Project Gutenberg's De Kerels van Vlaanderen, by Hendrik Conscience

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: De Kerels van Vlaanderen

Author: Hendrik Conscience

Release Date: October 5, 2004 [EBook #13625]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KERELS VAN VLAANDEREN ***




Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
Distributed Proofreading Team.






HENDRIK CONSCIENCE

De Kerels van Vlaanderen


Titelpagina

Brussel

[1883]


Inhoudsopgave

I
II
III
IV
V
VI
VII
VIII
IX
X
XI
XII
XIII
XIV
XV
XVI
XVII
XVIII
XIX
XX
XXI
XXII
XXIII
XXIV
XXV
XXVI
XXVII.
Vervolg van de Geschiedenis der Kerels

De Kerels van Vlaanderen


I


Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge.

Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de geloovigen tot een inniger gebed.

Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen en slingerden.

Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze baak konden herkennen....[1]

Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het kronkelend voetpad.

Hij naderde een steenen kruis,—godvruchtige gedachtenis aan eenen dierbaren doode,—leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken.

Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen aangaande zijne inborst kon verwekken.

Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen.

Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu traden er eenige lieden uit de kerk—en de glimlach verscheen weder op des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan.

De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand.

Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden.

Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede.

De lijfeigenen of dienstbare lieden,—die men nog met den akker, waarop zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,—waren gekleed in ongebleekt linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs gingen met armen en voeten naakt.

Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te verbergen.

Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om met haar over iets te spreken.

Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid elkeen met bewondering trof.

Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia.

Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong. Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen mond en iets onbestemds in haren gang.

Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest wonen.

Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier onhoorbaar:

"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!"

Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge, spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd blonk.

Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan, met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide:

"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom! Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange afwezigheid!"[3]

"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf. "Nauwelijks eene maand."

"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte.

"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende, "maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt."

"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl zijne oogen van blijdschap glinsterden.

En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling:

"Gij stemt toe, Dakerlia?"


Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen.
Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen.

"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen."

Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van Disdir de Maria-straat in.

Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest bekomen.

Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige ontsteltenis getuigde:

"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een verterend vuur aangegroeid...."

"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo niet tot mij."

"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf. Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!"

"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw.

"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia, het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u; niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan mijner ziele zaligheid...."

"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene godslastering!"

"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?"

"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met ontevredenheid.

"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!"

"Ik zou liegen, Disdir."

"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?"

"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer kan ik u niet geven."

Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en stapte eenige oogenblikken zwijgend voort.

Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op zoeteren, doch niet min ontstelden toon:

"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij, maar laat mij hopen!"

"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef en ongeduldig.

"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder genegenheid willen dwingen?"

"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!"

"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind durft voeren."

"Hij zelf schonk mij uwe hand."

"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken."

Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme:

"Dakerlia,—o, folterend vermoeden!—Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!"

Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde:

"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?"

"Nu, durf spreken!"

"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon.

"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden, omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens hem zult schitteren...."

"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!"

"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts van hoop!"

"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind blijven hoonen."

"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen, mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige gebaren terug in de straat.

De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring had getroffen.

Robrecht Snelhoge!—Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen?

Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten?

Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de Hoogstraat instapte.

Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels.

Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden.

Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond.

Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel te bewonen.

Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste poortershuizen glinsterden.

Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken.

Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge zuster Witta woonde.

Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven, schaamrood worden en den angst haars harten verraden?

Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan!

Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar vervolgd als een onverjaagbare droom!

Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden, want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met fierheid op en murmelde in zich zelve:

"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben, mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel dat mij verschrikt...."

Zij wenkte de meid en zeide haar:

"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin Witta ben gaan bezoeken."

Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of jonkver Witta Sneloghe te huis was.

Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof. Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen van haar hart.

De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen leunstoel vooruit.

"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij verplicht waart eene korte wijle te wachten"

Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde tijden had geleefd.

Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze vriendschap was reeds het verleden geworden....

De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine, groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven. Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van rijkdom.

In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed.

Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte.

Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan de deur der kas aan en opende ze verder....

Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd, dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest bevatten.

Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend ten hemel.

Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand kon worden gehoord:

"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?"

Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe, keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken.

Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl zij uitriep:

"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve Dakerlia!"

"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch ben ik wel gelukkig u weder te zien!"

"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...."

"Treurig? Waarom, vriendinne?"

"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid, niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?"

"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche geschiedenis die ik u moet vertellen."

"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?"

"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw van Brugge heb gedaan."

"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?"

"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en met mij in den hof wandelde...."

"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd.

"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te kennen...."

"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta verbaasd.

"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen behouden te Witzand aan."

"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien, Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!"

"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]."

"Zij zijn dus ook vrije mannen?"

"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7]. Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer weet ik u van hen niet te vertellen."

"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?"

"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou varen, gaf mij moed."

"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?"

"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen."

"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen."

"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?"

"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel haastig: gij gingt op het schip?"

"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten, gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en, ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel, nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen: arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels dien naam als een spotwoord toewerpen[11]."

"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het is niet schooner...."

"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan, uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon, ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen, had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...."

"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?"

"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen. Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen."

"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van Onze-Lieve-Vrouw?"

"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar Lampernisse...."

Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal.

"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?"

"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ... en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...."

"Hemel, wat toch?"

"Haar lijk, Witta!"

Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta:

"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en wij zijn allen sterfelijk."

"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend; want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!"

"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster, "Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge."

"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden, sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?"

"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia."

"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.—Den avond voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten, vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel. Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te nemen aan deze plechtigheid, die men het doodenmaal noemde. Daarna schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk de doodenminne in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de doodenzoene, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen bestaan."

"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden deelgenomen, Dakerlia?"

"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten."

Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd.

"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd noch laakbaar vinden."

"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden."

"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen."

"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?"

"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand. De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of acht rondom zich hadden."

"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?"

"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk. Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen; zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen, telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene, welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel, beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen."

"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast.

"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade geesten geworden zijn.—Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo stil op de hofstede alsof er niets was geschied."

"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en woest moeten zijn."

"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...."

De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij slechts aan haar wilde afgeven.

Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen. Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia:

"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten. Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd hoe het met mijnen broeder gaat."

Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene onduidelijke verschooning.

"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u aan Robrecht te denken."

"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan."

"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?"

"Ik meen het zoo te hebben verstaan."

"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs."

"Hij heeft verdriet? Waarom?"

"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar de reden zijner afgetrokkenheid vraag.—Wel poogt hij dan mij te doen gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden. Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket, de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met Placida Van Woumen te doen trouwen...."

"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonk ver Wulf, sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding op haar te verbergen.

"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf."

"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?"

"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der rijkste erfgenamen van Vlaanderen."

"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven."

"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf verdedigd."

"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?"

"Van dit huwelijk is er geen spraak meer."

"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers vloeit in hare aderen."

Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's stemme, aanschouwde haar twijfelend.

"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt."

Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om opwellende tranen te bedwingen.

Zij stond op en zeide:

"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten. Naar huis wil ik gaan."

Witta greep haar de hand en sprak lachende:

"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend nieuws u dermate ontstellen?"

"Robrecht zal ongelukkig zijn."

"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?"

"Ja, zeer ongelukkig."

"Waarom?"

"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken."

"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij."

"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke ziel!"

En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart beklemde.

Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende:

"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft niet veel lust om te trouwen."

"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in de oogen.

"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?"

"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!"

"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is."

"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?"

"Hij zal toch weigeren."

"Hoe weet gij dit?"

"Hij heeft het gezegd."

"U gezegd?"

"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!"

Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep lachend uit:

"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u welkom te heeten."

Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe verscheen in de deur.

Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem.

Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried:

"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn."

De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan.

"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!"

Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf.

"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde voor mij!"

"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta. "Wie heeft het recht om u te dwingen?"

"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was, zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht op mij."

Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op diep ontroerden toon:

"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u, waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen schenken die zij verdient...."

In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op de maagd staren.

"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!"

"Hoe kunt gij het weten?"

"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid."

Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik, ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja, misschien misdadig voor God!

Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af te breken.

"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit huwelijk dwingt."

Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker deksel met gulden inlegwerk was versierd.

Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten.

Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan op pijnlijken toon:

"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o, verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing."

Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen rolden, sprak zij snikkend:

"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij ziek worden, verkwijnen, sterven!"

Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen zoen:

"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!"

En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid:

"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart? Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost, Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan afhangen van een enkel oogenblik."

Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit.

Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon overvloediger nog te weenen.

Voetnoten:

[1]

De kerk van O.L.V. te Brugge was eerst eene kapel, ten jare 745 door St-Bonifacius gesticht.... Haar schoone toren, die voor baak aan de zeevaarders dient, heeft eerst 442 voet hoogte gehad.

LANSSENS aloude staat van Vl., bl. 235

[2]

Men noemde alsdan eene stad eene poort en de burgers poorters.

[3]

Bij verkorting zeide men, tot aanzienlijke personen sprekende, mher voor mijnheer, ver voor vrouw, jonkver voor jonkvrouw.

[4]

De woningen van aanzienlijke lieden, meest uit zware steenen gebouwd en met waaktorens voorzien, noemde men Steenen, welk woord gelijkstaat met het Fransch manoir, donjon, castel.

[5]

Niet verre van de Fransche stad Boulogne lag alsdan de vermaarde zeehaven Witsant, dus genoemd naar het witte zand der duinen, evenals nu het Vlaamsche zeestadje Blankenberghe.

[6]

Dat de bevolking der kusten tot onder de muren van Boulogne Vlaamsch sprak, bewijzen de namen der omliggende dorpen, zooals Helbedinghem Leubringhem, Santingheveld, Pepelingen, enz.

[7]

"In diebus illis fuerunt homines quidam clavati sive clavigeri, quos vulgo Colvekerlos nominatos audivimus, in terra Ghisnensium habitantes, qui clavati sive vlavigeri a clava dicebantur agnominati, eo quod non licebat eis aliquod genus armorum nisi clavas tantum bajulare. Hii siquidem, quadam impropitiationis specie, ab Hammensibus dominis quasi sub servilis conditionis jugo constricti tenebantur."

LAMBERTI Ardensis ecclesiae presbiteri chronicon, uitgegeven door le Mis Godefroy Menilglaise, Parijs. 1855, pag. 87.

[8]

De wijde inham bij Sluis, vroeger de haven van Brugge, heette men het Swin.

[9]

Nu de haven van Nieuwpoort.

[10]

Nu Ardenburg.

[11]


In deser wijs so hadden die aren,
Valken en de sperwaren,
Blauwvoeten ende smerlen mede
Al vergadert daer ter stede.

Gedicht van der Vledermuus.

In het nabericht van den Reinaert de Vos, uitgegeven door J.F. WILLEMS, pag. 384.

Bij JOHANNES LEUNIS, Synopsis der drei Naturreiche, t. I, p. 81, wordt deze vogel dus opgegeven: Pandion Haliaetos. L. Flussadler. Fischaar, Entenstosser.... BLEINE BLAU.

[12]

Zie over deze lijkplechtigheden: Overblijfsels van den Heidenschen godsdienst onzer voorvaderen, J. HUYTENS, Messager des sciences hist. de Gand, année 1860.

[13]

"De zeekust van Vlaanderen, die de Noormannen Kerlingaland noemden." VICTOR DE RODE, Annales du Comité flamand de France, t. VIII, pag. 51

[14]

Scharmasax, scarmsax.

[15]

Zie over de bijgeloovigheid aangaande deze Drollen J. HUYTTENS, Messag. des sciences de gand, 1860.

J.F. WILLEMS, in zijne uitgaaf van Reinaert de Vos, haalt de volgende verzen aan uit eene genouchelijke clute van nu noch:


Ic wil u belesen ende besweren
By cocketoysen, by neckers, by maren
Ende by den drollen....


II


In het midden der stad Brugge stond eene sterke vesting, weleer als wijkplaats tegen de invallen der wreede Noormannen gebouwd. Men noemde ze den Burg.

Ten zuiden en ten westen was zij ongenaakbaar gemaakt door zeer breede grachten; ten noorden en ten oosten was zij beschut door eenen hoogen steenen wal, met gaanderijen, schietgaten en kanteelen.

Drie bruggen en vier poorten gaven toegang tot het wijde vierkante binnenplein, waar rondom de aanzienlijkste gebouwen der stad zich verhieven.

Trad men van den kant der Markt, over de Hofbrug, den Burg binnen, dan zag men schuins voor zich 's Heeren hof, een schoon paleis, met eene overwelfde bovengang, die men de Loove noemde, en waarbinnen de graaf van Vlaanderen, als hij te Brugge zich bevond, zijn hof hield.

Ter rechterzijde verhief zich een even groot doch min p rachtig huis, dat men den Steen heete en waarin de kastelein van Brugge, dit is de bevelhebber en bewaarder van den Burg, zijn verblijf had.

Daarnevens, met den achtergevel naar de Markt, stond het Gijselhuis, dat tot gevangenis diende.

De vierde zijde, ten noorden van het plein, was geheel ingenomen door geestelijke gebouwen, zijnde ten eerste de schoone kerk van St-Donaas, welker hooge, vierkante toren omringd was met twee breede, gekanteelde gaanderijen, opdat men ook van daar den vijand mocht bevechten, indien de Burg eenen aanval af te weren had[16]; dan het klooster St-Donaas met de huizen der kanunniken en de slaapsteden en eetzalen der broeders en eindelijk het hof der proostdij, dat door Bertulf, proost van St-Donaas en erfkanselier van Vlaanderen, werd bewoond.

Alhoewel deze geestelijke gebouwen binnen den algemeenen wal van den Burg waren begrepen, omringde hen nog een bijzondere muur, zeer hoog en sterk, met torentjes en kanteelen, zoodat, indien de Burg in de handen der vijanden mocht vallen, de kerk, het klooster en de proostdij nog lang wederstand konden bieden.

Tusschen de grootere gebouwen van den Burg zag men, in alle tusschenruimten, er nog andere van mindere uitgestrektheid, die tot voorraadstapels, wapenhuizen of stallingen waren bestemd.

De Burg was dus de zetel der openbare macht in Vlaanderen. Niet slechts omdat hij het paleis van den vorst bevatte; maar bovenal omdat de proost van St-Donaas en de kastelein van Brugge er hun verblijf hielden.

Trouwens, deze twee ambtenaren, staande de eene aan het hoofd der geestelijke en de andere aan het hoofd der wereldlijke overheid, opzichtens al de vrije Ambachten afhangende van Brugge, bezaten meer onmiddellijken invloed op dit groot gedeelte van het Westelijk Vlaanderen dan de vorst zelf. Hunne aanzienlijke grondbezittingen en hun persoonlijke rijkdom vermeerderden dien invloed tot zooverre, dat de ridders van de hofho uding des graven met nijdig oog zulke buitenmatige macht aanschouwden, meest nog omdat deze, volgens hunne meening, eenen ondraaglijken hoon voor allen waarlijk edelgeboren man daarstelde.

Inderdaad, Bertulf, de proost van St-Donaas, en zijn broeder Hacket, de kastelein, waren Kerels, afkomstig uit het Veurne-Ambacht, waar zij hunne grondbezittingen hadden.

Nog meer kerels genoten in Brugge door hunnen rijkdom eenen bijzonderen invloed. Men noemde hen de Erembalds, omdat de voornaamste onder hen afstamden van Erembald, den eersten Kerel die het ambt van kastelein bekwam, en daardoor in 's lands bestuur boven andere ridders zich verhief.

Hoe dit laatste geschiedde, is gemakkelijk te begrijpen. De leenheeren of de zoogenaamde edellieden aanzagen allen arbeid en allen handel als onteerend. Hunne eenige inkomsten bestonden in de lasten en schattingen welke zij hunnen lijfeigenen of dienstbaren veldbewoner opdrongen, en in de tollen van doorvaart die zij reizigers en kooplieden afpersten.

De vrije mannen van Kerlingaland aanschouwden daarentegen den arbeid als eenen plicht en den landbouw en den koophandel als vereerend. De gansche scheepvaart van Vlaanderen en de visscherij, tot de Engelsche kust, waren in hunne handen. Ontbrak er graan in het land, zij gingen het koopen tot in Denemarken, ja, tot in de Morgenlandsche zee.

Geen wonder dus, dat mettertijd de bedrijvigste en verstandigste dezer Kerels groote rijkdommen hadden verzameld.

Toen nu de vorsten en voorname leenheeren, om zich gemakkelijk geld aan te schaffen, hadden begonnen de ambachten, tollen en inkomsten, waarover zij beschikten, om zoo te zeggen, aan den meestbiedende te verkoopen, dan zullen zulke Kerels, zooals de genaamde Erembald, niet nagelaten hebben deze gelegenheid te benuttigen om zich tot de eerste waardigheden van den Staat te verheffen.

Dewijl zij deze waardigheden door zulken koop wettelijk en erfelijk bezaten, konden zij daarvan niet worden beroofd, al mochten ook de ridders, ja de graaf zelf, met geheime spijt de verheffing dezer machtige Brugsche Kerels aanzien.

Eene meerdere reden nog om de leenheerschap tegen de Erembalds te verbitteren was dat zij, als de erkende hoofden en beschermers der Kerels van de vrije Ambachten, dezen immer tegen de heerschzuchtige aanslagen der leenheeren verdedigden; maar daarom tevens durfde de graaf, noch zijne hovelingen, openlijk tegen de Erembalds ingaan, want zij wisten dat de Kerels der Ambachten met eede aan hen waren verbonden en niet zouden nalaten het leed, hun aangedaan, bloedig te wreken.

Dien dag heerschte er zekere geheimzinnige onrust of nieuwsgierigheid op den Burg. Men zag er niet alleen kanunniken, geestelijke broeders en vele poorters in groepen en met de hoofden te zamen staan kouten; maar aan de deur der proostdij hielden zich een aantal boden te paard, van welke er nu en dan een met de hem vertrouwde brieven of bevelen den Burg verliet. Van den graaf konden de bevelen niet uitgaan, want deze was met duizenden Vlaamsche ridders ten oorlog getrokken, om onder het Fransche vaandel in Aquitanië te gaan strijden.

De lieden, die op het plein stonden, poogden wel uit de ruiters te vernemen welke tijding zij voerden, doch zij konden geen voldoende antwoord bekomen, dewijl de boden den inhoud der brieven niet kenden.

Op dit oogenblik vertoonde zich onder de voornaamste poort van den Burg een persoon die aller aandacht tot zich trok en eene zonderlinge beweging onder de groepen der nieuwsgierige lieden deed ontstaan.

Het was een ridder, buitengewoon hoog van gestalte en sterk van leden. Zooals hij daar met zwaren tred en met het hoofd fier opgeheven den Burg opstapte, had hij het voorkomen van eenen reus. De genster, die uit zijne groote zwarte oogen lichtte, moest den aanschouwers ontzag inboezemen; want alhoewel men vermoedde dat hij de aangekomen tijding moest kennen, durfde niemand hem het woord toesturen, ja, men trad terug om hem eenen onbelemmerden doorgang te bieden[17].

Een vrij man en ridder moest hij zijn; want aan zijne zijde hing een groot, krom zwaard. Op zijne kleeding, waarin de blauwe verf heerschte, bemerkte men echter geene de minste pracht.

"Daar is Burchard Knap, de neef van onzen proost", murmelde een geestelijken broeder.

"Is hij niet de zoon van Lambrecht van Rodenburg, den eigen broeder van den proost?" vroeg de poorter.

"Ja, maar hij woont meest buiten, tusschen de Kerels. Wie hem zou durven ondervragen zou wel te weten komen wat er gaande is."

"Wel, vraag gij het hem."

"Ik zal er mij wel van wachten. Die mher Burchard is de ongenaakste en de gramstorigste man der wereld."

"Ja, en gij vreest dat hij met eenen slag zijner reusachtige vuist u zou kunnen verpletten?"

"Spot er niet mede; het is zooals gij zegt. Zwijgt, daar nadert die vervloekte bullekop!"

"Welnu, ik zal hem vragen wat nieuws er is", mompelde een oude zwaardveger. "Hij komt dikwijls in mijnen winkel; hij kent mij en zal minzaam mij antwoorden."

Inderdaad, hij ging den ridder te gemoet en stamelde, terwijl deze met scherpen blik van uit de hoogte op hem nederzag:

"Mher Burchard, duid mijne stoutheid niet ten kwade. Welke tijding is er toch gekomen?"

"Weet gij het?" vroeg de ridder met eene stem die uit eenen kelder scheen op te klimmen.

"Neen, heer."

"Ik even min. Gij verveelt mij; ga uit mijnen weg!"

Hij deed door zijnen zuren blik den verbluften zwaardveger terugdeinzen en richtte zich, zonder meer acht op de omstanders te geven, naar de poort der proostdij.

Hij stapte onder eenen langen zuilengang door, duwde eene deur open en trad in eene zaal waar een twaalftal ridders rondom eene tafel zaten, bij welke een paar groote leuningstoelen ledig stonden, als wachtte men hier op twee voorname personen.

"Welnu, wat is er ophanden?" vroeg Burchard, nadat hij den ridders eenen korten groet had toegestuurd.

"De graaf is terug uit Aquitanië[18]", antwoordde hem Segher Wulf. "Het Fransche leger is te Atrecht aangekomen. Onze ridders zullen nog daar blijven; want de koning van Frankrijk vreest eenen aanval der Engelschen uit Normandië; maar de graaf komt overmorgen te Brugge."

Eene uitdrukking van ongenoegen trok Burchards lippen te zamen.

"Waar is de proost?" vroeg hij.

"Hij is bezig met het schrijven van eenige bevelen; hij zal aanstonds komen."

"En de kastelein?"

"Die is met hem."

Burchard zette zich zoo zwaar neder dat de eiken stoel onder hem kraakte, als ginge hij breken.

"Het schijnt dat de komst van onzen graaf u niet verblijdt?" bemerkte Segher Wulf.

"De komst van den graaf is mij onverschillig" mordde Burchard.

"Waarom ziet gij er zoo ontevreden uit?"

"De Isegrims komen met hem?"

"Natuurlijk."

"En zijn duivel Tancmar insgelijks."

"Altijd even grimmig, mher Burchard?" lachte Yorg Koevoet, een der aanwezige ridders. "Wat vreest gij van de komst des graven? Toen hij ten oorlog trekken zou heeft hij eenen algemeenen landsvrede doen uitroepen en ons gelast in zijne afwezigheid over de openbare rust te waken. Hebben wij deze zending niet trouw volbracht? Gij zelf, mher Burchard, hebt gij niet toegestemd om uwen twist met den hofraadsheer Tancmar opgeschorst te laten tot des graven terugkeer!"

"Ja, ja, tot mijne groote schande", antwoordde Burchard gramstorig. "Tancmar had voor den oorlog mij een gedeelte mijner gronden ontnomen. Ik heb het hem voorloopig laten behouden, om den landsvrede niet te breken, zooals gij zegt, mher Yorg; maar wat gebeurt er nu? Tancmar is in het leger met zijne beide zonen en heeft intusschen het beheer zijner goederen toevertrouwd aan zijnen neef Rambold Tancmar. Weet gij wat deze doet om mij te hoonen en uit te dagen? Hij zaait en oogst op mijnen grond en bouwt er eene schuur op. Het is een ware diefstal ... en ik, Burchard Knap, dien men eenen woestaard en eenen trotschaard noemt, ik heb het tot nu toe kunnen verkroppen als een machteloos kind! De graaf komt overmorgen in Brugge, zegt gij? Welnu, hij zal mij doen teruggeven wat mijn eigendom is, of bij Thors hamer[19], ik verplet al wie het mij nog durft betwisten!"

"Mher Tancmar beweert dat de graaf zelf hem dien grond heeft geschonken", bemerkte Matfried Wegel.

"Maar mag de graaf het eigendom van eenen vrijen man onder zijne voeten wegschenken?"

"De listige Tancmar heeft onzen graaf bedrogen en hem doen gelooven dat die grond der kroon toebehoort."

"Ben ik dan een lijfeigene of een slaaf", bulderde Burchard.

"Kom, kom, onze heer graaf zal de zaak onderzoeken en u recht doen", zeide Gerwijn Eekel.

"Karel van Denemarken?" vroeg Burchard met eenen grijns van misprijzen op de lippen, "Is dit nu een vorst die Vlaanderen betaamt? Hij kruipt voor den koning van Frankrijk; en deze zal hem zeker niet leeren hoe men de rechten der vrije mannen van Kerlingaland eerbiedigen moet."

"Beschuldig onzen vorst Karel niet", bemerkte Segher Wulf. "Ware hij niet slecht geraden, hij zou in alles rechtvaardigheid plegen; maar de valsche Isegrims, die hem omringen...."

"Dit is juist de zaak", bevestigde Willem van Wervick. "De leenheeren, die bloedvijanden der Kerels, drijven hem onverpoosd tot onrecht aan. Men noemt ze Isegrims, dit is wolven, en zij verdienen het wel, zij, die niets betrachten dan het vrije volk van Vlaanderen te verslinden. Meent gij dat zij verzadigd zijn?"

"Dat geloove de duivel indien hij zich wil laten bedriegen!" riep Burchard. "Gij zult het zien, heeren: zoohaast de Isegrims in het land zijn zullen zij weder hunne kuiperijen beginnen om onzen Kerels den balfaart, het juk der slavernij op den nek te drukken![20]"

"De graaf zal het beletten", zeide Matfried.

"De graaf?" schertste Burchard. "Die huichelaar? Hij heeft het zelf gepoogd; de oorlog alleen...."

"Zwijg, zwijg, daar is de proost!" mompelden eenige stemmen.

Bertulf, de proost van St-Donaas, die nu met zijnen broeder Hacket, den kastelein, in de kamer verscheen, was een man van meer dan zestig jaar, met grijze haarkroon en een ernstig en eerbiedwekkend gelaat. Ondanks zijnen ouderdom ging hij rechtop, en het geheel zijner statige wezenstrekken ademde niet alleen wijsheid maar tevens een diep gevoel van eigen waarde.

Hij droeg eenen zwarten tabbaard, die hem in wijde plooien tot op de voeten daalde en rondom hals en schouders eenig wit bont, zoodat zijne kleeding half geestelijk en half wereldlijk scheen. Inderdaad, ofschoon eene hooge kerkelijke waardigheid bezettende, was hij evenwel geen priester.

Na zijnen bloedverwanten en vrienden eenen stillen groet te hebben toegestuurd, zette hij zich nevens den kastelein in eenen der groote leunstoelen en zeide tot de aanwezigen:

"Heeren, ik heb u de tijding mede te deelen dat onze heer graaf overmorgen te Brugge zal aankomen. Hij zal ditmaal nog niet in Vlaanderen blijven; want hij moet terug naar het leger te Atrecht, waar de koning van Frankrijk eenen aanval der Engelschen uit Normandië verwacht. Hoe het zij, het betaamt dat wij onzen vorst, na zijne lange afwezigheid, met de verschuldigde eerbewijzen onthalen. Ik heb u doen roepen, heeren, om uwe hulp te vragen ten einde op den dag van 's vorsten intrede een behoorlijk getal vrije lieden uit de Ambachten naar de stad te doen komen. Gij zult begrijpen dat zulks noodig is om te beletten dat onze vijanden bij den graaf de Kerels beschuldigen van onverschilligheid of oneerbiedigheid jegens hem. Onze zaken staan nu op eenen goeden voet. Wij zijn er in gelukt gedurende des vorsten afwezigheid Kerlingaland in eene volstrekte rust te houden. De graaf moet over ons voldaan zijn en wij hebben dus het recht te hopen dat hij ons tegen de booze aanslagen der Isegrims zal beschermen."

"Ja, verwacht u daaraan!" gromde Burchard. "Hij is zelf de grootste Isegrim...."

"Mijn neef heeft altijd iets onaangenaams voor onzen heer graaf in den mond", zeide de proost berispende. "Het zijn persoonlijke redenen waarop wij nu geene acht dienen te slaan.... Alzoo, heeren, gelieft brieven of boden naar uwe burchten en hofsteden te zenden, met het verzoek dat men van daar eenige lieden naar Brugge doe komen om bij de intrede des vorsten tegenwoordig te zijn. Laat hen begrijpen dat het voor de Kerels een plicht is, een vaderlandsche plicht, onzen heer graaf met eerbied en blijdschap te verwelkomen."

De aanwezige ridders toonden zich bereid om aan dit verzoek te voldoen. Dat de graaf waarlijk ten opzichte der Kerels gunstig gestemd was, daaraan twijfelde de meerderheid sterk; maar zij wilden in deze onzekerheid den Isegrims geenen schijn van reden geven om hen bij den vorst van vijandschap tegen hem te betichten.

Burchard Knap alleen riep luid dat hij zulk onthaal vanwege de Kerels als eene laffe kuiperij aanzag. Graaf Karel van Denemarken was, volgens zijn gevoelen, een valschaard en een geboren vijand van alle recht en alle vrijheid zijns volks.

Terwijl de proost met bitterheid de onvoorzichtige woorden van zijnen neef laakte, als de zaak der Kerels ten hoogst schadelijk, werd de deur geopend en een ridder, met den helm op het hoofd en het maliehemd aan het lijf, trad onder het uitspreken eener luide groetenis in de zaal.

"Welkom, welkom, onze vriend Isaac Van Reninghe!" riepen de ridders, van hunne zetels opstaande om hem de hand te drukken.

"Gij komt van het leger? Hoe is het in Aquitanië vergaan? Mher Luitprand van Rousbrugge was erg gekwetst. Is hij genezen? Zijn er vele Vlaamsche ridders gesneuveld? Wie heeft er zich het meest onderscheiden? Wanneer komt ons leger terug?"

Dergelijke vragen werden hem van alle kanten toegestuurd; hij antwoordde er met zekere verstrooidheid op en scheen haast te hebben om hen van andere dingen te spreken. Nauwelijks kon hij met zijne vrienden eenige korte groetenissen gewisseld hebben, of hij stapte naar de deur, sloot ze toe en, tot de tafel terugkeerende, zeide hij:

"Heeren, ik ben vermoeid van de lange vaart en vraag u oorlof om te zitten. Ik heb ernstige berichten u mede te deelen."

Hij nam eenen stoel; en toen hij zag dat de anderen hem hierin hadden nagevolgd en hem nieuwsgierig aanzagen, sprak hij:

"Volgens hetgene ik onderwege van eenige vrienden heb vernomen, vleit gij u hier met de hoop dat men het ontwerp om de Kerels van hunne vrijheid te berooven heeft laten varen. Het doet mij leed uwe gerustheid te moeten storen; maar gij bedriegt u. De Kerels zijn integendeel bedreigd met eene nieuwe en ergere vervolging."

Een kreet van verrassing en gramschap ontsnapte den ridderen; Burchard Knap stampte geweldig op den vloer en gromde eene vermaledijding, maar de proost gebood hem de stilte en vroeg aan Isaac:

"Waarop, mher Van Reninghe, vestigt gij dit vermoeden? Zijn er bewijzen?"

"Bewijzen?" was het antwoord. "De leenheeren, de Isegrims sedert wij uit Aquitanië wederkeerden, beroemen zich openlijk dat zij de wapens niet zullen nederleggen voordat de Kerels den balfaart op den nek hebben en in eeuwige slavernij zijn gedompeld."

"Verstikke mij de nachtmare!" riep Burchard. "Indien wij door onze lankmoedigheid...."

"Zwijg, mijn neef, laat mher Isaac ten minste voortgaan", onderbrak hem de proost. "Wat heeft deze pocherij der Isegrims te beduiden? Wij zijn er aan gewend. Waarom zou ze ons nu verwonderen als iets nieuws?"

"Het zijn de Isegrims niet meer alleen", hernam Isaac. "De koning van Frankrijk en de voornaamste ridders, die hem omringen, moeten zich sedert eenigen tijd met de zaak der Kerels bezighouden; want zij spreken er van en beslissen den twist met de Walsche spreuk: pas de terre sans seigneur, geen grond zonder heer".

"Bij Loki en zijne horens! wat is dit voor eene taal?" riep Burchard. "Is elk vrij man niet meester van den grond die hem toebehoord? De Fransche koning? Ha, ha, de Fransche koning bemoeit zich met onze zaken? Niet genoeg dat men ons slaven wil maken, onze dwingeland zelf zou slaaf zijn van eenen vreemden vorst! Het is om te barsten van schaamte!"

"In dit geval blijft ons niets anders te doen dan geheel Kerlingaland te wapen te roepen", zeide Willem Van Wervick. "De schermzeis uit de scheede getogen voordat het te laat zij!"

"Ja, en zonder toeven al de burchten afbranden, die onze vijanden, om onze vrijheid te bedreigen, te midden der Ambachten hebben gebouwd!" voegde Burchard er bij. "Ik heb omtrent Eerneghem, in de bosschen, tweehonderd Houtkerels, echte Blauwvoeten, die snakken naar den strijd."

"Heeren, ik kan u niet genoeg de voorzichtigheid aanbevelen", zeide de proost, "u bovenal, mijn oploopende neef Burchard! Ontijdig geweld redt geene zaak, zelfs niet de rechtvaardigste. Houd u stil; blijf bedaard, zooals het een redelijk man betaamt."

Een somber gegrol ratelde in Burchards keel. Hij zou zulke berisping van geenen anderen man op aarde verdragen hebben; maar de proost, die als hoofd der Erembalds recht had om hier te gebieden, gaf geene acht op zijne spijt.

"Vrienden", ging hij voort, "ik beken dat de berichten, ons door mher Isaac Van Reninghe aangebracht, in schijn, ten minste, van aard zijn om u te kwetsen en te verbitteren; maar gelieft in te zien dat wij nooit iets anders dan zulke grootspraak vanwege de Isegrims te verwachten hebben."

"Ja, maar het is nu veel erger dan te voren", wedersprak hem Isaac. "Er moet eene geheime reden tot den eensklaps aangegroeiden overmoed der leenheeren bestaan. Kondet gij het hooren, vrienden, hoe onbeschaamd de Isegrims hunnen haat tegen de Kerels lucht geven! Zij zingen zelfs, met de hanaps in de hand, een spotlied tegen ons. Het is zeer lang en vol hoon. Ik heb er slechts de volgende rijmen van kunnen onthouden:

Wij willen de Kerels doen greinsen,
Al dravende over het velt;
Het 's al kwaad dat si peinsen,
Ic weetse wel bestelt,
Men sal se slepen en hangen,
Haar baart is al te lanc;
Sine connens niet ontgangen;
Sine dogen niet sonder bedwanc."

Een storm van verontwaardigingskreten borst los.

"Zoo sla mij Thors hamer, indien ik den eersten Isegrim die slechts een woord van dit lied in mijn bijwezen durft zingen het hoofd niet kloof!" schreeuwde Burchard boven het gerucht uit.

"Klachten genoeg, daden moeten er zijn", zeide Willem Van Wervick. "Wat blijft ons te doen? Het is gansch eenvoudig: ons in de Ambachten begeven en alles tot den opstand bereiden."

"Ja, en onmiddellijk Willem Van Loo, den burggraaf van Yperen, tot graaf van Vlaanderen uitroepen", viel Burchard woedend uit, "te wapen loopen met dien wettigen erfgenaam onzer graven aan het hoofd en Karel van Denemarken het land uitjagen!"

"Zijt gij daar alweder met die dwaze gedachte?" schertste de kastelein Hacket. "Is het zoo dat men beraadslaagt over de hoogste belangen? Gij maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen."

"Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Wiillem Van Loo niet de kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen, terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen? Haddet gij, mijne ooms, in den oorlog tusschen beiden, Karel niet geholpen, wij zouden nu eenen vorst hebben met Kerlenbloed in de aderen; want de moeder van Willem was eene Kerlinne[21]."

"En haddet gij en mher Isaac en velen uwer vrienden in den oorlog voor de Kroon u onzijdig gehouden", wedervoer Hacket, "de Kerels zouden waarschijnlijk nu de ongunst van den graaf niet te vreezen hebben."

"Ik verzoek u bedaard te blijven, heeren", zeide de proost. "Laat mij mher Isaac Van Reninghe vragen of hij ons met eenige zekerheid kan bevestigen dat graaf Karel dezelfde inzichten als de Isegrims jegens ons heeft."

"In der waarheid, ik moet bekennen", antwoordde Isaac Van Reninghe, "dat, welke moeite ik ook aanwendde, ik desaangaande niets heb kunnen vernemen. Maar gij weet hoe ondoorgrondelijk onze graaf is; en daarenboven, men mistrouwt mij omdat men vermoedt dat ik een vriend der Erembalds ben."

"Welnu", bemerkte de proost met eene zegevierende uitdrukking, "ik, integendeel, heb daarover rechtstreeksche berichten van iemand die meer dan anderen het vertrouwen van onzen graaf bezit en hem nooit verlaat, namelijk den ouden Frumold, wiens geloofbaarheid wel niemand uwer zal betwisten. Deze heeft mij geschreven dat wij alle redenen hebben om te gelooven dat men de Kerels voortaan aangaande hunne vrijheid niet meer zal verontrusten; en hij raadt ons aan onzen heer graaf met betuigingen van eerbied en verkleefdheid te onthalen en hem in zijne goede stemming ten onzen opzichte te versterken. Het is onze plicht dezen wijzen raad te volgen. De oorlog tegen onzen wettigen vorst, indien wij er toe gedwongen worden zal, in alle geval, een groot ongeluk zijn, dat wij behooren te ontwijken zoolang wij kunnen. Is dit niet het gevoelen der meerderheid dezer vergadering?"

Velen der tegenwoordig zijnde ridders knikten met het hoofd of antwoordden bevestigend.

"Laat ons dan tot een besluit komen, heeren", hernam de proost. "Mijn tijd is kostelijk; ik verwacht den voorschepen van Brugge. Ziet hier mijn gevoelen. Wij moeten ons bereiden om onzen heer graaf bij zijne intrede met de meest mogelijke eerbewijzen te verwelkomen. Diegenen onzer die niet gehouden zijn hem af te wachten, zullen hem te gemoet rijden...."

"Ik den graaf te gemoet rijden?" kreet Burchard. "Mij door de Isegrims uitdagend laten bekijken? Neen, neen, ik zou een ongeluk doen!"

"Daarom juist, mijn neef, omdat gij zoo oploopend zijt en u zelven niet kunt bedwingen, wilde ik u verzoeken dien dag te Bethferkerke te blijven[22]."

"Ha, vrees niet: men zal mij in Brugge niet zien!"

"Tot nu toe, heeren", ging de proost voort, "hebben wij geene redenen om den graaf als een vijand der Kerels te beschouwen. Integendeel, ik durf de overtuiging uitdrukken dat vorst Karel een edelmoedig hart heeft en nooit ons recht zal te kort doen, indien slechte raadslieden hem niet valschelijk tegen de Kerels aanhitsten. Wij zullen ons nu eerbiedig en verkleefd jegens hem toonen en zelfs, indien het geval zich voordoet, de hoonende houding der Isegrims over het hoofd zien, om geene reden van ontevredenheid aan den vorst te geven. Ontstaat het kwaad dat gij vreest, wij zullen onzen plicht doen en met goed en bloed de vrijheid van Kerlingaland verdedigen; maar niemand toch zal ons kunnen beschuldigen dat wij zelven de oorzaak der bloedige botsing waren.... In deze omstandigheid, heeren, verheugt het mij ten hoogste u te kunnen melden dat ik er gelukt ben het machtige huis van Rijkaard Van Woumen door een huwelijk aan onzen stam te verbinden. Rijkaard en de zijnen zijn machtig bij den graaf en hunne hulp is ons meer waard dan duizend zwaarden."

"Zoo? heeft mehr Robrecht Sneloghe dan eindelijk toegestemd?" vroeg Matfried Wegel. "Hij scheen van dit huwelijk niet te willen hooren."

"Inderdaad", bevestigde de proost, "hij heeft wel eenigen tegenstand geboden; maar gij weet het, onder ons is er geen die met meer edelmoed dan mijn neef Robrecht zich bereid toont tot zelfopoffering, zoohaast hij iets kan doen ten goede van ons geslacht en van Kerlingaland. Het was mij genoeg hem te doen begrijpen welke gelukkige gevolgen dit huwelijk, zoowel voor de Erembalds in het bijzonder als voor de Kerels in het algemeen, moest hebben, om hem de eervolle verbintenis te doen aanvaarden."

"En is Rijkaard Van Woumen met dit huwelijk tevreden?"

"Zeer tevreden."

"Een der machtigste leenheeren zich verbinden met eenen Kerel!"

"Met den rijksten en machtigsten Kerel", verbeterde Bertulf. "Wie weet niet dat mijn neef meer vrije gronden bezit dan mher Rijkaard leengoederen?"

"Het is gelijk, heer proost, indien dit huwelijk voltrokken wordt zult gij iets wonders gewrocht hebben dat, inderdaad, de Kerels sterk moet maken tegen de kuiperijen der Isegrims."

"Maar Ghijselbrecht Tancmar stond insgelijks naar de hand van jonkver Placida", bemerkte Yorg Koevoet. "Indien zijn oom, de hofraadsheer, met den graaf terugkomt, zou hij dit huwelijk nog wel kunnen beletten."

"Onmogelijk", antwoordde Bertulf, "heden nog, dezen morgen zelfs, zal Placida Van Woumen de beloftegift uit Robrechts handen ontvangen. Het is daarom dat mijn neef zich niet hier met ons bevindt."

"God zij dank, dit is eene goede tijding!" juichten al de aanwezigen. Burchard zelf glimlachte van tevredenheid en loofde uitbundig zijnen oom over deze zegepraal.

De proost was bezig met hun uit te leggen, hoe dit huwelijk den Kerels in eenmaal vele invloedrijke vrienden aan het hof des graven zelven moest verschaffen en hoe hij hoopte daardoor beter dan door eenen verderfelijken oorlog de rechten en de vrijheid van Kerlingaland te doen eerbiedigen. Een dienaar opende zachtjes de deur en meldde hem dat de voorschepen van Brugge verlangde hem te spreken.

Al de ridders stonden op. Zijne aanbeveling tot voorzichtigheid herhalende, leidde de oude Bertulf hen tot aan de deur.

Hier zeide zijn broeder Hacket in stilte tot hem:

"Maar, proost, waarom verbergt gij den toestand der zaken? Onze berichten zijn niet zoo geruststellend als gij het voorgeeft."

"Wat wij te vreezen hebben is dat de Kerels der Ambachten in beroering geraken. Dit zou de graaf ongunstig stemmen en de Isegrims in de hand werken. Met zulken onvoorzichtigen woestaard als onze neef Burchard, kunnen wij de waarheid niet gansch openbaren. De minste genster ware genoeg om het vuur van eenen ontijdigen opstand in Kerlingaland te doen ontvlammen. Ga zonder kommer, broeder, en gelief den deurwaarder te zeggen dat men den voorschepen binnenlate."

De kastelein drukte hem de hand en verwijderde zich.

Een voornaam en rijk poorter, die als voorschepen of burgemeester aan het hoofd van het stadsbestuur stond, trad in de zaal en groette den proost, terwijl deze hem minzaam eenen zetel aanbood.

Toen beiden gezeten waren, zeide de oude Bertulf:

"Heer voorschepen, dringende bezigheden, zooals gij aanstonds zult begrijpen, laten mij niet toe ten uwent te gaan; daarom deed ik u bidden u ten Burg te willen begeven. Ik moet u melden dat onze heer graaf overmorgen in Brugge komt...."

"Ik weet het reeds, heer proost", bemerkte de voorschepen.

"Gij weet het? Heeft dan de graaf u insgelijks eenen bode gestuurd?"

"Neen, maar de hofraadsheer Tancmar Van Straten bracht zelf mij de tijding."

"De raadsheer Tancmar?" herhaalde Bertulf met zichtbare bekommerdheid.

"Ja, en tevens de hofbottelier Walter Van Lokeren."

"Zij hebben wel veel haast om in Brugge te verschijnen, heer voorschepen."

"Inderdaad."

"Brachten zij u ook eenige bijzondere bevelen van den graaf?"

"Bevelen wel niet; maar zij raadden mij aan eene houten trede op de markt te doen timmeren om daarop de sleutels der stad den graaf te overhandigen alsof hij eene eerste intrede deed. De reden daarvan is dat eenige voorname Fransche ridders onzen vorst zullen vergezellen en hij verlangt dat zijn onthaal zoo plechtig mogelijk geschiede. Ik zie geen beletsel om onzen heer graaf hierin te vergenoegen. Daarenboven, ik zal de poorters uitnoodigen hunne huizen op den doortocht van den s toet met alle mogelijke pracht te versieren."

"Ik hoor wel dat voor alles naar behooren zal gezorgd worden", sprak de proost. "Het spijt mij u zoo verre te hebben doen komen, dewijl ik u niets anders te zeggen of te raden had."

De voorschepen stond op.

"Alzoo de raadsheer Tancmar is in de stad?" vroeg de proost peinzend.

"Ja, maar hij keert terug op de baan naar Atrecht om den graaf te gemoet te gaan."

"Wanneer vertrekt hij? Dezen morgen nog?"

"Neen, in den vooravond."

Bertulf schudde het hoofd.

"Verwacht gij dan een erg kwaad van Tancmars tegenwoordigheid?" vroeg de voorschepen verwonderd.

"Zit nog een oogenblik, heer voorschepen", zeide de proost. "Wat goeds kunnen de poorters zoowel als de Kerels van deze aanleiders der Isegrims verwachten?"

"Niet veel goeds", antwoordde de voorschepen, het hoofd schuddende. "Zij zijn de erfvijanden des volks in het algemeen. Verbeeld u, heer proost, dat zij nu beweren het recht te hebben om den balfaart der dienstbaarheid door een groot getal Brugsche poorters te doen betalen, onder voorwendsel dat dezen voortgesproten zijn uit onvrije lieden welke vroeger tot bezittingen der leenheeren behoorden. Onze keure, door vorige vorsten ons verleend, stelt als wet vast dat een onvrij man, die gedurende een jaar en eenen dag in onze stad woont zonder dat zijn heer hem teruggevorderd hebbe, tot poorter mag aanvaard worden en van dan af de vrijheid dezer poort geniet[23]."

"En de lieden welke de Isegrims den tol der dienstbaarheid willen doen betalen, wonen meer dan een jaar in Brugge?"

"Vele jaren, heer proost. Van sommigen weet men zelfs niet meer wanneer zij of hunne ouders binnen deze poort zijn komen wonen."

"Gij zult dit onrecht niet lijdzaam onderstaan, hoop ik, heer voorschepen?"

"Wij zullen ons bij den graaf beklagen en rechtvaardigheid eischen."

"Ja, onze heer graaf zal u waarschijnlijk tegen de aanmatiging der leenheeren beschermen. Wij moeten het hopen ... maar indien hij onzen vijanden gelijk gaf en men u wilde dwingen?"

"Wat er zou geschieden, heer proost? Wie kan het voorzien? Wij poorters hebben een taai geduld; maar des te meer gespaard bloed zouden wij voor het behoud onzer rechten kunnen opofferen indien eens de boog door overspanning brak."

Bertulf greep den voorschepen de hand.

"Wel gesproken", zeide hij. "Geduld hebben en door zachte middelen het onheil, dat ons dreigt, pogen af te weren, zoolang het mogelijk is; maar intusschen waken en zich bereid houden om op het uiterst oogenblik de dwingelandij der Isegrims eenen hardnekkigen tegenstand te kunnen bieden. Werden de poorters eerder dan de Kerels aangerand, wij zouden allen u ter hulp vliegen; want het geldt hier het dierbaarste dat onze vaderen ons hebben nagelaten. Hoezeer vroegere tijdsomstandigheden de instellingen dezer landen hebben veranderd, wij zijn toch altemaal van hetzelfde bloed: uwe voorouders en onze voorouders waren Kerels van éénen stam."

"Het is waar, heer proost", murmelde de voorsehepen.

"De Isegrims begrijpen ons daarom in denzelfden haat", ging Bertulf voort. "Poorters, Kerels, vrije mannen van binnen en buiten de steden, wil men doen bukken onder eene zelfde verdrukking. Slaan wij dus immer de handen te zaam en, waar het volk bedreigd wordt door degenen die niets beoogen dan al wat werkt of handel drijft in slavernij te dompelen, daar vinde het gevaar ons als broeders in dezelfde scharen!"

"Zoo zal het zijn als de worsteling ooit uitbreekt", bevestigde de voorschepen. "Wij poorters, zijn allen uwe vrienden, gij weet het wel; en wij zullen u helpen tegen uwe vijanden, die ook de onze zijn."

Hij reikte den proost tot vaarwel de hand.

Bertulf vergezelde hem tot bij de deur, keerde dan terug naa r de tafel en mompelde in gedachten:

"Tancmar is in de stad! Wat komt hij er doen? En indien hij iets van het ontworpen huwelijk verneemt? Zijn zoon Ghijselbrecht heeft lang naar de hand van jonkver Placida gestaan. Gelukkig dat op dit oogenblik de beloftegift reeds moet aanvaard zijn en het dus geheel onwaarschijnlijk is dat Rijkaard Van Woumen nog op eene wederzijds bevestigde verbintenis kan terugkomen.... Maar Tancmar is zoo vol list en zoo bedrijvig!"

Hij hief het hoofd op en zag Robrecht Sneloghe die met droef en spijtig gelaat te midden der zaal stond.

"Nu, mijn neef, wat beduidt dit treurig aangezicht?" vroeg hij verwonderd en bekommerd. "Heeft jonkver Van Woumen uwe gift aanvaard?"

"Ik heb mij nog niet bij haar aangeboden", was het antwoord.

"Hoe, gij zijt nog niet in sher Rijkaards Steen[24] geweest?" riep de proost met verbazing uit. "Welk noodlottig beletsel hield u terug?"

"Wees toegevend voor mij: laat mij afzien van dit huwelijk!" zeide Robrecht.

"Onmogelijk, gij zijt zinneloos!" kreet de proost, die zich door zijne spijt liet vervoeren.

Robrecht zou anders van niemand zulke harde woorden geduld hebben; maar hij onderstond deemoedig den uitval van zijnen ouden oom.

