The Project Gutenberg eBook of Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon

Author: T. Tj. de Boer

Release date: November 14, 2004 [eBook #14042]
Most recently updated: December 18, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN VLIEGREISJE IN HET LAND DER RIJZENDE ZON ***


Bladzijde 220

Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon

Door T. Tj. de Boer.

Onlangs gaf een mijner collega's een' al te enthousiasten aspirant-zeeman den raad: “Als je wat van de wereld wilt zien, ga dan niet naar zee.”

Dit nu klinkt paradoxaal, maar er ligt toch een grond van waarheid in. Weliswaar bezoeken wij vele plaatsen, doch de zeehavens der wereld zijn tot op zekere hoogte allen gelijk.

Eerstens is er altijd een groote categorie van menschen, met wie wij niet in aanraking komen, omdat wij meestal geene introductie hebben. Dan zijn er de kooplui, die, zoowel aan wal als aan boord, den armen zeeman steeds trachten af te zetten, hetgeen hij zich met werkelijk verwonderlijke onverschilligheid laat welgevallen. Verder zijn er de koelie's, die onder ons toezicht het schip moeten lossen en laden, en evenmin een hoog als een juist denkbeeld geven van het volk waartoe zij behooren. En ten slotte is er de buurt waar de zeeman op de meest ergerlijke wijze wordt geplukt, en die het maar het best is te mijden.

Een Japansche straat.

Een Japansche straat.

Bovendien hebben wij vaak weinig tijd en blijft de gelegenheid om aan land iets te zien wat de moeite loont, gewoonlijk beperkt tot des avonds of tot een enkelen vrijen Zondag; juist genoeg om ons te doen wenschen er meer van te kunnen genieten.

Stoomen wij b.v. van Aboji (straat van Simonoseki) naar Kobe door de Binnenzee van Japan, eene reis van één etmaal, dan valt er veel te bewonderen. Het kalme, spiegelgladde water, de honderden groene eilanden en eilandjes, de witte dorpjes, die soms als een vlucht rustende vogels aan den rotswand schijnen te hangen, en 's avonds het glanzende maanlicht, de blauw-lichtende zee en de ontelbare lichtjes der vreemdsoortig gevormde visschersvaartuigen ... dat alles vormt een bekoorlijk geheel, en wekt in ons het verlangen op, dieper in het onbekende land door te dringen, een verlangen, dat slechts zelden bevredigd wordt en, gevoegd bij de kleine ongemakken, aan ons beroep onvermijdelijk verbonden, een zekere onvoldaanheid teweegbrengt, die aanleiding geeft tot overdreven verzuchtingen. Want hoe vroolijk de zeeman ook aan land moge zijn, aan boord is hij een onverbeterlijke mopperaar.

Slechts aan een geluksvogel, zooals ik was, is het soms gegeven, land en volk beter te leeren kennen.

Ik lag nl. in September j.l. met mijn schip te Kobe. Wij hadden één passagier aan boord, een jongmensch, die voor zijn genoegen een reis met ons meemaakte. Deze wilde eenige dagen in Japan reizen en door de goedheid van den gezagvoerder kreeg ik verlof, met hem mee te gaan. Het schip moest nog naar Yokohama en daarna weer terug naar Kobe. Tot zoolang mocht ik wegblijven.

Door dezen samenloop van omstandigheden ben ik in staat gesteld, mijnen lezers eene beschrijving te geven van mijn reis door Japan, het land, dat door zijn ongekend aanpassingsvermogen de geheele wereld heeft verbaasd en vooral in dezen tijd ieders belangstelling opwekt. Uit den aard der zaak is deze beschrijving vluchtig en onvolkomen; zij maakt volstrekt geen aanspraak op volledigheid, want om een goed denkbeeld te kunnen geven van dit vreemde en unieke land, moet men er veel langer vertoeven.

Wij vertrokken 's morgens om 8 uur van boord en lieten ons met een bootje naar den wal roeien. Een ambtenaar van de douane visiteerde onze koffers en liet, toen ik mijn kwaliteit bekend maakte, ons met een ongewoon groote hoeveelheid sigaren ongehinderd door.

Kobe is de drukste havenstad van het land en ligt heel mooi tegen de bergen aan. Doch wij konden ons hier niet ophouden, lieten ons per “jinrickisja” naar een kennis brengen, die ons eenige waardevolle inlichtingen verstrekte, en daarna naar het station.

De jinrickisja (letterlijk: man-kracht-rijtuig), kortweg Bladzijde 221genoemd “ricksja”, is een hoog, tweewielig voertuig, voorzien van een opzetbare kap, dat door een man getrokken wordt met een vrij groote snelheid. Het is het vervoermiddel bij uitnemendheid in Japan, tenminste over niet te groote afstanden, en heeft van hier zijn weg gevonden naar bijna alle plaatsen in Oost-Azië. Wij namen een biljet 1ste klasse naar Tokyo en vertrokken om 10 uur van Kobe.

Het land is over 't algemeen bergachtig en ziet er vruchtbaar uit. Eigenaardig zijn de vele reclames, op groote borden overal langs den spoorweg geplaatst. Soms zijn het meer dan levensgroote menschenfiguren, dan weer enorme flesschen of theepotten of rijwielen, niet altijd even artistiek, ook ziet men wel hoog tegen de groene bergen geweldig groote, witte Japansche karakters afsteken, die den roem van de eene of andere bier- of theesoort mijlen ver verkondigen. Ten 12.25 verlieten wij te Kyoto den trein. Dat gaat in Japan zeer gemakkelijk: zoo'n biljet is nl. vijf dagen geldig, het te laten afteekenen onnoodig. Ook hebben de reizigers 50 kilo bagage vrij.

Spelende Japanse Meisjes.

Spelende Japanse Meisjes.

Kyoto is een groote stad met ± 350000 inwoners. Bijna elf eeuwen lang was het de hoofdstad van het rijk, totdat in 1869 de zetel der regeering naar Tokyo verlegd werd.

Wij reden, natuurlijk weder per ricksja, de geheele stad door naar het Kyoto-hôtel. Dit is zeer mooi gelegen, en biedt een ruim uitzicht aan over de stad met hare ontelbare, grillig gevormde daken, en met de bergen tot achtergrond.

Na de lunch gingen wij er op uit, om wat van Kyoto te zien. Het eerst naar de Hongan-ji, een Boeddha-tempel.

Het Boeddhisme, in de 6de eeuw uit Voor-Indië via China in Japan ingevoerd, is heden ten dage de meest populaire godsdienst. Het is verdeeld in 12 secten, die tezamen meer dan 70000 tempels bezitten, met 60000 bonzen (priesters).

Een vlucht van drie breede, steenen trappen bracht ons bij den eigenlijken tempel, waaromheen weer kleinere gebouwen zijn, die tezamen eene groote uitgestrektheid beslaan met tuinen er rondom, waarin vijvers, bloemperken, enz. Vóór wij binnengingen, werden ons een paar rood-linnen overschoenen aangetrokken met vervaarlijke punten (zoo ongeveer als de hofnar van Lodewijk XIV moet hebben gehad), en daarna werden we in het binnenste van den tempel toegelaten.

Het daglicht drong slechts getemperd tot hier door en het was er doodstil. Bewonderend keken wij rond. Een altaar, schitterende van goud, zilver, koper en lakwerk in alle kleuren, een prachtige troonhemel voor den opperpriester, groote bronzen stellages met tal van koperen klokjes behangen, vreemdsoortig snij- en lofwerk, nooit geziene muziekinstrumenten ... dat alles bracht ons in verwarring.

Ter zijde van het altaar een groot, koperen beeld Bladzijde 222van Boeddha, de beenen gekruist onder het lijf en de handen in den schoot met de palmen naar boven en de knokkels tegen elkaar, den indruk gevende van intense, passieve, passielooze rust.

Doch daar werd de stilte verbroken. Een op de hurken zittende bonze sloeg met een stok met dikken knop op een trom van zeer bijzonderen vorm; met dezelfde regelmatigheid als de balans eener machine ging zijn arm op en neer, terwijl hij met eentonige stem uit een voor hem liggend boek half zong, half las. Dof en somber weerklonken de slagen in de hooge gewelven. Wij haalden diep adem toen wij weer buiten kwamen, het contrast was ook zeer groot. Een vroolijk zonnetje scheen, vogels zongen in de boomen en bloemen geurden langs groenomzoomde vijvers, vol dartelende goudvischjes.

