The Project Gutenberg EBook of Magie bij de Grieken en de Romeinen
by Karel H.E. de Jong

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Magie bij de Grieken en de Romeinen

Author: Karel H.E. de Jong

Release Date: March 1, 2005 [EBook #15215]

Language: Dutch

Character set encoding: UTF-8

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GRIEKEN EN DE ROMEINEN ***




Produced by Miranda van de Heijning, Frank van Drogen and the Online
Distributed Proofreading Team.






VOLKSUNIVERSITEITS

BIBLIOTHEEK

onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."
Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, Voorzitter; Prof. Dr. Ph. KOHNSTAMM, Amsterdam, Ondervoorzitter; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; IR. J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, Secretaris.
7
HAARLEM DE ERVEN F. BOHN 1921

DE MAGIE

BIJ DE GRIEKEN EN ROMEINEN


DOOR

Dr. K.H.E. DE JONG,

Privaat-docent aan de Rijks-Universiteit te Leiden.




VOORREDE.

De magie is in wezen handelen, actief optreden bij uitnemendheid en wel met behulp van wonderbaarlijke of wonderbaarlijk werkende middelen, zij doet blijken dat de mensch krachten bezit, die buiten het bereik van de algemeen erkende zintuigen vallen; zij leidt tot de overtuiging dat onze ziel den "dood" overleeft en dat er nog andere intelligenties zonder cellichamen bestaan. Wat de religie betreft, deze onderscheidt zich van de magie hoofdzakelijk daarin, dat zij tegenover de "hoogere" machten uitteraard eene passieve houding aanneemt, een onderscheid, dat zich echter niet streng laat doorvoeren, zooals bijv. het gebed in vele gevallen beslist een actief karakter draagt. De mantiek, d.w.z. het om raad vragen en uitvorschen van de toekomst buiten de rede om, wijkt eveneens door haar passief karakter van de magie af, maar ook hier is de grens niet scherp te trekken, daar immers de magie vaak ter wille van de wichelarij wordt beoefend.

Wij vatten voorts de magie meer in individueelen zin op en roeren daarom bijv. de zg. mysteriën, die immers in den grond der zaak officiëele magie waren, niet dan bij uitzondering aan. Bij de indeeling van de gegeven stof laten wij ons door historische gezichtspunten leiden. Hoofdstuk I behandelt den tijd tot ± 450 v. Chr., het tijdperk van het naïeve geloof, hoofdstuk II den tijd van ± 450 v. Chr.—± 100 v. Chr., waarin het ongeloof bovendrijft, hoofdstuk III den tijd van ± 100 v. Chr.—± 50 n. Chr., waarin de kentering intreedt en het ongeloof terugwijkt; hoofdstuk IV den tijd van ± 50 n. Chr.—± 200 n. Chr., waarin de nederlaag der ongeloovigen niet meer te loochenen valt, en hoofdstuk V de laatste eeuwen der oudheid, ± 200 ± 500 n. Chr., waarin het geloof door de wijsbegeerte wordt gerechtvaardigd.

Hypothesen wantrouwende bepalen wij ons er hoofdzakelijk toe den lezer met de bronnen zelve in kennis te stellen. Wij hebben daarom getracht de citaten, hoe moeilijk, ja zelfs raadselachtig deze vaak zijn, zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen. Ook hierbij hebben wij, zooals van zelf spreekt, ons den arbeid onzer voorgangers ten nutte gemaakt. In de vertaalde teksten staan onze eigene toelichtingen tusschen [ ].

Het is mij eene aangename plicht, in de eerste plaats Prof. Dr. J. de Zwaan, en verder Dr. C. Brakman en den Heer W. C. Cape, voor de nuttige wenken, die ik van hen ontving, mijn hartelijken dank te betuigen.

Den Haag. K. H. E. de Jong.




INHOUD.

Blz.

VOORREDE.
INLEIDING.
HOOFDSTUK I. Het naïeve geloof
HOOFDSTUK II. Het bovendrijvende ongeloof
HOOFDSTUK III. Kentering
HOOFDSTUK IV. Nederlaag der ongeloovigen
HOOFDSTUK V. Het geloof gerechtvaardigd door de wijsbegeerte
Slotwoord.
REGISTER.
ADENA.
NOTEN



INLEIDING.

De magie hangt samen uit allerlei bestanddeelen, die het uiterst moeilijk is, uit elkaar te halen, te meer, daar zij immers vaak met de wichelarij, die wij zooveel mogelijk uitschakelen, dooreen is geward. Toch laten zich enkele onderscheidingen van principiëelen aard maken. Het staat bijv. vast, dat tal van tooverpractijken overleefsels (survivals) zijn, die het nageslacht in toepassing brengt zonder den waren zin ervan te begrijpen. Als wij, zooals immers vaak geschiedt, iets "afkloppen", dan denken wij er niet bij, dat dit kloppen oorspronkelijk de bedoeling had, om afgunstige en gevaarlijke geesten of demonen op de vlucht te drijven. Vaak maakten die overleefsels vroeger deel uit van de eene of andere religie, zooals o.m. de doodenbezwering, die ook in de classieke oudheid voorkwam, op een vroeger tijdperk van doodenvereering duidt. Dikwijls echter klampt de tooverij zich ook aan een nog bestaanden godsdienst vast en zijn nog heerschende religieuze plechtigheden in wezen magisch. Wie bijv. eene hostie bij zich draagt, om zich daardoor voor gevaren te beschermen, drijft tooverij met een bestaand cultusvoorwerp, en de consecratie zelf, waardoor, volgens de kerkleer, de substantie van het brood in de substantie van het lichaam des Heeren verandert, is, uit een oogpunt van godsdienstgeschiedenis, magie. Vaak echter hebben magische handelingen niets met eene ondergegane of bestaande religie te maken en dienen zij slechts om verbazing te wekken, ja, om er geld uit te slaan. Men denke bijv. aan de publieke vertooningen van "telepathie", zooals ze onlangs ten onzent de grootste belangstelling wekten, vertooningen die overigens met telepathie in den strengen zin van het woord niets te maken hebben. En zoo ontbrak het ook in de oudheid niet aan "toovenaars", die op de markt aan nieuwsgierige toeschouwers voor "weinige stuivers" hunne kunststukjes lieten zien.

Wat de opvattingen betreft, die men in de oudheid van de magie had, ligt het voor de hand, dat men, afgaande op de laatst vermelde practijken, haar veelal als eene soort bedrog, hetzij van groven, hetzij van meer verfijnden aard beschouwde. Waar dit niet opging, maakten de ongeloovigen zich liefst met het een of andere groote woord er van af, als bijv. "deisidaimonie", en "superstitie", beide vrijwel equivalenten van de ten onzent geliefkoosde uitdrukking "bijgeloof". Diegenen echter, die de magie als iets supranormaals beschouwden, stelden zich meestal tevreden met een onderscheid te maken tusschen de magie in ongunstigen en in gunstigen zin, waarbij men de eerste meer bepaaldelijk goëtie, en de laatste sinds de tweede eeuw na Chr. bij voorkeur theürgie noemde. Het lag echter in den aard der zaak, dat dit onderscheid niet altijd streng in acht werd genomen. De doodenbezwering bijv., ging voor ongeoorloofd of voor geoorloofd door naar gelang men zich hierbij van afkeerwekkende of van onaanstootelijke middelen bediende. Denkers, die zich niet met een diergelijk op ethische gronden berustend onderscheid vergenoegden, legden bij hunne pogingen om de magie te verklaren, den nadruk hetzij meer op het bestaan van geheimzinnige krachten in de menschen en in den kosmos, hetzij meer op de inwerking van bovenmenschelijke wezens.

In onzen tijd heeft de poging om het alom voorkomende verschijnsel der magie te verklaren, tot diep gaande en ingewikkelde theorieën aanleiding gegeven. Dat met enkel bedrog, hoewel bedrog op dit gebied ongetwijfeld eene groote rol speelt, zich op lange na niet alles laat verklaren, is zeker, en ook, dat men met groote, maar, alles wel beschouwd, zinledige woorden als "bijgeloof" evenmin verder komt. Men beschouwt de magie thans hoofdzakelijk als het onvermijdelijke resultaat van het nog onlogische en niet wetenschappelijk geschoolde denken der primitieve volkeren, terwijl men haar ook wel eens opvat als eene reactie tegen een "hoog" religieus standpunt, reeds in overoude tijden ingenomen. Verder zijn het thans voornamelijk twee theorieën, die elkaar den voorrang betwisten. In de eerste plaats de "animistische", volgens welke er ook buiten de menschheid om "zielen" of "geesten" bestaan, zelfs in voorwerpen, die wij heden ten dage als levenloos beschouwen. Hierbij valt de nadruk op het onloochenbaar verband tusschen het geloof aan "geesten" of "zielen" en tooverij. Daarentegen vestigt de "praeanimistische" theorie de aandacht op het wijd verspreide geloof van eene niet-individueele "levenskracht" door welke de tooverij wordt verondersteld te geschieden. De aanhangers dezer theorie beroepen zich te recht op het feit, dat bij vele magische handelingen niet aan den bijstand of zelfs het bestaan van "geesten" of "zielen" wordt gedacht. Beide theorieën sluiten elkaar echter volstrekt niet uit, zooals immers ook in onze dagen het geloof aan "geesten" met het geloof aan het "magnetische fluïde" of "dierlijk magnetisme" bij zeer velen goed samengaat. In elk geval is bij diergelijke theoretische overwegingen groote voorzichtigheid aan te bevelen, aangezien wij immers het zieleleven der huidige primitieve volkeren niet dan hoogst onvolledig kennen en aangaande de volkeren uit overoude "praehistorische" tijden in hoofdzaak op vrij onzekere gissingen zijn aangewezen. Maar niet alles in de magie berust op bedrog of op foutief denken; zij steunt ook, althans in vele gevallen, op een grondslag van "psychische" feiten, zooals men het nu pleegt te noemen. Dat door hallucinaties, hypnose, verbaalsuggestie en autosuggestie veel te verklaren is, wordt al lang toegegeven. Men dient echter nog verder te gaan en zekere feiten, wier lang ontkende realiteit nu toch meer en meer blijkt, als bijv. de mentale suggestie of telepathie en de helderziendheid er bij te trekken; ook de werking van psychische centra buiten den mensch om is althans niet a priori af te wijzen. Dat bij deze onderzoekingen de grootst mogelijke critische voorzichtigheid behoort te worden in acht genomen, behoeft geen betoog. In elk geval moeten wij echter dit principe als onomstootelijk aannemen; daar de magie een complex is van allerlei heterogene bestanddeelen, moet zij ook door de samenwerking van verschillende theorieën worden verklaard.


LITTERATUUR.


a. Van algemeenen aard,

H. Schurtz, Urgeschichte der Kultur (1900).

A. Lang, Magie and religion (1901),

*Zöckler, s.v. Magier, Magie, in Herzog, Realencyklopaedie f. protest. Theol. u. Kirche, 3e uitg. XII (1903).

A.C. Haddon, Magie and Fetishism (1906), in Religions, ancient and modern.

Mgr. A. le Roy, La religion des primitifs (1909).

N.W. Thomas, s.v. Magie, in Encyclopaedia Britannica, 11e uitg. XVII (1911).

Arendzen, s.v. Occult art, occultism, in The Catholic Encyclopaedia XI (1911).

*Frazer, The golden bough, 3e uitg. 1911 - 1915.

R. Dussaud, Introduction à l'histoire d. religions (1914).

K. Beth, Religion und Magie bei den Naturvölkern (1914).

R.R. Marett, s.v. Magie (Introductory), in Encyclopaedia of Religion and Ethics VIII (1915).

A. Jeremias, Allgemeine Religionsgeschichte (1918).


b. Over "Animisme."


L. Frobenius, Aus den Flegeljahren der Menschheit (1901).

E.B. Tylor, Primitive culture, 4e uitg. (1903).

Goblet d'Alviella, s.v. Animism, in Enc. o. rel. a. eth. I (1908).

A.W. Nieuwenhuis, Die Wurzeln des Animismus. Eine Studie über die Anfange der naiven Religion nach den unter primitiven Malaiern beobachteten Erscheinungen, in Internat. Archiv f. Ethnographie, XXIV, Supplem. (1917).

B. Ankermann, Totenkult u. Seelenglaube bei den afrikanischen Völkern, in Zeitschrift fur Ethnologie 50e jrg. (1918).

G.W. Gilmore, Animism or thought-currents of primitive peoples (1919).


c. Over "Praeanimisme".


R.H. Codrington, The Melanesians (1891).

R.R. Marett, The threshold of religion, 2e uitg. (1914).

R.R. Marett, s.v. Mana, in Encycl. o. rel. a. eth. VIII (1915).

P. Saintyves, La force magique (1914).


d. Over "psychische" feiten.


J.A. Mac Culloch, The childhood of fiction, a study of folktales and primitive thought (1905).

*K.H.E. de Jong, Das antike Mysterienwesen in religionsgeschichtlicher, ethnologischer und psychologischer Beleuchtung, 2e uitg. (1919).

Aanm. De met * gemerkte boeken zijn ook voor 't vervolg van dit werk te raadplegen.




HOOFDSTUK I.

Het naïeve geloof.


De oudste en prachtigste gedenkstukken der Grieksche letterkunde, de heldendichten van Homerus (vóór de zevende eeuw) bevatten verscheidene episoden, waarin de magie onmiskenbaar op den voorgrond treedt.

In de Ilias, die den oorlog der Grieken tegen Troje verheerlijkt, lezen wij o.m. hoe Hera, de echtgenoote van den hoogsten god, Zeus, van Afrodite, de godin der schoonheid, den gordel leent, aan wien eene onweerstaanbare charme is verbonden, en Zeus zoodoende betoovert, teneinde hem te beletten, den Trojanen bijstand te verleenen (XIV, 153-351).

Veel sprekender is echter in dit opzicht de Odyssea, die de lotgevallen van koning Odysseus, een der Grieksche helden uit den Trojaanschen oorlog, bezingt.

Odysseus toch, de meest vindingrijke en meest volhardende van alle helden uit de classieke sagenwereld, raakt bij zijn avontuurlijken terugkeer uit Troje met zijn eenig overgebleven schip op een onbekend eiland verzeild, en stuurt de helft van zijne makkers op verkenning uit. Dezen bereiken het paleis van de toovenares Circe, wier liefelijk gezang tot hen doordringt en gaan, vriendelijk door haar uitgenoodigd, naar binnen, op één na, die uit wantrouwen achterblijft. En terecht, want Circe mengt onder het wijnmoes dat zij haren gasten voorzet booze kruiden, en verandert hen door aanraking met eene tooverroede in zwijnen. De eenige achtergeblevene makker, na tevergeefs te hebben gewacht, keert tot Odysseus terug en spoort hem aan, zoo spoedig mogelijk te vluchten. De held echter heeft daar geen ooren naar en gaat terstond geheel alleen er op uit om de verlorene makkers weer op te sporen. Onderweg ontmoet hem de god Hermes, de geleider van de zielen der overledenen, licht hem in, hoe hij het gevaar moet afwenden en verstrekt hem de geheimzinnige plant Moly als werkzaam tegenmiddel. Odysseus ledigt evenzeer den verraderlijken beker, maar weet zich ongemerkt van het tegengift te bedienen, en als Circe ook hem met de roede aanraakt, springt hij met getrokken zwaard op haar los, als om haar te dooden. Circe valt voor hem op de knieën, smeekt om genade, en biedt hem, als onderpand van trouw, haar liefde aan. Odysseus gaat daar echter niet eerder op in, voordat zij zich door een plechtigen eed gebonden heeft, geen arglist meer in 't werk te stellen. Op verzoek van den held, geeft Circe voorts aan zijne makkers de menschelijke gedaante terug, en de zwervelingen brengen nu een vol jaar op het toovereiland in vreugde en genietingen door.

Vóór hun vertrek echter gebiedt Circe Odysseus, zich naar 't doodenrijk te begeven en aldaar den ziener Tiresias omtrent zijn verderen terugkeer te raadplegen. Odysseus ziet daar zeer tegen op, maar Circe bemoedigt hem en geeft hem nadere inlichtingen over den tocht naar het doodenrijk en wat hij aldaar te verrichten heeft. De held vaart naar het doodenrijk, dat aan gene zijde der wereldzee ligt en gaat naar de plek, hem door Circe aangewezen. Daar graaft hij met zijn zwaard een kuil van eene el breedte en lengte, brengt daaromheen een plengoffer voor alle dooden, eerst van honig met melk gemengd, vervolgens van wijn, daarna van water en strooit er ten slotte wit meel op. Hij belooft aan de "wezenlooze hoofden der dooden" na zijn terugkeer naar Ithaca, zijn vaderland, eene allervoortreffelijkste koe te offeren, en een brandstapel met heerlijke gaven overladen te ontsteken, maar ter eere van Tiresias afzonderlijk een geheel zwarten ram, uitmuntende onder de anderen, te slachten. Hierna keelt hij een mannelijk en een vrouwelijk schaap, zoodat het bloed in den kuil vloeit en beveelt zijn makkers ze te villen en te verbranden, onder een gebed tot de goden van het doodenrijk, Hades en diens gade, Persephoneia. De dooden komen op, maar Odysseus posteert zich, altijd naar de voorschriften van Circe, met getrokken zwaard naast de groeve en laat geen der overledenen, zelfs zijne eigen moeder niet, het bloed naderen, alvorens Tiresias te hebben geraadpleegd. Tiresias, kenbaar aan zijn gouden staf, nadert, drinkt van het bloed en voorspelt aan Odysseus wat hem op zijn terugkeer en na zijn thuiskomst wacht. Odysseus laat vervolgens zijne moeder en ook andere overledenen van het bloed drinken en onderhoudt zich met hen[1].

Deze verhalen, hoe mythisch ook, zijn toch voor de magie der Grieken en Romeinen, of liever voor de magie van alle volkeren in de hoogste mate kenschetsend. Wij zien onwillekeurig welk een nauw verband er is tusschen tooverij en zinnelijke liefde. Wij leeren, dat de magie zelfs den toegang tot het doodenrijk vermag te ontsluiten. Voorts blijkt bij de doodenbezwering het hoofddoel te zijn, zich omtrent het heden en de toekomst nader te laten inlichten; vandaar dan ook de uitdrukking "necyomantie" of de meer gebruikelijke "necromantie", d.w.z. "doodenwichelarij".

In de geschiedenis is herhaaldelijk sprake van doodenbezweerders en doodenorakelen. Wij zullen hier enkele treffende gevallen vermelden, waarbij men zich tot genoemde bezweerders of instellingen wendde, ten einde den toorn van overledenen te verzoenen of bijzonderheden te weten te komen die aan de "levenden" onbekend waren.

De lierdichter Archilochus, vaak in één adem met Homerus genoemd, was, omstreeks 640 v. Chr., gesneuveld. Calondas die hem had neergeveld, wilde het orakel van Delphi raadplegen, maar de Pythia (profetes) verdreef hem, naar algemeen verzekerd werd, met de woorden:

"Weg uit den tempel met U, die gedood hebt den dienaar der Muzen!"

Toen hij daarop zich verontschuldigde als in noodweer te hebben gehandeld en wenschte dat hij maar liever zelf was omgekomen, werd hem geboden, zich naar het doodenorakel te Taenarum (in het Zuiden van de Peloponnesus) te begeven en de ziel van den dichter door smeekbeden en plengoffers te verzoenen. Calondas voldeed hieraan en werd toen tot Delphi toegelaten[2].

Melissa, de echtgenoote van Periander, tyran van Corinthe (omstreeks 600 v. Chr.) had van een vreemdeling een deposito ontvangen. Toen Periander, na haar dood, dit nergens vermocht te vinden, liet hij door middel van het vermaarde doodenorakel der Thesprotiërs (in Epirus) de overledene vragen, hem de plaats, waar het deposito verborgen was aan te wijzen. Zij weigerde echter zulks te doen en verzekerde, koude te lijden daar zij geen baat had van de kleeren die met haar wel begraven maar niet verbrand waren; tevens voegde zij er een identiteitsbewijs bij van zeer intiemen aard. De tiran, overtuigd dat hij inderdaad met zijne overledene vrouw te doen had, liet terstond de Corinthische vrouwen van hare gewaden berooven en deze in een kuil verbranden, waarop de schim van Melissa, voor de tweede keer opgeroepen, de plaats van het deposito aanwees. Het verhaal hieromtrent is bij Herodotus, den "vader der geschiedenis", te vinden (V, 92).

Ter loops zij hier opgemerkt, dat het een zeer oud en wijd verspreid gebruik is, om ter eere van overledenen kleedingstukken te verbranden. Reeds bij Homerus verzekert Andromache, de weduwe van den gesneuvelden Trojaanschen held Hector, zijne fijne gewaden als eerbetoon in 't vuur te zullen werpen (Ilias XXII, 510-514). Te Athene zoowel als te Rome was het verboden, meer dan drie gewaden te gelijk met den doode aan de vlammen prijs te geven. En nog in onzen tijd verbranden Joodsche pelgrims in een zeker dorp van Galilea op een bepaalden dag van 't jaar shawls en zakdoeken ter eere van overledene Rabbis.

Van Pausanias, sinds 480 voogd van een minderjarigen Spartaanschen koning, wordt bericht dat hij, tijdens zijn verblijf te Byzantium eene jonkvrouw, genaamd Cleonice, had willen verleiden en haar bij vergissing had gedood. Sindsdien werd hij onophoudelijk gekweld door de schim der verslagene, die hem in den droom verscheen en hem dreigend toeriep:

"Ga uwe straf tegemoet! Baldadigheid voert ten verderve!"

Hij nam, ten einde raad, tot het doodenorakel te Heraklea (in Klein-Azië aan de Zwarte Zee) zijne toevlucht, liet door allerlei ceremoniën en plengoffers de ziel van Cleonice bezweren en trachtte haar toorn te verbidden. Zij verscheen en zeide dat hij, te Sparta aangekomen, spoedig van zijne ellende bevrijd zou zijn, zinspelende, naar het schijnt, op het einde dat hem wachtte. Inderdaad werd Pausanias van verraad overtuigd en vluchtte hij, om de inhechtenisneming te ontgaan, naar een tempel, waarin men hem echter inmetselde en aan den hongerdood prijsgaf[3]. De Spartanen werden daarna eveneens door schrikwekkende verschijningen verontrust en daar het orakel hun gelastte de ziel van Pausanias te verzoenen, ontboden zij "psychagogen", d.w.z. doodenbezweerders, uit Italië, die een offer brachten en het schimbeeld uit het heiligdom verdreven[4].

Aangaande de liefdestooverij zij opgemerkt, dat men daarbij, zooals allereerst eene zinspeling van Pindarus, den verhevensten Griekschen lierdichter (eerste helft der vijfde eeuw) aanduidt[5], o.m. een vogel uit de familie der spechten, den draaihals (gr. iynx) op een rad (of schijf) bond en in eene zekere richting ronddraaide. Wij zullen in hoofdstuk II er een hoogst interessant voorbeeld van aanhalen.

Het spreekt vanzelf dat de magie zich niet bij de doodenbezwering en de opwekking of verdrijving van liefde beperkte, maar haren invloed op het geheele leven liet gelden. Door tooverij trachtte men ziekten te genezen—reeds de Odyssea (XIX, 457 vlg.) kent eene bezwering, die eene bloedende wond vermag te stelpen—, door tooverij een vijand te schaden, ja, zoo mogelijk, te dooden—waartoe men reeds vroeg van wassen beeldjes gebruik maakte—, door tooverij zelfs het weder en levenlooze wezens te beïnvloeden—zooals men van de Thessaalsche heksen vertelde, dat zij de maan van den hemel vermochten omlaag te trekken.

Aan de mythische figuur van den zanger Orpheus knoopte zich, ongeveer sinds het begin der zesde eeuw, eene geheele litteratuur vast, die in hooge mate een magisch karakter droeg. Orpheus zelf ging door voor een groot toovenaar. Orphische amuletten waren in omloop. De orphische tooverliederen riepen, naar het heette, gestorvenen weer in het leven terug, en bezielden levenlooze voorwerpen. Rondreizende profeten beweerden, door offers en allerlei andere ceremoniën, overeenkomstig de voorschriften van Orpheus, aan belanghebbenden de zaligheid in het hiernamaals te kunnen waarborgen.

Een historisch figuur daarentegen en wel uit de tweede helft der zesde eeuw v. Chr. is Pythagoras, de ascetische, aristocratisch gezinde, geheimzinnige hervormer, die ook als een magiër en wel voornamelijk een beoefenaar der doodenbezwering werd beschouwd. Aangaande zijn volgelingen waren soortgelijke geruchten—blijkbaar niet zonder reden—in omloop. De veelzijdige en geniale Siciliaan Empedocles (±495 - ±435), arts, staatsman, dichter, wijsgeer, wiens leeringen soms aan de evolutie-theorie doen denken, had eveneens de faam van wonderdoener, hetgeen zeer zeker niet in tegenspraak is met het volgende fragment waarschijnlijk uit zijn leerdicht "De natuur"[6]:

"Alle kruiden die er groeien om ziekten en ouderdom af te weren, zult gij leeren kennen, daar ik U alleen dit alles wil toevertrouwen. Gij zult het geweld der onvermoeide winden tot staan brengen, die zich tegen de aarde verheffen en met hun ademtocht de bouwlanden vernielen en omgekeerd zult gij, als gij het wilt, tot herstel van het evenwicht, de winden er bij roepen; gij zult eene donkere regenbui op tijd voor de menschen in droogte doen verkeeren; gij zult ook de zomerdroogte in stroomen herscheppen, die den groei der boomen bevorderen....gij zult uit de onderwereld de kracht van een gestorven man weer terugroepen."

Van de magie bij de oudste Romeinen weten wij slechts zeer weinig. Volgens latere berichten zou Numa Pompilius, de tweede, overigens legendaire koning van Rome, zich er op hebben toegelegd om, door middel van tooverij, de gestalten der goden in het weerspiegelende water te aanschouwen (hydromantie, d.i. waterwichelarij)[7] en zou zijn evenzeer legendaire opvolger, Tullus Hostilius, door een geheim offer Juppiter, den hoogsten god, getracht hebben op te roepen, maar wegens het niet in acht nemen van den juisten ritus door den vertoornden god met den bliksem zijn getroffen[8]. Zeker is het, dat de zoogenaamde wet der twaalf tafelen (ongeveer uit het midden der vijfde eeuw) dengene met straf bedreigde, die het veldgewas had betooverd of eene booze bezwering had uitgesproken.

Vatten wij de uitkomsten van ons onderzoek over de magie in de vroegste eeuwen der klassieke oudheid samen, dan valt te constateeren dat zij blijkbaar van meet af aan in Griekenland en Italië inheemsch was, dat zij wel is waar veelal angstvallig geschuwd en soms van rechtswege gestraft, maar ook in noodgevallen zelfs door regeeringen te hulp geroepen werd en dat, naar alle waarschijnlijkheid, slechts enkelen,—bijv. zeer zeker de pantheïst Xenophanes uit de zesde eeuw—hare realiteit in vollen ernst betwijfelden of ontkenden.



Litteratuur.


*D. Tiedemann, Disputatio de quaestione quae fuerit artium magicarum origo (1787).

*L. Georgii, s.v. Magie, in Pauly, Real-Encycl. d. class. Alt. IV (1846).

*Kroll, Antiker Aberglaube, in Samml. gemeinverst. wiss. Vorträge, N.F. Heft 278 (1897).

*K.H.E. de Jong, De Apuleio Isiacorum mysteriorum teste. Dissert. Leiden (1900).

*H. Hubert, s.v. Magia, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. T. III, 2 part. (1904).

*Gruppe. Griech. Myth. u. Rel. II (1906).

E. Samter, Die Religion der Griechen, in Aus Natur u. Geisteswelt Bd. 457 (1914).

*A. Abt, Die Apologie des Apuleius von Madaura u. die antike Zauberei, in Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Dieterich u. Wünsch, IV Bd. 2. Hft. (1908).

F.B. Jevons, Graeco-Italian Magie, in Anthropology a. t. classics. Six lectures edited by R.R. Marett (1908).

Bouché-Leclereq, Histoire de la divination dans l'antiquité (1879-1881).

*Bouché-Leclercq, s.v. Divinatio, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. T. II, I part. (1892).

*Dubray, Necromancy, in The Cath. Encycl. X (1911).

Mau, s.v. Bestattung, in Pauly, Real-Encyd. d. cl. Alt. 2e uitg. III (1899).

Frazer, Adonis, Attis, Osiris I (1914).

Gruppe, s.v. Orpheus, in Roscher, Lex. Mythol. III.

*Zeller, Die Philosophie d. Griechen I. 5e uitg. (1892).

*W. T(euffel), s.v. Iynx, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. IV (1846).

Gossen s.v. Iynx, in Pauly, Real-Encyd. d. d. Alt. 2e uitg. X (1919).

*R. Heim, Incantamenta magica graeca latina, in Jahrbücher f. class. Philologie, v. Fleckeisen, XIX Supplementb. (1893).

*Pfaff, s.v. Incantatio, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. 2e uitg. IX (1916).




HOOFDSTUK II.

Het bovendrijvende ongeloof.


De tweede helft der vijfde eeuw vóór Christus is de tijd der "sophisten", die, Griekenland in alle richtingen doorkruisende, onderricht gaven in welsprekendheid en in practische levenswijsheid. Zij oefenden scherpe critiek op de van oudsher heerschende opvattingen en de eminentste van hen, Protagoras, trok zelfs het bestaan der goden in twijfel. Waarschijnlijk heeft de twijfel aan de realiteit der magie zich inzonderheid van hen uit in ruimeren kring verspreid.

Toch was het nog langen tijd veel meer de angst dan de twijfelzucht, die de houding van het groote publiek tegenover de magie bepaalde. Dit blijkt zonneklaar uit de beschouwingen dienaangaande van den dichterlijken denker, die voornamelijk door zijn stijl zulk eene bekoring op het nageslacht heeft uitgeoefend, dat hij ook nu nog door velen als de grootste Griek wordt beschouwd—Plato uit Athene (±427— ±347).

Plato toch geloofde niet alleen dat bij de graven wel eens "schaduwachtige verschijningen" van overledenen, die een te materiëel leven hadden geleid, gezien werden;[9] hij spreekt ook van eene "kunst der bezweringen", "die eene betoovering is van slangen, spinnen, schorpioenen en andere dieren en ziekten"[10] en van eene "zwarte" magie, zooals men nu zou zeggen, die zelfs gezondheid en leven bedreigt.

In zijn laatste werk "De wetten" heeft hij het o.m. over schade, door vergif of tooverij toegebracht (XI 932e-933e):

"Het feit dat er twee soorten van vergiftiging onder het menschelijk geslacht gebruikelijk zijn, maakt de uiteenzetting hieromtrent langdradig. De eene n.l. is die, welke op natuurlijke wijze door lichamelijke middelen den lichamen schade berokkent; de andere die, welke door middel van zekere tooverijen, bezweringen en boeiïngen, zooals men 't noemt, werkt en zoowel aan boosdoeners de overtuiging geeft, dat zij iets diergelijks vermogen, als aan anderen het geloof, dat zij in de ergste mate door diegenen, die vermogen te tooveren, schade lijden. Het is niet gemakelijk, er achter te komen, hoe het met deze en diergelijke dingen eigenlijk gesteld is, noch, als men er achter kwam, doenlijk, anderen daaromtrent op overtuigende wijze in te lichten. En ook is het een onbegonnen werk, menschen, die om diergelijke redenen argwaan tegen elkander koesteren, te willen voorlichten, en als ze bijgeval wassen beeldjes, 't zij bij hunne deuren, 't zij bij driesprongen, 't zij bij de grafmonumenten hunner ouders zien, hen aan te sporen, niets om al dat soort dingen te geven, daar ze toch geen duidelijk inzicht dienaangaande hebben. Wij maken de wet in kwestie tweeledig en gaan in de eerste plaats iemand—op welk van beide manieren hij ook trachte schade te berokkenen—verzoeken en aanraden niet te probeeren iets diergelijks te doen en niet het gros der menschen als kinderen schrik aan te jagen en bang te maken, noch ook den wetgever en rechter te noodzaken de menschen van diergelijke angsten te genezen, daar in de eerste plaats hij, die probeert in dier voege schade te berokkenen, niet weet wat hij doet, zoowel wat de lichamen betreft, als hij geen verstand heeft van geneeskunde, als wat de tooverijen betreft, wanneer hij geen wichelaar of teekenuitlegger is. De wet aangaande vergiftiging en tooverij luide aldus: Indien iemand door vergif een ander persoonlijk of diens slaven eene niet-doodelijke schade toebrengt, of zijn kudden of bijenkorven hetzij eenige andere hetzij doodelijke schade berokkent, moet hij, wanneer hij een geneesheer is en wegens gifmengerij wordt veroordeeld, met den dood worden gestraft; als hij echter een leek is, moet de rechtbank uitmaken, welke straf of boete hij dient te ondergaan. Als iemand echter den indruk maakt van door boeiïngen of aantrekkingen of zekere bezweringen of door welke hekserijen van dien aard ook, schade te hebben berokkend, moet hij, als hij een wichelaar of teekenuitlegger is, sterven, als hij echter zonder kennis van wichelarij wegens tooverschade wordt veroordeeld, moet ook aangaande hem de rechtbank schatten, welke straf of boete hem haars inziens moet worden opgelegd."

Hoogst kenschetsend is ook het volgende (X, 909a-c):

"Wie het bestaan van goden of hunne voorzienigheid loochenen of gelooven dat ze te verbidden zijn en voorts tot het dierlijke vervallen en, de menschen verachtende, velen van de levenden verleiden en beweren de gestorvenen op te roepen en belooven de goden over te halen, d.w.z. ze door offers en gebeden en bezweringen betooverende, en zoowel particulieren als geheele families en steden ter wille van 't geld probeeren te gronde te richten,—wie hieraan blijkt schuldig te zijn, dien veroordeele de rechtbank om, overeenkomstig de wet, in de gevangenis in 't binnenland te worden opgesloten en dat nooit eenig vrij persoon toegang tot hem hebbe en dat hij de voeding, hem door de mannen der wet bepaald, uit handen van slaven ontvange; als hij sterft, dan moet men hem buiten de grenzen werpen en hem de begrafenis ontzeggen. En als een vrije hem helpt begraven dan mag wie maar wil hem wegens goddeloosheid aanklagen."

Wie hier ook maar eenigszins objectief tegenover staat, zal moeten erkennen, dat zelfs "de goddelijke" Plato zich door bigotterie en staats-fanatisme op de treurigste wijze heeft laten verblinden. Het is toch al te naïef, een kwaadwillige vaderlijk te vermanen zijn evenmenschen vooral geen schrik aan te jagen, en te onzinnig, gevangenisstraf te eischen voor diegenen, die eene geheele stad trachten te gronde te richten, maar de doodstraf voor hen, die aan een bijenkorf eene niet-doodelijke schade toebrengen! Zeer zeker is het voor Plato eene verzachtende omstandigheid, dat hij niet de laatste hand aan dit werk heeft kunnen leggen, maar eene zware verantwoordelijkheid rust op hen, die zulk verward en verderfelijk geschrijf—men denke slechts aan de heksenprocessen—gedurfd hebben te publiceeren.

Van Aristoteles (384—322), den universeelen en tevens nuchteren man der wetenschap, werd, zooals wij in hoofdstuk V nader zullen zien, verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende, en dit stemt ook met hetgeen ons van hem is bewaard gebleven, goed overeen. Echter heeft hij in zijn geschrift "Over het voorspellen in den slaap" erkend, dat wij somtijds in onze droomen de toekomst vooruitzien en in c. 2 getracht, de meest raadselachtige gevallen aldus te verklaren:

"Evenals wanneer iets het water of de lucht in beweging brengt, het bewogen gedeelte weer een ander gedeelte in beweging brengt en wanneer dat tot rust is gekomen, het voorkomt dat zulk eene beweging tot een zeker einddoel voortgaat, hoewel hetgeen de beweging veroorzaakte niet meer aanwezig is, aldus is er niets tegen, dat zekere bewegingen en gewaarwordingen de droomende zielen bereiken...en hoe ze ook tot [ons] geraakt zijn, 's nachts meer waarneembaar zijn, doordat ze, wanneer zij zich over dag voortplanten, eerder opgelost worden (want de lucht is 's nachts minder in beroering omdat er dan meer windstilte heerscht) en in het lichaam tengevolge van den slaap eene gewaarwording veroorzaken, omdat de slapenden meer dan de wakenden ook de kleine inwendige bewegingen gewaar worden. Deze bewegingen veroorzaken voorstellingen, waaruit men de, toekomst aangaande de betrokken voorwerpen vooruitziet."

"Dat kennissen het meest de toekomst van kennissen vooruitzien, komt door het feit dat kennissen het meest over elkaar bezorgd zijn. Want evenals ze elkaar uit de verte zeer snel herkennen en gewaar worden, aldus worden ze ook de [bovenbedoelde] bewegingen snel gewaar, want de bewegingen, die van kennissen uitgaan, zijn gemakkelijker kenbaar".

Men heeft opgemerkt dat volgens deze ietwat duistere verklaring een zeker rapport tusschen kennissen zou bestaan en dat derhalve aan Aristoteles het geloof aan "telepathie", d.w.z. "gedachteoverbrenging" of juister de overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, niet vreemd zou zijn geweest. Van hoe groot belang dit voor ons onderwerp is, zal spoedig blijken.

De Atomisten, die de ziel verklaarden voor een aggregaat van stofdeeltjes dat zich tegelijk met de ontbinding van het lichaam zou oplossen, werden gewoonlijk mede onder hen gerekend, die de realiteit der magie loochenden. Echter trachtte Democritus (± 400 v. Chr.) de grootste der atomisten, het geloof aan het "booze oog", dat nu nog in de landen om de Middellandsche Zee sterk leeft, te rechtvaardigen door zijne leer der "Idolen", d.w.z. ijle beelden, die door de lucht zweven en verklaarde hij het alomverspreide geloof aan goden door de verschijningen van reusachtige en lang levende, schoon niet onsterfelijke "Idolen"[11]. Er waren dan ook willekeurige hypothesen en ingewikkelde redeneeringen noodig om te ontkomen aan consequenties, die tot de realiteit van geestverschijningen en tooverij voerden. Ja, Epicurus (341-270) die de atoomleer tot een ethisch systeem verwerkte en haar zulk eene groote populariteit deed erlangen, heeft, in zijn ijver voor de wilsvrijheid, de uitspraak gedaan: "Het ware beter zich aan de fabelleer over de goden te houden, dan slaaf te zijn van het noodlot der natuurkundigen, want de fabelleer geeft toch eenige hoop, de goden door eerbetooning te kunnen verbidden, maar het noodlot oefent een onverbiddelijken dwang uit[12]", een uitspraak, die met eene plat materialistische opvatting der dingen in onverzoenlijken strijd is.

De Cynici, d.w.z. Hondschen, aldus genoemd om hunne primitieve levenswijze, die vaak ook met goede zeden in botsing kwam, verstompten zich door hun hoofddogma van de zelfgenoegzaamheid der deugd den blik voor de fijnere verschijnselen van het zieleleven. De populairste vertegenwoordiger dier richting, Diogenes (tweede helft der vierde eeuw) verzekerde dat wij na den dood in 't geheel niets meer waarnemen[13], en dat hij, lettende op droomuitleggers, wichelaars en diegenen, die aan hunne woorden geloof slaan, niets zotters vond dan den mensch[14]. Geen wonder, dat de Cynici ook in latere eeuwen een verwoeden strijd voerden tegen alles wat naar magie en het soortgelijke zweemde.

De Sceptici eindelijk (sinds ongeveer 350 v. Chr.), die tengevolge van hun twijfel aan de juistheid van onze waarnemingen en redeneeringen ook de meest alledaagsche feiten op losse schroeven stelden, wilden van het wonderbaarlijke in 't geheel niets afweten; ook zij richtten hunne wapenen onvermoeid tegen de magie en hare voorvechters, waarbij zij zich o.m. niet ontzien hebben, een man als Pythagoras voor een bedrieger uit te maken[15].

De nuchtere, materialistische, van het ongewone afkeerige wijsgeeren voerden ruim twee eeuwen lang den boventoon, voornamelijk in de kringen der "intellectueelen." Het was een tijd van "verlichting."

Bij zulk eene mentaliteit tiert van alle litteratuur-genres de comedie het meest, die immers uitteraard vijandig staat tegenover het wonderbaarlijke.

Reeds Aristophanes (± 445 - ± 385), de beroemdste dichter der oud-Attische comedie, had herhaaldelijk den draak gestoken met de tooverkunst.

In zijn "Wolken" (423) neemt een oude boer, die diep in de schuld zit, zijn toevlucht tot Socrates en vraagt hem, hoe hij zich aan de uitbetaling van de renten zou kunnen onttrekken. Na lang praten raadt Socrates den boer aan, zich in te hullen en zelf iets uit te denken. De boer jammert, maar gehoorzaamt en roept v. 746 in eens uit:

"O beste Socrates!

Socrates. Wat is er, vadertje?

Boer. Ik heb iets bedacht om van mijne rente af te komen.

Socrates. Laat eens hooren.

Boer. Zeg mij eens—

Socrates. Wat?

Boer. Als ik eene Thessaalsche toovenares geld gaf, en de maan 's nachts omlaag haalde en ze vervolgens als een spiegel, opborg in eene ronde doos en goed bewaarde—

Socrates. Wat zou je dat helpen?

Boer. Wat? Als de maan nooit weer opkwam, zou ik geen rente behoeven te betalen.

Socrates. Hoe zoo?

Boer. Omdat de rente per maand wordt uitbetaald.

Een Grieksche maand liep nl. van de eene opkomende maan tot de volgende.

En in zijn laatste stuk, Plutus (388) bespot Aristophanes (v. 649-747) de wonderdadige genezing van den blinden Plutus (god van den rijkdom) op eene manier, die de ergste straatjongen hem niet had kunnen verbeteren.

In de latere comedieschrijvers wordt al spoedig de geest van Epicurus vaardig; ook Menander (± 343/2-± 291/0) de bekendste van allen maakt hierop geen uitzondering. Dit blijkt reeds uit de titels van sommige stukken als de "Demonenvreezer" en de "Thessaalsche", die blijkbaar tot hoofddoel hadden, het wonderbaarlijke en magische te bespotten.

Met dat al was de magie in die tijden voor de letterkundigen niet slechts een voorwerp van spot. Ook hare poëtische zijde oefende eene machtige bekoring uit en de grootste dichters hebben er partij van weten te trekken.

Euripides (±481-± 406), de fijngevoeligste en wetenschappelijkste der Grieksche tragici, koos tot onderwerp van zijn beroemdste drama de tooveres Medea (431).

Medea, evenals Circe eene figuur uit de mythologie, was de dochter van Aëtes, heerscher van het wonderland Colchis, aan de kust der Zwarte Zee en ten Zuiden van den Caucasus gelegen. Jason uit Thessalië kwam tot Aëtes om het gouden vlies op te eischen, maar de koning verklaarde dit slechts aan dengene te zullen uitleveren, die een allergevaarlijksten kampstrijd met goed gevolg zou hebben daarstaan. Medea vatte liefde voor Jason op en stelde hem door toovermiddelen in staat de bovenmenschelijke taak te volbrengen; toen Aëtes des ondanks met de uitlevering van het gouden vlies talmde, hielp zij Jason dit heimelijk te ontvoeren en vluchtte zij met hem naar Griekenland, waar zij tal van jaren samen een gelukkig leven leidden.

In zijn treurspel schetst Euripides hoe Jason Medea, aan wie hij zooveel te danken had, verstoot om met de dochter van een koning in 't huwelijk te treden. Medea, vastbesloten zich te wreken, veinst in haar lot te berusten en zendt zelfs de bruid kostbare kleeren en een gouden krans ten geschenke. De uitwerking dier geschenken wordt in het navolgende tot Medea gerichtte bodeverhaal (v. 1159-1221) aanschouwelijk beschreven:

"Zij [de koningsdochter] nam de bonte gewaden en deed ze zich om, zette den gouden krans op hare lokken, schikte het haar voor den glimmenden spiegel op en lachte haar zielloos evenbeeld toe. Vervolgens stond ze van haar zetel op, ging door 't vertrek heen, bevallig stappende met blanken voet, en, boven mate verblijd met de geschenken, draaide ze vaak het hoofd om, en keek naar haar opgeheven hiel. Wat er echter op volgde, was een verschrikkelijk tooneel om te zien. Ze verandert van kleur, gaat schuinschachteruit, bevende aan hare leden en ter nauwernood voorkwam zij een val door in den stoel neer te zinken. En eene oude dienares, in den waan, dat de toorn van Pan of van een ander god op haar neerkwam [en haar tot waanzin bracht] gilde een gebed uit, totdat ze zag hoe wit schuim uit den mond vloeide, hoe ze de oogpupillen verdraaide, en geen bloed meer in 't vleesch was; toen ging ze van 't gegil tot eene luide weeklacht over. Terstond rende de eene slavin naar 't huis van haar vader, de andere naar den bruidegom om te berichten, wat de bruid overkwam. Het geheele huis dreunde van al het geloop. En reeds zou een hardlooper in stagen draf het einddoel van een renbaan hebben bereikt, toen de rampzalige met een naar gesteun uit hare sprakeloosheid ontwaakte en het oog weer opensloeg. Een dubbel onheil bestookte haar; de gouden wrong om 't hoofd zond een wonderbaarlijken stroom uit van alverslindend vuur en de fijne kleeren, uw geschenk, verteerden het blanke vleesch der ongelukkige. In brand geraakt, vliegt ze op van haar stoel, schudt het haar en het hoofd nu herdan derwaarts heen en wil den krans afwerpen. Maar de gouden band bleef vastzitten en wanneer zij 't haar schudde, ontvlamde het vuur dubbel zoo erg. Zij valt op den grond, door 't onheil overweldigd, en behalve voor haar vader moeilijk te herkennen. De stand van hare oogen, de edele vorm van het gelaat waren verdwenen, bloed, met vuur vermengd, druppelde neer uit haren kruin en het vleesch viel, door den onzichtbaren beet van het vergif, van hare beenderen af, zooals hars uit een pijnboom druppelt—een ontzettend schouwspel. Schrik belette allen, het lijk aan te raken; haar afgrijselijk lot was voor ons eene waarschuwing. Maar de rampzalige vader, in zijne onwetendheid van 't onheil, komt plotseling binnen, werpt zich op 't lijk, weeklaagt luid, slaat de armen om haar heen, kust haar en spreekt haar toe: "O arm kind, welke demon heeft U zoo schandelijk doen omkomen? Wie maakt den grijsaard, van U beroofd, een graf gelijk? Wee mij, mocht ik maar met U sterven kind!" Toen hij echter met treuren en weeklagen ophield en zijn oud lichaam weer wilde opheffen, kleefde hij vast aan die fijne kleeren als de klimop aan een laurierspruit, en 't werd eene verschrikkelijke worsteling: hij toch wilde zijne knie opheffen, maar zij hield hem vast, en als hij zich met geweld wilde losrukken, scheurde hij het grijze vleesch van zijne beenderen af. Ten slotte bezweek hij en gaf den geest. Het onheil was hem te machtig. Daar liggen ze nu dood naast elkaar de dochter en de grijze vader, een ramp, die tot tranen roert."