"Ik bezweer u, heer oom", smeekte hij, "bij de gedachtenis mijns vaders, dien gij zoo liefhadt, dwing mij niet tot het aangaan dezer verbintenis!"

"Zij is noodig tot het heil van Kerlingaland. De Isegrims bedreigen onze vrijheid."

"Welnu, oom, dat het zwaard dan onze rechter weze! Mijn bloed wil ik geven tot den laatsten druppel; maar gij eischt mijne ziel...."

"Uwe ziel?"

"Ja, gij slachtoffert mij zonder mededoogen, ik weet niet ten gevolge van welke diepe berekeningen. Bestrijden wij de Isegrims, maar het weze niet door sluwe middelen. De list was altoos de toevlucht der zwakken en der lafaards; wij zijn sterk en onversaagd."

"Waarlijk, gij doet mij twijfelen aan de vastheid uwer zinnen" morde de proost, sidderend van verontwaardiging en ongeduld. "Waarom breekt gij uwe belofte?"

"Ik zal ongelukkig zijn, geheel mijn leven!"

"Met Placida Van Woumen? Is zij niet schoon genoeg?"

"Schoon als eene lelie is zij, heer oom."

"En rijk en edel geboren?"

"Ik zal ze nooit kunnen beminnen. Dit huwelijk boezemt mij schrik en afkeer in."

"Waarom toch?"

Robrecht aarzelde om de bekentenis, die hem op de lippen zweefde, uit te spreken. Evenwel hij deed geweld op zich zelven en zeide met vaste stem:

"Omdat ik eene andere vrouw bemin."

"Gij bemint eene andere vrouw?" kreet de proost met verbaasdheid.

"Dakerlia Wulf."

"Kom, kom, dit is onmogelijk, mijn neef! Disdir Vos staat naar de hand van jonkver Dakerlia en haar vader stemt toe in haar huwelijk met hem."

"Mher Wulf laat zijne dochter de vrije keus. Mij bemint Dakerlia."

"Gij hieldt dezen band uws harten voor mij verborgen! Gij hebt mij dus bedrogen?"

"Eerst heden ontving ik hare bekentenis."

"En om deze liefde van eenen enkelen dag gehoor te geven wilt gij de hoogste belangen uws vaderlands slachtofferen en mijne gelukkige pogingen verijdelen?" gromde de proost bitter schertsend. "Het is eene onbegrijpelijke dwaasheid. Spreken wij er niet langer van. Wilt gij niet dat ik, door de diepste treurnis getroffen, u voor altoos mijne vriendschap en mijne achting onttrekke, begeef u onmiddellijk naar sher Rijkaards Steen en bied jonkver Placida uwe beloftegift aan!"

"Dus geene genade voor mij?"

"Geene. Uwe belofte moet u heilig zijn."

Robrecht bezag zijnen oom eene wijl met strakken blik, als worstelde hij nog tegen een pijnlijk besluit. Dan zeide hij, het hoofd verheffende:

"Gij weet, heer oom, hoe ik u sedert mijne kindsheid heb geëerbiedigd en bemind als waart gij mijn vader. Er is eene grens aan alles. Vermits gij onverbiddelijk blijft, welnu, laad uwe gramschap op mij: ik weiger u te gehoorzamen. De bruidegom van Placida word ik niet!"

"Niet?"

"Nimmer, heer oom. Dakerlia Wulf zal mijne levensgezellinne zijn."

"Ha, ha, dit zullen wij zien!" riep de proost met ongeduld. "Luister slechts op de tijding welke ik u mede te deelen heb. Overmorgen komt de graaf in Brugge. De Leenheeren, de Isegrims, onze vijanden, beroemen zich openlijk dat zij nu met geweld onze broederen, de Kerels der Ambachten, den balfaart gaan opdringen. Het uur van den grooten strijd om vrijheid of slavernij, om leven of dood nadert dus waarschijnlijk voor het Kerlingaland."

"God zij dank", mompelde Robrecht, "dat wij eindelijk ons leven mogen wagen voor de vrijheid!"

"Dat kan de minste Kerel", wedervoer de proost met drift. "Wie meer heeft brenge meer ten offer, indien hij zijnen plicht getrouw wil zijn. Daareven was ik, in deze zaal zelve, vergaderd met uwe ooms en neven en met eenigen onzer vrienden. Allen juichten bij de aankondiging van uw huwelijk, als bij iets dat de booze ontwerpen onzer vijanden voor altijd kon verijdelen. Want, misken het niet, dit huwelijk moet geheel een edelgeboren en aanzienlijk geslacht tot vrienden en verdedigers der Kerels maken. Door aldus de verdeeldheid onder de Isegrims zelven te brengen, breken wij hunne macht.

Rijkaard Van Woumen kan dit alles bij den graaf. Indien hij den vorst rechtvaardigheid jegens de Kerels inboezemt, wat hebben wij te vreezen?"

Robrecht was bleek geworden en hield den blik beweegloos op zijnen grijzen oom gevestigd.

"Volhard nu in uwe weigering", ging deze met klimmenden nadruk voort; "maak dat de hulp van mher Rijkaard ons ontbreke en de noodlottige botsing diensvolgens niet worde belet. De grond van Kerlingaland zal met lijken en puinen overdekt worden, en—wie kan het weten?—misschien zal in dit akelig bloedbad de vrijheid der Kerels, de vrijheid van ons geslacht voor eeuwig vergaan. Na zulke ijselijke ramp zou de vloek der overlevenden op eenen enkelen man geladen worden. Uit den afgrond der slavernij zou men, tot in de verre toekomst zelve, den naam van eenen trouwelooze, van eenen ondankbare vermaledijden, wien de noodige moed ontbrak om op het altaar van den plicht het offer te brengen dat zijn vaderland kon redden!"

Met het hoofd gebogen en als neergedrukt onder het gewicht der wreede noodzakelijkheid, luisterde Robrecht sprakeloos op de strenge woorden van zijnen oom.

Deze meende te voorzien dat zijn neef zich eindelijk weder zou onderwerpen en verzachtte daarom eenigszins den toon zijner stem.

"Mijn goede Robrecht", zeide hij, "ik kan waarlijk niet begrijpen hoe gij niet met blijdschap de hand van Jonkver Placida aanvaardt. Dit huwelijk moet niet alleen u tot eenen hoogen trap van roem verheffen, maar zelf gansch ons geslacht nader bij den troon brengen. Mher Wulf daarentegen is niet rijk; hoe eerlijk en hoe achtbaar hij ook weze, de hand zijner dochter doet u afdalen."

Eene hevige siddering doorliep Robrechts leden en een ongeduldige grijns verkrampte zijne lippen; doch hij antwoordde niets.

Bertulf aanzag deze zure uitdrukking als het teeken van nieuwen onwil.

"Verlangt gij inderdaad, mehr Sneloghe", vroeg hij met nog meer klem, "dat ik onze magen en vrienden doen terugroepen om hun aan te kondigen dat gij liever nog Kerlingaland aan verdelging en slavernij ten prooi geeft dan de hand te aanvaarden der schoonste en rijkste erfgename van Vlaanderen? Gij aanroept de gedachtenis uws vaders? Meent gij misschien dat zijne ziel juicht, daar hij ziet hoe zijn eenig zoon zijn geslacht verraadt en weigert te gehoorzamen aan mij die de erfgenaam ben zijner overheid op aarde? Gij antwoordt mij niet? Is alle gevoel van eer en plicht eensklaps in u gestorven? Weigert gij dan de minste opoffering voor het welzijn van Kerlingaland? Wilt gij de vermaledijding te gemoet gaan van een gansch volk, dat door uwe zwakmoedigheid kan veroordeeld worden tot eeuwige slavernij? Ha, ha, ware jonkver Dakerlia hier met ons, en eischte ik van haar, tot redding onzer vrijheid, zulke opoffering, meent gij dat zij, die eene vrouw is, zou weigeren? Is zij geene Kerlinne?"

Robrecht stond op. Zijn gelaat droeg nog wel den stempel eener diepe droefheid, doch in zijne oogen fonkelde eene genster van beradenheid.

"Heer oom, staak uwe bittere verwijten", zeide hij, "zij zijn overbodig."

"Hoe meent gij het?"

"De wreede strijd is over in mij. Het kost moeite. Ik dwaalde; gij hebt gelijk. Hoezeer ik ook hadde gewenscht dit huwelijk te kunnen ontwijken, ik erken mijnen plicht en onderwerp mij aan de noodzakelijkheid."

"Oprecht? Ernstig?"

"In vollen ernst. Wees gerust: eer een half uur verloopen zij, zal jonkver Placida mijne beloftegift ontvangen hebben. Zooals gij zegt, oom, Dakerlia zal begrijpen dat de plicht jegens Kerlingaland...."

"Dank zij God, die u mijne genegenheid en achting waardig laat blijven!" juichte de proost met onverborgene blijdschap. "Ga, mijn goede neef, haast u; want onze vijanden zijn waakzaam."

Bij de deur hield hij mher Sneloghe met de hand terug, als schoot er een onrustwekkend gepeins door zijnen geest, en zeide:

"Robrecht, indien gij door de zuurheid of de treurigheid uws gelaats gingt toonen dat dit huwelijk u bedroeft? Indien gij door de koelheid uwer woorden jonkver Placida tot eene weigering deedt besluiten of een uitstel deedt vragen, meent gij dat gij jegens uw geslacht niet even schuldig zoudt zijn?"

"Vrees niet, heer oom", antwoordde de jonge ridder, "mijn besluit is genomen, rechtzinnig genomen; ik zal onderwege mijne krachten verzamelen en, wees zeker, mij zal de moed niet ontbreken om mijnen plicht tot het einde te volbrengen."

"Toon u ten minste een weinig lieftallig voor jonkver Placida."

"Hoofsch en minzaam moet een ridder immer met jonkvrouwen zijn. Dit kan ik niet vergeten. Placida is schoon en bevallig. Ik zal mij aan het denkbeeld van dit huwelijk pogen te gewennen. Hopen wij dat er later ook liefde voor jonkver Van Woumen in mijn hart zal groeien. Wel schijnt het mij nu moeilijk; maar de wil van eenen man, als hij eenen duren plicht vervult, kan wonderen wrochten...."

"Zoo is het wel, mijn goede Robrecht!" riep de proost, hem juichend op den schouder slaande. "Ga nu spoedig met mijnen groet en mijnen zegen."

Hij meende zich naar de Hof straat te richten; maar nu schoot hem eensklaps de herinnering te binnen, dat hij de juweeldoos in zijne woning had gelaten. Zonder beloftegift kon hij niet tot jonkver Placida gaan.

Het hoofd met mismoed schuddende, begaf hij zich naar de Hoogstraat. Wel vertraagde hij zijnen stap en wel scheen hij soms te willen staan; maar het lot en de plicht dreven hem naar zijnen Steen.

Hij trad bevend in de zaal waar hij Dakerlia nog meende aan te treffen. Zijne zuster was gansch alleen. Dit gaf hem eenige sterkmoedigheid weder.

Terwijl Witta bij zijne eerste woorden reeds in tranen van medelijden losborst, poogde hij haar te doen begrijpen dat zij allen met verduldigheid zich onderwerpen moesten aan den onverbiddelijken plicht. Hij, Robrecht, mocht nu met Dakerlia niet meer spreken. Jonkver Wulf zou dit zelve wel erkennen. Witta zou haar gaan zeggen dat alle hoop was verloren. Zij beloofde, op het dringend verzoek haars broeders, alles aan te wenden wat mogelijk was om hem bij Dakerlia te verontschuldigen en hare arme vriendin te troosten.

Mher Sneloghe stak de juweeldoos in de tasch die hem aan den gordel hing en verliet zijnen Steen met opgehouden tranen in de oogen.

Hij stapte haastig voort tot op de Markt. Hier bleef hij staan en wreef zich met kracht over het voorhoofd, als om de volle bewustheid van zijnen toestand te bekomen. Na eene wijl overwogen te hebben mompelde hij treurig in zich zelven:

"Vaarwel, vaarwel, o schoone droom die den hemel voor mijne oogen had geopend! Een enkel uur hebt gij geduurd ... om mij de slachtoffering bitter en schrikkelijk te maken! Het is gedaan: uwe herinnering zelve wil ik uit mijne hersens vagen. Ach, het lot is mij wreed; maar de plicht is eene stalen wet. Ik ben man en Kerel; geene zwakheid!"

En na het uitspreken dezer woorden, stapte hij langzaam en immer denkend over de Markt, en verdween achter St-Christoffels-kapelle.

Voetnoten:

[16]

Deze oude toren is ingestort ten jare 1316. Zie DESPARS, cronycke, enz., I, pag. 395.

[17]

"Burchard, die wreede, woedende, onversaagde krijgsman, begaafd met eene wonderlijke lichaamskracht."

GALBERTUS, uitgegeven door Guizot, Collection des Mém. rel. à l'hist. de Fr., tom. VIII, pag. 314.

[18]

Over dezen krijgstocht van den graaf van Vlaanderen in Aquitanië met den koning van Frankrijk, zie SUGER, Vie de Louis-le-Gros, uitgegeven door Guizot, tome VIII, pag. 132.

[19]

Thor, de krijgsgod der Romeinen, werd verbeeld met eenen zwaren hamer in de hand. Men zegt daarvan nog in Brabant, van iemand die zeer verbaasd of verbluft is: hij staat als van den hamer geslagen.

[20]

"De tol der dienstbaarheid, gezegd half have en Balfaert, ook geheeten beste hooft."

VICTOR DE RODE, Ann. du Comité Fl. de Fr., t. VIII, pag. 145.

[21]

Deze Willem Van Loo, burggraaf, dit is kastelein van Yperen, was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van Denemarken was dit insgelijks, doch door Adela. Men vindt den volledigen geslachtsboom in Vie de Charles-le-Bon par le Dr. Wagner, trad. du Danois par un Bollandiste.

[22]

Tancmar had een landgoed te Straten en Burchard eene woning te Bethferkerke. Beide deze plaatsen lagen op het gebied der tegenwoordige parochie St-Andries, op eene mijl van Brugge.

[23]

Bij het ontstaan der steden of vrije gemeenten was een slaaf vrij als hij ongestoord een jaar en eenen dag in de stad had gewoond."

P. BLOMMAERT, Aloude Gesch. der Belgen, pag. 175.

[24]

Die vorm Sher of Ser, alsdan gebruikt, is de genitivus van heer; het is alsof er stond: des heeren Rijkaards steen.


III


Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen, de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen.

Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag. Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad.

De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend als op eenen lentedag.

Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs goud-en zilverdraad in een zijden boofdhulsel.

De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun raad, als ware zij hier de meesteresse.

Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten.

Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog vochtig.

"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet bemoeien, zooals gij het soms doet."

"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher Robrecht Sneloghe roemde?"

"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij zijn lijfeigene lieden,—slaven."

"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht.

"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid; gij moet het ootmoedig verdragen."

Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te kunnen worden. Fluisterend zeide zij:

"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen; want ziet gij niet...."

"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst. "Indien men u hoorde, ongelukkige!"

"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelborga?"

"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen met hoegenaamd niets te denken."

"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van verontwaardiging in de oogen.

"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij gaf?"

"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk."

"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep."

"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta

"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw.

"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?"

"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou zulke mishandeling niet lang overleven."

"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den mond eener lijfeigene!"

"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest."

"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?"

"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te zijn."

"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen twijfellach op de lippen.

"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt", wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult begrijpen waarom er nog ee nige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man; als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en bracht met zijne schermzeis—dit is een zwaard—zijnen tegenstrever eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader gedood hebben, zooals het recht en de plicht der Veete het hun oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij, is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen."

Er bleef eene wijl stilte.

"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha.

"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene geworden."

"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid verloren hebben."

"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken. Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar gezellen, en zij gaan en komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook, moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden. Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen. Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf geen mensch was?"

"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha.

"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht Tancmar zulks doen?"

"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta."

"Wat dan, Martha?"

"Het bloed spreekt in u."

"Ik begrijp u niet."

"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht Sneloghe is een Kerel geweest."

"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid behoudt."

"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?"

"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan het Gilde verbonden."

"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit."

"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met blijdschap uit.

"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u gesproken, Brigitta."

"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze jonkvrouw met mher Robrecht...."

De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch schouwden tersluips naar hunne naderende meesters.

Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk zou dus binnen eenige weken worden gevierd!

Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen, haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed.

Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel.

Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote, Ver Aldegunda.

Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen.

Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide gezellinnen den tuin.

De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan om elk bevel der meesters te ontvangen.

"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten, niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten."

"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed, dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden, waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet vroolijk daarom, Placida?"

"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en omhelzen."

"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd.

"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne, zoo verre van Brugge!"

Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken. Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen ridder met kommer.

Na eene korte stilte vroeg Placida's vader:

"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?"

Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida en zeide:

"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen, en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken, niet waar?"

"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden."

"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom."

Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed, dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken.

Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde da knaap die tot dan bij de deur had gestaan.




 ...Robrecht hief het hoofd op.
...Robrecht hief het hoofd op.


"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij verlangt u te spreken."

"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na den middag te willen wederkeeren."

De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke boodschap moeilijk was.

"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester.

"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord.

Mher Rijkaard stond met verrassing op.

"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu, Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer zoo spoedig mogelijk tot u weder."

Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte.

Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard:

"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?"

"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge."

"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?"

"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van Normandië, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard, onzen graaf te gemoet te gaan?"

"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk terugkeert? Is de oorlog ten einde?"

"De vrede is gesloten."

"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?"

"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het mij...."

Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover Tancmar hem ging onderhouden.

"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij.

"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen uwe dochter en mher Sneloghe."

"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting. "Dit huwelijk is besloten."

"Besloten?" riep Tancmar.

"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal voltrokken worden."

"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen."

"Waarom?"

"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan mishagen."

"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die hem daartoe zoudt aandrijven?"

"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer dochter en voor de eer van uwen naam."

"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt."

"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend."

"Welnu, wat geeft dit?"

"De Erembalds zijn Kerels."

"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen.

"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar.

"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren ridder."

"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is slechts eene zaak van tijd."

"Hoe meent gij het?"

"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Gallië, dat is uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in Duitschland, in Italië en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?"

"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze daardoor niet zijn verzwakt."

"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan één opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden gedwongen."

"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?"

"Met list en geweld."

"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne vrijheid niet meer zou betwisten!"

"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen glimlach.

"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?"

"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder mishaagt,—wij zullen er voor zorgen,—dan zal hij onmiddellijk doen wat de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan."

"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk niet. Welk ijselijk bloedbad!"

"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend, is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen."

"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?"

"Ja, zeker."

"Maar onze heer graaf zou het beletten."

"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een min onplooibaar ras bevolken."

Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd.

"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!" riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap zijn."

"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt. "Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de vervolving te doen begrijpen?"

"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden."

"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar."

"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat."

"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden glimlach.

"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot aanvaarden."

"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te verbreken?" morde Van Woumen.

"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot den slavenstaat kan gedompeld worden?"

"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken."

"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen; gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre op den namiddag."

"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen."

Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof.

Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden stem:

"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen, de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid; want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en verliet sher Rijkaards Steen.

Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene wijl denkend ten gronde en murmelde dan:

"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had bedrogen? Droeve onzekerheid!"

Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu, om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet ontworpen huwelijk te breken.

Tot Robrecht naderende, zeide hij:

"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in Brugge komt?"

"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt, deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen. Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden."

Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide hij:

"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht mij een eind weegs wil vergezellen?"

De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat.

Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als om toch iets te zeggen:

"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig"

"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van onzen heer graaf."

"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?"

En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig.

"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd schuddende.

"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard.

"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen, zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?"

"Ja, mijn vriend."

"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van met treurnis en spijt."

"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der dienstbaarheid op te leggen?"

"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Kobrecht met fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne bedreigde vrijheid te verdedigen."

"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?"

"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de laatste onzer in dien strijd bezwijken."

Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld de hand en verwijderde zich.

De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn geest bezwaard door duistere gedachten.

Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven.

In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de Spiegelrei bereikte.

Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden.

Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten.

Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze, welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen. Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het lot hem had gegeven.

Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde.

Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart.

Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen.

Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en trad langzaam tot de steenen bank.

Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen zucht en zeide:

"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!"

"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe.

"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?"

"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir."

"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?"

"Welke vraag! Dit weet toch iedereen."

"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan ik niet leven."

Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan.

"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad."

"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?"

"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft jonkver Dakerlia dit verklaard?"

"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!"

"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim."

Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem.

"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het sedert lang. Het is eene andere vrees d ie mij als een venijnige worm aan het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij, integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten; maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?"

Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd.

Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of van smart in zijne oogen blikkerde.

"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden ontroerd.

"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos.

"Ik heb haar inderdaad bemind ..."

"O, hemel! En nu?"

"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga trouwen-"

"Trouwen?"

"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk bereid."

"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een versmachtend gewicht."

"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan, zonder dat wij het zelven wisten ..."

"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van blijdschap.

"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte ons dit geheim."

"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?"

"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten verraden."

"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?"

"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet lijden. Daarom poog ik u te troosten."

"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..."

"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."

"Indien gij bij jonkver Dakerha eenige goede woorden ten mijnen voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-"

"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het, niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden niet meer zien."

"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir.

Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette:

"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te komen?"

"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne beloftegift heeft ontvangen."

"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?"

"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt. Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia willen getrouwd zien."

Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide hij nog met eene uiterste goedheid:

"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en blijf hopen."

Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna met een zuren lach op de lippen.

"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds. "En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den boezem verscheurt!"

Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in de oogen blonk.

Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten.

Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde en glinsterende tranen van hare vingeren rolden.

"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo bedroefd? Wat is de reden uwer smart?"

"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!"

"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt.

"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed. Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer. Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!"

Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit teeken zijner ontroering met geweld.

"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!"

"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?"

"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!"

"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt, opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer; ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief."

De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en verliet met haast de zaal.

Voetnoten:

[25]

Eenen moord kon men afkoopen van de erfgenamen of naaste bloedverwanten des vermoorden, betalende eene zekere vergoeding, welke men het zoengeld noemde.

[26]

Er bestaan van dien tijd nog vele oorkonden waarbij zekere vrije personen zich de eene of andere abdij dienstbaar maken om hare bescherming te genieten.

[27]

Bij de Germaansche stammen moest men een grondeigendom bezitten om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Dit eigendom noemde men eene were en den bezitter eenen weerman.

[28]

Morgengave was de gift welke de bruidegom zijne bruid moest schenken den morgen na zijn huwelijk; het was de eigenlijke bruidschat.

[29]

Zie aangaande de Vlaamsche strijdmacht, in het Fransche leger: SUGER, vie de Louis V, le gros, in de Coll. des mémoires rel. à l'hist. de Fr., tome VIII, pag. 126.


IV


Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden geworden.

Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds hunne hulde bewezen.

Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen.

Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij in zijn graafschap hoog was geëerd en algemeen bemind, stemde de zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt, te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in te slaan.

De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf. Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten hertog van Normandië, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd vereerd en ontzien.

Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen; maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid.

Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden, en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen.

Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen.

De hertog van Normandië, toen zij meer genaderd waren, keek met eene bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk.

"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken", zeide de graaf.

"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandië. "Zij hebben waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!"

In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen, het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare versiersels.

Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met zilveren drijfwerk was opgeluisterd.

Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het voorbijrijden.

"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandië verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij edelgeborenen?"

"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten dooden dan hun zwaard af te leggen."

"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij weigeren u eenige schatting te betalen?"

"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen Gildenschat noemen."

"En zij zouden kunnen weigeren?"

"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift."

"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren."

"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner zaken."

"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?"

"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden, hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een rechtsgebied, dat zij een Ambacht[32] noemen, en de bewoners van zulk Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of verrichten."

"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem van Normandië, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?"

"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb gezworen te eerbiedigen."

"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?"

"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven; maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld."

"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit opstaan."

"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?"

"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande gekomen?"

"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied. Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is Engeland, veroverden."

"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?"

"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot op de grenzen van uw hertogdom Normandië."

"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners van Engeland?"

"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in Engeland vindt."

"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot onderwerping te dwingen, heer graaf?"

"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en ridders."

"En zijn er geene edelen onder hen?"

"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd."

"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer graaf!" kreet Willem van Normandië. "De gansche ridderschap zal u betichten van zwakheid!"

"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers, werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen vernietigen."

"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandië verwonderd, "gij spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van moordenaars en dieven."

"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht der Erembalds is."

"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem; "mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan zijnen vorst."

"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond."

Willem van Normandië wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn paard nevens de vorsten.

"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt."

"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durve n beweren dat zijne al te groote goedhartigheid hem verblindt. De Kerels zijn godvergetene, woeste, schaamtelooze lieden, die de overheid van onzen vorst met schuldige trotschheid miskennen en verachten. Ik wil het bewijzen ..."

"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor alsnu daarvan te zwijgen."

"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende, terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong achteruit te blijven.

Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis, voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke woorden te hebben gewisseld.

"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van Normandië.

"Hij is een Kerel", zeide de graaf.

"Ben Kerel? Onmogelijk!"

"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe. Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien wel de rijkste man van geheel mijn graafschap."

Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg. Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge bereiken ...

Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had opgetimmerd.

Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen.

De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren herhaald.

Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide een standaard met de wapenteekens van den bewoner.

Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst des graven met blijdschap werd afgewacht.

De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters, reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of biuine verf hunner kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien.

Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle.

De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden.

Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt.

Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar. Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield.

"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?"

"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?"

"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer uitblijven."

"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot op deze stelling geleiden."

"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten."

"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen. De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit gedrang met kleine kinderen zich begeven ..."

Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de menigte te kunnen heenzien.

Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd.

"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?"

De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer stil:

"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met zwarten baard?"

"Ja, zeer wel", antwoordde zij.

"Herkent gij hem?"

"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete."

"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?"

"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij misgrijpt u: die man is Warad niet."

"Hij is het, zeg ik u, Strena."

"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!"

"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen broeder niet ongewroken laten."

"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm vattende.

"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet, dan kom ik onmiddellijk bij u terug."

Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte.

De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden? Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon het weten?

Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar.

"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne."

"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen."

"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben; maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd."

"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op eenen anderen dag?"

"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen ... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt, kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij."

Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein.

Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en geurige wolken in de hoogte deden stijgen.

Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge, vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden.

Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren.

Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven hield.

Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen, gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van goudlaken was behangen.

Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en onverbiddelijk voor wie hem mishaagt".

Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken was van zijne tochten in het Heilig Land.

Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van Normandië. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder.

Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester; Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van Aelst en Daniël Van Dendermonde.

De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die den graaf op de reis hadden vergezeld of hem nu te gemoet gekomen waren, volgden allen zonder herkenbare schikking. Zelfs bevonden zich in dit gedeelte van den ruiterstoet vele Kerels; en men kon ook hier bemerken dat er geene vriendschap tusschen deze laatsten en de leenheeren bestond, want zij reden zichtbaar van elkander gescheiden.

Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en daar het volk zijnen groet toestuurde.

Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap te betuigen en den graaf te verwelkomen.

Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar hare blijde kreten herhaalde.

De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandië, wanneer deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem betuigde.

Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de man met het fluweelen kussen.

De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwe l in eerbiedvolle woorden zijne bescherming inroepende tegen degenen die de vrijheden of de rechten der poorters van Brugge zouden willen schenden.

De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte der redevoering niet had gehoord.

De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en zij daalden half mismoedig de trede af.

Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te begiftigen.

Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit belangrijk gesticht in te roepen.

Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken?

Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de Markt deed hergalmen[33].

Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden "kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat daar een twist werd beslecht waarmede niemand zich te bemoeien had.

Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde.

"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!"

Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen. Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem geweld aandeed.

Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon:

"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?"

"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer kastelein, kent de wet beter dan ik[34]."

"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter kwaad te vermijden."

"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen."

"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u onderdanig uit voorzichtigheid."

"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling vooruitstapte.

Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en beraden als ontstelde hem niet de minste vrees.

"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld, ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten toon hangen!"

Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering in de oogen, dat deze verrast murmelde:

"Vermetele, gij gelooft het niet?"

"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?"

"Spreek", morde de vorst met ongeduld.

"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Ambacht verdwenen. Ik ontmoette hem hier en deed mijnen plicht."

"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild.



...viel met gekloofd hoofd ten gronde.
...viel met gekloofd hoofd ten gronde.


"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb gedaan."

"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken."

"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten wie het deed vergieten!"

Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde.

De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier belachelijk.

"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen."

Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond, sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van zijn zwaard.

"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om hem te naderen.

Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden en gebeden dat zij zich nog stilhielden.

Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling, naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor:

"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet gij het niet, gij brengt waarschijnlijk de vrijheid van gansch Kerlingaland in gevaar. Wij zullen over u waken en zorgen dat u geschiede volgens wet en recht. Ik smeek u, gehoorzaam den graaf ... Desnoods gebied ik het u op uwen gilden-eed!"

"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel, eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort."

"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts. "Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken."

De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne vrienden tot bedaren.

Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de paarden bij te brengen en den stoet te vormen.

Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen, welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried.

Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren. De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan.

Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch gevolg van de trede.

Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen. Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen rondom hem geschiedde.

Zoo kwam de stoet op den Burg.

Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat het middenplein van den Burg er van hergalmde.

Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen.

Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge tot zich en vroeg met dreigenden blik:

"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?"

"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u gelieve hem te ontslaan."

"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den moordenaarskuil geketend?"

"Neen, heer".

"Waarom niet, kastelein?"

"Hij is een vrij man, heer graaf."

"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen voeren."

De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stil te, want men begreep dat hij zeer vergramd en bedroefd moest zijn. Bovenal waren de Fransche ridders verontwaardigd over de voorbeeldelooze stoutheid der Kerels en de oneerbiedige houding van gansch het volk, dat zich den moordenaar veeleer gunstig dan vijandig had getoond.

Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide:

"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!"

Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandië, stapte door eene zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en toonde Willem van Normandië eenen zetel nevens zich.

Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren, Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders.

Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst:

"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?"

"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al de raadsheeren.

"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen, moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van St-Donaas aan zijn oor gesproken, hem gedwee maakte als een lam. Het is dus de proost, het zijn dus de Erembalds die over de Ambachten en over de Kerels gebieden! Zij ontrooven aan den vorst zijne wettig overheid en maken er dan nog gebruik van om de Kerels tot hoovaardigheid en tot opstand aan te drijven, niet alleen tegen den graaf, maar tegen al wat edel is in Vlaanderen ..."

"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren. Wie zal zijn vonnis uitspreken?"

"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?"

"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandië, "mij dunkt dat er reeds te veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de plichtige hinge reeds aan de galg."

"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn, aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?"

"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen."

"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer, Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen alle wettelijke overheid durft opwerpen. Maar wat kan ons nu het straffen van eenen enkelen man baten? Men neme in acht dat de beschuldigde Kerel, volgens de wetten der Ambachten, in zijn recht was en niets gedaan heeft dan zijnen plicht."

"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer Tancmar met eenige bitterheid.

"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen? Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen ontkennen?"

"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees."

"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast wij het met zekerheid kunnen doen?"

"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels."

"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!" schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus in de gevangenis ..."

"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,—en, willen andere begoede Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren. Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar insgelijks."

De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond.

"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?" kreet hij. "Zulke vernedering!"

"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft! Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!"

"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn Ambacht zullen hem oordeelen."

"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf. "Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen mijnen wil."

"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel, waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak op eenen enkelen persoon te plegen."

De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond op en sprak:

"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze d roeve zaak nog ter uwer meerdere eere zal worden geëindigd. Laat den Kerel u verschooning en vergiffenis vragen, omdat hij op zulken dag en in uwe tegenwoordigheid wraak pleegde, en schenk hem dan door eigene beweging de vrijheid. Men zal deze daad onthalen als eene hulde aan het recht, zoolang dit recht bestaat, en men zal u roemen als een grootmoedig vorst."

Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten bevestigend.

"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet; men moet ze breken."

"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold. "Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen."

"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!"

Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht, waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen vriend zou beslissen.

"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets belangrijks mede te deelen."

Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop de wraakneming was geschied.

Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen.

Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne vrijheid zou terugbekomen.

Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet.

Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de gevangenis te volgen.

De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de uitslag van des kasteleins poging zou zijn.

Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven vergiffenis.

Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het hof.

De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal en wachtte daar een verder bevel.

"Treed nader!" gebood de vorst.

Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de Kerel vooruit.

"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!"

"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen plicht gedaan."

"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel slaande.

"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen, "Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe grootmoedige verschooning te gunnen."

"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden o ver deze ootmoedige woorden, die hem gelegenheid gaven om uit den neteligen toestand te geraken, "Ik schenk u vergiffenis; ga in vrijheid en in vrede!"

Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep en welhaast tot op het middenplein hergalmde.

Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven.

Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden, die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen. Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten elkaar de handen; want zij hadden zich zelven niet ontveinsd dat de gramschap des graven de vijanden der Kerels in de hand kon werken, ja, zij hadden zelfs gevreesd dat zij het sein tot eene erge en noodlottige vervolging kon worden. Hunne vrees was geheel ongegrond geweest, meenden zij; want indien de vorst den Kerel in vrijheid liet gaan, dit was wel een bewijs dat hij niet voornemens was de wetten van Kerlingaland te veranderen, aangezien hij nu daartoe eene schijnbare reden had, en deze niet gebruikte. Diensvolgens waren de kwaadvoorspellende berichten, die Isaac Van Reninghe aangaande de vermoedelijke inzichten des graven hun had gebracht, van allen grond ontbloot.

De kastelein noodigde hen uit om op dezen verblijdenden uitslag eener dreigende zaak met hem eenen beker Cyperwijn te gaan ledigen.

Allen volgden hem in den Steen.

Voetnoten:

[30]

"De Kerels droegen het haar kort en den baard lang ... de ridders droegen het haar lang en schoren hunne kin."

Ann. du Com. fl. de Fr., tome VIII, pag. 68.

[31]

Zie daarover VICTOR DE RODE, pag. 147.

[32]

Het woord Ambacht is later te zamen getrokken tot Ambt en in het Duitsch tot Amt. Zie J. CRIMM, Worterbuch bij Amt.

LAPPENBERG, Geschichte von Engeland, t. I. pag. 583, zegt: "Tot de oudste districts-benamingen, die het Engelsche Shire voorafgingen, behoorde nog maegthe, een land, dat de leden van een geslacht of van ene maegschap, gelijk zij in den oorlog te zamen gestreden en veroverd hadden, ook in den vrede te zamen bezaten."

Dan zal wel het woord Ambacht niets zijn dan het oud-Saksische maegt, met het samenvoegend voorzetsel an of am, dus Ammaegt, waarvan Ambacht.

[33]

Harop, Harop, voces Belgicae quae et clamorem ob crimen perpetram, DUCANCE, Gloss.

"Convictus ex dousslach et harop emendabit comiti III libras"

Keure van Veurne van 1240.

[34]

"Van eenen min begrijpelijken aard was de wederzijdsche verantwoordelijkheid der leden van eene maagschap (de mageborge, maegburh), dat voornamelijk de verplichting begreep tot het wreken der moorden, de bescherming der weezen, enz."

LAPPENBERG, Geschichte von Engeland, vertaald door Thorpe. t. II, pag. 332.

[35]

Keurmans, Keurlieden, Keurheers, waren bij de Kerels de bestierders en rechters, die door Keure of kiezing werden aangesteld.


V


Dakerlia Wulf, de schoone Kerlinne, zat in haars vaders Steen, bij een venster, met een borduurwerk op den schoot.

Wel hing nog de gulden draad aan hare vingeren, doch de naald was haar ontglipt. Zij arbeidde niet en scheen geheel verslonden in diepe gepeinzen. Haar gelaat was bleek en de droefheid had nevens hare wangen eenen lichten rimpel geplooid.

Nu en dan ontsnapte haar een zucht en murmelde zij eenige afgebrokene woorden, waartusschen de namen van Placida en Robrecht alleen met eenige duidelijkheid waren uitgesproken; maar die namen, als stonden zij tegen haren wil op haren mond, deden haar telkens spijtig het hoofd schudden, en dan slechts verroerden hare leden met eene korte doch krachtige beweging van ongeduld.

Langen tijd was zij weder in stille mijmering bedolven gebleven toen de deur der kamer werd geopend en eene jonge maagd met uitgestrekte armen tot haar kwam.

Zij stond op en zeide na eene blijde omhelzing:

"Ach, Witta lief, hoevele uren wacht ik reeds op u! Allerlei angstvolle gedachten bestormen mij. Ik vreesde dat gij ziek geworden waart. Gisteren heb ik u van den gansenen dag niet gezien, en nu is het reeds middag!"

"Veel bezigheid ... een onverwacht geval hield mij terug, Dakerlia", antwoordde jonkver Sneloghe, als aarzelde zij om eene klaardere uitlegging te geven. "Maar laat ons nederzitten en spreken wij van u, vriendinne. Hoe gaat het heden met u?"

"Wel genoeg, gij ziet het."

"Nog zoo bleek! Gij hebt alweder geweend!" bemerkte Witta verwijtend.

"Gij bedriegt u", zeide Dakerlia met eenen pijnlijken glimlach, "ik heb niet geweend; maar droef was ik toch onuitsprekelijk. De mensch, vriendinne, is zoo zwak in den strijd tegen zijn eigen hart!"

"Maar, Dakerlia, gij moet verduldig u onderwerpen aan het lot. Zoudt gij dus jaren lang gaan treuren over iets dat niet te veranderen is?"

"Neen, neen, niet jaren, niet maanden. Een ongeluk dat nog moet komen verschrikt ons en ontrooft ons allen moed; een ongeluk dat geheel en al onwederroepelijk is volbracht, geeft ons kracht en moed terug ..."

En zij voegde daarbij op den toon der diepste wanhoop:

"Eilaas, nog drie weken, eene eeuw van smart en angst!"

Witta greep hare hand en zeide troostend:

"Kom, vriendinne, wees redelijk. Gij weet dat ik even droef ben als gij. Het zoet en vroolijk leven dat wij sedert onze kindsheid te zamen genoten, is voor altijd verloren. Ik zit nu alleen, immer alleen in mijne kamer ... maar, hoe het zij, er is niets aan te doen. Wees gij insgelijks verduldig, Dakerlia, anders zult gij u zeker ernstig ziek maken, en hoe ongelukkig zou dan uw arme vader niet zijn, indien hij zijn eenig kind zag verkwijnen? Eergisteren toen ik u verlaten had, sprak hij mij over uwe onpasselijkheid met de tranen in de oogen. Hij wilde van mij weten wat toch de reden van uw onbegrijpelijk verdriet kon zijn; maar ik heb ze hem niet durven openbaren ..."

"Ik zelve heb ze hem geopenbaard, Witta."

"Gij hebt de reden uwer smart hem bekend?"

"Ja, geheel en zonder de minste terughouding."

"Zoo? en wat heeft hij gezegd, Dakerlia?"

"Het heeft hem verblijd; hij heeft met mijn verdriet gelachen."

"Dit kan ik niet gelooven! Uw vader bemint u te veel om bij uw lijden ongevoelig te blijven."

"Het is te begrijpen, Witta. Hij vreesde dat eene erge ziekte mij bedreigde en was daarom, uit liefde tot mij, zeer bekommerd; maar nu hij weet wat mij ontstelt, is hij geheel gerust. Liefdezaken? Men sterft daar niet van, zegt hij."

"Hij heeft gelijk, meen ik, Dakerlia."

"Ik heb hem niet tegengesproken; het hadde hem te veel leed gedaan!" zeide jonkver Wulf op zonderlingen toon.

Robrechts zuster aanschouwde haar verschrikt en murmelde: " O, Hemel, Dakerlia, gij, die zoo sterk zijt, gelooft gij inderdaad, dat men van zulk verdriet kan sterven?"

Jonkver Wulf legde zich de hand op het hart, terwijl zij eenen klagenden blik ten hemel stuurde.

"De sterkste zielen", zeide zij, "lijden het wreedelijkst, omdat zij dieper gevoelen en niet zoo spoedig onder het gewicht der smart ontspannen. Maar wees om mij niet bekommerd, Witta. Nog drie weken! Wanneer dan alles onherroepelijk is volbracht, zal ik de kracht vinden om mij in de uitspraak van het lot te getroosten."

Er heerschte eene wijl stilte. Dakerlia zag hare vriendin in de oogen en scheen iets te vragen, doch daar zij geen antwoord bekwam, zuchtte zij:

"Kom, Witta, spreek mij toch van hem. Hoe gaat het met hem?"

"Tamelijk wel. Hij aanvaardt verduldig het lot."

"Ja, hij is man, Witta; de mannen zijn niet, als wij, slaven van het hart. Hij heeft het gezegd: Placida is schoon; hij zal hopen haar te beminnen en hij zal er in gelukken. De arme Dakerlia zal vergeten worden, zooals het behoort ... en ze zal verkwijnen misschien in den harden, nutteloozen strijd om te kunnen vergeten!"

Zij sloeg zich de handen voor het aangezicht en verborg dus de tranen die haar in de oogen schoten.

"Gij zijt onrechtvardig, Dakerlia", morde Robrechts zuster verwijtend. "Mijn arme broeder is treuriger nog dan gij."

"Ja, troost mij", antwoordde Dakerlia met droeve scherts. "Het is soms edelmoedig bedrukte lieden te bedriegen. Gisteren heb ik den ganschen dag nutteloos op u gewacht, gehoopt, gebeefd geleden; maar gij hadt niets mij te zeggen ... en zoo zal het in de toekomst gaan. Tusschen u en mij en uwen broeder zal het lot eenen afgrond delven; en zij die aan de eene zijde van de kolk staan, zullen voor immer vergeten wie er aan de andere zijde treurt en verkwijnt."

"Mijn broeder heeft mij gebeden hier van hem nooit te spreken", zeide Witta, "en ik gevoel wel dat de plicht mij het insgelijks gebiedt: maar uw bitter lijden, Dakerlia, uwe sombere wanhoop, die ik wel doorgrond, dwingen mij tot zondige onbescheidenheid."

"O, spreek, spreek uit medelijden!" smeekte jonkver Wulf.

"Welnu, hoor dus wat ik u meende te verzwijgen. Mijn broeder heeft, met vele andere ridders, onzen heer graaf uitgeleide gedaan tot Yperen, en is daar zelfs gebleven tot des vorsten vertrek naar het leger. Gisterenmorgen, bij zijne terugkomst, moest mijn broeder onmiddellijk naar Placida Van Woumen gaan. Het was zijn plicht, en ik raadde hem aan dien te vervullen. Hij was zoo ontmoedigd en zoo treurig, dat hij op zijne kamer is gegaan en langen tijd daar in eenzaamheid bleef zitten. Dan heeft hij eenen bode naar sher Rijkaards Steen gezonden om jonkver Placida te melden dat hij onpasselijk was en niet kon uitgaan. Inderdaad, hij is den ganschen dag te bed gebleven. Ik was zeer angstig bij de gedachte dat eene erge ziekte hem bedreigde ..."

"Ziek? hij ziek? O hemel!" kreet Dakerlia met den glimlach der blijdschap op de lippen en tevens den strakken blik der verschriktheid in de oogen.

"Ik geloofde dat eene zware ziekte hem had overvallen", hernam Witta. "Verre in den avond, toen hij hoorbaar sliep ging ik vol kommer nevens zijn bed zitten, om te waken en bidden. Hij heeft gedroomd, luidop gedroomd. Wat hij zeide verstond ik niet; maar van tijd tot tijd zweefde uw naam Dakerlia op zijne lippen, en dan lachte hij zoo zoet in zijnen slaap, dat mij het hart van ontroering klopte. Ook morde hij wel eens den naam van jonkver Placida, en dan trok zijn mond tot eenen grijns van smart te zamen en zwoegde zijne borst en stak hij de handen vooruit als om iets te verwijderen dat hem verschrikte ..."

Dakerlia slaakte eenen blijden kreet.

"Ach, dank! dank!" zuchtte zij. "Zulke woorden alleen kunnen mijne smart verlichten."

"Blijf bedaard, vriendinne", zeide Witta.

"Neen, laat mij dien troost genieten. Ik meende alleen, gansch alleen te lijden, en hij, hij tevens bezwijkt onder het gewicht der treurnis!"

"Maar, Dakerlia, gij verbaast mij! Hebt gij dan nog de hoop behouden dat Placida Van Woumen zijne echtgenoote niet zal worden?"

"Of ik nog eenige hoop heb behouden?" herhaalde jonkver Wulf met plotselijke ontmoediging. "Eilaas, neen, vriendinne, niet de minste hoop. Verschoon mij: mijne hersens zijn ontsteld, ik ben zinneloos,—zinneloos genoeg om mij in de ziekte van Robrecht te verblijden ... ik, die al mijn bloed zou geven om hem gelukkig te weten! Moge de barmhartige God mijne schuldige ontsteltenis mij vergeven en hem spoedig laten genezen!"

"Maar hij is niet ernstig ziek, Dakerlia."

"Ha, ik begrijp: het hart alleen doet hem wee, niet waar? Schromelijk is die ziekte der ziel!"

"Heden is hij opgestaan en heeft mij gezegd dat hij na den middag jonkver Placida een bezoek zal brengen. Ik hoor wel aan den treurigen toon zijner stem dat dit bezoek hem onaangenaam is; maar hij kan het niet uitstellen. Mher Rijkaard Van Woumen, die onzen heer graaf tot Rijssel heeft vergezeld, moet dezen morgen teruggekeerd zijn; en gij begrijpt wel, Dakerlia, dat Robrecht niet mag nalaten hem te gaan begroeten. Nu zou ik moeten huiswaarts keeren; ik ben slechts gekomen om te vernemen hoe het met u gaat."

"Gij verlaat mij reeds? Ach, Witta, dan ben ik weder zoo gansch alleen! Blijf, ik smeek u!"

"Onmogelijk, mijn broeder staat gansch gereed om zijn bezoek bij mher Rijkaard te brengen."

"Wat doet het? Hij zal daarom niet laten uit te gaan. Heb medelijden met mij!"

"Ik kan niet blijven, Dakerlia. Mijn broeder wacht mij."

"O, God!" riep jonkver Wulf eensklaps met blijdschap, "het is dus Robrecht die u tot mij gezonden heeft? Gij zeidet dat hij nooit meer van mij spreekt ... en hij wacht om te weten hoe het met mij gaat! O, bevestig mij in die hoop!"

"Welaan, ja, hij is bekommerd over uwe gezondheid. Laat mij nu vertrekken: ik zal in den morgen hier wederkeeren."

"Ga, ga, spoedig!" murmelde Dakerlia, hare vriendin bij de hand tot de deur lijdende. "Stel hem gerust; verzeker hem dat mijne gezondheid niet in het minste is bedreigd. Dat ik droef ben en onder eene diepe smart gebukt lig, zeg hem dit niet; hij zal het wel voelen aan zijn eigen hart. Tot straks, tot straks!"

Jonkver Sneloghe haastte zich naar hare woning.

Toen zij binnentrad, vond zij haren broeder in de zaal zitten, met den blik nederwaarts en zoo diep in zijne overweging bedolven dat hij het hoofd slechts ophief toen zij voor hem stond.

"Welnu, zuster?" vroeg hij.

"Zij is veel beter, broeder; zij zal niet ziek worden."

"De goede God zij er om geloofd!" murmelde Robrecht.

Na een oogenblik stilte zeide hij, als sprake hij tot zich zelven:

"Wel gebiedt de plicht mij nimmermeer aan haar nog te denken; maar ik ben toch mensch en heb geen steenen hart. Vreezen dat de trouwe vriendin onzer kindsheid van treurnis kan verkwijnen, en alle medelijden in onzen boezem moeten versmachten, het is iets dat mijne krachten te boven gaat. Is deze zwakheid een zondig vergeten van den plicht, de hemel zal mij vergiffenis schenken in aanzien mijner onderwerping aan zijn besluit."

Robrecht had deze woorden op zulken lijdzamen, smartelijken toon gesproken, dat Witta de handen voor de oogen had geslagen en luidop snikte.

"Ween niet, zuster lief", zeide hij, "er is niets aan te doen. Het lot is wreed jegens mij; maar in het gevoel van den plicht vindt een man eindelijk de kracht om het leven te dragen, hoe bitter het zij."

Met eenen zucht voegde hij er bij:

"Eilaas, ik waande mij zelven sterker: ik hoopte dat ik allengs mijne vroegere gedachten geheel zou hebben overwonnen; maar mijne ziel dwaalt immer weg in treurige droomen ... in de pijnlijke beschouwing van het verloren geluk ..."

Hij blikte in stilte ten gronde en scheen diep neerslachtig; doch bijna onmiddellijk hief hij het hoofd weder op en morde met treurig ongeduld:

"Ach, wat geschiedt mij? Is alle gemoedskracht mij ontvallen? Vergeet ik dat Kerlingaland, dat de vrijheid van mijn geslacht dit offer van mij vergt? Weg, weg, die aarzeling! De plicht is de opperste wet. Zal ik tot eenen lafaard ontaarden? Neen, neen, gehoorzamen wij, en weze dit de laatste klacht die mijnen boezem ontsnapt!"

Hij omhelsde zijne weenende zuster, zeide nog eenige gerust stellende woorden om haar te troosten, verliet in allerhaast zijnen Steen en keerde om den hoek der Ridderstraat.

Onder den invloed der gepeinzen vertraagde allengs zijn stap; hij bleef zelfs, onder de boomen der Spiegelrei, een oogenblik staan en schudde zuchtend het hoofd, waarna hij even mijmerend weder zijnen weg vervorderde.

