zin van die redevoering te vatten en vertaalde haar voor zijn makkers. De grondtoon van die toespraak was, dat het Kaffer-opperhoofd er zich over beklaagde, dat men Bardik veroorloofd had handel te drijven met de Macalaccassen, die niets in eigendom mochten bezitten. De neger verklaarde bij het slot van zijn gebabbel, dat hij de verboden koopwaren benaderde, en vroeg of de blanken daartegen iets hadden in te brengen.

De meening van dezen omtrent de te kiezen partij was verdeeld. Hannibal Pantalucci was van oordeel, dat men dadelijk moest toegeven, om niet in twist met het Betjuanen-opperhoofd te geraken. James Hilton en Cyprianus erkenden wel, dat er iets goeds in die opvatting was, maar vreesden, dat wanneer men zich te meegaande in die zaak toonde; Lopepo daardoor overmoedig zoude worden en dan wellicht eischen zoude stellen, die tot eene onherroepelijke vredebreuk konden leiden.

Men hield spoedig raad met gedempte stem, waarin overeengekomen werd, dat men de knoopen aan de Betjuanen zou laten, maar dat zij de struisveeren moesten teruggeven.

James Hilton had alle moeite om dat door middel van gebaren en van eenige Kafferwoorden verstaanbaar te maken. Eerst vermeende Lopepo eene staatkundige houding te moeten aannemen en van aarzeling te doen blijken. Hij ontwaarde evenwel het glinsteren van de loopen der geweren in handen van de Europeanen; dat gaf den doorslag, zoodat hij de veeren teruggaf.

Maar van stonde af aan bleek dat opperhoofd, dat inderdaad zeer slim was, meer meegaande te zijn. Hij bood aan de drie blanken, aan Bardik en Li een snuifje uit zijne groote snuifdoos, en nam vervolgens in het bivouac plaats. De Napolitaan bood hem een glas brandewijn aan, hetgeen hem goed gemutst maakte. Eindelijk stond hij op, na daar anderhalf uur stom als een visch gezeten te hebben, en noodigde de karavaan uit om hem den volgenden dag een bezoek in zijne kraal te brengen.

Men deed hem de verlangde belofte, waarop hij vervolgens, na met allen een handdruk gewisseld te hebben, met deftigen stap heen ging.

Iedereen ging na zijn vertrek slapen, behalve Cyprianus, die, na zich in zijne dekens gewikkeld te hebben, bij het beschouwen der sterren wakend droomde. Het was nieuwe maan, maar de nacht was overheerlijk helder door het groot aantal sterren, dat zichtbaar was. Het wachtvuur was uitgegaan zonder dat de jeugdige ingenieur er op gelet had.

Hij dacht aan zijne verwanten, die waarlijk niet konden gissen dat hij in dit oogenblik door een zoodanig avontuur als hem voortjoeg, in de volle woestijn van Zuid-Afrika getrokken was; hij dacht aan de bekoorlijke Alice, die op hare beurt thans ook misschien naar de sterren keek; hij dacht, in één woord, aan al de wezens, die hem dierbaar waren. En zich door die zachte droomerijen latende vervoeren, welke door de stilte van die onmetelijke vlakten in een dichterlijk waas gehuld werden, was hij op het punt van in te dommelen, toen een hoefgetrappel, een zonderling leven, komende van den kant, waar de trekossen voor den nacht gestald waren, hem wakker maakte en hem deed opspringen.

Cyprianus meende toen in het duister eene gedaante te onderscheiden, die minder hoog en meer ineengedrongen was dan die der ossen en die al dat spektakel veroorzaakte.

Zonder zich recht rekenschap te geven, wat die gedaante eigenlijk was, greep Cyprianus eene zweep, die voor de hand lag, en schreed voorzichtig [76] naar de plek, waar de ossen gestald waren.

Hij had zich niet vergist: er was daar in de nabijheid der trekdieren een vreemd beest, dat hun slaap gestoord had.

Nog niet geheel wakker, en zonder na te denken over hetgeen hij uitvoerde, hief Cyprianus zijne zweep omhoog en striemde den muil van den ongenoodigden gast met een fermen zweepslag.

Een verschrikkelijk gebrul was het antwoord op dien aanval!.... Het was waarachtig een leeuw, die door den jongen ingenieur als een stouten poedel behandeld was!

Onze Franschman had nauwelijks den tijd om een der revolvers ter hand te nemen, die hij steeds aan zijn gordel droeg, en om een zijsprong uit te voeren, toen het dier op hem toesprong zonder hem te bereiken, zich omwendde en andermaal op hem toevloog en zijn arm greep.

Cyprianus voelde de scherpe klauwen zijn vleesch verscheuren. Door den schok viel hij omver en rolde in het stof met het schrikkelijke wilde dier. Een schot knalde eensklaps! Het lichaam van den leeuw trilde onder eene laatste stuiptrekking, rekte zich uit en bleef bewegingloos liggen.

Cyprianus, die niets van zijne koelbloedigheid verloren had, had met de hand, die nog vrij gebleven was, den loop van de revolver in het oor van het monster geplaatst, wiens schedel door een ontplofbaren kogel verbrijzeld werd.

De slapende makkers van den ingenieur, door het gebrul van den leeuw en door den knal van het revolverschot gewekt, stonden naar het gevecht te zien. Men bevrijdde Cyprianus, die half verpletterd onder het gewicht van het overgroote dier lag; men onderzocht zijne wonden, die niets te beduiden hadden. Li verbond ze met eenige zwachtels met brandewijn bevochtigd; daarna werd de beste plaats in den wagen voor den dappere ingeruimd, en weldra was de geheele karavaan weer ingeslapen onder de hoede van Bardik, die tot het aanbreken van den dag wilde waken.

De dageraad vertoonde zich nauwelijks aan den hemel, toen de stem van James Hilton weerklonk, die zijne makkers smeekte hem te hulp te komen, en aldus een nieuw onheil aankondigde. James Hilton had zich geheel gekleed op het voorgedeelte van den wagen te slapen gelegd. Thans verried zijne stem den vreeselijksten angst, terwijl hij geene beweging durfde maken.

“Eene slang heeft zich rondom mijn rechterknie onder mijn broek gerold,” zeide hij. “Beweegt u niet, of ik ben verloren! Wat moet er toch gedaan worden?”

Zijne oogen puilden uit hunne kassen van angst; zijn gelaat was met eene lijkkleur overtogen. Men ontwaarde inderdaad ter hoogte van zijn rechterknie, onder het blauwe linnen van zijn broek, de tegenwoordigheid van een vreemd lichaam—een soort kabel, die rondom het been gewikkeld was.

De toestand was ernstig. Zooals James Hilton zelf zeer te recht opmerkte, bij de eerste beweging, die hij deed, zou de slang niet nalaten hem te bijten!

Maar te midden van de algemeene verslagenheid nam Bardik op zich om te handelen.

Na het jachtmes van zijn meester, zonder gedruisch te maken, uit de scheede getrokken te hebben, naderde hij James Hilton met eene bijna onmerkbare beweging. Hij schoof vooruit als ware hij een worm. Toen bracht hij zijne oogen ter hoogte van de slang en onderzocht gedurende eenige seconden nauwkeurig de ligging van het gevaarlijke dier. Ongetwijfeld zocht hij zich rekenschap te geven van de plaats, waar de kop der slang zich bevond.

Plotseling richtte hij zich met eene snelle beweging op; daarop bracht hij zijn arm bliksemsnel omlaag, en het staal van het mes drong met een droog en kort geluid ter hoogte van de knie van James Hilton door het linnen zijner broek.

“Gij kunt de slang afschudden!.... Zij is dood!” zei Bardik, terwijl hij glimlachende al zijne tanden liet zien.

James Hilton gehoorzaamde werktuiglijk en schudde het been.... De slang viel voor zijne voeten.

Het was een adder met zwarten kop van slechts een duim middellijn, maar welks beet voldoende zoude geweest zijn om een schrikkelijken dood te veroorzaken. De jeugdige Kaffer had haar met eene bewonderenswaardige juistheid onthoofd. De broek van James Hilton vertoonde een snee van nauwelijks [77] zes centimeters, en de huid van den Amerikaan was niet geraakt.

Eene afschuwelijke omstandigheid, die Cyprianus diep verontwaardigde, was dat James Hilton er zelfs niet aan scheen te denken om zijn redder te bedanken. Nu hij uit den knel was, vond hij zijne tusschenkomst heel natuurlijk. Het denkbeeld kon niet bij hem opkomen, om de zwarte hand van den Kaffer in de zijne te nemen en hem toe te voegen: ik ben u het leven verschuldigd.

“Dat mes is waarachtig zeer scherp,” merkte hij eenvoudig op, terwijl Bardik het afwischte en in de scheede stak, zonder zelf groote beteekenis te hechten aan hetgeen hij verricht had.

Het ontbijt bracht verstrooiing aan en wischte weldra de indrukken van dien bewogen nacht uit. Dat ontbijt bestond dien morgen uit slechts één struisvogel-ei, dat met boter gekookt was en voldoende bleek om den eetlust der vijf gasten te verzadigen.

Cyprianus had een lichten aanval van koorts, ter gevolge van zijne wonden die wel ietwat pijnlijk waren. Hij drong er evenwel op aan om Hannibal Pantalucci en James Hilton naar de kraal van Lopepo te vergezellen. Het kamp werd bijgevolg onder de hoede van Bardik en van Li achtergelaten. Deze twee hadden op zich genomen den dooden leeuw te villen. Het was inderdaad een monster van de soort die “hondenbek” geheeten wordt.

De drie ruiters togen alleen op weg.

Het Betjuaansche opperhoofd wachtte hen bij den ingang van zijne kraal op en was door al zijn krijgers omringd. Achter dezen hadden zich de vrouwen en kinderen uit nieuwsgierigheid opgesteld, om de vreemdelingen te zien. Toch speelden sommige van die huismoedertjes de onverschilligen. Voor hunne halfronde hutten gezeten, hielden zij zich ongedwongen met hun huiselijken arbeid bezig.

Eenigen knoopten netten van lang vezelig gras, hetwelk zij als touw draaiden.

Het algemeene uiterlijk was ellendig, hoewel de hutten zeer goed gebouwd waren. Die van Lopepo was veel ruimer dan de anderen, was daarenboven van binnen met stroomatten bekleed en stond in het midden van de kraal.

Het opperhoofd geleidde zijne gasten naar binnen, wees hun drie bankjes aan en zette zich op zijne beurt voor hen neder, terwijl zijne eerewacht zich achter hem in een kring schaarde.

Men begon met de gebruikelijke plichtplegingen te betrachten, die zich gewoonlijk bepalen tot het drinken van een kom gegisten drank, die in de keuken van den gastheer vervaardigd werd. Om evenwel te bewijzen, dat deze geene trouwelooze voornemens koesterde, begon hij met de kom aan zijne lippen te brengen, alvorens haar aan de vreemde gasten aan te bieden. Het zou een doodelijke beleediging zijn, wanneer de drank na die beleefde uitnoodiging geweigerd werd. De drie blanken slikten dus dat Kafferbrouwsel, evenwel niet zonder dat Hannibal Pantalucci afschuwelijk leelijke gezichten getrokken had, terwijl hij ter zijde mompelde dat hij de voorkeur zoude gegeven hebben aan een glas Lacryma-Christi boven dit walgelijk Betjuaansch apothekersdrankje.

Daarna begon men over zaken te kouten. Lopepo verlangde een geweer te koopen. Dat was evenwel een wensch, die niet ingewilligd kon worden, hoewel hij in ruil aanbood een tamelijk bruikbaar paard en honderd vijftig ponden ivoor. Op dit punt zijn de koloniale verordeningen zeer streng. Zij verbieden de Europeanen wapentuig aan de grenskaffers over te doen, behalve wanneer zij daartoe speciale vergunning van den gouverneur hebben. Om het opperhoofd evenwel tevreden te stellen, hadden de drie gasten van Lopepo voor hem medegebracht een flanellen hemd, een stalen ketting en eene flesch rum, hetgeen een vorstelijk geschenk mocht heeten en hem zichtbaar veel genoegen deed.

Het gevolg daarvan was dan ook, dat het Betjuanen-opperhoofd zich uiterst goed gestemd toonde om al de inlichtingen te verschaffen, die van hem verlangd werden en die, om begrepen te worden, door tusschenkomst van James Hilton verkregen moesten worden.

Vooreerst kreeg men te weten dat een reiziger, die geheel en al aan de beschrijving van Makatit voldeed, de kraal vijf dagen vroeger voorbijgetrokken was. Dat was de eerste tijding, die men sedert weldra twee weken van [78] den vluchteling inwon. Zij was dan ook heel aangenaam en werd dankbaar opgenomen. De jeugdige Kaffer had blijkbaar een paar dagen zoek gebracht met naar de waadbare plaats in de Limpopo te zoeken, en trok thans naar het bergland in het noorden.

Of dat bergland nog ver was? En hoeveel marschdagen die afstand nog bedroeg?

O, slechts zeven of acht.

Of Lopepo in vriendschappelijke verhouding stond met den souvereinen gebieder van het land, waarin Cyprianus en zijne makkers trekken wilden?

Ja zeker, daar stelde Lopepo een eer in! Daarenboven, wie zou niet vriendschappelijk gestemd jegens en den trouwen bondgenoot willen zijn van Tonaïa den Grooten, den onoverwinnelijken overheerscher van de Kafferlanden?

Ontving Tonaïa de Groote de blanken voorkomend?

Ja, omdat hij bij ervaring wist, dat de blanken steeds eene beleediging aan een hunner aangedaan wreken. Waarom met de blanken in oneenigheid te leven? Zijn zij niet de sterksten, dank zij hunne geweren, die zichzelven laden? Neen, het was het beste in vrede met hen te leven, hen goed te ontvangen en eerlijk handel met hunne kooplieden te drijven.

Dat waren de inlichtingen, die Lopepo verschafte. De voornaamste daarvan was verreweg dat Makatit verscheidene marschdagen verloren had, alvorens de rivier te kunnen oversteken, ook dat men nog steeds op zijn spoor was.

Toen Cyprianus, Hannibal Pantalucci en James Hilton in hunne legerplaats terugkeerden, vonden zij Bardik en Li geheel en al overstuur.

Zij hadden, zooals zij verhaalden, een bezoek gekregen van een bende Kaffersche krijgslieden van een anderen stam dan waartoe Lopepo behoorde. Dezen hadden hen eerst omsingeld en daarna aan eene nauwkeurige ondervraging onderworpen. Wat kwamen zij in dit land uitvoeren? Was het niet om de Betjuanen te bespionneeren, om berichten in te winnen, om hunne getalsterkte, hunne krijgsmacht en hunne bewapening te leeren kennen? De vreemdelingen handelden niet wel, wanneer zij zich met zoo’n bedrijf afgaven. Het is waar, hun koning Tonaïa had niets in te brengen, zoolang zij zijne grenzen niet overschreden hadden; maar de zaken veranderden geheel van gedaante, wanneer zij zijn grondgebied zouden binnen dringen.

Dat was de slotsom geweest van hunne gesprekken. De Chinees toonde zich niet erg bewogen; maar Bardik, die gewoonlijk zoo kalm, steeds zoo koelbloedig was, scheen thans uitermate beangst te zijn en wel zoodanig dat Cyprianus zich dat moeilijk verklaren kon.

“Zeer boosaardige krijgslieden!” zei hij, terwijl hij groote verschrikte oogen rolde, “krijgslieden die de blanken haten en hen “kouïk” doen zeggen.

Die uitdrukking beteekende bij de half ontbolsterde Kaffers iemand een gewelddadigen dood doen ondergaan.

Wat nu te doen? Zou men groote waarde aan die mededeeling moeten hechten? Ongetwijfeld neen. Want die krijgslieden hadden, hoewel zij, volgens de medegedeelde berichten, ruim dertig man sterk waren, Bardik en Li, die ongewapend waren, geen kwaad gedaan en hadden geene neiging tot stelen of plunderen aan den dag gelegd. Hunne bedreigingen waren slechts ijdele praatjes, zooals wilden gewoon zijn tegenover vreemdelingen te bezigen. Het zou voldoende zijn het groote opperhoofd Tonaïa eenige beleefdheden te bewijzen en eene openhartige mededeeling te doen omtrent het doel, dat de blanken in zijn land bracht. Dat zou wel allen achterdocht verdrijven en hen eene goede ontvangst verzekeren.

Het werd dan ook afgesproken, dat men de reis voortzetten zou. De hoop van Makatit in te halen en hem den gestolen diamant afhandig te maken, deed iedere andere beschouwing of hinderpaal vergeten.

Vijftiende hoofdstuk.

Een komplot.

Na eene week reizens was de karavaan in een streek aangekomen, die in geenen deele geleek op eenig land dat onze spoorzoekers doorreisd hadden, sedert zij Grikwaland verlieten. Men naderde thans het bergland, hetwelk Makatit [79] zich volgens alle ingewonnen berichten waarschijnlijk tot einddoel zijner reis gesteld had. Het hooge land, dat men nader kwam, werd genoegzaam aangekondigd door de vele bergstroomen, die van de hellingen afdaalden, en door eene planten- en dierenwereld, geheel verschillend van die der vlakte.

Een der eerste valleien, die zich voor hunne oogen opdeed, leverde hun bij zons-ondergang een buitengewoon frisch en lachend schouwspel.

Eene rivier, welker water zoo helder was, dat men overal de bedding zien kon, kronkelde tusschen twee smaragd-groene grasvelden. Talrijke vruchtboomen met hun rijk geschakeerden bladerdos tooiden de hellingen der heuvels, die dit bekken omsloten. Op dien bodem, die gedeeltelijk door de zon nog beschenen, gedeeltelijk door de kolossale broodboomen beschaduwd werd, graasden vreedzaam talrijke kudden van roode antilopen, van zebra’s of van buffels. Iets verder schreed een rhinoceros met loggen tred door eene breede open plek en begaf zich naar den rivieroever en knorde reeds van blijdschap bij de gedachte, dat hij die heldere wateren troebel zou maken door er zijne vleeschachtige massa in te plompen. Hier en daar vernam men het gegeeuw van eenig wild dier, dat zich onder het struikgewas verveelde. Men zag er een wilden ezel die balkte, terwijl boven hem geheele troepen apen in de boomen dartelden en elkander nazaten als kwajongens.

Cyprianus en zijne beide makkers hadden boven op een heuvel halt gemaakt, om dat voor hen zoo nieuwe tooneel op hun gemak te kunnen genieten. Zij waren eindelijk in een van de oerstreken aangekomen, waar het wilde dier als onbetwiste heerscher van den grond, zoo gelukkig en zoo vrij leefde, dat het zelfs het bestaan van eenig gevaar niet giste. Wat vooral opmerkenswaardig genoemd kon worden, was niet alleen de talrijkheid en de rustige aard van die dieren, maar ook de bewonderenswaardige verscheidenheid van het dierenrijk, hetwelk zij in dit gedeelte van Afrika vertegenwoordigden. Men zou waarlijk geloofd hebben een van die vreemdsoortige schilderijen onder de oogen te hebben, waarop de schilder zich tot taak schijnt gesteld te hebben, binnen een engen kring al de voornaamste typen van het dierenrijk te vereenigen.

Weinig menschelijke bewoners werden evenwel aangetroffen. De Kaffers, wel is waar, konden slechts te midden van de onmetelijke streken zeer dun gezaaid zijn op deze oppervlakten. Het was nog niet de woestijn, maar veel scheelde het niet.

Cyprianus in zijne neigingen van geleerde en van kunstenaar geprikkeld, was er niet verre van af te gelooven, dat hij in den voorhistorischen tijd, waarin het megatherum en andere voorzondvloedlijke dieren leefden, terug gebracht was.

“Er ontbreken hier nog maar olifanten,” sprak hij, “om het feest volkomen te maken!”

Hij werd evenwel als op zijn woord bediend. Li strekte den arm uit en toonde hem te midden van eene uitgestrekte vlakte, verscheidene grijsachtige massa’s. Van uit de verte gezien, was het alsof het zooveel rotsen waren en men zou in die meening gestijfd zijn zoowel door hunne onbeweeglijkheid als door hunne kleur. Inderdaad, het was eene kudde olifanten. Het grasveld was er mede gevlekt over eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen.

“Je hebt dus ook verstand van olifanten?” vroeg Cyprianus aan den Chinees, terwijl men aanstalten maakte om het nachtelijke verblijf in gereedheid te brengen.

Li knipte met zijne kleine scheefstaande oogen.

“Ik heb twee jaar op Ceylon gewoond en daar als helper ijverig aan de drijfjachten deelgenomen,” antwoordde hij met die geheimzinnige terughouding, die bij hem steeds waar te nemen was, wanneer het zijne levensgeschiedenis gold.

“Ik wilde wel, dat wij een paar van die monsters konden neerleggen,” sprak James Hilton. “O! dat is zoo’n prettige jacht!”

“Ja,” vulde Hannibal Pantalucci aan, “en eene jacht, waarbij het wild waarachtig het schot kruit wel waard is. Bij voorbeeld twee olifantstanden kunnen een’ aanzienlijken buit genoemd worden en wij zouden in het achtergedeelte van onzen wagen wel ruimte vinden om drie of vier dozijn van die [80] tanden te bergen!.... Beseft ge wel, makkers, dat niet meer noodig ware om de kosten van onze reis te dekken?”

“Maar, dat is een denkbeeld—en een uitmuntend zelfs,” riep James Hilton uit. “Waarom zouden wij morgen niet reeds die jacht beproeven, voor dat wij de reis voortzetten?”

Men besprak het voorstel en eindelijk werd besloten, dat men bij het krieken van den dag het kamp zoude opbreken en dat men het geluk zou gaan beproeven, naar den kant van de vallei, waar olifanten bespeurd waren.

Nadat die beslissing genomen en het middagmaal zoo haastig mogelijk verorberd was, kroop ieder onder de huif van den wagen, behalve James Hilton, die de wacht had, en derhalve dien nacht bij het vuur moest waken.

Hij had zoo omstreeks twee uren in de eenzaamheid doorgebracht, en hij begon reeds in te dutten, toen hij zich zachtkens tegen den elleboog voelde stooten. Hij opende de oogen en zag dat Hannibal Pantalucci naast hem gezeten was.

“Ik kan niet slapen,” zei de Napolitaan, “en in dat geval denk ik, dat ik even goed bij u kan komen zitten.”

“Dat is zeer vriendelijk van u,” antwoordde James Hilton, terwijl hij zich uitrekte, “mij zouden eenige uren slapens niet onwelkom zijn. Als gij zoudt willen, zouden wij het met elkander kunnen vinden! Ik zou onder de huif uwe plaats kunnen gaan innemen en gij de mijne hier?”

“Neen!.... blijf! Ik heb met u te praten!” hernam Hannibal Pantalucci met gedempte stem.

Hij keek rond om zich te overtuigen, of zij wel alleen waren, en hernam daarna:

“Hebt gij ooit een olifantsjacht bijgewoond?”

“Ja, twee malen,” antwoordde James Hilton.

“Welnu, dan weet gij, dat het eene gevaarlijke jacht is. De olifant is zeer verstandig, zeer slim en zeer goed gewapend. Het is zelden, dat de mensch bij een strijd tegen dat dier niet het onderspit moet delven.”

“Jawel, dat is zoo, als gij van de onhandigen spreekt!” antwoordde James Hilton. “Met een goede karabijn evenwel, die met ontplofbare kogels geladen is, is het gevaar nul en valt er niet veel te vreezen!”

“Zoo dacht ik er ook over,” hernam de Napolitaan. “Er kunnen evenwel ongelukken gebeuren!.... Veronderstel eens, dat er morgen den Franschman een overkomt, dan zou het een ramp voor de wetenschap zijn!”

“Een ware ramp!” herhaalde James Hilton.

Hij lachte evenwel daarbij met een boosaardigen lach.

“Voor ons zou die ramp zoo heel groot niet zijn,” hernam Hannibal Pantalucci, aangemoedigd door den lach van zijn makker. “Wij zouden dan slechts twee zijn om Makatit en zijn diamant na te zetten!.... Nu kan men zich met zijn tweeën beter verstaan dan....”

Beide mannen bleven het stilzwijgen bewaren, met de oogen op de brandende takken gericht en de gedachten vervuld met hunne misdadige ontwerpen.

“Ja, zeker.... met zijn tweeën verstaat men elkander beter,” herhaalde de Napolitaan. “Met zijn drieën is dat moeielijker!”

Weer trad een oogenblik van stilte in.

Hannibal Pantalucci hief eensklaps het hoofd op en peilde den donkeren nacht, die hem omgaf.

“Hebt gij niets gehoord?” vroeg hij zacht fluisterend. “Ik meende eene schaduw achter dien broodboom te zien.”

James Hilton keek op zijne beurt uit, maar al was zijn oog ook nog zoo scherp, hij ontwaarde niets verdachts in den omtrek der legerplaats.

“Ik zie niets!” zei hij. “Wellicht heeft het linnen, dat de Chinees in den nachtdauw te bleeken heeft gelegd, uw oog getrokken.”

Het gesprek werd weldra tusschen de twee medeplichtigen hervat, maar fluisterend ditmaal:

“Ik zou de patronen van zijn geweer kunnen aftrekken, zonder dat hij zulks merkte,” zei Hannibal Pantalucci. “Ik zou vervolgens bij het aanvallen van een olifant een schot achter hem kunnen lossen, zoodat het dier hem dan moest bespeuren.... Nu, dan zou het niet lang meer duren!....”

“Jongens, dat is niet van gewicht ontbloot, wat ge daar zegt,” antwoordde James Hilton ontwijkend. [81]

“Kom, laat mij begaan, en gij zult zien dat de geheele zaak van een leien dakje zal glijden,” hernam de Napolitaan.

Toen Hannibal Pantalucci zijne plaats onder de huif een uur later weer innam, stak hij voorzichtig een lucifer aan om zich te overtuigen dat niemand zich verroerd had. Deze voorzorg veroorloofde hem zich te overtuigen dat Cyprianus, Bardik en de Chinees Li in diepen slaap gedompeld waren.

Zij hadden er ten minste al het uiterlijke van. Als de Napolitaan er evenwel op verdacht was geweest, dan had hij wellicht opgemerkt dat het luide gesnurk van Li eenigszins kunstmatig klonk.

Bij het aanbreken van den dag was iedereen op de been. Hannibal Pantalucci wist van een oogenblik gebruik te maken, toen Cyprianus zich naar de bijgelegen beek begeven had om zijn morgenwasschingen te verrichten, om de patronen van diens geweer af te trekken. Dat was snel genoeg verricht en vereischte niet eens twintig seconden. Hij bevond zich geheel alleen. Bardik zette koffie en Li was bezig met zijn linnen te verzamelen, dat hij in den nachtdauw op zijn berucht touw, dat hij tusschen twee takken gespannen had, uitgehangen had. Er viel niet aan te twijfelen, niemand had iets gezien.

Toen de koffie gedronken en het ontbijt genuttigd was, vertrokken de jagers te paard, den wagen en de trekossen onder de hoede van Bardik achterlatende.

Li had verzocht de ruiters te mogen volgen en had als eenig wapen het jachtmes zijns meesters medegenomen. De jagers kwamen binnen een half uur op hetzelfde punt aan, waar zij den vorigen avond de olifanten bespeurd hadden. Maar dien dag moest men een weinig verder trekken om hen op te sporen en eene open vlakte bereiken, die zich tusschen den voet van het gebergte en den rechter-oever der rivier uitstrekte.

Een geheele kudde olifanten, twee of drie honderd op zijn minst, waren bezig, terwijl zij in de heldere lucht, die door de opkomende zon nog schitterender was, scherp uitkwamen, hun ontbijt te genieten op het tapijt eener onmetelijke vlakte, die met fijn gras nog bepareld met dauwdroppels, overdekt was. De kleinen sprongen en dartelden allerdwaast rond om hunne moeders of zogen in stilte. De grooten verorberden met voorovergebukten kop en met regelmatig slingerende slurven, het dichte gras van het weiland. Bijna allen waaiden zich versche lucht toe met hunne breede ooren, die, aan lederen mantels gelijk, als indiaansche punka’s bewogen werden.