Theocritus, de grootste bucolische, d.w.z. landelijke dichter (eerste helft der derde eeuw) beschrijft in zijne tweede ecloga "De toovenaressen", hoe een verlaten meisje haar geliefde door magie weer tot zich tracht te trekken. Zij bezigt tot dat doel allerlei toovergerei, voornamelijk echter den draaihals, reeds in ons eerste hoofdstuk vermeld. Vandaar het refrein in het gedicht, dat wij hier gedeeltelijk laten volgen:

"De toovenaressen.

Waar zijn me de laurieren? Thestylis, breng ze! Waar de tooverkruiden? Omkrans de schaal met de roode wol van een schaap, opdat ik den tegenover mij hardvochtigen man, dien ik toch zoo lief heb, moge boeien, die sinds twaalf dagen, o, die ellendeling! nog maar niet komt, en niet weet of ik gestorven ben of nog in leven en niet aan mijne deur heeft geklopt, die wreedaard! Heeft Eros, heeft Aphrodite zijn wuft gemoed elders heen gevoerd? Ik ga naar de worstelschool van Timagetos, morgen, om hem te zien, en zal hem verwijten dat hij zoo met mij omspringt. Nu echter zal ik hem door de kracht van het offer boeien. Maar gij, o Maangodin, blink schoon! Want U zing ik toe, o kalme godin, en U, onderaardsche Hecate, waarvoor ook de honden sidderen, als gij schrijdt door de graven om het donkere bloed te slurpen. Wees gegroet, o Hecate, schrikwekkende en sta mij bij, tot het einde toe, bewerk dat deze kruiden niet zwakker mogen zijn dan die van Circe noch die van Medea noch die van de blonde Perimede[16].

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Eerst moet het offermeel in 't vuur rooken. Maar strooi het er toch in, Thestylis! Ongeluk, waar zijn je hersens gebleven? Of steekt gij, vuilpoes, ook al den draak met mij? Strooi en zeg te gelijk dit: "Ik strooi de beenderen van Delphis."

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Delphis martelde mij. Maar ik brand tegen Delphis den laurier, en evenals deze, door het vuur gegrepen, luid kraakt en plotseling is ontvlamd en wij zelfs geen asch van haar zien, zoo moge ook het vleesch van Delphis in de vlam worden verteerd.

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Evenals ik dit was[sen beeld?] met de hulp der godin laat versmelten, zoo moge Delphis uit Myndos terstond door liefde versmelten. En evenals die bronzen toovertol door de kracht van Aphrodite wordt rondgedreven, zoo moge hij ronddraaien rondom mijn huis!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Nu offer ik de klei. Gij, Artemis, zoudt zelfs het gevoellooze staal kunnen ontroeren en wat er verder onwrikbaar is—Thestylis, de honden huilen door de stad heen; de godin is op de driesprongen; sla gauw op het bronzen bekken!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Zie daar! de zee zwijgt, de winden zwijgen, de smart echter in mijn borst zwijgt niet, maar ik verteer geheel van liefde voor hem, die mij, rampzalige, in plaats van zijne gade tot eene slechte deerne heeft gemaakt.

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!


Deze franje van zijn mantel verloor Delphis, die ik nu uiteen pluk en in het woeste vuur werp. O martelende liefde! hoe hebt gij als een bloedzuiger aan mij hangende al het donkere bloed uit het lichaam gedronken!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Eene waterhagedis stamp ik fijn en breng U morgen een boozen drank. Thestylis, neem die tooverkruiden en besmeer daarmee van boven zijn deurpost zoolang het nog tijd is, en zeg, er op spuwende: "Ik vermorzel de beenderen van Delphis!"

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!"

Deze booze tooverij, het "envoûtement", dat bij vrijwel alle volkeren voorkomt, berust in de eerste plaats op het geloof, dat de mensch doortrokken is met eene soort zelfstandigheid, die ook op de voorwerpen overgaat, waarmede hij in aanraking komt. Door op die voorwerpen, zooals in het vermelde geval op een stuk van een kleed in te werken, meent men den persoon zelf te treffen, die verondersteld wordt er altijd in psychisch contact mede te blijven. Onwillekeurig denken wij hierbij aan het veelbesprokene "magnetische fluïde" en enkele onderzoekers hebben dan ook in die richting proeven genomen, uit welke zou zijn gebleken, dat het gebruik in quaestie, schijnbaar alleronzinnigst, toch nog op eenigen rationeelen grondslag zou berusten. Zeker is het, dat bij primitieve volkeren de suggestie zulk eene onweerstaanbare uitwerking heeft, dat menigeen, zoodra hij gelooft betooverd te worden, door de bloote angst ziek wordt en wegkwijnt. Maar het envoûtement veronderstelt nog een ander geloof, n.l. dat symbolische handelingen reëele gevolgen kunnen hebben, bijv. wanneer men, zonder iets te bezitten wat met het slachtoffer in aanraking is geweest, eene figuur ervan in het zand teekent en daarin met stokken prikt. Hierbij toch wordt blijkbaar aangenomen, dat de mensch het vermogen bezit om door wilsconcentratie een ander op afstand te deren, en tevens dat die wil door eene symbolische handeling tot hoogere kracht wordt opgevoerd. De echte telepathische experimenten in aanmerking genomen—niet de publieke vertooningen tegen entree, die onlangs zoo grooten opgang hebben gemaakt—zou iets dergelijks niet als onmogelijk te beschouwen zijn, maar toch altijd wel tot de grootste uitzonderingen behooren.

Apollonius uit Rhodus, een tijdgenoot van Theocritus, verhaalt in het derde boek van zijn epos "Argonautica" op uitvoerige en dichterlijke wijze, hoe de toovenares Medea (zie boven) liefde voor Jason opvat en hem de middelen aan de hand doet zich onkwetsbaar te maken, ten einde de hem wachtende kampstrijden met goed gevolg te kunnen doorstaan. De held gaat heen, om hare aanwijzingen ten uitvoer te brengen (v. 1191—1224):

"De avondzon dook in de duistere aarde weg achter de verstafgelegen bergkruinen der Aethiopiërs. De nacht legde hare paarden het juk op; de helden maakten hunne legersteden gereed bij de kabeltouwen. Maar zoodra de lichten van het schoonblinkende beergesternte overhelden en de lucht van af den hoogen hemel volslagen kalm was geworden, stapte Jason heimelijk als een dief naar de eenzaamheid, met al zijne benoodigdheden, want hij had overdag voor alles afzonderlijk gezorgd; een ooi en melk uit de wei kwam zijn makker Argos brengen; het overige nam hij uit het schip zelf. Maar toen hij een plek zag, die bezijden het pad der menschen lag, kalm te midden van zuivere beemden, baadde hij allereerst, overeenkomstig den ritus, zijne slanke gestalte in de goddelijke rivier, en omkleedde zich met den donkeren mantel, dien Hypsipyle uit Lemnos hem vroeger geschonken had als eene herinnering aan hunne innige liefde. Na vervolgens een kuil van eene el breedte in den grond te hebben gegraven, hoopte hij gekloofd hout op, sneed een lam de keel af en strekte het naar behooren over den kuil heen uit; hij stak de blokken van onder in brand en goot gemengde plengoffers uit, Hecate-Brimo [de geweldige] aanroepende als helpster bij de kampstrijden. En na die aanroeping ging hij weer terug; de geduchte godin echter, haar vernemende uit de diepste holen, begaf zich naar het offer van Jason toe; haar omkransden schrikwekkende slangen te midden van eikenloof; ontzaglijk straalde het licht der fakkels; onderaardsche honden deden om haar heen een scherp geblaf hooren. Alle weilanden langs het pad sidderden; de moerasbewonende nimfen, die rondom de beemden van den Phasisstroom zwieren, gilden het uit. Jason beving wel de vrees, maar desondanks zag hij niet om en zijn voeten droegen hem verder, totdat hij zich onder zijne makkers had gemengd; reeds wierp de in de vroegte geboren Dageraad verrijzende zijn licht over den besneeuwden Caucasus."

Het reinigingsbad heeft hier kennelijk bovenal de bedoeling, de booze demonen af te weren, die licht op den tooverende een schadelijken invloed vermochten uit te oefenen.

Ook elders is dit heldendicht, dat inzonderheid bij de Romeinen in groot aanzien stond en sterk werd nagevolgd, rijk aan verhalen over magie.

Dat men ook in die tijden van spot en scepticisme zich, hetzij voor goede, hetzij voor booze doeleinden van tooverij bediende, blijkt uit tal van gegevens.

In eene redevoering (na 327) die op naam van Demosthenes gaat en in elk geval tot de meest boeiende lectuur uit de oudheid behoort, t.w. eene aanklacht tegen den "chanteur" Aristogiton, vinden wij vermeld dat de Atheners de "giftmengster" Theoris, "de Lemnische" met haar geheele geslacht ter dood lieten brengen en wordt de broeder van Aristogiton ervan beschuldigd, door middel van eene slavin der tooveres hare kruiden en bezweringen te hebben overgenomen ten einde, naar zijn zeggen, daardoor o.m. lijders van de vallende ziekte te genezen. (I. Rede tegen Arist. c. 79 vlg.).

Aan koning Pyrrhus (gest. 272), den bekenden tegenstander der Romeinen, werd eene wonderbare geneeskracht toegeschreven:

"Men geloofde dat hij aan miltzieken genezing bracht door een witten haan te offeren en hun, terwijl zij achteroverlagen, met den rechter voet de milt zachtjes aan te raken. Niemand was zoo arm of onaanzienlijk, dat hem niet op verzoek die behandeling werd toegestaan. Pyrrhus kreeg dan ook den haan, wanneer hij hem geofferd had, en op dit eergeschenk was hij bijzonder gesteld. Men zegt ook, dat de groote teen van dien [rechter] voet eene goddelijke kracht had, zoodat hij na zijn dood, terwijl het overige lichaam verbrand was, ongedeerd en door het vuur onaangeraakt werd gevonden"[17].

De volkenkunde levert hiertoe tal van paralleles.

Bij de primitieve volkeren heerscht algemeen de overtuiging, dat hunne hoofden eene bijzondere kracht of zelfstandigheid bezitten, die men tegenwoordig gewoonlijk met een Polynesisch-Melanesisch woord "mana" noemt, door welke zij o.m. ook zieken vermogen te genezen. Van de hoofden op de Tonga eilanden (in de Stille Zuidzee) geloofde men, dat de aanraking van hun voet aan kliergezwellen en leververharding een einde maakte. Bij de Walos (aan den Senegal) brachten moeders hunne zieke kinderen naar de koningin, die ze plechtig met den voet op den rug, de maag, het hoofd en de beenen aanraakte. Hetzelfde geloof heerschte in Europa. Toen Waldemar I van Denemarken (1157-1182) door Duitschland reisde, brachten moeders hunne kinderen tot hem met het verzoek, zijne handen op ze te leggen, in de overtuiging, dat ze dan beter zouden groeien. Van de Engelsche koningen verwachtte men wonderdadige hulp tegen klierziekten. Koningin Elizabeth (1558-1603) oefende herhaaldelijk de gift der genezing uit. Karel I zou in 1633 op één dag honderd, zijn zoon Karel II in den loop van zijne regeering (1660-1685) ten naastenbij honderdduizend klierlijders hebben aangeraakt. Ook Fransche koningen traden als wonderdadige genezers op. Dat door de kracht der suggestie de koninklijke aanraking vaak zal hebben geholpen is niet onwaarschijnlijk; of echter ook nog het "magnetische fluïde" er wel eens bij in 't spel is geweest, moeten wij vooralsnog in 't midden laten.

Wij komen later nog op diergelijke wonderdadige genezingen terug.

Wat de booze tooverij betreft, zijn ons ook uit dien tijd verscheidene plaatjes, bijna allen uit lood, bewaard gebleven, waarop men vervloekingen kraste. Een voorbeeld hiervan is het navolgende, uit Attica, van omstreeks 300 v. Chr.

"Ik boei Theagenes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook van Pyrrhius den kok de handen en voeten, de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook de vrouw van Pyrrhius haar tong en haar ziel; ik boei ook Cercion den kok en Docimus den kok de tong en de ziel en het pleidooi dat zij voorbereiden; ik boei ook Cineas de tong en de ziel en het pleidooi dat hij met Theagenes samen voorbereidt; ik boei ook Pherecles de tong en de ziel en het getuigenis dat hij ten gunste van Theagenes aflegt; ik boei ook Seuthes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt en de voeten en de handen en de oogen en den mond; ik boei ook Lamprias de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt, de handen, de voeten, de oogen en den mond, al dezen boei ik, ik doe ze verdwijnen, ik stop ze onder den grond, ik spijker ze vast; en als ze voor de rechtbank en bij den scheidsrechter iets doen, mogen ze dan niet in aanmerking komen, noch in woord, noch in daad"[18].

Hier tracht men dus zijne tegenpartij in rechten te schaden en hoopt dat hetgeen met de plaat geschiedt, ook de personen zelf zal overkomen. De symboliek hierbij verraadt een uiterst naïeven gedachtengang. Lood is zwaar, dus moet het ook op een afstand een bezwarenden invloed uitoefenen. De spijker houdt vast, dus moet hij ook op afstand iemand vastleggen. Overigens verwijzen wij naar hetgeen reeds boven over het envoûtement is gezegd.

Meestal worden bij die vervloekingen ook de onderaardsche goden aangeroepen, zooals bijv. op de navolgende plaat uit de vierde eeuw:

"Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Parthenius en Apollonius, de zoons van Hagnotheus de tong en de ziel en de daden en de voeten en de plannen.

Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Euxenus de ziel en het lichaam en de voeten en de handen en de daden en de plannen en de tong totdat hij naar de onderwereld is neergedaald"[19].

Ook bij de Romeinen werd de tooverij gedurende die tijden evenzeer in practijk gebracht en ook bij hen ontbrak het niet aan vervolgingen van staats- en rechtswege.

In den loop van den tweeden Punischen oorlog waren de gemoederen door de voortdurende wisselingen van den krijgskans ten zeerste geschokt. Men nam de toevlucht tot allerlei uitheemsche plechtigheden; magiërs en profeten verkregen grooten invloed op het volk. Toen (in 213) gelastte de senaat, verontrust over de toenemende verwaarloozing van den Romeinschen eeredienst, de geschriften over magische en soortgelijke onderwerpen aan de overheid uit te leveren[20].

Ook kwam het wel eens voor, dat men een landman, wiens voorspoed te zeer in 't oog liep, er van beschuldigde, tooverkunsten te hebben aangewend, zooals blijkt uit navolgend feit, dat in het jaar 157 plaats vond.

"Toen C. Furius Chresimus, een vrijgelatene, van een zeer kleinen akker meer vruchten had geoogst, dan de naburen van de meest uitgestrekte velden, ontstond er een groote afgunst tegen hem, en beschuldigde men hem, dat hij andermans vruchten door booze tooverij verlokte [d.w.z. naar zich toe lokte]. Om die reden door een magistraat, Spurius Albinus, aangeklaagd, vreesde hij te worden veroordeeld en bracht, toen de volksvergadering [waarbij hij in beroep was gekomen] tot de stemming moest overgaan, al zijn akkergereedschap naar het forum [de vergaderplaats] en haalde zijne krachtige, welgevoede en goed gekleede slaven erbij, alsmede zijne voortreffelijk gesmeede ijzeren werktuigen, zware houweelen, geweldige ploeg en en doorvoedde runderen. Daarop zeide hij: "Dit zijn mijne booze toovermiddelen, medeburgers! En al mijn zwoegen, mijne nachtwaken en zweet kan ik U niet eens vertoonen noch naar het forum brengen". Hij werd met algemeene stemmen vrijgesproken[21]."

Er is hier, zooals wij zien, sprake van het verlokken, d.w. z. naar zich toe lokken, van andermans veldgewas; die term komt ook al voor in de wet der twaalf tafelen, die wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk hebben vermeld. Hoe stelde men zich echter dat naar zich toe lokken voor? Toch wel niet zoo, dat de rijpe korenaren van het eene veld naar het andere overliepen, al wordt dan ook, zooals later blijken zal, iets dergelijks door dichters gezegd. Om ons een juist denkbeeld te vormen van hetgeen bedoeld wordt, moeten wij op het primitieve denken van landbouwende volkeren nader ingaan.

Zooals wij kunnen opmaken uit talrijke mythen en gebruiken, die zoowel in Europa als elders voorkomen, geloofde men van oudsher dat ook de planten en de oogst bezield waren. De "korenziel" is ook nog ten onzent bekend, zij het dan ook slechts als een onbegrepen overleefsel (survival). Deze ziel wordt veronderstelt in de laatste schoof te huizen, van daar dan ook dat bij een oogst allerlei gebruiken er mede zijn verbonden. Zeer vaak wordt van de laatste schoof eene pop gemaakt, de "graanmoeder", soms met vrouwenkleeren opgetuigd. Teneinde het volgende jaar een goeden oogst te hebben wordt de pop veelal met water besprenkeld, om door deze symbolieke handeling—men spreekt ook van "sympathetische magie"—een vruchtbaarmakenden regen te bezweren. De korenziel leeft naar men aanneemt het geheele jaar lang; door eenige graankorrels uit de laatste schoof met het zaaigraan te vermengen, is men zeker van de aanwezigheid der korenziel in den oogst van het volgende jaar. In onze Oost spreekt men van eene "rijstmoeder" als draagster van eene bezielende zelfstandigheid. De rijstmoeder, d.w.z. enkele halmen van weelderigen en eigenaardigen groei, bijv. van zeven geledingen, wordt met de noodige zorg naar huis gebracht en meestal op eene afzonderlijke plek in de schuur gezet. Zoolang men de rijstmoeder heeft, is men verzekerd van den overigen oogst.

Nemen wij dit alles in overweging, dan ligt het voor de hand, dat men volgens het aloude geloof door bezweringen en tooverijen niet alleen aan het veldgewas van een ander rechtstreeks schade kon toebrengen, maar ook diens korenziel naar zich toe kon lokken en zoodoende zich den oogst van zijn buurman toeëigenen. Dat de dichters, die evenmin als anderen, den oorsprong van het geloof in kwestie kenden, het verlokken van den oogst letterlijk opvatten om hetzij hunne fantasie, hetzij hunne ironie bot te vieren, kan geen verwondering wekken.

Er werden echter aan de magie ook gunstige werkingen toegeschreven. Zoo geloofde men o.a. dat hagelslag door tooverspreuken kon worden afgeweerd en dat bezweringen de kracht hadden wonden te heelen. De oude Cato (gest. 149), de conservatieve practicus bij uitnemendheid, geeft in zijn werk over den akker bouw (c. 160) den volgenden, overigens niet zeer duidelijken raad:

"Indien iets ontwricht is, zal het door deze bezwering genezen. Neem een groen riet, vier of vijf voet lang, splijt het midden door en laten twee mannen het tegen uwe heupen aanhouden. Begin met te bezweren. Motas, vaeta, daries, dardares, astataries, dissunapiter, totdat ze [de stukken riet] samenkomen, en zwaai er [het] ijzer over heen. Wanneer ze op deze wijze zijn samengekomen en het eene stuk het andere heeft aangeraakt, grijp dan dat met de hand en snijd het rechts en links af. Bind het vast aan de plek waar de ontwrichting of de breuk is, en deze zal genezen."

Blijkbaar is ook hier magische symboliek in 't spel; evenals de stukken riet worden samengevoegd, zullen, naar men gelooft, ook de beenderen weer samengroeien.

Het zwaaien van ijzer (blijkbaar het mes) was kennelijk tegen de booze geesten gericht, die, naar men meende, er voor bevreesd waren. Hierover later meer.

De tooverwoorden zelve, van wier uitwerking men ongetwijfeld het meeste verwachtte, zijn onverstaanbaar. Zijn het woorden uit eene oude, vergetene taal en dus een overleefsel? Het oeroude heeft van zelf al iets magisch. Of uit eene vreemde taal? Ook wat uit den vreemde komt, geldt vaak voor tooverkrachtig. Of zijn het willekeurige klankverbindingen? Ook dit is dikwijls in de magie het geval, vgl. slechts het ook ten onzent gebruikelijke hocuspocus en abracadabra. Wij komen op dit onderwerp later uitvoerig terug.

Het geloof aan de kracht van het "belezen" heeft zich in landelijke streken met groote taaiheid weten te handhaven. In West-Vlaanderen bestond nog niet lang geleden het gebruik, om, tot genezing van een verstuikten paardepoot, driemaal het kruisteeken er over heen te maken en daarbij de eerste keer aulé, de tweede keer aulelé en de derde keer super aulé te zeggen. En ten onzent wordt bij gevallen van ontwrichting en dgl. nog wel eens het volgende rijm uitgesproken:

"Dit arm of poot
Is verrukt of verstoot,
't Zal niet verrotten of verzweren
In den naam des Heeren ...


Litteratuur.

Th. Gomperz, Griechische Denker III (1909).

S. Seligmann, Der böse Blick u. Verwandtes(1910).

R. Wünsch, Die Zauberinnen des Theokrit, in Hessische Blatter f. Volkskunde, VIII (1909).

Frazer, The magic art, Vol I (1913).

A. de Rochas, L'extériorisation de la sensibilité, 5e uitg. (1899).

O. Berthold, Die Unverwundbarkeit in Sage u. Aberglauben d. Griechen, in Religionsgeschtliche. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Wünsch u. Deubner, XI Bd., 1 Hft. (1911).

R. Wünsch, Antike Fluchtafeln, in KI. Texte f. Vorles. u. Üb., hrg. v. H. Lietzmann, No. 20, 2e uitg. (1912).

E.N. Fallaize, s.v. Harvest, in Encyd, rel. eth. VI(1913).

Frazer, Spirits of the corn a. of the wild (1914).

A. Kruyt, Animisme i.d. Ind, archipel (1906).

Frazer, Balder the beautiful II (1914).

A. de Cock, Volksgebr. e. Volksgel, m. betr. t. Huisdieren, in Volkskunde, Tijdschr. v. Nederl. folklore, VII (1894).




HOOFDSTUK III.

Kentering.


De eerste eeuw vóór onze jaartelling kenmerkt zich o.m. door een steeds toenemend verzet tegen materialisme en scepticisme. De ingewikkelde atoomleer zoowel als de onvruchtbare twijfelingen lieten de dieper denkenden op den duur onbevredigd. Het Pythagoreïsme en het Platonisme herleefden. Het onzienlijke en buitengewone trok weer in verhoogde mate de aandacht. Posidonius (± 135—± 51), een der invloedrijkste denkers, de Leibniz der oudheid, evenzeer uitmuntende in de wiskundige wetenschappen als in de geschiedenis, hecht aan droomen en gelooft aan demonen.

De veranderde zienswijze der Grieksche denkers deed zich ook bij de Romeinen sterk gelden. Terentius Varro (116—27) "Rome's grootste geleerde", en geenszins blind voor de bedriegerijen op het gebied der tooverij, vermeldt als een feit, dat, toen de bewoners van Tralles (in Klein-Azië) door middel van magie den afloop van den oorlog met koning Mithradates (tusschen 88 en 63 v. Chr.) van Pontus (aan de Zuid-Oostkust van de Zwarte Zee) trachtten te weten te komen, de daartoe gebezigde knaap in water het beeld van den god Mercurius (Hermes) aanschouwde en de toekomst in 160 versregels voorspelde[22]. De Pythagoreeër Nigidius Figulus, een tijdgenoot van Varro en in kennis ter nauwernood bij hem achterstaande, bracht, door zekeren Fabius om inlichtingen gevraagd aangaande 500 denaren (zilverstukken) die hij verloren had, eveneens knapen door bezweringen in extase, waarin zij aanwezen, waar de buidel met een gedeelte der muntstukken begraven en hoe de rest verdeeld was, ook dat Cato (de jongere) een dier denaren had, en inderdaad erkende deze het muntstuk van een zijner slaven voor een offer aan Apollo te hebben ontvangen[23]. Van Vatinius, eveneens een Pythagoreeër, verzekert Cicero in de tegen hem gerichte redevoering (VI, 14, uit het jaar 56) dat hij de zielen uit de onderwereld opriep en de schimmen door het offeren van knapen gunstig stemde. Aangezien Cicero twee jaren later Vatinius heeft verdedigd, zal de laatstgenoemde gruwel wel niet als een bewezen feit zijn te beschouwen.

In de Romeinsche litteratuur dier tijden speelt de magie, inzonderheid voor erotische doeleinden, eene groote rol. Wij willen hiervan het o.i. meest belangrijke aanhalen.

De beroemdste Romeinsche dichter, de ernstige, verhevene en toch populaire Vergilius (70—19) volgt in zijn achtste herdersdicht (v 64—109) de idylle van Theocritus na, door ons in hoofdstuk II aangehaald. Ook hier weer is het eene verlatene minnares, die met medehulp van eene slavin, liefdestooverij verricht:

"Breng water en omwind dit altaar met een zachten band. Brand saprijke tooverkruiden en uitnemenden wierook, opdat ik beproeve mijn koelen echtgenoot door een magisch offer in hartstocht te doen ontvlammen; hier ontbreken slechts tooverzangen.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Tooverzangen kunnen zelfs de maan van den hemel omlaag trekken; door tooverzangen heeft Circe de makkers van Odysseus veranderd; de kille slang in de wei barst door tooverzangen.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Eerst bind ik deze drie draden van drie verschillende kleuren om uw beeld en voer dit driemaal rondom dit altaar; 't oneven getal behaagt aan de goden.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Amaryllis, leg drie knoopen in de drie kleuren, Amaryllis leg de knoopen en zeg: "Ik knoop de boeien van Venus!"

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Evenals deze klei hard wordt en dit was smelt door één en hetzelfde vuur, aldus moge Daphnis voor anderen gevoelloos worden, maar voor mij in liefde opgaan! Strooi gezouten meel en ontsteek de brosse laurier met aardpek! De gevloekte Daphnis brandt mij en ik brand dezen laurier op zijn beeld.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Zulk eene liefde als die eene vaars overmeestert, wanneer zij, door wouden en diepe bosschen heen, een stier zoekende, vermoeid en verloren naast eene waterbeek in het groene moerasriet neerzinkt en vergeet dat de late nacht haar terugroept: zulk eene liefde overmeestere Daphnis—en moge het niet bij mij opkomen hem te genezen!

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Deze kleeren liet de trouwelooze mij eens als dierbaar onderpand van hem achter, die ik nu onder den drempel zelf aan U, o aarde toevertrouw: dit onderpand staat mij borg voor Daphnis.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Deze giftige tooverkruiden, uit Pontus bijeengegaard, gaf Moeris zelf mij; Pontus is er rijk aan. Dikwijls zag ik Moeris door die kruiden een wolf worden en zich in de bosschen verbergen, dikwijls zielen uit de diepste graven opwekken en het veldgewas elders heenvoeren.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Breng asch, Amaryllis, naar buiten en werp ze over uw hoofd heen in de stroomende beek, maar zie niet om. Hiermede wil ik Daphnis aanvallen; hij geeft niets om goden noch om tooverzangen.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Zie! de asch heeft, terwijl ik draal met haar weg te dragen, van zelf het altaar met trillende vlammen aangetast; het zij een goed voorteeken! Er is zeker iets aan de hand; Hylax blaft op den drempel. Moet ik het gelooven, of droomen zij, die minnen, wakende?

Houdt op, mijn zangen, houdt op! Daar komt Daphnis al van de stad".

Hierbij enkele opmerkingen.

De symbolieke beteekenis van knoopen in de magie is gemakkelijk te vatten. Door het leggen van een knoop wil men boeien, wil men zekere handelingen van personen of uitwerkingen van voorwerpen verhinderen. Knoopen zijn dan ook vooral in de liefdestooverij gebruikelijk. Bij de Arabieren legt een meisje, om een man tot zich te trekken, knoopen in diens zweep. Volgens het oude volksgeloof kon eene heks door tooverij met knoopen een verderfelijken invloed op het huwelijksleven uitoefenen. Maar de macht van den knoop strekt zich nog veel verder uit. De Finsche toovenaars, heette het, vermochten door het leggen van knoopen den wind zelf vast te leggen. En onwillekeurig denken wij hierbij ook aan den Gordiaanschen knoop. Gordius toch, een der oudste koningen van Phrygië (in Klein-Azië) had, naar de overlevering luidt, een wagen aan Zeus, den hoogsten god, gewijd en aan dien wagen het juk met de dissel door een knoop verbonden, die niet gemakkelijk was los te maken. Een orakel verkondigde, dat diegene koning over Azië zou zijn, welke dien knoop vermocht te ontwarren. Alexander de Groote vervulde die godspraak door den knoop met het zwaard door te hakken[24]. Dat het getal drie en andere oneven getallen, eene groote rol in de magie spelen, is eveneens een feit. De toovergodin Hecate werd vaak met drie aangezichten afgebeeld. Herhaaldelijk wordt den toovenaar eene sexueele onthouding van drie dagen voorgeschreven. Mephisto moet drie keer door Faust worden uitgenoodigd, alvorens hij diens vertrek mag binnentreden. Voor eene zekere oproeping van den god Apollo was een lauriertak met zeven bladen vereischt[25]. De toovenaars op het schiereiland Malakka gebruiken zijden draden van zeven kleuren. In de Joodsche toovervoorschriften wordt ronduit verklaard, dat de even getallen beneden tien bepaald ongunstig zijn.

Het geloof, dat een mensch de gedaante van een wolf of ook wel van een ander dier kan aannemen, is bij zeer vele volkeren heerschende. In de zestiende en zeventiende eeuw beschouwde men den weerwolf als een dienaar des duivels en menigeen werd zoodoende het slachtoffer van den brandstapel. Dat de wolf in oude tijden aan primitieve volkeren een demonisch wezen toescheen en in verband werd gebracht met tooverij is geen wonder; voorts hebben ook krankzinnigheid en hallucinaties bij het geloof aan den weerwolf eene groote rol gespeeld.

Van tegenovergestelde strekking als de bezwering in het bovenvermelde herdersdicht is eene episode uit het vierde boek van de Aeneïde, het onafgewerkt tot ons gekomen heldendicht van Vergilius. De dichter laat aldaar (v. 478—498) Dido, de koningin van Carthago, gemarteld door eene noodlottige liefde voor Aeneas, die haar op goddelijk bevel verlaten moet, aldus tot hare zuster spreken:

"Ik heb een middel gevonden—wensch er mij geluk mee—dat mij hem [Aeneas] zal teruggeven of mij van mijne liefde zal bevrijden. Aan den rand van den Oceaan, waar de zon ondergaat, houdt het gebied der Aethiopiërs op, waar het hemelgewelf met zijne fonkelende sterren op de schouders van den ontzaglijken Atlas zich wentelt. Vandaar is eene priesteres van 't Massylische volk mij gewezen, die den tempel der Hesperiden en den boom met de gouden appelen bewaakte, die den draak aldaar voedde door hem vochtige honig[koeken] toe te dienen, bestrooid met slaapwekkenden papaver. Deze belooft door tooverzangen de harten van wie zij wil, van liefde te bevrijden, maar bij anderen eene felle hartstocht op te wekken, het water in de stroomen tot staan te brengen en de sterren te doen terugkeeren op hare baan. Zij roept de nachtelijke schimmen op. Gij zult den grond onder hare voeten hooren grommen en de esschen van het gebergte zien neerdalen. Ik roep de goden en U, geliefde zuster, tot getuigen, dat ik tegen wil en dank het wapen der magische kunst te baat neem. Richt gij in het geheim een brandstapel op 't binnenplein hemelhoog op en leg het zwaard van den man, dat hij, de booswicht, in mijn vertrek vastgehecht achterliet, en al zijne kleeren en het bruidsbed, mijn verderf, er boven op. De priesteres gebiedt mij, al wat mij aan dien verfoeilijken man herinnert, te vernietigen."

Ook hier weer eene symbolische handeling, waaraan eene reëele uitwerking wordt toegeschreven. Het vernietigen van voorwerpen die op eene ongelukkige liefde betrekking hebben, moet ook aan die liefde zelf voorgoed een einde maken.

Aan den wensch van Dido wordt voldaan en het verhaal gaat (v. 504—519) aldus door:

"Maar nadat op het binnenplein van 't paleis een ontzaglijke brandstapel uit blokken van pijnboom-en eikenhout hemelhoog was opgericht, versiert de koningin de plaats met guirlanden uit cyprèssentakken gevlochten en, met volkomen besef van wat zij gaat doen, legt zij de kleeren, het achtergelatene zwaard en het beeld van Aeneas op het rustbed [bovenop den brandstapel]. Er staan altaren rondom en de priesteres, met loshangende haren, roept driemaal het honderdtal goden, den Erebus, de Chaos, de driedubbele Hecate, de drie aangezichten van de maagd Diana met bulderende stem aan. Ook had zij vocht gesprenkeld, dat water uit het meir Avernus moest verbeelden en kruiden bijeengegaard, afgesneden bij maneschijn met bronzen sikkel, tierige kruiden vol van zwart venijn.... Dido zelf stond naast het altaar, met het offermeel in de reine handen, één voet ontbloot, in een los kleed en riep, den dood voor oogen, de goden tot getuigen aan".

Dido, die slechts voor den schijn die magische handelingen laat verrichten, stort zich ten laatste in het zwaard van Aeneas en de brandstapel wordt ontstoken.

Dat ook aan het getal honderd eene bijzondere uitwerking werd toegeschreven, blijkt uit den grooten Parijschen tooverpapyrus v. 252, waar sprake is van een magischen godennaam, die uit honderd letters bestaat.

Bij het meir Avernus, dat in Campanië te midden van huiveringwekkende bosschen lag, was, naar men beweerde, een toegang tot de onderwereld; vandaar dat dit meir bij de magie dikwijls ter sprake kwam, zooals wij nog herhaaldelijk zullen zien.

De symboliek van het loshangende haar, den ontblooten voet en het ontgordelde kleed is vrij duidelijk. Al hetgeen boeit zou bij deze plechtigheid hinderlijk zijn, waar het geldt den knellenden band der liefde los te maken. Maar ook bij andere magische handelingen komen dezelfde gebruiken voor, blijkbaar oorsponkelijk met de bedoeling om de raadselachtige kracht, waarvan reeds in hoofdstuk II sprake is geweest, ongestoorder te laten werken; later is dit alles een bloot overleefsel.

Ook Medea laat, zooals wij straks zullen zien, bij bezweringen het haar neerhangen. Van Apollonius van Tyana (in Klein-Azië) een der beroemdste magiërs, wordt verzekerd, dat hij dit gebruik zijn leven lang in acht nam[26]. Bij de Mohammedanen laat de geestenbezweerder het haar loshangen en hetzelfde doen ook de tooverartsen in het Zuiden van Vóór-Indië.

Wat de ontblooting van één voet betreft, heeft men op eene Grieksche vaas eene afbeelding gevonden van een man met zijn ontblooten rechtervoet op de huid van een offerdier en met zijn geschoeiden linkervoet op den grond[27]. De tweehonderd Plataeers, die in den Peloponnesischen oorlog door de linies der hen belegerende Spartanen heenbraken, hadden slechts hun linker voet geschoeid[28]. Blijkbaar was het een aloud gebruik, eene soort wijding, door diegenen in acht genomen, die een levensgevaarlijk waagstuk beproefden.

Vastgeknoopte kleeren en gordels werden over 't algemeen bij tooverhandelingen als hinderlijk beschouwd. Vandaar dat bijv. ook Medea, zooals spoedig blijken zal, hare kleeren los draagt. Bij het exorcisme, d.w.z. de uitbanning van booze demonen, mocht, volgens het Joodsche gebruik, de patiënt slechts één gewaad, en wel zonder gordel, dragen. Opmerkelijk is ook, dat te Rome de Flamen Dialis, een der hoogste priesterlijke ambtenaren, geen knoop in zijn kleedij mocht dragen en dat de Mohammedaansche bedevaartgangers bij hun tocht naar Mekka hetzelfde gebruik in eere houden.

De Epicurist Horatius (65—8 v. Chr.), zanger van wijn, liefde en vaderlandsche deugd, tracht op alle mogelijke manieren de magie hatelijk en bespottelijk te maken. Herhaaldelijk richt hij aanvallen tegen eene zekere Canidia, waarvan wij in 't midden willen laten of zij al dan niet eene historische persoonlijkheid is geweest. O.m. beschrijft hij in zijn vijfde "Epode" op allergriezeligste wijze hoe een geroofde knaap van voornamen stand door Canidia en hare helpsters, Sagana, Veia en Folia, wordt doodgemarteld (15—38):

"Canidia, het onopgeschikte hoofdhaar omwonden met gezwollen adders, gebiedt wilde vijgeboomen, uit graven opgewoeld, doodsche cypressen, veeren en eieren van de gekuifde uil, besmeerd met het bloed van de afschuwelijke pad en kruiden uit Thessalië en Iberië [Georgië], vruchtbaar aan vergiften, alsmede beenderen, ontrukt aan den muil van eene hongerige teef, in Colchische [magische] vlammen te verbranden. Maar Sagana, opgeschort, sprenkelt door het geheele huis heen water uit den Avernus en lijkt met haar te berge rijzend haar op een zeeëgel of op een rennend everzwijn. Veia, door geen gewetenswroeging afgeschrikt, groef, al hijgende van 't werk, met haar hard houweel een kuil, opdat de knaap, er ingegraven en met zijn mond er boven uit stekende als een zwemmer, die slechts met zijn kin zich boven 't water verheft, door den aanblik van twee- of driemaal in den loop van den langen dag verwisseld eten zou wegsterven, opdat zijn uitgesneden merg en dorre lever voor de bereiding van een minnedrank zouden dienen".

Bij de magie is wel eens meer sprake van kinderoffers. Op eene afbeelding, die ons uit de oudheid is overgebleven, schijnt het offeren van een kindje te worden voorgesteld[29]. In een tooverpapyrus wordt voorgeschreven, hoe men, om eene vrouw in zijn macht te krijgen, den toorn van de maangodin tegen haar moet opwekken: men moet haar nl. beschuldigen dat zij o.m. een ongeboren of een jong kind offert[30]. Dit is, zooals van zelf spreekt, slechts eene fictie. Daar echter het griezelige eene zekere bekoring heeft, achtte men ook later nog de tooverij met het offeren van kinderen en soortgelijke gruwelen verbonden. Vooral in het heksengeloof speelt dit eene rol, zooals men o.m. kan opmaken uit de bereiding van het tooverbrouwsel in de vierde akte van "Macbeth", waarbij onder andere zonderlinge en onsmakelijke ingrediënten ook de vinger van een bij de geboorte vermoorden zuigeling voorkomt.

Met groote ironie verklaart de dichter, in de zeventiende epode, dat hij voor de tooverkunsten van Canidia zwicht:

"Reeds geef ik het gewonnen aan Uwe krachtige wetenschap, ik bid en smeek U bij het rijk van Proserpina, bij de niet aan te tasten majesteit van Diana, bij de boeken met tooverzangen, die de gesternten, aan den hemel vastgehecht, vermogen omlaag te roepen, Canidia, houd eindelijk op met Uwe bezweringen en laat den vluggen toovertol achteruit draaien [ten einde de betoovering daardoor op te heffen] (v. I—7)".

"Ik ben te over reeds door U gestraft, o veel geliefde van matrozen en straatventers! Gevlucht is mijn jeugd en de blozende kleur verliet de beenderen, omhuld met eene vaalbleeke huid; mijn haar is grijs geworden door Uwe tooverwalmen; geen rust ontspant mij van het werk, de nacht verjaagt den dag, de dag de nacht en mijne benauwde borst vindt geen verlichting. Dus word ik, rampzalige, gedrongen om te gelooven wat ik ontkende, dat Sabellische bezweringen de borst tot in het diepst schokken en je hoofd vaneen splijt door een Marsisch tooverlied. Wat wil je meer? (v. 19—30)."

Aan de Sabellen en Marsen, volksstammen in Midden-Italië, van oudvaderlijken eenvoud, schreven de verfijnde Romeinen het bezit van tooverkrachten toe. Ook dit verschijnsel is zeer opmerkelijk. Volkeren van eene "hoogere cultuur" zijn licht geneigd aan te nemen, dat volkeren die, zooals het heet, "op een lageren trap van ontwikkeling staan," in de magie uitmunten. De Hindoes beschouwden de oerinwoners van Indië als toovenaars en zoo ook de Zweden de Finnen. De Hollanders vermoeden vaak bij de Javanen het bestaan van eene "stille kracht". En het is dan ook niet onmogelijk, dat volkeren, die te kort schieten in het uitdenken van machinerieën—dit toch beschouwt men gewoonlijk als het meest sprekende kenmerk van eene "hoogere cultuur"—daarentegen meer begaafd zijn met zekere geheimzinnige krachten die het wezen uitmaken der magie.

En eindelijk worden in eene satire (I, 8) Canidia en Sagana, die 's nachts er op uit gaan om dooden te bezweren, door Horatius op zulk eene wijze gehoond, dat wij de reproductie ervan maar liever achterwege laten, en met de opmerking volstaan, dat de bestrijders der magie het zoo nauw niet nemen.

Ovidius (43 v. Chr.— ± 17 n.Chr.), de meest ingenieuze en meest irreligieuze van alle Romeinsche dichters, steekt althans op minder onhebbelijke wijze den draak met de tooverkunst. Hooren wij, uit een zijner minnedichten (I, 8,5—16) de navolgende beschrijvingvan eene oude koppelaarster, tevens magicienne:

"Zij kent de tooverkunsten en de zangen van Circe; zij doet de snelle wateren zich terugbochten naar hunne bron; zij weet goed wat een kruid, wat een band, rondom een draaienden toovertol gewonden, vermag; ... als zij wil, hoopen zich wolken aan den geheelen hemel op; als zij wil, blinkt de dag aan den helderen trans. Bloed zag ik, (zou je 't gelooven?), van de sterren neerdruppelen; het gelaat der maan was purpurrood van bloed. Ik vermoed, dat zij, van gedaante veranderd, door de nachtelijke schaduwen vliegt en dat haar oud lichaam zich met veeren overdekt; ik vermoed het, en 't wordt beweerd; ook schittert eene dubbele pupil in hare oogen."

Dit laatste is ons ook van de Thibii, eene volksstam aan de Zwarte Zee, bericht, van wie men verder vermeldde, dat zij de macht van het booze oog (vgl. II) uitoefenden en in 't water niet onderzonken[31] .

In zijn "Remedie tegen de liefde", overigens "een geneesmiddel erger dan de kwaal", keurt hij (248—260) het gebruik van magische middelen af:

"Meent iemand, dat de booze kruiden van het Thessalische land en de magische kunsten hulp kunnen brengen, dan zie hij wel toe! Dat is de oude manier van giftmengerij: mijne muze biedt met hare gewijde zangen eene onschuldige hulp. Volgt gij mij, dan zal geen schim op bevel uit den grafheuvel te voorschijn treden; geen tooverkol zal door gruwelijke bezwering den grond doen splijten; geen veldgewas zal van den eenen akker naar den anderen over gaan; en de zonneschijf zal niet plotseling bleek zien. De Tïber zal, als gewoonlijk, naar de wateren der zee loopen, de maan als gewoonlijk, met een sneeuwwit span voortrijden. Geen hart zal door bezweringen van kommer verlost worden, geen liefde voor brandende zwavel op de vlucht slaan ..."

Men schreef nl. reeds in overoude tijden aan zwavel eene reinigende kracht toe en ook in de liefdestooverij werd er gebruik van gemaakt.

Ovidius verklaart verder (v. 289 vlg.):

"Wïe gij ook zijt, die hulp verlangt van onze kunst, ontzeg aan giftmengerij en tooverzangen geloof."

Maar met dat al was de magie als litterair onderwerp ook voor hem onmisbaar. Het werk, waaraan hij bovenal zijn naam te danken heeft, zijn immers de "Metamorphosen," d.w.z. gedaantewisselingen, eene reeks verhalen uit de mythologie, die telkens met verandering van lichaamsvormen, dus met tooverij, eindigen. En de episode van Medea is zeer zeker niet de minste in dit bij uitstek kleurrijke en schilderachtige dichtwerk. Eén greep (VII, 180-188):

"Toen de maan in haar volsten glans en met gevulde schijf op de landen neerzag, verliet Medea het huis, gehuld in ontgordelde kleeren, één voet ontbloot, de haren over de naakte schouders neergolvende; onverzeld gaat ze met zwervende schreden door de stomme stilte der middernacht; diepe rust had menschen, gevogelte en wilde dieren ontspannen; de heggen zijn zonder gefluister; onbewogen zwijgt het loof; de vochtige lucht zwijgt; de sterren alleen flikkeren."