Hij kon niet begrijpen hoe, ondanks zijnen vasten wil en zijne heldere rede, eene geheimzinnige macht hem beheerschte. Wist hij niet dat dit huwelijk hem was opgelegd als eene opoffering die de vrijheid van Kerlingaland kon redden? Was hij niet overtuigd dat het voltrokken moest worden en niets op aarde het nog kon beletten? Hij had die verbintenis aanvaard en zich met goeden wil aan het onverbiddelijk lot onderworpen; ja, hij had gehoopt dat allengs in zijn hart eenige genegenheid voor de schoone Placida Van Woumen zou zijn ontstaan. En nu? Nu boezemde Placida hem afschrik in, nu deed het gepeins dat hij in hare tegenwoordigheid ging verschijnen hem sidderen! Nu liep er koude door zijne aderen, wanneer hij in de verbeelding haar helder oog op zich gevestigd zag! En hij gevoelde geenen haat voor haar; niets dan een onuitlegbaar gevoel van vrees, eenen ziekelijken schrik ... Maar het mocht daarbinnen in zijn hart gaan zooals het kon, hij moest toch uit dezen strijd opstaan met de noodige gemoedskracht om zijnen plicht te volbrengen ...

Zoo vervuld met onverwinnelijke droefheid, doch welberaden om niets te zeggen of te doen dat Placida of hare ouders kon kwetsen, bereikte hij sher Rijkaards Steen.

Op zijne vraag zeide hem de schalk, die de poort opende, dat mher Van Woumen sedert gisterenavond was teruggekeerd, maar nu daareven den Steen had verlaten. Jonkver Placida was te huis en wachtte zelfs op mher Robrecht, meende de schalk.

Hij leidde den jongen ridder over den neerhof en opende voor hem de deur eener kamer, waar Placida bij het venster was gezeten met hare oude dienstmeid Martha.

Op de tafel bemerkte hij met verwondering de dooze die zijne beloftegift bevatte. Placida had het juweel nog onlangs in de hand genomen, misschien had zij zich er mede versierd?

Hij keerde zijn oog van de dooze om zijne verloofde te groeten; maar de jonkvrouw richtte op hem eenen bijzonderen strengen blik verwijtend en zoo zonderling diep, dat Robrecht er gansch van ontstelde.

Hij boog zich voor de maagd en murmelde:

"Jonkver Van Woumen, ik bid u om verschooning. Zeker, mijn eerste plicht en mijn eerste wensch na mijnen terugkeer van Yperen, moesten zijn u een bezoek te brengen; maar zooals mijn bode u gemeld heeft, ik was gisteren onpasselijk, zeer ziek zelfs."

De jonkvrouw deed hare dienstmeid een teeken dat zij de kamer zou verlaten. Dan wendde zij zich tot haren verloofde.

"En mher Sneloghe is heden gansch genezen?" vroeg zij op eenen toon van half verborgen spot en met eene spijtigheid die Robrecht verbaasde. Hij aanschouwde haar zwijgend.

"Waarom mij bedriegen?" zeide zij. "Gij waart niet ziek, heer. Iemand anders moest gij bezoeken, niet waar?"

"Ik begrijp u niet, Placida", mompelde Robrecht. "Geloof mij, ik was gisteren zoo onpasselijk dat ik van den ganschen dag mijn bed niet kon verlaten."

"En niemand hebt gij gezien of gesproken?"

"Niemand dan mijne zuster."

Jonkver Van Woumen schudde ongeloovig het hoofd, terwijl een vinnige glimlach op hare lippen sidderde.

"Uw strenge blik beschuldigt mij", stamelde Robrecht. "Heb ik iets gedaan dat u op mij kon verbitteren, het was dan onwetend; want waarlijk, Placida, ik wensch niets meer dan al wat in mijne macht is aan te wenden om u te behagen."

"Ah, daarin juist bestaat uwe valschheid", zeide de jonkvrouw met eene gramschap die zij niet poogde te bedwingen.

"Mijne valschheid!" herhaalde Robrecht, wiens oog plotselijk eene genster van verontwaardiging uitschoot.

Maar hij bedaarde even spoedig en sprak:

"Placida, een man zou mij die beschuldiging niet ongestraft toesturen; in u evenwel eerbiedig ik niet alleen mijne verloofde, maar tevens de vrouw. Men heeft u bedrogen, ongetwijfeld; men heeft kwaad van mij gesproken en gij, gij hebt het geloofd! Ik had recht op meer vertrouwen van uwentwege. Mijne valschheid! Gij acht mij valsch?"

Jonkver Van Woumen bleef eene korte wijl stilzwijgend, als raapte zij hare stoutheid of hare gemoedskracht te zamen tot het uitvoeren van een gewichtig besluit.

"Neen, beweer niet, heer, dat gij u oprecht jegens mij gedraagt", zeide zij. "Hoe? gij laat mij gelooven dat ik uwe genegenheid geheel zal bezitten? Ik aanvaard uwe hand.—Ah, dit zou men geene valschheid moge noemen?—Wetens en willens veroordeelt gij mij om mijn treurig leven te slijten met eenen echtgenoot wiens gedachten verre van mij zijn en die het mij nimmer vergeven zou aan zijne zijde de plaats eener andere vrouw te hebben ingenomen. Het is zulk lot dat gij mij wilt bereiden?"

Robrecht werd door deze onverwachte aantijging diep getroffen. Hij zag de jonkvrouw zwijgend en met verbaasden blik aan.

"Het is dus waar! Gij bekent het!" kreet zij met eenen spotlach.

Eenen geweldigen strijd doorstond de jonge ridder. Hij voelde zich bloedig gekwetst en worstelde tegen zijne mannelijke waardigheid die hem aandreef om den hoon af te weren; maar dan overwoog hij hoe zijn oom en al de zijnen hem zouden beschuldigen van lafheid of van zelfzucht, indien hij eenige redenen gaf tot het verbreken der huwelijksbelofte. Dan zouden de Erembalds in Rijkaard Van Woumen niet eenen machtigen vriend, maar eenen onverzoenbaren vijand vinden, en hij, Robrecht, zou misschien de schuld van der Keerlen verderf zijn. Deze gepeinzen sloegen hem met droefheid en spoorden hem aan tot eindeloos geduld.

"Jonkver Placida", zeide hij zonder driftigheid, "onze ouders hebben geoordeeld dat een huwelijk tusschen ons wenschelijk was voor het welzijn van beide geslachten. Zij hebben onze harten niet geraadpleegd; zij konden het niet doen, wij kenden elkander nauwelijks. Wat mij betreft, ik heb uit plichtgevoel die verbintenis aanvaard met de hoop, bijna met de zekerheid dat ik u zou beminnen. God heeft u begaafd met schoonheid ..."

"Hoe kondet gij dit hopen, heer?" onderbrak Placida, "dewijl uw hart geheel is ingenomen door hetzelfde gevoel voor eene andere vrouw?"

Robrecht, gemarteld door eene pijnlijke verlegenheid, murmelde eene onverstaanbare terechtwijzing.

"Wie toch kon weten", schertste Placida met misprijzen op de lippen, "dat gij u vereerd zoudt achten met de hand eener edelgeborene jonkvrouw? Gij zijt een Kerel; een Kerlinne alleen is uwer liefde waardig! Dakerlia wone dus op Ravenschoot! Wees zeker, heer, ik benijd de dochter van Segher Wulf dit geluk niet!"

"O, ik smeek u", riep Robrecht met sombere ontstelde stem, "hoon jonkver Dakerlia Wulf niet in mijne tegenwoordigheid! Laat mij bedaard blijven. Ik zal alles verdragen, alles lijden, maar eerbiedig Dakerlia!"

"Genoeg, ik weet genoeg", wedervoer Placida. "Nu ben ik overtuigd dat men mij de waarheid heeft gezegd. Gij zelf, heer, ontkent het niet. Alles zij dus gedaan tusschen ons. Neem uwe beloftegift terug ..."

"Eilaas, jonkver Placida, wat doet gij?"

"Neem uwe gift terug; ik ontsla u van uwe belofte: gij zijt vrij."

"Maar wat zal uw heer vader zeggen?"

"Mijn vader weet wat ik voornemens was heden te doen. Hij betreurt mijn besluit, doch wil mij niet dwingen."

"En hij zal ons ten vijand worden?"

"In het geheel niet. Neem uwe beloftegift terug, heer!"

"Maar berekent gij dan niet, Placida, dat mijne maagschap, dat de Erembalds het breken dezer verbintenis als eenen bloedigen hoon zullen beschouwen? Wat al ongelukken kunnen daaruit ontstaan!"

"Gij bedriegt u, heer. Mijn vader zal uwen oom, den proost, gaan spreken en hem doen begrijpen dat ik alleen de schuld ben van alles; dat ik dit huwelijk van de hand wijs, ondanks den wensch mijner ouders. Uw oom en uwe magen zullen, meen ik, den wil eener vrouw eerbiedigen, en mijnen vader daarom niet haten ... Neem uwe beloftegift terug, heer!"

"Eilaas, het zij zoo!" zuchtte Robrecht, de juweeldoos van de tafel nemende.

"Alles is dus tusschen ons verbroken?" vroeg hij droef.

"Alles", was het koele antwoord.

"Onherroepelijk en voor altijd?"

"Voor altijd!"

"Blijf dus met God, jonkver Van Woumen. Hij late u gelukkig zijn, dit is mijn oprechte wensch", murmelde Robrecht, terwijl hij de doos in zijne tassche stak en aarzelend nog bleef staan.

"Geene hoop meer?" zuchtte hij.

"Geene. Vaarwel!"

Robrecht groette nog diep en verliet sher Rijkaards Steen.

Toen hij in de straat kwam, helde zijn hoofd voorover en hij stapte eene lange wijl als bewusteloos voort; maar dan verhelderde allengs zijn blik, totdat hij eensklaps het hoofd ophief en met eenen begeesterden lach op het gelaat in zich zelven mompelde:

"Vrij? vrij? Ik heb mijnen plicht betracht, hoon en laster verdragen, de slachtoffering verduldig aanvaard tot het uiterst einde ... en toch ben ik vrij! Ha, dank, o God, dat gij mij dit leven van eeuwige treurnis hebt gespaard ... Dakerlia! Dakerlia!"

En onder den invloed dezer blijde gedachten verhaastte hij zoodanig zijnen stap dat hij weinige oogenblikken daarna de Spiegelrei bereikte.

Hier zag hij tusschen de boomen eene vrouw wier nederige kleeding eene dienstmeid scheen aan te kondigen. Zij trad in zijne baan, als wachtte zij hem af, liet hem nader komen, schikte zich nevens hem en vroeg met verdoofde stem:

"Heer, herkent gij mij niet?"

"Ja, gij zijt Brigitta, de dienstmeid van jonkver Placida", mompelde Robrecht, haar beziende.

"Ik heb u iets te zeggen, heer. Verraad mij nimmer. Wat ik doe is uit eerbied, uit liefde tot u, en ik waag er misschien mijn leven aan ... Mijne jonkvrouw heeft uwe beloftegift u teruggegeven niet waar? Heeft zij u niet beschuldigd eene andere vrouw, eene Kerlinne, uwe liefde te hebben geschonken?"

"Hoe weet gij dit? Gij waart niet tegenwoordig!" vroeg Robrecht verwonderd.

"Dit is wat ik u wilde verklaren, heer. Gisterenavond is mijn meester van de reis te huis gekomen. Hij heeft zich met jonkver Van Woumen in eene kamer opgesloten om haar over iets gewichtigs te onderhouden. Ik heb schier alles gehoord. Mher Van Woumen zeide dat gij eene andere jonkvrouw bemint en bijna al uwen tijd in haar gezelschap slijt. Hij noemde daarbij vele malen eenen mher Tancmar en andere ridders, die hem te Rijssel dringend aangeraden hebben de huwelijksbelofte zijner dochter te breken. Men besloot het te beproeven, maar dewijl mher Van Woumen de wraak uwer bloedverwanten niet op zich wilde laden, zou men jonkver Placida pogen over te halen om uit eigene beweging het huwelijk af te wijzen. Daarom moest men haar tegen u verbitteren. Men deed mijne jonkvrouw roepen en men overtuigde haar dat gij sedert lang eene zekere Dakerlia Wulf bemint. Mijne jonkvrouw, door deze lasterlijke aantijging bedrogen, stemde in alles toe. Gij ziet het dus wel, heer, men heeft eenen verraderlijken aanslag tegen u gesmeed en mijne jonkvrouw bedrogen. Alle hoop is niet verloren. Bewijs uwe onschuld: het moet u gemakkelijk zijn; jonkver Placida zal terugkomen op haar besluit ... Nu keer ik spoedig weder naar onzen Steen. Bedank mij niet: ik ben nu eene slavinne, maar mijne ouders waren vrije Kerels. God geleide u, heer!"

Robrecht zag haar eene wijl denkend achterna. Dan keerde hij zich om, vervorderde haastig zijnen weg, en zeide in zich zelven, met eenen helderen glimlach op het gelaat:

"Ha, ha, het is te Rijssel dat men besloten heeft dit huwelijk te beletten! Ik heb er dus geene de minste schuld aan. Mijn geweten is onbeladen en mijn oom kan mij niets verwijten. Tancmar, altijd die Tancmar! Hij vervolgt ons zonder verpoozing. Die bloedvijand van ons geslacht heeft nu toch zijn doel gemist. Hij meende mij diep te honen en doodelijk te bedroeven ... en hij maakt mij den gelukkigste der menschen! Nu heb ik mijne vrijheid weder. Er is niet meer op terug te komen. Geene macht op aarde kan mij nog dwingen mij voor Placida Van Woumen te vernederen. Dakerlia, Dakerlia zal mijne levensgezellinne zijn!"

En nog meer zijnen stap bespoedigende, bereikte hij welhaast het einde der Ridderstrate.

Hij klopte aan de poort van zijnen Steen, ging den schalk zonder spreken voorbij en liep tot in de zaal waar zijne zuster, voor een kruisbeeld geknield, in een innig gebed was verslonden.

Zijne verwarde zegekreten deden haar verbaasd opspringen, en zij wilde hem vragen wat hem dus was overkomen; maar hij sloot haar in zijne armen en zeide:

"Witta, de Hemel is ons barmhartig! Ik trouw niet met Placida; zij zelve heeft onze belofte verbroken en mijne gift mij doen terugnemen. Het is onherroepelijk. Ik ben vrij, Dakerlia zal met ons wonen, zij zal mijne bruid en uwe zuster zijn, totdat de dood ons scheide!"

Het jonge meisje, door deze tijding gansch buiten zich zelve van gelukkige verrassing, hief de handen in de hoogte en riep uit:

"O, dank, dank, God, Gij hebt mijn gebed verhoord!"

Maar Robrecht greep haar den arm en trok haar naar de deur, terwijl hij haastig zeide:

"Kom, kom, zuster: Dakerlia moet het weten."

Het meisje weerstond hem eensklaps.

"Dakerlia?" morde zij, "o, neen, nog niet!"

"Zij is droef, zij lijdt, Witta."

"Ja maar, die onverwachte tijding ..."

"Welnu?"

"Die onverwachte tijding zou haar kunnen ziek maken, haar kunnen doen sterven. Zij is zoo uiterst gevoelig."

"Gij verschrikt mij! inderdaad ..."

"Laat mij alleen tot haar gaan", zeide Witta. "Ik zal het haar voorzichtig bekend maken. Eenige woorden zijn genoeg om haar te behoeden voor eene plotselijke ontsteltenis. Kom gij dan straks."

"Ga, ga, zuster, uw raad is wijs en goed; maar haast u toch, ik smeek u!"

Het meisje begaf zich naar sher Wulfs Steen.

Toen zij de achterzaal binnentrad, zag zij Dakerlia met eenen witten doek in de hand voor het venster zitten. De hopelooze had waarschijnlijk in hare droeve eenzaamheid alweder tranen gestort.

Robrechts zuster meende tot haar te loopen en hare treurnis door eene onmiddellijke veropenbaring van het gelukkig nieuws te verdrijven; maar zij weerhield zich, naderde tot Dakerlia, nam haar de hand en zeide:

"Nu, ween niet meer, vriendinne ..."

"Ach, ik kan mijne smart niet bedwingen; ik zal zeker ziek worden, ik gevoel het wel!" riep jonkver Wulf.




"Aanvaard het uit mijne hand."
"Aanvaard het uit mijne hand."


"Ik kom om u iets te zeggen, Dakerlia ..."

"Gij hebt nooit afgunst gevoeld, Witta; de minnenijd heeft nooit u den boezem verteerd.

O, behoede de barmhartige God u voor zulk akelig lijden! Het is eene slang die om ons hart gekronkeld ligt en het vezel voor vezel verbijt en verscheurt."

"Maar laat mij spreken", morde Witta, hare klacht onderbrekende. "Ik heb eene verrassende tijding u mede te deelen. Het schijnt dat het huwelijk mijns broeders met Placida Van Woumen eenig beletsel ontmoet."

Dakerlia zag haar als verschrikt aan en begon te sidderen.

"O, hemel, wat zegt gij?" mompelde zij schier onverstaanbaar. "Spreek, spreek!"

"Gij zijt zoo ontsteld, vriendinne; ik zeg immers niet dat dit huwelijk verbroken is?"

Eenen zwaren zucht slakende, riep Dakerlia klagend uit:

"Ach, Witta, Witta, waarom pijnigt gij mij zoo wreedelijk?"

Jonkver Sneloghe verkeerde in eene lastige verlegenheid. Haar broeder ging komen; zij moest zich haasten en de groote ontstelbaarheid van Dakerlia maakte hare taak zoo moeilijk! Tot een besluit gedwongen, verzamelde zij haren moed en zeide:

"Dakerlia, ik heb gewichtige dingen u te openbaren: maar gij moet bedaard blijven of ik verlaat u oogenblikkelijk ... Het is waarschijnlijk dat de huwelijksbelofte mijns broeders zal verbroken worden."

"Waarschijnlijk?" herhaalde Dakerlia, met eenen hoopvollen lach van haren zetel opstaande.

"Bijna zeker."

"Ach, mocht dit geschieden, hoe zou ik God zegenen!"

"Het is geschied, Dakerlia: het huwelijk is verbroken."

Jonkver Wulf vloog hare vriendin aan den hals en lachte en stortte tranen, als hadde deze tijding haar van blijdschap zinneloos gemaakt.

De deur werd geopend, en Robrecht trad binnen.

Een kreet ontsnapte Dakerlia; zij rukte zich los uit de armen harer vriendin en meende met uitgestrekte handen Robrecht te gemoet te loopen; maar een hevig schaamrood klom op haar voorhoofd en zij bleef, met neergeslagen blik, te midden der kamer staan.

Dezelfde ontsteltenis had den jongeling getroffen; maar hij, het eerst de bewegingen van zijn hart bedwingende, ging tot haar, nam haar de hand en sprak op schier plechtigen toon:

"Dakerlia, mijne zuster heeft u gezegd, niet waar, dat ik verlost ben van den dwang die mij ongelukkig maakte. De wreede beproeving, welke wij moesten onderstaan, heeft ons toegelaten in elkanders hart te lezen. Na zulke bekentenis hoef ik u niet te vragen, Dakerlia, of uwe ziel dezelfde wenschen voedt als de mijne. Ik kan niet meer leven zonder u te zien, zonder uwe stem te hooren, zonder mijn heil uit uwen zoeten blik te putten. Vrienden als te voren kunnen wij niet meer zijn. Wij moeten iets anders voor elkander worden. Stemt gij toe?"

Dakerlia wilde antwoorden; maar de spraak verstikte in hare keel en zij begon overvloedig te weenen. Deze onverwachte vraag had haar zoodanig ontsteld, dat zij wankelend tot haren zetel liep en met de handen voor de oogen er zich op liet nedervallen. Maar de stilte die haar omringde riep haar tot bewustzijn terug.

"Ach, Robrecht, Witta, vergeeft het mij!" kreet zij. "Er is een geluk zoo eindeloos groot dat het ons verplettert. Komt, komt hier bij mij, geeft mij de hand ... Laat mij ademhalen. Waarom stort de genadige God ... dus in eens over mij ... al de zaligheden van een gansch leven uit?... Zoo, zit zoo nevens mij!"

"Bedaar toch, lieve Dakerlia", murmelde mher Sneloghe.

"Ach, hoe duister mijne hersens! Alles draait in mijn hoofd. Gij hebt mij iets gevraagd, Robrecht. Zou ik wel begrepen hebben? Is het eene begoocheling mijner zinnen?"

"Wilt gij mijne bruid worden?" vroeg de jonge ridder.

"Ik uwe bruid? Onmogelijk! Het is een droom!"

"Ja, ja, Dakerlia, het is de zoete droom onzer harten die zich verwezenlijken gaat."

"Het zou waar zijn? Ik, Dakerlia, ik zou uwe echtgenoote worden? Ik zou met u leven, u nimmer verlaten, uwe vreugde, uwe smarten deelen, nevens uwe zijde staan tot aan het graf? Ach, ik kan aan zooveel geluk niet gelooven!"

Robrecht nam de juweeldoos uit zijne tasch, opende ze en reikte de jonkvrouw het kostbare halssnoer.

"Dakerlia", zeide hij, "gij weet tot welk einde mijne moeder op haar sterfbed mij dit juweel heeft geschonken. Aanvaard het uit mijne hand."

De dwalende maagd greep het glinsterende snoer en drukte het aan hare lippen en op haar hart, terwijl zij hijgend uitriep:

"Het is waar, het is waar, ik kan niet meer twijfelen! Hoe looft mijne ziel, o, God! Aan mij dit pand, aan mij voor altijd!"

En Witta opnieuw in hare armen sluitende, begon zij te juichen van het geluk dat hen allen wachtte, van de eeuwige vriend schap, van de onverstoorbare liefde waarin zij te zamen zouden leven als in eenen immer wolkenloozen hemel. Robrechts zuster en hij zelf voegden nu en dan een woord bij hare verblindend schoone schildering der toekomst, maar zij liet hun niet veel zeggen en kon geen oogenblik zwijgen, zoo zeer gevoelde zij den dringenden nood tot uitstorting haars harten.

Robrecht stond op en zeide:

"Dakerlia, de zorg voor ons geluk dwingt mij u te verlaten. De dag zal niet lang meer duren. Mijn oom moet weten wat er is geschied; uit mijnen mond slechts mag hij vernemen aan wie ik nu mijne beloftegift heb aangeboden. Vrees niet meer. Uw vader zal mijn besluit toejuichen. Ik zal komen om mijnen plicht jegens hem te vervullen. Geene menschelijke macht kan ons nog van elkander scheiden. Blijf met mijne goede zuster.—Later zullen wij met meer bedaardheid doch met evenveel blijdschap ons toekomend leven overwegen."

Hij drukte Dakerlia teederlijk de handen en terwijl de verrukte maagd met tranende oogen zijnen naam liefdevol herhaalde, ging hij ter zaal uit.

Hij stapte met haast door de Hoogstraat en richtte zich naar den Burg.

Hier vond hij zijne ooms Bertulf, den proost van St-Donaas, en Hacket, den kastelein van Brugge, te zamen in eene kamer der proostdij. Zij schenen tevreden en welgemoed.

"Ah, goeden dag, mijne lieve neef", riep Bertulf. "U zijn wij dankbaarheid verschuldigd. Uwe opoffering heeft hare vruchten reeds gedragen. Ik heb tijdingen van Yperen. Mher Van Woumen heeft ons bij den graaf verdedigd en velen onzer vijanden tot zwijgen gebracht. Uw huwelijk met de dochter van dien machtigen ridder is een onschatbaar geluk voor ons en voor geheel Kerlingaland!"

"Mijn huwelijk? Mijn huwelijk is verbroken, heer proost", stamelde Robrecht, die wel voorzag welken pijnlijken indruk deze tijding zou doen.

"Verbroken? Uw huwelijk met jonkver Placida verbroken?" kreten zijne beide ooms.

"Ja, onherroepelijk verbroken; jonkver Van Woumen zelve dwong mij tot het terugnemen mijner beloftegift."

"Dan heeft het u aan moed of aan goeden wil gefaald", viel Bertulf beschuldigend uit. "Ik heb het gevreesd!"

"Uwe vrees was onrechtvaardig en ongegrond, oom", wedervoer Robrecht met stille fierheid. "Ik heb mij laten vernederen en honen met een geduld dat aan lafheid grensde, alleenlijk om in mijn geweten de overtuiging te hebben dat ik tot het einde mijnen plicht heb betracht, ten minste tot zooverre de menschelijke krachten reiken. Deze overtuiging heb ik."

"Maar welke reden gaf dan mher Van Woumen tot zulk onverwacht besluit?" vroeg de kastelein.

"Mher Rijkaard was niet tegenwoordig", antwoordde Robrecht. "Men had het zoo geschikt dat ik mij alleen met jonkver Placida bevond. Zij brak onze huwelijksbelofte, mij beschuldigende haar niet te beminnen en mijn hart eene andere vrouw te hebben geschonken."

"Valsche uitvindingen onzer vijanden!" morde de oude Bertulf. "Hoe komt het dat gij dien laster niet oogenblikkelijk hebt vernietigd?"

"Het was geen laster; ik kan niet liegen", antwoordde Robrecht. "Gij vergeet, heer oom, dat ik u aangaande jonkver Dakerlia Wulf heb gezegd ..."

"Maar hadt gij mij niet beloofd aan deze neiging uws harten te verzaken?"

"Inderdaad, en ik heb met oprechtheid en vasten wil deze belofte pogen te vervullen. Sedert mijn eerste bezoek bij jonkver Placida heb ik Dakerlia niet meer gezien; en ik wilde zelfs haren naam niet meer hooren uitspreken. Ik had besloten mij op te offeren voor het heil van Kerlingaland en, wat het mij ook moest kosten, ik zou de opoffering trouw volvoerd hebben. Nu dank ik den barmhartiger God, die mij verlost heeft van een pijnlijk leven; want, oom, men overwint zijn hart niet in éénen dag. Integendeel, de dwang doet het sluimerend gevoel tot eene beheerschende drift ontvlammen, evenals de wind de smeulende kolen tot een verterenden gloed aanblaast. Ik bemin Dakerlia Wulf uit al de krachten mijner ziel ..."

"Zwijg, zwijg", onderbrak hem de oude Bertulf met spijt, "Wilt gij dan de vijanden van Kerlingaland de zegepraal verze keren? Ach, ik heb dit ongeluk gevreesd van het oogenblik af dat de arglistige Tancmar in de stad was verschenen!"

"Nu begrijp ik", zeide de kastelein, "waarom Rambold, Tancmars neef, zoo vol vertrouwen overal verzekerde dat Robrechts huwelijk met jonkver Van Woumen niet zou voltrokken worden. Hij wist het dus op voorhand!"

"Daarin misgrijpt zich mijn oom, de kastelein", zeide de jonge ridder. "Het is te Rijssel dat het verbreken van onze huwelijksbelofte werd besloten, en het is de hofraadsheer Tancmar met de Isegrims van 's graven gevolg, die Placida's vader er toe hebben overgehaald. Hoe het zij, ooms, nu het lot mij de vrijheid heeft teruggeschonken, moet ik het u verklaren: ik bemin Dakerlia Wulf, en geene andere vrouw op aarde wordt ooit mijne bruid!"

"Maar, maar het afbreken met jonkver Placida, met het machtige huis der Van Woumen kan niet beslissend zijn", morde de proost, spijtig het hoofd schuddende.

"Het is beslissend en onherroepelijk", bevestigde Robrecht.

"Wij zullen mher Van Woumen gaan spreken", zeide de kastelein. "Hij zal erkennen dat hij de speelbal is van arglistige vijanden der Kerels en dat men hem heeft bedrogen."

"Nutteloos, nutteloos", wedervoer Robrecht. "Wat men te Rijssel heeft besloten zal men hier niet veranderen. Daarenboven, ik weiger volstrekt alle nieuwe poging. Er is voor den man die zich zelven eerbiedigt een grenspaal aan het geduld en aan de vrijwillige vernedering. Men verwijt mij in sher Rijkaards Steen dat ik een Kerel ben. Welnu, deze Kerel buigt het hoofd niet voor trotschaards die zijn geslacht misprijzen!"

"Het wordt duister in onze toekomst!" zuchtte de proost met mismoed. "Ik had op onze verbintenis met het machtige geslacht der Van Woumens mijne schoonste hoop gebouwd. Tancmar zegeviert alweder over al mijne berekeningen, over al mijne moeite! Nu zal Rijkaard Van Woumen ons zeker een onverzoenbare vijand worden?"

"Toch niet, heer oom", antwoordde Robrecht. "Men heeft jonkver Placida doen veinzen dat zij dit huwelijk door eigene beweging verbreekt, om ons geene redenen tot vijandschap tegen mher Van Woumen te geven. Placida heeft mij zelfs verzekerd dat haar vader u zal komen spreken om zich bij u te verschoonen."

"Maar is het zoo, mijn neef, laat mij nog eene poging bij hem beproeven."

"Neen, neen, oom, ik heb u gehoorzaamd en mijnen plicht gedaan. Nu wil ik van dit huwelijk niet meer hooren en ik bevestig het u nog eens: Dakerlia Wulf wordt mijne bruid!"

"Eilaas, kan het anders niet!... Wij zullen zien nochtans."

"Ik heb haar reeds mijne beloftegift aangeboden."

"Hoe? wat zegt gij? En zij heeft ze aanvaard?"

Mher Sneloghe knikte bevestigend.

"Alles, alles mislukt ons!" klaagde de oude Bertulf. "Er drijft een onweder boven onze hoofden te zamen. Wanneer zal het losbarsten? Ik weet het niet. Misschien is het nog af te keeren, ondanks wederwaardigheid en tegenspoed. Voorzichtig moeten wij zijn en waakzaam als de zeeman die zijn schip door golven en klippen in de haven hoopt te brengen. Daarom, Robrecht, beloof mij dat gij uw voornemen om Dakerlia Wulf tot bruid te nemen niet openbaar zult maken voordat ik mher Van Woumen heb gesproken."

"Uwe hoop is ijdel, heer oom: ik blijf onplooibaar in mijn besluit."

"Beloof mij dat gij het evenwel nog eenige dagen zult geheimhouden."

"Daarin ben ik bereid mij volgens uwen wensch te gedragen."

De kletterende stappen van een dravend paard hergalmden tot in de zaal.

"Daar is nu onze neef Burchard!" zuchtte de proost ontevreden. "Wat zal dien onbedwingbare woestaard ons te melden hebben?"

Hij had deze woorden niet geheel geëindigd, toen Burchard binnentrad en zijne ooms en Robrecht met eenen glimlach groette.

De reusachtige Kerel liet zich op eenen stoel vallen en zeide vroolijk:

"Ha, ik breng goede tijding."

"Zoo! het is een wonder", mompelde de kastelein.

"Ja; ik ben te Oudenburg, te Ghistel, te Moere en in de omstreken geweest. Gij hadt moeten zien en hooren hoe de Kerels daar om wraak riepen en naar eenen onmiddellijken oorlog wenschten, zoohaast ik hun had gezegd dat de Isegrims zich bereiden om hun den balfaart op te dringen. Zij zijn moedig, onze Kerels der Ambachten; zij snakken naar het oogenblik dat het hun toegelaten worde de burchten der Isegrims af te branden en te verdelgen tot in den grond. Laat onze vijanden maar komen! Al stond de graaf zelf aan hun hoofd, geen enkele zal levend terugkeeren uit Kerlingaland!"

"En gij noemt dit eene goede tijding?" schertste de kastelein. "Beter en wijzer ware het dat gij u stilhieldet. Wij hebben moeite genoeg om den landsvrede in de Ambachten te doen eerbiedigen. Door uwe roekeloosheid zult gij den graaf aandrijven om den raad onzer vijanden te volgen."

"Zoo, zoo! Meer zou het u behagen misschien dat ik u kwame zeggen: de Kerels hebben den moed verloren en zullen als lafaards met het hoofd in den schoot de slavernij aanvaarden? Gij gelooft dat alles met lijdzaamheid en geduld te winnen is? Gij zult het zien. Laat den boog maar plooien, altijd plooien, en als het oogenblik komt dat gij hem moet gebruiken zal hij zijne laatste veerkracht verloren hebben. Wat mij betreft, liever breken: anderen breken of zelf breken; maar niet laffelijk buigen, als waren wij vreesachtige vrouwen! Ha, was ik meester!"

"Gij zoudt onfeilbaar ons de ongelukken op den hals halen die wij reeds zoolang door voorzichtigheid hebben afgeweerd", bemerkte de kastelein. "Met wijsheid kunnen wij misschien Kerlingaland beslissend tegen de aanslagen onzer vijanden behoeden."

"Ja, ja, mijne ooms, gij zijt de verduldigheid zelve", lachte Burchard. "Blijft maar op den edelmoed der Isegrims hopen, en den eenen of anderen dag zullen de Kerels ontwaken met de keten der slavernij aan de beenen. Gij zult verwonderd staan, woedend worden misschien; maar dan zal uw beschuldigend geweten u toeroepen: te laat! te laat!"

"Burchard heeft gelijk!" riep Robrecht Sneloghe met eene uitdrukking van verontwaardiging. "Wij zijn te lijdzaam; men zal haast gaan denken dat de Kerels niets dan melk in de aderen hebben!..."

"Gij ook, mijn neef!" viel de proost half spottend hem in de rede. "Hoe laat gij u toch zoo spoedig verleiden door de grootspraak van Burchard? Het zijn al dwaasheden die hij uitkraamt. Wij zullen wachten en voorzichtig toezien totdat de graaf van het leger zij teruggekeerd. Zoolang de vorst afwezig blijft, hebben wij niets te vreezen. Wij kunnen zijne eindelijke beslissing niet vooruitzien. Zouden wij door gewelddadigheid hem redenen geven tot wettige verbittering tegen ons?"

"Welnu, ooms, blijf bij uw gevoelen", zeide Burchard. "De toekomst zal bewijzen wie er gelijk had."

De hand tot Robrecht reikende, sprak hij:

"Ha, mher Sneloghe, laat mij toe u geluk te wenschen over uw schitterend huwelijk met jonkver Van Woumen."

"Mijn huwelijk is verbroken", antwoordde de jonge ridder. "Gij schudt het hoofd en gelooft mij niet, Burchard? Placida heeft mij mijne beloftegift teruggegeven."

"Doemenis, ik heb gedacht dat het zoo zou eindigen!" kreet Burchard met plotselijke woede. "Waar een Tancmar omtrent kan mag een Erembald zich aan hoon of onheil verwachten. Gij zijt het slachtoffer eener snoode kuiperij, Robrecht. Misschien wist gij het niet; maar Ghyselbrecht Tancmar heeft insgelijks naar de hand van jonkver Placida gestaan. Van daar komt u deze vernedering."

"Inderdaad, het is op den raad van mher Tancmar dat de huwelijksbelofte werd verbroken."

"Dien hatelijken Ghyselbrecht zal ik wel vinden", gromde Burchard. "Wees zeker, hij zal sterven door mijne handen!"

"Bah, bah, het is altijd hetzelfde met u", schertste de kastelein.

"Ik zal hem vermoorden zeg ik u!" bulderde Burchard. "De tijd der wraak zal wel eens verschijnen. Rust zal ik toch in mijn leven niet meer vinden voordat ik den laatste dezer booze Tancmars het hoofd gekloofd hebbe!"

"Gij spreekt als een redelooze woestaard", bemerkte de proost. "Al wat men uit uwen mond hoort is vermoorden, verdelgen, verpletteren. Wat recht hebben wij om over onze vijanden te klagen indien wij wreeder, boozer en gewelddadiger zijn dan zij?

Indien gij zoo blijft voortgaan, zult gij ons groote onheilen op den hals halen en, wat het ergste is, wij zullen ze verdiend hebben."

"Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst bewezen en mij gelukkig gemaakt."

Burchard zweeg eene wijl en zeide dan eensklaps, zich met de hand op het voorhoofd slaande:

"Ik ging het vergeten; maar de nieuwe snoodheid der Tancmars doet er mij aan denken. Het is eene zaak die mij geheel persoonlijk is en dus niemand anders aangaat; maar ik wilde er u van spreken om u niet te laten denken dat ik ze met inzicht u heb verzwegen."

"Wat zal het nu weder zijn?" mompelde de proost met kommer.

"Gij weet het niet", ging Burchard voort. "Sedert het laatste bezoek van den graaf te Brugge, is Rambold Tancmar met zijnen vader den burcht te Straten komen bewonen. Daar stak iets achter dat zich welhaast zou openbaren. Men moest mij honen en mij tergen. Terwijl ik naar Rodenburg was gegaan, om mijnen vader te bezoeken, is Rambold Tancmar met vele werklieden te Bethferkerke verschenen en heeft begonnen den grond die mij ten onrechte wordt betwist, met paalwerk te omsluiten. Mijne gezellen wilden zich tegen die aanmatiging verzetten, maar zij werden mishandeld en moesten onderdoen voor de overmacht, bovenal omdat ik hun wel strengelijk had verboden zich tot geweldige twisten met Tancmars lieden te laten verlokken. Gij weet dat ik een zoontje van mijn zuster zaliger met mij te Bethferkerke heb. Een onnoozel kind van veertien jaar, met Kerlenbloed in de aderen toch; want hij weerstond het langste aan Tancmars lieden. Men heeft den kleinen Eric zoo onmenschelijk geslagen, dat hij er van te bedde ligt."

"Laffe wreedheid!" riep Robrecht. "Ha, gij hebt het arme kind gewroken, niet waar?"

"Hemel! en wat hebt gij gedaan?" zuchtten terzelfder tijd de proost en de kastelein.

"Gij gelooft", antwoordde Burchard, "dat ik ginder te Straten al degenen verpletterd heb die zich met de zaak hadden bemoeid. Ik beken dat het gedurende een geheel uur mijn voornemen was, maar ik heb het gelaten uit ontzag voor u, mijne ooms."

"Ah, God dank!" riep de proost. "Gij deedt mij beven van schrik."

"En gij hebt van alle wraak afgezien?" vroeg Robrecht Sneloghe verwonderd.

"Ik heb eenvoudig Tancmars lieden verjaagd, het paalwerk omvergeworpen, opnieuw bezit van mijn land genomen, er een twintigtal gewapende gezellen op gesteld en Rambold Tancmar eenen bode gestuurd om hem te zeggen dat ik voortaan mijn eigendom met geweld zal verdedigen."

"Gij hebt wel gedaan", zeide Robrecht.

"Maar dit is eene oorlogsverklaring!" riep de kastelein.

"Welnu, Rambold mag het nemen zooals hij wil: ik ben bereid."

Er heerschte eene wijl stilte. Wat Burchard had gezegd, vervulde zichtbaar zijne beide ooms met vrees.

"Eilaas! En wat heeft Rambold Tancmar geantwoord?" vroeg Bertulf.

"Niets; ik heb van hem niets meer gehoord. Gij ziet wel, heer proost, dat er met lankmoedigheid niets is te winnen. Eene enkele stoute daad brengt deze in schijn zoo trotsche Isegrims tot zwijgen."

"Het is onnatuurlijk; daar moet eene list onder verborgen liggen", bemerkte de kastelein.

"Die Tancmars zijn voor ons ongeluk geboren", morde de proost. "Zij zoeken met eene helsche spitsvondigheid alle gelegenheden op om ons tot ongeduld en geweld te drijven. Die gelegenheid hebben zij nu gevonden. Gij meent dat zij ze zullen verzuimen of laten ontsnappen? Gij verlaat uw landgoed te Bethferkerke alsof gij den terugkeer van Rambold onmogelijk geloofdet!"

"Mijn eigendom is goed bewaard", zeide Burchard met fieren glimlach. "Ik vrees Rambold Tancmar niet meer."

"Maar indien hij met overmacht komt? Wat is twintig man? De ondadigheid van uwen vijand verontrust mij als de kwaadvoorspellende stilte die een onweder voorafgaat ..."

De deur werd geopend en een huisschalk verscheen bij den ingang der zaal met eenen zwaren korf aan de hand.

"Mher Burchard", zeide hij, "er is een bode van St-Andries gekomen met dezen korf. Hij verzocht mij hem u onmiddellijk te behandigen. Het is een geschenk van Mher Rambold Tancmar, heeft hij gezegd, vruchten van een nieuwen grond, waarvan het gezicht u zal verblijden."

"Van Rambold Tancmar!" riepen allen verbaasd. "Wat mag het zijn?"

"Wij gaan het weten", morde Burchard, naar de deur stappende.

Hij bracht den korf bij de tafel en terwijl de anderen waren opgestaan en hunne oogen op zijne handen gevestigd hielden, rukte hij de banden en den doek van den korf.

"Appelen, schoone appelen, ik ken dit ooft, het is op mijnen grond gegroeid", sprak Burchard schertsend.

Maar eensklaps bemerkte hij iets dat hem eenen schreeuw van afgrijzen ontrukte en de anderen deed verbleeken en beven.

Onder deze eerste laag appelen vertoonde zich een afgehakte menschenvoet, met verkrampte teenen en nog bevlekt met bloed.

Burchard stortte de appelen ten gronde ... nog meer afgehakte yoeten bevatte de nootlottige korf![36]

Zwijgend en als versteend staarden allen op deze teekens eener afschuwelijke wraak.

Onderwijl gromde Burchard onverstaanbare vermaledijdingen en, alsof hij zich zelven wilde tergen, nam hij de loodvervige roeten een voor een bij de teenen, hief ze uit den korf en telde: één, twee, drie, vier ...

Al deze voeten waren naakt; maar nu haalde Burchard, van den grond der mande, eenen kleineren voet op die nog een blauw schoeisel droeg.

Een akelige noodkreet bonsde door de zaal; Burchard, de harde de sterkmoedige Kerel, liet zich op eenen zetel vallen en begon overvloedig te weenen.

"Eric! Eric! Het kind mijner zuster!" klaagde hij. "Dood, dood! En hem niet weder levend kunnen maken, zelfs niet in stroomen bloed!"

"Ho, het is gruwelijk!" morde Robrecht, sidderende van verontwaardiging en toorn. "Bij zulke heuveldaad wordt de wraak een plicht. Geschiedde wat wil, geduld is hier lafheid!"

De proost en de kastelein hadden Burchards handen gegrepen en poogden hem te stillen en te troosten.

"Welnu, ooms, wat denkt gij?" zuchtte Burchard met heesche stem. "Nu is al mijn moed gestorven; maar indien mij nog kracht overbleef, zoudt gij zeggen: geef toe, wees voorzichtig, verdraag alles?"

"Neen, neen, het is te veel!" antwoordde de oude Bertulf. "Rambold Tancmar moet zijne wreedheid boeten; maar laat u niet aldus door uwe wettige woede tot uitzinnigheid vervoeren; in alles moet de mensch met beradenheid te werk gaan."

Burchard bleef eene wijl hoorbaar hijgen. Dan sprong hij eensklaps recht, dreef zijne ooms van zich weg en liep buiten de zaal.

"Mijn paard, mijn paard!" klonk het op den neerhof met zooveel kracht, dat de andere gebouwen van den burg er van weergalmden.

De kastelein was Burchard achterna geloopen en bracht hem nu terug in de zaal, hem smeekende zich niet zoo in het openbaar ten schouwspel te geven. Men mocht vreezen dat, indien de misdaad bekend werd, er een volksoploop zou geschieden en dit moest men, als een even groot ongeluk, voorkomen.

Hem nogmaals met medelijden de hand nemende, poogde de proost hem te doen begrijpen dat men, om der wraak zeker te zijn, eenige voorzorgen moest nemen en niet dwaselijk mocht te werk gaan. Hij zou zijnen neef helpen, hem de middelen bezorgen om de Tancmars te straffen. Nu was het te laat voor heden: de avond begon reeds te vallen.

Maar Burchard hoorde niets; hij hield, met eenen lach als een tijgergrijns op den mond, zijnen blik naar de deur ...

"Nu, Burchard, blijf moedig; wees getroost", zeide hem Robrecht Sneloghe. "Ik zal mijne mannen van Ravenschoot halen; wij zullen te zamen naar Straten gaan. Gij zult gewroken worden ..."

Maar Burchard, als antwoordde hij zich zelven, gromde verwardelijk:

"Neen, neen, gij zijt niet wreed genoeg; gij zoudt mijne wraak wederhouden ... Alleen, alleen ... geene voorzichtigheid ... andere mannen: Blauwvoeten met baarden! Ha, ik hoor ... daar is mijn paard!"

Hij liep naar den korf, raapte den kleinen voet met blauw schoeisel van den grond op, stak hem met koortsige haast in zijne gordeltasch en ijlde dan, door zijne verschrikte ooms gevolgd, naar buiten.

Hier sprong hij op zijn brieschend paard en drukte het de spoor door de huid. Het dier huilde van pijn en schoot als de pijl uit den boog over het binnenplein van den burg.

Burchards ooms hadden hem gevolgd tot buiten de proostdij; zij stonden daar nu klagend en met de armen opgeheven, en riepen hem nog bij zijnen naam; maar hij hoorde hen niet en verdween uit hun gezicht onder de hofpoort.

Voetnoten:

[36]

KERVYN DE LETTENHOVE. Histoire de FL, t. I, pag. 369.


VI


Ten zuiden en ten oosten van Brugge was het land weleer gansch overdekt geweest met een enkel oorspronkelijk woud, slechts hier en daar onderbroken door zandige moerassen en turfachtige poelen.

Een taaie, werkzame volkstam had voor eeuwen bezit van dien verlaten grond genomen, vele bosschen uitgeroeid en tot vruchtbare akkers herschapen, de lage boorden der beken van alle houtgewas gezuiverd, de staande wateren door dijken en grachten afwatering bezorgd en zoo, door geduld en arbeid, de woestijn gedwongen tot het voeden van talrijke bewoners.

De reizende koopman, die het waagde in het gunstige jaargetijde deze streken te doorloopen, keek verwonderd op, wanner hij eensklaps, in den schoot van het bosch zelf, of langs de grasrijke boorden der beken een ontelbaar hoornvee of groote kudden schapen ganzen en zwijnen zag grazen.

Zoo werd de grond bebouwd tot aan den voet der eeuwenheugende wouden, overal waar het zonnelicht eene vlakte kon beschijnen. Alles was benuttigd: de waterloopen tot het bewegen van molens, de poelen tot het kweeken van visch, de bosschen tot het hakken van brand- en timmerhout, ja, de moerassen zelve tot het baggeren van derring of turf.

Het bedrijvige volk, dat deze wonderen had gewrocht, woonde niet in dorpen; zijne huizen of hutten stonden eenzaam en als bij geval gezaaid langs de beken of de boorden der bosschen. Enkele zelfs waren verdoken in het diepste van het woud.

Hierom noemden de lieden van meer vlakke gewesten deze uitroeiers der bosschen de Houtkerels[37].

Weinig in aanraking komende met de poorters der steden of met vreemdelingen, hadden de Houtkerels meer nog dan de overige bewoners van Kerlingaland hunne voorvaderlijke gewoonten schier onveranderd behouden. Alhoewel zij Christenen waren en des Zondags in de naastgelegen dorp ter misse gingen, oefenden zij nog vele gebruiken die klaarblijkend heidensch waren, en vermengden dus, soms zonder het te weten, de plechtigheden van den Christenen-godsdienst met de overblijfselen der vroegere vereering van Wodan, Thor en Freya.

Dewijl zij niet gaarne in de dorpen of steden zich begaven en zeer verspreid leefden, zouden zij, bij gebrek aan middelpunt, weinig verkeer met elkanderen gehad hebben; maar daarin waren zij voorzien.

Al de bewoners eener beperkte streek vormden eene gemeente welke zij Minne noemden, dat is vriendschap[38].

In het midden dezer Minne, dikwijls bij eenen waterloop, stond een groot huis, bewoond door eenen bierbrouwer, waarnevens eene zeer wijde schuur was getimmerd, die men zale of zele heette. Hier hielden zij hunne vergaderingen van allen aard. Men koos er, bij meerderheid van stemmen, de Keurmans of bestierders en rechters; men beraadslaagde er over de gemeene zaken, men bracht er zijnen jaar- of maandpenning in den Gildenschat, men vierde er doopen, huwelijken en uitvaarten.

Voor de deur, te midden van een grasplein, stond de hooge wip, om met hand- of kruisboog naar den gaai te schieten.

Een weinig terzijde, tusschen eene groene haag, die eenen halven kring vormde, kon men vier zodenbanken zien. Dit was de plaats waar de Keurmans, volgens oud Germaansch gebruik, de misdadigers veroordeelden of boeten uitspraken tegen degenen die de wet van het Gilde of der Minne hadden overtreden; en dewijl eene bank bij hen den naam van scarne droeg, noemden zij dit rechtsbeluik vierscarne of vierschaar[39].

Onder deze Houtkerels waren geene onvrije menschen; allen waren gelijk, met dit eenige onderscheid dat men eigenaar van eenen akker moest zijn om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Om deze reden zelve was de grond zeer verdeeld, en bijna ieder weerbaar man bezat er in vollen eigendom een gedeelte lands.

Tusschen Zedelghem en Aartryke stond zulke groote brouwerij, die de naam van Krekaarzele droeg.

Op zekeren avond waren vele Houtkerels daar vergaderd tot het vieren van een huwelijk. De groote schuur was er geheel opgevuld met mannen van allerlei ouderdom, met vrouwen en kinderen. Hier en daar hingen steenen lampen, uit welker dikke lemmers, zwemmende te midden van drabbige olie, het roet in smookige kronkels opklom. Langs de wanden liep een houten bank, waarboven een schab of berd vooruitstak, om er de stoopen en drinkkannen op te zetten.

Al de lieden die hier tegenwoordig waren droegen hunne beste feestkleederen. De mannen hadden voor deze omstandigheid hunne lange baarden zorgvuldig gewasschen, gekamd en geglimd; de vrouwen en meisjes hadden zich vol goud en zilver gehangen.

De bruid herkende men aan haar wit gewaad, dat zacht en sneeuwig uitloste op al het blauw dat haar omringde; daarenboven terwijl bij de ongehuwde meisjes het haar tot op den rug nederviel, had de bruid, ten teeken dat zij geene dochter meer was, het haar zeer gekort. Zij droeg eene kroon van wit gebloemte; hare jonge gezellinnen hadden integendeel hunne vlottende haren met eenen groenen krans van maagdenpalm[40] bevestigd.

Aan de eene einde der zaal, op eene tafel, zaten drie speellieden: twee doedelpijpers[41] en een bommelaar.

