The Project Gutenberg eBook of Op Samoa

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Op Samoa

Author: E. von Barfus

Release date: January 11, 2005 [eBook #14666]
Most recently updated: May 30, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OP SAMOA ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

Op Samoa

Geïllustreerde uitgaaf
Vertaling van Mevr. J. van der Hoeven
Amsterdam
C. L. G. Veldt

[Inhoud]

[1]

[Inhoud]

Eerste Hoofdstuk.

In Apia.

Gedurende een reeks van jaren was ik op het kantoor van den heer Andreas Mertel werkzaam geweest en reeds tot tweeden boekhouder opgeklommen, toen de chef van het huis op een goeden dag zijn bedienden kwam mededeelen, dat hij voornemens was de zaak aan zijn beide zoons over te doen en stil te gaan leven. Ik gevoelde weinig lust, bij de jonge patroons in dienst te blijven en verzocht daarom den heer Andreas, die mij steeds zeer genegen geweest was, zoo vriendelijk te willen zijn, mij door zijn recommandatie een betrekking in een grootere handelszaak te bezorgen, het liefst in Duitsch-Oost-Afrika of op de Samoa-eilanden. Na eenige dagen ontving ik een brief van de Duitsche-Plantage-Maatschappij, waarin mij werd medegedeeld, dat ik op aanbeveling van den heer Mertel, als boekhouder in den dienst der maatschappij [2]was aangenomen en mij zoo spoedig mogelijk aan de kantoren vervoegen moest. Een week later bevond ik mij aan boord van een stoomboot op reis naar Adelaïde. Tegelijk met mij was Gustaaf Gaedecke, een mijner vroegere schoolmakkers, ongeveer zoo oud als ik, van Hamburg naar Apia vertrokken. Terwijl ik de lessen aan de handelsschool volgde, had mijn vriend Gustaaf in Göttingen de natuurlijke historie en staathuishoudkunde bestudeerd, en zich hoofdzakelijk toegelegd op de verschillende wijzen van cultuur in de heete luchtstreek, daar hij sedert jaren den vurigen wensch koesterde, om òf in de Duitsch-Afrikaansche-koloniën, òf op de eilanden in de Zuidzee, gelegenheid te vinden, zijn verkregen kennis ten nutte te maken. Door zijn uitgebreide relaties was het hem gelukt, in dienst te komen bij de directie der Plantage-Maatschappij, voor haar koloniën op de Samoa-eilanden.