Hierbij eene opmerking.

Er is hier sprake van "ontbloote schouders." Diergelijke ontblootingen en zelfs algeheele naaktheid komen bij de tooverij meer voor. In een fragment uit eene Grieksche tragedie wordt uitdrukkelijk gezegd, dat Medea naakt de benoodigde tooverkruiden maait[32]. Op eene vaas vindt men afgebeeld, hoe twee naakte toovenaressen de maan omlaag halen[33]. In de tooverpapyri wordt voorgeschreven, dat de knaap, die bij zekere handelingen onmisbaar is, naakt moet zijn[34]. Bij het exorcisme, dat aan den doop voorafging, moest oudtijds, inzonderheid volgens het ritueel der Grieksche kerk, de doopeling ontkleed worden. Dit alles sluit goed aan bij het boven vermelde feit, dat men knoopen en gordels bij tooverhandelingen ongewenscht achtte: het geheimzinnige "mana" immers moet zoo vrij mogelijk kunnen werken.

De liefdestooverij was meer dan eene bloote litteraire fictie.

Tooverdranken waren ook toen veel in gebruik en er wordt zelfs vermeld, dat Lucretius Carus (± 97 v. Ch.—55(?) v.Ch.) door het toedienen ervan in zijne geestvermogens zou zijn gekrenkt en derhalve zijn beroemd leerdicht "Over de natuur der dingen", eene uiteenzetting van Epicurus' systeem slechts in zijne heldere oogenblikken zou hebben geschreven. Men heeft wel is waar dit bericht in twijfel getrokken, maar er zijn omstandigheden, die sterk voor de waarheid ervan pleiten: het gedicht is niet alleen onvoltooid, maar heeft ook verscheidene lacunes en plotselinge overgangen; daarenboven doet de inhoud er onwillekeurig aan denken, dat de auteur aan hallucinaties leed, 't geen immers met groote dichterlijke begaafdheid best kan samengaan.

Maar ook andere tooverijen werden blijkbaar herhaaldelijk in practijk gebracht.

Van Catilina, een energiek, maar ook onbesuisd man, die in 63 v. Chr., zooals bekend, eene poging deed om de regeering te Rome omver te werpen, vertelden sommigen, dat hij, na het houden van eene opruiende toespraak, om zijne deelgenoten nauwer aan zich te verbinden, menschenbloed, met wijn vermengd, in bekers liet rondreiken; eerst nadat ze onder vervloekingen, zooals deze bij zekere plechtigheden gebruikelijk waren, den drank hadden geproefd, zou hij hun zijn plan hebben geopenbaard.

Aldus de geschiedschrijver Sallustius (87—35 v. Chr.), die echter verklaart, geen genoegzame bewijzen ervoor te hebben (Samenzw. v. Cat. 22), terwijl een later auteur zelfs verhaalt, dat de saamgezworenen een kind slachtten en bij de ingewanden ervan den eed aflegden[35]. Dat men zich door het storten en ook wel door het drinken van bloed tot trouwe kameraadschap verplichtte[36], kwam meer voor en zoodoende zou het bericht omtrent Catilina eene kern van waarheid kunnen bevatten zonder dat men daarom noodzakelijkerwijs aan het allerergste behoeft te denken.

Hoe het zij, de vrees voor de magie was zoo groot, dat men herhaaldelijk van overheidswege er maatregelen tegen nam. Onder Augustus werden door zijn alvermogenden gunsteling, Vipsanius Agrippa, de toovenaars en de vaak met hen op ééne lijn gestelde sterrewichelaars, uit Rome verdreven (33 v. Chr.)[37]. En in 't jaar 28 v. Chr. moest Anaxilaos uit Larissa (in Thessalië), "een Pythagoreeër en magiër", Italië verlaten[38].

Maar ook de vervolgers onthielden zich niet van occultistische, resp. magische practijken. Agrippa zelf had samen met Octavianus, zooals hij oorspronkelijk heette, zich den horoscoop laten trekken[39], en de keizer droeg, ten einde niet door den bliksem te worden getroffen, altijd en overal het vel van een zeekalf bij zich als afweermiddel[40].

Het optreden van Agrippa had niet, of slechts tijdelijk, het gewenschte gevolg: onder keizer Tiberius moesten (waarschijnlijk in 16 n. Chr.) de astrologen en magiërs wederom uit Italië worden verjaagd. Zelfs werd één hunner, L. Pituanius, van de Tarpejische rots afgeworpen (de straf op hoogverraad) en lieten de consuls P. Marcius buiten de Esquilijnsche poort (aan de Oostzijde van Rome), na met trompetgeschal het sein te hebben gegeven, op de ouderwetsche manier, d.w.z. door geeseling en onthoofding, terechtstellen. Aldus bericht de beroemde geschiedschrijver Tacitus in zijne Annalen (II, 32).

Meer opzien baarde, in 't jaar 20 n. Chr., het proces van Piso, dien men beschuldigde, Germanicus, een neef van den keizer en een zeer populair veldheer, door vergif uit den weg te hebben geruimd. "Er werden", zooals Tacitus in Ann. (II, 69) verzekert, "op den grond en bij de muren overblijfsels van opgegravene menschelijke lichamen en tooverspreuken en vervloekingen en de naam van Germanicus op looden tafels ingekrast en halfverbrande asch met smetstof bestreken en andere toovervoorwerpen gevonden, waardoor men gelooft dat zielen aan de onderaardsche machten gewijd worden". Piso, hoewel hij openlijk zijne vijandschap tegen Germanicus had betuigd, ontkende hem te hebben vergiftigd, maar pleegde, aan zijne vrijspraak wanhopende, zelfmoord.

Men verzekert verder, dat Tiberius zelf vrij was van angstvallige gelooverij, maar toch de astrologie beoefende (Ann. VI,20 vgl.), en, als er onweer dreigde, voor de securiteit een laurierkrans op het hoofd droeg[41], omdat men geloofde, dat dit loof door den bliksem niet wordt getroffen.

Er is een factor, die reeds lang in werking, zich van die tijden af met groote kracht doet gelden, nl. de invloed van Oostersche gedachten, gebruiken, godsdiensten, eene strooming, aan welke men den naam Oriëntalisme heeft gegeven.

De Romeinen, tot dusver onweerstaanbaar voortdringende, hadden eindelijk in 't Oosten een tegenstander gevonden, dien ze niet vermochten te overweldigen: de Parthen. De schitterende overwinning, door de Parthen in 53 v. Chr. op Crassus behaald, die tengevolge hiervan met leger en al zijn ondergang vond, is een keerpunt in de geschiedenis. En terwijl het Romeinendom aldus door het Oosten op het slagveld werd gestuit, onderging het tevens in steeds toenemende mate den invloed van het Oosten op geestelijk gebied. Het is geen toeval, dat de invloedrijkste denker der eerste eeuw v. Chr., Posidonius (reeds in 't begin van dit hoofdstuk genoemd) uit Syrië afkomstig was. Aan Posidonius bovenal is het o.m. toe te schrijven, dat eene door en door Oostersche leer, de astrologie, in Rome tot aanzien kwam. Zooals wij zagen, werd de astrologie door de wetgevers met de magie op ééne lijn gesteld, en inderdaad kwamen beide niet slechts vaak met elkaar in aanraking, maar versmolten zij ook herhaaldelijk met elkaar, zooals nog later zal blijken.

De Oostersche godsdiensten wonnen, om het zoo uit te drukken, met den dag veld, al verzetten ook de ouderwetsch gezinde Romeinen er zich met hand en tand tegen en al deinsden zij zelfs voor vervolgingen niet terug.

In de eerste plaats was het de "Alexandrijnsche" religie, die, op instigatie van koning Ptolemaeus I (± 300 v. Chr.) uit Egyptische en Grieksche bestanddeelen samengesteld, zich reeds vroeg over de Helleensche en Romeinsche wereld ging verspreiden.

De Egyptische godsdienst, dien wij, tengevolge van de talrijke ons bewaard geblevene gedenkstukken, zelfs wat kleine bijzonderheden betreft, vrij nauwkeurig kunnen reconstrueeren, was in wezen magie.

Het geloof, dat men door zekere woorden en handelingen invloed vermag uit te oefenen op de onbezielde zoowel als op de bezielde wezens, heerschte van af de oudste tijden bij de Egyptenaren en was met al hun doen en laten innig verbonden.

En evenals de menschen, weten ook de goden zich niet te helpen zonder magie; ook zij hangen zich amuletten om, om zich te beschermen en gebruiken tooverformulieren om elkaar te bedwingen. Allermerkwaardigst is bijv. het navolgende verhaal, dat wij sterk verkort, maar toch zooveel mogelijk met de woorden van het oorspronkelijke weergeven, hoe n.l. de godin Isis, die de kennis heeft van geweldige tooverformulieren, den zonnegod Rē zijn diepste geheim weet te ontlokken.

Rē was oud geworden en leed aan de gebreken van den ouderdom. Het speeksel droop uit zijn mond op den grond neer. Isis mengde dit met aarde, vormde er eene slang van en legde die neer op de plek, waarlangs Rē zou voorbijkomen. De zonnegod werd door de slang gebeten; de adem des levens verliet hem; zijne kaken trilden en al zijne ledematen beefden. Het vergif verspreidde zich door zijn geheele lichaam, evenals de Nijl door de landstreken van Egypte. Rē riep de goden om hulp aan: "O gij goden, die uit mij zijt ontstaan! Eene verschrikkelijke ramp heeft mij getroffen. Mijn hart voelt haar, maar mijne oogen zien haar niet; ik weet niet wie mij dit heeft aangedaan. Nooit heb ik zulk eene pijn gevoeld; geen ziekte kan meer wee veroorzaken als dit. Ik ben een vorst, de zoon van een vorst, ik heb menigten van namen en menigten van gedaanten; mijn wezen is in ieder god. Ik kwam te voorschijn om neer te zien op hetgeen ik had gemaakt, ik schreed door de wereld, die ik geschapen had, toen iets mij stak, maar ik weet niet wat. Brengt tot mij mijne kinderen, de goden, die woorden van macht en de taal der magie bezitten, en monden die weten hoe ze uit te spreken". De kinderen van iederen god kwamen en ook Isis kwam, met zich brengende hare woorden van magische kracht; haar mond was vol van den adem des levens, want hare amuletten overwinnen de pijnen der ziekte en hare woorden doen weer herleven de kelen van hen die gestorven zijn. En zij zeide: "Wat is er gebeurd, o heilige vader? Heeft eene slang U gebeten en heeft een ding dat gij geschapen hebt, zijn hoofd tegen U opgeheven? Voorwaar het zal neergeworpen worden door mijne machtige woorden en ik zal het wegdrijven buiten het bereik van uwe stralen". De heilige god zeide: "Ik ging langs mijn pad om te zien wat ik geschapen had, toen ik gebeten werd door eene slang, die ik niet zag. Is het vuur? Is het water? Ik ben kouder dan water en gloeiender dan vuur. Mijn oog heeft geen kracht, ik kan den hemel niet zien; het zweet loopt van mijn aangezicht als in den zomertijd". Toen zeide Isis tot Rē: "Noem mij uwen geheimen naam, heilige vader, want al wie bevrijd zal zijn door uwen naam, die zal leven". Rē gaf toen allerlei namen op, maar het vergif werd niet uit zijn lichaam weggenomen; het vrat dieper door en de groote god kon niet langer gaan. Toen zeide Isis tot Rē": "Wat gij gezegd hebt, is niet uw ware naam. Noem hem mij en het vergif zal verdwijnen". Eindelijk gaf de groote god toe, dat zijn naam in Isis zou overgaan en Isis, de heerscheres over woorden met tooverkracht, zeide: "Wijk, vergif, ga weg van Rē. Ik ben het die het overwonnen vergif ter aarde doe neervallen, want de naam van den grooten god is van hem genomen. Moge Rē leven en het vergif sterven! Moge het vergif sterven en Rē leven". Dit waren de woorden van Isis, de machtige heerscheres, de meesteres der goden, die Rē bij zijn eigen naam kende.

Dat speeksel aarde vermag te bezielen, berust op het reeds in hoofdstuk II vermelde geloof aan het "mana", eene kracht of zelfstandigheid, waarmee het lichaam van goden en bevoorrechtte menschen zou zijn doortrokken en die ook buiten de sfeer van het lichaam om, drager van het psychische zou blijven. De wonderdadige werking van speeksel zal ook later nog wel eens ter sprake komen.

Veel belangrijker echter is de rol, die de naam in de tooverkunst speelt. En het is dan ook volstrekt geen wonder, dat de naam, de kortste vertegenwoordiger van iemands persoonlijkheid, van de oudste tijden af aan tooverkracht scheen te bezitten. Volgens het primitieve denken is de naam een deel, en wel een belangrijk deel van dengene die hem draagt. Hij is een dubbelganger en tevens ten nauwste met zijn drager verbonden. Zoo kwam men er toe om aan kinderen, ja ook aan steden, een geheimen naam te geven, waarop een kwaadwillige en een vijand geen vat zou kunnen hebben. Bovenal echter kan de naam van een god niet zonder uitwerking worden uitgesproken; de god is verplicht er antwoord op te geven en te handelen overeenkomstig den eisch van wie hem aanroept.

Zoo was ook van ouds her een mysterie verbonden met den naam van den god der Hebreeën; slechts in zeer bijzondere omstandigheden mocht men hem op de lippen nemen en vandaar dan ook het uitdrukkelijk verbod: "Gij zult den naam Uws Gods niet ijdellijk gebruiken", een verbod, dat thans, nu men den magischen achtergrond ervan niet meer voor oogen heeft, maar al te vaak wordt overtreden.

En toch is ook heden ten dage het geloof aan de mysterieuze kracht van den naam nog niet geheel verdwenen; nog zijn sommigen er van overtuigd, dat onze namen een geheimzinnigen invloed zouden uitoefenen op onze lotgevallen en telkens weer hoort men den spreuk aan voeren: nomen est omen, d.w.z.de naam is een voorteeken.

Van alle Egyptische goden traden reeds in oude tijden Isis en Osiris sterk op den voorgrond. De mythen aangaande hen zijn ons echter in haren samenhang slechts in het verhaal bij Plutarchus (± 100 n. Chr.) overgeleverd[42], die wel is waar klaarblijkelijk uit goede bronnen put, maar zich wel eens tendentieuze uitleggingen veroorlooft. Volgens de traditie was Osiris, de weldadige god, door zijn broeder Set (of, zooals de Grieken hem noemden, Typhon), de verpersoonlijking van het booze, verraderlijk omgebracht en in veertien stukken verscheurd, maar door de bezweringen van zijne gade Isis en hun zoon, Horus, weer samengevoegd en tot het leven teruggeroepen geworden. Het menschelijke tot het goddelijke verheffende, ging men iederen overledene als een Osiris beschouwen, die door de bezweringen van zijn zoon als van een anderen Horus, het eindelooze leven verkrijgt. En nog verder in die richting doorgaande geeft de magiër vaak zich zelf voor den een of anderen god uit, teneinde door den goddelijken naam zijn wil grootere kracht bij te zetten.

Enkele voorbeelden:

"Ik ben Rē, in dezen zijn geheimzinnigen naam "Hij-die-was-in-den-oceaan", zijne pijlen tegen zijne vijanden afschietende".

Of, als men zich tegen een vijand keert:

"Verwijder U, want ik ben Horus, trek U terug, want ik ben de zoon van Osiris. De magie van mijne moeder [Isis] is de bescherming van mijne leden".

Door eene of andere mythe te vermelden meent de magiër de daden te kunnen verrichten, die daarin aan een god worden toegeschreven.

"Ik wil alle booze en slechte dingen, die neerkomen op N, den zoon van M., verbannen, evenals Rē zich zelf voor zijne vijanden redde, evenals Chnoem zich redde voor Sobk, evenals Horus zich redde voor Set."

Wij komen later nog op dergelijke bezweringen herhaaldelijk terug.

Dat de hoofdgoden van den Alexandrijnschen cultus, Osiris, Isis, Horus en de raadselachtige, maar, wat zijne werkingssfeer betrof, met Osiris vereenzelvigde Sarapis, als begunstigers van de magie bij uitnemendheid werden beschouwd, spreekt van zelf. Men verhaalde van hen tallooze wonderen; men verwachtte van hen in den droom goeden raad te ontvangen; men schreef hunne namen op amuletten. De Egyptische priesters gingen voor toovenaars door, en Egypte voor het tooverland bij uitnemendheid.

Niet slechts de Egyptische, maar ook de Joodsche religie deed zich in de Grieksch-Romeinsche wereld gelden. En ook bij de Joden stond de magie toen in grooten bloei, ondanks de strengste verboden en de wreedste vervolgingen. De Joodsche tooverspreuken hadden gezag bij de naburige volkeren. In de Koptische en Grieksche tooverlitteratuur speelt de god der Joden, Iao, Sabaoth, eene groote rol; ook de namen van aartsvaders, van Jozua (Jezus) en Salomo komen er herhaaldelijk in voor. Een lang exorcisme (verdrijving van een boozen geest door bezwering), dat wij nog over hebben[43], is blijkbaar afkomstig van een Joodsch-Orphisch genootschap.

Nog in latere eeuwen hebben de Joden den naam van toovenaars, meestal in ongunstigen zin, behouden. Het geloof aan den "ritueelen" moord, nl. dat de Joden bij hun Paaschfeest of tot andere doeleinden het bloed van een Christenkind gebruiken, behoort nog niet tot het verleden, al ontbreekt het ook ten eenenmale aan deugdelijke bewijzen. Maar ook de hoogere magie, zooals zij in de Kabbala, de Joodsche geheimleer uit de middeleeuwen, werd geleeraard, heeft de aandacht van velen, en niet altijd van de minst begaafden, getroffen. Er is in onze dagen, voornamelijk in Frankrijk en Engeland, veel belangstelling voor Kabbalistiek, waarbij het echter aan degelijke studies over dit ingewikkelde onderwerp maar al te zeer ontbreekt.

Keizer Tiberius is in 19 n. Chr. ook tegen de vereerders van Isis en de Joden met de wreedheid hem eigen, opgetreden, zooals o.m. Tacitus het in zijn Annalen (II, 85) vermeldt:

"Er is ook verhandeld over het verdrijven van de Egyptische en Joodsche religies en een senaatsbesluit genomen om vierduizend vrijgelatenen, met die superstitie besmet, wier leeftijd het toeliet, naar het eiland Sardinië te verbannen, ten einde aldaar de roovers in bedwang te houden; als ze door het slechte klimaat omkwamen, zou er niets aan verloren zijn; de overigen moesten Italië verlaten, tenzij ze voor een bepaalden datum de uitheemsche godsdiensten zouden hebben afgezworen."

Al die wreedheid was te vergeefs.



Litteratuur.


*L. Fahz, De poetarum romanorum doctrina magica, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. II Bd. 3 Hft. (1904).

W. J. Dilling, s.v. Knots, in Enc. rel. a. eth. VI (1914).

Fraser, Taboo and the perils of the soul (1914).

Skeat, Malay Magie (1900).

*L. Blau, Das jüdische Zauberwesen (1898).

J. A. Mac Culloch, s.v. Lycanthropy, in Enc. rel. eth. VIII (1915).

E. Penquitt, De Didonis Vergilianae exitu, Dissert. Königsberg (1910).

*R. Wünsch, Aus einem griechischen Zauberpapyrus, in Kleine Texte f. Vorles. u. Üb. hrg. v. H. Lietzmann, No. 84 (1911).

J. Heckenbach, De nuditate sacra sacrisque vinculis, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. IX, 3 (1911).

W.Y. Sellar, s.v. Lucretius, in Encyclopaedia Britannica,-lle uitg. XVII (1911).

P.J. Hamilton-Grierson, s.v. Brotherhood (Artificial), in Enc. rel. eth. II (1909).

*Riess, s.v. Astrologie, in Pauly, Real-Enc. class. Alt. 2e uitg. Bd. II (1896).

*A. Bouché-Leclercq, L'astrologie grecque (1899).

*F. Cumont, Astrology and religion among the Greeks and Romans (1912).

*G. Lafaye, Histoire du culte des divinités d'Alexandrie (1884).

*W. Drexler, s.v. Isis, in Roscher, Lex. d. Myth. Bd. II (1890—97).

*F. Cumont, Die oriental. Religionen im röm. Heidentum, vert. v. G. Gehrich, 2e uitg. (1914).

Erman, Ägypten u ägyptisches Leben im Altertum II (1887).

Budge, Egyptian magie, 2e uitg. (1901).

Lange, Die Ägypter, in Chantepie de la Saussaye Lehrbuch d. Religionsgesch. 3e uitg. I (1905).

G. Roeder, Urkunden z. Religion d. alt. Agypten (1915).

H. Schmidt, Namenglauben im Alten Testament, in Die Religion in Gesch. u. Gegenwart IV (1913).

G. Roeder, s.v. Set, in Roscher, Lex. d. Myth. 63. Lfg. (1910).

A.H. Gardiner, s.v. Magic (Egyptian), in Enc. rel eth. VIII (1915).

*T. Witton Davies, Magic, Divination a. Demonology among the Hebrews and their neighbours (1898).

*M. Gaster, Magic (Jewish), in Enc. rel. eth. VIII (1915).




HOOFDSTUK IV.

Nederlaag der ongeloovigen.


Sinds ongeveer het midden van de eerste eeuw onzer jaartelling neemt het geloof in het wonderbaarlijke en magische eene hooge vlucht. De grootste persoonlijkheden op intellectueel gebied erkennen de realiteit der magie; magie en wijsheid worden als identiek beschouwd. De keizers zelf gaan de tooverij begunstigen en de felle protesten van enkelen bewijzen slechts, hoe weinig zij de teekenen dier tijden verstaan. Allerlei omstandigheden werken als bij afspraak samen tot de nederlaag der ongeloovigen.

Wij willen een en ander nader toelichten. Dat de magie met wijsheid en wetenschap wordt gelijkgesteld komt meer voor. De Arabieren gebruiken het woord ilmoe (wetenschap) ook voor hetgeen op "occultisme", zooals wij het noemen, betrekking heeft. Vandaar het Javaansche ngèlmoe, de kennis der geheime tooverformulieren, een wonderlijk mengelmoes van Polynesische, Hindoesche en Mohammedaansche bestanddeelen. De Javanen jagen deze "wetenschap" ijverig na en meenen door haar al het mogelijke te kunnen gedaan krijgen. Maar niet alle tooverspreuken zijn even machtig en bij een rechtsgeding bijv. zal de verliezende partij hare nederlaag aan de grootere kracht van de bezweringen der tegenpartij toeschrijven.

Wellicht het meest typische voorbeeld van een magiër-wijsgeer is Apollonius van Tyana (in Klein-Azië), omtrent wien wij echter niet zoo goed zijn ingelicht als wij het zouden wenschen. De uitvoerige levensbeschrijving toch, die de belletrist en kunstkenner Philostratus op last van de keizerin Julia Domna (gest 217), van hem te boek stelde, is rijk aan onwaarschijnlijke verhalen en overbodig vertoon van belezenheid; bovendien heeft men, wellicht niet zonder reden, vermoed, dat zij de strekking had, een tegenbeeld te zijn van de Christusverhalen der evangeliën.

Of Apollonius werkelijk, zooals Philostratus verhaalt, het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld doorkruiste om de menschen tot handhaving der oudvaderlijke zeden en zoo mogelijk tot inachtneming van de Pythagoreesche leeringen en leefwijze aan te sporen, blijft eene opene vraag, maar het lijdt geen twijfel dat hij door allerlei wonderbaarlijke handelingen aanleiding gaf, als magiër te worden beschouwd. Het verhaal bijv. dat hij een gestorven meisje in 't leven terugriep[44], wijst onmiskenbaar op wonderdadige genezingen, door hem verricht.

Philostratus is echter met zulke wonderen niet tevreden en verhaalt o.m. dat Apollonius te Ephese eene epidemie vooruit gevoelde en haar vervolgens, op verzoek van de inwoners, deed ophouden door den demon der pest, die zich als een oud bedelaar voordeed, te laten steenigen. En toen de Ephesiërs, op aansporen van den profeet, den steenhoop opruimden, zagen ze, inplaats van dat monster, een hond er onder liggen, van uiterlijk op een dog gelijkend, zoo groot als de grootste leeuw, verpletterd door de steenen en met schuim op den muil[45]!

Eén wonderbaarlijk feit betreffende Apollonius is historisch vrij goed geboekstaafd, en wel het volgende: In 't jaar 96 n. Chr. hield de wijze, reeds op hoogen leeftijd, te Ephese eene openlijke voordracht. Onder 't spreken raakt hij gaandeweg afgeleid, zwijgt, doet eindelijk eenige stappen vooruit en roept: "Stoot hem neer, den tyran, stoot hem neer!" Daarna keert hij zich tot zijn gehoor en zegt: "Heden—op dit oogenblik is keizer Domitianus gedood" en spoedig kwam een bericht uit Rome, dat Apollonius' visioen schitterend bevestigde[46].

Over 't geheel genomen heeft Apollonius blijkbaar reeds bij zijne tijdgenooten en zeer zeker bij de nakomelingschap den indruk gemaakt van eene hoogstaande persoonlijkheid. Zelfs van kerkvaders zijn ons gunstige oordeelen over hem bewaard gebleven. Hieronymus verklaart: "Die man vond overal iets te leeren, en altijd vorderingen makende, overtrof hij telkens weer zich zelven"[47]. En Augustinus zegt: "Veel beter, dat moet men erkennen, was Apollonius, dan de bewerker en bedrijver van zoovele liefdesschandalen, dien ze Jupiter noemen[48]", eene zinspeling op de vaak hoogst onkuische verhalen aangaande dien oppersten god.

Plutarchus (±46 n. Chr.-±120 n. Chr.) die door zijne levensbeschrijvingen zulk een ontzaglijken invloed heeft uitgeoefend, Plutarchus, die in zeldzame mate practisch inzicht met het geloof in het onzienlijke vereenigde, geeft ook bewijzen van zijne belangstelling voor het aanhangige onderwerp. Wel is waar wordt de "angstvallige vrees voor bovenmenschelijke wezens" in zijn geschrift hierover (c. 10 en 13) voor erger dan zelfs atheïsme verklaard, maar dit is blijkbaar zonder nadenken, in eene oogenblikkelijke opwelling, van een ongeloovigen moralist overgenomen. Immers elders handhaaft Plutarchus de realiteit van vele verschijnselen en handelingen, die nu nog bij menigeen voor ongeloofwaardig doorgaan.

Zoo vinden wij bijv. in zijne "Huwelijksvoorschriften" het navolgende (c.5):

"De jacht door middel van vergif vangt den visch wel is waar spoedig en gemakkelijk, maar zij maakt hem voor spijs ongeschikt. Zoo hebben ook de vrouwen die zekere liefdesdranken en tooverijen tegen de mannen verzinnen en hen door wellust overweldigen, zinnelooze, onverstandige en bedorvene levensgezellen. Immers ook Circe had geen baat van hare tooverkunst en kon niets met hare slachtoffers beginnen toen ze zwijnen en ezels geworden waren, maar Odysseus, die zijn verstand had en bedachtzaam met haar omging, had ze uitermate lief."

En in zijne "Tafelgesprekken" wijdt hij (V,7) eene uitvoerige discussie aan het "booze oog" en maakt daarin energiek tegen de ontkenners front(1):

"De feiten steunen op wonderbaarlijke wijze de faam. En al weten wij er de reden niet van, daarom mogen wij toch de geschiedenis geen geloof ontzeggen, daar immers van duizenden dingen wier zelfstandigheid helder voor oogen ligt, de reden ons ontgaat."

"Wij kennen menschen, die door hun aanblik inzonderheid kinderen deren, wier vochtig en zwak gestel door dezen wordt aangedaan en eene ongunstige verandering ondergaat, terwijl dit minder overkomt aan vaste lichamen, die reeds hun beslag hebben gekregen."

Wat de verklaring van het feit in quaestie betreft, verwerpt Plutarchus de hypothese der atomisten (6), in II door ons vermeld, en neemt zijn toevlucht tot de theorie der uitstroomingen (2):

"De reuk toch en de stem en de ademhaling zijn zekere uitstroomingen der levende wezens en deelen, die de zintuigen treffen en [allerlei] doen ondergaan ... Het ligt voor de hand, dat dit het meest door de oogen gebeurt, want het gezicht, dat zeer bewegelijk is, verspreidt met het fluïde, dat een flikkerenden glans uitzendt, eene wonderbaarlijke kracht, door welke de mensch zoowel veel lijdt als bewerkt. Immers, de mensch, door de zichtbare dingen aangedaan, verkeert in dienovereenkomstige genoegens en onaangenaamheden; en tot de verliefdheden, die toch de grootste en felste aandoeningen der ziel zijn, geeft het gezicht de aanleiding, zoodat de minnaar versmelt, wanneer hij naar de schoonen kijkt, en er als 't ware naar toegetrokken wordt. Daarom dient men zich ook te verwonderen over diegenen, die meenen dat de mensch door het gezicht wel aangedaan en gekrenkt wordt, maar geenszins er iets door doet en schade toebrengt".

Plutarchus vermeldt ook de meening, dat zekere amuletten tegen den nijd beschermen, omdat het booze oog door hunne vreemde gestalte wordt afgewend en minder in het slachtoffer doordringt (3).

Wij vinden inderdaad op tal van amuletten, die nog bewaard zijn gebleven, allerzonderlingste afbeeldingen. Voornamelijk speelt het oog zelf daarbij eene groote rol. Sommige onderzoekers hebben dan ook reeds bij de primitieve stammen het bestaan vermoed van de theorie, dat dezelfde kracht, die eene werking uitoefent, ze ook vermag op te heffen, dat dus het gelijke met het gelijke, en in ons geval het oog met het oog moet worden bestreden. Tegenwoordig heerscht echter onder de ethnologen de opvatting, dat zulk eene systematische gedachte van de primitieve volkeren niet is te verwachten, maar eene reeds gevorderde beschaving veronderstelt. De ware verklaring zou deze zijn: De primitieve volkeren gelooven, dat geesten, hetzij overledene menschen, hetzij bovenmenschelijke wezens, het door ons reeds in hoofdstuk II vermelde "mana", eene kracht of zelfstandigheid, ook aan onbezielde voorwerpen kunnen mededeelen. Al wat door iets bijzonders den primitieven mensch als drager van die geheimzinnige kracht toeschijnt, bijv. steenen van een eigenaardigen vorm, dient als amulet. Het amulet vermag dus, om het zoo uit te drukken, door uitstraling van "mana" de kracht van het booze oog te breken. Aangenomen, dat deze verklaring voor de primitieve volkeren opgaat, dan wekt toch het feit, dat wij op Grieksche amuletten o.m. de afbeelding vinden van het gedrochtelijke Gorgo- of Medusahoofd, met slangen omwonden en met wijd geopenden, starenden blik, onwillekeurig de gedachte op, dat men de bedoeling had, door zulke schrikgestalten de booze demonische machten op de vlucht te jagen.

Het behoeft verder wel geen betoog, dat hetgeen van dit geloof aan het booze oog op waarheid berust, blijkbaar hoofdzakelijk door de inwerking der hypnose en suggestie moet worden verklaard.

Plutarchus—om tot hem terug te keeren—acht ook wonderdadige genezingen niet uitgesloten, zooals o.m. het door ons in hoofdstuk II aangaande Pyrrhus vermelde uit zijne biographie van dien koning is geput.

Van de realiteit der doodenbezwering is hij vast overtuigd. De verhalen over Calondas en Pausanias, die wij in ons eerste hoofdstuk hebben aangehaald, zijn bij hem te vinden. En in zijn levendig geschreven dialoog "Over den genius van Socrates" verhaalt hij (c.16) hoe een Pythagoreëer door middel van een droom verneemt dat een zijner geestverwanten is overleden (de Pythagoreeërs konden, heette het, door een zeker teeken in den droom onderscheiden of het beeld van een doode dan wel van een levende verscheen) en in den waan, dat deze niet naar eisch ter aarde was besteld, zich naar het graf begeeft, 's avonds plengoffers brengt en de ziel bezweert terug te keeren om hem te verkondigen, hoe in deze te handelen. In 't verloop van de nacht ziet hij wel is waar niets, maar verbeeldt hij zich, eene stem te hooren, die zegt, dat voor het lijk overeenkomstig den ritus was gezorgd en dat de ziel zich reeds heeft afgescheiden voor eene nieuwe geboorte.

En naar aanleiding van het feit, dat in zijn vaderstad Chaeronea een zekere Damas door zijne medeburgers in het bad was vermoord, vermeldt Plutarchus in het leven van Cimon (I):

"Daar gedurende langen tijd zekere verschijningen op die plek gezien en zuchten gehoord werden, zooals onze voorouders verzekerden, liet men de deuren van het bad dichtmetselen; en tot nu toe nog meenen zij, die nabij deze plek wonen, dat schrikwekkende gezichten en stemmen er aan verbonden zijn."

Bij de Latijnsche auteurs speelt de magie ook in dien tijd geen geringe rol.

Seneca (gest. 65 n. Chr.), de veelzijdigste en beroemdste schrijver van zijn tijd, evenzeer een virtuoos in verzen als in proza, schept in het beschrijven van tooverijen veel genoegen, al is dan ook iets zoo willekeurigs als de magie met het Stoïcijnsche determinisme dat hij overigens huldigt, moeilijk overeen te brengen. Eene groote plaats neemt de magie, zooals van zelf spreekt, in zijn treurspel "Medea" in, dat blijkbaar door Euripides (vgl. hoofdstuk II) is geïnspireerd.

Medea toch, zooals in de vierde acte haar voedster— eene in de antieke drama's onmisbare figuur— uitvoerig beschrijft, "stort al hare toovermiddelen uit en brengt te voorschijn, wat ook zij zelf lang vreesde; zij ontplooit de geheele menigte der rampspoeden (v. 677-679)..... Aangetrokken door de tooverzangen is de geschubde schare uit de eenzame schuilhoeken opgedaagd" (684 vlg.). Medea maakt vergif uit planten gereed, "perst het zwadder uit de slangen, mengt er deelen van onheilspellende vogels onder, het hart van den droeven oehoe, het ingewand, levend aan een gekuifden uil uitgesneden; dit alles legt de in misdaden bedrevene afzonderlijk; in sommige middelen zit de verterende kracht van 't vuur, in andere het kille ijs der trage koude. Ze voegt bij de vergiften woorden, niet minder te vreezen. Daar laat zij 't gedruisch van haren razenden tred hooren en spreekt de bezwering uit; reeds bij de eerste klanken beeft de wereld" (731—39).

En in de derde acte van zijn "Oedipus" wordt met even sombere kleuren de oproeping van Laïus, 's konings vader geteekend. De scenerie is doodsch, een afgelegen bosch. "In 't midden staat een ontzaglijke boom, die met dichte schaduw de mindere stammen drukt en zijne takken met wijden omvang uitbreidende, alleen het woud beschermt. Onder hem bevindt zich eene sombere waterplas, die licht noch zon kent, onbewegelijk door eeuwige kou. Een slijkerig moeras omringt den tragen poel" (v. 542—547). Hierheen begeeft zich de grijze toovenaar en verricht de magische plechtigheden. Zijne stem vindt gehoor. "Het geheele bosch daalde om zich weer met zijn loof te verheffen. Het eikenhout kreeg spleten en een huivering deed het geheele woud schokken. De grond zonk weg en zuchtte diep" (574 vlgg.). Het is alsof de onderwereld zich er over verontwaardigt dat men in haar wil doordringen. Toch verschijnen de bleeke schimmen en onder hen de goden. En ten slotte verrijst, na eene herhaalde aanroeping, de schim van Laïus en laat zijne voorspellingen hooren (v. 619—658).

Niet in de poëzie alleen werden de aardbevingen aan de inwerking van bovenmenschelijke wezens toegeschreven. Ook Pythagoras zou beweerd hebben, dat de aardbevingen niets anders waren dan de samenkomsten der afgestorvenen[49]. Analoge opvattingen vermeldt ons de volkenkunde. De Balineezen beschouwen de aardbevingen als het werk van booze geesten. Volgens den koning van Dahomé veroorzaakte de geest van zijn vader de aardbeving in 't jaar 1862. De Kwakiutl-Indianen (in Britsch Columbia, Canada) gelooven, dat het geesten zijn die de aarde doen schokken. Het "animisme" zooals wij het noemen, is dus hier ver doorgevoerd.

Seneca's neef, Lucanus (39—65), een niet tot rijpheid gekomen genie, een dichter van ongekende stoutheid en gezwollenheid, tracht ook waar de magie ter sprake komt, zijne voorgangers te overtroeven. Alleruitvoerigst beschrijft hij, in het zesde boek van zijn epos "Pharsalia" het uiterlijk en de handelingen van de Thessaalsche tooveres Erichtho. Ziehier enkele, en niet eens de ergste trekken:

"Erichtho had de verfoeilijke tooverkunst tot nieuwe practijken opgevoerd. Zij vindt het een gruwel, haar doodsch hoofd aan het dak van een stad of aan een tehuis toe te vertrouwen; zij bewoont de verlaten graven en nestelt zich in de zerken, na de schimmen er uit te hebben verdreven (v. 509—512) ... Het aangezicht der goddelooze is in walgelijke vervuiling vermagerd. Haar schrikwekkend gelaat, dat geen helderen hemel kent, wordt door eene stygische bleekheid bezwaard en zwoegt onder een last van ongekamde haren (v. 515—'18) ... Zij rooft de rookende asch en de gloeiende beenderen van jongelingen midden uit de houtmijt (v. 533 vlg.) ... Worden de lijken in steenen graven bewaard, ... dan woedt zij gretig tegen alle ledematen en dompelt hare handen in de oogen; zij heeft er behagen in de kille pupillen uit te graven en kauwt de bleeke uitgroeisels der verdroogde hand. Zij breekt met haar gebit den strop van den gehangene (v. 538—544) ... Ja, dikwijls bij de begrafenis van een bloedverwant legde de afgrijselijke Thessaalsche zich op de dierbare leden, deed alsof ze eene kus wou geven, sneed het hoofd af, maakte met hare tanden den saamgepersten mond los, beet in de tong, die aan de dorre keel hing, stortte een gemurmel uit in de kille lippen en droeg eene geheime gruwelboodschap op naar de onderaardsche schimmen" (v. 564—569).

Alleronsmakelijkst! Maar die beschrijving heeft op Dante zoowel als op Goethe een diepen indruk gemaakt, en Erichtho is daardoor eene figuur in de wereldletterkunde geworden.

Artistiek daarentegen en guitig is ook hier de antagonist van Lucanus, de geestig-onhebbelijke romancier-satyricus Petronius (gest. 67), die in zijn "Gastmaal van Trimalchio" een tot dusver nog onovertroffen portret van een O-weeër heeft geleverd. Laten wij hooren, hoe in c. 62 een der helden van zijn roman, een gewezen slaaf, het navolgende griezelige avontuur met een toovenaar vertelt:

"Eens op eene keer was mijn patroon naar Capua gegaan, om wat snuisterijen van de hand te doen. Gebruik makende van de gelegenheid haal ik onzen gast over om vijf mijlen ver met me mee te gaan; 't was een soldaat, een vent als een duivel. Wij maken ons uit de voeten bij 't hanengekraai (de maan blonk als of 't middag was) en komen te midden van grafmonumenten. Mijn makker verwijdert zich achter een steen; ik ga al neuriënde verder en tel de monumenten. Toen ik vervolgens naar mijn begeleider omkeek, kleedde hij zich uit en lei al zijne kleeren naast den weg neer. De moed zonk mij in de schoenen; ik stond er als verstijfd. Maar hij maakte eenen kring om zijne kleeren heen en plotseling was hij een wolf. Denkt niet, dat ik grappen verkoop; ik zou niet willen liegen om al het geld van de wereld. Maar waar had ik het over? Wat ik begonnen was te vertellen, toen hij een wolf geworden was, begon hij te huilen en vluchtte naar de bosschen toe. Ik wist eerst niet, waar ik was; toen trad ik dichter bij om zijne kleeren op te rapen, maar die waren in steen veranderd. Als ik niet van angst verging, wie dan? Ik trok echter mijn zwaard, en hakte al den weg langs op de schimmen in, totdat ik het landhuis van mijn meisje bereikte. Als een spook trad ik binnen; bijna gaf ik mijn ziel op: het zweet brak mij uit; ik zag niet uit mijne oogen; ter nauwernood kwam ik weer bij. Mijn meisje verbaasde zich er over, dat ik zoo laat wandelde en "Als je", zei ze, "eerder gekomen was, had je ons ten minste kunnen helpen; een wolf drong onze stal binnen en al onze schapen—als een slager heeft hij ze het bloed afgetapt. Maar hij heeft er ook van gelust, al is hij ontvlucht, want onze slaaf heeft hem met de lans zijn hals doorboord." Toen ik dit gehoord had, kon ik geen oog meer dicht doen, en zoodra 't dag was, vloog ik naar 't huis van mijn makker, als een bestolen kroegbaas en toen ik op die plek kwam, waar de kleeren in steen waren veranderd, vond ik niets dan bloed. Maar toen ik thuis kwam, lag mijn soldaat in bed, als een os, en een dokter behandelde zijn hals. Ik begreep nu, dat hij een weerwolf was, en van toen af had ik geen stuk brood meer met hem kunnen proeven, al had je me doodgeslagen".

Wij zien hier, hoe het oude volksgeloof aan den weerwolf—vgl. het in hoofdstuk III aangehaalde herdersdicht van Vergilius—op romantisch-vermakelijke wijze is uitgewerkt.

Eene nadere toelichting.

Het geloof, dat men door het zwaard booze geesten vermag op de vlucht te drijven, ja zelfs te deren, is wijd verspreid. Op den Babar-archipel (ten Noord-Oosten van Timor) dragen de vrouwen zwaarden om, ter bescherming van den zuigeling, de booze geesten schrik aan te jagen. Op het eiland Nias (aan de Westkust van Sumatra) slaan mannen met hunne zwaarden links en rechts om den ziektedemon uit het huis van den patiënt te bannen en op diergelijke wijze gaan Chineezen en Japanneezen tegen den demon van de pest te werk. Maar ook aan andere wapenen werd tooverkracht toegeschreven. Jozua bijv. strekt, op bevel van God, zijne lans zoo lang tegen Aï uit, totdat die stad gevallen is (Joz. VIII, 18 en 26). Bij eene oorlogsverklaring door de Romeinen moest een zeker priester eene bebloede lans in het vijandelijke gebied slingeren. In Koningen II, 13,14—17 staat hoe Joas, koning van Israël, op bevel van den profeet Eliza, een pijl des heils tegen de Syriërs afschiet. Eene treffende parallel hiertoe is het navolgende uit eene Zweedsche sage. Tot koning Eirik kwam, toen hij door de vijanden erg in 't nauw werd gebracht, een groote man met een breeden hoed, gaf hem een rietstengel en liet hem dien met de woorden: "Odin [hoogste god der Scandinaviërs] heeft U allen !" over zijne vijanden heen afschieten.

Een exorcisme (demonenuitdrijving) ten overstaan van een Romeinsch veldheer wordt ons uitvoerig beschreven door den geschiedschrijver Flavius Josephus in diens "Joodsche oudheidkunde" (VIII, 2, 5):

"Ik was er getuige van, hoe een zekere Eleazar, een van mijne landgenoten, in tegenwoordigheid van Vespasianus, zijne zonen, de krijgstribunen en de andere menigte soldaten de bezetenen van de macht der demonen bevrijdde. De manier van genezing was als volgt: hij bracht onder de neus van den bezetene zijn ring, onder welks zegel zich een van die wortels bevond, die Salomo hiervoor had aangewezen, liet den zieke hieraan ruiken en trok hem alsdan den demon door de neusgaten naar buiten. En terwijl die mensch terstond neerviel, bezwoer hij den demon onder aanroeping van Salomo en opzegging van diens bezweringen, nooit meer in hem terug te keeren. Daar Eleazar echter de aanwezigen er volkomen van wilde overtuigen, dat hij die kracht bezat, zette hij voor den zieke in de nabijheid een beker, met water gevuld, of een voetbekken en beval den demon, om bij zijn uittreden uit den mensch, deze gereedschappen omver te werpen en de toeschouwers te leeren: begrijpen, dat hij den patiënt had verlaten. Dit geschiedde en het verstand zoowel als de wijsheid van Salomo bleek duidelijk."

Het exorcizeeren zelf was niet het meest wonderbaarlijke en laat zich door suggestie gemakkelijk verklaren. Merkwaardig echter is, dat hier, in afwijking van de procedure bij andere bezweringen, een physisch feit als bewijs van de demonische inwerking er aan toe is gevoegd. Dat n.l. demonen of goden diergelijke raadselachtige bewegingen konden veroorzaken, werd toenmaals zelfs door diegenen geloofd die in de physische wetenschappen niet onbedreven waren. Heden ten dage denkt men hierbij onwillekeurig aan zekere verhalen omtrent de Indische "fakirs" en aan de "spiritistische" mediums. Wat de fakirs betreft, is een dergelijk feit, schoon wel eens door geloofswaardige personen bericht, tot dusver o.w. nog niet streng wetenschappelijk vastgesteld. Bij eenige mediums daarentegen zijn analoge verschijnselen van telekinesie, d.w.z. beweging uit de verte buiten de bekende krachten om, herhaaldelijk onder goede voorwaarden van controle waargenomen, zoodat hunne realiteit op redelijke gronden bezwaarlijk te loochenen valt. Maar het zijn en blijven hooge uitzonderingen, feiten, die zich niet zoo maar op commando kunnen voordoen en daarom zijn wij eerder geneigd aan te nemen, dat het door Josephus vermelde feit aan zekeren jongleurtruc te danken was, die trouwens ook later nog herhaaldelijk is toegepast.

