Project Gutenberg's De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906, by Various This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 Author: Various Release Date: November 21, 2005 [EBook #17121] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AARDE EN HAAR VOLKEN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Naar het Fransch van Lud. Georges Hamön.1

Op de kermis.
Elk land heeft een eigen karakter, dat is onbetwistbaar. Holland nu is, zoowel om den aard van zijn grondgebied als om de kleeding zijner boeren, tegenwoordig het schilderachtigste land van Europa.

Een mager oudje.
Het is de moeite waard, zich op te maken om met eigen oogen te aanschouwen die pijpjesrookers en kermisdansers, die langzame schuiten en reusachtige bruggen, die zwaaiende molenarmen en kalme overpeinzingen van rustige burgers over hun glas bier, die boerin met breede heupen, de producten der eigen boerderij naar de stad brengend, die spannen van trekhonden, die eeuwige kanalen, bevolkt met eenden, die nette dorpen en aardige huisjes, die zonderlinge visschers, grillige luchten, moerassige vlakten. Men kan dan op zijn gemak, zonder de oogen dicht te doen, vóór zich zien verschijnen de landschappen door Ruysdael’s penseel op het doek gebracht, en de tronies der bierdrinkers die Teniers teekende.
Naar Holland gaan beteekent trouwens zooveel niet.... Men stapt ’s morgens aan ’t Noorderstation in een exprestrein, en ’s avonds zit men kalmpjes in een “koffiehuis” te midden van de diepe rust der weiden en de tonen van een klokkenspel.
Als men in één adem België is doorgespoord, wat niet moeilijk is met het oog op de kleinheid van het land, komt men te Roozendaal, het grensstation, waar het gebruikelijk is, zijn krachten eenigszins te herstellen. Daarna stapt men in een langzamen [2] trein, die er saai uitziet en op weg is naar Zeeland, het land der eilanden met zonderlinge namen, doorsneden door vaarten, kanalen, rivieren, slooten en booten, en bevolkt door vrouwen met bloote armen.
Maar men houde wel voor oogen, dat Holland een wanhopig vlakke en eentonige streek is, dat het geen heftige aandoeningen wekt, noch tot opgewonden geestdrift stemt of stille innerlijke verrukking teweegbrengt. Holland is het land der rust, waar men zich dompelt in het kalmste welbehagen.
Een hollandsche stad.—Middelburg.—De wolken.—De “boerinnen”.—Het huis.—De brugwachter.—De markt.—Een hollandsch dorp.—Zoutelande.—Goede herbergiers.—Typische avond.—De klompjes der kleine kinderen.—De kermis.—De vroomheid van den Hollander.
Na veel eentonige moerassen te zijn voorbijgegaan en vochtige landerijen; na bruggen te zijn overgereden, stopt de langzame trein te Goes en daarna te Middelburg, de hoofdstad van het eiland Walcheren.
Het was grijs, donker weêr op den morgen van mijn aankomst. In Holland vinden de wolken geen klokkentorens om ze tegen te houden, noch boomen of heuvels, en dus komen ze van alle kanten aandrijven, wit en rose en zwart, bruin, oranje of rood, al naar den tijd van den dag, en door den wind voortgestuwd. Zij lossen zich op in zware regenbuien of vluchten in compacte massa’s heen, trachtend zich hier of daar vast te zetten; maar de molens, die steeds maar blijven zwenken en draaien, schijnen ze uit te lachen, net als de baders, die in het water duiken, als men ze roept.
O, hollandsche wolken, wat hebt ge mij een last bezorgd!... Moet ik er boos om blijven?... Ik weet het niet, want gij ziet er toch niet kwaad uit, en Holland zonder wolken zou een afschuwelijke woestijn zijn; daarom hebben de wolken en het water samen vriendschap gesloten ten bate van het landschap.
Het was dan grijs en leelijk weêr, toen ik in Middelburg uitstapte.
Middelburg, hoort ge wel? is een echt type van een hollandsche stad, half en half grootsteedsch en half en half boersch. Naast Goes en Wemeldinge is het de interessantste plaats, waar ik geweest ben.
Het was morgen. Overal ontmoette ik groenteboeren en groenteboerinnen, sommigen in lage wagentjes, getrokken door kleine, harige paardjes, anderen, bezig karren voort te duwen, hoog opgestapeld vol met groente, boter, eieren of melk.
Trip, trap, trip, trap.... Dat stapte maar voort zonder haast. Niemand heeft ooit haast in Holland. Het paard, in een zacht drafje gebracht, stond dadelijk stil, als ’t noodig was.
Boerinnen, jonge meisjes nog, goed gekleed in haar nauwsluitende jakjes, met dikke heupen door de zware rokken, liepen waggelend met een juk op de schouders en boden aan de klanten melk en boter aan in blauwe of groene emmers met deksels, alles van de uiterste zindelijkheid getuigend.
Het type is niet bijzonder mooi, ik bedoel, niet erg fijn; maar schoonheid is een zaak, die moeilijk uit te maken is, en tot veel verschil van meening aanleiding geeft. Ziet men niet dagelijks de menschen bewonderend stilstaan voor de schilderijen van Rubens, alles vleesch, want men weet, dat hij bijna niet anders dan dikke Vlamingen op zijn doeken bracht.
Deze jonge dames kennen in ’t geheel geen beschroomdheid. Meer dan eene, die op mij afkwam met de handen in de zij en met de schouders schokkend in een droge beweging van onverschilligheid, stond stil, als ik haar aankeek, ging met een coquet airtje vóór mij staan en gaf mij door teekens te verstaan, dat een geldstukje haar niet onwelkom zou wezen. Als ik beproefde haar onverwacht te kieken, stiet zij een kreet, van toorn uit en keerde mij met ostentatie den rug toe. Op andere plaatsen, bij voorbeeld op Marken, wordt die belasting van den vreemdeling bijna als een recht geheven; een belachelijk misbruik.
Middelburg!... Zeer net stadje, met straten die alle aan elkaâr gelijk zijn. Rondom kanalen en, boven de daken uitstekend, twee of drie groote molens. Enkele oude monumenten, geheel in stijl. Zangerige klokken spelen de uren en laten hun tonen plotseling druppelen in de doffe stilte der bijna verlaten wegen en straten, waar men weinig winkels ziet.
Er wordt in Holland niet veel gewandeld, en aan flaneeren wordt in het geheel niet gedaan. Men leeft te huis opgesloten in zijn dicht en keurig, goed onderhouden vroolijk woonhuis. Geen huurhuizen van vijf, zes of tien verdiepingen. Elk gezin heeft zijn thuis, zijn eigen woning, waar alleen bekenden binnentreden, van wie men zeker is.
Maar wat houdt men dan ook veel van dat “home”, hoe graag versiert men het en tooit het op, wascht het, verft het en boent erop naar hartelust! Zulk een pijnlijke bezorgdheid doet het oog goed, want men gevoelt, dat zij één is met de plaatselijke zeden en gebruiken.
De straten, geplaveid met baksteenen, vertoonen geen enkele onreinheid. De vensters, van zonneblinden voorzien, zijn niet gestoffeerd met nieuwsgierige gezichten, die op den voorbijganger neerzien met ingenomenheid of afkeuring. Men ziet geen vrouwtjes bij de deuren staan praten of gewichtige samensprekingen houden op drukke kruispunten van wegen. Zelfs de kinderen zijn maar juist even druk genoeg, om te bewijzen, dat de stad niet door spoken wordt bewoond.
Alleen de spionnetjes kijken u aan, spiegels, die van buiten aan de vensters zijn bevestigd en waarin de vrouw des huizes, gemakkelijk achter haar horrikje gezeten, dat is een groen scherm in den vorm van een klaverblad, uren aaneen gadeslaat wat er voorbijgaat, juist als visschen doen in het water van een goudvischkom.
O, die vriendelijke doodschheid der hollandsche woningen op een grijzen achtermiddag in September!
Met mijn camera in de hand, ben ik de kleinste straatjes doorgegaan, overal met mijn onbescheidenheid binnendringend, waar ik er maar kans toe zag. Ik dwaalde langs de plechtige kaden, waar het rood der daken zich voegde bij het bruin van ’t vele hout, dat in het water dreef en bij het rossige waas der boomen, dat den herfst verkondigde. Ik liep langs [3] de oevers van het groote kanaal; jonge meisjes wisselden er teekens met de melkboeren aan den overkant, omlijst door den vlakken horizon, waarin een molen draaide.

Jong boerinnetje.
Ik kende spoedig tot in de kleinste bijzonderheden den korten doolhof van wegjes en straten, die alle zonder onderscheid naar het hoofdplein leiden, waar ’t stadhuis te vinden is met al zijn beeldhouwwerk, waar de weekmarkt wordt gehouden en waar de tram van Vlissingen stopt, de zeehaven, waar stoombooten van allerlei naties binnenvallen.
De voorstad, die erheen leidt, brengt u aan een brug. Die brug gaat in het midden omhoog als een dubbel luik, om de schepen met masten door te laten. De bewerking duurt een goed kwartier, gedurende welken tijd de weinige personen, die over de brug wenschen te gaan, in ’t minst geen blijk geven van verveling. De brugwachter leunt, als een mandataris in het volle besef van zijn verantwoordelijkheid, tegen de leuning; hij zwijgt en wacht op wat de schipper zal verkiezen te doen, die zijn schuit met de plechtige langzaamheid van een voorvaderlijke schildpad doet voortschuiven.
Die brugwachter was inderdaad op zichzelf een echt hollandsch poëem. Rossig in de rossige omgeving, stond hij daar met zijn pijpje tusschen de lippen geschroefd; een kalme wijsbegeerte straalde van hem af: de philosofie van de neutrale lichamen, bij tusschenpoozen zich bewegend naar een onduidelijk aangewezen doel. In hem herleefden de gestorven geslachten der Nederlanders met de afgemeten gebaren, die zwegen en droomden en eeuwen van geduld stelden tegenover de koppige aanvallen van de verraderlijke zee.
Dit is wel echt het karakter van den Hollander. Omringd door het water, vechtend tegen het water, gevoed door het water, heeft hij de zachte zwaarte van het water zich eigen gemaakt, dat geluidloos nadert en onder zijn kleurrijke oppervlakte vreemde werelden verbergt.
Met zijn glad rond gezicht, zijn naar de mode van Lodewijk XI geknipte haren, zijn dikke handen en zijn beenen in een wijde broek, lacht de Hollander zelden of nooit, schreeuwt nimmer, vecht niet met woorden en schijnt in zijn ernstigen blik een wereld van gedachten of van nevelachtig gepeins te weerspiegelen.

Ophaalbrug te Middelburg.
Rossig in de rossige omgeving, rookte de symbolische brugwachter zijn pijpje, onbekommerd om de overdenkingen, waarin zijn beeld mij dompelde. Toen het schip voorbij was, draaide hij een ijzeren kruk om, en de toegang was weer open.
Dit hoekje van de stad was nog stiller dan het overige. Een peinzende moeder liep er met haar kleinen jongen, die in een doek gewikkeld was, en geen ander levend wezen was er te zien, geen geluid te hooren dan het geklepper van den nabijzijnden molen.
De volgende dag was een Donderdag, marktdag te Middelburg. De zon weigerde mij niet alles op mijn smeekingen en tintte rose de jagende wolken, die uit den Oceaan gekomen waren. Ik ontbeet vlug met eieren en ham, verkwikte mij met thee en bereikte de Groote Markt, het tooneel van den handel. [4]
Drie of vier verplaatsbare winkels, een stroom van boeren en boerinnen en wagens met witte kappen bewees, dat er wel lust was om zaken te doen; maar ik zocht overal tevergeefs naar de menigte, die er moet wezen om aan den straathandel levendigheid te schenken.
In Zeeland is er om zoo te spreken noch landbouw noch industrie. Bij gevolg kan men er niet uitstallen, als bij ons, die hoopen groenten, eieren, vruchten of bloemen, waar omheen de huisvrouwen zich verdringen.
In Zeeland produceert de boer niet veel anders dan melk, boter, beetwortels en aardappels. De melk en de boter worden bij de klanten thuis gebracht door de boerinnen, zooals wij reeds hebben gezegd. De beetwortels gaan per schip naar de fabrieken.
Te spreken van een “markt” voor die wekelijksche bijeenkomst die ik bijwoonde en die nog voortdurend blijft bestaan, zou eigenlijk minder geschikt zijn. Onder voorwendsel een paar kilogrammetjes boter te verkoopen, komen de brave luidjes in de stad hun wekelijksch uitstapje maken, om er kennissen te ontmoeten, enkele inkoopen te doen, pijpjes te rooken vóór het stadhuis en met de handen in de zakken te droomen in een herberg, waar een biljard staat, zittend achter een groot glas bier en luisterend naar het droge geluid der ballen, door zwijgende spelers bewogen.

Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.
Welk een kalmte! Dit volk, met meel en vet gevoed, heeft geen zenuwen. Breed, zwaar, gezet zonder dik te zijn, herinneren die mannen, die geen begrip van gebrek en ellende hebben aan chineesche bonzen, in rieten stoelen gezeten, die langzaam onder hun bolle oogen hun duimen draaien boven hun buik in stille overpeinzing, zonder op den voortgang van den tijd te letten.
De mannen voegen zich te zamen op een hoek van de markt, om elkander hun indrukken mee te deelen over den stand van beesten of beetwortelen en over de gezondheid van hun kinderen. Op enkele vierkante meters staan daar een heele menigte typen, die van vreugde kunnen doen beven de afstammelingen van Teniers, Ostade en Potter, al die goede, overleden schilders.

Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.
Groepen oude boeren met korte broeken, gebloemde kousen en hooge ketelhoeden, wier kaalgeschoren gelaat door losse haarvlokken omgeven is, voeren den geest naar voorbijgegane eeuwen.
Die oudjes zien er voor ’t meerendeel gezond, maar zeer mager uit, in tegenstelling met de dikke jongelui en aantoonend, dat juist zij het oudst worden, die wat droog van spieren zijn.
Uit die algemeene zwaarwichtigheid moet niet worden afgeleid, dat de intellectueele vermogens beperkt zijn. De Hollander is goed onderwezen; hij leest wel niet veel, maar onthoudt, wat hij leest. Zijn goedaardigheid en stugge, massieve manieren zijn dikwijls slechts iets uiterlijks; men zou, eer men er te vast op bouwde, den onmerkbaren glimlach moeten kunnen verklaren, die soms rimpels om de ronde, blauwe oogen doet verschijnen en om de zachte, ongerimpelde monden. Hij heeft, wat men [6] noemt, den moed om tegen de dingen in te gaan, voortkomend uit gezond verstand en uit berekening. De eeuwenlange strijd, ondernomen tegen de zee en de vernielende rivieren, heeft hem groote volharding geschonken en een onbegrensd geduld, een echte kracht van inertie. Hij is werkzaam, maar die activiteit is niet onstuimig en wordt aan den dag gelegd in stillen, geregelden, volhardenden arbeid.
Spaarzaam is hij ook, en in dagen van overvloed blijft hij zuinig; grootheid en ijdelheid toont hij alleen bij groote gelegenheden, openbare inschrijvingen, bruiloften of kermissen.

Conferentie over de dikte van de bieten.
Als een hollandsche boer zijn dochter uithuwelijkt, geeft hij een gastmaal van stavast. Oudtijds waren de feesten bij bruiloften zoo algemeen in de zeden doorgedrongen, dat een wet tusschenbeide moest komen, om te bepalen hoeveel violen er mochten zijn, hoe groot de waarde der geschenken mocht wezen, en wat de prijs per couvert moest zijn.
Bij tweeën en drieën staan de melkboeren te praten over allerlei kleinigheden, op neutralen toon gezegd, terwijl de rook der sigaren hun oogen in een zilverachtig schijnsel hult, of wel, ze gaan met langzame schreden naar de herberg en zetten hun vertrouwelijk praatje voort op de banken langs den muur.

Groote boerenwagen met witte kap.
De herbergzaal, of liever de biljardkamer, heeft veel overeenkomst met onze herbergen en café’s. Al de ruimte wordt ingenomen door het enorme biljard met zakken aan de vier hoeken. Verder staat er een ronde tafel met een gestreept kleed er over, en alles, wat er noodig is, om te schrijven; stoelen, netjes in rijen geschaard, voltooien het eenvoudig ameublement voor de wijze klanten.
Men zou, als men daar binnentreedt, kunnen meenen, dat men in het huis van een particulier is, die u vriendschappelijk, met de ellebogen op de tafel geleund, een lekker glaasje zal aanbieden.
Op het marktplein ziet men beslist alleen mannen. Waar gaan wel de vrouwen heen? Ik krijg een drietal huisvrouwen in het oog, die voortloopen met manden aan den arm, en ik volg ze. Zij brengen mij weldra op een groote binnenplaats, omringd door een klooster, en in het midden geeft een oude iep koele schaduw.
Dit is het heiligdom der huisvrouwen. Zij staan er kalm en langzaam en nauwkeurig zaken te doen in haar wijde rokken, groote boezelaars en helder gekleurde doeken, de witte mutsen versierd met goud en zilver. Enkele hebben hun manden neergezet op schragen, die ervoor klaar staan, of op den grond naast de afgevallen bladeren en wachten met eindeloos geduld, tot er een koopster opdaagt, om haar te ontlasten van de vette koopwaar. Anderen staan stil, draaien wat heen en weer, loopen rond en staan weer stil, zwijgend met onbeslisten blik en dwalend oog, alsof ze er niet heel zeker van waren, dat zij den vasten grond betreden.
Verlangt u boter?
Wij wenschen boter.
Hebt u kaas?
Wij hebben kaas; zie, hoe zacht ze is.
Die vragen, die antwoorden, suizen zachtjes met het geluid van den wind door de takken van den grooten boom, en enkele vrouwen vertellen elkaâr kalm, op welke wijze zij het smakelijke product bereid hebben met de melk van dien en dien dag, afkomstig van een bepaalde koe.
Onbeduidend en bolbleek zouden die hollandsche dames zijn zonder haar bijzondere kleeding, juist als die anderen in moderne toiletten, die alle bekoorlijkheid missen. Met de eigenaardigheden van het land passen zij op het archaïsche fond en blijven in haar rechte, statige houding, alsof ze altijd en overal op doek vereeuwigd moesten worden.
Haar bloote armen, hard geworden door den wind, dragen manden, die met roode, blauwe of gele doeken toegedekt zijn, en daar het nog zomer is, dragen zij hoeden op het hoofd in den vorm van omgekeerde bloempotten met groote pompons versierd.
Onder den olm met bruine takken komen haar gestreepte sjaals flink uit, zooals zij zich buigen naar de geopende manden der boerinnen, die mooi zijn als ze nog niet veel jaren tellen, zooals al wat jong is, ondanks de stijve kleeding, die de buste in rechte hoeken omspant.
Haar voeten, die niet weten wat haast is, drukken de steenen van het oude plaveisel, en dat is het eenige geluid, dat men verneemt, gedempt nog in de algemeene stilte.... De zeeuwsche vrouwen schijnen, zou men zoo zeggen, aanhoudend kostbare geheimen met zich rond te dragen, die zij enkel aan elkander kunnen openbaren achter een muur, beschilderd met lichte en donkere strepen en achter de groene zonneblinden vóór de vensters. Haar vochtige [7] oogen weerspiegelen de groote weiden, waar de jonge koeien grazen, die dikwijls worden gemolken; haar smalle voorhoofden, stijf geknepen in het kanten omhulsel, zijn blijkbaar nog onder den indruk van het liedje van ’t melken, dat tweemaal per dag wordt afgespeeld, dat liedje van de melk, die druppel na druppel met bobbels in den emmer valt, en haar handen zetten nog de bewegingen als van een harpspeelster voort, waarmee zij de blanke uiers streelen.

Boerengezin aan ’t markten in Middelburg
Zouden ze zoo zacht zijn als dat voedend vocht?... Laat ons geen te haastig oordeel vellen! In Zeeland, in Friesland en in Groningen zijn er brunetten en blondines, rossigen en anderen met kastanjebruine haren, en zoo de overdaad van zachte spijzen haar aderen heeft gevuld met een flauw en waterachtig vocht, zij zullen zonder eenigen twijfel in haar gevoelens niet verschillen van de andere dochteren Eva’s.
Dat zijn overdenkingen, waartoe de marktdag in Middelburg iemand brengt. Zonderlinge markt voorwaar, waar men op de teenen loopt in eeuwigdurend geflaneer.
Een zeventigjarige, steunend op zijn kleinzoon, lacht mij vriendelijk toe. Hij is het verleden, hij met zijn costuum van een vlaamsche schilderij; het kind is het tegenwoordige, de toekomst met zijn knellend petje en vierkant afgesneden buisje. Ik wenk en wijs op mijn camera. De kleine wil den ouden heer wegtrekken van dat gevaar, dat mijn instrument opraper van beelden wezen kon; maar de oude staat stil en neemt een nobele houding aan als een groot heer, die wel graag bewonderd wordt.
Een hevige regenbui valt plotseling neer op markt en straten en huizen met puntdaken; een uur lang klettert het en ruischt en spat en drijft de kalme boeren in de herbergen; dan schijnt de zon weer, en er worden toebereidselen gemaakt voor de thuisreis.
De groote wagens in den vorm van schuiten, overdekt met witte huiven, komen van alle kanten te voorschijn en staan in rijen geschaard. De meisjes, blij dat ze eens uit zijn; de huisvrouwen, tevreden over haar inkoopen en haar gezellig gebabbel; de boeren, voldaan over hun marktwandeling en verzadigd van bier en jenever, allen stijgen in.
Tott werziens! ... Goedag!
De paarden schudden met de ooren, tillen de slappe beenen op en vertrekken, trip, trep, trip, trep, langzaam door de nauwe straten die goed geplaveid zijn, met zoo min mogelijk gedruisch, naar de stallen.
De stad, die een oogenblik druk en woelig is geweest, herneemt haar gewone, slaperige kalmte. De zon daalt lager. De grachten schitteren in veelkleurig licht. In de vallende schemering gaan booten voorbij, stil met opgezette zeilen en een licht geklots van het water. De donkere molens maken ter begeleiding van den zonsondergang stomme teekens, voorbijgaand als de minuten. Achter de neergelaten gordijnen der huizen verschijnen bleeke lichtschijnsels. Stilte, stilte, stilte.... Middelburg, hoofdstad van Zeeland op het eiland Walcheren, verdwijnt in den nacht ...
Zoutelande, een dorp verloren achter de duinen, dichtbij de zee. Een groote molen wijst de plaats aan. De avond valt. Langs de steenachtige wegen, met slooten er naast, huilt de wind, kondigt den naderenden vloed aan. Aan den voet der hooge bergen van zand een hoofdstraat, schoon als de vestibule van een hôtel, met een bruin plaveisel en lichte, geschilderde en gewasschen huizen. Een enkele herberg, waar ik tegen de deur stoot. Rondom het biljard vier of vijf mannen met korte broeken, die rustig spelen. De waard, een kleine grijsaard met een rond, verheugd gezicht; de waardin, een groote veertigjarige met verstandige oogen. Zij gaat vóór mij staan met de handen op de heupen en begint in ’t Hollandsch een lang gesprek. Ik glimlach en maak een beweging van spijt. Met behulp van het woordenboek, dat ik uit mijn tasch haal, geef ik haar te verstaan, dat ik een kamer noodig heb en voedsel.
Zij brengt een vinger aan het voorhoofd: “Begrepen!” en gaat heen. Zij komt eenige oogenblikken later terug met haar dochter, ook groot en forsch, [8] en begint opnieuw een gesprek. Ik leg voor het meisje mijn wensch bloot, en beide zijn het geheel eens, zeggende: “Begrepen!” Helaas!... het meisje gaat den vader halen, die ja zegt op alles, wat ik aanwijs, steeds maar lacht en met het hoofd knikt op de manier van porseleinen poppetjes. Wanhopig doe ik mijn mond open, steek er den voorvinger al kauwend in, en buig mij over een tafel met de oogen dicht.

Grootvader en kleinzoon.
Zij vouwen de handen, zijn verrukt en kijken elkander aan: “Wat is die man toch gek en wat doet hij dwaas!”
“Begrepen, begrepen,” zeggen ze, en verwachten misschien, dat ik nog meer door gebaren zal aanwijzen; maar ik zeg bij mij zelven, dat ik hier toch geen Kaffers of Berbers vóór mij heb, en ik ga waardig op een stoel zitten, de tong uitstekend als bewijs, dat ik wel zou willen drinken.
Er wordt mij melk gebracht. De schemering wordt zwaarder. In de hoop, dat ze wel wat voor mij zullen braden, ga ik uit. De wind is hevig, blaast door mijn haren, en ik zie niemand buiten. Ik beklim het duin; men kan er niet staan. De zee schuimt tegen de palen, geplaatst langs de dikke steenen, die het zand moeten tegenhouden. In de verte vecht een antwerpsche stoomboot tegen den wind en schuin waait haar rookpluim achter haar aan.
Brr, wat is het koud! Ik ben wel genegen den lof der Zeeuwen te zingen hier boven van mijn berg; maar de molen, die statig ronddraait ginds aan ’t eind van het dorp, schijnt mij uit te lachen met zijn groote, zwaaiende armen.
Ik ga terug naar de “Roode Leeuw, logement en koffiehuis.” De biljardspelers zijn weggegaan. De baas rookt zijn pijp bij ’t fornuis, terwijl zijn dochter aardappelen zit te schillen.
De huisvrouw houdt mij haar vinger voor en wijst naar de deur van een kamer. Ik geef gevolg aan die peremptoire uitnoodiging en vind op een tafellaken een glas melk, twee eieren en kaas, bescheiden menu van de kluizenaars uit Gallië in den tijd der barbaren.
Mijn maag voelde hol en leêg na zoo’n middag van beweging, en ik vroeg luidop om meer. Er was niet meer. De vrouw keek mij met ontzetting aan en stelde een nieuwe speech samen, waarvan ik niets begreep.

De pijpjesrookende brugwachter.
“Brood en melk, lief moeder”, wees ik haar in het woordenboek, met een gebiedende beweging.
Begrepen!
Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid met bier en melk. [9]

De dochters van den herbergier uit Wemeldinge.
Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie om ’t fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover, krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.
O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie, alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve meubels van bruin mahoniehout.
Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.
Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs met een energieke beweging naar de zoldering.
De moeder heft het hoofd op en glimlacht. Dat behoort tot haar departement. Ze legt haar breiwerk neer en voert mij naar een ladder, achter de keuken, steekt den vinger in de hoogte en reikt mij de kaars aan onder het uitspreken van een ingewikkelde redevoering.
“Goed, goed”, zeg ik, “lief moeder, ik wensch u een goeden nacht, u en uw ronden echtvriend en uw dochtertje en ’t heele huis!”
Ik klauter de ladder op en kom op een soort van zolder, waar de rijkdom aan groente der familie ligt opgestapeld, rechts een hoop aardappelen, links een pyramide van wortelen, vóór mij een berg uien, elders erwten en boonen en gereedschap; tusschen twee balken eindelijk een alcoof van ruwe planken en daarin een matras, twee lakens en een deken.
Ik sla de armen over elkaâr, vol verontwaardiging ... maar ik bedenk, dat in een dorpje verloren onder tegen de duinen van een afgelegen eiland, men geen pretensies hebben moet, en ik volg Napoleon na, die, uit vrees verrast te worden, zich geheel gekleed te slapen legde.
De wind joeg over het dak, deed de pannen kletteren met krachtige stooten; maar mij vastklampend aan de geruststellende gedachte, dat hij eerst het dak moest kapot hebben, vóór hij mij kon bereiken, sloot ik de oogen en viel in slaap....
’s Morgens stroomde een prachtige zonneschijn door het zolderraampje en legde een stralenkrans om mijn hoofd. Ik haastte mij naar beneden en naar buiten, waar ik tot mijn verbazing een abnormale drukte van klompen hoorde.
Dat geluid van het hout op de steenen riep in mijn herinnering Bretagne op en de kadans van de klompen op de bestrating der oude stadjes.
Maar dat is toch niet mogelijk, zei ik tot mijzelven, dat de jongens van Guéméné en de meisjes van Fouessant de zee zijn overgestoken in den nacht, om mij deze aubade te brengen? Misschien ook zijn het de geesten der gestorvenen uit mijn land, die mij willen verrassen en mij beletten, mij te laten [10] naturalizeeren als Hollander. Ze hadden anders in dat opzicht niet heel veel te vreezen....
Beneden aan de ladder lachten de vrouwen mij toe; de baas, weer in zijn stoel gezeten, stiet een groote rookwolk uit en rolde met zijn blauwe oogen.... De weg was eenvoudig vol met kleine kinderen, die vóór schooltijd heen en weer drentelden.
Verrassend, die kinderen! In andere landen maken huns gelijken een diabolisch lawaai, schreeuwen, stampen, loopen elkaâr achterna, spelen krijgertje, verstoppertje of springen touwtje.... Hier wandelen ze maar. De jongens met de handen in de zakken, de pet op één oor, duwen elkaâr zoo’n beetje weg. De meisjes, als groote menschen gekleed, met wijde rokjes en groote doeken, dansen in ’t rond, elkander bij de hand houdend, of loopen hard bij ’t klepperen van de wijde klompjes, terwijl ze met de dunne, bloote armpjes zwaaien.
Dit was een frisch, opwekkend gezicht. Een heldere Septemberzon, een straat, zoo schoon en rein als ’t schip van een kerk, roode, bruine of witte huizen met roode daken, kleine meisjes, in het blauw gekleed, in druk bewegen vol gratie; men kan er werkelijk spijt van hebben, dat men niet met één penseelstreek al die kleuren op het doek kan brengen, waaruit een tooneeltje van dezen aard bestaat.
De kinderen werden mij gewaar en vlogen weg als opgeschrikte vogeltjes, toen ik de beweging maakte van hen te willen photografeeren. Ik liep ze achterna. Zij lachten, liepen achter muren om, verborgen zich, kwamen weer voor den dag, en ik kon mij al gauw verbeelden een wolf te zijn, die schaapjes achtervolgde.
Klik, klak, daar had ik ze! Ik overviel hen in een schuilhoekje, waar ze zich verbergden, en waar de meisjes de handen vouwden, als om genade te smeeken, terwijl de jongens daarentegen mij brutaal trotseerden.
Maar de kinderwereld met haar levendige kleuren liet mij in Zoutelande weldra alleen en trad het schoollokaal binnen.
Ik deed een omgang door het dorp. Geen levend wezen te zien. Overal dichte deuren. Geheimzinnig gesloten vensters. Stilte. Geen waschplaats, waar men het kloppen op het linnen hoorde. Geen enkele huisvrouw aan ’t keuvelen met een burin of aan het werk op haar plaatsje of in haar tuintje. Nu en dan treedt een vrouw naar buiten met emmers water en een ontzaggelijken bezem. Zij wascht haar huis van boven tot beneden af, plechtig en ernstig, en met een ladder klimt ze tot het dak, om de pannen af te vegen, en doet dan haar deur weer dicht, waarachter men zich haar denkt, altijd wasschend, boenend, vegend, poetsend en opsierend.
Er is veel gesproken over de hollandsche zindelijkheid. Die is geen mythe. Dit volk heeft den trots der properheid. Te midden van water levend, onder een regenrijken hemel, door wind geteisterd, gebruikt het wind en regen, om vuil en stof weg te waaien en weg te spoelen.
Armoede schijnt in deze streken onbekend; zoo zij bestaat, is ze zoo zindelijk, dat men haar niet herkent. Elke familie behoudt van geslacht tot geslacht de zware, massieve meubels, waaromheen een ongeschokt en rustig leven wordt geleid.
Het omringende water, de gedwongen beperktheid van de wegen te land, het ontbreken van landbouw en industrie hebben tot die zeden en gebruiken aanleiding gegeven. En Holland is een land van burgers, van schippers en makelaars, maatschappelijke kringen, waar men aan comfort is gewend.
De kleinste boer overbluft u nog met zijn kleeding, zijn porselein en zijn blinkend huisraad. Hij maakt den indruk van iemand, die zeker is van zichzelven, van zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst, in ’t minst niet verontrust door een progressieve belasting, dreigende politiek of ongemotiveerde zenuwachtigheid.
Van nature is de Hollander teruggetrokken en stil; uit gewoonte hecht hij zich aan zijn werk, zijn zaken en het familieleven.
Hij is godsdienstig, maar zonder in uitersten te vervallen. Het hervormde geloof, dat hij aanhangt, lokt niet uit tot vroomheidsvertoon en staat geen weelde toe in beeldjes of heilige voorstellingen, zooals men wel in andere landen ziet.
De kerken hebben enkel kale of gewitte muren. Men gaat er des Zondags heen, om naar de preek te luisteren. Geen bevallige feesten of symbolieke dagen of herinneringsplechtigheden. Men gaat naar de kerk, omdat het nu eenmaal zoo behoort, en omdat men doen moet, wat volgens de traditie altijd gedaan is.
De Bijbel is een nationaal monument, dat de hervorming op één lijn stelt met de vaderlandsliefde, een gevoel, dat diep geworteld is in ’t hart der Nederlanders, en toen Lodewijk XIV, na Utrecht te hebben vermeesterd, op de groote markt alle exemplaren liet verbranden, die men ervan kon vinden, zou hij zonder grootspraak zich hebben kunnen beroemen, het intellectueele Holland van dien tijd aan de vlammen te hebben overgeleverd. De vrijheid van geweten wordt echter overal geëerbiedigd en dat wel sinds onheugelijke tijden. De godsdienstige secten zijn ontelbaar, en alle leven in de beste verstandhouding met elkander. Katholieken, protestanten, joden, muzelmannen, allen genieten precies dezelfde rechten en prerogatieven.
Men is er streng van zeden. Nooit hoort men van misdaden of avonturen, waarbij de liefde in het spel is. De jonge man, die zijn oog laat vallen op een jong meisje, doet zijn best om het tot een huwelijk te brengen, als ten minste het onderling belang erbij gebaat wordt; alles blijft kalm in de polders, ook de gevoelens.
Die ingetogenheid verdwijnt één keer in het jaar en wordt tot een deelneming aan woeste gelagen; dat is bij gelegenheid der kermissen.
Gedurende de dagen, gewijd aan deze nationale feesten, brengt de boer naar buiten alles, wat hij in gewone tijden moet binnenhouden en onderdrukken, namelijk de leelijke zijden van zijn natuur; hij danst als een schuit op hooge zee, rookt als een antwerpsche stoomboot en drinkt als den Helder op de dagen van overstrooming. Drie dagen en drie nachten lang verlaat hij, meer bepaald in sommige steden, het koffiehuis niet. Op de tafels en den grond uitgestrekt, verbijsterd door de muziek en ongevoelig geworden door den drank, blijkt hij een ander wezen geworden met buitensporige gebaren en luid klinkende woorden, en men zou niet weten, waar men hem bij moest vergelijken, als het niet bij Bacchus zelf was op zijn [11] dagen van groote uitbundigheid. De schilderijen van Rubens in het Louvre, zoo cru in hun realisme, kunnen nog als symbolen dienen, indien een schets vol echte waarneming symbool kan zijn voor een veeleischend geslacht.

Sterke paarden aan het werk.
Het bacchanaal,—dat moet erkend—verschilt naar gelang van de provincies en krijgt meer en meer neiging, tot een familiefeest te worden, ’t geen dan weer op verlies van schilderachtigheid te staan komt.
De kermissen hebben voor de jongelieden bijzonder groote beteekenis, omdat ze voor hen zeer zeldzaam voorkomende gelegenheid zijn, zich vrij te bewegen, uit te gaan. In dit moerassige land, waar van eigenlijke velden en buiten zijn geen sprake is, kan men niet, als bij ons, des Zondags gaan wandelen langs schaduwrijke wegen tusschen bloeiende weiden.
Van tijd tot tijd gaat men wel eens per boot naar Rotterdam of Zierikzee, maar die uitstapjes halen niet bij een kermisdag in de hoofdstad der provincie. Daar gevoelt men zich te huis; men kan er op zijn gemak okshoofden zwart bier verzwelgen en wafels verorberen, uien eten en komkommers of geconfijte citroenen in azijn, gekruid met harde eieren....

Het dorpje Zoutelande.
Wat de huwbare dochters aangaat, zij nemen ijverig deel aan de kermis. Lang van te voren zorgen zij voor de mooie mutsen met de ronde vleugels, die haar oogen zoo goed doen uitkomen, voor den bloedkoralen collier, het blauw fluweelen dasje, de gouden plaatjes op het voorhoofd en de gouden stiften op zij, met al die kleine extraatjes, waardoor de jongens worden bekoord.
Die kostbare sieraden zijn de trots van de boerin. De droom van ieder is, ze prachtig te kunnen vertoonen, van echt goud, opdat de wind ze even kan bewegen en ze kan doen ruischen als de vleugels van een libel.
Te Zoutelande wordt verteld, dat een zeer mooi, maar ongelukkig boerinnetje, dat door de gierigheid van haar vader geen sieraden bezat, een heftig verlangen voelde om op dit punt de gelijke te zijn van haar kermisvriendinnen, opdat zij evenals deze gevraagd zou worden te dansen, te lachen en poffertjes te eten door de jongelui, die de armoede minachten.
Toen zij naar de markt van Middelburg ging, om de melk en de boter van de boerderij te verkoopen, overpeinsde ze die lastige quaestie en was diep bedroefd, zoo geminacht te zijn, hoewel ze er aardig genoeg uitzag.
“Ik wil schitteren”, dacht ze, “want ik ben mooier dan de anderen”.
Onder het voortloopen, in haar gesloten jakje met het bruine juk op de schouders, keek ze mistroostig naar het water in de slooten, dat de zon weerspiegelde, [12] en zei tot zichzelve, dat, zoo dit water melk was, zij dadelijk genoeg zou hebben, om de mooiste sieraden te koopen van de goud- en zilversmeden in Schoonhoven.

Een miniatuurpaartje.
Toen begon ze te lachen, stond stil, nam van haar geverfde emmers het deksel af, zag, dat ze niet vol waren, deed er een weinig bij van ’t water, dat in vele tinten straalde, en zette haar weg voort.
In plaats van acht liters melk te verkoopen, verkocht ze er elken dag twaalf en verborg in een laadje de opbrengst van haar list.
Het ging zoo goed, dat ze weldra een aardig spaarpotje had en de zoo begeerde sieraden kon koopen. Zij was uitgelaten blij en kon niet laten, toen ze uit de stad terugkwam, tegen haar slapen de mooie sprieten te hechten en in het water te kijken als in een spiegel.
Helaas, toen zij zich bukte, om haar gelaat te zien, raakten de krullen, die niet goed vastzaten, los en vielen in het stroomende water.
Reneetje, op het gras gezeten, vervuld van spijt en boosheid en teleurstelling, schreide heete tranen, tot de wind haar deze verstandige woorden in het oor fluisterde:
“Wat uit het water komt, moet tot het water terugkeeren.”
Er wordt niet bij verteld, of het jonge meisje den troost aanvaardde.
Ontmoeting op straat.—De mooie ruiter.—Teleurstellend déjeûner.—Vader Kick.
Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.
Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen de wieken van den grooten molen.
Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.
Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje, jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje, en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!

Overal kleine dreumesen.
Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden, zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond, al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, [14] die er goed uitzien, dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld merkwaardig mooi moet worden.
Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, één naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.
”Atsjoem!” proest het paard nommer 1.
De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan weg met een beweging, die schijnt te zeggen: “Tot strakjes, wacht hier op mij!”
Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet, naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart, dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.
“Je maakt misbruik, vriend!” antwoord ik in het Fransch.
En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk een betuiging van de grootste ingenomenheid.
Tot werziens, tot, tot....
Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.
Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes, bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.
“Hoepla!” riep ik; “dans eens voor mij!”
De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en rose geteekend tegen den grijzen hemel vóór dien blauwgroenen horizon, één en al frischheid in den koelen morgen.
Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was voor het lunch.
Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.
Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde: gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die naar heliotroop rook....
De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.
In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte, met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O, hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.
Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers, en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene horretje vóór ’t venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel, dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven te verlengen.
Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leêg, schudde de asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de roode pannen van de daken.
Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer in stom en diep gepeins.
En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren vooruitschoven in de nevelige ruimte.
In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid peilde, scheen hij te zeggen: “Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen zullen je houden!”

Ze zongen er een liedje bij.
Het hollandsche land.—Het water.—De molens.—De landbouw.—De polders.—De dijken.—Oorsprong van Holland.—Een avond te Veere.—Wemeldinge.—De vijf jonge meisjes.—Stomme flirt.—De dronken man.—Het leven op het water.
Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.
Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn, een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde, met behulp van Maas en Schelde.
Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was gekomen.
De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi, deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.
De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een waterwoestijn wezen.
Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen, slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de knieën inzakken.
Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.
Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.
Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner met vette melk, met kaas en biefstuk.
Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten en de eenden gaan.
De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs het fluweel der zachte groenheid vóór hen.
Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel als in de dingen.
Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij ’t dwalen langs die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.
Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend met hun gevleugeld rhythme.
O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles, voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen, wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien, die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.
Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort en vorm en afmeting, van ’t kleinste watermolentje, dat wanhopig en woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen, begroeid met zachtgroen mos.
Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken, zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden, de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines, ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.
In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor den landbouw beschikbaar gesteld waren.
De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan te danken heeft. De verdeeling van de watermassa’s moet met oordeel geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men voorzag erin door het in ’t leven roepen van scholen voor ingenieurs, waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het al niet zoo [16] moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten, een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa’s af te voeren en te verdeelen.
Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen, waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een neus verbeeldt. Eén heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke, wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft, als men ten minste ooit haast met iets kan maken.

Vader Kick, in gedachten verdiept.
De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan, bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren, alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt met meelspijs, melk en boter.
De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der wielen in. Zoo’n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende producten van onze landbouwstreken.
De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen, alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken, terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn, symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.
De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken, waar de stoom hen zal vervormen.
Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen, die alle op elkaâr gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens, waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.
De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige verlevendiging van de al te groene landschappen.
Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen, komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.
Door het trillend water van ’t kanaal wenden de schuiten stil en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere, kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit, zeeën van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden door een stoet van eenden. [49]

Grazende schapen aan ’t kanaal.
Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord, want alles glijdt er over ’t water.
Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.