Toen wij na een zeer belangrijke reis over Port-Saïd, door het kanaal van Suez en de Roode Zee, over Colombo op Ceylon en Adelaïde, benevens de haven van Auckland,—de hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelukkig bereikten, waren wij blij, na een oponthoud van verscheiden dagen, op een naar Samoa bestemde stoomboot onze reis te kunnen vervolgen, want het was vinnig koud in de anders zoo fraaie haven van [3]Nieuw-Zeeland. Wij waren in het midden van Augustus, dus in hartje van den winter op het zuidelijk halfrond. Toen wij den Steenbokskeerkring gepasseerd waren, stoomden wij, door het prachtigste weer begunstigd, tusschen de Loyaliteits-eilanden en de Nieuwe-Hebriden in het Westen, en de Fidschi-Archipel in het Oosten, noordwaarts, het doel van onzen tocht, de Samoa- of Schippers-eilanden, tegemoet, en lieten na een zeer voorspoedige reis, in de heerlijk schoone haven van Apia, de hoofdstad van het eiland Upolu, de ankers vallen. Van uit de haven gezien, biedt Upolu een verrukkelijken aanblik. Tot vlak aan het strand strekt zich de heerlijkste, weelderigste plantengroei der tropen uit. Boschjes van hooge, slanke kokospalmen wisselen af met talrijke broodvruchtboomen, oranjebosschen, banyan-wortelboomen en bananen. Op eenige kilometers afstand van de kust, verheft zich het gebergte, dat zich over de geheele lengte van het eiland,—zeven en dertig zeemijlen,—van het Oosten naar het Westen, en meer langs de zuidkust, uitstrekt. Talrijke stroompjes komen bruisend uit het gebergte te voorschijn, kleine watervallen vormend, die van uit de haven gezien, op breede, zilveren linten gelijken. De hoogste verheffing van deze bergketen is de 2570 voet hooge Lanuto, met het meer van dienzelfden naam. De Samoa—[4]of Schipperseilanden liggen tusschen 13°.27′ tot 14°. 22.5′ Zuiderbreedte en 169°. 28′ tot 172°. 48′ Westerlengte. Ook behoort het Koraleneiland, Roda, dat ongeveer zeventig zeemijlen Oostelijker ligt, tot deze groep. Het Westelijkste en grootste eiland is Savaii; dan volgt het kleinste, Apolima, dat een oppervlakte heeft van ongeveer twee Engelsche vierkante mijlen, terwijl Savaii 639 vierkante mijlen groot is. Op Apolima volgt Manono, eveneens van weinig omvang, vervolgens het voornaamste eiland van de groep, Upolu, 336.6 Engelsche vierkante mijlen groot; Zuidoostelijk van deze bevindt zich het door zijn landelijke schoonheid bekende eiland Tutuila, met de uitmuntende haven van Pago-Pago; voorts volgen twee kleinere eilanden, Ofu en Olosega, terwijl, het ongeveer twintig vierkante mijlen groote eiland Manua de rij sluit. De geheele groep heeft een oppervlakte van ongeveer 236 Duitsche, of 1086.9 Engelsche vierkante mijlen.

Gelijk men weet, zijn de Samoa- of, zooals zij vroeger heetten de Schipperseilanden, in het jaar 1768 door den Franschen zeevaarder Bougainville ontdekt en vervolgens in 1787 door den beroemden La Perouse bezocht, die ook op het eiland Tutuila landde, waarvan de inlanders verscheiden leden der expeditie in de [5]tegenwoordig geheeten “Massacre-baai,” neerschoten. Kapitein Cook bezocht in 1791 eveneens de eilanden Savaii en Upolu.

Het vermoorden van eenigen der equipage van de expeditie van La Perouse, had de bevolking der Samoa-eilanden zulk een slechten naam gegeven, dat Engelsche zendelingen het eerst in 1830 slaagden, op Upolu te landen. Tot hun verbazing werden zij vriendelijk ontvangen en konden zij ongehinderd hun zegenrijk werk volbrengen. Spoedig bezochten ook andere zendelingen de eilanden en dezen ondervonden zooveel zegen op hun arbeid, dat er nu op de geheele groep geen enkele inlander gevonden wordt, die geen Christen is.—

Een half uurtje, nadat wij in de haven voor anker waren gegaan, kwam een lid der gezondheidscommissie aan boord, om te onderzoeken, of onder de passagiers, of de bemanning van de boot geen besmettelijke ziektegevallen voorkwamen. Zoodra alles in orde bevonden was, werd het verkeer toegestaan en in een oogenblik was het dek overstroomd met inlanders en Europeanen. Eerstgenoemden boden ons allerlei zeldzaamheden te koop aan, zooals: schelpen, kralen, mandjes en waaiers, gevlochten uit de bladnerven van den Padanus, benevens bananen, oranjeappelen, passievruchten en kokosnoten. [6]

Mijn reis- en landgenoot Gustaaf Gaedecke en ik, waren op het punt het schip te verlaten, toen mijnheer Beckmann, de Directeur van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, aan boord kwam, en nadat hij eenige woorden met den kapitein gewisseld had, zich met de vraag tot ons wendde, of wij de twee pas aangestelde bedienden uit Hamburg waren. Ik beantwoordde deze vraag bevestigend, noemde den naam van mijn vriend en den mijnen en voegde er bij, dat ik verscheiden brieven van het hoofdbestuur voor den Directeur meegekregen had, die ik hem, zoodra ik aan land was, overhandigen zou, daar zij zich in mijn koffer bevonden.