In een afzonderlijk gebouw hing een enorme bronzen klok, wegende 60000 kilo's. Een dikke, horizontale paal, op halver hoogte der klok opgehangen, kan er door middel van een touw tegenaan gerammeid worden. Het geluid moet zeer sterk zijn.

We reden voorts nog door een mooi park en daarna naar het station, teneinde een uitstapje te maken naar Kameoka, een klein plaatsje, een uur sporens van Kyoto gelegen.

De weg was steeds stijgende en we bevonden ons spoedig te midden der bergen. Prachtig was het uitzicht. Langs de spoorlijn stroomde de Hodzu-gawa, een woeste bergstroom, die, vooral waar steenen en rotsblokken zijn weg willen belemmeren, bruisend opstuift en schuimend verder gaat. Achtereenvolgens passeerden we acht tunnels, enkele zeer lang, en een brug over bovengenoemde rivier, die uit een enkele 85 Meter lange spanning bestaat. Ons plan was, van Kameoka met een bootje de Hodzu af te varen, een terecht vermaarde tocht, die geen enkel toerist mag verzuimen.

Om halfzes staken wij van wal in een platboôm-vaartuig, met vier Japs bemand. Twee roeiden langs de meer kalme gedeelten, één stond voorin met een stok, en één achterin, sturende met een riem. In 't begin was er weinig stroom, maar weldra begonnen de stroomversnellingen, en wanneer wij dan met vliegende vaart langs de overal verspreide rotsblokken schoten, terwijl het water onder ons en om ons kookte en ziedde en spatte, had de stuurman al zijne kalmte en koelbloedigheid noodig, om geen ongelukken te veroorzaken. Soms leek het ons toe, dat er geen uitweg was, als zouden wij te pletter slaan tegen een' grooten steen, die dreigend den weg versperde. Doch juist op het kritieke moment gaf een duw van den man vóór in de boot, of een behendige draai van den stuurman den steven eene andere wending, dadelijk gevolgd door dezelfde manoeuvre den tegenovergestelden kant uit, en het volgende oogenblik—rakelings langs de scherpe granietmassa's schietende, terwijl de platte bodem op en neer golfde door de aanraking met de bedding der rivier en het melkwitte schuim ons bespatte—waren wij de gevaarlijke bocht reeds gepasseerd.

Het was heerlijk, een nieuwe, geheel eenige emotie! En bij de kronkelingen van den stroom telkens een ander uitzicht, telkens een nieuw panorama van bergen. In de lente, als de oevers bezaaid zijn met roode azalea's, moet het bovenal mooi zijn.

Intusschen werd het reeds duister, doch nog geenszins verveelde ons de tocht. En toen spoedig daarna de volle maan boven de bergen rees en met zilveren licht en fluweelen schaduw speelde, werd het tooneel tooverachtig en maakte een diepen indruk op ons.

Eindelijk waren de stroomversnellingen achter den rug en dreven wij over den zich verbreedenden vloed kalm voort. Uit de theehuizen aan den waterkant klonk zang en dans van “geisja's”, en bootjes vol jongelui voeren ons voorbij met muziek, die zachte, droomerige muziek der Japanners.

Het was zeven uur toen wij te Saga weer aan wal stapten en naar Kyoto terugspoorden. Wij aten in een Japansch restaurant, gelegen op een zeer druk punt, uitgebouwd boven de rivier en verlicht door kleurige lampions, waar wij door jonge meisjes in nationaal kostuum bediend werden—zooals trouwens in alle hôtels, restaurants, logementen en theehuizen in Japan;—daarna wandelden wij de stad eens door.

Indien het mooi weer is—en dat is het bijna altijd in dit bloemenland—heerscht er tot diep in den nacht voortdurend een vroolijke drukte op straat. Alles is uniek en zonderling en oefent eene ongewone bekoring uit op den vreemdeling, die hier voor het eerst komt.

Krijgt men van de koelies aan boord, met hunne half brutale, half bevreesde houding en eene mengeling van arrogantie en nieuwsgierigheid, geen gunstigen indruk, die indruk verdwijnt spoedig, indien men nader met het volk in aanraking komt. Hunne beleefdheid, ook jegens elkander, is spreekwoordelijk; nergens heb ik zóóveel zien buigen; zelfs wanneer twee ricksjakoelies elkander iets mededeelen, gaat zulks met vele strijkages gepaard; en het is werkelijk een typisch gezicht, als men eene familie eenige kennissen van den trein ziet halen. Waarlijk, in dit opzicht kunnen wij met onze westersche beschaving veel van hen leeren. En die beleefdheid gaat hen zoo natuurlijk af, dat men voelt dat zij uit het hart komt.

Het levendige gewoel door de meestal nauwe straten, de vreemde kleeding en typen die men ziet, de rijk voorziene winkels, waar zooveel moois uitgestald wordt dat men in Europa zelden of nooit tegenkomt,... dat alles maakte ons het scheiden moeilijk; eindelijk zochten wij toch ons hôtel op en begaven ons ter ruste.

De tweede dag was bestemd voor een bezoek aan Nara, een aardig stadje, 2 uren sporens van Kyoto. De weg er heen biedt mooie vergezichten aan; men vindt er uitgestrekte theeplantages.

Midden in het stadje is een groote vijver, die wemelt van schildpadden en roode en bruine karpers. Klapt men in de handen, dan komen zij allen aanzwemmen, en werpt men ze brood toe, dan is het een leuk gewemel van pooten en koppen en schilden en vinnen; en 't is geen ongewoon gezicht, een karper boven op een kluwen van schildpadden te zien spartelen, één voet boven het water. De visschen, met hun grooteren bek, zijn er het best aan toe; men Bladzijde 223zou dus gevoegelijk van karper-aandeel kunnen spreken. Na hier lang genoeg vertoefd te hebben, lieten wij ons naar den Kasuga-Miya brengen, een Shinto-tempel.

De Shinto-dienst is een inlandsche godsdienst en bestaat in de vereering der keizerlijke voorvaderen, helden of geleerde mannen, die veel voor het rijk opgeofferd hebben. Er zijn bijna 200.000 altaren en tempels, over geheel Japan verspreid, waarin meer dan 800 goden, halfgoden en heroën worden gehuldigd.

Men kan een Shinto-tempel altijd gemakkelijk van een Boeddha-tempel onderscheiden door de “Torii”, een poort van bijzonderen vorm en van hout of steen vervaardigd; terwijl men tot de laatste toegang verkrijgt door de “Sanmon”, een poort van twee verdiepingen. Ook zijn de eerste gewoonlijk veel eenvoudiger van constructie en minder mooi versierd.

Onder de rood-verlakte Torii doorgaande, voert een smalle weg, aan weerskanten beplant met eeuwenoude denneboomen, naar den tempel. Honderden tamme, heilige herten loopen hier vrij rond en eten uit onze hand de koekjes, die in kraampjes te koop worden aangeboden. Overal langs de lanen van het park, waarin deze tempel met nog eenige andere gelegen is, staan ijzeren of steenen lantarens van drie voet tot drie meter hoogte, die tezamen het respectabel aantal van 3000 bereiken, welke ééns per jaar van lampjes voorzien en aangestoken worden, het park herscheppende in een feeëntuin. Verder vindt men er gansche straten van winkels, waarin alleen voorwerpen worden verkocht, vervaardigd uit de geweien der heilige herten.

Geheele scharen bezoekers dwaalden door de kronkelende laantjes en bleven soms voor een of ander altaar staan, ten einde een kort gebed te doen of een handjevol rijst te offeren.

Het merkwaardigste was wel een stal met een heilig paard er in, dat men voor een paar centen een zekere hoeveelheid boonen te eten kon geven, benevens eenige gepoederde dansmeisjes, die, ook al weer voor geld, een heiligen dans uitvoerden.

Vervolgens reden wij naar het eigenlijke doel van den tocht: de Daibutsu of groote Boeddha, die zich bevindt in den tempel genaamd Tōdai-ji, gesticht in de 8ste eeuw. Deze tempel is 50 meter hoog, 90 meter lang en 55 meter breed en bevat weinig meer dan het enorme beeld, het grootste in geheel Japan. Met de beenen gekruist onder het lijf, zit de Boeddha op een lotus-bloem, die eveneens van koper is. In drie jaren tijds is men er, na herhaalde mislukkingen, in geslaagd dit beeld te gieten.

Wederom trof mij die massale rust, die glimlach van absolute onpersoonlijkheid; hier echter is de rechterhand waarschuwend opgeheven. De oogen staren oneindig ver weg, als om aan te duiden, dat de ziel van den Boeddha in het Nirwâna vertoeft.