Er was in de kalmte van dat huiselijk geluk zoo iets heiligs te ontwaren, dat Cyprianus zich diep bewogen gevoelde en aan zijne makkers vroeg om de jacht op te geven.

“Waarom die schuldelooze dieren te dooden?” zei hij. “Is het niet beter hen in vrede in hunne eenzaamheid te laten?”

Maar dit voorstel viel om meer dan ééne reden niet in den smaak van Hannibal Pantalucci.

“Waarom?” vroeg hij spottend. “Wel, om mijne beurs te vullen door ons een goeden voorraad ivoor te verschaffen. Jagen die dikke dieren u angst aan, mijnheer Méré?”

Cyprianus trok de schouders op, zonder die ongepaste vraag te beantwoorden. Toen hij den Napolitaan en zijn makkers zag voortschrijden naar de bedoelde vlakte, deed hij als zij en ging mede.

Alle drie waren thans tot op een afstand van ongeveer drie honderd meters van de olifanten genaderd. De redenen, waarom die slimme dieren met hun fijn gehoor, dat hen zoo spoedig waarschuwde, de nabijheid der jagers nog niet ontwaard hadden, lag daarin dat deze onder den wind naderden en bovendien beschermd waren door een dik boschgedeelte van broodboomen.

Toch begon een der olifanten teekenen van onrust te geven. Hij hief zijn snuit als een vraagteeken in de hoogte.

“Het oogenblik is gekomen,” zei Hannibal Pantalucci met fluisterende stem. “Als wij tot eenig resultaat willen geraken, moeten wij ons op eenigen afstand van elkander plaatsen en ieder ons doelwit kiezen, dan moeten wij te gelijker tijd op een afgesproken sein vuur geven. Dit moeten wij te eerder in acht nemen, daar de geheele kudde op het eerste schot de vlucht gaat nemen.”

Toen dat voorstel aangenomen was, [82] week James Hilton ter rechterzijde uit, terwijl Hannibal Pantalucci datzelfde te gelijkertijd ter linkerzijde deed, en Cyprianus Méré in het centrum der positie bleef voortgaan. Alle drie reden toen op het gemeenschappelijke doel, de open vlakte toe.

Cyprianus voelde op dit oogenblik tot zijne overgroote verwondering twee armen, die hem met bovenmatige kracht om het middel omstrengelden, terwijl Li’s stem hem in het oor fluisterde:

“Ik ben het!.... Ik ben op het achterstel van uw paard gesprongen!... Spreek geen woord!.... Gij zult straks mijne beweegredenen wel begrijpen!”

Cyprianus kwam toen juist bij den rand van het broodboomenboschje aan en was op niet meer dan dertig meters van de olifanten verwijderd. Hij maakte zijn geweer reeds vaardig om op iedere gebeurlijkheid voorbereid te zijn, toen de Chinees hem nog toefluisterde:

“Uw geweer is ontladen!.... Maar laat u dat niet ongerust maken!.... Alles gaat goed!.... Waarachtig alles gaat goed!”

Op hetzelfde oogenblik weerklonk de toon van een scherp fluitje, dat het teeken voor den algemeenen aanval moest zijn. Dadelijk daarop knalde een geweerschot—een enkel slechts—vlak achter Cyprianus.

Deze keerde zich onmiddellijk om en zag Hannibal Pantalucci, die zich achter een boomstam trachtte te verschuilen. Maar hij had geen tijd om daar lang zijne aandacht op te vestigen, want die werd elders geroepen.

Een der olifanten, door dat schot waarschijnlijk gekwetst en ten gevolge van zijne verwonding woedend gemaakt, stormde op hem los. De andere dieren namen, zooals de Napolitaan voorzien had, dadelijk de vlucht met een schrikkelijk getrappel, dat de grond over een omtrek van twee duizend meters deed dreunen.

“Nu zijn we er!” riep Li, die zich steeds aan Cyprianus vastgeklemd hield. “Zoodra het dier op het punt zal zijn om u te bereiken, moet gij Templar een zijsprong doen uitvoeren!.... Draai dan rondom dien struik daar en laat u door den olifant vervolgen.... Het overige neem ik op mij.”

Cyprianus had slechts den tijd om die aanwijzingen werktuigelijk uit te voeren, want de dikhuid stormde met den snuit hoog verheven, met bloed beloopen oogen, met open mond en met de voortanden vooruitstekend en daarbij eene ongeloofelijke snelheid ontwikkelend, op hem los.

Templar gedroeg zich in die omstandigheden als een oud krijger. Het edele dier gehoorzaamde met de meest bewonderenswaardige stiptheid aan de drukking der knieën en aan het aanleggen der beenen van zijnen berijder, en volvoerde juist op het gewilde oogenblik een hevigen zijsprong ter rechterzijde. De olifant, door de zwaartekracht voortgedreven, vloog het paard zonder het te raken voorbij ter zelfder plaats, die ruiter en paard ter nauwernood verlaten hadden.

Intusschen had de Chinees zich op den grond laten glijden, na zijn mes zonder een woord te spreken uit de scheede gehaald te hebben. Met een vluggen sprong wierp hij zich achter den struik, dien hij zijn baas getoond had.

“Daar!.... daar!.... wend nu om den struik en laat u vervolgen!” riep hij andermaal.

De olifant was omgekeerd en kwam nu op hem terug, dubbel verwoed, doordat hij bij zijn eersten aanslag niet geslaagd was. Cyprianus, alhoewel hij de door Li aangeduide beweging niet begreep, volvoerde haar toch stiptelijk. Hij draaide en wendde rondom den struik, door het woest ademende dier op de hielen vervolgd. Twee malen ontweek hij nog den schok door een plotselingen zijsprong van zijn paard. Maar zou die taktiek langen tijd slagen? Hoopte Li het dier zoo af te maken?

Die vragen stelde zich Cyprianus, zonder daarop een voldoend antwoord te kunnen geven, toen hij plotseling den olifant tot zijn groote verbazing op de knieën zag ineenzakken.

Li, met eene onvergelijkelijke behendigheid van het gunstige oogenblik gebruik makende, was door het gras voortgekropen tot onder de pooten van het dier en had met één enkelen houw van zijn jachtmes de spier van den hiel, die bij den mensch de Achillespees genoemd wordt, doorgesneden.

Zoo gaan de Hindoes bij hunne jachtondernemingen op den olifant te werk en de Chinees moest die handeling [83] meermalen op Ceylon beoefend hebben, af te leiden uit de juistheid en de koelbloedigheid, waarmede zij uitgevoerd was. Machteloos en op den grond uitgestrekt, bleef de olifant liggen, terwijl zijn kop in het dichte gras verborgen scheen. Een beek van bloed stroomde uit de wond en verzwakte hem klaarblijkelijk.

“Hoerah!.... Bravo....” riepen Hannibal Pantalucci en James Hilton, terwijl zij toen eerst op het tooneel van den strijd verschenen.

“Men moet hem met een kogelschot in het oog afmaken!” zei James Hilton, die een onbedwingbare behoefte ondervond, om in beweging te blijven en een rol in dit drama te spelen.

Daarop bracht hij den kolf van zijn geweer aan den schouder en gaf vuur.

Bijna ter zelfder tijd hoorde men in het lichaam van het reusachtige dier het springen van den ontplofbaren kogel. Het ondervond eene laatste stuiptrekking en bleef daarna onbeweeglijk liggen evenals eene grijsachtige rots langs de boorden van den weg.

“Het is uit met hem!” riep James Hilton, terwijl hij zijn paard vooruit dreef tot dicht bij het dier, om beter te kunnen zien.

“Wacht!.... wacht nog!....” scheen de sluwe blik van den Chinees tot zijn baas te zeggen.

Er viel niet lang naar het schrikkelijk, maar niet te vermijden uiteinde van dat tooneel te wachten.

Inderdaad, nauwelijks was James Hilton dicht bij den olifant gekomen en boog hij zich over zijn stijgbeugel om bij wijze van spotternij een van zijn groote ooren op te heffen, toen het dier eensklaps zijn snuit met eene onverwachte beweging op den onvoorzichtigen jager deed neerkomen, hem de wervelkolom brak en het hoofd verbrijzelde, voordat de toeschouwers van die schrikkelijke ontknooping den tijd hadden om tusschenbeide te treden, ten einde haar te voorkomen.

James Hilton kon slechts een laatsten gil doen hooren. In minder dan vier seconden bleef van hem niets anders meer over dan een bloedige vleeschklomp, waarop de olifant zich liet neervallen, om niet weer op te staan.

“Ik was er zeker van, dat hij zich slechts dood hield,” zei de Chinees met rustige stem, terwijl hij het hoofd schudde. “De olifanten handelen nooit anders, wanneer de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”

Dat was het eenige rouwbeklag van James Hilton. De jeugdige ingenieur, nog onder den indruk van de verraderlijke streek, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden, kon de gedachte aan eene rechtvaardige wedervergelding niet onderdrukken ten opzichte van een der ellendelingen, die hem weerloos aan de blinde woede van een zoo schrikkelijk dier had willen overleveren.

Wat de gedachten van den Napolitaan waren? Hij achtte het geraden ze voor zich te houden.

De Chinees was middelerwijl reeds met zijn jachtmes bezig om een kuil onder de graszoden van de vlakte te maken, waarin hij door Cyprianus geholpen, weldra de vormlooze overblijfselen van diens vijand ter aarde bestelde.

Dat alles deed eenigen tijd verloren gaan, en de zon stond reeds hoog boven den horizon, toen de drie jagers naar het kamp terugkeerden.

Toen zij daar evenwel aankwamen, was hunne verwondering groot!.... Want Bardik was er niet meer.

Zestiende hoofdstuk.

Verraad.

Wat was er gedurende de afwezigheid van Cyprianus en van zijne beide makkers in het kamp voorgevallen? Het was moeielijk te gissen zoolang de jeugdige Kaffer niet teruggekomen was.

Men wachtte Bardik dus; men riep hem, men zocht hem langs alle kanten. Geen spoor zelfs werd van hem ontdekt. Het ontbijt dat hij bezig was geweest klaar te maken, stond naast het uitgedoofde vuur en duidde er op, dat zijn verdwijnen eerst sedert twee of drie uren geleden plaats had gehad.

Cyprianus kon dus slechts gissen waardoor die verdwijning veroorzaakt kon zijn; maar die gissingen werden door niets toegelicht. Het was niet waarschijnlijk dat de jeugdige Kaffer door een wild dier kon zijn aangevallen; [84] er was geen spoor van een bloedigen strijd, zelfs niet de minste wanorde in den omtrek te bespeuren. Dat hij gedrost zou zijn om naar zijn land terug te keeren, zooals de Kaffers meermalen doen, was noch minder aanneembaar van een kerel, zoo vol toewijding als hij was, en de jeugdige ingenieur weigerde bepaald die veronderstelling door Hannibal Pantalucci vooropgesteld, voor waar aan te nemen.

Om kort te gaan, de jonge Kaffer bleef, nadat men hem gedurende een halven dag gezocht had, afwezig en, wat meer zegt, zijne verdwijning bleef geheel onverklaarbaar.

Hannibal Pantalucci en Cyprianus hielden dus raad en kwamen na eenige woordenwisseling overeen tot den volgenden morgen te wachten alvorens het kamp op te breken. Wellicht kon Bardik nog terugkeeren in die tijdsruimte, wanneer hij namelijk verdwaald was geraakt bij de vervolging van eenig stuk wild, dat zijne jagersbegeerte kon hebben opgewekt.

Maar toen zij zich herinnerden het bezoek dat eene Kafferbende hun op een hunner pleisterplaatsen gebracht had en zij rekening hielden met de vragen, die toen aan Bardik en aan Li gedaan waren, met de vrees, die toen aan den dag gelegd was dat de reizigers, die wellicht verspieders waren, het land van Tonaïa zouden binnentrekken, toen rees bij hen de vraag, en niet zonder reden, of Bardik niet in handen van die inboorlingen gevallen en als gevangene naar hunne hoofdplaats gevoerd was.

De dag werd treurig ten einde gebracht en de avond was nog droefgeestiger. Het ongeluk scheen op de onderneming te rusten. Hannibal Pantalucci was nurks en zweeg als een pot. Zijne twee medeplichtigen Friedel en James Hilton waren reeds dood, zoodat hij alleen tegenover zijn jeugdigen medeminnaar overbleef. Hij was intusschen meer dan ooit besloten zich van dezen te ontdoen. Hij wilde alleen blijven, zoowel in de zaak van den diamant als in de huwelijkskwestie. En beide gevallen waren voor hem slechts zaken.

Wat Cyprianus aangaat, daar Li hem alles verteld had, wat hij aangaande het aftrekken van de patronen van Méré’s geweer vernomen had, moest hij nacht en dag waakzaam zijn tegenover zijn reismakker. Het is waar, dat de Chinees een gedeelte van die waakzaamheid voor zijne rekening wilde nemen.

Cyprianus en Hannibal Pantalucci brachten hun avond onder het rooken eener pijp of sigaar bij het vuur stilzwijgend door en kropen onder de huif van den wagen, zonder elkander zelfs goeden nacht toe te wenschen. Het was toen de beurt van Li om bij het vuur te waken, dat ontstoken was om de wilde dieren op een afstand te houden.

De jonge Kaffer was den volgenden ochtend bij het krieken van den dag niet in het kamp terug.

Cyprianus had nog wel vier en twintig uren willen wachten, ten einde aan zijn dienaar nog een laatste kans te verschaffen om terug te kunnen keeren; maar de Napolitaan drong er ten sterkste op aan om dadelijk te vertrekken.

“Wij kunnen het zeer goed zonder Bardik doen”, zei hij “en iedere vertraging stelt ons aan de mogelijkheid bloot, Makatit niet meer te kunnen inhalen!”

Dat moest Cyprianus erkennen. De Chinees ging er dan ook toe over om de trekossen bij elkander te drijven, ten einde te kunnen vertrekken.

Nieuwe teleurstelling; maar dezen keer veel ernstiger dan den eersten. Ook de ossen waren niet terug te vinden. Den avond te voren lagen zij nog te rusten in het hooge gras, dat rondom het kamp groeide.... Thans was er geen enkele te bespeuren.

Toen eerst kon men den omvang van het verlies, dat de expeditie in den persoon van Bardik geleden had gevoelen! Indien die intelligente dienaar nog op zijn post aanwezig ware geweest, dan zou hij met zijn kennis van de gewoonten van het rundergeslacht in Zuid-Afrika, niet in gebreke zijn gebleven die dieren, die den geheelen dag rust genoten hadden, aan boomstammen of aan piketpalen vast te maken. Gewoonlijk was die voorzorg na een langen dagmarsch bij het aankomen van een pleisterplaats overbodig. De ossen waren dan uitgeput van vermoeienis en dachten aan niets anders dan aan het grazen in de onmiddellijke nabijheid van den wagen, waarna zij zich neervlijden, om de nachtrust te genieten; zij verwijderden zich dan [85] des morgens hoogstens tot op een afstand van honderd meter. Maar zoo was het niet na zulk een dag van rust en van volop voeder doorgebracht te hebben.

Klaarblijkelijk was de eerste zorg dier dieren geweest, toen zij ontwaakten, om een malscher gras op te zoeken dan dat waaraan zij zich den vorigen dag verzadigd hadden. Nog al van dolenden aard zijnde, hadden zij zich langzamerhand verwijderd, en waren uit het gezicht van het kampement geraakt. Toen door hun instinct voortgezweept, dat hen dreef hunne stal op te zoeken, waren zij waarschijnlijk, de een achter den ander voortschrijdende, op weg naar de Transvaal getogen.

Dat was een ramp, die wel is waar niet zeldzaam bij dergelijke tochten in beneden-Afrika voorkwam, maar daarom niet minder ernstig was; want zonder bespanning werd de wagen nutteloos en de wagen is voor de Afrikaansche reizigers tegelijkertijd eene woning, een magazijn en een versterking.

De teleurstelling van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci was dan ook groot, toen zij, na een ijverige verkenning van het spoor der ossen gedurende twee of drie uren, tot de overtuiging kwamen, dat alle hoop om ze terug te krijgen ijdel was.

De toestand was buitengewoon verergerd en men was verplicht andermaal raad te beleggen.

Nu was er in de gegeven omstandigheden slechts ééne practische oplossing mogelijk en die was: den wagen te verlaten, zich met zooveel mondbehoeften en met zooveel munitie te beladen als zij slechts dragen konden, en de reis te paard voort te zetten. Werd men dan door de omstandigheden begunstigd, dan zou men wellicht weldra in de gelegenheid komen om bij een Kafferhoofd een nieuw span ossen tegen een geweer of tegen scherpe patronen in te ruilen. Wat Li betreft, die zou het paard van James Hilton bestijgen, dat zoo als men weet, sedert diens dood zonder meester was.

Men toog toen ijverig aan het werk, om doornachtige takken te kappen, om daar mede den wagen zoodanig te bedekken, dat hij onder kunstmatig struikgewas verborgen was. Daarna belaadde een ieder zich met hetgeen hij in zijne zakken en in zijn ransel bergen kon, zooals linnen, laarzen, verduurzaamde levensmiddelen en munitie. Het speet den Chinees zeer dat hij zijne roode kist niet kon medenemen van wege de zwaarte; maar het was onmogelijk hem te doen besluiten zijn touw achter te laten, dat hij onder zijn kiel als een buikband om het middel wond.

Toen de voorbereidingen getroffen waren, wierp men nog een blik op de vallei, waarin zooveel treurige gebeurtenissen voorgevallen waren, waarna de drie ruiters den weg naar de hoogte insloegen. Die weg was, als al de wegen in dit land, een door de wilde dieren platgetrapt pad, die steeds, wanneer zij zich naar hunne drenkplaatsen begeven, den kortsten weg kiezen.

Het middaguur was voorbij en Cyprianus, Hannibal Pantalucci en Li stapten, in weerwil van de brandende zonnestralen, met een goeden pas voort totdat de avond viel. Toen zij eindelijk hun kamp in een diep ravijn onder een groote overhellende rots opgeslagen hadden en zij rondom een flink vuur van droog hout gelegerd waren, erkenden zij, dat, alles wel beschouwd, het verlies van hun wagen geen onherstelbaar verlies was.

Zoo trokken zij nog gedurende twee dagen voort zonder eigenlijk te weten, of zij wel op het spoor waren van den man, dien zij zochten. Toch was het zoo. Want toen zij op het einde van den tweeden dag bij het vallen van den avond met loome schreden naar een klein boschje stapten, waaronder zij den nacht wilden doorbrengen, liet Li eensklaps een doordringenden keelklank aan zijne lippen ontsnappen.

“Hugh!” kreet hij, terwijl hij met de hand naar een klein zwart punt wees, dat zich bij de laatste lichtstralen, die de avondschemering schonk, dicht bij den gezichteinder bewoog.

De blikken van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci volgden natuurlijk de richting door den vinger van den Chinees aangeduid.

“Dat is Makatit zelf!” hernam Cyprianus, die zich gehaast had zijn kijker voor het oog te brengen. “Ik herken zijn karretje en zijn struisvogel zeer goed!.... Ja, hij is het!”

Hij reikte zijn kijker aan Hannibal [86] Pantalucci over, die zich van de juistheid van het feit kon overtuigen.

“Op welken afstand rekent gij dat die man zich thans van ons bevindt?” vroeg Cyprianus.

“Op zijn minst op zeven of acht mijlen,” antwoordde de Napolitaan. “Wellicht wel op tien.”

“Dan behoeven wij er niet aan te denken om hem heden nog, vóór dat wij onze dagreis staken, in te halen.”

“Dat zeker niet,” antwoordde Hannibal Pantalucci. “Binnen een uur tijd zal de nacht ingevallen zijn, en dan valt er geen pas meer te doen in welke richting ook!”

“Nu goed! maar morgen zullen wij hem wel bereiken, wanneer wij vroeg genoeg vertrekken!”

“Dat is mijn gevoelen ook.”

De ruiters waren toen bij het boschje aangekomen, alwaar zij afstegen. Als gevolg eener onveranderlijke gewoonte, begonnen zij eerst hunne paarden te verzorgen. Zij wreven hen zorgvuldig af en borstelden hen duchtig, alvorens hen aan de veldpiketten vast te binden, om hen te laten grazen. De Chinees ontstak middelerwijl het vuur.

De nacht viel intusschen in. Bij het diner gevoelden zich de reizigers dien avond misschien een weinig vroolijker dan zij in de drie laatste dagen geweest waren. Toch gingen zij, na het maal verorberd en na het wachtvuur behoorlijk voorzien te hebben, zich in hunne dekens rollen en legden hunne hoofden op de zadels, ten einde een verkwikkenden slaap te genieten; want het was van veel belang, dat zij den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dageraad op de been waren ten einde haastig op reis te kunnen gaan om Makatit in te halen.

Cyprianus en de Chinees waren weldra in een diepen slaap gedompeld—wat niet zeer voorzichtig van hun kant mocht heeten.

De Napolitaan althans sliep niet. Hij woelde gedurende twee of drie uren onder zijne dekens, als iemand die door een nare gedachte gekweld wordt. Een misdadig plan begon zich van hem meester te maken.

Hij kon het eindelijk niet meer uithouden. Hij stond op zonder eenig gerucht te maken, naderde de paarden, en zadelde het zijne, waarna hij Templar en het paard van den Chinees van de piketten los maakte en hen bij het halstertouw wegvoerde. Het fijne gras dat den bodem als met een dik mollig tapijt bedekte, belette volkomen het getrappel der drie dieren te hooren, die zich met eene domme lijdzaamheid lieten heenvoeren, versuft als zij waren, zoo ontijdig gewekt te worden. Hannibal Pantalucci geleidde ze tot in het diepste gedeelte van het ravijn, op welks helling het kamp opgeslagen was, bond hen aan een boom vast en kwam in de kampementsplaats weer, alwaar noch de een, noch de andere der beide slapers ontwaakt waren, of zich ook maar bewogen hadden.

Toen bracht de Napolitaan zijn reisdeken, zijn karabijn, zijn munitie en eenige mondbehoefte bij elkander, waarna hij koelbloedig, wetens en willens, zijne makkers te midden van die woestenij verliet.

De gedachte, die hij sedert het ondergaan van de zon gekoesterd had, was dat wanneer hij de paarden meevoerde, hij Cyprianus en Li buiten staat stelde Makatit te kunnen inhalen. Dat was zich zelven dus de overwinning voorbereiden. Het verachtelijke van dat verraad, de lafhartigheid die er in gelegen was zijne makkers zoo te berooven, makkers, waarvan hij slechts goede diensten ondervonden had, dat alles begreep de ellendeling niet, of, begreep hij het toch, het kon hem niet doen terugdeinzen. Hij sprong in den zadel en leidde de twee andere dieren, die de plek niet verlaten hadden, waar hij ze gelaten had, als handpaarden weg. Hij verwijderde zich bij helder maanlicht in sterken draf. Cyprianus en Li sliepen steeds. Eerst tegen drie uren ontwaakte de Chinees en keek met lodderige oogen naar de sterren, die bij den oostelijken gezichteinder begonnen te verbleeken.

“Het is waarachtig tijd om koffie te zetten!” mompelde hij.

En zonder dralen wierp hij zijn deken, waarin hij gerold lag, van zich af, sprong op en begon zijn morgentoilet te maken, eene bezigheid, die hij in de woestijn evenmin veronachtzaamde als overal elders.

“Waar hangt Pantalucci toch uit?” vroeg hij zich eensklaps af.

De dageraad begon aan te breken en de voorwerpen werden minder onduidelijk [87] in het kampement.

“En de paarden zijn er ook niet!” sprak Li in zich zelven. “Zou dat puikje der kameraden wellicht....”

En vermoedende wat plaats had gehad, liep hij naar de piketpalen, waaraan hij de paarden den vorigen avond gebonden had, maakte de ronde om het kampement en kreeg weldra de zekerheid dat de bagage van den Napolitaan met hem verdwenen was.

Dat was zoo helder als de dag.

Een blanke zou waarschijnlijk de behoefte geen weerstand hebben kunnen bieden om Cyprianus te wekken, ten einde hem dadelijk die zeer belangrijke tijding mede te deelen, maar de Chinees was niet van het blanke maar van het gele ras, en dacht dat er geen haast bij bestond, wanneer het gold eene slechte tijding aan te kondigen. Hij bleef zich dus bedaard onledig houden met zijn koffiezetten.

“Het is inderdaad nog lief van dien schoft, dat hij ons onzen voorraad levensmiddelen gelaten heeft,” mompelde hij.

Toen de koffie behoorlijk en wel door een linnen zak, dien hij daartoe bepaald vervaardigd had, gefiltreerd was, schonk Li twee kopjes, die uit de schaal van een struisvogelen-ei gesneden waren, en die hij gewoonlijk aan zijn knoopsgat opgehangen droeg, vol met het geurige mengsel. Daarna naderde hij Cyprianus, die steeds sliep.

“Hier is uw koffie, lekker en wel, vadertje,” zei hij beleefd, terwijl hij hem den schouder met den vinger aanraakte.

Cyprianus deed lui eerst een en daarna het andere oog open, rekte zich de ledematen uit, schonk den Chinees een glimlach, rees overeind en verorberde de heerlijke warme koffie.

Toen eerst bemerkte hij de afwezigheid van den Napolitaan, wiens slaapplaats natuurlijk leeg was.

“Waar zit Pantalucci toch?” vroeg hij.

“Weg, vadertje!” antwoordde Li op een zoo natuurlijken toon, alsof de afwezigheid van den Napolitaan ten gevolge van eene afspraak plaats had.

“Hoe?.... Wat?.... Weg?”

“Ja, vadertje, weg met de drie paarden!”

Cyprianus smeet zijn deken van zich en overtuigde zich met één blik dat Li waarheid sprak. Die blik zei hem alles. Hij had evenwel eene te hooghartige ziel om ook maar in het minste iets van zijn onrust of van zijne verontwaardiging te laten blijken.

“Zoo,” zei hij, “dat is aardig! Maar de ellendeling moet niet denken, dat wij het daarbij laten zullen!”

Cyprianus liep een wijl de kampementsplaats op en neer, in gedachten verzonken, om te beslissen wat er nu gedaan moest worden.

“Wij moeten dadelijk vertrekken,” zei hij tot den Chinees. “Wij zullen dat zadel, dien toom en alles wat ons te lastig is of te zwaar zal zijn, hier laten. Wij zullen onze geweren en onze levensmiddelen medenemen. Als wij goed doorstappen, kunnen wij bijna even snel vooruitkomen, vooral wanneer wij te voet omwegen kunnen mijden of afsnijden!”

Li haastte zich om de ontvangen bevelen ten uitvoer te leggen. In weinige minuten had hij de dekens opgerold en stonden de reizigers gepakt en gezakt gereed. Toen werd alles wat men op deze plek achterlaten moest, onder een dichten, grooten hoop struiken verborgen, en stapte men voort.

Cyprianus had gelijk gehad, dat het in sommige gevallen gemakkelijker zou wezen te voet te reizen. Men kon zoo, door over steile hellingen te trekken, die te paard onmogelijk te overschrijden waren, den kortsten weg nemen. Maar dat kostte dan ook veel inspanning.

Het was ongeveer één uur in den namiddag, toen beiden de noordelijke helling van den bergketen, dien zij sedert drie dagen volgden, bereikten. Volgens de inlichtingen, die zij te Lopepo ingewonnen hadden, kon men niet ver meer van de hoofdstad van Tonaïa verwijderd zijn. Ongelukkiglijk waren de aanwijzingen over den te volgen weg zoo oppervlakkig, zoo verward, en waren de uitdrukkingen in het Betjuanen spraakeigen zoo weinig te vertrouwen, dat het moeielijk was van te voren te weten of men twee, of wel vijf dagen te marcheeren had om aan te komen.

Toen Cyprianus en Li de hellingen van het eerste dal, dat zich voor hen opende, nadat zij den bergnok overschreden hadden, afdaalden, liet de Chinees een keelachtig geluid hooren, [88] dat wel iets van een lach had.