Een dans was geëindigd: men genoot een oogenblik rust. Gasten en speellieden hijgden naar hunnen adem. Jonge gezellen liepen met groote stoopen door de schuur en vulden alle kannen met schuimend gerstebier. Maar nauwelijks had elk zijnen dorst door eenen teug gelescht, of de doedelpijpers en de bommelaar begonnen een aanjagend deuntje, en gaven dus het sein tot nieuw vermaak.

Al de aanwezigen sprongen recht, liepen bij paren te midden der zaal en begonnen te dansen, te wiegelen en te draaien met zulke snelheid dat het gezicht van dit driftig gewoel eenen koelen aanschouwer het hoofd duizelig zou gemaakt hebben. Evenwel was er zekere orde in dezen woesten dans. Bij tusschenpoozen hielden al de paren stil op eenen vasteren slag der maat, om oogenblikkelijk weder met vernieuwde kracht dooreen te springen en te zwieren ... Men lachte, men juichte, men zong; en zelfs de kinderen huppelden dooreen aan het einde der schuur, even vroolijk en even uitgelaten als hunne ouders ...

De dansers hadden tusschen al het gerucht der doedelzakken en der bommel niet gehoord dat een dravend paard voor de deur van het huis had stilgehouden ... maar nu klonk, eensklaps, boven het geluid der speeltuigen en boven de galmen hunner vroolijkheid, een machtige stem en de kwaad voorspellende roep: "Harop! Harop!" die aan elk het voorgevoel gaf van een onverwacht gevaar.

De dans hield op; de mannen sprongen naar hunne zwaarden, die zij hier en daar op de houten bank hadden neergelegd; de vrouwen slaakten een angstgeschreeuw, de kinderen liepen te hoop in eenen hoek; maar allen hielden het oog naar de deur, waar nu een hoogstaltig man zich vertoonde. Bij zijne verschijning riep elkeen met verwondering:

"Mher Burchard Knap!"

Velen gingen naar hem toe om te vernemen waarom hij zoo onverwachts hunne hulp eischte; maar hij deed een teeken met de hand dat hij spreken wilde, stapte dan te midden der zaal, haalde uit zijne tasch eenen kleinen menschenvoet waaraan nog bloed kleefde en toonde dien met eenen pijnlijken spotlach op de lippen. Hij meende te spreken, doch de tranen borsten hem uit de oogen.

Velen der omstanders waren bij het gezicht van den bebloeden voet teruggeweken; doch de smart van Burchard, wiens sterkmoedigheid zij kenden, deed hun voorgevoelen dat hem een groot ongeluk moest gebeurd zijn. Meer tot hem naderende, ondervroegen zij hem, ongeduldig en reeds in toorn ontvlammende.

Burchard, door eene geweldige beweging der hand, wreef de tranen uit zijne oogen en zeide hun op heeschen toon:

"Gezellen, ik ben doodelijk in het hart getroffen. Gij kent Eric, het schoone kind dat mij somtijds hier ter jacht vergezelde. Hoe dikwijls heeft hij de warme melk onder uw gastvrij dak gedronken! Gij hadt hem lief om zijne geestigheid. Ik beminde hem als mijnen zoon, niet slechts omdat hij het kind mijner zuster zaliger was, maar bovenal omdat het Kerlenbloed zoo zuiver door zijne aderen vloeide en er uit hem een wondersterke man moest groeien. Eilaas, mijn arme Eric! hij is dood, dit is zijn voet!"

"Dood!" riepen al de omstanders.

"De kleine Eric dood!" klaagden de vrouwen met opgeheven armen.

"Wie? wie?" gromden de mannen.

"De Isegrims!" antwoordde Burchard.

Gedurende eene wijle tijds zag men niets dan vuisten wringen en zwaarden opsteken, hoorde men niets dan wraakkreten en knarsing der tanden. Maar Burchard verhief de stem en zeide:

"Vrienden, gij hebt meer dan eens mij uwe hulp aangeboden; die hulp kom ik nu eischen, niet alleen van u, maar van al de Houtkerels die tot onze Gilde van Krekaarzele behooren. Dat degenen die last van vrouw of kinderen hebben te huis blijven; jonge mannen zoek ik, en die zijn er genoeg. Gaat nu naar huis, wekt onderwege de Kerels en zendt ze herwaarts. Zegt hun dat zij hunne korenwannen medebrengen. De Isegrims, die mijnen armen Eric vermoord hebben, wonen op eenen sterken burcht. Dit nest moeten wij bestormen om er het wolvengebroed in te verpletten. Ladders en boomen, tot beukrammen, zullen wij ginder gereed vinden. Haast u; wie zich lust gevoelt keere hier weder. Wij gaan het noodvuur opsteken en den hoorn blazen. Tot straks, gezellen!"

Door al de bijzijnde lieden gevolgd, stapte hij buiten de schuur. Hier verspreidden zich de Kerels met hunne vrouwen en kinderen door verschillige wegen. Men hoorde reeds in de bosschen den diepen, klagenden toon van den noodhoorn hergalmen.

Burchard naderde tot de wip, die men had neergehaald. Drie of vier jonge mannen waren bezig met aan de ijzeren stangen groote vlokken kemp te hechten, die vroeger reeds in gesmolten harst waren gedoopt geworden.

"Nog niet vaardig, Wijgbert?" vroeg Burchard.

"Het gaat zoo spoedig niet", was het antwoord. "Om het wel te doen, moet men wat tijd gebruiken; maar wees gerust, mher Knap; als onze Houtkerels dit noodvuur zoo hoog in de lucht zien vlammen, zullen ze welhaast hier zijn."

"Luister, Wijgbert", zeide Burchard, "ik bezwijk schier van vermoeidheid; de smart heeft mij mijne krachten benomen. Ik moet wat rusten. Verzoek onze gezellen in de schuur te gaan; doe hun te drinken geven naar hunnen lust, en kom mij roepen wanneer zij in genoegzaam getal te zamen zijn."

Hij richtte zich naar het huis en trad in de woonkamer, waar hij zich op eenen stoel liet nederzakken.

Niemand bevond zich hier dan des brouwers vrouw met drie kinderen, die bezig waren eene soort van melkpap uit eenen aarden schotel te eten.

De vrouw, die reeds bij de komst van Burchard uit zijnen mond den wreeden dood van den jongen Eric had vernomen, wilde hem nu eenige woorden van troost toesturen, doch daar zij zag dat hij ongaarne antwoordde, stoorde zij hem in zijne zwaarmoedigheid niet meer.

Zij wendde zich tot hare kinderen, die gedaan hadden met eten en zeide:

"Nu, kinderen, vergeet den Drolle niet. Gij moet gaan slapen."

Een der kinderen nam eenen lepel pap en stortte dien bij druppelen ten gronde in eenen hoek van den schoorsteen waar, op mannenhoogte, in den muur eene kleine holte als een kapelleken was uitgespaard. Nu stond daar een Lieve-Vrouwebeeldje, maar het was in vroeger tijd waarschijnlijk de plaats geweest der heidensche huisgoden, want de vrouw zeide tot de kinderen:

"Nu zal de Drolle u geen kwaad doen of uwen slaap storen. Bidt nu ook uw avondgebed."

De kinderen maakten het teeken des kruises en prevelden zeer godvruchtig het Vader-ons, waarna ze door hunne moeder uit de kamer werden geleid.

Toen de vrouw wederkwam, scheen Burchard een weinig van zijne vermoeidheid hersteld.

"Vrouw Moerinck", vroeg hij, "waar is uw man?"

"Hij is met den noodhoorn uitgereden, op den weg van Eeneghem om de Kerels te wekken", antwoordde zij. "Hij moest reeds terug zijn."

"En uw vader, de oude Balderic Wisman?"

"Ja, die loopt altijd in de bosschen, bij het minste dat er voorvalt. Ik hoor hem hoesten, meen ik. Daar is hij."

Een zeer oud man, met eenen langen witten baard, trad binnen. Hij naderde tot Burchard, zette zich op eenen stoel nevens hem, en zeide:

"Men heeft beelden van heiligen of van Christen-martelaars aan al onze wijboomen gehangen, en dus de goden onzer vaderen verjaagd; maar ik weet nog eenen boom, eenen eik, die gespaard is gebleven. Het is de boom van Thor, den machtigen God der wraak. Ik heb hem de wreedheid en de boosheid der Isegrims geklaagd. Hij zal u bijstaan en u de overwinning geven."

"Gij meent het, Balderik?" mompelde Burchard met eenen glim van ongeloof.

"Ik ben er zeker van. Wilt gij dat ik de Runen[42] voor u werpe?"

Burchard haalde de schouders op; maar de grijsaard, die ontevreden scheen over zijn twijfel, stond op en nam eenen lijnwaden zak uit eene kas. Hij keerde terug, schudde den zak en stortte op de tafel een zeker getal kleine houten stokjes, in ieder derwelke een zonderling teeken was gesneden.

"Zie, zie", riep hij, "of het lot u niet gunstig is!"

Op dit oogenblik trad de brouwer binnen. Hij was een man van ongeveer veertig jaar, tamelijk zwaarlijvig en hooggekleurd van wangen.

"Zijt gij weder bezig, grootvader, met die oude bijgeloovigheden?" schertste hij. "Kom, kom, doe uwe stokjes weg. Zij zullen den zwakken of lafhartigen de zegepraal niet geven: de beste Runnen zijne sterke leden en mannelijken moed ... Mher Burchard, ik moet u melden dat er in de schuur wel vijftig of zestig Kerels reeds vergaderd zijn. Zij gloeien allen van wraakzucht; want zij vertellen elkander den ongelukkigen dood van Eric, dien iedereen hier liefhad. Elstrunc en Everslag, onze Keurmans en uwe goede vrienden, willen u volgen en zullen u te paard vergezellen. Hoort het gerucht. Het krielt daarbinnen van Kerels. Nu zal het wel tijd zijn om te vertrekken, meen ik."

Burchard stond op en begaf zich naar de schuur, die gansch opgevuld was met mannen, meest langgebaard, waartusschen evenwel ook jongelieden zich bevonden, wier kin nauwelijks door eenige donzige haren was beschaduwd. Het grootste getal was voorzien van eenen zwaren kruisboog, eenigen droegen lange handbogen. Volgens de aanbeveling die hun was gedaan geworden hadden zij hunne dorschwannen medegebracht, om zich daarvan als van beukelaars of schilden bij de bestorming van eenen burcht te bedienen. Allen zonder uitzondering voerden aan de linkerzijde een groot krom zwaard, de scherpsnijdende schermzeis.

Burchard blikte in het ronde, drukte eenigen zijner bijzondere vrienden de hand, en sprak dan met luider stemme:

"Gezellen, men heeft u gemeld, niet waar, dat ik u den noodkreet van Harop heb toegericht, opdat gij mij den dood van den armen Eric helpt wreken. Tegen de Isegrims, der Kerlen bloedvijanden trekken wij ten strijde. Het is Rambold, de neef van den hofraadsheer Tancmar, die niet alleen het kind mijner zuster heeft vermoord, maar daarbij nog een tiental vrije Kerels. Hij woont nu op den burcht te Straten, en verwacht zich waarschijnlijk niet aan onze komst. Hoe het zij, moet er bloed vlieten, wij zullen het geven en hier niet terugkeeren zoolang er een steen van het vermaledijde Isegrimsnest rechtstaat."

"Wij zullen het afbranden en verdelgen tot in den grond!" kreten de Kerels, hunne wapens in de hoogte zwaaiend.

"Welaan, gezellen", zeide Burchard, "reizen wij in stilte; pogen wij onze vijanden te verrassen. Onverwachts, als de pletterende slag van Thors hamer, treffe hen onze wraak!"

"Wie moeten wij sparen?" vroeg een jongeling.

"Sparen? Hebben zij een arm, onschuldig kind gespaard?"

"Niemand! niemand!" kreten de gezellen.

"Rambold Tancmar bovenal mag ons niet ontsnappen", bevestigde Burchard. "Indien hij eenen zoon had! Maar hij heeft geene kinderen. Vooruit nu, gezellen! vooruit naar den burcht te Straten. Het is bijna twee uren van hier. Wij zullen niet te haastig gaan, om onze krachten tot den storm te sparen."

De Kerels traden allen buiten de schuur, hingen de korenwannen aan lederen riemkens op hunnen rug en schikten zich in zekere orde. Burchard en de twee Keurmans sprongen te paard,—en de bende, wel honderd sterk, begaf zich door de duisternis op weg.

Langen tijd liep de baan door dichte bosschen, en konden de Kerels moeilijk te zamen blijven; maar eindelijk geraakten zij in het vlakke veld op eene breede zandige straat.

Hier reden de twee Keurmans zonder beletsel aan Burchards zijde, en vroegen hem eenige nauwere bijzonderheden over het gebeurde.

Hij gaf hun de volgende uitlegging:

"Mij behoort te Straten, als deelmakende van mijne moederlijke erfenis, een boomgaard en eene paarden weide. Onze graaf, als naar gewoonte door de Isegrims tot het vergeten van het recht der vrije Kerels aangedreven, heeft dien grond, mijn eigendom, aan Tancmar Van Straten in leen geschonken. Ik heb natuurlijk mij tegen zulke berooving willen verzetten met woorden en met geweld. Maar toen de graaf naar Frankrijk ten oorlog zou trekken, heeft hij, zooals gij weet, eenen algemeenen landsvrede afgekondigd en mijne ooms, de proost van St-Donaas en den kastelein van Brugge, in het bijzonder verantwoordelijk gemaakt voor het behoud van dien vrede. Op hun verzoek heb ik toegestemd den bedoelden grond ongebruikt te laten totdat de graaf, bij zijne terugkomst, over den twist kon oordeelen en zijne onrechtvaardige gift herroepen. Maar de Tancmars, die niets zoeken dan de Kerels tot geweld aan te hitsen, om ze dus bij den graaf gehaat te maken, hebben den vrede niet geëerbiedigd en mij dagelijks met zooveel boosheid getergd en vernederd, dat ik eindelijk, bij die laffe verduldigheid, mij zelven begon te verachten. Nu laatst, na vele andere uitdagingen, hadden zij mijnen grond met paalwerk omsloten en mijne gezellen mishandeld. Ik heb het paalwerk omverre geworpen en een twintigtal gewapende mannen op den grond gezet, om hem te bewaken. Rambold Tancmar heeft eenige dagen zich stilgehouden, alsof hij van alle verdere aanspraak op mijn eigendom hadde afgezien. Maar hij is eensklaps met groote macht verschenen, heeft mijne gezellen overrompeld,—en gekwetsten en gevangenen den rechtervoet doen afhakken, om mij deze bloedige teekens zijner wreedheid ten geschenke te zenden ... Helsche uitvinding! Wist hij dan, de afschuwelijke moordenaar, dat ik al mijne genegenheid, al mijne hoop op het kind mijner zuster had verzameld? Eilaas, de lieve, zoete Eric! Hoe kan ik hem en mijne doode gezellen wreken?"

"Wij zullen doen wat Rambold heeft gedaan", gromde een Keurman. "Hun de voeten afsnijden en ze den hofraadsheer Tancmar toezenden, al bevond de hatelijke Isegrim zich ook met den graaf ."

"Neen, neen", zeide de andere knarsetandende, "wij zullen ze altemaal binnen den burcht op eenen hoop leggen, ze doormengen met stroo en hout op zulke wijze, dat ze tot pulver verteerd worden in den brandenden gloed. De puinen van den burcht zullen nederstortend hunne asch verstrooien of begraven, en zoo zal zelfs geene gedachtenis van die snoode Isegrims meer overblijven."

"Maar Rambold, Rambold!" morde Burchard. "Zijnen rechtervoet moet ik hebben: zijn oom de raadsheer wacht mijn geschenk ..."

En dus tegen de Isegrims bulderende en elkander tot eene bloedige wraak aanmanende, geraakten zij eindelijk in de nabijheid van Bethferkerke.

Hier steeg Burchard met de Keurmans af en deed de Kerels stilhouden. De paarden werden toevertrouwd aan gezellen, die ze door het Frinte-bosch moesten leiden.

"Volgt mij nu, een voor een, en op zekeren afstand, vrienden", zeide Burchard. "Weest zeer stil; en waar men u zou kunnen zien, buigt u of stapt verborgen in het kreupelhout. Hier omtrent staan hofsteden en hutten van Tancmars lieden. Indien men onze tegenwoordigheid op deze baan bemerkte, zouden de wachten van den burcht onmiddellijk verwittigd worden. Volgt mij voorzichtig en langzaam."

Door de duisternis slopen al deze mannen achter elkander voort, de schaduw en de diepten zoekende en met de korenwannen op den rug over de baan slingerende als eene reuzenslang, wier geelachtige schubben den zwakken nachtelijken schemer nog herkaatsten.

Eensklaps bleven, bij het hoofd der bende, eenige gezellen verrast staan; zij meenden eenen man tusschen het kreupelhout te hebben bespeurd; het geritsel der bladeren bevestigde hun vermoeden.

"Vliegt de Blauwvoet?" riep een der Kerels.

Maar dewijl hij geen antwoord bekwam, spande hij zijnen boog en stuurde eenen pijl door de heesters. Drie of vier gezellen volgden hem hierin na. Uit den schoot van het gebladerte ging een smartkreet in de hoogte en men hoorde de haastige stappen van iemand die vluchtte.

Burchard kwam nader en vroeg wat hen had aangedreven om te dezer plaatse gebruik van hunne bogen te maken.

Bij de verklaring der Kerels schuddde hij het hoofd met spijt en zeide:

"Wij zijn verraden. Het was een schildwacht of bespieder. Men waakt op den burcht!"

"De man zal niet verre loopen", bemerkte degene die het laatste schot gelost had. "Mijn pijl is hem waarschijnlijk door de borst gegaan."

"Daarin bedriegt gij u", zeide een andere. "Hij zal waarschijnlijk slechts aan den arm gekwetst zijn; ik ken dit: zijne klacht was een smartkreet, maar geen doodsschreeuw. Daarenboven, gij hebt hem hooren wegloopen, zooverre dat het gerucht zijner stappen geheel en zachtjes uitstierf. Wie leert zulke dingen aan mij, Ivo-den-wolvenjager?"

"Laat ons zwijgen", onderbrak Burchard. "Hoe het zij, gaan wij met voorzichtigheid en in stilte!"

Hij stapte hen vooruit en bracht hen door eenen afgelegen weg aan zijn landgoed, dat wel geen eigenlijke burcht was, doch waarvan het voorname gebouw eveneens met eenen hoogen muur en met eene diepe gracht was omsloten.

Gansch alleen begaf hij zich over de brug tot bij de poort, en klopte daar op der Kerlen wijze, dit is te zeggen twee slagen en dan, na eene rust, nog een derden, hard en kort.

"Vliegt de Blauwvoet?" vroeg eene stem van binnen.

"Storm op zee!" antwoordde Burchard. "Doe open, Alijn, ik ben het."

De poort draaide krijschend op hare hengels en al de Kerels traden binnen den ringmuur op den wijden neerhof.

Hier werden een paar toortsen ontstoken en alles tot den aanval tegen den burcht van Straten in gereedheid gebracht.

Te midden van den neerhof lagen drie zeer hooge ladders nevens eenen zwaren eiken balk, aan welks einde een ijzeren ramshoofd met dikke banden was vastgesmeed. Een weinig verder had men vele in olie gedoopte kempbundels en toortsen van pijnharst in eenen hoop te zamen gelegd, en daarnevens houwelen, hamers, haken en koorden.

Burchard verdeelde zijne mannen in kleine benden en schikte ze op den neerhof in eene soort van stoet.

Vooraan stonden vele kruisboogschutters, gansch onbeladen en gereed tot onmiddellijke verdediging; achter dezen de dragers der drie groote ladders, dan de twintig man op wier schouders de eiken balk rustte, en eindelijk degenen die de koorden, houwelen en brandstoffen aanbrengen zouden, allen nog opgevolgd door eene bende handboogschutters als achterhoede.

Zoohaast alles vaardig was, werden de toortsen uitgedoofd en de stoet trok in de diepste stilte door de duisternis over de brug.

Burchard leidde hen langs eenen verborgen weg door dicht geboomte, beval nog meer stilte en bracht hen eindelijk tot bij den uitersten boord van het bosch. Hier toonde hij hun den burcht van Straten die, op een goed boogschot van daar, als een logge steenberg met zijne torens tegen den donkeren hemel nog donkerder uitloste.

"Legt uwen last ter aarde, rust een weinig en verzamelt uwe krachten", fluisterde Burchard, terwijl hij van de eene bende naar de andere ging.

Hij keerde terug tot den boord van het bosch, waar zijne vrienden de Keurmans, met Ivo-den-wolvenjager het oog bespiedend op den burcht hielden gericht.

"Men waakt ginder", murmelde een hunner. "Zie daar, boven den muur, nevens de poort, die bewegende vlekken. Zijn het geene menschenhoofden?"

"Zeker", bevestigde Ivo. "Donker is de nacht, maar staal glinstert nog in de duisternis: het zijn stormhoeden of zwaarden."

Burchard overspande een wijl zijne gezichtskracht en zeide dan:

"Ja, men waakt; men weet van onze komst. De bespieder, dien wij onderweg met eenen pijl troffen, heeft ons verraden ... Zij zijn talrijk en pogen zich voor ons te verbergen. Het spel zal hard zijn. Des te beter, ik zal mijne vermoorde gezellen in ruime maat kunnen wreken. Ziehier wat wij gaan beproeven: de twee minst zware ladders zullen wij over de gracht tot voor de ophaalbrug leggen om de ketens te bereiken en ze te verbrijzelen. Dan zullen wij met den stormram tegen de poort beuken en zoo den burcht bin nen dringen. Gaat nu bij onze gezellen en deelt hun dit inzicht mede, elk voor het zijne. Zegt den ouden Lambrecht dat hij met een tiental mannen in het bosch blijve om de gekwetsten te verzorgen."

Een weinig later was alles gereed tot den aanval. Bij elken ladderdrager stond een gezel die hem eene korenwan boven het hoofd moest houden.

Daar de wannen van wederzijde dus opgeheven waren, vormden deze beschutsels boven elk ladder een voortloopend dak, waaronder dragers en strijders tegen pijlen en steenen, ja, zelfs tegen werpvuur waren beveiligd.

Men verliet langzaam het bosch, met de hoop dat men bij eene volledige stilte misschien de aandacht der wakers zou ontsnappen.

Alles ging naar wensch, totdat de Kerels de gracht van den burcht zouden naderen. Dan vertoonden zich eensklaps vele hoofden boven den hoogen muur; de boogpezen klonken en de pijlen snorden door de lucht, terwijl een schaterende spotlach binnen den burcht hergalmde.

"Vooruit, vooruit de ladders!" kreet Burchard. "Schutters, mikt daar boven de poort. Geeft dien lachers spel, totdat wij hunne hoonende vreugd in hun bloed versmachten. Vooruit, vooruit!"

Burchard aanjagend bevel was volbracht geworden. Men had de ladders over de gracht gelegd, en was nu bezig met mokers, tangen en hefboomen op de ketens der valbruggen te slaan en ze zoo geweldig te wringen dat het ijzer schreeuwde en huilde als hadde het pijn gevoeld.

De beide Keurmans en Burchard stonden niet verre van daar onder twee breede wannen, waarop des vijands pijlen nu en dan als hamerslagen nedervielen en afbotsten.

Reeds één Kerel lag dood voor de brug en men had er drie anderen, zwaar gewond, het bosch ingedragen, toen een der Keurmans, eene beweging terzijde doende, zich gedeeltelijk ontblootte.

Een versmachte kreet ontsnapte hem; hij greep Burchard den arm en zeide:

"Ondersteun mij, ik ga vallen."

"Wat, wat is u geschied?" vroeg zijn gezel.

"Ik heb mijn deel ... hier een pijl, dwars door mijne borst ... het is gedaan met mij."

"0, God!" kreet Burchard. "Gij, Elstrunc, mijn vriend, gij zoudt sterven? Neen, neen, heb moed, geloof het niet!"

"Moed?" schertste de bezwijmende Elstrunc.

"Moed? Ben ik hier gekomen met de vrees des doods?"

Burchard greep zijnen gewonden vriend om de middel, hief hem met eene plotselijke inspanning van krachten op zijnen schouder en liep met dien last het bosch in waar hij hem bij de andere gekwetsten neder legde.

Hij knielde aan zijne zijde en meende hem te troosten; maar de andere, ofschoon reeds op den boord van het graf, dacht slechts aan de overwinning en aan de wraak, en deed Burchard begrijpen dat hij tot den storm moest terugkeeren, wilde hij den aanval niet doen mislukken.

Inderdaad, toen Burchard uit het bosch trad zag hij dat men van boven de poort zijne mannen niet alleen bevocht met pijlen en steenen, maar tevens met vlammend werpvuur, en dat de Kerels, die de keten der ophaalbrug moesten breken, schier werkeloos onder de opgeheven wannen zich hielden verborgen.

Dit gezicht vervoerde hem in razernij en ontrukte hem eenen schreeuw die als een leeuwengebrul over den burcht heenklonk. Hij dreef de wannen weg van boven zijn hoofd, liep vooruit over de ladder, greep eenen grooten ijzeren hefboom uit de hand van eenen der gezellen, stak dien met het einde door enen schakel en begon de keten te draaien en te wringen met zulke woestheid, dat glinsterende vonken het knarsend metaal ontsprongen.

Een steen viel hem op den schouder en bonsde terug, als hadde hij eene rots getroffen; eene vlok vuur zengde hem de haren, maar hij wrong immer voort, boog zich, kronkelde zich en spande zijne leden, totdat de ketens braken en de ophaalbrug onder het gejuich zijner gezellen nederplofte.

Een zegevierende schreeuw kondigde dit eerste voordeel aan. Nu was de baan tot aan de poort geheel vrij en, kon men die insgelijks verbrijzelen, dan zou niets weerstaan aan hunne woede en aan hunne wraak.

Wel vijftig man, met den vreeselijken stormram op de armen, liepen over de brug en beukten zoo geweldig tegen de poort, dat de holle klank van den slag als de donder over bosch en velden hergalmde.

De eerste stoot scheen geen uitwerksel te hebben. De Kerels verwijderden zich van de poort, namen eenen nieuwen loop en beukten met meerdere kracht nog, maar de poort bleef onwrikbaar. Pijlen, steenen en vuur vielen als hagel op de wannen, en troffen nu en dan eenen Kerel, die den storm moest verlaten of door anderen in het bosch werd gedragen.

Boven den muur lachte men nog spottend, maar daar moest evenwel meer dan één man door de pijlen van buiten zijn getroffen geworden, dewijl nu en dan een scherpere kreet of een noodgehuil tusschen het tergend lachen opsteeg.

De Kerels, door de moeilijkheid van den aanval verwoed geworden, herhaalden menigmaal hunnen loop en hitsten elkander aan door een koortsig strijdgeschreeuw. Burchard zelf had zich nu aan den stormram gesteld; en, of zijne kracht waarlijk overmatig was, en of zijne tegenwoordigheid de kracht zijner mannen had verdubbeld, van den eersten stoot waartoe hij had geholpen, had de poort een rinkelend geluid gegeven, alsof zij gedeeltelijk van hare hengsels was losgeraakt.

"Terug, terug!" riep Burchard. "Nog eene goede poging en zij stort neder! Aan ons de overwinning!"

Toen zijne mannen met den balk op eenigen afstand van de brug onder de opgehevene wannen veilig stonden, zeide hij hun op blijden toon:

"Haalt adem, rust een oogenblik. Werken wij met vereende kracht, het is de laatste stoot ... Maar wat drijft daarginder langs den muur? Mannen die zich verwijderen van de poort! Zouden zij onze wraak willen ontvluchten? Op, op, de stormram! Vooruit, vooruit!"

Een oogenblik daarna sidderde de lucht onder eenen dubbelen dondergalm, en de poort viel achterover ten gronde.

"Wannen weg! De zwaarden nu!" huilde Burchard, terwijl hij met zijne gezellen als een onweerstaanbare vloed ten burcht instroomde.

Slechts gedurende eenen korten tijd boden hunne verraste vijanden eenigen tegenstand en vloden dan weg in het gebouw of in duistere hoeken en kanten om, ware het mogelijk, nog een uitkomen te vinden; maar de Kerels vervolgden hen, speurden hen na en hakten alwat leven had onmeedoogend neder.

Burchard, die slechts een doel voor oogen had, namelijk zijne wraak op Rambold Tancmar te koelen, deed drie of vier toortsen ontsteken, en liep op en af de verdiepen van den burcht, alles doorsnuffelende wat maar eene schuilplaats verschaffen kon. Ook de andere gebouwen onderzocht hij, koortsig, spijtig en met heesch keelgeluid grommend:

"Hij alleen zou mij ontsnappen! Onmogelijk. Hij is in den burcht, de vuige moordenaar van mijnen armen Eric! Ah, ik zal hem vinden, ik moet hem hebben!"

Maar wanneer hij alles had doorzocht, en de Kerels van moorden moede en met bloed bedekt, hem omringden, stond hij daar, grijnzend het hoofd schuddende en als ontmoedigd.

"Rambold ontsnapt mij!" zuchtte hij herhaalde malen.

"Hij is gevlucht met een groot gedeelte zijner mannen", zeide een Kerel. "Ik heb aan den voet van den achtermuur eenen Isegrim doodelijk getroffen. Die heeft mij, om zijn leven smeekend, mij verklaard dat zijn meester langs eene ladder is afgedaald en over deze ladder den anderen boord der gracht heeft bereikt."

"Doemenis!" kreet Burchard. "Zijn mijne gezellen gewroken, de moord van mijnen armen Eric blijft onbetaald! Hadden wij hier dan slechts iemand van Rambolds maagschap gevonden, iemand dien hij bemint!..."

Er naderde een Kerel die, de laatste klacht van Burchard hoorende, hem zeide:

"Iemand van Rambolds maagschap? Wees tevreden, mher Burchard: daarbeneden, in den kelder, ligt het lijk zijner zuster."

"Het lijk zijner zuster? Ah!" kreet Burchard, eene toorts grijpende.

Door de Kerels gevolgd, daalde hij eene steenen trap af en kwam in eenen overwelfden gang waar inderdaad het lijk eener jonkvrouw op de zijde ten gronde lag.

Eene wijl staarde Burchard stom en beweegloos op het doode lichaam.

"Het is Rambolds zuster", morde hij. "Nu zal ook de smart, nu zal ook de rouw hem in het hart bijten. Eric is gewroken!"

"Zal ik haar den voet afhakken?" vroeg een Kerel, zijn zwaard tot slaan gereedhoudende.

"Neen, neen, eene vrouw ... Ik ben voldaan, het is genoeg ", antwoordde hij. "Men drage nu de lijken te zamen in den burcht en steke het vuur aan al de gebouwen en op honderd plaatsen te gelijk!"

Hij stapte uit den burcht op den neerhof en bleef daar staan, met de armen overeen gevouwen.

Schier onmiddellijk begonnen de vlammen hier en daar hunne roode tongen te vertoonen, en het vuur liep voort en verhief zich en kronkelde allengs om muren en torens, totdat eindelijk de burcht, aan eenen vulkaan gelijk, den donkeren hemel verfde met eenen bloedigen gloed[43].

De Kerels juichten dit schouwspel toe, als hadden zij zich vermaakt bij een feestelijk vreugdevuur, totdat het halfverteerde dakwerk met ijselijk gekraak nederstortte en hun een laatst en machtiger gejubel deed aanheffen.

"Het werk der wraak is volbracht", zeide Burchard. "Nu de gekwetsten verzorgd, en huiswaarts gekeerd!"

Eenigen tijd daarna hoorde men der Kerlen zegelied in de verte nog hergalmen, en eindelijk achter de bosschen geheel in de nachtelijke stilte wegsterven ... Zij zongen:

Doedele, bommele, romdomdom,
Houd u recht en sie niet om!

Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
Hier sijn de Kerels van Vlanderlant!
Gi, Isegrims, hoedt u vor den Blauvoet,
Of gi selt voelen wat sine clau doet.
Onse vaderen waren vri,
En vri so bliven wi,
So lanc een hert, dat lafheid haet,
In enen Keerlenboesem slaet.

Doedele, bommele, romdomdom,
Houd u recht en sie niet om!

Voetnoten:

[37]

Men noemt heden nog, In eenige streken van Vlaanderen, de bewoners der bosschen Boschkerels of Houtkeerlen.

Zie J. HUYTTENS, messager des Sc. etc. de Gand, 1860, pp. 215 et 420.

[38]

"Le mot Commune (gemeente) est relativement moderne; ceste chose s'appelait minne (amitié), gilde, association."

V. DE RODE, Ann. du Com. Pl. de Pr., t. VIII, p. 96.

[39]

WARNKOENIG, Hist. de Fl., traduct. de Gheldorf, t. II, pag. 123.

[40]

Vinca pervinca.

[41]

"La cornemuse (doedelzak), instrument national des Kerls." VICTOR DE RODE, Ann. du Com. Fl. de Fr., t. VIII, pag. 75.

[42]

De Runen waren de letterteekens van het oudste Germaansch schrift; zij dienden later tot zoogezegde tooverij of waarzeggerij.

[43]

Zie aangaande de verdelging van Tancmars burcht, te Straten, door Burchard, KERVYN DE LETTENHOVE, Hist. de Fl., I, 370.


VII


Toen de gevluchte Rambold Van Straten te Atrecht kwam, en met groot misbaar den graaf de verwoesting van zijnen burcht en den wreeden moord zijner zuster en zijner dienaars klaagde, ontvlamde de vorst in eenen onuitsprekelijken toorn.

Terwijl Rambold zijne eigene gewelddadigheden verzweeg of verbloemde, lieten Tancmar en zijne vrienden niet na de Erembalds en de Kerels in het algemeen van medeplichtigheid aan deze euveldaad te beschuldigen. Zij poogden de verontwaardiging des vorsten tot het uiterste aan te vuren en hem over te halen om onmiddellijk met een sterk gedeelte des legers verdelgend in de vrije Ambachten te vallen. De gelegenheid was nu gunstig, meenden zij: niemand zou de Kerels helpen of beklagen; en, kon men ze dwingen eens voor goed den nek onder het juk der dienstbaarheid te buigen, dan ware het voor eeuwig met dit wreed en overmoedig ras gedaan.

Graaf Karel, alhoewel hij niet gewoon was zonder lange overweging eenig gewichtig besluit te nemen, had hun laten denken dat hij, ditmaal ten minste, gansch hunne woede deelde en hunnen raad zou volgen.

Maar nog denzelfden dag had de proost van St-Donaas eenen bode naar Atrecht afgezonden met eenen langen brief waarin hij den graaf het gebeurde verhaalde van zijnen eersten oorsprong af en Rambold Tancmar beschuldigde den bloedigen twist te hebben begonnen door het vermoorden van Burchards gezellen. De proost, in zijnen brief, betreurde diep wat er voorgevallen was en drukte de vaste hoop uit dat de vorst, in zijne wijsheid, uitspraak zou doen tusschen de beide vijanden, volgens rede en recht, opdat verder bloedvergieten mocht worden voorkomen.

Dit schrijven deed den vorst wankelen. Ofschoon zeer trotsch van gemoed, wist hij zich zelven genoeg te bedwingen. Daarenboven hield hij er aan door het Vlaamsche volk als rechtvaardig te worden geacht. Ook kwam hij allengs tot het besluit Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger ridderhof te dagen, en dus over dit schuldig verbreken van den landsvrede in het openbaar een plechtig en onpartijdig vonnis te doen vellen.




 "Het is Rambolds zuster."
"Het is Rambolds zuster."


De Tancmars toonden zich bedroefd en ontevreden over dit besluit en klaagden dat de graaf, in zijne overdrevene zucht tot rechtvaardigheid, weigerde tusschen den schuldige en zijn slachtoffer eenig onderscheid te maken. Het was list en veinzerij van hunnentwege; want zij wisten dat zij, door zulke eerbiedige tegenstreving, den vorst in zijn genomen besluit konden bevestigen. Zij waren wel overtuigd dat een rechtbank die, als het ridderhof, geheel uit vijanden der Erembalds en der Kerels was samengesteld, niets anders kon doen dan Burchard veroordeelen, hij mocht dan al zijne wraakpleging kunnen verrechtvaardigen of niet.

Daarop werden naar Brugge en naar andere steden boden gezonden, dragers van 's graven bevelbrieven, waarbij afgekondigd werd dat, vijf dagen later, het hooge ridderhof onder het voorzitterschap des vorsten te Yperen zou vergaderen, om Rambold Tancmar en Burchard Knap aangaande de gepleegde moorderijen te hooren en te vonnissen.

De gestelde dag was nu verschenen; te twee uren namiddag zou te Yperen, in de zaal op den Burg, de vorstelijke vierschaar worden geopend.

Volgens de gewoonte van dien tijd, zouden de bloedverwanten en bijzonderste vrienden der beschudigden dezen ter vierschaar vergezellen, hetzij om hen desnoods voor het gerecht te verdedigen, hetzij om, door hunne tegenwoordigheid, te betuigen dat zij de achting veler lieden genoten of tot eene machtige maagschap behoorden.

Zoo kwam het dat op dien dag, in den morgen, de Erembalds van Brugge, ten getalle van wel dertig, omtrent Staden, op de baan naar Yperen voorbijreden.

Zij hadden den nacht te Thorhout doorgebracht en waren laat genoeg te paard gestegen om niet voor het bepaald uur te Yperen aan te komen. Bertulf, de proost van St-Donaas, had het dus goedgevonden om reden dat hij het oploopend gemoed van Burchard vreesde, en zooveel mogelijk hem de aanraking met zijne vijanden, de Tancmars, wilde doen vermijden.

Wel is waar dat, door de dagvaarding voor 's vorsten rechtbank, er tusschen de belanghebbenden en hunne vrienden een plechtige vrede was gebannen, dien men op de doodstraf moest eerbiedigen; maar Burchard had reeds zoovele blijken van ontembaarheid en van blinde gramschap gegeven, dat de oude Bertulf alle vertrouwen in zijnen woesten neef had verloren.

Alhoewel de proost in den grond zijns harten bekende dat Rambold Tancmar de eerste oorzaak der betreurlijke moorderijen was geweest en Burchard eene wettige wraak had uitgeoefend, beschuldigde hij niettemin zijnen neef van onvoorzichtigheid en wreedheid. Zulks was insgelijks het gevoelen van Hacket, den kastelein, en van vele andere leden van hunne maagschap.

Waarschijnlijk hadden zij gedurende hunne reis deze meening herhaalde malen uitgedrukt; want nu waren zij sedert een uur opnieuw daarover in een hevig gesprek met Burchard, wier onverduldigheid zooverre ging, dat hij den proost en al wie zijne zienswijze deelde van lafheid durfde beschuldigen.

Door eene strenge vermaning zijner ooms gekwetst, hield Burchard zijn paard terug en betuigde in toornige woorden het inzicht voortaan op eenigen afstand achteruit te blijven om zulke bewijzen van kleinhartigheid niet meer te moeten hooren.

Nauwelijks was hij eenige oogenblikken alleen, of een ander ridder vertraagde insgelijks den stap van zijn paard totdat hij zich terzijde van Burchard bevond. Dan zeide hij met eene stem die versomberd scheen door een diep gevoel van verontwaardiging:

"Het is om rood te worden van schaamte, bij elk woord dat ze ginder spreken! Ha, mher Burchard, de Erembalds, behalve gij en een paar anderen misschien, zijn geene Kerels meer!"

"Gij hebt wel gelijk, mher Disdir Vos", antwoordde Burchard. "Het leven in de stad, het genot van hooge ambachten heeft hen bedorven. Zij stellen de Romaansche voorzichtigheid boven de Germaansche koenheid."

"Gave God dat zij u geleken, Burchard, dan zouden de Isegrims het niet durven bestaan de Kerels te hoonen of te bedreigen. Ik heb hier niet veel te zeggen, dewijl ik geen Erembald ben en slechts naar Yperen ga uit achting, ja, uit bewondering voor u; maar gij hebt gehoord hoe ik evenwel uw recht tegen den proost verdedigde?"

"Ja, en ik ben er u dankbaar voor, het heeft mij verheugd omtrent mij toch eenen Kerel te vinden die zich nog den mannelijken trots der vaderen in het harte voelt."

Disdir Vos scheen eene wijl te overwegen.

"Het is pijnlijk zulk iets te moeten denken, Burchard", zeide hij, "maar het zou mij niet verwonderen indien sommige Erembalds u op het oogenblik van gevaar verzaakten en verlieten, om zich aan de zijde uwer vijanden te schikken."

"Neen, neen, dit toch niet!" kreet Burchard, "uwe vrees is overdreven."

"Gij meent het?" wedervoer Disdir Vos, die ongetwijfeld met verborgen inzicht den gramstorigen Kerel tegen zijne magen aanhitste. "Bemerkt gij dan niet dat er reeds zekeren uwer naaste bloedverwanten van nu af u verlaten?"

"Wie zou dit zijn?" vroeg Burchard verwonderd.

"Waarom is mher Sneloghe niet in uw gezelschap?"

"De proost heeft mij gezegd dat hij gisteren te Brugge moest blijven om eene gewichtige zaak af te doen; maar dat hij heden evenwel intijds te Yperen zal aankomen."

Disdir Vos schudde het hoofd met eenen scherpen spotlach op de lippen.

"Sa, Disdir", morde Burchard, "ik meende dat gij een vriend van Robrecht waart, en gij beticht hem van ontrouw en lafheid! Wat doet u denken dat hij niet zal komen?"

"God gave dat ik mij bedroge! Maar ziet gij niet, Burchard, hoe Robrecht alle moeite aanwendt om door prachtige kleeding, door overdrevene heuschheid en door verfijnde spreekwijze zelfs aan de leenheeren te gelijken? Hij snakt om tusschen de Isegrims als een hunner te worden aanvaard. Zal een echte Kerel kruipen en vleien, zooals hij gedaan heeft, om de hand eener edele jonkvrouw te bekomen?"

"Bij Loki![44] gij zijt zinneloos, Disdir, en weet niet wat ge zegt!" viel Burchard met ongeduld uit. "Robrecht zou de Isegrims vleien en voor hen kruipen? Wat domheid toch! Ja, hij luistert te veel naar zijn oom; maar, wees zeker, het Kerlenhart klopt hem op de goede plaats. Waren al de Erembalds hem gelijk, er kwame spoedig een einde aan den overmoed onzer vijanden. Het is mher Sneloghe niet die de hand van jonkver Placida heeft gevraagd; het is zijn oom de proost. Zijne huwelijksbelofte met Placida is verbroken. Hij gaat trouwen met Dakerlia Wulf. Gij moet het weten."

"Eilaas, ja, ik weet het tot mijn ongeluk!" zuchtte Disdir. "Snode spot! Robrecht had de wreedheid zelf mij zijn huwelijk met Dakerlia aan te kondigen, ofschoon hij wist dat zulke tijding als een moordpriem mij door het hart moest gaan."

"Versta ik wel? Gij insgelijks bemindet jonkver Wulf?"

"Ach, meer dan mijn leven!"

"Dan beklaag ik u, mijn arme Disdir. Het bij eene vrouw op mher Sneloghe te winnen, dit hebt gij wel zeker nooit gehoopt?"

"Doemenis, doemenis! Robrecht heeft mij snood bedrogen", klaagde Disdir Vos met versmachte woede. "Ik maak u rechter tusschen ons beiden, Burchard. Oordeel of ik niet het slachtoffer eener hatelijke kuiperij mij mag noemen. Het is reeds lang dat ik jonkver Wulf bemin. Zeker, zij hadde mijne hulde aanvaard indien Robrecht mij dit geluk niet had benijd. In alle geval, hij heeft, toen er spraak was van zijn huwelijk met Placida, mij verklaard dat hij beslissend van Dakerlia's hand afzag."

"Ik geloof het wel", bemerkte Burchard. "Men trouwt niet met twee vrouwen te gelijk."

"Neen, zoo eenvoudig was zijne verklaring niet. Hij beloofde mij zelf ten mijnen gunste bij Dakerlia te pleiten. Nu breekt hij, als een valschaard, zijne plechtige belofte en vernietigt mijne levenshoop voor altijd. Ho, beken het, Burchard, het is een wraakroepend verraad."

"De minnenijd berooft den mensch van zijn verstand, ik zie het", schertste Burchard. "Wel, wel, mijn arme Disdir, het zijn dwaasheden die gij uitkraamt, dunkt mij. Dakerlia Wulf is geen kind meer, en ik ken haar genoeg om te weten dat zij, minder nog dan een man misschien, in de beschikking over haar hart zich zou laten dwingen. Bemint zij u? Dit is de vraag ... Gij antwoordt niet? Zij bemint dus Robrecht. Gij moet hare beslissing eerbiedigen."

"Robrecht is een veinsaard; hij heeft mij laffelijk bedrogen; ik zal mij wreken!" riep Disdir, knarsetandend van spijt en woede.

"Gij zult u wreken? op Robrecht?" herhaalde Burchard glimlachende. "Het is uwe zaak, maar uit vriendschap tot u kan ik niet nalaten u van twee dingen te verwittigen. Ten eerste, Robrecht is sterker dan gij en wordt geroemd om zijne bedrevenheid in het behandelen der wapenen. Hij zal geenen hoon verdragen. Ten tweede, hij wordt zoo algemeen geacht en bemind dat, indien het u gelukte hem in eenen kamp te treffen, twintig anderen u opvolgend zouden uitdagen. Ik zelf zou naar uw bloed moeten staan. Gij begrijpt, het is alsof gij reeds dood waart ..."

"En toch zal ik mij wreken!" gromde Disdir Vos.

"Kom, kom, gij droomt. Uwe spijt zal bedaren. Wat onzin Gij zoudt u wreken over een ongelijk dat niemand u aandoet. Overweeg toch: wie ter wereld die eene vrouw bemint en zich door haar bemint weet zal deze vrouw verzaken uit toegevendheid voor eenen anderen man? Zoudt gij het doen? Waarom verlangt gij het dan van mher Sneloghe?"

Eene stem riep nu van de andere zijde der baan Burchard eenen goeden dag toe.

"Doemenis, daar is hij!" zuchtte Disdir Vos bevend van angst of van toorn.

Inderdaad, Robrecht en Dakerlia's vader reden hen voorbij, om den proost en den kastelein, die vooruit waren, hunne groetenissen te brengen. Na eene lange wijl de oogen met nijdigen blik op Robrecht te hebben gehouden, zeide Disdir tot Burchard:

"Gij ziet wel hoe hij u ontwijkt. Nauwelijks gunt hij u eenen korten groet, en vervordert zijnen weg, schier zonder u te bezien."

"Neen, neen", antwoordde Burchard, "ik ken Robrecht beter ... Daar keert hij reeds zijn paard om tot ons te komen."

Mher Sneloghe naderde inderdaad tot Burchard, drukte hem de hand en wisselde eenige woorden met hem over het geding dat ging geopend worden. Hij drukte de vaste hoop uit dat Rambold Tancmar zou veroordeeld worden; want, volgens zijn gevoelen, had Burchard niets gedaan dan eene wettige wraak uitgeoefend. Wel was deze wraak bloedig geweest, maar wreeder toch niet dan de onmenschelijke moord door Rambold op den kleinen Eric en op de Kerels van Bethferkerke gepleegd.

Burchard zeide, spottende, dat hij naar Yperen ging om zijne ooms deze bevrediging te geven; maar dat hij het deed met de vaste overtuiging dat de ridders hem zouden veroordeelen. Welke rechtvaardigheid mocht een Kerel toch verwachten in eene vierschaar die slechts samengesteld was uit de heetste Isegrims, en voorgezeten door Karel van Denemarken, den huichelenden en valschen vijand der Kerels en der Erembalds?

Disdir Vos scheen in gedachten verslonden en bemoeide zich met de samenspraak niet.

Eene nauwe brug over eenen waterloop dwong hen welhaast hunne paardcn het eene achter het andere vooruit te laten stappen Deze omstandigheid waarnemende, zeide Robrecht tot Disdir: " Ik wenschte wel een ogenblik alleen met u te kunnen spreken, mher Vos. Verleen mij een kort onderhoud, ik bid u."

"Onmiddellijk, als gij wilt", was het antwoord.

Nu kwam Burchard hen weder terzijde. Robrecht verzocht hem om verschooning, zeggende dat hij met Disdir eene wijl achteruit zou blijven, om met hem over iets bijzonders te kouten.

"Ik weet wel wat gij samen te verhandelen hebt", zeide Burchard glimlachend. "Liefdezaken, uw huwelijk met Dakerlia, niet waar?"

"Hoe? Heeft mher Disdir u daarvan gesproken?"

"Ja, het schijnt dat hij wel gaarne in uwe plaats zou zijn."

"Is het zoo, dan behoef ik hem niet alleen te spreken, en gij moogt het wel hooren, Burchard, wat ik hem te zeggen heb. Het zal kort zijn."

Hij wendde zich tot Disdir en zeide hem op kalmen, doch nadrukvollen toon: "Mher Vos, ik heb u plechtiglijk mijn aanstaande huwelijk met jonkver Wulf aangekondigd. Na onze woordenwisseling over deze zaak hebt gij, in schijn ten minste, als vriend afscheid van mij genomen. Waarom veinst gij nu te vergeten wat ik u heb gezegd?"

"Is het om dus hoonend mij te ondervragen dat gij mij alleen moest onderhouden?" gromde Disdir. "Ik ben onbedreven in het oplossen van raadsels."

"Welnu, ja, laat ons klaar zijn. Mher Vos, zoolang gij niet wist dat er tusschen jonkver Wulf en mij eene huwelijksbelofte bestaat kondet gij u vrij achten tot het aanwenden van pogingen om, ware het mogelijk, u door Dakerlia te doen beminnen. Nu is u daartoe het recht benomen. Dakerlia heeft mij geklaagd dat gij haar vervolgt, dat gij haar afspiedt als zij ter kerke gaat of er van terugkeert, en dat gij, ondanks hare herhaalde afwijzing, haar lastig valt met de betuigingen uwer liefde. Mij is het nu een plicht geworden mijne bruid te doen eerbiedigen. Ik hoop, mher Vos, dat deze weinige worden voldoende zullen zijn om u insgelijks uwen plicht jegens Dakerlia en jegens mij te doen begrijpen."