Overweldigend moet de indruk van het beeld zijn op den eenvoudigen geloovige, die opziet naar zijn Meester. Niet de vrees van den wilden heiden, die slechts aarzelend zijn angstaanjagend afgodsbeeld nadert en door allerlei formules diens toorn en wraak zoekt te bezweren, maar eerbied en bewondering vervullen hem voor den mensch, voor Gautama, den Boeddha, den Indischen prins, die vóór vierentwintig eeuwen vrouw en kind, rijkdom en macht, troon en vaderland verliet om de Waarheid te zoeken, en Haar eindelijk, na lange jaren van lijden en ontbering, twijfel en dwaling, vallen en opstaan, vond in zijn eigen hart....

Niet ver van dezen tempel staat een pagode van vijf verdiepingen (er zijn er wel met tien), waarvan de fraaie lijnen onze bewondering afdwongen. De spits is zeer eigenaardig en doet denken aan een kurketrekker.

Daar hiermede het voornaamste van Nara was gezien, zochten wij een Japansch restaurant op. Hier vroeg men ons, zooals trouwens bijna overal, of wij Amerikanen waren; niet, omdat wij er zoo echt Yankee-achtig uitzagen, maar, naar ik veronderstel, omdat van de touristen de Amerikanen het grootste percentage vormen. Ze kenden echter allen Holland, ook al hadden ze dikwijls nooit van Amsterdam gehoord.

Doch niet alleen uit het Oosten, ook uit het Westen komen jaarlijks vele vreemdelingen Japan bezoeken. Het verwonderde mij daarom, dat wij altijd nog de aandacht trokken. Vaak merkte ik op, dat moeders ons hunnen kinderen aanwezen. Of dat steeds met even vleiende woorden gepaard ging, durf ik betwijfelen. Misschien vertelden zij de kleinen wel, dat dat nu “die blanke barbaren met hunne leelijke, ronde oogen” waren, of dat zoo ongeveer de groote Russen er uitzagen, die van de kleine Japanners zoo leelijk op hun gezicht kregen.

Stonden wij b.v. in een winkel, die veelal over dag aan de straatzijde geheel open is, dan verzamelde zich al spoedig een groepje menschen er voor en keek nieuwsgierig naar ons, maar week beleefd op zijde, als wij weer op straat kwamen. Was de winkelier soms aan het einde van zijn Engelsch gekomen, dan trad gewoonlijk iemand uit het publiek, die zich daartoe bekwaam achtte, naar voren en deed dienst als tolk. Hij glom dan van genoegen, zeker evenveel door het toonen van zijn kennis als het believen van den vreemdeling.

Over het algemeen spreken in Japan de lieden, die met Europeanen in aanraking komen, vrij goed Engelsch en dat is maar goed ook. Want hunne taal leert men niet spoedig, vooral omdat zij vreemde karakters gebruiken. In de havenplaatsen worden op uithangborden, naamplaatjes enz. wel altijd de gewone letters er onder gezet—waarbij soms vermakelijke fouten worden gemaakt—doch in het binnenland ziet men zulks zelden. En met gebarentaal ondervond ik altijd moeilijkheden. Niemand heeft die taal geleerd, hoewel elk haar kent, maar ieder kent blijkbaar een verschillende. Wanneer ik iets duidelijk meende uitgelegd te hebben, zoodat mijns inziens geen vergissing mogelijk was, bleek de andere iets geheel anders te hebben begrepen. En beiden vonden wij het erg dom en onbegrijpelijk van elkaar.

Om half vijf waren wij weer in Kyoto terug en gingen eten in het reeds genoemde restaurant, waar men een zeer goede, europeesche tafel krijgt voor niet veel geld.

Daarna bezochten wij een “Shibai” (theater). Kyoto is de bakermat der Japansche tooneelkunst. Bladzijde 224Een zijner inwoners verzamelde eeuwen geleden jongens en meisjes, die dansen konden, en deed hen opkomen op een stellage te midden van een grasveld. Vandaar de naam Shibai, d.i. “zittende op het gras”.

Pagode te Nara.

Pagode te Nara.

In de zoogenaamde Theater-straat, die men hier in alle groote steden aantreft, is het dag en nacht een vroolijk gewoel, een kleurengewemel van prachtige zijden vlaggen, die, zeer lang en zeer smal, van hooge staken neerhangen of de geheele breedte der straat overkronkelen, en een geschitter van kleurige, papieren lampions, alsof het altijd feest ware.

Aan de gevels ziet men niet onverdienstelijk geschilderde dramatische scène's of komische tooneelen—de eerste het meest—afgebeeld, en van alle kanten hoort men de tonen der muziek, die voor bioscoop of acrobaten-troep het publiek moeten lokken. Kermisphotografen vindt men er in menigte, waarzeggers eveneens; theehuizen, curiositeitenwinkels en café-chantant's wisselen elkander af. Hier zitten in een winkel een zestal jonge meisjes met vaardige hand en veel smaak prentbriefkaarten te kleuren; daar is een wassenbeeldenspel, waarin men steeds dezelfde woeste krijgers in oud-nationaal kostuum met korte haarvlecht en wreede gelaatstrekken opmerkt, terwijl vóór den voorhang een kleine doch griezelige groep de aandacht moet trekken; ginds weer hoort men van de bovenzaal van een restaurant de banjo klinken.

En de ricksja's voeren geen lantarens, maar lampions; de krantenjongens roepen niet, maar hebben een bel rond hun middel gebonden; ieder loopt met een waaier; de vrouwen en meisjes dragen geen hoed, maar hebben allen bloemen in het donkere haar, dat bij de ongetrouwden op een bijzondere manier is opgemaakt, bij de getrouwden glad naar achteren weggestreken; zij dragen, evenals de mannen, klompjes, bestaande uit een plat stuk hout met twee verticale plankjes er onder—hoe vuiler de straat des te hooger de plankjes—, welke klompjes worden vastgehouden door bandjes, die tusschen de van een teen voorziene kous doorgaan. Bij het loopen hoort men een eigenaardig, klapperend geluid.

Wij traden het voornaamste theater binnen en ontvingen een programma, waarop in het Engelsch de naam van het drama en de prijzen der plaatsen vermeld stonden. De rest was geschreven met die kabalistische teekens, die, bij alle onaangename herinneringen aan evenwijdige streepjes, die nooit evenwijdig, en puthaakjes, waarvan er nooit twee gelijk waren, ons toch onszelven gelukkig doen prijzen, dat we geen Japansche schooljongens geweest zijn.

Als men in Japan een theater binnenkomt, merkt men altijd in het portaal, dat de geheele breedte van het gebouw beslaat, een ontzaglijke hoeveelheid klompjes op, die aan den wand hangen, allen genummerd. Behalve de Europeanen gaat n.l. ieder op zijne sokken binnen.

Het geheele gebouw is electrisch verlicht en het zacht glooiende parterre verdeeld in vierkante hokjes, slechts gescheiden door latten en met matten belegd, waarin vier personen kunnen plaats nemen, hetgeen zij doen hurkende of zittende op hunne knieën op een kussen. Het is dus wel werkelijk “par terre”.

Twee gangen—feitelijk breede, onbelegde planken—die iets hooger zijn dan de zitplaatsen, loopen van den achterkant regelrecht naar het tooneel, dat op de gewone wijze is ingericht. Boven, aan den achterkant, zijn de zitplaatsen evenzoo, doch op zijde zijn het een soort van loges met schuifdeuren—alle deuren schuiven in een Japansch huis—en een iets hoogere afscheiding, welke echter nog niet tot de knieën reikt. Dat is de 1ste rang, waarop wij plaats namen, nadat men ons een laag bankje gebracht had. Achter de loges is een gang, van waar men bij de buren in huis of in een zijstraat kijkt.

Het eerste wat opvalt is een ontelbaar aantal waaiers, zoowel door ruwe knuisten als door poezele handjes in beweging gebracht, hetgeen een eigenaardig effect maakt, daar deze, soms schitterend gekleurde, in September hier nog onmisbare instrumenten nu in het licht, dan in de schaduw zijn. Verder is het opmerkelijk hoeveel kleine kinderen met hunne ouders meegaan, en hoe elke familie voorzien is van theeservies, gebak- en vruchtenschaal en aschbakje.