“Giraffen!” riep hij eindelijk uit.

Cyprianus keek uit en bespeurde inderdaad, daar, diep beneden zich een twintigtal van die dieren, die bezig waren met grazen in het diepste gedeelte van het dal. Niets was bevalliger te zien op dien afstand dan hun lange halzen als masten overeind staande of uitgestrekt als lange slangen in het gras op een afstand van drie of vier meters van hun met gele vlekken bezaaid lichaam.

“Men zou een van die giraffen kunnen vangen,” merkte Li op, “om dienst te doen in de plaats van Templar.”

“Wat, op een giraffe rijden? Wie heeft ooit zoo iets gezien?” riep Cyprianus uit.

“Ik weet niet of ooit zoo iets te zien geweest is, maar het hangt maar van u af, om zoo iets te kunnen zien,” antwoordde de Chinees. “Laat mij maar begaan!”

Nooit begon Cyprianus met een zaak voor onmogelijk te houden, wanneer zij nog nieuw voor hem was. Hij gaf dus te kennen, dat hij gereed was Li in zijne onderneming behulpzaam te zijn.

“Wij bevinden ons beneden ’s winds van de giraffen,” zei de Chinees, “dat is zeer gelukkig voor ons; want zij hebben een zeer fijnen neus en zouden ons in het tegenovergestelde geval reeds geroken hebben; dus als gij nu langs den rechterkant wilt omtrekken, om hen daarna door een geweerschot te verschrikken, zoodanig dat zij naar mijn kant gedreven worden, dan is er niet meer noodig, en ik neem het overige voor mijne rekening.”

Cyprianus legde alles op den grond neer wat zijne bewegingen kon hinderen en ging daarop, alleen met zijn geweer gewapend, in de aangewezen richting voort, om de beweging te volvoeren, die hem door zijn dienaar aangeduid was.

Deze verloor intusschen zijn tijd niet. Hij daalde met vluggen pas de steile helling van het dal af, totdat hij bij een gebaand pad aangekomen was, dat in het benedengedeelte kronkelde. Dat was klaarblijkelijk de gebruikelijke weg der giraffen, te oordeelen althans naar de ontelbare afdruksels, welke hunne hoeven in den bodem gelaten hadden. Daar nam de Chinees stelling achter een dikken boom, ontrolde het lange touw, dat hem nimmer verliet, en sneed het in twee stukken van gelijke lengte, die dus dertig meters lang waren. Daarna bond hij aan een der uiteinden van elk stuk een dikken keisteen om er een voortreffelijken lasso van te maken en maakte het andere uiteinde aan een der benedentakken van den boom stevig vast, echter zoodanig dat nog een eind touw overschoot dat hij zich om den linkerarm wond. Toen dat alles gereed was, verborg hij zich achter den dikken stam en wachtte.

Geen vijf minuten waren voorbijgegaan, toen een geweerschot op eenigen afstand knalde. Dadelijk werd een driftig getrappel vernomen, dat evenals dat van een eskadron kavallerie iedere seconde al meer en meer naderde, en aanduidde dat de giraffen vluchtten, zooals Li voorspeld had. Zij volgden hun gewoon pad en kwamen recht op hem aan, zonder evenwel de tegenwoordigheid van een vijand te gissen, daar deze zich onder den wind bevond.

Het gezicht van die giraffen was inderdaad prachtig. Zij kwamen daar aanstuiven met hunne wijd geopende neusgaten, die zij naar de windzijde richtten om het gevaar te verkennen, met hunne kleine hoofden, die er zeer verschrikt uitzagen, en met hunne hangende tongen. Wat Li betreft, die verzuimde geen tijd met hen te bewonderen. Zijne stelling was oordeelkundig gekozen, dicht bij eene vernauwing van het pad, waar de dieren slechts twee aan twee voorbij konden komen. Hij behoefde slechts te wachten.

Hij liet er eerst drie of vier voorbijtrekken, toen er een opmerkende, die van een buitengewone grootte was wierp hij zijn eerste lasso uit. Het touw floot door de lucht en omsnoerde den hals van het fraaie dier, dat nog eenige sprongen deed. Het touw liep evenwel strak en belette de ademhaling van het arme slachtoffer, dat dan ook stil moest blijven staan.

De Chinees had alweer geen tijd verloren met er naar te staan kijken. Nauwelijks had hij gezien, dat zijn lasso het doel bereikt had, of hij greep de tweede ter hand en omstrikte daarmede een andere giraffe.

Dit lukte niet minder. Dat alles was [89] zoo snel in zijn werk gegaan, dat er niet meer dan een halve minuut voor gevorderd was. De geheele kudde was reeds uitermate verschrikt uit elkander en naar alle windrichtingen gestoven, de gevangen en half geworgde dieren evenwel achterlatende.

“Kom dan toch, vadertje,” riep de Chinees tot Cyprianus, die, hoewel hij niet veel vertrouwen in de onderneming stelde, toch zoo spoedig mogelijk kwam aanloopen.

Hij moest evenwel zijne oogen wel gelooven. Er waren daar twee prachtige dieren gevangen, die groot en sterk waren, goed in het vleesch zaten, fijne en sterke pooten bezaten en welker huid glom van gezondheid. Maar hoe Cyprianus hen ook bekeek en bewonderde, hij kon er maar niet toe komen om het denkbeeld, dat die dieren berijdbaar te maken zouden zijn, voor verwezenlijking vatbaar te houden.

“Hoe zich inderdaad op zoo’n ruggestreng te houden, die naar het achter stel onder een hoek van minstens vijf en veertig graden afdaalt?” vroeg hij lachende.

“Door zich op de voorschotten en niet op den rug van het dier te zetten,” antwoordde Li. “Zou het daarenboven zoo moeilijk zijn een opgerolden deken onder het achterstuk van het zadel te plaatsen?”

“Wij hebben geen zadel.”

“Ik zal het uwe straks gaan halen.”

“En welk gebit wilt ge in zoo’n mond aanleggen?”

“Dat zult ge spoedig zien.”

De Chinees had antwoord op alles, een deksel op alle pannetjes, zooals men zegt, en bij hem volgden de daden al heel spoedig op de woorden.

Het tijdstip om het middagmaal te nuttigen, was nog niet aangebroken, of de slimme bewoner van het Hemelsche rijk had reeds twee stevige halsters van een gedeelte van zijn touw gemaakt, en deed die om de hoofden en de halzen van de giraffen. De arme dieren waren zoo versuft door het ongeval, hetwelk hen overkomen was, en waren daarenboven zoo zacht van aard, dat zij volstrekt geen weerstand boden. Andere stukken touw zouden tot teugels dienen.

Toen die voorbereidende maatregelen getroffen en beëindigd waren, was er ter wereld niets gemakkelijker dan de gevangen dieren bij het halstertouw heen te voeren. Toen keerden Cyprianus en Li naar hunne kampementsplaats van den vorigen dag terug, om het zadel en de voorwerpen, die zij achter hadden moeten laten, te halen.

De namiddag en de avond gingen voorbij onder het nemen dier beschikkingen. De Chinees bewees werkelijk eene bewonderenswaardige behendigheid te bezitten. Niet alleen had hij weldra het zadel van Cyprianus zoodanig gewijzigd dat het horizontaal op den rug van een der giraffen kon gelegd worden, maar hij vervaardigde er ook een voor zich, en dat wel van takken van het geboomte. Vervolgens hield hij zich uit overmaat van voorzorg gedurende het overige gedeelte van den nacht onledig met den weerstand der twee giraffen te fnuiken, door hen herhaaldelijk te bestijgen en door hen door afdoende en gevoelige middelen aan het verstand te brengen dat zij hem gehoorzamen moesten.

Zeventiende hoofdstuk.

Een Afrikaansche wedren.

Toen de twee ruiters den volgenden morgen vertrokken, was hun aanblik inderdaad koddig en vreemdsoortig. Het is twijfelachtig of Cyprianus zich zoo wel voor miss Watkins in de groote straat van het kamp Vandergaart zou hebben willen vertoonen. Maar men moest zich in de omstandigheden schikken. Men bevond zich in de woestijn, en, alles wel beschouwd, waren de giraffen geen vreemdsoortiger rijdieren dan de drommedarissen. Hun gang had zelfs eenige overeenkomst met die “woestijn-schepen”. Die gang was afgrijselijk hard en ging gepaard met een daadwerkelijk stampen als een vaartuig in een moeielijke zee. Dit bezorgde dan ook als onmiddellijk gevolg onzen beiden reizigers bij den aanvang der reis een gevoel als van beginnende zeeziekte.

Maar, na twee of drie uren boven op die dieren doorgebracht te hebben, waren Cyprianus en de Chinees genoegzaam aan die beweging gewend. Nu moet erkend worden dat de giraffen [90] met een goeden pas doorstapten en zich zeer onderdanig betoonden, na evenwel eenige pogingen tot opstand aangewend te hebben, die echter dadelijk onderdrukt werden. Alles liep dus ten beste uit.

Het kwam er nu op aan, met kracht al den verloren tijd van de laatste drie of vier dagen der reis zoo spoedig mogelijk in te halen. Makatit moest hen thans een goed eind weegs vooruit zijn. Zou Hannibal Pantalucci hem niet reeds bereikt hebben? Wat er ook van aan mocht zijn, Cyprianus was vastbesloten niets te verwaarloozen wat hem tot zijn doel kon voeren.

Na drie dagen marsch waren de cavalleristen, of beter de girafferuiters in het vlakke land aangekomen. Zij volgden thans den rechteroever van een bochtigen waterstroom, welks hoofdrichting juist naar het noorden was.

Het was waarschijnlijk een cijnsplichtige nevenrivier van de Zambesi. De giraffen waren nu behoorlijk getemd. Daarenboven verzwakt door de lange dagreizen, die zij afgelegd hadden, maar niet minder door de schrale voeding, waaraan Li hen met voordacht stelselmatig onderwierp, lieten zij zich zeer gemakkelijk mennen. Cyprianus kon nu de lange teugels van zijn rijdier laten glippen, om het alleen door het aanleggen van de knieën te besturen.

Toen hij dan ook van die zorg bevrijd was, ondervond hij een waar genoegen, bij het verlaten van die woeste en verlaten streken, die hij tot nu toe doorreisd had, thans al de sporen eener reeds vrij ontwikkelde beschaving rondom zich te ontwaren. Hij bemerkte van afstand tot afstand manioc- of taro-velden, die zeer regelmatig aangelegd waren en besproeid werden door een stelsel van bamboebuizen, die aan elkander bevestigd waren en het water uit de rivier aanvoerden. Voorts zag hij breede en goed verharde wegen, zoodat het algemeene uiterlijk van eenige welvaart getuigde. Op de heuvelen, die den gezichteinder begrensden, verhieven zich witte hutten, die een dungezaaide bevolking huisvesting verleenden.

Toch gevoelde men dat men zich nog op de grenzen der woestijn bevond; dit was ten minste af te leiden uit het verbazend groot aantal wilde dieren, herkauwers en ook andere, die allerwege ontwaard werden en die deze vlakte bevolkten. Hier en daar verduisterden groote zwermen gevogelte als het ware de lucht. Men zag geheele kudden van gazellen of antilopen, die voorbij trokken. Soms verhief een monsterachtig nijlpaard zijn kop boven de oppervlakte der rivier, blies met kracht het water uit zijne neusgaten en dook weer onder, waarbij hij het gedruisch en het geklots van een waterval maakte.

Cyprianus was zoo geheel in de beschouwing van die tooneelen verdiept, dat hij onmogelijk bedacht kon zijn op een ander, dat het toeval hem bij een der buigingen van den heuvel, welken hij met zijn makker volgde, bereidde.

Dat was niet meer of minder dan de aanblik van Hannibal Pantalucci, die steeds te paard, met lossen teugel jacht maakte op Makatit in eigen persoon. Hoogstens een mijl scheidde hen nog van elkander, maar de afstand, die tusschen hen en Cyprianus en den Chinees bestond, was wel op vier mijlen te schatten.

De zon scheen helder en hare stralen schoten schier loodrecht neer in de vlakte, die als met een schitterend licht overstroomd werd. De dampkring was helder doorschijnend, gezuiverd als hij was door een heviger, oostenwind, die toen heerschte. Neen, er viel geen twijfel te koesteren; het oog kon zich niet vergissen.

Beiden waren zoo opgewonden door die ontdekking, dat hun eerste beweging was haar te vieren met eene wezenlijk arabische fantasia. Cyprianus liet een vroolijk hoerah hooren, en Li een keelklankachtig “hugh”, wat hetzelfde moest beduiden. Daarna zetten zij hunne giraffen in sterken draf.

Klaarblijkelijk had Makatit den Napolitaan, die veld op hem begon te winnen, bespeurd, maar hij kon zijn ouden baas en zijn makker van het Vandergaarts-kopje niet zien, daar zij nog te ver verwijderd waren en zich op den rand der vlakte bevonden.

De jonge Kaffer bespoedigde dan ook zooveel mogelijk den gang van zijn karretje. Hij wist dat Hannibal Pantalucci de man niet was om hem genade te schenken. Integendeel, hij zou hem, zonder naar eenigen uitleg te willen luisteren, als een hond dooden. De struisvogel, die het karretje trok vloog [91] over de vlakte en wel met zulk een snelheid en zulk een kracht, dat toen hij plotseling tegen een zwaren steen stuitte, er zoo’n hevige schok plaats had, dat de as van het voertuig, dat toch al op zulk eene lange en moeielijke reis veel geleden had, afknapte. Een der wielen ontsnapte aan de as, en Makatit en zijn voertuig rolden over den weg.

De arme Kaffer werd wel gehavend bij zijn val. Maar de schrik, die hem beheerschte, hield de overhand zelfs bij dien schok, of beter gezegd: hij werd daardoor verdubbeld. Hij was overtuigd dat het met hem gedaan zou zijn, wanneer hij door den Napolitaan ingehaald werd. Hij vloog dan ook zoo spoedig mogelijk op, spande dadelijk zijn struisvogel af en, schrijlings op het dier springende, bracht hij het in galop.

Nu begon een dolle wedren, een wedren, die iemand duizelingen kon bezorgen, een wedren, die nimmer op aarde gezien was, sedert de Romeinsche voorstellingen in het circus afgeschaft waren, alwaar de wedrennen van struisvogels en giraffen soms op het programma voorkwamen.

En inderdaad, terwijl Hannibal Pantalucci Makatit vervolgde, zetten Cyprianus en Li hem en ook den andere achterna. Hadden die beide laatsten niet allen grond om beiden te willen vatten, zoowel den jongen Kaffer om aan de kwestie van den gestolen diamant een einde te maken, als den valschen Napolitaan om hem te tuchtigen, zooals hij verdiende?

De giraffen, behoorlijk aangezet door hunne ruiters, die het ongeval van Makatit gezien hadden, spoedden zoo snel voort, alsof het raspaarden van zuiver bloed waren. Zij strekten hunne lange halzen vooruit, openden den mond, draaiden de ooren achteruit en stoven zoo voort, terwijl zij met alle kracht gespoord en gekarwatst werden, om hen tot de grootst mogelijke snelheid die zij ontwikkelen konden, te brengen.

Wat den struisvogel van Makatit aangaat, diens snelheid grensde aan het wonderbaarlijke. Er was geen enkel raspaard, al ware het ook de overwinnaar te Derby geweest, al had het ook den eersten prijs te Parijs gewonnen, dat in staat zoude geweest zijn om het tegen dat pluimdier vol te houden. Zijne korte vleugels, die ongeschikt waren om te vliegen, werden nu als roeispanen gebezigd om de lucht te klieven en zoo den gang te versnellen. Dat alles ging zoo gauw in zijn werk, dat in minder dan weinige minuten de jeugdige Kaffer een aanmerkelijken voorsprong op zijn vervolger gewonnen had.

Ja zeker, Makatit had zijn trek- nu rijdier goed gekozen, toen hij daartoe het oog op een struisvogel sloeg!

Als hij dien gang nog maar een kwartier uurs kon volhouden, dan was hij voorzeker buiten het bereik van den Napolitaan gekomen. Dan was hij gered!

Hannibal Pantalucci begreep zeer goed, dat de minste draling hem geheel en al zijn voordeel zou doen verliezen. Reeds groeide de afstand tusschen hem en den vluchteling aan. Aan den anderen kant van het maisveld, waarin die jacht plaats had, strekte zich een dicht bosch van slingerplanten en Indische vijgeboomen, dat hevig door den wind gezweept werd, tot op eene gezichtsverte uit. Wanneer Makatit die wildernis bereikte, dan zou het onmogelijk zijn hem terug te vinden, omdat men hem dan niet meer zien kon. Hij zou daarin even verscholen zijn als eene naald in een hooischelf.

Cyprianus en de Chinees volgden, terwijl zij voortgaloppeerden, dien wedstrijd met de meeste belangstelling, hetgeen de lezer wel begrijpen zal. Zij waren eindelijk aan den voet van den heuvel aangekomen en renden nu door de vlakte, maar drie mijlen scheidden hen nog van den jager en van den gejaagde.

Zij bemerkten evenwel dat de Napolitaan door eene ongehoorde inspanning eenigermate op den vluchteling gewonnen had. Hetzij dat de struisvogel van Makatit vermoeid begon te worden, hetzij dat het arme dier zich gewond had aan een boomstronk of aan een rotssteen, maar zijne snelheid was verbazend verminderd. Hannibal Pantalucci bevond zich weldra niet meer dan drie honderd meter van den Kaffer verwijderd.

Maar Makatit had eindelijk den rand van de bovenbedoelde wildernis bereikt. Hij verdween er plotseling in, terwijl in hetzelfde oogenblik het paard van Hannibal Pantalucci struikelde, [92] hij zandruiter werd en over den weg rolde, en het dier over de vlakte ontsnapte.

“Wij zijn Makatit kwijt!” riep Li uit.

“Ja, maar die Pantalucci, die ellendeling is ons!” antwoordde Cyprianus.

En beiden zetten hun giraffen nog meer aan.

Een half uur later hadden zij bijna geheel het maisveld in zijne volle breedte overgestoken en bevonden zich op niet meer dan vijfhonderd passen van de plek, waar de Napolitaan gevallen was. De vraag voor hen was thans of Hannibal Pantalucci had kunnen opstaan en of hij de wildernis van lianen had kunnen bereiken, of wel op den grond lag, zwaar gekwetst door zijn val—wellicht gedood.

Neen, de ellendeling lag daar. Honderd pas verder brachten Cyprianus en Li hunne giraffen tot staan. Zie hier wat er was gebeurd.

De Napolitaan, verblind door de opgewondenheid van de jacht, die hij maakte, had een reusachtig net niet bespeurd, hetwelk door de Kaffers gespannen was om de vogels te vangen, die hunnen oogst zoo zeer plunderden en hun daardoor veel schade berokkenden. Welnu, in zulk een net was Hannibal Pantalucci te recht gekomen en daarin had hij zich verward.

En het was waarlijk geen klein net ook! Het bedroeg langs de zijden minstens vijftig meters en bevatte reeds vele duizendtallen vogels van allerhande soort, van alle grootte, van allerhande bontgekleurde gevederte, onder andere ook een half dozijn van die groote gypaëten, die eene vlucht hebben van anderhalven meter en die zich in Zuid-Afrika te huis gevoelden.

De val van den Napolitaan te midden van die vogelen-wereld had deze laatste natuurlijk ten hoogste verschrikt en deed hen wild door elkander vliegen.

Hannibal Pantalucci, eerst verdoofd en duizelig door zijn val, had evenwel getracht dadelijk op te staan. Maar zijne handen en voeten zaten zoo degelijk gevangen in de mazen van het net, dat het hem bij de eerste poging niet gelukte, zich daaruit te ontwarren.

Hij had echter geen tijd te verliezen. Hij deed dan ook schrikkelijke rukken en trok uit alle macht aan het net, terwijl hij het optilde en het los trok van de piketpalen, waarmede het aan den grond vastgemaakt was; terwijl de vogels groot en klein, hem bij dat werk hielpen om te kunnen ontvluchten.

Maar hoe meer de Napolitaan zich afsloofde, hoe meer hij zich in de stevige mazen van het onmetelijke net verwarde.

Een groote vernedering werd hem bovendien niet gespaard. Een der giraffen had hem eindelijk bereikt en wel die, welke door den Chinees bereden werd. Li was van zijn rijdier afgesprongen en had zich met zijne koelbloedige spotzucht gehaast den kant van het net, dat het dichtst bij hem was, los te maken, om de hoekvleugels daarvan op elkaar te leggen, daarbij van de gedachte uitgaande, dat het zekerste middel om zich van den gevangene meester te maken, daarin bestond, dat hij hem in dat net moest rollen.

Maar in dat oogenblik gebeurde iets zeer onverwachts, dat inderdaad naar tooverij zweemde.

De wind kwam namelijk met een buitengewone kracht opzetten en boog daarbij al de boomen in den omtrek, alsof een machtige hoos over den bodem voortschreed.

Nu had Pantalucci bij zijne wanhopige pogingen reeds een groot aantal piketpalen, die het net bij den benedenkant weerhielden, uit den grond gerukt. Toen hij zich op het punt zag gevangen genomen te worden, deed hij nog heviger rukken.

Plotseling werd het net door een nieuwen aanval van de bui losgerukt. De laatste banden, die dat onmetelijke touwweefsel aan den grond bevestigd hielden, werden stuk getrokken en de gevederde kolonie, die daarin besloten was, nam hare vlucht. De kleine vogels slaagden er in om te ontsnappen; maar de grootere hadden de klauwen in de mazen verward, terzelfder tijd toen hunne vleugels vrij raakten en zich met een eenparige beweging bewogen. Al die vereenigde lucht-roeiriemen, al die borstspieren, welker bewegingen gelijkmatig geschiedden, vormden met de bui, die inviel, eene zoo kolossale kracht, dat voor haar honderd kilogrammen niet meer dan eene veer wogen.

Het net, dat over elkander rolde [93] en zoo meer vat aan den wind aanbood, werd met Hannibal Pantalucci, die nog slechts met de handen in de mazen verward was, plotseling opgenomen en opgevoerd tot vijf-en-twintig of dertig meters van den grond.

Cyprianus kwam in dit oogenblik op het terrein aan, om getuige te zijn van de opstijging van zijn vijand naar de wolkenstreek.

De gypaëten, door die krachtsinspanning uitgeput, neigden in dat oogenblik zichtbaar ter aarde en beschreven een uitgestrekte parabool. In minder dan drie seconden kwam het net bij den bovenrand van de wildernis aan, waarvan het de boventakken scheerde op drie of vier meters hoog van den grond. Toen steeg het evenwel weer voor de laatste maal in de lucht.

Cyprianus en Li zagen met schrik dien rampzalige aan dat net hangen, dat dezen keer meer dan honderd vijftig voet door eene laatste krachtsinspanning van die reusachtige vogels, door de bui geholpen, werd opgevoerd.

Plotseling bezweken eenige mazen onder de wanhopige stuiptrekkingen van den Napolitaan. Men zag hem gedurende een ondeelbaar oogenblik aan zijne handen hangen en pogingen aanwenden om de touwen van het net andermaal te grijpen.... Maar zijne krachten schoten te kort, zijne handen openden zich, hij liet los, viel als een blok naar beneden en werd op den grond verbrijzeld.

Het net, van dat gewicht ontlast, vloog hooger in de lucht en ontrolde zich eenige mijlen verder, terwijl de gypaëten eindelijk losgeraakt, zich in het hemelruim voor het oog verloren.

Toen Cyprianus toeschoot om hulp te bieden, was het te laat. Zijn vijand was een naren dood gestorven.

Van de vier mededingers, die met hetzelfde doel voor oogen de vlakten van de Transvaal ingetrokken waren, bleef hij nog maar alleen over.

Achttiende hoofdstuk.

De pratende struisvogel.

Cyprianus en Li hadden slechts één gedachte na die verschrikkelijke ontknooping, namelijk: de plek zoo spoedig mogelijk te ontvlieden, waar zij had plaats gehad.

Zij besloten derhalve om langs den noorderkant der wildernis voort te trekken en bereikten zoo na een marsch van meer dan een uur de bedding van een bergstroom, die evenwel in dit jaargetijde bijna droog was en die in die wildernis eene bres maakte, waarlangs men dat moeielijke terreingedeelte kon omtrekken.

Daar wachtte den reizigers een nieuwe verrassing. Die bergstroom mondde in een vrij uitgestrekt meer uit, op welks oevers een weelderige plantengroei zich vertoonde, die tot nu het gezicht van die wateroppervlakte verborgen had gehouden.

Cyprianus had willen terugkeeren, door langs de oevers van dat meer voort te trekken; maar die oevers waren bij wijle zoo steil, dat hij dat plan moest laten varen. Van een anderen kant, wanneer hij langs den weg, dien hij gekomen was terugkeerde, ging de hoop verloren om Makatit te ontmoeten.

Intusschen verrezen op den tegenoverliggenden oever van het meer eenige heuvelen, die door eene aaneenschakeling van terreingolvingen aan elkander en aan hoogere, meer achterwaarts gelegen bergen verbonden waren. Cyprianus opperde het denkbeeld, dat, wanneer zij den top daarvan zouden bereikt hebben, men een beter overzicht van het terrein zou hebben en het dan mogelijk was een verder plan te beramen.

Li en hij gingen dus andermaal op weg, om het meer om te trekken. De afwezigheid van ieder gebaand pad maakte dien tocht zeer moeielijk, vooral daar zij meestal genoodzaakt waren de twee giraffen bij de teugels voort te trekken. Zij hadden dan ook meer dan drie volle uren noodig, om een afstand van zeven of acht kilometers in rechte lijn af te leggen.

Toen zij eindelijk het meer omgetrokken en nagenoeg aangekomen waren, vlak tegenover het punt aan de overzijde gelegen, vanwaar zij vertrokken waren, was de nacht nabij. Zij besloten dan ook, doodvermoeid als zij waren, om op die plek te kampeeren. Maar met de weinige middelen, die zij thans nog bezaten, kon die inrichting niet veel gemakken aanbieden. Maar Li hield er zich met zijn gewonen ijver [94] mede bezig. Toen hij klaar was, voegde hij zich bij zijn meester.

“Vadertje,” zei hij met zijne fleemende maar toch opwekkende stem, “ik zie dat ge zeer vermoeid zijt. Onze mondvoorraad is bijna uitgeput. Ik zal een dorp gaan opzoeken, waar men mij niet weigeren zal ons te hulp te komen.”

“Wilt ge mij verlaten, Li?” riep Cyprianus eerst uit.

“Het moet, vadertje!” antwoordde de Chinees. “Ik zal een der giraffen nemen en dan noordwaarts optrekken!.... De hoofdstad van Tonaïa, waarvan Lopepo ons gesproken heeft, kan thans niet ver meer verwijderd zijn en ik zal het wel zoo maken, dat gij daar een goede ontvangst zult vinden. Daarna zullen wij naar Grikwaland terugkeeren, waar gij niets meer te vreezen zult hebben van die ellendelingen, die alle drie op deze expeditie bezweken zijn.

De jeugdige ingenieur dacht over het voorstel na, dat hem door den hem zoo toegewijden Chinees gedaan was. Hij begreep dat, wanneer de Kaffer kon teruggevonden worden, het in die streek zou zijn, waarin hij daags te voren een blik had kunnen werpen. Het was dus zaak die niet te verlaten. Maar van den anderen kant moest er aan gedacht worden om hunne hulpmiddelen aan te vullen, die nu geheel onvoldoende geworden waren. Cyprianus besloot dan ook, hoewel hij het zeer betreurde, van Li te scheiden en er werd overeengekomen dat hij hem op deze plek gedurende acht-en-veertig uren wachten zou. In die acht-en-veertig uren zou de Chinees, zijne snelvoetige giraffe berijdende, in deze streek een eind weegs kunnen afleggen en gemakkelijk op de kampementsplaats terug zijn.