Tacitus, reeds in hoofdstuk III door ons aangehaald, vermeldt in Historiën IV, 81 hoe zijn oudere tijdgenoot, keizer Vespasianus (69—79) zelf eene wonderdadige genezing verrichtte:

"Gedurende die maanden, dat Vespasianus te Alexandrië de passaatwinden en eene rustige zee afwachtte, gebeurden er vele wonderen, waaruit de gunst des hemels en eene zekere genegenheid der goden jegens Vespasianus bleek. Iemand van het mindere volk uit Alexandrië, bekend als ooglijder, wierp zich voor zijne knieën neer en smeekte hem jammerend om genezing van zijne blindheid, op aanraden van den god Serapis, dien het aan gelooverij lijdende volk boven de anderen vereert. Hij verzocht den keizer zich te verwaardigen, zijn wangen en oogkringen met het vocht van zijnen mond te besproeien. Een ander, met eene lamme hand, verzocht, op aansporing van denzelfden god, door den keizerlijken voet te worden getreden. Vespasianus lachte er eerst om en weigerde; toen ze bleven aandringen, ging hij weifelen; nu eens vreesde hij een mal figuur te slaan, dan weer vatte hij door hun gesmeek en de taal van vleiers, hoop; tenslotte beval hij geneesheeren te onderzoeken of zulke blindheid en lamheid door menschelijke hulp te genezen was. De medici zeiden, na allerlei discussies, dat bij de eene het gezichtsvermogen niet vernietigd was en terugkeren zou, als de beletselen verwijderd werden; van den andere kon het verstijfde lid weer door aanwending eener heilzame kracht hersteld worden. Misschien was dit de wil der goden en de keizer voor de volvoering daarvan uitgekozen; en tenslotte zou als het geneesmiddel slaagde, de keizer er de eer van hebben, als het faalde, de spot de ongelukkigen treffen." Toen gaf Vespasianus, in de meening dat zijn geluk geen grenzen kende en niets verder ongeloofelijk was, zelf met een blij gelaat, en te midden van de gespannen verwachting der aanwezige menigte, aan het verzoek gehoor. Terstond werd de verlamde hand weer lenig en herblonk voor den blinde het daglicht. Zij die er getuigen van waren, vermelden nog beide feiten, nu er met een leugen niets te verdienen valt".

Men vergunne ons hier eene uitweiding.

Aan het speeksel wordt ook elders geneeskracht toegeschreven. Bij de Romeinen meende men door eene dagelijksche bestrijking 's morgens met speeksel druipoogigheid te kunnen genezen[50]. De Joden geloofden, dat bespuwing een goed middel tegen oogziekten was, zooals blijkt uit het volgende merkwaardige Talmoedverhaal: Toen een man van zijne vrouw eischte om Rabbi Meïr in 't gezicht te spuwen, veinsde de beroemde leeraar pijn aan zijn oog te lijden, opdat de vrouw, in 't belang van den huiselijken vrede, aan den wensch van haar man zou kunnen voldoen. De Islamieten gelooven nu nog, dat door het lichaamsvocht van hunne sjeichs (heiligen) baraka (zegen, genade, d.w.z. een fluïde, levenskracht of genezingskracht) kan worden overgebracht. Van de Wakerewé, een volksstam in Midden-Afrika, bericht Stanley dat de onderdanen zich door hun koning in de handen lieten spuwen en dan vervolgens hunne oogen bestreken, blijkbaar omdat zij aan het vocht van den koninklijken mond geneeskracht toeschreven. Dit alles laat zich gemakkelijk verklaren door het primitieve geloof, dat het lichaam o.m. van opperhoofden, zooals wij reeds in hoofdstuk II hebben vermeld, van "mana", eene magische kracht of zelfstandigheid is doortrokken. Men kan nog verder gaan en hierin een hoofdfactor zien van de reliquieënvereering. Vaak immers wordt ook aan het lijk en het gebeente van een heilige wonderkracht toegeschreven. Het "mana", om maar die uitdrukking te gebruiken, is ook na den dood nog in de overblijfselen van eene bevoorrechte persoonlijkheid aanwezig.

Keeren wij nu tot Vespasianus terug.

Verdient het al onze aandacht dat die bejaarde, nuchtere, practische keizer eene wondergenezing verrichtte, niet minder opmerkelijk zijn de berichten bij Philostratus, dat Vespasianus[51], evenals zijn zoon Titus[52], achting voor Apollonius van Tyana zouden hebben gevoeld, die daarentegen door den achterdochtigen Domitianus (z.b.) den broeder en opvolger van Titus werd vervolgd[53].

Hadrianus (117-138), de veelzijdigste en bedrijvigste aller keizers, was een en al belangstelling voor de magie en wij lezen dan ook in den grooten tooverpapyrus uit Parijs (v. 2446-2455), dat Pachrates, de "profeet" uit Heliopolis (in Egypte) hem "de macht van zijne goddelijke magie toonde" en dat de keizer, "uit bewondering voor den profeet, beval hem eene dubbele remuneratie uit te keeren".

Hadrianus stichtte voorts ter eere van Antinoüs, een jongeling, die zich voor den keizer zou hebben opgeofferd, eene stad, Antinoöpolis (in Egypte) en wijdde hem een cultus. Van welken aard die cultus is geweest kan men opmaken uit de woorden van een Christelijk schrijver[54]:

"Indien iemand met waarheidsliefde en onpartijdigheid de geschiedenis van Antinoüs onderzoekt, zal hij vinden, dat tooverkunsten en wijdingen der Egyptenaren de oorzaken zijn, dat hij in Antinoöpolis ook na zijn dood nog iets schijnt te verrichten. Zoo iets wordt ook in andere tempels, naar verluidt, door de Egyptenaren en diegenen, die in diergelijke kunsten bedreven zijn, bewerkstelligd. Zij vestigen nl. op zekere oorden voorspellende of genezende demonen, die echter vaak ook hen kwellen, die iets schijnen te hebben misdreven aangaande verbodene spijzen of het aanraken van een dood menschelijk lichaam, om zoodoende den grooten en onbeschaafden hoop schrik aan te jagen. Van dien aard is ook hij, die te Antinoöpolis in Egypte voor een god wordt gehouden, van wiens wondermacht zwendelaars allerlei leugens verzinnen, terwijl anderen, door den aldaar gevestigden demon bedrogen, en nog weer anderen door hun boos geweten overtuigd, eene straf meenen te ondergaan, hun door Antinoüs als god opgelegd."

Op het bannen van demonen naar zekere oorden en meer bepaaldelijk in standbeelden, komen wij in hoofdstuk V terug; hier willen wij er voornamelijk op wijzen, hoe een destijds ingestelde cultus bovenal een magisch karakter droeg.

Het is ook juist in den tijd, dien wij nu behandelen, dat de Oostersche, in de Helleensch-Romeinsche wereld ingedrongen, religies zich eene overheerschende positie onder de beschaafde kringen verwerven, en het spreekt van zelf, dat dit de toch al sterke neiging van het publiek voor het magische nog meer deed toenemen.

De dienst der Egyptische goden werd omstreeks het midden der eerste eeuw, zij het dan ook onder een zekere beperking, officieel erkend. Otho (in 69 keizer) vierde dikwijls de Isisfeesten openlijk in het linnen plechtgewaad. Vespasianus (z.b) betrad te Alexandrië alleen in eigen persoon den tempel van Serapis, ten einde den god over zijn heerschappij te raadplegen[55]. Van toen af aan zijn de keizers begunstigers van den "Alexandrijnschen" cultus. Onder Hadrianus werden de Egyptische goden voor het eerst op de keizerlijke munten afgebeeld. Geen wonder, dat zulke illustre voorgangers ook op dit gebied hunne volgelingen hadden. Hier zij slechts vermeld, dat ook Plutarchus, hoezeer aan de oud-vaderlandsche gebruiken gehecht, warme sympathie voor Isis en Osiris koesterde, zooals uit zijn geschrift over beide goden genoegzaam blijkt.

Ongeveer omstreeks denzelfden tijd als de Isisreligie verkreeg ook de dienst van de Klein-Aziatische godin Cybele, die twee eeuwen lang in Rome slechts een zeer beperkten kring van vereerders mocht hebben, door de gunst van keizer Claudius (41-54) groote uitbreiding. Magie was ook aan dezen cultus niet vreemd; men beoefende er o.m. het "hypnotisme", echter onder den naam van "Corybantisme", afgeleid van de Corybanten, figuren uit de Cybele-mythe, die ook afzonderlijk vereerd werden.

Eveneens blijken de aanhangers van den oorspronkelijk Perzischen Mithrasdienst, die sinds den tijd van Vespasianus het Romeinsche rijk binnendrong, zich vaak op de tooverkunst te hebben toegelegd.

De Oostersche religies, die toenmaals in het Westen zulk eene opgang maakten, leefden dus met de magie in vrede; de nieuwe wereldgodsdienst daarentegen, het christendom, veroordeelde de tooverij van meet af aan ten strengste.

Laten wij dienaangaande het Nieuwe Testament raadplegen.

Wij lezen vooreerst in de Handelingen der Apostelen, VIII:

(5) Philippus trok naar de stad Samaria en predikte hun den Christus. (6) Het volk luisterde eensgezind en vlijtig naar hetgeen Philippus zeide en zag de teekenen, die hij verrichtte. (7) Want de onzuivere geesten voeren uit vele bezetenen met groot geschreeuw; ook werden vele jichtlijders en lammen weer gezond gemaakt. (8) En er ontstond eene zeer groote vreugde in die stad. (9) Er was echter in die zelfde stad een man met name Simon, die reeds vroeger tooverkunsten verrichtte en het volk in verrukking gebracht had door te zeggen dat hij zelf iets bijzonders was, (10) wien allen, van den kleinste tot den grootste aanhingen en zeiden: "Deze is de kracht Gods, die "de Groote" heet", (11) En zij hingen hem aan, omdat hij langen tijd hunne zinnen door tooverij verrukt had. (12) Maar nu zij Philippus geloofden, die de blijde boodschap van het koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, lieten zij zich doopen, mannen zoowel als vrouwen. (13) En ook Simon zelf werd geloovig en na gedoopt te zijn bleef hij voortdurend bij Philippus en toen hij de teekenen en groote krachten zag, die er geschiedden, ontzette hij zich. (14) Toen nu de apostelen in Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes. (15) Dezen kwamen en baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest mochten ontvangen. (16) Want deze was nog op niemand hunner neergedaald, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den naam van den Heer Jezus. (17) Toen legden zij de handen op hen en zij ontvingen den Heiligen Geest. (18) En als Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Heilige Geest geschonken werd, bood hij hun geld aan (19) en zeide: "Geeft ook mij deze macht, opdat hij, wien ik de handen opleg, den Heiligen Geest ontvangt". (20) Petrus echter zeide tot hem: "Uw geld ga met U ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt! (21) Gij hebt part noch deel aan dit woord, want uw hart is niet oprecht tegenover God. (22) Bekeer U dan van deze uwe boosheid en bid God, of misschien deze overlegging uws harten U vergeven wordt, (23) want ik zie, dat uwe ziel vol is van bittere gal en dat gij verstrikt zijt in ongerechtigheid. (24) Doch Simon antwoordde en sprak: "Bidt gijlieden voor mij tot den Heer, dat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt."

De oudste Christenen gingen dus, zooals wij zien, van het gezonde principe uit, dat de uitdeeling der goddelijke gaven vrij moet zijn van winstbejag, overigens echter werd tusschen de "wonderen" in naam van den Christus of in naam van andere godheden verricht, geen scherpe grenslijn getrokken.

Hoogst kenschetsend is verder het navolgende verhaal, eveneens uit de Handelingen der Apostelen, XIII:

(6) En toen zij [nl. Paulus en Barnabas] het eiland [Cyprus] doorgetrokken waren tot aan de stad Paphos, troffen zij er een Joodschen toovenaar en leugenprofeet aan, met name Bar-Jezus, (7) die tot het gevolg van den stadhouder Sergius Paulus, een zeer verstandig man, behoorde. Deze ontbood Barnabas en Saulus en begeerde zeer, het woord Gods te hooren. (8) Maar Elymas, de toovenaar—want aldus wordt zijn naam vertolkt—kwam tegen hen op en trachtte den stadhouder van het geloof afkeerig te maken. (9) Maar Saulus (ook Paulus genoemd), vervuld van den Heiligen Geest, keek hem scherp aan (10) en zeide: "O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en alle arglist, vijand van alle gerechtigheid, wilt gij eens ophouden, de rechte wegen des Heeren krom te maken? (11) Zie dan, de hand des Heeren keert zich tegen U en gij zult blind zijn en de zon voor een tijd niet zien!" En terstond viel nevel en duisternis op hem, en tastende zocht hij rond naar wie hem bij de hand zouden leiden. (12) Toen de stadhouder zag wat gebeurd was, geloofde hij, ontzet over de leer van den Heer."

Hier zien wij dus, hoe naar de Christelijke opvatting, een toovenaar-profeet door de goddelijke macht krachteloos wordt gemaakt.

Zeer opmerkelijk is ook hetgeen naar aanleiding van Paulus' prediking in Ephese wordt vermeld (Handelingen XIX, 19):

"Velen ook dergenen, die magische kunsten beoefend hadden, brachten de [toover]boeken bijeen en verbrandden ze in tegenwoordigheid van allen; men berekende de waarde ervan en kwam tot een bedrag van vijftigduizend zilverstukken."

In de "Openbaring van Johannes" wordt (XXI, 8) verzekerd, dat ook aan de toovenaars als aan de andere misdadigers "hun deel zal zijn in den poel die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood" (vgl. ook XXII, 15).

De zg. Apostolische Vaders sluiten zich bij die zienswijze aan.

In den zg. "Brief van Barnabas" (waarschijnlijk uit de eerste eeuw dagteekenende) wordt c. 20 gewaarschuwd voor den "weg der duisternis", want het is "de weg van den eeuwigen dood met straf, waarop zich bevindt wat de ziel te gronde richt", en daaronder wordt ook de magie uitdrukkelijk genoemd.

Ook de zg. "Leer der Twaalf Apostelen" (hoogstwaarschijnlijk later dan de brief van Barnabas) zegt in c. III, 4 o.m.: "Mijn kind, wordt geen bezweerder noch astroloog noch magiër en verlang die dingen niet te zien, want uit dit alles ontstaat afgodendienst". Dit was dus bij de Christenen het groote bezwaar tegen de tooverij.

Desondanks werden zoowel Jezus zelf als zijne volgelingen in 't algemeen als magiërs beschouwd.

Het is bijv. een feit, dat de Joden Jezus voor een toovenaar uitmaakten. Volgens eene overlevering zou Jezus in Egypte de magie hebben geleerd en door middel van haar zijne wonderdaden hebben verricht. In Joodsche legenden van lateren tijd staat o.m. te lezen, dat Jezus een geheim perkament met den waren naam Gods had bezeten, dat dit hem echter afhandig werd gemaakt en hij dientengevolge zijne tooverkracht verloor. Die verhalen hebben echter, zooals van zelf spreekt, geen historische waarde. Daarentegen valt het niet te ontkennen, dat zekere wonderdadige genezingen, zooals ze in de Evangeliën worden verhaald, sterk op die van magiërs gelijken. Wanneer wij lezen, hoe Jezus doofstomheid (Marcus VII, 33) en blindheid (Marcus VIII, 23 en Johannes IX, 6) geneest door o.m. van zijn speeksel gebruik te maken, dan denken wij onwillekeurig aan de wonderdaad van Vespasianus en aan hetgeen wij verder t.p. hebben vermeld. En wanneer in Lucas VIII, 43 vlg. staat, hoe eene zieke vrouw reeds daardoor genezen wordt, dat zij den zoom van Jezus' kleed aanraakt, en hoe in v. 46 Jezus zelf verklaart te voelen dat kracht van hem is uitgegaan, dan herinnert dat ons van zelf aan de wonderdadige geneeskracht, die, zooals wij reeds in hoofdstuk II zagen, door de primitieve volkeren aan hunne opperhoofden wordt toegeschreven.

De Christenen gingen, evenals de Joden, in 't algemeen bij de Romeinen voor magiërs door. Wanneer de geschiedschrijver Suetonius in zijn "leven van Nero" c. 16, de Christenen naar aanleiding van de vervolging onder dien keizer eene soort menschen noemt van eene "nieuwe en boosdoende superstitie", dan gebruikt hij—'t geen hoogst opmerkelijk is—een woord, nl. boosdoende (malefica) dat ook bij uitstek van de tooverij in ongunstigen zin werd gebezigd. In een brief, aan keizer Hadrianus toegeschreven, worden de Christelijke presbyters voor wichelaars en dgl. uitgemaakt[56]. Met die beschuldiging van magie hangt ook het gerucht samen, dat vooral in de tweede eeuw hardnekkig werd geloofd, dat nl. de Christenen een klein kind slachtten en brood in het bloed doopten om aldus het eeuwige leven te verwerven. Aanleiding daartoe was blijkbaar de geheime viering van het avondmaal bij de Christenen en zekere uitdrukkingen, die zij voor dit sacrament gebruikten. Het griezelige, dat men van de magiërs geloofde, geloofde men ook van de Christenen, en men nam zich niet de moeite, om het feit zelf deugdelijk te bewijzen. Voorts werd het, zooals te begrijpen, als magie beschouwd, wanneer de Christenen door den naam van Jezus "duivelen" uit de bezetenen verdreven. Overigens was, zooals wij in hoofdstuk III gezien hebben, het exorcisme reeds voordien gebruikelijk.

Begunstigers daarentegen van de magie waren de zg. Gnostieken, sectariërs, van vóór onze jaartelling dateerende, echter reeds spoedig met het Christendom in aanraking gekomen. Gnosis, d.w.z. kennis, is, naar hunne opvatting, niet zoo zeer de "zelfbezinning van het intellect" als wel eene geheimzinnige openbaring, die door inwijding en sacramenten, door visioenen en extase den mensch ten deel valt. Wij zijn aangaande de Gnostieken vrij gebrekkig ingelicht en meestal slechts op de berichten van hunne tegenstanders aangewezen, maar dat zij sterk aan magie deden, is boven twijfel verheven. Zeer opmerkelijk is het, dat bovenvermelde Simon "de toovenaar" door de oude kerk werd beschouwd als de "vader der ketterijen", die "deels door goocheltoeren, deels ook door de hulp van demonen"[57] velen misleidde. Zooals wij in hoofdstuk V zullen zien, beoefenden de "Simonianen", die zich geruimen tijd wisten te handhaven, o.m. de doodenbezwering. Van Carpocrates (eerste helft der tweede eeuw) en zijne volgelingen luidt het: "Zij houden zich op met magische kunsten en bezweringen, minnedranken en toovermiddelen, bijzitters [helpende geesten] en droomenzendende geesten en de overige boosdoenarijen, bewerende de macht te hebben om reeds te heerschen over de vorsten en vormers van deze wereld, ja zelfs over al het geschapene in haar"[58]. Uit koptisch-gnostische geschriften, die men in den laatsten tijd gevonden en uitgegeven heeft, zijn wij hieromtrent een en ander te weten gekomen. In een dier boeken bijv. staat o.m. opgegeven welke symbolen en bezweringen van noode zijn, om "de oorden van den onzichtbaren God te doorwandelen". De symbolen of "zegels" bestaan uit allerlei figuren, die soms op sneeuwkristallen gelijken, de bezweringen grootendeels uit vreemdsoortige namen, als Jaldabaoth en allerzonderlingste klankverbindingen als zozeze, ja, herhalingen van enkele klinkers als bijv. eene drievoudige e. Bij iedere afzonderlijke aanroeping van gindsche "heerschers" moet men tevens een mystiek getal als bijv. 1119 "met de handen grijpen"[59]. Dergelijke practijken waren reeds in het oude Egypte gebruikelijk, zooals o.m. uit het zg. Doodenboek, feitelijk eene verzameling van tooverformulieren, blijkt.

In de tweede helft der tweede eeuw n. Chr. heeft het ongeloof nog wel eenige voorstanders onder de wijsgeeren, maar het moet hoe langer hoe meer zwichten voor de onweerstaanbare macht der pythagoreïsche en platonische philosophie. En hoe men in die kringen over de realiteit der magie dacht, leert ons bijv. de veertiende "voordracht" van Maximus, uit Tyrus, een toenmalig "conférencier", die daarin o.m. inlichtingen omtrent allerlei orakelen geeft. Vgl. inzonderheid de navolgende passage, (2, vlg.):

"In Boeotië, nabij de stad Lebadea, is een orakelgrot, genoemd naar den halfgod Trophonius. Wie hem wil raadplegen, legt een linnen, tot de voeten reikend, roodkleurig gewaad aan, neemt [honig]koeken in beide handen, en begeeft zich achterovergebogen door eene smalle opening binnen de grot. Na het een en ander te hebben gezien of gehoord komt hij weer naar boven en is zelf de tolk van wat hij waarnam. En ergens in Italië, in Groot-Griekenland, was bij het meir dat Avernus heet, een orakelgrot met priesters: psychagogen, geheeten naar hun werk [het oproepen van zielen]. Wie daar ter wille van het orakel gekomen was, deed een gebed, slachtte offerdieren, bracht plengoffers en riep de ziel van wien hij wilde, van voorouders of van vrienden, op. En dan kwam hem een schimbeeld te gemoet, wel is waar onduidelijk om te zien en moeilijk te herkennen, maar toch in staat om eene stem te laten hooren en voorspellingen te doen, en na geantwoord te hebben op hetgeen men vroeg, verdween het. Het schijnt mij toe, dat ook Homerus dit orakel kende en Odysseus er de reis heen laat doen, al heeft hij het, met dichterlijke vrijheid, ver van de Middellandsche zee verplaatst.

3. Indien deze dingen waar zijn, zooals het geval is, daar deels die orakelen ook nu nog bestaan, zooals ze waren, deels nog duidelijke sporen van den dienst en de plechtigheden bij die instellingen over zijn," enz.

Eene zeer uitvoerige beschrijving van het Trophonius-orakel geeft, uit eigen ervaring, een tijdgenoot van Maximus, nl. Pausanias, in zijne beschrijving van Griekenland "de Baedecker der oudheid" (IX, 39). Van het meir Avernus, in Campanië, is reeds in hoofdstuk III sprake geweest; hier willen wij nog slechts opmerken, dat Zuid-Italië, wegens de vele Grieksche kolonies die er waren, vaak "Groot-Griekenland" werd genoemd.

De satiricus Lucianus uit Syrië (± 120-na 180), die zich niet ontzag de meest hoogstaande philosophen te bespotten, kantte zich fel tegen alles wat maar naar magie zweemde en heeft enkele geschriften speciaal aan de bestrijding ervan gewijd.

Bekend is zijne levensbeschrijving van "Alexander den leugenprofeet" uit Abonouteichos (in Klein-Azië), die ook bij hooggeplaatste Romeinen zeer gezien was. Lucianus, zijn persoonlijke vijand, noemt hem een toovenaar (c. 1), verwijt hem, op grond van hooren zeggen, grove onzedelijkheid (c. 5) en beschuldigt hem van stelselmatig bedrog, ja zelfs van poging tot moord (c. 56 vlg.). Dit alles valt, door gebrek aan andere bronnen, moeilijk te controleeren; maar dat men Alexander niet botweg mag beoordeelen naar de critiek van iemand, die, op 't voorbeeld van Epicurus, verklaart, dat "wonderen" bedrog moeten zijn, ook al kan men dit niet aantoonen (c. 17)—daarover worden de deskundigen het toch meer en meer eens.

Van eenigszins minder inferieur gehalte is de "Menippus of doodenbezwering", waarin Lucianus genoemden satiricus, geholpen door een Chaldeeuwschen magiër, in de onderwereld laat neerdalen. De beschrijving van de hiertoe vereischte voorbereidingen en ceremoniën, hoe wonderlijk ook, is geen pure fantasie. Menippus nl. vertelt o.m., hoe de magiër hem omstreeks middernacht naar de Tigrisrivier leidde, hem reinigde, met klei afwreef, met fakkels en de zeeajuin en verscheidene andere middelen zuiverde en tevens eene bezwering mompelde, (c. 7), 't geen met andere berichten omtrent soortgelijke handelingen overeenstemt. Van de onderwereld zelve zij hier vermeld, dat, volgens onzen zegsman, Socrates daar, tengevolge van zijne vergiftiging, nog met gezwollen beenen rondliep, (c. 18).

Al zijne bitterheid heeft Lucianus echter in "De leugenvriend of de ongeloovige" bijeengegaard, om ze onbarmhartig uit te storten over iedereen die zich in dezen niet met de zienswijze der atomisten (c. 32 f.f.) kan vereenigen, 's Mans fijne en vindingrijke ironie moge uit staaltjes als de navolgende blijken: Een der "wondergeloovigen" verzekert, een blik in de onderwereld te hebben geslagen en antwoordt op de vraag of hem ook Socrates voor oogen was gekomen, aldus: "Ik zag Socrates, echter niet duidelijk, maar op de gis af, omdat hij een kaal hoofd en een dikken buik had" (c. 24). Van een ander wordt gezegd, dat hem "de ideeën zelve verschijnen, die Plato laat zien, een duister schouwspel voor zwakken van gezicht" (c. 16), waarmee de geestigheid van Lucianus in deze materie haar toppunt heeft bereikt.

Een tegenhanger van Lucianus is de grootste der toenmalige Latijnsche belletristen, Apuleius uit Madaura (heden ten dage Mdauroesch in Algiers), tevens een man van encyclopaedische kennis. Zijn bekendste werk, de kleurrijke en artistieke roman "Metamorphosen", d.w.z. "Gedaanteverwisselingen", ook wel "De gouden ezel" genoemd, vereenigt op eigenaardige wijze nuchter realisme met weelderige fantasie, losbandige dartelheid met innige devotie. De held ervan, Lucius, een jeugdig en hoogst onbezonnen geleerde, wordt nl. in een ezel veranderd en beleeft als zoodanig de zonderlingste lotgevallen, totdat hij door de genade van Isis wordt verlost en zich uit dankbaarheid aan den dienst der godin wijdt.

Uit dit boek spreekt een enthousiasme voor tooverij, zooals wij het zelden elders aantreffen. Wij willen hier het meest frappante aanhalen.

Lucius, te Hypata, een stadje in Thessalië, aangekomen, denkt over de wonderen na, die hij verwacht te zien (II, 1):

"Zoodra de zon de nacht verdreven en den dag hernieuwd had, verhief ik mij tegelijkertijd uit den slaap en uit het bed, tóch al gespannen en bovenmatig nieuwsgierig, om wat zeldzaam en wonderbaarlijk is, te leeren kennen, en bedenkende, dat ik mij midden in Thessalië bevond, dat de geheele aardkring als de bakermat der tooverzangen verheerlijkt ... bekeek ik alles stuk voor stuk met de grootste belangstelling en nieuwsgierigheid. En er was niets in dat plaatsje wat ik bij den aanblik voor dat hield wat het was, maar ik geloofde dat alles zonder onderscheid door helsch toovergemompel in eene andere gestalte was omgezet, dat de steenen, die ik er aantrof, uit menschen verhard, de vogels die ik hoorde, evenzoo bevederd, de boomen, die de stadgrens omgaven, op gelijke wijze bebladerd en dat de bronwateren vervloeide menschenlichamen waren. Reeds verwachtte ik, dat de standbeelden en schilderijen zouden gaan wandelen, de muren spreken, de runderen en soortgelijk vee profeteeren en van den hemel zelf en de zonneschijf plotseling een orakel zou neerdalen."

Daar ontmoet hij eene aanverwante, de matrone Byrrhina, die hem waarschuwt voor de booze kunsten van Pamphile (jongensgek), wier echtgenoot hem gastvrijheid verleent (2 vlg.):

"Maar ik", aldus gaat Lucius in c. 6 voort, "toch al nieuwsgierig, was, zoodra ik het altijd gewenschte woord "tooverkunst" hoorde, er zoo verre van af, om voor Pamphile op mijne hoede te zijn, dat ik integendeel er naar snakte, om mij aan zulk eene leerschool zelfs tegen eene rijke betaling gaarne over te geven en mij rechtstreeks met rassen sprong in den afgrond te storten."

De zucht naar tooverij valt moeilijk met schellere kleuren te teekenen.

Door middel van eene slavin, waarmee hij liefdesbetrekkingen aanknoopt, tracht Lucius achter de geheimen van Pamphile te komen.

Pamphile, aan haar weinig sympathieken echtgenoot ontrouw, legt zich vooral op liefdestooverij toe, waaromtrent dan ook in III, 17 vlg. een en ander wordt medegedeeld. Zij tracht afgesneden haren van dengene op wien ze verliefd is, meester te worden, en bedient zich voorts van een zeer omvangrijk tooverapparaat: allerlei soort welriekende kruiden, platen met onverstaanbare karakters bekrast, overblijfselen van verongelukte schepen, lichaamsdeelen van overledenen, bloed van vermoorden, bekkeneelen aan de tanden van roofdieren ontrukt, bezweringen, plengingen, nu eens met bronwater, dan met koeienmelk, met wilden honig ofwel met wijnmee. Na vervolgens de haren in elkaar gestrengeld en geknoopt te hebben werpt ze deze ter verbranding in een gloeiend kolenvuur.

Wij hebben verscheidene van deze toovermiddelen reeds herhaaldelijk vermeld en willen hier meer bepaaldelijk onze aandacht op de haren vestigen.

De haren toch spelen in het volksgeloof eene groote rol. Zelfs worden ze vaak als zetel van de levenskracht beschouwd. Volgens Euripides snijdt de dood een lok af van het hem gewijde slachtoffer[60]. Vergilius verhaalt in het (reeds in hoofdstuk III door ons aangehaalde) vierde boek der Aeneïde (v. 696-705), hoe Dido die "voor haar tijd" zelfmoord pleegt, niet van het lichaam kan scheiden, alvorens haar van godswege een lok van de kruin is afgesneden. En wie denkt hierbij niet onwillekeurig aan Simson, die met zijne weelderige haren tegelijk ook zijne reuzenkracht verliest?

Het is dus geen wonder, dat de haren bij liefdestooverij en envoûtement te pas komen. Lucianus vermeldt in zijne "heterengesprekken" (IV, 4), hoe voor de betoovering van een ontrouwen minnaar iets van den man zelf, zooals bijv. enkele van zijne haren, vereischt zijn. En treffend stemt het met de tooverij van Pamphile overeen, als wij lezen, hoe de magiërs bij de Tamilen op Ceylon, om iemand te envoûteeren, haren en speeksel van hem met zand van zijne voetsporen vermengd, samenkneeden en op een looden plaat uitspreiden, waarbij tevens een ontvleeschte schedel met magische, er op ingekraste karakters onmisbaar is.

Met de bovengenoemde middelen echter in een zeker geval niets kunnende gedaan krijgen, besluit Pamphile de gedaante van een vogel aan te nemen en zoo naar haar geliefde toe te vliegen. Ze begeeft zich voor dat doel naar haar bovenkamertje. (c. 21). Lucius, door de slavin gewaarschuwd, klimt, in den nacht, stilletjes de trap op en ziet door eene spleet in de deur, hoe Pamphile zich eerst van al hare kleeren ontdoet, daarna uit een gesloten kastje verscheidene busjes te voorschijn haalt, uit een ervan eene zalf neemt, deze lang met hare handpalmen wrijft en zich van de teenen tot de kruin er mee bestrijkt. Eindelijk schudt ze hare ledenmaten, die zich met veeren bedekken; ze wordt een oehoe en gaat met vollen vleugelslag er van door.

Wij zien hier dus, hoe eene zalf vereischt is, als men zich in een dier wil veranderen, en denken daarbij meteen aan de zalf, waarmede de heksen zich bestreken, ten einde naar hunne nachtelijke samenkomsten te vliegen, zooals Goethe het in Faust dichterlijk heeft beschreven. En ook wordt ons overgeleverd, dat men zich van eene diergelijke zalf bediende, om de gedaante van een wolf aan te nemen, zooals immers het geloof aan den weerwolf met dat aan den duivel en tooverij samen is gesmolten. De hoofdbestanddeelen van de zalven in quaestie waren narcotische kruiden; een occultist uit de vorige eeuw, K. Kiesewetter, die het geheim van de samenstelling meende te kennen, heeft er zelf proeven mee genomen, waarbij hij van reizen in verre gewesten en groote menschenmassa's droomde. Het geloof der heksen, op eene samenkomst te zijn geweest, waarbij de duivel het voorzitterschap bekleedde, laat zich verder door "autosuggestie" gemakkelijk verklaren.

Lucius, door dolle nieuwsgierigheid gedreven, wil nu ook een experiment met de zalf wagen, maar neemt per ongeluk een verkeerd busje en wordt zoodoende in een ezel veranderd (c. 24). Slechts het eten van rozen vermag hem de menschelijke gedaante weer te geven, maar dit valt hem niet dan na eene reeks allerellendigste wederwaardigheden ten deel (XI, 13).

Ook eene doodenbezwering wordt in onzen roman beschreven, en wel naar aanleiding van het feit, dat zeker bejaard burger eene vrouw beschuldigt, zijn neef, met wien zij gehuwd was, te hebben vermoord. Er ontstaat een oploop; het volk dreigt de vrouw te steenigen, zij echter verzekert onder tranen, onschuldig te zijn (II, 27).

"Toen dan", aldus gaat het verhaal bij Apuleius (c. 28) voort, "zeide de grijsaard: De beslissing omtrent de waarheid zij aan de goddelijke voorzienigheid overgelaten! Zatchlas is hier, een Egyptisch priester van den eersten rang, die met mij tegen eene groote belooning is overeengekomen, om den geest van den overledene voor eene korte poos uit de onderwereld terug te roepen en dit lichaam weer te bezielen." En meteen brengt hij een jongeling er bij, in linnen gewaden, met schoenen van palmbladeren en met kaalgeschoren hoofd. Lang kust hij diens handen, raakt zijne knieën aan en zegt: "Ontferm U, priester, ontferm U! Bij de gesternten des hemels, bij de godheden der onderwereld, bij de elementen der natuur, bij het zwijgen der nacht, en de heiligdommen van Coptos, bij het aanwassen van den Nijl en de geheimen van Memphis ... geef een kort gebruik van de zon en giet in de voor eeuwig gesloten oogen een weinig licht! Wij verzetten ons niet tegen het noodlot, wij ontzeggen niet aan de aarde haar eigendom, maar slechts terwille van den troost der wraak, smeeken wij om eene korte spanne levens."

De profeet, aldus vermurwd, legt een zeker kruid op den mond en een ander op de borst van 't lijk. Vervolgens aanbidt hij, naar het Oosten gekeerd, zwijgend de opkomst van den verheven zonnegod en wekt door den aanblik van dit eerbiedwaardig tooneel de belangstelling der aanwezigen voor een zoo groot wonder op (29).... Reeds begon de borst op en neer te gaan, reeds de pols hersteld te kloppen, reeds het lichaam door geest te worden vervuld; daar verrijst het lijk en spreekt de jongeling".

Nog meer echter dan die roman geeft het feit te denken, dat Apuleius zelf van tooverij is aangeklaagd (tusschen 155 en 158). Hij was nl. in het huwelijk getreden met eene rijke maar veel oudere weduwe en had daardoor de verwanten van haar eersten echtgenoot tegen zich in 't harnas gejaagd. Men beweerde, dat het huwelijk door verbodene kunsten tot stand was gekomen en diende eene aanklacht tegen Apuleius in, waartegen deze zich in zijne "Apologie", die ook de kerkvader Augustinus als "zeer inhoudsrijk en welsprekend" roemt[61], met goed gevolg verdedigde.

De aanklagers legden Apuleius o.m. ten laste, dat hij zeldzame visschen had gekocht om er toovermiddelen uit te bereiden, dat hij een slaaf had behekst en voor eene lamp aan den voet van een altaar had doen neervallen, dat hij in de woning van een vriend nachtelijke offers had gebracht en dat hij een geheimzinnig beeld voor magische doeleinden met zich voerde.

Deze punten van beschuldiging waren geenszins, zooals men vroeger waande, bespottelijk, maar integendeel, zooals het onderzoek in den laatsten tijd heeft aangetoond, van zeer ernstigen aard, daar ze overeenstemden met hetgeen men toenmaals van de tooverij en hare benoodigdheden geloofde.

Apuleius verdedigt zich hiertegen in dier voege dat hij de lachers op zijne zijde tracht te krijgen, bij bijzonderheden van weinig beteekenis lang blijft stilstaan en allerlei uitweidingen maakt, die zeer zeker veel wetenswaardigs bevatten—ook wij hebben er in III een en ander uit geput—maar die toch kennelijk bedoelen, de aandacht van den toehoorder en lezer af te leiden. Op zekere gewichtige beschuldigingen gaat de verdediger zoo weinig mogelijk in.

Aangaande de visschen tracht Apuleius (in c. 30 vlg.) uitvoerig aan te toonen, dat de magiërs er zich niet van bedienen en roept o.a. in (c. 30) uit: "Hoe zou een stomme en koude visch in staat zijn om den minnegloed te doen ontvlammen?", maar het staat vast, dat toch wel eens visschen voor liefdestooverij werden gebruikt, en Apuleius heeft dus niet anders gedaan, dan om de moeilijkheid heen praten.

In zake de beheksing van den slaaf (c. 42-52) ontkent Apuleius niet, dat deze in zijne tegenwoordigheid was neergevallen (c. 44 vlg.), schrijft dit echter aan epilepsie toe: "Dat moet wel de grootste toovenaar van allen zijn, in wiens tegenwoordigheid die slaaf lang kan blijven staan" (c. 43). Echter komen de bijzonderheden van deze beschuldiging, zooals wij in ons laatste hoofdstuk zullen zien, vrij goed overeen met hetgeen ons de tooverboeken aangaande diergelijke handelingen leeren.

Van het nachtelijke offer, eene echte tooverpractijk, door de wet verboden, maakt Apuleius zich (57-60) grootendeels met grappen, insinuaties en sofismen af. Zijne tegenargumenten zijn weinig steekhoudend en zelfs is het vermoeden geopperd, dat hij, na zijne vrijspraak, er een en ander ten gunste van de rhetorische werking aan zou hebben geretoucheerd.

Het geheimzinnige beeld (c. 61-65) verklaart Apuleius voor een onschuldig voorwerp van particuliere vereering; het was echter een ebbenhouten beeld (c. 61), van Mercurius (de Latijnsche naam voor Hermes, z.b. hoofdstuk I) met een kleed om de schouders (c. 63), en juist zulke beelden van Mercurius, den god-toovenaar, werden, zooals in de tooverpapyri te lezen staat, voor magische doeleinden vervaardigd.

Vat men alles samen, dan bevestigt de "Apologie" wat men a priori van den auteur der "Metamorphosen" kon verwachten, n.l. dat hij, die zich op elk gebied van wetenschap bewoog, ook het "occultisme" beoefende, al was het dan ook niet met booze bedoelingen.

Apuleius, wien in geval van veroordeeling de doodstraf wachtte, bleef dan ook, ondanks zijne vrijspraak, bij zijne tijdgenooten voor een magiër doorgaan en werd in latere eeuwen met Apollonius van Tyana op ééne lijn gesteld.

De magie werd echter ook destijds, zoo noodig, voor officieele doeleinden gebruikt.

Keizer Marcus Aurelius (161-180) verzekert wel is waar in zijne "Zelfbeschouwingen" (I, 6) geen geloof te slaan aan hetgeen wonderdoeners en toovenaars omtrent bezweringen en het bannen van demonen en soortgelijke practijken vertelden, maar toen het Romeinsche rijk door de Marcomannen uit Bohemen en andere volksstammen uit aangrenzende streken werd bedreigd, riep hij overal priesters vandaan, liet vreemdsoortige plechtigheden verrichten en Rome op allerlei manieren reinigen, zoodat dit zelfs zijn vertrek naar het leger vertraagde[62]. Ook heeft hij blijkbaar den "leugenprofeet", Alexander van Abonouteichos (z.b.), begunstigd en wordt bericht, dat een Egyptisch magiër, Arnouphis, toen het Romeinsche leger, door de Quaden ingesloten en door afschuwelijken dorst gekweld werd, Hermes (Mercurius z.b.) en andere goden door middel van tooverkunsten bezwoer en zoodoende een regenval veroorzaakte, die de Romeinen verkwikte terwijl eene felle onweersbui de vijanden teisterde[63]. Zooals bekend hebben kerkelijke schrijvers dit "wonder" aan de gebeden van Christelijke soldaten toegeschreven.

Van een later keizer, Didius Julianus, wiens bewind (in 193) slechts kort duurde, wordt bericht dat hij aan alle kanten bedreigd "door middel van magiërs verscheidene handelingen liet verrichten waardoor hij meende, den haat van 't volk te kunnen kalmeeren en de wapenen der opgestane soldaten te kunnen bedwingen. Want ze offerden sommige offerdieren, die bij den Romeinschen eeredienst niet hooren, en hieven profane gezangen aan. Julianus nam ook zijne toevlucht tot die tooverij, waarbij, naar verluidt, een spiegel gebruikt wordt en geblinddoekte knapen, over wier kruin eene bezwering is uitgesproken, een blik in de toekomst slaan. Toen dan zou de knaap de aankomst van Severus en het aftreden van Julianus hebben gezien"[64].

Van spiegels in engeren zin, d.w.z. metaalspiegels, is bij de magie der Grieken en Romeinen slechts zeer zelden sprake. Opmerking verdient echter hetgeen de reeds vroeger genoemde Pausanias, in zijne "Beschrijving van Griekenland" (VII, 21, 12) bericht, dat nl. voor een zeker heiligdom van de godin Demeter (Ceres) zich eene bron bevond, die men ter wille van zieken in dier voege raadpleegde dat men een spiegel aan een dun koord liet neerzakken, totdat de rand ervan het wateroppervlak eventjes aanraakte. Na vervolgens tot de godin gebeden en reukwerk gebrand te hebben, zag men in den spiegel, die den zieke levend of gestorven vertoonde.

In de Middeleeuwen daarentegen en later bediende men zich voor magische doeleinden bij voorkeur van uiterst kunstig vervaardigde spiegels, of van bijzonder geslepene kristallen. Bij het raadplegen ervan werden allerlei bezweringen tot engelen en geesten gericht, die, naar men geloofde, alsdan verschenen en in heel enkele gevallen zelfs hunne stem lieten hooren. In den laatsten tijd is ook het "kristal-zien" proefondervindelijk onderzocht en gebleken, dat zich daarbij, naast waardelooze fantasiebeelden, ook visioenen voordoen, die op "helderziendheid" en wellicht nog op andere geheimzinnige krachten en invloeden wijzen.

Bij de Christenen bleef de afkeer tegen de magie bestaan maar de feiten zelve werden erkend. Allermerkwaardigst is te dien opzichte de navolgende uitspraak in de eerste apologie (c. 18) van Justinus den martelaar (± 154):

"De doodenbezweringen, de visioenen van onbedorven knapen, de oproepingen van menschelijke zielen en wat de magiërs droomenzendende geesten en bijzitters [helpende geesten] noemen en hetgeen verricht wordt door hen, die in deze dingen ervaren zijn, mogen U ervan overtuigen dat de zielen ook na den dood nog waarnemingsvermogen bezitten; let ook op de menschen, die door de zielen van overledenen gegrepen en geschokt worden, welke men eenstemmig bezetenen en waanzinnigen noemt, op de zoogenaamde orakelen bij U, van Amphilochus, van Dodona en Pytho en wat er verder van dien aard is...."

Amphilochus, een mythisch figuur evenals Trophonius (z.b.), werd op verscheidene plaatsen vereerd; te Dodona (in Epirus) was een orakel van Zeus en te Pytho (Delphi) een van Apollo.

Tatianus, een jongere tijdgenoot van Justinus, haalt in zijne "Rede tot de Grieken" zooveel mogelijk de booze geesten er bij, (c. 16):

"De demonen, die aan de menschen bevelen geven, zijn niet de zielen der gestorvenen."

Het schijnt hierbij niet te onpas, op te merken dat de Grieken en Romeinen geen scherpe grenslijn trokken tusschen demonen, d.w.z. bovenmenschelijke intelligenties, en overledenen en vaak de overledenen zelven als demonen beschouwden. Wellicht de meest frappante uitspraak dienaangaande is de navolgende van den reeds bovengenoemden Maximus uit Tyrus in "Voordracht" XV, 6:

"De ziel houdt het lichaam dat altijd in vloed en golfslag drijft en geschud en geslingerd wordt, bijeen en legt het vast voor anker, en wanneer die pezen en de adem en al het andere waardoor het lichaam, als met touwen, zoolang aan de ziel vastgeankerd was, verslappen, dan vergaat het lichaam en zinkt in de diepte, maar zij zelf ontzwemt den dood, ze is haar eigen vaartuig, houdt zich zelf bijeen en blijft onwrikbaar. En zulk eene ziel draagt reeds den naam van "demon", een voedsterling van den ether, uit de aarde naar ginds verhuisd, evenals uit een onbeschaafd volk naar Grieken, en uit eene wettelooze en door een tiran overweldigde en door onlusten geteisterde stad naar eene met goede wetten, die door een koning wordt bestuurd en vrede geniet".

Van amuletten en toovermiddelen wil Tatianus niets af weten (c. 17):

"Alle soorten van wortelen die men gebruikt, de magische toepassing van pezen en beenderen, hebben uit zich zelf geen uitwerking. Zij zijn slechts het werktuig, waarvan de demonen zich in hunne boosheid bedienen; zij hebben het bijzondere gebruik van ieder dier heelmiddelen vastgesteld en wanneer zij zien dat de menschen genegen zijn om de hulp aan te nemen, die ze hun door dit middel geven, dan slagen ze er in, ze tot slaven te maken terwijl ze hen bijstaan."