Ook wij bestelden thee—van groene, ongedroogde bladen, waaraan men eerst moet wennen—en bepaalden daarna onze aandacht bij het tooneel. Bladzijde 225

Het Mausoleum van Iyeyasu te Nikko.

Het Mausoleum van Iyeyasu te Nikko.

Het drama was reeds in vollen gang; er werd veel gepraat, handen gewrongen en geweend, alles met begeleiding van muziek, maar naar ons oordeel zat er niet veel actie in. Het midden van het tooneel was een draaibare schijf, zoodat onder het spel de mise-en-scène soms geheel veranderde. Na het vallen van het gordijn snelden vele bezoekers naar voren, gluurden er onder door of begaven zich er zelfs achter. Nu en dan kwamen de acteurs en actrices op, niet van achter de coulissen, maar over de zooeven genoemde gang, dus midden uit het publiek.

Wij snapten er natuurlijk niets van. Er was evenwel eene verrassing voor ons weggelegd. Blijkbaar was het een modern stuk, want op een gegeven oogenblik kwam een Europeaan op, een Japansch meisje medevoerende, aan wie hij in een mengelmoes van Engelsch en gebroken Japansch zijne liefde verklaarde op westersche wijze, hetgeen zeer den lachlust scheen op te wekken. Zij wilde echter niets van hem weten, waarop hij, vertoornd, een revolver nam en haar daarmede eenige malen over het tooneel achterna liep, herhaaldelijk uitroepende: ”Stop! I will kill you”. Voor hij evenwel aan zijn voornemen gevolg gaf,—gekund had hij het al lang—verscheen er een krantenjongen op het tooneel, beschermde het meisje en ontrukte den woestaard zijn wapen, die toen z'n jas uittrok en z'n tegenstander te lijf wilde, totdat deze hem in de knie schoot. Daarna kwam een andere Engelschman op. Deze wenkte een ricksja, welks bestuurder in zijn zenuwachtigheid heelemaal den gewonde niet hielp, doch ouder gewoonte eerst 'n voertuig afstofte en, nadat de wonde over alles heen met een zakdoek verbonden was, den snooden belager der onschuld langzaam wegvoerde, terwijl het meisje met haren bevrijder verdween.

Verscheidene blikken wendden zich naar boven om te zien, hoe wij die scène opnamen. Natuurlijk schaterden wij het uit.

Intusschen was het al laat geworden. Wij reden naar het station en namen te kwart na twaalf den nachttrein naar Nagoya.

Daar de beide banken van het rijtuig overlangs stonden en er slechts één passagier was, hadden wij ruimte genoeg. Een trein-beambte trok onze schoenen uit en bracht ons een paar sandalen benevens een waaier, en weldra staken wij de wacht op, n.l. de wacht te kooi, na den man order te hebben gegeven, ons een half uur voor aankomst te “porren”. En terwijl de trein in den helderen maannacht met ons voortsnelde, voorbij Baba, Kusatsu, Osaki en Gifu, sliepen wij gerust.

's Morgens om 5 uur waren wij te Nagoya, een stad met ongeveer ¼. millioen inwoners en bekend om hare porcelein-fabrieken en zijde-weverijen. Ons eerste bezoek gold het Kasteel, hetwelk dagteekent uit het begin der 17de eeuw. Het bestaat uit vijf verdiepingen, opgetrokken in den interessanten Japanschen Bladzijde 226bouwstijl, en is omringd door breede, hoewel droge grachten en enorm dikke steenen wallen.

Boven op de nok staan twee gouden dolfijnen, die nog heden ten dage met dezelfde glorieuse pracht in het zonlicht glinsteren als voorheen. Hunne hoogte is 2,5 Meter; zij zijn gemaakt van oude, Japansche goudstukken en worden gezegd eene waarde te vertegenwoordigen van ƒ 4.000.000. Eén er van is in 1873 op de tentoonstelling te Weenen te zien geweest.

Daar wij geen permissie hadden het Kasteel te betreden,—waarvoor eene aanbeveling van den gezant te Tokyo noodig is—moesten wij ons met den buitenkant vergenoegen en onze fantazie te hulp roepen om eene voorstelling te krijgen van de pracht, die er binnen moet heerschen. Het behoort aan de keizerlijke familie.

Vervolgens bezochten wij de vermaarde oudheidwinkel van Asahina. Nooit heb ik zooveel antiquiteiten bij elkaar gezien. Harnassen, maliënkolders, helmen, zwaarden, dolken, speren, pijlen, bogen, lansen, beschermplaten voor paarden, stijgbeugels van wel 10 kilo gewicht, maskers, heidensche goden, altaren, reliquien, potten en pannen,... dat alles lag dooreengestapeld op de beide verdiepingen van het huis, zoodat men zich nauwelijks kon roeren. Afgodsbeelden om van te droomen, vaasjes om te stelen, porceleinen borden om van te watertanden, beschilderde waaiers van eeuwen her, soms half tot stof vergaan, en ik weet niet wat nog al meer. En ze gooien er met honderdtallen van jaren en tientallen van yen's (1 yen = ± ƒ 1.25), dat men er wee van wordt. Men kan echter afdingen, maar dat is eigenlijk niet eens prettig, want na er b.v. 20% te hebben afgekregen, heeft men per slot van rekening later toch altijd het idée, minstens nog den dubbelen prijs te hebben betaald.

Buiten op het uithangbord staat: 800.000 curios. Of ze dat getal ook met zes verminderd hebben na ons vertrek? Ik denk, dat het altijd wel 800.000 zal blijven.

De ricksja-koelies, die al dien tijd getroost op ons hadden gewacht en zich den tijd gekort met het rooken van een onnoemelijk aantal pijpjes, brachten ons daarna op een plein, alwaar een gedenkteeken staat, opgericht ter eere van de gevallenen in den oorlog met China, 1894/95.

Het oude Japan stichtte tempels en altaren en feestdagen ter nagedachtenis zijner helden; het moderne Japan richt monumenten op, gekroond door een nieuwerwetsch projectiel, dat 's avonds omgeven wordt door een krans van electrische lampjes.

Het was inmiddels middag geworden, de scholen gingen uit en wij hadden gelegenheid, het jeugdige Nippon eens goed op te nemen. De meisjes, zonder hoed, maar allen gewapend met een zwarte parasol, hadden in zóóverre aan de westersche mode geofferd, dat haar kleeding van boven op een kimono en van onderen meer op een damesrok geleek, die dan bijna altijd donkerrood was. Ook droegen enkelen schoenen.

Bij de jongens kon men de verschillende scholen onderkennen. Sommigen liepen in de nationale kimono, met een grooten hoed op, terwijl van een andere school allen een wit pak aan hadden, met een pet. Er waren verscheidene intelligente gezichten bij.

Na in ons hotel geluncht te hebben, namen wij onze siësta totdat de grootste hitte ietwat geweken zou zijn.

Klokke vijf vond ons staande op de electrische tram, die van het station door de lange, breede en drukke hoofdstraat geheel Nagoya doorkruist en een half uur verder ergens buiten de stad eindigt. De conducteur verstond geen Engelsch en begreep er niets van toen wij, aan den terminus gekomen, slechts van balcon verwisselden en weer mee teruggingen. Het was evenwel een gemakkelijke en prettige manier, het leven in die drukke straat vol winkels, bazaar's, restaurants en theaters eens goed op te nemen.

Japan is het land der contrasten!

Welk een zonderlingen indruk maakt het niet, wanneer men in een kapperswinkel, slechts door een gordijn van kralen van het trottoir gescheiden, den barbier in zwembroekje en lang hemd het hoofd van een even ongekleeden bezoeker ziet behandelen, edoch met de allernieuwste tondeuse, terwijl de klant bij het electrisch licht in de courant de allerlaatste telegrammen uit de geheele wereld leest en een electrische waaier hem intusschen een heerlijk koeltje toewuift! Of wanneer men in een nauwe straat een warnet van telegraaf- en telefoon-draden ziet, terwijl de huizen van gloeilampjes zijn voorzien en de straatverlichting uit booglampen bestaat! Of ook, als men in een steeg eenige onaanzienlijke winkels binnentreedt en daar verrast wordt door de nieuwste snufjes op elk gebied! En in de haven! Bijna overal zijn het vrouwen, die de schepen met steenkolen beladen. Moeders dragen onder dat werk haar zuigelingen op den rug, en deze blijven rustig doorslapen onder het doorgeven der mandjes kolen. Wordt er even gerust, dan krijgt de kleine de borst, en ondertusschen stopt mama een pijpje en dampt en spuwt er lustig op los.