In postuur naast zijn paard.
Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous, van een boezelaar of een intiem verhaal.
Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar ’t geschuifel van het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van ’t koeltje en het licht en de golfjes!
De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis, en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt, om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.
In ’t voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud, purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van ’t hollandsche land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd. [50]
Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje of zijn karretje leidt.
Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen, hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere product.
Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner landerijen en weiden van, de barrières voor zijn kudden, zonder dat hij honden of herders noodig heeft.
Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in een rossige overjas.
Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur, een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten, stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten van de afgedwaalde te steken.
Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit, doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten, er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.
Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken en de schaduwen.
Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij, worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen, noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en ’t is, of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.
Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen, met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.
Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stoïcijnsche manier den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.
Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.
Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep om nieuwen voorraad.
Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid door een klein meisje, kwam ik al gauw in ’t eenige logement der plaats.
De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille, ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en andere ingrediënten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen, om mij een massa geheimen te onthullen.
Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.
“Lief boerin ... aardige meisjes...”
Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.
“Ik heb ze het leven gegeven.”
“Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo’n honger!”
Nu haastten zij zich. Eén bracht melk, een ander roastbeef, een derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.
Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend [51] door de bekoorlijke schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge meisjes toch heel lief zijn.
Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de lijnen van haar handjes bestudeerde.
Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de lentes na, die ze achter zich hadden.
Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn pijpje zat te rooken, lachte mee.

Groote molen op den dijk te Wemeldinge.
“Waar zijn zij heen?” vroeg ik in armzalig Duitsch.
“Naar boven,” zei hij, wijzend naar ’t plafond.
“Ik wou haar portret wel maken.”
“Wacht een oogenblik.”
Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde, durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met wachten en een sigaartje te rooken.
Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar, uitgedost in de beste spullen.
“En de beide anderen?”
Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op, en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.
“Maar wij zijn er, wij!” beduidden ze mij.
Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot, begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje, waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam, want het was dit versje van Ronsard:
“Donc, si vous me croyez, mignonnes,
Tandis que votre âge fleuronne
En sa plus fraiche nouveauté,
Cueillez, cueillez votre jeunesse;
Comme à cette fleur la vieillesse
Fera ternir votre beauté.”
Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.
Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen, zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte, altijd stilte ... toen weer avond.
In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving, gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. [52] Wij lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven, van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen, mooi uitkomend tegen ’t zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers, bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo’s aan de muren, wekt allerlei illusies in mijn geest.
Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan ’t venster komen kloppen, en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar ’t zijn goede kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.

Westkappelsche Zeedijk.
Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.
Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid, begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven, en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.
De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.
Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen, die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte vleesch en ’t brood, die alle redelijk smaken.

Kleine klompenjongetjes in Volendam.
De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine, ronde, oude man, wiens ambitie bij ’t biljarten ik had opgemerkt, bleef zitten en snorkte kalm.

Oolijke Volendamsche deerntjes.
De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt hem iets in ’t oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat zijn zware oogleden op en is op ’t punt te vallen. Hij wordt naar de deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....
De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader, die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt, die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.
Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veêren bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht, die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel, die den als dooden grijsaard meevoert.
Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.
Die stoomboot zag er verbazend huiselijk uit, en ik voelde, toen ik mijn voet op het dek zette, dat ik er zou kunnen slapen, zooveel ik wilde, zonder te worden gestoord. De kapitein, een droog en ernstig heer, stelde mij voor om naar beneden te gaan, daar het boven koud en winderig was. Zijn vrouw, een jonge blondine met blauwe oogen, die er met haar krulletjes en een kleine rose boezelaar kinderlijk uitzag, zat er en streelde een dikke poes. Zij stond op bij een teeken van haar man en trad een klein keukentje binnen, achter een schot verborgen, bracht ververschingen en terwijl de rook der sigaretten haar blauwe oogen verzachtte, er iets wazigs aan bijzette, zooals de ziel is van haar volk, liet ik mij zachtjes door het bootje schommelen.
Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....
De hollandsche visscher.—Volendam.—De wasch.—De kinderen.—De eenden.—De haringvangst.—De zoon van den visscher.—Een zonderling eiland: Marken.—Te midden van het water.—De huizen.—De zeden.—De jonge meisjes.—Vooruitzichten.—De turf en de veenderijen.—Nationaal product.—Hoogveen en laagveen.—Plaatselijke steenkool.
Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken, ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene, Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee; dat is de goede manier.
Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten aan te ontleenen.
De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.
De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven meertjes en binnenzeeën, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde, vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde dorpen bezoeken.
In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten van kanalen.
Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleêren overal in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.
Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld, zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond, slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware, verzamelen blaast.
In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts, heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden van zijn houding en bewegingen en woorden.
Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd; dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit [55] andere deelen van het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.
Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor ’t visschen in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden, om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.

Meisjes en mutsjes van Volendam.
Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de rust der stille uren.
Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen, laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond, rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete kalmte een eind zal nemen.
Enkele zeelui echter—maar er zijn niet vele zoo—zijn wat actiever, laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn, en waarmee ze bij de huizen venten.
Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots, maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde broek, kort buis en bonten muts.
Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde, tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen, en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om ze in zijn [56] vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.
Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook en gemoedsrust.

Waschdag in Volendam.
De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar henen blaast.
Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand, uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.

Het dorp Volendam.
De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden, kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.
Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden, die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden, toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen, en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?
Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken, door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.
Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed als turf en tulpen. [57]

De vrouwen van Volendam buitenshuis bezig.
De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout); den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.

Jong moedertje op Marken.
Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.
De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12de eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon, de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld, de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud van de werken, tegen de zee opgericht.
Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut, gevoegd bij dat van het inzouten, tot in ’t oneindige de opbrengst der zee vermeerderde.
Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden, en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.
Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken, volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich met het kaken bezighouden.... In ’t kort, de uitvoerigste reglementen beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.
De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de beste kanonnen.
Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittannië, altijd zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der premies [58] af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen, aan den hollandschen handel groot nadeel toe.
In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering op haar beurt de premies moest afschaffen.
Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer, en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten, zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.
De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen wien men eens in een herberg gezegd had: “Je moest eens naar Indië gaan.” De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californië, zonder andere hulp dan zijn kompas.
Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan, een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd de bepaling verzacht.
De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien jaar af kent hij volkomen de kunst van ’t ophalen der volle netten, het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.
Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten gehecht, volgt hij in alles ’t voorbeeld van zijn vader, die zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte bacchanaliën met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid, met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.
Hij trouwt al vroeg.
De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.
Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij behoort òf aan den visscher zelven òf aan den reeder. De bemanning krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld; wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen zorgt de eigenaar.
De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.
De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en maakt plaats voor de haringvangst tot in December.
Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen door geregelde ondersteuning.
De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland, waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.
In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen van die verzwolgen landen.
Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In één uur kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.
Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op ’t eind van de 13de eeuw.
De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen leven, visschers worden....
Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur ’s avonds en voer weg van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden dienst tusschen het eiland en den vasten wal in ’t leven geroepen.
Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende handgrepen uit voor ’t zeilklaar maken van de boot, heschen het groote, bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog en zich naar de open zee wendde.
De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige schijnsel.
Er hing een nevel over ’t water, voorbode van de vallende schemering; het klokkenspel in den [59] toren gaf in heldere klanken den tijd aan; daartusschen hoorde ik ’t geklots der golven, door ons scheepje uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs, alsof wij naar een onbekend land gingen.

Visscher van Volendam in zijn wijde broek.
Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op, eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar, als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.
De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt, zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd, en die zonderlinge menschen.
De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen vóór mij had, jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij, mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de huizen der bewoners staan.

Volendam. Twee oudjes in het zonnetje.
De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen, zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de intense somberheid verhoogden van dat waterland.
Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer te geven, gevormd door ’t onverwachte, ’t onbekende, plotselinge kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen, die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug, waar een [60] vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij een stevig maal voorzette.
Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het eiland bekijken, want het is, in ’t groot beschouwd, één eiland.
De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig voor anker.
De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas, slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.

Aardig, expressief kindertype.
De meeste huizen hebben slechts één vertrek, waar geslapen, gekookt en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben; tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door, die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de voorraad wordt bewaard.
Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.
De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de voeding der weinige koeien van het eiland.
Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te drenken en hun eigen voedsel te bereiden.
Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang zijn. Ze hebben in ’t geheel geen handel; aardappels, groenten, kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht of uit Hoorn of Amsterdam.
De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld, dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis is niet te bewijzen.
Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd en neiging.
Over ’t algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn ze niet en lachen doen ze graag.
Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik gaf in het Engelsch antwoord of in ’t Duitsch en ’t Arabisch en kneep haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld of een verzinking in den grond.

Eene nauwlettende waschvrouw.
Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:
“Vrouwen van Marken,” riep ik, “ik ben hier gekomen, om uwe gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen geven ... boem, boem, boem!”
“Boem, boem!” herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat ze een woord verstaan hadden.
Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen, door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen, die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.
“Ik zie, jonge meisjes,” ging ik voort, genietend van de heerlijkheid, te kunnen praten zonder te worden verstaan, “ik zie, dat mijn edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij en gun mij glimlachjes.”
Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren, gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij verheugd verdwenen.
Soms zijn de kleine meisjes heel aardig. Als ze naar school gaan met jongens, de kleurige pakjes boven de polders vertoonend als in een groen décor, arm in arm voortstappend, krijgt men er pleizier in, zooals voor een schilderij vol frissche kleuren en prettige gezichten. Sommigen dragen in plaats van rokjes de wijde broeken van de broertjes, wat ze er kluchtig doet uitzien.
Op bruiloften, verlovingsfeesten en kermissen ziet men een kleurenrijkdom als nergens elders. Alle tinten uit een kleurendoos voor waterverfteekening zijn uitgestrooid over de jurken, de mutsen en de boezelaars, en men knipt met de oogen, zonder te weten waar men ze rust zal geven.
Maar die dagen zijn uitzonderingen. Gewoonlijk is het op het eiland nog al somber, en het leven vloeit er voort bij peuterigen arbeid, die altijd eender is.
De mannen visschen of halen de ponten of schuiten binnen met turf en proviand, boeten de netten, schilderen hun muren over, terwijl de vrouwen het huis schoonhouden, linnen wasschen, met de kleine kinderen buiten wandelen of aan het lossen van de booten helpen.
Langs de vaarten ziet men ze soms rustig voortglijden, in booten gezeten, waar ze dan even uitstappen, om telkens de ophaalbruggen op te lichten, die bij de overgangen en kruisingen van wegen over ’t water liggen.
In den winter staat de helft van het eiland onder water, en de menschen gaan in booten naar elkander toe, bezoeken op die manier de kerk en de school, en worden per boot begraven. Het kerkhof ligt op de hoogste werf of terp van het eiland.
Men vraagt zich wel eens af, waarom toch de dijken zoo laag zijn; als men ze ophoogde, zou men die lastige overstroomingen vermijden. Maar kenners beweren, dat de grond, die niet heel vast is, geen zwaardere belasting dragen kan.
De gewoonte is een tweede natuur. Als men van de Markers ging vertellen, dat zij er slecht aan toe zijn, zou dat verloren moeite zijn. Zij voelen er zich op hun gemak; zooveel te beter.
Bij den toeloop van toeristen, die in den laatsten tijd al grooter en grooter wordt, vooral in den zomer, beginnen zij zich als merkwaardige curiositeiten te beschouwen en droomen misschien den uitlokkenden droom van geheel onderhouden en verzorgd te worden door de penningen der vreemdelingen. Zij verkoopen hun kleêren al, en het zal wel niet lang duren, of ze verruilen ze tegen hoeden en moderne broeken....
Het eiland Marken zal zijn bescheiden plaatsje wel blijven innemen tegenover het vasteland; zijn huizen, in het zoute water staande; zijn steenen straatjes in den mist; zijn hoogste punt, waar de dooden rusten, en zijn vier gehoornde beesten, wadend door den sponsachtigen grond ... tenzij op een dag, gelijk aan dien, waarop de Zuiderzee ontstond, het ook op zijn beurt worde weggevaagd, verzwolgen in den storm en neergelegd op den bodem van de Zuiderzee.
Zoo’n einde zou voor zulk een plekje uit het verleden, dat onder de modernen is verzeild geraakt, een natuurlijk en passend slot zijn, en men zou dan mogelijk een verklaring hebben van die zonderlinge aantrekkingskracht, die de oogen der meisjes van Marken bezitten des avonds, wanneer zij het hoofd buigen en den vinger waarschuwend opheffen, als spoken uit een wereld, die reeds afgedaan heeft, opgestaan uit hun graven, om u een groet te brengen....
De Hollander heeft ongetwijfeld minder verbeeldingskracht dan de Franschman. Hij is realist in den echten zin des woords en rekent in plaats van te droomen. Zoo denkt hij er niet aan, dat met de turf die hij dagelijks uit het water haalt, hij ook de overblijfselen van zijn bloedverwanten en vrienden opneemt, om aan hen de warmte te ontleenen, die ze bij hun leven hadden. Hij vindt de turf een geschikte brandstof, gebruikt die en heeft daar gelijk in, zooals hij ook, in tegenstelling met onze soms onverstandige gevoeligheid, zijn honden gebruikt voor het trekken van geriefelijke karretjes.
Van Holland spreken zonder het over de turf te hebben, zou zijn een der eigenaardigste karaktertrekken van het land over ’t hoofd te zien.
Uit geologisch oogpunt is de bodem zeer arm; hij bevat geen steenkool, noch ijzer, noch andere mineralen. Bosschen zijn er weinig en men moest, om dijken en huizen te bouwen, zijn toevlucht nemen tot pijnboomen uit Noorwegen en tot duitsche boomen, langs den Rijn aangevoerd.
Men kon er niet aan denken, dat hout te gebruiken als brandstof; dat zou te schadelijk zijn geweest. Daarom ging men het veen gebruiken, na er turf van te hebben gemaakt.
Veen is een soort van zachte, zwartachtige aarde, die men aantreft onder lagen leem of zand, ’t zij bij den aanleg van kanalen, ’t zij bij het bouwen der huizen. Op enkele plaatsen blijkt de aanwezigheid [63] van veen door den onvasten toestand van den grond. De veerkrachtige bodem, opgezwollen en verzadigd van water, buigt door onder den voet en herstelt zich dadelijk weer. Dan zeggen de menschen: “Hier zit veen in den grond.”
De opgraving van het veen is een kunst, die al sinds overoude tijden bekend is. Plinius en Tacitus gewagen ervan, de eene met een zucht, omdat een volk genoodzaakt is zijn eigen land te verbranden, de tweede met bewondering voor zooveel snuggerheid.
De veengraverij verschaft werk aan duizenden individuen. Het is een brandstof van niet heel veel beteekenis, donker en lastig in ’t gebruik; daarbij verkoolt ze meer, dan dat ze vlamt en brengt zwaren rook voort.
Veen wordt zoo wat overal in Holland aangetroffen. Men behoeft maar een weinig te graven om het te ontdekken.
Als de eigenaar van een stuk grond besloten heeft, zijn akker tot een veld van exploitatie te maken, laat hij parallelle insnijdingen maken om de aarde te ontlasten van het water, waarmee zij gedrenkt is. Die slooten, die eerst ondiep zijn, worden dieper en dieper gemaakt, tot het water er uit is.
Er zijn zes à acht jaren noodig om het land droog te leggen en het water met slooten en sluizen te leiden naar het toekomstige kanaal.
Daarna gaat men het veen te lijf met daarvoor bestemde schoppen, snijdt het in brokken, die men als steenen laat drogen en die op elkaar gestapeld worden en gedroogd in den wind.

Fleurig stappende meisjes.
Niet zelden vindt men in de veenlagen, diep in den grond, boomen, die goed geconserveerd zijn, overblijfselen van oude bosschen, door overstroomingen of hooge vloeden verwoest. Ze worden gebruikt voor wat ze waard zijn, meestal als brandstof, soms ook voor fundeeringen.
De lagen aarde, die den veengrond bedekten, worden op het land teruggebracht, vlak uitgespreid en leveren den bebouwbaren grond, waarop aardappelen en koren zullen worden verbouwd.
Zoo gaat het bij de hooge venen. In de lage venen gaat alles gauwer, en men behoeft zich daar geen moeite te geven, het land eerst te draineeren. Men tast direct den grond aan. Als gras en leem eerst zijn verwijderd, dus als twee of drie voet van den bouwgrond zijn afgegraven, legt men de veenlaag bloot, die doortrokken is met water, een soort van vette brij. De arbeiders, met groote laarzen aan, scheppen dan de toekomstige brandstof zoo maar op en plonsen die in groote schuiten. Het veen ziet er dan bruin uit, en men herkent er nog wortels in en verrotte takken. Het wordt in groote bakken geschept, gemengd en bewerkt, gestampt met zware stampers of getreden met groote platte trappers, ontdaan van steenen en wortels, gekneed als deeg en te drogen uitgespreid op riet. Als het begint droog te worden, snijdt men het in brokken en stapelt de turf in hoopen op elkaâr.
Drie maanden zijn ongeveer noodig, om de brandstof volkomen droog te maken. Dan wordt de turf in schuiten geladen en naar de verschillende markten gebracht, waar zij koopers vindt.
De hoedanigheid der turf is zeer uiteenloopend. Er is turf met meer of minder houtige bestanddeelen, meer of minder poreus van aard, zwaarder of lichter op ’t gewicht. De huisvrouwen herkennen snel aan de kleur en den vorm de eigenaardige hoedanigheden van de brandstof. Er is een soort, die voor de keuken dient, een andere voor de open haarden, een derde voor fabrieken. In ’t algemeen geeft men de voorkeur aan de turf uit de lage venen boven die uit de hooge venen. De bakkers bakken hun brood met turven, die niet zeer dicht zijn en daardoor spoedig vlam vatten. De turf dient ook nog als voedsel voor kalkovens, pannebakkerijen en wordt in bierbrouwerijen enz. gebruikt.
Bij steenkool vergeleken, geeft de turf wel de helft minder warmte; maar alles in aanmerking genomen, is zij als brandstof toch veel goedkooper.
Het grootste bezwaar is het volume, dat lastig en bezwarend wordt. Turf neemt drie- of viermaal zooveel ruimte in als steenkool. Men heeft geprobeerd de turf samen te persen, en men is daarin goed geslaagd, maar naar beweerd wordt, is de moeite te groot voor de belooning; de kosten overtroffen de waarde der koopwaar, en de eigenschappen van die laatste verbeterden er niet genoeg door.
Voor stoombooten en voor de grootindustrie moest men wel weer tot de steenkool terugkeeren.
Hoe het ook zij, turf is eeuwen lang bijna de eenige brandstof der bewoners geweest. De kool van turf heeft aanleiding gegeven tot de zuiver nationale gewoonte der warme stoven. In den winter hebben de hollandsche dames in haar eigen vertrekken, zoowel als in de kerk, onder haar rokken een stoof [64] met een kool er in, wat, naar men zegt, het teint van de dames een gele tint geeft. Zij, die deze opvatting koesteren, zijn ernstige menschen, kalm gezeten in hun groote stoelen van riet of mandwerk, met een groote pijp in den mond en een glas bier vóór zich, hoog schuimend in het glas. Zij zouden toch iets dergelijks niet beweren, als ze er niet volkomen zeker van waren door allerlei gezegden en opmerkingen, zorgvuldig bijeenverzameld uit intieme gesprekken, en men zou verkeerd doen, zich bij zulk een oordeel sceptisch te toonen. De rook van de turf maakt het teint der hollandsche dames geel, zooals de rook van droog hout aan hammen die bruine kleur geeft, die ze zoo lekker doet smaken. Ze worden er dus geen haar minder om; integendeel.
De asch dient bovendien tot mest; met het roet reinigt men ijzerwaren en tin; de rook dient tot conserveering van gezouten vleesch en haring, tot bereiding van beenzwart, inkt en vernis; kortom, het veen is een der grondslagen van de hollandsche huishouding.
Inderdaad maakt men er de fondamenten van het huis van. Daartoe brengt men de steenen en het metselwerk aan op een onderlaag van stukken brandbare aarde, in den vorm van een pyramide opgestapeld. Die veenlaag zwelt op onder het water en vormt zoo een onwankelbare basis, die door het vocht niet meer wordt aangetast. Na eeuwen, als het huis van ouderdom bezweken is, vindt men de veenachtige substantie zoo goed bewaard als op den eersten dag en nog geschikt, om verstookt te worden.
Uit een en ander volgt, dat veen het product is van de langzame vertering van plantaardige stoffen, van riet en biezen en mossen, die, op elkander gestapeld, vergingen en door de vochtigheid ontbonden werden.

Beginnende idylle op Marken.
De provincies, die het meest te danken hebben aan het bestaan van veengrond, zijn Friesland, Groningen, Drenthe en Overijsel.
Als de veenlaag geëxploiteerd is, blijft er ongelukkig veel water over, dat moet worden verwijderd met behulp van veel molens en veel slooten. Daar het onderhoud van die molens nog al kosten meebrengt, moet men zich er niet over verbazen, dat in Holland de prijzen der levensmiddelen tamelijk hoog zijn....
Desondanks heeft een oud dichter, Vondel genaamd, in geestdrift over het succes, met de turf verkregen, aan het hoofd van een zijner werken dit hoog welsprekend woord geplaatst: “Gelukkig het land, waar ’t kind zijn moêr verbrandt!”
Besluit.—Dit alles toont duidelijk aan, dat er volstrekt niet in Holland alleen water is, zooals men zou kunnen gelooven, als men zich slechts onderrichten liet door fantastische berichten. Holland, door duizenden kanalen doorsneden, omgeven door eilanden, golven, inhammen, heeft inderdaad wel zeer veel water, maar dit oppermachtige water, dat alles kan overweldigen, dat rijst en daalt en tot zoo ver het oog reikt, zijn net van bewegelijke wegen uitspreidt, waar onophoudelijk booten, schuiten, ponten, stoombooten en eenden varen, dat water is de onuitputtelijke bron van den bataafschen rijkdom, en men zou wel een prachtig, kostelijk woord willen vinden, in een lijst van metalen lettergrepen, om dat kleurloos, vloeibaar ding mee aan te duiden, dat alle tinten van de wolken overneemt, dat de molens en de polders weerspiegelt en dat van Holland maakt het waterrijkste van de waterrijke en ’t merkwaardigste van alle vlakke landen.
1 Wij hebben den franschen schrijver in zijn reisverhaal op den voet gevolgd, al kwam soms de lust boven, hem eens even in de rede te vallen, waar hij in zijn gevolgtrekkingen te ver ging en, naar het weinige dat hij zag, oordeelde ook over het vele, dat hij niet zag. Het zal onzen lezers zeker evenzoo gaan, maar om der curiositeits wille zal het oordeel van den Franschman hen interesseeren en zijn aardige verteltrant zal hen boeien.
Vert.

Gezicht op Tunis. Aan den gezichtseindiger de haven en het kanaal de la Goulette.
Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken, hebben de woorden “het Zuiden, de Middellandsche zee” een betooverenden klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte, vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan, maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger, frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid [18] was zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen, gelegen aan Afrika’s Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op ’t Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee, vestigde in ’t bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en in ’t bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken, teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.
Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg- en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te beklagen hebben.
Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en ... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.
Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers, troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit, welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen, niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.
Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen, de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.
Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.
Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.
Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert; bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche toelage van 1.200.000 frs.
De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren, militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000 wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van 65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden, die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine, Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen: “de bloem van het Oosten.”
Het was het eerste doel van onze reis.
Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar Afrika’s Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit niet het geval. ”l’Algérie c’est la France,” zeggen zij. Trouwens zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie Transatlantique, die [19] ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.
Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: “ce n’est pas la mer, c’est le mal de mer, qui sépare la France de l’Algérie”. Maar men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de Ville de Naples, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in ’t gezicht, bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts (priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte, onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over, werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk nooit veel van terug gezien hebben.

Een kijkje in Tunis.
Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel bereikten.
Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.
Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te wenschen overlaat.
In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.
Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat bab-el-souika [20] en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo’n persoon onmisbaar.

Joodsche vrouw uit Tunis.
Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd, moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld, dat hij vraagt.
Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde de straat zeer sterk.
Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.

Welgestelde Arabieren uit Tunis.
Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd, het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën, die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en het geheel als ’t ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op de muren en relief aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van ’s morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts [21] eenige M2 groot, waar zij, in ’t halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen, anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt, dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers, allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen, krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen, terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen, zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare shawl van fijne, doorschijnende zijde—dit zijn de typen, die men het meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de Arabische, maar de Joodsche niet. Voor ’t overige hebben deze geheel de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer hooge hakken, waarop de vrouwen hier als ’t ware loopen te balanceeren.

De moskee Becquia in Tunis.
Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor, geheel het beeld van “vive la bagatelle”. Hier en daar ziet men een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is, dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden, van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen, koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid en Oostersche [22] kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.
Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey (huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op, velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d’Afrique, als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6 muilezels. Bij ’t uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.
Wie zich wel degelijk nog in ’t bezit van hun onbeperkte heerschappij mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen, die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op het plein Halfoüin.
Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote Arabische feesten gevierd. In gewone tijden is het de plaats van samenkomst van Arabieren uit alle standen. Men vindt er dan ook vele koffiehuizen, zoowel voor Arabieren uit de volksklasse, negers en kleurlingen als die, welke door de rijken en dandys bezocht worden. Een groote menigte Arabieren, Mooren en negers, benevens een aantal vreemdelingen had zich om een opene ruimte in een kring opgesteld. Daar binnen bevond zich de bezweerder met zijn helpers, een drietal Arabieren, die op de hurken gezeten, een oorverdoovende muziek maakten. Een bespeelde een soort van herdersfluit, een tweede een Arabische viool, terwijl degene die in ’t midden zat, uit alle macht met duim en handpalm op een groote tamboerijn trommelde. Deze laatste beantwoordde ook de vragen, die de derwisch telkens tot hem richtte. Deze, donkerbruin, forsch gebouwd en toch lenig, met katachtige snelle bewegingen, de donkere schitterende oogen onophoudelijk in beweging, het beenige gezicht met een dun baardje omgeven, het geschoren hoofd slechts op de kruin bedekt met een ruigen, zwarten scalplok, geleek veel op een der fanatieke krijgslieden van den Mahdi, die in een wit kleed en met een breed zwaard in de vuist op de Engelsche carré’s losstormden, een wissen dood tegemoet. De voorstelling, die tamelijk lang duurde, had in ’t kort ’t volgende verloop: Uit een der bruinlederen zakken, die hij bij zich had, haalde de derwisch een zeer vergiftige slang ter lengte van ongeveer een M., licht bruin van kleur en aan den buik voorzien van gele ringen, de naâdja of slang van Cleopatra, door de Arabieren Bouftira genoemd. Deze schijnbaar levenlooze slang legde hij op een kleedje, iets grooter dan een M2. neer. Daarop danste hij, op een klein herdersfluitje blazend, om haar heen, tot zij hoe langer hoe levendiger werd en zich eindelijk met een schok oprichtend, met de kleinste helft van haar lichaam op het kleedje overeind kwam te staan. In die houding danste de slang nu, op de maat van de muziek, steeds met den derwisch mede; bewoog hij zich naar rechts of links, zoo deed zij ’t zelfde. Het opmerkelijkste daarbij was, dat zij het kleedje niet verliet en, ofschoon zij door al het gesar van den bezweerder tot de hoogste woede geprikkeld was, er niet aan dacht, iemand aan te vallen. De derwisch, die weldra droop van ’t zweet, was voortdurend in beweging, dansend en springend, lachte onophoudelijk met breeden mond, hevig gesticuleerend, nu eens tot de omstanders of den man met de tamboerijn vragen richtend, welke met toestemmend geschreeuw of gelach beantwoord werden, dan weer de armen zwaaiend of ten hemel heffend, luide gebeden tot Allah of den een of anderen heilige opzendende. Vooral voor Ab-del-Kader, den bekenden vrijheidsheld, scheen hij groote vereering te gevoelen, want herhaaldelijk riep hij hem aan. Zooals de meeste Oostersche voorstellingen en plechtigheden, werd ook deze ten laatste eentonig. Wij verlieten het plein om ons naar het gerechtsgebouw te begeven, met het doel daar een nieuwen kijk op het Tunesische leven te krijgen. [23]
Zooals reeds vermeld, heeft de Fransche regeering aan de Arabieren in Tunis hun eigen rechtspraak gelaten. Een zeer wijze maatregel, die haar eindelooze moeilijkheden en wrijvingen met de inboorlingen bespaart. De Arabier wordt dus gevonnist door zijn eigen rechter of raëse.
Op verzoek zijn de zittingen ook toegankelijk voor vreemdelingen, die hier gelegenheid hebben menig tafereel van echt oorspronkelijk Arabisch leven te zien. De gids-tolk stelde ons hiertoe gemakkelijk in de gelegenheid. Toen wij het gerechtsgebouw, waar gevallen van echtscheiding en andere civiele zaken behandeld werden, binnentraden, bevonden wij ons op een ruime binnenplaats, omringd door een zuilengaanderij en aan de kanten voorzien van steenen banken. Daarop hadden aan de eene zijde plaats genomen een aantal dicht gesluierde vrouwen in ’t zwart gekleed, die zich over haar echtgenooten te beklagen hadden en zich wilden laten scheiden, aan den anderen kant de echtgenooten dier dames, allen wachtend tot zij opgeroepen zouden worden, om beurtelings voor den rechter te verschijnen. Aan den ingang der gerechtszaal, die op de eerste verdieping was, stond een zeer zwaarlijvige gendarme in een blauwe uniform op wacht, die ons, na een kort onderhoud met den gids, welwillend binnen liet en voor den rechter leidde, dien hij het verzoek overbracht om een zitting te mogen bijwonen. Beleefd beantwoordde de magistraat onze buiging, heette ons met een vriendelijken glimlach welkom en noodigde ons uit, dicht bij hem plaats te nemen aan den kant der toehoorders.
Daartegenover zaten in een bonte groep de getuigen. Nadat de woordvoerder van ons gezelschap den rechter bedankt en zijne vreugde te kennen gegeven had, dat wij als vreemdelingen mochten kennis maken met de Arabische wijsheid, van ouds beroemd uit de tijden van Kalief-Harun-al-Raschid, namen wij plaats en de zitting werd voortgezet.
Een sprekende kop die rechter, met beschaafde vormen en schitterende, doordringende oogen, waarvoor de beklaagden bijzonder veel ontzag hadden. Geschoeid met gele pantoffels, het witte gewaad met een langen, lichtbruinen gendorah (opperkleed) bedekt, droeg hij aan een zijner vingers een ring met smaragd, als teeken zijner waardigheid. Hij was gezeten aan een met allerlei papieren bedekte tafel, waarvoor de beklaagden en getuigen zich plaatsten om hun relaas te doen. Wij woonden eenige zaakjes bij, waarvan de gids ons de toedracht vertelde en kregen eenige zeer ongure schelmengezichten te zien. Allen zonder onderscheid hadden echter grooten eerbied voor den rechter. Met een diepe buiging, de armen over de borst gekruist, naderden zij hem en hieven deze onder ’t spreken tot aan de schouders op, de handpalmen vlak naar hem toegekeerd. Met zachte stem begonnen, werd hun spreeklust hun al spoedig te machtig; al radder ging hun tong, al luider werd hun stem en zelfs de eerbied voor den rechter kon hun woordenvloed niet stuiten.
Zij lieten dezen zelfs niet uitspreken en vielen hem herhaaldelijk pardoes in de rede, zoodat een tweede, insgelijks zeer welgedane gerechtsdienaar hun herhaaldelijk de zware hand op den schouder moest leggen en hun een gebiedend “barka, barka” (genoeg, genoeg) toeroepen. Deze had zelfs moeite hen de zaal uit te krijgen, nadat hun vonnis uitgesproken was. De raëse hoorde alles met Mohammedaansche kalmte aan, zeide van tijd tot tijd een enkel woord, stelde een enkele vraag, terwijl hij den spreker doordringend aanzag of volgens de rozenkrans, die hij in de hand hield, den grooten profeet bad, hem wijsheid te geven. Hij had blijkbaar de zaken grondig bestudeerd en sprak kort recht. Zoo kreeg een Arabier wegens mishandeling 5 maanden gevangenis; een Arabische vrouw, die kamers verhuurde en hare huurster, die één termijn vooruit betalen moest en dit gedaan had, daarop terstond haar huis uit gezet had, 2 maanden; een jongmensch, die wijn gedronken had, moest dit met 5 dagen opsluiting boeten, een bewijs dat in Tunis aan de wet van den Koran streng de hand gehouden wordt, hetgeen in Algerië niet zoozeer ’t geval is. De vrouwen waren het breedsprakigst en drukst en moesten door den gendarme nog veel meer tot de orde geroepen worden dan de mannen. Eenige dagen later woonden wij ook een zitting voor strafzaken bij, waar dezelfde rechter als de hierbovenvermelde de rechtbank presideerde. Een eivolle zaal, een lange rij beschuldigden, een menigte getuigen. Een viertal advokaten voerden het woord, waar wij natuurlijk niets van begrepen; echter bleek uit ’t vuur, waarmede zij spraken, dat zij de zaak hunner cliënten wel ter harte namen.
De vreemdeling, die eenigen tijd te Tunis verblijft, komt herhaaldelijk in de Souks, want telkens en telkens weer wordt hij aangetrokken door het bonte, opgewekte, oorspronkelijke volksleven, dat hij daar aantreft. Bij die herhaalde bezoeken is het af en toe betreden van een winkelmagazijn moeilijk te vermijden, zelfs al bestaat daartegen bij hem principiëel bezwaar, hetgeen meestal niet het geval is. Integendeel de kooper is meestal maar al te gewillig, en vrienden en verwanten in ’t vaderland willen ook wel bedacht zijn.
Ook ontbreekt het niet aan uitnoodigingen en aanmoedigingen van de zijde der winkeliers om binnen te treden. Reeds aan de deur, zelfs op de straat, noodigen ze u met vele plichtplegingen en buigingen als knipmessen daartoe uit. De argelooze vreemdeling, die toestemt, treedt in het hol van den leeuw, een leeuw met fluweelen pootjes. Vriendelijk wordt hij uitgenoodigd plaats te nemen en op de kennismaking een geurig kopje Arabische koffie, echte Mokka, in kleine porceleinen kopjes voorgediend, te drinken. Dit mag men niet weigeren, want het is een bewijs van gastvrijheid. Bovendien gelooven de winkeliers, dat het hun geluk aanbrengt, want zij zijn zeer bijgeloovig en zouden zich door een weigering beleedigd gevoelen.
Middelerwijl stallen de bedienden allerlei fraaie voorwerpen voor u uit en wordt men door den winkelier overladen met de vleiendste opmerkingen over zich zelf, zijn land en volk en met verzekeringen, dat hij zich zoo vereerd gevoelt door uw bezoek. Al die poes-lievigheid is echter maar schijn. Want in werkelijkheid is hij er slechts op uit, u zooveel mogelijk af te zetten. De voorwerpen in de Tunesische [24] winkels zijn niet vast geprijsd, de verkoopers vragen een buitensporig hoogen prijs. Vandaar een loven en bieden zonder eind, waarbij de vreemdeling gewoonlijk aan ’t kortste eind trekt. Zelfs al krijgt hij de voorwerpen voor een 3de of 4de van den gevraagden prijs, hetgeen geen zeldzaamheid is, dan is hij nog bekocht. Zelfs gebeurde het ons eens, dat wij een kleedje voor een zesde van den gevraagden prijs behielden.
Kortom, het is de grofste afzetterij. De fraaiste winkels zijn die der zijdewevers en zijdeborduurders, die de artikelen vervaardigen, waar Tunis beroemd om is en die het in groote hoeveelheid uitvoert. Men vindt deze in “de Souk des Femmes”, waar voor 40 jaar nog slavenhandel gedreven werd, en de prachtige magazijnen van Boccara père et fils en van Barbouchi gelegen zijn. Men vindt daar inderdaad een rijkdom van zijde en fluweel, shawls en doorzichtige sluiers, kleeden en kleedjes van damast, waarvan de randen met gouden of zilveren lovertjes en bloemen omzoomd zijn, in de fijnste, afwisselendste en teederste kleuren. Als een stuk van groote waarde toonde men ons een lange looper uit den tijd van Lodewijk XIV, geheel stijf van zilver en met gouden bloemtrossen ingelegd.

In den Souk der zijdewevers.
In andere winkels ziet men weer verschillende wapenen van allerlei vorm en afmetingen, met zilver en ivoor ingelegd of zwaar met koper beslagen; de sabels en dolken rijk gedamascineerd. Evenmin ontbreken rijke uitstallingen van lederwerk en met fijne figuren geïncrusteerd koper. Een belangrijk artikel van uitvoer zijn ook de parfumerieën en aetherische oliën, die volgens oude Oostersche gewoonte meestal bereid worden door de vrouwen uit den harem van den gegoeden parfumeur.
Niet alleen door haar bonte verscheidenheid van bevolking, door haar eigenaardige zeden en gewoonten biedt de stad Tunis den vreemdeling veel bezienswaardigs, maar ook hare omstreken hebben groote aantrekkelijkheid en verlokken tot menig heerlijk uitstapje. Daartoe moet men zich steeds op eenigen afstand van de stad begeven.
In de naaste omgeving is er alleen het stadspark “le Belveder” met zijn statig wuivende palmen en groene Oostersche gewassen, waar inwoner en vreemdeling eenige koelte en schaduw kunnen vinden. Overigens is de omgeving nagenoeg boomloos, vooral des zomers een groot nadeel. Want in Tunis, dat evenals Algiers het klimaat der Regio Mediterranee heeft, kan het afmattend heet zijn. Reeds in Maart is het er in den middag als bij ons in Augustus, en midden in den zomer kunnen de bewoners alleen aan de zeekust eenige koelte vinden. [25]