Tatianus beweert, dat de demonen de menschen eerst ziek maken en dan, opdat men zich te meer aan hen zou verslaven, gehoor geven aan de bezweringen, die zij zelf hebben ingevoerd (c. 18):

"De demonen genezen niet, maar vangen de menschen met list...zij dringen in de ledematen van zekere menschen, wekken vervolgens door droomen het geloof aan hunne macht op, bevelen de zieken in het openbaar te verschijnen, ten overstaan van allen, en na de eerbewijzen te hebben genoten, die men hun toekent, vliegen zij uit het lichaam van deze zieken en maken een einde aan de ziekte, die zij zelven hadden veroorzaakt en herstellen de menschen in hun vroegeren toestand."

Van de Gnostieken uit het tijdperk der Antonijnen zij hier een zekere Marcus vermeld, aangaande wien wij bij den hl. Irenaeus in diens werk "Tegen de ketterijen" (I, 13) (Ed. Massuet) lezen: "Hij bewerkt dat bekers met gemengden wijn, terwijl hij voorgeeft ze te wijden en de formule van aanroeping lang maakt, in purperen en roode kleur schitteren, zoodat het schijnt dat de "Genade, die boven alles is" door zijne aanroeping haar bloed in dien beker druppelt en de aanwezigen ten zeerste verlangen uit dien kelk te proeven, opdat de Genade, door den magiër aangeroepen, ook in hen vloeie". Naar bericht wordt, wierp Marcus te dien einde een zeker vocht in den beker, dat het mengsel langzamerhand kleurde. Irenaeus verzekert ook, (I, 21), dat bij de gnostieke inwijding een doop plaats vond en dat sommigen hier zekere hebreeuwsche namen aan toe voegden "om de inwijdelingen meer te doen ontstellen" en ook dat zij dezen met sap van balsem inwreven. Die fragmentarische en verwarde berichten zijn thans door de nieuwe vondsten eenigszins opgehelderd. In een koptisch geschrift toch worden de drie doopen, nl. die met water, met vuur en met den H. Geest uitvoerig beschreven, die Jezus zijn jongeren toedient alvorens hun de mysteriën mee te deelen waardoor de ziel "de oorden van den onzichtbaren God" vermag te "doorwandelen" (z.b.). Ten behoeve van den eersten doop moeten de discipelen uit de handen van een man en eene vrouw die rein zijn van sexueelen omgang, twee kruiken wijn ontvangen en wijnranken halen. Jezus maakt vervolgens een offer gereed, plaatst een wijnkruik links en den anderen rechts van het offer, gelast den discipelen zich in linnen kleeren te hullen, steekt in hun mond en legt in hunne handen zekere kruiden en stelt hen voor het offer. Daarna spreidt Jezus kleeren van linnen uit, zet een beker met wijn en legt brooden overeenkomstig het aantal der discipelen er op en bekranst de discipelen met olijftakken. Na een gebed van Jezus geschiedt een wonder: de wijn aan de rechter zijde van het offer wordt tot water; dan treden de discipelen voor Jezus, die ze doopt en hun de brooden toereikt. Daarop volgt de vuurdoop, waarmee waarschijnlijk de zelfontvlamming van een reukwerk is bedoeld, terwijl de ceremoniën voorts met die bij den eersten doop vrijwel overeenstemmen. Bij den derden doop worden aan het reukwerk "overblijfselen van safraan", balsem en honig toegevoegd en de discipelen met myrtetakken bekranst. Een bewalming met wierook en andere stoffen dient om uit de discipelen de "boosheid" van de "heerschers" in de lagere gebieden van de andere wereld te verwijderen[65]. Ook legt Jezus den discipelen wierook in den mond en deelt hun ten slotte de reeds boven vermelde geheimzinnige woorden en teekenen mede. Blijkbaar hebben diergelijke ceremoniën, met zekere variaties, in de mysteriën der Gnostieken plaats gevonden.

De benoodigdheden zoowel als de handelingen bij deze gnostieke mysteriën komen bijna alle ook elders in de magie voor. Gedeeltelijk is dit reeds gebleken, omtrent enkele bijzonderheden echter willen wij nog een en ander in 't midden brengen.

Onthouding van sexueelen omgang is vaak een vereischte voor het slagen van magische handelingen. De minste tijdruimte hierbij is, zooals wij reeds in III aanstipten en later nog blijken zal, drie dagen. Voor eene zekere oproeping van Aphrodite, (Pap. Paris. 3209) moet men zeven dagen, voor de bezwering, vermeld in het "Achtste boek van Mozes", één en veertig dagen zuiverheid betrachten[66]. Apollonius van Tyana bleef, naar verluidt, gedurende zijn geheele leven, sexueel rein[67].

Dergelijke voorschriften vindt men bij vrijwel alle volkeren. Ook de Hindoes achten bij zelfstandige tooverhandelingen het inachtnemen van onthouding gedurende ten minste drie dagen noodzakelijk. De Chineesche magiërs ontzeggen zich o.m. ook sexueele genietingen en bij de primitieve volkeren moeten de toovenaars zich door wekenlange en uiterst strenge onthoudingen op de uitoefening van hun beroep voorbereiden.

De hoofdreden hiervan is, dat de geslachtelijke omgang als verontreinigend wordt beschouwd. Men gaat daarbij niet uit van "ethische" of maatschappelijke overwegingen; of de handeling in quaestie bijv. echtelijk of buitenechtelijk is, doet niets ter zake. Maar men vreest, dat booze demonen, door de wellust aangetrokken, den mensch binnendringen en hem zoodoende onrein maken. Het "animisme" doet zijn machtigen invloed ook op het sexueele leven gelden.

Linnen is eveneens bij de magie vaak in gebruik In den Pap. Par. wordt (v. 3094) den magiër bevolen, een rein kleed van Indisch linnen om te doen, en Apollonius van Tyana zou zijn leven lang linnen gewaden hebben gedragen. Onder het Romeinsche bewind werd een Egyptisch priester van lageren rang aangeklaagd, omdat hij o.m. wollen kleedingstukken droeg[68]. Waarschijnlijk geloofde men in overoude tijden dat linnen een uitstekend geleider is voor dat geheimzinnige, en reeds herhaaldelijk door ons vermelde "mana". Ook de "magnetiseurs" verkondigen dergelijke theorieën.

Wierook is, zooals wij ook later nog zullen zien, eene der voornaamste benoodigdheden bij de magie. In een tooverpapyrus wordt o.m. den magiër bevolen, zijn mond met een wierookkorrel te berooken[69]. En in onze Oost is het branden van benzoë, eene soort wierook, algemeen in zwang, en wel teneinde booze geesten te verjagen, eene bedoeling, die men zeker ook oudtijds had bij het gebruik van reukwerk.

Vatten wij de uitkomsten van dit hoofdstuk samen, dan blijkt, dat aan het einde der tweede eeuw n. Chr. de realiteit der magie en, in verband hiermede, de inwerking van "demonen" vrijwel algemeen werd erkend. Bij de discussies, die van toen af over dit onderwerp werden gehouden, ging het hoofdzakelijk om de vragen: "Hoe moet men de magie uit een wijsgeerig standpunt verklaren?" en "Hoe moet men haar uit een religieus oogpunt beoordeelen?"



Litteratuur.

P.J. Veth, Java, 2'e. dr. bew. d. Snelleman e. Niermeyer IV [1907].

Göttsching, Apollonius v. Tyana, dissertatie Leipzig [1889].

*K. Kiesewetter, Der Occultismus des Altertums [1896].

G.R.S. Mead, Apollonius of Tyana [1901].

Canney, Apoll. of T., in Enc. Rel. Eth. I [1908].

Th. Whittaker, Apollonius of Tyana a. other essays [1909].

J.J. Hartman. De Avondzon des Heidendoms. Het leven e.d. werken v.d. Wijze v. Chaeronea 2'e dr. [1912].

G. Abernetty, De Plutarchi qui fertur de superstitione liber, dissert. Königsberg [1911].

B. Freire-Marreco, Charms a. Amulets, in Enc. Rel. Eth. III [1910].

F.T. Elworthy, Evil Eye, in Enc. Rel. Eth. V. [1912].

R. Lasch, Die Ursache u. Bedeutung d. Erdbeben im Volksglauben, in Arch. f. Religionswiss. V [1902].

Wallis, Prodigies a. portents, in Enc. R.E.X. [1918].

Frazer, Scapegoat [1914].

F. Schwally, Semitische Kriegsaltertümer. I. Hft. Der hl. Krieg im alten Israël [1901].

P. Fiebig, Antike Wundergeschichten. Zum Studium der Wunder des Neuen Testamentes, in kl. Texte f. Vorl. u. Ueb. hsg. v. H. Lietzmann No. 79 [1911].

*A. de Rochas L'extériorisation de la motricité, 4'e uitg. [1906].

E. Feilding, W.H. Baggally, H. Carrington, Report o.a. series o. sittings with Eusapia Palladino, in Proceedings o.t. Society Psychical Research, Vol. XXIII [1909].

Riess, Aberglaube, in Pauly, Real.-Enc. cl. Alt. 2'e dr. I [1894].

Doutté, Magie et Religion d. l'Afrique d. Nord (1909).

Stanley, Through the dark continent, Vol. I [1878].

*Graillot, Le culte de Cybèle, Mère des Dieux à Rome et dans l'empire Romain, in Bibl. écol. françaises d'Athènes e.d. Rome, fase. 107 [1912].

*Cumont, Textes e. Monuments fig. rel. a. mystères d. Mithra I [1899].

S. Krauss, D. Leben Jesu n. jüdischen Quellen [1902].

Anrich, Das antike Mysterienwesen in seinem Einfluss auf das Christentum [1894].

J. de Zwaan, Imperialisme v. d. Oud-christelijken geest (1919).

H. Weinel, Die Wirkungen des Geistes und der Geister im nach-apostolischen Zeitalter (1899).

Bousset, Kyrios Christos, Geschichte des Christusglaubens v. d. Anfangen d. Christentums bis Irenaeus, in Forsch. z. Rel. u. Lit. d. Alt. u. Neu. Test. 21 Hft. (1913).

Thimme, Alexander von Abonuteichos. Ein Beitrag zur Glaubwürdigkeit Lucians, in Philologus XLIX (1890).

*O. Seeck, Gesch. d. Unterg. d. ant. Welt Bd. III (1909).

Couperus, De verliefde Ezel [1918].

E.E. Sikes, Hair a. nails in Enc. R. E. VI [1913].

M. Bartels, Die Medizin der Naturvölker [1893].

K. Kiesewetter, Die Geheimwissenschaften [1895].

P. Monceaux, Apulée magicien, in Revue d. deux mondes LXXXV [1888].

P. Vallette, L'apologie d'Apulée. Thèse, Paris [1908].

S. Dill, Alexand o. Abonoteich., in Enc. R. E. I, (1908).

K.H.E. de Jong, Dienstweigering bij de oude Christenen (1905).

M. Ott, Thundering Legion, in The Catholic Encyclopedy XIV [1912].

A. Lang, Crystal-Gazing, Enc. R. E. IV [1911].

*T. Dempsey, The Delphic oracle, its early history, influence a. fall.(1918).

Puech, Rech s.l. disc. a. Grecs d. Tatien (1903).

*E. Fehrle, Die kultische Keuschheit im Altertum, in Religionsgesch. Ver. u. Vor. VI (1910).




HOOFDSTUK V.

Het geloof gerechtvaardigd door de wijsbegeerte.


De derde eeuw n. Chr. wordt geestelijk beheerscht door het zg. Neoplatonisme, dat de leer van Plato en die van Aristoteles tot één geheel trachtte te verwerken, maar tevens ook veel aan de Pythagoreëen en de Stoa ontleende. De Neoplatonici, vol van belangstelling voor cosmologische en psychologische problemen, kenden ook aan de magie eene plaats in hun systeem toe en hebben ze in hare hoogste uitingen ten slotte als iets van goddelijken aard beschouwd.

Van den stichter der Neoplatonische school, Ammonius Saccas (gest. ± 242), die niets schriftelijks heeft achtergelaten, weten wij zeer weinig met zekerheid, al is er reden om aan te nemen, dat zijne verdiensten ook op zielkundig gebied nog niet naar waarde zijn geschat. Van zijn leerling Plotinus (203-269) daarentegen zijn ons alle geschriften overgebleven en gelukkig is dit ook het geval met zijne biographie, geschreven door zijn eigen volgeling Porphyrius (± 233 - ± 303), een man van litterair talent en critische waarheidsliefde.

De levensbeschrijving van Plotinus is vooral uit een zielkundig oogpunt belangrijk. Porphyrius toch verzekert dat zijn leermeester buitengewone psychische gaven bezat en twee door hem vermelde feiten behooren rechtstreeks tot het gebied der magie.

Wij geven Porphyrius zelf het woord (c. 10):

"Van hen, die zich voor philosofen uitgaven, zag Olympius uit Alexandrië, die korten tijd discipel van Ammonius was geweest, met verachting op Plotinus neer, daar hij gaarne zelf den eersten rang had ingenomen. Olympius bestookte Plotinus ook in dier voege, dat hij zelfs door tooverijen den schadelijken invloed der gesternten op hem wilde doen werken. Daar hij echter gevoelde dat zijne poging op hem zelf terugsloeg, zeide hij tot zijne vertrouwelingen, dat de zielskracht van Plotinus groot was, zoodat deze de tegen hem gerichte aanvallen tegen de kwaadwilligen zelven vermocht te keeren. Plotinus verzette zich dan ook, wanneer Olympius tegen hem werkte en zei dan: "Nu wordt het lichaam van Olympius als een in elkaar gewrongen geldbeurs saamgetrokken en wel zóó, dat zijne ledematen zich tegen elkaar wrijven." Aangezien Olympius aldus vaak in de onaangename situatie had verkeerd van eerder zelf te lijden dan Plotinus te deren, hield hij met zijne pogingen op."

Zooals reeds in hoofdstuk III is gebleken, werden de sterrewichelaars, die vooral sinds het optreden van Posidonius (±135-±51 v. Chr.) steeds meer aanhangers wonnen, gewoonlijk met de magiërs op ééne lijn gesteld. Hier zien wij hoe astrologie en tooverij, schoon uitteraard verschillend, ineen vloeien, zooals trouwens het verschil tusschen magie en wichelarij zich niet altijd door scherpte kenmerkt. In het bovenstaande geval is wat de verklaring betreft, de mogelijkheid niet van de hand te wijzen, dat iemand, door het vaste geloof aan de macht der sterren, eene telepathische werking zou vermogen uit te oefenen en evenmin, dat degene, tegen wie ze is gericht, door een sterkeren aanleg voor supranormale krachtsuitingen, de booze bedoelingen op den belager zelf zou kunnen doen neerkomen.

Nog belangrijker is wat terstond op het bovenvermelde verhaal volgt:

"Plotinus was dan ook reeds van geboorte af, boven de andere menschen bevoorrecht [zooals uit het volgende blijkt]. Een Egyptisch priester, die naar Rome was gekomen en door een vriend met hem in kennis was geraakt, wilde eene proeve van zijne wijsheid toonen en verzocht Plotinus om mee te komen, ten einde zijn eigen demon [beschermgeest], zooals men hem noemt, te zien verschijnen. Daar Plotinus er gaarne gehoor aan gaf, geschiedde de oproeping in den Isistempel, want dit was, naar het zeggen van den Egyptenaar, de eenige reine plek, die hij in Rome had gevonden. Toen nu de beschermgeest opgeroepen werd om te verschijnen, zou een god en geen van het geslacht der demonen zijn gekomen, en zou de Egyptenaar dan ook gezegd hebben: "Gelukzalig zijt gij, dat ge een god tot beschermgeest hebt en niet een van lageren rang." Zij hadden echter den god niet kunnen ondervragen en ook niet verder kunnen zien, daar de mee aanwezige vriend de vogels, die hij tot afweer [van schadelijke invloeden] in de hand hield, worgde, hetzij uit afgunst of uit schrik. Omdat nu Plotinus een van de goddelijkere demonen tot beschermgeest had, verhief hij ook bestendig zijn goddelijk oog tot hem. En om die reden schreef hij ook een betoog "Over den demon die ons ten deel is gevallen," waarin hij pogingen doet, om gronden voor de verscheidenheid der beschermgeesten aan te voeren."

Vogels bij diergelijke bezweringen te offeren, ook door ze op een bepaald oogenblik te verstikken, was meer gebruikelijk. Daardoor toch meende men den dood te kunnen afwenden, waarmee, naar het aloude geloof, de verschijning van eene godheid den mensch bedreigde. De vogels, bij de oproeping van bovenmenschelijke wezens gedood, waren dus, naar alle waarschijnlijkheid, oorspronkelijk plaatsvervangende offers. Voorts hangt dit vogeloffer wellicht ook samen met het geloof, dat de menschelijke ziel, na den dood, de gedaante van een vogel aanneemt, een geloof, dat vooral bij de oude Egyptenaren heerschte.

Plotinus heeft getracht, de magie uit de grondstellingen van het Neoplatonisch systeem te verklaren en wel, om het in 't kort, maar zooveel mogelijk met zijn eigen woorden weer te geven, aldus:

De wereld is één levend organisch wezen[70] waarin gelijkgestemde deelen ook op afstand op elkaar vermogen in te werken. Als eene snaar van onder in beweging wordt gebracht, plant die beweging zich ook naar het boveneinde voort; zijn twee snaren gelijk gestemd, dan heeft, wanneer de eene getokkeld wordt, ook de andere vaak er als 't ware een gevoel van[71]. Er is ééne Al-ziel, waardoor het geschieden kan, dat tooverzangen en magische kunsten de menschen tot elkaar voeren, en dat een zacht gefluisterd woord het verafliggende beïnvloedt en op ontzaggelijken afstand zich verneembaar maakt[72]. De magie is dus mogelijk door de sympathie (samen-aandoenlijkheid), d.w.z. door den organischen of wil men, den dynamischen samenhang in de wereld.

Onwillekeurig denkt men hierbij aan de moderne en reeds herhaaldelijk door ons vermelde leer der telepathie, d.w.z. der gedachteoverbrenging, of juister, der overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, eene theorie, die, zooals wij in hoofdstuk II gezien hebben, reeds Aristoteles flauw voor den geest zweefde.

De ware magie is de liefde in het Al en haar tegendeel, de haat. De menschen zijn tot liefhebben geboren; wat liefde verwekt, trekt tot elkaar aan; zoo ontstond de tooverkunst die de eene ziel met de andere verbindt. Door de melodie van de bezwering, door de gebaren van den toovenaar wordt de ziel, d.w.z. haar niet-redelijk deel, medegesleept evenals zulks ook door gebaren en uitroepen geschiedt die medelijden wekken[73].

Ook de wijze is, in zooverre hij aan het niet-redelijke deel heeft, vatbaar voor magische invloeden en zou er zelfs ziekte, lichamelijk ongemak of den dood door kunnen lijden. Zoo noodig zal hij die booze krachten door afwerende tooverij krachteloos maken[74].

Dat Plotinus ook de doodenbezwering als reëel erkende, blijkt uit het slot van de verhandeling "Over de onsterfelijkheid der ziel", onloochenbaar de scherpzinnigste critiek, die oudtijds op het materialisme is geoefend, waarin hij spreekt van "de orakelen der goden, welke gebieden om den toorn van verongelijkte zielen te verzoenen en aan dooden eerbewijzen te betoonen" en van "vele zielen, die vroeger in menschen woonden" en "niet ophouden, de menschen weldaden te bewijzen", diegenen nl. die ook "door openbaring van orakelspreuken hulp verleenen"[75]. Blijkbaar heeft Plotinus hierbij ook aan de gevallen gedacht, door ons in het eerste en derde hoofdstuk vermeld.

Zelfs de demonen kunnen, daar ook in hen iets niet-redelijks is, door tooverij worden beïnvloed en degenen, die hen aanroepen, verhooren[76].

Na deze theoretische uiteenzettingen gaan wij over tot de belangrijkste gegevens omtrent de antieke magie, nl. de zg. tooverpapyri, die men sinds ongeveer het midden der vorige eeuw met grooten ijver is gaan opsporen en publiceeren. Deze officiëele stukken, om ze aldus te noemen, die meestal uit de derde eeuw n. Chr. of later dateeren, bevatten zeer oude bestanddeelen en leeren ons niet slechts de tooverij in hare zonderlingste vormen kennen, maar ook het toenmalige leven in zijne bonte verscheidenheid. Eene groote ruimte neemt ook hier de zinnelijke liefde in, zooals reeds de inhoudsopgave van den 3274 regels langen tooverpapyrus uit de "Biblothèque nationale" te Parijs ons leert. Wij ontleenen uit dezen "grooten Parijschen tooverpapyrus" de navolgende uiterst kenschetsende passages, te beginnen met v. 1496-1593:

"Liefdesopwekking bij een offer van mirre.

Offer mirre op een kolenvuur en spreek daarbij de bezwering uit. Bezwering. Gij zijt mirre, de bittere, de lastige, de verzoening-bewerkende onder strijdenden, de schroeiende en tot beminnen dwingende alwie zich niet bekommeren om de liefde. Allen noemen U mirre, ik echter noem U de vleeschverterende en hartontvlammende. Ik zend U niet ver weg naar Arabië, ik zend U niet naar Babylon, maar ik zend U naar Athenodōra de dochter van Perictionē opdat gij mij van dienst moogt zijn bij haar, opdat gij haar naar mij toe moogt voeren. Indien zij zit, niet moge zij zitten, indien zij tot iemand spreekt, niet moge zij spreken, indien zij naar iemand kijkt, niet moge zij kijken, indien zij naar iemand toegaat, niet moge zij naar hem toegaan, indien zij rondwandelt, niet moge zij rondwandelen, indien zij drinkt, niet moge zij drinken, indien zij eet, niet moge zij eten, indien zij iemand kust, niet moge zij kussen, indien zij zich vermeit in eenig genot, niet moge zij zich vermeien, indien zij slaapt, niet moge zij slapen, maar mij alleen, Callicles, moge zij in gedachte houden, naar mij alleen verlangen, mij alleen liefhebben, alle mijne verlangens vervullen. Dring tot haar in niet door hare oogen, niet door haar ribben, niet door hare nagels, niet door haar navel, niet door hare ledematen, maar door hare ziel en blijf in haar hart en brand haar binnenste, haar borst, hare lever, haar adem, hare beenderen, haar merg, totdat zij kome naar mij, Calliclēs, mij lief hebbende en doe al wat ik verlang, omdat ik U, mirre, bezweer bij de drie namen Anocho, Abrasax, Trō en den meer achterhalenden en sterkeren Kormeiōth, Iaō, Sabaōth, Adōnai opdat gij mijne opdrachten moogt vervullen, mirre! Zooals ik U verbrand en zooals het in Uw vermogen is, aldus verbrand van haar die ik bemin, Athenodōra, de hersenen, brand uit haar en wring er uit het binnenste, doe het bloed uit haar uitdruppelen totdat zij kome tot mij, Calliclēs, den zoon van Timocleia. Ik bezweer U bij Marparkourith, Nasaari, Naiemarepaiparine, Kouri. Ik werp U in 't brandende vuur en ik bezweer U bij den albeheerschenden god, den altijd levenden; ik bezwoer U en bezweer U ook nu, U, Adōnai, Barbar Iaō, Zagourē Arsamōsi, Alaous, Kaisalaōs, ik bezweer U, die den mensch stelt tot leven, hoor! hoor! O groote God Adōnaie, Ethuia, Zelfverwekker, Altijdlevende God, Eiōē, Iaō, Aïō, Aïō, Phneōs Sphintēs Arbathiaō, Iaō, Iaē, Iōa Aīoōn, Ouēr, Gonthiaōr, Rarael, Abra Brachasoroormerphergar, Marbaphriouiringx, Iaō, Sabaōth, Maskelli, Maskellō. De bezwering: Amousōe, Anouringch, Phnoukentabaōth, Sousaephinphesēch, Maphirar Anourin Ibanaoth, Arouēr, Chnouph, Anoch, Bathi, Ouchiarbas, Babaubar, Elōai. Voer naar mij Athenodōra, de dochter van Perictionē, naar mij, Callicles, den zoon van Timocleia, op den dag van heden, in deze nacht, in dit uur Mouloth, Phorith Phthoith, Phthōuth, Peniōn. Ik roep ook u aan die het vuur beheerscht Phthananoch, verhoor mij, gij Eene, Eeniggeboren Mane, Bia, Baï, Baï, Churir, Oou, Thadein, Adōnai, Erounouni, Miōōnch Chioutiai, Marmar, Auo, E, voer Athenodōra de dochter van Perictionē naar mij Calliclēs den zoon van Timocleia nu, nu, reeds, reeds, snel, snel!"

De namen van den minnaar, de beminde en de moeders hebben wij ter wille van de grootere levendigheid zelf er in gevoegd; in den tekst staat N.N. Dat men bij eene bezwering den naam van de moeder en niet dan bij uitzondering dien van den vader noemt, zal wel een overleefsel zijn van het z.g. moederrecht, d.w.z. de gewoonte om de afstamming naar de moeder, in plaats van, zooals thans, naar den vader, te bepalen. Van het moederrecht dat bij tal van primitieve volkeren heerscht, zijn n.l. ook bij de oude oostersche volkeren sporen te vinden.

Overigens hebben wij deze bezwering in haar geheel weergegeven, met al de tooverwoorden. Want blijkbaar is het niet slechts de accentuatie, maar ook het aantal dier tooverwoorden, wat het gewenschte effect bewerken moet. Zooals de lezer al spoedig ziet, zijn er Hebreeuwsche uitdrukkingen onder; ook Egyptische bestanddeelen zijn te constateeren, maar veel blijft uit den aard der zaak onzeker en onbegrijpelijk.

Slechts van "Abrasax" willen wij, omdat het straks te pas komt, vermelden dat de getallenwaarde ervan (in 't Grieksch worden de getallen door letters aangegeven) 365 bedraagt.

Aan Theocritus' in II en Vergilius' in III vermelde idyllen herinnert de navolgende "Wonderbaarlijke liefdestooverboei" (v. 296-433), die wij slechts gedeeltelijk aanhalen:

"Neem leem van een pottebakkerswiel en vorm twee beeldjes, een mannelijk en een vrouwelijk; maak het mannelijke als den gewapenden oorlogsgod, met een zwaard in de linker hand, en een slag doende neerkomen op haar rechter sleutelbeen, haar zelve met de armen op den rug geboeid en op de knieën neergezonken."

Dan moet de magiër op verschillende lichaamsdeelen van de vrouw tooverwoorden schrijven en vervolgens dertien bronzen naalden nemen en het beeldje in dier voege doorprikken, dat hij allereerst een in de hersenen steekt met de woorden: "Ik doorprik de hersenen van u, Simaitha" en zoo voort met de overige lichaamsdeelen. Daarna moet hij op een looden plaatje eene bezwering inkrassen en uitspreken, voorts het plaatje aan de beeldjes vastbinden met een draad uit een weefsel na in dien draad driehonderd vijf en zestig knoopen te hebben gemaakt en zeggen: "Abrasax houd vast!" Het toovergerei wordt bij zonsondergang, naast de zerk van een ontijdig gestorvene of van een gewelddadig gedoode neergelegd met de bloemen van dat jaargetijde er bij. In de bezwering zelf; worden de onderaardsche goden en in 't bijzonder de blijkbaar aan dieplek verbonden "doodengeest" aangeroepen; overigens lijkt ze zeer op de eerst-aangehaalde bij het mirre-offer, maar is langer en hartstochtelijker, zooals o.m. blijkt uit v. 396-406:

"Ik bezweer u, doodengeest, bij den geduchten grooten Oaeō Baphrenemounothilarikriphia Eueai Phirkiralithonuomener Phabōeai, dat gij Simaitha naar mij voert en dat zij haar hoofd met mijn hoofd samenvoege en hare lippen met mijne lippen ... en liefde met mij, Meleagros, uitoefene, al haar leven lang."

Aan deze "tooverboei" na verwant is (v. 1390-1495) de navolgende

"Liefdesopwekking door medehulp van helden, zwaardvechters of gewelddadig omgekomenen.

Laat van het brood dat gij eet, een weinig over, breek het, maak er zeven brokken van, ga naar eene plek waar helden, zwaardvechters en slachtoffers van geweld gedood zijn, spreek de bezwering over de brokken uit en werp ze neer en raap mest op van de plek waar gij dit doet en werp hem binnen bij haar die gij begeert en ga en leg U te ruste neer. De bezwering, uit te spreken over de brokken, is als volgt:

"Aan de schikgodinnen, de noodzakelijkheden, de tooverijen, 't verderf, de afgunst, de dooden, de ontijdig en gewelddadig omgekomenen werp ik voedsel toe, o gij driehoofdige, nachtelijke, slijkverslindende maagd, sleutelhoudster Persephassa, kind van den Tartarus, norsch kijkende, geduchte met vurige slangen omgorde! Philogynes mengde de overblijfselen van zijn eigen voedsel met tranen en bittere zuchten opdat gij hem bijstaat, die door kwellingen is bevangen, gij rampzalige helden, gij die op deze plek wordt vastgehouden, gij lichtverstokenen, lotmisdeelden, rampzaligen, staat Philogynēs bij, die zwoegt in zijn hart ter wille van Misandra, de goddelooze en onreine. Voert haar in kwellingen hierheen, zoo snel mogelijk. Eioutabaōth, Takerba, Abrathiaō, Lalaoith, Iōsachōtou, Allalethō, en gij heerscheres, slijkverslindende, Sunatra, Kabibau, Baras, Enphnoun, schikgodin, Ereschiga Neboutosoualēth, zend de wraakgodin ... die de zielen der afgetobde dooden met vuur opwekt; gij rampzalige helden en ongelukkige heldinnen, gij die op deze plek, die op dezen dag, die op dit uur [door mij wordt aangeroepen] ... verhoort mij en wekt Misandra op in deze nacht en neemt haar den zoeten slaap weg van de oogleden en geeft haar hatelijken kommer, geducht verdriet en laat haar mijne sporen nazoeken en willen wat mijne verlangens zijn totdat zij verricht heeft wat haar opgedragen wordt door mij, o heerscheres Hecatē, Phorba, Phorba, Barbarō, Phōrphōr, Phōrbai, godin der wegen, zwarte dog!"

Wanneer gij met dit te doen binnen drie dagen niets hebt uitgericht, maak dan gebruik van het volgende dwangmiddel: ga naar dezelfde plek en doe hetzelfde met de brokken, maar offer dan op kolenvuur den mest van eene zwarte koe en zeg dit en raap weer den mest op en werp hem weer zooals gij weet [dat ge doen moet]. De bezwering bij het offer is de navolgende:

"O onderaardsche Hermes en onderaardsche Hecatē en onderaardsche Acheron en gij, rauwverslindende onderaardschen en onderaardsche god, en onderaardsche helden en onderaardsche Amphiaraos, en onderaardsche dienstbaren en onderaardsche geesten en onderaardsche misdrijven en onderaardsche droomen en onderaardsche eeden en onderaardsche hoofdgodin en onderaardsche Tartarus en onderaardsche tooverij en onderaardsche Charōn en onderaardsche wapendragers en dooden en demonen en zielen van alle menschen komt heden; schikgodinnen en nooddwang, brengt tot vervulling hetgeen geschiedt bij deze liefdesopwekking, opdat gij tot mij voert Misandra, de dochter van Aretē, tot mij, Philogynēs, den zoon van Laïs, omdat ik u aanroep, de in-den-beginne-geboren Chaos, de Erebos, het huiveringwekkende water van den Styx, de stroomen der vergetelheid, de acherousische poel van het doodenrijk, Hecatē en Plouto en Kora, de onderaardsche Hermes, de schikgodinnen en de straffen en de Acherōn en gij Aiakos, deurwachter der eeuwige sluitboomen, open ze zoo snel mogelijk, en gij sleütelhouder Anoubis, wachter! Zendt voor mij naar boven de schimbeelden dezer dooden tot dienstbetooning in dit uur, zonder uitstel, opdat zij, optrekkende, naar mij, Philogynēs toevoeren Misandra, de dochter van Aretē. Isis stapte met haar echtgenoot-broeder op de schouders, Zeus, neergedaald van den Olympus, staat en wacht op de schimmen der dooden, die gaan naar Misandra en doen wat ik opdraag. Alle onsterfelijke goden kwamen en alle godinnen om te zien de schimmen dezer dooden. Draalt dus niet en weest niet traag, maar zendt, o goden, de schimbeelden dezer dooden, opdat zij gaan naar Misandra en doen wat ik opdraag, omdat ik u bezweer bij Jao en Sabaōth en Adonai ... Bourrephaomias, Salkē, Hadesbeheerscher, Sesengen. Dit is de spreuk: Baliaba, Erechcharnoi, Aberidouma, Salbachthieiserseratho, Eiserdaomi, Sisiphna, Sisa, Edoube, Achcharitonēs, Aber, Phnouba, Jabaldenathi Ithrouphi, zendt naar boven de schimbeelden dezer dooden naar Misandra de dochter van Aretē, om te doen wat ik opdraag".

Deze bezweringen bestaan voor een groot gedeelte uit verzen en fragmenten van verzen, blijkbaar aan de tragedie en het epos ontleend, zooals immers ook in deze papyri herhaaldelijk versregels uit Homerus als tooverspreuken worden aangehaald. Homerus was voor de Grieken vrijwel hetzelfde als voor christelijke volkeren de Bijbel en het is een feit dat ook verzen uit den Bijbel voor tooverdoeleinden zijn aangewend.

Het uiterst onaesthetische gebruik om mest als toovermiddel in het huis van de beminde te werpen, schijnt ook nu nog in zekere landen voor te komen en berust blijkbaar op het geloof, dat het "mana" van een overledene ook voorwerpen welke op de plek komen te liggen waar hij gestorven of begraven is, vermag te doortrekken en er zoodoende tooverkracht aan te verleenen. Viezigheden komen overigens in de tooverpapyri slechts vrij sporadisch voor.

Hoe men den toorn van een godheid als magisch middel moet gebruiken, wordt voornamelijk in v. 2455-2705 uiteengezet. Men moet nl. na allerlei voorbereidingen zich tot de maangodin wenden (v. 2472-2492):

"Moge de godin Actiophis mij toeblinken en mijne heilige stem hooren! Ik treed op om mijne aanklacht uit te spreken tegen de vuile en onreine Simaitha. Want zij gaf uwe heilige mysteriën aan de menschen ter kennis prijs.... Ontruk haar den slaap, geef haar verschroeiing der ziele, tuchtiging des geestes en verbijstering, en verdrijf haar uit ieder oord en ieder huis, voer haar aldus naar mij, Philogynes."

En in den dwangspreuk (v. 2574-2621,2643-2674) wordt beweerd dat Simaitha aan de godin een gruwelijk offer brengt onder welks bestanddeelen zich ook een ongeboren resp. een jong kind bevindt, zooals wij reeds in hoofdstuk III terloops hebben vermeld.

Hoogst opmerkelijk is in de bovenvermelde "Liefdesaantrekking", evenals trouwens ook in andere bezweringen de overspannen eisch dat het geheele doodenrijk, dat alle goden moeten samenwerken, om één minnaar zijn zin te laten krijgen. Allerzonderlingst bovenal is de mythologie er bij gehaald; Grieksche, Egyptische, Joodsche, Babylonische goden, scherp omlijnde figuren en vage abstracties worden om strijd aangeroepen.

Van edeler aard zijn de voorschriften (v. 154-285), die de toovenaar Nephotes aan Psammetichus, den koning van Egypte zou hebben gegeven, ten einde in het weerspiegelende water zelf de gedaanten van goden of overledenen te zien en hunne stem te vernemen, de hydromantie, die, zooals wij tegen het einde van hoofdstuk I zagen, reeds de legendaire Romeinsche koning Numa Pompilius zou hebben beoefend.

Zij vereischt allerlei voorbereidingen, waarvan wij hier een en ander willen vermelden. Men moet zich, met zwarte klimop bekransd, in bijzijn van een inwijder, op zuiver linnen neerleggen, zich de oogen met een zwarten riem laten omhullen, de houding van een doode aannemen en met gesloten oogen tegen de zon gekeerd (v. 171-178), eene bezwering (v. 179-208), driemaal uitspreken (208 vlg.). Dan ontvangt men. aldus "gewapend" een zeker teeken van den god en moet, onder dankbetuigingen, op een aarden reukschaal wierook offeren, die zonder insnijding in de boomschors is verkregen (v. 209-219).

Het voorschrift omtrent de eigenlijke handeling luidt (v. 223—231) aldus:

"Neem een bronzen vat of schaal of beker, zooals gij wilt, doe er water in, als gij de hemelgoden aanroept, regenwater, als gij de aardgoden aanroept, zeewater, als gij Osiris of Sarapis aanroept, rivierwater, als gij dooden oproept, bronwater, houd het vaatwerk op uwe knieën, giet er olie van onrijpe olijven op, en zeg, terwijl gij u er zelf over heen bukt, in het vaatwerk den daartoe vereischten tooverspreuk en roep welken god gij wilt, aan, en vraag hem waarover gij wilt en hij zal u antwoorden."

Bij deze tooverhandeling, die den koning alleen wordt medegedeeld (v. 254 vlgg.), dient men ook een amulet te dragen, en wel een zilveren plaatje, waarop de naam van den grooten god is geschreven (v. 257 vlgg.).

Aangaande het betooveren van knapen, reeds in III en IV herhaaldelijk vermeld, geeft o.m. de de zg. "neerval"-tooverij van "Salomo" (v. 850—929) ons nadere opheldering, eene handeling, die overigens ook met volwassen mannen kan worden verricht en waaromtrent eveneens de meest stipte geheimhouding wordt geboden (v. 851—856):

"Ik bezweer U bij de heilige goden en bij de hemelsche goden, aan niemand de tooverhandeling van Salomo mede te deelen en ze niet met den eerste den beste te verrichten, als niet eene noodzakelijke aangelegenheid u dwingt, opdat niet de goden voortdurenden wrok tegen u koesteren".

Daarna volgt eene aanroeping tot een god, om den magiër door middel van een man of knaap omtrent welke zaak hij wil in te lichten. De handeling zelf moet onder den blooten hemel plaats vinden en het medium op ongebrandetichelsteenen worden neergezet. Driedaagsche onthouding van sexueelen omgang, het gebruik van zekere planten als beschermmiddelen en zekere kleedingstukken zijn vereischt (v. 897—904). Voorts wordt (v. 904—915) den magiër geboden:

"Hef uwe handen ten hemel naar de stralen van de zon toe en spreek de bezwering zeven keer uit, offer uitnemenden wierook op hout van wijnstokken, na wijn of bier of honig of melk van eene zwarte koe te hebben geplengd en zeg vervolgens in 't oor van den betreffenden man of knaap zeven keer de tooverspreuk en hij zal terstond neervallen; maar gij zet u neer op de tichel-steenen en vraag hem uit en hij zal alles naar waarheid uiteenzetten. Gij moet hem en ook u zelf bekransen met een krans van geel Sint-Janskruid. De god is op die plant gesteld".

Ter onttoovering moet de magiër de woorden Ananak, Arbeouēri en Aeēiou[o-,] d.w.z. de opeenvolging der Grieksche klinkers, in 't oor fluisteren en indien de uitwerking uitblijft, eene zekere soort sesam op kolenvuur offeren met eene eenigszins gewijzigde bezwering en het verzoek tot den god: "Heer, ga heen naar uwe eigene tronen en bewaar (het medium) voor alle ellende (916—922).

Bij diergelijke tooverijen wordt ook wel gebruik gemaakt van eene lamp, waarin zich zuivere olie bevindt (v. 1094 vlg.). De magiër spreekt met geslotene oogen de tooverspreuk uit (v. 958) en kijkt eindelijk naar de vlam van de lamp, waarin de aangeroepene god moet verschijnen (v. 1104—1114). Vaak liet men echter ook, zooals een Egyptisch tooverboek uit dien tijd ons leert, een knaap, over wiens hoofd men eene bezwering uitsprak, in het licht zien; had de verschijning niet plaats, dan moest de knaap met zijn mond naar de lamp toegekeerd eene zekere formule zeggen. En dan openbaarde de god zich aan den knaap op het gegeven oogenblik.

Die "neerval"-tooverij zoowel als het gebruik maken van eene lamp, roepen ons onwillekeurig eene zekere beschuldiging te binnen, tegen den romancier-wijsgeer Apuleius gericht, zooals wij in IV hebben vermeld.

De aanroepingen, in die tooverpapyri tot de hoogere machten gericht, zijn soms van verbijsterende grootschheid. Vlg. bijv. de navolgende tot den minnegod (v. 1748—1796):

"Ik roep U aan, den leidsman van alle wording, U, die Uwe vleugelen uitspreidt over de geheele wereld, U, den ongenaakbare en onmeetbare, die in alle zielen de levenwekkende rede inblaast, U, die alle dingen hebt samengevoegd door Uwe macht, Eerstgeborene, Grondvester van het Al, goudvleugelige, zwartglanzende, die de bezadigde redeneeringen wegbergt en duistere razernij inblaast U, de verborgene, en die heimelijk aan alle zielen het niet te aanschouwen vuur der verwekking toedeelt, U, die de hand legt op al het bezielde, die niet met vermoeienis kwelt, maar met het smartelijk genot van de wellust, uit wien alles is ontstaan! Gij brengt bij Uwe ontmoeting leed aan, nu eens bezadigd, dan weer onberedeneerd, gij, door wien de menschen tegen de plicht in durven te handelen en dan de toevlucht nemen tot U, den zwartglanzende! Gij, jongste, wettelooze, onverzoenlijke, onverbiddelijke, onzichtbare, onlichamelijke, razernijverwekker, boogschutter, fakkeldrager van alle geestelijke waarneming, heerscher over alle verborgenheden, beschikker over de vergetelheid, oervader van het zwijgen ... kom, gij, onnoozel als gij ver-, wekt wordt in 't hart, machtigste als gij volgroeid zij't, ik roep U aan, den onverbiddelijke, bij Uwen grooten naam Azarachtharaza, Lathaiathal, Uuu, Lathaiathallalaph, loioio, Ai, Ai, Ai, Ai, Ouērieu Oiai ... Eerstverschijnende, in-de-nacht-ver-schijnende, in-de-nacht-U-verblijdende, nachtverwekker, verhoor mij!"

De volgende aanroeping, uit een der tooverpapyri van de Leidsche bibliotheek[77] is niet min der indrukwekkend:

"Kom herwaarts tot mij ... o gij allesbeheerschende god, die de menschen den adem tot leven hebt ingeblazen, heer van wat in de wereld schoon is, verhoor mij, Heer, wiens verborgen naam niet is uit te spreken, de naam, op het hooren waarvan de demonen wegduiken ..., de naam, op het hooren waarvan de aarde draait, de onderwereld in opschudding geraakt, de rivieren, de zee, de poelen, de bronnen verstijven, de rotsen scheuren! ... Gij zijt de goede geest, gij zijt de heer, die alles verwekt en voedt en doet toenemen. Wie vormde de gedaanten der dieren, wie vond de wegen, wie is de schepper der vruchten, wie wekt de bergen ten hoogen op, wie beval de winden hun jaarlijksch werk te verrichten? ... Gij zijt de ééne onsterfelijke god, verwekker van alles en gij deelt aan alle dingen zielen toe en beheerscht alles, koning der tijdperken en heer! En de bergen beven met de vlakten en de stroomen van bronnen en rivieren en de diepten der aarde ... de hoogblinkende hemel beeft voor U en de geheele zee, o Heer! Albeheerscher, heilige en heer van allen, door Uwe macht bestaan de elementen en groeit alles!"

Maar het komt, o.m. in diezelfde bezwering[78], ook voor, dat de magiër zich met de goden vereenzelvigt:

"Ik ben het geloof, uitgestort over de menschen, en de profeet der heilige namen, de heilige, die gegroeid is uit de diepte, ik ben de heerscher die gegroeid is uit den heiligen god, ik ben de god, dien niemand ziet, noch roekeloos noemt, ik ben de heilige vogel Phenix, ik ben de heerscher, de heilige, bijgenaamd Marmauoth, ik ben de zon, die het licht heeft vertoond, ik ben Aphroditē, bijgenaamd Typhi, ik ben de heilige bestuurder der winden ik ben Kronos die het licht heeft getoond, ik ben de moeder der goden die genoemd wordt hemel, ik ben Osiris die genoemd wordt het water, ik ben Isis, die genoemd wordt de dauw, ik ben Esenephus die genoemd wordt lente, ik ben het beeld, voor de in waarheid bestaande beelden, in de gelijkenis van een krokodil, ik ben Suchos."

Terloops zij opgemerkt, dat in sommige streken van Egypte de krokodil, Souchos (Sebak) geheeten, goddelijke eerbewijzen genoot, zooals nu nog in den Indischen archipel hier en daar het geval is.

Vereenzelviging met de godheid komt vaak voor, ook in het Nieuwe Testament. In den brief aan de Galaten, II, 20 verklaart de apostel "niet ik meer leef, maar Christus leeft in mij". En zeer sterk komt dit uit in de zg. Oden van Salomo (waarschijnlijk uit de tweede eeuw dateerende). Daar toch zegt de dichter in VII, 3 van Christus:

"Hij nam mijn wezen aan, opdat ik Hem zou begrijpen, en mijn gestalte, opdat ik mij niet van Hem zou afwenden." En in XVII luidt het:

7. En Hij, die mij kende en mij opvoedde is de Allerhoogste in al zijne volmaaktheid. En hij verheerlijkte mij door zijne goedertierenheid en verhoogde mijn verstand tot de hoogte der waarheid.