Toen men tot dat besluit gekomen was, wilde Li geen oogenblik verliezen. Aan rusten dacht hij volstrekt niet. Hij zei het wel zonder slapen te kunnen doen! Hij zei dus Cyprianus vaarwel door goedhartig hem de hand te kussen, vatte zijn giraffe bij den teugel, sprong er op en verdween in de nachtelijke duisternis.

Cyprianus Méré bevond zich thans, voor de eerste maal sedert zijn vertrek van de Vandergaart-Kopjes-mijn, alleen in de woestijn. Hij gevoelde zich uitermate treurig gestemd en kon niet nalaten, nadat hij zich in zijn reisdeken gewikkeld had, zich aan de naarste voorgevoelens over te geven. Hij was daar alleen, bijna zonder levensmiddelen en munitie! Wat moest er van hem worden in dit onbekende land, op honderden mijlen afstands van ieder beschaafd oord? Makatit bereiken? Ja, daartoe was thans de kans gering. Kon die zich niet op een afstand van een halven kilometer van hem bevinden, zonder dat hij, Cyprianus, zulks kon gissen? Inderdaad, die geheele onderneming was een zeer rampspoedige geweest en was slechts door tragische gebeurtenissen gekenmerkt geworden. Bijna iedere honderd mijlen, die voorwaarts geschreden waren, had aan een der leden van het gezelschap het leven gekost. Eén bleef nog over.... Eén.... en dat was hijzelf.... Was hij wellicht ook voorbeschikt om even ellendig aan den eindpaal van zijn leven te komen als de anderen?

Dat waren de droeve nabetrachtingen, die het brein van Cyprianus bestormden; toch slaagde hij er in om in te slapen.

De morgenkoelte en de rust, die hij gesmaakt had, gaven bij zijn ontwaken een meer vertrouwvolle richting aan zijne gedachten. Hij besloot, in afwachting van den terugkeer van den Chinees, den hoogen heuvel te beklimmen, aan wiens voet hij halt gemaakt had. Hij zou zoo met den blik een meer uitgestrekt terrein kunnen overzien en wellicht zou hij, met behulp van zijn verrekijker, er in slagen eenig spoor van Makatit te ontdekken. Maar om die beklimming te kunnen uitvoeren, moest hij zijne giraffe achterlaten; geen dierkundige had toch ooit zoo’n viervoeter onder de klauteraars gerangschikt.

Cyprianus begon haar te ontdoen van den halster, die door Li zoo behendig en vlug vervaardigd was.

Daarna bond hij haar met een poot aan een boom vast, die met overvloedig malsch gras omringd was en liet het touw zoolang schieten, dat het dier voldoende en gemakkelijk kon grazen. En waarlijk, wanneer men de lengte van den hals van de giraffe bij die van het touw voegde, dan was de kring, waarbinnen het bevallige dier grazen kon, vrij uitgestrekt en meer dan voldoende te rekenen. [95]

Toen die voorbereiding getroffen was, nam Cyprianus zijn geweer over den eenen schouder, zijn deken behoorlijk opgerold over den anderen en na met een vriendschappelijken klap afscheid van zijn giraffe genomen te hebben, begon hij de bestijging van den berg.

Die bestijging was lang en moeitevol. Hij bracht den geheelen dag door met uiterst steile hellingen op te klimmen, met rotsen of onoverkomelijke spitsen om te trekken en met langs den oost- of zuidkant te beproeven, wat hij te vergeefs langs den noord- of westkant beproefd had.

Toen de nacht begon te dalen, was Cyprianus nog maar ter halver hoogte van den berg aangekomen en moest dus de verdere bestijging tot den volgenden morgen uitstellen.

Bij het aanbreken van den dag steeg hij verder, na eerst goed uitgekeken te hebben, of Li nog niet in de kampementsplaats teruggekeerd was, en kwam hij tegen elf uur des voormiddags op den top van den berg aan. Eene groote teleurstelling wachtte hem daar. De hemel was met wolken bedekt. Dichte nevelen zweefden langs de benedenhellingen van den berg. Cyprianus trachtte te vergeefs met den blik dat gordijn te doorboren, ten einde de dalen te doorzoeken. Maar het geheele landschap verdween onder eene opeenhooping van vormlooze dampen, die niet toelieten iets daaronder te onderscheiden.

Cyprianus hield evenwel vol, en wachtte, steeds hopende dat die nevels zouden optrekken en dat hij dien uitgestrekten gezichteinder zou ontwaren, dien hij hoopte te zien. Het was te vergeefs. Naar mate de dag vorderde, schenen de wolken in dikte toe te nemen, terwijl het bij het invallen van den nacht bepaald begon te regenen.

De jeugdige ingenieur werd dus door dat prozaïsche luchtverschijnsel overvallen, juist toen hij op dien kalen top zich bevond, waarop geen enkele boom, zelfs geen rots te vinden was, die eenige beschutting kon aanbieden; niets dan de kale uitgedroogde bodem, terwijl de nacht spoedig inviel, vergezeld van dien fijnen regen, die langzamerhand alles, zoowel de deken als de kleeding, door en door nat maakte.

De toestand werd kritiek en toch moest Cyprianus er vrede mede hebben. Want in de gegeven omstandigheden de afklimming van den berg te beproeven, zou inderdaad eene dwaasheid genoemd moeten worden. Hij was dus verplicht zich tot op het lichaam nat te laten regenen; maar hij rekende er op, zich den volgenden morgen in de zonnestralen te kunnen laten drogen.

Toen het eerste oogenblik van kwade luim voorbij was, beschouwde hij dien regen als een verkwikkend stortbad, dat hem de droogte en de warmte van de vorige dagen vergoedde. Hij maakte zich wijs, om zich zelven over dat koopje te troosten, dat die regen niets onaangenaams in zich had. Wat hem evenwel minder beviel, was dat hij zijn middagmaal zoo niet geheel rauw, dan toch geheel koud moest gebruiken. Vuur toch te doen ontbranden, of ook maar een lucifer te doen ontvlammen in zoo’n weer, was totaal onmogelijk en daaraan kon niet gedacht worden. Hij vergenoegde zich dus met een blik verduurzaamde levensmiddelen te openen en den inhoud, zooals hij was, op te peuzelen.

Een of twee uur later voelde de jeugdige ingenieur zich verkleumd door den killen regen. Hij legde zijn hoofd op een zwaren steen, wikkelde zich in zijne druipende deken en sliep in. Toen hij wakker werd, was het reeds geheel dag en leed hij aan eene zware koorts.

Cyprianus begreep dat hij verloren was, wanneer hij in dien stortregen bleef, want het weer was al slechter en slechter geworden, zoodat nu het water met stroomen uit de lucht viel. Hij poogde overeind te komen en geleund op zijn geweer, hetwelk hij als een steunstok gebruikte, begon hij den berg af te dalen.

Hoe kwam hij beneden? Dat zou hij waarachtig niet hebben kunnen zeggen. Nu eens rolde hij langs de kletsnatte hellingen, dan weer liet hij zich langs kletsnatte rotsen afglijden en zoo zette hij gehavend, hijgend, verblind, door de koorts verteerd, den weg voort en kwam tegen het middaguur in de kampementsplaats aan, waar hij zijne giraffe had achtergelaten.

Maar het dier was weg. Het was waarschijnlijk ongeduldig geworden, toen het zich zoo alleen zag; het was waarschijnlijk ook door den honger gekweld [96] geworden, want het gras was, tot zoover het touw het dier toegelaten had te reiken, schoon afgegraasd. Het had dan ook dat touw aangetast en was vrij geworden, toen het dit doorgeknabbeld had.

Cyprianus zou dien nieuwen slag, dien het ongeluk hem toebracht, gevoeld hebben, wanneer hij in zijn normalen toestand geweest ware. Maar hij was uitermate moede en de loomheid daardoor veroorzaakt, liet hem de kracht daar niet toe. Toen hij aangekomen was, kon hij nog slechts zijn ransel grijpen, dien hij gelukkig terug vond, om droge kleederen aan te trekken. Daar nu viel hij doodvermoeid onder een broodvruchtenboom neer, die de kampementsplaats overschaduwde.

Toen ondervond hij een zonderlingen toestand van slaperigheid, van koortsachtigheid, van ijlhoofdigheid, waarin al zijne gewaarwordingen zich oplosten, waarin de tijd, de ruimte, de afstanden geen beteekenis voor hem hadden. Was het nacht of dag? Regende het, of scheen de zon? Hoe lang lag hij daar? Sedert twaalf uren of sedert zestig? Leefde hij nog, of was hij dood reeds? Hij was onmachtig daarop te antwoorden. De meest behaaglijke droomen en de verschrikkelijkste spookgezichten wisselden elkander voortdurend in zijn ziek brein af. Parijs, de mijnschool, de ouderlijke haard, de hoeve te Vandergaart-Kopje Kopje, Miss Watkins, Hannibal Pantalucci, Hilton, Friedel en legioenen olifanten. Makatit en geheele vluchten vogels die over een hemel zonder grenzen verspreid waren, al zijne herinneringen, al zijne gewaarwordingen, al zijne antipathieën, al zijne teedere gevoelens, woelden in zijne hersenen als in eene onmetelijken maalstroom. Bij die scheppingen der koorts mengden zich soms gewaarwordingen, die hare oorzaak buiten hem hadden. Wat vooral vreeselijk was, dat was dat de zieke te midden van een ontzettend gejank van jakhalzen, van een gemauw van tijgerkatten, van een gegrinnik van hyena’s den roman, door zijne ijlhoofdigheid opgewekt, onbewust, onafgebroken voortzette en eindelijk een geweerschot meende te hooren, dat door eene diepe stilte opgevolgd werd. Daarna viel het helsche concert andermaal met vernieuwde kracht in, om tot het aanbreken van den dag te duren.

Ongetwijfeld zou Cyprianus in die ijlhoofdigheid en zonder er eenig bewustzijn van te hebben, uit de koorts in de armen des doods overgegaan zijn, wanneer niet de meest vreemde, de meest buitensporige gebeurtenissen, ten minste oppervlakkig beschouwd, den natuurlijken gang van zaken hadden komen storen.

Toen de dageraad aangebroken was, had de regen opgehouden, en toen Cyprianus ontwaakte, stond de zon reeds vrij hoog boven den horizon. Hij deed flauw en mat de oogen open en ontwaarde, maar zonder dat dit zijne nieuwsgierigheid opwekte, een grooten struisvogel, die naar hem toe kwam en op een afstand van twee of drie passen bleef staan.

Zou dat de struisvogel van Makatit zijn?” vroeg de ingenieur zich af, steeds meenende te doen te hebben met de ijle beelden zijner zieke hersenen.

De steltlooper in persoon zou hem antwoorden en—wat meer wil zeggen—zou hem in zuiver Fransch antwoorden.

“Waarachtig, ik bedrieg mij niet!.... Cyprianus Méré!.... Wat drommel, mijn arme makker, voer jij hier uit?”

Een struisvogel, die Fransch sprak! Een struisvogel, die zijn naam wist! Inderdaad daar was stof genoeg voorhanden, om een gewoon verstand en om gezonde hersenen van streek te brengen. Welnu, Cyprianus was volstrekt niet verwonderd over dat schier onmogelijk verschijnsel; hij vond het integendeel geheel natuurlijk. Zijne droomen hadden hem wel andere tafereelen gedurende den afgeloopen nacht doen zien! Het scheen hem het eenvoudige gevolg toe van zijne ijlhoofdigheid, van zijne zieke hersenen.

“Gij zijt niet zeer beleefd, mijnheer de struisvogel!” antwoordde hij. “Met welk recht spreekt gij mij zoo gemeenzaam met jij aan?”

Die woorden werden op dien drogen, hortenden toon, zoo gewoon bij koortslijders, die geen twijfel omtrent den aard hunner ziekte overlaat, uitgestoten. De struisvogel scheen er bewogen door.

“Cyprianus!.... mijn vriend!.... Je bent ziek en.... zoo geheel alleen in de wildernis!” riep hij uit, terwijl hij [97] zich bij den zieke op de knieën wierp.

Dat was een psychiologisch verschijnsel nog gekker bij dien steltlooper dan het spraakvermogen; want het buigen der knieën is eene beweging, welke aan die dieren door de natuur gewoonlijk verboden is. Maar Cyprianus verwonderde zich in zijn koortsachtigen toestand ook daarover niet. Hij vond het zelfs zeer natuurlijk, dat die struisvogel een lederen flesch met frisch water gevuld, dat met cognac aangemengd was, van onder zijn linkervlerk te voorschijn haalde en hem de halsopening tusschen de lippen bracht.

Het eenige wat hem begon te verwonderen, was toen het vreemdsoortige dier opstond en daarbij eene soort opperhuid afwierp, die zijn natuurlijk gevederte scheen te zijn, en daarna ook een langen hals, waarop een vogelkop prijkte, aflegde; maar toen, toen eerst vertoonde zich die struisvogel, nadat hij zijn geleende pak had ter zijde geschopt, onder de gedaante van een grooten, stevigen kerel, die niemand anders was dan Pharamond Barthès, groot jager voor Gods aangezicht en voor de menschen!

“Welnu ja!.... ik ben het,” riep Pharamond uit. “Heb je dan mijne stem bij de eerste woorden, die ik sprak, niet herkend?.... Je bent over mijn opschik verwonderd? Dat is een krijgslist, die ik van de Kaffers geleerd heb, om de echte struisvogels dicht genoeg te kunnen naderen, om hen met de assagaai te kunnen dooden!.... Maar laat ons over jou spreken, arme vriend!.... Hoe kom je hier, zoo ziek en verlaten?.... Het is wel het grootste toeval van de wereld te noemen, dat ik je ontdekt heb, terwijl ik hier ronddrentelde. Ik wist niet eens, dat je in dit land waart!”

Cyprianus was niet in staat veel te spreken. Hij kon zijn vriend dan ook slechts zeer oppervlakkige inlichtingen geven omtrent zijn persoon. Daarenboven, Pharamond begreep van zijn kant zeer goed, dat in de gegeven omstandigheden het verleenen van hulp aan den zieke wel de meeste haast vereischte. Die hulp had den armen drommel tot nu toe ontbroken en daarin moest nu voorzien worden.

Die koene jager had sedert zijn aankomst in dat land veel ervaring der woestijn opgedaan. Hij had onder anderen eene bijzondere maar afdoende geneeswijze voor de moeraskoorts, waaraan zijn arme makker leed, van de Kaffers geleerd.

Pharamond Barthès begon dan ook dadelijk in den grond een soort kuil te graven, die hij met hout vulde, nadat hij eene opening uitgespaard had, om de lucht toe te laten. Hij stak dat hout in brand en toen het tot asch verteerd was, kon die kuil als een werkelijke oven beschouwd worden. Daarna legde Pharamond Barthès zijn vriend Cyprianus er in, dekte hem zorgvuldig toe en liet slechts zijn hoofd vrij. Geen tien minuten waren nog verloopen, toen bij den zieke een geweldig zweet uitbrak. De zweetkuur werd door den nieuwbakken dokter zoo overvloedig mogelijk onderhouden, door de toediening van vijf of zes koppen van een aftreksel, dat hij van eenige hem bekende kruiden vervaardigd had. Cyprianus viel weldra in die stoof in een diepen en weldadigen slaap.

De zon neigde ten ondergang, toen hij de oogen weer opende. Hij gevoelde zich toen zoo bepaald verlicht en beter, dat hij om eten vroeg. Zijn vindingrijke vriend wist voor alles raad. Hij zette hem dadelijk een overheerlijke soep voor, die hij van de opbrengst zijner jacht en van verschillende soorten wortels gekookt had. Een vleugel van een gebraden trapgans en een kommetje met water, waarin een scheutje cognac, voltooiden dat maal, hetwelk aan Cyprianus eenigermate zijne krachten terugschonk, en de nevelen, die zijn brein verduisterden, verdreef.

Een uur later was Pharamond Barthès, die op zijn beurt ook voor den stoffelijken mensch gezorgd had, bij den jongen ingenieur neergezeten en verhaalde hem, hoe hij hier kwam in dien zoo vreemden tooi, waarin hij zich voor zijn vriend vertoond had.

“Ge weet,” zei hij, “waartoe ik in staat ben, wanneer het geldt eenig nieuw wild na te jagen. Nu heb ik in de laatste zes maanden zooveel olifanten neergelegd, zooveel zebra’s, zooveel giraffen, zooveel leeuwen en andere wildstukken van den meest uiteenloopenden pels of van het meest verschillend gevederte—onder welke laatste een menschenvretende arend, [98] de trots van mijne verzameling,—dat het denkbeeld eenige dagen geleden bij mij opkwam, om mijne jachtvermaken eenigermate af te wisselen. Tot dusver reisde ik steeds rond, omgeven door mijne Bassuto’s—een dertigtal stevige vastbesloten kerels, die ik maandelijks met een zakje glaskoralen betaal, en die zoo veel toewijding voor mij gevoelen, dat zij zich voorzeker voor hunnen heer en meester in het vuur zouden werpen. Maar onlangs genoot ik gastvrijheid bij Tonaïa, het groote opperhoofd in deze streken. Ik had hem bezocht om het jachtrecht op zijn grondgebied te verkrijgen, een recht waaraan hij nog meer gehecht is dan een Schotsche lord. Hij verzocht mij mijne Bassuto’s en vier geweren te leen om een krijgstocht te ondernemen, dien hij tegen een van zijne naburen beraamde. De vermeerdering van macht en die bewapening hadden hem eenvoudig onoverwinnelijk gemaakt, en hij heeft dan ook den meest schitterenden triomf op den vijand behaald. Dat is de oorzaak van eene onverbreekbare vriendschap, die ons verbindt, eene vriendschap, welke wij met ons bloed bezegeld hebben, dat wil zeggen: dat wij ons zelven eene kleine verwonding aan den voorarm toegebracht hebben en dat wij dit wondje uitgezogen hebben, wel te verstaan hij het mijne en ik het zijne! Voortaan zijn wij, Tonaïa en ik, vrienden tot in den dood! Overtuigd dat ik voortaan in de geheele uitgestrektheid zijner bezittingen niets meer te vreezen heb, ben ik eergisteren op weg gegaan om jacht op tijgers en op struisvogels te maken. Wat de eersten betreft, ik heb het genoegen gehad verleden nacht een tijger neer te leggen, en het zou mij verwonderen, wanneer je het spektakel niet gehoord hebt, hetwelk mijn schot voorafging. Verbeeld je, ik had mijne veldtent opgeslagen bij het lichaam van een buffel, dien ik in den loop van den dag gedood had, natuurlijk in de hoop om zoo’n roofdier in het midden van den nacht te zien verschijnen. En werkelijk mijne hoop werd verwezenlijkt: een dier snuiters werd door den doordringenden reuk van het aas aangelokt; maar het ongeluk wilde, dat twee- of driehonderd jakhalzen, hyena’s en tijgerkatten dezelfde werking ondervonden en ook genaderd waren. Die voerden een wanluidend concert uit, dat voorzeker tot hier heeft moeten doordringen.”

“Ik geloof, dat ik zoo iets gehoord heb,” antwoordde Cyprianus. “Ja, zeker, ik meende zelfs, dat dit concert ter mijner eere gegeven werd.”

“Waarachtig niet, waarde vriend!” riep Pharamond Barthès uit. “Niet ter uwer eer, maar ter eere van een buffelkreng, dat daar ginds lag in dat dal, wat gij van hier aan uwe rechterzijde zien kunt. Toen de dag aangebroken was, bleef niets anders over van den kolossalen herkauwer dan zijn geraamte! Ik zal je dat vertoonen; het is een kunststuk op het gebied der ontleedkunde!.... Je zult ook mijn tijger zien, het fraaiste dier, dat ik neergelegd heb, sedert ik Afrika’s jachtvelden betreden heb. Ik heb hem afgestroopt en zijn pels hangt aan een boom om te drogen!”

“Maar die vreemdsoortige opschik, dien je heden morgen droegt?” vroeg Cyprianus.

“Dat was een struisvogel-costuum. Zooals ik je gezegd heb, gebruiken de Kaffers vaak die list, om die steltloopers, die zeer wantrouwend en daardoor moeielijk te schieten zijn, te kunnen naderen!.... Ge zult zeggen, dat ik daarvoor mijne uitmuntende buks heb!.... Dat is wel waar, maar wat zal ik u zeggen? De gril om op Kafferwijze te jagen, heeft mij verleid en zie, die gril heeft mij het geluk verschaft, u te ontmoeten en dat zeer van pas, nietwaar?”

“Ja zeker, zeer van pas, Pharamond!.... Ik geloof zelfs, dat ik, zonder u, reeds niet meer tot deze aarde zou behooren!” antwoordde Cyprianus, terwijl hij zijn vriend hartelijk de hand schudde.

Hij bevond zich nu buiten zijn stooftoestel en lag op een bed uitgestrekt, dat zijn makker hem aan den voet van den broodboom gespreid had.

Maar de wakkere kerel liet het daar niet bij. Hij wilde zijne veldtent, die hij steeds bij zijne omzwervingen bij zich droeg, in het naburige dal gaan halen, en een kwartier was nog niet verloopen, toen hij reeds bij zijn dierbaren zieke terug was en hij die tent opgeslagen had. [99]

“En nu, vriend Cyprianus,” zei hij, “laat mij thans uwe geschiedenis vernemen, wanneer ten minste het verhaal u niet vermoeien zal?”

Cyprianus voelde zich krachtig genoeg, om aan de zeer natuurlijke nieuwsgierigheid van Pharamond Barthès te kunnen voldoen. Zeer ter loops vertelde hij wat hem in Grikwaland overkomen was, waarom hij dat land verlaten had, waarom hij Makatit en zijn diamant achtervolgde. Hij verhaalde de voornaamste gebeurtenissen van dien tocht, hoe Hannibal Pantalucci, hoe Friedel en hoe James Hilton omgekomen waren. Hij vertelde het verdwijnen van Bardik en eindelijk hoe hij op Li zat te wachten, die naar het kampement moest terugkeeren.

Pharamond Barthès luisterde met alle aandacht. Toen Cyprianus hem vroeg of hij niet een jongen Kaffer, waarvan hij hem het signalement gaf, en die niemand anders dan Bardik was, ontmoet had, antwoordde hij ontkennend.

“Maar,” zei hij, “ik heb een ronddolend paard opgevangen, dat het uwe wel kan zijn.”

Hij verhaalde daarop, hoe hem dat paard in handen was gevallen.

“Het is juist twee dagen geleden,” zei hij, “toen ik met drie mijner Bassuto’s in het zuidelijk gebergte jaagde. Eensklaps zag ik een prachtig grijs paard uit een hollen weg komen aansnellen. Het had niets anders dan een halster om, waaraan een lang touw sleepte. Het dier scheen onbesloten wat te doen, en kwam dadelijk naar mij toe, toen ik het een handvol suikerriet liet zien. Zie, zoo heb ik hem gevangen.—Het is een prachtig dier vol vuur en vol moed en hard van vleesch als een gerookte ham.”

“Dat is mijn paard.... Dat is Templar!” zei Cyprianus.

“Welnu, waarde vriend, dan is Templar weer uw eigendom! Het is mij een waar genoegen het u te kunnen teruggeven. Kom, ik wensch u goeden nacht. Slaap thans weer in. Morgen ochtend bij het krieken van den dag zullen wij deze heerlijke plek verlaten!”

En zijn raad met het voorbeeld gepaard doende gaan, wikkelde Pharamond Barthès zich in zijn deken en sliep in.

Den volgenden ochtend kwam de Chinees juist met eenige provisieën in het kampement terug. Pharamond had dan ook al den tijd om hem op de hoogte te stellen, voor dat Cyprianus ontwaakt was. Hij droeg hem op zijn baas te bewaken, terwijl hij het paard ging halen, welks verlies voor den jeugdigen ingenieur zoo smartelijk was geweest.

Negentiende hoofdstuk

De wondergrot.

Het was inderdaad Templar, dien Cyprianus bij zijn ontwaken voor zich zag. Het wederzien was van beide kanten uitermate liefderijk. Men zou gezegd hebben, dat het paard bijna evenveel genoegen smaakte als zijn berijder over de ontmoeting.

Cyprianus voelde zich sterk genoeg om na het ontbijt te paard te stijgen, ten einde dadelijk te vertrekken. Pharamond laadde al de bagage, die niet veel was, op het achterstel van Templar, greep het dier bij den teugel en aanvaardde de reis naar de hoofdstad van Tonaïa.

Onderweg verhaalde Cyprianus, thans evenwel in meerdere bijzonderheden, de voornaamste voorvallen van zijn tocht sedert zijn vertrek uit Grikwaland. Toen hij de laatste verdwijning van Makatit verteld had, wiens signalement hij beschreef, begon Pharamond te lachen.

“Kijk, kijk,” zei deze, “dat is aardig! Ik geloof, dat ik u tijdingen van den dief kan geven.”

“Hoe dat zoo?” vroeg Cyprianus verrast.

“Luister. Mijne Bassuto’s hebben nu zoo wat vier en twintig uren geleden een jongen Kaffer gevangen genomen, die in deze streken rondzwierf, en gebonden aan Tonaïa overgeleverd. Ik geloof wel, dat die voornemens was, hem van een leelijke kermis te huis te laten komen; want hij is erg bang voor verspieders, en de Kaffer, tot een vijandigen stam behoorende, kon van niets anders verdacht worden. Men heeft hem evenwel tot nu toe het leven gespaard. Tot zijn geluk kende de arme drommel eenige goochelaarstoeren, waardoor hij zich voor een toovenaar kon uitgeven....”

“O! een toovenaar,” riep Cyprianus [100] uit. “Nu is er geen twijfel meer, dat is Makatit.”

“Welnu, hij kan er op pochen, dat hij een fameusen dans ontsprongen is. Tonaïa heeft voor zijne vijanden een groote verscheidenheid van folteringen uitgevonden, die niets te wenschen overlaat. Maar, ik herhaal het, ge kunt tamelijk gerust over zijn lot zijn. Hij wordt door zijne hoedanigheid van toovenaar beschermd, en wij zullen hem heden avond nog gezond en wel aantreffen.”

Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat die tijding Cyprianus aangenaam was. Zijn doel was dus bereikt; want hij twijfelde er niet aan of Makatit zou, wanner hij nog in het bezit van den diamant was, hem wel overgeven.

Zoo koutten de twee vrienden gedurende den geheelen dag, terwijl zij de vlakte overstaken, die Cyprianus eenige dagen te voren, op eene giraffe gezeten, doorsneden had.

Denzelfden avond kregen zij Tonaïa’s hoofdplaats in het gezicht. Zij was amphitheatersgewijs aangelegd op een terreinverhevenheid, die den gezichteinder in het noorden begrensde. Het was eene wezenlijke stad van tien tot vijftien duizend zielen, met goed aangelegde straten, met ruime en bijna bevallige hutten, waarin welvaart en vooruitgang te bespeuren waren. Het paleis des konings was omgeven door hooge palissaden en werd bewaakt door zwarte krijgslieden, met lansen gewapend. Dat gebouw besloeg alleen bijna het vierde gedeelte van de oppervlakte dier stad.

Toen Pharamond zich vertoonde, gingen alle poorten en barrièren voor hem open. Hij en Cyprianus werden dadelijk langs eene opeenvolging van uitgestrekte plaatsen en pleinen tot in de ceremoniezaal gevoerd, alwaar zich de onoverwinnelijke overheerscher ophield te midden van eene talrijke menigte, waaronder noch de wachters, noch de officieren ontbraken.

Tonaïa, kon zoo wat veertig jaren oud zijn. Hij was groot en krachtig van gestalte. Zijn voorhoofd was met een soort diadeem getooid, die van wilde-zwijnen-tanden vervaardigd was. Zijn kostuum bestond uit een overkleed dat den vorm eener tunika zonder mouwen had, en van roode stof vervaardigd was. Hij droeg een voorschoot van dezelfde kleur, dat rijkelijk met glazen kralen geborduurd was. Zijne armen en beenen waren met talrijke koperen braceletten getooid. Zijn gelaat teekende veel bevatting, maar ook sluwheid, en was daarenboven listig en niet innemend.