Constantine en het ravijn van de Roumel.
De winters, voor zoover zij dien naam verdienen, zijn in Tunis zeer zacht. Sneeuw kent men er niet dan bij overlevering; ’t laatst had men die in 1883 gezien. Tegen zonsondergang komt echter meest de koude N. wind, de mistral opzetten, waartegen de reiziger zich steeds met mantel en shawl moet wapenen. Als de verzengende Sirocco, de heete woestijnwind blaast, kan men nauwelijks ademhalen. Soms bereikte deze 40° Celsius, zoodat de streek waar zijn verzengende adem overheen gegaan is, als ’t ware verbrand ter neder ligt. Ook de Bey vertoeft niet geregeld in Tunis, maar heeft zijn residentie in de nabijheid, het paleis het Bardo. Dit gebouw, waaraan verbonden is het oudheidkundig museum Aloüi, is wel een bezoek waard.
Een monumentale leeuwentrap voert naar een rijkversierde vestibule, die toegang tot de verschillende zalen verleent. Onder deze zijn het opmerkelijkst de groote receptiezaal, waar de feesten aan het corps diplomatique gegeven worden, benevens de troonzaal, die aan de wanden versierd is met twee rijen rijk vergulde pendules uit verschillende tijdperken; op consoles; dit laatste meer rijk dan smaakvol.
Verder kan de reiziger te Manouba de overblijfselen van de grootsche waterleiding voor Carthago bewonderen, de ruïnen van Utica, de havenwerken van Bizerta of de badplaats Hammam-El-Lif bezoeken.
Vóór alles zal hij echter naar een plaats gaan, waarheen de stemmen uit het verleden hem met onweerstaanbare kracht geroepen hebben. Geen vreemdeling, al vertoeft hij nog zoo kort te Tunis, kan nalaten de ruïnen van Carthago te bezoeken. Hoe worden echter zijn verwachtingen omtrent hetgeen hij te zien zal krijgen teleurgesteld, zoo hij niet van te voren ingelicht is! Want van de eenmaal zoo bloeiende en trotsche hoofdstad der Karthagers, eertijds de koningin der Middellandsche zee, is bedroefd weinig meer over. Wel is de vloek van den meedoogenloozen Cato: “delenda est Carthago!” in vervulling gegaan. Niet eenmaal, maar drie keer is de stad grondig verwoest. Na de Romeinen kwamen de Vandalen, daarna de Arabieren. De laatsten vooral hielden deerlijk huis; hun dolzinnig fanatisme wilde elk spoor van de toenmaals christelijke stad met wortel en tak uitroeien. Geen steen werd op den anderen gelaten, alles kort en klein geslagen. De tocht naar Carthago is een verrukkelijke rit langs de ondiepe golf van Tunis, Bahira geheeten.
De onafzienbare zee verkwikt het oog door hare tallooze wisselende tinten van donker- en helderblauw tot smaragd-groen en lichtgrijs. Het strand wordt verlevendigd door groote troepen reigers, flamingo’s en andere zeevogels, die nu eens onbeweeglijk op een hunner lange pooten om zich heen staan te zien, dan weer onder krijschend geschreeuw hoog in de lucht opvliegen. Verblindend schitteren de witte huizen, slanke torens en gekoepelde daken van het verdwijnende Tunis in ’t felle zonlicht. Het schiereiland, waarop de bouwvallen van Karthago gelegen zijn, verheft zich vrij steil uit zee. Het hoogste punt vormt het terrein, waar vroeger de sterke burcht van Karthago, de Byrsa, gelegen was. Op den top van dien heuvel is het museum, waar alles verzameld [26] is, wat aan de verwoesting geheel of gedeeltelijk ontkomen en door ijverige opgravingen aan ’t licht gebracht is. Het zijn de zoogen. Pères Blancs, die zich hiermede bezig houden, in opdracht van kardinaal Lavigerie. Deze ijverige priester-zendeling, die van de Fransche regeering voor ongeveer 25 jaar verlof kreeg, bij de bouwvallen van Karthago een kathedraal te bouwen, gaf aan de monniken last, nevens hun godsdienstige plichten het werk der opgravingen met kracht ter hand te nemen. Dit leverde de beste resultaten op. Het museum is verdeeld in drie afdeelingen: voorwerpen uit den Punischen tijd, die uit den tijd van Romeinsch-Karthago, en ten slotte hetgeen er uit de Christelijke periode overgebleven is. Die uit de eerste periode zijn het meest bezienswaardig. Daaronder treft men menig fraai voorwerp aan, dat door eigenaardigen, dikwijls grilligen vorm en bewerking verraadt, dat in den Punischen voortijd Phoenicische en Oostersche invloeden zich in de kunst sterk deden gelden.
De bouwvallen van Karthago zijn voor de Fransche pelgrims een bedevaartplaats, daar er een kapel gebouwd is ter herinnering aan Lodewijk den Heilige, die hier op den 7den Kruistocht, te midden van zijn leger, door de pest werd weggerukt. Hoog boven dit bescheiden monument verheft zich een gebouw uit later tijd, eveneens aan hem gewijd, de basilica of kathedraal van Lodewijk den Heiligen. Fier en statig rijst zij met hare vier gekoepelde witte torens in de wolkenlooze lucht omhoog, en het kruis op den top weerspiegelt zich in de blauwe golven aan haren voet, zoo vredig en kalm, alsof die zee nooit iets anders, nimmer de verschrikkingen van oorlog en verwoesting aanschouwd had. Moge dit voortaan zoo blijven en Tunis en haar omgeving onder Fransch gezag een tijdperk van ongestoorden bloei en ontwikkeling deelachtig worden.
Sedert de vestiging van het Fransche protectoraat in Tunis, zijn de verkeerswegen aldaar enorm verbeterd. Dit geldt zoowel van de straatwegen als wat betreft den aanleg van spoor- en tramwegen. Door de stad Tunis snorren de electrische trams en meer en meer breidt het spoorwegnet op het platte land zich uit. De hoofdlijnen zijn aangesloten bij de Algiersche lijnen. De maatschappijen, wel inziende hoe bevorderlijk een goede inrichting voor de toename van ’t vreemdelingenverkeer is, nemen dit zeer ter harte, zoodat men in Tunis en Algiers even goed en even geriefelijk, ja soms nog beter reist dan in Frankrijk en in sommige streken van Europa. De hoofdlijn loopt van ’t Oosten naar ’t Westen en verbindt de voornaamste plaatsen, o.a. de hoofdplaatsen der provincies. Deze liggen ver van elkander af, en daar de treinen overal ophouden, zijn de trajecten lang. Meestal rijdt er slechts een per dag. Vroeg begonnen, eindigt de reis eerst ’s avonds of in den nacht. Soms is er gelegenheid in den trein te dineeren, zoo niet, dan wordt deze op bepaalde haltestations opengesteld, na voorafgegane bekendmaking. Men ziet, alles evenals in Europa. Al duurt de reis wat lang, zoo behoeft de reiziger zich niet te vervelen, want steeds biedt het landschap hem de grootste afwisseling. Meermalen gaat de weg langs een schilderachtige rivier. Een enkele orographische opmerking vinde hier haar plaats. Tunis en Algerië worden, wat de gesteldheid van den bodem betreft, in vier gordels verdeeld. De eerste gordel, de zoogenaamde Tell, strekt zich langs de zeekust uit en wordt landwaarts in begrensd door het Atlasgebergte, dat met zijn machtige keten, van oostelijk Tunis, door geheel Algerië, tot aan de westelijke grens van Marokko doordringt. De tell is het vruchtbare gedeelte bij uitnemendheid, waar veel graan en ooft geteeld wordt en de wijnstok rijke oogsten geeft. Men denke slechts aan den Algierschen wijn, die ook hier het burgerrecht verkregen heeft en aan de meer dan 40 millioen sinaasappelen, die Algerië nu reeds uitvoert. De tweede gordel is de Atlasketen. Daarop volgt de streek der hoogvlakten en steppen, waar de bodem onvruchtbaar en rotsachtig is, afgewisseld met vele zoutmeren. Ten slotte de woestijn, de Algerijnsche Sahara, die slechts een klein deel vormt van de groote woestijn van dien naam. Omdat het Atlasgebergte nagenoeg evenwijdig met de zee loopt en de waterscheiding vormt voor de rivieren, die Noordelijk in zee en naar ’t Zuiden in de zoutmeren uitmonden, hebben deze geen langen loop, hetgeen niet in ’t voordeel is van de besproeiing des lands. De voornaamste rivier van Tunesië is de Medjerda, die van Algerië de Seybouse. De eerste doorsnijdt Tunis van W. naar O., de tweede ontspringt op den Atlas en stroomt bij Bône in de zee. De spoorweg van Tunis naar Bône loopt voor ’t grootste deel door de dalen der beide stroomen, waardoor het natuurschoon langs den weg niet weinig verhoogd wordt. Van tijd tot tijd vernauwt het dal zich zoo zeer, dat de spoorweg het karakter van een echte bergbaan aanneemt en men hem met geweld een doortocht door de rotsen heeft moeten banen. Een ander maal doorsnijdt de spoorbaan een onafzienbare vlakte, gedeeltelijk met hoog gras bedekt, op andere plaatsen prijkend met den rijksten kleurenschat der meest verschillende bloemen. Men zou zich verplaatst wanen in de hyacinthen en tulpenvelden van Haarlem in ’t voorjaar, behalve, dat hier de verscheidenheid van kleuren grooter, de groepeering minder regelmatig is. Ongekunsteld schitteren de bloembedden in onvergelijkelijke pracht, zooals de natuur ze er neergezet heeft. Velden met donkergele goudsbloemen wisselen af met witte plekken, waar trotsche Aronskelken haar witte hoofden fier verheffen. Hier wedijveren teeder rose Malva’s met helroode klaprozen, ginds paren zich bescheiden witte madeliefjes met blauwe convolvulussen in teedere kleurenharmonie. Aan den oever der rivier wiegen oleanderstruiken hun witte en rose kelken op slanken stengel heen en weer, schitteren bloesems van perzik- en amandelboomen tusschen het donkere groen der laurierboomen, of wel het is een mimosastruik, die, om zijn schoonheid des te meer te doen uitkomen, niet beëngd door omringend geboomte, zijn volle gele trossen in het zonlicht laat schitteren en het oog verrukt. Somtijds ook kleine oerwouden van knoestige steen- en kurkeiken, machtige cederboomen, donkere cypressen en hoog opgeschoten eucalyptussen, waar alles verward door elkander staat en met klimplanten omstrengeld is. Ook levende [27] wezens ziet men langs den weg. Nieuwsgierige inboorlingen in kleine Arabische dorpen; karavanen met groote en kleine kudden vee, de eigenaar op een vurigen Arabier voorop; tenten van nomaden, soms niet veel meer dan lappendekens op palen, waaronder alles, menschen en vee, eendrachtiglijk te zamen huist. En steeds wordt het geheel omlijst door de eindelooze, golvende keten der Algerijnsche gebergten, wier golvingen zoo zacht zijn, dat zij geen horizon schijnen te bezitten.
Bône, met een bekoorlijke ligging aan zee, bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van het “massif de l’Edough”, een bergketen, die vrij steil in zee afdaalt en voor ’t grootste deel begroeid is met prachtige bosschen van kurkeiken, een rijke bron van inkomsten voor de exploiteerende maatschappijen.
Geheel anders is de ligging van Constantine te midden van een heuvelland op hooge rotsen. Als hoofdstad van het aloude Numedië, was het eens de residentie van den krijgshaftigen koning Massinissa, den bondgenoot van Scipio tegen de Karthagers en getuige van den fieren dood van Hannibals’ dochter Sophonisbe, die als een echte afstammelinge van den stam der Barciden geen schande verdragen wilde. Daarna zetelde er de wreede, roofzuchtige Jugurtha, die geheel Rome omkoopbaar achtte. Zijn geest scheen weer levendig te worden, nadat de Arabieren zich van de stad hadden meester gemaakt. Ten minste tot aan de verovering door de Franschen in 1837 was en bleef het een roofnest van de ergste soort. Hierbij werd de stad vooral begunstigd door haar eigenaardige ligging. Deze is inderdaad zeer bijzonder. Van het Oosten loopt het riviertje de Roumel op de stad toe door een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, aan weerskanten met kalkrotsen omzoomd. Vlak voor de stad stroomt de Roumel door de groenende pépinière, den botanischen tuin, die elke Algiersche stad van beteekenis bezit. Plotseling houdt de vlakte op en ziet de rivier zich den loop versperd door de rotsen, waarop de stad gebouwd is. Het is een werk van eeuwen geweest, eer zij zich met geweld een weg daar doorheen gebaand had en hetzelfde geval als met den Rijn tusschen Coblentz en Bingen. Met dit verschil echter, dat de Roumel zich slechts een nauwe spleet tusschen de rotsen gewrongen heeft, die loodrecht oprijzen en op sommige plaatsen een hoogte van meer dan 100 M. bereiken. De stad, die den vorm van een ongelijkbeenig trapezium heeft, wordt aan twee der langste zijden door de Roumel omgeven, aan de twee andere zijden door hooge rotsen, met uitzondering van één punt, van waar zij uit de vlakte toegankelijk is. Een nagenoeg onneembare ligging dus, uiterst geschikt voor een roofnest. Langs de Roumel, van de Porte du Diable af, waar zij uit de vlakte komt, tot aan den waterval, waarmede zij zich weder, na doorbraak der rotsen, in de vlakte uitstrekt, is een smalle, van een balustrade voorziene weg gemaakt, “le chemin des touristes”. Deze, die volstrekt geen gevaar oplevert, is interessant en bijzonder mooi. Nu eens is de rivier slechts enkele meters breed, dan weer verwijdt zij zich als ’t ware tot kleine meertjes; hier is zij kalm, ginds schiet zij schuimend tusschen grillig opeen gestapelde rotsblokken door. Nu eens stroomt zij in ’t volle daglicht, een andermaal baant zij zich een weg onder den bodem en vormt indrukwekkende gewelven en wondervolle grotten, waaruit de puntige rotsmassa’s als stalactieten neerhangen. Door de vele bochten biedt de wandeling de bekoorlijkste en meest afwisselende gezichtspunten. Aan het einde, dicht bij den waterval, bereiken de rotsen haar hoogste punt en eindigen in een naakten steilen top. Na inneming der stad poogde hier een deel der verdedigers zich te redden door zich met touwen naar beneden te laten zakken. Maar de touwen braken en vele mannen, ook vrouwen en kinderen, kwamen om in de Roumel.
Door de ontoegankelijke ligging heeft de verovering den Franschen veel moeite gekost. Zij geschiedde tijdens een wapenstilstand met Ab-del-Kader, toen de onderwerping der provincie Constantine ter hand genomen werd. Een eerste aanval op de stad onder maarschalk Clauzel mislukte. Het volgend jaar werd een nieuwe expeditie onder ’t opperbevel van den hertog van Nemours en vier generaals uitgezonden.
De sultan Ahmed-Bey en diens fanatieke Arabieren, steunend op de onneembare ligging, weigerden hardnekkig elke capitulatie en zonden den parlementair spottend terug. Na voorafgegane beschieting bestormden de Franschen met groote dapperheid de stad en maakten zich na een hevig straatgevecht er van meester. Maar ten koste van groote offers, want de generaals Damrémont, Perrégaux en Combes sneuvelden. De bey, met klein gevolg ontvlucht, gaf zich, na eenige jaren den guerilla-oorlog gevoerd te hebben, over en verbleef als gevangene te Algiers.
Behalve haar ligging heeft de stad niet veel bijzonders. Er ligt een groot garnizoen. Met hun kleurige uniformen en de opgewektheid den Franschen soldaat eigen, brengt het militair veel vroolijkheid aan. Aanhoudend ziet men troepen door de straten trekken. Nu eens zijn het chasseurs d’Afrique op hun vurige, kleine Arabische schimmels, dan weer bruine turco’s met de korte blauwe jasjes en dito wijde pofbroeken of het is een bataillon kranige zouaven, dat voorbij marcheert. Ook ligt er een kleine afdeeling spahi’s, dat keurkorps bij uitnemend, in garnizoen. Dit zijn Arabieren, die een bijzonder goeden staat van dienst hebben en gebruikt worden als ordonnansen, estafettes en lijfwachten van den generaal. Gehuld in hun roode of blauwe mantels, een breeden tulband op het hoofd, maken zij met hun hooge laarzen en kromme lange sabels een zeer krijgshaftigen indruk. Men vindt er menig type van den echten, fieren, mannelijken Arabier onder.
Op het groote plein midden in de stad is het paleis van den generaal, den militairen commandant, voorheen de residentie van Ahmed-Bey. Dit paleis, dat zeer bezienswaardig is, bevat nog vele bijeengeroofde kunstschatten uit de oudheid. De binnengalerij is versierd met 265 slanke pilaren van Corinthische bouworde, van Carthago geroofd, maar bovenal wordt het oog getroffen door een buste van Julia Domna, de vrouw van keizer Alexander Severus. Van wit marmer, is deze zoo fijn uitgevoerd, dat men als ’t ware den arm onder den mantel kan zien doorschemeren. Een der façaden van het binnenplein wordt bedekt door één enkelen rozenboom, zoo weelderig, [28] dat hij van boven tot onder met de schoonste witte rozen bedekt is.
Het plein voor ’t paleis is de plaats van samenkomst voor de bewoners van Constantine. Het is er des middags van 5 tot 6 een vroolijk en levendig gedoe. Want dan speelt de militaire muziek, eerst de Fransche kapel, daarna de Arabische. De laatste, waar veel snerpende fluiten den boventoon voeren, is voor Europeesche ooren nu niet bepaald aangenaam om te hooren.

Triomfboog van Trajanus te Timgad.
De provincie Constantine is niet alleen de boschrijkste, maar ook de meest bergachtige van Algerië. Daar toch komt de Atlasketen te zamen met een andere bergreeks, die uit het Zuiden komt en tot het gebied der hoogvlakten en steppen behoort. Die bergreeks is samengesteld uit verschillende gebergten; o.a. het gebergte der Ksour, de bergen der Ouled Nayl, die der Zibans (zoo genoemd naar verschillende Bedouïnenstammen van denzelfden naam) en de Djebel-Aoures (djebelberg). Sommigen bereiken een aanzienlijke hoogte. De Djebel-Aoures b.v. heeft toppen van 2000 M., waarop de sneeuw des zomers niet smelt. Dit gebergte onderscheidt zich door groote woestheid en ruwheid van vormen, maar ook door indrukwekkendheid. Het is zeer verlaten en weinig bewoond. In de rotskloven huizen somtijds nog beren en leeuwen, die elders reeds lang verdwenen zijn.
Toen de Arabieren zich van Algerië meester maakten, hebben de bergvolken van den Aurès het langst hun onafhankelijkheid bewaard en ook de Franschen hadden met de daarheen uitgeweken oproerige Bedouïnenstammen veel te stellen. Het Zuiden grenst aan de Algerijnsche Sahara.
Ten einde nu den toegang tot de woestijn tegen een mogelijken aanval van roofzuchtige stammen te verdedigen, bouwden de Franschen de militaire stad Batna aan de uitloopers van het Aurès-gebergte en aan de spoorlijn, die van Constantine naar het Zuiden, naar Biskra loopt. In dat gebergte nu ligt een der grootste merkwaardigheden op oudheidkundig gebied van geheel Algerië verborgen.
Het zijn de bouwvallen van Timgad, eertijds Thamugadi geheeten, een der bloeiendste Afrikaansche steden van het Romeinsche keizerrijk.
Oorspronkelijk slechts een militaire post met bestemming de woestijn te bewaken, werd eerst onder de regeering van keizer Trajanus de eigenlijke stad gesticht door den legaat en propraetor Lucius Munatius Gallus. Door de gunst van haar beschermer, Trajanus, tot municipium verheven, breidde zij zich hoe langer hoe meer uit en geraakte tot grooten bloei. Zij deelde in de afwisselende lotgevallen van Afrika’s Noordkust, die beurtelings onder Romeinsch, Vandaalsch, Byzantijnsch en Arabisch gezag kwam. Maar in 698 sloeg voor haar het uur van ondergang. Ingenomen door de volgers van Mohammed, werd zij in brand gestoken en verwoest. Gedurende meer dan 12 eeuwen sliep de stad haar doodslaap onder de asch, tot het tegenwoordige geslacht, bezield met ijver voor wetenschappelijke onderzoekingen, haar daaruit opwekte, om, al is het dan slechts gedeeltelijk, hare vroegere heerlijkheid aan den dag te brengen en van hare voormalige grootheid te getuigen. Timgad noemt men wel het Afrikaansch Pompeï, maar er is wel eenig verschil tusschen die twee. Terwijl men te Pompeï een duidelijker beeld krijgt van de inwendige inrichting der huizen en van het huiselijk leven der Romeinen, ontvangt de bezoeker van de bouwvallen van het oude Thamugadi een juister indruk van een groote, bloeiende stad uit den keizertijd, van haar gansche bouworde en inrichting. Licht zal men vragen, hoe het komt, dat van Timgad zooveel bewaard gebleven is, terwijl van andere oude steden van Afrika b.v. Carthago, niets meer over is? Dit komt door hare afgelegen ligging midden in een bergland, ver van de zeekust. Want deze omstandigheid verhinderde de Grieken, de Genueezen, de inwoners van Pisa en den bey van Constantine om van de stad, zooals zij van Karthago en andere plaatsen deden, een dépôt van bouwmateriaal te maken. Timgad bereikt men van Batna uit; het is ruim 10 uur rijdens heen en terug. Een lange tocht dus, maar die wel de moeite loont. De goed onderhouden straatweg dagteekent reeds gedeeltelijk uit den Romeinschen tijd, daar hier vroeger de heerbaan liep van Lambesse naar Timgad. Lambesse, dat men na een uur rijdens voorbij gaat, diende vroeger tot versterkt kamp van het derde legioen van Augustus, dat met de verdediging van Afrika belast was. Er is nog een tamelijk goed behouden hoofdingang van het praetorium te zien, dat tot woning diende voor den keizerlijken legaat of onderbevelhebber, benevens overblijfselen van een tempel van Esculapius en van een triomfboog van Alexander Severus. Het is frisch in het dal waar men doorrijdt, want Batna ligt op meer dan 1000 M. en de bergen van den Aurès, die men niet uit ’t gezicht verliest, zijn hier en daar met sneeuw bedekt. Na onderweg nog de ruïne van den triomfboog van Markouna (met ziet, men is en plein pays de l’antiquité) voorbijgereden te zijn, dagen eindelijk [29] de bouwvallen van Timgad in het nevelachtig verschiet op als een moeilijk te beschrijven verwarde massa. Dit wordt echter anders, als men naderbij gekomen is. Dan bespeurt men dadelijk, dat de stad volgens een vast plan gebouwd is. Niet alléén echter bezoeken de reizigers de bouwvallen. Hun wordt een gids medegegeven en niet tot hun nadeel, want anders zouden zij kans loopen te verdwalen tusschen de talrijke overblijfselen der verschillende monumenten en bovendien menige nuttige aanwijzing missen. Men kan zich een klein denkbeeld vormen van de uitgestrektheid, die de stad vroeger besloeg en tevens van haren bloei, uit de vermelding dat wij een rondgang maakten van meer dan 3 uur en toen nog alleen maar de voornaamste dingen gezien hadden. Daarbij komt nog, dat men aanhoudend nieuwe ontdekkingen doet, nieuwe schatten uit den bodem toovert. De gids bracht ons het eerst naar het middelpunt der stad, het snijpunt der beide hoofdwegen, den Decumanus maximus en den Cardo. Deze snijden elkander rechthoekig en dit snijpunt bepaalt de plaats der voornaamste gebouwen. Alles in navolging van Rome. Dicht bij het snijpunt ligt het schoonste en best behouden monument der geheele ruïne, de triomfboog van Trajanus. Opgetrokken uit grijzen baksteen, maakt het met zijn drie bogen, ter hoogte van 16 M., een indrukwekkend effect. De middelste boog, juist ter breedte van de straat, was voor wagens bestemd, de andere, kleinere voor de voetgangers, die zich op de trottoirs bewogen. Voor de bestrating droegen de Romeinen veel zorg. Dit blijkt ook uit die te Timgad, die nog uitstekend behouden is. Zij bestaat uit groote platte steenen, waar men nog duidelijk het wagenspoor in zien kan, door de wielen er in gegroefd.

Gezicht op de oase en de bergspleet van El-Kantara.
Van het Forum, het politieke middelpunt der stad, de verzamelplaats van alle burgers, is niet veel meer over. Slechts een paar zuilen ter hoogte van 13 M. en een menigte opschriften getuigen van vroegere heerlijkheid. Onder die opschriften is er één, dat de aandacht trekt. Het is de luchtige levensopvatting van een Romeinschen nietsdoener: “venari, lavari, ludere, ridere, hoc et vivere”, in goed hollandsch: “jagen, baden, spelen, lachen, dat is leven”.
Het theater is beter bewaard gebleven. Tegen een heuvel aangebouwd of liever in de rots uitgehouwen, zijn de rijen zitplaatsen in den vorm van een halve maan nog vrij volledig aanwezig. Ook de zuilengaanderij, die achter het tooneel liep, staat, hoewel de meeste zuilen afgeknot en afgebrokkeld zijn, [30] tamelijk goed overeind. Het theater kon meer dan 4000 toeschouwers bevatten, behalve die nog op den heuvel plaats namen.
Natuurlijk bezat Timgad zijn Kapitool of burcht, tevens tempel van Jupiter, Juno en Minerva. Latere onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat hij een oppervlakte van 840 M2. moet beslagen hebben. Over ’t geheel moet alles er van reusachtige afmetingen geweest zijn. Dit bewijzen twee zuilen, die indertijd tot de propylaeën, een zuilengaanderij, die om den tempel heen liep, behoord hebben. Deze lagen in 8 brokstukken verspreid. De reconstructie daarvan heeft niet minder dan 10,000 frs. bedragen, waarvan 3000 frs. voor een hijschtoestel. De opgezette zuilen zijn 16 M. hoog en hebben aan de basis een breedte van 1 M. 50 cM. Voorts zijn door de opgravingen nog aan het licht gebracht de thermen of baden, die bij de Romeinen zoo’n voorname rol speelden. Vier zijn er tot nog toe te Timgad ontdekt, 2 groote en 2 kleine. Natuurlijk is alleen de onderbouw gedeeltelijk bewaard gebleven, maar juist daaraan kon men zien, op wat voor vernuftige wijze de Romeinen den aan- en afvoer van water, benevens de verdeeling van heete en koude lucht ten behoeve der verschillende vertrekken regelden. De kleine thermen beslaan te zamen een oppervlakte van ruim 2000 M2.; de riolen ten behoeve van den waterafvoer doen heden nog dienst om het overtollige water van de bergen naar de vlakte te leiden.
In een museum zijn al de kunstschatten bijeengebracht, door de opgravingen aan het licht gekomen. Deze zijn van den meest verschillenden aard en meestal geschonden. Voortreffelijk behouden is een beeldig bronzen Venuskopje, dat aan den bloeitijd der Grieksche kunst doet denken.
Wij zeiden het reeds, ijverig worden de opgravingen voortgezet, begunstigd en aangemoedigd door de Fransche regeering. Zij worden verricht onder toezicht van den bekwamen heer Ballu, chef van den archaëologischen dienst voor Afrika. Hare subsidies heeft de regeering vermeerderd van frs. 25,000 tot 100,000 frs. Zoo poogt zij dus ook hier een verzuim der Arabieren te herstellen en blijft door het bevorderen van wetenschappelijke en geschiedkundige onderzoekingen haar roeping van beschaving brengende mogendheid getrouw, daarbij de schoone kunsten niet vergetend.
Ten zuiden van Batna ondergaat niet alleen het landschap, maar ook de gesteldheid van den bodem en het klimaat spoedig een groote verandering. Geen wonder, want men verlaat de hoogvlakte en nadert de woestijn, die haar invloed doet gevoelen. Van Batna loopt een spoorlijn naar het Zuiden, die de verbinding tot stand brengt tusschen Biskra, een voornaam punt van samenkomst van verschillende karavaanwegen uit de Sahara, en de noordelijker gelegen streek der Tell. Op korten afstand van Batna neemt het landschap reeds een woestijnkarakter aan, dat voortdurend ruwer en onherbergzamer wordt. De bergen en heuvels vertoonen de grilligste vormen, nu eens spits toeloopend, dan weer met een breeden, ronden koepel gekroond. Soms staan zij in groepjes, in langere of kortere ketenen bij elkander; op andere plaatsen verrijzen eenzame kegels en toppen plotseling uit de vlakte. Het is als ’t ware, of de natuur nu eens moeite gedaan heeft, deze landstreek in den meest chaötischen toestand te brengen, er alles onderste boven te keeren. De bodem, nu eens rotsachtig dan weer klaar zand, vertoont met uitzondering van eenige mossoorten niet den minsten plantengroei. Zoutmeren met lage, bruine, half uitgedroogde oevers verhoogen slechts de intense treurigheid van het landschap. Dit duurt zoo voort tot aan de halte El-Kantara, waar de bergen hooger worden maar het landschap iets vriendelijker, want er is een riviertje in de nabijheid.
In het nauwe dal, waardoor de oued El-Kantara (oued = rivier) stroomt, ligt, door hooge rotsen ingesloten, het vriendelijke, geriefelijke hôtel Bertrand, waar de bestoven en verhitte reiziger gaarne afstapt. Volgt men nu de goed onderhouden chaussee door het dal naar het Zuiden, zoo schijnt het, dat de bergketen van den djebel-Gaouss dit weldra geheel zal afsluiten. Er is slechts ruimte voor den weg en het riviertje; de spoor heeft zich door een tunnel baan moeten breken. Maar plotseling, op een punt, waar de berg slechts een nauwe spleet vormt, met wanden, die onder een hoek van 60° steil naar boven rijzen, wijken de rotsen terug en laten den verrasten reiziger den blik slaan op een breed dal, waarin de uitgestrekte en bekoorlijke oase van El-Kantara ligt. Voor hem die dit voor ’t eerst aanschouwt, een tooneel van natuurschoon om nooit te vergeten. Het opmerkelijkste is de schrille tegenstelling tusschen de absolute onvruchtbaarheid der naakte rotsen en de oase met haar donkergroenen bladerdos van statig wuivende palmen, waartusschen het kleine, vruchtbaarheid brengende stroompje zich een weg baant. De Arabieren noemen de bergspleet van El-Kantara den mond der woestijn, en de geleerden hebben uitgemaakt, dat hier de grens der Sahara is. Neemt men van meer nabij een kijkje in de oase en bezoekt men het dorp El-Kantara, zoo geraakt men meer en meer in verrukking. De huizen, uit grijze leem opgetrokken, gelijken op kleine vestingen, met smalle vensters als schietgaten. De tuintjes, door leemen muren van elkander gescheiden, zijn slechts eenige M2 groot, doch bevatten voor den eigenaar zijn levensonderhoud, de onwaardeerbare dadelpalmen. De dadelpalmen, in ’t Zuiden van Europa en aan Afrika’s Noordkust, geven, hoezeer zij de schoonheid van het landschap ook verhoogen, geen vruchten. Deze rijpen eerst veel zuidelijker, op ongeveer 38° breedte en hebben daartoe gedurende de zomermaanden een warmte van 40° a 50° Celsius noodig. De dadelpalm, zegt de Arabier, “moet met het hoofd in ’t vuur, met de voeten in ’t water staan.” Daarom groeit de dadel ook alleen dáár in de woestijn, waar water voorkomt, n.l. in de oase, hetzij natuurlijke, hetzij kunstmatige. De laatste komt verreweg het meest voor, daar zij zeer veel zorg behoeft wat de besproeiing betreft, en de eerste bij gebreke daarvan spoedig te gronde gaat. Evenals elders, stonden de dadels in de tuintjes te El-Kantara met den voet in een kegelvormig gat, waar men het water in laat loopen. Door de geheele oase loopt een kunstig net van kleine stroompjes tot aan en afvoer van water, en zijn lage dijken aangebracht tot afdamming. [31] Men moet spaarzaam met het kostbare water omgaan, daarom worden alle tuinen beurtelings eens om de 14 dagen besproeid. Onder het dichte bladerdak wordt de dadel in de zoele hitte veilig rijp en dragen andere boomen, ook Europeesche gewassen rijke vrucht; vijge-, abrikozen- en perzikboomen verrukten het oog door den rijken kleurenschat hunner bloesems, terwijl de wijngaardranken en clematis zich door de toppen heenslingeren. Ook verschillende groentesoorten tieren er welig. Een steenachtig, hobbelig pad voert door de oase; af en toe moet men de rivier doorwaden, die bijna droog is en geniet dan een schilderachtigen aanblik op de rotsachtige, met bloeiende oleanders en cactussen omzoomde oevers. Arabische jongens en meisjes komen u tegemoet, willen u met alle geweld den weg wijzen en doen aanslagen op uw beurs. De avond valt. In groepen zitten de Arabieren, jonge en oudere mannen, voor de lage huizen bijeen, allen in de witte burnou gehuld, waaronder menige grijsaard door zijn statig voorkomen de aandacht trekt. Waarlijk een eerste bezoek aan een oase in de woestijn maakt op den reiziger een onuitwischbaren indruk en doet hem denken aan de schoonste tafereelen der 1001 nacht.
Veel heeft het Fransche gouvernement sinds de bezetting van Algerië voor het behoud, de stichting en de uitbreiding der oasen gedaan. Natuurlijk was zulks eerst mogelijk, nadat de Fransche troepen tot aan den rand der Sahara waren doorgedrongen. Zooals men weet is de Sahara vroeger zee geweest. Het water is in ’t zand weggezonken, zoodat zich in verschillende streken uitgestrekte onderaardsche meren gevormd hebben, die somtijds meer dan 200 M. diep liggen. Elders verkrijgt men bij ’t graven reeds op 6 M. diepte water. Het geldt nu, dit water te voorschijn te brengen en door bevloeiing den naasten omtrek vruchtbaar te maken. Den Arabier staan daartoe slechts gebrekkige hulpmiddelen ten dienste. Daarom moet de Franschman met zijn machines voor ’t boren van artesische putten hem te hulp komen. In 1856 liet kolonel Desvaux, commandant van Batna, de eerste boringen doen te Tumerna, waar men een put aanboorde, die 4010 L. water per minuut gaf. Somtijds spuit het water met zoo’n geweldigen aandrang en in zoo’n rijkelijke hoeveelheid uit den bodem, dat het een deel der landstreek onder water zet en de aanwezigen zich in allerijl moeten bergen, ten einde niet verzwolgen te worden. Dit duurt echter maar kort, waarna de toevloed vermindert. Het water wordt afgedamd en door kunstige kanaliseering wordt een zoo groot mogelijke streek bevloeid.
Uitbundige vreugde heerscht er bij de bevolking. Fantasia’s worden gehouden, saluutschoten in de lucht afgevuurd en de dorpcheik betuigt den “vader van het water” (naam, dien de Arabieren aan den ingenieur, met de boringen belast, geven) de dankbaarheid der bevolking. Alle nood is vergeten, de toekomst der oase, der bewoners verzekerd, nieuwe bronnen van bestaan geopend, de arbeid vermeerderd, de welvaart toegenomen. Alleen van 1856–’66 liet de Fransche regeering 150,000 palmen planten. Zij legt den bewoners der oase slechts de matige belasting van 20 à 30 centimes per dadelboom op. Eenige jaren geleden schonk zij aan een dorp 2/5 der belasting kwijt wegens mislukking der oogst. Men houde wel in ’t oog, dat de geduldige, vlijtige bebouwer der oase niet is de luie, rondzwervende Arabier, maar tot den stam der vroegere inwoners, der Berbers behoort.
Vroeger was het gewoonte, dat de Arabier tegen den oogsttijd zijn tenten in de nabijheid der oase kwam opslaan, om van den oasebewoner schatting van den oogst te eischen. Deze schatting bedroeg dikwijls meer dan de helft. Aan dit misbruik heeft het Fransche gouvernement een einde gemaakt, en dit is dus ook in dit opzicht den inboorling tot zegen geweest.
Niet alleen echter voor het stoffelijk welzijn, ook voor het geestelijk heil der bevolking wordt goed gezorgd. Dit bewijzen de vele scholen, die overal in steden, dorpen, ja zelfs in afgelegen oasen opgericht zijn. Ook El-Kantara bezit een school. Jaarlijks wordt uit de schranderste dorpskinderen van ongeveer een jaar of 6 een keus gedaan ten getale van 10 of 12, om een cursus van 6 à 7 jaar te volgen. Het onderwijs, dat ’s winters gegeven wordt, bestaat in Fransch (dat de Arabieren zeer gemakkelijk leeren), teekenen, hand- en tuinarbeid en rekenkunde. Desverkiezende kunnen leergierigen op hun 13de of 14de jaar nog een hoogeren cursus volgen, waar ook geschiedenis onderwezen wordt. De schoollokalen te El-Kantara zijn voldoende en ruim ingericht. Aan de wanden prijken, behalve vele schoolprenten, de teekeningen van jeugdige Berbertjes, die van goede opmerkingsgave getuigen. Zelfs te Ouargla, een oase midden in de Algerijnsche Sahara gelegen, is een Fransche school. Van Biskra uit moet de schoolmeester per kameel de reis daarheen doen, welke 14 dagen duurt. Wel een bewijs, dat zelfs afgelegen plaatsen op onderwijsgebied niet vergeten worden.
El-Kantara is zeer gezocht door hartstochtelijke jagers, die in de kloven van het gebergte en in de valleien der woestijn jacht maken op de mouflon, het ruige bergschaap met breede, gekrulde hoorns en de snelvoetige antilope. Wij, toeristen, maakten een interessant uitstapje naar het schilderachtige dal van Tilatou. ’s Morgens vroeg op muilezels onder geleide van een levendigen Arabier, een dorpsjongen uit El-Kantara, vertrokken, drongen wij in een zijdal der rivier door, dat hoe langer hoe nauwer toeliep. Slechts een smal voetpad voerde langs den steilen oever, ontbrak soms ook geheel. Dan daalden de muilezels in de rivier af en vervolgden daarin hun weg. Een andermaal klauterden zij als katten tegen de steile hellingen op of daalden behoedzaam tusschen groote rotsblokken naar beneden. Voortdurend riep de jonge Arabier ons toe: “Laissez le mulet, il sait son chemin.” Waarlijk, men kon niets beter doen dan zich lijdelijk aan zijn muildier overgeven en de kalme, behoedzame zekerheid bewonderen, waarmede het steeds den reeds vroeger afgelegden weg terug vond. Tegen ’t middaguur stapten wij af op een plaats, waar het dal, door hooge krijtrotsen omgeven, breeder werd. Was het vroeger woest en onbegroeid, hier heerschte een weelderige plantengroei. Langs de rotsoevers der beek bloeiden en geurden om strijd oleanders en wilde rozen, hoogerop [32] vormden vijge- en laurierboomen, amandel-, perzik- en abrikozenboomen, omstrengeld met wijngaardranken en lianen, een dicht bosch, waarboven een enkele palm zijn trotsche kruin verhief.

Gezicht in het dal van Tilatou. Op den berg het dorp der holbewoners met den toren der moskee.
Na een bezwaarlijke klimpartij tegen een met rotsblokken bezaaide berghelling was het punt bereikt, waar wij op korten afstand het gezicht op het doel van onzen tocht hadden, een dorp van holbewoners of oermenschen. De natuur heeft hier n.l. in de krijtrotsen vrij diepe holen en grotten gevormd, die door de gemakzuchtige Arabieren met geringe moeite tot woningen voor zich zelf en stallen voor hun vee ingericht zijn. Tegen de rotsen aangeleund, verheft zich de afgebrokkelde toren van een moskee. Daar leven ongeveer een 300 mannen, vrouwen en kinderen, ver van de wereld, met bijna geen behoeften, zich voedend met de opbrengst hunner kudden en der weinige vruchtboomen die zij verzorgen onder het aartsvaderlijk opzicht van een kadi (rechter) en een marabout (priester). Een idyllische toestand voorwaar, die ons Westerlingen, vermoeid door het gejaagde, de zenuwen op de proef stellende, dikwerf zoo ongezonde leven der hedendaagsche maatschappij, jaloersch zou kunnen maken, zoo ... wij wat meer van ’t karakter van den Arabier in ons hadden.
Biskra, ongeveer twee uur sporens ten Zuiden van El-Kantara, is het eindpunt van de lijn van Constantine naar de Sahara. Het is een oase, die, wat uitgestrektheid en schoonheid betreft, El-Kantara nog ver overtreft. Juister gezegd, bestaat het uit elf oasen van uiteenloopende uitgestrektheid, die schilderachtig verspreid aan den voet van twee massieve bergmassa’s liggen, den reeds vroeger vermelden Djebel Aoures en den berg der Zibans (ziban-dorpen, enkelv. zab). De Arabieren, steeds er op uit om alles, wat door bijzondere schoonheid of bekoorlijkheid uitmunt, bij een koningin, sultane of prinses te vergelijken, noemen daarom Biskra de koningin der Zibans. En terecht verdient het dien naam. Want als een koningin, stralend van schoonheid, de trotsche kruinen van zijn 160,000 palmen badend in den zonnegloed, ligt het daar aan den ingang der woestijn bij de grenzen der beschaafde wereld. Het is als ’t ware of het aan de wereld toonen wil, dat ook de woestijn hare overweldigende schoonheid bezit. En niet alleen schoonheid is haar deel, ook leven, rusteloos en bedrijvig leven, drukte en vroolijkheid vol Oostersche levendigheid en schitterende kleurenpracht. Wat Tunis voor het Noorden is, dat is Biskra voor het Zuiden. Heeft men daar het Arabische leven in al zijn oorspronkelijkheid, hier kan men den nomadiseerenden Arabier in zijn ware natuur aanschouwen.
Biskra is het knooppunt van karavaanwegen bij uitnemendheid. Daar toch komen tallooze wegen uit de Sahara te zamen; daarlangs loopt sinds eeuwen de hoofdweg van het binnenland door de poort van El-Kantara naar Tunis. Van Biskra uit gaat ook de groote karavaanweg over de oasen Tougourt en Ouargla dwars door de Sahara naar het geheimzinnige Tomboktou aan den Niger. Het ideaal van het Fransche gouvernement is, dien weg binnen niet al te langen tijd, van oase tot oase, te vervangen door een spoorweg, den Transsaharien. De 60,000 inwoners van de oase bestaan uit de meest verschillende rassen uit de woestijn en het gebergte afkomstig, n.l. negers uit de Sahara en Centraal-Afrika, Berbers uit den djebel-Aoures, Arabieren uit het Noorden en uit de Zibans benevens een menigte nomaden, die overal hun tenten in ’t vrije veld opslaan. [33]

De Col des Sfa bij Biskra. Gezicht op de Sahara.
De Europeanen te Biskra bestaan voor ’t grootste deel uit ambtenaren, militairen en vreemdelingen. Om het gezonde klimaat, de droge, reine, uitstekende lucht wordt Biskra meer en meer gezocht als winterverblijf voor vreemdelingen, die er evenals in Egypte genezing voor longaandoeningen komen zoeken. De toeloop van vreemdelingen heeft te Biskra paleizen van hôtels doen verrijzen, die in niets voor Europeesche behoeven onder te doen. Vooral het Victoria-hôtel en Hôtel Royal munten uit door hun ruime bouworde, prachtige ligging en uitstekend ingerichte lees- en gezelschapszalen. Daar treft men ook nomaden aan, maar Europeesche, nl. globe-trotters en mondaines in de elegantste toiletten. In het voor- en najaar is het te Biskra het drukst, en wordt het ook het meest bezocht door de karavanen.
In ’t voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken, waar zij voedsel voor hun vee vinden. In ’t najaar heeft de trek in omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in ’t voorjaar te Biskra waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool, waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in ’t Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw, karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de [34] vrouwen verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet, en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden, schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen, en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht; de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken, vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden, of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.
Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte kinderen stuiven op hem af, onder ’t geroep van “donnez un sou, m’siou” (’t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.
Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding en ontspanning gezorgd.
Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier, zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen der beschaafde wereld smaken.
Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus en aan ’t spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en café’s stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in ’t kort een soort oostersch boulevard-leven in ’t klein. Dit concentreert zich voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar die plaats toe, om er zich in de arabische café’s als dansmeisjes te verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen openstellend. In ’t Oosten wordt de danskunst in ’t openbaar slechts uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.
Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten als bruiden zeer gezocht.
In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen gehuld, den kleurigen tulband op ’t hoofd, dat aan weerskanten omlijst is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en borst behangen met tallooze kettingen van louis d’or, munten, steenen en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd, de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen, omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen en niets dat tegen de borst stuit. In ’t café binnengetreden, waar een talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek, eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende- en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.
Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd te plaatsen en dit onder ’t dansen en ’t achteroverbuigen van het bovenlichaam steeds daarop te houden.
Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle sprongen en bewegingen om elkander heen, onder ’t zwaaien van kromme sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een oorverdoovend lawaai makend.
Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen indruk, dien hij niet licht vergeet.
Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van meer welstand dan ginds getuigen.
Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen), waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.
Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats, want in de moskee [35] ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en fanatiek strijder voor ’t geloof van den profeet, die in den strijd met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw, geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had, om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.
Bij ’t bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij ’t ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende zandzee, die zoo veel drama’s en verschrikkingen in haren schoot bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.
Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand gestuit door massieve bergmassa’s waarvan de toppen met sneeuw bekroond zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen bereiken er echter niet zoo’n hoogte als die der westelijke helft, in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij ’t naderen van den Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men “pin d’Aleppe” (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal, tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt, waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd, die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel, is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend, steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo’n sterke mist heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.
Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit deel van het beschaafde Algerië.
Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte, lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar, vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober, dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren hebben hun sporen in dezen veldtocht [36] verdiend. Ook de hertog van Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier, later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800, die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende houtmijt door verstikking om ’t leven komen. Eerst in 1857 gelukte het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In ’t midden des lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na verloop van tijd hebben de Kabylen zich in ’t onvermijdelijke geschikt, zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen, aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met landbouw en veeteelt bezig.

Touaregs uit de Sahara.
Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in ’t felle zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd hebben. De bezetting dateert van 1830.
In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats, verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen en andere schendingen van ’t volkenrecht door Algerijnsche onderdanen ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren, den consul met zijn waaier in ’t aangezicht te slaan, een daad, die hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd, landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust, maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de vreemdelingen het Pavillon du coup d’éventail, waar die gedenkwaardige audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.
Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer, waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.
De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.
Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen en prachtvolle villa’s, afgewisseld door welige boomgroepen en boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de vreemdelingen gezocht.
Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen, die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon, Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen veldtocht aan de Loire, en van zoovele [37] anderen. Tegenover het paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan ’t licht gebracht. In ’t bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze komen in grooten getale in Algerië voor.

Danseressen van den stam der Oulad-Nayl.
Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.
Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid 84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij ’t binnenkomen betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.
Het is de palmenlaan, afwisselend bestaande uit Amerikaansche palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen, hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken, zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche omarmingen, of richten zich bij den voet [38] weer omhoog, zoodat het geheel een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen, door de musa’s met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In ’t bijzonder munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt, die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.
De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.
Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers, grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn gezag uitoefent. Vooral in ’t zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering brengend element.
Want ook in ’t Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud opgevolgd: “refoulez le désert.” Langzamerhand heeft Frankrijk zich reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de Marokkaansche Sahara, met ’t oog op den verbindingsweg dwars door die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.
Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866 vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen af en aan, en van ’s morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden, barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de l’Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place d’Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen, moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken zoo’n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden, is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in ’t bezit der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument, dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde, in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld, een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele wereld ondernam op koloniaal gebied.
Ver in ’t Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen van Tlemcen, ging in de onophoudelijke [39] binnenlandsche twisten veel van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt, biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.
De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken, wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd, waarheen de Arabier bij ’t verrichten van zijn gebed het aangezicht wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.