Daarentegen wordt men b.v. in het post- en telegraafkantoor te Tokyo geholpen door allerliefste jonge dames, die, gekleed naar de voorlaatste Parijsche mode, den vreemdeling vriendelijk en in onberispelijk Engelsch te woord staan.

Een koelie, in meergemeld zwembroekje en met of zonder hemd, trekt een kar voort. Hij rust even uit, vuil en bezweet. Maar in plaats van een roode katoenen zakdoek, neemt hij van zijn kar een keurigen waaier en gebruikt dezen niet geheel zonder gratie.

En zoo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen.

Toen het donker werd, gingen wij naar het hôtel terug en gebruikten na het diner de thee op het balcon, waar Sjiso en Nóbo, de dochters van den hôtelhouder, ons gezelschap hielden.

Wij spraken over allerlei dingen, en natuurlijk ook over den oorlog. Tegen de Kussen waren zij bitter gestemd, hetgeen wij des te beter konden begrijpen, toen zij ons vertelden dat een broer van haar in den slag aan de Yaloe gesneuveld was.

Het lawaai der stad klonk als het ruischen eener rusteloos deinende zee in de verte; aan den helderen sterrenhemel straalde de maan, en beneden in den tuin klaagde een banjo....

Dit alles was zeer poëtisch, maar aan alles komt een Bladzijde 227einde, en vier minuten na middernacht zaten wij weder in den sneltrein naar Tokyo. Sayonara (vaarwel), Nagoya! Sayonara, Sjiso! Sayonara, Nobo!

Wij troffen het minder goed dan den vorigen nacht. De banken waren bijna geheel ingenomen door slapende reizigers, allen in meer of minder bekoorlijk négligé, en wij moesten ons met een zitplaats vergenoegen. Van slapen was dus voor mij geen sprake. Ik deed maar net alsof ik de “hondewacht” had en trachtte rookende en lezende den tijd te dooden.

Spookachtig gleed het landschap ons in het blauwe maanlicht voorbij; soms ging het vlak langs de kust en zagen wij den Grooten Oceaan glinsteren. Mijn reisgenoot was weldra ingeslapen; wat mij betreft, een zachte plank om op te liggen is mij voldoende, doch zittende kan ik niet slapen. Er was wel een slaapwaggon, maar dat was ons te duur.

Mijn buurman, een roode Ier, bood mij zeer vriendelijk eenige malen zijn whisky-flesch aan, met het gezegde: “a small drip in the morning is better than a lot in the day”. Ik bedankte echter en verdacht hem, van ook “a lot in the day” niet afkeerig te zijn. Gelukkig brak om 5 uur de dag aan; het werd levendig in den waggon, van die ongegeneerde levendigheid, welke ontwakenden personen eigen is. Van toilet-maken was evenwel pas sprake toen wij Tokyo naderden.

Japan is dicht bevolkt en volgt daarin op België en Nederland. Wij snelden langs steden en dorpen, over rivieren en door tunnels, voorbij heuvels en valleien, met voortdurend de Fuji-Yama in de blauwe verte, de heilige berg van Japan, 12.400 voet hoog, welke men overal afgebeeld ziet: op waaiers en photo's, op porcelein en lakwerk, en die, als een oude, trouwe waker, met zijn besneeuwde kruin de wacht schijnt te houden over gansch Nippon, en zoowel de Japansche Zee als den Stillen Oceaan domineert.

Half tien arriveerden wij te Tokyo. De stad heeft ruim 1.400.000 inwoners en beslaat de enorme uitgestrektheid van honderd vierkante mijlen, wat niet te verwonderen is, als men bedenkt dat de huizen over 't algemeen laag zijn en zelden meer dan ééne verdieping hebben. De ministeries en andere gouvernementsgebouwen, de vreemde legaties en paleizen maken hierop natuurlijk eene uitzondering. Deze zijn alle gebouwd in westerschen stijl.

Het paleis van den Mikado daarentegen is echt Japansch. Het staat in het centrum der stad, omringd door wallen en grachten. Oorspronkelijk was het een fort, de sterkte der Tokagawa-regenten, gebouwd in de 13de eeuw, toen Yeddo nog slechts een klein dorpje was. In 1868 werd deze naam veranderd in Tokyo, hetgeen beteekent: “Oostelijke hoofdstad”, om het te onderscheiden van Saikyo of “Westelijke hoofdstad”, den naam, ter zelfder tijd aan Kyoto gegeven. Verscheidene malen door brand vernield, dateert het tegenwoordige gebouw slechts van 1889.

Wij besloten, voor de curiositeit eens in een Japansch logement te overnachten. Ook voor de deur van zoo'n logement staat het vol klompjes. Binnenshuis draagt de Japanner sandalen van gevlochten stroo, zonder de vroeger vermelde verhoogingen er onder. Het loopen op die klompjes—waarbij wij gevaar zouden loopen onze enkels te verstuiken—is nu juist niet elegant, daar de voeten binnenwaarts gekeerd zijn. Ook geeft het een eenigzins hulpeloos idée, vooral bij vrouwen, ofschoon ze er toch vrij vlug op voort kunnen en het nog een zeer groot verschil maakt met de hulpeloosheid hunner Chineesche zusteren, die zonder steun bijna niet kunnen loopen op haar walgelijk verminkte voetstompjes. Alles wijst er echter op, in den tegenwoordigen tijd, dat China ontwaakt, en zoo is er ook pas eene vereeniging opgericht tegen die gruwelijke misvorming. Les idées marchent!

In het eerste logement, waar wij afstapten, sprak men bijna geen Engelsch, in het tweede kon men ons geen europeesche tafel verstrekken. Bovendien zag de kamer, waarin ik een kijkje nam, na mijne schoenen te hebben uitgetrokken, er wel netjes, maar zeer ongezellig uit, doordat zoowel stoelen als tafel ontbraken. Bedden waren er ook niet; men slaapt op den grond op matten en kussens, en eet op zijn kamer met houten of beenen stokjes, terwijl men daarbij zijne houding voor 't kiezen heeft. Het leek ons minder aangenaam toe, en ten slotte kwamen wij toch weer in het Hôtel Métropole terecht, alwaar wij onze vermoeide ledematen op een behoorlijk bed uitstrekten en vervolgens lunchten in een vroolijke zaal, uitzicht gevende op de haven, onder tal van slingerende “poenka's”, door bedienden buiten de zaal in beweging gebracht.

Een kleine lofrede op de hôtels in Japan is hier wellicht op hare plaats. En eene lofrede moet het zijn, want, hetzij onder Europeesch, hetzij onder Japansch beheer, de bediening is er uitstekend, de keuken uitmuntend, het menu uitvoerig en het bed uitlokkend. Ze zijn van de nieuwste gemakken voorzien, het personeel is zeer attent, men behoeft nooit iets tweemaal te vragen en slechts te zinspelen op het een of ander om het te krijgen, als het ten minste mogelijk is.

Na den middag spoorden wij naar Yokohama, waar het schip lag, gingen even aan boord, ontdeden ons van de overtollige bagage en spoorden daarna weer terug naar Tokyo.

In beide steden zag men overal voor openbare gebouwen, legaties, consulaten, hôtels, enz. politie geposteerd, versterkt door soldaten. Het was juist in de historische dagen na het bekend worden der vredesvoorwaarden, die de beruchte troebelen ten gevolge hadden. Opmerkelijk, dat het volk tot gewelddadigheden overging alleen in die plaatsen, waar vele vreemdelingen wonen, n.l. Tokyo, Yokohama, Osaka en Kobé. Toch merkten wij nergens iets van eene anti-vreemdelingen-stemming, niemand veroorzaakte ons ooit eenigen last, integendeel, men kwam ons vaak tegemoet met den Japanschen groet: “Ohayo” (eigenlijk: goeden morgen), en was steeds beleefd en hulpvaardig.

Ook voor ons hôtel in Tokyo was een tent opgeslagen en liep een gewapende schildwacht heen en weer. Toen wij 's avonds langs de haven wandelden, door haar geringe diepte slechts bereikbaar voor kleine schepen, en door de opening der tent de soldaten zagen rooken en praten bij het flauwe licht Bladzijde 228van een olielamp, werden onze gedachten als vanzelf gevoerd naar de doodenvelden van Manchourije.