"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Disdir.

"Dat gij jonkver Dakerlia voortaan met vrede zult laten."

"Ik heb van niemand bevelen te ontvangen."

"Aldus, gij zijt voornemens voort te gaan met mijne bruid te hoonen?"

"Ik zal doen wat mij goeddunkt."

"Het zij dan zoo, vermits gij het verlangt", zeide Robrecht. "Mij spijt het zeer eenen vriend dus toe te spreken, maar gij dwingt er mij toe. Wordt er bloed tusschen ons gestort, het valle dan op u, mher Disdir. Daar, aanvaard dit pand!"

En dit zeggende, bood Robrecht zijnen handschoen aan Disdir Vos. Deze verbleekte en aanschouwde zijnen uitdager met scherpen blik.

"Gij aarzelt?" kreet Robrecht verbaasd.

Maar Burchard, die de weigering van Disdir gansch goedkeurde en hem daarom uit de pijnlijke verlegenheid wilde redden, greep den handschoen.

"Hier is een misverstand; gij zult niet strijden!" riep hij.

"Maar weigert Disdir den aangeboden kamp? Ik moet het weten!"

"Bloed tusschen vrienden!" zuchtte mher Vos met eenen geveinsden afkeer. "Voor een ongeluk waaraan het lot alleen schuld heeft ..."

"Kom, Robrecht, wees redelijk", viel Burchard in. "Dat Disdir droef en spijtig is, zult gij hem daarom gaan haten? Indien Dakerlia u verstiet, zoudt gij niet treuren?"

"Zeker, zeker", antwoordde Robrecht getroffen. "Dat Disdir belove mijne bruid te eerbiedigen, en ik wil alles vergeten."

"Ik zal ze eerbiedigen", stamelde Disdir. "Deze verzekering hadde ik u gewillig gegeven, hadde gij niet, op eenen kwetsenden toon van bevel, mij ze hadt willen afdwingen. Ik ben ridder, ik ben ongelukkig, gij behandelt mij zonder achting, zonder medelijden. Waart gij in mijne plaats en ik in de uwe, wees zeker, ik zou beter dan gij toonen dat ik gevoelig ben aan de wettige smart van eenen vriend."

Deze woorden, oprecht of geveinsd, hadden Disdir een pijnlijk geweld op zich zelven gekost. Tranen glinsterden in zijne oogen; hij scheen vernederd en beschaamd.

Mher Sneloghe, door deze teekens van diepe droefheid getroffen, reikte hem de hand en zeide met minzaamheid in de stem:

"Nu, Disdir, het is een misverstaan, inderdaad. Laat ons vrienden blijven. Geloof mij, had jonkver Wulf u hare genegenheid geschonken, ik hadde hare beslissing geëerbiedigd. Evenals gij zou ik daarover getreurd hebben; maar daarom toch zou ik u niet vijandig geworden zijn."

Zij drukten elkaar de hand. In Disdirs oogen fonkelde nog de nijd, en zijne lippen waren scherp gesloten; maar Robrecht en Burchard meenden te mogen denken dat deze zure uitdrukking slechts het gevolg was van het geweld dat hij op zijn hart deed, om zoo beslissend eene lange hoop te verzaken. Zij mistrouwden zijne oprechtheid niet en prezen hem integendeel om zijn moedig besluit.

Robrecht verschoonde zich bij Burchard omdat hij niet langer zoo van de anderen afgescheiden met hen kon blijven, aangezien hij beleefdheidshalve zijne ooms en zijnen schoonvader gezelschap moest houden. Hij dreef daarom zijn paard vooruit en begaf zich naar het hoofd van den stoet.

Eenigen tijd daarna bereikten de Erembalds de stad Yperen.

Zij reden de Thorhoutsche poort binnen en namen hunnen intrek in de groote afspanning de Gouden Liebaart, om eene wijl te rusten en hunne kleederen van stof te zuiveren.

De stad Yperen, door zich zelve reeds volkrijk, had nog gansche benden bezoekers van Veurne, Dixmude, Roesbrugge, Steenvoorde Poperinghe en andere naastgelegene Ambachten ontvangen. Daarenboven, de gansche hofhouding des graven, benevens een honderdtal ridders met hunne talrijke wapenknechten, waren er dien morgen aangekomen, zoodat het in de straten krielde van allerlei lieden, en de stad een voorkomen aanbood alsof een leger er zich, te midden eener kermis, tot den oorlog bereidde.

Naarmate het uur van het vorstelijk geding naderde, drong de menigte meer en meer te zamen op het voorplein van den burg, om van de eene zijde de Tancmars, en van de andere de Erembalds te zien voorbijgaan. Hoezeer ook sommige Kerels of poorters lust hadden om een der beide geslachten toe te juichen of uit te jouwen, en dus hunnen haat of hunne genegenheid te betuigen, zij durfden het niet doen, omdat zulks door den gebannen vrede was verboden, en de wapenlieden met uitgetogen zwaard genoeg in machte daar stonden om de wet en des vorsten wil te doen eerbiedigen.

Nauwelijks was het bepaalde uur verschenen of de trompers gingen rond en daagden bij name Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger ridderhof.

De geroepenen, door hunne bijzonderste bloedverwanten gevolgd, traden in de groote zaal van den burg. Hun werden, elk langs eene zijde, banken aangewezen, ten dien einde te midden der zaal gesteld.

De graaf zat op eene verhevenheid, onder eene soort van troon en achter eene breede tafel, waar rondom de leden van het hof, de maarschalk en de schrijvers plaats genomen hadden.

Al de leden van het hof waren vijanden der Erembalds, ten minste zij stonden bekend als Isegrims, dit is te zeggen als zulke lieden die den leenheeren alle macht en alle recht wilden toegekend zien, ten koste van het recht en van de vrijheid der poorters en der Kerels.

Eenen enkelen ridder, den kastelein of burggraaf van Yperen, die nevens den vorst zat, meende Burchard als eenen vriend en verdediger te mogen beschouwen. Het was Willem van Loo, afstammeling der graven van Vlaanderen, en die slechts na eenen ongelukkigen oorlog zich gedwongen had gezien de kroon aan Karel van Denemarken af te staan. Hij alleen had Burchard met een teeken des hoofds en eenen minzamen glimlach gegroet. Zijne tegenwoordigheid tusschen de rechters verheugde de Erembalds, ofschoon de proost Bertulf wel wist dat Willem van Loo eenen geheimen wrok tegen hem had, omdat hij, in den oorlog voor de kroon, zich ten voordeele van Karel van Denemarken had verklaard.

Nog werden de trompen aangeheven en eenige afkondigingen gedaan, waarna de maarschalk, woordvoerder des vorsten, Rambold Tancmar als aanklager opriep en hem vroeg waarover hij recht eischte.

Rambold verhaalde met berekende bedaardheid en geveinsde droefheid wat er te Straten was geschied. De graaf had uit grootmoedigheid zijnen raadsheer Tancmar eenige gronden, die de kroon toebehoorden, ter leen geschonken. Burchard Knap had beweerd dat de graaf geen recht had om over deze gronden te beschikken en had er zijne lieden op gesteld, om Tancmar den eigendom er van met geweld van wapenen te betwisten. Rambold, die door zijnen oom belast was geworden, gedurende zijne tegenwoordigheid in het leger zijne goederen te Straten te bewaren en te verdedigen, had zich verplicht gezien geweld tegen geweld te stellen en Burchards lieden van den bedoelden grond te verjagen. Wat Burchard dan had gedaan: hoe hij Tancmars lieden had neergehakt, hoe hij eene edelgeborene maagd, eene onschuldige jonkvrouw had vermoord, hoe hij al de lijken zijner slachtoffers en den burcht zei ven had verbrand, dit wist iedereen. De droeve mare zijner gruwelijke gewelddaden had geheel Vlaanderen met verontwaardiging vervuld; en uit alle burchten, uit elk ridderlijk hart steeg eene stem op tot den troon om recht en om wraak. Op den ijselijken dood zijner arme zuster wilde hij nu niet aandringen, om den vorst niet pijnlijk te ontroeren en zelf niet in rouwtranen te smelten. Hij putte sterkte en troost in de overtuiging dat de graaf recht zou doen met al de strengheid die zulke voorbeeldelooze wreedheid eischte.

Burchard, die met diepe aandacht de rede van zijnen vijand had afgeluisterd, en bij elk woord had gevoeld hoe deze, door het verzwijgen of verdraaien der omstandigheden, al de schuld hem op den hals poogde te schuiven, wrong zijne vuisten, trappelde met de voeten en morde hoorbaar vermaledijdingen tegen zijnen aanklager.

Bertulf en Hacket, zijne ooms, spanden alle moeite in om hem tot bedaren te brengen; doch de stem van Rambold, die hij zoolang had moeten hooren, was alleen toereikend geweest om zijn geduld te vernietigen en hem in woede te doen ontvlammen.

Nu werd hij zelf opgeroepen en de maarschalk vroeg wat hij tegen Rambolds aantijgingen in te brengen had.

Burchard trad met fierheid en zichtbaar toornig voor het hof.

"Wat die listige mensch u zegt is valsch, geheel valsch!" riep nij met kracht. "De grond was mijn eigendom; ik heb hem geërfd van mijne moeder zaliger. Men heeft u bedrogen, heer graaf. Haddet gij geweten dat de weide en de boomgaard te Straten u niet toebehoorde, gij zoudt deze goederen zeker niet weggeschonken hebben, want ook de vorst moet elks recht eerbiedigen...."

Een afkeurend gemor, dat onder de Tancmars en zelfs onder eenige leden der rechtbank opsteeg, onderbrak zijne rede.

Hij, daarover gekwetst, hief het hoofd met trotschheid op, stuurde fonkelende blikken tot de bank zijner vijanden, en riep uit:

"Vleiers en valschaards zijn zij die alle mannelijke openhartigheid terzijde stellen en hier durven beweren dat de vorst het recht bezit om onrechtvaardig te zijn, daar de God des hemels zelf dit recht niet heeft!"

Deze vermetele worden ontrukten al den ridders eenen kreet van verontwaardiging; het gelaat des graven was versomberd door eene uitdrukking van beklemden toorn.

Bertulf, de proost van St-Donaas, die het gevaar merkte, stond op en naderde tot zijnen neef, met wien hij in stilte eenige haastige en driftige woorden wisselde. Burchard keerde onwillig naar zijne plaats op de bank terug. De oude Bertulf wendde zich met eene diepe buiging tot het hof en zeide:

"Genadige heer graaf, en gij, heeren rechters, de beschuldigde gevoelt wel dat hij, ondanks zijnen eerbied voor het hof, door ontsteltenis in gevaar zou komen van dingen te zeggen welke hem niet zoo in het gemoed liggen. Hij heeft mij, zijnen oom, aangesteld als zijnen woordvoerder, en in deze hoedanigheid zal ik spreken, indien de vorst en de heeren rechters gelieven mij aan te hooren."

Er werd over deze vraag eene wijl in stilte beraadslaagd. Vele rechters getuigden door ontkennend schudden des hoof dat, dat zij van gedachte waren den woordvoerder van Burchard niet te aanvaarden en deze te dwingen zijne eigene verdediging voor te dragen. Dit was inderdaad een onfeilbaar middel, niet alleen om hem te doen veroordeelen, maar tevens om den graaf tot eene strenge en onmiddellijke straf pleging aan te drijven. Maar Willem, de burggraaf van Yperen, deed den vorst begrijpen dat men den beschuldigde de gewone middelen tot verdediging niet mocht ontzeggen.

Men besliste dus dat men de vraag van den proost van St-Donaas zou inwilligen.

De maarschalk stond op en riep:

"Onze genadige heer graaf en het hof stemmen er in toe den woordvoerder van Burchard Knap te hooren. Dat hij spreke!"

"Heeren", begon Bertulf op zeer kalmen toon, "om te kunnen oordeelen wie hier de ware plichtige is, hoeft men niet te onderzoeken wien de boomgaard en de weide te Straten toebehoorden. Het is genoeg te weten dat de heer graaf bevolen had dat men, tot zijnen terugkeer van den oorlog, desaangaande alles zou laten in den toestand waarin het bij zijn vertrek zich bevond. Wie heeft allereerst dit hoog bevel overtreden? Is het niet Rambold Tancmar die nog onlangs dien grond met paalwerk deed omsluiten? Heeft mijn neef iets gepleegd dat buiten zijn recht was, toen hij de palen uitwierp en den grond in den staat herstelde waarin onze genadige heer graaf had bevolen hem te laten?"

"Hij heeft er gewapende lieden op gezet en mijnen neef eene oorlogsverklaring toegezonden", onderbrak de raadsheer Tancmar.

"Maar had mher Rambold niet reeds gewapenderhand de gezellen van mijnen neef mishandeld en verjaagd?" wedervoer Bertulf. "Dan, tot dit oogenblik was er nog niets geschied, dat de gewelddaden, die wij allen in het diepste van ons hart betreuren, kon veroorzaken. Maar Rambold, den landsvrede op eene bloedige wijze willende breken, is met macht van wapenen op de gezellen van mijnen neef gevallen, heeft er een gedeelte van vermoord, en dooden en gevangenen den rechtervoet afgehakt. Deze voeten heeft hij in eenen korf gelegd en ze, in de proostdij te Brugge, mijnen neef Burchard als een geschenk toegestuurd, den bode de gruwelijke woorden in den mond leggende: 'Rambold Tancmar zendt Burchard Knap deze vruchten van eenen nieuwen grond; hij hoopt dat het gezicht daarvan hem zal verblijden.' In dezen korf vond mijn neef insgelijks den voet van den zoon zijner zuster zaliger, een kind van veertien jaar, dat hij beminde als het licht zijner oogen. Ik beroep mij op uw hart, heer graaf, en ik spreek tot uw gemoed, heeren. Wat zoudt gij bij zulke ijselijke wreedheid, bij zulken helschen spot hebben gedaan? Recht geëischt bij onzen genadigen heer graaf, zult gij zeggen? Inderdaad, maar vergeet niet dat mijn neef mensch is, en meer dan mensch zou moeten zijn om bij zulken bloedigen hoon niet onder zijne wettige wraakzucht te bezwijken."

"Het hof late mij toe eenige woorden tot terechtwijzing te spreken", zeide de hofraadsheer Tancmar. "Zeker, hadde mijn neef Rambold de voeten van mher Burchards lieden afgesneden zonder daartoe uitgedaagd te zijn geworden, het ware eene onmenschelijke wreedheid en eene helsche spot geweest, zooals de heer proost zegt. Maar hier valt aan te merken dat Burchard Knap in het openbaar mijnen neef gedreigd had zulks aan zijne lieden, ja, aan hem zelven te doen, indien iemand hunner den voet op den betwisten grond durfde zetten."

"Wie dit gezegd heeft is een valschaard: hij liegt!" riep Burchard rechtspringende.

Een strenge oogslag van den proost dwong hem echter weder tot stilte.

"Heeren, de wraak die mijn neef Burchard te Straten gepleegd heeft", hernam Bertulf, "is wreed en bloedig geweest. Mij doet het pijn, ja, mij grieft het diep dit te moeten bekennen. Maar was zij wreeder dan de moorderij door Rambold vroeger aangericht, en welker ijselijkheid hij zelfs niet onder den naam van wraak kan pogen te verminderen? Rambold heeft de gezellen van mijnen neef vermoord en het kind zijner zuster van het leven beroofd na het onmenschelijk te hebben verminkt. Burchard heeft de lieden van Rambold vermoord, en in de woestheid der wraakpleging heeft men Rambolds zuster insgelijks het leven benomen. Wanneer men alleenlijk de daden beschouwt, dan zouden zij beiden even plichtig zijn; want wat de tweede deed is de herhaling van wat de eerste had gedaan. Evenwel, de rechters verzuimen nooit de oorzaak der dingen te onderzoeken om te weten wie de stichter was van het kwaad en dus met vrijen, onbelemmerden wil heeft gehandeld, niet om wraak te plegen, maar uit enkele nijging tot vijandschap en tot wreedheid. Wie was hier de eerste stichter van de afschuwelijke gewelddaden welke het geheele land met ons betreurt? Uw antwoord kan niet twijfelachtig zijn, heeren rechters. De overtuiging welke mijn neef, omdat hij niet gewoon is in het openbaar te spreken, verkeerdelijk heeft uitgedrukt, ligt ook in onze harten: Onze heer graaf kan niet onrechtvaardig zijn, omdat zijne wijsheid, zijne grootmoedigheid en zijne vaderlijke bezorgdheid voor het welzijn van zijn volk zulks onmogelijk maken. Daarom, wij berusten in het recht onzer zaak en zien met vertrouwen een gunstig vonnis te gemoet."

Rambold Tancmar hield daarop eene tegenrede; de proost van St-Donaas antwoordde hem eene tweede maal; de hofraadsheer poogde nog van tijd tot tijd door eene onderbreking zijnen neef behulpzaam te zijn; ook Burchard riep nog twee- of driemaal dat de Tancmars wetens en willens logen; maar al deze pleitredenen en woordenwisselingen brachten niets nieuws aan den dag, en lieten de zaak zooals zij zich van den beginne had voorgedaan.

Op deze wijze liep het geding ten einde. De graaf en de leden van het hof verlieten de zaal, om in een ander vertrek over het vonnis te raadplegen.

Intusschen bleven de Tancmars en de Erembalds op hunne plaatsen zitten en koutten met hunne vrienden, en berekenden de kansen eener gunstige uitspraak.

Terwijl de meeste Erembalds den glimlach op de lippen hadden en luidop spraken, fluisterden de Tancmars in stilte. De eersten, door de welsprekendheid van Bertulfs pleitrede aangemoedigd, twijfelden niet aan den goeden uitslag hunner zaak; de vrienden van Rambold vreesden integendeel dat hij, als stichter en als eerste oorzaak van het kwaad, zou worden veroordeeld. Wel hielden zij zich overtuigd dat de graaf de Erembalds haatte en tegen de Kerels in het algemeen was verbitterd; maar hij was zoo zonderling en zoo ondoorgrondelijk van gemoed. Daarenboven, iedereen wist dat graaf Karel zijnen hoogmoed stelde in de faam van een streng, doch rechvaardig vorst te zijn. Zou hij nu niet terugwijken voor eene veroordeeling van Burchard, indien de welberekende pleitrede van den proost hem deed vreezen dat zulke veroordeeling als een onrecht zou worden aangezien?

Het hof bleef zeer lang in beraadslaging.

Naarmate de tijd verliep, groeide de hoop op eenen goeden uitslag onder de Erembalds aan, omdat zij elkander moed inspraken en door allerlei gunstige vooruitzichten Burchard poogden te bedaren.

De Tancmars, integendeel, door het gevoel van Rambolds plichtigheid reeds in twijfel gebracht, verloren bij het gezicht der welgemoedheid hunner vijanden bijna alle hoop.

De oude Bertulf, die de ridders als vijanden der Erembalds mis trouwde en de mogelijkheid der veroordeeling zijns neefs in zijn gemoed erkende, nam den tijd waar om Burchard tot het aanvaarden van het vonnis te bereiden, hoe het ook mocht zijn. Hij deed hem begrijpen dat alle opstand, alle oneerbiedig geschreeuw den graaf slechts kon verbitteren en hunne zaak bederven. Hij bezwoer hem uit liefde, uit opoffering voor zijn geslacht en voor Kerlingaland, met verduldigheid des vorsten uitspraak aan te hooren en, al ware het slechts in schijn, zich er aan te onderwerpen Hij verkreeg door welsprekendheid en door lang aandringen zooveel op zijnen neef, dat deze beloofde zijnen raad te volgen.

Eindelijk verscheen weder het hof in de zaal. De graaf en de rechters gingen tot hunne vorige plaatsen; de trompers hieven een kort geschal aan; de jonge Frumold, als schrijver van het hof, kwam vooruit en las, met luider stemme, terwijl de diepste stilte in de zaal heerschte, het uitgesproken vonnis.

Dit stuk was zeer lang. Het verhaalde, tot in de minste bijzonderheden al de feiten die zoowel door Rambold Tancmar als door Burchard Knap waren gepleegd geworden, zonder dat men uit deze bloote beschrijving der voorvallen kon opmaken wat het besluit van het vonnis kon zijn.

Ook luisterden de aanwezigen met overspannen aandacht en veler hart popelde van vrees of van ongeduldige verwachting, totdat eindelijk een zegevierende lach op de aangezichten der Tancmars verscheen en de oude proost van St-Donaas, met eenen kreet van angst en medelijden, zijnen neef omhelsde en hem, bij al wat hem duurbaar was, bezwoer zijne verontwaardiging te bedwingen.

Burchard Knap was schuldig verklaard en veroordeeld; Rambold Tancmar kwam er niet alleen gansch ongestraft van af, maar hem werd nog daarenboven schadevergoeding toegekend!

Wel liet Burchard een versmacht gegrom hooren als van eenen getergden leeuw, maar hij hield het hoofd gebogen en roerde zich niet, terwijl de schrijver dus voortlas.

"Ten eerste, wij bevelen dat de burcht te Straten, ten koste van den veroordeelden Burchard Knap, weder zal worden opgebouwd zooals hij te voren was.

Ten tweede, wij bevelen, omdat de veroordeelde den landsvrede heeft gebroken, dat zijn huis te Bethferkerke zal worden afge brand en vernietigd, hem verbiedend, op lijfstraffe, voortaan in het Ambacht van Brugge eene woning op te richten of te hebben[45].

Ten derde, wij bevelen dat de veroordeelde Burchard Knap uit onzen Lande van Vlaanderen blijve gebannen, gedurende den tijd van tien achtereenvolgende jaren. Wij willen en bevelen dat hij, te beginnen van heden met zonneondergang onze stad Yperen ontruime en voorts den grond van ons graafschap na den derden dag, gevende al onzen ridders, kasteleins, wapenlieden, poorters en laten recht en bevel hem aan den lijve te gaan en hem te dooden, indien hij ooit, in miskenning van dit ons vonnis, voor den gemelden tijd van tien jaren, binnen de palen van ons graafschap zich durfde vertoonen."

Burchard, die tot dan, door zijne gemoedssterkte te overspannen zich had kunnen bedwingen, sprong nu eensklaps recht en bief de dreigende vuist tegen den graaf op, terwijl uit zijne borst onverstaanbare vermaledijdingen opstegen: maar de proost, de kastelein, Robrecht, Segher Wulf, Yorg Koevoet, Matfried Wezel en andere vrienden omringden hem, biddend en smeekend, of omarmden en weerhielden hem met geweld.

Eindelijk rukten zij hem uit de zaal, terwijl de trompers de opheffing der rechtbank verkondigden.

Hem omringende en het nieuwsgierige volk terugdrijvende, sleurden zij hem met groote haast tot in de herberg de Gulden Liebaart, en brachten hem hier in eene zaal waarvan zij de deuren toesloten.

Burchard, uitzinnig van woede over het schreeuwend onrecht dat, volgens zijne meening, hem was aangedaan, bulderde van niets min dan van den graaf en al de rechters die hem veroordeeld hadden te vermoorden en hun de meineedige tong uit den mond te rukken.

Disdir Vos gaf hem gelijk en ging zelfs nog verder: hij was van gedachte dat men den nacht moest afwachten en het vuur aan de vier hoeken van den burg steken, om den graaf en de hatelijke Isegrims, die hem het onrecht geraden hadden, te verbranden en onder de puinen van den burg te begraven.

Alhoewel van zulke gewelddaden niet sprekende, beklaagde Robrecht Sneloghe met ware deelneming het onrechtvaardig vonnis en drukte de meening uit dat het waarlijk tijd was om geweld tegen geweld te stellen, wilde men niet door de Isegrims zelven worden aangezien als lafaards, die men zonder vrees van tegenstand mag vervolgen en verdrukken.

Segher Wulf sprak in denzelfden zin, en was zeer verbolgen over eene veroordeeling welke hij aanschouwde als eene daad van wraakroepende dwingelandij.

De oude Bertulf riep zijne overheid in, als hoofd der Erembalds, om zich te doen aanhooren, en wendde al zijne welsprekendheid aan om zijnen neef en de anderen tot eene kalme overweging van hunnen toestand te brengen. Volgens hem had men door kuiperijen en bedrog den graaf verrast en hem dit onbegrijpelijk vonnis doen bezegelen. Men moest de gemoederen slechts tijd geven om een weinig te bedaren, en door onderwerping den vorst laten gelooven dat men zijne besluiten wilde eerbiedigen. Hij, proost van St-Donaas, zou persoonlijke pogingen bij het hof doen. De graaf zou voor eenige dagen te Brugge komen verblijven; dan konden de Erembalds en hunne vrienden bijna dagelijks den vorst naderen. Men mocht de hoop voeden, men mocht bijna zeker zijn dat de graaf de ongerechtigheid van zijn vonnis zou erkennen en het zou herroepen.

Burchard viel in nieuwe wraakreten uit, beschuldigde zijne ooms van lafheid en riep dat hij niemands hulp noodig had om de Kerels te wapen te doen loopen. Men zou het wel zien eer acht dagen voorbij waren, hoe de burchten der Isegrims over geheel Kerlingaland in vuur en vlam zouden staan, en hoe de kroon, welke de graaf slechts droeg om onrecht te plegen, hem van het hoofd zou worden gerukt.

Maar de proost verloor zijn geduld niet en zette onverstoord zijne bedarende rede voort. Hij deed elk begrijpen dat men niet om het kwaad dat een enkel persoon werd aangedaan, het geheele Kerlingaland tot een bloedbad mocht maken, niet alleenlijk omdat zulks in zich zelven eene onrechtvaardigheid was, maar bovenal omdat de wetten der Gilden verboden iets gewichtigs te ondernemen zonder eerst hunne vertegenwoordigers te hebben geraadpleegd. Binnen drie weken zou te Veurne de jaarlijksche Hoop der Gilden van Kerlingaland te zamen komen. Gunstiger omstandigheid kon zich niet voordoen. Men zou in de Hoop kennis geven van het gebeurde en van den ergen toestand der zaken, en dan, na rijp beraad, de afgevaardigden laten oordeelen wat de Kerels behoorden te doen. Besliste men daar tot den opstand en tot den oorlog, welnu de proost, de kastelein en alwie het met hem hield, zouden de besluiten van den Hoop aanvaarden en ze helpen uitvoeren, ten koste van goed en bloed. Burchard kon in afwachting eene schuilplaats bij zijnen vader te Rodenburg vinden. Niemand zou hem daar durven opzoeken en veel min vervolgen. Hij, de proost, zijn oom, zou hem nu en dan gaan bezoeken om hem kennis van den gang der zaken te brengen.

Eindelijk door de vereenigde pogingen zijner magen en vrienden overwonnen, of eerder vermoeid van hen tegen te spreken, scheen Burchard eenigszins gestild en stemde er in toe, dewijl het daglicht verzwakte, met hen Yperen te verlaten, volgens het bevel des graven.

Men hoorde de opgezadelde paarden in de straat trappelen en hinniken, en reeds opende de proost de deur om de zaal te verlaten, toen een ridder binnentrad en, recht tot Burchard gaande, hem met een woord van troost de hand drukte.

"Mher Willem Van Loo, burggraaf van Yperen, wilt gij graaf van Vlaanderen zijn?" riep Burchard.

"Ik graaf van Vlaanderen?" stamelde Willem verwonderd.

"Zijt gij niet de wettige erfgenaam onzer vorsten?" vroeg Burchard, zeer aangejaagd en als door eene hevige blijdschap ontroerd. "Heeft niet deze Karel van Denemarken u de kroon ontroofd?"

Willem van Yperen deed een teeken dat men de deur der zaal zou sluiten; dan zeide hij tot Burchard:

"Mher Knap, spreek toch hier van zulke dingen niet. De graaf is in Yperen met vele ridders en wapenlieden; hij kan met u doen wat hij wil. Zeker, indien men het recht had geëerbiedigd, zou ik nu op den grafelijken troon zitten en zulke ongehoorde wetsverkrachting, als wij heden hebben bijgewoond, zou op Vlaanderens grond niet geschieden; maar het lot heeft zich tegen mij verklaard en ik heb mij gebogen onder het geweld der wapenen ..."

"De tijden zijn veranderd", viel Burchard ongeduldig in zijne rede. "De maat der ongerechtigheid is vol. Wilt gij graaf van Vlaanderen zijn, mher Willem? Zeg één woord!"

"Eilaas, wie kan mij mijn erfdeel terugschenken?" zuchtte Willem Van Loo met een moedeloozen glimlach.

"Wie? Ik!" riep Burchard.

"Maar welke middelen meent gij te hebben?"

"Ha, dit is mijn geheim", morde Burchard, zich met de vuist op het voorhoofd slaande.

"Kom, kom, dit zijn droomen, onmogelijke droomen", zeide Willem. "Ik ben u dankbaar voor uwen goeden wil ten mijnen opzichte; maar, gekwetst en verbitterd als gij nu zijt acht gij mogelijk wat geheel onmogelijk is."

De proost had reeds tusschen deze zonderlinge samenspraak eenige bemerkingen geworpen, om te doen gevoelen hoe zinneloos en hoe gevaarlijk zulke bedreigingen tegen den vorst waren, en hij drong weder met kracht op het vertrek aan. De zon zou welhaast onder den gezichteinder wegzinken, en wie kon verzekeren dat niet de eene of andere ridder of dienaar des graven op het leven van Burchard zou toeleggen, aangezien het gevelde vonnis zulks iedereen ten plichte maakte?

Allen verlieten op zijnen raad de zaal en gingen buiten de herberg.

Willem van Yperen had Burchard gevolgd.

Op het oogenblik dat deze te paard zou steigen, neigde hij zich naar mher Willem en fluisterde aan zijn oor:

"Burggraaf, wij zien elkander spoedig weder."

"Maar gij zijt gebannen!" bemerkte de andere, niet zonder verschriktheid. "Ik mag u niet onder mijn dak onthalen."

"Als de graaf vertrokken is. Des nachts. Vrees niet. Ik heb gewichtige zaken u mede te deelen: uw geluk en onze vrijheid hangen er van af."

En na het uitspreken dezer woorden sprong hij te paard en volgde de andere Erembalds die reeds vooruit waren, als hadden zij groote haast om de poort te bereiken en de stad te verlaten.

Voetnoten:

[44]

Loki is de duivel der oud-Germaansche godenleer.

[45]

Zie over het vonnis tegen Burchard, door den graaf te Yperen uitgesproken, KERVYN DE LETTENHOVE, Hist. de F., t. I, 371.


VIII


Dakerlia Wulf stond alleen in eene groote kamer van haar vaders woning, voor eene tafel die beladen was met velerlei kostbare voorwerpen, als gebeeldhouwde schrijnen en doozen, vergulde lampen, kristallen drinkvaten, zilveren dischgerief, een kruisbeeld van elpenbeen; alles zoo kunstrijk, zoo zeldzaam en zoo prachtig dat, hoe weinig plaats het ook besloeg, men het evenwel als eenen aanzienlijken schat moest beschouwen.

Met den glans des geluks in de oogen en den glimlach der bewondering op de lippen, staarde Dakerlia droomend op deze tafel, nam het een of ander voorwerp in de hand, keerde het om, bezag het langs alle zijden en hief dan, als aangedreven door een gevoel van dankbaarheid, den blik tot God.

Het gerucht van stappen in den gang stoorde haar eindelijk in zulk dankgebed. Een blijde kreet ontsnapte haar; met de handen uitgestrekt, keerde zij zich naar de deur en murmelde:

"Ha, hij is daar ... mijn verloofde!"

Robrecht en zijne zuster vertoonden zich bij den ingang der kamer. Zij waren gevolgd door eenen schalk die een zwaar kunstvoorwerp op den arm droeg. Het geleek aan eene kerk, met vensters en torens, gansch van glinsterend goud, en hier en daar opgeluisterd met een fonkelend gesteente.

De schalk zette, naar aanwijzing zijns meesters, het gulden kerkje op de tafel en verliet de kamer.

Dan eerst greep Dakerlia ontroerd den jongeling de beide handen en riep:

"Ach, Robrecht, wilt gij mij dan zinneloos maken van geluk en fierheid? Is die wonderschoone kapelle voor mij?"

"Alweder een geschenk voor u, lieve Dakerlia,", antwoordde mher Sneloghe.

"Hoe zal ik ooit uwe goedheid, uwe liefde kunnen erkennen?"

"Uwe tevredenheid, uwe blijdschap alleen, Dakerlia, is mij eene voldoende belooning ... Maar ken mij toch "de verdienste van dit echt vorstelijk geschenk niet toe. Het is eene gift van mijnen oom, den proost. Zie, Dakerlia, de dubbele poort van het kerkje kan men openen. Hierbinnen, op eene soort van altaar, staat een zilveren doosje. Wist gij, lieve, wat het bevat, het geschenk zou honderdmaal meer prijs nog in uwe oogen hebben...."

"Welnu? Een heiligdom?"

"Ja, een vingerbeen van den grooten heiligen Donaas, patroon van Brugge."

"Dank, dank zij den heer proost! St-Donaas zal ons beschermen!"

"Gij moet de kostbare reliquiekas in uwe slaapkamer zetten", bemerkte Witta, "dan zal de booze geest onmachtig zijn ooit uwen slaap te storen."

"En wij zullen te zamen er voor knielen en God en zijnen dienaar St-Donaas dagelijks loven en danken, niet waar, Robrecht?"

"Zonder twijfel, Dakerlia. In onze slaapkamer, op Ravenschoot, is eene breede schoorsteentafel. Daarop zullen wij het zetten, nevens dit schoone kruisbeeld, tusschen gene twee albasten vaten, die ik zal doen vullen met geurige bloemen. Het zal zijn als een autaar, Dakerlia, waarvan het gezicht uw godvruchtig hart immer zal verblijden."

Nadat zij dus nog eene korte wijl hunne bewondering voor het kostbaar geschenk en hunne innige vreugde hadden uitgestort, greep de jonge ridder zijne verloofde de hand en leidde haar tot eenen leunstoel; hij zette zich nevens haar, schouwde haar diep in hare oogen en zuchtte met het licht der zielsvreugde op het gelaat:

"Ha, Dakerlia, nog acht dagen, en de hemel opent zich voor ons!"

"Nog acht dagen!" herhaalde jonkver Wulf, blozend van maagdelijke schuchterheid.

Witta, die aan hare andere zijde was gezeten, legde den arm over haren hals, trok haar tegen haar hart en riep tusschen een zoeten kus:

"Ja, ja, nog acht dagen, dan wordt gij mij een onafscheidbare zuster!"

Toen jonkver Sneloghe haren arm van den hals harer vriendin terugtrok, rolden twee dikke tranen, als glinsterende parelen, op Dakerlia's wangen.

"Welk kommervol gepeins schiet u dus eensklaps door den geest?" vroeg Robrecht verwonderd.

"Welk kommervol gepeins?" herhaalde de maagd met eenen blik, die straalde van blijdschap. "Neen, neen, het zijn tranen van dankbaarheid. Robrecht, ik herdenk dat ik veroordeeld was tot eeuwige treurnis; dat ik, tot bij het graf, eene andere vrouw haar geluk moest benijden ... en nu, zoo onverwachts zal ik uwe bruid worden; geenen enkelen dag zonder u te zien, u te hooren ... leven in uwe zoete liefde!...Soms nog beef ik. Ach, zooveel geluk in eens, het verschrikt mij! Indien eens, even onverwachts, eene wolk onzen helderen hemel kwam verduisteren!"

"Neen, vrees dit niet meer, mijne lieve", zeide Robrecht, haar opnieuw de hand nemende. "Ik weet wel wat u bekommert, maar gij hebt ongelijk. Sedert de graaf nu weder in Brugge is, ondervinden mijne ooms dat zijn toorn geheel is bedaard. Burchard Knap is gestraft geworden, onrechtvaardig gestraft, zeker; maar hij heeft zich onderworpen, en deze gehoorzaamheid van den ontembaren Kerel schijnt onzen heer graaf te hebben verzoend. Hoe het zij, acht dagen zijn zoo ras verloopen; en, moest er nog iets gebeuren, ons huwelijk zal gevierd zijn, voordat eenig nieuw gevaar de Kerels kome bedreigen. Aldus, lever u gansch over aan het geluk en laat ..."

Hij werd onderbroken door de komst van mher Segher Wulf, die, in plechtgewaad, met het zwaard aan de zijde in de zaal verscheen.

Hij lachte de jongelieden toe en deed hun teeken dat zij zouden blijven zitten; maar Dakerlia liep tot hem, leidde hem bij de tafel en toonde hem met blijden hoogmoed de gulden reliquiekas, de nieuwe prachtige gift van den proost van St-Donaas.

Na het schoone kunstwerk te hebben bewonderd, zeide mher Wulf:

"De heer graaf houdt heden open hof. Het is onze plicht hem door onze tegenwoordigheid hulde te brengen. Zult gij niet naar den burg gaan, Robrecht? Gij schudt het hoofd?"

"Maar, vader", bemerkte Dakerlia met eenige spijt, "Robrecht is daar even eerst gekomen. De groote dag nadert zoo snel! Wij hebben nog van honderden dingen te spreken en voor honderden dingen te zorgen."

"Ja, Dakerlia", morde haar vader met eenen glimlach, "gij zorgt maar al te wel. Ik heb uw huwelijkskleed gezien bij Janne Elshout, en uw kanten hulsel bij Aleide Stierzeel. Ik ben de rijkste man van Vlaanderen niet en gij geene vorstin, mijn kind."

"Ik wil schoon zijn, vader!" antwoordde de maagd.

"Maar zijt gij niet schoon genoeg, mijne zoete Dakerlia?" vroeg Robrecht. "Heeft de blanke lelie, heeft de frissche lenteroos vreemde praal te ontleenen om bewonderd te worden en elkeen te bekoren?"

"Vleitaal spreekt gij. Ik wil schoon zijn", herhaalde de jonkvrouw. "Schoon en prachtig opdat mijn bruidegom trotsch weze over mij! Niets is mij kostbaar genoeg."

"Het zij zoo: vrouwenwil, Gods wil!" zeide Segher Wulf, de schouders ophalende. "En toch, ik heb maar één kind en moet mij al eene groote opoffering getroosten. Doe dus naar uwen lust, Dakerlia; gij zult er mij, hoop ik, des te meer en te langer blijven om beminnen."

"Altijd, altijd even vurig, vader lief!" riep zij uit, terwijl zij hem aan den hals vloog en hem teederlijk omhelsde.

"Alzoo, gij gaat niet mede naar den burg?" vroeg mher Wulf, zich tot Robrecht wendende.

"Men zal mijne afwezigheid tusschen zoovele heeren niet opmerken", antwoordde de jonge ridder. "Daarbij, de gemoederen zijn nu weder gestild, en voor het oogenblik, ten minste, moeten wij voor niets bezorgd zijn."

"Dit is te zeggen", wedersprak hem Segher Wulf, "dat wij daarvan niet gansch zeker zijn. Sedert Burchard Knap werd gebannen, sedert zijn huis te Bethferkerke werd afgebrand, verspreid men zonderlinge geruchten. Er zijn er die beweren dat Burchard des nachts bedektelijk in de bosschen rondreist en de Houtkerels tot eenen opstand aanvuurt. Een van 's graven laten, die buiten Yperen woont, meent Burchard omtrent Loo in de duisternis op een reusachtig paard te hebben ontmoet en herkend. Burchard zou dus in geheime betrekkingen staan met Willem Van Loo? Wat beramen zij? Onze heer graaf, wien deze samenkomsten van Willem Van Loo met Burchard moeten bekend zijn, zal in woede ontvlammen; want Willem, alhoewel hij zich in schijn heeft onderworpen, is hem een bloedvijand, en de graaf weet het wel. Ach, het is eene ongelukkige verwikkeling! Men zal aan het hof de Kerels voor het gedrag van Burchard verantwoordelijk maken; en wie kan voorzien welke nieuwe vervolgingen er voor ons zullen uit ontstaan?"

"Maar, mher Wulf, mijn oom, de proost, zeide mij, dat hij de vaste hoop heeft van onzen vorst genade voor Burchard te bekomen. Hij en de kastelein zullen dan het huis te Bethferkerke op hunne kosten doen herbouwen. Zoo zal alles bijgelegd zijn, en Burchard zal in vrede naar Bethferkerke wederkeeren."

"Neen, neen, mijn vriend, de toekomst is zoo helder niet als gij het schijnt te gelooven. Wat zal de Hoop der Ambachten, die binnen veertien dagen te Veurne vergadert, over onze zaken beslissen?... Dankt God, mijne kinderen, dat gij dan reeds zult getrouwd zijn, anders mocht nog wel eenig toeval uw geluk komen vertragen. Blijf dus, Robrecht; desnoods zal ik u over uwe afwezigheid verontschuldigen. Vaarwel, tot straks!"

Segher Wulf drukte den jongelieden nog de hand, verliet zijnen Steen en begaf zich naar den burg.

Toen hij het paleis binnentrad, vond hij in de groote plechtzaal wel een honderdtal ridders die, bij groepen verdeeld, stonden te kouten, in afwachting van des graven verschijning.

Hij ging eenigen tijd van den eenen hoop tot den anderen, drukte hier en daar eenen vriend de hand, en bleef eindelijk met den proost en den kastelein in gesprek, totdat een luidere woordenstrijd, die uit den hoek der zaal opsteeg, zijne aandacht vestigde.

De hofraadsheer Tancmar was met zijnen oudsten zoon Ghyselbrecht uit eene binnendeur in de zaal getreden en deze laatste had onmiddellijk tot de nastaande ridders iets gezegd dat niet allen even goed beviel, want Eustaas Van Steenvoorde, een Kerel en een vriend der Erembalds, had met zekere driftigheid op zijne gezegden geantwoord.

Segher Wulf en andere ridders naderden tot de plaats waar Tancmar stond, om de reden van dien twist te vernemen. Hier hoorde mher Wulf met verontwaardiging dat de zoon van den hofraadsheer driftig zeide:

"Zij zullen den balfaart betalen: elk jaar eenen denier, vier deniers bij hun huwelijk, en vier deniers bij hunnen dood of het beste hoofd ten voordeele des graven!"

"Van wie spreekt men?" vroeg Segher Wulf zeer stil aan Eustaas Van Steenvoorde.

Maar Ghyselbrecht, die het had gehoord, antwoordde op tergenden toon:

"Vraag niet naar bekende dingen, mher Wulf. Van de Kerels spreek ik, en gij weet het wel."

"De Kerels zijn vrij geborene lieden; men heeft het recht niet om hun den tol der dienstbaarheid op te leggen!" wedervoer Segher Wulf.

"Vrijgeborene lieden? De Kerels, ha, ha!" schertste Ghyselbrecht, als hadde hij het vast inzicht om hier eenig gerucht te doen ontstaan, dat de Erembalds bij den graaf mocht benadeelen. "Hoe zullen de Kerels hunne vrije geboorte bewijzen?"

"Bewijst men den oorsprong van dingen die altijd hebben bestaan?" wedervoer Segher Wulf. "De Kerels zijn de eerste bewoners dezer landen geweest. Hunne vaderen waren trotsch op hunne nooit geschondene vrijheid, en deze vrijheid hebben hunne zonen tot nu toe even ongeschonden behouden."

"Men levere onzen heer graaf de oorkonden, de bewijzen daarvan!" zeide Ghyselbrecht zegevierend. "Men kan het niet. Voordat onze vorsten, ter verlossing van Jeruzalem, naar Palestina togen, betaalden de Kerels den balfaart ..."

"Valsch, het is valsch!" riepen eenige stemmen.

"En gedurende de afwezigheid onzer graven en hunner leenhouders hebben de Kerels zich eene vrijheid aangematigd die zij nooit te voren hadden genoten."

In het hart van Segher Wulf gloeide verontwaardiging en toorn; maar hij bedwong zijne ontsteltenis met geweld en sprak op treurigen toon:

"O, heeren, die hier tegenwoordig zijt, getuigt ten minste dat ik heb voorspeld welke beklaaglijke onheilen zij ons arm Vlaanderen bereiden, zij, die onzen vorst aldus het geweld en het onrecht aanraden. De Tancmars misleiden u. Ik bezweer u, leent hun de hand niet; laadt niet op u de schuld van Vlaanderens ondergang! De Kerels vragen van u niets dan vrede; zij willen ongestoord werken en rijkdom scheppen voor vorst en land. Waarom ze onrechtvaardig dwingen tot het vergieten van stroomen bloeds voor het behoud hunner oude vrijheid?"

Eenige andere Erembalds en tevens een tiental ridders traden er tusschen, hetzij om de bedaardheid aan te raden, hetzij om door even driftige woorden den twist nog aan te vuren.

Het was zichtbaar dat de hofraadsheer en zijn zoon een beraamd ontwerp uitvoerden; want Walter Van Lokeren en Raes Van Gaveren, hunne bijzonderste vrienden, stonden lachend nevens hen en fluisterden soms stille woorden aan hun oor, als om hen aan te moedigen, terwijl vele ridders waakzaam hen omringden, gereed tot hunne verdediging, indien de gehoonde Erembalds tot geweld mochten overslaan.

Segher Wulf behoefde al zijne gemoedskracht om niet in woede los te barsten; de gedachte dat de graaf alle oogenblikken kon verschijnen, weerhield hem evenwel.

"De Kerels zijn altijd dienstbare lieden geweest!" riep Ghyselbrecht, "onvrijen, dorpers, slaven, en zij zijn het nog! Het moge den Erembalds niet behagen, dat deze waarheid worde verkondigd. Het is te begrijpen, zij zijn zelven van Kerlenbloede. En gij, mher Wulf, waarom trekt gij hunne zaak u zoo vurig aan? Is het misschien omdat gij vreest dat men later ook u de bewijzen uwer vrije geboorte zou kunnen vragen?"

"Het is te veel!" schreeuwde Segher Wulf boven al de kreten zijner vrienden uit. "Mher Ghyselbrecht, gij zijt een valschaard, een lasteraar, gij liegt! Ik daag u uit tot eenen kamp op leven of dood. De God des hemels beslisse tusschen de Kerels en hunne vervolgers! Daar ligt mijn handschoen: zijt gij niet zoo laf als boos, raap hem op!"

Maar Ghyselbrecht, die nu waarschijnlijk zijn verborgen doel had bereikt, aanschouwde spotlachend zijnen getergden vijand en schudde ontkennend het hoofd.

"Gij weigert? Gij bekent dus dat gij een lafaard zijt?" gromde Segher Wulf.

"Deze heeren zullen oordeelen", wedervoer Ghyselbrecht zeer koel. "Het is een ridder op schande verboden in eenen gesloten kamp te treden met iemand die niet vrijgeboren is. De vrije geboorte van mher Segher Wulf is mij niet bewezen, ja, ik loochen ze. Het is mij dus een onmiskenbare plicht de uitdaging af te wijzen[46]."

Segher Wulf wrong zijne vuisten van woede, en verweet Ghyselbrecht zijne bloohartigheid in diep kwetsende woorden, met de hoop dat hij hem dus tot ongeduld zou drijven. Hij noemde hem schijnheilige lasteraar, onverzadelijk van heerschzucht, vol boosheid en venijn, laf en kruipend als eene slang.

Dit alles vermocht niets op het gemoed van Ghyselbrecht, die meer dan eens herhaalde dat hij tegen geen onvrij man wilde kampen.

Er ontstond een groot gerucht, doordien de andere Erembalds zich bij Segher Wulf voegden en men mocht vreezen dat eindelijk deze woordentwist in een bloedig tooneel zou veranderen, des te meer daar de aanjagende woorden Isegrim en Blauwvoet nu insgelijks werden uitgesproken.

Er naderde een ridder, gebouwd als een reus, die tot dan, van in eenen hoek der zaal, alles onbewogen had aangehoord. Hij drong door den vlottenden hoop, raapte den handschoen van den grond en sprak:

"Ik, Jakob Van Waesten, bijgenaamd de Leeuw, van edele geboorte en ridder, ik aanvaard den handschoen en den kamp totterdood! Ik verdedig de eer van hen die men hier Isegrims durft noemen."

Tancmar en zijne vrienden poogden Jacob de Leeuw het aanvaarden van den kamp af te raden. Hun doel was geweest den strijd door allen edelgeboren man te doen weigeren en dus voor het land te doen verkondigen dat men de Erembalds als onvrije lieden aanzag. Jacob Van Waesten wilde evenwel hunne spitsvondige redenen niet aanhooren, en behield den handschoen. Hij meende juist met kalme woorden Segher Wulf aan te spreken om met hem tijd en plaats voor den kamp te bepalen,—maar nu werd eene dubbele deur opengeworpen, en de graaf verscheen in de zaal.

Al de ridders schikten zich van wederzijde langs de wanden en boden met gebukten hoofde eenen doorgang aan den vorst, die langzaam tusschen hen voorbij stapte en eene hoogte in het diepe der zaal beklom. Hier zette hij zich neder onder een kostbaar verhemelte en sprak op spijtigen toon:

"Heeren, zal ik dan nimmer den voet in Brugge kunnen zetten zonder in mijnen persoon den eerbied miskent te zien welken men den vorst verschuldigd is? Dat grove dorpers, onbeschaafde lieden zich aan zulk verbreken plichtig maken, dit laat zich eenigszins begrijpen; maar ridders, mannen van edelen bloede!... Nu, welke is de reden van den twist die tot in het diepste van ons paleis onze ooren heeft getroffen?"

"Gelieft onze genadige heer graaf mij het woord te verleenen?" vroeg Tancmar.

"Dat onze hofraadsheer spreke!" zeide de vorst.

De listige Tancmar begon het voorgevallene te verklaren, in schijn met rechtzinnigheid; maar hij drukte met zulke welberekende kracht op de ontkenning van der Kerlen vrijheid en op de redenen van de weigering zijns zoons, dat de Erembalds hem knarsetandend aanhoorden. Door de tegenwoordigheid van den graaf bedwongen, verkropten zij echter in stilte den hoon en de schande die hun hier werden aangedaan.