Palmenlaan in den Botanischen tuin van Algiers.
Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid, waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de inwoners op zekeren morgen bij ’t ontwaken, dat er om den ringmuur hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.
Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij, stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah genaamd, die zich om het in ’t nauw gebrachte Tlemcen, belegerd, van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief, een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen, dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont, door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem den naam “Mansourah” uitspreken.

Bougie.—Gezicht aan zee en op het fort Abd-el-Kader.
Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.
De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan Afrika’s noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij, waarvan ook slechts bouwvallen over [40] zijn. Is niet het beeld van verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame, indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën, zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende, dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort zich niet aan ’t geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is, die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt, dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.

Gezicht op de stad en op de kaden van Algiers.
Pondichéry, moeilijk te naderen over zee.—Witte stad en Indische stad.—Het Regeeringspaleis.—De hôtels in onze koloniën.—Engelsche enclaves.—De bevolking; de kinderen.—Bouwkunst en godsdienst.—Handel.—De toekomst van Pondichéry.—De markt.—De scholen.—Politieke koortshitte.

Groep van kiesgerechtigde Brahmanen.
Een klein strookje gronds vertegenwoordigt op dit oogenblik het belangrijkste gedeelte van ’t geen Frankrijk heeft weten te behouden uit zijn oud Indisch Rijk, dat thans een der machtigste koloniën van de britsche kroon is. Op die alluviale strook gronds ligt de stad Pondichéry, hoofdstad der fransche bezittingen, waarvan de groote Dupleix zich gansch andere horizons gedroomd had.

Indische muzikant uit Pondichéry.
Het bescheiden grondgebied van Pondichéry omvat niet meer dan 29145 H.A. De dépendances van wat men gewoonlijk Fransch-Indië noemt, zijn de volgende vier: Chandernagor, Karikal, Mahé en Yanaon. Zij liggen verspreid over verschillende deelen van het groote schiereiland, de drie laatstgenoemde op korten afstand van het grondgebied van Pondichéry, het eerste in de onmiddellijke nabijheid van Calcutta.
De gouverneur der Fransche nederzettingen in Indië woont te Pondichéry, maar zijn ambt brengt mee, dat hij zich dikwijls moet verplaatsen naar de verschillende andere fransche plaatsen, waar de leiding der zaken in handen is van administreerende ambtenaren, die aan hem ondergeschikt zijn. Het spreekt vanzelf, dat er verscheiden lagere ambtenaren zijn, dat er een Plaatselijke Raad is evenals een Algemeene Raad, dat de kolonie te Parijs een afgevaardigde in den Senaat heeft, zoowel als in de Kamer, en dat op het grondgebied van Pondichéry de politiek de spil is, waarom alles draait en de voortdurende zorg van iederen dag. Wij zullen nog wel meer een woordje te zeggen hebben over die noodlottige politiek, dien knagenden kanker, waarvan zeker geen enkele fransche kolonie zooveel te lijden heeft als dat arme Pondichéry.
Laat ons eerst voet aan wal zetten, wat niet altijd gemakkelijk gaat, als men, zooals met mij ’t geval is, over zee aankomt. Daar de golven dikwijls hoog gaan op de reede, kan de ontscheping soms zoo moeilijk zijn, dat het onmogelijk wordt, gemeenschap [42] met de kust te krijgen. Het is vaak gebeurd, dat ten gevolge van het stormachtige weer de paketboot, die Pondichéry aandoet op haar reis heen en terug tusschen Colombo en Calcutta, niet met den wal gemeenschap kon krijgen en zich genoodzaakt zag, met passagiers en lading haren weg te vervolgen. Weinige jaren geleden heeft dat geval zich driemaal achtereen voorgedaan. Met platboomde vaartuigen, chelingues genoemd, die geen inhouten (ribben) hebben, nadert men de kust. Er wordt aangelegd bij een pier, die 252 M. lang is en recht in zee vooruitsteekt; staat de zee hoog, dan heeft men de behendigheid van een acrobaat noodig, om zijn evenwicht te bewaren bij het vastgrijpen van het touw, waarmee men de ladder kan bereiken. Om aan dien last te ontkomen, geeft de toerist er veelal de voorkeur aan, zich per spoor naar Pondichéry te begeven, want de kolonie is sinds 1877 aan het groote Engelsch-Indië verbonden en staat door zijlijnen in verbinding met de van Frankrijk afhankelijke gebieden.
Pondichéry is een vrijhaven. Levensmiddelen en koopwaren van allerlei streken afkomstig, mogen over zee binnenkomen en uitgaan, zonder eenige douanerechten te betalen, onverschillig onder welke vlag zij varen. Alleen zout en opium zijn van deze gunstige beschikking uitgesloten, want bij verdragen zijn die voortbrengselen verboden; noch de productie ervan noch de handel erin zijn geoorloofd.
Moet ik de geschiedenis in herinnering brengen? Pottoutchéri of Poultchéri, het “nieuwe dorp”, door menschen van hooge kaste Poudou-nagar of “Nieuw Kasteel” genoemd, is in 1693 gekocht van koning Vidjayanagar door den beroemden commandant Martin, ter vergoeding voor Sint-Thomas, waarvan de Hollanders zich hadden meester gemaakt. Het dorpje van paria’s nam snel toe in grootte en werd het middelpunt van een aanzienlijke handelsbeweging trots de wederwaardigheden van zijn politieke geschiedenis.
Al dadelijk in den aanvang werd het door de Hollanders vermeesterd; maar in 1699 werd het ons teruggegeven. Daarna werd het viermaal door de Engelschen belegerd; admiraal Boscawen werd in 1748 teruggeslagen door Dupleix; in 1760–61 gaf Lally-Tolendal, door hongersnood gedwongen, zich over, na een hardnekkigen tegenstand te hebben geboden, en de vrede van Parijs in 1763 herstelde ons in het bezit van de stad.
In 1778 maakten de Engelschen zich er opnieuw van meester, om de stad in 1785 bij den vrede van Versailles terug te geven en haar daarna voor de derde maal in 1793 te veroveren. Voor goed herkregen wij deze bezitting in 1816–17, met verbod er eenige versterking aan te leggen of er een andere gewapende macht te onderhouden dan de politie.
De stad is in twee deelen verdeeld, de witte stad en de indische stad, door een gracht gescheiden. De eerste, aan de oostzijde en aan zee gelegen, is regelmatig gebouwd; de straten zijn breed en recht, wat ook het geval is met de tweede, die echter over grooter uitgestrektheid zich uitstrekt.
Ik kende Pondichéry, doordien ik er op een vroegere reis een week had doorgebracht, en met waar genoegen zette ik er weer den voet op vasten grond, na mijn aankomst aan die lange pier van slecht ineengevoegde planken. Sinds mijn vorig bezoek was het aanzien der plaats niet veranderd. Ik zie weer het nog al indrukwekkende standbeeld van den grooten Dupleix, dat dichtbij het strand zich verheft, en na eenige honderden meters te zijn voortgegaan, bereik ik het Gouvernementspaleis, waar de tegenwoordige bewoner, dien ik de eer heb te kennen, mij gastvrijheid heeft aangeboden. Ik voel er mij te huis, want in de prettige kamer, die voor mij in orde gebracht is, heb ik ook eenige jaren vroeger gelogeerd.
Het Gouvernementspaleis te Pondichéry is een alleraardigste residentie, en de gouverneur, de heer Lemaire, is er, evenals zijn beminnelijke echtgenoote, veel meer naar zijn zin dan in het sombere huis, dat ze twee jaren geleden op Martinique bewoonden, waar ik ’t genoegen had hun een bezoek te brengen. De ligging en de indeeling van het huis zijn uitstekend; het lange balkon, dat langs de groote ontvangzaal loopt, biedt een verrukkelijk uitzicht over een groote, vierkante ruimte, aan de overzij begrensd door een rij sierlijke en regelmatige gebouwen, en als men er ’s avonds gemakkelijk is gezeten, geniet men met welbehagen dien verrukkelijken geur der tropische landen, die een temperatuur bezitten, door ’t verdwijnen van de zon heerlijk en verkwikkend geworden.
Het klimaat van dit gedeelte van Indië is over ’t geheel gezond. In gewone tijden is de gemiddelde temperatuur 30° C. over dag en 26 ’s nachts. In de maanden December en Januari daalt zij tot 3 à 5° C. over dag, terwijl van Mei tot September de thermometer tusschen 32° en 40° C. staat; dat is de periode van de zeer heete westenwinden, die op onaangename manier de lucht oververhitten. Het droge jaargetijde duurt van het begin van Januari tot omstreeks den 15den October; de rest van het jaar heet dan de winter. In ’t algemeen gesproken, regent het zelden in dit deel van Indië; slechts in November en December komt nog al dikwijls regen voor.
Als men te Pondichéry een zindelijk en goed verzorgd hôtel vond, dat bij een goede keuken voor het moderne comfort zorgde, zou ik niet aarzelen, de stad een zeer aantrekkelijk verblijf te noemen voor de europeesche wintermaanden, wanneer zooveel menschen zich afvragen, in welk hoekje van de wereld men aangenaam verblijven kan in zachte lucht. Ongelukkig ontbreekt dit materiëele gerief; de beide hôtels, die men er vindt, zijn beneden het middelmatige, en als men niet van de gastvrijheid van bloedverwanten of vrienden kan genieten, zal men er niet gauw toe komen, er eenigen tijd te vertoeven.
Het gebrek aan goede hôtels in de koloniën is onbetwistbaar een hinderpaal voor de ontwikkeling van het toerisme. De Engelschen hebben dat goed begrepen; nemen wij als voorbeelden de eilanden van de keten der Antillen en de engelsche bezittingen in Azië. Op Trinidad, Jamaica, Ceylon, in geheel Indië vindt men prachtige hôtels, even comfortabel als ergens in Europa, en wat zien wij op Martinique, Guadeloupe, te Nouméa, op Bourbon? [43] Niets dan bescheiden herbergen! Daaruit volgt, dat geen enkel toerist, die niet door een vriend is uitgenoodigd, er langer blijft dan volstrekt noodig is. De arme stad Saint-Pierre maakte in zekeren zin een uitzondering op den regel; men had er twee nette, goed ingerichte en goed bestuurde hôtels, maar de uitbarsting van den Mont-Pelé heeft ze voor altijd gesloten.
Al wandelend, nu eens door de stad zelve, dan in de omstreken van Pondichéry, is het mij, of ik in een aardig provinciestadje ben of ergens buiten, waar het mooi is. De woningen zijn sierlijk, getuigen van een zekeren welstand en hebben een zindelijk voorkomen, dat in verschillende andere koloniën ontbreekt. De gouverneur is zoo goed geweest, een tweewielig wagentje, pousse-pousse, te mijner beschikking te stellen, dat ik dikwijls in den morgen gebruik, en een victoria, waarmee ik grooter afstanden kan afleggen, ’s Avonds vóór het diner zijn de heer en mevrouw Lemaire zoo vriendelijk, mij per rijtuig in verschillende richtingen den omtrek te laten zien.
Wat die ritjes wel merkwaardig maakt is, dat ik nu eens over fransch dan over engelsch grondgebied voortrol, en in een minimum van tijd dien overgang verscheiden malen maak. Het grondgebied van Pondichéry is door het tractaat van 1816 op de zonderlingste manier verdeeld, toen de kolonie na verscheiden malen in engelsch bezit te zijn overgegaan, voor goed aan Frankrijk kwam. Overal, tot voor de poorten der stad, zijn enclaves van britsch grondgebied in het fransche land uitgesneden, zóó, dat de Engelschen juist die hooge stellingen bezitten, die geschikt zijn voor de plaatsing van batterijen. Hier behoort de weg aan Engeland, terwijl de slooten onder fransche jurisdictie staan; ginds behoort een waterplas tot Madras, terwijl het land, dat er door geïrrigeerd wordt, onder Pondichéry ressorteert. Er is zelfs ergens een stuk gronds, welks eigenaar onbekend is. De Engelschen zijn bekwame politici; bij de sluiting van het tractaat van 1816 hebben zij zich er niet mee tevreden gesteld, aan de fransche regeering de verplichting op te leggen, nergens eenige versterking aan te leggen en geen gewapende macht te onderhouden buiten de politie, maar zij hebben ook het middel gevonden, het terrein zoo te splitsen en in stukken te deelen, dat er hoeken volkomen onverdeeld zijn gebleven.
Wat mij onbegrijpelijk voorkomt is, dat na het dîner de stad geheel uitgestorven is. Men strekt zich gemakkelijk uit op zijn balcon of in zijn tuintje, maar gaat niet uit, en men schijnt er geen prijs op te stellen, op de pier of aan het strand de zuivere versterkende zeelucht te gaan inademen. Het is mij tweemaal gebeurd, dat ik ’s avonds ging wandelen en lange overpeinzingen hield op een bank van de pier; maar ik heb geen enkelen Europeaan ontmoet. Alleen een inboorling heeft mij aangesproken in een taal, die ik niet verstond; waarschijnlijk vroeg hij een aalmoes.
Een dame, die ik den volgenden dag ontmoette en wie ik mijn verbazing te kennen gaf over die wonderlijke afzondering, begreep niet, wat ik voor bekoorlijks vinden kon in die rust van het tropische land en dat gemis aan afleiding. Voor haar was het een leven als in de hel; hoe miste ze haar Parijs! Ik heb later gehoord, dat haar man, die ambtenaar was, verlof had gevraagd, daar zijn vrouw het klimaat niet kon verdragen! Trouwens men zou een merkwaardig boek kunnen schrijven over die quaestie van de verloven in de koloniën, alsook over de verschillende redenen, die de belanghebbenden aanvoeren, om ze te krijgen.
De bevolking van Pondichéry is zachtzinnig, onderdanig en beleefd. Welk een treffend verschil met den onaangenamen neger, dien ik zoo dikwijls heb bestudeerd op de Antillen en elders! Het zijn zelfs sympathieke menschen, als men ze aan ’t werk ziet op het veld, of hen gadeslaat bij hun kleinhandel, rustig loopend zonder geraas te maken. De kinderen kruipen over den grond, scharrelen langs de wegen tusschen de kippen, en zijn talrijk in de struiken als de konijnen in Australië. Ik kan niet laten, hen juweeltjes te noemen, als ik denk aan de europeesche kinderen, die mij de laatste drie maanden het leven vergald hebben op twee booten van de Messageries Maritimes. Die indische kinderen zijn, net als maleische, chineesche en japansche, lief en aardig, schreien nooit, en of er vijf of vijftig onmiddellijk bij u in de buurt zijn, ge bespeurt hun aanwezigheid nauwelijks. Ik zie ze met genoegen aan, die kleine onschadelijke negertjes, naakt als wormen, en die als eenig kleedingstuk een touwtje om de lenden dragen, waaraan in ’t midden een soort van medaillon hangt bij wijze van vijgeblad, meestal uit metaal vervaardigd, koper, zilver of goud, al naar het vermogen der ouders. Wat heb ik hun vaak stuivers en lekkers toegegooid en wat had ik een schik in hun lachende gezichtjes!
Men kan merkwaardige zedenstudies maken in die landen van overzee, waar godsdienst en gebruiken zooveel van de onze verschillen. Verscheiden malen reden wij ’s avonds vóór den eten langs begrafenissen, waarvan de schikking tot vermakelijke verrassingen aanleiding gaf. Eens gingen we voorbij den stoet van een inlandsche vrouw van katholiek geloof. Zij lag in groot toilet, met bloemen en sieraden getooid en met zorg gekapt, op een, door de familie gedragen paradebed. Van een doodkist was geen sprake. Ze gingen haar eenvoudig aan den schoot der aarde toevertrouwen en haar met zand bedekken. Een anderen keer zagen we een mohammedaansche begrafenis, door zang en muziek begeleid.
Het aantal tot den christelijken godsdienst bekeerde Indiërs is nog slechts zeer gering. De groote meerderheid der inboorlingen heeft den eeredienst van het Brahmaïsme bewaard, waar luidruchtige feesten, processies met tamtams en andere muziekinstrumenten, die een helsch lawaai maken, bij behooren. Den dag na mijn aankomst is er een groot feest bij een Brahmaan van aanzien, waar de gouverneur genoodigd is. Op het oogenblik, dat ons rijtuig vóór de woning van den jubilaris stilhoudt, laat zich de Marseillaise hooren, en men voert ons naar de voor ons vrijgehouden zetels. Er wordt op onze knieën een reuzenbouquet gezet, die misschien wel een meter in omtrek is, en men hangt ons een krans van bloemen om den hals, die ons niet weinig prikkelt. De locale kleur, versterkt door de opgewonden uitroepen van [44] de menigte, is typisch; maar de geuren, die uit het publiek opstijgen, laten veel te wenschen over, te meer daar bijna zonder uitzondering allen naakt zijn, op het vereischte bandje of touwtje na. IJs en ijskoude dranken gaan overvloedig rond; de warmte in de beperkte ruimte wordt ondragelijk; het is tijd dat wij ons rijtuig en de open lucht weer bereiken.

Aardige dreumes in gala.
Er zou tijd en veel geduld noodig zijn, om het verschil te leeren kennen in de gewoonten en wetten en maatschappelijke vormen, geldend voor de onderscheiden kasten van Brahmanen, en die hen in streng afgesloten klassen splitsen. De een zal nooit dit doen, de ander nooit dat; een handwerk, door deze kaste uitgeoefend, mag door een andere kaste niet worden ter hand genomen. De taak voor iedere kaste is zoo nauwkeurig voorgeschreven, dat het bepaald absurd wordt in onze oogen, en het komt mij voor, dat er zelfs voor deze menschen een lange, moeilijke leertijd wordt vereischt, als zij zich niet zullen schuldig maken aan eenige inbreuk op de velerlei voorschriften van hun godsdienst.
Bouw- en beeldhouwkunst hebben het in de gebouwen, die aan den hindoeschen en den brahmaanschen godsdienst zijn gewijd, tot een zeldzame hoogte gebracht. Vele auteurs hebben ze reeds beschreven; maar toch schijnt het ons van belang, erop te wijzen, dat die van Indië door de artistieke zijde van hun architectuur en den rijkdom van hun versiering uitmunten boven vele tempels, die wij in andere landen van Azië hebben kunnen bezoeken. Men vindt wel niet te Pondichéry zulke prachtige tempels als te Tanjore, Trichinopoly en Madura, maar dat neemt niet weg, dat die van Villenour en andere plaatsen in den omtrek een nauwlettend bezoek verdienen.
Ik ben verscheiden malen naar dien van Villenour gegaan, die op eenige kilometers afstands van de residentie is gelegen. Een zeer groote wagen of kar onder een breed afdak, die nu en dan dienst doet bij processies voor den eeredienst, geeft blijk van de bekwaamheid van deze inboorlingen en hun kunstvaardigheid in het handwerk. Die wagen, geheel van hout gemaakt, stelt een gansche boeddhistische geschiedenis voor, door middel van fijne werktuigen gegraveerd in vierkante blokken van dezelfde afmeting en aan elkander sluitend met onberispelijke symmetrie. Het gewicht van het geheel moet verbazend zijn, want op de hooge feestdagen zijn er 1200 à 1500 menschen noodig om het kolossale voertuig te trekken.
De kunstvaardigheid van deze inboorlingen is nog niet verloren gegaan, zooals men geneigd zou zijn te veronderstellen, als men bespeurt dat al die indische tempels tot de oudheid opklimmen, en dat men in onze dagen nooit eens den bouw van een nieuw, even grootsch bouwwerk bijwoont. Ik heb er het bewijs van gezien, toen de gouverneur mij naar een plaats bracht dichtbij Villenour, waar wij een wagen zagen, die bijna af was en met evenveel talent vervaardigd was, als die uit voorbijgegane tijden.
Het ware meesterstuk, dat wij voor oogen hebben, is uit zeer hard hout gesneden en stelt met merkwaardige fijnheid een boeddhistische processie voor, waarvan ons de beteekenis natuurlijk ontgaat, maar die ons met bewondering vervult. Een inlandsch beambte legt ons uit, dat er ten minste 500 menschen zullen noodig zijn, om den wagen te trekken. Hij laat ons het touw zien, dat men zal moeten gebruiken; het is zoo dik als een reuzenslang. Wij waren het niet alleen, die in verrukking raakten over dit mooie werk; een hoop kinderen omringde ons en was vervuld van eerbied. Ik vermoed, dat de heer Piot voldaan zou zijn over een bezoek aan een land, waar zijn leer zooveel aanhangers heeft gevonden.
Wat Pondichéry en de grond, die er bij behoort, aan landbouwvoortbrengselen opleveren, beteekent weinig. De geheele uitvoer heeft slechts een waarde van 27 à 28 millioen francs; katoenen weefsels zijn daarin opgenomen voor een som van bij de 9 millioen en de aardnoten voor 15. Volgens het jaarverslag van 1904 hebben 48 stoombooten van verschillende nationaliteit 581562 zakken aardnoten ingenomen van 75 kilo per zak. De aardnoten worden ook in den vorm van aardnotenkoeken uitgevoerd. Verleden jaar is de uitvoer van dit artikel gestegen tot een totaal bedrag van 4376 ton, hetgeen een waarde vertegenwoordigt van bij de 400,000 francs. Daarna volgen de katoenen [46] weefsels, die in de laatste statistiek voorkomen voor de som van bij de 9 millioen; de rijstsoorten voor 2¼ millioen en de huiden voor 1½ millioen francs. De andere uitvoerartikelen bereiken slechts een onbeduidend cijfer. Er wordt een kleine hoeveelheid vanille uitgevoerd, zooals ook kokosnoten en vruchten. Het verbouwen van aardnoten heeft in den laatsten tijd een groote vlucht genomen en zou nog aanmerkelijk kunnen toenemen. Die handel is voortaan een zaak van gewicht voor Fransch-Indië, daar Pondichéry voor die oliehoudende zaden een groote opslagplaats geworden is, die niet enkel gevoed wordt door de directe voortbrenging in de buurt; reeds beginnen de producten uit de omliggende engelsche bezittingen toe te stroomen, waardoor de handelsbeweging vertienvoudigd wordt.
De landbouwers uit het Zuiden van Indië, vooral uit de provincie Tanjore en uit de omstreken van Trichinopoly maken meestal voor hun verzendingen gebruik van Pondichéry, daar het de beste haven van de kust is, minder dan Madras aan cyclonen blootgesteld. De laatste, waarvan men de herinnering nog heeft behouden, is die van 1863; zeven schepen, die op korten afstand van het strand ten anker lagen, werden verzwolgen bij de groote ramp.
Wat de vanille aangaat, men is er met de cultuur nog pas sinds een dozijn jaren bezig; vrij groote velden zijn ermee beplant in den Kolonialen Tuin, waar de onderdirecteur mij wel de inlichtingen wil geven, die mij belang inboezemen. In het begin had men met groote zorgeloosheid te strijden. De inboorlingen, die bij het kweeken van het kostbare gewas gebruikt worden, moeten voortdurend onder toezicht zijn; in het begin lagen massa’s vanille in kisten te verrotten, alsof er een hoop hooi in lag. De tegenwoordige gouverneur heeft er orde op gesteld, zooals uit de verkregen resultaten blijkt. De vrucht van Pondichéry is dunner dan die uit Mexico en van Réunion, maar de geur der stokjes doet naar mijne meening niet voor de andere onder. De vanille wordt hier voor tien roepijen, dat is 17 francs, per kilo verkocht. Er zijn te Pondichéry kweekers met een ruim geweten, die hun welverzorgden en goed ingepakten oogst naar Bourbon hebben gezonden, om van daar als echte Bourbonvanille naar Europa te worden verscheept.
De geheele bevolking van de fransche nederzettingen in Indië bedroeg op 31 December 1903 het aantal van 273748 inwoners, onder wie slechts 1408 Europeanen, en wel 492 mannen, 546 vrouwen en 370 kinderen. De europeesche bevolking wisselt natuurlijk voortdurend, daar de meesten slechts zeer kort in de kolonie blijven. Dit geldt vooral van de ambtenaren en hun gezinnen, wier chassé-croisé over alle oceanen voldoende bekend is. Het aantal Europeanen of kleurlingen, die er wortel hebben geschoten en behagen vinden in de carrière, welke zij hebben gekozen, of in den handel, waarin zij bezig zijn, is slechts zeer klein. Men kan de vooroordeelen van een volk niet veranderen, zoo min als de begrippen, die gangbaar, zijn in het moederland. Een kolonie is nu eenmaal een oord van ballingschap, en het klimaat moet er noodzakelijk ongezond zijn. En hoeveel menschen, veroordeeld om in het land, dat hen heeft zien geboren worden, te leven in een voortdurenden strijd ter verkrijging van de meest dringende levensbehoeften, zouden zich een veel vrijer en ruimer bestaan kunnen verschaffen, als zij, zoo zij vlijt en volharding bezaten, besloten het routinejuk af te schudden, en iets te ondernemen, ’t zij landbouw of handel, in landen van onbetwistbare vruchtbaarheid, waar men nog zooveel handen kan gebruiken! Voor den groothandel, de banken, industriëele ondernemingen zouden er onmetelijke velden te exploiteeren blijven.
Wij behoeven slechts een afstand van 160 kilometer per spoor af te leggen, om Madras te bereiken, gelegen aan diezelfde kust van Coromandel, en we stappen uit in een groote handelsstad, waar het drukke leven zich in allerlei vormen voordoet, en waar men alles kan genieten, wat een bloeiende europeesche stad aanbiedt. Bombay en Calcutta zijn evenals veel steden van het Uiterste Oosten volkrijke, bloeiende centra, die in niets onderdoen voor de groote steden van onze oude wereld, en zij, die er zich gevestigd hebben in den handel, het bankwezen of de industrie, klagen niet over de zoogenaamde ballingschap. Trouwens in veertien of achttien dagen voeren de trein en de paketboot hen naar den geboortegrond terug voor een kleine vacantie, waartoe gemakkelijk besloten wordt door die inwoners, wier middelen hun de onbeteekenende verplaatsing toestaan.
Als men het leven van den inboorling nagaat met het oog op zijn behoeften en zijn intellectueele ontwikkeling, moet men wel inzien, dat hij veel gelukkiger is dan menig Europeaan of kleurling, die verkeert in wat wij overeengekomen zijn, beter levensomstandigheden te noemen. Wij vinden hem doorgaans vroolijk en tevreden; hij klaagt zelden, leeft op de primitiefste manier, wonend in een krotje of hutje met zijn meestal talrijk gezin, zich dekkend met een strook stof, die hem eenige stuivers heeft gekost, zich op de soberste manier voedend met de producten, die hij dikwijls zelf verbouwt zonder zorg voor den komenden dag. Is zoo’n man uit philosofisch oogpunt niet veel gelukkiger dan de meesten onzer?
Een van mijn grootste genoegens in de koloniën bestaat in een bezoek aan de markt, dien levenden kaleidoscoop, die altijd een verschillend veld van waarnemingen is, al naar de omgeving waarin men zich bevindt. De markten van Indië bieden niet zoo’n weerzinwekkend, kwalijk riekend schouwspel als de markten in negerlanden. De menschen zijn er minder vuil en maken minder leven dan de zwarten van de Antillen of Zuid-Amerika; zij passen met hun bonte doeken bij hun omgeving, die niet zoo carnavalachtig is als ginder. Rood is de meest geliefde kleur; men zou bijna kunnen zeggen de eenige, door mannen en vrouwen gedragen, zoowel wanneer zij zich een groot deel van het lichaam bedekken, als wanneer ze zich tot een eenvoudigen band bepalen, aangebracht naar de wetten der welvoegelijkheid.

De pagode van Villenour van binnen.
Hier ook weer is er geen gebrek aan kinderen; maar de ouders behoeven zich niet om hen te bekommeren, want het talrijk kroost kan het goed vinden met de kippen aan den weg, en verdwaalt niet in de drukke menigte. Wat ik vurig hoop voor de inlandsche [47] bevolking van Pondichéry en zelfs voor heel Indië, is dat men er de invoering van automobielen verbiede, die er zeker spoedig veel kwaad zouden stichten. Ten tijde van mijn verblijf in de kolonie had een parijsch automobielfabrikant zich tot een ambtenaar in Pondichéry gewend, om inlichtingen te erlangen omtrent de mogelijkheid, het moordend instrument er in te voeren. De inboorling heeft de betreurenswaardige gewoonte, altijd op het midden van den weg te loopen, en zelfs als men in een gewoon rijtuig zit, moet men herhaaldelijk roepen, om hem naar den een of den anderen kant van den weg te doen gaan; wat de kinderen betreft, ze loopen voortdurend gevaar, in stukjes te worden gereden. Nergens ter wereld hebben de koetsiers zulk een moeilijke taak bij het mennen van hun paarden. Wat zou er gebeuren, als men op een dag den invoer van die wagens toeliet, die, al zouden ze enkele bevoorrechten gelukkig maken, een moorddadige werking zouden uitoefenen en de bevolking zouden decimeeren! De Europeaan zou, ook al kon bij zich bergen en zijn bestaan verdedigen, oproerige kreten uiten bij het zien van het monster, vooral om den aard van den grond. De bodem in het zuiden van Indië verkruimelt tot een rood poeder, dat bij het geringste zuchtje van den wind in wolken opvliegt. Nu reeds in onze europeesche landen het stof, door dit middel van vervoer opgejaagd, vrij gerechtvaardigde klachten doet rijzen, zou men te Pondichéry ware wanhoopskreten slaken. Hoe dikwijls is het mij gebeurd, dat ik na een wandeling van een paar uur moest constateeren, dat mijn wit costuum een saffraan kleurige tint had gekregen!
De heer Delale, hoofd van het openbaar onderwijs, is zoo welwillend, mij tot gids te strekken bij het bezoek, dat ik mij voorgesteld had te brengen aan de voornaamste scholen van de stad. De quaestie van het onderwijs, dat in de koloniën aan de inlandsche bevolking wordt gegeven, heeft mij altijd veel belang ingeboezemd en leidde mij tot merkwaardige vergelijkingen. Er zijn koloniën, waar het oprechten lof verdient, en andere, waar het, eerlijk gezegd, bedroevend is, waar het op niets, op geen onderwijs neerkomt. Te Pondichéry, waar verscheiden scholen zijn, heb ik aan vijf een bezoek gebracht. Het onderwijs staat onder het toezicht van een zeer intelligenten leider, die uitstekend samenwerkt met den gouverneur. Wat mij het meest heeft getroffen, is de practische manier, waarop de onderwijzers in de jeugdige hersens de dingen doen doordringen, die hun onderwezen moeten worden, niet door het domme systeem van machinaal de kinderen zinnen te laten herhalen, die ze niet begrijpen, maar door het kraantje van hun intelligentie te openen door verklaringen, die ze kunnen vatten, en die ze daarom niet vergeten. In die verschillende scholen ga ik door alle klassen heen en vraag verlof, die kinderen te mogen ondervragen, die toeval of intuïtie mij doen kiezen, daar ik altijd de keus van een onderwijzer een beetje wantrouw in de gevallen, dat de school aan een bezoeker moet worden vertoond. Het is mij aangenaam te kunnen zeggen, tot eer van den heer Delale, dat het bezoek aan die inrichtingen te Pondichéry zeer goede herinneringen bij mij heeft achtergelaten, en dat het te wenschen ware, dat men in enkele andere koloniën zijn goede methode volgde en tevens het aanhoudende toezicht, dat hij uitoefent in het hem toevertrouwde departement.
In de laatste school, die ik bezocht, en die alleen voor jonge meisjes bestemd is, woonde ik verschillende naailessen bij, waar het werk op zeer lofwaardige wijze werd gedaan. Ik ben verbaasd over de gemakkelijkheid, waarmee die meisjes in goed Fransch antwoorden op de vragen, die ik tot haar richt. In Engelsch-Indië had ik in twee scholen kunnen opmerken, dat de kinderen zich bijna alleen in hun moedertaal konden uitdrukken, doorspekt met enkele engelsche woorden, verhaspeld op een wijze, die ze onbegrijpelijk maakte.
Ach, indien het mogelijk was, al die kinderen in hun vroegste jeugd te doen begrijpen, dat er een studie is, waar de hersens door in de war raken en die de rust des levens verwoest, zou dat een weldaad zijn voor de kolonie! Ik heb het oog op de politiek, die dit arme land verwoest, de ontwikkeling tegenhoudt en op betreurenswaardige wijze de europeesche bevolking verdeelt.
Ik wil liever niet stilstaan bij de pijnlijke zijden van de politiek, waar zij tot minder fraaie resultaten leidt en vooral vroeger geleid heeft.... Buitendien, niet enkel in Indië houdt men zich op met verkiezingspraktijken die afkeurenswaardig en verderfelijk zijn. Er zijn in Frankrijk ook steden bekend, waar de kiezers zich tot voorbeeld schijnen te stellen wat er plaats grijpt om en bij de stembussen van de hoofdstad onzer indische bezittingen....
De grappige kant van de zaak is de terugslag der politieke meeningen op de onderlinge betrekkingen van de Europeanen, die te Pondichéry gevestigd zijn. Ik heb daar merkwaardige herinneringen aan behouden, en ik kan geen weerstand bieden aan den lust er enkele van mee te deelen.
Een ambtenaar, pas ontscheept in de kolonie, brengt een bezoek aan den heer A, maar kan, daar hij den volgenden dag ongesteld wordt, niet naar den heer B gaan.... Hij wordt dadelijk door dien laatste beschouwd als te behooren tot een hem vijandelijke clan en op zij geschoven; men vertrouwt hem niet. Een ander ambtenaar, die op dezelfden dag gezien is geworden in gesprek met twee menschen van tegengestelde politieke overtuiging, wordt door beide voor een halve gehouden, een middenman, dien men goed zal doen te mijden.
Aan de zijde der dames werkt de jaloezie met de allernietigste argumenten, de ongerijmdste voorwendsels, waarbij dan een gebabbel komt, zoo als men zich bijna niet kan voorstellen. Een dame uit Pondichéry heeft mij verteld, dat men vond dat zij haar rang niet voldoende kon ophouden, omdat zij in plaats van een pousse-pousse te nemen (kosten 20 centimes) te voet een boodschap was gaan doen op 100 M. afstands. Het schijnt wel, dat een vrouw die zichzelve respecteert, in dat land in ’t geheel niet mag loopen!
Een tocht naar Karikal en naar Mahé, die betrekkelijk niet ver van Pondichéry liggen, lachte mij niet toe. Daarentegen heb ik, toen ik eenigen tijd vóór mijn bezoek aan Zuid-Indië in Calcutta vertoefde, [48] een uitstapje gemaakt naar Chandernagor, slechts op een uur afstands per spoor verwijderd van de hoofdstad der engelsche bezittingen. Chandernagor, gebouwd op den rechteroever van de Hoogly aan een schilderachtige baai, herinnert aan de schoonste tijden van de fransche heerschappij in Indië. De stad heeft gedurende de geheele eerste helft der 18de eeuw de schepen bij honderden aan haar kaden ten anker zien komen; daar zetelde de gansche handel van Bengalen. Zij heeft haar voorspoed zien verdwijnen door de opkomst en de groote ontwikkeling van Calcutta. Maar nog is het een stad, die indruk maakt, een aardige plaats met breede, rechte straten en sierlijke huizen. Verscheiden ruïnen van paleizen en tempels getuigen van den vroegeren luister. Het grondgebied is niet zeer groot, namelijk 6 K.M. over de grootste lengte bij een breedte van 2 K.M., een oppervlakte van 1000 H.A. Het klimaat is er, dank zij den meren en bosschen om de stad, koeler dan in de omringende deelen des lands, maar de temperatuur is er veel veranderlijker en veel koeler dan te Pondichéry, ofschoon men in Mei zeer dikwijls een warmte heeft van 40 tot 45° C.

Indische schoone in feestgewaad.
Er wordt, eigenlijk gezegd, te Chandernagor niets verbouwd, daar de beschikbare grond zoo beperkt is, dat men geen ernstige pogingen kan beginnen; maar de politiek is er wel doorgedrongen, evenals te Pondichéry, en zij vormt het hoofdonderwerp van alle gesprekken.
Ik bracht er twee heerlijke dagen door bij den vriendelijken administrateur, den heer Bertrand en zijn lieve vrouw, en ik genoot van de heerlijke wandelingen aan den oever der rivier in de zuivere, opwekkende lucht.
Er bestaat verschil van meening over de duurzaamheid van het engelsch bestuur in Indië. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de Engelschen er geen wortel gevat. Een volksuitdrukking zegt: “De Engelschman en de Hindoe gaan samen als olie en water”, dat wil zeggen, dat ze in ’t geheel niet samengaan. De Hindoes verwijten den Engelschen, dat zij hen opeten, zooals de rupsen bladeren vernielen en zoo den boomen het sap ontstelen. Maar de Engelschen maken zich ook geen illusies omtrent de gevoelens, die zij den Hindoes inboezemen. “De intelligentste inboorlingen”, schrijft een engelsch reiziger, “erkennen de weldaden van ons bestuur; maar de massa wil liever slecht geregeerd worden door haar eigen hoofden dan goed door ons”.
Het schijnt, dat de fransche invloed dieper doorgewerkt heeft op de te weinig talrijke stammen, door oude verdragen onder ons bestuur gelaten. Ik kan de verzoeking niet weerstaan, enkele regels aan te halen, die door Pierre Loti in zijn Propos d’exil gewijd zijn aan de boeren uit den omtrek van Mahé (en die toegepast zouden kunnen worden op alle Hindoes, die fransch grondgebied bewonen), omdat zij uitstekend de gevoelens weergeven, die de inboorling te onzen opzichte koestert: “Zij zeggen in het Fransch bonjour, als de boeren bij ons en schijnen er trotsch op te zijn, bij ons te zijn gebleven; men ziet, dat ze lust hebben te blijven staan en een praatje te maken. Diegenen, die onze taal een weinig kennen, glimlachen en beginnen een gesprek, altijd pratend van: ‘Onze matrozen ... onze soldaten.’ Ja, men is hier toch wel in Frankrijk.” En ik moet denken aan een geval voor de rechtbank te Saigon, waar een van die Indiërs, beschuldigd van ik weet niet welke euveldaad, aan een magistraat uit Corsica, die hem als wilde toesprak, ten antwoord gaf: “Wij waren al Franschen tweehonderd jaar vroeger dan gij.”
Van Saigon naar Pnom-penh en naar Compong-Cjuang.—Roeitocht op het Groote Meer.—Karren uit Cambodja.—Siem-Reap.—De tempel van Angkor.—Angkor-Tom.—Verval der khmersche beschaving.—Ontmoeting met den tweeden koning van Cambodja.—Oedong-de-Verhevene, hoofdstad van Norodom’s vader.—Het paleis van Norodom te Pnom-penh.—Waarom Frankrijk niet aan Siam het grondgebied van Angkor kon overlaten.