Voor de poort, die toegang gaf tot den tuin, had de schildwacht het geheele bediendenpersoneel om zich heen verzameld, dat aandachtig naar hem luisterde. Waarschijnlijk vertelde hij hen van de slagvelden aan gindsche zijde der Japansche Zee, van den moed der Russen, de nog grootere doodsverachting hunner tegenstanders, en van de overwinningen, die altijd waren aan de zijde van het grootste intellect, den onverzettelijksten wil en de vurigste vaderlandsliefde.

Wij begaven ons vroeg ter ruste, want een lange dag wachtte ons.

Den volgenden morgen zaten wij om 4 uur reeds in de ricksja, daar de trein een uur later van het Uyeno-station vertrok, gelegen aan het andere einde van Tokyo. Het begon pas te schemeren en de stad lag nog in diepe rust. Hier en daar een enkele voetganger, een patrouilleerende agent of soldaat, of een ricksja-koelie, die in zijn voertuig zat te slapen, door een deken beschermd tegen de ochtendkoelte, was het eenige, dat de egale grauwheid van den September-morgen verstoorde. De lage, houten huizen met hunne oploopende dakvorsten staken grijs af tegen de heldere sterrenlucht, die wederom een prachtigen dag beloofde; achter hunne gesloten luiken, van waar geen enkel lichtje uitstraalde, leken zij wel gepantserde blokhuizen.

De Yomei-poort van den Yasu-tempel te Nikko.

De Yomei-poort van den Yasu-tempel te Nikko.

En zoo draafden onze koelies door een warnet van straten drie kwartier lang voort, rechts-om, links-om, rechts-om, links-om ... zonder ooit een oogenblik te aarzelen.

Aan het station vroeg ik aan de jonge dame achter het loket—aan de groote stations vindt men hier veel dames-employées—in het Japansch twee kaartjes naar Nikko1, maar dat bekwam mij slecht. Zij vroeg mij op haar beurt iets in dezelfde taal en toen bleek mijne onkunde en moest ik wel terugkrabbelen en Engelsch spreken.

Wij reisden tweede klasse, een zuinigheidsmaatregel, want het geld is in Japan minstens even rond als ergens anders en de winkels zijn er verleidelijker. De tweede klasse is echter zeer netjes; even goed als in Europa.

Vrouwen en meisjes schijnen in Japan tamelijk veel vrijheid te genieten, maar van de galanterie der mannen heb ik geen zeer hoogen dunk. Ten minste, wij zaten naast een echtpaar, waarvan zij last had van de zon. Hij dacht er blijkbaar niet aan, met haar van plaats te verwisselen, en nadat onze pogingen, de jalouzie op te trekken, gefaald hadden, stonden wij haar onze plaats af en kwamen zoodoende tusschen hen in te zitten. De echtgenoot vond zulks waarschijnlijk geheel overbodig, want toen zij een half uur later uitstapten, deed hij zulks zonder boe of ba te zeggen of ons met een blik te verwaardigen, terwijl zij dankend boog. Dit kleine lesje in westersche beleefdheid jegens het schoone geslacht viel schijnbaar niet in goede aarde.

Krijgt een burgerman eenigszins aanzienlijk bezoek, dan zitten vrouw en dochters niet mede aan, doch bedienen en bewaaieren den gastheer en zijne gasten. Na afloop van den maaltijd mogen zij gaan eten. En toch is er te Tokyo eene universiteit voor vrouwen!

Tegenover ons zat eene dame in een keurige kimono. Het zitten op de gewone manier verveelde haar zeker na eenigen tijd, zoodat zij hare sandalen uittrok en met de knieën onder het lichaam plaats nam. Dit bewerkstelligde zij op haar nauwe plaats door eerst met het gezicht naar den wand te gaan zitten, in welke houding zij zich in den korst mogelijken tijd op de kleinst mogelijke ruimte wist om te draaien.

Even later nam zij uit haar wijde, afhangende ondermouw, welke voor zak dient, een keurig zijden doekje en ontrolde dit, waarna te voorschijn kwamen een keurig zijden foudraaltje, waarin een tabakspijpje met klein, koperen kopje, een keurig zijden tabakszakje en een doosje lucifers. Zij stopte het pijpje en stak het aan. Na eenige trekjes was het al leeg; deze manoeuvre nu werd een keer of vier herhaald, waarna alles weer werd opgeborgen. Het maakte een wonderlijk effect.

De weg was eenigszins eentonig: het ging voortdurend door vlak en vruchtbaar bouwland. Doch in de verte vertoonden zich als een belofte de bergen, die wij naderden. Ten 8 uur moesten wij overstappen Bladzijde 229te Utsunomiya en hadden daar ruim een half uur tijd. Daarna duurde de rit nog zeven kwartier.

Wij hadden eene afdeeling van twee coupé's geheel voor ons alleen. Weldra begon de weg sterk te stijgen, de natuur veranderde en het duurde niet lang of wij hadden geen oogen genoeg. Wij liepen van 't eene raampje naar het andere, keken nu voor-, dan achteruit en werden niet moede, elkaar op de prachtige vergezichten opmerkzaam te maken.

Nu eens boeiden ons de trotsche bergen, bedekt met donkergroene pijnboomwouden, afgewisseld door het lichtere groen der eiken; dan weer rustte het oog met niet te beschrijven verrukking op glanzende valleien met blinkende meren; soms werd onze aandacht gevangen door een enkel boschje glinsterende berken, als een fijn grijs-groen getinte schilderij, gevat in bruin-fluweelen omlijsting van beuken, of een idyllisch dorpje, half verscholen achter teer sparregroen; even later omvatte onze blik een golvende vlakte, bekoorlijk door de oneindige kleurschakeeringen van duizenden veldbloemen.

Jaarlijksche processie te Nikko.

Jaarlijksche processie te Nikko.

En waar af en toe de flanken der bergen elkander naderden en slechts luttele ruimte overlieten voor de ijzeren baan, die door het puffende, achtwielige monster slechts langzaam veroverd werd, den blik begrenzende, de zon verbergende, daar was het uitzicht des te verrassender, als zich wederom de gansche omtrek aan ons oog vertoonde, badende in het gouden zonnelicht, dat de dalen vulde en de bergen streelde, dat de wouden kuste en op de watervlakten danste, dat minnen moest dit zijn land, dit land der zonne, der rijzende zonne.... Het was onvergelijkelijk schoon.

De temperatuur was zeer aangenaam en een heerlijke dennengeur vervulde de lucht. Een prachtige weg, aan weerszijden beplant met eene dubbele rij eeuwenoude dennen, voerde van Utsunomiya naar Nikko en liep het laatste gedeelte vlak langs den spoorweg.

Half elf arriveerden wij op onze bestemmingsplaats, waarvan een Japansch spreekwoord zegt: “Nikko minai uchi wa, kikko to iuna”, hetgeen beteekent: “Totdat gij Nikko gezien hebt, zeg niet kikko”, d.i. magnifiek.

Nikko ligt op eene hoogte van 2000 voet te midden der bergen en wouden, heeft een koel klimaat en is dan ook een druk bezocht zomerverblijf. In den omtrek wemelt het van watervallen, warme bronnen en kopermijnen.

Wij lieten ons naar het prachtig gelegen Kanaya-hôtel brengen, waar nog juist twee kamers disponibel waren. Overigens was het geheel bezet, zeker wel eenigszins het gevolg van de groote, jaarlijksche processie, die den volgenden dag zou gehouden worden.

Wij lunchten in de eetzaal en ik wenschte wel, dat ik daarvan een goed idée kon geven. Het was een ruime, lichte zaal, voorzien van een vroolijk beschilderd plafond en met tal van typische, japansche schilderijen aan den muur. Aan de overal verspreide Bladzijde 230tafeltjes, bedekt met flonkerend kristal en veelkleurige bloemen, zat een opgewekt, internationaal gezelschap, en daartusschen bewogen zich een twaalftal lieve japansche meisjes met haar eigenaardige dribbelpasjes, gekleed in lichte kimono en kleurige, zijden obi, een breede ceintuur, die eenige malen om de middel gewonden wordt en van achteren zóódanig opgenomen, dat het net lijkt, alsof zij een kussentje op den rug hebben; met een frisschen, door de gezonde berglucht veroorzaakten blos op de wangen, en bloemen in de glanzend zwarte lokken; welke meisjes met sympathieken blik, zachte stem en gracieus gebaar de gasten bedienden.

Rondom de geheele zaal liep een glazen veranda, die een prachtig uitzicht vergunde op de bergen, terwijl beneden in de diepte een wilde bergstroom zijn eeuwigdurend lied zong....