Hij ontving Pharamond Barthès, dien hij sedert verscheidene dagen niet gezien had, zeer goed, en ook Cyprianus, als den vriend van zijn getrouwen bondgenoot.

“De vrienden onzer vrienden zijn onze vrienden,” drukte hij zich uit, evenals een kruidenier uit de Marais, het meest burgerlijke kwartier van Parijs, zou gedaan hebben.

Toen hij evenwel vernam, dat zijn nieuwe gast lijdende was, deed hij hem de beste kamers van zijn paleis geven, en daarenboven een heerlijk avondmaal voordienen.

Volgens Pharamond’s meening was ’t het oogenblik nog niet om van Makatit te gewagen. Men zou dat tot den volgenden dag uitstellen.

Cyprianus was toen geheel hersteld en in staat om voor den koning te verschijnen. Het geheele hof was in de groote zaal van het paleis bijeen; Tonaïa en zijn beide gasten waren gezeten in het midden van den kring, door de hovelingen gevormd. Pharamond begon dadelijk in de landstaal, die hij vloeiend sprak, de onderhandeling:

“Mijne Bassuto’s hebben u onlangs een jongen Kaffer, dien zij gevangen genomen hadden, aangebracht. Nu is die Kaffer de dienaar van mijn makker, van den grooten, wijzen Cyprianus Méré, die hem van uwe edelmoedigheid terug verwacht. Ik, zijn vriend en tevens de uwe, ondersteun dat billijk verzoek.”

Reeds bij de eerste woorden had Tonaïa een zeer diplomatisch gezicht gezet.

“De groote, wijze blanke is welkom bij mij!” zei hij. “Maar wat biedt hij als losprijs voor mijne gevangene aan?”

“Een uitmuntend geweer, tienmaal tien patronen en een zakje met glazen kralen,” antwoordde Pharamond.

Een gemompel van goedkeuring liet de vergadering hooren. Zij was blijkbaar zeer ingenomen door de pracht van dat aanbod. Alleen Tonaïa bleef zijn strak staatkundig gezicht behouden, en gaf [101] geen blijk van ingenomenheid.

“Tonaïa is een groot vorst,” hernam hij, terwijl hij zich op zijn zitbankje rechtop zette, “en hij wordt door de Goden beschermd! Zij zonden hem een maand geleden Pharamond Barthès met zijne kloeke krijgslieden en zijne nimmer missende geweren, om hem te helpen zijne tegenstanders te overwinnen! Daarom zal ik op verlangen van Pharamond Barthès dien dienaar heelhuids aan zijn meester teruggeven.”

“En waar bevindt hij zich thans?” vroeg de jager.

“In de heilige grot, waar hij nacht en dag bewaakt wordt!” antwoordde Tonaïa met eene gelegenheids-hoogdravendheid, die den meest machtigen souverein van Kafferland zeer goed afging.

Pharamond vertaalde die antwoorden in het kort voor Cyprianus en vroeg aan den koning de gunst om met zijn makker den gevangene uit de heilige grot te mogen gaan halen.

Er werd op dat verzoek evenwel een afkeurend gemompel in de geheele vergadering vernomen. De eisch van die Europeanen scheen te ver gedreven. Nimmer was een vreemdeling in die geheimzinnige grot toegelaten. Een tot nu toe geëerbiedigde overlevering hield in, dat het rijk van Tonaïa in stof zoude ineenstorten, wanneer de blanken het geheim van die grot zouden kennen.

De koning hield er echter niet van, dat zijn hof zijne besluiten vooruitliep. Dat gemompel prikkelde dan ook zijn grillig alleen-heerschers-karakter, en bracht hem er toe, om toe te staan wat hij ongetwijfeld, zonder die uitbarsting van het algemeen gevoelen, geweigerd zoude hebben.

“Tonaïa heeft een bloedruil met zijn bondgenoot Pharamond Barthès aangegaan,” antwoordde hij op afdoenden toon, “hij houdt niets verborgen voor hem. Kunt gij en uw vriend een eed houden?”

Pharamond knikte bevestigend.

“Welnu,” hernam de negerkoning, “zweert dat gij niets zult aanraken van al hetgeen gij in die grot zien zult!.... Zweert, dat gij nimmer zult laten bemerken, dat gij het bestaan dier grot kent!.... Zweert, dat gij nimmer zult trachten om er andermaal in te dringen, of ook maar den ingang er van op te sporen!.... Zweert eindelijk, dat gij aan niemand mededeelen zult, wat gij gezien hebt!”

Pharamond en Cyprianus staken de hand uit en herhaalden woord voor woord het eedsformulier, dat hen voorgezegd werd. Tonaïa gaf dadelijk daarop met fluisterende stem bevelen. Zijn hofhouding stond op en zijn krijgslieden formeerden twee gelederen. Een paar dienaren brachten twee lappen van fijn linnen, waarmede de twee vreemdelingen geblinddoekt werden; daarna nam de koning tusschen hen beiden plaats in een grooten strooien palankijn, die door een paar dozijn Kaffers op hunne schouders genomen werd en die nu in optocht voortstapten.

De reis duurde vrij lang, minstens twee uren. Wanneer rekening gehouden werd met den aard der schokken, die de palankijn ondervond, moesten Pharamond en Cyprianus erkennen, dat zij door eene bergachtige streek vervoerd werden.

Daarna merkten zij een afkoeling der lucht op, terwijl het geluid der stappen van de lijfwacht en der dragers door de echo weerkaatst werd, alsof tusschen dicht bij elkander staande wanden gemarcheerd werd. Daaruit maakten zij op, dat men een onderaardsche gang binnengetreden was. Eindelijk trof een harsachtige rook hunne reukzenuwen, waaruit zij afleidden dat men fakkels ontstoken had om den optocht te verlichten.

De marsch duurde nog ongeveer een kwartier uurs, waarna de palankijn op den bodem neergezet werd. Tonaïa liet zijne gasten uitstappen en liet hun den blinddoek afnemen.

Onder den invloed van de flikkeringen, welke het oog gewoonlijk ondervindt, wanneer het, nadat zijn gezichtskracht voor een lange poos opgeheven is geweest, plotseling aan de inwerking van het licht blootgesteld wordt, verbeeldden Pharamond en Cyprianus zich eerst dat zij aan eene soort van geestverrukking onderworpen waren, zulk een prachtig en onverwacht schouwspel bood zich voor hunne oogen aan.

Beiden bevonden zich te midden van eene onmetelijke grot. De bodem was bezaaid met fijn zand, dat glinsterde van de gouden lovertjes, die er zich in bevonden. Het gewelf, hetwelk [102] zich als dat eener Gothische kathedraal verhief, verloor zich in eene voor den blik onpeilbare hoogte. De wanden van dat onderaardsche bouwgewrocht waren getooid met stalactiten, die eene groote verscheidenheid van kleuren en een ongehoorden rijkdom ten toon spreidden, en waarop de weerkaatsing van het licht der toortsen, stralenbundels te voorschijn tooverde, die met de kleuren van den regenboog prijkten, en met schitteringen vermengd waren, die aan gloeiovens, maar ook aan de pracht van noorderlicht deden denken. De meest verschillende kleuren flikkerden en smolten ineen, de meest grillige vormen, de meest onvoorziene hellingen kenmerkten die ontelbare kristalvormingen. Het waren niet, zooals in de meeste grotten voorkomen, eenvoudige legeringen van gedroppelde kwarts, welker vormen zich met eene wanhopige regelmaat en eentonigheid herhaalden. Hier had de natuur hare grillige luim geheel en al botgevierd. Zij scheen zich tot taak gesteld te hebben, al de combinatiën en schakeeringen der tinten, waartoe zich de glazuren der minerale rijkdommen zoo verwonderlijk leenen, effectvol te vertoonen.

Rotsen van amethist, wanden van sardonix, legeringen van robijnen, naalden van smaragd, die zuilenrijen als scheepsmasten van safier, ijsbergen getooid met zeealgen, girandollen van turkooizen, spiegels van opaal, aders van rooskleurige gips en van lapislazuli met goudaderen gemarmerd,—in één woord, alles wat de kristalwereld het meest schitterend kan aanbieden, was hier bijeengebracht om die wonderbaarlijke spitsbogen op te trekken. Meer nog dan dat: alle vormen, zelfs die uit de plantenwereld, schenen in beslag genomen te zijn voor dien arbeid, welke geheel en al buiten het menschelijke bevattingsvermogen viel. Tapijten van mineralische moskorsten, die zoo wollig waren als de fijnste graszoden, boomvormige kristallen, bloemen en vruchten in edelgesteenten, riepen bij wijlen die tooverachtige lusthoven en tuinen in het geheugen terug, die door de Japansche kunstenaars met zoo veel naïveteit weergegeven worden. Verder vertoonde zich een kunstmatig meer, door een diamant van twintig meters lang gevormd, die door het zand omlijst werd en eene geheel gereede baan was voor luchtige schaatsenrijders. Luchtkasteelen van witten agaatsteen, kiosken en torentjes van baryl of topazen, hoopten zich in ontelbare verdiepingen op, totdat het oog, vermoeid door zooveel pracht, eindelijk weigerde verder hen na te sporen. De straalbreking eindelijk, de ontleding der lichtbundels te midden der prisma’s, die schitterende vuurwerkvonken, die overal als het ware opspatten en in veelkleurige aren neervielen, riepen het meest verwonderlijke akkoord van licht en kleuren te voorschijn, waardoor een menschenoog ooit is verrast geworden.

Cyprianus Méré koesterde geen twijfel meer. Hij bevond zich plotseling vervoerd in een van die verwonderlijke vergaarplaatsen, waarvan hij sedert lang het bestaan gegist had en waarin de gierige natuur die legeringen heeft kunnen ophoopen en kristalliseeren, welke zij slechts noode, en dan nog maar in zeldzame en kleine stukken, aan den mensch in de meest begunstigde placers afstaat. Gedurende een kort oogenblik bekroop hem de twijfel omtrent de werkelijkheid van hetgeen hij onder de oogen had, maar het was voldoende geweest, terwijl hij langs een onmetelijke kristalbank voorbijging, haar te wrijven met den ring, dien hij aan den vinger droeg, om verzekerd te zijn dat zij het inkrassen weerstond. Zij bestond dus wel degelijk uit diamant, uit robijn en uit safier, en wel in zulke onmetelijke massa, dat hare waarde, naar den maatstaf, welken de menschen aan die mineralogische bestanddeelen hechten, aan iedere berekening moest ontsnappen.

Alleen de sterrenkundige cijfergetallen zouden eene benadering, weinig bevattelijk bovendien, hebben kunnen leveren. Inderdaad er lagen daar onbekend en improductief, trillioenen en quadrillioenen van milliarden aan waarde in den schoot der aarde verborgen.

Giste Tonaïa iets omtrent de onmetelijke rijkdommen, die hij daar ter zijner beschikking had? Dat was niet waarschijnlijk; want Pharamond Barthès, weinig op de hoogte van die zaken, scheen zelfs geen begrip hoegenaamd te hebben, dat die verwonderlijke kristallen, fijne edelgesteenten waren. De [103] negerkoning meende ongetwijfeld slechts de bewaker van een hoogst bijzondere grot te zijn, waarvan hem eene godsspraak of eenige andere bijgeloovigheid belette het geheim te openbaren.

Wat die opvatting bevestigde, was de opmerking, die Cyprianus weldra maakte, dat een groot aantal menschenbeenderen op sommige plaatsen in enkele hoeken van de grot opgehoopt lagen. Was zij dus eene begraafplaats van den stam, of—wat eene nog vreeselijker, maar toch meer waarschijnlijke vooronderstelling was—had zij gediend, en diende zij nog, om eenige afschuwelijke godsdienstplechtigheid te voltrekken, waarin menschenbloed vergoten werd, wellicht om aan kannibalische neigingen te kunnen voldoen?

Tot deze laatste meening helde Pharamond Barthès over, want hij zeide fluisterend tot zijn vriend:

“Tonaïa heeft mij toch verzekerd, dat sedert zijne troonsbestijging geene dergelijke plechtigheid heeft plaats gehad. Maar ik erken, dat het zien van die beenderen mijn vertrouwen zeer schokt!

Hij wees daarbij op een hoop, die eerst sedert kort scheen opgericht en waarop de werking van het vuur, alsof die beenderen gekookt en gebraden waren, niet te miskennen was.

Die indruk werd eenige oogenblikken later geheel en al bevestigd.

De koning en zijn beide gasten waren in het achterste gedeelte van de grot voor eene opening aangekomen, die wel iets had van eene zijkapel, die in de lagere zijwaartsche gangen onzer basilieken uitgespaard zijn. Achter een hek van ijzerhout, dat er den toegang van afsloot, werd een gevangene ontwaard, die in eene houten kooi opgesloten zat, welke ternauwernood ruimte genoeg bezat om hem toe te staan, gehurkt er in te verwijlen. Blijkbaar was hij bestemd om vetgemest te worden, waarna hij het hoofdbestanddeel van een feestmaaltijd zou uitmaken.

Dat was Makatit.

“Gij!.... gij!.... vadertje!” riep de rampzalige Kaffer uit, toen hij Cyprianus herkende. “O, neem mij mede!—Verlos mij!.... Ik wil nog liever naar Grikwaland terugkeeren, al moest ik gehangen worden, dan hier in die kippenkooi te blijven verwijlen, in afwachting van de vreeselijke marteling, die de wreede Tonaïa mij zal laten ondergaan, alvorens mij op te peuzelen!”

Dat werd in het Fransch met eene zoo weemoedige stem geuit, dat Cyprianus er zeer door bewogen werd.

“Het zal geschieden, zooals gij wenscht Makatit,” antwoordde hij. “Ik kan uwe invrijheidsstelling bewerken, maar gij komt uit die kooi niet, alvorens den diamant teruggegeven te hebben.”

“De diamant, vadertje!” riep Makatit uit. “De diamant.... maar dien heb ik niet!.... Ik heb hem nooit gehad!.... Dat zweer ik.... ja, dat zweer ik!”

Hij zeide dat op zulk een toon van oprechtheid, dat Cyprianus zeer goed begreep, dat hij zijne eerlijkheid niet meer kon in twijfel trekken. Men weet het bovendien, het had hem steeds veel moeite gekost om Makatit voor den schuldige aan den gepleegden diefstal te houden.

“Maar,” vroeg hij hem, “als gij dien diamant niet gestolen hebt, waarom hebt ge dan de vlucht genomen?”

“Waarom, vadertje? Wel omdat men, toen mijne makkers de stokjesproef ondergingen, zeide dat niemand anders de dief kon zijn dan ik, dat ik listig te werk was gegaan om achterdocht te verijdelen. Nu weet gij zeer goed, dat in Grikwaland, wanneer het een Kaffer geldt, men veel spoediger met veroordeelen en hangen gereed is dan met onderzoeken en ondervragen!.... Toen ben ik beangst geworden en heb ik als een schuldige de vlucht genomen.”

“Wat die arme duivel daar zegt, komt mij zeer waarschijnlijk voor,” meende Pharamond Barthès.

“Ik twijfel er in het geheel niet meer aan,” antwoordde Cyprianus, “en waarlijk, ik kan hem geen ongelijk geven, dat hij gepoogd heeft zich aan de rechtsbedeeling in Grikwaland te onttrekken!” En zich tot Makatit wendende:

“Welnu, neen,” ging hij voort, “ik twijfel aan uwe onschuld niet meer ten opzichte van den diamant-diefstal. Maar men zal ons waarschijnlijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn niet gelooven wanneer wij uwe onschuld zullen betuigen. Wilt gij die kans loopen, en er terugkeeren?”

“Ja!.... ik wil alles wagen, alles doorstaan, om niet langer hier te blijven!” riep Makatit uit, die aan den [104] hevigsten angst ten prooi scheen.

“Wij zullen die zaak in behandeling nemen,” antwoordde Cyprianus, “en mijn vriend Pharamond Barthès zal haar ongetwijfeld wel tot een goed einde brengen!”

En inderdaad, de jager, die geen tijd verloren liet gaan was reeds met Tonaïa in onderhandeling.

“Spreek vrij uit!....” vroeg hij aan den negerkoning, “wat moet gij in ruil voor uwen gevangene hebben?”

“Ik moet vier geweren tien maal tien patronen voor elk wapen en vier zakjes met glazen kralen hebben.—Dat is niet te veel niet waar?”

“Dat is twintigmaal te veel; maar Pharamond Barthès is uw vriend en hij zal alles doen om u aangenaam te zijn. Luister, Tonaïa,” ging hij na een poos nadenkens voort, “gij zult de vier geweren, de vier honderd patronen en de vier zakjes met glazen kralen hebben. Maar gij van uwen kant zult ons een span ossen leveren, eene eerewacht met de noodige levensmiddelen, om mijn geheele gezelschap door de Transvaal te voeren.”

“Top!” antwoordde Tonaïa. Die zaak is beklonken!”

Daarop boog hij zich vertrouwvol tot Pharamond en fluisterde hem in het oor:

“De ossen zijn dadelijk gevonden. Het zijn die, welke mijne lieden ontmoet hebben, toen zij naar hunne stallen wilden terugkeeren en die zij naar mijne kraal gedreven hebben. Dat was geheel en al volgens het oorlogsgebruik, niet waar?”

De gevangene werd toen terstond ontslagen, en na nog een laatsten blik gewijd te hebben aan de pracht der grot, keerden Cyprianus, Pharamond en Makatit, na zich geduldig te hebben laten blinddoeken, naar het paleis van Tonaïa terug, waar een groot feestmaal gegeven werd, om het sluiten van het verdrag te vieren.

Eindelijk werd nog besloten dat Makatit niet dadelijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn zoude verschijnen; dat hij in de omstreken zou verwijlen en dan eerst zijn dienst bij den jongen ingenieur zou hervatten, wanneer deze laatste verzekerd er van zoude zijn, dat zulks zonder gevaar kon geschieden. Zooals men wel zien zal, was dat geen noodelooze voorzorg.

Pharamond, Cyprianus en Makatit vertrokken dientengevolge den volgenden morgen met een flinke eskorte naar Grikwaland. Maar men kon zich thans geene illusiën meer scheppen! De Zuidster was onherroepelijk verloren en master Watkins zou haar niet kunnen laten schitteren in den Tower van Londen, te midden van de schoonste kroonjuweelen van Engeland!

Twintigste hoofdstuk.

De terugkeer.

Nooit had John Watkins in zulk een booze luim verkeerd, dan sedert het vertrek der vier mededingers, die den vluchtenden Makatit zouden vervolgen. Iedere dag, iedere week, die voorbij snelde, scheen hem een karaktergebrek te meer te verleenen, terwijl de kansen, die hij meende te hebben tot terugerlanging van den kostbaren diamant, al minder en minder werden. Daar kwam nog bij, dat hem zijne gewone tafelschuimers ontbraken, te weten: James Hilton, Friedel, Hannibal Pantalucci en zelfs Cyprianus, dien hij gewoon was in zijn gezelschap te zien. Hij zocht dus zijn troost in zijne jeneverkruik en, het moet wel erkend worden, die alcoholische troost was niet geschikt om zijne inborst te verzachten.

Men had bovendien wel reden op de hoeve zich omtrent het lot der overblijvenden van den tocht ongerust te maken. Want inderdaad, Bardik, die door eene bende Kaffers opgelicht werd, was er in geslaagd, eenige dagen later te ontsnappen. Bij zijn terugkeer in Grikwaland had hij John Watkins den dood van James Hilton en van Friedel medegedeeld. Dat was wel een slecht voorteeken voor de overlevenden, namelijk voor Cyprianus Méré, voor Hannibal Pantalucci en voor den Chinees Li.

Alice gevoelde zich dan ook zeer ongelukkig. Zij zong niet meer en haar piano bleef volmaakt stom. Ter nauwernood konden hare struisvogels haar nog eenige belangstelling inboezemen. Zelfs Dada had het voorrecht niet meer hare meesteres door haar gulzigheid [105] te doen glimlachen. Zij slokte straffeloos de meest uiteenloopende zaken naar binnen, zonder dat iemand dat belette.

Miss Watkins zat nu tusschen twee vreezen benepen, die al grooter en grooter in hare verbeelding werden. De eerste was: dat Cyprianus nimmer van dien verwenschten tocht zoude wederkeeren; de tweede: dat Hannibal Pantalucci, de meest verafschuwde der drie mededingers om hare hand de Zuidster kon terugbrengen en den prijs van zijn welslagen kon vorderen. Het denkbeeld dat zij genoodzaakt zou kunnen worden als de wederhelft op te treden van dien boosaardigen en sluwen Napolitaan, die haar eene onoverwinnelijke walging inboezemde, vooral sedert zij een meer bevallig mensch, als Cyprianus Méré van nabij had leeren kennen en waardeeren, was haar onverdragelijk, maar die gedachte was toch niet te verdrijven. Zij dacht er over dag en zij droomde er des nachts van. Hare frissche kleur verbleekte en hare blauwe oogen benevelden zich met een somber waas.

Nu wachtte zij zoo reeds drie maanden in zak en asch. Dien avond juist zat zij bij de lamp, terwijl haar vader bij zijne kruik jenever ingedommeld was. Zij had het hoofd over eenig borduurwerk, dat zij ter hand genomen had, om de verwaarloosde muziek te vervangen, voorover gebogen, en mijmerde zoo droefgeestig mogelijk.

Een bescheiden geklop brak plotseling hare droomerijen af.

“Binnen!” riep zij, vrij verwonderd, dat iemand nog zoo laat kon komen.

“Ik ben het slechts, miss Watkins,” antwoordde eene stem, die haar deed trillen. Het was de stem van Cyprianus.

Hij was het waarlijk, maar bleek, vermagerd, door de zon gebruind, met een langen baard, die hem schier onherkenbaar maakte, met kleêren aan het lijf, die door de gebeurtenissen, welke zij beleefd hadden, meer dan geleden hadden. Maar al zag hij er armzalig uit, hij was steeds vlug ter been, steeds beschaafd en beleefd, met een helderen blik en een glimlach op de lippen.

Alice was met een kreet van verwondering en vreugde opgesprongen. Met hare eene hand poogde zij het kloppen van haar hart te bedwingen, de andere stak zij evenwel den jeugdigen ingenieur toe, die haar greep, haar tusschen de zijne sloot, toen master Watkins, uit zijne dommeling ontwakende, de oogen opende en vroeg wat er toch gaande was.

De dronkaard had een paar minuten noodig, om zich omtrent de werkelijkheid rekenschap te geven. Maar nauwelijks was een sprank van bewustzijn in dat hoofd teruggekeerd, toen hem een kreet—ja, waarlijk een kreet des harten ontsnapte:

“En de diamant?”

De diamant? Helaas! neen, die was niet mee teruggekomen.

Cyprianus verhaalde vlug al de verschillende tafereelen der expeditie: hoe Friedel, Hannibal Pantalucci en James Hilton den dood gevonden hadden. Hij vertelde de vervolging van Makatit, diens gevangenschap bij Tonaïa, maar hij verzweeg diens terugkeer in Grikwaland,—hoewel hij openhartig zijn zekerheid mededeelde, omtrent de onschuld van den jeugdigen Kaffer. Hij vergat niet zijn volle waardeering omtrent de toewijding van Bardik en van Li te doen blijken; hij bracht alle hulde aan de vriendschap van Pharamond Barthès en herinnerde zich gaarne alles, wat hij aan den koenen jager verschuldigd was, en hoe hij door zijne tusschenkomst het geluk had, om terug te komen van eene reis, die zoo noodlottig voor zijne tochtgenooten geweest was. Geheel onder den indruk van de aandoening, die hem zijn eigen tragisch verhaal inboezemde, bedekte hij wetens en willens met den mantel der liefde al de tekortkomingen en al de snoode en misdadige plannen zijner mededingers, en verkoos hij in hen niets anders te zien dan slachtoffers, omgekomen bij het najagen van een gemeenschappelijk doel. Hij verhaalde alles, behalve datgene waarvan hij geheimhouding gezworen had, te weten het bestaan van de wondergrot en van de rijkdommen aan mineralen, welke zij bevatte en waarbij vergeleken, al de diamanten van Grikwaland waardeloos grint waren.

“Tonaïa,” zoo eindigde hij zijn verhaal, “heeft stipt alle zijne overeenkomsten vervuld. Twee dagen nadat wij in zijne hoofdstad aangekomen waren, was alles tot ons vertrek gereed. [106] Alles, alles: zoowel mondvoorraad als de bespanningen en het eskorte. Ongeveer drie honderd negers, die met meel en gerookt vleesch beladen waren en onder de bevelen van den koning in persoon stonden, hebben ons tot bij het kampement vergezeld, waar wij onzen wagen in zeer goeden staat en onder struikgewas verborgen, terugvonden. Wij hebben toen afscheid van onzen gastheer genomen, na hem vijf geweren te hebben gegeven in plaats van vier, waarop hij rekende, waardoor hij de machtigste potentaat geworden is, die tusschen de Limpopo en de Zambezi-rivier aangetroffen kan worden!

“Maar hoe is de reis geweest van dat kampement af?”.... vroeg miss Watkins.

“O, die terugreis ging zeer langzaam,” antwoordde Cyprianus, “hoewel wij daarbij geen moeielijkheden of wederwaardigheden ondervonden. Het eskorte heeft ons eerst op de grenzen van de Transvaal verlaten, waar ook Pharamond Barthès en zijne Bassuto’s afscheid van ons hebben genomen om naar Durban te reizen. Eindelijk na een marsch van veertien dagen dwars door het Veld, zijn wij hier aangekomen, evenwel niet rijker dan toen wij vertrokken.”

“Maar waarom is Makatit ontvlucht?” vroeg master Watkins, die dat verhaal met eene levendige belangstelling aangehoord had, evenwel zonder eene bijzondere aandoening te laten blijken omtrent de drie mannen, die niet meer terugkomen zouden.

“Makatit vluchtte, omdat hij ijlhoofdig van angst was,” antwoordde de jeugdige ingenieur.

“Bestaat er dan geen gerechtigheid meer in Grikwaland?” vroeg de pachter, terwijl hij de schouders optrok.

“Hoe het ook zij, ik herhaal dat hij niet schuldig is, en ik hoop dat men hem met rust zal laten.”

“Hm!” kuchte John Watkins, die de waarde van die betuiging niet bijster hoog scheen te schatten. “Zoudt ge niet eerder gelooven, dat die looze Makatit slechts de bangoor gespeeld heeft, om buiten het bereik der politie te geraken?”

“Neen!.... hij is onschuldig!.... Mijne overtuiging is dienaangaande onherroepelijk gevestigd!” antwoordde Cyprianus wel wat kortaf, “en ik heb die overtuiging duur genoeg gekocht, dunkt mij.”

“O, ik tast uwe overtuiging niet aan!” riep John Watkins uit, “maar laat mij ook de mijne!”

Alice zag in, dat die woordenwisseling in twist ontaarden zou. Zij haastte zich dus er eene afleiding aan te geven:

“A propos, mijnheer Cyprianus Méré,” zeide zij, “weet gij wel dat uwe claim gedurende uwe afwezigheid uitmuntend is geworden en dat uw vennoot Thomas Staal op weg is een der rijkste mijnwerkers van de Kopjes-mijn te worden?”

“Neen,” antwoordde Cyprianus openhartig, “dat wist ik niet. Mijn eerste bezoek heeft u gegolden, miss Watkins, en ik weet niets van hetgeen in mijne afwezigheid is voorgevallen.”

“Misschien hebt gij zelfs niet gegeten?” vroeg Alice met dat vrouwelijke instinct, hetwelk eene goede huismoeder kenmerkt.

“Dat beken ik gul uit,” antwoordde Cyprianus met een blos, hoewel er geen reden tot blozen bestond.

“Maar gij kunt toch zoo niet heengaan, zonder iets gegeten te hebben, mijnheer Méré!.... Een pas van ziekte herstellende.... na eene zoo moeielijke reis!.... Denk er toch aan, het is reeds elf uur in den avond!”

En zonder naar zijne tegenkantingen te luisteren, liep zij naar de huiskamer en kwam weldra met een blaadje terug, dat met een helderwitten doek overdekt was en waarop een paar borden met koud vleesch stonden, alsook een fraaie perziken-taart, die zij zelve gemaakt had.