De drie torens van den tempel van Angkor-Wat.
Tegen het einde van Januari 1903 gingen mevrouw de Miramon-Fargues en ik te Pnom-penh, de hoofdstad van Cambodja aan wal, in gezelschap van twee commissarissen van de tentoonstelling van Hanoï, de heeren Bonaparte-Wyse en den heer Rouget. Een stoomboot van de Messageries fluviales, die de Mekong in vier-en-twintig uur was opgevaren, had ons van Saigon erheen gebracht. Maar wij kwamen veertien dagen te laat aan; in dezen tijd van het jaar ledigt zich het reuzenbekken van de Tonlé-Sap, een echte binnenzee, en vloeit af naar de monding der rivier.
Het lage water maakt, dat de sloepen er niet kunnen binnenvaren, en onze tocht naar Angkor zou onmogelijk zijn geweest, als de resident-generaal niet de goedheid had gehad, een platboom-vaartuig te onzer beschikking te stellen, waarop in het midden een hut was aangebracht en dat in ’t geheel 12 M. lang en 2½ M. breed was. Zoo konden wij worden opgesleept tot Compong-Cjuang. Maar van dat punt af moesten wij gedurende twee dagen en drie nachten onze reis al roeiend voortzetten met niets voor oogen dan de eentonige vlakte van het meer. Onze drijvende woning was eigenlijk niet groot genoeg, om de zes-en-twintig bedienden en roeiers te bevatten, die rondom ons heen wriemelden, Cambodjanen, Chineezen, Siameezen, Annamieten, die vier verscheidenheden van huidskleur vertegenwoordigden, [66] buiten onze eigene, ’s Avonds werd er geen lamp aangestoken, om geen nachtvlinders en muskieten te lokken, maar om den tijd te dooden, vergastte ieder de omgeving met een liedje uit zijn vaderland, en daar de Têtfeesten nabij waren in de op den oever verspreide dorpen, beantwoordde de tam-tam het gezang, dat veel van een cacophonie had.
Eindelijk deed zich op een morgen de rivier Siem-Reap voor, en een zucht van voldoening ontsnapte ons, want die naam riep de koelte van de bosschen voor ons op en de wonderen van den tropischen plantengroei.
Maar bij aankomst wachtte ons een teleurstelling. De ossenkarren, die de mandarijn voor ons had gezonden, hadden pas de oevers der rivier verlaten, of reeds waren wij in een woestijnachtige streek gekomen. Wij reden langs lage, leelijk gevormde dwergboomen, vuil nog en bespat van het nu gezakte water; vervolgens geeft zelfs dat mager boom- en struikgewas het op en maakt plaats voor droog gras, en kort daarop is de grond, door de zon tot stof verpoeierd, bijna geheel kaal, met slechts hier en daar wat toefjes rijst, pas geplant en reeds overstoven met het fijne zand van den bodem, hetwelk reeds opstuift, als er maar een vogel overheen vliegt. Onze optocht bestaat uit tien zeer primitieve karren van planken en bamboelatten op een onderstel geplaatst zonder zijwanden. Alleen onze zucht tot zelfbehoud maakt, dat wij niet bij ieder stootje van het voertuig eraf rollen. Gelukkig heeft de weekelijke beschaving van ons Westerlingen een remedie voor de kwaal meegebracht in den vorm van een matras, die op het voorhistorisch voertuig werdt gelegd en die de ruwe schokken een weinig tempert.
Samengehurkt op onze matrassen als op een bed van heete asch, altijd maar pogingen doende, om geheel en al weg te kruipen onder onze zonneschermen, zien wij nu en dan eens even vaag de trotsche koepels van eenige khmersche ruïnen, die op den top staan van een brandend heeten heuvel of onduidelijk afsteken tegen de vlakte. De verschijning van die grootsche monumenten te midden der armzalige natuur werkt bemoedigend, maar toch is het tegelijkertijd een bedroevende aanblik. Welke adem is er over dezen bodem gestreken en over al die vroegere grootheid? En wie is van dit diepe verval, waarvan de aanblik ons in de ziel grijpt, de oorzaak geweest, wie gaf er den eersten stoot toe, de mensch of de natuur?
Eindelijk vinden wij de boorden der rivier terug, en als met een tooverslag is alles veranderd. Tusschen kokos- en arecapalmen, bananen en de verdere sappig groene massa van den exotischen plantengroei, staan op een rij de hutten van een eindeloos dorp. Op palen gebouwd, van bamboes en van stroo, zien ze er armoedig, maar toch wel zindelijk uit. Groote bruine menschen wonen in die lage verblijven met hun vrouwen, die regelmatige trekken hebben en hard, borstelig haar; met waardige gratie dragen al die personen doeken en gordels van verschillende kleuren. In de bedding der rivier draaien wielen met lichte schoepen, door den stroom in beweging gebracht, en voeren het water naar de woningen aan den oever door lange bamboekokers. Rondom de hutten speelden kinderen met groote buffels, wier horens, die zoo vaak gevaarlijk zijn voor Europeanen, in ’t minst geen booze bedoelingen schenen te hebben ten opzichte van het vuile kindertroepje.
Daar zijn we bij de “sala”, de herberg, die vriendelijk ter beschikking van de reizigers gesteld is; ’t is een blauw geverfde stellage van planken, en met haar estrade lijkt ze veel op het tooneeltje van een café-concert. Daarnaast woont de gouverneur, een stroohut, die zich enkel door haar grootte van de andere onderscheidt.
Dit groote dorp heet Siem-reap, provinciale hoofdstad; dus eerbied als ’t u blieft!
Wij wandelen nog een heelen tijd langs de hutten en de tuinen, waar alle arbeid aan de natuur blijft overgelaten en waar dit eenvoudig volkje de bevrediging van al zijn behoeften vindt. Dan treden wij een bosch binnen met dicht struikgewas, waarboven zich reuzenboomen verheffen, echte boomen uit het oerwoud.
En terwijl wij daar gaan en, boven ons, de apen zwaar door de boomen hooren springen, terwijl luid schreeuwende vogels aan ’t gillen zijn, en om ons heen de hanen en de wilde pauwen opvliegen, zien wij stil en bedaard die gebronsde mannen en vrouwen langs ons gaan, zoo flink en goed gebouwd en met iets zoo rustigs in den blik.
Zorgeloos volkje, door geen onvervulbare behoeften gehinderd! Gelukkig volk, dat geen geschiedenis heeft!
Het bosch, dat plotseling afgebroken wordt door een open ruimte, wijkt, als het ware, terug om een onmetelijken cirkel te omsluiten, waar als zuilen de stammen der reuzenboomen omheen staan. Toen aanschouwden wij in het te felle licht van die te wijde vlakte zwarte massa’s van onbekende, onbepaalde vormen, die tot in verre verte reeksen vormden of hier en daar zonderlinge punten omhoog staken. Een lange lijn van gevels loopt ongeordend langs den voet van drie hooge torens en wijkt in de verte, zooals groote schepen doen, die achter de gebogen lijn der zee het eerst hun masten vertoonen. Men voelt iets van teleurstelling opkomen, maar men herinnert zich dan al spoedig, dat juist de reuzenafmetingen van deze monumenten hen, om zoo te zeggen, neerdrukken door hun eigen onmetelijkheid.
Onze karren bestijgen een terras, beschermd door twee monsterdieren, die leeuwen voorstellen. Een steenen pad loopt voort tot dichtbij de vijvers, bedekt met lotusbloemen, en dan verder naar een wijde, omsloten ruimte, waar lange gangen doorloopen tusschen hooge, vierkante zalen. Door een eerepoort traden wij binnen en waren aldus in het heiligdom aangekomen. Vóór ons, maar nog op grooten afstand en over de toppen der kokospalmen heen, verhief zich de tempel van Angkor met zijn formidabele massa, waarboven drie koepels verrezen, die wij perspectivisch alle drie in één rij zagen.
De met groote platte steenen geplaveide weg voert erheen, streng, rechtlijnig en statig, en aan den kant staan twee kleine tempels, twee artistieke gebouwtjes, met hun voeten weggedoken in de modder van de plassen. Ginder, in de verte, heel aan het eind van den langen weg, ziet men verschillende [67] achter elkaâr gelegen portieken, en reeksen van stoepen en trappen leiden naar den centralen koepel, waarheen de aandacht wordt getrokken door middel van al die andere monumenten, deel uitmakend van het reusachtige plan.
Zoo is de pelgrim, gekomen uit het diepste van de bosschen, die de vlakte omzoomen, niet verlegen welken weg te kiezen. Te midden van de vele heiligdommen en ondanks de drievoudige omheining weet hij door de donkere gangen over de zonnige pleinen en tusschen de velerlei kloosters den weg te vinden; hij wordt, als ’t ware, meegetroond door de geheimzinnige eenheid dezer plaats, door een macht, die hem van godsdienstigen eerbied vervult en niets anders is dan de suggestie van de rechte lijn.
Wij zagen gevels, die zoo ver ons oog reikte, de een op den ander volgden; sierlijke portieken waakten twee aan twee op de hoeken dier gevels en verbraken er de eentonigheid van naar het midden; er waren zuilengalerijen, waar een overvloed van ornamenten als een levend klimop zich om de pilaren slingerde en waartusschen door in breede stroomen het licht naar binnen viel. Dat maakte het mogelijk op de wanden van de galerijen de bas-reliëfs te onderscheiden, waarin de geschiedenis te lezen was van ’t volk, dat deze monumenten bouwde, en verder volgden donkere zalen en lichte gangen, boogvormige en vlakke zolderingen, geheimzinnige hoekjes, waar de een of andere misvormde Boeddha troonde onder de bescherming van veel vleermuizen. En elders zag men vijvers, door galerijen omgeven; vierkante pilaren, in strenge rijen geschaard, om zolderingen en daken te dragen, of tot sieraad in hoeken aangebracht; afgesloten binnenplaatsen met kloosterramen en open pleinen, die als tuinen waren en waar, als bloemen op een bloembed, sierlijke, kleine tempeltjes stonden, om door hun fijn en fraai voorkomen de verpletterende schoonheid van het grootste heiligdom te temperen. Overal vielen in deze wonderlijke wereld van monumenten ingestorte gebouwen en deelen van bouwwerken in het oog, zooals zij daar half uitgewischt beeldhouwwerk droegen en met den aanslag van de eeuwen waren overdekt.
Hoe zal men al die wonderen met voldoenden eerbied bespreken? Is het niet, alsof men heiligschennis begaat, als men door de beschrijving der détails de bewonderenswaardige eenheid van dit meesterwerk verduistert? Die eenheid dringt zich op aan ons oog en staat levendig voor onze verbeelding al den tijd van het bezoek aan de monumenten; zij zal de hoofdindruk blijven, dien wij van hier meenemen, een diepen indruk van een werk uit één stuk, dat boeit door de grootschheid der proporties en daarna pas bekoort door de bevallige schikking van de versierselen, terwijl een grootsch genie niet enkel de hoofdlijnen trok, maar tevens de aantrekkelijke détails bepaalde en schikte.
Twee vierkanten bevatten boven elkander aangelegde terrassen, wier zuilen en kapiteelen in harmonieuse lijnen rijzen en overal met bas-reliëfs bedekt zijn. Het grootste en eerste van die beide vierkante pleinen heeft een omtrek van twee kilometer; er loopt een lange kruisgang langs, waarvan de zuilen aan den buitenkant, gekeerd naar het bosch en de tuinen, een interessante historische galerij vormen. Het tweede, dat er strenger uitziet, herbergt onder de gewelven van zijn gangen en zalen, vol angstwekkende schaduwen, een massa steenen godheden, het Pantheon uit den vervaltijd. In ’t midden van het tweede terras ziet men met verbazing een berg van gebeeldhouwde steenen, prachtig fijn bewerkt. Op dat reusachtig voetstuk staat de eigenlijke tempel.
In de hoeken verrijzen vier koepels, schitterende schildwachten, die den centralen koepel, den reus, het opperheilige, bewaken. Het zijn pyramiden met vele trappen, waarvan de omtrekken en de scherpe lijnen alle aan het oog onttrokken worden door een overvloed van ornamenten. Zij dragen op den top een vreemde bekroning, op een tiara gelijkend, een der oude tiaren uit den tijd der Middeleeuwen, waar wonderlijk gevormde steenen in bevestigd zijn en ruw gegraveerde cameeën. De gidsen geven er den naam van prea-sat aan, maar ik vrees, dat ik, door dien barbaarschen term te gebruiken, met een uitstalling van geleerdheid den diepen indruk van kunst en genie zal schaden, dien nog in mij wekt de herinnering aan het wonderwerk.
Men moet zich met behulp van handen en voeten opwerken tegen den heiligen berg, zoo steil en lastig is de beklimming langs ongelijke trappen met smalle treden, die bijna niet naar voren komen. De majesteit van het heiligdom wordt door dien moeilijken tocht verhoogd, en men krijgt meer eerbied voor wat men met zoo groote moeite moet bereiken. Boven krijgt men weer gewelven te zien en kapellen en kloostergangen, alle uitkomend bij den centralen koepel, het geheimzinnige middelpunt, dat boven het geheel zijn hoofd, met diamanten getooid, opsteekt. Daar zijn, naar men zegt, de heilige voorwerpen opgeborgen en de documenten, die de annalen bevatten van een ras, dat tot den sagentijd opklimt. Noch deuren, noch trappen stellen in staat, ook maar het minste of geringste van die geheimzinnigheden te doorgronden. Maar aan de vier hoeken en in het midden der gevels laten groote portieken stroomen licht binnenvallen, naar ’t schijnt om van alle punten van den horizon de eerbewijzen der natuur en der menschen in ontvangst te nemen.
Gezeten op de treden van een dezer portieken, met de voeten op een kroonlijst met afgebrokkelde beeldjes, zien wij de zon ondergaan achter het gebladerte van het bosch. Onder ons worden pleinen en gangen langzamerhand in duisternis gehuld, terwijl op de hoogte, waar wij ons bevinden, de laatste zonnestralen nog het heiligdom treffen. Eén voor één verdwijnen de zuilen, de kapiteelen en de bas-reliëfs, die men overal herhaald vindt, met de rijen, eindeloos lang, van heilige bayadères. Spoedig kunnen wij nauwelijks meer de daken onderscheiden met de zware, lange, afgeronde steenen, die rij aan rij zich uitstrekken met de eentonige regelmaat der voren in onze akkers. Eenzaam verschijnt soms nog, oplichtend, het gele kleed van een bonze, die bij zijn ronde langs een muur strijkt.
Toen kwam ’t ons voor, dat al die dingen, die wij nu zoo dicht vóór ons zien, en die zoo oneindig ver van ons oude Europa zijn, iets bekends hadden. Op het oogenblik, toen het plotseling invallenden [68] duisternis, dat eigen is aan oostersche landen, waar men de bekoorlijke schemeruurtjes niet kent, ze aan ons oog geheel onttrekt, wekken hun verwarde vormen in ons een wereld van onverwachte herinneringen.
De architectuur van deze monumenten is niet geheel nieuw voor ons. In streken, die minder ver van Europa verwijderd zijn, Babylon en Niniveh, vindt men diezelfde terrassen met bouwwerken er omheen, die breede wegen, met platte steenen geplaveid, en de assyrische muren vertoonen een dergelijke overvloed van bas-reliëfs.
Wat zijn het voor majestueuse figuren, die er zoo priesterlijk uitzien en aangebracht zijn op den voorgevel van een paleis of den rand van een toren? Egypte heeft daar zijn stempel op gedrukt. En die verrukkelijke tempeltjes met hun portieken en hun zuilen van zoo zuiveren stijl, waarin de harmonie der lijnen zoo goed past bij de soberheid der versieringen, moet men daarvan niet in het klassieke Griekenland de prototypen zoeken of misschien, wie weet het, de navolgingen?

Een breede steenen weg leidt naar den tempel.
Wat zijn er een dingen hier, die ons vertrouwd en bekend lijken! Wij herkennen de kleine klosvormige zuiltjes, die het traliewerk der vensters vormen, omdat wij ze reeds ontmoet hebben in oude huizen uit Bretagne.
Alles in één woord wijst op een van elders gekomen ras, dat zijn inspiratie heeft moeten halen van de wieg der wereld zelve, die grenzen van Europa en Azië, waar de oudste beschavingen geboren werden.
Niet ver van den tempel in het bosch ligt de koninklijke stad Angkor-tom begraven, welker reuzenomtrek 4 K.M. lang was aan elke zijde van het vierkant. Wij lieten den volgenden morgen onze karretjes weer aanspannen, om ons erheen te laten brengen. Helaas, indien de godheid al den tempel, haar gewijd, in stand heeft kunnen houden, zij heeft het niet kunnen of willen doen met de paleizen der menschen, en te midden van onontwarbaar struikgewas moet men er nu de ruïnen van zoeken. Plotseling staken de wielen der kar den arbeid in den zandigen grond; een schok schrikt den toerist op uit zijn mijmeringen bij het zien der apen, spelend in de hooge boomen. We gaan met de kleine ossen dapper een steenen trap beklimmen en rijden onder een eereboog door, van waar een impassibel steenen beeld ons schijnt te bewaken. Door het gebladerte kan men nog een lange reeks van zwarte muren onderscheiden, die in het struikgewas voortloopen; maar als op enkele plaatsen de boschjes minder dicht worden, ziet men opeens met verbazing, dat de muur, die als omheining diende, gebeeldhouwd is als een bas-reliëf in een tempel.
Op den rand van een open terreintje zien wij een heuvel, dicht met planten begroeid, reuzenboomen steken er hun kruinen in de hoogte, en te midden van hen rijzen donkere, statige steenmassa’s, die hun een plaats in de zon schijnen te betwisten. De heuvel zelf blijkt een monument van khmersche kunst, een tempel, een paleis of een graf, en op de forsche gewelven is als op vasten, effen bodem het levend bosch gegroeid. De pleinen, portieken en sierlijke zuilenrijen, de terrassen en trappen, steil als ladders, het labyrinth van zalen, de ingestorte verdiepingen, alles is overweldigd door dien plantengroei, die zelf zijn voetstuk weer vernielt.
Boven een drievoudige verdieping van gewelven loopt men over een vlakte, bedekt met enorme stukken puin, deelen van zuilen en reuzensteenen. Overal verrijzen koepels boven de ruïnen als onwrikbare bewakers. Veelal zijn het vier reuzenhoofden, onder een zelfde hoofddeksel gevangen, en niets heeft van die priesterlijke aangezichten de uitdrukking van hooge kalmte kunnen wegnemen, noch het nadeel, dat de boomen eraan hebben toegebracht, die in de spleten van ’t gesteente groeien en hun statige coiffure in een woeste pruik veranderen, noch het oneerbiedig spel der apen, die hun over het hoofd wandelen en geen eerbied toonen voor het gelaat.
Te midden der geheimenissen van het woud, bij al die ruïnen, waar tijgers soms hun jongen komen verbergen, onder de oogen van de steenen figuren, in hun eeuwigen droom verzonken, gaat onze verbeelding aan het werk, tracht het verleden op te roepen, en onder al die doode dingen treedt het leven naar voren, als een laatste vonk uit het beeldhouwwerk, waarmee de losse steenen versierd en als ten leven gewekt zijn. Zie, daar zijn koningen te herkennen, monarchen in triomf gezeten op hun zegewagens, door met goud gestikte dekkleeden versierde paarden voortgetrokken; een stoet van priesters en hovelingen vergezelt hen. Dan volgt het leger der krijgers, dat der slaven en, den optocht sluitend, de wonderlange stoet van olifanten.
Op den eindeloozen weg tusschen het paleis en den tempel van Angkor-Wat vertoont zich zulk een reuzenprocessie; maar zij leeft niet meer; zelfs de [69] legenden erover zijn verdwenen uit de herinnering van het volk, dat zijn eigen roemrijke geschiedenis niet meer kent, nu het verwoestingswerk van den tijd, door plunderingen geholpen, er een eind aan heeft gemaakt.

Het groote kloosterplein.
De hutten, waar de bonzen of priesters rondom den tempel wonen, vormen met de monumenten een aangrijpende tegenstelling. Het dorp is niets dan een verzameling stroohutten. Wij logeerden onder een groot afdak, in een aan alle kanten open ruimte. De vloer rustte op hooge palen en bestond uit een open vlechtwerk van bamboes, terwijl de bamboeladder toegang gaf tot dit hôtel. ’s Nachts, toen wij ons op onze matrassen telkens omkeerden, gekweld door ontzagwekkende droomen, klonken overal om ons heen de neusklanken van ’t psalmgezang der bonzen, die een soort van litanie aanhieven. Dat duurde lang en begon al vroeg weer in den morgen als antwoord op het gekraai der ontwakende hanen. En gedurende de enkele uren van rust, ons gelaten door die vrome zangen, waren er allerlei vreemde geluiden, wel geschikt om den reiziger te verschrikken, die daar in de open lucht ligt in het land van schorpioenen en slangen. Het waren onze ossen, die onder ons afdak vastgemaakt waren en die telkens bewogen of kauwden of zich zacht de lenden wreven.
Toch is dit volk, dat in hutjes van hout en stroo woont en dat meer gelijkt op een primitief volk dan op een, dat gedegenereerd is, wel stellig het nakroost van de groote bouwmeesters van Angkor. Zij zijn forsch en groot, hebben sterk geaccentueerde trekken, die op de onze gelijken, wijd geopende oogen, ’t geen alles erop wijst, dat ze van verre zijn gekomen. Stellig zijn deze menschen van hetzelfde ras als de Indiërs, die op datzelfde tijdstip, dat tot den fabeltijd schijnt op te klimmen, dezelfde reusachtige bouwwerken aanlegden. Zij kunnen elkander niet negeeren, want zij zijn nog tegenwoordig broeders door hun gelaatstrekken, zooals zij het vroeger waren door hun genie. Maar hoe dan dat totaal verval te verklaren, achteruitgang, die geen hoop laat en geen spijt? Helaas, dat zulk een verschijnsel niet tot de zeldzaamheden behoort!
Hebben de fellahs niet de pyramiden gebouwd? Hebben wij niet aan de Singhaleezen de kolossale werken van Anuradhapura te danken op het eiland Ceylon? Die onderworpen volken arbeidden voor hun meester en door de kracht van hun millioenen armen stelden zij hem in staat, de wonderen tot stand te brengen, waaraan hun intellect geen deel had. Zij waren menschelijke machines en werden voortgedreven door een klein aantal begaafden onder hen, en ze keerden terug tot den eenvoud der natuur, zoodra die aristocratie van gezag en genie uit hun midden verdween.
Op den morgen van den vierden dag waren wij vroeg bij de hand, om voor de laatste maal een bezoek aan den tempel te brengen, eer wij naar onze [70] jonk terugkeerden. De zon ging op achter het heiligdom. De koepels straalden boven onze hoofden en de kolossus verscheen in een krans van rooden morgengloed. Om ons heen was alles nog in schaduw gehuld; de hutten, de ossenkarren, onze cambodja’sche gidsen, de troep bonzen, die waren komen aanloopen om van de uitdeeling van gekleurde potlooden te profiteeren. Wij meenden een beeld te zien van het verleden van dit volk. Een verheven licht is op één punt des tijds boven deze streken opgegaan en heeft voor een oogenblik de bewoners uit de schaduw naar voren gebracht, om hen te doen deelen in zijn luister, zooals de slaven deelden in ’t geluk van den meester. Dat licht was slechts de weerschijn eener vreemde beschaving, en zoo lang de souvereinen van Angkor in gemeenschap bleven met de wieg van hun geslacht, gaven zij hun genie nieuwe kracht door het voorbeeld van een kunst, die langen tijd over de oude wereld heeft gestraald. Van daar haalden zij hun bouwmeesters en schilders en beeldhouwers. Maar op een dag werd de gemeenschap verbroken door noodlottige oorlogen en mogelijk ook door het terugwijken van de zee, want het is boven allen twijfel verheven, dat in dat ver verleden de Tonlé-sap een volkomen toegankelijke golf was. Toen het bloed niet meer van het hart toestroomde, gingen de leden kwijnen, en de koningen, in het nauw gebracht door de invallen der noordelijker wonende volken, verloren macht en aanzien. Zij verloren die zoo geheel, dat zij voor altijd de plaats van hun glorie uit het oog verloren, en dat op dit oogenblik een met hen wedijverend volk het land in bezit heeft. Siam bezit namelijk deze ruïnen, en het doet weinig of niets voor het onderhoud. Toen wij door Siem-reap reisden, kwam een siameesche gouverneur onze paspoorten opvragen en noteerde onze namen, om ze naar Bangkok te zenden.
Na een laatsten blik op den kolossus van Angkor-Wat, een blik, die het geheel niet kon omvatten, begaven wij ons naar beneden naar onze boot. Sedert vier dagen wachtten onze roeiers daar op ons, getrouw op hun post. De koelies belastten zich met matrassen en proviand, met de bagage en de toeristen zelven, en in minder dan een half uur was alles aan boord. Vooruit nu maar!
Twee dagen daarna, tegen den avond, zijn wij bij Compong-Chuang. Jonken, gelijk aan de onze, maar mooier versierd, wiegelen op de golven bij de aanlegplaats. Het zijn de equipages van den tweeden koning van Cambodja, die den resident een bezoek is komen brengen. Het gevolg van den monarch in partibus bestaat uit de vrouwen en de dames van het ballet. De prinsessen dragen het lange kleed van siameesche mode, de danseressen alleen een gordel als in Cambodja. Wij worden aan Zijne Majesteit, broeder van koning Norodom, voorgesteld, die naar landsgebruik den vorst heeft opgevolgd. Hij is een man van vijf-en-zestig jaar, gedrongen, krachtig, nog maar even grijs wordend en zich flink voordoend in zijn grijs jasje en wit vest. Zijn beenen zijn half bloot, als die van kinderen en hij draagt kousen en halfhooge laarsjes. Zijne Majesteit ontvangt ons uiterst vriendelijk; een onwankelbare glimlach speelt om zijn mond en onthult het mooiste gebit, dat eenig dentist voor zijn étalage zou kunnen verlangen.
“U is in Angkor geweest?” vraagt hij ons. “Dat is de wieg van ons ras, en mijn broeder en ik zullen altijd aanspraak blijven maken op het bezit ervan.”
Daarna boog de vriendelijke man en lachte, wisselde handdrukken met ons en ging in zijn drijvend paleis.
Moet ik de waarheid bekennen? Wij waren wel een weinig teleurgesteld over dien sympathieken maar zoo weinig majestueuzen afstammeling der groote vorsten van Angkor. De resident, onze vriendelijke gastheer, wien wij onze indrukken meedeelden, ried ons aan, in ’t voorbijgaan Compong-luong te gaan zien. “Van daar zult u Oedong kunnen bezoeken, de voorlaatste hoofdstad, en u zult u een juister voorstelling kunnen maken van wat een koning van Cambodja wezen kan”.
Den volgenden morgen heel in de vroegte deed onze jonk den oever van Compong-luong aan. De inlandsche gouverneur liet ossenkarren voor ons komen, en wij reden over een weg, breed en mooi als een uit Europa, naar Oedong de verhevene, het Versailles van Cambodja. Waarlijk, deze laan ziet er mooi uit, met dien rand van kokospalmen, die uit de vruchtbare vlakte rijzen, en de omgeving geeft ons al van te voren een hoog denkbeeld van de paleizen, waar zij toegang toe geeft.
Hoe verbaasd waren wij dan ook, toen plotseling de breede weg smal werd en doodliep in een rijstveld. Tegenover ons leek iets als een pleintje te liggen en na een omheining van groote palen gepasseerd te zijn met een soort van poort erin, bevonden wij ons in het oude koninklijk paleis. Achter een kleinen vijver ziet men eerst een “sala” of loods van twee verdiepingen, op in het water staande palen. Drie kleine tribunes zijn ervoor aangebracht, gesteund door drie groote palen, die aan het dak bevestigd zijn en wel 10 meter lengte hebben. Al hadden ze wel een beetje van een galg, toch dienden die stellages en pilaren nergens anders voor, dan om den vorst aan zijn volk te vertoonen. Ernaast stond een gewone tempel, wit met goud, die verbrokkelde en afschilferde en een grooten Boeddha bevatte achter een gebloemd katoenen gordijn van een paar stuivers de meter. Een groep bonzen bedient dit heiligdom en woont in de gebouwen van het eigenlijke paleis. Teleurstelling! Het paleis is slechts een hut van stroo, een groote hut wel, lang en diep, maar toch op verre na geen vorstelijk verblijf.
In het inwendige vertoonden de vertrekken van den koning, vader van Norodom, tusschenschotten van planken en witkalk, waar nog overblijfselen van fresco’s op te zien waren. Maar er is geen enkele steen gebruikt voor den bouw van deze koninklijke residentie en geen stukje beeldhouwwerk wekt eenig idee van kunst. Geheimzinnige bouwmeester van Angkor, wat is er uit uwe afstammelingen geworden!
Rondom het koninklijk paleis, en waar vroeger de volkrijke stad lag, breiden zich velden en moerassen uit. Toch lag daar nog in de eerste helft der 19de eeuw een groote stad. De bewoners zijn geëmigreerd, zonder zelfs ruïnen achter te laten als sporen van hun verblijf, want bamboes en stroo verrotten spoedig, en de woning der koningen wekt geen schitterende [71] voorstelling van de hutten hunner nederige onderdanen.
In een hoekje van de vlakte heeft de koningin-moeder een gedenkteeken voor haar echtgenoot opgericht, een mausoleum voor den slecht behuisden monarch. Het is een vierkante toren, omgeven door slanke zuilen, zooals ’t geval is bij alle heiligdommen in het land. Het opgewipte dak is gedekt met gekleurde pannen. Een drievoudig terras met een balustrade dient tot voetstuk voor het monument, en op de treden zijn allerlei godenfiguren aangebracht, ook monsters, die er als vogelverschrikkers uitzien. Zij houden de wacht bij elke trede van de trappen, aan iederen hoek van een muur, als om de schatten van het heiligdom te beschermen. Noodelooze moeite, er is niets te halen, en men moet er binnen treden, als men een echt voorbeeld van slechten smaak wil zien. Fresco’s zijn op de wanden aangebracht in schreeuwende kleuren, door spiegels in vergulde lijsten, die aan de pilaren hangen, schril weerkaatst. Op de verhooging, waar Boeddha is gezeten, ligt een kermisuitstalling van allerlei voorwerpen uit goedkoope winkels, bloempotjes met papieren bloemen erin, blauwe en gele glazen knikkers, dieren van verguld pleister, poppetjes van beschilderd karton, en eindelijk als pronkstukken van de etalage vier prachtige apothekers-uitstalflesschen, twee roode en twee groene.

Bas-reliëf van den Angkortempel.
Toch bevat Oedong-de-Verhevene nog enkele interessante overblijfselen. Er ligt niet ver van het grafteeken een groep heuvels, oprijzend midden uit de rijstvelden. Het woud, dat door den landbouw teruggedrongen is tot den voet der heuvels, beklimt ze, en te midden van ’t geboomte ziet men scherpe spitsen van bouwwerken. Dat zijn obelisken van een eigenaardigen vorm, dikker en lomper dan die uit Egypte, met massief vierkant voetstuk en afgeronde punt. Ze worden pnoms genoemd, en ’t gebruik wil, dat ze op hooggelegen punten worden geplaatst. Een eindelooze reeks van treden bracht ons naar den top. Daar stonden op een groot terras twee pnoms naast elkander, precies gelijk, alleen was de eene ingelegd met guirlanden en rozetten van gekleurd porselein. Rondom ieder voetstuk droegen enorme olifantskoppen het zware monument.
Van dit punt is het uitzicht over de vlakte van rijstvelden en plassen prachtig mooi; het oog reikt van Pnom-penh tot aan de grens van Siam. Op de golvende kruinen der andere heuvels stonden een tiental pnoms, die hun spitse toppen verhieven boven de boomen, zoodat die voorgrond den indruk maakte van een doodenstad. Ik weet niet juist, of die monumenten gebouwd zijn om heiligen-relieken te bewaren of voor de asch van een koning. Maar die tweede veronderstelling doet mij het aangenaamst aan, en ik mag gaarne denken, dat, om tot de onsterflijkheid in te gaan, de souvereinen van Cambodja tot de grootheid van hun voorvaderen meenden te moeten terugkeeren.
Van Oedong bracht de sloep ons, door den stroom geholpen, tot Pnom-penh. Daar resideert de tegenwoordige koning van het land, Norodom met zijn populairen naam; en nog vol van de pas opgedane indrukken over zijn vader, legden we bij hem onze eerste visite af. Wij treden in de omheinde ruimte van de koninklijke verblijven. In plaats van een eigenlijk gezegd paleis, zooals wij, Europeanen, ons dat voorstellen, bevinden wij ons tusschen een complex van allerlei kunstelooze gebouwen. Overal groeit gras tusschen de steenen, stukken puin liggen op den grond; op de binnenpleinen loopt gevogelte. Eerst was er dan de troonzaal, een lange loods, die mij denken doet aan de zaal, waar in onze jeugd de prijzen op school werden uitgereikt; verder allerlei goedkoope meubels in de andere vertrekken, verkleurd parijsch goedje, leelijk brons en onecht porselein, want de handelaars beschikken over een groot deel van de civiele lijst des konings, door hem die zoogenaamde kunstvoorwerpen duur te verkoopen.
Iets verder wijst men ons een huisje, leelijk en burgerlijk van stijl, zeker kant en klaar op de eene of andere tentoonstelling gekocht. In een villa van die soort woont de vorst, met veranda en gekleurde ramen, juist zooals een koopman in ruste het verlangt.
Een enkele maal krijgt Norodom verlangen naar iets groots; dan kwellen hem de groote ruimten van het oude Angkor in den droom. Zoo heeft hij nu een bouwwerk opgericht, dat zijn bestuur tot eer moet strekken, een vergulde pagode, en de inwijding van dit monument verleent aan de Têtfeesten dit jaar een ongewonen glans. [72]
Vóór den tempel prijkt het standbeeld van Norodom I. Hij is te paard voorgesteld in generaalscostuum met den hoed in de hand. De monarch is geheel van goud, en zijn paard is hemelsblauw gekleurd. De houding is niet kwaad, maar zoo bekend! Waar kunnen wij die toch meer hebben gezien? Een woord van onzen gids helpt ons terecht. Het is het standbeeld van Napoleon III, door de republikeinsche regeering op zij gezet, en waarvan men een presentabelen Norodom heeft gemaakt, door het baardje weg te laten en den neus wat af te platten.

Een khmersch paleis door planten overmeesterd.
Namaak, het standbeeld van den vorst! Namaak, zijn paleizen en zijn tempels! Namaak, alles in Cambodja, zoozeer dat die tot beginsel schijnt geworden.
Het gebeurt, dat volken, evenals oude menschen, kindsch worden. De rijpe leeftijd van dit ras was ook zijn gouden tijd. Sinds dien ouden tijd hebben de ontaarde afstammelingen van de Khmers uit hun roemrijk verleden slechts onbewuste herinneringen overgehouden, een soort van instinct, dat hen van groote gebouwen doet houden. Zij voelen veel voor al wat blinkt en schittert, en verbergen hun gebrek aan inspiratie onder indigo en goud en oker. Bij de bouwkunstige wonderen van Angkor vergeleken, lijken hun monumenten op kinderspeelgoed.
Zij werken niet voor de toekomst, en soliditeit is niet van hun gading. Het tegenwoordige is hun genoeg, de duur van een menschenleeftijd of van een koningsgril. Als de muren maar wit zijn, als de daken en de sieraden maar schitteren in de zon, is alles in orde. De koning, die een monument heeft laten bouwen, zal mogelijk voor het onderhoud zorgen; zijn opvolger zal het zeker verwaarloozen.
Die onvastheid schijnt altijd een kenmerk van het ras geweest te zijn; zij is de oorzaak van de verwaarloozing, waaraan de Khmers zooveel grootsche monumenten ten prooi hebben gelaten, en hun afstammelingen, door het voorbeeld van vroegere geslachten gewaarschuwd, hebben de gewoonte verloren, degelijk materiaal te gebruiken voor werken, die toch bestemd zijn spoedig te vervallen.
Pnom-penh zal hoofdstad worden van Cambodja. Wij hebben er huizen gebouwd van degelijke steenen, en wij hebben er westersch streven naar ontwikkeling ingevoerd. Nu moeten wij verder gaan en voor koning Norodom opkomen, dien wij onder ons protectoraat hebben genomen, en trachten, hem weer in ’t bezit te stellen van de oude ruïnen, die zijn voorgeslacht heeft achtergelaten.

Pottenmarkt te Quimper.
Het stadje Quimperlé kan heel goed als type dienen voor Zuid-Bretagne, hier in dit hoekje van Finistère, zooals Morlaix en Saint-Pol-de-Léon Noord-Bretagne typeeren. Men kan te Quimperlé van allerlei eigenaardigheden der natuur en van ieder aanzicht, dat een landschap bieden kan, genieten.

Meisje uit Quimperlé.
Als men aankomt op een avond van helderen maneschijn, vindt men een vreedzaam, stil stadje, dat er fantastisch uitziet, met ledige straten en kronkelende steegjes, gevels, die voorover hangen en terugwijkende benedenhuizen. De klokkentoren van Saint-Michel drukt als een domper op de huizen der bovenstad. Als het blauwe maanlicht over het steenen gevaarte strijkt, ziet de toren er met zijn hoeken en bogen en balustrades uit als een reuzenuil met een vierkante kroon en de witte vlek van ’t uurwerk over zijn eene oog. De uil staat daar reeds op zijn steenen nest sinds de 15de eeuw, en de klokkestem, die zijn stem is, blijkt wel een stem te zijn uit het grijs verleden, zoo oud en vreemd en gesluierd klinkt zij, beverig en grommend en langzaam de tonen uitgietend over de stad en de rivier.
Dat is het eenige nachtelijke geluid in Quimperlé, die stem van lang geleden. Alles slaapt den slaap der kleine steden, dien slaap, die werkelijk slaap is, de dood der menschheid. Geen enkele tred op het plaveisel van de straten, geen geratel van een rijtuig bij ’t begin van den straatweg, zelfs niet het fluiten van een spoortrein op de hoogte. Alles zwijgt tegelijk, en als men opmerkzaam toeluistert, hoort men zoo nu en dan ’t geritsel van den wind in het gebladerte der boomen van het plein, of ’t zacht geklots van het water tegen den oever, of den doffen bons van een boot tegen de steenen kade. Zulke nachten kent het groote Parijs niet, welks holle [74] bodem, waarin de buizen en leidingen van allerlei diensten elkander kruisen, het geluid van al wat in beweging is, meedoogenloos terugzendt.
De fiacres van drie uur in den morgen rijden nog, nachtelijke feestgangers zijn nog onderweg, of reeds komen uit alle voorsteden de wagens van de groenten- en fruitverkoopers en gaan met de snelheid, die hun slaperige paarden bereiken, naar de hallen. Doch dat is nog maar een rustig, regelmatig, bijna gedempt geluid. Later behoort de stad aan de slagerskarren en de melkrondbrengers, die vliegensvlug door de straten daveren; gillend en met hun zweep omhoog, gedragen de koetsiers zich, of ze aan een wedstrijd met triomfwagens deelnamen.
Zulke genoegens kent Quimperlé niet, en de doortrekkende reiziger, die uit de groote steden komt, moet het stadje dankbaar zijn, dat hij er de décors der onbewegelijkheid en de stemmen der stilte mag bewonderen.
De menschen staan vroeg op; dan begint de vroolijke symphonie der klompen, en de verandering treedt op in ’t aanzien der stad. Die schijnt met den blauwen rook uit de schoorsteenen mee te gaan vliegen door de op terrassen liggende tuinen. Als de blinden en de vensters opengaan, verschijnen vriendelijk lachende gezichten met heldere oogen en praatlustige monden, de witte mutsjes reeds geplant op blonde en kastanjebruine haren. De koopvrouwen van visch loopen rond met den neus in den wind en een breeden roependen mond, die, daar ben ik zeker van, niemand het laatste woord zouden gunnen en voor haar zusters in het paviljoen der hallen van Parijs niet onderdoen in woordenrijkheid.
Als gij buitendien nog Quimperlé op een Zondag bezoekt, en als er in de buurt de een of andere vergadering is, zal het u gegeven zijn, de mooiste verzameling goed opgetrokken kousen, korte rokjes en kleurige boezelaars te zien. Die boezelaars! Men moet ze twee aan twee of drie aan drie of bij halve en heele dozijnen in de straten der stad hebben waargenomen en op de wegen in den omtrek, om zich een denkbeeld te vormen van hun belangrijkheid en hun luister. In de uitstalkasten van de winkels, beschaduwd door de overhangende luiken, zijn ze niet zoo schitterend welsprekend; maar als de vrouwen en meisjes van Quimperlé ze dragen en in haar wandelpasjes er fleurig mee flaneeren, bewust van eigen schoon aangekleed zijn, worden ze buitengewoon aardig en klinken hoog als een fanfare bij een marsch in den zonneschijn van een feestdag. Er zijn blauwe als korenbloemen, als maagdepalm en andere als hoekjes van den hemel na den regen of als blauwe kinderoogen. Er zijn violette als een onweershemel, als de zee in den zomer tegen den avond. Dan ziet men roode, vurig als bloed, en rose als rozen en gele als gouden knoopen. Men heeft er, die afwisselende tinten hebben als de borst van een duif en witte zijden boezelaars, die in de zon verguld lijken en blauwachtig zijn in de schaduw, en het lijkt wel, of die wandelaarsters het erop hebben gezet, op feestdagen alle kleuren der natuur na te bootsen op alle uren van den dag.
Quimperlé is naar mijn smaak een der mooiste stadjes van Bretagne, niet enkel om den bloei der mooie boezelaars, maar ook om zijn gunstige ligging aan de samenvloeiing van de Ellé en de Isole, die de Laïta worden, om de aardige huizen en de vroolijkheid der bewoners. Overal ziet men tuinen en boomen. Als men den heuvel Penarven is afgedaald, treedt men de stad binnen, komt op het pleintje van den Bourg Neuf, dan op de oude Place Royale en bij de merkwaardige kerk van het Heilige Kruis. Te Quimperlé is, evenals te Hennebont, de stad weer verdeeld; hier heeft men de hooge en de lage stad, en de laatste bestaat op haar beurt weer uit twee wijken, de eene, omsloten door de twee rivieren, vormt een gesloten stadsdeel, de andere wijk op den linkeroever der Ellé, heet Vannes, daar het riviertje, de Ellé, vroeger de grens vormde tusschen het diocees Vannes en Quimper. Tegenwoordig behoort alles bij het departement Finistère.
Op het terrein tusschen de beide rivieren ligt het eigenlijke Quimperlé. Evenals in vele plaatsen van Bretagne is het oudste huis een kluizenaarswoning geweest, geen hermitage van een heilige, maar de kluis van een onttroonden monarch, Gunthiern, prins van Groot-Bretagne, koning van Cambrië, die in een gevecht zijn hem onbekenden neef doodde. Smart en wroeging deden hem de heerschappij neerleggen. Eerst ging hij naar het eiland Groix, daarna naar den grond tusschen de Ellé en de Isole. De legende wil, dat hij er een klooster heeft gesticht; Albert le Grand bevestigt dat, Dom Lobineau spreekt het tegen. Wat met meer zekerheid kan beweerd worden, is dat hier een der kasteelen stond van de graven van Cornwallis. Een van die, Alain Canhiart, die op het punt was, het gezichtsvermogen te verliezen, werd genezen door een droom, waarin hij een gouden kruis zag. De paus, die geraadpleegd werd, raadde aan, een klooster te bouwen ter eere van het Heilige Kruis, dat op 14 September 1029 werd gesticht, dag der aanbidding van het kruis. In dien tijd werden Belle-Ile-en-Mer en andere leenen door Alain Canhiart aan de monniken afgestaan. Die laatsten lieten hun klooster in 1678 herbouwen.
Thans zijn er de rechtbank en het gemeentehuis, de onderprefectuur, een gemeenteschool en een politiepost gevestigd. Een deel der bibliotheek bevindt zich te Quimper. Een copie van het kloosterregister wordt in den vreemde bewaard. Maar gebleven is de kerk van het Heilige Kruis, die beroemd is in de kunstgeschiedenis als een der weinige navolgingen van de kerk van ’t Heilige Graf in Jeruzalem. Ik heb reeds als zulk een imitatie aangewezen de kerk van Lanleff bij Saint-Brieux; maar dat is een ruïne; en Sainte-Croix, de kerk die hersteld en herbouwd is in 1476, blijft door vele van haar deelen een merkwaardig monument uit de 12de eeuw. De algemeene vorm is rond; maar door uitbouwsels heeft zij den kruisvorm gekregen, eigen aan zooveel kerken. De meening der archeologen is, dat het koor nieuwer is dan het middengedeelte, en dat het oude koor zich bevond tusschen de vier enorme pilaren van het midden.
Sainte-Croix doet afbreuk aan Saint-Michel, een kapel, die tot kerk geworden is en een zeer belangwekkend gebouw moet heeten uit de 14de en 15de eeuw. De vierkante toren met zuilen en zuiltjes en [75] open galerijen, siert Quimperlé met zijn ernstige lijnen en fijn beeldhouwwerk. Saint-Colomban ligt in puin. Het Jacobijnenklooster, waar nu nonnen wonen, heeft enkel nog een poort uit de 15de eeuw, en het heeft zijn prachtige tuinen behouden.
Dit is zoowat alles, wat met enkele oude huizen overgebleven is van de oude stad. De vestingwerken en de poorten zijn verdwenen. Veel bruggen vindt men in de straten, zooals te verwachten is bij een stad, gebouwd aan twee rivieren. Kermissen en markten worden op het Saint-Michelplein gehouden, waarvan een gedeelte het Zonneplein en een ander het Varkensplein of de Varkensmarkt heet. De gemeenteschool is gevestigd in een oud Capucijnerklooster. Daar werden in ouden tijd de inwoners genoodigd, om op Goeden Vrijdag kabeljauw te komen eten, zooals men op Sint-Jan sardines ging nuttigen bij de Jacobijnen.
Het kerkhof omgeeft de Sint-Davidkapel. Er bestaat een zoo goed als volledige lijst van de burgemeesters der stad van de eerste jaren der 16de eeuw tot 1790. De zeehandel is afgenomen, schepen van dertig tonnen kunnen niet meer de rivier opvaren door de ondiepten.
Twee Benedictijner monniken, die beroemd zijn geworden, werden te Quimperlé geboren, Gurheden, geschiedschrijver van het klooster Sainte-Croix in de 12de eeuw, en Dom Morice, schrijver van de Geschiedenis van Bretagne, uitgegeven in 1750. Ook zijn er geboren generaal Hervé en de prediker Boursoul, terwijl de zeevaarder Du Conëdic ook dichtbij Quimperlé het levenslicht aanschouwde.
Ofschoon er nogal toeristen komen en enkele Engelschen zich er gevestigd hebben, blijft de streek toch eenzaam en een heerlijk oord voor wandelaars door het groote bosch van Clohars-Carnoët, een domein van 724 H.A.
Het begint aan het benedeneind der stad en strekt zich uit tot aan het dorp Clohars, en hier en daar liggen brokken verspreid, eikenlanen, hoekjes dennebosch en boomgroepen. De groote wegen worden dikwijls door pleizierrijtuigen bereden; maar de wegjes en voetpaden zijn eenzaam en verlaten, verlicht door ’t groene schijnsel, dat door de boomen valt. De plantengroei op den grond en op de hellingen der wegen is dicht en weelderig; hooge varens en distels staan er tusschen rose en paarse heide, en al die lage gewassen herbergen een wereld van de grootste verscheidenheid en ongehoorden vormenrijkdom, een wereld van insecten en vliegen en vlugge mieren, die lasten torsen grooter dan zij zelve. Vlinders van allerlei gedaante en kleur, morgenvlinders en avondvlinders, kleine bleekblauwe kapelletjes, die als fladderende viooltjes zijn, legers gestreepte en gebronsde kevers van kopergroen en gevlamde tinten, sommige met helmen en zwarte kurassen en horens als van een hert, dat alles leeft hier als in een klein bosch onder het groote. Men krijgt het alles te zien, als men zich maar onbewegelijk houden kan en op dezelfde plek oplettend alles wil gadeslaan, zonder de eindelooze tochten te storen van al die kruipers en vliegers en van de velen, die elk doorgangetje tusschen de grassprietjes kennen.
Heft men het hoofd op, dan krijgt men een indruk van den tempel van ongekorven hout; de boomstammen gaan rechter en losser en fierder de hoogte in dan de zuilen van gothische kathedralen. Zij hebben vorm en kleur en hardheid als van steen; de tijd heeft hun hout verhard als tot graniet. Er is een plekje, waar het aantal woudreuzen bijzonder groot is. Men ziet het van den grooten weg, die het bosch recht doorsnijdt in de richting van Clohars. Het bosch loopt hier over heuvels en door dalen en op een der hoogten ziet men een groep pijnboomen van edelen vorm en onvergelijkelijke gratie. Daar ze hun naaldenkroon enkel op den top dragen en geen lage takken hebben, beheerschen zij als reuzen het woud. In de ondergaande zon en het rose schijnsel doen hun rechte stammen denken aan masten van schepen; hun graniet wordt tot porfier, en de wind ontlokt klanken als van een orgel van hun donkere kronen.
Het eenige geluid, dat aanhoudt bij dit windgesuis, dat toeneemt en vermindert, zucht en fluistert en in golven aanbruist, is het gezang der vogels in de heggen en de boomen. Zij houden zelfs niet stil, als men voorbijgaat, of als er een roofvogel over het bosch vliegt, tot hun plotseling het zwijgen wordt opgelegd, als de wreede roover op een open plek in ’t bosch zijn prooi uitkiest. Alle andere geluiden zijn kort van duur en toevallig, en om ze te hooren, moet men goed opletten als een jager, en tevens met het geduld en de voorzichtigheid van een hengelaar. ’s Nachts vooral kan men lichte of zware schreden hooren van de dieren in het bosch, of plotseling verschrikt worden door vormen, die eensklaps uit het kreupelhout voor den dag komen en in een paar sprongen weer verdwenen zijn. Dan heeft het bosch zijn zwarte en zijn twijfelachtige, doorschijnende plekken; het is vol ongeziene dingen, vol van het geheimzinnige in de natuur, dat altijd den mensch schrik heeft aangejaagd.
Over dag ziet het er vriendelijker uit, vooral hier en daar aan den rand of op enkele hoogten, waar de hutten van kolenbranders en klompenmakers zijn gelegen. Daar vindt ge ze, de ware heeren van het woud, evengoed er meesters als de wachters, die bij bochten in den weg u voorbijgaan met het geweer op schouder en in den correcten pas van den soldaat. Die bijeenstaande hutten, die er geïnstalleerd zijn als in een Indianenkamp, die rook, die keukens in de open lucht, die werkende mannen, die lachende kinders in het groen, alles spreekt tot den beschaafde van instinctieve vreugde, van een onbezorgd voortleven van den eenen dag op den anderen, van de aanvaarding van een bescheiden bestaan, nederig en vrij en zoo gelukkig mogelijk.
Dit mooie bosch van Carnoët kent levendige feestvreugde, en wel eens per jaar, op Pinkstermaandag. In Toulfouën bij den ingang van het bosch wordt vogelmarkt gehouden, een waar feest voor den heelen omtrek. In de buurt zijn de ruïnen van het kasteel Carnoët, waar Con-Mor huisde, een der Blauwbaarden van Bretagne.
Maar de stad is het uitgangspunt van nog andere uitstapjes.
Quimperlé, dat de stilte van den nacht en de vroolijkheid van den dag kent, heeft niet alleen een [76] bosch, het heeft ook een rivier en op twaalf kilometer afstands de zee.