8. En vandaar gaf Hij mij het pad zijner voetsporen. En ik opende de poorten, die gesloten waren.

9. En ik rukte ijzeren grendels af en het ijzer ontgloeide en vloeide en versmolt voor mij.

10. En niets vertoonde zich voor mij gesloten: Want ik was de opening van alles.

11. En ik ging tot al mijne gebondenen om hen los te maken,

Om geen over te laten gebonden of bindende.

12. En ik gaf mijne kennis mildelijk en mijn gebed in mijne liefde.

13. En ik zaaide mijne vruchten in de harten en veranderde hen in mijzelven.

En zij ontvingen mijn zegen en leefden.

14. En zij vergaderde zich bij mij en werden verlost,

Want zij waren mij tot ledematen en ik hun hoofd."

De godsdienst gaat hier in mystiek over. Het is dus zake, kortelijk ook op de mystiek onze aandacht te vestigen.

Mystiek in den meest volstrekten zin is het streven, om boven het denken uit, zich met het allerhoogste (het goddelijke) te vereenzelvigen. Dit streven vinden wij o.m. ook bij de Neoplatonici, inzonderheid bij Plotinus. Hij toch verkondigt een monisme (eenheidsleer) in den meest strengen zin des woords, d.w.z. hij wil alles tot één hoogste eenheid herleiden. Die eenheid is voor hem God, van wien echter, strikt genomen, niets te praediceeren valt; ook de uitdrukking "één" is in dezen niet anders dan het gebrekkig stamelen van de hier te kort schietende menschentaal. God gaat ook boven het denken uit, want denken, hoe eenvoudig ook, veronderstelt althans eene tweeheid, nl, iets dat denkt en iets dat gedacht wordt; God echter is, als men iets van hem mag praediceeren, het meest volstrekte Eén. Zooals van zelf spreekt, is het ons doel, om ons tot God te verheffen. Dit moeten wij bereiken door ons van de hartstochten los te maken, door ons te oefenen in het "zuivere" denken, door eindelijk, van alles te abstraheeren. Dan eerst kan het ons, in zeldzame oogenblikken,—Plotinus zou het in zes jaren vier keer hebben gehad[79]—te beurt vallen, om boven het denken uit, tot eenwording te geraken met het Ééne. Dit is de unio mystica, de mystieke eenwording, zooals men het in de middeleeuwen noemde bij de Oosterlingen is zij in het zg. sufisme het einddoel der geloovigen en speelt een groote rol in de Perzische litteratuur.

Keeren wij tot de magie terug, dan blijkt ten duidelijkste, hoe zeer zij van de mystiek verschilt. Voor den mysticus immers is de éénwording met het goddelijke iets lijdelijks; de magiër daarentegen geeft zich voor een god uit, om aan zijne woorden kracht tot handeling bij te zetten. Ja, hij durft zelfs, als zijnde gelijk aan de goden, de zwaarste dreigementen tegen hen uit te spreken:

"Als ge niet naar mij hoort, zal de zonnekring neerbranden en er zal duisternis zijn over de geheele bewoonde aarde en de tor [Egyptisch symbool voor de zon] zal worden uitgedoofd, totdat gij me doen zult alles wat ik schrijf of zeg, zonder overtreding"[80].

Een ander zeer kenschetsend staaltje van soortgelijke dreigementen vindt men op eene zg. vervloekingstaf el, uit Hadrumetum (in Tunis) afkomstig. De magiër toch roept, aan het slot van zijne bezwering, na zijne wenschen te hebben kenbaar gemaakt, uit: "Zoo niet, dan zal ik in de heiligdommen van Osiris neerdalen en zijn graf verwoesten en door den stroom laten meevoeren, want ik ben de groote decaan van den grooten god Achrammachalala". De decanen waren demonen van hoogen rang, aan wie de bewaking van Osiris' gebeente was toevertrouwd; door zich met hun hoofd te vereenzelvigen, wil de magiër te kennen geven, dat zijne dreigementen niet ijdel zullen zijn.

Die bedreigingen, tegen de goden gericht, wekten bij menigeen groote verontwaardiging op en zijn dan ook een der hoofdpunten in de meest diepgaande polemiek, die toenmaals is gevoerd over de magie en wat er mee samenhangt. Porphyrius toch, de bovenvermelde leerling van Plotinus, had in zijn "Brief aan [den priester] Anebo" allerlei vragen opgeworpen, inzonderheid aangaande de hoogere magie, en ronduit verklaard, dat hij met de moeilijkheden, die zich daarbij aan zijn geest voordeden, niet goed raad wist. Er kwam een antwoord, op naam van den "Leermeester Abammon". Abammon is echter (zooals blijkbaar ook Anebo) een gefingeerde naam waarachter, naar o.i. niet meer te betwijfelen valt, zich de Syriër lamblichus verbergt, een discipel van Porphyrius zelf. De titel, dien men aan dit boek gewoonlijk geeft, luidt: "Over de mysteriën".

Hooren wij nu Porphyrius' bezwaar tegen de magische dreigementen (c. 30 vlg.):

"Nog veel onredelijker is het échter, dat een mensch, die aan het toeval onderworpen is, niet slechts een demon, als het zoo uitkomt, of de ziel van een overledene, maar koning Helios [de zon] zelf of de Maangodin of een ander der hemelgoden met dreigementen schrik aanjaagt en liegt, opdat zij de waarheid zullen spreken. Want te zeggen, dat hij 'den hemel zal verbrijzelen en de geheimen van Isis zal blootleggen en het in Aby-' dos [in Egypte] verborgene zal toonen en de bark [waarop naar het Egyptisch geloof, de zonnegod het hemelruim omzeilt] zal doen stilstaan en de ledematen van Osiris voor Typhon zal uitstrooien—is er eene grootere geestesverbijstering denkbaar, dan te dreigen met hetgeen men noch zag, noch vermag, of eene meer vernederende vreesachtigheid dan om net evenals onnadenkende kinderen, voor zóó ijdele schrikbeelden en verzinsels bang te zijn?"

Het antwoord hierop luidt (VI, 5 vlg.):

"Met al dit soort van tooverspreuken bedreigen de menschen niet, zooals gij meent, de zon of de maan of den een of ander der hemelgoden (want dan zouden er nog grooter absurditeiten geschieden dan waarover gij uwen onwil betuigt), maar, zooals ik in 't voorafgaande zeide, een geslacht van in den kosmos verspreide krachten, dat geen geest des onderscheids of rede bezit, dat van een ander rede ontvangt en naar hem luistert, maar geen eigen inzicht heeft, noch het ware van het leugenachtige of het mogelijke van het onmogelijke onderscheidt. Dit geslacht wordt door het uitstooten van opeengehoopte dreigementen in beweging en tot verbijstering gebracht, daar het immers in zijn aard ligt, zelf gedreven te worden door krachtuitspraken en anderen mee te sleuren door zijne eigen verbijsterde en onbestendige verbeelding.

Maar dit heeft ook nog eene andere reden en wel als volgt. De theürg [hoogere magiër] gebiedt de kosmische machten door de kracht der geheimenissen niet meer als mensch of zich van eene menschelijke ziel bedienende, maar als in de rij der goden uitstekende gebruikt hij grootere dreigementen dan met zijn eigen wezen overeenstemt, niet als of hij alles zou doen, wat hij verzekert, maar bij een diergelijk gebruik van formules toonende hoe groot en van welken aard de kracht is, die hij bezit door zijne eenheid met de goden, welke de kennis der verborgene symbolen hem heeft verschaft".

Die symbolen bestonden uit allerlei zinspelingen op de mythologie, uit figuren, voorwerpen, uitheemsche namen en zonderlinge letterverbindingen, waarvan immers de gnostieke geschriften; (z.b. IV) en de tooverpapyri wemelen. En wanneer de symbolieke beteekenis van die woorden en klankverbindingen voor ons onbegrijpelijk is,| dan is dit, volgens Iamblichus (VII, 4) "juist het meest aanbiddenswaardige er aan; ze is immers te verheven, dan dat ze voor ons denken zou kunnen worden ontleed", vgl. ook de volgend uitspraak(II, 11): "Zoowel eene de godenwaardige voltrekking van de geheime en alle denken te boven gaande handelingen als de macht van de onuitsprekelijke en door de goden alleen begrepene symbolen geeft ons de theürgische één wording".

Aangaande die dreigementen verdient nog het volgende uit Iamblichus (VI, 7) onze aandacht:

"De demonen houden de wacht over de onuitsprekelijke mysteriën juist daarom zoo nauwgezet, omdat daardoor voornamelijk de orde in 't heelal wordt bewaard. Want daarom blijven de deelen van het Al in rij en orde, omdat de weldadige macht van Osiris zuiver en onbevlekt blijft en zich niet vermengt met de aan haar tegenovergestelde disharmonie en verwarring. Het leven van alle dingen blijft rein en onbedorven, omdat de verborgene en levenbarende en redelijke schoonheid van Isis niet in het verschijnende en zichtbare lichaam neerdaalt. In eeuwige beweging en in eeuwige wording blijft alles, omdat de loop der zon nooit stilstaat, volmaakt en zuiver blijft alles, omdat de verborgenheden in Abydos nooit worden onthuld. Waaraan nu het universum zijn behoud te danken heeft (ik bedoel aan het feit dat de geheimen altijd verborgen bewaard worden en dat het onuitsprekelijke wezen der goden nooit het tegenovergestelde lot ondergaat), daarvan kunnen de aardsche demonen niet eens hooren, dat het ooit anders zou zijn of geprofaneerd zou worden en daarom heeft eene zoodanige wijze van bezweren eenige macht over hen".

Wij komen op Iamblichus, die meer tot de vierde eeuw en tot eene andere denkrichting behoort, later terug.

Dat ook de belletrie sterk in het teeken der magie stond, blijkt o.m. uit Heliodorus' "Aethiopische verhalen", een roman die zoowel door fijne compositie als door fraaie beschrijvingen uitmunt en waaraan nog in latere tijden beroemde auteurs veel hebben ontleend. In dezen roman, die naar alle waarschijnlijkheid uit de laatste decenniën van de derde eeuw dagteekent, wordt o.m. het leven van een Isispriester, Calasiris, uitvoerig beschreven en daardoor als 't ware eene encyclopaedie van het magische gegeven. Het belangrijkste daarvan is wel de passage, waar Calasiris het onderscheid tusschen de "echte" en de "valsche" wijsheid der Egyptenaren uiteenzet (III, 16):

"De eene is vulgair en wandelt, om het zoo uit te drukken, laag op den grond, dient de spoken en geeft zich met doode lichamen af, kleeft aan kruiden en hecht aan bezweringen; haar einddoel is nooit iets goeds, noch voor haar zelve, noch voor hen, die zich van haar bedienen; meestal faalt ze in hare pogingen, en brengt ze iets tot stand, dan is het nog maar iets akeligs en armzaligs; ze laat dingen zien, waarvan in werkelijkheid niets bestaat; ze stelt verwachtingen te leur, is de uitvindster van ongeoorloofde practijken en dienares van onbeteugelde lusten; de andere daarentegen, de ware wijsheid, wier naam deze basterd zich valschelijk toeëigent, die wij priesters en profeten van jongsaf beoefenen, ziet omhoog ten hemel, heeft omgang met de goden en deel aan de natuur der machtigere wezens; ze speurt de bewegingen der sterren op en heeft tot winst de voorkennis der toekomst."

Zie hier dan het verschil tusschen "goëtie" en "theürgie" of "zwarte" en "witte" magie, zooals men het nu gewoon is te noemen. Maar het verschil ligt ten slotte meer in de bedoelingen dan in de handelingen zelf, en ook wat de bedoelingen aangaat, wordt het verschil niet altijd streng in acht genomen, daar immers Calasiris zelf herhaaldelijk verzekert (II, 33, IV, 7 en 14) door medehulp van demonen liefde op te wekken.

Bijzonder merkwaardig is in de aangehaalde passage de zinsnede, dat de lagere magie "dingen laat zien, waarvan in werkelijkheid niets bestaat." Dit wordt meer vermeld. Zoo sprak bijv. Celsus, in zijne bestrijding van 't Christendom (± 178) o.a. van lieden, die van de Egyptenaren de kunst hadden geleerd om o.m. "kostbare maaltijden en tafels met gebak en dessert te toonen, waarvan in werkelijkheid niets voorhanden is".[81] In een zekeren magischen papyrus wordt die illusie aan de tooverkracht van een geest toegeschreven: op eene wel is waar bedorvene, maar toch wat den zin betreft, duidelijke plaats, luidt het nl.: "en indien gij een maaltijd wilt aanrichten, zeg: iedere ruimte zooals het behoort ... snel en onmiddellijk, terstond ... huizen met gouden daken, muren ... glinsterende ... gij zult dit ook zien: men houdt het voor werkelijk, maar het is slechts voor het aanschouwen".[82] In een zeker Christelijk geschrift, welks auteur ons niet bekend is, worden de wonderen welke de Egyptische toovenaars tegenover de wonderen van Mozes en Aäron stelden (vgl. Exodus VII, 11, 12, 22 en VIII, 7), tot diergelijke illusies herleid: "De wonderen, door Mozes verricht, bewerkten, daar zij door middel van de goddelijke kracht geschiedden, eene reëele verandering van het voorwerp in datgene, wat tot stand kwam; de wonderen, door de bezweerders verricht, geschiedden door de kracht der demonen, die de oogen der toeschouwers in dier voege betooverden, dat ze wat geen slang was, als eene slang, wat geen bloed was, als bloed, en wat geen kikvorschen waren, als kikvorschen zagen".[83] Eene andere, realistische verklaring van deze magische vertooningen, zullen wij later ter sprake brengen.

Wij wenschen hier nog een fragment uit de beschrijving van eene doodenbezwering aan toe te voegen (VI, 14):

Calasiris en eene reisgenoote van hem zijn op een avond "terwijl de maan juist opkwam en met helder licht alles bestraalde", getuigen van een tooneel "wel is waar niet onschuldig, maar bij de Egyptische vrouwen gebruikelijk." Eene oude vrouw nl., "in de meening van een oogenblik te hebben, waarop ze niet gestoord en bespied werd, groef eerst een kuil, stak vervolgens een brandstapel aan den buitenkant ervan in brand en legde midden tusschen beide het lijk van haar zoon; ze nam een aarden mengvat van een drievoet er naast, goot honig in den kuil en wederom uit een ander vat melk en plengde wijn uit een derde. Voorts wierp ze een klomp van deeg en vet, tot het beeld van een man gevormd en met laurier en venkel bekransd, in de groeve. Hierna greep ze een zwaard en na zich in extase te hebben gebracht, riep ze de maangodin met vele barbaarsche en vreemd klinkende namen aan, sneed zich in den arm, veegde met een lauriertak zich het bloed af en besprenkelde den brandstapel; ze deed nog andere wonderbaarlijke dingen, bukte zich eindelijk over het lijk van haar kind, fluisterde hem eene bezwering in 't oor, deed hem ontwaken en noodzaakte hem door hare tooverkunsten recht op te staan."

Niet echter wijsgeeren en schrijvers alleen, maar ook keizers waren de magie toegedaan.

Caracalla (211-217), die de Isisreligie met den oud-Romeinschen eeredienst gelijk stelde, en ter eere van Apollonius van Tyana een heiligdom oprichtte[84], liet overal vandaan magiërs ontbieden en trachtte door middel van doodenbezwering te weten te komen welk een einde hem wachtte en of iemand een aanslag op de heerschappij beraamde.[85] Heliogabalus (218-222), een vurig vereerder van Cybele (z.b. IV), bediende zich ten allen tijde van "duizenden" amuletten en liet, naar verzekerd wordt, door toovenaars geheime offers van knapen uit de hoogste standen brengen, ten einde uit hunne ingewanden de toekomst te kunnen voorspellen[86]; een onzer bekendste romanciers heeft dit op artistiek-griezelige wijze beschreven.

Naar aanleiding van deze laatste beschuldiging, die, zooals (in III) bleek en nog blijken zal, ook tegen anderen is gericht, zij hier opgemerkt, dat voorzoover wij weten, de tooverpapyri, d.w.z. de officiëele bescheiden omtrent de magie, slechts in twee (reeds in III en in dit hoofdstuk vermelde) passages, die bovendien parallelplaatsen zijn, van menschenoffers melding maken en dan nog wel met afkeuring. Men kan gerust aannemen, dat althans in het Romeinsche keizerrijk niet dan bij hooge uitzondering menschen ter wille van magische doeleinden zijn gedood. De geheimzinnigheid, waarmede de toovenaars—zooals trouwens ook de Christenen—zekere handelingen verrichtten, was geen gegronde reden, om daarbij aan het ergste te denken. Het meeste bloed werd ook toen ter tijd in 't openbaar vergoten.

Alexander Severus (222-235), zachtzinnig en verdraagzaam, had in zijne huiskapel naast de beeltenissen van Orpheus en Christus ook die van Apollonius.[87] Aurelianus (270-275), een der grootste keizers, evenzeer uitmuntende in 't oorlogvoeren als in 't landsbestuur, liet zich door eene verschijning van Apollonius weerhouden om diens vaderstad te verwoesten en beloofde hem standbeelden en een tempel op te richten.[88] Daarentegen vaardigde de achterdochtige Diocletianus (284-305), aan wiens naam de wreedste van alle Christenvervolgingen in 't Romeinsche rijk verbonden is, ook strenge bepalingen tegen de magie uit.

Wij gaan nu tot de Christenen over, om hunne houding tegenover de magie nader te bepalen.

Tertullianus uit Afrika (±155-±220), een der vernuftigste en zeggingskrachtigste, maar tevens ook een der bekrompenste en onverdraagzaamste voorvechters die het Christendom ooit heeft gehad, hield de magie voor eene mixtuur van goochelarij en duivelswerk.

Allerkarakteristiekst is de volgende, overigens niet gemakkelijk te vertalen passage uit zijn "Verweerschrift" (197), waarin hij (c. 23) naar aanleiding van de "wonderen" der goden uitroept:

"Indien voorts ook de magiërs fantomen te voorschijn roepen en de zielen van reeds afgestorvenen schandaliseeren, indien zij knapen tot het uitspreken van orakelen nopen[?], indien zij door middel van goocheltoeren vele wonderen schijnen te verrichten, indien zij ook droomen zenden, daar zij de eens voor al aangeroepene macht van engelen en demonen tot bijstand hebben, door welke ook geiten en tafels gewoon zijn geraakt te voorspellen, hoe veel meer zal die macht [nl. de demonen] naar eigen verkiezing en tot haar eigen voordeel met alle kracht trachten te volbrengen, wat ze in eens anders belang [nl. dat van den magiër] doet?"

Van geiten bij de wichelarij is ook elders sprake, vgl. bijv. Diodorus uit Sicilië, een geschiedschrijver ten tijde van keizer Augustus, (XVI, 26): "Men zegt dat oudtijds geiten het orakel [te Delphi] hebben ontdekt, en om die reden bedienen de Delphiërs zich tot nu toe meestal van geiten om godspraken te verkrijgen". En wat de voorspellende tafels betreft, zullen wij in het verder verloop van dit hoofdstuk een hoogst interessant geval hiervan vermelden.

Uitvoerig behandelt Tertullianus de doodenbezwering in zijn geschrift: "De ziel", de eerste proeve van eene Christelijke psychologie, overigens reeds dateerende uit den tijd, toen hij met de secte der zg. Montanisten, ultra-rigoristische dwepers, sympathiseerde en met de kerk op gespannen voet stond (na 202/3).

Het gaat hier in de eerste plaats om de oproeping van ontijdig gestorvenen of gewelddadig omgekomenen, waarvan immers, zooals wij boven gezien hebben, in de tooverpapyri herhaaldelijk sprake is. Tertullianus wil van eene werkelijke verschijning der afgestorvenen niets weten en verklaart (c. 57) de magie "zooals bijna allen"(!) ronduit voor "bedrog". "De aard en wijze echter van dit bedrog ontgaat alleen den Christenen niet". En hoe gaat dit dan in zijn werk? "Wel is waar worden de ontijdig gestorvenen en gewelddadig omgekomenen aangeroepen, op grond van het schijnbaar geloofwaardige argument, dat die zielen, welke een wreed en ontijdig uiteinde door geweld en onrecht aan het leven ontrukte, bij wijze van wedervergelding het meest tot het plegen van geweld en onrecht geneigd zouden zijn. Maar het zijn demonen, die onder hun schijn werken en nog wel het meest diegenen, die in hen huisden toen zij nog leefden en die hen tot zulk een uiteinde brachten. Want wij nemen aan, dat zoowat geen mensch zonder demon is en aan velen is het bekend, dat door toedoen der demonen ontijdige en afgrijselijke sterfgevallen worden bewerkt.... Ook dit bedrog van den boozen geest die onder het voorkomen van de overledenen schuilt, toonen wij, als ik mij niet vergis, ook door de feiten aan, omdat hij bij de exorcismen zich soms voor een der ouders van zijn slachtoffer [t.w. den bezetene] uitgeeft, soms voor een gladiator, of een dierenvechter, zooals ook bij andere gelegenheden voor een god, op niets meer bedacht dan om juist dat uit te schakelen, wat wij verkondigen, dat nl, alle zielen naar de onderwereld worden gedreven; het geloof aan het oordeel en de wederopstanding wil hij aan 't wankelen brengen. En toch erkent die demon, nadat hij de aanwezigen heeft getracht te misleiden, ten slotte door den aandrang der goddelijke genade overwonnen, zijns ondanks de waarheid".

Dit laatste slaat op de bedoelde exorcismen, d.w.z. bezweringen om "booze" geesten uit de bezetenen te bannen (z.b. III), eene practijk, voornamelijk door de Christenen uitgeoefend. Het tot zwijgen brengen van den "boozen" geest werd dan voor een bewijs van de waarheid der Christelijke leer gehouden. Maar hooren wij Tertullianus verder:

"Aldus is ook bij dat andere soort tooverij, welke, naar men gelooft, ook reeds tot rust gekomene zielen aan de onderwereld ontrukt en aan het gezicht vertoont, geen ander bedrog meer aan 't werk [n.l. dan dat der demonen]. Vooral omdat er ook een fantoom bij wordt vertoond, omdat er ook een lichaam bij wordt gevormd; en het is voor hem geen moeite, het uiterlijk gezicht te misleiden, wien het gemakkelijk valt, de innerlijke scherpte des geestes te verblinden. Aan Farao en de Egyptenaren schenen de slangen, die uit de tooverstaven ontstaan waren, ook toe lichamen te zijn [vgl. Exod. VII, 12], maar de waarheid van Mozes verslond de leugen [d.w.z. de staf van Aäron verslond de staven der toovenaars, t.p.] Veel deden ook de magiërs Simon en Elymas tegen de apostelen, maar de straf van blindheid was geen goocheltoer [z.b. IV]. Wat voor nieuws is het, als de onreine geest ook nu de waarheid naäapt? Ziet, de kettersche volgelingen van dienzelfden Simon gaan nu zoo prat op hunne kunst dat ze beloven zelfs de zielen van profeten uit de onderwereld te halen. En ik geloof dat ze dit op leugenachtige wijze vermogen. Immers het stond ook aan den "pythonischen" geest toen ter tijd even goed vrij, de ziel van Samuel na te bootsen, toen Saul, na God te vergeefs te hebben aangeroepen, de dooden raadpleegde."

Tertullianus gaat hiermede over tot het verhaal van de "toovenares van Endor", die een "pythonischen" geest bezat, aldus genoemd, omdat Pytho (Delphi) de hoofdzetel van god Apollo, den beschermheer der waarzeggers was. Daar dit verhaal ook later nog herhaaldelijk ter sprake komt, willen wij het hier, tot betere oriënteering van den lezer, in zijn geheel mededeelen.

Het staat in I Samuël 28.

"(5) Toen Saul het leger der Filistijnen zag, werd hij bevreesd en zeer ontsteld. (6) Hij raadpleegde Jahwe, maar Jahwe antwoordde hem niet, noch door droomen, noch door de uriem, noch door de profeten.

(7)Toen zeide Saul tot zijne dienaren: "Zoekt mij eene vrouw die over een onderaardschen geest beschikt, opdat ik tot haar ga en haar raadplege.'' Zijne dienaren zeiden tot hem: "Zie te Endor woont eene vrouw die over een onderaardschen; geest beschikt." (8) Toen maakte Saul zich onkenbaar, trok andere kleederen aan en ging met twee mannen derwaarts. In den nacht kwamen zij bij de vrouw, en hij zeide tot haar: "Voorzeg mij de toekomst door den onderaardschen geest; doe voor mij opkomen, dien ik U noemen zal. (9) Maat de vrouw zeide tot hem: "Gij weet wel wat Sau gedaan heeft, hoe hij de toovenarij en waarzeggerij uit het land heeft uitgeroeid. Waarom legt gij mij dan een valstrik om mij ter dood te laten brengen?" (10) Toen zwoer Saul haar bij Jahwe "Zoo waar als Jahwe leeft, gij zult om deze zaak geen straf beloopen." (11) Nu zeide de vrouw "Wien zal ik voor U doen opkomen?" Hij zeid "Doe Samuël voor mij opkomen". (12) Doch toen de vrouw Samuël zag, schreeuwde zij luidkeels en zeide tot Saul: "Waarom hebt gij mij bedroge Gij zijt Saul zelf!" (13) Maar de koning zeide tegen haar: "Vrees niet. Zeg wat gij ziet". Toen zeide de vrouw tot Saul: "Een Goddelijk wezen zie ik uit den grond opkomen". (14) Hij zeide tot haar "Hoe ziet het er uit?" Zij antwoordde: "Een oude man komt op; in een mantel is hij gehuld". Hier neigde Saul, begrijpende dat het Samuël was zijn aangezicht ter aarde en wierp zich neder (15)Samuël zeide tot Saul: "Waarom hebt gij mij in mijne rust gestoord door mij te doen opkomen?" Saul zeide: "Ik ben zeer beangstigd: de Filistijnen voeren oorlog tegen mij en God is van mij geweken en heeft mij niet meer geantwoord, noch door de profeten, noch door droomen, [noch door de uriem]. Daarom heb ik U geroepen, om mij te verkondigen wat ik doen moet." (16)Samuël zeide: "Waarom ondervraagt gij mij, terwijl Jahwe van U geweken is en de partij van Uwen naaste gekozen heeft? (17)Jahwe doet U zooals hij door mij gesproken heeft; hij scheurt U het koningschap uit de hand en geeft het aan Uwen naaste, aan David. (18)Omdat gij niet naar Jahwe geluisterd en zijnen toorngloed tegen Amalek niet voltrokken hebt, daarom heeft Jahwe thans evenzoo aan U gedaan. (19)Hij zal ook Israël met U in de hand der Filistijnen geven; morgen zult gij en Uwe zonen bij mij zijn en zal Jahwe bovendien het leger van Israël aan de hand der Filistijnen overleveren". (20)Toen viel Saul haasstiglijk lang uit op den grond want hij was zeer bevreesd geworden vanwege Samuëls woorden en had bovendien geen kracht, daar hij den ganschen dag en den gansenen nacht niets gegeten had".

De "uriem" waren een orakel waarbij men door het werpen van zekere loten den wil Gods trachtte te weten te komen; het antwoord kon echter, zooals uit v. 6 blijkt, ook geheel uitblijven.

Dat de toovenares Samuël, zooals hij verschijnt, een goddelijk wezen noemt, stemt goed overeen met het geloof, door ons in IV vermeld, dat de overledenen als "demonen", d.w.z. alsbovenmenschelijke wezens werden beschouwd.

Waarschijnlijk had Saul opzettelijk gevast, om zich op de doodenbezwering voor te bereiden, daar immers onthouding, althans van zekere spijzen, algemeen geacht werd eene der voornaamste voorbereidingen tot magische handelingen te zijn.

Laten we nu zien, hoe Tertullianus dit verhaal uitlegt:

"Verre zij het van ons te gelooven, dat de ziel van eenig heilige, laat staan van een profeet, door een demon te voorschijn is gehaald, daar wij weten dat Satan zelf zich in een engel des lichts [2: Cor. XI, 14], hoe veel te meer dus in een man des lichts verandert en aan 't einde [der wereld] zich zelfs voor God zal uitgeven [2 Thess. II, 4] en wonderbaarlijkere teekenen zal verrichten, om, zoo mogelijk, de uitverkorenen te verleiden [Matth. XXIV, 24]. Zou hij, zoo ooit, toen geaarzeld hebben, zich voor een profeet Gods uit te geven, vooral tegenover Saul, in wien hij zelf reeds huisde? Meen niet, dat de demon, die het fantoom; deed ontstaan een ander was dan die welke het aanbeval, maar dat dezelfde geest èn in de leugenprofetes, èn in den afvallige gemakkelijk loog, om geloof te vinden, die geest, door wien Saul's schat daar was, waar ook zijn hart was, nl. waar God niet was. En derhalve zag hij ook door middel van dengene, door wien hij geloofde te zullen zien, omdat hij hem geloofde door wien hij zag."

Als men echter het verhaal onbevangen leest, dan blijkt er duidelijk uit dat de bezweerster, maar niet dat Saul de verschijning zag, en evenmin zal een onpartijdig lezer uit het verhaal de conclusie trekken dat de schrijver ervan niet aan de realiteit van Samuël's manifestatie geloofde.

Overigens staat Tertullianus volstrekt niet zoo ongeloovig tegenover openbaringen uit eene andere wereld, als zij slechts door middel van Montanistische profetie tot hem komen. Dit leert ons hetzelfde geschrift (c. 9):

"Er is thans eene zuster bij ons, aan wie de genade der openbaringen is ten deel gevallen, die ze in de kerk, te midden van den Zondagsdienst, door de extase in den geest ontvangt; ze houdt gesprekken met engelen, soms ook met den Heer en ziet en hoort geheimenissen en doorgrondt de harten van sommigen en verstrekt geneesmiddelen aan hen, die er naar verlangen."

Ongeveer in de jaren 230-235 schreef de bisschop Hippolytus zijne "Weerlegging van alle secten", inzonderheid tegen de in IV behandelde Gnostieken gericht, waarin hij echter ook een hoofdstuk afzonderlijk aan de magiërs wijdde. Dit hoofdstuk is blijkbaar ontleend aan een recent populair-wetenschappelijk geschrift over physica en mechanica, waarbij ook de kunstgrepen der goochelaars nader ter sprake kwamen. Wij halen, als bijzonder karakteristieke proef, de verklaring van eene "godenverschijning" aan (IV, 35 vlg.):

"Dat Hecatē in vurige gedaante door de lucht schijnt te ijlen, bewerkt hij [de magiër] door eene kunstgreep als volgt: Hij verstopt een handlanger ergens waar hij het geschikt acht en neemt zijne slachtoffers met zich mee en maakt hen wijs, dat hij hun zal toonen hoe de godin in vurige gestalte door de lucht rijdt. Hij beveelt hun, voor hunne oogen op te passen en, zoodra ze de vlam in de lucht zien, zich te omhullen en op het aangezicht neer te vallen totdat hij zelf hen roept en als hij hun dat heeft uiteengezet, galmt hij in een nacht zonder maneschijn de volgende aanroeping in verzen uit:

Gij, in den Hades, op aard,' in den hemel gehuldigd, o Bombo!
Gij, die in driesprongen huist, lichtdragende, nachtelijke zwerfster,
Gij, die de duisternis mint en een afkeer hebt van het daglicht,
Gij, die in hondengeblaf U vermeit en in moord U verlustigt,
Gij, die het slagveld betreedt en de sombere kerkhoflanen,
Gij, die belust zijt op bloed en den sterflingen schrik op het lijf jaagt,
Gorgo! Mormo! Godin van de maan, gij, rijk aan gestalten,
Moogt gij, wij bidden het U, goedgunstig ons offer genaken!

Als hij dit gesproken heeft, ziet men een vuur door de lucht ijlen en de toeschouwers, huiverende voor dien wonderlijken aanblik, omhullen zich de oogen en vallen sprakeloos ter aarde neder. Maar heel het geweldige kunststuk bestaat hierin: De handlanger, die, zooals ik zeide, verstopt is, houdt een wouw of gier vast, met werk omwonden, en steekt hem, zoodra hij hoort dat de bezwering afgeloopen is, in brand en laat hem los. De vogel, door de vlam in de war gebracht, gaat de hoogte in en bespoedigt zijne vlucht, maar die dwazen verbergen zich bij dien aanblik alsof ze iets goddelijks hadden gezien. De vogel, ronddraaiende door den vuurgloed, strijkt neer, waar hij maar kan en doet nu eens huizen dan weer hoven in vlammen opgaan."

Men heeft terecht opgemerkt, dat dit middel, zooals ook andere middelen, die Hippolytus opgeeft, kwalijk ten uitvoer is te brengen. Ook is het juist, dat voor de uitvoering van verschillende kunststukken zelf weer magische middelen benoodigd zijn, voor wier uitwerking niet de ervaring, maar de overlevering borg stond. Maar het meest merkwaardige is wel, dat Hippolytus zelf, ondanks al die mechanische kunstgrepen, ook veel aan demonische invloeden toeschrijft.

Origenes uit Alexandrië (geb. omstreeks 184), de grootste en ongelukkigste van alle oud-Christelijke schrijvers, tijdens zijn leven miskend, na zijn dood verketterd, Origenes, wiens geest vrijwel al het toen weetbare omvatte, heeft ook aan de magie zijne aandacht geschonken.

In zijn werk "Over de principiën", de eerste Christelijke dogmatiek, zegt hij (III, 3,3):

"Wat moet moet men zeggen van hen, die zij [de Grieken] geïnspireerden noemen, door wie tengevolge van de inwerking der demonen, die hen regeeren, antwoorden worden gegeven in verzen volgens de regelen der kunst? Maar ook diegenen, die men magiërs of boosdoeners noemt hebben meer dan eens door aanroeping van demonen knapen van nog teeren leeftijd zich in verzen doen uiten, die aller bewondering en verbazing wekten [z.b. III, in 't begin]. Het is aan te nemen dat dit aldus in zijn werk gaat: Evenals heilige en vlekkelooze zielen, wanneer zij zich met hun geheele hart en in volle reinheid aan God hebben gewijd, en zich vrij hebben gehouden van alle aanraking met demonen en door streng onthouding zich gezuiverd hebben en vervuld zijn van vrome en godsdienstige leeringen, daardoor deel aan het goddelijke verkrijgen en de genade der prophetie en der overige goddelijke gaven verwerven, aldus moet men veronderstellen dat ook diegenen, die de booze machten vat op zich geven, door bedrijf, leefwijze of beoefening van wat hun lief en welgevallig is, de inspiratie van dezen ontvangen en hunne wijsheid en kennis deelachtig worden."

In zijne, van 248 dateerende, verdediging van het Christendom tegen Celsus, komt hij eveneens voor de realiteit der magie op, en wel naar aanleiding van Celsus' bewering, dat het er niets toe doet, of men den hoogsten God Zeus noemt dan wel hem een anderen naam geeft (I, 24).

Met het oog op het feit, dat de toovenaars veel aan zekere namen en eene bepaalde uitspraak daarvan hechten, betoogt Origenes dat "wanneer ook de zoogenaamde magie niet, zooals de aanhangers van Epicurus en Aristoteles [z.b. II] meenen, eene zaak zonder eenige orde of verband is, maar, zooals de er in bedrevenen aantoonen, op vaste regels en grondstellingen berust, die echter slechts aan zeer weinigen bekend zijn", men gerust mag beweren, dat de namen Sabaoth, Adonai e.a., welke bij de Hebreeën met grooten eerbied worden overgeleverd, niet aan het een of andere toeval hun ontstaan te danken hebben, maar op eene zekere geheime godsleer" berusten. De namen der hoogere machten kunnen voor zekere doeleinden worden gebruikt, mits uitgesproken op eene zekere manier en in de taal van dat volk, waarbij ze behooren; de aardsche demonen zijn immers in dier voege over de verschillende landstreken verdeeld dat bijv. sommigen slechts over Egypte, anderen slechts over Perzië macht uitoefenen.

Het volgende dient tot verdere toelichting (25):

"Wie de geheime beteekenis der namen vermag te beredeneeren, zou ook veel kunnen vinden aangaande de benaming der engelen Gods, waarvan de een Michaël, een ander Gabriël, en weer een ander Raphaël heet, overeenkomstig de diensten die zij in 't heelal verrichten volgens den wil van den albeheerschenden God. Tot beschouwingen van soortgelijken aard geeft ook onze Jezus aanleiding, wiens naam alleen reeds duizenden demonen voor aller oogen uit zielen en lichamen heeft verdreven...

Wat de kwestie van de namen betreft, moeten wij nog opmerken, dat diegenen, welke in het gebruik der bezweringen ervaren zijn, beweren, dat dezelfde bezwering, in haar eigenaardigen tongval uitgesproken, ten uitvoer kan brengen wat zij belooft, maar dat ze, omgezet in eene andere taal, welke dan ook, krachteloos blijkt te zijn en niets vermag. Dus is het niet de zakelijke beteekenis der woorden, maar zijn het de hoedanigheden en eigenaardigheden der klanken die in zich de kracht hebben om dit of dat te doen".

Dit slaat blijkbaar op de tooverpapyri, waarin ook de namen van engelen en van Jezus voorkomen. Hier zij nog opgemerkt, dat Michaël beteekent: "Wie is als God?", Gabriël "Man Gods" en Raphaël "God heeft genezen".

Met dat al mogen de "wonderen" der magiërs niet met die van Jezus en de apostelen op eene lijn worden gesteld (I, 68):

"Geen van de toovenaars spoort door hetgeen hij doet, de toeschouwers tot zedelijke verbetering aan, noch onderwijst hij hen, die over de vertooningen versteld staan, in de vreeze Gods, noch proeft hij hen te overreden om zoo te leven, dat zij voor God zullen worden gerechtvaardigd. Niets van dit alles doen de toovenaars, daar zij niet kunnen of niet eens willen of geneigd zijn, om zich te bemoeien met hetgeen tot verbetering der menschen dient, daar zij immers ook zelven vol zijn van de schandelijkste en beruchtste zonden. Maar ligt het niet voor de hand, dat Hij, die door de wonderen die Hij verrichtte, de aanschouwenden tot zedelijke verbetering aanspoorde, zich zelf niet alleen aan zijne eigenlijke discipelen maar ook aan de anderen als voorbeeld van het volmaakte leven toonde?"

Het verschil tusschen de "wonderen" der magiërs en die der Christenen is dus hierin gelegen dat de laatsten eene zedelijke strekking hebben welke aan de tooverij ten eenemale wordt ontzegd. Dat echter ook Origenes bij de beoordeeling der magiërs hier geenszins de noodige objectiviteit in acht neemt, is maar al te duidelijk.

Er is ons van Origenes ook nog eene lezing bewaard gebleven over I Samuël 28, 3—25, d.w.z. over de "toovenares van Endor" (z.b.), waarin hij naast allerlei minder klemmende argumentaties ook blijk geeft van echte wetenschappelijkheid en met de grootste beslistheid de realiteit van Samuël's verschijning handhaaft. Tot hen, die zooals bijv. Tertullianus (z.b.) hier met uitvluchten aankomen als "De satan zelf neemt de gedaante van een engel des lichts aan; geen wonder dus, dat ook zijne dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid", richt de geleerdste van alle oude Christenen de nuchtere vraag (c. 4): "Maar wat is het, wat de vrouw zag?"—"Samuël". En waarom luidt het niet: "De vrouw zag een demonisch wezen, dat voorgaf, Samuël te zijn?" Maar er staat geschreven: "Saul herkende Samuël, dat hij het was." Als het niet Samuël was, had er geschreven moeten staan: "En Saul meende dat het Samuël zelfwas." Nu staat er echter geschreven: "Saul herkende", en niemand herkent iets wat niet bestaat." Voorts betoogt Origenes (c. 5 vlg.), dat de woorden, Samuël in den mond gelegd, waarheid bevatten, hetgeen er niet voor pleit dat een demon, maar dat Samuël zelf verschenen is, en tracht hen, die zich ontzetten bij de gedachte dat de heilige Samuël zich in het schimmenrijk zou bevinden (c. 3), gerust te stellen, door uitvoerig te betoogen (c. 6) dat immers Christus zelf, die toch hooger staat dan wie ook der profeten en heiligen, naar het schimmenrijk is neergedaald.

Toen Hiërocles, een hooggeplaatst ambtenaar en, naar verluidt, een medewerker van de "Diocletiaansche" vervolging (z.b.), in zijn tot de Christenen gericht "Waarheidlievend woord" de wonderen van Apollonius van Tyana (vgl. IV begin) boven die van Jezus stelde, werd hij (na 311) bestreden door Eusebius van Caesarea (later de bekende kerkhistoricus), die in een betoog tegen Philostratus' leven van Apollonius scherpe kritiek op de verhalen in quaestie oefent en, voor 't geval ze toch waarheid mochten bevatten, liefst aan de inwerking van booze geesten denkt. Vgl. bijv. de volgende redeneering (c. 31):

"Want dat hij [Apollonius] eene epidemie vooruit gevoelde, zou wel is waar kunnen schijnen niets met tooverij te maken te hebben, indien hij dit, zooals hij zelf verzekerde, aan zijne allersoberste en reine leefwijze te danken had, maar misschien was het hem ook in een onderhoud met een demon van te voren medegedeeld".

Het in-'t-leven-terugroepen van een overleden meisje, wat immers ook aan Apollonius werd toegeschreven (vgl. IV), is blijkbaar door schijndood te verklaren en dus volstrekt geen wonderdaad (t.p.).

In 313 had het groote feit plaats, dat de toestanden in het Romeinsche rijk ingrijpend veranderde: Constantijn en zijn medekeizer Licinius stelden nl. door het tolerantie-edict van Milaan liet Christendom met de andere godsdiensten gelijk. Daar echter de kerk aan andere religies het bestaansrecht ontzegde, waren deze van nu af aan feitelijk in het ongelijk gesteld en ook de magie kwam daarbij in verdrukking, al toonde Constantijn zelf, zooals uit navolgend, in 321 uitgevaardigd besluit[89] blijkt, zich in dit opzicht vrij gematigd:

"De wetenschap diergenen moet gestraft en te recht met de strengste wetten gekastijd worden, van wie men ontdekt, dat zij, gewapend met magische kunsten, iets tegen het leven van menschen ondernomen of kuische gemoederen tot wellust verleid hebben. Geen beschuldigingen echter zijn in te brengen tegen geneesmiddelen, in 't belang van menschelijke lichamen gebruikt, of tegen tooverspreuken, in landelijke streken onschuldiglijk toegepast om bij rijpen wijnoogst zich van vrees voor slagregens of schade door hagelsteenen te vrijwaren, hulpmiddelen waardoor niemands leven of goede naam gevaar loopt, maar wier uitwerking moet dienen om te beletten dat goddelijke gaven en menschelijke arbeid te niet gaan."

Het Neoplatonisme, dat in steeds toenemende mate de verdediging van de oude godsdiensten tegen het Christendom op zich nam, had toenmaals als leider den reeds bovenvermelden Iamblichus. Een geschiedschrijver van omstreeks 400, Eunapius, die zijn leven in korte trekken schetst, verzekert ons dat de gevierde wijsgeer de magie practisch beoefende. Wij wenschen hieromtrent den lezer nader in te lichten.[90]

De leerlingen van Iamblichus, wien hij een bewijs had gegeven van zijne supranormale gave, wenschten gaarne iets grooters te ervaren en hij antwoordde hun, dat dit niet van hem zelf, maar van het juiste tijdstip afhing. Toen ze zich nu eenigen tijd daarna, in het mooie seizoen, naar Gadara hadden begeven, eene Syrische stad, die om hare warme bronnen beroemd was, kwamen zij nogmaals met hetzelfde verzoek tot hem:

"Glimlachende zeide Iamblichus: "Het is wel is waar niet overeenkomstig den ritus, dit te toonen, maar om Uwentwille zal het geschieden." Hij beval zijnen begeleiders, van de inboorlingen te vernemen, hoe twee van de warme bronnen, die wel kleiner, maar liefelijker dan de anderen waren, van oudsher genoemd werden. Nadat zij aan zijne opdracht hadden voldaan, zeiden zij: "Het is volstrekt geen geheim: deze hier heet Eros [liefde] en deze in de nabijheid heeft den naam van Anteros [wederliefde]," Hij echter raakte terstond het water aan (want hij zat juist op den rand, waarover heen de stroom zich uitstortte), voegde er eene korte spreuk aan toe en riep van onder uit de bron een knaap te voorschijn. De knaap was blank van huidkleur en van tamelijke grootte; zijne goudachtige haren omglansden zijn rug en borst en over 't geheel leek hij op iemand, die zich baadde of gebaad had. Verbazing beving de vrienden, hij echter zeide: "Laten wij naar de bron hier naast gaan" en hij ging hun voor, in gepeins verzonken. Nadat hij ook daar dezelfde handeling had voltrokken, riep hij den anderen Eros te voorschijn, aan den vorige in alles gelijk, behalve dat zijne haren donkerder en met lichtblond gemengd neerstroomden. Beide knapen omhelsden hem en leunden tegen hem aan alsof hij hun eigen vader was. Hij echter gaf ze aan hunne eigen verblijven terug en ging, na zich gebaad te hebben, heen, terwijl de vrienden van; ontzag vervuld waren."

Eunapius verzekert hierbij zegslieden te volgen, "die aan andere dingen geen geloof schonken, maar voor de waarneming van het aanschouwde moesten bukken."