De tafel was weldra gedekt voor Cyprianus, die geheel verlegen was. En daar hij scheen te aarzelen, om het mes in eene prachtige “biltong”, een soort verduurzaamd struisvogelenvleesch, te zetten, vroeg miss Watkins met haren frisschen glimlach:

“Zal ik het u voorsnijden?”

De vader van het meisje scheen bij dat gastronomisch vertoon eetlust te krijgen. Hij vroeg althans ook een bord en eene snede biltong. Alice haastte zich snel, om hem niet te laten wachten en, om de heeren gezelschap te houden, begon zij eenige amandelen te knabbelen.

Dat geïmproviseerde souper was verrukkelijk. [107] Nimmer had de jeugdige ingenieur zooveel eetlust ondervonden. Hij bediende zich drie malen van de perziken-taart, dronk twee glazen Constantiawijn en bekroonde die heldendaden luisterrijk door er in toe te stemmen de gin te proeven van master Watkins, die evenwel weer spoedig insliep.

“En wat hebt gij sedert drie maanden uitgevoerd?” vroeg Cyprianus aan Alice. “Ik vrees, dat gij al wat gij van de scheikunde geleerd hebt, vergeten zijt!”

“Daarin vergist gij u, mijnheer Méré,” antwoordde miss Watkins op ietwat verwijtenden toon. “Ik heb integendeel hard gestudeerd en ik heb mij zelfs veroorloofd eenige proeven in uw laboratorium te nemen. O! wees gerust, ik heb niets gebroken en ik heb alles weer op zijne plaats gezet. Ik houd veel van de scheikunde en ik heb nimmer kunnen begrijpen, dat gij die prachtige wetenschap hebt kunnen vaarwel zeggen, om mijnwerker in de Kopjes-mijn te worden!”

“Gij zijt wreed, miss Watkins. Gij weet zeer goed, waarom ik de scheikunde vaarwel gezegd had!”

“Ik.... ik weet er niets van,” antwoordde Alice hevig blozende. Ik vind dat gij zeer verkeerd gedaan hebt. Als ik in uwe plaats was dan zou ik andermaal beproeven diamanten te vervaardigen. Dat is veel netter dan zoo in den grond te wroeten.”

“Is dat een bevel, hetwelk gij mij geeft?” vroeg Cyprianus met eene ietwat bevende stem.

“O! geen bevel waarlijk niet,” antwoordde miss Watkins met een bekoorlijken glimlach. “Het is hoogstens een verzoek!.... Och, mijnheer Méré,” hernam zij ernstig, als om den luchtigen toon harer woorden te doen vergeten, “als gij wist hoe ongelukkig ik mij gevoelde bij het bewustzijn van al de vermoeienissen, van al de gevaren, die gij ondergaan, die gij geloopen hebt. Ik was natuurlijk onkundig van al die bijzonderheden, maar toch meende ik er het algemeene overzicht van geraden te hebben. Ik zei zoo in mij zelve: moet een man, die zoo geleerd is, die zoo voorbestemd is om groote zaken tot stand te brengen, groote ontdekkingen te doen, moet zoo iemand blootgesteld zijn, om ellendig in de woestijn om te komen, om te sterven tengevolge van den beet eener slang of onder den klauw van een tijger, zonder eenig voordeel voor de wetenschap en voor de menschheid?.... Maar, het is waarlijk eene misdaad, hem te hebben laten vertrekken!.... En, ik had gelijk!.... want is het geen wonder bijna, dat gij teruggekomen zijt? Zonder uw vriend Pharamond Barthès, dien de hemel zegene, zoudt....”

Zij kon niet voortgaan; hare stem hokte; maar twee dikke tranen ontrolden aan hare schoone oogen en voltooiden haren gedachtengang, dien zij niet vermocht uit te spreken.

Cyprianus was op zijne beurt ook zeer ontroerd.

“Zie daar twee tranen, die voor mij kostbaarder zijn dan alle diamanten ter wereld en die mij alle de ondergane vermoeienissen, al waren zij nog veel grooter geweest, zouden doen vergeten,” sprak hij op eenvoudigen toon.

Er trad eene stilte in, die het meisje met haren gewonen takt verbrak, door het gesprek weer op het terrein der scheikunde terug te voeren.

Middernacht was reeds voorbij, toen Cyprianus naar zijne hut terugkeerde, waar een pak brieven uit Frankrijk aangekomen, op hem lagen te wachten. Die brieven waren zorgvuldig door miss Watkins op zijne werktafel gerangschikt.

Zooals het meermalen na eene lange afwezigheid gebeurt, hij was bang om die brieven te openen. Als zij hem eens de tijding van eenig ongeluk overbrachten!.... Zijn vader, zijn moeder, zijn zusje Johanna!.... Zoo veel had toch gedurende die drie maanden kunnen gebeuren!

Hem ontsnapte een zucht van verlichting, toen hij zich overtuigd had, dat die brieven slechts stof tot tevredenheid bevatten. Al de zijnen waren welvarend. Van het ministerie ontving hij slechts warme lofuitingen ten opzichte van zijne fraaie stelling omtrent de diamantvormingen. Hij kon zijn verblijf in Grikwaland nog een semester rekken, wanneer hij dat dienstig voor de wetenschap achtte. Alles was dus ten beste geschikt en Cyprianus sliep dien nacht in, met zulk een verlicht gemoed als hij in lang niet ondervonden had. [108]

De voormiddag van den anderen dag werd besteed om zijne vrienden te bezoeken, voornamelijk Thomas Staal, die werkelijk prachtige vondsten op de gezamenlijke claim gedaan had. De brave kerel uit Lancashire ontving zijn vennoot met de meeste hartelijkheid en kwam met Cyprianus overeen, dat Bardik en Li evenals vroeger hunne werkzaamheden hervatten zouden. Hij behield zich voor, om, wanneer hunne nasporingen met goed gevolg bekroond werden, hun een deel van de winst af te staan en zoodoende een klein kapitaal te verzekeren.

Wat Cyprianus betrof, hij was vastbesloten de kansen van het mijnleven die hem steeds ongunstig geweest waren, niet meer te beproeven. Hij volgde daarbij den wensch op van Alice en besloot derhalve zijne scheikundige nasporingen te hervatten.

Zijn onderhoud met het jonge meisje had tot niets anders geleid, dan om zijne eigene overwegingen te bekrachtigen. Hij had zich zelven reeds sedert lang gezegd, dat zijn pad, het pad niet was van handenarbeid, ook niet der avontuurlijke tochten. Hij was te loyaal van karakter en te trouw aan het eenmaal gegeven woord, om er een oogenblik aan te denken misbruik van het vertrouwen van Tonaïa te maken, en de kennis der onmetelijke grot, met kristalformatiën gevuld, te benuttigen; maar hij vond in die daadwerkelijke zekerheid eene te kostbare bevestiging van zijne stelling over de diamantlegeringen, om daaruit niet een nieuwen grond voor zijne onderzoekingen te putten.

Cyprianus hervatte dus zijn laboratorium-bestaan, zooals hij dat noemde. Hij wilde evenwel het pad niet verlaten, waarop hij reeds eenmaal geslaagd was en was dan ook vast besloten op dien weg zijne eerste nasporingen te vervolgen.

Er was daarvoor een reden, een der meest geldende redenen, zooals men zien zal.

Sedert toch de kunstmatige diamant als onherroepelijk verloren moest beschouwd worden, sprak master Watkins, die eerst met het huwelijk van Cyprianus en Alice scheen in te stemmen, er in het geheel niet meer over.

Nu was het waarschijnlijk, dat wanneer de jeugdige ingenieur er in slaagde, andermaal een diamant van overgroote waarde te vervaardigen, die bijvoorbeeld op ettelijke millioenen zou geschat worden, de Engelschman wel weer tot zijn vroegere opvattingen zou terug te brengen zijn.

Vandaar dan ook het besluit, om zich zonder dralen weer aan den arbeid te zetten; en Cyprianus hield dat niet genoegzaam geheim voor de arbeiders in de Vandergaart-Kopjes-mijn.

Nadat hij zich andermaal eene buis, welker wanden een groot weerstandsvermogen bezaten, aangeschaft had, begon hij andermaal zijne werkzaamheid.

“En toch, wat mij ontbreekt,” zei hij tot Alice, “om gekristalliseerde koolstof, d.w.z. diamant te bekomen, dat is een doelmatig oplossingsmiddel, dat hetzij door verdamping, hetzij door afkoeling, de koolstof laat kristalliseeren. Voor het aluminium heeft men dat oplossingsmiddel in de zwavelzure koolstof gevonden. Het komt er nu op aan om bij wijze van overeenkomst voor de koolstof, of voor de daarmee vrijwel overeenkomende lichamen als het borium en silicium, zulk een oplossingsmiddel te vinden.”

Intusschen zette Cyprianus, hoewel hij dat oplossingsmiddel niet bezat, alle haast bij zijn werk. Bij afwezigheid van Makatit, die zich voorzichtigheidshalve nog niet in het kamp vertoond had, was Bardik thans belast om het vuur dag en nacht levendig te houden. Die taak vervulde hij met denzelfden ijver als zijn voorganger.

Inmiddels wilde Cyprianus, in het vooruitzicht van na afloop van zijn verlenging van verblijf in Grikwaland, genoodzaakt te zijn naar Europa terug te keeren, zich van een arbeid kwijten, die op het programma zijner uit te voeren verrichtingen voorkwam, maar dien hij nog niet had kunnen ondernemen. Dat was de nauwkeurige ligging aan te geven eener terreinplooi, die noordwestwaarts van de vlakte aangetroffen werd. De terreinplooi beschouwde hij, of beter verdacht hij te zijn de trechter waardoor de wateren weggevloeid waren in het lang vervlogen tijdperk, waarin de diamant-vormingen van het district door de natuur tot stand gebracht waren.

Vijf of zes dagen na zijn terugkeer [109] in de Transvaal, hield hij zich dus onledig met die plaatsbepaling en deed dat met de hem eigene nauwgezetheid, die hij bij alles wat hij ondernam, betrachtte. Nu was hij sedert een uur bezig om bakens te plaatsen en die op eene topografische kaart op groote schaal, die hij zich te Kimberley aangeschaft had, als vaste punten aan te teekenen. Maar opmerkenswaardig was het daarbij, dat zich steeds bij zijne becijfering eene groote vergissing of minstens eene minder goede overeenkomst met die kaart voordeed. Eindelijk was het niet meer te ontkennen, dat die kaart onnauwkeurig georiënteerd was; de breedten en de lengten daarvan waren foutief.

Cyprianus had nauwkeurig op het middaguur gebruik gemaakt van een uitmuntenden chronometer, die volgens de Sterrenwacht van Parijs geregeld was, om de lengte van de plaats te bepalen. Hij was daarbij volkomen verzekerd van de onfeilbaarheid van zijne boussole en van zijn deklinatie-kompas. Hij kon dus geen oogenblik aarzelen om te erkennen, dat de kaart waarop hij zijne punten vastlegde, geheel dwaalde door een groote fout in de oriëntatie.

En inderdaad, het noorden van die kaart, hetwelk op Britsche wijze door een opstaanden pijl aangegeven was, bevond zich in het werkelijke noord-noord-westen. Een gevolg daarvan was, dat al de aanwijzingen der kaart noodwendig in diezelfde evenredigheid dwaalden.

“Ik zie wat er aan hapert!” riep eensklaps de jeugdige ingenieur uit. “De ezels,—die deze streek in kaart brachten, hebben eenvoudig geen rekening gehouden met de magnetische afwijking van de kompasnaald. En die afwijking bedraagt hier niet minder dan negen en twintig graden westerring.1 Daaruit volgt dat al hunne aanwijzingen van breedte en lengte, om nauwkeurig te zijn, langs een boogje van negen en twintig graden van het westen naar het oosten rondom het middelpunt van de kaart moeten verplaatst worden!.... Het is aan te nemen dat Engeland zijne kundigste topografen niet uitgezonden heeft, om die opmetingen te doen!”

Hij lachte om den beganen bok. Hij had evenwel geen enkele reden om hem te herstellen in de ligging ten opzichte der diamanthoudende terreinen van het district, hetwelk noodzakelijk plaats moest hebben. Toen hij dienzelfden avond naar de pachthoeve terugkeerde, ontmoette hij Jakobus Vandergaart en deelde hij hem zijne bevinding mede.

“Het is waarachtig opmerkenswaardig,” zeide hij, “dat zulk eene groote geodesische dwaling, die op al de terreinplannen van het district invloed heeft moeten hebben, nog niet opgemerkt en aangewezen is. Zij maakt eene aanmerkelijke verbetering van al de kaarten van het geheele land noodzakelijk.”

De oude diamantslijper keek Cyprianus met een zonderlingen blik aan.

“Is het waar, wat ge zegt?” vroeg hij. “En zoudt gij bereid zijn dat feit voor de rechtbank te bevestigen?”

“Wel voor tien rechtbanken, als het noodig ware!”

“En dat feit is niet te weerspreken?”

“Volstrekt niet, daar het voldoende zal zijn, de oorzaak van de dwaling op te geven. Zij is bij mijne ziel tastbaar genoeg! Het veronachtzamen van de afwijking van de magneetnaald bij topografische opnemingen! Het is ongehoord!”

Jakobus Vandergaart verwijderde zich zonder verder iets te zeggen, en Cyprianus had weldra vergeten met welk zonderlinge oplettendheid de diamantslijper het feit nagegaan had, welke invloed door die geodesische dwaling op de terreinplannen van het distrikt veroorzaakt was.

Toen evenwel Cyprianus twee of drie dagen later den ouden diamantslijper een bezoek wilde brengen, vond hij de deur gesloten.

Op de lei, die aan den klopper vastgehecht was, las hij de woorden, die kort geleden met krijt daarop geschreven waren: “Afwezig voor zaken.”


1 Historisch.

Een en twintigste hoofdstuk.

Venetiaansche gerechtigheid.

Gedurende de volgende dagen hield [110] Cyprianus zich ijverig bezig met de verschillende tijdperken aandachtig te volgen van zijne nieuwe proef. Tengevolge van eenige verbeteringen in den weerkaatsing-oven aangebracht, waardoor een betere luchtaanvoer mogelijk was, zou de diamant-vervaardiging, zoo hoopte hij tenminste, in veel minder tijd plaats vinden dan bij de eerste proef.

Er zal niet behoeven verteld te worden, dat miss Watkins die tweede poging, waar zij de bezieling van was, met alle belangstelling volgde. Zij vergezelde den jeugdigen ingenieur dan ook herhaalde malen bij zijn gang naar den oven, dien hij verscheidene malen per dag bezocht, en daar vond zij er een genoegen in, om door de kijkgaten, die in het metselwerk uitgespaard waren, de hevigheid van het vuur, dat in het innerlijke van dien oven brulde, waar te nemen.

John Watkins stelde niet minder belang dan zijne dochter in die proef. Hij was ongeduldig om andermaal weer in het bezit van een steen te komen, welks waarde bij millioenen berekend kon worden. Zijn eenige vrees was, dat die tweede proef niet als de eerste gelukken zou, waarbij het toeval een aanmerkelijke rol kon hebben gespeeld.

Maar indien de Engelschman en zijne dochter den jongen scheikundige aanmoedigden bij zijn werk, zoo kon dat niet van de andere mijnwerkers van Grikwaland gezegd worden. Hoewel Hannibal Pantalucci, James Hilton en Herr Friedel niet meer op deze wereld waren, zoo dachten toch hunne makkers aangaande de diamant-vervaardiging evenals zij. Geheime bijeenkomsten, die door den jood Nathan ontworpen waren, brachten het hunne er toe bij, om de eigenaars van claims tegen den jongen ingenieur op te hitsen. Want als die kunstmatige vervaardiging gelukte, dan was dat de ondergang van de diamantdelvers aan de Kaap en op andere plaatsen.

Dat was reeds lang als uitgemaakt beschouwd, maar thans werd dat met meer bitterheid, met meer woestheid dan voorheen besproken. Er werden samenkomsten gehouden, die niet veel goeds voorspelden, maar Cyprianus toch niet bevreesd maakten. Hij was vastbesloten zijn werk ten einde te brengen, wat men er ook van zeggen of wat men ook doen wilde.

Miss Watkins was evenwel bij dat alles niet gerust. Zij was op de hoogte van al de gesprekken, en zij begon voor Cyprianus te vreezen. Zij verweet zich, dat zij hem op dien weg gevoerd had. Zij kon op de politie van Grikwaland niet rekenen, en een slechte daad was ras bedreven. Zij deelde hem hare onrust mede. Hij dankte haar voor die belangstelling, want hij zag daarin de uiting van een teeder gevoel, dat trouwens geen geheim meer voor hem was.

“Wat ik verricht, is voor ons beiden arbeiden,” zei hij.

Maar miss Watkins, die vernam wat in de claims besproken werd, leefde thans in gestadige onrust. En dat was niet zonder reden. Er begon een soort haat jegens Cyprianus te heerschen, die weldra niet meer bij schelden en bij schimpscheuten bleef, maar zich zelfs door bedreigingen uitte.

Werkelijk op een avond, toen Cyprianus zijn oven wenschte te bezoeken, vond hij hem geheel verwoest. Gedurende eene afwezigheid van Bardik was een troep mannen gekomen, die van de duisternis gebruik hadden gemaakt, om den arbeid van lange dagen in weinige minuten te vernielen. Het gebouwtje was afgebroken, de oven was verbrijzeld, de vuren waren uitgedoofd, de werktuigen verbroken en weggeworpen. Er bleef niets meer van het materieel over, dat aan Cyprianus zoo veel zorgen en moeite gekost had. Alles moest weer opnieuw begonnen worden, òf hij moest de plaats ruimen.

“Neen,” riep hij uit. “Ik zal niet toegeven. Ik zal eene klacht tegen de ellendelingen inbrengen, die mijn goed vernield hebben. Ik zal zien of er in Grikwaland geene gerechtigheid meer is.”

Ja, er was eene gerechtigheid, maar niet eene zoodanige, als waarop de ingenieur rekende.

Zonder iets aan iemand te zeggen, zonder zelfs miss Watkins iets te vertellen, omtrent hetgeen voorgevallen was, uit vrees haar nieuwen angst aan te jagen, was Cyprianus naar zijne hut wedergekeerd en weldra in slaap gevallen.

Hij kon zoo omstreeks twee of drie uren geslapen hebben, toen het openen van eene deur hem met schrik deed [111] wakker worden. Vijf mannen met zwarte maskers voor het gelaat en met revolvers en geweren gewapend, drongen zijne kamer binnen. Zij droegen een soort dievenlantaarn en plaatsten zich rondom het bed.

Het kwam bij Cyprianus volstrekt niet op, dat geheele tooneel als ernst te beschouwen. Hij geloofde aan eene grap en begon dan ook al dadelijk te lachen, hoewel hij er niet veel lust toe had, daar hij de klucht zouteloos vond.

Maar een brutale hand daalde op zijn schouder neer, terwijl een der gemaskerde mannen een papier ontvouwde, dat hij in de hand hield, en begon voor te lezen met eene stem, die niets grappigs had:

“Cyprianus Méré. Hierbij wordt u aangekondigd, dat de geheime rechtbank van het Kamp in de Vandergaart-Kopjes-mijn, die ten getale van twee en twintig leden zitting heeft genomen en uit naam van het algemeen welzijn handelt, u heden, juist op het middernachtuur, met algemeene stemmen ter dood veroordeeld heeft.

“Gij zijt beschuldigd en overtuigd van door eene ontijdige en deloyale uitvinding al de mannen van Grikwaland, die belang bij het vinden, het kloven, het slijpen en het verkoopen van diamanten hebben, in hun bestaan, in hun leven, in hunne gezinnen te hebben aangetast.

“De rechtbank heeft in hare wijsheid uitspraak gedaan, dat eene dergelijke uitvinding vernietigd moet worden en dat de dood van een enkele niet opweegt tegen den dood en de ellende van duizenden menschenlevens.

“Zij heeft bevolen, dat u tien minuten gelaten zullen worden om u tot den dood voor te bereiden; dat de keuze van de wijze waarop gij sterven zult, aan u zal worden overgelaten; dat al uwe papieren verbrand zullen worden, behalve eene zoodanige geopende mededeeling die gij noodig zult achten voor uwe nabestaanden, en eindelijk dat uwe woning met den grond gelijk zal gemaakt worden!

“Zoo zal het iederen verrader gaan!”

Toen hij zich zoo hoorde veroordeelen, begon Cyprianus in zijn geloof aan eene grap wel te wankelen, en vroeg hij zich af of die vertooning, in aanmerking genomen de ruwe zeden van de bewoners van dat land, niet ernstiger was dan hij eerst gemeend had.

De man, die hem bij den schouder gegrepen had, zou zijne laatste twijfelingen verdrijven.

“Sta dadelijk op!” zei hij ruwweg. “Wij hebben geen tijd te verliezen!”

“Maar dat is sluipmoord,” antwoordde Cyprianus, die van zijn bed sprong om eenige kleederen aan te trekken.

Hij was meer verontwaardigd dan ontroerd, en spande al de kracht zijner zinnen op hetgeen met hem voorviel, evenwel met de koelbloedigheid van iemand, die bezig was een zeker vraagstuk op te lossen. Wie waren die mannen? Dat kon hij niet raden. Hij herkende zelfs den toon hunner stem niet. Ongetwijfeld zwegen zij voorzichtig, die hem persoonlijk bekend waren, wanneer die zich onder de aanvallers bevonden.

“Hebt gij eene keus gedaan omtrent de wijze van sterven?....” vroeg een der gemaskerden.

“Ik heb geen keus te doen. Ik kan slechts protesteeren tegen de afschuwelijke misdaad, die gij gaat bedrijven!” antwoordde Cyprianus met vaste stem.

“Protesteer! dat zal u niet baten. Gij zult toch gehangen worden. Hebt gij eenige beschikking te maken?”

“Niets, wat ik aan sluipmoordenaars zou wenschen toe te vertrouwen.”

“Vooruit dan maar,” beval het opperhoofd van den troep.

Twee mannen plaatsten zich ter weerszijden van den ingenieur en de optocht stelde zich in beweging.

Maar op dit oogenblik had een onverwacht voorval plaats. Te midden van die scherprechters van de Vandergaart-Kopjes-mijn was een man met één sprong gevlogen. Dat was Makatit, de jonge Kaffer, die des nachts gewoonlijk rond het kamp omdoolde en die er uit instinct toe overgegaan was die gemaskerde mannen te volgen, juist toen zij zich naar de woning van den ingenieur begaven. Daar had hij alles gehoord wat er gezegd was geworden, en had het gevaar begrepen, waaraan zijn baas blootgesteld was. Dadelijk, zonder aarzeling, wat er ook met hem gebeuren mocht, had hij de mijnwerkers op zij gedrongen en zich aan de voeten van Cyprianus geworpen.

“Vadertje, waarom willen die mannen je dooden?” vroeg hij, terwijl hij zich [112] aan zijn baas vastklemde.

“Omdat ik een kunstmatigen diamant vervaardigd heb,” antwoordde Cyprianus die de handen van Makatit met ontroering drukte.

“O! vadertje, wat voel ik mij ongelukkig, en wat ben ik beschaamd over wat ik gedaan heb!” herhaalde de Kaffer al weenende.

“Wat wilt ge daarmeê zeggen?” riep Cyprianus uit.

“Ja, ik zal alles bekennen, daar men u ter dood wil brengen,” kreet Makatit. “Ja.... ik moet sterven! want ik ben het, die den grooten diamant in den oven gedaan heb.

“Smijt dien schreeuwer op zijde!” beval het hoofd van de bende.

“Ik herhaal, dat ik den diamant in het toestel gelegd heb!” herhaalde Makatit, zich verzettende. “Ja, ik heb vadertje bedrogen!.... Ik heb hem willen doen gelooven, dat zijne bewerking geslaagd was!....”

Hij sprak zoo overtuigend, dat men hem eindelijk gehoor verleende.

“Spreekt ge waarheid?” vroeg Cyprianus, tegelijkertijd verbaasd en teleurgesteld over hetgeen hij vernam.

“Ja! honderdmaal ja!.... ik spreek de waarheid!”

Hij zat thans neergehurkt op den grond en allen hoorden hem aan; want wat hij zeide, zou den gang van zaken zeer veranderen.

“Op den dag van de groote aardstorting, toen ik levend begraven werd onder het puin, had ik juist een grooten diamant gevonden. Ik hield hem in de hand en ik dacht er aan om hem te verbergen, toen de wand der mijn instortte en mij bedolf, om mij te straffen voor die misdadige gedachte. Toen ik tot het bewustzijn wederkeerde, vond ik dien steen in het bed terug, waarin vadertje mij had doen uitstrekken. Ik heb toen dien diamant willen teruggeven, maar ik was te beschaamd om te bekennen, dat ik eigenlijk een dief was en heb ik eene gunstige gelegenheid afgewacht!.... Juist wilde vadertje eenigen tijd later beproeven om een diamant te vervaardigen en droeg hij mij op om op het vuur te passen. Maar ziet op den tweeden dag, terwijl ik alleen in de werkplaats was, is het toestel met een vreeselijken knal gebarsten, en het heeft weinig gescheeld of ik was op de plaats gedood. Toen dacht ik dat vadertje bedroefd zoude zijn, dat zijne proef mislukt was. Ik heb den diamant toen in een laag klei gewikkeld en door den barst in het kanon geplaatst. Ik heb daarop alles zoo goed mogelijk hersteld, opdat vadertje niets zoude merken!.... Ik heb vervolgens zonder iets te zeggen gewacht en toen vadertje den diamant gevonden heeft, was hij zeer verheugd en ik ook!”

Een uitbarsting van uitbundig gelach, dat die vijf mannen niet konden weerhouden, volgde op de laatste woorden van Makatit. Cyprianus lachte in het geheel niet, maar beet zich op de lippen van kwaadaardigheid. Want het was onmogelijk de woorden van den Kaffer verkeerd te verstaan. Die geschiedenis was klaarblijkelijk waar. Cyprianus zocht tevergeefs naar redenen om aan hare werkelijkheid te kunnen twijfelen. Hij poogde haar te weerspreken en zei tot zich zelven:

“Een natuurlijke diamant, die aan zulk een temperatuur ware blootgesteld, zou voorzeker vergaan zijn.”

Maar het gezond verstand zei hem ook, dat de steen, door een korst van leem of klei beschermd, aan de werking van de warmte ontsnapt was of haar slechts gedeeltelijk ondergaan had. Misschien was de steen wel zijn zwarte kleur aan die verhitting verschuldigd. Misschien was hij ook vervluchtigd, maar in zijne schaal andermaal gekristalliseerd.

Al die gedachten doorkruisten bliksemsnel het brein van den ingenieur.

“Ik herinner mij nog zeer goed dien aardbrok, dien de Kaffer in de hand geklemd hield op den dag der aardstorting,” merkte een der mannen op, toen de lachbui een weinig bedaard was. “Hij klemde hem zelfs zoo stevig in zijne samengeknepen vingeren, dat men er van moest afzien om hem los te laten.”

“Er is geen twijfel meer!” sprak een andere. “Is het mogelijk diamant te vervaardigen? Waarlijk, wij waren wel gek, toen wij dat geloofden! Men kan even goed pogen een ster te maken!”

En allen begonnen weer te lachen.

Cyprianus leed voorzeker meer door die vroolijkheid, dan hij geleden had tengevolge van hunne ruwheid.

Nadat die vijf mannen elkander [113] met zachte stem geraadpleegd hadden, hernam hun hoofd het woord.

“Wij zijn van gevoelen,” zei hij, “dat er redenen zijn om de uitvoering van het vonnis te schorsen. Gij zult vrij zijn, Cyprianus Méré. Maar bedenk dat dit vonnis steeds op u drukt. Een woord, een teeken slechts om de politie te waarschuwen, kost u het leven. Een goed verstaander heeft slechts één woord noodig.”