Ontvangst aan een sterfhuis te Concarneau.
Die twaalf kilometer kan men afleggen door het woud van Clohars-Carnoët of langs de rivier, de Laïta, gevormd beneden het stadje door de vereeniging van de Ellé en de Isole. ’t Is waar, dat men op die rivier zich nog in het bosch bevindt. Het water der Laïta stroomt onder struiken door en tusschen eiken en beuken. Het is blauwachtig en helder bij ’t verlaten van Quimperlé, wordt dan onder het kreupelhout groener en donkerder, weerspiegelt het gebladerte en laat heel in de diepte een streep over van de lucht, schittert dan weer vrij op de open plekken en wordt bij de bochten gelijk aan een liefelijk meertje. Stelt u het bosch van Fontainebleau voor, doorstroomd door een rivier. Die stroom wordt breeder en breeder, laat zijn oevers droog in den tijd van eb, vloeit tusschen door rotsen versterkte kanten, met pijnbosschen bedekt en boschjes van kastanjeboomen. Na een oponthoud te Saint-Maurice, waar men voorbij een kasteel uit de 18de eeuw gaat, dat zich spiegelt in een vijver, en waar men de ruïnen der abdij Saint-Maurice bezoekt, omgeven door de gebouwen van een boerenhuis, gaat de rivier met korte golfjes verder. Die eerste elastische golfjes schijnen de boot aangenaam aan te doen, nadat zij lui den kalmen loop van ’t water heeft gevolgd. Men wordt herinnerd aan een paard, dat eerst op een moeilijken weg dommelig en traag heeft geloopen en dan, door zweep en woord aangemoedigd, een mooien weg vóór zich ziet, waar het flink en ferm lang achtereen vlug zal kunnen draven.
Zoo komt de boot, die het eerst al te gemakkelijk had in tegenstelling met het paard, opgewekt te Pouldu, dat tegelijk aan de rivier en de zee is gelegen.
Het is een gehucht, waar het goed rusten is voor hen, die villa’s aan de kust hebben gebouwd en hun met vijgenboomen beplante tuinen door hooge muren hebben omgeven. Het strand der zee is hier omzoomd met struikgewas vol bloemen en in den herfst met vruchten overladen. Nu kweelen er de vogels in. De rotsen zijn laag, en hier en daar dalen lange, zachte, zandige hellingen af naar zee. Aan den horizon ziet men het eiland Groix, als een steenen tafel oprijzend uit de golven. In de zachte lucht komt een aroma van bloemen naar ons toe door de zilte zeelucht heen.
Ten tijde van mijn verblijf te Pouldu en te Quimperlé hadden het dorp en het stadje een eigenaardig karakter, dat ik niet verborgen wil laten, al moet de nationale trots er onder lijden. Het een en ’t ander vormen samen een badplaats, die een soort van engelsche kolonie is, een volledige kolonie, waar men zich niet zou verbazen, als men er een consulaat vond en een engelsche vlag.
De hôtels van Quimperlé waren ingenomen door engelsche families of door engelsche jonge meisjes met haar gouvernantes. Meer dan de helft der plaats, ja bijna de geheele stad, was bezet door John Bull met vrouw en kinderen, en John Bull leefde hier als in Australië of in Indië. Hij heeft zin voor cosmopolitisme, en dat toont hij in een hoekje van een stil, kalm stadje in Bretagne, waar hij zijn zomerrust geniet, even duidelijk als in die streken, waar hij regeert in naam van zijn koning-keizer. Hij is overal op zijn gemak, en als men zegt, dat de Engelschman zoo aan zijn home gehecht is, sluit dat tevens in, dat hij zijn tehuis overal kan vinden en dat alle plaatsen geschikt zijn, om er zijn thee en zijn biefstuk met smaak te gebruiken.
Te Pouldu was alles vol, net als te Quimperlé, en veel Engelschen, die het klimaat boven dat van Londen verkiezen, blijven er het geheele jaar. Zij hebben hier hun huis, hun boot, hun rijtuig; ze dwalen langs de kust, loopen door het bosch, en overal ziet men hun witte hoeden, groene voiles en geruite pakken. Want zij geven zich hier het uiterlijk van de Engelschen uit onze vaudevilles, en de dames en kinderen overdrijven eveneens de anglomanie. En daarom ook ontmoet men in het land der vroolijke klompen en der mooie boezelaars zooveel groote meisjes, die als kinderen van Kate Greenaway gekleed gaan, en die veel te ernstig kijken, als ze naar huis gaan van een zitje bij het teekenen van een aquarel of van een levendige vlinderjacht.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht.
Er is wel een verklaring van te geven, waarom de Engelschen en villégiature zich er dadelijk zoo stevig installeeren, waarom onze buren van overzee terstond de omgeving verengelschen, het stadje, ’t [78] hôtel, het strand en alle plaatsen, waar zij hun tenten opslaan voor korteren of langeren tijd. De eigenaardige zeden en gebruiken geven er de waarde aan van een home, dat de Engelschen zoozeer op prijs stellen, evenals al degenen, die over Engeland spreken. Het bestaat wel, dat gevoel, maar niet alleen op de gevoelige, dichterlijke en romaneske manier, zooals allen zich dat voorstellen. Het is ver uitgebreid, gegeneraliseerd, algemeen geworden. Het home is de plaats, waar de Engelschman zich bevindt. Ook de plaats, die de zee voor hem inneemt, is daardoor aangewezen; zij vooral is zijn domein, waar de andere volken zich eigenlijk niet mogen vertoonen. Het is vrij gemakkelijk in te zien, hoe dit gevoel hem is aangeboren en zich altijd bij hem heeft ontwikkeld. De dubbele verklaring hangt samen met de aardrijkskundige gesteldheid van Engeland, met zijn rol in de wereld en ook met den zin voor het reëele, die een der karaktertrekken is van het handeldrijvende volk.
Het moederhuis is een eiland. Het was voor de daar gevestigde menschen volstrekt noodig, hun fortuin op het water te beproeven. Hun continentale uitbreiding in Europa is hun onmogelijk gemaakt door het verzet van Frankrijk; zij hebben in ons een levensfrischheid en kracht gevonden, waarop hun pogingen zijn afgestuit, en dus hebben zij hun horizon elders moeten uitbreiden. En dan was er de zee! Die hebben zij golf na golf veroverd; ze hebben haar geheel geëxploreerd; zij hebben alle landen op alle breedten aangedaan, overal hun vlag geplant, waar nog een zandbank was te vinden. De bewoners van het europeesche eiland zijn ten slotte in het bezit geraakt van een onmetelijk rijk, dat met zorg uitgekozen koloniën omvat, die op het budget prijken met baten, niet met nadeelige saldo’s. Dan, na dien zegetocht over de wereld, na die vestiging hier en elders verschijnt de zin voor de werkelijkheid, en de practische geest gaat aan het werk.
De Engelschman verstaat, zooals men heeft gezegd en dikwijls herhaald, de kunst van reizen, en het denkbeeld, dat men leert door reizen is aan hem bewaarheid. Zoo heeft hij leeren begrijpen, dat de aarde heel klein is, och zoo’n klein planeetje, dat men gemakkelijk naar alle zijden kan bereizen, terwijl het engelsche volk talrijk genoeg zou wezen, om het geheel te bezetten. Maar die onderneming biedt wel eenige moeilijkheid, en nu hij de aarde niet geheel voor zich kan nemen, stelt hij zich tevreden met een gedeeltelijke bezetting en inbezitneming. Toch is het gevoel van die universeele souvereiniteit, die niet tot de onmogelijkheden behoort, hem bij en uit zich altijd en overal, in de kleine bretonsche steden, uitgekozen als geschikte punten, daar het klimaat er heerlijk is, en op de groote, wijde zee, die er slechts schijnt te zijn, om de Britsche eilanden met water te omringen.
Te Pouldu hield ik mij eenigen tijd op in het oranjekleurige zand en de holle wegen, waar de hellingen met wilde aardbeien en viooltjes zijn begroeid. Toen ging ik per boot naar Douëlan en Pont-Aven. Het eerste is een haven, waarin enkele booten liggen. Pont-Aven “stad van naam, veertien molens en vijftien huizen, meldt de faam”, zegt het spreekwoord. Er zijn inderdaad molens te Pont-Aven, maar er zijn nog meer rotsen en ’t allermeeste schilders; schilders van alle naties en ’t meest amerikaansche schilders. Het heet, dat een Amerikaan Pont-Aven heeft ontdekt in 1872. Welk een hôtel en wat voor table d’hôte toentertijd! Maar het landschap vloeide over van tooneeltjes, door die heeren als motieven aangeduid. De rivier is verrukkelijk door haar watervalletjes en scherpe bochten, door groene oevers en kleine strandjes, waar men een schildersezel kan neerzetten.
De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht. Ze besteden veel geld aan degelijke stoffen voor haar japonnetjes, vooral het bruidskleed moet prachtig zijn. Haar nationale dracht vertoont veel fluweel en borduursel, goud- en zilvergarnituur en allerlei versiering.
Niet ver van Pont-Aven ligt de kapel Trémalo, een laag gebouwtje, waarvan de muur maar even boven den grond reikt met een hoog dak erop en een klein klokkentorentje, zoodat het geheel er als een schuur uitziet; verder het kasteel Hénan, dan veel dolmens of hunebedden, een ingestorte toren en begroeid plateautje, die de ruïnen van Rustephan moeten zijn, gesticht in de 12de eeuw.
Dan bereikte ik Bannalec, het land der zwarte mutsjes, dan Rosporden, waar ik in den namiddag aankwam en waar alles mij doodsch en verlaten scheen met het stille marktpleintje en de zwarte huizen, en Concarneau, dat mij aan Pont-Aven deed denken.
De aankomst in den zomer tegen het vallen van den avond te Concarneau in een der hôtels, die op de haven uitzien, geeft een goed denkbeeld van de villégiatures in die visschersplaatsjes. De dame van ’t hôtel heeft, zoo al niet de nationale dracht, toch het karakteristieke mutsje behouden, maar er is veel schijn bij die vertooningen, en de bretonsche meubels zijn in Parijs gemaakt en toen verzonden naar de handelaars in oudheden in die kleine stadjes. Hier bijvoorbeeld is gelukkig de eetzaal echt engelsch en modern, vernist hout en electrische verlichting, maar de costumes der dames, wit en rood en fleurig, de mannen met hooge witte boorden, alsof ze een rol in een blijspel speelden, waarin het leven op een kasteel voorkwam, en geen middagmaal in een dorpsherberg vlak bij de schepen met sardines.
Concarneau gelijkt teveel op een deftige badplaats; maar als men het plaatselijke leven nagaat, is het bestaan der visschers altijd interessant. Ruwe, sterke heftige mannen zijn het, die soms een wedstrijd houden met volle booten, om maar het eerst hun visch te verkoopen. Daarna wordt alles weer kalm, als de booten op een rij liggen in de haven, en de netten drogen.
Ik ben hier gekomen in een tijd van feestelijkheden; en ik meng mij onder de menigte, die kijkt naar wilde-beestenspellen en luistert naar straatzangers. Er zijn veel vrouwen bij met bretonsche mutsjes en mannen met snorren, uit het régiment meegebracht.
De beide stadjes staan met elkander door een brug in gemeenschap. De nieuwe stad is slechts een voorstad, maar die neemt toe in aanzien en wint het [79] van de moederstad. Deze heeft een geschiedenis, verhaald door de stevige muren. Zij is bezet geweest door de Engelschen, werd bevrijd door Du Guesclin en had te lijden in de oorlogen der Liga. Tusschen de hooge wallen, en in de vesting met gekanteelde muren is thans een visscherijschool gevestigd.
Buiten Concarneau kan men een bezoek brengen aan het museum Keryolet, aan het departement vermaakt door de gravin Chauveau Narischkine. Het uitwendige is een slechte nabootsing van werk der 15de eeuw, maar er zijn enkele mooie dingen, oud borduursel, aardewerk en een verzameling mutsjes. Toch is het prettiger, door de velden te loopen, waar de natuur prachtig is.
Deze heele streek van Bretagne is als een tuin, gelegen op de zuidelijke helling der Zwarte bergen, een oude, liefelijke tuin met eeuwenoude boomen, bloeiende velden en omlijnd door het saffierblauw van de zee. Van Quimperlé tot Douarnenez ademt alles rust, bekoring en vroolijkheid, met uitzondering alleen van de vooruitstekende rotspunten, die van Penmarch en du Raz.
In deze opmerking is niets overdrevens. Er is in Bretagne een eigenaardige tevredenheid, een natuurlijke vroolijkheid bij de bewoners. Reeds in het noorden van het land, aan het Kanaal, waar men den ernst verwachten zou in de straatjes der kloosterachtige steden, heeft de melancholie haar glimlach. Ik denk vooral aan de vrouwen van het land, nu ik dit schrijf, de vrouwen, die het leven zoo kalm opnemen, zoo aanhoudend bezig zijn en zoo bevallig zich bewegen met onveranderlijk, kalm gelaat. Zij kunnen echter ook wel haar genoegen er af nemen, en niet alleen de jonge meisjes, ook de oude vrouwen dragen dikwijls den gelukkigen glimlach, die aantoont, dat zij ’s levens zorgen niet zwaar nemen. Op feestdagen, bij bruiloften en boetedagen ontmoet men altijd bekoorlijke oudjes, zacht, eenvoudig en welwillend, die u een tot weerziens toeroepen, haar “kennavo!” alsof ze wilden zeggen, dat men ze misschien niet zal terugzien in de vroolijke gezelschappen, maar dat zij niettemin zeer gelukkig zouden zijn, als ze nog één- of tweemaal mochten terugkeeren.
Nog duidelijker komt het opgewekte humeur aan den dag in het zuiden in de streken aan den Atlantischen Oceaan; de taal is er levendiger; de menschen spreken haastiger en luider, en er wordt meer gezongen. Op de wegen hoort men lachen en zingen en praten; elk kruispunt van wegen wordt een societeit, soms een danszaal. Een muzikant, op een ton staande, is voldoende, en men danst de oude boerendansen met de vastgestelde figuren en de deftige buigingen.
Ik heb zulke menuets zelfs zien dansen op den weg naar Raz in dat sombere landschap, waar de velden door steenen zijn omsloten. Er moet een groot weerstandsvermogen in het ras aanwezig zijn, om zoo de nederige en bescheiden algemeene vroolijkheid te kunnen handhaven bij de vijandige natuur tegenover die zee, die zoo dikwijls wreed en woest is. Maar het landschap is daarentegen vertrouwd en vriendelijk langs de holle, door groen beschaduwde wegen, de voetpaden, tusschen hagen ingesloten en de velden, bloeiend afloopend naar zee.
Mij treft die luchthartigheid in het land, dat met zijn schoone boomen de baai de la Forêt omzoomt en dat tot Concarneau en de in zee uitstekende punt Beg-Meil voortloopt, terwijl ik door het dorp La Forêt en ’t gehucht Fouesnant ga. Men beschrijft, als ’t ware, al dat groen, die rose en blauwe velden en den glanzigen zeespiegel voor zich zelven, alleen als men die dagen herroept en zich de aardige gesprekken weer te binnen brengt. Ik weet wel, dat de strijd om het bestaan ook hier als elders een onaangenamen kant kan hebben; maar ondanks alles, ondanks de kwaal van het snobisme, hier en daar opgetreden op bepaalde plaatsen aan de kust, ondanks de kwade praktijken, met de beschaving in de veelbezochte dorpen gebracht, ondanks de noodzakelijke laagheden, die met het bezit van geld worden aangevoerd, is dit toch het land, waar men nog ’t best een eigen, vrije manier van leven behoudt en een belangelooze vreugde aan het schoone der natuur.
De Glenans-archipel, ten westen van de Woudbaai gelegen, telt negen eilandjes, waarvan één, Cigogne, een fort draagt. De belangrijkste daarna zijn Loch, Penfret, waar een vuurtoren en een semafoor zijn opgericht, en ’t eiland Sint-Nicolaas, waar men tevergeefs beproefd heeft, een kapel te bouwen voor het honderdtal bewoners, allen visschers, die er in hutten wonen. Dit is niet Belle-Ile, noch Groix. Al deze eilandjes vormden vroeger samen één eiland, zegt men; maar de zee heeft zich tot taak gesteld, die eenheid te verdeelen, den grond vaneen te scheuren en de rotsen uiteen te doen wijken. Het is nu niet anders dan een hoop boven water uitstekende rotsen, een golfbreker voor de baai van La Forêt.
Fouesnant ten noordwesten van die baai is een bloeiend dorp, waar veel drukte heerscht op marktdagen, op het plein bij ’t kerkhof en de kerk. Men kan er varkens te zien krijgen, zoo groot als kleine ezels. Er wordt een massa boter verkocht en appelen vent men er; de appelwijn van Fouesnant heeft een goeden naam, en hij verdient dien. Een der belangwekkendste personen, die ik ooit in mijn leven heb ontmoet, is een appelenkoopman, die te Roscoff woonde, en die te Fouesnant kwam, toen ik er vertoefde, om een deel van den oogst of misschien wel alles, op te koopen. Hij was, zoo gij wilt, commis-voyageur, want hij reisde voor zijn handel en hij nam gaarne het woord aan de table d’hôte van het kleine hôtel, waar hij was afgestapt en waar ik ook logeerde.
Hij was er een bewijs van, dat de commis-voyageurs niet allen, zooals beweerd wordt, zoutelooze verhalen doen of opsnijders en kletsers zijn. Deze was een goed spreker, zeker, maar hij praatte niet, om niets te zeggen. Hij had heel wat van de wereld gezien, Europa, de kusten van Afrika, Amerika, Azië en Oceanië. Het bijzondere was, dat hij goed had gezien al wat hem onder de oogen kwam. Ik heb eenige avonden met hem gesleten, niet om met hem een gesprek te voeren, maar eerder om naar hem te luisteren, hem slechts een woordje tot antwoord gevend, om hem op te wekken, door te gaan. [80]
Nooit heb ik zulk een verzamelaar van feiten ontmoet en ik ben nog al met menschen in aanraking geweest, maar deze was waarlijk verrassend. Hij was begiftigd met een geheugen, dat geen aarzeling, noch weigering kende, en dat, naar men terstond merkte, niet door boeken was gevoed. Hij had in zich de herinnering bewaard aan alle landen, die hij bezocht had, alle zeden en gewoonten, die hij had waargenomen. Hij was op de hoogte van regeeringen en wetgevingen en handelstoestanden en kende allerlei bijzonderheden, die zich aan hem hadden voorgedaan. Wat Bretagne aangaat, daar kende hij alle steden, alle dorpen, alle gehuchten, wist wat er op de velden groeide, waarmee de bewoners zich voedden, hoe zij zich kleedden en welke hun karaktertrekken waren. Hij beschreef den vorm der mutsen, het borduursel van ’t corsage, de manier, waarop ceintuurgespen werden gesloten, en tegelijk gaf hij wenken over de geschiktheid voor den handel, den stoutmoedigen of schroomvalligen geest der menschen, hun somber of opgewekt humeur. En met hoeveel menschen had hij niet zaken gedaan! Deze appelkoopman was van gemiddelde lengte en ook van middelbaren leeftijd, gedrongen, met breede schouders, een forsch, welgebouwd hoofd had, een kleinen zwarten knevel met enkele witte haren erin en kleine, zwarte, onderzoekende en zeer scherpziende oogen.

Dolmen te Kernuz.
Als gij hem ontmoet en hem aan dit signalement herkent, schroom dan niet, een gesprek met hem aan te knoopen; ge zult u den tijd niet beklagen, dien gij hem schenkt, en ge zult u niet vervelen bij dien verzamelaar van feiten, die altijd bereid is, u zijn collecties te laten zien en steeds eenvoudig, overtuigd en met geest het woord voert.
Des middags en des avonds bleef ik langen tijd bij dien sympathieken prater. Maar toch vond ik ’s morgens en in den namiddag den tijd, de omstreken te gaan zien en ’t land van Fouesnant te leeren kennen. Ik wandelde dikwijls naar Beg-Meil, een zomerstadje aan den westkant van de baai, met kleine huisjes, zandige tuinen en veel groen. De kust is er laag met kleine duinen en zacht gras bedekt. Daar tegenover zag men de grijze, violette of in het licht schitterende rotsen van de Glenans-eilanden. Maar mijn liefste wandelingen waren de schaduwrijke wegen naar den achtergrond der baai. De zee, door al het groen gezien, is onvergelijkelijk mooi, en de baai, die zoo weinig wordt bezocht, doet voor geen inham in schoonheid onder; men geniet daar in de buurt de schoonheid van een met zorg aangelegd park. De zuidelijke natuur, zoo hoog geprezen, schijnt een schouwburgdecoratie, vergeleken bij dit frissche, intieme landelijk schoon. Hier niet meer de gratie van Quimperlé of de schilderachtigheid van Pont-Aven; maar in ernstige lijnen en donker groen zijn er de wegen en de dalen getrokken, alles uitloopend op het witte strand en de blauwe oneindigheid der zee.
De vrouwen van Fouesnant zijn mooi, evenals die van Pont-Aven, dat wil zeggen, ze zijn forsch en statig en soms vertoonen ze rijke kleedij, als de omstandigheden het zoo meebrengen. Haar gewoon costuum is maar eenvoudig; een rok, een boezelaar met banden en een lijfje, maar alles is met borduursel overladen, borduursel van goud en zilver en gekleurde zijde. Er bestaan van die costuums uit oude tijden, die ware meesterstukken zijn, en de vrouw, die ze draagt, schijnt een standbeeld, stijf en schitterend voor een processie naar buiten gekomen als een heiligenbeeld. Zij loopt dan ook met afgemeten schreden, in het volle besef harer gewichtigheid. Het mutsje met de linten ligt op het voorhoofd, de beide vleugels sluiten bij twee zijden van het gelaat aan. Dat laatste heeft mooie trekken, lange, zachte oogen, maar het is dikwijls mager met een langen neus en dan heeft het met den kleinen mond een uitdrukking van een listig muisje.
Van Fouesnant ga ik naar de Forêtkapel dichtbij, tusschen hooge boomen met een lijdensberg erbij, en dan naar Benodet.
Er was feest te Benodet op een Zondag. Gekleurde boezelaars kwamen uit alle holle wegen aanloopen. Kleine meisjes in lange jurken en met roode boezelaars als standbeelden in nissen zijn op het oog de aardigste oude vrouwtjes, die men zich kan denken. Zij vereenigen de grappige komiekheid van de jeugd, die zich voor ’t eerst verkleedt, met die van kleine meisjes, die haar poppen dragen met de zorg van oplettende moedertjes. Achter haar loopen de vrouwen met haar klokrokken en de weinig lenige lijven, als uit hout in het corsage gesloten.
Het is een bewonderenswaardig land; men ziet er velden met tarwe en aardappelen, vlas en rogge en veel boomen als in een park of een boomgaard.
“Vroeger, toen wij Lotharingen nog hadden”, zei de koetsier, die mij reed, “noemde men dat den tuin van Frankrijk. Nu is dit land hier zoo gelukkig”.
Ik geloof, dat de koetsier Lorraine met Touraine verwart, dat wij nog altijd bezitten; maar ik help hem niet uit den droom. En deze streek is toch ook inderdaad een prachtige tuin.
Wij komen te Benodet. De kermis aan het water gelijkt op alle andere kermissen; maar men heeft er hier de zee bij met haar witte zeilen als achtergrond. Het spel met de stokken, het worstelen van den sterken man met den liefhebber, het zijn gewone kermisvermakelijkheden. Maar de liefhebber, een jonge boer, die gedronken heeft en niet weg wil, staat met open mond te wachten op een tweeden slag en geeft iets eigenaardigs aan de voorstelling. [81]

Het drogen der sardines.
Ook de vrouwen en meisjes van Fouesnant met de muizenprofielen en den kleinen mond, met de mutsjes boven op het hoofd, die heel wat donker haar onbedekt laten, zijn geen alledaagsche toeschouwsters en geven met de naïeve, gezonde en geamuseerde trekken aan alles een eigen karakter.

Romeinsche Venus uit Tronoën.
Anderen loopen ernstig rond, laten zich kijken meer dan zij rondzien. Dat zijn de schoonheden uit het land van Fouesnant met goudborduursel op hun jakjes. Daar zijn er twee, een met kastanjebruinen boezelaar, de ander met een bleek lilaschortje met bloemen erop; ze beslaan den geheelen weg en zijn breed en forsch in haar rijken tooi. En het geheele bretonsche land, alle typen dooreen, ziet men op een hoekje van het feestterrein vóór een tent, met dit opschrift: “Mevrouw Anézel, somnambule van den eersten rang, consulten over het verleden, het heden en de toekomst, voor civiele en militaire zaken, handelsaangelegenheden of liefde....”
Op den drempel verschijnt te midden van een troep Zigeuners de oostersche schoone, een mooi donker meisje met gekroesde haren, een koperkleurige gelaatskleur en brutale, fluweelen oogen. Zij loopt heen en weer met de handen in de zij, bewegelijk in haar lenige manieren tusschen dit stijve volkje van Bretagne. Ze staat stil, noodigt een boer binnen te treden in de tent en dringt bij hem aan met woord en gebaar en zachten drang. De vierkante boer met zijn ringbaardje om de kin blijft onverzettelijk, doof en stom, een schuine, wantrouwige beer, die een poesje ziet rondscharrelen.
Benodet ligt aan de rivier en aan de zee; de eerste is de Odet, die hier komt, na Quimper te zijn voorbijgestroomd en de baai van Benodet ligt wijd open naar de zee. De burgerij van Quimper komt hier uitspanning zoeken; er zijn veel mooie huizen midden in tuinen en een breed en veilig strand, waar de baders druk aan ’t wandelen zijn. Plotseling wordt de lucht donker, het weêr verandert; blauwgrijs wordt het uitspansel en in den regen loop ik de Odet over.
Aan den anderen kant heeft men het land van Pont-Labbé en Penmarch, waar ik een bezoek zal brengen, vóór ik naar Quimper terugkeer. Vóór Pont-Labbé liggen de eilanden Tudy en Loctudy. Het eerste is geen eiland meer, want de zee heeft zooveel zand aangevoerd, dat het met de kust is verbonden; maar als men er den voet zet op dien grond, die met de zee gelijk staat, heeft men een gevoel, van in het water te zijn. De kleine lage huizen met hun tuintjes zijn als vastgemeerde bootjes, waaromheen de netten hangen te drogen. Er zijn nog andere eilanden in de buurt, Chevalier, Garo, het Gemzeneiland; ’t is een soort van archipel in een ondiepe, woelige zee. Het dorp Loctudy aan de overzijde van de Pont-Labbérivier, is beroemd om zijn romaansche [82] kerk, men kan er gemakkelijk komen van het eiland Tudy, als men een voorbijvarende boot neemt. De kerk is wel dat korte reisje waard om haar zuilen met versierde kapiteelen, en ook de bevolking verdient een bezoek, de mannen met de versierde vesten en de vrouwen met de hoog op het hoofd gedragen mutsen.
Van daar bereikt men Pont-Labbé per rijtuig of per boot naar verkiezing; maar nu het weer begint te regenen, is het verstandiger een rijtuig te kiezen. Men rijdt een tijdlang langs de zee, maar dan wordt het bevallige landschap doodscher; de boomen staan wijder uit elkaâr, en het land wordt moerassig en arm, met kleine stukjes bouwland ertusschen.
Pont-Labbé is thans niet meer dan een klein visschers- en ankerplaatsje. Vroeger heeft de stad haar dagen van glorie gehad. Het is het centrum geweest van een der machtigste baronnieën van Bretagne, heeft een vestingwal van muren gehad, waarvan nog sporen over zijn. De vesting werd ontmanteld, want zij onderwierp zich niet zonder weerstand te bieden aan de koninklijke macht, en in 1501 moest een edict den heeren van Pont-Labbé gelasten, zich voortaan niet meer te noemen heeren van het hertogdom Bretagne en niet meer de wapens van dat hertogdom te voeren.
In 1673 woedde te Pont-Labbé een oproer als verzet tegen het verzegeld papier, ingevoerd door Lodewijk XIV. De stad is er goed blijven uitzien, en ’t is een genot, er binnen te komen na een vermoeienden rit, zelfs als het regent. De huizen van graniet, oud van voorkomen, hebben al den ernst van gebouwen, die al twee- of driehonderd jaar oud zijn en zoo goed gebouwd werden, dat ze nog soliede zijn. Langs de kade staan schaduwgevende boomen, en de haven levert een aardig tooneeltje op met de vele booten, de rij van huizen en den hoogen klokkentoren. De gebouwen van het Karmelieterklooster zijn afgebroken, en het klooster is later te Quimper weer opgericht, ingewijd 17 Maart 1902. De kerk is de oude kapel van dat klooster uit het einde van de 14de eeuw, gerestaureerd in de 16de.
Alle vrouwenhoofden dragen hier den bigouden, waar men nog teekeningen van phoenicischen oorsprong op meent te herkennen, en van laken of fluweel vervaardigd. Dat mutsje wordt boven op het hoofd gedragen en laat het haar van het achterhoofd vrij. De rokken hebben meestal een fluweelen rand, de mouwen van het lijfje zijn bewerkt en kleurrijk evenals de boezelaars. De mannen dragen ronde hoeden met smalle randen en met fluweelen linten versierd. De vrouwen met haar wijde rokken lijken op laplandsche vrouwen. Zij gaan voor leelijk door, maar er zijn toch wel aardige bij; men moet ze niet vergelijken bij vooraf gemaakte schoonheidsvoorstellingen met haar korte, platte neuzen en blauwe, starende oogen. Ze hebben geen gebruinde tint, maar zien er blank en rose uit, als vrouwen uit het Noorden.
De weg van Penmarch volgt eene zuidwestelijke richting, bestijgt een hoogte door de landes, door dennenbosschen en bouwland. Men kan zich ophouden in het kasteel Kernuz, toebehoorende aan de familie Châtellier, en het museum bezoeken, waar talrijke belangwekkende voorwerpen zijn, zooals de druïdische diademen van massief goud en veel romeinsche beeldjes van gebakken aarde, te Tronoën gevonden, en door romeinsche soldaten in Gallië gebracht. Zij stelden huisgoden voor en fetisjen, ook Venussen en Juno’s, onder welke één bijzonder bekoorlijk was, een rijzige, slanke Venus, de eene hand omhoog geheven, de andere op de heup gesteund, met een kapsel, verdeeld in golvende bandeaux. Ook is er een gallisch graf te zien, een vreemde dolmen, waarop de figuren zijn gebeeldhouwd van Mars, Mercurius en Hercules.
Te Plomeur wordt het land nog armer. Het is een effen vlakte zonder boomen, waar enkel druïdische steenen en torens boven lage huisjes de aandacht trekken. Dat terrein van rotsen en moerassen en heiden, waar de wind vrij spel heeft, is het gebied van Penmarch, dat op een ondergegane wereld gelijkt. De volksfantazie heeft er een mooie stad geplaatst, met veel kerken en een bloeienden handel. Gustave Flaubert, die zijn indrukken opschreef over een reis door Bretagne, heeft herhaald, na Emile Souvestre, dat de straten ieder aan een bepaalden handel waren gewijd, de straat der goudsmeden, die der geldwisselaars, die der galanterieën enz. André Le Braz heeft niet veel moeite gehad, om den geringen grond voor die veronderstellingen aan te toonen, en ik ga de zaak niet opnieuw onderzoeken uit historisch oogpunt. Ik kan alleen vertellen, wat ik van hoorenzeggen heb.
Buitendien schijnt de natuur erop te wijzen, dat hier nooit zulk een groote stad heeft kunnen verrijzen en standhouden. Het aantal kerken doet er niet veel toe en haar grootte ook niet. Een kerk werd niet alleen voor een stad gebouwd, maar ook voor de omgeving. Een kerkelijke gemeente kon zeer groot zijn, al was ook de kerk slechts door enkele weinige huizen omgeven. Het was voldoende, dat de toren van verre zichtbaar was, en dat de boeren, in hun hutjes of werkend op den akker, de tonen konden hooren, hun door den zeewind toegevoerd. De wind wierp wel eens den toren omver, maar dan werd hij herbouwd, omdat hij iets heiligs was.
Maar het is niet waarschijnlijk, dat men met alle geweld een stad zou hebben willen bouwen, waar die toch niet kon blijven bestaan, op dien onvruchtbaren grond, gebeukt door wind en golven. Steden ontstaan op natuurlijke wijze aan den oever van rivieren, in vruchtbare dalen en op heuvelhellingen. Als het moet, vindt een dorp nog wel een plaatsje, onverschillig waar, als het maar in de buurt der bebouwde velden is. Overal waar de grond voor bebouwing geschikt is, verrijst een huis. Een tweede voegt zich bij het eerste, dan een derde; er vormt zich een groepje en men heeft het gehucht, het dorp. Het voetpad wordt tot weg verbreed, en de weg kan tot hoofdroute worden.
Geen stad echter zal ontstaan op een plateau, waar veel sneeuw valt, noch op een vooruitspringende rots, die aan de woede der zee is blootgesteld. Men zal dus denkelijk de belangrijkheid van Penmarch in den ouden tijd sterk overdrijven; de stad zou bij een hoogen vloed verzwolgen zijn of ten minste teruggebracht [83] tot de afmetingen van een bescheiden dorp of liever van enkele dorpjes en gehuchten. Maar alle watervloeden zouden niet kunnen teweegbrengen, dat hier vruchtbare grond was geweest en een omgeving, geschikt voor het bestaan van een groote stad. Aan den anderen kant kan echter een veilige, goed beschutte zeehaven een stad doen ontstaan. De booten roepen huizen en pakhuizen. Men kan dus zonder bezwaar, in plaats van een stad, die het geheele schiereiland overdekte, een groote stad aan zee veronderstellen met veel klokkentorens, een stad van visschers, reeders en kooplieden. Er wordt gesproken van vijftien duizend inwoners van Penmarch, van achthonderd schepen, die op de kust aan kabeljauwvangst deden. Zoo groot is ongeveer de beteekenis van Douarnenez en Concarneau, die ongeveer zevenhonderd schepen hebben. Nu zijn er zoowat tienduizend inwoners in Douarnenez en zesduizend in Concarneau. Het oude Penmarch heeft een stad van dien aard kunnen zijn. Maar de legende heeft er zich mee bemoeid. Men heeft onder het water een stad meenen te zien, nog ouder dan Penmarch, begraven in de golven. Dat is de stad Is, welker klokken men op sommige tijden hoort luiden. Vroeger werd de mis bediend op het schip, boven de golven, die een wereld begraven hadden, en wel voor de zielsrust der begravenen.
Een haven, schepen en kabeljauwvangst, die vormen het vaststaand verleden van de streek. De aanwezigheid van de kabeljauwen op de banken in de wateren van Penmarch had visschers gelokt, en hertog Jan V moest in 1494 een edict uitvaardigen, waarbij aan de landbouwers verboden werd hun huis en hof te verlaten, op straffe van de strop. Toch wilden allen fortuin maken, ten minste leven van die natuurlijke winst, desnoods door den handel in visch, het “vastenvleesch”, een handel, die meer voordeelen afwierp dan de landbouw op het schiereiland.
Emile Souvestre, die wat er verteld werd, heeft verzameld en er een geschiedenis van heeft trachten te maken, schrijft hierover: “Penmarch had toen een haven, gevormd door een lange pier, waarvan men de overblijfselen nog kan zien, en die van Kerity liep tot de rots La Chaise genoemd. Wat de stad betreft, zij bedekte het terrein, waar nu de kleine gehuchten Penmarch en Kerity liggen, zooals blijkt uit het puin, dat daar overal verspreid ligt. De groote uitbreiding der stad was oorzaak, dat men haar niet had versterkt, maar daar de ligging gevaarlijk was met het oog op de Engelschen en de zeeroovers, hadden de meeste rijke bewoners hun huizen voor aanvallen trachten te beschutten, door er een gekanteelden muur om te laten bouwen en er een toren op aan te brengen.
De ontdekking van de groote Newfoundlandbank voor de kabeljauwvangst was de eerste slag, aan Penmarch toegebracht. De stad behield echter nog haar handel met Spanje, handel in geweven stoffen, hennep, vee enz. Toen volgde de vreeselijke ramp, de groote springvloed, die de haven deed verzanden en oorzaak was van de verplaatsing der kabeljauwbanken. Toch gaat Souvestre voort: “In het begin van de 16de eeuw was het nog een belangrijke stad. Hendrik II stond in 1557 aan zijn gelukkigsten boogschutter het recht toe, onbelast vijf en veertig vaten wijn te verkoopen, een voorrecht, dat Rennes en Nantes niet hadden kunnen verwerven. Maar tegen dien tijd begonnen de zeeroovers meer aanvallen te doen en brachten der stad groote schade toe”. Ten slotte noemt Souvestre een ramp, misschien een springvloed, die driehonderd booten deed schipbreuk lijden, op elk waarvan zich zeven man bevonden. Veel kooplieden verlieten toen Penmarch met al wat zij bezaten, om zich te gaan vestigen te Roscoff, Quimper, Brest en Audierne.
Tijdens de Ligue wilden de bewoners zich bij geen enkele partij aansluiten; zij bouwden een fort te Kerity, stelden enkele der op de gevaarlijkste plaatsen gelegen huizen in staat van verdediging en veranderden de kerk van Tréoultré in een arsenaal en een schuilplaats voor de vrouwen, kinderen en grijsaards. Dit was niet voldoende, om Fontenelle tegen te houden, die door list de stad binnendrong, waar zijn volk zonder mededoogen plunderde en moordde. Moreau zegt, dat de heftigste moordtooneelen in de kerk plaats hadden, waar de bedden der stedelingen tot bij het altaar stonden. De rooverhoofdman liet naar het eiland Tristan in de baai van Douarnenez driehonderd booten met buit brengen. Ondanks die ramp ging Penmarch niet aanhoudend meer achteruit.
Op het tijdstip, toen Souvestre zijn reisverhaal deed, telden de beide dorpjes slechts achttienhonderd inwoners; nu wonen er zesduizend. Men heeft te Kerity en te Saint-Guénolé visschersbooten en sardinebereiding. Er zijn uit den tijd, dien wij hebben opgeroepen, nog enkele oude huizen over, die hun gordel van verdedigende muren hebben behouden en ook torentjes bezitten. Er zijn ook zes kerken of kapellen, waarvan Sint-Nonna de voornaamste is. Een opschrift boven de deur vermeldt: “Op den dag van den Heilige Renatus in 1508 werd deze kerk gesticht, en de toren in het jaar 1509”. Het gebouw ziet er massief en indrukwekkend uit en is versierd met grappig beeldhouwwerk, figuren, druiventrossen, scheepjes. Het heeft een grooten vierkanten toren met slanke torenspits. Binnen in de kerk vindt men een gebeeldhouwd doopvont en een schilderij bij het hoofdaltaar, voorstellend het bezoek van Lodewijk XIII te Penmarch. De kerk van Kerity, die het oudst is, heeft als buurvrouw de kerk van de Tempeliers, die in zeer slechten staat is, maar toch nog stevig in elkaâr zit.
Ik heb al gezegd, dat er hier veel kerken zijn, de Sint-Pieterskerk, de Notre Dame en de Saint-Guénolé, een der mooiste met haar vierkanten toren, haar kijkgaten voor de bewakers en haar deur met gebeeldhouwde scheepjes. Doch er zijn heel andere versterkingen aan het strand der zee, reuzengroote, vlakke steenen, waar de golven over bruisen, grillig uitgetande rotsen, waar de zee tegen breekt. Bij laag water zijn het velden met verspreide steenbrokken, gelijkend op kudden van dieren, die er weiden of er hun prooi beloeren. Als de vloed opkomt, krijgt men den indruk van een voortdurend werkende, onweerstaanbare macht. De vloed komt eerst met kleine witte randjes, die het zand omzoomen als met [84] witte kant. Dan neemt de beweging toe, de wind stuwt de golven op, de golven worstelen tegen hinderpalen, en langzamerhand schijnen van den verren horizon reusachtige golven op te komen, de “witte paarden van de zee”, waar een grieksch dichter van spreekt. Nu moet er worden opgepast. De golven zijn vraatzuchtig, zelfs in tijden van mooi weêr. Er komen slechts kleine rimpelingen aan de oppervlakte, regelmatige golfjes, die harmonieus op elkander volgen, en waar men voor kan wegloopen, als zij wat hoog komen of haast maken en teveel terrein winnen.
Maar er is iets anders. Onder de kalmste zee, bij den vriendelijksten zonneschijn, als een zachte koelte alles liefkoost en de vlinders uit de heggen aan het strand der zee komen vliegen tot boven de eerste golfjes, die met het zand spelen, kan zich in open zee op groote diepten een onmetelijke golf vormen, die haar beweging vervolgt, zonder zich door iets te verraden op de altijd kalme oppervlakte. Plotseling rijst dan die verborgen golf omlaag, heel dicht bij het strand, wordt hooger en hooger, tot zij reusachtig is en zwaar en op het land neerploft met onweerstaanbare kracht, alles verpletterend en meesleurend. Zoo werden op een dag in den herfst, October 1870, de vrouw van een ambtenaar uit Quimper met haar dochtertjes en de kindermeid, in ’t geheel vijf personen, van een vlakken steen aan het strand, waar zij zich volkomen veilig waanden, meegesleurd naar de open zee. Er is een kruis in de rots gespijkerd als herinnering aan die gebeurtenis.