Insgelijks bekwam Segher Wulf het woord om zijne uitdaging te verechtvaardigen, en na hem sprak Jacob de Leeuw, om den graaf te verzoeken den kamp te willen goedkeuren en zelf tijd en plaats te bepalen opdat het ingeroepen oordeel Gods in de tegenwoordigheid des vorsten en der ridderen zich mocht verklaren.

Wel wilde Tancmar, immer om dezelfde reden, den graaf overhalen tot het afwijzen en verbieden van den kamp; maar Jakob de Leeuw wedersprak hem met veel vuur en eischte des vorsten goedkeuring, als eene genade en als en recht.

Onderwijl staken de voornaamste Isegrims de hoofden te zamen en fluisterden elkander geheime woorden in de ooren.

Dan veranderde Tancmar geheel van taal. Wel wilden de ridders niet als bewezen aanvaarden dat de Erembalds vrijgeborene liede n waren; maar dewijl Segher Wulf in hunnen naam het oordeel Gods inriep en een ridder den handschoen had opgeraapt raadde hij den vorst dezen beslissenden kamp toe te staan, in de hoop dat de hemel zelf, met de overwinning aan den kampioen der waarheid te gunnen, voor altijd over het hangend geschil zou uitspraak doen.

De Isegrims steunden zijnen raad en keurden zijne redenen goed. Zij achtten zich verzekerd dat de reusachtige Jakob Van Waesten zijnen min sterken tegenkamper wel ras zou dooden.

Graaf Karel had tot dan in stilte op deze woordenwisseling geluisterd. Nu stond hij op en sprak met luider stem:

"Wij keuren goed en veroorloven dat onze leenhouder, mher Jakob Van Waesten in het strijdperk trede tegen mher Segher Wulf Van Lampernisse, en stellen den kamp vast op heden, te twee uren namiddag, in den Krijt binnen onzen burg van Brugge. Wij gelasten den kastelein en onze overige ambtenaars de krijtwaarders[47] te verwittigen en te zorgen voor al wat er, volgens de gewoonten der ridderschap, tot dezen kamp behoeft. Daarenboven, omdat wij met u in de kalmte des gemoeds over ernstige zaken hebben te kouten, verzoeken en bevelen wij de twee kampers zich uit ons paleis te verwijderen totdat het bepaalde uur hen ten strijde roepe."

Segher Wulf en Jakob de Leeuw, door weinige vrienden gevolgd, verlieten de zaal.

Bij de poort onder de Loove, drukten de proost en de kastelein hunnen vriend mistroostig de handen; zij klaagden over de booze listigheid hunner vijanden, die dezen twist hadden doen ontstaan om het gemoed des graven opnieuw tegen de Kerels te ontsteken en gelegenheid te vinden om zelfs de vrije geboorte der Erembalds te loochenen. Had Ghyselbrecht Tancmar het gevoelen des vorsten uitgedrukt? Hadden de Erembalds zich bedrogen over de schijnbare bevrediging des graven? Ging het langgevreesde onweder losbreken? Zou nu hun trouwe, goede vriend Segher Wulf niet bezwijken in zijnen vermetelen kamp tegen Jakob de Leeuw, die om zijne reuzensterkte gansch Vlaanderen door was beroemd?

De tranen stonden den ouden Bertulf bij al deze erge vooruitzichten in de oogen; maar Segher Wulf deed hun begrijpen dat zij binnen de zaal zich moesten begeven om te weten wat men daar tegen de Kerels kon zeggen. Hij zelf had rust noodig en wilde naar huis gaan, om zich tot den kamp te bereiden.

Toen Segher Wulf den burg had verlaten en de Hoogstraat instapte, vertraagde hij zijnen gang, als vreesde hij zijne woning te naderen; hij bleef zelf een oogenblik staan om na te denken.

Hoe zou zijne arme Dakerlia verschrikken bij de aankondiging van eenen strijd die haar eenen beminden vader kon ontrooven! Dit huwelijk, zoo vurig gewenscht, zou het niet uitgesteld moeten worden, zelfs al wierd hij slechts ernstig gekwetst? En indien dan intusschen het geduchte onweder losbrak en de Kerels ten koste van stroomen bloeds hunne vrijheid hadden te verdedigen, zou dan niet dit noodlottig toeval het geluk van zijn kind voor altijd kunnen vernietigen?

Onder den druk zulker bedroevende overwegingen stapte hij langzaam voort, zich op voorhand geweld aandoende om zijne treurigheid voor Dakerlia te kunnen verbergen.

Ook, toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad waar zijne dochter met Robrecht en zijne zuster zich nog bevonden, speelde hem een glimlach op de lippen, en hij beantwoordde hunnen blijden groet, alsof niets hem bekommerde.

Maar Dakerlia staarde hem aan en zeide:

"Heer vader, gij zijt ontsteld; u is iets onaangenaams geschied."

"Iets onaangenaams? Wie heeft u dit gezegd?" mompelde Segher Wulf verwonderd.

"Mijn hart beeft; ik zie het in den grond uwer oogen, vader."

"Welnu, ja, mijne lieve Dakerlia. Mher Tancmars zoon, de arglistige Ghyselbrecht, durfde in tegenwoordigheid der ridderen beweren dat de Kerels niet vrij geboren zijn en altijd slaven zijn geweest."

"Onmogelijk!" kreet Dakerlia met eene vonk van verontwaardiging in den blik.

"Ja, het is zoo, mijn kind; en hij ging zooverre in zijnen onbeschaamden overmoed dat hij ook den Erembalds en zelfs uwen vader hunne vrije geboorte durfde ontloochenen."

"De booze valschaard! Was er dan geen ridder, geen Erembald daar om hem den lasterenden mond te sluiten?"

"Gij wilt zeggen, mijn kind, dat ik onmiddellijk de eer van ons had moeten wreken?"

"Neen, gij niet, vader", antwoordde Dakerlia, eensklaps bedarende, "gij zijt te oud; maar hebben onze jonge ridders dan geen Kerlenbloed meer in de aderen?"

"Ah, Dakerlia", riep Bobrecht, "wees zeker, ware ik heden ten hove geweest, ik hadde den onbeschaamden Isegrim mijnen handschoen in het aangezicht gesmeten!"

"Het is juist wat ik heb gedaan", zeide Segher Wulf ... "Nu, Dakerlia, waarom verbleekt gij dus? Indien een ander ridder, zonder wraak te eischen, ons geslacht zoo diep had laten hoonen, gij zoudt hem lafaard noemen en hem minachten. Wees dus rechtvaardig voor uwen vader en prijs hem, omdat hij zijnen plicht getrouw bleef."

"O, God, de wolk, de duistere wolk aan onzen schoonen hemel!" klaagde Dakerlia met de handen opgeheven.

"En heeft Ghyselbrecht uwen handschoen opgeraapt?" vroeg Robrecht.

"Neen, de lafaard zocht een uitvlucht in de bewering dat ik, als Kerel, geen vrij man zou zijn en hij, edel geboren, dus dezen kamp niet mag aanvaarden."

"Ach, vader, hoe hebt gij mij doodelijk verschrikt!" zuchtte Dakerlia, met oogen die van plotselijke blijdschap straalden. "Ghyselbrecht heeft geweigerd? Ik voel mij genijgd om onzen boozen vijand daarvoor te zegenen."

"Gij vreest dus uitermate mij ten kamp te zien gaan, Dakerlia? Hoe dikwijls nochtans heb ik in mijn leven de eer van mijnen eigen naam of de eer van ons geslacht te verdedigen gehad? God heeft mij tot nu toe het leven laten behouden. Waarom zou Hij heden mij Zijne bescherming onttrekken?"

Dakerlia wierp hare armen om zijnen hals en zeide, hem teederlijk zoenende:

"Ja, ja, vader lief, gij hebt gelijk: de hemel zou, evenals vroeger, dengenen bijstaan die het recht verdedigt. Gij hebt wel gedaan en uwen plicht vervuld, met de lasteraars der Kerels tot zwijgen te brengen, maar ik ben toch zoo gelukkig dat Ghyselbrecht den kamp heeft geweigerd! Mijnen vader, mijnen goeden rader blootgesteld weten aan gevaar, aan doodsgevaar, ach, de gedachte alleen doet mij sidderen als een riet!"

"En toch moet ik vechten, mijn kind."

"Hemel, gij moet vechten?"

"Dezen namiddag, te twee uren."

"Neen, o neen, Ghyselbrecht heeft geweigerd!"

"Ja, maar een ander ridder heeft mijnen handschoen opgeraapt en den kamp aanvaard."

Dakerlia sloeg zich de handen voor de oogen en begon te weenen.

"Maar, mijne lieve Dakerlia, waarom zulke bittere tranen te storten?" zeide Robrecht. "Uw heer vader zal niet strijden. Ik neem zijne plaats in en zal kampen tegen zijnen vijand. Ik ben jong en sterk."

"Gij, Robrecht, gij vechten in den krijt!" riep Dakerlia met nog meerdere verschriktheid.

"Ik of uw vader; een onzer moet toch den geworpen handschoen lossen."

"Zwijgt, zwijgt beiden; gij doet mij sterven van angst!"

"Wat gij mij voorstelt is onmogelijk, mher Sneloghe", zeide Segher Wulf.

Dakerlia slaakte eenen luiden gil. Haar vader vatte hare hand en sprak troostend:

"Nu, mijn kind, ontstel u niet zoozeer over een voorval dat een ridder elk oogenblik in zijn leven kan ontmoeten. Gij, zoo moedig en zoo fier, zoud nu misschien gaan wenchen dat ik laffelijk den wreedsten hoon verdrage? Ik begrijp: het geluk dat u zoo mild toelachte is bedreigd, niet waar? Uw huwelijk ..."

De maagd legde, met eenen pijnlijken kreet, de hand op den mond haars vaders en versmachtte dus het woord dat haar kwetste.

"Mijn huwelijk, mijn huwelijk?" morde zij. "Zie, ja, mijn geluk was te groot, het moest gestoord worden; ik heb het voorgevoeld, ik heb het gedroomd ... maar indien mijne smart en mijn schrik eene andere bron hebben dan de liefde tot u, mijnen vader, dat de alziende God mij terugwerpe voor altijd in het ijselijk verdriet dat mijnen boezem heeft verknaagd!"

"Ik bid u, mher Wulf, laat mij voor u in het strijdperk treden", zeide Robrecht. "Niemand kan twijfelen aan uwen moed. Gij hebt zoovele schitterende bewijzen uwer onversaagdheid gegeven. Nu zijt gij reeds oud. Ik ben behendig en sterk. Stem toe; laat mij de eer van Dakerlia's vader wreken!"

"Ik dank u om uwe dienstvaardigheid, mijn vriend Sneloghe", sprak mher Wulf. "Al wilde ik u mijne plaats overlaten, het ware onmogelijk: de graaf zelf heeft de beide kampers bij name aangewezen. Wat zou men denken, indien ik terugtrad, ik, die den handschoen heb geworpen? Mij ontbreekt de mannelijke kracht nog niet, en ik zal toonen dat de oude Wulf Van Lampernisse nog de sterkte, de behendige kamper is van vroeger dagen. Dakerlia heeft ongelijk zich zoo diep te ontstellen. God zal mij Belpen; Hij zal in mij het recht laten overwinnen ... Wees toch redelijk, jonkver Witta; gij insgelijks, gij weent en snikt? Wilt gij beiden mij allen moed ontrooven?"

"Maar wie is dan uw tegenkamper?" vroeg Robrecht.

"Gij kent hem waarschijnlijk niet", antwoordde Segher Wulf aarzelende.

"Zijn naam is?..."

"Jakob ... van Waesten, meen ik."

"Jakob? De Leeuw van Waesten! O, hemel!"

"De Leeuw, de reusachtige ridder, voor wiens blik elkeen beeft? Hij, uw tegenkamper?" kreet Dakerlia op den toon der diepste wanhoop, "o, mijn arme vader! Wee mij, wee mij!"

En zij verborg haar aangezicht op haars vaders hart, legde haren arm om zijnen hals, stortte tranen op zijne borst en bleef zoo ontroosbaar weenen en snikken, welke pogingen men ook aanwendde om eenige verlichting in haren verschrikten geest te brengen.

Voetnoten:

[46]

Zulke weigering van een tweegevecht door eenen ridder jegens eenen Kerel, om dezelfde reden, vindt men aangeteekend bij GALBERTUS, Mém. rel. à l'hist. de Fr., t. VIII, 252.

[47]

Het strijdperk noemde men Krijt (Krettz).


"Doe gingen sie uten Crite keren
Metten Crytwaerders totden Coninc."


Reinaert de Vos, vers 7450 en 7451.


IX


De tijding, dat er dien namiddag tusschen twee ridders een kamp om leven en dood zou worden gestreden, had zich wondersnel tot in de uiterste hoeken der stad verspreid.

Ook reeds lang voor het gestelde uur verdrong zich de menigte niet alleen op den burg, maar zelfs in de aanpalende straten.

Volgens het bevel des graven, had men op het binnenplein van den burg den krijt gesteld, dit is eene vierkante omheining van houten palen met dikke koorden, die niemand mocht overschrijden en waarbinnen de kamp moest geschieden.

Aan elk der beide uiteinden van het vierkant, langswaar de strijders binnen het perk zouden treden, stonden vier krijtwaarders en twee trompers of bazuinblazers.

Achter hen, binnen een insgelijks voorbehouden omtrek, hielden zich de twee kampers nevens hun strijdpaard, in afwachting dat het sein tot den aanval wierd gegeven.

Jakob de Leeuw stond aan den kant die naar 's graven hof zich verlengde; Segher Wulf naar de zijde van St-Donaas.

Beiden waren omring van eenige vrienden en van schalken, om hun paard te bedwingen en hunne wapens te dragen.

Rondom den krijt en drukkend op de koorden, ondanks de pogingen der schildwachten, stond de volksschaar zoo dicht opeengepakt, dat men niets zag dan eene zee van hoofden, zich nu en dan golvend bewegende onder het machtig gedrang van andere nieuwsgierigen, die bij de poorten van den burg vooruitwoelden om nog plaats te vinden.

Alle gebouwen, die uitzicht hadden op het strijdperk, krielden van menschen; de vensters waren vervuld met vrouwen; het mindere volk, de schalken en onvrijen zaten op daken en torens.

Alleen de breede gaanderij, boven de Loove van het paleis, was nog geheel ledig. Wel stonden daar, rondom eene soort van troongestoelte, eenige zetels voor de kamprechters; maar dezen zouden slechts verschijnen op het bepaalde uur.

In afwachting waren de beide kampers bezig met de laatste stukken hunner wapenrusting zich aan de leden te bevestigen.

Segher Wulf werd hierin geholpen door Robrecht Sneloghe en door Eustaas Van Steenvoorde. Allereerst gespte men hem het harnas voor de borst, boven zijn maliehemd van ijzeren ringen; dan den halsberg, de arm- en bilplaten, de knieschijven en eindelijk den vergulden helm met het neergelaten vizier, waardoor men niets kon zien dan de oogen van den kamper.

Zoo stond hij daar nu, van hoofd tot voeten overdekt met ijzer en staal, nevens zijn reusachtig paard, dat insgelijks op hoofd, borst en rug door metalen platen was beschut.

Zijne strijdwapens, die een paar schildknapen achter hem gereed hielden, bestonden in eene lange speer of lans, in een breed zwaard en in een vierkant schild.

Volgens de wetten van den krijt moesten de kampers eerst elkander te paard en met de speer aanvallen. Leverde deze proeve geenen beslissenden uitslag op of werd een van beiden uit den zadel gelicht zonder doodelijk te zijn gewond, dan zou men den kamp te voet en met het zwaard voortzetten, totdat een hunner om genade smeekte of den geest gaf.

Reeds alsdan lag in de menschelijke natuur de onuitlegbare lust, de hatelijke nieuwsgierigheid om bloedige, om zielverschrikkende tooneelen bij te wonen. Men wist nu dat de strijd om leven of dood zou zijn en dat dus een dezer moedige ridders onder de oogen der menigte ging sterven; en evenwel heerschte er tusschen de saamgedrongene volksschaar een luid geschater, een bruisend gemor, dat slechts van het vroolijk ongeduld der toeschouwers getuigde.

Eensklaps veranderde dit verward gerucht in een lang gejuich, in eenen galmenden zegekreet, waarboven de roep: "Leve de graaf! Heil graaf Karel!" met meer kracht zich verhief.

De vorst was boven de Love van zijn paleis verschenen en had plaats genomen onder het verhemelte van rood brocade, dat daar was opgericht. Nevens hem stonden twee wapenboden met gevlagde bazuinen; van wederzijde zaten de kamprechters; en verder op deze verhevene gaanderij hielden zich de ridders van 's graven hof.

Het sein zou welhaast worden gegeven.

Segher Wulf moest dan een oogenblik van mismoed of van angst ondergaan; want hij sloot mher Sneloghe in zijne armen en zeide hem met ontroerde stem:

"Robrecht, mijn zoon, niemand weet wat God zal beslissen. Heden kan mijn laatste dag zijn. Een oud krijgsman als ik vreest den dood niet; maar ik ben vader, mij beeft het hart bij de gedachte dat mijne lieve Dakerlia alleen op de wereld zou blijven. Ach, ik smeek u, doe mij de belofte dat gij haar, indien ik bezwijk, uw leven lang zult blijven beminnen; dat gij haar een trouwe echtgenoot zult zijn, een goede broeder, een liefderijke beschermer!"

"De hemel zal het recht de overwinning gunnen", antwoordde Robrecht, "maar, hoe het zij, mher Wulf, elke klop van mijn hart zal toegwijd blijven aan het geluk van uw kind."

"Dit is mij genoeg: ik heb vertrouwen in uwe oprechtheid, mijn zoon. Vergeten wij nu dat wij vader zijn om nog eens de onverschrokken krijgsman te worden dien men vroeger roemde om zijne behendigheid. Keert het lot der wapens tegen mij, ik sterf voor de eer van mijn geslacht en voor de vrijheid van mijn land!"

Een eerste bazuingeschal verwittigde de kampers dat zij zich tot den aanval moesten bereiden.

Men hield hen te paard en gaf hun de lange speer in de hand. Zij naderden tot de koorden van den krijt.

Eene doodsche stilte heerschte tusschen de menigte.

Nu de toeschouwers de kampers op hunne paarden konden zien zitten, drong een gevoel van medelijden in veler harten voor Segher Wulf. Hij scheen wel sterk gebouwd; maar zijn tegenstrever geleek een reus en was een gansch hoofd grooter dan hij.

"Heb betrouwen in Gods bescherming!" zeide Robrecht, die nevens het paard van Segher Wulf stond. "Heb goede hoop: Dakerlia zit geknield voor het kruisbeeld en bidt voor u."

"Ach, spreek mij niet van Dakerlia!" zuchtte mher Wulf.

"Denk veeleer aan uw kind; houd uwe welbeminde Dakerlia voor oogen", sprak Robrecht met geestdrift. "Het zal u sterk maken en uwen moed verdubbelen."

"Inderdaad", kreet de oude krijgsman, "voor haar moet ik overwinnen, voor haar moet ik leven!"

De bazuinen op de Loove hergalmden eenmaal; dan nog eens ... Bij het derde sein wierpen de krijtwaarders de koorden der twee ingangen ter aarde ... en geen hinderpaal belette nog den aanval.

De kampers staken de lans aan hunnen zadel, dreven de spoor in de lenden hunner dravers en renden met speer en schild vooruit, naar elkander toe.

Deze eerste schok had geen merkbaar gevolg; de beide lansen waren afgeschampt op de schilden.

Weder hernamen de moedige ridders hunnen loop en vernieuwden zulke pogingen nog meermaals.

De speren bonsden als hamerslagen op de schilden, het staal krijschte op het ijzer der harnassen, de paarden huilden onder den slag der spoor, die het bloed hun uit de zijde drukte. De menigte liet nu en dan een goedkeurend gejuich hooren, of getuigde door een hol gemor het ongeduld, wanneer een steek, die een der strijders scheen te moeten doorboren, zijn doel miste.

Robrecht en de overige Erembalds begonnen meer vertrouwen in den uitslag van het gevecht te krijgen; want het was zichtbaar dat Segher Wulf, indien hij min sterk dan zijn vijand was, dit gebrek aan lichaamskracht door zijne behendigheid ruimschoots vergoedde. Inderdaad, hij had al de steken, die hem waren toegebracht geworden, afgeweerd, terwijl hij meer dan eens zijnen tegenhanger zoo hard op het volle harnas had getroffen, dat deze reeds tweemaal in den zadel had gewankeld.

Maar dit vertrouwen begaf hen bij den zesden loop. Het paard van Segher Wulf viel op de knieën, en scheen ijdele pogingen in te spannen om weder op te staan.

De toejuichingen der Isegrims weergalmden boven de Love.

Gelukkig dat Jakob de Leeuw, door den begonnen loop voortgerukt zich niet kon omkeeren, vooraleer het paard van Segher Wulf zich had opgericht, en deze tot het andere einde van den krijt was gereden, om afstand voor eenen nieuwen en felleren aanval te nemen.

Weder stormden zij op elkander los. Segher Wulf trof Jakob de Leeuw zoo geweldig voor de borst op den halsberg, dat zijne speer plooide en aan twee stuken brak; maar mher Jakob boog zich als uitgeput over het hoofd van zijn paard, terwijl, van den harden schok, het bloed hem uit neus en mond vloeide.

Een bazuingeschal hergalmde. Volgens de wetten van den krijt mocht men nu het gevecht te paard niet meer voortzetten. Men zou den kampers eenige rust gunnen en dan het sein geven tot de beslissende worsteling te voet en met het zwaard.

Jakob de Leeuw ging buiten het perk bij zijne vrienden, die hem den helm afnamen, hem te drinken gaven en zijn aangezicht met frisch water van zweet en bloed reinigden.

Deze hulp en lafenis boden de Erembalds insgelijks hunnen moedigen vriend Segher Wulf. Zij juichten reeds over zijne waarschijnlijke overwinning, want tot nu toe waren al de kansen hem voordeelig geweest.

Robrecht omhelsde hem met blijdschap en murmelde nog den naam van Dakerlia aan zijn oor, in de overtuiging dat het denken aan zijn kind hem dus behendig en machtig had gemaakt.

De oude kampioen had evenwel geene aanmoediging noodig; de strijd zelf had hem aangevuurd en hem weder jong gemaakt. Hij scheen nu met ongeduld naar het hervatten der worsteling te snakken, en sprak woorden die van zijn eindeloos vertrouwen in eene beslissende zegepraal getuigden.

Ook toen het sein zich liet hooren, greep hij zijn breed zwaard in de beide banden en sprong juichend in den krijt.

Nu begon er een akelig gevecht. De zwaarden draaiden onverpoosd door de lucht en vormden bliksemende kringen boven de hoofden der strijders, nu en dan als hamers nederbonzend op schild of helm of schouderplaat, met zulke reuzenkracht, dat zij niet alleen de kampers van pijn en woede deden huilen, maar zelfs meer dan eens het krijschend staal vurige vonken ontlokten.

Het was hier eveneens zooveel om behendigheid als om lichaamsmacht te doen; hij, die door eene vlugge beweging zijnen tegenstrever kon verrassen, om hem tusschen de voegen zijner wapenrusting te treffen, zou waarschijnlijk overwinnen.

Ook liepen de kampers rondom elkander, bleven staan, sloegen toe, weken terzijde, weerden het vijandelijk zwaard af, bukten zich, mikten, sprongen vooruit, staken en hakten zonder eenige verpoozing, zoodat de toeschouwers zelven het hoofd draaide bij het gezicht zulker snelle bewegingen en zulker reusachtige inspanning van krachten.

Het zweet moest onder den geblutsten helm van der strijders voorhoofd stroomen; want een heete damp steeg zichtbaar uit al de voegen hunner wapenrusting op. Menige slag had wellicht hun het vleesch onder de ijzeren platen verpletterd of erg gekneusd. Zeker hadden zij reeds door de ringen van hun maliehemd opene wonden ontvangen, want het bloed droop Segher Wulf op den halsberg, en bloed vloeide mher Jakob van de vingeren zijner ijzeren handschoen.

En evenwel gingen zij voort met immer even woedend te kampen; men hoorde ze schelden en elkander hoonen, men hoorde ze juichen en vermaledijden....

Er kwam echter een oogenblik dat de adem hun ontbrak en de borst hun gloeide, als wierde zij door een vlammend vuur verteerd.

"Rust! een weinig rust!" morde Jakob de Leeuw.

"Ja, rust, een oogenblik", antwoordde mher Wulf.

En de kampers, bij gemeene overeenkomst, traden eenige stappen terug en bleven, met opgeheven zwaard en tot onmiddellijke verdediging gereed, daar staan hijgen, zoo geweldig en zoo snel dat men de borstplaat van hun harnas als de tafel van een blaasbalg zag op- en neergaan.

Dit lang en wreed gevecht had de menigte met ontzag en bewondering getroffen. Er heerschte een diepe stilte; want elkeen gevoelde dat het einde dezer bloedige worsteilng naderde en het lot der wapenen over het leven van een der heldhaftige strijders ging beslissen? De onzekerheid, de twijfel deed het hart der toeschouwers angstig kloppen; de meesten nog wenschten de zege toe aan den behendigen ridder die, ondanks zijne mindere gestalte, tot dan met ongeloofelijke kunde en sterkmoedigheid weerstand had kunnen bieden aan zijnen reusachtigen tegenkamper.

"Het moet eindigen tusschen ons, vermaledijde Blauwvoet!" riep Jakob de Leeuw zijnen vijand toe.

"Welnu, dat het eindige, valsche Isegrim! Geene schilden meer!" antwoordde hem Segher Wulf.

"Het zij zoo, geene schilden meer; elke slag bijte in het vleesch!" kreet de Leeuw, terwijl hij, door mher Wulf hierin nagevolgd, zijnen beukelaar verre in den krijt wegsmeet. "Zijt gij bereid, Blauwvoet?"

"Ik heb dorst naar uw bloed, Isegrim! Achteruit, tot bij de krijtkoorde!"

"Welaan!"




"Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij."
"Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij."

Zij weken elk tot bij den tegenovergestelden kant van het perk, hieven hun zwaard op, mikten op hunnen vijand met vlammende oogen, berekenden hunnen slag en riepen:

"Totterdood!"

"Totterdood!"

En zij stormden razend en huilend op elkander los. De zwaarden bliksemden door de lucht en vielen neder met zulke ontzettende kracht, dat de dubbele slag, hol en scherp tevens, tegen de omstaande gebouwen hergalmde.

Een schreeuw van angst, een gehuil van afgrijzen doorliep de menigte.

Daar lagen de beide kampers doodelijk getroffen ten gronde; mher Jakobs helm was gekloofd; zijne hersens moesten hem onder het bekkeneel zijn verpletterd. Segher Wulf had eene breede wonde over hals en schouder; het bloed stroomde onder zijn hoofd tot eenen rooden plas te zamen.

Een bazuingeschal verkondigde dat de kamp was gesloten.

Op dit sein liepen de magen en bekenden der kampers met de heelmeesters binnen den krijt om hulp te brengen of om het lijk van hunnen ongelukkigen vriend voor schennis te behoeden en het met de verschuldigde eer van daar te doen wegvoeren. Reeds kwamen de krijtdienaars met twee draagbaren toegeloopen.

Wat Jakob de Leeuw betreft, die had wel waarlijk den geest gegeven; want men bespeurde zijne bloote hersens door de klove van zijnen helm.

Segher Wulf leefde nog; alhoewel zijne oogen gesloten waren en zijn gelaat met de lijkachtige loodverf des doods was overtogen, verroerde hij nu en dan nog krampachtig handen en voeten.

De Erembalds stonden stom en verpletterd rondom hem; eenigen hielpen den heelmeester in het ontgespen der wapenrusting. Allen echter zagen in deze sidderende beweging der leden van hunnen gewonden vriend niets dan de laatste kramp der zieltoging.

Robrecht Sneloghe zat geknield bij het hoofd van Segher Wulf, den hemel het schrikkelijk onheil klagende en zijne tranen mengende met het bloed van den armen ridder. Ach, wat zou de liefderijke Dakerlia gebeuren? Zou haar hart niet breken, zou zij niet sterven van rouw en smart?

Dit schromelijk gepeins ontrukte telkens den jongeling eenen nieuwen angstschreeuw, en hij sloeg zich de handen voor de oogen als om het spookgezicht te verjagen dat hem de ijskoude des doods door de aderen deed vlieten.

Intusschentijd had de heelmeester, door zijne dienaars en door eenige Erembalds geholpen, Segher Wulf van al de stukken zijner wapenrusting ontdaan, en door een eerste verband zijne wonde zoo goed mogelijk gesloten. Hij scheen zeer voldaan over zijnen arbeid en toonde den omstanders met zekere fierheid dat het bloed nog slechts bij druppels tusschen de opgelegde pleisters en doeken doorsijpelde.

Men had, op zijn bevel, een pluimenbed aangebracht en het met eenige kussens op de draagbaar uitgespreid.

"Heeren", zeide hij tot de omstaande vrienden van Segher Wulf, "de wonde is verschrikkelijk, inderdaad; maar alle hoop is niet volstrekt verloren. In mijne meening is geen edel lichaamsdeel gekwetst. Wel is het sleutelbeen verbrijzeld, maar dit kan genezen. Indien hij geen bloed meer verliest en het vuur zich niet in de wonde zet, zouden wij hem nog het leven kunnen behouden. Hebt aldus goeden moed, gij vooral, mher Sneloghe, die van schrik en treurnis schijnt te willen bezwijken. Helpt ons nu, heeren, den armen ridder zachtjes, voorzichtig, zeer voorzichtig op de baar te leggen. De minste beweging kan zijne wonde weder openen, het ware hem een onherroepelijk doodvonnis. Wij zullen hem naar zijnen Steen dragen; de opene lucht doet hem kwaad."

Men gelukte er in het beweeglooze lichaam van Segher Wulf op de baar te leggen, zonder het verband zijner wonde te hebben ontschikt; en zoo begaf men zich, stap voor atap, naar den kant der Hoogpoort.

De Erembalds volgden treurig en met vochtige oogen, als vergezelden zij eene lijkbaar naar het kerkhof. Robrecht Sneloghe weende, maar scheen anders alle bewustheid te hebben verloren; want hij hield den blik ten gronde en stapte wankelend voort, als een dronken mensch. In zijne overtuiging was Segher Wulf dood, of de laatste levensvonk zou in hem uitgedoofd zijn vooraleer men den Steen zou bereiken. Dakerlia! Welk akelig oogenblik! En hoe de gedachte aan dit zielscheurend tooneel hem ook deed terugijzen, hij mocht het niet ontwijken; hij had eenen heiligen plicht te vervullen: Dakerlia steunen, troosten en haar sterk maken, om zonder sterven den vervaarlijken slag te doorstaan.

Terwijl hij eenige klaarte in zijnen geest poogde op te roepen en zijne krachten tot het vervullen der pijnlijke taak verzamelde, was de treurige stoet dwars door de menigte in de Hoogstraat geraakt.

Eeeds zag men in de verte den toren van sher Wulfs Steen, toen voor het hoofd van den stoet de volksschaar eensklaps vlottend bewoog, als week zij terug voor eenen onverwachten drang.

Daar sprong eene kermende jonkvrouw met de armen in de hoogte van tusschen de menigte ... Waarlijk had iemand de arme Dakerlia verwittigd van het schromelijk onheil dat haar dien dag had getroffen.

Zij liep tot de draagbaar, staarde bleek en bevend op het levenloos gelaat haars vaders, slaakte eenen grievenden noodkreet en viel zonder gevoel achterover in de armen van Robrecht en van den proost van St-Donaas.

Het was een oogenblik van onuitsprekelijken angst ... Het hoofd van het arme meisje hing ontzenuwd op haren schouder; hare oogen waren gesloten, de bleekheid des doods ontverfde haar gelaat.

Op de wangen aller omstanders vloeiden tranen van deernis.

Robrecht, door smart en medelijden weggerukt, legde zijne lippen op het bleeke voorhoofd zijner verloofde. Hem bleef slechts de kracht om in onduidelijke woorden den hemel de wreedheid van het lot te klagen.

"Dakerlia, arme Dakerlia!" murmelde hij. "God, o God! Wee, wee!"

Op raad van den heelmeester, had de stoet zich vooruitbegeven, ten einde aan Dakerlia, als zij tot bewustzijn zou komen, het gezicht van haren gekwetsten vader te onttrekken.

Reeds moest de draagbaar sher Wulfs Steen bereikt hebben, vooraleer de lieden, die men uitgezonden had, met koud water en edik terugkeerden.

Nauwelijks had men Dakerlia's voorhoofd en wangen bevochtigd, of zij opende de oogen, staarde eene wijl als zinneloos op degenen die haar omringden, sprong dan recht en zocht de draagbaar met den blik.

"Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. "Dood, o God! En ik leef nog!... Ik wil niet leven, ik wil hem volgen in het graf!"

En zij begon zich de borst met hare nagels te verscheuren, als hadde de wanhoop haar waarlijk met zinsverbijstering geslagen. Intusschen worstelde zij om los te raken uit de vriendenhanden die haar poogden te wederhouden: naar huis wilde zij loopen om daar, op het lijk haars vaders, te sterven, ten einde hunne zielen te zamen de reis naar de eeuwigheid mochten aanvaarden.

Robrecht poogde haar te bedaren en sprak allerlei zoete, troostende woorden tot haar; maar zij hoorde hem in het eerst niet.

Eindelijk scheen zij, door uitputting van krachten, zelve tot eenige aandacht bekwaam geworden, want zij riep eensklaps uit:

"Robrecht, wat zegt gij? 0, bedrieg mij niet! Mijn vader is niet dood? Wiens lijk was het dan dat voor mijne oogen heeft gespookt? Ben ik zinneloos? Heb ik gedroomd? Waarom liegen bij een graf?"

"Ach, uit medelijden met mij, Dakerlia lief, hoor mij aan! Uw vader leeft; hij is wel erg gewond, maar er is nog hoop. De heelmeester zegt dat hij kan genezen. Waarom dus vertwijfelen, alsof gij geen geloof meer hadt in Gods goedheid?"

"Gij bedriegt mij niet, Robrecht?"

"Neen, Dakerlia. Kom nu stil aan, naar huis, en houd u sterk. Wees zeker, uw vader kan genezen; mijne bedrukte ziel roept mij toe dat hij zal genezen."

"Eilaas, eilaas! Kom; ik wil hem zien, hem troosten of bidden nevens zijn doodbed!" zuchtte Dakerlia, die voelde dat hare krachten haar weder dreigden te begeven.

Zij leunde zwaar op den arm van Robrecht en op den arm van den ouden Bertulf. Hare stappen waren wankelend en zij liet het hoofd op de borst hangen. Dan eerst ontstroomde haar een tranenvloed, en hijgde en snikte zij met krampachtige bewegingen der borst.

Zonder nog een woord te spreken, zonder in schijn acht te geven op de vertroostingen van Robrecht, liet zij zich tot in de groote zaal harer woning leiden.

Hier drukte zij den wensch uit om haren vader te zien, maar men deed haar begrijpen dat de heelmeesters bezig waren met hem te ontkleeden, en daarna een nieuw vast verband op zijne wonden zouden leggen. Zij moest geduld hebben; de kastelein Hacket zou zich naar haars vaders kamer begeven en haar komen verwittigen zoohaast het haar zou toegelaten worden bij hem te gaan.

Door dit beletsel in hare smart getergd, borst Dakerlia in nieuwe tranen los. Zij zakte neder in eenen leunstoel en weende en snikte sprakeloos, zonder acht te slaan op de troostende woorden van Robrecht die, aan hare zijde zittende, een harer handen in de zijne hield gedrukt.

Zoo, in eene doodsche smart verslonden, bleef zij wel een half uur beweegloos zitten, totdat eindelijk de kastelein Hacket in de zaal trad en haar zeide:

"Jonkver Wulf, gij moogt nu tot uwen vader gaan. Voor een oogenblik slechts. Hij is nog buiten bewustheid, maar hij geeft nu en dan zichtbare teekens van leven. De geneesheer heeft veel hoop."

"Kom, kom, ik vlieg", kreet Dakerlia, rechtspringende.

"Zoo niet, jonkvrouw", bemerkte de kastelein, haar wederhoudende. "Ik bid u, wees redelijk en hoor wat ik u zeg. Gij moogt bij het bed uwe vaders niet spreken, geen enkel woord; ook niet zuchten of klagen. Het minste gerucht kan den armen zieke schadelijk, ja, doodelijk worden."

"Ik zal stil zijn, mijnen schrik, mijn verdriet met geweld bedwingen", murmelde het meisje.

"Welaan dan, volg mij."

Allen verlieten de zaal en traden ten einde van den gang in eene kamer welker beide vensters op de straat uitzagen.

Hier lag Segher Wulf nog met geslotene oogen en paarse wangen op een bed uitgestrekt.

Dakerlia, door den proost en door Robrecht bewaakt, ging bij het hoofdeneinde van het bed en staarde in stilte op het levensloos gelaat haars vaders. Hare lippen beefden; haar strakke blik scheen door ijzing en door angst met beweegloosheid geslagen.

Gevoelde het hart des vaders de nabijheid van zijn kind, of was het een bloot toeval? Althans, hij ontwaakte uit de diepe bewusteloosheid, zijne wimpers hieven zich op, en hij keek zijne bevende dochter eerst verbaasd en dan met eenen klaren blik van teederheid aan. Ten minste zoo dacht Dakerlia; het scheen haar zelfs dat zijne lippen eene beweging deden, als poogde hij haar toe te lachen.

Alhoewel Dakerlia vast besloten had het bevel der geneesheeren te gehoorzamen, kon zij de uitzinnige blijdschap, die haar bij het gezicht dezer onverhoopte verrijzing kwam treffen, niet wederstaan. Onder hare ontsteltenis bezwijkende, boog zij zich over haren vader, zoende hem de wangen, stortte eenige heete tranen op zijn voorhoofd en murmelde aan zijn oor:

"Vader lief, vader lief, heb moed: gij zult genezen!"

Maar de heelmeester en de geneesheer grepen haar bij de armen en trokken haar, hoe zij ook stilzwijgend worstelde, met vereende kracht tot in de gang.

"Ongelukkige jonkvrouw", sprak de oude geneesheer verwijtend, "zoo zoudt gij in eens uwen armen vader kunnen dooden! Zijn bloed mag niet aangejaagd worden; het moet traag en rustig in de aderen rondvloeien, anders zou het zijne wonde openen of ontsteken."

"Ach, laat mij tot hem wederkeeren!" zuchtte Dakerlia met saamgevoegde handen.

"Neen, neen, gij moet in eene andere kamer gaan, achter in het gebouw, verre van den zieke", zeide de geneesheer op strengen toon.

Maar Dakerlia, die bij dit bevel als bij een doodvonnis verschrikte, liet zich geknield voor de voeten van den geneesheer vallen, hief de armen tot hem op en riep:

"O, wees medelijdend met mijne smart! Vergiffenis! vergiffenis! Verwijder mij niet van mijnen vader! Ik wil hem bewaken, hem verplegen, nacht en dag. Ik zal zwijgen als eene stomme, mij stilhouden als eene slapende, geenen zucht over mijne lippen laten stijgen. Zie, ik kruip voor uw aanschijn, ik zaai mijne tranen voor uwe voeten!"

"Om Gods wil, laat zulke ijselijke smart u vermurwen, heer!" smeekte Robrecht, die achter Dakerlia uit de kamer was gegaan. "Verstoot toch hare bede niet!"

Door deernis getroffen, hief de geneesheer de maagd van den grond en sprak:

"Welaan, jonkvrouw, beproeven wij het nog eens! Maar weet wel dat, indien gij nog, al ware het slechts door een teeken, in gevaar komt van uwen zieken vader te ontroeren, ik u onverbiddelijk uit zijne kamer zal verwijderen, al moest men daartoe geweld gebruiken. Ik ben verantwoordelijk en ik zal mijnen plicht vervullen."

Dakerlia ging op de punten harer voeten binnen; zij sloeg nog eenen blik op haren vader, wiens oogen weder gesloten waren ...

Dan vatte zij Robrecht de hand, leidde hem tot in het diepe der kamer, toonde hem sprakeloos de knielbank voor het groote kruisbeeld dat aan den muur hing en liet zich er op nedergaan.

De jongeling zette zich nevens haar; beiden bogen het hoofd in een vurig gebed.

Eene stilte, zoo diep en zoo volledig als de sombere ledigheid van een gesloten graf, bleef uren en uren lang in de kamer heerschen.


X


Het weder was sedert eenige dagen regenachtig en koud geweest; maar dezen morgen had de zon zich aan eenen zuiver-blauwen hemel verheven en de lucht was voor het jaargetijde uitnemend zoel en verkwikkend.

In de Zuidzandstraat, omtrent St-Salvators kerk, wandelde een ridder met langzame stappen over en weder. Hij scheen in diepe overwegingen verslonden, want alhoewel hij meesttijds met eenen somberen, strakken blik de oogen ten gronde hield gericht, hief hij nu en dan het hoofd op en glimlachte, alsof eene verblijdende gedachte hem door den geest schoot.

Van uit de Steenstraat kwam, zonder dat hij het bemerkte, een ander ridder hem te gemoet. Deze, hem bereikt hebbende, klopte hem gemeenzaam op den schouder en zeide:

"Nu, mijn vriend Disdir, wat benevelt toch uw gemoed zoo uitermate, dat gij bij dage dwaalt en droomt als een slaapwandelaar?"

"Ha, wees gegroet, mher Willem Van Wervick", antwoordde Disdir. "Ik ben ziek geweest en kom mij nu een weinig in den zonneschijn verwarmen."

"Ziek geweest, mher Vos? Daarvan zijt gij nog bleek? Men heeft u sinds weken niet meer gezien. De koude koorts?"

"Neen pijn in het hoofd, steken aan het hart."

"Gij hebt evenwel vernomen wat er is geschied en hoe Segher Wulf in den krijt Jakob de Leeuw het hoofd heeft gekloofd?"

"Ja, Willem, en tevens hoe Segher Wulf, doodelijk gewond, uit den kamp werd gedragen. Hoe gaat het nu met mher Wulf, weet gij het?"

"Gisterennammiddag nog ben ik hem gaan bezoeken. Hij is zes dagen blijven liggen zonder spreken, en schier zonder bewustheid. Nu houdt hij veeltijds de oogen geopend en zou wel eenige stille woorden met de bezoekers wisselen, maar de geneesheeren, die immer bij zijn bed staan, verbieden hem alle beweging en zelfs de minste spanning des geestes."

"Arme Dakerlia, wat moet zij verdriet hebben!" zuchtte Disdir. "Zij die haren vader zoo teederlijk bemint."

"Gij kunt het denken, mher Vos. Zij is schrikkelijk vermagerd en vervallen. Het mag niet lang zoo voortduren, of de gevoelige jonkvrouw wordt zelve erg ziek."

Eene lichte spotgrijns trok Disdirs lippen te zamen.

"Robrecht Sneloghe was zeker in sher Wulfs Steen, toen gij er kwaamt?" vroeg hij.

"Inderdaad, het is niet verwonderlijk."

"En hij houdt zich veel meer bezig met Dakerlia dan met haren ongelukkigen vader? Hij troost haar?"

"Zooals gij zegt, Disdir; toen ik in de ziekenkamer trad, hield Robrecht eene van Dakerlia's handen en ik zag dat hem van medelijden de tranen in de oogen stonden."

"De lafaard! Een man weenen als een meisje!" gromde Disdir Vos op zonderling nijdigen toon.

"Lafaard? Robrecht Sneloghe een lafaard?" herhaalde Willem Van Wervick verbaasd. "Omdat hij deernis heeft met ...?"

Maar hij werd onderbroken door het voorbijrijden van eenen grooten wagen, die hem dwong terzijde te gaan.

Toen zij wat verder bij den kerkhofmuur stonden, zeide Disdir, die zich intusschen had bedwongen:

"Mij vloog de overweging door den geest dat het eenen man, eenen ridder, niet betaamt zoo weemoedig en zoo flauwhartig te zijn ... Nu zal toch Robrechts huwelijk voor langen tijd uitgesteld moeten blijven?"

"Zeker; geneest Segher Wulf, hij zal slechts na verloop van vele maanden het ziekbed kunnen verlaten."

"En sterft hij, dan volgt er een gansch rouwjaar."

"Dit schijnt u te verblijden?" vroeg mher Willem, hem scherp in de oogen ziende.

Disdir Vos trok zwijgend de schouders op.

"Ik begrijp", morde zijn gezel, "gij insgelijks hebt Dakerlia bemind en naar hare hand gestaan? Gij moet u het lot getroosten. Dakerlia zal wel zeker Robrechts echtgenoote worden."

"Dit huwelijk is nog niet voltrokken!" gromde Disdir Vos met eene vonk van zegevierende blijdschap in de oogen.

"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede Disdir?" schertste Willem Van Wervick. "Alzoo, gij meent het nog mogelijk dat Dakerlia Wulf uwe vrouw worde?"

"Wie weet? Er loopt op een jaar zooveel water door de Reije. Laat het oorlog worden in Vlaanderen, laat de Kerels te wapen loopen tegen den graaf en de Isegrims ... Bij den vrede kunnen zaken en menschen groote veranderingen ondergaan hebben."

"Ongetwijfeld, Disdir, indien het oorlog werd, maar dit is nu niet meer waarschijnlijk. De graaf heeft het oordeel Gods aanvaard. Segher Wulf heeft dus, door zijne overwinning, Kerlingaland voor groote bloedstorting behoed."

"Gij meent het, mher Willem?" wedervoer Disdir Vos. "Alhoewel ik ziek ben geweest, weet ik misschien beter dan gij wat er omgaat. Is het niet waar dat de Isegrims van 's graven hof sedert den kamp stlizwijgend en achterhoudend zijn geworden, en elkander geheimzinniglijk de woorden in de ooren fluisteren, uit vrees dat een Erembald of een andere Kerel iets verrasse van hetgeen er in 's vorsten raad gebrouwen wordt?"

Willem Van Wervick knikte bevestigend.

"Welnu, het kwaad dat men daar in het verborgen tegen de Kerels smeedt zal onverwachts uitbreken. De proost van St-Donaas, de kastelein, Robrecht Sneloghe en wie hunnen raad of hunne zienswijze volgen, zijn blind. Zij willen niet zien wat er geschiedt; zij zenden boden uit om de Kerels te doen stil blijven; al wat zij zeggen is: geduld, geduld. De bloodaards! Zij zullen ontwaken als Kerlingaland zal verloren zijn. Burchard Knap, ziedaar de man, die alleen misschien nog onze vrijheid kon redden ... En zij hebben hem onrechtvaardig laten veroordeelen, zonder iets te hebben gepoogd tot zijne verdediging of zijne wraak!"

"Gij hebt wel gelijk", bevestigde Willem, "de proost van St-Donaas is lijdzamer dan eene vrouw. Men noemt hem wijs; maar met zulke wijsheid loopt men recht in de slavernij. Laat ons echter niet denken dat de Kerels ondadig zullen blijven. Nog zes dagen en de Hoop der Ambachten vergadert te Veurne. Daar zal men over het lot van Kerlingaland beslissen en de Erembalds zullen er niet alleen meester zijn. Ik zal er mij bevinden als afgevaardigde van Proven, waar ik vele goederen heb."

"En ik insgelijks zal er tegenwoordig zijn, als gekozen om Bekeghem-Ambacht te vertegenwoordigen ..."

"Zie, wie daar uit de Zuidzandstraat tot ons komt!" riep Willem. "Als men van Loki spreekt ..."

"Robrecht Sneloghe!" mompelde Disdir Vos, met somberen haat in de stem.

Maar dewijl hij bemerkte dat Robrecht naderde om hen te groeten, bedwong hij zijne ontsteltenis en zag mher Sneloghe stil glimlachende te gemoet.

Nadat zij eenige woorden hadden gewisseld over het zoele weder en over den toestand van Segher Wulf, zeide Disdir Vos:

"Mag ik mher Snelogde vragen, hoe het met zijne verloofde gaat? Wat moet toch die arme Dakerlia lijden!"

"Het is onbeschrijfelijk!" antwoordde Robrecht diep ontroerd. "Sedert acht dagen heeft zij de kamer haars vaders nog niet willen verlaten: zij rust des nachts bij zijn bed, met het hoofd op eene tafel; maar slapen doet zij toch niet, want bij den minsten zucht, bij de minste beweging haars vaders springt zij recht. Hoe een meisje de krachten kan hebben om bij zulk leven niet van uitgeputheid te bezwijken is onbegrijpelijk. Ook is zij, och arme, zoo bleek en zoo mager geworden van dit lange waken en van het overvloedig weenen, dat men ze niet meer zal herkennen, de eerste maal dat zij zal uitgaan."

"En nu is uw huwelijk onbepaald verschoven?" vroeg Disdir.

"Eilaas, daaraan denken wij niet meer", zuchtte Robrecht. "Late de goede God Dakerlia's vader genezen! Andere wenschen voeden wij niet; anders vragen wij niet in onze gebeden."

Er lichtte eene vonk van blijdschap in Disdirs oogen; want de treurige woorden van Robrecht bevestigden de verborgene hoop zijns harten.

"Ik twijfel niet, of wij zullen u binnen acht dagen te Veurne zien", zeide hij. "Houthem kiest u gewoonlijk tot zijnen vertegenwoordiger."

"Waarschijnlijk zal ik de vergadering van den Hoop niet kunnen bijwonen", antwoordde mher Snologhe. "Het spijt mij grootelijks; maar gij begrijpt, vrienden, de erge toestand van Segher Wulf? De arme Dakerlia....?"

"En indien men daar tot den oorlog besluit?"

"Dan zullen wij onzen plicht doen, en goed en bloed ten beste geven voor de vrijheid van Kerlingaland", antwoordde Robrecht. "Hopen wij evenwel dat de wijsheid van onzen graaf dit ongeluk zal voorkomen."

"Is het waar", vroeg Willem Van Wervick, "dat gij Ghyselbrecht Tancmar ten hove uwen handschoen in het aangezicht hebt gesmeten?"