Daarop vertrokken hij en zijn makkers, terwijl het vertrek in het donker gedompeld bleef. Cyprianus had kunnen gelooven, dat hij slechts akelig gedroomd had, maar het snikken van Makatit, die op den grond uitgestrekt lag en hardop huilde, liet niet toe dat hij aan de wezenlijkheid van het afgespeelde tooneel twijfelde. Het was dus waar! Hij was aan den dood ontsnapt, maar ten koste van een bloedige vernedering! Hij, mijn-ingenieur! hij, leerling van de Polytechnische school, uitstekend scheikundige, beroemd geoloog, hij was door de list van een ellendigen Kaffer gefopt geworden! Of beter, hij was dat alles verschuldigd aan zijn eigen ijdelheid, aan zijn zelfoverschatting. Ja, daaraan had hij dien vreeselijken bok te wijten.

Hij had zich door verblinding zoover laten vervoeren, dat hij zelfs eene stelling voor die kristalvorming opgebouwd had!.... Het kon niet bespottelijker!.... Was het dan de natuur alleen niet, die in staat is, om met der eeuwen hulp zulke meesterstukken te vervaardigen?.... Maar wie zou door den schijn niet bedrogen zijn? Hij had op een welslagen gehoopt, hij had alles voorbereid om dat te bereiken en moest dus logisch gelooven, dat hij geslaagd was. De buitengewone afmetingen zelfs van den diamant leidden er toe om hem in die meening te stijven!.... Een Despretz zou haar gedeeld hebben!.... Gebeuren zulke vergissingen niet dagelijks?.... Ziet men niet de meest ervaren muntkundigen vaak valsche medailles voor echte aannemen?

Cyprianus beproefde zich zoo moed in te spreken. Maar plotseling deed hem een gedachte verstijven.

“En mijne memorie voor de Akademie! Als die fielten die maar niet meegenomen hebben!”

Hij stak eene kaars aan. Goddank, neen! dat stuk lag daar nog. Niemand had het gezien. Hij ademde eerst gerust, toen hij het verbrand had.

Het verdriet van Makatit was zoo hartverscheurend, dat zijn baas er wel toe overgaan moest het te stillen. Dat was zoo moeielijk niet. Bij de eerste welwillende woorden, die vadertje sprak, scheen de arme jongen tot het leven weer te keeren. Maar al vergaf hem Cyprianus volgaarne zijne misleiding, dan was dat toch op voorwaarde, dat hij het niet weer zou doen. Makatit beloofde dat plechtig, waarna beiden gingen slapen.

Zoo besloot dat tooneel, dat in den aanvang een meer tragisch einde in het verschiet toonde.

Voor Makatit zou het einde toch iets anders wezen.

Toen men den volgenden dag in het kamp vernam, dat de Zuidster niets minder dan een natuurlijke diamant door den Kaffer gevonden was, die er de volle waarde van kende, toen ontstond al de verdenking jegens hem opnieuw en thans met nog meerder kracht. John Watkins schreeuwde het hardst. Die Makatit kon niet anders dan de dief zijn van dien onschatbaren steen. Hij had hem zich een eerste maal willen toeëigenen—had hij dat zelf niet bekend?—dus luidde de gevolgtrekking, was hij het, die hem ook uit de feestzaal gestolen had.

Cyprianus had goed protesteeren en zich tot borg voor de eerlijkheid van den Kaffer stellen. Men luisterde niet naar hem. Dit bewees ten overvloede hoezeer Makatit, die zijne onschuld bezwoer, honderd malen gelijk had gehad met te ontvluchten en hoezeer hij honderd malen ongelijk had met in Grikwaland terug te keeren.

Maar toen deed de ingenieur, die het niet opgaf, een argument hooren, waarop men geenszins verdacht was en dat volgens zijne meening Makatit redden moest.

“Ik geloof aan de onschuld van den Kaffer,” zei hij tot John Watkins, “en daarenboven het geheele geval gaat mij slechts aan! Natuurlijk of kunstmatig, de diamant behoorde mij toe, vóór dat ik hem mejuffrouw Alice aanbood....”

“O zoo, hij hoorde u toe?” vroeg master Watkins op spottenden toon. [114]

“Ongetwijfeld,” hernam Cyprianus. “Is hij niet op mijn claim gevonden, door Makatit, die in mijn dienst was?”

“Voorzeker, dat is waar,” antwoordde de Engelschman, “en dus behoort hij mij toe, daar ons contract luidt dat de eerste drie diamanten, die op uwen gepachten grond gevonden worden, mijn eigendom zijn.”

Daarop wist de onthutste Cyprianus niets te antwoorden.

“Is mijne bewering juist?” vroeg master Watkins.

“Zeer juist,” antwoordde Cyprianus.

“Gij zult mij dus zeer verplichten, wanneer gij mijn recht schriftelijk zult erkennen, voor het geval dat wij er toe komen dien ellendeling te noodzaken den diamant, dien hij zoo onbeschaamd gestolen heeft, terug te geven.”

Cyprianus nam een vel wit papier en schreef:

“Ik erken dat de diamant, op mijn claim door een Kaffer in mijnen dienst gevonden, volgens contract het eigendom is van Master John Stapleton Watkins.

Cyprianus Méré.”

Helaas! dat was eene omstandigheid, die al de fraaie droomen van den ingenieur verwoestte. Want inderdaad, als de diamant ooit teruggevonden werd, dan zou hij niet als een ontvangen geschenk, maar volgens contract toebehooren aan John Watkins, waardoor eene nieuwe klove, die slechts door zoo en zooveel millioenen aan te vullen zoude zijn, tusschen Alice en Cyprianus zou ontstaan.

Maar was de eisch van den Engelschman nadeelig voor de belangen der twee verliefden, hij was dat nog veel meer voor Makatit! Het was nu aan John Watkins, dat hij nadeel had toegebracht. En John Watkins was er de man niet naar, om werkeloos te blijven, wanneer hij meende overtuigd te zijn, dat hij den dief te pakken had.

De arme drommel werd dan ook gearresteerd, gevangen gezet en nauwelijks waren twaalf uren verloopen of hij werd veroordeeld, en alles wat men op de vertoogen van Cyprianus ten zijnen gunste doen wilde, was dat hij gehangen zoude worden, wanneer hij er niet toe besloot de Zuidster terug te geven.

Maar daar hij haar niet kon teruggeven, omdat hij haar nooit gestolen had, zoo stond zijn zaak slecht, en Cyprianus wist niet meer wat te doen om het leven van den ongelukkige te redden, dien hij in weerwil van alles voor onschuldig hield.

Twee en twintigste hoofdstuk.

Een nieuwe soort mijn.

Miss Watkins had intusschen alles vernomen, wat voorgevallen was, zoowel het tooneel der gemaskerde mannen als de teleurstelling, die den ingenieur overkomen was.

“Och, mijnheer Cyprianus,” zei zij, toen deze haar alles verteld had, “is uw leven niet meer waard dan alle diamanten ter wereld?”

“Waarde Alice....”

“Laten wij dat alles maar trachten te vergeten en denk er voortaan niet meer aan zulke proeven te nemen!”

“Gij beveelt het?”.... vroeg Cyprianus.

“Ja zeker,” antwoordde het jonge meisje. “Ik beveel u om op te houden, zooals ik u bevolen had om te beginnen.... daar gij wel bevelen van mij wilt ontvangen.”

“O, ik zal ze allen uitvoeren!” antwoordde Cyprianus, terwijl hij de hand greep, die miss Watkins hem toestak.

Maar toen de ingenieur haar het vonnis mededeelde, waartoe Makatit veroordeeld was, voelde zij zich verpletterd, vooral door het aandeel dat haar vader daaraan genomen had.

Zij ook geloofde niet aan de schuld van den armen Kaffer. Zij ook zou alles hebben willen aanwenden om hem te redden en was daarin geheel eenstemmig met Cyprianus. Maar hoe dat aan te leggen? En vooral hoe moest John Watkins tot hun gevoelen overgehaald worden, hij de onhandelbare aanklager in die zaak? Hoe hem gunstig te stemmen voor een ongelukkige, dien hij zelf zoo met onbillijke beschuldigingen overladen had?

Er moet bij gevoegd worden, dat de Engelschman nog geen enkele bekentenis uit Makatit had kunnen verkrijgen, hoewel hij hem levensbehoud en genade [115] in het uitzicht stelde, wanneer hij bekende. Hij was dus genoodzaakt de hoop op te geven de Zuidster ooit terug te vinden en was daardoor dan ook in een verschrikkelijk booze luim. Intusschen wilde zijne dochter nog eene laatste poging bij hem wagen.

Daags na de veroordeeling had master Watkins een weinig minder last dan gewoonlijk van het pootje en had hij van die verademing gebruik gemaakt om zijne papieren in orde te brengen. Gezeten voor een schrijftafel van zwart ebbenhout, die met gele versierselen ingelegd was,—een antiek stuk uit den oud Hollandschen tijd, dat daar in Grikwaland na tal van wederwaardigheden was komen aanlanden,—bezag hij een voor een zijne verschillende eigendomsbewijzen, zijne contracten en zijne correspondentiën.

Alice zat achter hem over haar borduurraam gebogen en hield zich bezig met haar werk, zonder veel op haren struisvogel Dada te letten. Dit dier kwam en ging door de zaal met zijnen gewonen ernst, keek nu eens door het venster en sloeg dan weer eens den blik op de bewegingen van master Watkins en van zijne dochter.

Plotseling uitte de Engelschman een kreet, die zijne dochter deed schrikken.

“Dat dier is onverdragelijk,” zei hij. “Daar heeft het waarachtig een mijner dokumenten gepakt.... Dada!.... hier!.... Geef dat dadelijk terug!”

Maar die woorden waren nauwelijks uitgesproken of daar volgde een stroom verwenschingen op.

“O, dat vreeselijke dier heeft het ingeslikt!.... Een zeer belangrijk document!.... Het origineel van het besluit, waarbij mij de ontginning der Kopjes-mijn is toegewezen....! Maar dat kan zoo niet!.... Ik zal dat stuk terug hebben—al moest ik het dier verworgen!”

John Watkins was rood van kwaadheid en geheel en al buiten zich zelven. Hij sprong plotseling op en liep den struisvogel achterna, die een paar malen rond het vertrek liep en toen het raam uitwipte, dat met den grond gelijkvloers was.

“Vader,” zei Alice, die de nieuwe misdaad van haren gunsteling betreurde, “vader, wees bedaard! Luister naar mij!.... Gij zult u eene ziekte berokkenen!”

Maar de woede van John Watkins was ten top gestegen. Die vlucht van den vogel gaf er den doorslag aan.

“Neen!” riep hij met bevende stem, “dat is me te sterk!.... Daar moet een einde aan komen!.... Ik kan zoo niet mijn meest belangrijk eigendomsbewijs prijs geven. Een flinke kogel in zijn kop zal dat verwenschte dier dien streek wel betaald zetten. Ik zal mijn perkament terug hebben! Dat beloof ik je!”

Alice volgde hem met betraande oogen.

“Ik smeek u vader,” zei ze, “spaar dat arme dier. Is dat papier wel zoo belangrijk? Kan men er geen duplikaat van bekomen?.... Zoudt gij mij het verdriet willen aandoen mijn arme Dada voor zoo’n gering vergrijp voor mijne oogen te willen dooden?”

Maar John Watkins wilde naar niets hooren, hij keek overal naar zijn slachtoffer om. Hij bespeurde den vogel eindelijk op het oogenblik, toen hij zich in de nabijheid van de hut van Cyprianus trachtte te verschuilen. De Engelschman bracht dadelijk zijn geweer in die richting; maar alsof Dada dat noodlottige plan jegens haar gesmeed, raadde, nauwelijks zag zij die beweging of zij kroop achter het huis.

“Wacht, Wacht maar! Ik zal je toch vinden, verwenscht beest!” riep John Watkins, terwijl hij zich naar de hut begaf.

Alice, al meer en meer beangst, volgde hem om een laatste poging bij hem aan te wenden. Beiden kwamen zoo voor het huis van den ingenieur en gingen er achter kijken. Maar geen struisvogel meer! Dada was onzichtbaar. Het was toch onmogelijk dat zij den heuvel afgerend was, dan had men haar moeten zien. Zij had dus eene toevlucht in de hut moeten zoeken langs een der deuren, die van achteren toegang verleenden. Zoo dacht althans John Watkins. Hij schreed dan ook dadelijk naar de voordeur en klopte aan. Het was Cyprianus zelf, die hem open deed.

“Mijnheer Watkins!.... Juffrouw Watkins!.... Verrukt om u in mijne nederige stulp te zien!” zei hij beteuterd.

De Engelschman was buiten adem en vol woede. Met horten en stooten deelde hij den ingenieur mede, wat er gebeurd was.

“Welnu, wij zullen den schuldige [116] zoeken!” zei Cyprianus, John Watkins en Alice uitnoodigende zijne woning binnen te treden.

“Ik verzeker u, dat hare rekening gauw opgemaakt zal zijn!” antwoordde John Watkins, terwijl hij zijn geweer als een strijdbijl zwaaide.

In hetzelfde oogenblik openbaarde aan Cyprianus een smeekende blik van het jonge meisje al den afschuw, dien zij voor dat wreede plan koesterde. Zijn voornemen was dan ook spoedig opgevat. Het was eenvoudig genoeg, hij besloot den struisvogel niet te vinden.

“Li,” riep hij den Chinees, die pas binnengetreden was, in het Fransch toe. “Ik vermeen, dat de struisvogel in uw kamer is. Zoek hem en tracht hem behendig te doen ontsnappen, terwijl ik mijnheer Watkins langs den anderen kant rondleid.”

Ongelukkig moest dit plan falen; want de struisvogel had juist eene toevlucht gezocht in het eerste vertrek, waar de nasporingen begonnen. Dada had daar, zeer ineengedrongen om zich onzichtbaar te maken, het hoofd onder een stoel verborgen, maar was overigens zoo duidelijk te zien als de zon op vollen middag.

“O, schurk! jou rekening is gemaakt!” riep master Watkins, terwijl hij zijn geweer aan den schouder bracht. Toch, hoe verwoed hij ook was, deinsde hij terug voor die daad van geweld: een geweerschot te lossen in een huis, dat toch het zijne niet was. Alice had het hoofd omgekeerd, om van den gruwel niets te zien. Toen bracht hare smart een schitterend denkbeeld in het brein van den ingenieur te weeg.

“Mijnheer Watkins,” zei hij eensklaps, “het is u slechts te doen om uw document terug te hebben, niet waar? Welnu, het is volstrekt noodeloos Dada daarvoor te dooden. Het is voldoende haar den krop te openen, dien het perkament nog niet voorbij kan zijn. Wilt gij mij toestaan de bewerking uit te voeren? Ik heb het in Museum te Parijs een cursus in de dierkunde bijgewoond en ik geloof dat ik die heelkundige bewerking tot een goed einde zal brengen.”

Hetzij dat een vooruitzicht van zulk een proef op het levende dier den wraakzuchtigen Engelschman streelde, hetzij dat zijne woede begon te verminderen, hetzij eindelijk dat hij zijns ondanks getroffen was door het verdriet zijner dochter, hij liet zich vermurven en stemde in dien middenweg toe.

“Maar ik wil mijn document niet kwijt zijn,” zeide hij. “Bevindt het zich niet in den krop, welnu, dan moet het maar in de maag of in de andere ingewanden gezocht worden! Ik moet het terug hebben, het koste wat het wil!”

De bewerking was niet zoo gemakkelijk, als men wel gemeend had, toen men de onderworpen houding van de arme Dada zag; want een struisvogel, al is het er ook een van slechts kleine gestalte, bezit een verbazende spierkracht. Nauwelijks zou de huid van den vogel door het mes van den nieuwbakken heelkundige aangetast zijn, of, daarvan was Cyprianus zeker, Dada zou weerstand bieden, in woede ontsteken, en zich met razernij verdedigen. Li en Bardik werden dan ook geroepen om als assistenten dienst te doen.

Men kwam overeen dat de struisvogel vooraf gebonden zou worden. Daartoe had Li steeds touw genoeg bij de hand. Weldra waren de pooten, de vlerken en de bek van de ongelukkige Dada stevig omwoeld en was zij in de onmogelijkheid gesteld om weerstand te bieden. Maar Cyprianus liet het daar niet bij. Om de gevoeligheid van miss Watkins te ontzien, wilde hij haren struisvogel ieder lijden sparen. Hij omwikkelde het hoofd van den vogel dus ook met een doek, dien hij vooraf met cloroform gedrenkt had. Daarna eerst ging hij over tot de bewerking, hoewel hij er niet geheel zonder ongerustheid over was. Alice had doodsbleek een toevlucht in het daarnaast gelegen vertrek gezocht.

Cyprianus begon met den hals van het dier met de hand te betasten, om de ligging van den krop goed te bepalen. Dat was niet moeielijk; want die krop vormde bij het bovengedeelte van de kliermaag een aanmerkelijke dikte, die hard was en door de vingers zeer duidelijk te midden der weekere deelen, die hem omsloten, waargenomen kon worden. In de huid van den hals, die wijd en week was als de huid van een kalkoen en met een grijs dons bedekt, dat gemakkelijk verwijderd kon worden, [117] werd toen met een pennemes eene insnijding gemaakt. Er had daarbij slechts weinig verbloeding plaats, die nog gemakkelijk met eene natte spons verwijderd kon worden. Cyprianus verkende nu aandachtig de ligging van twee of drie belangrijke aderen, die hij zorgvuldig met behulp van haakjes van ijzerdraad, die hij door Bardik liet vasthouden, ter zijde schoof. Daarna zette hij het mes in een wit paarlmoerachtig weefsel, dat eene uitgestrekte holte boven de sleutelbeenderen afsloot, en had weldra den krop van den struisvogel blootgelegd.

Als men zich den krop van een hoen voorstelt, die honderdmaal in omvang, in dikte en in gewicht toegenomen is, dan zal men een vrij juist denkbeeld hebben van het bekken, wat thans zichtbaar was.

Dada’s krop vertoonde zich als een bruine zak, die door de vreemde lichamen, welke het vraatzuchtige dier op dien dag en ook al vroeger ingeslikt had, zeer uitgerekt was. Het gezicht van dat vleeschachtige orgaan, dat zich krachtig en gezond voordeed, was alleen voldoende, om te doen begrijpen, dat er geen gevaar bestond door er eene insnijding in te maken. Cyprianus nam dan ook zonder aarzelen het jachtmes, dat Li hem aanreikte na het eerst goed aangescherpt te hebben, en maakte een diepe snede in die massa. Het was daarna zeer gemakkelijk de hand door die spleet tot onder in den krop te brengen. Al dadelijk werd het zoozeer verlangde document te voorschijn gebracht. Het was als in een bal samengerold, zeer gekreukeld, maar overigens ongedeerd.

“Er zit nog wat anders in,” zei Cyprianus, die de hand andermaal in de holte gebracht had en ditmaal een ivoren bal te voorschijn bracht. “De maasbal van miss Watkins!” riep hij uit. “Men bedenke, dat het vijf maanden geleden is, dat die vermist is. Bepaald heeft die de beneden-opening van den krop niet voorbij kunnen komen!”

Na dien maasbal aan Bardik overgereikt te hebben, vervolgde hij zijne nasporingen in dien vreemdsoortigen zak, zooals een oudheidkundige in een pas opgedolven Romeinsch kamp zoude gedaan hebben.

“Een koperen blaker!” riep hij verrast uit, terwijl hij een van die nederige huishoudelijke voorwerpen te voorschijn bracht, dat er gedeukt, platgedrukt uitzag en vol kopergroen, maar toch nog volkomen herkenbaar was.

Het lachen van Bardik en Li daarover was zoo aanstekelijk, dat Alice zelf, die intusschen het vertrek weer binnengetreden was, moest meedoen.

“Muntstukken!.... Een sleutel!.... Een hoornen kam!....” vervolgde Cyprianus, terwijl hij voortging den inventaris van den inhoud van dien krop op te maken.

Hij verbleekte plotseling. Zijne vingers beroerden thans een voorwerp van niet alledaagschen vorm!.... Neen, hij kon zich niet vergissen omtrent den aard van hetgeen hij daar in dien zak betastte.... En toch.... aan zoo’n toeval kon hij niet gelooven!

Hij trok eindelijk zijne hand uit de holte terug en vertoonde het voorwerp, hetwelk hij gegrepen had....

Maar welke kreet ontsnapte aan den mond van John Watkins!

“De Zuidster!” gilde hij.

Ja, de beroemde diamant was gaaf en wel teruggevonden. Hij had niets van zijn glans verloren en hij schitterde onder het daglicht, dat door het venster binnenviel, als eene ster van de eerste grootte!

Maar zonderling en opmerkenswaardig was het feit, dat alle getuigen van dat tooneel dadelijk opviel. De diamant was van kleur veranderd. De Zuidster was van zwart, zooals zij vroeger was, rooskleurig geworden, van dat bevallige roséachtige, hetwelk, als het mogelijk ware, hare helderheid en pracht nog vermeerderde.

“Denkt ge niet dat dit hare waarde vermindert?” vroeg John Watkins, zoodra hij weer spreken kon, met levendige stem. De verrassing en de vreugde hadden hem waarachtig den adem benomen.

“Volstrekt niet!” antwoordde Cyprianus. “Het is integendeel eene merkwaardigheid te meer, die dezen steen tot de zoo zeldzamen groep van de “cameleon-diamanten” doet behooren!.... Drommels!.... het schijnt dat het niet koud in den krop van Dada is; want die verandering van tint bij de gekleurde diamanten geschiedt gewoonlijk niet dan tengevolge van eene [118] plotselinge en aanmerkelijke temperatuursafwisseling. Zoo is tenminste het oordeel der geleerden.”

“Oh!.... Goddank!.... dat ik u teruggevonden heb, mijne schoone!” herhaalde master Watkins, terwijl hij den diamant met angstvalligheid in zijne handen besloot, alsof hij zich verzekeren wilde, dat hij niet droomde. “God, wat hebt ge mij zorg en verdriet berokkend door uw uitstapje, o, ondankbare ster! Maar ik zal oppassen, dat gij mij niet weer ontsnapt!”

Hij bracht den steen daarbij ter hoogte zijner oogen, streelde hem met den blik en zou waarlijk haast het voorbeeld van Dada gevolgd hebben door hem op te slikken, zoo bang was hij hem andermaal kwijt te raken!

Onderwijl liet Cyprianus zich door Bardik een naald, voorzien van een dikken, stevigen draad, aanreiken, waarmede hij den krop van den struisvogel zorgvuldig dichtnaaide. Daarna sloot hij de wondvlakken aan den hals met hechtpleister en ontdeed het dier van zijne banden, die het tot machteloosheid doemden.

Dada scheen zeer afgemat en terneergeslagen; zij boog het hoofd en legde geen neiging aan den dag om weg te loopen.

“Zal zij er van opkomen, mijnheer Cyprianus?” vroeg Alice, die meer begaan was met het lijden van hare gunstelinge dan dat zij ingenomen was met het terugvinden van den diamant.

“Of zij er van zal opkomen, miss Watkins?” antwoordde Cyprianus. “Zoudt gij dan kunnen denken, dat ik de bewerking ondernomen had, wanneer ik daarvan niet zeker was?.... Geloof mij, over drie dagen zal er van die snede niets meer te bespeuren zijn, en over drie uren zal Dada weer neiging aan den dag leggen, dien zonderlingen zak, dien ik daar geledigd heb, andermaal te vullen!”

Door die woorden gerustgesteld, schonk Alice den jeugdigen ingenieur een dankbaren blik, die hem voor al zijne moeiten ruimschoots beloonde.

Eindelijk was John Watkins er in geslaagd tot de overtuiging te geraken, dat hij zijn gezond verstand had, en dat hij weer in het bezit was van zijn bewonderenswaardige ster. Hij verliet het venster en zich tot Cyprianus wendende:

“Mijnheer Méré,” sprak hij op statigen toon, “gij hebt mij daar een grooten dienst bewezen en ik weet niet hoe ik dien ooit zal kunnen vergelden.”

Vergelden!.... O! John Watkins had daartoe een zeer eenvoudig middel! Zou het hem zoo moeilijk vallen zijn belofte te houden, namelijk den jongen man de hand zijner dochter te schenken? Hij had die hand toch beloofd aan hem, die de Zuidster zou terugbrengen. En waarlijk, was het niet alsof Cyprianus den diamant van uit het binnenste der Transvaal had aangebracht?

Ziedaar wat de verliefde in zich zelven prevelde; maar hij was te fier om die gedachte met luider stem voor te dragen. Hij meende daarenboven zeker te zijn, dat die gedachte van zelf in het brein van den Engelschman zou opwellen.

Maar John Watkins repte daarvan geen woord. Hij wenkte zijne dochter om hem te volgen en verdween in zijne woning.

Het is bijna onnoodig te vertellen, dat weinige oogenblikken later Makatit zijne vrijheid herkreeg. Maar het had toch weinig gescheeld of de arme drommel had de slokkerigheid van Dada met zijn leven betaald. Hij moest zich zelf bekennen, dat hij den dans ter nauwernood ontsprongen was.

Drie en twintigste hoofdstuk.

Eene verschijning.

De gelukkige John Watkins, die thans de rijkste inwoner van Grikwaland was, kon niet anders, na vroeger een maaltijd aangericht te hebben om de geboorte van de Zuidster te herdenken, dan een tweede te geven om hare wedergeboorte te vieren. Maar dezen keer zouden de voorzorgsmaatregelen voldoende getroffen worden, om te voorkomen, dat zij niet ten tweeden male verdween, terwijl thans Dada niet uitgenoodigd werd.

Het feestmaal was dan ook in den namiddag van den volgenden dag reeds in vollen gang.

John Watkins had reeds vroeg in den morgen zijne gewone genoodigden [119] om zich verzameld en had bij de slagers van het distrikt vleeschstukken besteld, die voldoende zouden geweest zijn om eene geheele kompagnie infanterie te voeden; hij had zijne keukens met levensmiddelen, zoowel versche als verduurzaamde, en met zooveel wijnen en vreemde likeuren gevuld als de leveranciers in den omtrek slechts hadden kunnen bijbrengen.

Tegen vier uur was de tafel in de groote zaal gedekt, stonden de flesschen behoorlijk gerangschikt op het buffet en staken de stukken ossen- en schapenvleesch aan het spit en waren flink aan het braden.

De genoodigden verschenen te zes uur, natuurlijk in hunne schoonste kleederen gedost. Tegen zeven uur had de toonladder van de spraakzaamheid der gasten reeds zulk een hoogte bereikt, dat een trompetter met moeite dat geschreeuw met zijn instrument zou hebben kunnen overstemmen. Matthijs Pretorius, die sedert hij de akelige grappen van Hannibal Pantalucci niet meer te verduren had, veel geruster van inborst was geworden, zat daar aan met Thomas Staal, die van gezondheid en kracht straalde, met den makelaar Nathan, met andere pachters, mijnwerkers en kommissarissen van politie.

Cyprianus, zich gedragende volgens een bevel van Alice, had niet kunnen weigeren dat feest bij te wonen, daar het jonge meisje ook genoodzaakt was tegenwoordig te zijn. Maar beiden waren wel droevig gestemd, want—het viel niet te ontkennen—de bezitter van ruim vijftig millioenen kon er niet aan denken de hand zijner dochter te geven aan een eenvoudigen ingenieur, “die niet eens diamanten kon vervaardigen”. Ja, de zelfzuchtige behandelde zoo reeds den jeugdigen geleerde, waaraan hij in werkelijkheid zijn nieuw vermogen te danken had.

Het diner had zijn voortgang te midden van de zeker niet gematigde geestdrift van de gasten.

Vóór den gelukkigen Engelschman—en volstrekt niet achter hem, zooals vroeger—lag de Zuidster op een klein kussen van blauw fluweel, beschut door een traliewerk van metaaldraden en door eene glazen stolp, en schitterde met vollen glans bij het licht der waskaarsen.

Er heerschte toen eene drukkende hitte.