Daar wij den volgenden morgen weer terug moesten, wilden wij dienzelfden dag nog de Kegon-waterval bezoeken, den hoogsten van Nippon. Het is een vrij verre tocht, dien men doet te paard, per ricksja of in een draagstoel. Wij kozen het eerste en stegen om half twee in het zadel. Een groom werd ons meegegeven om den weg te wijzen.

Een hulpbrug bracht ons aan de andere zijde der rivier. De rood-verlakte heilige brug, welke anders daarvoor dienst doet, was kort geleden door de golven meegesleurd, hetgeen bewijst dat voor de elementen niets heilig is. De tocht ging eerst langs de rivierbedding en soms een eind er door. Het landschap was buitengewoon mooi. De weelderige, afwisselende plantengroei op de hellingen der ons aan alle zijden omringende bergreuzen, helaas nog geen sterk geprononceerde herfsttinten vertoonende; de steile rotsen, soms in woeste wanorde langs het pad oprijzende; de overhangende boomen, hun grillige kronkelvormen afteekenende tegen de blauwe lucht; de diepe kloven, waarlangs de paarden met rustige zekerheid voortdraafden; de schitterende bloemen, tegen de met mos en varens begroeide granietwanden opklimmende tot onbereikbare hoogten; het vogelenheir, zingende in het geboomte ... dat alles maakte op ons een onvergetelijken indruk.

Op sommige mooie punten, een magnifieke kiek biedende op een waterval of rotspartij, stonden theehuizen. Wij hadden echter haast en hielden ons nergens op. De weg werd steil en zigzagwijze ging het naar boven. Onze groom was, naar wij meenden, achtergebleven, maar op een zeker punt zagen wij hem in een theehuis zitten rooken en drinken, terwijl hij op ons wachtte. Hij had n.l. het veel kortere, voor paarden onbegaanbare voetpad gevolgd.

Om 4 uur waren wij bij den beroemden waterval, die van eene hoogte van 250 voet naar beneden stort. Wij daalden langs een smal paadje naar beneden en bevonden er ons vlak tegenover, aan den anderen kant van het ravijn, waaruit een fijne mist opsteeg, die den bodem geheel verborg. Het was een grootsch gezicht. Uit het donkere oerbosch te voorschijn snellende viel de breede waterkolom met donderend geraas naar beneden; door een sluier van duizende in het zonlicht glinsterende waterdroppels zagen wij den mozaïekwand der rots, op vreemde manier met scherpe, naar beneden wijzende punten uitgesleten en begroeid met bloemen, varens en rood, bruin en groen mos.

Slechts noode verwijderden wij ons van dit schouwspel. Een ritje van 5 minuten bracht ons bij het bergmeer van Chuzenji, 4400 voet boven den zeespiegel gelegen, 12 K.M. lang en 4 K.M. breed. Het voedt den grooten waterval.

Op de brug, die naar het Lake-Side-hôtel voert en waaronder het water slechts langzaam voortstroomt, om echter spoedig te versnellen, bleven wij vol bewondering staan. De zon had zich achter een donkere wolk verborgen, welks gekartelde randen zij gouden kleurde, en hare stralen vielen heel in de verte op het kalme meer, op den achtergrond van bergen en op den 8800 voet hoogen vulkaan Shirane-San.

Het contrast met het even te voren geziene was groot. Hier de liefelijke kalmte der uitgestrekte watervlakte, daar de woeste grootschheid der ontbonden natuurkrachten; hier de zachtkens kabbelende golfjes aan den oever, daar de vrijgelaten bruisende watermassa's.

Kinderen speelden aan den kant, zwaluwen scheerden langs de oppervlakte, witte zeilen gleden over den vloed en jonge menschen waren aan 't spelevaren in slanke roeibootjes.

Het was een ideaal plekje, een Eden op aarde!

Wij rustten wat uit in het hôtel, welks uitgestrekte tuin een pracht van lelies en een kleurenweelde van chrysanthen vertoonde, en stegen toen weder te paard.

De lucht betrok en weldra reden wij in een vochtigen nevel, waarin het gebergte dreigende, spookachtige gedaanten aannam. Onder het zware geboomte werd het spoedig duister, zoodat wij stapvoets moesten gaan. De paarden schenen bij voorkeur vlak langs den kant van het ravijn te loopen, waar één misstap den dood beteekende. Doch waar is de jeugd, voor wie het gevaar geen aantrekkingskracht bezit?

Bovendien zijn zij zeer vertrouwd en zóózeer op hun eigen veiligheid bedacht, dat wij ze gewoon hun gang lieten gaan.

Spoedig werd de weg minder steil en konden wij draven. Mijn paard had blijkbaar zwakke voorpooten, het was al een paar malen gestruikeld en juist toen wij in de schemering met flinke snelheid eene helling afgingen, viel het op zijne knieën en wierp mij af. Wat doet ook een zeeman boven op een biek!

Gelukkig had ik mij heelemaal niet bezeerd; erger was evenwel, dat wij ons allebei al zoo ongeveer doorgereden hadden. Of het kwam door het Japansche zadel, of door den hoogen gang der dieren, ik weet het niet, maar het was met opeengeklemde tanden,—hoewel in sierlijken draf, daar wij niet konden vergeten, dat wij in dit cosmopolitisch gezelschap “Nederland” vertegenwoordigden—dat wij om 7 uur voor ons hôtel aankwamen, waarna de marteling van het laatste uur een einde nam.

Aan tafel veroorzaakte het eenige hilariteit, toen ik de lieftallige Hebe, die ons bediende, met gebaren duidelijk maakte, dat ik gaarne een kussen op mijn stoel wenschte te hebben. Mijn reisgenoot versmaadde dit verzachtingsmiddel, doch trok dan ook onder het eten van de soep gezichten, die veel te denken gaven, echter niet omtrent de soep. Bladzijde 231

Nog lang bleven wij rooken en praten in de heerlijk koele avondlucht, totdat vermoeidheid ons naar bed dreef.

En zoo brak dan de laatste dag van mijn verlof aan, een donkere, trieste morgen. Het motregende af en toe. Wij lieten ons daardoor evenwel niet afschrikken en zaten om half zeven al weer in de ricksja, teneinde nog zooveel mogelijk te kunnen zien. Daar we naar boven moesten, hadden we aan één koelie niet genoeg en kwam er nog een tweede bij, die genoemd wordt “ato-oshi”, d.i.: duwer. Hortend en stootend hobbelden de ricksja's over den weg, wat in onze omstandigheden nu juist niet bijster aangenaam was.

Millioenen regendruppels schitterden in ontelbare spinnewebben tusschen het lage hout; tegen de bergen lag een blauw waas, waarin de dennen kleurloos stonden, als op het punt van te vervluchtigen. Na een half uur stapten we af bij een theehuis en daarna bracht eene wandeling van tien minuten, nu eens stijgende, dan weer dalende, over een smal pad langs den rand eener kloof ons bij een rustiek bruggetje op den bodem van een ravijn, vlak onder den Urami-waterval, die 50 voet hoog is. Het was een woest brokje natuur.

Wild dooreengeworpen rotsblokken rondom, waaruit overal groote en kleine waterkolommen te voorschijn kwamen, die zich beneden vereenigden en zich daar, bruisend en spattend, een weg baanden over den steenigen bodem; hoog boven ons een stukje grauwe hemel, waarin langzaam overdrijvende nevels van hunnen last afgaven aan de takken der boomen, welke dien weder druppelend op ons deden nederstorten; en nergens eenig teeken van leven te bespeuren. Langs denzelfden weg wandelden wij terug, dronken een kopje thee, kochten als souvenir eenige photo's en stukken kopererts van de mijnen daar in de buurt, en waren ten 8 uur bij den Yasu-tempel, den mooisten Shinto-tempel van Japan.

Eene beschrijving van dit complex van gebouwen zou boekdeelen vullen, en eveneens de verklaring der beteekenis van al hetgeen men hier ziet. Er is misschien geen enkele Europeaan, die dit laatste zou kunnen.

Wij hadden slechts tijd voor een vluchtig bezoek. Allereerst viel onze aandacht op een stal met een heilig paard, dat opgetuigd was als voor een steekspel en eenige uren later aan den optocht zou deelnemen. In de andere helft van dit gebouwtje zaten twee dansmeisjes in lange roode en witte gewaden, die voor een paar koperen muntstukken een heiligen dans uitvoerden. Met zedig neergeslagen oogen en langzamen cadans bewogen zij zich voor- en achterwaarts en vormden vreemde figuren, in de eene hand een waaier houdende en in de andere een handvat met koperen belletjes. Dan hurkten zij weer neder, bogen ten dank eenige malen diep met het hoofd op den grond, en zaten verder zwijgend en bewegingloos te wachten.