Men heeft dit verhaal voor "mal" uitgemaakt; en vrijwel als een verzinsel beschouwd. Daarmede zijn echter de moeilijkheden, die het oplevert, niet uit den weg geruimd. Immers de "malle wonderverhalen" van Eunapius komen zeer goed overeen met wat de grootste Neoplatonische denkers hebben geleeraard. Iamblichus zelf weidt in het boven door ons aangehaalde geschrift "Over de mysteriën" (II, 3) nader uit over de schoonheid zoowel van de goden als van de demonen bij hun verschijnen. Porphyrius, de nuchterste aller Neoplatonici, geloofde, zooals wij later uit een citaat van Augustinus zullen zien, aan "wonderbaarlijk schoone beelden" van "engelen" of "goden" bij de theürgische handelingen. Plotinus spreekt in het bekendste van zijne geschriften, in het betoog "Over het schoone" (Enn, I, 6), van diegenen (c. 7) "wien eene verschijning van goden of demonen ten deel is gevallen en die niets meer willen afweten van de schoonheid der andere lichamen." Aan zulke onomwonden uitspraken van scherpzinnige en hoogstaande denkers moet o.i. toch wel eene zekere objectiviteit beantwoorden. Men heeft dan ook bij dit verhaal van Eunapius gedacht aan de zg. materialisaties, d.w.z. tastbare, soms zeer schoone, verschijningen, zich vormende uit stoffen, onttrokken aan het lichaam van zekere "mediums," en ook "critische" onderzoekers zijn geneigd, hierbij aan reëele, overigens uiterst raadselachtige, verschijnselen te denken. Maar ook afgezien daarvan laat zich de historiciteit van het boven aangehaalde geval best handhaven, wanneer men nl., met een niet onverdienstelijk occultist, aanneemt, dat daarbij eene opwekking van "hallucinaties" plaats heeft gevonden.

Vergelijkt men de beschouwingen van Iamblichus over de magie met de theorie van Plotinus, dan springt het verschil duidelijk in 't oog. Bij Plotinus domineert het abstracte, bij Iamblichus het persoonlijke. De leer der "sympathie" (z.b.) wordt door den laatstgenoemde niet bijster hoog aangeslagen; vgl. het boven reeds vermelde geschrift: "Over de mysteriën" (X, 3): "Wanneer ons van nature eene zekere geschiktheid te beurt valt om de toekomst vooruit te weten, zooals bij dieren een voorgevoel opkomt van aardbevingen of winden of stormen, dan schijnt mij dat volstrekt niet ontzagwekkend toe. Immers eene zoodanige ons aangeboren voorspellingsgave treedt bij ons op ten gevolge van scherpte van waarneming of ten gevolge van sympathie of ten gevolge van eenige andere samenwerking van natuurlijke krachten en heeft niets eerbiedwaardigs of bijzonder verhevens." Iamblichus streeft naar hooger: (4) "Alleen de goddelijke wichelarij, die van de goden afhangt, maakt ons waarlijk het goddelijke leven deelachtig, zij, die deel heeft aan de voorkennis en aan de goddelijke begrippen." De goden, die Plotinus slechts zelden noemt, zijn het overheerschende bij Iamblichus, die dan ook het gebed op onvergelijkelijk schoone wijze verheerlijkt (V, 26). Plotinus is meer monistisch-zelfgenoegzaam, Iamblichus meer pluralistisch-religieus.

Het optreden van Iamblichus, hoe men ook over hem moge denken, beduidt een ommekeer in de Neoplatonische philosophie. Het systematiseeren, reeds door Plotinus beoogd, door Porphyrius verwaarloosd, wordt nu de hoofdzaak voor den wijsgeer, die tevens met behulp van getallenspeculatie en steunende op de religieuze overleveringen van allerlei volkeren, de geheimen der onzichtbare wereld tracht te ontsluieren en in vaste formules te brengen, Iamblichus, ook nu nog door velen wordt miskend, muntte niet slechts uit door dialectische gevatheid en "scholastieke" scherpzinnigheid, maar ook door veelomvattende geleerdheid en psychologisch inzicht, Iamblichus heeft bewerkt, dat het Neoplatonisme zich nog meer dan twee eeuwen handhaafde, ja zelfs, zooals wij spoedig zullen zien, op een zeker oogenblik een ernstig gevaar voor het Christendom opleverde.

Keizer Constantius (337-361) was bijzonder op de magie en wat er mee samenhangt, gebeten; driemaal heeft hij er verordeningen tegen uitgevaardigd. In de eerste (357) staat o.m.: "De Chaldeeërs [sterrewichelaars] en magiërs en de overigen, welke het volk om de grootte hunner misdrijven boosdoeners noemt", en: "Zwijgen worde voor altijd opgelegd aan alle onbescheiden onderzoek naar de geheimen der toekomst. Want al wie aan onze bevelen gehoorzaamheid weigert zal de doodstraf ondergaan, door het wrekende zwaard neergeveld"[91]. De tweede, niet geheel duidelijke verordening (van 't zelfde jaar) luidt: "Velen, gebruik makende van tooverkunsten, aarzelen niet, de elementen in verwarring te brengen, de levens van onschuldigen te bedreigen, en durven de schimmen op te roepen ... opdat een ieder zijne vijanden door booze kunsten ombrenge. Dezen vertere het doodelijk verderf, daar zij de natuur vijandig zijn"[92]. Met vooropstelling van het feit dat bekleeders van eerambten in gewone gevallen niet aan den lijve; mogen worden gepijnigd, gelast evenwel het derde, slecht gestelde, edict (358) dat "indien eenig; magiër ... of ingewandziener of profeet ... of astroloog ... of wie iets dergelijks in mijne omgeving ... uitoefent, wordt betrapt, dan zal zijne waardigheid hem niet voor de pijnbank behoeden. Wanneer hij, hoewel van schuld overtuigd, zich met hardnekkig loochenen tegen diegenen heeft verzet, die zijne misdaad aan den dag brengen, moet hij aan de pijnbank worden overgeleverd en, terwijl de folterklauwen hem de zijden verscheuren, straffen ondergaan, zulk eene misdaad waardig"[93].

Er waren Neoplatonici, die, allicht uit vrees; voor zulke strenge bepalingen, zich van de beoefening der magie verre hielden, anderen echter legden zich, desondanks, met allen ijver op haar toe. De strijd tusschen die beide richtingen heeft, zooals uit het verhaal dienaangaande bij Eunapius, nl. in het leven van Maximus[94], blijkt, op een zeker moment verstrekkende gevolgen gehad, ook op staatkundig gebied.

Prins Julianus toch, geb. 332, zoon van een jongeren stiefbroer van Constantijn den Groote, stelde belang in de philosophie en begaf zich naar den gevierdsten der toenmalige Neoplatonici. Aedesius, maar deze, reeds oud van dagen en ziek van lichaam, verwees hem naar zijne discipelen. Toen nu een van dezen, een zekere Eusebius, in een onderhoud met den prins de logica en de dialectiek voor "het werkelijk zijnde" verklaarde, de magische kunsten daarentegen, "die de zintuigen bedriegen en betooveren", voor het werk van "wonderdoeners en van diegenen die in hunne uitzinnigheid en razernij tot zekere stoffelijke machten vervallen", wilde Julianus er meer van weten, en ten slotte zeide Eusebius:

"Er is een zekere Maximus, een van de oudere en goed onderrichte toehoorders; deze veracht ten gevolge van zijn groot vernuft en de uitnemendheid van zijn redeneervermogen de bewijzen in de logica en is tot zekere uitzinnigheden vervallen. Onlangs riep hij ons, die aanwezig waren, naar den tempel van Hecate en toonde ons vele getuigen van zijn optreden. Toen wij hem ontmoet en de godin onze vereering betoond hadden, zeide hij tot ons: "Gaat zitten, beste vrienden, en ziet wat er gebeuren zal en of ik iets boven het gros der menschen uitsteek". Nadat hij dit gezegd had en wij allen waren gaan zitten, brandde hij eene korrel wierook en mompelde tot zich zelf de eene of andere hymne en bracht het met zijne vertooning zoo ver, dat het beeld eerst glimlachte en vervolgens een zeer duidelijk lachen te zien was. Toen wij nu over dien aanblik in opschudding geraakten, zeide hij: "Maar laat niet één van U hierdoor in de war geraken, want terstond zullen ook de fakkels, welke de godin in de handen draagt, ontstoken worden", en het woord was nog niet uitgesproken, of het licht vlamde in de fakkels op. Wij stonden op dat oogenblik over dien theatralen wonderdoener versteld en gingen heen. Gij echter moet niets van die dingen bewonderen, zooals ook ik dat niet doe, maar gelooven dat de reiniging door middel van de rede iets van belang is". Maar Julianus, dit hoorende, riep uit: "Vaarwel, en houd U aan de boeken; mij echter hebt gij den man genoemd, dien ik zocht."

Dat Maximus inzonderheid door magische kunsten zulk een ontzaglijken invloed op Julianus heeft uitgeoefend, dat deze het Christendom den rug toekeerde en de oude religie in eere trachtte te herstellen, blijkt ook uit de verhalen die dienaangaande bij de Christenen in omloop waren. Wij geven hier aan een tijdgenoot, den kerkvader Gregorius van Nazianze (in Klein-Azië) het woord, die aangaande Julianus, als eene "niet ongeloofwaardige" gebeurtenis het volgende verhaalt (Rede IV, 55 vgl.):

"Hij daalde in een van de voor de meesten ontoegankelijke en vreeswekkende heiligdommen neer ... terwijl de ... in zulke dingen ervarene philosoof of juister schijnphilosoof hem vergezelde. Want ook dit is eene soort wichelarij bij hen [nl. de niet-Christenen] om in de duisternisg de onderaardsche demonen over de toekomst te raadplegen.... Toen echter de schrikbeelden den naderbij komenden, wakkeren man altijd talrijker en vreeswekkender bestookten—men spreekt van ongewone klanken, onaangename geuren, vuurstralende verschijningen en ik weet niet wat voor fratsen en fantasterijen—nam hij, door het onverwachte ontzet, want hij had zich eerst laat op zulke dingen toegelegd, tot het kruis, het oude toovermiddel, zijne toevlucht en sloeg dat tegen de schrikbeelden en maakte den vervolgde tot helper. En wat volgde is nog huiveringwekkender. Krachtig werkte het teeken, de demonen werden overwonnen, de schrikbeelden losten zich op. En wat verder? De boosheid herademde, ze vatte weer moed, weer drong zij aan, weer dezelfde schrikbeelden, weer het kruisteeken en de demonen bleven rustig. Toen was de ingewijde in verlegenheid en de inwijder in zijne nabijheid gaf eene onjuiste uitlegging van de waarheid en zeide: "Zij verafschuwden ons, maar ze vreesden ons niet: het slechtere heeft de bovenhand". Want dat zeide hij en, na hem hiermede te hebben overreed, leidde hij den discipel tot den afgrond des verderfs."

Gregorius laat het niet bij dit toch al vrij tendentieuze verhaal, maar bericht verder (c. 92) zooals trouwens hij niet alleen,[95] dat Julianus menschen zou hebben laten offeren om uit hunne ingewanden de toekomst te lezen. Aan zulke verdachtmakingen kan echter niet de minste waarde worden gehecht; de beschuldigingen van geheime moorden, waaraan eens de Christenen zelve blootstonden, keeren zij later in misplaatsten geloofsijver tegen den "afvallige".

Na den vroegen dood van Julianus (363) kwam het bewind weer in Christelijke handen en al spoedig werd het optreden tegen magie en wichelarij hervat. De keizers Valentinianus toch en Valens, waarvan de eerste het westelijke, de andere het oostelijke gedeelte van't Romeinsche rijk bestuurde, verklaarden in een besluit van 't jaar 364:

"Niemand wage het in 't vervolg, om in 't nachtelijk uur magische handelingen te verrichten."

Spoedig zouden al die wettelijke bedreigingen op eene verschrikkelijke manier ten uitvoer worden gebracht.

In 371 (of 372) trachtten eenige personen door middel van magische verrichtingen met een tafeltje te weten te komen, wie de opvolger van Valens zou zijn. Valens, hiervan verwittigd, beval terstond de wichelaars en iedereen op wie ook maar eenige verdenking rustte, in hechtenis te nemen, en al het foltertuig, waarover men toenmaals beschikte, in gereedheid te brengen. De uitvoerigste beschrijving van dit monsterproces geeft een tijdgenoot, de hoogst achtenswaardige historicus Ammianus Marcellinus, wiens verhaal ook door de andere berichten[97] steun ontvangt. Wij laten hier het belangrijkste er uit volgen (XXIX, 1, 28-42):

"Patricius en Hilarius [twee der hoofdbeschuldigden] werden binnengeleid en men beval hun de feiten van begin tot einde mede te deelen. Daar zij in den aanvang elkaar tegenspraken, werden hun de folterklauwen in de zijden gezet en eindelijk haalde men den drievoet er bij, dien zij plachten te gebruiken. In de engte gedreven, gaan zij alles van den aanvang af naar waarheid hekend maken, Hilarius het eerst:

"Wij hebben", zeide hij, "edelachtbare heeren, onder een boos gesternte, dit noodlottige tafeltje, dat gij ziet, naar het voorbeeld van den drievoet te Delphi, uit lauriertakken samengesteld; en na geheime tooverformulieren te hebben uitgesproken met al het benoodigde gerei de wijding herhaaldelijk naar den ritus te hebben verricht, brachten wij het eindelijk in beweging. De manier om het in beweging te brengen, zoo vaak wij het over geheime zaken raadpleegden, was als volgt: Na het huis aan alle kanten met Arabisch reukwerk te hebben gereinigd, zetten wij den drievoet er in 't midden neer en eene ronde schaal er zuiver boven op, uit verscheidene metalen kunstig saamgesmeed, gesmeed, op wier ronden omtrek de vier en twintig letters van het alfabet door eene ervarene hand zóó waren ingegrift, dat hunne onderlinge afstanden juist even groot waren. Iemand in linnen kleeren gehuld en met schoenen evenzeer uit linnen, voorts met een band om 't hoofd gewonden, en een tak van een vruchtdragenden boom in de hand, ging bij het tafeltje staan, na den god, die voorspellingen geeft, door de gebruikelijke formulieren gunstig te hebben gestemd, terwijl hij in alles handelde overeenkomstig de voorgeschrevene plechtigheid. Hij liet boven het tafeltje een ring zich heen en weer bewegen, hangende aan een zeer dunnen draad uit linnen en volgens de mystieke leer gewijd; deze ring, in vast tijdsverloop heen en weer gaande, werd telkens door eene enkele letter gestuit en vormde versregels, beantwoordende aan de gestelde vragen, hexameters, naar getal en maat goed afgerond, zooals die welke afkomstig zijn van het Pythische, [Delphische] orakel.... Op onze vraag, wie aan de huidige regeering zou opvolgen, werd geantwoord, dat deze in elk opzicht voortreffelijk zou zijn, en toen de ring al springende de twee lettergrepen "Theo" had aangeraakt met toevoeging van de laatste letter [d], riep een der aanwezigen uit, dat Theodorus door de beschikkingen van het onvermijdelijke noodlot werd aangewezen. Wij hebben over die zaak niets verder uitgevorscht, want het stond bij ons voldoende vast, dat deze het was, die geroepen werd".

Toen hij aldus eene zoo duidelijke bekentenis aangaande de geheele zaak aan de rechters had afgelegd, voegde hij er edelmoedig bij, dat Theodorus er heelemaal niets van afwist. De aangeklaagden, hierna ondervraagd, of zij, krachtens het orakel dat zij raadpleegden, ook vooruit wisten, wat zij zouden te verduren hebben, reciteerden die allerbekendste verzen, die duidelijk verkondigden, dat de zucht om in 't geen voor hen te verheven was door te dringen, spoedig hun het leven zou kosten, maar dat de wraakgodinnen den keizer zelf en de rechters met zwaard en brand bedreigden; het zal volstaan de drie laatste regels aan te halen:

"Hun, die door gramschap gedreven, Uw bloed wreedaardig vergieten,
Wacht een' ontzettende straf. D'onverbidd'lijke Wraak uit den afgrond
Zal, in de vlakten van Mimas, hun hart door de vlammen verteren!"

Na deze versregels worden ze weer met de folterklauwen mishandeld en, den dood nabij, van elkaar gescheiden. Hierna wordt, om op de werkplaats van de beraamde misdaad het volle licht der openbaarheid te laten schijnen, eene schare van hooggeplaatsten binnengeleid, die de hoofden van het plan waren. Terwijl niemand om iets anders dan om zich zelf dacht en de een de schuld op den ander wierp, begon eindelijk Theodorus, toen de rechters het hem veroorloofden, te spreken. Eerst wierp hij zich neer en smeekte om genade, daarna, geperst om te antwoorden, bekende hij, het door Eucerius te hebben vernomen, en dat hij herhaaldelijk op het punt had gestaan, het den keizer te berichten, maar door Eucerius daarin was verhinderd, die hem verzekerde, dat niet door een ongeoorloofden aanslag op de regeering, maar door den wil van het onveranderlijke noodlot het gehoopte van zelf in vervulling zou gaan. Eucerius bevestigde, onder de wreedste pijnigingen, deze bekentenis; maar Theodorus werd weerlegd door zijn eigen brief, dien hij, hoewel in duistere termen, aan Hilarius had gericht; hieruit toch bleek, dat hij vast op de voorspelling vertrouwde en dat hij niet voor de daad terugdeinsde, maar het tijdstip zocht om zijn misdadig opzet ten uitvoer te brengen.

Na deze bekentenissen worden zij verwijderd. Eutropius, die toen Gouverneur van Azië was, werd, als medeplichtig aan het komplot, voor de rechtbank gedaagd, maar als onschuldig losgelaten, dank zij den philosoof Pasiphilus, die, hoewel op de wreedste manier gefolterd, opdat hij hem door eene leugenachtige aantijging onrechtvaardig in 't verderf zou storten, zijne standvastigheid van karakter bewaarde. Hierop volgde de philosoof Simonides, wel is waar nog jong, maar in onzen tijd boven allen door strengheid van principes uitstekende. Toen deze beschuldigd werd de zaak van Fidustius te hebben gehoord, en gezien had, dat het geding niet naar waarheid, maar naar den wil van één werd beslist, verklaarde hij, dat men hem de voorspelling had toevertrouwd, maar dat hij, zooals een man van karakter past, er over gezwegen had.

De keizer, na dit alles nauwkeurig te hebben onderzocht, bekrachtigde het vonnis der rechters en beval, met ééne uitspraak, allen ter dood te brengen ... allen werden onthoofd, behalve Simonides alleen, dien de wreede opperrechter, verbitterd door zijne ernstige standvastigheid, beval levend te verbranden. Simonides, het leven als een krankzinnigen meester ontvluchtende en lachende om de plotselinge lotsverwisselingen, kwam, zonder zich te verroeren, in de vlammen om....

In de volgende dagen heeft eene menigte uit zoowat alle standen, die het moeilijk valt bij name te noemen, in het net der lastering verstrikt, de armen der beulen vermoeid, na van te voren door pijnbank en lood en zweepslagen te zijn afgemarteld. Sommigen werden zonder het minste verwijl ter dood gebracht, terwijl men er nog over verhandelde of ze moesten terechtgesteld worden; overal was eene slachting te zien, evenals van vee....

Niet erg lang daarna werd ook Maximus, de bekende philosoof, een man van groote geleerdheid, door wiens wijze lessen de keizer Julianus grondig in de wetenschap was onderricht, er van aangeklaagd, bovengenoemde verzen te hebben gehoord. Hij erkende er van te hebben geweten, maar had, als philosoof, zich verplicht geacht, er geen ruchtbaarheid aan te geven. Ja, hij had zelf voorspeld dat die uitvorschers van de toekomst er de doodstraf voor zouden ondergaan. Naar Ephese, zijne vaderstad gebracht, werd hij aldaar onthoofd en ondervond, gelijk het laatste proces hem leerde, dat de onrechtvaardigheid van een rechter gevaarlijker is dan alle beschuldigingen."

Ammianus voegt er o.m. nog (in c. 2, 3) deze karakteristieke bijzonderheden aan toe: "En opdat zelfs de echtgenooten geen tijd zouden hebben, de ellende hunner mannen te beweenen, werden terstond gerechtsdienaars er op afgezonden, die, bij 't verzegelen der huizen en het nazoeken van het huisraad van den veroordeelde, onzinnige bezweringen of recepten voor liefdedranken heimelijk verstopten, alles gereedmaakt tot verderf van onschuldigen. Als die stukken voor de rechtbank waren voorgelezen, waar men noch op grond van wet, noch van geweten, noch van billijkheid de waarheid van de leugen onderscheidde, werden de goederen geconfiskeerd en onschuldigen, onverdedigd, jongelingen zoowel als ouden, met verlamde leden, in draagstoelen naar het schavot gebracht."

Hierbij dient echter uitdrukkelijk te worden opgemerkt, dat de wreedheid van keizer Valens niet alleen door Ammianus en de aanhangers der oude religie, maar ook door Christelijke schrijvers[98] ten strengste werd veroordeeld.

Naar aanleiding van die raadpleging der godheid wenschen wij nog een en ander in 't midden te brengen.

Er is in Pergamum (in Klein-Azië) een bronzen toovergereedschap gevonden, dat aan den bovenvermelden drievoet herinnert, bestaande in hoofdzaak uit eene driehoekige bronzen plaat met afbeeldingen van Hecate, tooverwoorden, verbindingen van klinkers en allerlei magische figuren er op. Men heeft hiermede ook den z.g. scriptoskoop vergeleken, een bord met letters en woorden, waarop een driehoek van bordpapier in beweging kan worden gebracht, ten einde op spiritistische séances antwoorden te verkrijgen; ten onzent wordt echter hiertoe in plaats van dien driehoek bij voorkeur een houten kruis gebruikt, rustende op eene stift.

Het ligt voor de hand, dat het spellen van woorden door middel van tafelbeweging, zooals sinds het midden der vorige eeuw in zwang is, het geduld der vragenden al heel spoedig op eene harde proef stelt. Dientengevolge is men gewoon om, zoodra men uit eenige letters het betreffende woord meent te kunnen opmaken, terstond tot een ander woord over te gaan, hetgeen echter, zooals van zelf spreekt, tot verkeerde uitkomsten kan leiden. Maar ook in dit opzicht leert ons het moderne spiritisme de raadpleging van den drievoet, zooals ze in het bovenvermelde geval door Ammianus, onzen besten zegsman, bericht wordt, beter begrijpen.

Een geheel ander geval van tooverij dan het voorafgaande is hetgeen ons Zosimus, een niet onbetrouwbaar historicus uit de vijfde eeuw, van Nestorius, den opperpriester der Eleusinische mysteriën, bericht (IV, 18):

"Aan Nestorius, gedurende die tijden [375 n. Chr.] hierophant, verkondigde een droomgezicht, dat de held Achilles [de hoofdfiguur uit den Trojaanschen oorlog, z.b. I] van overheidswege eerbetuigingen moest ontvangen; dit toch zou de stad heil brengen. Toen hij nu het droomgezicht aan de overheden had meegedeeld en dezen, in de meening dat hij, als stokoud man, onzin praatte, er geen notitie van namen, ging hij bij zich zelf te rade wat er te doen viel en in de goddelijke dingen van jongs af aan onderricht, vervaardigde hij eene figuur van den held in een klein huisje en zette dit onder het beeld van Athene, dat in het Parthenon staat. Zoo dikwijls hij nu de gebruikelijke ceremoniën ter eere van de godin voltrok, bracht hij tegelijk ook aan den held naar zijn beste weten en overeenkomstig den ritus zijn huldebetoon, en aangezien op deze wijze de raad van den droom in vervulling werd gebracht, bleven, toen eene zware aardbeving plaats had, de Atheners alleen gespaard."

Ook uit een ander bericht, dat kort hierna ter sprake zal komen, blijkt, dat Nestorius allerlei tooverpractijken beoefende, en er bestaat dus geen reden, het hier vermelde feit in twijfel te trekken; of echter het neerzetten van het Achillesbeeldje en de te zijner eere verrichte ceremoniën de oorzaak zijn geweest, dat het onheil aan de stad voorbijging, is eene vraag van geheel anderen aard.

In 378 kwam de wreedaardige keizer Valens, die toch al sinds het bovenvermelde rechtsgeding ongeluk op ongeluk had ondervonden, rampzalig aan zijn einde. Bij Adrianopel door de Gothen overwonnen, werd hij, naar het geloofwaardigste bericht luidt, zwaar gewond eene hut binnengedragen en werd deze door de vijanden, die niet wisten met wien zij te doen hadden, in brand gestoken. Ammianus brengt (in XXXI, 14, 8 vlg.) naar aanleiding hiervan de verzen van bovenvermeld orakel in herinnering en voegt er aan toe:

"Valens, onbeschaafd en ruw als hij was, gaf er eerst niets om, maar door voortdurende tegenslagen van de ergste soort tot de meest verachtelijke vrees vervallen, huiverde hij, bij herinnering aan datzelfde orakel, als er maar van Azië sprake was, want hij hoorde van ontwikkelde menschen dat Homerus en Cicero van een berg Mimas hadden gesproken, die boven de stad Erythrae [in Klein-Azië] ligt. Maar na zijn ondergang en den aftocht der vijanden werd er, naar men zegt, nabij de plek, waar hij zou gevallen zijn, eene hooge verhevenheid van steenen gevonden, waaronder zich één bevond met het opschrift in Grieksche letters, dat een zekere Mimas, een voornaam man uit den ouden tijd, aldaar begraven was."

Het merkwaardigste is echter, dat, na Valens, reeds in 379 inderdaad iemand, wiens naam met "Theod" begon, den troon besteeg, echter geen Theodorus, zooals de magiërs vermoed hadden toen zij te vroeg met het raadplegen van het orakel waren opgehouden, maar Theodosius I, later de Groote bijgenaamd.

Theodosius wist echter de magie er weinig dank voor en vaardigde in 389 met zijne medekeizers Valentinianus II en Arcadius het volgende wetsbesluit uit[99]:

"Al wie hoort dat iemand met de smet van booze kunsten is bezoedeld en hem betrapt en gegrepen heeft, moet hem terstond te voorschijn slepen en aan de oogen der rechters als een vijand van het algemeene welzijn toonen. En indien iemand uit de wagenmenners of uit eenig ander soort menschen getracht heeft tegen dit verbod in te gaan, of in 't geheim zelfs iemand, die aan de booze kunst klaarblijkelijk schuldig is, heeft omgebracht, moet hij de doodstraf niet ontkomen, daar eene dubbele verdenking op hem rust van òf een openbaar schuldige aan de strengheid der wetten en de vereischte ondervraging te hebben onttrokken, ten einde hem te verhinderen zijn medeplichtigen bekend te maken, òf wellicht een particulieren vijand onder den schijn van zulk eene strafoefening met eene nog veel wreedere bedoeling te hebben uit den weg geruimd".

Tot toelichting zij hierbij opgemerkt, dat de wagenmenners toenmaals bij de wedstrijden elkaar door middel van tooverij trachtten afbreuk te doen en ook voor gewelddadigheden niet terugdeinsden.

Toen echter in 408 Rome door de Gothen, belegerd en uitgehongerd werd, was de overheid toch tot zekere hoogte bereid, om bij de magie hulp te zoeken. De gouverneur van Rome, Pompeianus, trad in onderhandeling met eenige Etruriërs, die beweerden, eene zekere stad van de haar omringende gevaren te hebben bevrijd. Ze hadden nl. door gebeden en ceremoniën volgens den voorvaderlijken ritus, geweldige bliksemstralen bezworen en zoodoende de barbaren verjaagd. Ze eischten, dat van regeeringswege zekere oude gebruiken zouden worden verricht, maar de zaak heeft haar beloop niet gehad—daaromtrent zijn de duistere en elkaar tegensprekende berichten[100] het eens. Ten slotte ging men er toe over, zich van de barbaren tegen eene ontzaglijke som vrij te koopen.

De Etruriërs—dit zij hierbij opgemerkt—waren van oudsher om hunne tooverijen bekend en zouden het geheim hebben geweten van op het onweer in te werken. Naar aanleiding hiervan heeft men wel eens vermoed, dat ze zich van electriciteit bedienden, en o.m. het door ons aan het einde van hoofdstuk I vermelde verhaal van koning Tullus Hostilius in dit verband betrokken.

Wij gaan nu tot Proclus over, den grootsten Neoplatonicus der vijfde eeuw, Proclus, die tot de eerste systematici van alle tijden wordt gerekend en met de meest subtiele dialectiek ook diep religieus gevoel vereenigde.

Proclus, in alle toenmalige wetenschappen bedreven, beoefende ook de magie. Zijn leerling Marinus vermeldt dienaangaande in de levensbeschrijving van zijn meester (c. 28):

"Hij maakte gebruik van de systasen en entychieën der Chaldeeërs en van de goddelijke en geheimzinnige strophalen [tooverwielen]. Want dit alles had hij overgenomen en de wijze van uitspreken en het andere gebruik ervan had hij geleerd van Asclepigeneia, de dochter van Plutarchus [den leermeester van Proclus]. Want bij haar alleen waren de tooverijen van den grooten Nestorius [z.b.] en de geheele theürgische bezweringsmethode bewaard gebleven, door haar vader aan haar overgeleverd. En reeds voordien had Proclus, door de Chaldeeuwsche reinigingen naar den ritus gezuiverd, uit eigen aanschouwing met lichtende verschijningen van Hecate verkeer, zooals hij ook zelf in een afzonderlijk geschrift vermeldt. Door een zekeren iynx [tooverschijf] handig in beweging te brengen deed hij regenbuien neerkomen en bevrijdde hij Attica van verderfelijke hitte. Hij legde amuletten tegen aardbevingen neer en stelde de voorspellingskunst van den drievoet op de proef".

Hierbij enkele opmerkingen.

"Systase" beteekent o.m. "samenkomst", "voorstelling", "aanbeveling"; in de magie verstaat men er blijkbaar hymnen en ceremoniën onder, waardoor men met de eene of andere godheid in relatie treedt zonder eenig letsel te ondervinden, vgl. inzonderheid den grooten tooverpapyrus uit Parijs (v. 209), uit eene passage boven door ons behandeld. "Entychie", d.w.z. "ontmoeting", zal wel ongeveer dezelfde beteekenis hebben gehad.

Wat voorts van den "grooten" Nestorius gezegd wordt, komt overeen met het bericht van den geschiedschrijver Zosimus, dat wij boven hebben aangehaald; van Nestorius had Proclus het neerleggen van amuletten tegen aardbevingen overgenomen.

Den "iynx" of tooverschijf hebben we reeds in ons eerste hoofdstuk ontmoet. Van eene soort "strophalos" en wel de "Hecatische", d.w.z. de aan Hecate gewijde, berichten latere zegslieden dat hij van goud was met een saffiersteen in 't midden en met verschillende karakters en figuren op zijne oppervlakte. Men draaide hem met een riem van stierhuid rond en stiet daarbij allerlei onverstaanbare klanken uit. In 't algemeen werden zulke toovergereedschappen, hetzij dezen een kogelronden of een driehoekigen, of welken vorm ook hadden, iynxen genoemd[101].

Evenals die "strophalos" aan het bovenvermelde toovergereedschap uit Pergamum, doen de divinatorische proefnemingen van Proclus ons onwillekeurig aan de ondervraging van den drievoet aangaande den opvolger van keizer Valens denken.

Karakteristiek is ook het volgende verhaal van Marinus (c. 29):

"Asclepigeneia, de dochter van Archiades en Plutarche en echtgenoote van Theagenes, een weldoener van mij, werd, toen ze nog een meisje en bij hare ouders was, door eene zware ziekte aangetast, waar de artsen machteloos tegenover stonden. Archiades, die op haar alleen de hoop van zijn geslacht had gevestigd, was mistroostig en vol smart, zooals te begrijpen. Toen de doktoren het opgaven, wendde hij zich, zooals hij bij de belangrijkste aangelegenheden placht te doen, tot den philosoof, als tot zijne laatste toevlucht of liever als tot een Redder en drong met smeekbeden bij hem er op aan, ook zelf onverwijld te bidden voor het behoud van zijne dochter. Proclus ging naar den Asclepiustempel om den god voor de zieke aan te roepen. Want de stad mocht zich toen nog in diens bescherming verheugen en het heiligdom van den "Redder" was nog onverwoest. Terwijl hij op de meer ouderwetsche manier zijn gebed verrichtte, kwam eene groote verandering in den toestand van het meisje en voelde ze zich in eens verlicht, want de Redder, immers als een god, genas haar gemakkelijk. Na de plechtigheden te hebben vervuld, stapte Proclus naar Asclepigeneia en vond haar verlost van de pijnen, die haar lichaam nog zoo even gekweld hadden, in een toestand van gezondheid verkeerende".

De werken van Proclus, voor zoover ze ons nog zijn bewaard gebleven, bevestigen de beweringen van Marinus.

Zoo verzekert Proclus[102] dat "de ware wijders ... door middel van levenwekkende figuren en namen aan de godenbeelden leven en beweging mededeelen" of, zooals hij het elders[103] uitdrukt, dat "de wijdingskunst ... in de godenbeelden bezieling legt ... en door middel van wekere symbolen het uit deelbare en vergankelijke materie ontstane in staat stelt om deel te hebben aan een god en door hem in beweging te worden gebracht en de toekomst te voorspellen".

Volgens de "Asclepius", een der zg. Hermetische geschriften en waarschijnlijk uit de derde eeuw n. Chr. dateerende, waren de Egyptenaren de uitvinders van dit soort magie (c. 37):

"Onze voorouders vonden eene kunst uit om goden te scheppen. Aan deze uitvinding voegden ze eene er mee overeenstemmende en aan het wezen der wereld ontleende kracht toe en deze met die uitvinding vermengende, riepen ze, daar ze geen zielen vermochten te scheppen, zielen van demonen of engelen op en banden ze in beelden door middel van heilige en goddelijke wijdingen, waardoor de beelden het vermogen konden hebben om zoowel goed als kwaad te doen."

En elders (c. 24) is er sprake van "standbeelden, bezield met gevoel en vol van geest, die groote en wonderbaarlijke dingen doen, standbeelden, die de toekomst vooruit weten en haar door lot, profeten, droomen en op vele andere manieren voorspellen, standbeelden, die ziektes veroorzaken, maar ook genezing bewerken".

Ook Origenes heeft het herhaaldelijk[104] over de magische wijding van standbeelden en Zosim zegt (V, 41) hoogst opmerkelijk "dat de standbeelden, door plechtige wijdingen geheiligd, ... zielloos zijn en niets vermogen uit te richten als iets van die wijding te loor is gegaan".

Een groot Egyptoloog, G. Maspéro, heeft er dan ook op gewezen, dat inderdaad in het oude Egypte, althans te Thebe, ten tijde van de XIX en de volgende dynastieën (dus na ± 1350 v. Chr.) de standbeelden van god Amun wonderen zouden hebben verricht. De koning raadpleegde het standbeeld, soms zelfs in 't openbaar, omtrent allerlei aangelegenheden en na elke vraag zeide het met zijn hoofd uitdrukkelijk ja, en wel twee keer. Theoretisch sprak de ziel, die in het beeld was getooverd, maar feitelijk bewoog zich het standbeeld door eene of andere mechanische verrichting, welke de priesters geheim wisten te houden.

Het geloof aan de bezieling van beelden komt ook bij primitieve volkeren voor.

Zoo maken bijv. de Papoeas op Nieuw-Guinea wanneer iemand gestorven is, beeldjes uit hout en nopen door allerlei ceremoniën de ziel van den overledene, in het beeld te gaan, dat zij vervolgens met haar in onafscheidelijken samenhang achten te zijn. Het beeld wordt bij gewichtige aangelegenheden geraadpleegd; spreekt het niet, dan is het goed, spreekt het daarentegen, d.w.z bevangt den vrager eene beving, dan is de zaak bedenkelijk. Vooral bij ziekten moet het beeld dienst doen.

Verwant hiermede is het bijv. op Celebes voorkomende gebruik, den ziektedemon in een beeld te tooveren en dit vervolgens angstvallig te schuwen.

Wij zien dus, hoe een oeroud animistisch geloof zich nu nog bij primitieve volkeren handhaaft, terwijl het bij een meer beschaafd volk (de oude Egyptenaren) aanleiding gaf tot grove bedriegerij.

Proclus vermeldt ook[105] dat "sommigen door het sap van nachtschade en andere gewassen zich in de oogen te druppelen beelden van demonen in de lucht zien", zooals dan ook werkelijk door ooginspuitingen "hallucinaties" kunnen worden opgewekt. In de tooverpapyri vindt men ook dienomtrent aanwijzingen, maar de meest belangrijke passage is te onduidelijk om haar hier aan te halen; wij moeten ons dus met een ander veel minder treffend, maar toch belangwekkend specimen behelpen[106].

"Eene bezwering ter verkrijging van een onmiddellijk visioen.

Eeim, To, Eim, Alalēp, Barbariath, Menebreio, Arbathiaōth, Iouel, Iael, Ouenēiie, Mesommias. De god kome, dien ik voor mij raadpleeg, en ga niet weg voordat ik hem zal hebben vrijgelaten. Ournaour, Soul, Zasoul, Ouot, Nooumbiaou, Thabrat, Beriaou, Achthiri, Marai, Elpheon, Tabaoth, Kirasina, Lampsourē, Iaboe, Ablanathanalba, Akrammachamarei. [Doe water] in eene bronzen kom met olie [er op, z.b.], zalf uw rechter oog met water uit een verongelukt schip en het linker met eenig koptisch antimonium met het water vermengd. Indien gij geen water uit een verongelukt schip kunt vinden, dan van een ondergedompeld uit teen gevlochten veerschuitje."

Proclus spreekt van diergelijke "autopsieën" als uit eigen ervaring en tracht ook hun ontstaan nader toe te lichten:

"De goden laten vele gestalten voor zich uitgaan en vertoonen vele afwisselende figuren; nu eens gaat een vormeloos vuur voor hen uit, dan een dat tot de gedaante van een mensch is gevormd en dan een dat weer eene andere gestalte heeft aangenomen"[107].

"Terwijl de goden zelven onveranderlijk blijven en er niets bij verkrijgen of verliezen, gaan goddelijke verschijningen voor hen uit, die in de ruimte om ons heen ontstaan. Want daar de aanschouwenden lichamelijk en de goden zelven onlichamelijk zijn, hebben de visioenen die ze aan hen, die zulks waardig zijn, toonen, iets van de toonenden, maar ook iets, dat aan de aanschouwenden verwant is. Daarom worden zij ook gezien en niet door allen gezien. Want de aanschouwenden zelven zien ze door middel van de stralende omhulsels der zielen. Men ziet ze althans vaak als de oogen omhuld zijn"[108].

De theorie, dat de mensch nog een fijner organisme dan het grofstoffelijke lichaam bezit, vindt men in Plotinus' geschriften slechts eventjes aangeduid (Enn. I, 1, 7; VI, 4, 15), maar reeds bij Porphyrius[109] is ze in dier voege ontwikkeld, dat hij verscheidene "omhulsels" der ziel aanneemt. Damascius, een denker uit de zesde eeuw, spreekt o.m. van een "sterreachtig"[110] voertuig der ziel; vandaar blijkbaar de uitdrukking, "astraal" lichaam, thans bij voorkeur door de theosophen gebezigd. Bij de spiritisten vindt men ook de uitdrukking "perisprit". Volgens onderzoekers, wier wetenschappelijkheid aan geen twijfel onderhevig is, schijnt de hypothese van zulk een ijler lichaam noodig, om zekere "mediamieke" verschijnselen te verklaren.

De Christelijke kerk heeft zich officieel, d.w.z. bij monde van concilies, tegen de magie uitgesproken.

De zesde canon (regel) van de synode, in 306 (?) te Elvira (in Spanje) gehouden, luidt:

"Indien iemand door middel van tooverij een ander doodt, mag hem, omdat hij dit misdrijf niet zonder afgodendienst kon volvoeren, zelfs bij het einde [des levens] het avondmaal niet worden toebediend".

Ook hieruit blijkt, zooals wij reeds in IV hebben gezien, dat men de tooverij in noodzakelijk verbond achtte te staan met den dienst der goden.

Opmerkelijk is ook de vierentwintigste canon van de Synode te Ancyra (in Klein-Azië), uit het jaar 314:

"Zij, die waarzeggen en de gewoonten der volkeren [d.w.z. der niet-Christenen] volgen, of lieden in huis halen teneinde toovermiddelen op te sporen of reinigingen te voltrekken, moeten in de voorgeschrevene vijfjarige boete vervallen naar de bepaalde graden van drie jaren kniebuiging en twee jaren gebed zonder offer".

De zesendertigste canon van de synode te Laodicea (tusschen 343 en 381?) bepaalt:

"De hoogere en lagere clerici mogen geen toovenaars, bezweerders, of sterrewichelaars wezen, noch zoogenaamde amuletten vervaardigen die boeien voor hunne eigene zielen zijn. Diegenen echter, die deze amuletten dragen moeten buiten de kerk worden gesloten".

De zestiende canon van eene synode, na het midden der vijfde eeuw in Ierland gehouden, liep over tooverij.

Dat men echter in de practijk niet altijd de stengste opvatting huldigde, blijkt o.m. uit hetgeen Rufinus in zijne "Kerkgeschiedenis" (omstreeks 402 geschreven) aangaande den H. Spiridion, een bisschop op Cyprus en tijdgenoot van Constantijn den Grooten, bericht (I, 5):

"Hij had eene dochter, Irene genaamd, die altijd hare plichten jegens hem trouw vervulde en die als maagd stierf. Na haar overlijden kwam iemand die zeide dat hij aan haar eenig deposito had toevertrouwd. De vader wist niets van de zaak af. Men doorzocht het geheele huis maar vond nergens het verlangde. Toch bleef hij, die het deposito had toevertrouwd, met geween en tranen aandringen; hij verzekerde zelfs aan zijn leven een einde te zullen maken, als hij het deposito niet terug kreeg. De vader, door zijne tranen bewogen, snelde naar het graf van zijne dochter en riep haar bij den naam. Toen riep zij uit het graf: "Wat wilt gij, Vader?" Hij vroeg: "Waar hebt gij het deposito van den man neergelegd?" Daarop wees zij hem de plaats aan en zeide: "Daar zult gij het ingegraven vinden". De vader keerde naar huis terug en gaf het deposito, dat gevonden werd zooals de dochter uit het graf had geantwoord, terug aan hem die het opeischte."

Die handeling van den H. Spiridion, wiens naam hoogst opmerkelijk is, doet ons onwillekeurig aan de bezwering van Melissa denken, die wij in ons eerste hoofdstuk hebben vermeld.

De kerkelijke schrijver Lactantius (omstreeks 310), om zijn vloeienden stijl als de "Christelijke Cicero" geprezen, doet ons door eene hoogst onbevangene uiting over de necromantie, onwillekeurig aan Justinus den martelaar denken (vgl. hoofdstuk IV).

Weliswaar spreekt ook hij in zijn hoofdwerk Goddelijke instellingen" (II, 16) van de "doodenbezwering en de tooverkunst en wat de menschen verder aan kwaad openlijk of in 't geheim uitvoeren", en van de "magiërs en diegenen, die het volk terecht boosdoeners noemt", weliswaar denkt ook hij hierbij zonder weifelen aan den invloed van demonen "vijanden en kwellers der menschen" (c. 15), maar als het er op aankomt, de onsterfelijkheid der ziel te bewijzen, slaat hij een geheel anderen, meer objectieven toon aan (VII, 13):

"Onwaar is het gevoelen van Democritus, Epicurus en Dicaearchus [een volgeling van Aristoteles] dat de ziel zou worden opgelost. Zij zouden zeker niet durven spreken van den ondergang der zielen in tegenwoordigheid van een magiër, die wist, dat de zielen door zekere bezweringen uit de onderwereld worden opgeroepen en tegenwoordig zijn en zich aan menschelijke oogen vertoonen en spreken en de toekomst voorspellen, en als zij [nl. de ongeloovige wijsgeeren] het dorsten, zouden zij door het feit zelf en de rechtstreeksche bewijzen weerlegd worden".

Minder onbevangen dan Lactantius was zijn jongere tijdgenoot Eustathius van Antiochië, die een verwoeden aanval heeft gericht tegen Origenes' bovenvermelde bijbellezing over de "tooveres van Endor." Daarbij neemt hij redeneeringen te baat als volgt (c. 5): "Deed de vrouw Samuël opkomen met lichaam en al of bekleed met eenigen vorm op de wijze van een schaduwomtrek? Indien ze hem zonder lichaam deed opkomen, liet ze niet Samuël weer opstaan, maar de gedaante van een geest. Want de echte Samuël is de uit ziel en lichaam samengestelde, de mensch die eene evenredige mengeling uit beide heeft", enz. Ook beweert hij (c. 12 vlg.), dat de voor Samuël zich uitgevende demon zegt: "Morgen zult gij en Uw zoon Jonathan bij mij zijn", en derhalve in tegenspraak is met de schrift, waarin uitdrukkelijk staat "dat Saul tegelijk met drie zonen gedood is, maar niet met één alleen." Origenes haalt echter c. 5 i.f. den gewonen tekst aan, nl.: "Morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn", en waar Eusthathius zijne tekstvariante van daan heeft, is ons onbekend.

Op hetzelfde niveau staan de beschouwingen van Gregorius van Nyssa (in Klein-Azië) over de toovenares in een brief aan den bisschop Theodosius sius (tweede helft vierde eeuw), vgl. p. 202 v/203 r:

"De demon heeft ook tegen wil en dank zich zelf verraden door de waarheid te zeggen: "Morgen zult gij en Jonathan bij mij zijn." Want indien het waarlijk Samuël was, hoe kon het dan, dat Saul, die wegens alle mogelijke boosheid was veroordeeld, bij hem zou komen? Maar 't is duidelijk, dat de booze geest, die in de plaats van Samuël gezien werd, niet loog, toen hij zeide dat Saul bij hem zou zijn. Indien echter de schrift zegt "en Samuël zeide", laat dan eene zoodanige uitdrukking een kundige niet in verwarring brengen maar laat hij meenen, dat er bijstaat "die geloofd werd Samuël te zijn", want wij vinden dat de Schrift vaak spreekt van het schijnbare in de plaats van het werkelijke."