Vulling van de blikjes sardines.
Bij Penmarch ziet men den oceaan reeds in zijn volle kracht, zonder dat iets hem tegenhoudt. Vooruit staat Torcherots, een hol geraamte, waarin de zee weerklinkt als in een schelp. Bij de Philopenrots laat men u een grot zien, waar Girondijnen zich in 1793 hebben verscholen. Men is ook inderdaad te Penmarch aan het eindje van de wereld, en men moet wel op zijn schreden terugkeeren, als men de kust niet wil volgen tot Audierne. Ik moet trouwens naar Quimper. Dien weg langs de kust wil ik een andere maal in tegengestelde richting volgen, als ik van Audierne kom. Men kan toch niet altijd tusschen groote steenen leven en het is mij aangenaam, eens weer naar een echte, groote stad te gaan, waar wat meer te genieten valt dan te Penmarch, juist als men na een zeker aantal dagen, in een stad doorgebracht, blij is naar een rustige streek te vertrekken.
Dus vooruit naar Pont-Labbé des avonds, en van daar naar Quimper per spoor. Ik ben er aangekomen in den avond, dus heb ik den eersten aanblik van een mooie stad in ’t volle daglicht gemist. Doch dien kreeg ik den volgenden dag, een Zondag, en ik heb de sobere genoegens van dien dag met voldoening genoten, mij amuseerend met militaire muziek en met de families van de militairen: papa’s, mama’s en jonge meisjes, sterk zich bewust van de contrôle waaronder zij worden gehouden! Wie zal de kleine drama’s tellen en de groote comedies, die daar worden afgespeeld op zoo’n marktplein in een provinciestad, terwijl het koper zich waagt aan marschen en ouvertures van opera’s.
Maar laat ons over Quimper spreken, de oude hoofdstad van het graafschap Cornwallis, aan de samenvloeiing van de Steir en de Odet tegenover het exercitieterrein.
Het eerste feit, dat de geschiedenis van Quimper verhaalt, is een opstand van de plaats tegen het romeinsche juk aan het einde van de 14de eeuw, toen zendelingen beproefd hadden de bewoners tot het christendom te bekeeren. De zendeling werd bisschop, en dit was het begin van de macht der geestelijkheid in dit land; het gezag der bisschoppen [85] werd zoo groot, dat zij in de elfde eeuw over de stad een onbeperkt gezag uitoefenden en den naam van heeren droegen, rechtstreeks onder den hertog geplaatst, met een staf, die zoowel in het tijdelijke als in het eeuwige alles bestierde. De stad, die in de 13de eeuw door Pierre de Dreux versterkt was, werd ingenomen en in 1344 geplunderd door Karel van Blois. Montfoort sloeg er het beleg voor in het volgend jaar; hij werd afgeslagen, maar zijn zoon werd er ontvangen en erkend. Bij het oproer van 1489 versloegen de gewapende boeren de Spanjaarden, die Quimper te hulp waren gekomen, plunderden hun tenten, en daarna werden de opstandelingen op hun beurt verslagen door de hertogelijke troepen in de velden rondom Pont-Labbé.

Een oude visscher.
Quimper is een licht en vroolijk stadje, schilderachtig door zijn oude wijken, die met de nieuwe afwisselen. Eerst was het alleen op den rechterover van de Odet gebouwd, smal bij de Steir en voorzien van kaden. Maar de noodzakelijkheid maakte, dat de stad zich uitbreidde op den linkeroever, waar men nu rechte en breede straten vindt met fabrieken, werkplaatsen en woonhuizen, overal met brugjes, om van den eenen oever naar den anderen te komen.
In 1901 is in de stad een kunstmuseum voor den godsdienst opgericht; men vindt er beeldhouwwerk, schilderijen, geschilderde kerkglazen, borduurwerk en heilige boeken. In ’t stadhuis is een rijke bibliotheek, met ongeveer dertig duizend deelen, waaronder veel zeldzame uitgaven, zooals een bretonsch woordenboek, een der oudste die bekend zijn, te Tréguier gedrukt in 1499. Het museum heeft ook buiten beeldhouwwerk en schilderijen archaeologische verzamelingen en belangrijke collecties ethnografica, waarvan een deel geschonken is door den heer Silguy. De heer Bougeard heeft aan de stad een schoone collectie gravures geschonken.
De oude gebouwen zijn er talrijk; het Sint-Katharinahospitaal dateert van 1645; het lyceum, nog altijd in de gebouwen van het Jezuietencollege is onder Lodewijk XIV gesticht; de kerk van Locmaria, een voorstad van Quimper, is van de elfde eeuw, de kerk van den H. Mattheus van de 13de, en dan is er nog de kathedraal van Quimper, een der mooiste bouwwerken uit Bretagne. Als men er naar ziet van uit de Groote Straat, die smal is en met vooroverhangende gevels een zeer mooien indruk maakt, is het een imposant en rijk gebouw. Van het plein gezien, maakt het een nog beteren indruk. Sommige gedeelten zijn uit de eerste helft der 13de eeuw. De spitsen, die modern zijn en van 1854 dagteekenen, passen uitstekend bij de torens uit de 14de eeuw. Het geheel vormt een der schoonste gothische bouwwerken uit Bretagne.
Door de oude straten wandelt men verder naar de kade langs oude huizen met veel beeldhouwwerk, terwijl op den drempel de eene of andere vrouw, in gedachten verzonken, den nieuweren tijd te binnen brengt. Maar laat eens een buurvrouw of een toevallige voorbijgangster een praatje beginnen, dan wordt de peinzende een drukke babbelaarster. Al die menschen uit de straten van Quimper, het personeel, dat kleine handelsbelangen heeft, huisvrouwen, die op de Woensdagmarkt inkoopen gaan doen of op de kermissen van den derden Zaterdag van iedere maand, jonge arbeidsters uit Locmaria, allen zijn vlug en vroolijk. Ik heb enkele dagen gewoond in een der kleine straten tusschen de Steir en de Odet, en daar heb ik tegen het vallen van den avond, als ieder rust neemt en verademing zoekt na de volbrachte dagtaak, hetzelfde gevoel gehad als te Morlaix en te Quimperlé, bewonderend den goeden, opgewekten geest. De verdiensten zijn gering; maar de menschen hebben weinig noodig, en hun gelukkige aard doet de zorgen vergeten. Men behoeft den gang en het gelaat der vrouwen maar te zien, om den opgewekten en toch zachten geest waar te nemen van de vrouwen en meisjes, klein, een weinig dik, meestal flink gebouwd en met heldere, open oogen.
Van af den berg Frugy heeft men onder de mooie beuken, die er heerlijke lanen vormen, een prachtig uitzicht op de stad, de kaden, de beide rivieren en de omstreken. Quimper is het middelpunt van een groen land. Uit dicht opeenstaande daken stijgt blauwachtige rook omhoog; de groote kathedraal schijnt als een groot schip op de zee van lage daken te drijven. Dichterbij ziet men de voorstad Locmaria.
Daar wordt het bretonsche aardewerk gemaakt. Er is veel namaaksel, en dikwijls ontmoet men teekeningen en versieringen, afkomstig uit Rouaan. Maar er is ook een originaliteit, en die vind ik in de gewoonste dingen. Men kent, omdat men ze in alle steden van Bretagne heeft gezien en ze ook in de parijsche winkels heeft ontmoet, borden en inktkokers, [86] wijwaterbakjes, schotels, kandelaars en al die andere voorwerpen, die de reizigers blij zijn aan te treffen, en die zij meenemen als herinneringen aan de doorreisde streken. Maar er zijn ook doodgewone borden, zooals ik er voor een kwartje gekocht heb op de markt en die toch bekoorlijk zijn van levendige harmonische kleuren, op de manier van veldbouquetten dooreengemengd. Ik heb ook kopjes gezien in den vorm van klaverblaadjes met blauwe versierselen. Onder de beeldjes ontmoette ik veel Heilige Anna’s en Maria’s en heiligen in den vorm van kandelaars, geknield soms en in hermelijn gekleed, met een bril op den neus.
Er wordt niet enkel aardewerk te Quimper gemaakt, maar ook porselein; dan worden er metalen bewerkt en leder; er wordt bier bereid en men kan er ingemaakte voedingsmiddelen krijgen; er wordt koren gemalen en op enkele kilometers afstands, te Ergué-Gaberic, is een groote papierfabriek. De handel is vooral graanhandel; ook wordt er handel gedreven in was en honig, linnen en touw, vee en boter.
Buiten Quimper is de omgeving allerliefst. Deze streek alleen zou al voldoende zijn, om de al te veel verbreide meening te niet te doen van de eentonigheid van Bretagne’s binnenland. Hier niet de gelijkheid van de landes en ook niet de trotsche natuur van La Forêt. Laat men maar eens de Odet volgen, niet naar de monding, maar stroomop; men zal dan spoedig te Stangala blijven, doel van alle wandelaars uit Quimper, die wat meer verlangen dan het zondagsche militaire concert. Dat is een alleraardigst plaatsje met overvloed van bloemen, die op rotsen groeien, zoo mooi, alsof men opzettelijk tuinen op het gesteente had aangelegd.
Verscheiden malen ben ik naar de in zee ver uitstekende punt du Raz gegaan, toen de spoorweg nog niet tot Audierne liep, en langs verschillende wegen, maar altijd met Douarnenez als uitgangspunt. Eerst is er een weg over Comfort, Pont-Croix, Audierne, dat is zelfs de ware weg, de eenige, de klassieke weg naar du Raz. Buiten dien weg zijn er alleen voetpaden en dwarswegen; dus gaan rijtuigen en voetgangers, die wel eens een herberg willen aandoen, er alle over. Ik voor mij volgde een andere route, mooier naar mijn smaak, langs de kust over Tréboul, waar ik de zee heb zien zegenen door de priesters, en over Beuzec.
Toch is de weg over comfort en Pont-Croix niet zonder bekoring en ook niet oninteressant. De natuur is er ernstig, zelfs somber, maar men komt ook geen lachende landschappen zoeken bij du Raz. Trouwens de vroolijkheid en de somberheid van een landschap zijn betrekkelijk. Zij hangen van de stemming van den reiziger af, van toevallige ontmoetingen, van een zonnestraal, die door den grijzen hemel breekt en de bloemen der distels doet schitteren boven de vale kleur van den grond. En dan, hoe schunnig en armoedig ook een gehuchtje is, dat men passeert, ’t is toch altijd een vereeniging van menschen, die hun huizen bij elkander plaatsten, om samen ’t lot het hoofd te bieden.
Met ziet vrouwen en kinderen op de drempels der huizen, mannen, die van het land naar huis komen; men kan eens een winkel binnengaan, een groet met menschen wisselen en een oogje slaan op wezens, die nuttig werk verrichten en gevoel van solidariteit bezitten. Om te Audierne te komen, behoeft men slechts den weg te volgen, die langs de rivier loopt. Dan plotseling maakt die een bocht, en de weg gaat stijgen; men ziet een visschersdorp met huizen langs de kade en heel veel booten. Bij mijn eerste reis heb ik gelogeerd in een klein hôtel aan de kade, bestuurd door het echtpaar Batifoulier. De Batifouliers waren geen Bretagners, maar Auvergnaten; er zijn veel Auvergnaten in Bretagne en allen hebben de gemeenschappelijke kenmerken van het keltische ras.
De Auvergnaat is meer handelsman en zuiniger is hij ook, zoodat het hem meestal beter gaat in zaken. Maar Batifoulier was beroemd om iets anders; hij had zijn bekendheid te danken aan zijn persoon, en inderdaad was hij, dunkt mij, een eenig type. Hij was lang, maar niet daardoor trok hij de aandacht; zelfs leek hij, oppervlakkig beschouwd, van gewone lengte. Maar hij was buitengewoon breed; ik zou haast durven zeggen, dat hij even breed als lang was, een bewegende toren en een, die langzaam bewoog, een olifant of een hippopotamus, dien men gekleed had in een broek en buis en met een klein hoedje. Alle vergelijkingen met groote gebouwen en zware beesten kwamen iemand in den zin, als ze dien forschen man zagen met zijn enorme ledematen. Maar het gezicht! Ik heb nooit zoo’n groot gezicht gezien met zijn twee reuzenwangen, een waterval van kinnen, een knevel en een puntbaard en alles vrij regelmatig, met kleine boosaardige oogjes in die vetmassa. De kleur was niet rose, ook niet rood, maar paars.
Die kolossus had tot vrouw een oud, in ’t zwart gekleed mensch, met een zwart doekje om het hoofd en een mager lijfje. Zij bestuurde de zaak en ze deed dat goed. Hij, Batifoulier, was een volmaakte waard; zijn huis en hij waren één. Men moest hem zien op het trottoir, als hij belde voor de maaltijden. Met hoeveel overtuiging ging dat. Nooit zag een redenaar op de tribune, een priester bij het altaar er ernstiger uit. Dus men kan begrijpen, hoe het was, als hij voorzat aan de table d’hôte, want hij gebruikte zijn maaltijd met de gasten. In het midden van de tafel gezeten, drie plaatsen vullend voor zich alleen, diende hij den gasten de koolsoep voor en zat voor bij de maaltijden der ambtenaren, die er geregeld tweemaal per dag kwamen.
Hij presenteerde ook de sardines, wijzend, hoe men die moest eten, in één hap ze verslindend, na kop en graat behendig te hebben verwijderd. Hoeveel at hij ervan? Dat weet ik niet. Maar ’t was afgrijselijk. En het kwam mij voor, dat de booten, welker masten ik gezien had in de haven vóór ’t hôtel, alleen daar kwamen, om sardines te lossen, bestemd den honger te stillen van den auvergnaatschen reus. Hij sneed ook het gebraad voor en schonk den appelwijn. Goedig van aard en zeer voorkomend, trotsch op zijn rol in ’t leven, had hij bij het waarnemen der honneurs van zijn huis iets van den grand seigneur, van Porthos, den musketier, ontsnapt uit de grotten van Locmaria en hotelier geworden te Audierne. [87]
Men had het dus goed bij Batifoulier, ondanks de sardines aan alle maaltijden, en die men niet kon weigeren onder de allesziende oogen in het groote, paarse gelaat. Er werden ook heerlijke dingen gebraden in den jachttijd, en alle ambtenaren van de belasting en de griffie en de politie waren, dat begrijpt men, niet achterlijk in ’t vertellen van hun jachtavonturen.
Dan had men er de zee in de buurt, die heel uitlokkend was, die ongebogen lijn van de Audierne-baai, die van kaap du Raz tot de Torchebaai gaat en de rotsen van Penmarch. Van de pier, die moedig in de open zee is uitgebouwd, heeft men een prachtig gezicht op de open baai. De haven is niet van zooveel beteekenis als Douarnenez en Concarneau. Er zijn niet meer dan honderd visschersschepen te Audierne; maar ze zijn voldoende om levendigheid te brengen, als ze uitgaan of thuiskomen of stil liggen in de baai.
Ze zijn bemand met ruwe kerels, die stil en bedaard zijn bij hun werk, maar die luidruchtig en geweldig zijn des Zondags en op vrije dagen, als ze herberg in, herberg uit loopen. Ik herinner mij een Zondag, toen ik was gaan wandelen naar Plouhinec aan de overzij van de rivier Goayen. Daar ik mij wat verlaat had, ging ik niet weer den omweg over de brug, maar wou den overtocht doen met een bootje van een man uit Audierne. Ik kreeg gauw spijt van dat besluit en dacht honderdmaal, dat we op dat korte eindje naar den kelder zouden gaan met het bootje vol dronken menschen, dat tusschen andere luidruchtige bootjes door moest varen. Voor ’t vervolg ging ik liever des Zondags naar Plouhinec terug langs den langsten weg. En ik ging nog verder dan dat tusschen een overvloed van steenen liggend dorp, altijd langs de kust, den weg der douane volgend. Het is een troostelooze route. Ik heb er, geloof ik, wel een dag geloopen, zonder een menschelijk wezen te ontmoeten buiten de weinige dorpen, en die dorpen zelf maakten ook nog den indruk van eenzaamheid, zoo somber waren ze met alle mannen op zee, alle vrouwen op het veld en kinders op de drempels van de huizen. Achter een toonbank soms een vrouw, en hier en daar een paar gezichten achter de ramen.
Om bij een dier dorpen te komen, moest men zich van de zee verwijderen en langs een pad gaan tusschen steenen muurtjes of over een dorre vlakte met het weinige groen, dat de scherpte van den zeewind kan verduren. Men zag alleen hier en daar een armoedig aardappelland, waar men kon zien met hoeveel moeite de landman wat voedsel haalde uit dien misdeelden grond.
Een dier dorpen was Plozenet, dat bijna niet den naam van dorp verdiende. De huizen staan er om een kerkje geschaard, en even voorbij Plozenet naar den kant der zee draagt een groote gedenksteen van wel vijf meter hoogte een opschrift, dat de schipbreuk in de herinnering roept van ’t schip de Droits de l’homme in 1797. De schipbreukelingen werden door de zee verzwolgen, en velen van hen, op ’t strand gespoeld, zijn hier begraven bij den menhir van de Rechten van den Mensch. Het opschrift luidt: “Hier bij dezen Druïdensteen zijn ongeveer zeshonderd schipbreukelingen begraven van het schip De Rechten van den Mensch, gestrand in den storm van 14 Januari 1797. Majoor Piron, te Jersey geboren, die op wonderdadige wijze aan de ramp ontkwam, is naar deze plek teruggekeerd op 21 Juli 1840, en toen hij daartoe de toestemming had verkregen, heeft hij op den steen dit getuigenis van zijn dankbaarheid laten graveeren.”
Daarna keerde ik terug naar het strand, dat kaal was als te Audierne, met wit zand en groote rolsteenen en hier en daar een kleinen inham of een nietig dal, waar planten groeien en zacht gras. Ik bleef een dag te Plovan, toen te Treguennec en in de Onze-Lieve-Vrouwenkerk te Tronoën, waar ik in de schemering aankwam. Het was echter nog licht genoeg, om het kerkje te zien en den lijdensberg, den oudsten van Bretagne, met twee rijen van beelden en daarboven de drie kruisen.
Daar bespeurde ik, dat ik dichter bij Penmarch was dan bij Audierne, waar ik zou logeeren, en ik besloot naar Pont-Labbé terug te gaan, waar ik gemakkelijker een rijtuig zou kunnen krijgen naar Audierne. Op den terugweg waren mijn gedachten vol van de zee, de nimmer vervelende, die zooveel prettiger onze droomen begeleidt, dan de onbewegelijke dingen doen, zoodat er een soort van verwantschap moet bestaan tusschen haar en onze diepste gedachten. De reden van onze liefde voor de zee moet zijn, dat zij het schouwspel biedt van altijddurende beweging, als was zij de steeds onrustige ziel der golven. “De oceaan spreekt tot de gedachten”, heeft Victor Hugo gezegd, en hij helpt ons inderdaad de raadselen en problemen van dit moeilijk leven te ontcijferen. Ik voelde dat alles aan dit strand van Bretagne, toen ik mij verder begaf van Audierne naar Esquibien en Saint-Tugean, waar de gothische kerk in een reliekenkastje een ijzeren sleuteltje bezit, dat aan Saint-Tugean heeft behoord en waarmee kleine broodjes worden doorboord, die dienen om dolle honden op de vlucht te jagen. Met het sleuteltje bewaart men er ook de tanden van den heilige in een kaak van verguld zilver, die men slechts behoeft aan te raken, om van kiespijn te genezen. Ter eere van den heilige dragen nog verscheiden mannen in die streek een sleutel, geborduurd op den rug van hun jas en hoeden, waar een looden sleutel aan een lint bij neerbengelt.
Tot hier toe heb ik niet anders gezien dan wat eiken en dennen. Na Saint-Tugean en Primelin zijn die er niet meer. Er zijn windmolens, want het waait op de hoogten, van waar men de schuimende zee overziet. Ook zijn er dolmens, en het dorp Plogoff, gesticht door den heiligen Collédor, bisschop, die kluizenaar geworden was en die hier gelukkiger zich voelde dan aan het hof van koning Arthur. Plogoff is geen onaardig dorp. Verbeeldt u de huizen verspreid over de heuvels; hier één huisje, daar een paar andere, drie of vier ginds en een half dozijn rondom het kerkje. Te Lescoff heeft men voor het laatst zulk een huizengroep vóór kaap du Raz.
Nog twee kilometer door de landes, en men komt aan den vuurtoren. Dit is nog niet het eindje der wereld, want men krijgt nog het eiland Sein, en ’t is zelfs niet de laatste vuurtoren, want in de wijde [88] zee staan nog de vuurtoren La Veille met groen licht, de Tevennecvuurtoren en die van Armen, ook in de open zee gebouwd vóór ’t eiland Sein. Maar dit is het eind van het vasteland en ’t verste punt van Bretagne met Saint-Mathieu.
Deze eerste maal, dat ik naar du Raz ging, heb ik allereerst dien vuurtoren bewonderd op de hooge kaap, en ik heb mij vermaakt met een gesprek met een der wachters. Het was een man, die al grijs werd, en nog altijd trouw zijn wachterstaak vervulde tusschen hier en den toren in de open zee. Hij las couranten, had boeken, drukte zijn meening zeer verstandig uit over wat er in de wereld voorviel, en ik was zeer verbaasd, toen ik later vernam, dat die kalme, rustige man krankzinnig was geworden en dat hij de misdaad had begaan, zijn vrouw te worgen, die op een dorp bij de kaap woonde.
Ik herinner mij nog, of het gisteren was, hoe hij mij zorgvuldig geleidde en tot gids diende bij mijn wandeling om de kaap. Dat is niet gevaarlijk voor wie vast van voet is en niet aan duizelingen lijdt; maar dan moet men nog met zorg de steenen uitkiezen en de trappen, die den omgang mogelijk maken om het enorme, verweerde rotsblok vol spleten en afgronden. De weg is niet gemakkelijk en er is maar één weg. De straatjongens, die ons volgen, geven er echter niet om, laten zich langs de hellingen afglijden, houden zich vast aan vooruitstekende steenen, verdwijnen in holten en komen op eenmaal weer te voorschijn, alsof ze een luik oplichten, en maken al die gymnastische toeren, waar ik wel voor zou bedanken, om mij een bouquetje welriekende, gele bloemen te brengen, geplukt op de helling van een gapenden afgrond.

Kerkhof op het eiland Sein.
Ik kan die oefeningen niet meemaken; dat heeft mij het draven door de straten van Parijs niet geleerd. Dus volg ik voorzichtig mijn metgezel, die mij aanwijzingen geeft en mij soms bij de hand neemt, als het pad te glad en te moeilijk is. Het begin der reis valt het zwaarst langs het noordelijk deel der kaap. Dat is ook het mooiste gedeelte, namelijk het meest grootsche en schrikwekkende. De Hel van Plogoff is een gat, waar het gevaarlijk zou zijn in te storten; de roode wanden van de kloof zouden nergens den val breken, en de zee daarbeneden met haar golven en haar schuim en haar donderend geweld doet denken aan een troep wilde beesten, opgesloten in een te enge ruimte, wier woede naar een prooi verlangt.
Het schouwspel van dit punt is over de zee niet zooveel dreigender dan van Penmarch; maar hier is alles op één plek geconcentreerd, terwijl Sein in de buurt is, en de woedende zee tusschen dat eiland en het continent. Dat is een eenig en aangrijpend schouwspel, die woede van de zee tusschen het vasteland en het eiland, waar de zee onbeschrijfelijk heftig is. Het verrast, als men er toch visschersbooten en groote schepen ziet passeeren. De mensch levert er een bewijs van zijn moed en zijn verstand. Hij vertrouwt zich toe aan het razend snelle water, omdat hij het in al zijn grillen en nukken heeft leeren kennen.
Enez Sizun heet het eiland Sein, de legendarische verblijfplaats der druïdische priesteressen. Het is een rots, die al meer door de zee wordt afgebrokkeld, met een vuurtoren erop en een kleine haven voor reddingbooten en voor een dertigtal visschersschuiten. Daarbij zijn de kleine huisjes van het dorp gebouwd. Hevige stormen zijn gedenkwaardig gebleven in de geschiedenis van Sein, waar het licht, dat wijd uitschijnt over de zee, het einde van Bretagne aangeeft.
Io voglio il sole, io voglio il sole ardente.
Annie Vivanti.

Gezicht op Taormina.
Wanneer men Italië herhaaldelijk heeft bereisd en zich eenigszins gemeenzaam heeft gemaakt met zijn volk en zijn taal, met zijne zeden en gewoonten, wanneer men daarbij zijn hollandsche pietluttigheid heeft achtergelaten en zich heeft afgewend om met laatdunkendheid op het eerste gezicht iedere plaats over de grens “een vuil gat” te noemen, wanneer men in het italiaansche volk iets anders heeft leeren zien dan een volk van bedelaars en men op prijs heeft leeren stellen zijn vriendelijkheid, zijn beleefdheid, zijn vroolijkheid, in één woord wanneer men is gekomen onder de bekoring van het zonnig Italië, dan begrijpt men eerst recht den hartstocht van de in Engeland geboren en opgevoede dichteres Annie Vivanti voor haar eigenlijk vaderland en voor haar italiaansche zon, dan begint men iets te gevoelen van haar “ebbrezza del sole”, van haar “zonneroes”.
Als die zon opgaat achter de bergen van Calabrië en haar schitterschijf langzaam komt kijken over den hoogen Aspromonte, dan is almee het eerste wat zij ziet het liefelijk Taormina aan de Oostkust van Sicilië tusschen Messina en Catania.
Hoog boven de zee, gekleefd tegen de rotsen, ligt het daar te wachten om zich opnieuw te verkneukelen in het zonnetje dat straks zijn druiventrossen zal komen rijp stoven, zijn oranjebloesem zal laten geuren, zijn lucht zal komen verwarmen, het zal maken tot een paradijsje op aarde.
Wilt gij een onvergetelijken indruk opdoen, kom dan eens vroeg uit de veeren, zoo tusschen vier uur en half vijf, trek de hoogst noodige plunje aan en spoed u naar de hoogte boven het Teatro greco. Verzuim echter niet den vorigen dag kennis te geven van uw komst aan den “Custode” daar gij anders het hek gesloten zult vinden van dit “monumento nazionale”. Maar hebt gij hem kennis gegeven dan zal hij niet aarzelen vroeg voor u op te staan en te zorgen dat gij het hek open vindt, ook zal hij u niet boos aankijken als gij hem daarvoor een [90] lira in de hand drukt, wie weet of gij, verrukt over hetgeen gij gezien hebt, hem straks niet twee lire zult toestoppen.
Zet u nu eens rustig neder op het hoogste punt, dáár waar vroeger het volk een plaatsje vond, eerst bij de grieksche drama’s, later bij de wilde en bloeddorstige romeinsche schouwspelen, en wacht nu eens op de dingen die komen zullen.
Beneden u is het water van de Straat van Messina nog donker van kleur, de kustlijn strekt zich naar beide zijden uit noordelijk tot Kaap Sant’ Alessio, zuidelijk tot Kaap Schisò en is nog weggedoezeld in de flauwe ochtendschemering. Maar in het Oosten boven Calabrië begint de hemel reeds een lichtgeele tint aan te nemen, allengs gaat die tint over in oranje, van oranje wordt zij goud, het water beneden u krijgt meer en meer die diep azuurblauwe kleur die het tot zonsondergang zal behouden, de zon is op het punt boven de bergen te verrijzen. Haar stralen schieten reeds in alle richtingen boven de scherp geteekende berglijn uit, de hooge top achter u, waarop het dorp Castelmola ligt, is reeds schitterend verlicht, langzamerhand wordt de geheele atmosfeer om u heen een en al vuur, de zon verschijnt boven de bergen.
En zoo is zij er dan weer, de zon van Italië, de zon van Taormina! Reeds voelt gij haar warmte en werpt gij de sjaal af die gij voor de ochtendkoelte had medegenomen. Zie nu eens om u heen! Aan uwe voeten het teatro greco, met zijn reusachtige afmeting, zijn heele en halve zuilen, zijn nissen en doorgangen, zijn scena en zijn orchestra, hoe verplaatst het u in eens in de klassieke tijden der Grieken, in de historische tijden der Romeinen. Recht voor u door de groote opening van de Scena ziet gij den kolossalen kegel van de Etna, met haar rookpluim overhellend naar het N.O. Diep onder u Giardini, het spoorwegstation van Taormina, iets verder het dorp Calatabiano en daar tusschen het stroompje de Alcantara, dat zich in zee stort. Westelijk op gindsche rotspunt Castelmola, een armoedig doch schilderachtig dorp dat als een steenen kroon geplaatst is op den top van een berg, zoodat men al evenmin begrijpt hoe de bewoners er komen als wat zij er uitvoeren. Onmiddelijk onder u eindelijk schittert thans in de felle ochtendzon het huizencomplex van Taormina met zijn duomo en kerken, zijn hôtels en ruïnes. Reeds begint het aardige plaatsje teekenen van leven te geven, het hanengekraai wordt gevolgd door het balken van talrijke ezels die er reeds naar verlangen de bezoekers op hunne geduldige ruggen de bergen op te dragen naar Castelmola of Monte Venere of naar ieder ander punt waar men van het heerlijke vergezicht wenscht te gaan genieten. Hier en daar wordt een deur geopend, er komt leven en bedrijf in de straten, Taormina is ontwaakt.
Wij spoeden ons terug naar ons hôtel om ons te kleeden en, na een echt italiaansch ontbijt met versche vijgen en druiven of wat de tijd van het jaar oplevert, maken wij ons op om te gaan genieten van het vele dat Taormina te genieten geeft. Wij bevinden ons hier op klassieken bodem. Taormina heeft eene geschiedenis zooals geheel Sicilië, het Trinacria der ouden, er eene heeft. Laten wij, alvorens onze wandeling te beginnen, ons eerst door de “Guida di Taormina” zéér vluchtig op de hoogte laten brengen van die geschiedenis.
Naar alle waarschijnlijkheid was Taormina reeds ruim 700 jaar v. C. de acropolis van Naxos, terwijl een versterking der Cartagers als de eigenlijke grondslag van het tegenwoordige Taormina mag beschouwd worden. (392 v. C.).
Aan de vele oorlogen tusschen Cartagers, Messineezen, Syracusers en de overige Sicilianen, ontsnapte Taormina niet; voortdurend was het de dupe van den strijdlust der omwonenden, die het afwisselend in bezit namen, met den grond gelijk maakten en weer opbouwden.
Gedurende het beleg door Marcellus in 241 v. C., in welk beleg Archimedes zulk een groote rol speelde, verleende Taormina doortocht aan de Romeinen op voorwaarde bevrijd te blijven van romeinsch garnizoen en vrijgesteld te worden van het leveren van schepen aan Rome, waarop de Romeinen na Sicilië te hebben veroverd, Taormina onafhankelijk verklaarden.
Twee eeuwen later, 36 v. C. werd Taormina, dat zich vóór Pompejus en tegen Octavianus had verklaard, de basis van Pompejus’ oorlogsoperaties en ’t was juist op de zee vóór Taormina dat Octavianus in persoon Pompejus versloeg in den later zoo beroemd geworden zeeslag. Sicilië kreeg toen een constitutie, maar Taormina, door Octavianus gehaat, werd tot romeinsch garnizoen gemaakt en bleef toen vele jaren in de geschiedenis een ondergeschikte rol spelen.
Na den ondergang van het romeinsche rijk bleef het door zijn ligging langen tijd bevrijd van de aanvallen der Saraceenen.
Die naam van Saraceen werd aan de Arabieren gegeven en is afgeleid van het arabische woord sarako dat stelen beteekent. Nog heden ten dage wordt in Taormina het woord Saraceen als een scheldnaam beschouwd.
Na in 902 n. C. toch eindelijk in handen der Muzelmannen te zijn gevallen, kwam het in 1078 in de macht der Noormannen, nam het in 1282 deel aan de Siciliaansche vespers en ruim anderhalve eeuw later aan den burgeroorlog onder de regeering van Lodewijk van Aragon.
In 1535 door Karel V verkocht wist het zich dadelijk weer vrij te koopen.
Onder de regeering van Karel II werd Taormina in 1675 door de Franschen stormenderhand genomen, doch vanuit het kasteel Mola door de Taormineezen zelf beschoten die hunne stad heroverden en van de vreemde indringers bevrijdden.
Tengevolge van den vrede van 1720 kwam Sicilië in het bezit van Oostenrijk en later van de spaansche Bourbons.
In 1806 hadden de Engelschen in Taormina een sterk garnizoen.
Met de italiaansche omwenteling van 1848–1849 liet Taormina zich weinig in, doch in 1860 op den 9 April ontscheepte zich Garibaldi op het eiland Sicilië, dat toen van de overheerschers werd verlost en voor goed bij het Koninkrijk Italië werd gevoegd. [91]
Geen wonder dat de vele volken die achtereenvolgens op dit plekje grond zijn gevestigd geweest daarop hun stempel hebben gedrukt en hunne herinneringen hebben achtergelaten.
Het allerschoonste en interessantste op dit gebied is zeker het reeds vermelde Teatro Greco. Maar voor wij dat van naderbij beschouwen willen wij, zooals aan nieuwe bewoners eener plaats, al zal hun verblijf ook niet van langen duur zijn, betaamt, ons eerst gemeenzaam maken met de plaats dier tijdelijke inwoning.
Beginnen wij met ons hôtel. Het is geen gewoon hôtel, het hôtel Victoria, zooals men dat in alle plaatsen met eenig verkeer vindt. Taormina, dit moet niet uit het oog worden verloren, ligt niet op vlakken grond, doch is tegen steile rotsen aangebouwd. Tegen die rotsen nu was amper plaats te vinden om er een straat op aan te leggen die, zooals de hoofdstraat de Corso Umberto, van poort tot poort doorloopt zonder trapjes of zonder scherpe rijzingen en dalingen. Maar er een huis laat staan een hôtel te bouwen welks basis geheel op effen terrein kwam te staan, dit was een taak zelfs voor den bekwaamsten architect onuitvoerbaar. Hôtel Victoria heeft dan ook niet minder dan vier uitgangen in vier verschillende boven elkander evenwijdig liggende of dwars tegen den berg oploopende elkander kruisende straten. De tuinen liggen op de derde verdieping, de eet- en leeszalen op de vierde, vele kamers op de vijfde verdieping, alles tusschen, naast, onder en over elkaar gebouwd, zóó dat het onmogelijk zou zijn er een behoorlijken plattegrond van te teekenen. Wil men het hôtel verlaten dan kiest men dien uitgang die u brengt in de straat die u het spoedigst naar uw doel voert. Logeert men op de vijfde verdieping, de meest begeerde wegens het heerlijke uitzicht, men laat zijn rijtuig of ezel op de vijfde verdieping voorkomen als men een bergtocht wil maken. Men zal daarentegen liever de eerste verdieping kiezen als men naar beneden wenscht te gaan.

Corso Umberto.
Wij verlaten het hôtel thans ook door dien uitgang voor deze eerste wandeling in het stadje. Wij bevinden ons dan dadelijk in de hoofdstraat de Corso Umberto, breedte p.m. 5 meter zoodat, als de voorbijgangers zich tijdelijk in de open deuren bergen, twee rijtuigen elkander zonder ongelukken kunnen voorbijrijden. Het is een typisch italiaansche straat, onmogelijk dikwijls te zeggen waar het eene huis begint waar het andere eindigt, evenmin is het altijd uit te maken of een huis één dan wel tien eeuwen oud is; alles is grijs, grauw, groezelig, aan den beganen grond geene vensters, alleen groote deuren, wijd openstaande, toegang gevende tot de zoogenaamde bassi, ruime gewelven, waarin de winkels, café’s, scheersalons en tutti quanti worden gehouden. Achter in de bassi bevindt zich een trap van steen of marmer toegang gevende tot de kamers in de bovenverdieping. Dikwijls ook zijn die bassi tevens de woning van het gezin en ziet men bij dag de bedden opgerold in een hoek liggen.
Menig huis getuigt van vroegere weelde door een fraai gothisch of romaansch poortje of raamomlijsting, door enkele brokstukken marmer heerlijk ingelegd hetzij met zwarte lava, hetzij met veelkleurige marmersoorten, een bewijs dat de thans veelal verarmde of verwaarloosde huizen vroeger een deel uitmaakten van rijke en fraai gebouwde palazzi. En dat is een van de dingen die niet alleen op Sicilië maar in geheel Italië het meest treffen en iedereen dadelijk in het oog springen, dat men overal tot in de kleinste plaatsjes monumenten vindt van vroegere grootheid, rijkdom en weelde, monumenten die Italië maken tot een reusachtig museum, waar overal iets valt te genieten en te bestudeeren, waar ieder stadje, ieder dorp waard is bezocht te worden en de reiziger gedurende eenige uren zich aangenaam of leerzaam zal kunnen bezig houden.
Het kost werkelijk eenige zelfbeheersching Taormina’s hoofdstraat ten einde te loopen zonder links of rechts een trap af te dalen of op te klimmen. Bij ieder zijstraatje toch wordt men aangetrokken hetzij door een pitoresk groepje, hetzij door een geestige fontein of door een fraaie ruïne. Wij bieden echter weerstand aan de verleiding en gaan, al kijkende en bestudeerende, door tot de Piazza Nove Aprile, vroeger Piazza Sant’ Agostino. En wij willen hier in het voorbijgaan even opmerken dat het gemeentebestuur van Taormina al even dom is als dat van een zekere hoofdstad van een zeker land, met zijn neiging om oude historische namen te veranderen in dien van onbeduidende vorsten en weinig zeggende [92] data, op die wijze een interessant geschiedenisboek, waarin de historie van de plaats voor alle eeuwen is vastgelegd, veranderende in een vulgaire Almanach de Gotha. Laat men in een zich uitbreidende stad in dezelfde lijn voortwerken en in de namen der nieuwe straten voor het nageslacht de herinnering bewaren aan de gebeurtenissen der nieuwe tijden, desnoods aan de toen regeerende vorsten en aan de bekende mannen, mits zij werkelijk die herinnering verdiend hebben, er is niets tegen, maar de oude namen moeten in iedere plaats heilig gehouden worden.
Wij willen dus Taormina’s gemeentebestuur niet op dien weg volgen en houden ons halstarrig aan den ouden naam Piazza Sant’ Agostino. Het is een genot daar een oogenblik te verwijlen want schilderachtiger plekje is nauw denkbaar. Aan de eene zijde de oude klokketoren, de aardige renaissance gevel van de San Giuseppe en het gothische kerkje Sant’ Agostino; ten oosten een heerlijk terras met ijzeren hek, vanwaar men opziet naar de Etna en onder zich heeft een 200 M. diepen afgrond, welks bijna loodrechte rotsen alleen nog toegankelijk zijn voor eenige geiten en welks voet bespoeld wordt door de blauwe golfjes van de zee. Op dit punt is het stadje om zoo te zeggen in tweeën verdeeld door een ouden vervallen muur in moorschen stijl, over bergen en door ravijnen afdalende van de ruïnes van het kasteel van Taormina dat de rots ten westen der stad bekroont.