“Ik heet u welkom in Apia, mijne Heeren,” antwoordde mijnheer Beckmann, en hij gaf ons vriendelijk lachend de hand. “Laat uw bagage naar beneden in mijn boot brengen, en gaat met mij aan land. Ik zal u persoonlijk naar het dicht bij het strand gelegen Hotel International brengen, waar u een uitstekend logies vinden zult, daar de eigenaar een landgenoot van ons is. U kunt mij daar dan de brieven geven, mijnheer Arendt. Wees zoo goed, heden avond te zes uur bij mij te komen dineeren; wij kunnen dan de nadere bijzonderheden van uw werkkring bespreken.”

Nadat wij door den hotelhouder op de vriendelijkste [7]wijze begroet geworden waren, hetgeen wij ongetwijfeld aan de recommandatie van onzen voornamen geleider te danken hadden, maakte ik in de kamer, die mij aangewezen was, vlug mijn koffer open, en bracht het dikke pak papieren en brieven naar beneden in de spreekkamer, waar de directeur mij wachtte.

Na een verfrisschend bad, trokken wij andere kleeren aan en sloegen een blik uit de vensters op de haven. Wij konden de geheele uitgestrektheid overzien, en tot onze vreugd viel ons de Duitsche kruiser “Falke” het eerst in het oog; op eenigen afstand lag een Engelsch oorlogsschip voor anker, als ik mij niet vergis de “Curaçao” en achter deze twee lag ook een Amerikaansche kanonneerboot. Verder Oostwaarts konden wij duidelijk op het strand het wrak van het ongelukkige Duitsche oorlogsschip “Adler” onderscheiden, dat daar in het voorjaar van 1889, gedurende een vreeselijken orkaan neergeslingerd en geheel uit elkander geslagen was. Behalve den ijzeren romp van den “Adler,” konden wij uit de veranda, vóór onze beide naast elkander liggende kamers, een groote menigte stukken van het schip onderscheiden, die op de kust lagen, en met de eb nu duidelijk zichtbaar waren.

Ten westen van de oorlogsschepen, lagen verscheiden kleinere vaartuigen, zoogenaamde kotters, die, te oordeelen [8]naar de vlaggen, zoowel aan de Duitsche Handelmaatschappij, als aan de Duitsche firma Frings en Co. schenen te behooren; des avonds bevestigde mijnheer Beckmann dit ook. Zij onderhielden de gemeenschap tusschen de afzonderlijke eilanden der groep.

Wij hadden veel schik in een groot aantal jonge, bruine knapen die, onder luid gejubel en geschreeuw van het strand in zee sprongen en in het water rondspartelden. Ook zagen wij een groote oorlogsboot van Samoa, naar een model der Amerikaansche walvischbooten gebouwd, en door een twintigtal roeiers in beweging gebracht, in de groote haven naar het westelijk gelegen schiereiland Mulinu koers zetten. De roeiers zaten niet volgens Europeesche wijze met den rug naar het roer, maar met het gelaat, en haalden hun korte riemen of kleine roeispanen door het water; de boot had een groote snelheid en de roeiers begeleidden hun werk met een welluidend gezang.

Tegen etenstijd lieten wij ons door een zwarten bediende van het hotel naar het huis van den directeur Beckmann brengen. Tot onze verbazing zagen wij, dat de woning van onzen chef, die in Apia en de geheele eilandengroep toch als een persoon van gewicht bekend stond, wel een zeer aardig, maar slechts [9]klein huisje was van één verdieping, en dat het op zijn hoogst zes kleine kamers kon bevatten. Naar mijnheer Beckmann ons later op onze vraag antwoordde, is het bouwen in Apia ongehoord kostbaar, zoodat de Blanken zich met weinig ruimte tevreden moeten stellen.