Tot zulke redeneeringen moest men wel komen als men er van uitging dat "Samuël groot onder de heiligen, de tooverij echter eene booze zaak is" (201 v).

Hoogst belangwekkend is een geschrift dat waarschijnlijk uit den tijd van Julianus den afvallige dagteekent, nl. de legendaire "Confessie van den H. Cyprianus" (niet den kerkvader), die zijne ziel aan den duivel had verkocht, maar zich bekeerde en verlossing vond. In genoemde "Confessie" verhaalt Cyprianus uitvoerig zijn loopbaan en biecht op wat hij als toovenaar heeft misdreven. Wij halen hier een en ander uit aan, te beginnen met de uitermate kenschetsende woorden (c. 7):

"Ik was een wonderdoener als een uit den ouden tijd en gaf proeven van mijne tooverkunst; ik was vermaard als een magiër-philosoof, daar ik veel begrip had van de ongeziene dingen."

Het volgende citaat, uit c. 12, handelt over de magische vertooning van schijnbeelden, die reeds vroeger in dit hoofdstuk ter sprake is gekomen:

"Voor de grap maakte ik dat water in de woestijn scheen te stroomen en plassen in de huizen scheen te vormen."

En in c. 13 luidt het desgelijks:

"Ik liet ook dooden als levenden voorkomen en lammen als loopenden."

Maar hij gebruikte zijne tooverkunst nog voor geheel andere doeleinden (c. 12):

"Ik maakte dat vrouwen van hunne mannen naar boeleerders gedreven werden.... ik heb geheele families aan 't verderf overgeleverd."

Voor de ergste gruwelen deinsde hij niet terug (c. 11):

"Ik heb zwangere vrouwen ter wille van de demonen opengesneden ... ik heb vele ... demonen door diergelijke offers verzadigd om op die manier tot den duivel zelf te genaken. En toen ik op het punt stond naar hem toe te gaan, bracht ik hem het bloed van elk levend wezen in een gouden schaal. Hij nam het aan, besprenkelde eerst zijne kroon er mee en zijne dienstbare machten, vervolgens ook mij en zeide: "Ontvang ook gij macht over alle zielen van onredelijke en redelijke wezens."

Uitvoerig zet Cyprianus uiteen, hoe de duivel en de demonen mirakelen bewerken (5 vlg):

"In alle sterren en planten en in de scheppingen des Heeren heeft hij gelijkenissen met zich samengevlochten, tot den oorlog tegen God en Diens engelen. Daardoor brengt hij de menschen aan 't dwalen als ware hij God, hoewel hij niets in substantie bezit, maar alles bij wijze van eene schimachtige schilderij voorstelt en vertoont. Vandaar dat de demonen, wanneer zij in gedaanten verschijnen zich oplossen, al beijveren zij zich om althans door middel van beelden hunne macht te toonen.

Hoe hij echter materie voor deze schaduwen heeft, zal ik zeggen: nergens anders vandaan dan van de offers. Want de walmen der offerdampen worden voor hem materiaal, als wol en linnen en weefsels en verven en werktuigen. En daarin hullen zich de demonen, de schaduwen ervan in de plaats van gestalten gebruikende. Daarom eischt hij een offer, tot dat van eene mier toe en verlangt hij wateren en wol en vruchten en alle dingen op aarde, om daarvan gebruik te maken tot het vormen van schijnbeelden. Evenals wij de herinneringen aan overledenen als beelden in onze gedachte hebben, en hen zien, terwijl ze niet verschijnen en met hen verkeeren terwijl ze niet bij ons zijn, aldus neemt ook de duivel afdrukken van de vormen der hem gebrachte offers en omgeeft zich en de zijnen er mee, regen gevende maar geen water, vuur makende, maar dat niet brandt, een visch gevende maar geen spijs, en goud schenkende, maar dat niet werkelijk is. Ook uit de andere stoffen schept hij vormen en toont eene stad en huizen en landstreken en bergen en vadersteden, en evenzeer ook gras en bloemen en wolstoffen en geborduurde doeken en de substantie van droomen.... En al deze schijnbeelden vormt hij, maar de goddelooze menschen stellen hem door hun dienst in staat ook dit te doen."

Cyprianus erkent dan ook (c. 11):

"Mijne weldaden gaven geen baat, daar zij geen substantie hadden ... Als ik iemand goud gaf, duurde het drie dagen, weshalve diegenen, wien ik den truc mededeelde, het snel wisselden tot schade van de wisselaars."

Augustinus, de beroemdste der kerkvaders, "een philosophisch en theologisch genie van den eerste rang", die zoo vele onderwerpen van zielkundigen aard met scherpzinnig vernuft heeft behandeld, weidt ook over de magie herhaaldelijk uit, voornamelijk in zijn hoofdwerk "De staat Gods" (tusschen 413 en 427 geschreven). Hij legt in de eerste plaats (VIII, 19) er den nadruk op, dat reeds vóór het Christendom de tooverij door de wetten zwaar werd gestraft en beroept zich o.m. op de passage uit Vergilius (z.b. III) waar Dido verzekert, tegen haar zin de toevlucht tot magische kunsten te nemen. Ook wijst hij er op, dat Apuleius, toen men hem van tooverij beschuldigde (z.b. IV), alles deed om zijne onschuld aan te toonen en zich volstrekt niet op magische vaardigheden beroemde, zooals de Christenen op hun geloof, ondanks alle vervolgingen.

Met onverholen afschuw spreekt Augustinus (in X, 9) van de "bezweringen en tooverzangen, vervaardigd door die gruwelijk nieuwsgierige kunst, de magie, met een meer verachtelijken naam goëtie, met een meer eervollen theürgie geheeten door hen, die deze practijken als 't ware trachten te onderscheiden en welke van hen, die zich aan ongeoorloofde kunsten overgeven, diegenen, die ook het volk voor boosdoeners uitmaakt, verdoemelijk achten—want zij zouden zich immers met goëtie afgeven—anderen echter voor prijzenswaardig willen laten doorgaan, die al de theürgie beoefenen. Beiden echter zijn gebonden aan de bedriegelijke gebruiken waarmee men de demonen, onder den naam van engelen vereert".

Naar aanleiding van de tooverijen van Circe, in ons eerste hoofdstuk vermeld, en van een bericht bij Varro (vgl. III begin), dat in Arcadië zij, die een zekeren poel doorzwommen, in wolven veranderd werden, maar, wanneer zij geen menschenvlees hadden gegeten en na negen jaren denzelfden poel doorzwommen, hunne menschelijke gedaante herkregen (XVIII, 17), stelt Augustinus zich (in c. 18) de vraag: "Wat moet men gelooven van de gedaanteverwisselingen, welke door de kunst der demonen de menschen schijnen te overkomen?" en beantwoordt haar op de volgende hoogst opmerkelijke wijze:

"... Als wij zeggen dat men er niet aan moet gelooven, dan staat daar tegenover, dat het ook nu nog niet aan personen ontbreekt, die verzekeren vernomen of zelf te hebben ondervonden. Ook ik hoorde, toen ik in Italië was, iets dergelijks van eene zekere streek aldaar, waar men zeide dat herbergiersters, doorkneed in die booze kunsten, gewoon waren, aan welke reizigers ze wilden of konden, iets in de kaas te geven, waardoor dezen terstond in trekdieren veranderd werden en allerlei benoodigdheden droegen en na gedanen arbeid hunne vroegere gedaante herkregen; dat echter hun geest niet dierlijk werd, maar het redelijke en menschelijke bewaarde, zooals Apuleius in zijn boek, waaraan hij den titel "De gouden ezel" gaf, vermeld of verdicht heeft, dat het hem zelf is overkomen om, door opnemen van vergif, een ezel te worden, terwijl zijne ziel die van een mensch bleef.

Dit is òf onwaar òf zoo ongewoon, dat men het te recht niet gelooft. Echter moet men onwrikbaar gelooven, dat de almachtige God alles kan doen wat Hij wil, hetzij om te straffen, hetzij om genade te betoonen, en dat de demonen ... niets bewerken dan wat Hij toelaat, wiens oordeelen vaak verborgen maar nooit onrechtvaardig zijn. In geen geval scheppen de demonen substanties wanneer zij iets dergelijks doen als waarover nu de quaestie loopt, maar zij veranderen naar 't uiterlijk hetgeen door den waren God is geschapen, zoodat het schijnt te zijn wat het niet is. Ik geloof dus geenszins dat—om van de ziel geheel te zwijgen—zelfs het lichaam op eenige wijze door de kunst of macht der demonen werkelijk in dierlijke ledematen en gestalten kan worden veranderd, maar wél, dat het voorstellingsvermogen van den mensch, dat ook in 't denken en droomen ontelbare soorten van voorwerpen afwisselend uitbeeldt, en, hoewel zelf geen lichaam, toch met wonderbaarlijke snelheid vormen aanneemt, die op lichamen gelijken, eveneens, wanneer de lichamelijke zintuigen des menschen in slaap bevangen of bedwelmd zijn, op onuitsprekelijke wijze in een lichamelijke gedaante binnen het bereik van eens anders zintuigen kan worden gebracht, zoodat, terwijl de lichamen zelven der menschen ergens liggen, wel is waar levend, maar met meer verdoofde zinnen dan ooit in den slaap, het voorstellingsvermogen als 't ware verlichamelijkt, in het beeld van eenig dier aan eens anders zinnen verschijnt, en dat de mensch ook zich zelf verbeeldt een dier te zijn, zooals hij zich dat in den droom kan verbeelden, en lasten te dragen; welke lasten, als ze inderdaad lichamen zijn, door de demonen gedragen worden, om de menschen te foppen, die deels de ware lichamen van lasten, deels de valsche van trekdieren zien. Een zekere Praestantius toch verklaarde dat het zijn vader overkomen was, bedoeld vergif in een kaas thuis tot zich te hebben genomen en op zijn bed als in slaap te liggen, waaruit hij echter op geen manier kon worden opgewekt. Na eenige dagen was hij echter als 't ware ontwaakt en had zijne ondervindingen als een droom verteld, dat hij nl. een paard was geworden en te midden van andere trekdieren voor de soldaten graan had getransporteerd, dat het Raetische heet, omdat het naar Raetië [ong. Tyrol en Zuid-Beieren] wordt vervoerd. Bij onderzoek bleek het aldus geschied te zijn als hij vertelde; en toch scheen het hem een droom toe. Een ander verklaarde, dat hij, in zijn eigen huis 's nachts, voor hij ter ruste ging, een philosoof, een van zijne beste kennissen, tot zich zag komen, die hem eenige Platonische denkbeelden uiteenzette, die hij vroeger, hoezeer er om verzocht, niet had willen uiteenzetten. En toen men dien philosoof vroeg, waarom hij in het huis van een ander had gedaan wat hij in zijn eigen huis had geweigerd te doen, zeide hij: "Ik heb het niet gedaan, maar gedroomd dat ik het gedaan had". En aldus is aan den een door middel van het voorstellingsbeeld tijdens zijn waken vertoond wat de ander in zijn droom zag.

Dit is niet door den eerste den beste, wien men voor ongeloofwaardig zou kunnen verklaren, tot mij gekomen, maar door zegslieden van wie ik niet mag aannemen, dat zij mij belogen hebben. Wat men dus zegt en ook in boeken vermeld vindt, dat door de Arcadische goden of liever demonen, menschen in wolven plachtten te worden veranderd en dat

Circe Odysseus' makkers herschiep door toovergezangen,

schijnt mij toe op deze wijze te hebben kunnen gebeuren, als het werkelijk gebeurd is."

De brandende vraag of Samuël zelf zich aan Saul heeft gemanifesteerd, liet ook Augustinus niet onverschillig.

In zijn geschrift "Over verschillende vragen" aan Simplicianus (van 397 dagteekenende) zegt hij (II. vr. IV, 1):

"Gij vraagt, of de onreine geest, die in de toovenares was, bewerken kon, dat Samuël door Saul gezien werd en met hem sprak. Maar het is een veel grooter wonder, dat Satan zelf, de vorst aller onreine geesten, met God vermocht te spreken en Hem verzocht, Job, dien allerrechtvaardigsten man, op de proef te mogen stellen.... En indien dit U schokt, dat het aan een boozen geest vrij stond de ziel van een rechtvaardige op te wekken en als 't ware uit de geheime verblijfplaatsen der dooden te voorschijn te roepen, moet het dan niet meer verbazing wekken, dat Satan den Heer zelf opnam en op de tinne des tempels zette? Op welke wijze hij het ook gedaan heeft, de manier waarop het aan Samuël overkomen is, opgewekt te worden, blijft ons evenzeer verborgen. Of men moest soms zeggen, dat het voor den duivel eene gemakkelijkere vrijpostigheid was, den levenden Heer mee te nemen van waar hij wilde en neer te zetten waar hij wilde, dan den geest van den overleden Samuël uit zijn verblijf op te wekken. Maar indien ons dit in het Evangelie daarom niet hindert, omdat de Heer wilde en toeliet dat het geschiedde, zonder eenige vermindering van zijne macht en goddelijkheid, evenals Hij door de Joden zelven, ofschoon dezen verdwaasd en vuil waren en de werken des duivels deden, zich heeft laten vasthouden en boeien en bespotten en kruisigen en dooden: dan is het ook niet absurd om te gelooven, dat door eene zekere uitzonderingsbepaling van den goddelijken wil toegestaan werd, dat de geest van den heiligen profeet, niet tegen zijn zin noch door gebiedende en noodzakende tooverkracht, maar gewillig en aan de geheime beschikking Gods, welke aan die toovenares en Saul ontging, gehoorzamende, er in toestemde om zich aan den blik des konings te vertoonen, ten einde hem door eene goddelijke uitspraak te verpletteren. Waarom toch zou de ziel van een goed mensch, als zij, door booze levenden opgeroepen, verscheen, hare waardigheid verliezen, daar ook levende goede menschen dikwijls op bevel tot boozen komen en met hen verhandelen over 't geen plicht en billijkheid vereischt, terwijl ze daarbij hunne eer en deugd ongerept bewaren en tegenover de ondeugden van de anderen zulk eene houding aannemen, als in overeenstemming is met de omstandigheden?"

Helt Augustinus hiermede tot de zienswijze van Origenes (z.b.) over, hij zou toch liever den uitweg van Tertullianus willen inslaan (2):

"Er is echter bij dit feit een andere gemakkelijkere uitweg en eene meer geschikte verklaring mogelijk, nl. om aan te nemen, dat niet werkelijk de geest van Samuël uit zijne rust is opgewekt, maar een fantoom en een spel van verbeelding door de machinatiën van den duivel zijn voorgesteld, hetwelk de Schrift daarom met den naam van Samuël noemt, omdat de beelden der dingen met de namen van datgene plegen genoemd te worden, waarvan zij beelden zijn.... Wie toch aarzelt, een geschilderd mensch een mensch te noemen?... Het is dus geen wonder, wanneer de Schrift zegt dat Samuël gezien is, indien ook bij geval slechts een beeld van Samuël verscheen, door de machinatie van hem, die zich in een engel des lichts verandert en zijne dienaren in dienaren der gerechtigheid".

Alles overwegende en geen uitspraak willende doen in de vraag of de menschelijke ziel na dit leven al of niet door magische bezweringen kan worden opgeroepen en verschijnen, komt Augustinus (3), hoewel "schoorvoetende, om niet meer nauwgezette onderzoekingen van te voren uit te sluiten" tot de conclusie om "liever aan te nemen" dat "door de booze medewerking van die toovenares" hier de eene of andere satanische illusie is te weeg gebracht.

In een later geschrift "Over de acht vragen van Dulcitius" (niet vóór 421) haalt hij in vr. VI het voorgaande betoog over de kwestie aan, voegt er echter aan toe (5):

"Maar dat ik niet te vergeefs gezegd heb, dat wij, om geen meer nauwgezette onderzoekingen van te voren uit te sluiten, [niet dan] schoorvoetende moesten aannemen, dat bij dit feit een schijnbeeld van Samuël door de booze medehulp van de toovenares is vertoond, dat heeft mijn later onderzoek mij geleerd, daar ik gevonden heb, dat in het boek van Jezus Sirach, waarin de aartsvaders van de rij af geprezen worden, Samuël in dier voege geprezen wordt, dat het heet: "Hij heeft ook nog na zijn dood geprofeteerd [XLVI, 23]". Mocht men echter ook dit boek tegenspreken op grond van den canon der Hebreeën, omdat het zich daarin niet bevindt: wat moeten wij van Mozes zeggen, die zeer zeker volgens Deuteronomium [XXXIV, 5] stierf en volgens het Evangelie [Matth. XVII, 3] met Elia, die niet stierf, aan levenden is verschenen?"

Ook in zijn geschrift "Over de vereering, de dooden te betoonen" (niet vóór 421) heeft zich Augustinus (XV, 18) op dezelfde wijze uitgelaten.

De grootste der kerkvaders is dus, wat de doodenbezwering te Endor betreft, ten slotte tot dezelfde conclusie gekomen als ook heden ten dage de meest gezaghebbende theologen en ten allen tijde de onbevangene lezers, dat nl. het verhaal in den Bijbel (I Sam. 28,5—20), zooals het er staat, eene reëele verschijning van Samuël veronderstelt.

De theürgie in den eigenlijken zin des woords, d.w.z. de kunst om met bovenmenschelijke wezens in aanraking te komen, wordt door Augustinus in den "Staat Gods" fel bestreden. Van het feit, dat de Neoplatonicus Porphyrius in zijn brief aan Anebo (z.b.) twijfelingen opperde, trekt de kerkvader in X, 11 ruim partij; het antwoord van Abammon (Iamblichus) schijnt hem te zijn ontgaan. Toch kan ook Augustinus niet alle feiten geheel wegcijferen, al beknibbelt hij ze zooveel mogelijk en al maakt hij er zich in de moeilijkste gevallen met eene uitvlucht van af:

"Wat betreft het feit, dat, zooals Porphyrius vermeldt, zij die deze, [de theürgische] vuile reinigingen volgens heiligschendenden ritus uitoefenen, sommige wonderbaarlijk schoone beelden, hetzij van engelen hetzij van goden, als met gezuiverden geest zien (indien zij ten minste iets zoodanigs zien) dan bevestigt dit het woord van den apostel dat "Satan zich verandert in een engel des lichts". Van hem toch zijn die fantomen, van hem, die, begeerende de rampzalige zielen door de bedriegelijke vereering van vele valsche goden te verstrikken en van den waren dienst des waren Gods, den eenige door wien men gereinigd en geheeld wordt, af keerig te maken, zich zelf, zooals van Proteus is gezegd,

in alle gedaanten verandert,
vijandelijk vervolgende, bedriegelijk helpende, altijd
verdervende [X, 10]."

Bij het vermelden van die schoone verschijningen denken wij onwillekeurig aan de bezwering der demonen door Iamblichus, boven uitvoerig beschreven.

Met dat al erkent Augustinus (X, 16.) de realiteit van andere, naar moderne opvatting veel krassere "wonderen der goden", "waarvoor de geschiedenis borg staat", "die klaarblijkelijk door hunne kracht en macht geschieden", bijv.:

"dat eene Vestaalsche maagd, wier zuiverheid in twijfel werd getrokken, het geding beslechtte door eene zeef met water uit den Tiber te vullen, zonder dat het doorliep. Deze en andere wonderen van dien aard zijn geenszins naar macht en grootte met die te vergelijken, welke, naar wij lezen, aan het volk Gods zijn geschied, hoe veel te minder die wonderen, welke door de wetten zelfs van die volkeren, die zulke goden vereerden, verboden en gestraft werden, nl. de wonderen der magie of theürgie! De meesten daarvan bedriegen slechts in schijn de sterfelijke zintuigen door het spel der verbeelding, zooals bijv. het omlaag halen der maan ... enkele schijnen wel is waar feitelijk sommige daden der vromen te evenaren, maar het doel, waardoor ze worden onderscheiden, toont dat onze wonderen buiten vergelijking de meerdere zijn."

In zake deze laatste opmerking verwijzen wij naar het onderscheid dat Origenes maakt tusschen de wonderen van Jezus en die der toovenaars (z.b.). Voorts zij van Augustinus nog eene passage aangehaald, waarin hij evenzeer op gelijke wijze als andere reeds boven door ons vermelde, christelijke schrijvers redeneert (X, 8):

"Den magiërs van Pharao werd daarom toegestaan, eenige wonderen te verrichten, ten einde op wonderbaarlijkere wijze te worden overwonnen. Zij toch werkten door middel van booze tooverijen en magische bezweringen, waaraan de booze engelen, d.w.z. de demonen, zijn onderworpen; Mozes echter heeft met grootere macht, omdat hij het recht aan zijne zijde had, in den naam Gods, die hemel en aarde schiep, met hulp der [goede] engelen hen gemakkelijk overwonnen".

Zonder de redeneeringen van Augustinus aan eene ingrijpende kritiek te onderwerpen, moeten wij er toch de aandacht op vestigen, dat hij uit het oog schijnt te hebben verloren, dat de vroegere wetten de magie geenszins als zoodanig, maar slechts wanneer zij tot booze doeleinden werd misbruikt, bestraften en dat men ook van overheidswege, zooals wij herhaaldelijk hebben opgemerkt, wel eens de hulp van toovenaars heeft ingeroepen.

Al die bestrijding door conciliën en kerkvaders heeft echter niet kunnen verhinderen, dat ook Christenen volgens de overoude methoden, tooverij uitoefenden. In Egypte bijv. zijn tooverpapyri gevonden, toebehoorende aan een magiër uit de achtste eeuw n. Chr., maar waarschijnlijk grootendeels van vroeger dateerende. Wij willen tot besluit, hier nog een en ander uit aanhalen:

"Spreuk tot vergemakkelijking der geboorte.

Toen de Heiland met zijne discipelen op den Olijfberg ging, trof hij er eene hertekoe aan, die in weeën lag. Deze schreeuwde tot hem:

"Wees gegroet, gij zoon der maagd! Wees gegroet, gij, de eerstgeborene van zijn vader en van zijne moeder! Gij zult tot mij komen en mij helpen in dit uur der benauwdheid". Hij wendde zijne oogen tot haar en zeide: "Mijn glans zoudt gij niet kunnen verdragen.... maar ik haast mij [en zend] den aartsengel Michaël tot U.... en hij neemt een scheut(?)wijns en roept mijnen naam daarbij aan en den naam van mijne twaalf apostelen en zegt: wat krom is, moet recht worden... Ik ben het die spreekt, de Heer Jezus, die [genezing] verstrekt"[111].

In de navolgende liefdes-tooverspreuk wordt ook de duivel aangeroepen:

"Sjoerin, Sjoeran, Sjoetaban, Sjoetaben, Ibonese, Sjarsaben, .... Satan de duivel, die met zijn staf op de aarde sloeg tegen den levenden God en zeide: "Ik ben ook een god"—ik bid en roep U allen heden aan, opdat gij tot mij moogt komen naar [deze dingen], die ik heden in mijne handen houd, opdat gij, zoodra ik aan Theodora ervan geef te eten of te drinken, haar hart en haar vleesch aan mij moogt boeien tot in eeuwigheid. Ja, ja!"

En in eene andere spreuk, ook tot erotische doeleinden, gaat de magiër zelfs tot dreigementen over, die onwillekeurig aan de vroeger vermelde dreigementen herinneren:

[Als gij mij niet volgt], dan daal ik neer naar de onderwereld en breng den beheerscher van den Tartarus naar boven en zeg: "Gij zijt ook een god," want ik wil mijn verlangen naar Theodora vervullen.

Hij zeide tot mij: "Verlangt gij den steen, ik breek hem stuk, het ijzer, ik maak het tot water, de ijzeren deuren, ik verbreek ze haastiglijk, tot dat ik boei het hart van Theodora aan U, ik, spoedig.

Wanneer zij hierop niet komt, dan houd ik de zon in zijn wagen op en de maan in haren loop en de sterrekroon die op het hoofd van Jezus is, totdat ik mijn verlangen vervul, haastiglijk, ja, ja!

Ik bezweer U en al uwe machten.... ik bezweer den vurigen troon, waarop gij zit, tot dat gij mijn verlangen naar Theodora, de dochter van Eudoxius, vervult. Ik bezweer Uwe amuletten. Ja, ja, terstond, terstond!"[112]



Litteratuur.

E. Zeller, Die Philosophie d. Griechen, Bd. III, 2e afd. 4e uitg. (1902).

J. Burckhardt, Die Zeit Constantins d. Grossen, 2e uitg. (1880).

J. Geffeken, Der Ausgang d. griech.-röm. Heidentums, in Religionswiss. Bibl. hrg. v. W. Streitberg, Bd. VI (1920).

K.H.E. de Jong, Hegel u. Plotin (1916).

Ranke, s.v. Aegypten II Religion, in Die Rel. i. Gesch. u. Geg. I (1909).

E. Kuhnert, Feuerzauber, in Rhein. Mus. f. Philol. Bd. XLIX (1894).

K. Preisendanz, Die Homeromantie. Pap. Lond. CXXI, in Philologus Bd. LXXII (1913).

The demotic magical papyrus ed. by F. Ll. Griffith a. H. Thompson (1904).

J. de Zwaan, Een dichter uit den tijd der Apostolische vaderen, in Onze Eeuw XI jrg. 4. deel (1911).

Maspéro, Étud. d. myth. e. d'arch. ég. I e. II (1893).

C. Rasche, De Iamblicho libri qui inscr. de myst. auctore, Dissert. Münster (1911).

Couperus, De berg van licht (1905).

Lucianus, De spiritistische séance te Endor, in De Dageraad Bd. XV (1893/94).

De H. boeken v. h. oude verbond. Vulgaat en Nederl. vertaling met aanteeken. kerk. goedg. II (1897).

v. Orelli, s.v. Saul, in Herzog, Realenc. prot. Theol. u. Kirche, 13e uitg. Bd. XVII (1906).

A. Lods, La croyance à la vie future e. l. culte des morts dans l'antiquité israelite (1906).

R. Kittel, Geschichte d. Volkes Israël, 3e uitg. Bd. II (1917).

J. Scheftelowitz, Der Seelen- u. Unsterblichkeitsglaube im alten Testament, in Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).

Kautzsch, s.v. Urim u. Tummim, in Herzog, Realenc. 3e uitg. Bd. XX (1908).

R. Ganschinietz, Hippolytos' Cap. gegen die Magier, uit Text. u. Unt. Gesch. altchr. Lit. brg. v. Harnack u. Schmidt, 3 Reihe, IX. Bd. 2. Hft. (1913).

Origenes, Eustathius v. Antiochien u. Gregor v. Nyssa üb. d. Hexe von Endor, hrg. v. E. Klostermann, in kl. Texte f. Vorl. u. Üb. 83 (1912).

V. Schultze, Geschichte d. Untergangs d. gr.-röm. Heidentums Bd. I (1887).

L. Loewenfeld, Somnambulismus u. Spiritismus, 2e uitg. (1907).

v. Schrenck—Notzing, Materialisationsphänomene. Ein Beitrag z. Erforschung der mediumistischen Teleplastie (1914).

W. Koch, Kaiser Julian (1899).

P. Allard, Julien l'Apostat I, 2e uitg. (1900).

J. Geffcken, Kaiser Julianus (1914).

R. Wünsch, Antikes Zaubergerät aus Pergamum, in Jahrb. d. deutsch. arch. Inst. Ergänzungsheft VI(1905).

Gregorovius, Geschichte d. Stadt Athen im Mittelalter Bd I (1889).

R. Wünsch, Sethianische Verfluchungstafein (1898).

K. Preisendanz, Miszellen z.d. Zauberpapyri, in Wiener Studiën, Zeitschr. f. klass. Philol. XL Jrg. (1918) 1 Hft.

J. Geffcken, Der Bilderstreit des heidnischen Altertums, in Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).

K.H.E. de Jong, Die Lehre vom Astralkörper bei den Neuplatonikern, in Actes d. IVe Congres internat. d' hist. d. rel. (1913).

C.J. von Hefele, Conciliengeschichte, 2e Ausg. B. I (1873) e. II (1875).




Slotwoord.


Aan het einde van ons overzicht gekomen, moeten wij nog ons eigen oordeel over de realiteit en de waarde der magie uitspreken.

Zooals wij zagen, valt het niet te betwijfelen dat verscheidene antieke denkers de realiteit der magie loochenden, waarbij echter opmerkelijk is, dat de grootsten van hen, Democritus en Aristoteles, toch ruimte lieten voor feiten die tot het gebied der magie behooren. Daarentegen erkenden andere, bij de genoemden geenszins achterstaande denkers als Iamblichus, Proclus, Origenes, Augustinus de realiteit der magie onomwonden. Dat het verzet der ongeloovigen ten slotte wegstierf, was eene wetenschappelijke noodzakelijkheid. In onzen tijd zien we evenzeer, hoe het ongeloof, dat tooverij en geesten loochent, voor de uitkomsten van het "psychische onderzoek", ingesteld door autoriteiten als E. Gurney, F.W.H. Myers, W, Barrett e.a. gaandeweg zwicht.

Over de waarde der magie hebben in de oudheid zelfs mannen, die de realiteit der feiten erkenden, zich ongunstig uitgelaten. Bij nader onderzoek blijkt echter, dat de magie niet verdient, botweg met afkeer en minachting te worden behandeld. De tooverij zal op het gebied van liefde wel niet meer kwaad hebben veroorzaakt dan bijv. verlokkingen van financiëelen aard. Of de "magiërs" meer zieken hebben verknoeid dan de geneesheeren, blijft eene open vraag. En ongetwijfeld zinkt het aantal dergenen, die door "zwarte magie" hun leven verloren, in 't niet tegenover de ontelbare slachtoffers van schavot of oorlog. Voorts staat tegenover de schaduwzijde der magie ook een niet gering te achten lichtzijde. De magie heeft den stoot gegeven tot grootsche scheppingen op litterair gebied. Zonder de magie toch zouden wij drie der schoonste zangen van Homerus, de meest ontroerende tragedie van Euripides, de diepstgevoelde idylle van Theocritus missen. Ook valt niet te betwijfelen dat vele zieken door de toepassing van toovermiddelen, wellicht hoofdzakelijk ten gevolge van "suggestie," genezing hebben gevonden. Door de strenge leefwijze en de geestesconcentratie, welke tal van magische handelingen vereischten, kwam menigeen tot "reiniging der ziel" en tot "verlossing." En, wat voor ons, menschen, het hoogste van alle belangen raakt, door de "doodenbezwering" was, naar de overtuiging van hoogst achtenswaardige antieke denkers, het voortbestaan der ziel na den dood daadwerkelijk aangetoond.


REGISTER.

A.

Aardbevingen 90, 206 vlg, 211
Amuletten 14, 85 vlgg., 153, 170, 211, 219, 239
Animisme 3, 90, 132, 216
Astrologie 67 vlgg, 107, 137 vlg., 166, 193, 219

B.

Beelden, wonderdadige 101, 121, 123, 146, 169, 206, 213216
Belezen 46 vlg
Beschermgeesten 138 vlg.
Bijzitters 110, 126

C.

Christendom 103109, 187
Concilies 218 vlg
Corybantisme 102

D.

Demonen 1, 48, 82 vlg, 94 vlg., 100 vlg., 103 passim
Doodenbezwering 1 vlg, 916, 22, 49, 52, passim
Doop 129 vlg
Dreigementen, magische 161165, 238 vlg
Duivel 105, 178, 224, 231 vlgg., 235, 238 vlg.

E.

Endor, toovenares van 175179, 185 vlg., 221 vlgg, 230234
Envoûtement 35, 117
Exorcisme 58, 65, 76, 95 vlg, 109, 173 vlg

F.

Fakirs 96
Fluide, magnetisch 35, 40

G.

Genezingen, wonderdadige 14, 20, 38 vlgg., 45 vlgg, 71 vlgg., 81 vlg,
passim
Gestorvenen, ontijdig 146 vlg, 173

H.

Hallucinaties 3, 54, 191, 216
Haren 117
Helderziendheid 4, 126
Hydromantie 16, 49, 152
Hypnose 3, 87, 102

I.

Illusies, magische 166 vlgg., 174, 224 vlg., passim

J.

Jezus 76, 103, 107 vlgg., 130 vlg., 179, 184 vlg, passim

K.

Kabbala 77
Kinderoffer 49, 59 vlg., 67, 77, 108, 151, 170
Knapen, waarzeggende 49, 125 vlg., 153 vlgg, 172, 182 vlg.
Knoopen 52 vlg.
Korenziel 44
Kristalzien 126

L.

Liefdestoovenarij 13 vlg., 32 vlgg., 4957, 59 vlg., 6266, passim
Linnen 120, 130, 132, 152, 200

M.

Mana 39, 57, 65, 73, 86, 99, 132, 151
Materialisaties 191
Mediums 96, 154 vlg.
Mystiek 159 vlg.

N.

Naam, tooverkracht van den 73 vlgg., 107, 110, 129 vlgg., 144 passim

O.

Omgekomenen, geweldadig 146 vlg. 173
Onthouding, sexueele 53, 131 vlg., 154, 182
Oog, het booze 25, 63, 8487

P.

Perisprit 218
Plaatjes, looden 40, 68, 146
Praeanimisme 3

R.

Reliquieënvereering 99

S.

Speeksel 71 vlgg., 97 vlgg., 107
Spiegel 125 vlg.
Spiritisme 96, 205 vlg, 218
Suggestie 3 vlg., 35, 40, 87, 96, 119

T.

Telepathie 2, 4, 25, 35 vlg., 140 vlg., 212 vlg.

W.

Weerwolf 52, 54, 92 vlgg., 119, 227, 230.

ADDENDA.


P. 21, regel 12, voeg na "verzoeken" in: "en aansporen".


NOTEN

[1]

Odyssea X, 135-574 en XI.

[2]

Plutarchus, De ser. num. vind. 17, Aelianus, frg. 255. Galenus, Protrept. IX, 10.

[3]

Plutarch. De ser. num. 10, Vit. Cimon, 6.

[4]

Plutarch. De ser. num. 17.

[5]

Pyth. IV, 213 (380) vlgg.

[6]

Diogenes Laertius VIII, 2, 59, vgl. Diels, Die Fragmente d. Vorsokratiker I, 3e uitg. (1912) p. 263 vlg

[7]

Augustinus, De Civ. Dei VII, 35.

[8]

Livius, I, 31.

[9]

Phaedo 81 c.d.

[10]

Euthydemus 290 a.

[11]

Sextus Empiricus, Math. IX, 19.

[12]

Epist. ad Menoeceum ap. Diog. Laert. X, 134.

[13]

Diog. Laert. VI, 2, 68.

[14]

Diog. Laert. VI, 2, 24.

[15]

Diog. Laert. VIII, 1, 36.

[16]

Schol. a. Theocr. II, 16; Propert II, 4, 10.

[17]

Plutarch. Vit. Pyrrh. 3.

[18]

E. Ziebarth, Neue attische Fluchtafeln, in Nachnchten d. Kon. Gesellsch. d. Wiss. Gottingen 1899 p. 109 vlg.

[19]

E. Ziebarth, Neue att. Fl., p. 113 vlg.

[20]

Livius XXV, 1.

[21]

Plinius, Hist. Nat. XVIII, 6,41

[22]

Apulems, Apolog. 42.

[23]

T.p.

[24]

Arrianus, Exped. Alex. II,3, Plutarchus Vit. Alex. 18.

[25]

Papyr. Parthey I. 264, in Abh. d. kön. Akad. d. Wiss. z. Berlin 1866.

[26]

Philostratus, Vit. Apoll. I,8.

[27]

Gazette archéologique IX, jrg. 1884, platen 44,45, 46, p. 352 vlg.

[28]

Thucydides III, 22.

[29]

H. Hubert, s.v. Magia, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. Bd. III, 2 helft. (1904) p. 1515.

[30]

Papyr. Paris. 2579 en 2646, uitg. v. C. Wessely, in Gr. Zauberpap. v. Par. u. Lond., in Denkschr. d. phil. hist. Cl. d. Kais. Akad. Wiss. Wien Bd. XXXVI (1888).

[31]

Plinius, Hist. Nat. VII, 2, 9.

[32]

Sophocles ap. Macrobium, Saturn. V. 19,; frg. 423 ed. Didot; Tr. gr. Frg. ed. Nauck 2e uitg. (1889) 491, p. 249.

[33]

H. Hubert, s.v. Magia p. 1516.

[34]

Papyr. Parthey II, v. 55 vlg.

[35]

Dio Cassius XXXVII, 30.

[36]

Herodotus III, 11.

[37]

Dio Cassius XLIX, 43.

[38]

Eusebius, Chron. Ol. 188,1.

[39]

Sueton. Vit. Aug. 94.

[40]

Sueton. Vit. Aug. 90.

[41]

Sueton. Vit. Tiber. 69.

[42]

De Is. en Osir., 12— 19.

[43]

Pap. Paris, 3007— 3085.

[44]

Philostratus, Vit. Apoll. IV, 45.

[45]

Philostrat. Vit. Apoll. IV, 4; 10; VIII, 7, 30 vgl.

[46]

Philostrat. Vit. Apoll. VIII,26, Dio Cassius LXVII, 18.

[47]

Ep. LIII, 1.

[48]

Ep. CXXXVIII, 18.

[49]

Aehanus, Var. hist. IV, 17.

[50]

Plinius, Hist. nat. XXVIII 37.

[51]

Philostrat. Vit. Apoll. V, 27-38.

[52]

Philostrat. Vit. Apoll. VI, 29-34.

[53]

Philostrat. Vit Apoll. VIII, 1-8.

[54]

Ongenes, Contra Celsum III, 36.

[55]

Tacit. Histr. IV, 82.

[56]

Vopiscus, Vit. Saturn. 8

[57]

Hippolytus, Refut. omn. haer. VI, 7.

[58]

Hippol. Refut. omn. haer. VII, 32.

[59]

Tweede boek Jeû, vert. d. C. Schmidt in Koptisch-gnostische Schriften (1905), 322 en 327 f.f.

[60]

Alcest. 75 vlg.

[61]

De Civit. Dei VIII, 19: Ep. CXXXVIII, 19.

[62]

Capitolinus, Vit. Anton. phil. 13.

[63]

Dio Cass. LXXI, 8, 4; 9, 2.

[64]

Spartianus, Vit. Did. Julian. 7.

[65]

Tweede boek Jeû, vert. C. Schmidt p. 308-314.

[66]

Ed. Dieterich, Abraxas (1891) p. 169, v. 5 vlg.

[67]

Philostrat. Vit. Apoll. I, 8 en 13.

[68]

Milligan, Selections from the Greek Papyri (1910) p. 83 vlg., Erman-Krebs, Aus den Papyrus d. kön. Mus. z. Berlin (1899) p 185.

[69]

Pap. Parthey II, 17 vlg.

[70]

Ennead. IV, 4,36.

[71]

Enn. IV, 4,41.

[72]

Enn, IV, 9,3.

[73]

Enn. IV, 4,40.

[74]

Enn, IV, 4,43.

[75]

Enn. IV, 7, 20.

[76]

Enn. IV, 4, 43.

[77]

Pap. V, col. VH, 27—VIII, 4, ed. Dieterich p. 808.

[78]

Pap. V., col. VII, 17—25; ed. Diet., p. 807 vlg.

[79]

Porphyr. Vit. Plot. 23.

[80]

Pap. V. col. II, 16-18 ed. Diet. p 796 vgl.

[81]

Celsus ap. Origen. Contr. Cels I, 68.

[82]

Papyr. Parthey I, 106-110.

[83]

Ps. Justinus, Quaest ad. Orthod. 26.

[84]

Dio Cassius LXXVII, 18, 4.

[85]

Herodianus, IV, 12.

[86]

Dio Cass. LXXIX, 11, 3, Lampridius, Vit. Hel. 8.

[87]

Lamprid. Vit. Alex. Sev. 29.

[88]

Vopiscus, Vit. Aurel. 24.

[89]

Codex Justinian. IX, 18, 4.

[90]

Eunapius, Vit. Soph. Ed. Boissonade, 2 uitg. p. 459.

[91]

Cod. Justin. IX, 18, 5.

[92]

Cod. Justin. IX, 18, 6.

[93]

Cod. Justin. IX, 18, 7.

[94]

Vit. Soph. Ed. Boissonade 2 uitg. p. 474 vlg.

[95]

Theodotus, Hist. eccl. III, 21.

[Footnote 96: Cod. Theodos. IX, 16, 7.]

[97]

Zosimus IV, 13 vlgg, Philostorgius IX, 15, Socrates IV 19, Sozomenus, VI, 35.

[98]

Socrat. IV, 19, Sozomen. VI, 35.

[99]

Cod. Justin. IX, 18, 9.

[100]

Zosim. V, 41, Sozomen. IX, 6.

[101]

Nicephorus schol. ad Synes De insomn. p. 361 D. cf Stephanus, Thes. gr ling VII (1848/54) s v. strophalos c. 886 Psellus ad Orac Magic. p. 74, cf Stephanus Thes. gr. ling. III (1835) s v. Hekatikos c. 360.

[102]

In Timaeum IV p. 240 a

[103]

In Tim. p. 287c.

[104]

Contr. Cels. V, 38, VII, 35, 64, 69, VIII, 41.

[105]

In Rem publ. Ed. Kroll II (1901) p. 117.

[106]

Greco-Egyptian frg. o. magie, ed. Goodwin (1852) p. 4 vlg.

[107]

In Rem publ. Ed. Kroll I (1899) p. 110 vlg.

[108]

In Rem publ. Ed. Kroll I p. 39

[109]

De abstin. I, 31, II, 46; Sentent. 32.

[110]

Suidas s.v. augoeides.

[111]

Erman u. Krebs, Aus den Papyrus d. kon. Mus. p. 257.

[112]

Erman u. Krebs, Aus d. Pap. p. 259.






End of the Project Gutenberg EBook of Magie bij de Grieken en de Romeinen
by Karel H.E. de Jong

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GRIEKEN EN DE ROMEINEN ***

***** This file should be named 15215-h.htm or 15215-h.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
        https://www.gutenberg.org/1/5/2/1/15215/

Produced by Miranda van de Heijning, Frank van Drogen and the Online
Distributed Proofreading Team.


Updated editions will replace the previous one--the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no
one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
(and you!) can copy and distribute it in the United States without
permission and without paying copyright royalties.  Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark.  Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
charge for the eBooks, unless you receive specific permission.  If you
do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
rules is very easy.  You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports, performances and
research.  They may be modified and printed and given away--you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks.  Redistribution is
subject to the trademark license, especially commercial
redistribution.



*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase "Project
Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg-tm License (available with this file or online at
https://gutenberg.org/license).


Section 1.  General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
electronic works

1.A.  By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement.  If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B.  "Project Gutenberg" is a registered trademark.  It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement.  There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement.  See
paragraph 1.C below.  There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
works.  See paragraph 1.E below.

1.C.  The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg-tm electronic works.  Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States.  If an
individual work is in the public domain in the United States and you are
located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
are removed.  Of course, we hope that you will support the Project
Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
the work.  You can easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its attached full Project
Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D.  The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work.  Copyright laws in most countries are in
a constant state of change.  If you are outside the United States, check
the laws of your country in addition to the terms of this agreement
before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any other Project
Gutenberg-tm work.  The Foundation makes no representations concerning
the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E.  Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1.  The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org

1.E.2.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
and distributed to anyone in the United States without paying any fees
or charges.  If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
1.E.9.

1.E.3.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
terms imposed by the copyright holder.  Additional terms will be linked
to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4.  Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5.  Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6.  You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form.  However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
form.  Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7.  Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8.  You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that

- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
     the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
     you already use to calculate your applicable taxes.  The fee is
     owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
     has agreed to donate royalties under this paragraph to the
     Project Gutenberg Literary Archive Foundation.  Royalty payments
     must be paid within 60 days following each date on which you
     prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
     returns.  Royalty payments should be clearly marked as such and
     sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
     address specified in Section 4, "Information about donations to
     the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."

- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
     you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
     does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
     License.  You must require such a user to return or
     destroy all copies of the works possessed in a physical medium
     and discontinue all use of and all access to other copies of
     Project Gutenberg-tm works.

- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
     money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
     electronic work is discovered and reported to you within 90 days
     of receipt of the work.

- You comply with all other terms of this agreement for free
     distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9.  If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
electronic work or group of works on different terms than are set
forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark.  Contact the
Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1.  Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
collection.  Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
works, and the medium on which they may be stored, may contain
"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
your equipment.

1.F.2.  LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees.  YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH F3.  YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3.  LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from.  If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation.  The person or entity that provided you with
the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
refund.  If you received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second opportunity to
receive the work electronically in lieu of a refund.  If the second copy
is also defective, you may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.

1.F.4.  Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5.  Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law.  The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6.  INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
that arise directly or indirectly from any of the following which you do
or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.


Section  2.  Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of computers
including obsolete, old, middle-aged and new computers.  It exists
because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come.  In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.


Section 3.  Information about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service.  The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541.  Its 501(c)(3) letter is posted at
https://pglaf.org/fundraising.  Contributions to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
permitted by U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
throughout numerous locations.  Its business office is located at
809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
business@pglaf.org.  Email contact links and up to date contact
information can be found at the Foundation's web site and official
page at https://pglaf.org

For additional contact information:
     Dr. Gregory B. Newby
     Chief Executive and Director
     gbnewby@pglaf.org


Section 4.  Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment.  Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States.  Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements.  We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance.  To
SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
particular state visit https://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States.  U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses.  Donations are accepted in a number of other
ways including including checks, online payments and credit card
donations.  To donate, please visit: https://pglaf.org/donate


Section 5.  General Information About Project Gutenberg-tm electronic
works.

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone.  For thirty years, he produced and distributed Project
Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.


Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
unless a copyright notice is included.  Thus, we do not necessarily
keep eBooks in compliance with any particular paper edition.


Most people start at our Web site which has the main PG search facility:

     https://www.gutenberg.org

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.