Straatje in Taormina.
Door de poort onder den klokketoren voortschrijdende vervolgen wij onzen weg tot de Piazza del Duomo, een kerk van gemengd gothische en renaissance bouw met een fraaien ingang in Siciliaansch gothischen stijl aan de noordzijde.
Vóór den Duomo bevindt zich een allergeestigste fontein, de fontein der Vier Beesten, zoo genaamd naar vier gedrochtelijke dieren uit welker bekken het water vloeit in den steenen bak, waarin de vrouwen uit de buurt, naar italiaansche zeden, hare kleeren komen spoelen.
Ook deze Piazza is weder afgesloten door eene poort, de Toca-poort, die nog niet het einde der plaats vormt, daar eenige weinige schreden verder de hoogst schilderachtige Catania-poort de werkelijke uitgang is aan de zuidzijde der stad.
Wij keeren dus op onze schreden terug, zien opnieuw met welgevallen op naar zoo menig aardig motief, naar de balcons veelal voorzien van fraai gedreven ijzeren hekken, naar het taormineesche leven dat op al die balcons wordt afgespeeld.
Italië toch is evenals Spanje het land der balcons, geen raam zonder balcon, geen balcon zonder menschen die daarop hunne huiselijke bezigheden verrichten, hun wasch behandelen, een buurpraatje houden, hunne op straat spelende kinderen nagaan en zoo noodig waarschuwende of bestraffende woorden toeroepen, hunne etenswaren of andere kleine inkoopen met een mandje aan een touw van de venters op straat ophalen, de liefdesverklaringen en serenades hunner aanbidders, want ook die spaansche gewoonte is hier inheemsch, aanhooren.
Wij gaan ons hôtel weder voorbij om het noordelijk einde van den Corso Umberto te bekijken. Dit brengt ons al spoedig op de Piazza Vittorio Emanuele waar wij getroffen worden door de middeleeuwsche lijnen van het Palazzo Corvaia. Nog draagt het in ieder opzicht het stempel zijner vroegere grootheid, maar het is een vervallen grootheid. De rez de chaussée is doorgebroken en vervormd tot verscheidene bassi, winkels van het eenvoudigste type waar koopwaren van de allergoedkoopste soort zijn uitgestald. Treedt men het paleis binnen dan vindt men nog een aardig binnenhof, waar een fraaie marmeren trap op slanken boog naar boven voert. Langs een gedeelte van de steenen trapleuning ziet men nog een soort lambrizeering met een zeer goed gebeeldhouwd relief, waarop drie bijbelsche voorstellingen: de schepping van Eva, de Zondenval, Adam en Eva aan den arbeid. Het dak van het palazzo wordt gekroond door de zoogenaamde “merluzzi” een arabisch bouwmotief, een soort kanteelen, dat men hier overal terugvindt, en ook bij nieuwe huizen en hôtels een geliefde gevel-bekroning is geworden. De achterzijde van het paleis is gebouwd op de ruïnes van een tempel aan Minerva gewijd, en het geheel maakt nog den indruk een sterk gebouw te zijn geweest, waarin de normandische heeren die het eenmaal hebben bewoond, zich weken en maanden hebben kunnen verdedigen tegen de aanvallen van Saracenen of andere naburige volken, en dat meer had van een vesting dan van een comfortabel paleis. [93]
Naast het Palazzo Corvaia de kerk Santa Catarina en een klein, eerst onlangs opgegraven romeinsch theater, waarin de twee vomatorien, toegangen tot de hoogere rangen, nog duidelijk te zien zijn. Aan de andere zijde van het pleintje het Teatro Margherita en een kleine kazerne voor “Carabinieri”. De Porta di Messina sluit hier het stadje af. Rechts van deze poort brengt de Via del Teatro Greco ons naar de belangrijke overblijfselen van het grieksche theater, dat een nadere en aandachtige beschouwing overwaard is. Wij willen dus aan de hand van den Custode of bewaarder, die daarvan een lezenswaardige beschrijving in drie talen heeft uitgegeven, dit oude grieksche theater eens wat van naderbij bezien.

Palazzo Corvaia.
Het is niet met zekerheid te zeggen in welken tijd de bouw van het theater gesteld moet worden; men gelooft echter te kunnen aannemen dat het omstreeks 358 v. C. ten tijde van Andromachus van Taormina werd opgericht. De halve cirkelvorm doet ons geen oogenblik aan zijn griekschen oorsprong twijfelen, waar tegenover staat dat alle ruïnes geheel het karakter van de romeinsche bouworde hebben. Hieruit blijkt dat toen de Romeinen zich in Taormina vestigden, zij het theater veranderden en vergroot hebben, zoodat wel de grieksche grondvorm overbleef, maar de onderdeelen veranderd werden in romeinschen trant. Voor deze verbouwing vond men een treffend bewijs in een klein grieksch tempeltje, in de bovengalerijen opgegraven, dat den Grieken gediend had tot offerplaats en voor wasschingen.

Teatro Greco.
De Romeinen braken dit tempeltje bij de verbouwing van het theater gedeeltelijk af, om op zijn sterke muren de fondamenten van de bovengalerij te doen rusten.
Maar niet alleen vindt de geometrische grondvorm zijn oorsprong bij de Grieken, ook de fondamenten en muren van het Proscenium “het voortooneel” wijzen op helleensche afkomst. Na de laatste opgravingen heeft men pas kunnen bewijzen, dat slechts de bovendeelen van het theater aan de Romeinen kunnen worden toegeschreven. [94]
Een breede trap, Scala regia genaamd, was de algemeene toegang tot het theater. Later werd hierin door Keizer Augustus een verandering gebracht. Hij liet voor de vrouwen een afzonderlijke trap bouwen aan het tegenovergestelde uiterste van de buitenste zuilengang, welke trap echter nooit geheel voltooid werd.
De Scala regia bestond uit met steenen geplaveide bordessen, welke telkens onderling door drie treden verbonden waren. Boven gekomen gaf een deur toegang tot een kleine overdekte gang die uitkwam op de eerste praecinctio of half-cirkelvormige rij zitplaatsen, die rijk gedrapeerd en, van curulische en beweegbare stoelen voorzien, bestemd waren voor de senatoren, de magistraten en de vestaalsche maagden.
Naast het tweede bordes begint een andere kleinere trap, die toegang verschafte aan adel en patriciers, voor wie de tweede praecinctio bestemd was, en op welks zetels somtijds de eigennamen der rechthebbenden waren aangegeven. Van deze zetels liggen in de arena nog brokstukken die de namen der eigenaars dragen.
Langs deze zelfde trap moesten de artisten en de burgers nog hooger stijgen, en gaande door de bovenste galerijen, daalden zij dan door vomitori, d.i. openingen, aangebracht in den grooten muur die de cavea omringt, naar de derde of laatste praecinctio.
Deze drie rijen zitplaatsen vormden te zamen de Cavea, die door een groote overdekte galerij, welke uit twee zuilengangen bestond, omringd was. De binnenste werd gedragen door vijf-en-veertig zuilen, terwijl de buitenste door pilasters werd gesteund. Te zamen boden zij het publiek een toevlucht bij regen. In gewone omstandigheden werd de buitenste gebruikt om zich te vertreden of wel als marktplaats, en diende de binnenste tot doorgang naar de derde praecinctio. Op de overdekking dezer twee zuilengangen bevond zich een groot terras dat voor het volk bestemd was. Het bestaan van dit terras lijdt geen twijfel, waar nog heden ten dage restanten worden gevonden van een trap die buitenom er heen voert. Deze zuilengangen waren gebouwd op een zwaren muur die de geheele cavea omringde en door welken op tien plaatsen op gelijken afstand uitgangen waren aangebracht. Deze muur was versierd met zes-en-dertig nissen waarin vazen of beelden waren geplaatst.
Beneden bevond zich het podium, dat de arena omsloot. Onder dit podium kwam een overdekte gang door drie deuren in de arena uit, door welke gang naar alle waarschijnlijkheid de wilde dieren in de arena werden gelaten, om hunne bloedige gevechten tegen de gladiatoren te leveren.
De eigenlijke arena is de ruimte tusschen het podium en het tooneel of scena. Het proscenium, dat bij de Romeinen verplaatsbaar was, besloeg van de altaren op het tooneel af nog bijna een derde van de arena. Op dit proscenium of voortooneel voerden de Romeinen hunne tooneelspelen, hunne drama’s en dansen op.
Het grieksche orchest bevond zich tegenover het tooneel, doch de Romeinen verplaatsten het op den muur van het podium, dus eigenlijk ter zijde van het tooneel, daar waar het podium in een elliptische vorm eindigde en waar ook de timele of plaats voor het koor was.
Onder het proscenium bevond zich een onderaardsch kanaal dat achter het tooneel eindigde. De constructie van dit kanaal laat ten duidelijkste zien dat het voor den afvoer van regenwater bestemd was of om een groote hoeveelheid water te bevatten dat voor het theater gebruikt werd. Er zijn echter geleerden die meenen dat dit kanaal voor de acoustiek diende, misschien ook—wat ons echter zeer twijfelachtig voorkomt—tot bergplaats van diegenen uit het publiek, die tijdens de voorstellingen stoornis veroorzaakten. Twee andere onderaardsche gewelven, die aan den muur van het theater parallel loopen, staan met eerstgenoemd gewelf in verbinding en dienden voor hen die belast waren met de tooneel veranderingen. Men ziet er nog duidelijk zeven vierkante gaten in, op gelijken afstand, die rechtstandig oploopen tot de grondvlakte van de arena en waarin de balken geplaatst werden, dienende tot steun van het groote plankier van het proscenium.
Het tooneel bestond dus uit het proscenium of voortooneel en het eigenlijke tooneel. Op dit laatste bevonden zich twee altaren, gewijd aan de goden, waarboven de eerste zuilenrij die het tooneel versierde. Elk der twee altaren telde drie nissen; voor de middelste, grooter dan de anderen en ook afwijkend van vorm, hing een gordijn, waarachter de beelden van Apollo en Bacchus. Deze twee altaren waren door drie deuren gescheiden; door de middelste, thans door den bliksem verwoest, kwam de hoofdpersoon op, door de beide anderen kwamen de andere personen ten tooneele.
Onder deze deuren, welker drempels op gelijke hoogte lagen met den vloer van het tooneel, bevonden zich nog drie kleine deurtjes aan de voorzijde van het tooneel, die in gemeenschap stonden met een onderaardsche gang, die den medewerkers in het treurspel tot doorgang dienden en hen op het achtertooneel of postscenium brachten. Deze gang werd bij de opgravingen in 1853 en 1854 ontdekt. Een hooge breede gang, ook onder het tooneel gelegen, gaf toegang aan de vrouwen die, langs een trap links van het tooneel, hunne plaatsen op de bovenste galerijen wilden bereiken.
Aan beide zijden van het tooneel bevonden zich nog twee kamers, die zonder twijfel dienden tot bergplaatsen voor alles wat op het tooneel betrekking had, of misschien ook als kleedkamers voor de artisten.
De voorzijde van het tooneel was met kostbaar veelkleurig marmer bekleed; de zuilenrijen in corintischen en jonischen stijl, waren van cippolijnsch graniet en afrikaansch marmer, de voetstukken der altaren van wit marmer.
Na deze beschrijving van de voornaamste deelen van het theater, nog een enkel woord over de verschillende doeleinden waartoe het gebezigd werd. Behalve de tragedie beoefende men er de satire, het tooneelspel, de pantomime en den dans. In de arena vonden de bloedige gevechten der gladiatoren plaats. Maar men behandelde er ook de publieke zaken, men ontving er de vreemde afgezanten, men besliste er over de zaken der republiek, dikwijls werd er recht gesproken, men beraadslaagde er over te verleenen eerbewijzen en op te leggen straffen en hield er redevoeringen tot het volk. Hier redetwistten de wijsgeeren, hier werden de veroordeelden ter dood gebracht, hier [95] traden de dichters en schrijvers voor het volk op.
Wanneer men bedenkt dat de stad Taormina een theater kon oprichten van die grootte en pracht, zal men zich gemakkelijk een denkbeeld kunnen maken van den rijkdom en intelectueele ontwikkeling die daar in de oudheid heerschten.
Slechts eenige van de grieksche republieken uit die tijden zijn, dank zij haar macht en haar hooge ontwikkeling, in staat geweest een dergelijk theater te stichten. Het waren steden als Syracuste, Catania, Segesta, Gela, Agira en enkele anderen.
Wie, door denzelfden gids geleid als wij, het theater bezoekt, zal kalm het schitterend natuurtafereel kunnen genieten dat zich voor zijne oogen ontplooit, en zal in hem een uitstekend geleider vinden, die niet zal nalaten weer met dezelfde verontwaardiging te vertellen dat, nog geen halve eeuw geleden, de inwoners van Taormina de steenen uit het Teatro Greco haalden om er hunne woningen mee te bouwen, hij zal ook stellig wijzen op het verschil in den baksteen van voor 2000 jaar en den nieuwen tot restauratie gebruikten, die nu reeds verweerd is en afgebrokkeld.

Teatro Greco.
Het heeft ons dikwijls in Italië getroffen dat de gidsen met onvermoeiden ijver u alles trachten uit te leggen en begrijpelijk te maken, ja zelfs oogenschijnlijk nog in vuur en verrukking raken als stonden zij, evenals wij, voor het eerst vóór hun “monumento nazionale”.
En dit trof ons niet alleen op de minder bezochte plaatsen van Sicilië, maar evenzeer te Pompeï, te Rome en elders.
Met moeite scheiden wij van deze heerlijke en aangename plaats, maar er is nog zóóveel te zien dat wij ons hier niet langer mogen ophouden. Wel zijn het op nieuw gevallen grootheden die onze aandacht vragen, maar zij zijn zóó belangwekkend, zóó typisch, dat men nauwelijks den wensch in zich voelt opkomen ze anders te zien dan in den toestand waarin ze thans verkeeren. Zie de Badia Vecchia of oude abdij en het Palazzo del Duca di S. Stefano, die beide niet veel meer dan ruïnes zijn.
De Badia Vecchia vertoont nog hare fijne gothische spitsboog vensters, de reeds meergenoemde “merluzzi”, haar inlegwerk van zwart-bruine lava, dat men nog fraaier kan zien aan de dakomlijsting van het Palazzo S. Stefano uit de 15e eeuw.
Uit veel later tijd zijn kerk en klooster San Domenico uit de 17e eeuw, en eigenlijk de eenige meer moderne gebouwen van het plaatsje.
Het klooster is thans tot hôtel ingericht en maakt geen uitzondering op den regel, integendeel bevestigt weder het feit dat de monniken er bijzonder slag van hadden voor hunne kloosters de meest idylische plekjes uit te zoeken, waar zij, afgezonderd van de menschen, de natuur in al haar heerlijkheid konden genieten. Wie èn ligging èn hôtel heeft gezien, doet beter er in onze wintermaanden niet aan te denken, tenzij hij, ongevoelig voor Annie Vivanti’s blauwen hemel en zonneroes, de voorkeur geeft aan de [96] trieste en zonlooze dagen van ons vochtig vaderland.
Laat ons thans niet in den steek om, als echte haastige sight-seeërs, Taormina na een of twee dagen weer te verlaten. Ga nog eens mee naar Giardini en bekijk onderweg de oude saraceensche graven die als een hooge muur met nissen aan eene zijde onzen weg begrenzen. Ook zult gij op die wandeling wel gelegenheid hebben de siciliaansche karren eens te bezien, die trouwens door hun eigenaardige vorm en kleur wel niet aan uwe opmerkzaamheid zullen ontsnappen. Wij zouden ze het best kunnen vergelijken bij een van boven van voren en van achteren open vierkante bak op twee hooge wielen; zij zijn zonder banken, de koetsier zit op den bodem van zijne kar en laat zijne beenen vrij naar beneden bungelen. De wielen en de beide randen der zijkanten zijn hel geel geschilderd, terwijl de paneelen van beide zijden prijken met bonte voorstellingen, meer of minder goed van teekening, dan eens van schitterende steekspelen, een andermaal van bloedige veldslagen of bijbelsche tafereelen, zoodat men ze rijdende prenteboeken zou kunnen noemen. Ook aan den ezel of het paard zijn de kleuren niet vergeten. Het roode hoofdstel is fijn benaaid met zilveren lovertjes en kleurige kralen, op den kop en midden op den rug verheft zich een pluim in sprekende tinten, terwijl belletjes veelal voor de muziek zorgen.

Saraceensche graven.
Zoo nadert men Giardini dalend langs den breeden zig-zagweg, wandelend langs vijgen of amandelboomen, nu en dan verrast door de heerlijke geuren van bloeiende citroen- of sinaasappelboomen. En bij iedere bocht van den weg verandert ons uitzicht; wij zien de Etna met haar rookenden top, de zwarte lavamassa’s die tot op uren afstand voortgevloeid, donkere rivieren lijken die zich in zee ontlasten, of in het noorden de Straat van Messina, Calabrië, de uitgetande kust van Sicilië, waarlangs de spoor als kinderspeelgoed voortglijd, verdwijnend, verschijnend, tunnel in, tunnel uit.
Zoo genietende en bewonderende komen wij aan het strand en bieden geen weerstand aan de verzoeking een klein tochtje op zee te maken. Roeibootjes genoeg en geen gebrek aan overvragende roeiers die u gaarne naar de Grotta Amato of Grotta del Giorno zullen brengen. Roep hun uit de verte reeds toe dat gij geen Engelschman of Amerikaan zijt, wij durven u verzekeren dat hij u de helft zal vragen, en dat niet alléén, hij zal ook verrast opzien als hij zijn eigen taal hoort, en al hebt gij ook dikwijls moeite uit zijn eigenaardig dialect wijs te worden, gij zult toch na vijf minuten in een interessant gesprek gewikkeld zijn over zijn land, zijn gezin, zijn leven, zijn lijden. Opgewektheid zult gij bij hem niet vinden; de Siciliaan is over het algemeen somber; zang en lach der Napolitanen zal men tevergeefs bij hen zoeken, maar zijn fond is beter en hij is meer ontwikkeld. Trots kijkt hij uit de donkere oogen, ridderlijk is zijne houding.

Palazzo S. Stefano.
Moet ons zijne mindere opgeruimdheid verbazen als wij zijn land hebben gezien? Ons lachen zon en blauwe hemel toe, wij vinden de schitterende oude gebouwen en ruïnes interessant, de lavavelden en cactussen eveneens. Maar die onafzienbare rotsenmassa’s waarop dier noch plant kunnen leven, al die rivieren en stroompjes die des zomers hun waterlooze steenen bedding vertoonen, de menschen en kinderen moordende zwavelmijnen bij Caltanisetta, de alles vernielende druifluis die op onmetelijke velden allen wijnbouw onmogelijk maakt, hoe zouden die ons lijken als wij, in plaats van toeristen, bewoners van Sicilië waren? Maak u geen illusie dat heel Sicilië is als Taormina, en wie nooit dit liefelijk oord aanschouwde doch alléén Palermo bezocht, moet ook niet zijn Conca d’Oro of goudenschelp, de heerlijk groene vallei waarin die stad ligt, als bewijs van Sicilië’s vruchtbaarheid aanhalen. Neen, Trinacria deed ons dikwijls denken aan een vergeten, verongelijkt kind van het moederland Italië. [97]

Weg naar Castelmola.
Na het zeetochtje moet gij ook nog een dag de bergen met ons in, te voet of op een ezel, al naar verkiezing, maar raden doen wij u in deze niet. De keuze is moeilijk, wilt gij zelf zoeken waar op de steile bergpaden met vallende steenen uw voet te zetten, of wilt gij het overlaten aan uwen ezel, die, daar kunt ge op aan, nooit vallen zal maar altijd de beste plekjes zal weten te vinden. Maar dan moet gij het stootende gevoel er voor over hebben dat, vooral berg af, aller onaangenaamst is.
Tusschen twee muurtjes van los op elkaar gestapelde steenen, waarachter de wijnvelden liggen, bestijgen wij de trapsgewijze ruw aangelegde wegen. Links en rechts hooge cactussen zwaar van de rijpe cactusvijgen, een geliefkoosd volksvoedsel der Sicilianen, die ondoordringbare hagen vormen tusschen de verschillende bezittingen.
Wij wagen ons aan geen beschrijving van de cactus, overtuigd geen betere te zullen kunnen geven dan die van Selma Lagerlöf in haar “Wonderen van den Anti-Christ” waarin zij haar beschrijft als iets dat “strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën, op ’t hoofd en de ellebogen. Het was binnen en buiten ’t dal, het had slechts stekels en knobbels, had een mantel van spinnewebben en poeier op zijn pruik en leden zooveel als een worm. Wist Gaetano dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? De cactus was de beste toovenaar die op de Etna woonde.”
Ja, wat volgens de legende bedoeld was als een vloek voor Sicilië, is het ten zegen geworden. Volgens de overlevering toch meenden de Saraceenen geen beter middel te kunnen bedenken tot uitroeiing van de bewoners van Sicilië dan het invoeren en aanplanten van de cactus. Hare vruchten toch kunnen, wanneer men er niet aan gewend is, bij onmatig gebruik den dood veroorzaken. Doch de Sicilianen vielen niet in de hun gespannen strik; zij begonnen met de cactusvijgen met mate te gebruiken en eerst toen zij er behoorlijk aan gewend waren, werden zij langzamerhand een volksvoedsel. De prijs is vier stuks voor twee centimes, wel een bewijs hoe overvloedig zij zijn, en het is dan ook niet ongewoon er 60 à 80 op één dag van te verorberen. De flauwe smaak bracht ons niet in verzoeking er ons aan te buiten te gaan. Als een aardige bizonderheid zij hier nog vermeld dat wij ze later eens te Hamburg in een delicatessen-winkel zagen liggen, doch daar kostten zij 72 cents per stuk, dus 288 maal zoo duur!—De naam “fighi d’India” vindt dus zijn oorsprong in den invoer van de cactus uit het land der Saraceenen, dat de Sicilianen India noemden.—En Selma Lagerlöf noemt haar met recht den toovenaar van de Etna omdat, wanneer de velden op dien berg door lava onbruikbaar zijn geworden voor wijn- of landbouw, zij beplant worden met cactus, die den grond breekt en allengs weder geschikt maakt voor andere doeleinden.
Na een uur stijgens bereiken wij Mola, een klein [98] dorp op den top van een kale rots. Reeds op den weg buiten om den steilen steenklomp, door de oude vervallen poortjes, genoten wij het verrukkelijk vergezicht, dat nog ruimer werd op het zonnig dorpspleintje. Maar hoezeer ons het panorama bekoorde, wij zouden het niet wenschen ten koste van Mola als woonplaats. Ongeplaveide niet meer dan 1½ meter breede straten, die nauwelijks den weidschen naam straat verdienen, liggen tusschen de armelijke en schamele huisjes; logge zwarte varkens loopen overal onbeheerd rond of liggen zich midden in de straat in het zonnetje te koesteren. Treurig is het gezicht op de kale, bruin gekleurde wijnvelden, waar de gevreesde druifluis alles heeft verwoest en de bewoners heeft verarmd. Een oude man, die ons van de tallooze kinderen wilde verlossen die zich tot gids hadden opgeworpen, vertelde ons van zijn vreeselijken achteruitgang, hoe hij vroeger jaarlijks 100 H.L. wijn verkocht voor 20 lire per H.L. en nu niets meer. De alles vernielende philoxera had niets gespaard.
Vijf, zes kinderen huppelden aan alle kanten om ons heen, aangevoerd als hoofdwegwijzers door Saviotto Francesco di Francesco en zijn nichtje Angela, een donker gebrand bruinoogig kind van een jaar of tien. Saviotto beklaagde zich over zijn weinige kennis van vreemde talen en vertelde ons vol trots van een neefje dat gids kon zijn in ’t fransch, duitsch en engelsch. Op een der vele varkens wijzend zeide hij: ik weet alleen pig, schwein, cochon en wat de signore op zijn neus heeft zijn spectacles. Half smeekend vroeg hij ons of wij hem niet een fransche grammatica wilden sturen, want genoemde neef had boeken en die had hij niet. Angela vroeg ons voor iederen persoon dien wij tegenkwamen om een soldo, en het scheen wel of iedereen familie van haar was.
“Da un piccolo soldo a mia sorella” (geef een stuivertje aan mijn zusje). Twee minuten later: “Da un piccolo soldo a quest’ uomo, è mio nonno, non vede dagli occhi” (geef een stuivertje aan dien man, hij is mijn grootvader, hij ziet niet uit zijn oogen). Haar eigen woning voorbijgaande “Ecco la mamma e il piccolo fratello, da loro un piccolo soldo”, en zoo ging het maar door. Op ons uitgangspunt teruggekeerd waar drijver en ezel wachtten, stond een groot gedeelte van de kinderbevolking om ons heen en de tevredenheid was algemeen toen een regen van piccoli soldi op de vuile handjes nederdaalde. Nog lang daarna hoorden wij hun gejuich en hun geroep van “buon giorno, buon giorno, buon viaggio, a rivederci!”
Saviotto’s laatste woorden waren: “mandatemi un libro francese, si sa il nome, per indirizzo basta Mola presso Taormina”. (Zend mij een fransch boek, gij weet mijn naam, als adres is voldoende Mola bij Taormina). Aan zijn wensch hebben wij voldaan en hem later uit Holland een fransch-italiaansche grammatica toegezonden, maar of zij in zijn bezit is gekomen en of hij ijverig studeert, dat hebben wij tot onze spijt nooit gehoord.
Van Mola gaat de tocht opwaarts naar den top van de Monte Venere, waar alweder een veelomvattend, overschoon uitzicht onze moeite ruimschoots beloont. Daar ziet men niet alleen de blauwe zee, de bergen van Calabrië, de dorpen en stadjes langs de kust, het grootsche massief van de Etna, maar ook het golvend binnenland met zijn eindelooze bergreeksen in het blauwend verschiet. Langen tijd verdiepen wij ons in de aanschouwing van dit grootsche tooneel, tot onze steeds langer wordende schaduwen en het blijkbare ongeduld van onzen ezeldrijver ons waarschuwen dat het tijd wordt naar Taormina af te dalen.
Terug dus naar Hôtel Victoria en een plaatsje gezocht op een der vele terrassen om daar plannen te maken voor verdere tochten. Wij ondervinden hier in Taormina weer hoe moeilijk het is aan zijne oorspronkelijke plannen getrouw te blijven, en geen gehoor te geven aan verleidelijke voorstellingen van medereizigers die ons nieuwe heerlijkheden voorspiegelen van andere oorden doch die buiten ons bestek liggen, al worden die dan ook afgeschilderd als nog mooier en interessanter dan wij tot dusver zagen. Zoo staan wij nu voor de moeilijke keus of wij het binnenland zullen ingaan, de kust zullen volgen of om de Etna trekken.
Na rijp beraad kiezen wij dezen laatsten weg en besluiten met de Circum-Etneaspoor om en over de Etna een bezoek te brengen aan Catania en langs de kust terug te keeren naar Taormina.
Andermaal dalen wij langs den heerlijken zig-zag weg af naar Giardini en sporen van daar naar Giarre. Hier geen dorre omgeving zooals bij Mola, geen braakliggende landen; vruchtbare wijnvelden liggen aan beide zijden van de spoorbaan, het oog verlustigt zich in het warme donkergroen der uitgestrekte citroen-aanplantingen en in het diepe blauw van de zee.
Wij stappen te Giarre over in de Circum-Etneaspoor, het kleine armelijke rammelende treintje, dat in 5½ tot 7½ uur Catania bereikt. De wagens van dit spoortje hebben de bizondere eigenaardigheid dat een eens gesloten raampje niet meer geopend en een geopend niet gesloten kan worden; de deuren gaan aan hetzelfde euvel mank. De stations, veelal uit lava opgetrokken, verkeeren in den meest armoedigen en primitieven toestand en wij kunnen een gevoel van deernis niet onderdrukken met de ongelukkige aandeelhouders in deze onderneming. Eene aangename gewaarwording daarentegen maakt zich onwillekeurig meester van hem die zonder ongevallen ter bestemmingsplaats is uitgestegen, na over de slecht-liggende rails op de woeste lavavelden te zijn gehobbeld. Intusschen de weg dien men aflegt doet alle ongeriefelijkheden zoo niet vergeten, dan toch getroost dragen.
Reeds dadelijk na het verlaten van Giarre begint de baan aanmerkelijk te stijgen en al spoedig bevinden wij ons tusschen de lava. Een bruinzwarte dikke vloeistof in haar loop plotseling tot steen gestold, een donkere hardgeworden zee met hare golven en kolken, alom de meest phantastische krullen en vormen vertoonend, omringt ons aan alle zijden. Van afstand tot afstand is de steenharde lava geschikt gemaakt voor den wijnbouw en in vruchtbare velden herschapen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt komt bij deze bewerking een eereplaats toe aan den “toovenaar van de Etna”, aan de Cactus die, hoe [99] raadselachtig het moge schijnen, die harde massa weet te doorbreken en weder aarde weet te vormen in dezen, voor menschen onbewerkbaren grond. Als zij haar eerste werk verricht heeft, plant men de brem die de lava nog meer doorbreekt en scheurt, ten slotte de vijg die alles uit elkaar rukt en den grond weder geschikt maakt voor den wijnbouw. Een boeiend schouwspel vormen de plotselinge overgangen van de meest desolate wildernissen tot de groene en vruchtbare landouwen en omgekeerd weder van deze in een streek van verschrikking en verwoesting.
Voortdurend stijgt de spoor, links ziet men op tegen den berg, rechts wordt het uitzicht op het golvend binnenland al fraaier en fraaier. Wij gaan dwars door den inktzwarten lavastroom van 1879, gevloeid uit den meest noordelijken krater van de Etna, stijgen hooger en hooger en bereiken na 2½ uur sporens op een hoogte van 750 M. het stadje Randazzo.

Tusschen de wijnvelden.
Al spoedig blijkt ons dat wij hier worden verwacht. Een station vroeger stijgt een jongmensch in den trein en vraagt ons of wij de Hollanders zijn die naar Randazzo reizen. Niet weinig verbaasd kijken wij elkander aan, doch al spoedig komen wij tot de ontdekking dat een Belg en zijne vrouw, met wie wij te Taormina kennis maakten, ons bezoek hebben aangekondigd in den Albergo Italia. De hôtelhouder, bevreesd dat de zeldzame gasten zijn eenigen concurrent zouden bevoordeelen, zond ons zijnen boodschapper tegemoet, om zeker te zijn dat wij hem niet zouden ontsnappen. De jonge man, waarschijnlijk bevreesd dat de jongen van het andere hôtel de lucht van zijn plan zou krijgen, had zich van twee petten voorzien, en eerst toen hij zich van ons bezit had verzekerd, werd zijn gewone pet voor zijn hôtel-pet verwisseld en trad hij als officieel persoon voor ons op.
De Belgen, die Sicilië reeds vroeger hadden bereisd en dus het klappen van de zweep kenden, hadden hunne komst te Randazzo vooraf aangekondigd en den hôtelhouder ook op ons bezoek voorbereid, daar wij dan allicht de kamers iets schooner zouden vinden dan dit gewoonlijk voor onverwachte gasten is weggelegd.
Onbevreesd dus wandelen wij met den jongen man naar den bewusten Albergo. Niettegenstaande de vreemde omgeving, hebben wij een oogenblik het gevoel of wij een hollandsch stadje binnentrekken, immers evenals daar te doen gebruikelijk is, stroomen ook hier de inwoners van alle zijden toe om onzen plechtigen intocht bij te wonen, er vormt zich achter ons een kleine optocht en begeleid door een flink escorte trekken wij voorbij het andere hôtel, welks eigenaar ons met donkere blikken nakijkt, en komen weldra aan voor een groot oud palazzo.—Breede marmeren trappen leiden naar een ruime vestibule op de eerste verdieping; het geheel getuigt alweer van vroegere weelde en grootheid, doch is thans overtogen door een waas van verarming en vervuiling. De waard heet ons welkom, laat ons in de groote eetzaal en vervolgens in onze daarop uitkomende slaapkamers. Het zijn alle groote en zeer hooge vertrekken met uitzicht op de Etna.
De hôtelier is blijkbaar niet zeker genoeg geweest van onze komst om daarvoor iets in huis te nemen of in gereedheid te brengen. Hij zit er erg mee in wat hij zoo op eens klaar moet maken, maar heeft gelukkig zooals een rechtgeaard Italiaan betaamt, macaroni in huis. Terwijl de jongen in ruwe aarden kannen water op onze kamers brengt, wordt met den heer waard overeengekomen dat hij ons gedurende vier en twintig uren zal herbergen en verzorgen en met den noodigen goeden wijn onze dorst zal lesschen voor de somma van zeven lire de persoon. Wij houden een nauwkeurige inspectie over slaapkamers en bedden, die na onzen eersten indruk van het hôtel gelukkig nog al meevallen, en wachten met belangstelling af welk maal men ons zal opdisschen.
Al spoedig worden wij aan tafel genoodigd en na een diep bord met macaroni en tomaten te hebben genuttigd, worden wij onthaald op kip. De waard blijft heen en weer loopen, vraagt telkens belangstellend of het smaakt en herinnert ons herhaaldelijk aan het feit dat wij op het land zijn, waar men geen hooge eischen kan stellen. Wij verklaren ons dan ook volkomen tevreden, doch van de oogenblikken dat de man zich omdraait maken wij behendig gebruik om eenige varkens, die onder de ramen loopen te knorren, mee te laten genieten van de ongare kip. ’s Mans verbazing moet groot geweest zijn zelfs de beentjes niet op onze borden terug te hebben gevonden, doch of hij dit heeft toegeschreven aan [100] hollandsche zeden, hij heeft met italiaansche wellevendheid over de zaak gezwegen. Intusschen laat u door dergelijke kleinigheden toch niet afschrikken een nacht in Randazzo te blijven, niet alleen dat het stadje zelf een bezoek overwaard is, maar tenzij gij vóór dag en vóór dauw op weg wilt gaan, moet gij er dit voor over hebben, indien gij de Circum-Etnea toer geheel bij daglicht maken wilt.
En nu de stad in. Randazzo is de plaats die het dichtst nabij den Etna-krater gelegen is. Het dateert uit de middeleeuwen, heeft een bevolking van ongeveer 12000 zielen, en is grootendeels uit lava gebouwd. Hoewel deze hier en daar is beschilderd hebben de gebouwen die hun oorspronkelijke kleur behielden een somber en droevig aanzien. Aan al die bruin-zwarte kerken, scholen en huizen, aan die vervallen gebouwen die nooit worden opgeruimd, maar overal als ruïnes blijven staan, kan zelfs de italiaansche zon geen vroolijk tintje geven. Wij bezoeken de hoofdkerk de Santa Maria, een gebouw uit de dertiende eeuw, met een negentiende eeuwsche toren in den stijl van de kerk opgetrokken. Oude paleizen als dat van Baron Fisauli, het palazzo Finochiaro, het stadhuis trekken onze aandacht en zijn nog een sieraad van de stad. Het vroegere hertogelijke paleis is in een gevangenis veranderd en de hôteljongen wijst ons de puntige ijzers die uit den gevel steken en waarop men vroeger de hoofden der onthalsden ten toon stelde.

Bloeiende amandelboomen.
De kerk San Nicolo is geheel van steen gebouwd met vroolijke afwisseling van witte en zwarte kleur en komt dus aangenaam uit tegen de sombere omgeving. Van de hoofdstraat bereikt men die kerk door een zeer fraaie overwelfde gang.
Onze waard had ons medegedeeld dat een rijk particulier, Baron Vagliasindi del Castello, eigenaar was van een groote verzameling oudheden, een waar museum vormend. Wij zenden dus onzen jongen naar hem toe om belet voor ons te vragen, en komt deze ons spoedig berichten dat wij welkom zullen zijn. Met groote vriendelijkheid worden wij ontvangen door den heer des huizes die ons zelf zijne schatten wil laten zien. Een aangenaam onderhoud ontspint zich waarin de heer Vagliasindi ons mededeelt dat hij behalve grondbezitter en oeconoom ook oculist is. Hij heeft te Parijs gestudeerd, doch tot nu toe was het hem nog niet gelukt zijne fransche vrienden over te halen hem in het binnenland van Sicilië te komen bezoeken; de Franschen, zegt hij, beschouwen Sicilië nog als het land van roovers en van de Maffia, waar geen christenmensch zich wagen kan, en hij constateerde met genoegen dat de Hollanders op dat punt meer verlichte begrippen hadden. Op onze vraag of er dan werkelijk van al die verhalen niets waar is, deelt hij ons mede dat de toestand werkelijk niet rooskleurig genoemd kan worden, doch dat reizende vreemdelingen niets te vreezen hebben zoolang zij stil huns weegs gaan, zich niet te veel bemoeien met het volk en vooral geen nieuwsgierige vragen doen of een kijkje willen nemen in de woningen. Dan [101] krijgt men argwaan, beschouwt die indringers als lieden door het gouvernement gezonden om na te gaan of er ook nog nieuwe belastingen kunnen worden opgelegd, en zou men hen misschien een leelijke kool stoven. Geheel anders echter wordt de zaak voor grondbezitters en landheeren, die moeten steeds op hun hoede zijn, zich niet ongewapend of onverzeld te ver van hun veilige woonplaats wagen, willen zij niet de kans loopen te worden opgelicht en slechts tegen een flink losgeld te worden vrijgelaten.
Het museum van onzen vriendelijken gastheer, uitsluitend bestaande uit voorwerpen, op zijne eigene bezittingen opgegraven, is werkelijk overrijk en belangwekkend en bevat grootendeels dezelfde zaken die men bij duizenden ziet in de musea van Palermo, Messina en de andere steden van Sicilië. Lange reeksen grieksche en phoenicische vazen en aardewerk, vele overblijfselen uit het steenen en bronzen tijdperk, hamers, pijlpunten enz. twee prachtige gouden slangen, waarschijnlijk armbanden, ontelbare romeinsche lampjes en beeldjes en eenige arabische voorwerpen. Met groot geduld wordt ons alles uitgelegd en vertoond en men kan aan alles merken dat wij den wellevenden Italiaan met ons bezoek een groot genoegen doen.

Serenade.
Daar wij nog een paar uur daglicht te goed hebben, wandelen wij de stad uit een landweg op, knoopen hier en daar een praatje aan met dezen en genen die ons daartoe ’t meest geschikt voorkomt, om zoodoende nog eens iets meer te hooren aangaande de bewoners dezer lava-stad. Zij zijn voor een groot deel landbouwers en het is een eigenaardige bizonderheid van Sicilië dat die niet evenals bij ons op het land wonen, maar zooveel mogelijk in de steden. Zij, die hun land in de nabijheid dier steden hebben, verlaten des morgens vroeg hunne woonplaatsen en keeren daarin des avonds terug. Anderen wier landerijen op grooter afstand zijn gelegen, gaan des Maandags ochtends daarheen, bewonen de geheele week hunne armelijke steenen hutjes en komen Zaterdagavond weer naar de stad om den Zondag bij vrouw en kinderen te slijten.
Het is de moeite waard bij het vallen van den avond deze schilderachtige figuren naar de stad te zien terugkomen over den ouden heirweg van Messina naar Palermo die langs Randazzo loopt. Dan een landheer hoog te paard, zijn mantel tot op zijne voeten afhangende, in gestrekte galop, dan een tweewielig wagentje getrokken door een muildier dat moeite heeft de talrijke passagiers voort te zeulen, dan een ezel niet zelden bereden door twee of drie volwassen mannen en bovendien beladen met eenige takkenbossen of zakken hooi. In eindelooze karavaan trekt dit alles aan ons oog voorbij en eerst als het bijna volslagen duister is, begint de stroom te minderen en keeren wij terug naar ons hôtel. Daar worden wij blijkbaar niet verwacht, want op onze komst geraakt alles in rep en roer, de waard roept: licht, licht, vlug! en boven aan de trap verschijnt een klein petroleumlampje waarmee men ons voorlicht naar de eetzaal.
Tot onze verbazing bericht hij ons dat er bezoek voor ons is geweest en overhandigt ons ieder een reusachtig groote visitekaart. Het was de Heer Vagliasindi del Castello die ons met ouderwetsche hoffelijkheid een uur geleden een contra-bezoek had gebracht.
Na een avondmaaltijd, niet veel beter dan het diner, gaan wij nog even genieten van den prachtigen avond en het natuurgenot doet ons alras de kleine hôtelmisères vergeten. Een heldere, diep-blauwe hemel, waarin de sterren schitteren met veel grooter glans dan wij dit in onze waterachtige atmosfeer gewend zijn, welft zich boven de Etna die met haar pluim van rook daar zoo vredig ligt alsof zij nooit eenig onheil had gesticht.
De waard roemt zichzelf als uitstekende gids, hij vertelt van zijn verschillende tochten, van de uitmuntende paarden, muildieren en tenten die hij te zijner beschikking heeft. Maar als wij hem voorstellen den volgenden dag met ons zijn trots, zijn Etna te beklimmen, dan weigert hij. Hij schijnt op ons voorstel niet in ’t minste verdacht te zijn, want plotseling krijgen zijne verhalen een ander tintje. In dezen tijd van het jaar de Etna op, waaraan denken wij! Het is veel te koud, storm en sneeuwjachten kunnen ons overvallen! Vooral de koude schijnt hij te vreezen en voor geld noch goede woorden is hij tot de excursie te bewegen.
Hoe aanbevelenswaardig een bezoek aan Randazzo ook moge zijn, zonder al te veel hartzeer zal me