“Zooals de voorzitter van het Hoofdbestuur schrijft,” zeide onze chef, toen wij na een uitstekend diner op de veranda, die een heerlijk gezicht op de haven aanbood, onder het rooken eener geurige sigaar, de koffie gebruikten, “zijt gij, mijnheer Arendt, tot boekhouder aangesteld op de groote plantage Mulifanua, terwijl mijnheer Gaedecke de leiding der verschillende cultures, die wij in onze plantages toegepast hebben, op zich zal nemen. Intusschen acht ik het hoogst noodzakelijk, dat beide heeren vooreerst nog een paar weken in Apia blijven, ten eerste om zich eenigermate aan het klimaat te gewennen, ten tweede om, al is het dan ook maar wat oppervlakkig, op de hoogte te komen van het aanleggen en het bestuur eener plantage. Daarom zal ik u in den loop der volgende week naar Vaitele, onze voornaamste plantage in dit district, brengen, waar u voldoende gelegenheid zult vinden om alles goed op te nemen. Vaitele ligt ongeveer tien kilometer ten zuiden van Apia, aan den voet van het [10]gebergte, in een verrukkelijk landschap; de directeur der plantage, mijnheer Tiedemann, is zeer ervaren in alles, wat den aanleg en de behoeften der tropische cultures betreft, daar hij jaren lang een groote koffieplantage bij Menado op het eiland Celebes, bestuurd heeft. De eerstvolgende dagen moet u gebruiken om uitstapjes te maken in den onmiddellijken omtrek van Apia; daar zult u veel ontdekken, wat uw belangstelling wekt. Als mijn tijd het eenigszins toelaat, zal ik u met genoegen vergezellen, zoo niet, dan zal een mijner bedienden de leiding van mij overnemen.” Wij bedankten onzen vriendelijken chef hartelijk voor zijn goede bedoelingen en, daar het reeds laat was geworden, namen wij afscheid.

Den volgenden dag deden wij een wandeling door Apia, onder geleide van een bediende uit het hotel, die een weinig Duitsch en Engelsch sprak.

De stad bestaat uit vier groote dorpen, die een enkele, ruim twintig voet breede hoofdstraat vormen, welke zich in een halven cirkel langs de havenbocht uitstrekt. In het midden van dezen halven cirkel ligt het eigenlijke Apia; oostelijk daarvan het dorp Matautu, waarin zich de Engelsche en Amerikaansche Consulaatsgebouwen bevinden, terwijl in het westelijk gelegen Matafele, de grootsche magazijnen der Duitsche [11]Handel-Plantage-Maatschappij in de Zuidzee, bijna de geheele ruimte beslaan. In de onmiddellijke nabijheid van Matafele bevindt zich de smalle landtong Mulinu, waarop het zoogenaamde paleis van koning Malietoa, benevens eenige gouvernementshuizen gebouwd zijn.

Zooals mijnheer Beckmann ons ’s avonds verteld had, leven er in Apia ongeveer tweehonderd blanken, waaronder de Duitschers het talrijkst vertegenwoordigd zijn. Dat konden wij al dadelijk op onze wandeling opmerken. De grootste helft der hotels, herbergen en winkels is in Duitsche handen; overal hoort men Duitsch spreken, leest men Duitsche namen op de borden der firma’s en ziet men de zwart-wit-roode vlag wapperen. Zelfs is er in Apia een Duitsche school, die niet alleen voor de kinderen der Europeanen, maar ook voor die der inlanders toegankelijk is en druk bezocht wordt.

Tegen den middag, brachten wij ook een bezoek aan den heer Biermann, den Duitschen Consul in Apia, om ons aan hem voor te stellen en hem onze passen te overhandigen. Evenals de directeur Beckmann, bewoonde de consul een eenvoudig houten huis van één verdieping.