Miss Watkins zat als in zich zelve gekeerd aan dien disch en scheen niets te hooren. Zij had den blik op Cyprianus gericht, die even mistroostig was als zij. De tranen stonden haar in de oogen.

Drie slagen, die luidruchtig op de deur klonken, braken plotseling de gesprekken en het gerinkinkel der glazen af.

“Binnen!” riep John Watkins met schorre stem. “Wie gij ook zijn moogt, gij komt ter rechter tijd, wanneer gij dorst hebt!”

De deur ging open. De lange en magere gestalte van Jakobus Vandergaart verscheen op de drempel.

De gasten keken elkander verwonderd aan over die onverwachte verschijning. Iedereen kende zoo goed de oorzaken van de vijandschap tusschen John Watkins en Jakobus Vandergaart, dat een dof gemompel vernomen werd. Iedereen verwachtte iets ernstigs.

Een diepe stilte was daarna ingetreden. Aller oogen waren op den ouden diamantslijper met zijne witte haren gevestigd. Deze stond recht overeind, met gekruiste armen en met den hoed op het hoofd, in zijn lange Zondagsjas gehuld. Hij scheen het spook der wraak te zijn. John Watkins voelde eene onbestemde vrees opkomen. Hij rilde en verbleekte onder het vermiljoenrood, dat het alcoholmisbruik onuitwischbaar op zijne hoekige jukbeenderen geverfd had. Toch poogde hij zich tegen dat onverklaarbare gevoel te verzetten.

“He, he!” zei hij, terwijl hij het eerst het woord tot Jakobus richtte, “het is langen tijd geleden, buurman Vandergaart, dat gij mij het genoegen geschonken hebt u hier ten mijnent te vertoonen! Welk goed gesternte voert u herwaarts?”

“Het gesternte der gerechtigheid, buurman Watkins!” antwoordde de grijsaard koel. “Ik kom u mededeelen dat het recht eindelijk gaat zegepralen en, na zeven jaren lang verscholen te zijn geweest, te voorschijn gaat treden. Ik kom u aankondigen, dat het uur der vergelding geslagen heeft, dat ik in het bezit van mijn eigendom zal geraken, en dat de Kopjes-mijn, die steeds mijn naam gedragen heeft, voortaan mij wettig toebehoort, zooals zij mij volgens [120] de billijkheidswetten steeds toebehoord heeft! Heden zijt gij het, dien de wet het bezitrecht ontneemt en veroordeelt om mij terug te geven, wat mij ontnomen is!”

Al had John Watkins zich ook, bij de plotselinge verschijning van Jakobus Vandergaart en door het nevelachtige gevaar, dat zij scheen aan te kondigen, aanvankelijk verstijfd gevoeld, zoo bracht zijn bloedrijk gestel en ontembaar karakter hem er toe om een direct en afgebakend gevaar stout onder de oogen te zien. Hij wierp zich dan ook tegen de leuning van zijn stoel en lachte op de meest smadelijke wijze.

“De oude vent is gek!” zeide hij, zich tot zijne gasten wendende. “Ik heb altijd gedacht dat er een streep door liep; het schijnt in den laatsten tijd erger te worden!”

Iedereen lachte om die grofheid. Jakobus Vandergaart bleef kalm en knipoogde zelfs niet.

“Wie het laatst lacht, lacht het best!” zei hij ernstig, terwijl hij een papier uit den zak haalde. “John Watkins, gij weet dat een eindvonnis, dat in appèl bevestigd werd en dat zelfs de Koningin niet meer zou kunnen vernietigen, u in dit district de terreinen toegewezen heeft, die westwaarts van den vijf-en-twintigsten lengtegraad ten oosten van den meridiaan liggen?”

“Volmaakt juist, waardige wauwelaar!” riep John Watkins uit. “En daarom zoudt ge beter doen met naar bed te gaan, wanneer ge ziek zijt, dan eerlijke lieden te komen storen, die bezig zijn met dineeren en niemand iets verschuldigd zijn.”

Jakobus Vandergaart had zijn papier ontvouwd.

“Hier,” zeide hij, “is eene verklaring van het Kadastrale Comité, welke door den Gouverneur gewaarmerkt en eergisteren te Victoria geregistreerd is. Dat stuk constateert eene feitelijke vergissing, welke tot heden in al de terreinopnamen van Grikwaland geslopen is. Die vergissing, welke tien jaren geleden door de landmeters begaan is, die met de opmeting van het district belast waren, en die geen rekening gehouden hebben met de magnetische afwijking van de kompasnaald met het ware noorden, die vergissing vernietigt alle opnemingen, die deze dwaling tot grondslag hebben. Ten gevolge van de verbetering, die plaats gehad heeft, bevindt zich thans de vijf-en-twintigste graad oosterlengte van Greenwich drie mijlen meer westelijk. Die verbetering herstelt mij dus in het bezit van de Kopjes-mijn, die u toegewezen was, want volgens het advies van al de rechtsgeleerden en van den chief-justice in persoon, kan de letter en de geest van het geslagen vonnis niets van deszelfs kracht verliezen. Ziedaar, John Watkins, wat ik u kom vertellen.”

Het zij dat de Engelschman hem niet dan onvolkomen begrepen had, hetzij hij voorbedachtelijk weigerde te begrijpen, wie zal dat uitmaken? Hij beantwoordde den ouden diamantslijper nogmaals met een hoonend gelach. Maar die lach klonk valsch en vond geen steun bij de gasten. Deze hielden allen verwonderd den blik op Jakobus Vandergaart gevestigd en schenen getroffen door diens ernst, door de vrijmoedigheid zijner verklaring en door de onwrikbare zekerheid, die uit zijne woorden, uit zijne geheele houding straalde.

De makelaar Nathan maakte zich tot tolk van het algemeen gevoelen, toen hij sprak:

“Wat mijnheer Vandergaart daar zegt, bevat volgens mij niets, dat voor dwaas kan uitgekreten worden. Die vergissing met dien lengtegraad kan zeer goed geschied zijn. Mij dunkt dat nadere inlichtingen moeten afgewacht worden, alvorens ons gevoelen uit te spreken.”

“Inlichtingen afwachten?” riep John Watkins uit, terwijl hij met de vuist krachtig op de tafel sloeg. “Ik heb met uwe inlichtingen niets te maken!.... Ik lach om uwe inlichtingen!.... Ben ik hier op mijn eigendom, ja of neen?.... Is mij de Kopjes-mijn bij een eindvonnis, welks kracht die oude kaaiman zelf erkent, toegewezen, ja of neen?.... Welnu, wat kan mij de rest schelen?.... Wanneer men het mij nog omtrent het rustige bezit van mijn eigendom lastig maakt, dan zal ik doen wat ik reeds gedaan heb: ik zal mij tot de gerechtshoven wenden en wij zullen zien wie gelijk heeft!”

“De competentie van de gerechtshoven is ten einde,” antwoordde Jakobus Vandergaart met opzettelijke kalmte. “Alles bepaalt zich thans tot [121] de daadzaak, tot de vraag: ligt de Kopjes-mijn rechts of links van den vijf-en-twintigsten lengtegraad? En daar het nu officiëel uitgemaakt is, dat een vergissing heeft plaats gehad, zoo is de onvermijdelijke gevolgtrekking daarvan, dat die mijn tot mijn bezit wederkeert.”

Terwijl hij dat zeide, toonde Jacobus Vandergaart het officiëele dokument, dat van de vereischte handteekeningen en zegels voorzien was.

John Watkins was niet op zijn gemak. Hij bewoog en draaide op zijn stoel. Hij trachtte te spotten; maar dat ging hem slecht af. Zijn blik viel in dat oogenblik op de Zuidster. Dat gezicht scheen hem het zelfvertrouwen, dat hem begon te verlaten, te hergeven.

“Als alles nu eens zoo was,” riep hij uit, “als ik waarlijk tegen alle recht en billijkheid in, dit eigendom, dat mij wettiglijk toegewezen is en dat ik sedert zeven jaren bezeten heb, moest afstaan, wat zou mij dat alles goed en wel beschouwd kunnen schelen? Bezit ik niet meer dan genoeg om mij te troosten, al was het maar alleen met dat juweel, dat ik in mijn vestzak kan meenemen en mij tegen alle ongeval kan behoeden?

“Dat’s ook een dwaling, John Watkins,” hernam Jacobus Vandergaart op kort afgemeten toon. “De Zuidster is mijn eigendom evenals alle voortbrengselen, die uit de Kopjes-mijn gewonnen zijn en bij u teruggevonden worden, evenals het meubilair van dit huis, evenals de wijn in die flesschen, evenals dat gebraden vleesch op dien schotel. Alles, alles behoort mij; omdat alles voortspruit uit het onrecht, dat mij aangedaan is!.... En vlei u niet,” vervolgde hij, “mijne maatregelen zijn goed genomen.”

Jacobus Vandergaart sloeg in zijn magere handen. Dadelijk verschenen eenige konstabels op den drempel van de deur. Zij werden gevolgd door een officier van den Sherif, die binnentrad en met de hand op een stoel klopte, terwijl hij uitriep:

“In naam der wet leg ik voorloopig beslag op al de voorwerpen, meubelen en waarden van welken aard ook, die zich hier in dit huis bevinden!”

Iedereen was opgestaan, behalve John Watkins. De Engelschman lag vernietigd in zijn leuningstoel uitgestrekt en scheen door den bliksem getroffen. Alice sloeg hare armen om zijn hals en zocht hem met lieftallige toesprekingen op te beuren.

Jakobus Vandergaart verloor hem evenwel niet uit het oog. Hij beschouwde hem meer met mededoogen dan wel met haat; maar waakte daarbij over de Zuidster, die te midden van die ramp even luisterrijk glinsterde.

“Verloren!.... Geruïneerd!....”

Die woorden ontsnapten slechts aan de trillende lippen van John Watkins. In dat oogenblik stond Cyprianus evenwel op en sprak op ernstigen toon:

“Mijnheer Watkins, daar uwe welvaart met een onherstelbaren ondergang bedreigd wordt, zult gij mij vergunnen daarin slechts de mogelijkheid te zien, mejuffrouw uwe dochter in stand meer nabij te komen!.... Ik heb de eer u de hand van miss Alice Watkins te vragen.”

Vier en twintigste hoofdstuk.

Een vallende ster.

Dit aanzoek van den jeugdigen ingenieur veroorzaakte werkelijk eene buitengewone verrassing. Hoe gretig de gevoeligheid van hunne half wilde natuur ook was, zoo konden toch al de gasten van John Watkins niet nalaten het luidruchtig toe te juichen. Zoo veel belangeloosheid moest hen treffen.

Alice zat daar met neergeslagen oogen en met kloppend hart, misschien als de eenige, die niet verwonderd scheen over des jonkmans stap, in alle stilte naast haren vader.

De ongelukkige Engelschman was nog ter neergebogen onder den vreeselijken slag, die hem getroffen had. Op die woorden verhief hij het hoofd. En inderdaad, hij kende Cyprianus genoegzaam om te weten, wanneer hij hem de hand zijner dochter schonk, dat hij de toekomst en het geluk van Alice verzekerde; hij wilde evenwel nog niet, zelfs niet met een teeken aanduiden, dat hij tegen dat huwelijk geene tegenwerping meer te maken had.

Cyprianus, thans verlegen over den stap, waartoe zijne liefde hem verleid had, voelde er ook de vreemdheid van en begon zich reeds te verwijten, dat [122] hij zich zelven niet meester gebleven was.

Te midden van de algemeene en zoo licht te begrijpen verlegenheid, deed Jakobus Vandergaart een pas voorwaarts naar den Engelschman.

“John Watkins,” zei hij, “ik houd er niet van om van mijne overwinning misbruik te maken; ook behoor ik niet tot dezulken, die een gevelden vijand onder den voet halen! Wanneer ik op mijn recht sta, dan doe ik dat, omdat ieder mannenhart zulks betaamt en moet doen. Maar ik weet bij ondervinding, wat mijn advokaat steeds herhaalde, namelijk, dat het stiptste recht soms de onbillijkheid zeer nabij is. Ik zou niet willen dat onschuldigen den last van feilen moeten dragen, die zij niet begingen!.... Daarenboven, ik ben alleen op de wereld en het graf reeds nabij. Waartoe zou mij zooveel rijkdom dienen, wanneer ik niemand had om hem mede te deelen?.... John Watkins, wanneer gij uwe toestemming tot de vereeniging van die twee kinderen geeft, dan verzoek ik hen die Zuidster, die mij tot niets dienstig zoude zijn, als huwelijksgift aan te nemen.... Ik verbind mij daarenboven om hen tot mijne erfgenamen te benoemen en herstel dus binnen de grenzen der mogelijkheid de onwillekeurige nadeelen, die ik uwe bekoorlijke dochter berokken!”

Er ontstond bij die woorden onder de toeschouwers, wat men in de verslagen van Kamerzittingen zoude noemen: “eene levendige beweging van belangstelling en van sympathie.” Aller blikken vestigden zich op John Watkins. Zijne oogen waren plotseling vochtig geworden; hij bedekte ze daarom met zijne bevende handen.

“Jakobus Vandergaart!.... riep hij eindelijk uit, de stormachtige gevoelens, die hem bewogen, niet meer kunnende onderdrukken. “Ja!.... gij zijt een braaf man en gij neemt, door het geluk van die twee kinderen te bewerken, een edele wraak over al het kwaad en al het leed, dat ik u berokkend heb!”

Noch Alice, noch Cyprianus waren in staat te antwoorden. Daartoe weigerde hunne stem den dienst, maar hunne blikken spraken voor hen. De grijsaard reikte zijnen tegenstander de hand, die John Watkins met vuur greep. De oogen van alle omstanders waren vochtig, zelfs die van den ouden konstabel met grijze haren, die er toch zoo droog uitzag als eene scheepsbeschuit door de Engelsche admiraliteit geleverd. Wat John Watkins aangaat, die was geheel veranderd. Zijn gelaat vertoonde thans welwillendheid en zijne trekken zooveel zachtheid als zij vroeger hardheid en boosheid te kennen gaven. Het ernstige gelaat van Jakobus Vandergaart had zijne gewone plooi, die van eene onverstoorbare zachtzinnigheid, hernomen.

“Laat ons alles vergeten,” riep hij uit, “en laten wij met den wijn, waarop beslag gelegd is, op het welzijn en op het geluk van deze kinderen drinken—wanneer, wel te verstaan, mijnheer de officier van den Sherif zulks veroorloven zal.”

“Een officier van den Sherif heeft soms tot plicht om zich tegen den verkoop van dranken te moeten verzetten, waarop beslag gelegd is,” antwoordde de magistraat met een glimlach, “maar nimmer zal hij zich tegen hunne verorbering aankanten!”

Op die woorden, die van welwillendheid getuigden, gingen de flesschen rond en heerschte weldra weder de meest gulle hartelijkheid in de eetzaal.

Jakobus Vandergaart had plaats naast John Watkins genomen en beraamde thans plannen voor de toekomst met hem.

“Wij zullen hier alles verkoopen,” zei hij, “en wij zullen de kinderen naar Europa volgen! Wij zullen ons buiten in hunne nabijheid vestigen en dan zullen ons nog fraaie dagen beschoren zijn.”

Alice en Cyprianus, die naast elkaar gezeten waren, hadden een fluisterend gesprek in het Fransch begonnen, dat niet minder belangwekkend was, wanneer men ten minste mocht afgaan op de levendigheid van gebaren der beide partijen.

De warmte was al meer en meer toegenomen. Eene zwaarwichtige en drukkende hitte verdroogde de lippen bij den rand der glazen en vervormde al de gasten in electrische werktuigen, die gereed waren vonken van zich af te geven. Het was tevergeefs dat vensters en deuren opengezet werden. Niet de minste zucht van frissche lucht deed de vlam der waskaarsen heen of weer bewegen.

Een ieder gevoelde dat slechts eene oplossing bij zoo’n luchtdruk mogelijk [123] was, namelijk door een van die onweders, welke, vergezeld van donder, bliksem en stortregens, in Afrika op eene samenzwering van al de elementen der natuur gelijken. Men verwachtte dat onweder, men hoopte er op.

Plotseling verlichtte een bliksemstraal alle gezichten met een groenachtigen weerschijn, terwijl tegelijkertijd het geratel van den donder, die over de vlakte rolde, aankondigde dat het concert ging beginnen. Op dit oogenblik overviel eene plotselinge windvlaag de zaal en doofde alle lichten uit. Daarop openden zich zonder overgang alle sluizen des hemels en begon de zondvloed.

“Hebt gij dadelijk na dien donderslag een klein droog geluid niet gehoord, alsof er iets brak?” vroeg Thomas Staal, terwijl men zich beijverde de ramen en deuren te sluiten en de waskaarsen aan te steken. “Men zou gezegd hebben dat een glazen bol uit elkaar sprong.”

Alice’s blikken richtten zich onwillekeurig naar de Zuidster....

De diamant was weg. Toch waren èn de kooi van ijzerdraad èn de glazen stolp, die hem overdekt hadden onbeschadigd en niet van hun plaats geweest. Het was klaarblijkelijk onmogelijk dat iemand er aan geraakt had. Het was alsof er tooverij gebeurd was. Cyprianus, die zich snel voorovergebogen had, bespeurde een soort grijs poeder, dat op het kussen van blauw fluweel lag, op de plaats straks door den diamant ingenomen. Hij kon een kreet van verrassing niet onderdrukken en beduidde met een korten volzin, wat er voorgevallen was.

“De Zuidster is uit elkaar gesprongen!” zei hij.

Iedereen in Grikwaland weet, dat dit eene bijzondere ziekte of beter een gebrek is, aan de diamanten van het land eigen. Men spreekt er niet over, omdat het hunne waarde zeer vermindert, maar het feit bestaat, dat, tengevolge van eene tot nog toe onverklaarbare moleculaire werking, die meest kostbare steenen uit elkander springen als waren het eenvoudige voetzoekers. In dat geval blijft er niets anders van over dan een weinig stof, dat hoogstens bij industrieële bewerkingen gebezigd kan worden. De jeugdige ingenieur had veel meer het brein vervuld met het beschouwen van den wetenschappelijken kant van het ongeluk, dan wel dat hij acht gaf op het overgroot verlies dat hem dit berokkende.

“Wat zonderling is,” zei hij te midden van de algemeene verbazing, “dat is, niet dat de steen uit elkander gesprongen is, maar dat hij tot heden daarmede gewacht heeft; dat is merkwaardig. Gewoonlijk gebeurt dat met die diamanten veel vroeger, meestal binnen de tien dagen nadat zij geslepen zijn. Is dat niet zoo, mijnheer Vandergaart?”

“Volmaakt juist,” antwoordde de oude diamantslijper met een zucht, “en dit is de eerste maal in mijn leven, dat een diamant uit elkander springt, nadat hij drie maanden geslepen is. Kom.... het was door hooger macht besloten, dat de Zuidster niemand zou toebehooren. En als ik bedenk, dat een dun laagje vet dat ongeluk voorkomen zou hebben, dan....”

“Waarlijk,” riep Cyprianus uit met de voldoening van iemand, die eindelijk een moeilijk raadsel opgelost ziet. “In dat geval wordt alles verklaard. De breekbare ster heeft voorzeker aan den krop van Dada de beschermende laag vet ontleend en die heeft haar tot heden bewaard. Waarlijk, zij had beter gedaan met vier maanden vroeger uit elkander te springen, dat zou ons het reisje door de Transvaal uitgespaard hebben!”

Men lette thans op John Watkins, die zich ongeduldig in zijn leuningstoel heen en weer bewoog.

“Hoe kunt gij zoo’n ramp zoo licht opnemen?” zei hij eindelijk, terwijl hij rood van verontwaardiging was. “Gij zit daar allen over die vijftig millioenen, die in rook verdwenen zijn, te wauwelen, alsof het eene eenvoudige cigarette gold.”

“Dat bewijst u, dat wij wijsgeeren zijn,” antwoordde Cyprianus. “Waarachtig, het is nu wel tijd om de wijsbegeerte te beoefenen, nu wij niet anders kunnen.”

“Wijsgeer zooveel ge wilt!” pruttelde de Engelschman, “maar vijftig millioenen zijn vijftig millioenen en die vindt men niet onder den hoef van een paard!.... Kijk, Jacobus, gij hebt mij heden waarlijk een grooten dienst bewezen, zonder het evenwel te weten. Ik geloof, dat ook ik uit elkander zou gesprongen zijn als een kastanje in de heete asch, wanneer de Zuidster [124] mijn eigendom ware gebleven!”....

“Om het even,” viel Cyprianus hem in de rede, terwijl hij daarbij met een liefdevollen blik het frissche gelaat van miss Watkins, die naast hem zat, aankeek, “ik heb heden avond een zoo kostbaren diamant veroverd, dat het verlies van elken andere mij geheel onverschillig laat en mij niet kan deren!”

Zoo eindigde plotseling, als eene verwisseling van dekoratief op een tooneel, het veel bewogen maar korte bestaan van den grootsten geslepen diamant, die ooit op de wereld aanwezig was. Een zoodanig einde bracht, zooals men wel begrijpen kan, niet weinig het zijne er toe bij, om de bijgeloovige meeningen, die op zijne rekening in omloop waren, te bevestigen en te bestendigen. Meer dan ooit waren èn de Kaffers, èn de mijnwerkers van meening, dat zulke groote diamanten slechts ongeluk aanbrengen.

Jakobus Vandergaart, die hem geslepen had, en Cyprianus, die het plan gevormd had om hem aan het museum van de Mijnschool aan te bieden, ondervonden meer spijt over dat onverwachte verdwijnen van den steen, als zij wel wilden bekennen. Maar in weerwil daarvan bleef de wereld toch hare baan ongestoord vervolgen en niemand kan verklaren, dat zij bij het verdwijnen van de Zuidster veel verloren heeft.

Alle die gebeurtenissen, die opeenvolging van pijnlijke aandoeningen, het verlies van zijn vermogen, gevolgd door het verlies van de Zuidster, misten hunne uitwerking op John Watkins niet. Zijne gezondheid was zeer ondermijnd. Hij werd bedlegerig, kwijnde gedurende eenige dagen en ging als eene kaars uit. Noch de zorgen vol toewijding zijner dochter, noch die van Cyprianus, noch de mannelijke vermaningen van Jakobus Vandergaart konden baten. De oude Engelschman voelde zich getroffen in zijn hoogmoed, in zijne eigenaars-voorliefde, in zijne zelfzucht, in alle zijne gewoonten. Neen, hij gevoelde dat hij verloren was. Op een avond trok hij Alice en Cyprianus tot zich, legde hunne handen in elkander en blies zonder een woord te spreken, den laatsten adem uit. Hij had zijne geliefde Zuidster geen veertien dagen overleefd.

Weinige weken later werd het huwelijk van Cyprianus Méré met Alice Watkins op de meest eenvoudige wijze voltrokken. Alice was thans de echtgenoote van Cyprianus!.... Wat kon zij, wat kon hij meer verlangen?

Maar al was het vermogen van John Watkins verdwenen, toch was de ingenieur rijker dan zijne jonge vrouw kon vooronderstellen, rijker dan hij zelf wist. Tengevolge van de vondst van de Zuidster was zijn claim toch buitengewoon in waarde gestegen. Gedurende zijne reis naar de Transvaal had Thomas Staal de ontginning voortgezet en daarbij veel geluk gehad. De aanbiedingen stroomden Cyprianus dan ook toe om zijn gedeelte te verkoopen. Hij verkocht dat dan ook vóór zijn vertrek naar Europa voor vijftigduizend gulden.

Nu draalden Alice en Cyprianus niet meer om Grikwaland te verlaten, teneinde naar Frankrijk terug te keeren. Zij volvoerden dat plan evenwel niet dan nadat zij de toekomst van Li, van Bardik en van Makatit verzekerd hadden. Jacobus Vandergaart bracht daartoe het zijne bij.

De oude diamantslijper had toch de Kopjes-mijn verkocht aan eene vennootschap, die door den ex-makelaar Nathan bestuurd werd. Toen die likwidatie afgeloopen was, vertrok hij naar Frankrijk, om bij zijne aangenomen kinderen te leven.

Deze vonden het geluk in hun wederzijdsch bezit. Cyprianus verwierf evenwel, dank zij zijne werkkracht, zijne algemeen erkende verdiensten en de waardeering, die hij van wege de geleerde wereld ondervond, een onafhankelijk vermogen.

Thomas Staal keerde naar Lancashire terug met een kapitaaltje van ongeveer twee en een halve ton. Hij is daar getrouwd, neemt als een gentleman trouw aan de vossenjacht deel en drinkt alle avonden zijn flesch Portwijn leeg.

Dit laatste mag niet als het fraaiste van zijn geschiedenis beschouwd worden.

De Vandergaart-Kopjes-mijn is nog niet uitgeput. Zij levert nog steeds ongeveer het vijfde gedeelte van de diamanten, die van de Kaapstad uitgevoerd worden; maar niemand heeft meer het goede of kwade gesternte gehad,—zooals men wil,—om andermaal eene Zuidster te vinden.

Einde.

[125]

Inhoudsopgave

In deze editie van Jules Verne’s Wonderreizen zijn de volgende deelen verschenen:

Prijs per deel 75 Cent.


Een boek, op welks bezit elke Nederlandsche huisvrouw, die gaarne nu en dan eens een

Bizondere schotel

op haar tafel wil zien verschijnen, ongetwijfeld hoogen prijs zal stellen, is

Wereldrecepten

voor de Hollandsche Keuken

verzameld door

Martine Wittop Koning

N.B. Recepten voor allerlei lekkere schotels en kostjes, die evengoed hier bereid kunnen worden als in het land van herkomst, opgegeven door Nederlandsche vrouwen uit alle landen van de wereld.

Prijs ƒ 3.25 ingenaaid, ƒ 4.25 gebonden.

330 Bladzijden.

Uitgevers-Maatschappy “Elsevier”, Amsterdam.


Rookt,

de echte Egyptische sigaretten

van

Theodoro Vafiadis & Co.

Caïro

Let op den juisten voornaam en op het Egyptische zegel

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Plaats Bron Verbetering
Plaats herna hernam
Plaats glimlachenden glimlachend
Plaats Cryprianus Cyprianus
Plaats Watlkins Watkins
Plaats scheeepsjongen scheepsjongen
Plaats Gyprianus Cyprianus
Plaats diamenten diamanten
Plaats officieele officiëele
Plaats diamamt diamant
Plaats .
Plaats geestesontwikkelijng geestesontwikkeling
Plaats geëindid geëindigd
Plaats toe
Plaats
Plaats markprijs marktprijs
Plaats zelfst zelfs
Plaats Wathins Watkins
Plaats Crypianus Cyprianus
Plaats Vandergaat Vandergaart
Plaats .
Plaats vijf en-twintigsten vijf-en-twintigsten
Plaats Men Met
Plaats slechts slecht
Plaats duilijker duidelijker
Plaats ,
Plaats ,
Plaats Pantallucci Pantalucci
Plaats Pantaluci Pantalucci
Plaats polijseen polijsten
Plaats
Plaats ,
Plaats ,
Plaats ,
Plaats
Plaats integaalrekeningen integraalrekeningen
Plaats
Plaats Martin-Henri Martini-Henri
Plaats .
Plaats Beself Beseft
Plaats .. ...
Plaats der ter
Plaats voor dat voordat
Plaats hadden had
Plaats Tonaia Tonaïa
Plaats instinkt instinct
Plaats Betsjuanen Betjuanen
Plaats onomgelijk onmogelijk
Plaats vij vijf
Plaats Pantallucci Pantalucci
Plaats .
Plaats . ,
Plaats
Plaats antipathiën antipathieën
Plaats
Plaats .
Plaats Basuto’s Bassuto’s
Plaats twee twee-
Plaats .
Plaats provisiën provisieën
Plaats fluisteremde fluisterende
Plaats saffir safier
Plaats
Plaats
Plaats ,
Plaats
Plaats kristalformatien kristalformatiën
Plaats orientatie oriëntatie
Plaats oogenblijk oogenblik
Plaats .
Plaats .
Plaats Grikwalend Grikwaland
Plaats
Plaats