"Het is waar", antwoordde Robrecht.

"En hij heeft den kamp tegen u geweigerd?"

"Ja, onder voorwendsel dat hij, edelgeboren man, niet mag strijden tegen eenen Kerel, wiens vrije geboorte hem niet is bewezen."

"Welke lafheid!" gromde mher Willem.

"Lafheid niet, huichelarij en boosheid. Het is om ons tot gewelddadigheid aan te drijven en den graaf tegen ons te verbitteren."

"En gij hebt hem uw zwaard niet in de borst gestooten?" kreet Disdir Vos.

"De heer graaf kwam in de zaal, waar de twist gebeurde. Hij bande den vrede tusschen ons. Ik moest gehoorzamen; maar, wat zeker is, ik zal vroeg of laat het verdriet van Dakerlia Wulf op Ghyselbrecht wreken!"

"Ware mij den kamp geweigerd, ik sloege den valschaard dood, ondanks den vrede!" morde Disdir Vos.

"Neen, neen, zoo niet", wedervoer Robrecht met zeker misprijzen in de stem. "Ik zal Ghyselbrecht wel tot een kamp weten te dwingen; een eerlijk ridder wreekt zich niet door eenen moord ... Nu, heeren, verontschuldigt mij, dat ik uwe samenspraak heb gestoord. Vaartwel."

Mher Sneloghe vervorderde zijnen weg door de Steenstraat tot op de Markt, waar hij vele lieden bemerkte die, om het fraaie weder te genieten, op dit breede plein rondwandelden.

Hij meende, zonder stil te houden, naar de Hofstraat zich te richten en door den burg te gaan om zijne woning te bereiken; maar nu ontsnapte hem eensklaps een kreet van blijde verrassing en hij stapte haastig naar het midden der Markt, terwijl hij in zich zelven murmelde:

"Dakerlia met mijne zuster! Wat wil dit zeggen? Zij schijnen wel te moede!"

"Jonkvrouwen, zal ik mijne oogen gelooven?" riep hij glimlachend uit. "Is onze heer vader genezen?"

"Ter goeder ure dat wij u ontmoeten!" zeide Dakerlia. "Nu hebben wij eenen ridder om ons op de wandeling te geleiden. Verliezen wij geenen tijd; stel u tusschen ons beiden en laat ons voortstappen; wij zullen al gaande kouten. O, Robrecht, ik ben zoo gelukkig!"

"Mij dunkt het, de blijdschap straalt uit uwe oogen. Vertel mij toch wat u dus verheugt."

"Gij zijt dezen morgen vroeg gekomen", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader was dan nog bezwaard van den nacht en hij scheen niet veel beter dan gisteren; maar sedert dan is hij ontwaakt. Zijne oogen waren helder; hij vroeg eten, voor de eerste maal zijner erge ziekte. De geneesheeren hebben hem, alhoewel met vrees, eenige lepels hoendersoep doen toedienen. Het deed hem zoo goed! Hij keerde als het ware tot het leven weder en begon te spreken, wel zeer stil, maar met eene klaarheid des geestes die, ons allen verbaasde. Hij sprak van u, Robrecht."

"Van mij, Dakerlia?"

"Ja, het is onbegrijpelijk. Hij moet gedurende al den tijd, dat hij daar beweegloos heeft gelegen, gehoord en opgemerkt hebben wat rondom hem geschiedde; want hij weet alles. Ach, Robrecht, haddet gij kunnen hooren hoe hij u bemint en u dankbaar is voor uwe goede zorgen!"

"En u Dakerlia, heeft hij u niet gedankt? Gij toch hebt meer gedaan dan men van de menschelijke krachten kan eischen."

"Ik durf het bijna niet zeggen", stamelde Dakerlia ontroerd, "Hij heeft mij de hand op het hoofd gelegd, en zoo, met den blik ten hemel, mij gezegend ... Spreken wij daar niet van; ik was zoodanig ontroerd dat nu, bij herdenken zijner liefderijke woorden mij nog de tranen in de oogen schieten."

Zij vervorderden eene wijl in stilte hunne wandeling.

"Geen wonder", zeide Witta, "dat wij zoo blijde zijn. De geneesheeren, die tot nu toe achterhoudend bleven en ons geene hoop durfden geven, hebben dezen morgen verklaard dat zij niet twijfelen of mher Wulf zal genezen. Zijne wonde, die nog altijd was ontstoken, is nu gesloten."

"God zij geloofd!" riep de jonge ridder, "dit is eene gelukkige tijding."

"De proost en de kastelein zijn gekomen; zij hebben met mher Wulf gesproken en zij, insgelijks, zeiden ons dat wij niet meer mogen vreezen."

"Ja, Robrecht", bevestigde Dakerlia, "en uw oom de proost heeft mijnen vader doen begrijpen dat hij waarschijnlijk, door het vergieten van zijn bloed, de vrijheid van Kerlingaland heeft gered, of ten minste Vlaanderen heeft behoed voor een rampspoedigen oorlog. Dit heeft mijnen armen vader zoo gelukkig gemaakt, dat zijne oogen van trotschheid glinsterden."

"Maar dit alles verklaart mij niet hoe het komt dat ik u hier ontmoet", bemerkte de jonge ridder.

"Uwe ooms zijn daar de oorzaak van", antwoordde Dakerlia. "Zij beweerden dat ik zeker ziek zou worden, indien ik langer zoo in eene altijd geslotene kamer bleef zitten. Het was zulk zoet weder; ik moest uitgaan en wandelen. De geneesheeren hielpen hen. Om mijnen tegenstand te overwinnen, zeiden uwe ooms dat zij een paar uren in mijne plaats bij het bed mijns vaders zouden waken. Ik heb toegestemd voor een enkel uur. Zij hadden gelijk, uwe goede ooms: de zonneschijn, nog meer dan de blijdschap, doet mij herleven; de zoete lucht vloeit mij als een verkwikkende balsem door de longen."

Zoo vroolijk koutende en dankbaar juichende over de onverwachte verbetering van den toestand des zieken ridders, wandelden zij eenige malen rondom de Markt, totdat Dakerlia, ondanks het aandringen van Robrecht, huiswaarts wilde keeren.

Zij richtten zich dus naar de Hofstraat, maar werden eensklaps teruggehouden door eenen hoop volks, die achter twee bazuinblazers van den burg op de Markt kwam gestroomd.

Van alle kanten liepen nog vele menschen toe; want men herkende de bazuinblazers als gewone wapenboden des graven, en men voorzag dat zij een vorstelijk besluit gingen afkondigen.

Even nieuwsgierig als de anderen om te weten wat men hier ten poorters van Brugge ging bekend maken, bleef Robrecht met zijne gezellinnen omtrent de wapenboden staan.

De bazuinblazers hieven eenige tonen aan, en zoohaast het volk genoeg rondom hen was verzameld, trad een klerk vooruit met een vel perkament in de hand. Hij ontrolde het blad op zulke wijze, dat men de groote groene zegels er van kon zien nederhangen en begon dan met luide, klare stem aldus zijne afkondiging:

"Wij Karel, graaf van Vlaanderen, al degenen die deze letteren lezen of hooren lezen, heil in Gode!

Alzoo er in zekere gewesten van onzen lande van Vlaanderen een slag van lieden wonen, zich noemende Kerels, die, zonder gezeten te zijn op vrije erven, gezegd Allodii, beweren vrij te zijn in hunnen persoon en hunne goederen, en tot groote inbreuk op den openbaren vrede zich vermeten wapens te dragen, niettegenstaande het herhaald verbod, door onze voorgangers en door ons uitgevaardigd;

Aangezien deze lieden, zich noemende Kerels, tot geene erkende leenen behooren en onder zulke zich weigeren te schikken;

Overwegende dat dergelijke toestand slechts het gevolg eener onwettige aanmatiging kan zijn, strijdig met de rechten onzer kroon en met den vrede des graafschaps;

Maken kond, dat wij, na rijp beraad en onderzoek van elks recht, hebben besloten en besluiten wat volgt:

Ten eerste. Elk ingezetene dezer landen van Vlaanderen, die niet toebehoort tot een onzer leenen of tot eene abdij, of niet eigenaar is eener erkende vrije erve, gezegd Allodium, anders Boekland[48], of niet het poortersrecht in eene onzer goede steden geniet, zal voortaan een man onzer kroon zijn."

Tot dan had de menigte, waaronder waarschijnlijk zich geene of weinige Kerels bevonden, stom en gapend den klerk de woorden uit den mond geluisterd; maar nu ontstond er zulk luid gemor van verbaasdheid, dat men de stem van den afkondiger niet meer kon hooren.

"Stil! stil!" riepen vele der omstanders, die zich misschien de zaak der Kerels weinig aantrokken.

De klerk zette zijne lezing voort.

"Ten tweede. Al zulke mannen der kroon zullen in handen der ontvangers onzer burgen en kasteleinen den tol, gezegd balfaart, betalen, dit is een denier jaarlijks, vier deniers op den dag van hun huwelijk en vier deniers bij hun afsterven, of anders het beste hoofd ter keuze des heeren.

Ten derde. Het blijft allen dienstbaren lieden verboden, wapens te dragen, als daar zijn schermzeisen, zwaarden, staven, knijven, kolven, op lijf straffe of op boete, zooals bepaald is bij de besluiten der graven, onze voorgangers, en der onze."

Het overige der afkondiging bestond slechts in eenige voorschriften tot de uitvoering van het zwaarwichtig besluit.

Met groot geschater van stemmen begonnen de poorters elkander hun gevoelen over dit edict tegen de Kerels mede te deelen; maar dewijl de bazuinblazers de plaats verlieten en naar de Steenstraat opgingen, om daar en elders hunne zending te vervullen, volgden hen de meeste aanhoorders. Andere liepen in allerijl over de Markt, om het verrassende nieuws aan vrienden of bekenden te gaan mededeelen.

Robrecht en Dakerlia, getroffen met eenen diepen schrik, aanschouwden elkander eene wijl zonder spreken.

"Eilaas", zuchtte Dakerlia, "daar breekt het langgevreesde onweder over Vlaanderen los! Het bloed mijns vaders heeft nutteloos gevloeid. Arm Kerlingaland!"

"Arm Kerlingaland?" herhaalde Robrecht. "Neen, neen, het recht zal zegepralen! Men heeft met ons gehuicheld. Wij zijn verraden, snood verraden. Ha, nu is alle geduld lafheid, alle toegevendheid misdaad! Wanhoop niet van onze zaak. Meent gij dan dat de Kerels zich zullen laten binden als kalveren op de markt? De nootkreet gaat hergalmen over Kerlingaland. Wie overwinnen zal, dit weet God alleen; maar wij zullen den strijd niet opgeven, al eischte de verdediging der vrijheid onzen laatsten druppel bloed!"

"Ramp, ramp!" klaagde Witta, "wie er ook overwinne, Vlaanderen zal overdekt worden met lijken ..."

"O, mijn God!" kreet eensklaps Dakerlia verbleekend.

"Wat geschiedt u? Wat ziet gij?" vroegen Robrecht en zijne zuster verbaasd.

Maar Dakerlia greep haren verloofde de hand, trok hem naar de Hofstraat en antwoordde haastig:

"Kom, kom, loopen wij naar huis. Mijn arme vader! Indien iemand hem deze tijding bracht, het zou hem zoo diep bedroeven, hem eenen noodlottigen slag toebrengen misschien! Kom, wij zullen verbieden dat iemand van buiten hem nadere, wie het ook weze!"

"Maar bedwing toch uwe ontsteltenis, Dakerlia", zeide Robrecht "Uw vader zou bemerken dat gij hem iets verbergt ..."

"Neen, neen, hij zal het niet zien; ik ben sterk, ik zal welgemoedheid veinzen."

Inderdaad, toen zij het bed haars vaders naderde, zweefde er een stille glimlach op haar gelaat; maar dewijl hij met de oogen gesloten lag, en de geneesheeren haar teeken deden dat hij rustte, hield zij zich stil en zette zich bij het hoofdeneinde op eenen stoel.

Robrecht murmelde iets aan het oor van den proost, wenkte den kastelein met den vinger en verliet de kamer met zijne beide ooms, die, nieuwsgierig geworden door zijne geheimzinnigheid, hem vragend aanzagen.

Hij bracht hen in eene zaal en zeide hun met de handen opgeheven:

"Schrikkelijk nieuws! Er loopt een klerk in de stad rond, die een besluit van onsen graaf tegen de Kerels afkondigt. De Kerels zijn voortaan dienstbaar aan de kroon, evenals waren zij in slavernij geboren!"

De proost verbleekte; eene siddering doorliep de leden des kasteleins; beiden bleven stom, als konden zij de onverwachte tijding niet gelooven.

"Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?" vroeg de oude Bertulf.

"Gansch zeker; ik heb het besluit hooren afkondigen."

"Waar?"

"Op de Markt, in tegenwoordigheid van eenen grooten hoop volks."

"En hoe luidde dit besluit?"

"Het verklaarde dat de Kerels ten onrechte zich vrij wanen; het legt hun den balfaart der dienstbaarheid op en verbiedt hun, op lijfstraf en op boete, eenige hoegenaamde wapens te dragen."

"Eilaas, welke onheilen dreigen Vlaanderen!" zuchtte de kastelein Hacket. "De valsche Isegrims zegevieren!"

"Bekent het nu, mijne ooms", bemerkte Robrecht, "al ons geduld, al onze toegevendheid heeft tot niets gediend dan om den hoogmoed onzer vijanden aan te vuren. Het is misschien nog tijd. Geef een teeken, heer proost; help gij er toe, heer kastelein, en morgen staat geheel Kerlingaland onder de wapens!"

"Met zulk voorbarig besluit ware alles verloren", antwoordde Bertulf, zich op het voorhoofd wrijvend om een klaar en diep besef van den toestand in zijne hersens op te wekken. "Onze vijanden moeten hetzelfde wenschen als gij, Robrecht. Zulke onvoorbereide opstand kan slechts gedeeltelijk zijn. Vergeet hef leger niet dat te Atrecht ons bewaakt. De opstand der Kerels, indien men verplicht wordt tot zulk uiterst middel zijne toevlucht te nemen, mag slechts algemeen zijn, en onze heirkrachten moeten tot eenen langen oorlog worden ingericht."

"Maar, oom lief, is de maat niet vol genoeg?" wedervoer Robrecht, met eene verontwaardiging die hij uit ontzag voor den ouden proost poogde te bedwingen. "De tijding van dit hoonend besluit zal de Kerels, de Houtkerels vooral, verwoed maken."

"Inderdaad", bemerkte de kastelein, "mij zou het niet verwonderen dat zij onmiddellijk de wapens opnamen en de burchten der leenheeren begonnen te bestormen en af te branden."

"En ware het niet beter het sein tot den algemeenen opstand te geven?" vroeg Robrecht. "Wees zeker, oom, uw lankmoedigheid zal het ongeluk van Kerlingaland zijn!"

"Bedwing uwe jonge drift, mijn neef", sprak Bertulf op strengen toon. "Met zulke overijling verderft men de beste zaak. Hebt gij dan geen vertrouwen meer in mijne oude ondervinding?"

"Zeker, oom; maar, met uw oorlof, mij dunkt, dat krachtdadigheid en moed, in dringende omstandigheden, meer zijn dan wijsheid."

"Ik geloof dat gij gelijk hebt, broeder", zeide de kastelein, "maar werkeloos kunnen wij niet blijven. Wat gaan wij doen?"

"Wij moeten alle beweging in de Ambachten voorkomen", antwoordde de proost. "De Kerels doen stil blijven totdat de Hoop over de erge zaak beslist hebbe. Wat is zes dagen? Wil de Hoop het lot der wapens beproeven, men zal daar de afgevaardigden van al de Ambachten onder de hand hebben en dus, moet het zijn, met een enkel woord gansch Kerlingaland als één man doen opstaan."

"Maar, heer oom", bemerkte Robrecht, "gij vergeet Burchard Knap, uwen neef. Als die de mare zal vernemen!"

"Ik weet waar hij zich ophoudt: hij zal een bijzonderen brief van mij ontvangen en in vrede blijven, ten minste tot den dag van den Hoop. Hij heeft mij dit reeds plechtig beloofd."

"Alzoo, wij hoeven ons te bereiden tot den oorlog?" vroeg de kastelein.

"Bereiden, voorzeker", antwoordde hem zijn broeder de proost, "maar die noodlottige worsteling is nog niet volstrekt onvermijdelijk. Wie zegt ons dat, indien onze graaf het oor aan den raad onzer vijanden heeft geleend, het niet alleenlijk is, omdat de oorlog in Aquitanië, en nu op de grenzen van Normandië, hem dwingt naar middelen uit te zien om zich eene groote hoeveelheid gelds te bezorgen? Indien de Kerels hem eene bede toestonden van eenige duizende marken zilvers?"

"Alweder toegevendheid en gebeden?" morde Robrecht; "kunnen wij dan niets meer dan smeeken? Gij weet, oom, hoe ik onzen graaf verkleefd was, ondanks het onrecht dat ons werd aangedaan. Vorst Karel had mijnen vader zaliger vereerd en bemind. Ik was hem daarvoor dankbaar. Nu moet ik die dankbaarheid in mijn hart versmachten. Ik heb te kiezen tusschen den oorlog tegen den graaf en de vernedering van mijn vaderland, het verlies onzer vrijheid. De overtuiging dat onze vorst door de booze Isegrims is misleid maakte mij die keus nog pijnlijk, ik beken het; maar de stem van mijn geweten ..."

"Zwijg toch", onderbrak hem de proost, "Gij wordt even voorbarig en oploopend als de woeste Burchard. Luister toch eerst naar de kalme rede. Indien wij door zulke geldelijke opoffering het edict en de schrikkelijke rampen afweren, die ons geslacht en ons vaderland bedreigen, zoudt gij mij laken den raad daartoe te hebben gegeven?"

"Neen, neen, oom; maar alle hoop op rechtvaardigheid, alle hoop op vrede is dood in mij!"

"Welnu, ik zal pogen te weten wat zulk aanbod bij den graaf vermag. In alle geval, de Hoop te Veurne zal over de zaak beraadslagen; en wij allen, onzen Gilden-eed getrouw, zullen ons aan zijne beslissing onderwerpen. Laat ons nu naar de proostdij gaan, Hacket; de tijd is ons kostelijk; wij moeten met spoed onze voorzorgen nemen om, tot de beslissing van den Hoop, alle beroerte in de Ambachten te beletten."

In den gang zeide de proost nog:

"Wij zullen terloops Segher Wulf vaarwel wenschen; hij zal misschien ontwaakt zijn."

Robrecht hield hen terug en deed hun begrijpen dat zij in tegenwoordigheid des zieken van het afgekondigde besluit niet mochten gewagen. Segher Wulf, die zich gelukkig achtte, zijn leven te hebben gewaagd, in de gedachte dat hij door het storten van zijn bloed de vrijheid der Kerels tegen allen nieuwen aanval had behoed, kon een noodlottigen slag ontvangen, indien hij nu vernam dat de Isegrims zelfs het oordeel Gods niet hadden geëerbiedigd.

Zijne ooms erkenden de gegrondheid dezer bemerkingen en beloofden den zieke van niets te spreken.

Alzoo zij nu door de gang traden, hoorden zij eensklaps op eenigen afstand bazuintonen hergalmen.

"O! mijn God!" kreet Robrecht verschrikt, "daar komt men nu in deze straat het noodlottig besluit afkondigen. Mher Wulf zal het hooren. Wat schromelijke slag!"

"De snoodaards!" morde de kastelein. "Wie weet, hebben zij de wapenboden daartoe geen bijzonder bevel gegeven? Onverbiddelijk zijn de Tancmars in hunnen haat."

"Maar neen, de wapenboden zijn nog verre; mher Wulf kan niets van de afkondiging verstaan", bemerkte de proost.

"Ach, hij hoort zoo verwonderlijk scherp, en hij ligt onder het venster bij de straat", klaagde Robrecht.

"Kom, kom, gij bekommert u ten onrechte", zeide de proost, terwijl hij de deur der ziekenkamer opende.

Segher Wulf lag nog met geslotene oogen, en nevens hem stond Dakerlia met angst en vervaardheid op het gelaat; want zij insgelijks had de bazuintonen gehoord.

"Ontstel u niet zoozeer, jonkvrouw; uw vader slaapt en de bazuinblazers zijn weg", fluisterde de proost aan haar oor.

Maar nauwelijks waren deze stille woorden zijnen mond ontglipt of de stem van den afkondiger verhief zich onder het venster zelf.

Een pijnlijke kreet ontsnapte Dakerlia, terwijl zij de bevende handen over haren vader uitstrekte, als poogde zij de noodlottige klanken te onderscheppen.

De zieke opende de oogen wijd en luisterde. Hij bleef rustig; geene plooi op zijn gelaat duidde aan dat hij verstond wat men daarbuiten zoo luid afriep.

Reeds was de klerk zeer verre in het lezen van het besluit gevorderd, en nog had Segher Wulf geen teeken van ontroering gegeven. De omstanders meenden te mogen hopen, dat hij niets van het besluit zou verstaan.

Maar toen de afkondiger het tweede punt van het noodlottig edict bereikte, werd de zieke eensklaps als door eenen geweldigen slag getroffen: al zijne leden trokken zich krampachtig te zamen en, ofschoon de klagende Dakerlia en de verschrikte geneesheeren hem poogden te bedwingen, duwde hij zijne twee armen op het bed, spande al zijne zenuwen en riep uit, terwijl hij zich met verwonderlijke kracht in de hoogte hief:

"Slaven! De Kerels slaven! Wraak, wraak, o, mijn God!"

Eilaas! Zijn slecht geheeld sleutelbeen brak opnieuw, zijne wond scheurde open, het bloed golfde hem over de borst en hii viel met eenen akeligen noodkreet achterover ...

"Het is niets, geen gejammer, geen gekerm!" riep een der geneesheeren, den proost haastige teekens doende, dat men de jonkvrouw zou verwijderen.

Allen verstonden hem. Robrecht en zijne ooms grepen Dakerlia bij de armen en schouders, en hoe zij ook als zinneloos worstelde, zij leidden ze met geweld in eene ver afgelegene kamer. Daar poogde men haar te doen gelooven dat het ongeval geene erge gevolgen zou hebben. De geneesheer had immers zelf gezegd dat men niet mocht bekommerd zijn? Een nieuw verband zou alles weer herstellen.

Maar Dakerlia, door eenen doodelijken schrik aangejaagd, was niet te bedaren.

"De wreedaards, de Isegrims!" riep zij uit, terwijl men haar poogde van de deur terug te houden. "Zij hebben hem in den kamp niet kunnen overwinnen. Vermoorden moesten zij hem, met valschheid, met lafhartigheid! O, mijn vader, mijn arme vader, wie zal u wreken? Wie zal het edel bloed herkoopen, dat gij voor de vrijheid van Kerlingaland hebt vergoten?"

"Wees gerust, Dakerlia", antwoordde Robrecht Sneloghe. "De noodhoorns gaan galmen over Kerlingaland. Het is een oorlog om leven en dood. Ik zal te midden des gevechts de vijanden uws vaders opzoeken en ze treffen, zoolang mijn arm de macht heeft tot het verheffen van een zwaard."

De maagd slaakte eenen angstkreet, legde zich de handen voor de oogen en begon overvloedig te weenen; maar zij was zoo aangejaagd dat zij bijna onmiddellijk weder naar den ingang der kamer sprong en zich de handen ten bloede werkte om de geslotene deur open te rukken.

Zij viel op de knieën voor den proost en kermde en bad met saamgevoegde handen, om tot haren vader te mogen gaan. Hij kon sterven, haar verkrampend hart riep het luid. Mocht zij hem dan niet een laatst vaarwel wenschen en hem de oogen sluiten? Zou hij ten hemel varen zonder zijn kind aan zijne zijde te zien?

Eindelijk door medelijden overwonnen, zeide de proost tot haar, dat hij den kastelein zou verzoeken naar de ziekenkamer te gaan om het oorlof der geneesheeren af te smeeken, indien Dakerlia toestemde bedaard te wachten op de tijding welke hij hun zou brengen.

Men opende met voorzorg de deur en Hacket begaf zich naar de kamer aan de straat.

Hier ontvloog hem een kreet van schrik, ofschoon de geneesheer door zich den vinger aan den mond te leggen, hem tot stilte aanmaande.

Segher Wulf lag uitgestrekt op het bed, met een kruisbeeld op de borst. Zijn gelaat was loodvervig en toonde de doorschijnende tint der bloedeloosheid. Witta zat ten gronde geknield en weende bitter.

De kastelein naderde met kloppend hart en aanschouwde den geneesheer.

"Niets meer dan een lijk!" murmelde deze.

"Wel zeker?"

"Hoe anders? Al zijn bloed is hem ontloopen."

"Wat akelige ramp!"

"Ja, een ijselijk voorval; maar klagen kan hier niet helpen, heer kastelein. Gij moet tot de jonkvrouw gaan; haar eerst met halve woorden een ongeluk doen voorgevoelen, haar dan van een groot gevaar spreken en zoo allengs haar den dood haars vaders melden, opdat de slag haar niet plotselijk treffe."

De kastelein verwijderde zich stilzwijgend, om de droeve zending te gaan vervullen; maar nauwelijks was hij eenige oogenblikken weg, of men horde in den gang eenige wanhopige klachten hergalmen.

Dakerlia stortte in de kamer en liep tot bij het bed. Een eerste blik zeide haar alles: zij slaakte eenen machtigen schreeuw, eenen noodkreet, die het gansche huis doorschalde, en viel gevoelloos met het hoofd op de borst haars vaders.

Voetnoten:

[48]

Bij de Angel-Saksen noemde men het Gemeentegoed of vrij geweide folcland (ager publicus), een land, waarvan het bezit door eene geschrevene oorkonde vanwege den vorst was toegestaan of bevestigd, bocland (geboekt land).

Zie LAPPENBERG, Geschichte von Engeland t. I, pp. 578 en 579.


XI


De dag waarop de Hoop[49] zou gehouden worden, was verschenen.

Reeds van in den vroegen morgen krielde de stad Veurne met lieden die zich uit alle gewesten van Kerlingaland zich derwaarts hadden begeven, en nog zag men elk oogenblik groote overdekte wagens voor de bijzonderste herbergen stilhouden.

Niet al deze bezoekers waren geroepen, om als afgevaardigden der Ambachten in den Hoop te zetelen. Eenigen moesten zich aanbieden voor het beroepsgerecht of jaarwaarhede, anderen zouden zekere zaken aangaande hunne betrekkingen met het Gilde vereffenen; de meesten evenwel hadden de reis ondernomen uit enkele nieuwsgierigheid of om vrienden of bekenden te ontmoeten.

Rondom den Kerkhofsmuur van St-Walburgis stonden kramen met eetwaren, met fruit en lekkernijen, met landbouwgereedschap, met huisgerief en kleederstoffen, zoodat de plaats naar die zijde geheel het voorkomen had eener jaarmarkt of eener kermis.

Daar was groote toeloop van volk. De Kerels herkende men aan hunne lange baarden en aan hun breed zwaard of schermzeis. Tusschen hen kon men de Houtkerels onderscheiden aan het diepere blauw hunner kleeding en aan hunne hoeden, waarvan de randen achter en terzijde in vorm eener klak waren opgeslagen, terwijl de Veld- en Duinkerels breedgerande hoeden droegen, die met eene veder van den Blauwvoet of Zeearend waren gesierd.

Men bemerkte zelfs hier en daar eenen Kolvekerel ui t het graafschap Gwynen, die gansch in kleeding en voorkomen aan de andere Kerels geleek, tenzij dat hij tot eenig wapen eenen houten kolf of knots in de hand of op den schouder droeg.

De poorters of burgers van Veurne hadden geenen baard, en slechts de bijzondersten onder hen droegen een kort mes boven de lederen tassche aan hunnen gordel. Zij lieten zich niet veel in met de Kerels, die overigens hen met hoogmoed bejegenden en zorgvuldig vermeden over de zaken der Ambachten in hunne tegenwoordigheid te spreken.

Inderdaad, de Kerels zagen de poorters der steden als lieden aan die hunne onafhankelijkheid hadden verloren en van de voorvaderlijke vrijheden niets meer bezaten dan wat de vorst hun willekeurig en uit genade had laten behouden.

Vroeger genoten al de gedeelten van Kerlingaland dezelfde onafhankelijkheid, en hadden geenen anderen dienstplicht jegens den graaf dan het leveren van krijgslieden tot 's lands verdediging Zij betaalden gewilliglijk alle tollen van doorvaart op koopwaren, havenrechten en burggelden aan 's gravens ambtenaars, voor zooveel deze belastingen niet als een persoonlijke hoofdtol konden worden beschouwd. Daarenboven, in oorlogstijd of in andere gewichtige omstandigheden, wanneer de vorst hun eene bede toerichtte, verleenden zij hem vrijwilliglijk aanzienlijke hulpgelden uit den gildeschat.

Maar voor twee eeuwen hadden de graven van Vlaanderen, om het land tegen de invallen der Noormannen te kunnen verdedigen, met de toestemming der Kerels zelven, verschillende steden met muren omsingeld en er een sterk kastel of burg gebouwd, waarin een ambtenaar, door den vorst aangesteld, als kastelein of burggraaf het bevel voerde.

Van dit oogenblik af zag de graaf het gebied van den burg als een leen der Kroon aan, en werden de inwoners der steden zijne leenmannen, met de uitzondering nochtans, dat hij hun zekere vrijheden liet behouden, en deze bevestigde door eene vorstelijke vergunning. Hij gaf zulke gemeente bestierders of schepenen en liet er het recht uitoefenen in zijnen naam, onder de hooge bewaking van den kastelein.

Geheel anders was het met de Kerels buiten de bemuurde steden gesteld. Dezen hadden nog hunne voorvaderlijke inrichtingen behouden en bestierden zich zelven en oefenden den rechtspleging zonder de minste tusschenkomst eener hoogere overheid. Eén of meer dorpen, onder een gemeenschappelijk bestier, noemden zij eene minne, en verscheidene zulker minnen vormden een Ambacht. Schepenen hadden zij niet; hunne bestierders, jaarlijks door hen gekozen, noemden zij Keurmans. Dezen waren belast met het beredderen der openbare belangen van de minne, en zetelden in de vierschaar en vonnisten, zoowel over stoffelijke gedingen als over wetsovertredingen en misdaden.

Binnen de stad Veurne zelve, naar eenen hoek der Markt, was er nog eene vrije plek grond, die niet aan de overheid van den kastelein was onderworpen. Daarop hadden de machtige Kerels van Veurne-Ambacht hunne groote Gildehalle gebouwd, om er hunne gemeene zaken te behandelen en er de wekelijksche rechtspleging te oefenen.

Van buiten beschouwd, had deze Halle het voorkomen van een onmatig lang en breed huis, zonder verdiep, welks eenvormige lijnen slechts onderbroken waren door een hoog torentje, waarin twee klokken hingen van verschillende grootte. De vensters waren zeer hoog boven den grond en met ijzeren staven gesloten.

Nu stonden voor de ingangspoort tien of twaalf langgebaarde mannen, met uitgetogen schermzeis, die de poorters en vreemdelingen van de Halle hielden verwijderd.

Dit opzicht van ongastvrijheid en van verborgenheid moest doen denken dat de Kerels, bij den bouw der Gildehalle, voor doel hadden gehad, alle bespieding van buiten af te weren en het geheim hunner beraadslagingen te vrijwaren tegen de nieuwsgierigheid zulker lieden, die niet door den Gildeneed met hen waren verbonden.

Van binnen was de Halle niet zoo somber; want de vensters, die op den neerhof uitzagen, waren zeer breed, en geen traliewerk onderschepte er het daglicht. Hare grootste uitgestrektheid was ingenomen door eene lange zaal, waarvan het gewelf, met zijne veelvuldige graten, op twee rijen lage pijlers rustte, die met zonderlinge beeldsieraden waren overdekt.

Men had nu, tot het houden van den Hoop, in deze zaal eene verhevendheid getimmerd en er talrijke banken gezet.

Nog vele min wijde vertrekken, elk tot een bijzonder gebruik bestemd, lagen achter de groote zaal en hadden eenen gemeenen uitgang op den neerhof, niet verre van de plaats waar, onder de opene lucht, de vier banken der vierschaar tusschen eene ringvormige haag waren geschikt.

Tot dan hadden de Kerels rondom het kerkhof gewandeld of in groepen op de Markt over de zaken van Kerlingaland gekout en getwist, immer zorgende dat zij niet door de poorters werden gehoord.

In de Halle bevonden zich geene andere personen dan eenige Keurlieden en klerken, die alles in gereedheid brachten tot den dienst waarmede elk hunner belast was.

Nu evenwel werd op het torentje de kleinste klok geluid. Vele Kerels traden in de Halle, en begaven zich in verschillende vertrekken, volgens de zaken welke zij te bezorgen hadden.

In eene groote kamer zaten de ontvangers van den gildeschat met hunne klerken. Hier kwamen opvolgend de afgevaardigden der Ambachten het geld storten dat zij voor elk lid van het Gilde als jaarlijksche bijdrage waren verschuldigd.

Daarnevens en van de ontvangers gescheiden, zaten de betaalders die, op vertoon van oorkonden, door aangestelde opzichters en schatters afgeleverd, de hulpgelden uitdeelden voor brand van huizen of vergaan van schepen of schuiten; want de gildeschat was voor de Kerels tevens eene kas van onderlinge verzekering.[50]

In een ander vertrek zaten de beheerders van wegenissen en van water- en dijkwerken, die ten laste van meer dan één Ambacht moesten worden onderhouden.

Maar de toevloed van volk was het grootst op den neerhof, in en rondom de vierschaar.

Hier zetelden afgevaardigde Keurmans van de groote Ambachten, ondere anderen van Veurne, Capellebrouck, Berg, Brouckburg, Hazebrouck en Duinkerke. Te zamen vormden zij een gerechtshof, dat elken Kerel moest aanhooren die beweerde dat hem, in zijn Ambacht, onrecht was gedaan of recht was geweigerd. Deze vierschare, die men jaarwaarhede noemde, vonniste diensvolgens als een hof van beroep; zij was onafhankelijk van den Hoop en zetelde verscheidene dagen.

Al deze bijzondere verrichtingen namen den ganschen morgen in, en het was slechts ten één uur namiddag, na men den afgevaardigden den tijd had gegund om te eten, dat de groote klok de opening van den Hoop aankondigde.

Men had eenigen tijd te voren iedereen, wie hij ook ware, de Halle doen ontruimen. Nu werd niemand toegelaten, tenzij na onderzoek der volmacht, hem afgeleverd door de Keurlieden van het Ambacht, dat hem als zijnen vertegenwoordiger had gekozen.

De groote zaal geraakte allengs vol. Elk nam plaats naar zijne geliefte, nevens zijne vrienden of bekenden.

Hacket, de kastelein van Brugge, bevond zich daar als afgevaardigde van het Brugsche Vrije; nevens hem, Robrecht Sneloghe, als vertegenwoordiger van Houthem; en, meer naar achter in de zaal, Disdir Vos, Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen en andere ridders, door verschillige Ambachten afgevaardigd.

Dewijl de Hoop nog niet was geopend, en de Kerels met luider stemme hun gevoelen uitdrukten over de zaak van den balfaart en over hetgeen men in deze erge tijdsomstandigheden te doen had, heerschte er in de gansche zaal een verward gerucht als van eenen ronkenden bijenzwerm ... Maar daar verschenen nu de afgevaardigden der groote Ambachten op de verhevenheid en, terwijl zij plaats namen in de leunstoelen, die men daar voor hen had geschikt, zetteden al de aanwezigen zich op de banken neder.

Het gedruisch begon echter opnieuw, totdat de Voorman of voorzitter met eenen zwaren houten hamer zoo hard op de eiken tafel sloeg, dat de galm als een donder door de zaal dreunde.

Elk zweeg en de diepste stilte verving het gerucht.

De Voorman of de voorzitter was een Keurman van Hazebrouck met eenen langen sneeuwwitten baard. Hij wierp eenen tragen blik door de zaal, klopte dan nog eens met den hamer, stond op en sprak:

"Gezellen, Gildebroeders, toen wij, uwe zaakgelastigden, voor eenige weken ons wilden bereiden tot het houden van den Hoop, hadden wij eenige min of meer belangrijke voorwerpen uitgekozen om aan uwe beraadslaging te worden onderworpen. Sedert dan heeft onze heer graaf tegen de Kerels een edict uitgevaardigd dat, moest het van kracht blijven, ons en onze kinderen in eeuwige slavernij zou dompelen. Zoo zwaarwichtig is voor ons deze zaak, dat ik ze alle andere doen voorafgaan. Ik hoop dat gij niet alleen met de verontwaardiging van diepgehoonde, maar tevens met de bedaardheid van wijze en bezadigde lieden zult onderzoeken en overwegen wat ons te doen staat om de vrijheid van Kerlingaland te redden en ongeschonden te behouden. En, ten einde het rechtverkrachtend besluit van onzen heer graaf iedereen geheel bekend zij, zal ik den klerk verzoeken het u voor te lezen."

De klerk stond op en begon de lezing van het edict. Schier bij elken regel werd zijne stem verdoofd door het toornig gemor der vergadering; maar wanneer iets bijzonder kwetsends in het besluit voorkwam, ontstond uit al de hoeken der zaal een onweder van wraakkreten en vermaledijdingen.

"Te wapen, te wapen! Sla dood de Isegrims! Stroome ons bloed voor de vrijheid! Heden nog! Gevloekt, gevloekt de balfaart der slavernij!" galmden de driftigsten.

"Stil! Stil! Laat af met dit woest geschreeuw: wij hooren niet!" riepen eenige anderen.

Zoo ging de lezing van het besluit met vele onderbrekingen tot het einde voort.

Nu nog heviger dan te voren, zou de meerderheid der aanwezigen hare verontwaardiging en hare woede door verwarde kreten lucht geven, maar de Voorman klopte zoo geweldig met den hamer, dat hij iedereen tot zwijgen dwong.

Hij zeide, dat hij de diepe onsteltenis der vergadering wel begreep, en daarom gedacht had de stilte niet streng te moeten handhaven. Nu evenwel verzocht hij zijne gezellen h un gevoel van wettige verontwaardiging te bedwingen, opdat de beraadslaging, die nu ging aanvangen, behoorlijk en met eerbied voor elke gedachte kon worden voortgezet. Hij zou van nu af geene onderbrekingen meer dulden, en niemand zou spreken dan met zijne toelating en op beurt.

Daarop vroeg hij of een der aanwezigen het woord verlangde; doch zoovele handen gingen terzelfder tijd in de hoogte en zoovele namen werden hem toegeroepen dat hij niet wist wien uit te kiezen tusschen al de sprekers die zich aanboden.

Op dit oogenblik werd de deur der zaal geopend.

Er trad een hoogstaltig man binnen, wiens fiere houding en stoute blik ook degenen met ontzag troffen die hem niet kenden. Hij was gekleed als een ridder en aan het gevest van zijn zwaard glinsterde eenig edelgesteente.

Zijne verschijning deed een algemeen gemor van verbaasdheid ontstaan, bovenal toen degenen, die hem herkenden, zijnen naam noemden.

"Burchard Knap! Hij is een banneling. Iedereen mag hem dooden! Hoe durft hij bij kiaren dage hier verschijnen? Heeft hij recht om in den Hoop te zitten?" vroeg men elkander.

Dit ongunstig gemompel scheen Burchard Knap te kwetsen. Met spijt in de stem riep hij uit:

"Gezellen, is het zoo dat gij een slachtoffer der dwingelandij begroet? Had iemand onzer gevreesd zich door de Isegrims te doen bannen, Kerlingaland zou nu niet op den boord des afgronds staan. Elkeen mag mij dooden. De minste schalk kan mij eenen pijl door rug en lenden drijven, ik weet het; maar, hoe de dood mij ook bedreige, hij kan mij niet weerhouden van hier mijnen plicht te komen vervullen. Ik ben afgevaardigde van Rodenburg en, als zulks, zal ik in den Hoop zetelen met evenveel recht als de beste die hier tegenwoordig is."

"Maar gij zijt gebannen!" riep eene stem.

"Wie heeft daar gesproken?" wedervoer Burchard met bedwongene gramschap. "Dat hij rechtsta en zich toone. Ik wil weten welke vrije Kerel zich hier aanstelt tot uitvoerder der vonnissen die onze verdrukkers tegen zijne broeders hebben uitgesproken."

"Niemand, niemand! Leve Burchard Knap!" klonk het door de zaal.

De slag van den hamer weergalmde.

"Gezellen", zeide de Voorman, "mher Burchard Knap van Bethferkerke is als ridder door het hooger hof der baroenen tot ballingschap verwezen. Als Kerel kon hij slechts door de Aldermans van zijn Ambacht worden gevonnist; als Kerel bevindt hij zich tusschen ons, niet als ridder. Wij aanvaarden dus in hem den vertegenwoordiger van Rodenburg."

Een bijna algemeen handgeklap juichte deze verklaring toe.

Burchard, hierdoor aangemoedigd en verstout, begon weder tot de vergadering te spreken; maar de Voorman onderbrak hem door herhaalde hamerslagen, en verzocht hem zich neder te zetten, hem zeggende dat hij stellig en streng hem verbood het woord te voeren voordat zijne beurt kwam. De onverduldige Kerel moest gehoorzamen en nam grommend plaats op de bank nevens Disdir Vos.

"Dat mher Hacket, kastelein van Brugge, spreke!" zeide de Voorman.

Hacket begon eene rede, waarin hij de vergadering aanraadde de zaak wel en met bedaarden geest te overwegen, vooraleer eene misschien overijlde beslissing te nemen. Het was telkens een groot ongeluk wanneer een volk gedwongen was op te staan tegen zijnen wettigen vorst, en eene misdaad wanneer zulken opstand gebeurde zonder dat men alle middelen had uitgeput om hem te ontwijken. Men mocht niet vergeten dat graaf Karel in den grond een edelmoedig vorst was. Hij had het genoeg bewezen tijdens den laatsten hongersnood, toen hij zijnen ganschen schat had uitgeput om de noodlijdenden te spijzen, zonder eenig onderscheid te maken tusschen de lieden der kroonsleenen en de lieden van Kerlingaland. De kastelein scheen te worstelen tegen een voorstel dat nog niet gedaan was. In alle geval moest hij voorzien dat zijn neef Burchard of anderen den graaf met hevigheid zouden beschuldigen; want hij haalde vele redenen aan, om te bewijzen dat de Isegrims alleen schuld hadden aan de grieven der Kerels en vorst Karel, zonder het te weten, door hen was bedrogen en misleid. Dan schilderde hij af hoe het geheele land, indien men den oorlog moest beginnen, met bloed en puinhoopen zou overdekt worden en alle welvaart voor vele jaren vernietigd. Bestonden er middelen om dit onheil nog af te keeren, het was de plicht der vergadering zulke middelen te beproeven. Na deze voorbereiding sprak hij van de hoop die men nog moest koesteren dat de graaf, indien men hem een aanzienlijk getal marken zilvers uit den gildeschat toestond, het noodlottig besluit zou intrekken. Wat was toch eene geldelijke opoffering, die in alle geval nog het tiende gedeelte van de kosten des oorlogs niet zou bereiken? Hij deed kennen dat de proost van St-Donaas in dien zin pogingen bij het hof had begonnen, en hij eindigde met het voorstel, hier slechts een voorwaardelijk besluit te nemen en de wapens niet op te vatten voordat men zeker ware van de mislukking aller min geweldige middelen.

Deze vreedzame redevoering werd met een hevig gemor van afkeuring begroet.

"Altijd dezelfde vrouwentaal!" riep Burchard. "Wij hebben reeds den strop aan den nek; geeft onzen vijanden dan den tijd om ons geheel te verworgen!"

"Onze flauwheid stort Kerlingaland in het verderf. De vrijheid eischt bloed, geven wij ons bloed!" schreeuwde Disdir Vos, harder nog dan Burchard, die hem daarom de handen drukte.

"De beurt is aan Alyn Van Ghistel", zeide de Voorman.

Een zeer oud man stond op. Zijne gedachten, die hij zeer onduidelijk voordroeg, kwamen hierop uit, dat men zich wel in allerhaast ten oorlog hoefde te bereiden, doch niet nalaten mocht het middel tot verzoening te beproeven dat door den vorigen spreker was aangeduid.

De vergadering hoorde zijne rede met onverschilligheid aan.

"Mher Robrecht Sneloghe van Houthem mag spreken" riep de Voorman.

Robrecht begon dus zijne rede:

"Gezellen, velen uwer weten dat ik nauw vermaagdschapt ben met den kastelein van Brugge en den proost van St-Donaas. Zij zijn mijne ooms. Ik huldig hier in het openbaar hunne oprechte en vurige verkleefdheid aan de belangen van Kerlingaland; maar, hoe het mij ook leed doe, in de gewichtige zaak waarover wij beraadslagen, kan ik hun niet terzijde blijven. Integendeel, de plicht, de diepgevoelde plicht dwingt mij dezelfde overtuig ing uit te drukken als mijn vriend Disdir Vos van Bekeghem, en met hem te roepen: Ja, onze lankmoedigheid stort Kerlingaland in slavernij! Niet meer gewacht, niet meer geaarzeld; de verdediging der vrijheid eischt bloed, geven wij zonder dralen ons bloed!"

Deze laatste woorden werden luidruchtig toegejuicht, en menige kreet van "leve Robrecht Sneloghe!" liet zich hooren; want de jonge ridder was in de Ambachten algemeen gekend en door iedereen bemind.

Hij hernam zijne rede:

"Neen, gezellen, laat u niet verleiden door de hoop op vrede. De Isegrims hebben gezworen dat zij hunne kuiperijen niet zullen staken voordat de Kerels machteloos en gedwee onder het slavenjuk gebogen liggen. Doet opofferingen van schatten gelds, verkropt hoon en onrecht, het kan niet helpen. Indien wij langer terugdeinzen voor eenen oorlog, die toch niet te ontwijken is, smeden wij zelven, als dwazen en als lafaards, de ketens die ons aan het juk der dienstbaarheid moeten vastklinken. Daarom met voorvaderlijke trotschheid opgestaan en met het zwaard het edict der slavernij verscheurd! Ja, ja, loopen wij te wapen, veeleer heden dan morgen! Wie aarzelt is half verwonnen.—Wat hebben wij te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur vlamme en de noodhoorns galmen! Verkondigen wij den landstorm; bepalen wij eene vergaderplaats, hetzij Diksmuide, Ghistel of Oudenburg; benoemen wij in dezen Hoop zelven eenen ervaren veldheer en eenen krijgsraad. Onmiddellijk zullen wij eene aanzienlijke macht te wapen hebben. Met deze eerste benden zouden wij de versterkte burgen in Kerlingaland overrompelen en, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten, in bezit nemen. Tegen deze vestingen gesteund zouden wij in allerhaast ons leger tot eenen beslissenden oorlog inrichten, van daar in ontzaglijke drommen onze vijander te gemoet trekken en Kerlingaland en de vrijheid wreken in het terugvinden dan nadat graaf Karel onze vrijheid opnieuw hebbe bezworen en gewaarborgd, en wij de vaste verzekering hebben bekomen, dat hij de Isegrims uit zijnen raad zal verwijderen en ons een rechtvaardig vorst wil zijn. Wat gij ook over deze voorstellen denkt, gezellen, gelooft mij, wachten, aarzelen is hier eene lafheid en eene misdaad. Gansch Kerlingaland loope te wapen als een enkel man, en verrassen en verbazen wij onze vijanden door plotselijke ontwikkeling van al onze macht!"

Er volgde eene lange en donderende toejuiching; vele stemmen zelfs schreeuwden luid dat men mher Sneloghe tot veldheer moest kiezen; maar Robrecht beriep zich op zijne jonkheid en onervarendheid en verklaarde dat hij deze zending niet kon of wilde aanvaarden.

Burchard Knap sprong recht en poogde te spreken; maar de Voorman ontnam hem onmiddellijk het woord en deed hem zitten, voor reden gevende dat, eer zijne beurt verschene, nog menig ander gezel moest worden gehoord.

Inderdaad, verscheidene afgevaardigden drukten, de eene na den andere, hun gevoelen uit. Één of twee rieden met weinig aandringen de voorzichtigheid aan en wilden het middel, waarvan de kastelein Hacket gesproken had, beproefd zien; al de anderen vielen met woede tegen de Isegrims uit, noemde alle lankmoedigheid verraad en lafhartigheid, en stemden voor het onmiddellijk beginnen van eenen oorlog zonder genade.

Eindelijk bekwam Burchard Knap het woord. Hij stond op en zeide met eene holle en krachtige stem, waarvan de ontzaggelijke toon alleen indruk deed op zijne aanhoorders.

"Gezellen, ik had honderd redenen gereed, om u tot eenen onmiddellijken oorlog te doen besluiten; maar dewijl ik zie dat het Kerlenbloed in uwe aderen niet min kookt dan in de mijne, zal ik u van wat anders, even gewichtig spreken. Heeft het u niet verbaasd dat men in deze vergadering den lof komt verkondigen van Karel van Denemarken, den huichelenden vijand der Kerels, die met zijne Isegrims in het donker onzen ondergang beraamt, en dan eensklaps voor den dag komt met het vloekbaar edict dat ons allen tot slavernij veroordeelt? Het spijt mij dat ik mijnen oom Hacket moet tegenspreken; maar de vrijheid voor alles en boven alles! Eerbied voor Karel van Denemarken? Was die vreemdeling niet van den dag zijner troonsbeklimming ons een gezworen vijand? Wat deed hij onmiddellijk? Hij vaardigde een edict uit dat hij den Heerliken vrede noemde, waarbij hij allen onvrij geboren man op lijfstraffe verbood wapens te dragen. Heeft hij niet jaren lang gepoogd u tot het nakomen van dit edict te dwingen, alsof de Kerels zonder uitzondering in slavernij waren geboren? Heeft hij niet vrijgeweiden en vrijbosschen, die den armen lieden onzer Minnen of onzer Ambachten sedert eeuwen toebehoorden, aan leenheeren en abdijen weggeschonken, zonder eerbied voor ons recht van eigendom? Gelooft mij, de haat voor de Kerels, dien men aan het hof zoo openlijk toont, ligt niet alleen in het hart der raadsheeren van Karel van Denemarken, maar vuriger nog in zijn eigen hart ..."