In het mausoleum van Iyeyasu, een beroemden “Shogun”, bewonderden wij het prachtige snijwerk van deuren en plafonds, voorstellingen van beesten, vogels—waarbij de ibis een groote rol speelt—bloemen, vruchten, enz.

Onze schoenen moesten wij buiten de deur uittrekken; binnen heerschte een doodsche stilte en een mystiek halfduister, waarin het goud en koper van altaren en beelden een vreemden glans verkreeg.

Nog meer uitgesneden en beschilderde paneelen, elk weer een andere teekening vertoonende; nog meer begraafplaatsen van vermaarde “Daimyo's”; nog meer beelden van vroegere oorlogshelden, half naakt en nu eens groen, dan blauw van kleur, met woeste, grijnzende trekken en gespannen boog of getrokken zwaard. In één gebouw hing zelfs een schilderij van een modern slagschip en zat een symbolieke adelaar op den mond van een snelvuurkanon. Is het wonder, dat de Japanner slechts overwinnen of sterven kent, ondanks de leer van Boeddha, die verbiedt te dooden?

En langs de grijze, verweerde steenen trappen, waarop mos van eeuwen her, opklimmende naar weer andere poorten, naar weer fraaie torens, heeft men het oerwoud rondom.

Er waren vele bezoekers en de pleinen en gangen begonnen zich al te vullen met de deelnemers aan de jaarlijksche processie, gehouden ter nagedachtenis van Iyeyasu. Kleurige altaren en banieren, wonderlijke kleedingstukken en hoofddeksels, antieke wapens en wapenrustingen,... het beloofde een interessant schouwspel te zullen geven. Wij konden er helaas niet van genieten, daar de tijd van vertrek naderde. Alras waren wij op weg naar het station, na onze bagage te hebben gehaald van het Kanaya-hôtel, dat ik niet licht zal vergeten.

En dat niet wegens zijn onovertrefbare tomatensoep, niet om zijn overheerlijke zalm uit het bergmeer, noch om zijn delicieus pijnappelijs, zelfs niet wegens de donkere amandel-oogen zijner bekoorlijke, dienende geesten, die der volmaaktheid nabij komen en den onuitgesproken wensch gehoorzamen, maar enkel om het onvergelijkelijk natuurschoon in zijne nabijheid, om den zorgen-bannenden invloed zijner paradijsachtige omgeving.

En gij, globe-trotter, die geluisterd hebt naar het zoet-vloeiende “Dormi o bella” van den gondelier in den Venetiaanschen toovernacht en bij maanlicht den Nijl zijt afgevaren, terwijl uw bootje schuurde langs het papyrus-riet en een bruine gestalte op de voorplecht op zangerigen toon zijnen makkers verhalen deed uit de “Duizend-en-een-nacht”; die evengoed bekend zijt in den Harz als in de Ardennen; die het weemoedvolle lied van de Lorelei gezongen hebt aan den Rijn en de tintelende Marseillaise aan de boorden van de Seine; die gezworven hebt zoowel in de Schotsche hooglanden als in het Zwarte Woud; die de Alpen hebt beklommen en op een drijvend hôtel naar de Nieuwe Wereld zijt overgestoken; die het land der middernachtzon hebt leeren liefhebben en ook uw eigen vaderland hebt leeren waardeeren; die den zonsondergang hebt aanschouwd onder de linie ergens op den Oceaan en den zonsopgang aan het Vierwaldstädtermeer; die Napels hebt gezien zonder te sterven en Monte-Carlo zonder te spelen ... voor u herhaal ik:

“Nikko minai uchi wa, kikko to iuna!”

Ten 11 uur van Nikko vertrekkende, waren wij 4.15 te Tokyo en gingen precies 6 uur door met den nachttrein naar Kobe. We konden dus niets meer zien van Tokyo, zijne straten en paleizen, zijne Bladzijde 232schouwburgen en bazaars, zijne tempels en museums, zijne parken en vijvers. Dat was wel jammer, doch kon niet verholpen worden. De plicht gebood ons terug te keeren.

Wij hadden trouwens al veel meer ongezien moeten laten, zelfs in de plaatsen die wij bezochten.

In den trein was eene restauratie-wagen, waar men zeer smakelijk kon eten. Overal electrisch licht en dito waaiers.

Wat de spoorwegen aangaat is alles hier uitstekend in orde. Op alle stations vindt men duidelijke aanwijzingen in de Japansche en Engelsche taal aangaande den loop der treinen. Bordjes vermelden het eerstvolgende station aan beide kanten, en den afstand tot begin- en eindpunt der lijn. Nergens behoeft men de rails over te steken, want zelfs op de kleinste stations leidt een ruime brug, geheel overdekt, naar het 2de perron. Blijkbaar zijn de zaken hier van het begin af goed aangepakt en was er een ruime beurs voorhanden. Maar de Japanners konden ook dadelijk van de nieuwste uitvindingen gebruik maken en zoo den langen lijdensweg vermijden, dien men vaak in andere landen bewandelt, waar men, met primitief materiaal begonnen, slechts langzaam en geleidelijk verbeteringen invoert en nieuw materiaal aanschaft.

Op den weg van Utsunomiya naar Nikko.

Op den weg van Utsunomiya naar Nikko.

Rook- en dames-coupé's mist men hier, maar die zijn eigenlijk ook overbodig; immers de dames rooken ook.

Wat de reden is, dat wij gedurende onzen zesdaagschen tocht geen enkele japansche dame in de 1ste klasse zagen, weet ik niet.

De trein was vrij vol. Maar mij in een flauwe bocht opschietende, kon ik toch heel goed slapen, wat ik dan ook bijna den geheelen nacht deed. Tegenover mij zat een cavalerie-officier, die op een gegeven oogenblik zijn gespoorde laarzen uittrok, zijn sabel afgespte en toen als een kleermaker op de bank ging zitten. En wij vonden het niet eens vreemd meer!

We hadden dezelfde route als op de heenreis, passeerden midden in den nacht Nagoya zonder wakker te worden en kregen, toen het licht werd, af en toe een mooi gezicht op het Bima-meer, nabij Kyoto, dat wij gaarne hadden bezocht.

Gedurende het korte oponthoud te Kyoto maakten de japansche reizigers hun toilet op het perron, waartoe een tiental kranen met bassins gelegenheid gaven. Broederlijk stonden de passagiers der drie klassen naast elkaar, wieschen gelaat en handen en poetsten hunne tanden. Wij echter verkozen de toiletkamer in den trein boven deze openbaarheid.

Weldra ging het weer verder, en het was niet zonder weemoed, dat ik het einde der reis zag naderen, ofschoon toch vol dankbaarheid voor al het genotene.

Eene waarschuwing van mijn reisgenoot maakte een einde aan mijne overpeinzingen; want daar roldonderde reeds de trein het station te Kobe binnen, precies op tijd, 15 uren en 20 minuten na zijn vertrek uit Tokyo, en een half uur later roeide een sampang ons aan boord, alwaar de dienst mij onmiddellijk in beslag nam.

Terwijl ik dit schrijf, ben ik reeds weder duizenden mijlen van Japan verwijderd. Doch nogmaals doorleef ik in den geest die onvergetelijke dagen in het Land der Rijzende Zon, en zie opnieuw dat merkwaardig volk, waarvan Percival Lowell zegt:

“De Japanner is verliefd op de Natuur, en het schijnt bijna alsof Natuur zijn stil gebed hoorde en hem goedgunstig tegenlachte; alsof het liefdelicht aan haar gelaat de verhoogde schoonheid verleende, die het geeft aan dat der vrouw.

“Want nergens ter wereld waarschijnlijk is zij beminnelijker dan in Japan: een klimaat van lange, gelukkige gemiddelden en korte uitersten; maanden van lente en maanden van herfst met slechts weinig weken van winter er tusschen; een land van bloemen, waar de lotus en de kers, de pruim en de wisteria welig groeien zij aan zij; een land, waar het bamboe-gras den ahornboom omstrengelt, waar de pijnboom eindelijk zijn palm gevonden heeft, en de tropische en gematigde zone hun scheidende eenzelvigheid vergeten in een langen, zelfverloochenenden kus”.


1 Spreek uit: Niko.