Mher Hacket en eenige anderen morden luid en riepen zelfs dat Burchard de dingen overdreef en den graaf ten onrechte beschuldigde; maar de overige leden der vergadering juichten den redenaar toe, en zoo ontstond er een groot gerucht in de zaal.

De stem verheffende, overneerschte Burchard al het gedruisch en sprak:

"Ik ben in het bezit van het woord en zal het behouden totdat ik gedaan heb!... Karel van Denemarken is ons vreemd; al zijne gedachten zijn Romaansch. Voor hem zijn er op de wereld slechts twee soorten van menschen mogelijk, dit is beheerders die gebieden en slaven die onder den stok der meesterschalken in het juk loopen. Dat er vrije menschen kunnen bestaan die ploegen, weven, handel drijven of de zee bevaren, dit begrijpt hij niet; ja, hij ziet het als eenen bloedigen hoon aan voor allen ridder van zoogezegde edele geboorte, dat nog anderen dan zij op persoonlijke vrijheid zich beroemen ..."

"Gij spreekt van de Isegrims en niet van den vorst!" onderbrak Robrecht.

"Ja, wij weten waarom mher Sneloghe den graaf wil sparen", wedervoer Burchard. "Het is ter gedachtenis van zijnen vader zaliger, die een vriend van Karel was. Ik zie het aan als eene slecht begrepene dankbaarheid, en herhaal hier met eene vaste overtuiging: die Karel van Denemarken is een bedrieger, een valschaard. Hij veinsde inderdaad veel prijs te hechten aan de faam van streng en rechtvaardig te zijn; maar, zegt h et mij: heeft hij onder dien gehuichelden schijn ooit eenen Kerel recht laten wedervaren? Of willen wij nu het bloed bij stroomen gaan vergieten omdat wij den graaf te danken hebben voor zijne rechtvaardigheid? Dat de leenheeren hem prijzen en zijnen lof uitbazuinen, wat wonder? Hij is in alles hun beschermer en dus de natuurlijke vijand des volks ... Ja, betwist het zooveel gij wilt, mher Sneloghe, zelfs de poorters van Brugge, die van zijne willekeur afhangen, poogt hij te verdrukken. Gaat hij niet een groot gedeelte hunner nu den balfaart opleggen, alhoewel zij reeds hun deel in de lasten der poort betalen?... Wil ik u het eenige middel aanwijzen om onze vrijheid te behouden en zelfs in de toekomst tegen alle vervolging en alle verdrukking verzekerd te zijn? Wij moeten den graaf der Isegrims verloochenen en ons eenen graaf kiezen die geen vijand, maar wel een vriend der Kerels zij!"

Dit onverwacht voorstel trof de aanwezigen met verbaasdheid, en er bleef eene wijl eene betrekkelijke stilte heerschen, alhoewel eenige leden der vergadering met luider stemme tegen den vermetelen redenaar uitvielen.

"Ik heb niet gedaan", zeide deze, "maar ik wil toelaten dat mijne wederstrevers nu spreken, op voorwaarde dat mij het woord teruggegeven worde, zoohaast wij hunne opmerkingen zullen gehoord hebben."

Een algemeen handgeklap betuigde dat men dit voorstel goedkeurde.

Hierop stonden Hacket en nog twee of drie anderen beurtelings op en deden rechtzinnige pogingen, niet om den graaf te verrechtvaardigen, maar slechts om hem te verschoonen, als zijnde de grieven der Kerels hoofdzakelijk te wijten aan de Isegrims, die den graaf uitsluitend omringden en allen anderen invloed van hem hadden verwijderd.

Robrecht Sneloghe riep eene andere reden in, om het voorstel van Burchard als ontijdig en schadelijk te doen verwerpen. Hij wees op de beroering, welke het verloochenen van den graaf door de vrije Ambachten in gansch Vlaanderen en zelfs tot in het hart van Frankrijk, waar Karel van Denemarken vele vrienden telde, zou veroorzaken. Zou men dus de Kerels blootstellen aan den haat van gansch de Westerwereld? En zouden zij niet onf eilbaar bezwijken, indien men hun zoovele vijanden te gelijk op den hals trok? Zij wilden hunne vrijheid en hun recht verdedigen; maar moesten zij daarom, zelfs voor het begin van den oorlog, den graaf van zijne kroon berooven?

Burchard antwoordde hierop, dat hij zich om de goedkeuring der Franschen niet bekreunde, die wel genoeg te doen hadden om zich tegen de Engelschen in Normandië te verdedigen. En wat de overige gewesten van Vlaanderen betrof, hij poogde te bewijzen dat de gemoederen daar niet minder ontevreden waren dan in Kerlingaland.

Wat konden de Kerels bij eene eindelijke zegepraal winnen, indien hun grootste vijand, indien Karel van Denemarken de kroon bleef dragen? Volgens hem moest men in dezen oorlog, wilde men een beslissend einde aan de vervolging zien, alles op het spel zetten en den graaf dwingen zijne kroon tegen de vrijheid der Kerels te wagen. Alle halve middelen doemde hij als ingesproken door vreesachtigheid en lage aarzeling.

Volgens de gewoonte zulker vergaderingen werden de woorden van Burchard het meest toegejuicht, alleenlijk omdat hij de geweldigste middelen voorstelde.

Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen hadden al zijne woorden met geestdrift toegejuicht, en nu en dan vuriger nog dan hij, hunnen haat voor graaf Karel uitgedrukt.

Na eenige wederspraak van beider zijde, staakten Hacket en Robrecht hunne vruchtelooze pogingen, daar de meerderheid hen met onwil aanhoorde en luidruchtig riep dat men tot de stemming zou overgaan.

De Voorman herhaalde in een kort begrip, wat de verschillende redenaars het gewichtigst over de hangende zaak hadden doen gelden.

Dan zeide hij:

"Gezellen, vooraleer tot de stemming over te gaan, meen ik u te mogen herinneren dat elk onzer door zijnen gildeneed verbonden is de besluiten van den Hoop te aanvaarden en rechtzinnig en trouw tot hunne uitvoering mede te werken, welke ook zijne bijzondere meening over deze besluiten zij. Wie deze verplichting niet geheel aanvaardt, dat hij opsta en het verkla re!... Niemand antwoordt, het is wel. Nu zal ik de voorstellen u, onder vorm van vragen, toerichten. Wie de hand in de hoogte steekt antwoordt bevestigend, wie dit niet doe, stemt tegen het voorstel ... Ik vraag u dus ten eerste: zullen de vrije Ambachten van Kerlingaland de wapens opvatten en oorlog voeren tegen den graaf!"

De gansche vergadering sprong recht met de handen opgeheven.

En toen de Voorman uitriep:

"De Hoop besluit eenparig tot den oorlog!" volgde er onmiddellijk een langdurig gejuich, vermengd met blijde kreten en met woeste bedreigingen tegen de Isegrims.

De hamerslag hergalmde driemaal.

"Nu de tweede vraag", zeide de Voorman, "Verloochenen de vrije Ambachten Karel van Denemarken als graaf van Vlaanderen?"

Bij dit voorstel werd het noodig geoordeeld de stemmen te tellen; want een zeker getal afgevaardigden hadden de handen niet opgestoken.

Evenwel, men bevond dat de grootste meerderheid het voorstel aanvaardde, en de Voorman kondigde dus den uitslag af:

"De Hoop besluit dat de vrije Ambachten Karel van Denemarken niet meer als graaf van Vlaanderen erkennen."

Weder werd deze beslissing door luid gejuich begroet.

Eenigen der aanwezigen nochtans waren droef of schrikten terug van den gevaarlijken stap dien men hier zoo lichtvaardig waagde. Robrecht Snelooghe schudde het hoofd in diepe overweging; op het gelaat van Hacket stond eene zure grijns van ontevredenheid.

"Ik vraag het woord!" riep Burchard Knap.

En zoohaast de Voorman toestemmend hem had geantwoord, sprak hij:

"Gezellen, ik wensch u geluk over uwe manmoedige besluiten. Gelooft mij, gij hebt gedaan wat Kerlingaland van zijne vrije, van zijne onversaagde zonen mocht verwachten. Nu hebben wij geenen vorst meer. Ik raad u aan, zonder deze zaal te verlaten, eenen anderen graaf te kiezen en uwe stemmen op zulken persoon te richten die als opperveldheer ons ten oorlog kan geleiden. Wij mogen geenen tijd verliezen om ons zulken leidsman te g even. Ik zal mij verstouten iemand aan uwe keus voor te stellen. Een afstammeling onzer wettige graven is mher Willem Van Loo...."

"Willem Van Loo, leve Willem Van Loo!" riepen velen der aanhoorders; maar de Voorman klopte met den hamer, en Burchard hernam:

"Laat mij voortgaan, gezellen: mher Willem Van Loo, thans burggraaf van Yperen, is een kleinzoon van onzen beroemden graaf Robrecht De Vries. De moeder van mher Willem was eene vrije Kerlinne; hem vloeit dus Kerlenbloed in de aderen. Hij kent ons en heeft zijn gansch leven in ons midden gesleten. Hij heeft reeds als veldheer groote legers aangevoerd en is een beroemd krijgsman. Schijnt het niet dat God zelf dezen telg van onzen ouden grafelijken stam heeft gespaard, om ons ter zegepraal te leiden? Welaan, roepen wij mher Willem Van Loo met eenparige stemmen tot graaf van Vlaanderen uit."

De kreten: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" weergalmden zeer lang en zoo algemeen dat niemand het nuttig achtte de stemming door het opsteken der handen te bevestigen.

Toen het mogelijk was zich weder te doen hooren, vroeg iemand of men zich mocht verzekerd houden dat Willem van Loo uit de handen der Kerels de kroon van Vlaanderen zou willen aanvaarden. Deze kroon moest nog ten prijze van veel bloed misschien, en door zegepralen gewonnen worden. Zou mher Willem toestemmen om deze kans te wagen?

"Twijfel er niet aan", antwoordde Burchard. "Willem Van Loo stemt toe om zijn lot aan het lot der Kerels te verbinden; met ons zal hij overwinnen of bezwijken ... En, wil de vergadering mij oorlof geven om deze zaal eenige oogenblikken te verlaten, ik zal terugkeeren met mher Willem Van Loo, en hij zelf zal u van zijne aanvaarding verzekeren."


"Hoe? Wat beduidt dit? Hij kende dus op voorhand onze beslissing?" riep eene stem.

"Neen", wedervoer Burchard, "ik ben naar Yperen gegaan en heb hem medegedeeld welke voorstellen ik hier wilde doen. Ten volle zeker van uw besluit, omdat het alleen Kerlingala nd kan redden, heb ik hem verzocht mij naar Veurne te vergezellen. Zoo spaar ik u veel verlies van tijd en langdradig gaan en komen. Heb ik onze taak daarmede niet eenen goeden dienst bewezen?"

"Ja, ja, eenen grooten dienst!" riep men van alle kanten.

"Welnu", zeide Burchard, "de Voorman geve aan de wachten en klerken, bij de deur der zaal en bij de poort der Halle, bevel om eenen ridder, die tot de Hoop niet toebehoort, met mij in de zaal te laten treden,"

Hierop verliet hij de Halle.

De vergadering bleef met groot gerucht over deze haastige keus twisten en kouten, totdat de deur weder werd geopend en mher Willem Van Loo waarlijk in de zaal trad.

Hij werd onder het herhaald gejubel van: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" door Burchard op de verhevenheid geleid, waar de Voorman, met eenige woorden van hulde en gelukwensching, hem den middelzetel aanbood.

Willem Van Loo was een ridder van meer dan gewone gestalte en lichaamskracht. Zijn blik was trotsch en indrukwekkend, doch zijne lippen waren dun, en rondom zijnen mond liepen twee zonderlinge rimpels, die zijn gelaat een voorkomen van list of van achterdocht gaven.

Terwijl men nog immer voortging met hem als graaf van Vlaanderen toe te juichen, zette Willem zich neder; en toen hij bespeurde dat de welkomskreten verminderden, stond hij op en sprak dus tot de vergadering:

"Vrienden van Kerlingaland, gij biedt mij de kroon van Vlaanderen aan, die mijne voorvaderen zoo roemrijk hebben gedragen. Ik aanvaard ze uit uwe handen, dit is te zeggen, dat wij te zamen goed en bloed gaan wagen om ze den vreemden overweldiger te ontrukken. Elk uwer doe zijnen plicht als vrij man en als Kerel; ik zal den mijnen doen als uw aanleider en uw vorst. Eischt gij van mij eene belofte of eenen eed, ik zweer u dat ik uw recht en uwe vrijheid zal eerbiedigen; maar mij insgelijks zult mij beloven gedurende dezen oorlog mij in alles te gehoorzamen en mij willekeurig onze krijgsverrichtingen te laten leiden, zooals ik het goed zal vinden. Ik eisch deze belofte van u niet als vorst, maar als legeroverste. Zonder een éénig hoofd kan men in den oorlog niets ... Nu, belooft uwen veldheer deze gehoorzaamheid."

Al de handen gingen in de hoogte en de kreten: "Ja, ja, wij beloven het, wij zullen u gehoorzamen!" versmolten tot een verward en luidruchtig geraas.

Willem Van Loo moest reeds op voorhand overwogen hebben wat hij hier zou zeggen; want hij hernam onmiddellijk het woord.




Vrienden van Kerlingaland
Vrienden van Kerlingaland

"Welaan dan, gezellen", sprak hij, "ziehier mijne eerste bevelen. Zooals gij het hebt besloten, zal gansch Kerlingaland zijne weerbare mannen te wapen roepen en ze tot mijne beschikking stellen, opdat ik ze aanvoere tegen den vijand. Het is niet raadzaam dat onze gewapende Kerels eenzaam of bij kleine benden de Ambachten doorkruisen, vooraleer wij eene zekere macht hebben verzameld. Daarom, bereidt alles metterhaast en in stilte, opdat uwe mannen allen te gelijk zich op weg kunnen begeven in den nacht van Maandag tot Dinsdag toekomende, dat is binne n zes dagen, op zulke wijze dat zij bij zonsopgang ter vergaderplaats des legers verschijnen. Deze vergaderplaats is het Wolvennestbosch boven Koyhem. Mijn ontwerp is gemaakt; het berust op mijne lange ondervinding van den oorlog in deze gewesten. Allereerst zullen wij in het vlakke veld ons leger goed inrichten, met den burg van Yperen, die in mijn bezit is, tot steunpunt en voorraadstapel. Men houde zich in de overige burgen, alsof men geheel vreemd was aan den opstand. Wanneer ik later met ons zegevierend leger opvolgend voor elken burg verschijn, zal het tijd genoeg zijn om van binnen ons te helpen. Onze macht mogen wij niet verstrooien: blijven wij overwinnaars in het open veld, dan zullen de burgen van zelf hunne poorten voor ons openen. Dit is voor alsnu mijn ontwerp; maar deden de voorvallen mijne gedachten desaangaande veranderen, gij zoudt allen zonder onderzoek en zonder vertraging mijne bevelen uit te voeren hebben. Van de macht, welke gij mij heden hebt toegekend, zal ik gebruik maken met onverbiddelijke strengheid, en degenen die mij gehoorzaamheid weigeren de straf der landverraders doen onderstaan. Het is noodig tot het bereiken van ons doel. Zoolang deze oorlog duurt, is uw veldheer alleen meester ..."

Eenig gemor liet zich hooren.

"Mishaagt u deze wet?" vroeg Willem ontevreden. "De vergadering zegge het mij, en ik verzaak onmiddellijk de zware taak die ik had aanvaard."

"Neen, neen; leve Willem, onze graaf!" riep men met herhaald gejuich.

"Wel zoo, gezellen", zeide Willem. "Doen wij nu allen onzen plicht met vastberadenheid en trouw ... Ik zie in de vergadering velen mijner vrienden, wien ik te dezer gelegenheid gaarne de hand zou drukken, en andere gezellen, met welke ik wensch kennis te maken. De Voorman hebbe de goedheid mij tot hen te geleiden en mij hunne namen te noemen, opdat ik ze herkenne, als wij te zamen tegenover den gemeenen vijand zullen staan."

Na deze woorden daalde hij met den Voorman van de verhevenheid en ging tusschen de banken, hier minzaam groetende, daar handen drukkende, overal vriendelijke woorden sprekende en elkeen door eenige aangename woorden gunstig stemmende. Deze verbroedering tusschen den nieuwen vorst en de afgevaardigden der Ambachten eenigen tijd geduurd hebbende, beklom Willem Van Loo opnieuw de trede en sprak:

"Vrienden, om redenen, welke gij licht zult begrijpen, acht ik het noodig nu deze vergadering en zelfs de stad Veurne te verlaten In het Wolvennest-bosch zullen wij elkander wederzien. Daar zullen wij uwe keus met veel plecht, in tegenwoordigheid van het vergaderde leger, afkondigen; want dan eerst zullen wij de macht hebben om haar tegen andersdenkenden te verdedigen. Tot dan houdt alles, wat hier beslist is geworden, zoo geheim mogelijk. In het Wolvennest zullen wij te zamen regelen wat nog te regelen is. Hebt betrouwen in onze zaak, gezellen. Ik heb reeds jaren lang oorlog gevoerd tegen Karel van Denemarken, en hem bijna overwonnen, alhoewel ik mij slechts door een gering gedeelte der Kerels geholpen zag. Nu gaat gansch Kerlingaland opstaan tot het verdedigen zijner vrijheid. Sterk door zulke eendracht, wat zouden wij vreezen? Wij zijn onverwinnelijk!"

"Ja, ja, onverwinnelijk! Leve Willem Van Loo, onze graaf!" riep men met geestdrift van alle kanten.

"Ik herhaal u nog eens mijne oprechte dankbetuiging voor uw vertrouwen in mij", zeide Willem. "Blijft in deze zaal, vrienden, en zet vreedzaam uwe beraadslagingen voort; doch haast u, na afgedane zaken naar uwe Ambachten weder te keeren, om daar zonder tijdverlies alles te bereiden. Vaartwel, tot wederziens in het Wolvennest!"

Eene laatste toejuiching dreunde hem achterna, toen hij de zaal verliet.

Burchard, die hem alleen volgen zou, doch niet met hem in de straten van Veurne wilde gezien worden, bleef nog eene wijl met Disdir Vos in stilte kouten. Dan, naar de deur stappende, ging hij tot Robrecht Sneloghe en zeide hem met eenen glimlach:

"De zaken zijn hier niet afgeloopen naar uwen wensch?"

"Niet gansch, inderdaad", antwoordde Robrecht. "Wat beslist is eerbiedig ik evenwel en onderwerp er mij aan."

"En gij zult den nieuwen graaf verkleefd zijn en gehoorzamen?"

"Zeker, hij is der Kerlen vorst."

"En gij zult zijne bevelen volbrengen zonder onwil?"

"Blindelings. Het is mijn plicht. De uitspraak van den Hoop aanvaard ik als eene onverbrekelijke wet."

"Alzoo, wij mogen u in het Wolvennest verwachten met de mannen van Houthem?"

"En met de mannen van Ravenschoot en nog anderen: te zamen meer dan vijfhonderd man."

"Gij zijt een eerlijk en edelmoedig ridder", zeide Burchard, hem de hand reikende. "Ik zal u in de gunst van onzen graaf bevelen. Nu vaarwel!"

"Gij ziet wel dat gij u over Robrecht misgrijpt", murmelde hij aan het oor van Disdir Vos, die deze samenspraak had afgeluisterd "Hij is bereid om mher Van Loo in alles zelfs blindelings te gehoorzamen."

Disdir Vos schudde zwijgend het hoofd.

Na eenen handdruk met hem te hebben gewisseld, verliet Burchard de zaal en haastte zich, in eene herberg aan het uiteinde der stad, Willem Van Loo te gaan vervoegen.

Deze zat reeds te paard met vier andere ruiters, die hem als lijfwacht hadden vergezeld. Een der ruiters hield een los paard voor Burchard Knap gereed.

Zoohaast deze laatste opgestegen was, reed het gezelschap de stadspoort uit en vervorderde zijnen weg op eenen goeden draf, totdat men Bulscamp voorbij was en Wulveringhem ging naderen.

Dan vertraagde Willem den gang van zijn paard en gaf den wapenlieden bevel om op eenigen afstand achteruit te blijven.

Hij begon in vol vertrouwen met Burchard te kouten over zijne kiezing door den Hoop, over den oorlog en over zijne uitzichten voor de toekomst. Dat de koning van Frankrijk zich met de zaak zou willen bemoeien en zich in dit geval tegen de Kerels zou verklaren, dit moest men als mogelijk aanzien; maar Willem Van Loo zou onmiddellijk boden uitzenden om de hulp des konings van Engeland te verzoeken, en men mocht verhopen dat er zoohaast mogelijk eene Engelsche vloot in het Swin zou verschijnen om de Kerels te ondersteunen. De twijfel aangaande de vraag, welk gedrag de koning van Frankrijk in dezen strijd voor de kroon van Vlaanderen zou houden, bekommerde mher Willem evenwel zeer. Het Fransche leger was toch zoo dicht bij de grenzen van Kerlingaland! En daarenboven, Karel van Denemarken was door vleierij en door slaafsche onderwerping den koning niet alleen een knecht, maar tevens een lieveling geworden.

Ter gelegenheid dezer bedenking, stortte Burchard geheel zijnen haat tegen Karel van Denemarken uit; hij noemde hem huichelaar, valschaard, bedrieger en dief; ja, hij zeide dat de gelukkigste dag zijns levens die zou zijn waarop hij zou vernemen dat die verachtelijke Karel gestorven of gesneuveld was, en dus eindelijk zijne ziel der helle, waaraan zij toebehoorde, had overgeleverd.

Deze taal behaagde Willem Van Loo ten uiterste; want in zijn hart lag evenveel haat tegen graaf Karel, iets dat genoeg te begrijpen was, aangezien hij hem kon beschuldigen de kroon van Vlaanderen hem te hebben ontroofd.

Nadat zij dus langen tijd waren voortgegaan met gal tegen hunnen gemeenen vijand te spuwen, zagen zij van verre twee ruiters in vollen draf hen te gemoet komen.

Het verwonderde hen in het eerst, maar toen zij meer genaderd waren, herkende Willem eenen der beide ruiters als zijnen dienaar.

Deze hield zijn paard voor zijnen meester staan en zeide:

"Heer burggraaf, ziehier een man die u zoekt; hij komt van Atrecht en heeft eene haastige boodschap van mher Godevaart Van Belle voor u."

"Komt gij van het leger? En weet gij wat uwe boodschap behelst?" vroeg mher Willem.

"Ik kom van het leger, heer", antwoordde de bode, "maar de tijding die ik u breng is mij onbekend."

Dit zeggende, haalde hij eenen gesloten brief van onder zijn kleed, en reikte hem mher Willem toe, die hem met zekere bekommerdheid opende.

Wat daarin te lezen stond, moest hem onaangenaam verassen, want hij scheen te verbleeken. Hij bedwong evenwel onmiddellijk zijne ontsteltenis en stak den brief in zijne tasch, terwijl hij tot zijnen dienaar zeide:

"Rijdt in allerhaast terug naar Loo met den bode; geef hem eten en drinken. Hij wachte mij daar; ik moet hem spreken."

Hij deed teeken tot zijne wapenlieden, dat zij achteruit zouden blijven, zette zijn paard op eenen langzamen stap en sprak dan met eenen diepen zucht tot Burchard:

"Noodlottige tijding, mijn vriend: de kroon die ik reeds op mijn hoofd voelde, ontsnapt mij!"

"Wat wilt gij zeggen, heer graaf?" mompelde Burchard verschrikt.

"Weet gij wat dien brief mij meldt? Morgen zal er een leger ridders, met hunne wapenlieden tweeduizend sterk, allen Isegrims, uit Atrecht vertrekken, om de Kerels tot het eerbiedigen van het edict over den balfaart te komen dwingen. Zij zullen onmiddellijk door talrijke benden wapenlieden te voet worden opgevolgd; met hoe weinig spoed deze ridders ook reizen, zullen zij in Kerlingaland verschijnen voordat ons leger vergaderd zij."

"Maar laat ons in allerijl naar Veurne terugrijden en bevelen dat men de mannen der Ambachten onmiddellijk tot u zende", antwoordde Burchard. "Zoo zouden de ridders eenen krachtigen wederstand ontmoeten, en wij zouden tijd winnen tot het verzamelen onzer heirkrachten."

"Onmogelijk. De meeste leden van den Hoop hebben Veurne reeds verlaten; het daglicht vermindert, de avond zal welhaast vallen. En daarbij, wat zou het helpen? Meent gij dat ik met eenige bijeengeraapte mannen de kans zou wagen tegen tweeduizend ridders? Eilaas, de hemel is ons niet gunstig! De Isegrims zullen metterhaast alle burgen en kasteelen bezetten, en dan zijn onze pogingen op voorhand verijdeld. Ik ben reeds in zulken ongelukkigen oorlog bezweken. Nu wil ik het zwaarwichtig spel niet meer wagen, zonder eenige kans op overwinning. Wij moeten plooien en betere tijden afwachten. Ik zal boden naar alle Ambachten sturen om voorloopig eene lijdzame onderwerping te doen veinzen."

Burchard gromde wel in zich zelven en knarste de tanden; maar hij zeide niets: de erge tijding vervulde hem met angst.

"De listige, booze Karel van Denemarken!" morde hij eindelijk "Dit geheele spel van rechtsverkrachting en huichelarij was op voorhand bestoken!"

"Ja, Karel van Denemarken is ons te slim!" zeide Willem met eenen zucht. "Mocht hij van zijn paard storten of op eene andere wijze den hals breken, dan waren wij van den dwingeland verlost, en de ridders zelven zouden mij als graaf van Vlaanderen erkennen. Maar dit is eene ijdele wensch. Het staat daarboven geschreven, dat ik nimmer den troon mijner vaderen zal beklimmen Waarom langer worstelen tegen het onverbiddelijk noodlot? Onderwerpen wij ons verduldig. Anders blijft mij niet meer over ..."

Beiden zwegen eene wijl, als neergedrukt onder de overtuiging hunner onmacht.

Eensklaps slaakte Burchard eenen zonderlingen kreet. Mher Willem zag hem verwonderd aan.

"Indien iemand u kwam zeggen: Karel van Denemarken is dood", vroeg Burchard met verdoofde stem, "zoudt gij den bode gunstig onthalen?"

"Ik ware bekwaam om hem op mijn hart te drukken!"

"En zoudt gij hem vragen op welke wijze Karel van Denemarken is gestorven?"

"Wat geeft het mij, indien Vlaanderen slechts van den vreemden overweldiger wordt verlost?"

"Hoor mij aan met aandacht, heer graaf", sprak Burchard, "en heb vertrouwen in mij. Vraag mij niets meer, geen enkel woord; laat de Kerels binnen zes dagen vergaderen op de aangewezene plaats, en wacht op eene ontzettende tijding van mij. Ik hoop dat gij mij hebt begrepen? Uw handdruk is mij daarvan een bewijs. Welnu, laat mij vertrekken; ik wil over Beerst en Thonrout naar Aartryke. Daar moet ik zekere Houtkerels spreken. Morgennacht ben ik in Brugge. Wederhoud mij niet, graaf, het is nu bijna duister: alles begunstigt mij. Vaarwel!"

En zonder eenigen anderen uitleg dreef hij zijn paard in eenen aardeweg. Willem Van Loo, ontsteld en stom, schouwde hem achterna, totdat hij tusschen de eerste boomen van een klein bosch uit zijn gezicht verdween.

Voetnoten:

[49]

"De Hoop was eene volksvergadering waar men over de staatsbelangen der bevolking van de Vlaamsche zeegewesten beraadslaagde."

VICTOR DE RODE. Ann. Fl. de Fr., t. VIII, p. 113.

[50]

Dat niemand zich verstoute den eed te zweren, waarmede men zich pleegt aan de gilden te verbinden. Welke ook de voorwaarden zijn, dat niemand zich bij eede verplichte tot geldelijke bijdrage, aangaande de gevallen van schipbreuk of van brand.

Capit. Caroli Magni a. 779, art. XIV.


XII


Het was reeds lang duister; in de straten der stad Brugge heerschte eene volledige stilte.

Dakerlia, gansch in rouwgewaad, zat voor eene tafel in haren Steen. Bij de smokige vlam der koperen lamp loste haar bleek gelaat zonderling op haar zwart kleedsel uit. Van tijd tot tijd rolden er nog eenige tranen op hare wangen; want ondanks de pogingen harer vriendin Witta, die nevens haar was gezeten, ontstond het beeld haars vader immer opnieuw voor hare oogen. Zij hoorde zijnen laatsten noodkreet in hare ooren klinken; zij zag hem met de doodkramp op de lippen en het kruis op de borst uitgestrekt liggen; zij zag hoe men te midden van het Mariakerkhof zijn lijk in het graf nederliet; in haar sidderend hart hergalmde nog het doffe gebons der aarde, door magen en vrienden als een laatste vaarwel op de lijkbaar geworpen ...

Maar hare bedruktheid was rustig geworden en in eene lijdzame mijmerij veranderd.

Op eene vertroosting van Witta antwoordde zij met gelatenheid:

"Lieve vriendinne, waarom toch vermoeit gij u, om mijne droeve gedachten af te keeren? Het is vruchteloos. Zou ik nu een enkel oogenblik mijnen armen vader kunnen vergeten? Hem, die mij zoo beminde! Toen op den noodlottigen dag der afkondiging zijne wonde openscheurde, stuurde hij mij nog eenen blik toe, zoo vol eindelooze liefde, zoo vol treurnis ... En ik zou er niet aan mogen denken?"

"Daar weent gij nu alweder", zeide Witta. "Gij zijt niet redelijk, Dakerlia. Uw vader is daarboven bij den Heer. Hij ziet ons ongetwijfeld. Meent gij dat het zijne zalige ziel verblijden kan dat gij u ziek maakt?"

"Eilaas, ik weet het wel, Witta, en ik zeg het mij zelve genoeg, dat tranen dit schromelijk ongeluk niet kunnen herstellen; maar tranen verlichten mijne smart. Mettertijd zal ik allengs wat moed terugvinden.... Morgen, niet waar? Morgen zeer vroeg zullen wij naar het kerkhof gaan en langer nog dan heden op zijn graf bidden?"

"Zoolang gij wilt, Dakerlia; maar spreken wij nu van andere dingen."




Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna
Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna.

"Van wat kunnen wij spreken?"

"Van mijnen broeder."

"Ja, van Robrecht. Hij insgelijks is ontroostbaar. Zijn medelijden met mijne smart is oneindig. Toen hij dezen namiddag hier met u was, kon hij nauwelijks spreken, omdat ik mij door de smart liet overwinnen. Hij zou mij willen troosten en schijnt geene rust meer te hebben ..."

"Zeker, zijn verdriet is groot; maar dit is het niet", bemerkte Witta met verdoofde stem. "Wat hem onrustig maakt en hem aanjaagt is een geheim, dat hem op het hart ligt."

"Een geheim?"

"Ziet gij, Dakerlia, hij is dezen nacht van Veurne wedergekeerd Toen ik in den vroegen morgen, zonder u te wekken, dezen Steen verliet, om ten onzent bevelen tot den huisdienst te gaan geven, vond ik mijnen broeder reeds beneden met het hoofd in de handen en diep in gedachten verzonken. Ik vroeg hem wat men in den Hoop te Veurne heeft verricht; maar hij gaf mij afwijkende antwoorden. Ik ken hem, en het was mij gemakkelijk te raden dat eene zeer gewichtige zaak hem bezighoudt ... Gij luistert niet, Dakerlia; gij denkt weer aan droeve dingen ..."

"Ach, neen", zuchtte jonkver Wulf, "ik luister ... Welke zaak zou hem bezighouden? Het is te vermoeden, Witta. De Hoop te Veurne heeft kennis genomen van het edict op den balfaart. Misschien heeft men daar besloten, zooals de kastelein Hacket het moest voorstellen, nederige pogingen bij den graaf aan te wenden om het onrechtvaardig edict te doen intrekken. Dit slaat Robrecht met spijt en droefheid; want zoo leidt men de Kerels naar de eindelijke slavernij. Het is zijn gevoelen, en hij heeft gelijk."

"Ik geloof dat gij u misgrijpt", wedervoer jonkver Sneloghe, "want toen ik hem dezen morgen van den balfaart sprak en de Kerels beklaagde, ontschoot eensklaps eene vonk van verontwaardiging zijnen oogen, en met eenen spotlach op de lippen, riep hij uit: "De balfaart? Nooit, nooit!" Hij bedwong zich even ras en ging morrend uit de kamer, alsof hij onwillig iets van het groote geheim had laten ontsnappen ... Gij zwijgt, Dakerlia. Begrijpt gij niet wat ik zeg? Immer dit treurig droomen!"

"Ik begrijp", antwoordde jonkver Wulf. "Ach, indien mijn goede vader nog leefde! Hij wiens heldenmoed men roemde! Maar hij kan de vrijheid niet meer verdedigen; hij ligt in het koude graf."

"Wees zeker, Dakerlia, het gaat oorlog worden."

"Misschien."

"Neen, twijfel er niet aan: mijn broeder heeft heden zijne beste wapenrusting overzien, en ze op eenen wagen bedektelijk naar Ravenschoot doen voeren. Dit beduidt toch wel iets, meent gij het niet?"

En zoo, waarschijnlijk haar eigen vermoeden overdrijvend, spande de goede Witta alle mogelijke pogingen in om de gepeinzen harer vriendin van den dood haars vaders af te wenden. Het gelukte haar slechts bij poozen de aandacht van Dakerlia voor een oogenblik te vestigen, doch zij hield niet op en zette met vindingrijken geest hare liefdetaak voort, totdat het uur om ter rust te gaan was verschenen. Sedert het overlijden van Segher Wulf, sliep zij in Dakerlia's woning, om hare arme vriendin nimmer alleen aan hare treurnis overgeleverd te laten.

Zij ontstak eene kaars en zeide:

"Nu, Dakerlia, wij hebben lang genoeg gewaakt. De nachtrust versterkt den mensch. Wij zullen boven nog wat bidden."

Maar nu werd de deur der kamer geopend, en Robrecht Sneloghe trad binnen.

Hij ging tot zijne verloofde, drukte haar teederlijk de handen en sprak eenige zoete troostende woorden tot haar.

Na eene wijl stilte zeide hij zeer ernstig:

"Dakerlia, en gij, mijne zuster, ik bid u, luistert met aandacht op wat ik u ga melden. Morgen vroeg vertrek ik uit Brugge. Het is mogelijk dat er vele dagen, dat er weken verloopen voordat gij mij wederziet."

"O, hemel, gij verlaat ons!" kreten de beide jonkvrouwen te gelijk, met angstige verrassing.

"Blijft zonder de minste vrees", ging Kobrecht voort. "Ik heb alles voorzien en geschikt, opdat geen gevaar in mijn afwezen u bedreige. Trouwe, verkleefde dienaars zullen waken over uwe rust. Gebeurde er iets in de stad of in het land, dat u om meerderen steun of om eene veiligere schuilplaats deed wenschen, gaat naar den burg. In den Steen van mijnen oom Hacket zijn kamers voor u en voor uwe dienstmeiden in gereedheid gebracht. De proost van St-Donaas zal u onder zijne bescherming nemen en u dagelijks meer dan eens bezoeken."

De beide jonkvrouwen zagen hem met verschriktheid aan.

"Het wordt dus oorlog?" vroeg Dakerlia.

"Het geheim van den Hoop moet elkeen heilig zijn, die het kent", antwoordde Robrecht. "Poog dus niet van mij te weten waarom ik u ga verlaten."

Dakerlia en Witta begonnen te weenen, doch zonder klagen.

"Ik begrijp en ik gevoel wel aan mijn eigen hart dat dit onverwacht vaarwel u moet bedroeven", zeide Robrecht, "maar troosten wij ons, in de gedachte dat ik waarschijnlijk binnen weinige dagen hier reeds terug zal zijn. Hoe het weze, in deze erge tijden, moet elk onzer zijne rust en zijne pogingen ten offer brengen voor de vrijheid. Aarzelen is eene lafheid, weigeren, zelfs door eenen geheimen wensch des harten, is eene misdaad. Ik mag dus met recht verwachten dat noch mijne verloofde, noch mijne zuster het zullen afkeuren dat ik, als trouw lid van het Gilde, mijnen plicht vervul. Gij zijt Kerlinnen en gij bemint uw land!"

Deze strenge woorden brachten eenen plotselijken ommekeer in het gemoed der jonkvrouwen. Witta stortte nog eenige tranen, ofschoon zij zichtbaar geweld deed om haren angst te bedwingen. Dakerlia hief het hoofd met fierheid op, en terwijl een vreemde glimlach op hare lippen verscheen, zeide zij:

"God dank, ja, wij zijn Kerlinnen, en zullen toonen dat zelfs de diepste smart ons het niet kan doen vergeten! Ga, Robrecht, ga waar de plicht u roept. Wij zullen bidden voor u en voor Kerlingaland en met vertrouwen afwachten wat het lot zal beslissen ... Gij vertrekt morgen zeer vroeg! Voor zonsopgang?"

"Neen, ik zal den klaren dag afwachten; mijn vertrek is niet zoo haastig."

"Welnu dan, mijn vriend, waarom zoudt gij nog dezen avond afscheid van ons nemen? Is er iets dat u belet ons morgen vaarwel te komen wenschen, wij onderwerpen ons gereedelijk; maar anders zullen wij zeer vroeg opstaan. Kan het zijn, gun ons nog dit geluk."

"Het zij zoo, Dakerlia", antwoordde de jonge ridder. "Blijft dus met God tot morgen."

Door zijne verloofde gevolgd, richtte hij zich naar de deur.

Hier drukte hij nog teederlijk hare handen, neigde zijn hoofd over haren schouder en murmelde aan haar oor:

"Wees tevreden, Dakerlia, wij gaan uwen vader wreken! Ik zal aan u denken altoos; uw beeld zal mijne star zijn; de vijand, terwijl hij valt onder mijn zwaard, zal terzelfdertijd uwen naam en den naam uws vaders hooren. Houd dit geheim!"

De maagd wierp eenen diepen blik in zijne oogen en antwoordde:

"Dank, dank, mijn vriend, doe uwen plicht!"

"Goeden nacht, zuster, tot morgen."

Met deze woorden verliet hij de zaal.

Toen hij op het neerhof kwam, vroeg de schalk, die hem de poort opende, of hij mher Sneloghe niet met licht zou vergezellen; want het was zoo donker op de straat dat men de huizen niet kon ontwaren.

Robrecht weigerde dezen dienst; zijn Steen toch was slechts eenige stappen verwijderd.

De schalk sloot dus de poort achter hem en stak de grendels in.

Terwijl Robrecht nu over de straat stapte en zijne woning naderde, scheen het hem dat eene menschenschaduw langs den muur voortsloop en naar hem toekwam. Hierover verwonderd, bleef hij staan, legde de hand aan het gevest van zijn zwaard, liet den onbekende naderen en vroeg dan met verdoofde stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde de schaduw zonder aarzelen.

"Mijn oom Hacket! Gij hier op dit uur?"

"Stil!" fluisterde de kastelein, "ik kwam u opzoeken in uwen Steen. Ik heb eene boodschap u te vertrouwen."

"Het is een wonder dat ik nog niet slapen ben."

"Ik hadde bevel gegeven om u te wekken, mijn neef. Nu, doe de poort openen."

Robrecht klopte op eene hem gewone wijze, en schier onmiddellijk kwam er een schalk achter de poort staan.

"Zijt gij het, mher Sneloghe?" vroeg hij.

Op het bevestigend antwoord werd Robrecht met zijnen oom binnengelaten.

Beiden begaven zich in eene zaal, waar eene brandende lamp aan het gewelf hing. De kastelein sloot de deur langs binnen, trok eenen gezegelden brief uit zijne tasch, en dien den jongen ridder toereikende, zeide hij:

"De proost is niet van zijn voornemen af te brengen. Nadat gij ons hadt verlaten, is hij er weder op teruggekomen en heeft eindelijk, ondanks mijnen raad, besloten toch eenen brief aan Willem Van Loo te schrijven. Dien brief zult gij hem overhandigen De proost verzoekt u de boodschap op uwe borst te verbergen; want, werd zij door 's graven lieden verrast, onze vijanden zouden het geheim van den Hoop geheel kennen."

"Heb geene vrees: ik zal de boodschap trouw volbrengen. Mag ik weten, oom, wat de brief behelst?"

"Gij kunt het wel vermoeden. Mijn broeder dringt bij Willem Van Loo op alle wijzen aan, om hem de vijandelijkheden te doen uitstellen, zelfs dan nog wanneer het Kerlenleger zal vergaderd zijn. Hij laat hem weten dat onze graaf Karel het oor schijnt te willen leenen aan het voorstel om hem eene aanzienlijke bede uit den Gildenschat toe te staan."

"Maar mijn oom de proost bedriegt zich!" riep Robrecht met ongeduld. "Veinst men aan het hof van goeden wil te zijn, het is slechts om tijd te winnen en ons in slaap te wiegen!"

"Zoo denk ik er nu insgelijks over, gij weet het, neef. Daarom evenwel moogt gij mij niet weigeren den brief aan Willem Van Loo af te geven. Hij kan dan nog beslissen wat hij wil."

"Inderdaad, oom. Ik zal doen wat de heer proost verlangt."

"Hij verzoekt u daarenboven zijne voorstellen bij Willem te ondersteunen en alle mogelijke pogingen aan te wenden om hem te doen aanvaarden."

"Dit kan ik niet", zeide Robrecht ontevreden. "Ik weiger volstrekt deze zending. Volgens mijne vaste overtuiging valt er niet meer te aarzelen. De omstandigheden schijnen ons zeer gunstig; men moet zonder omzien er gebruik van maken. Bij al dit omzien en dralen verliezen wij den moed en worden de Kerels hunnen vijand ten spot. Mijn oom de proost weet wel dat ik daarover van een geheel ander gevoelen ben dan hij."

"Doe naar uw goeddunken, neef."

"Maar zeg mij, ik bid u, kastelein, kent gij den inhoud van den brief dien ik dragen ga?"

"Ja, ik heb hem gelezen."

"Hoe noemt de proost daarin mher Willem?"

"Hij noemt hem burggraaf."

"Maar het is gevaarlijk; met allen eerbied voor mijnen oom zou ik schier durven zeggen dat hij zijnen gildeneed ontrouw is. De Hoop heeft te Veurne beslist dat al de Kerels Willem Van Loo als graaf van Vlaanderen zullen erkennen. Waarom weigert de proost hem graaf te noemen?"

"Gij weet het, Robrecht," antwoordde de kastelein, de schouders ophalende. "Mijn broeder heeft zich, in den vorigen oorlog voor de kroon, tegen mher Willem verklaard. Er bestaat tusschen hen, van wederzijde, een verborgene, doch diepe wrok. Het bedroeft hem oneindig dat men in den Hoop zulke gevaarlijke beslissing heeft genomen."

"En bedroeft het mij niet, oom? Maar de onderwerping aan de besluiten van den Hoop is eene heilige wet, waarvoor alle Kerels, grooten en kleinen, moeten bukken. Mher Willem, de graaf van Vlaanderen,—zoo noem ik hem—zal, bij het lezen van den brief, verbitteren, wanneer hij zal zien dat de proost weigert hem als graaf te erkennen."

"Ik heb er geene schuld aan, Robrecht; de proost heeft mijnen raad niet willen volgen. Hij kan er niet toe besluiten, mher Willem nu reeds als vorst te begroeten. Hij zal het later doen. Gij kondet de graaf uitleggen dat de proost nog geene bijzondere tijding over de verrichtingen van den Hoop heeft ontvangen."

"Het zij zoo, ik zal mijnen oom pogen te verontschuldigen ... Maar indien graaf Willem den proost eenige bevelen zendt, zal hij gehoorzamen?"

"Zonder twijfel, Robrecht. Wat mij betreft, ik verzoek u, mher Willem te melden, dat ik alles geheimelijk in gereedheid breng om den burg van Brugge voor de Kerels te behouden, en ik zijne bevelen afwacht om, waar het zijn kan, ze getrouwelijk te volbrengen. Blijf nu in vrede, mijn neef, en vergeet niet, wanneer gij in het leger zijt, ons zoo dikwijls als het mogelijk is tijding van u te zenden. Goeden nacht en goede reis!"

Robrecht vergezelde zijnen oom tot buiten de poort van den Steen. Dan keerde hij terug naar de zaal, legde zijn zwaard af en zette zich neder, met den elleboog rustend op de tafel en de oogen onvast in de ruimte gericht.

Hij overwoog het zonderling gedrag van zijnen oom Bertulf en voorzag dat uit den verborgen haat, dien hij en Willem Van Loo elkander toedroegen, nog ongelukkige verwikkelingen voor de Erembalds en misschien voor Kerlingaland konden ontstaan.

Dien dag was Disdir Vos op den burg gekomen en had lang met den proost over de beslissingen van den Hoop gesproken. De oude Bertulf had zijne ontevredenheid en zijnen afkeer van mher Willem niet verborgen. Indien de nieuwe graaf door Disdir Vos of door iemand anders daarvan kennis kreeg, zou hij dan niet de Erembalds vijandig worden? De proost, anders zoo wijs en zoo voorzichtig, liet zich nu door een gevoel van haat verblinden.

Terwijl mher Sneloghe daar bij de tafel zat en in verslondenheid den gevaarlijken toestand der zaken overdacht, stonden achter St-Janskapelle twee mannen, die in stilte doch met zekere driftigheid van hem spraken.

Nevens den muur der kapelle, was de duisternis nog dikker; geen mensch hadde kunnen zien dat iemand zich daar bevond; evenwel hadde men ze kunnen hooren, want zij spraken zeer stil.

"Nu, waarom wijkt gij terzijde? Waarom blijft gij staan?" vroeg de eene.

"Zeg wat gij wilt", antwoordde de andere, "zoo sla mij Thors hamer, indien gij ons niet eene gevaarlijke dwaasheid doet begaan!"

"Maar, neen", wedervoer de eerste fluisterende. "Het is tot het bereiken van ons doel volstrekt noodig dat Robrecht Sneloghe ons helpe."

"Hij zal weigeren."

"Geenszins."

"Hij eerbiedigt te veel zijne ooms, en dezen schrikken terug van alle krachtdadigheid."

"Dit is grondig veranderd. Robrecht staat op tegen zijne ooms en beschuldigt ze van lauwheid en ontrouw. Ik heb hem dezen morgen luidop tegen den proost hooren roepen dat hij, Robrecht, voor niets meer achteruitwijken wil en bereid is, met blinde onderwerping onzen nieuwen graaf te gehoorzamen; ja, dat hij voor hem zonder aarzelen goed en bloed zal ten offer brengen."

"En evenwel kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat wij eene domheid begaan."

"Gij hebt mijne redenen goedgekeurd, gij en onze vrienden. Waarom dwingt gij mij nu ze alweder te herhalen? Wat wij gaan ondernemen belaadt ons met eene schromelijke verantwoordelijk heid. Om te beletten dat de proost en de kastelein zich tegen ons keeren, moeten wij mher Sneloghe met ons doen samenspannen en samenwerken. Zoo zullen dan de hoofden der Erembalds, uit verkleefdheid en liefde voor hem, ons allen beschermen en verdedigen Zeg Robrecht, dat onze graaf het beveelt of verlangt, en gij zult zien dat hij onmiddellijk zal toestemmen. Of twijfelt gij daaraan?"

"Ik weet waarlijk niet", gromde de andere, half schertsende, "waarom gij zoo vurig en zoo onverwinnelijk aandringt om Robrecht deel aan onze onderneming te geven. Ik zou haast gaan denken dat gij de zaak voor eene gevaarlijke halsbrekerij aanziet, en daarom mher Sneloghe het spel wilt doen wagen. Uit genegenheid zeker niet, gij haat hem."

"Neen, ik heb alle vijandschap afgelegd. Geene andere beweegreden drijft mij aan dan alleenlijk de voorzorg om het gelukken onzer poging, ook na den slag, te verzekeren."

"Welaan, het zij dan zoo. Wij zullen zien hoe hij het voorstel onthaalt. Aanvaardt hij het, hij zal zijn woord getrouw blijven tot het einde. Daarvan ten minste mogen wij zeker zijn. Gedragen wij ons evenwel voorzichtig met hem. In zijnen Steen zullen wij hem het ontwerp niet te kennen geven. Als hij Willem Van Wervick, Isaac Van Reninghe en Ingelram Van Eessen ziet, zal hij beter gelooven dat de zaak niet roekeloos door mij wordt gewaagd ... Kom nu, laat ons gaan, maar zwijgen wij!"

Zij stapten met looze treden de St-Jansstraat in, keerden achter den hoek der Ridderstraat, en slopen dan voort door de onpeilbare duisternis tot voor de poort van sher Robrechts Steen.

Een hunner liet den ijzeren klopper driemaal met zekere berekende tusschenpoozen nedervallen.

Dewijl men daarbinnen nog waakte, kwam schier onmiddellijk een schalk achter de poort staan.

"Wie daar?" riep hij door het kijkgat.

"Spreek stil", werd hem geantwoord. "Ga, zeg uwen meester dat vrienden hem wenschen te spreken. Hij kome zelf om ons te herkennen."

Na eene korte wijl vroeg hem eene andere stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde een hunner. "Doe ons open, Robrecht."

"O, mijn God, Burchard!" morde iemand achter het kijkgat.

"Stil, stil, en ontsluit de poort!"

Robrecht opende metterhaast en leidde de twee ontijdige bezoekers zonder spreken tot in de zaal, welke hij zooeven had verlaten. Hij sl