De inboorlingen, waarvan wij een groot aantal in een zalig-niets-doen op de haven zagen rondslenteren, maakten een bijzonder sympathieken indruk. Zooals [12]bekend is, behooren de bewoners van Samoa tot het Polynezische ras, hebben een lichtbruine huidkleur in tegenstelling met de donkerder gekleurde Melaneziërs, en een slanke, flinke gestalte. De gelaatstrekken der mannen zijn minder schoon; meestal hebben zij breede platte neuzen, tamelijk dikke lippen en vooruitstekende wangbeenderen, maar prachtige donkerbruine, amandelvormige oogen met lange zwarte wimpers. Tegenover vreemdelingen zijn zij vriendelijk en voorkomend, zooals ik later, gedurende mijn langdurig verblijf op de eilanden, heb kunnen opmerken. Deze beminnelijke karaktertrek, evenals hun besliste afkeer van elken eenigszins inspannenden arbeid, moeten toegeschreven worden aan het gelukkige, zorgelooze bestaan, dat de bewoners van Samoa in hun heerlijk, overvloedig gezegend vaderland leiden, waar de milde natuur alles oplevert, wat zij tot hun levensonderhoud behoeven.

De manlijke inboorlingen zijn, wat mij bijzonder opviel, bijna zonder uitzondering op eigenaardige wijze getatoeëerd. Dit tatoeëeren bestaat uit een aantal rechtlijnige figuren, die van den navel tot aan de knieën reiken. Naar men mij verteld heeft, moet het insnijden van deze figuren tamelijk pijnlijk zijn, daar het uitgevoerd wordt met een soort van harkje, gemaakt van vischgraten of kieuwen. Het werktuigje wordt in een [13]mengsel van verbrande notedoppen en water gedoopt en met een hamertje in het vleesch gedreven, waardoor de figuren ontstaan, die meestal heel aardig zijn; veel inlanders verbergen hun tatoeëering echter onder hun Lava-Lava, een lendendoek van Tapa. Dit is een stof, die op papier gelijkt en gemaakt wordt van de roode bladeren van den Ti-boom. In den laatsten tijd is deze Tapa echter door gekleurd katoen vervangen geworden. Onder de inlanders gaan de jongelingen, die zich niet hebben laten tatoueëeren, voor onmanlijk door. Ook onderwerpen veel vrouwen zich aan deze kunstbewerking, hoewel in mindere mate. Zij bestaat doorgaans alleen uit stippen en een aantal plus- en minusteekens, d. w. z. kleine kruisjes en streepjes en is gewoonlijk met den Lava-Lava of lendendoek bedekt.

Gehoor gevend aan een verzoek van den directeur, kwamen wij op den vijfden dag na onze landing, dadelijk na zonsopgang ten zijnen huize, om hem naar de plantage Vaitele te vergezellen. Op aardige, vrij kleine paardjes, die, naar mijnheer Beckmann ons mededeelde, van het eiland Timor ingevoerd, dus zoogenaamde Sandelhoutpaarden waren, reden wij, door twee bedienden gevolgd, die in valiezen eenigen mondkost meevoerden,—het eerst naar den linkeroever van den Sigago-stroom, die zich ten Oosten van Apia in [14]de haven uitstort, om vervolgens langs zijn oevers onzen weg stroomopwaarts voort te zetten. Zooals wij van den directeur vernamen, ontspringt de Sigago op de zuidelijke hellingen van den 2500 voet hoogen berg Godefroy, ongeveer vijftien kilometer zuid-oostelijk van Apia, en stroomt dan door een heerlijk vruchtbaar dal tot aan zijn mond bij Apia voort.

Ik was letterlijk overweldigd door den aanblik van deze menigte kokospalmen, bananen, benevens papaya’s, oranje-mango-broodvruchtboomen en bloeiende heestergewassen, wier namen mij onbekend waren; en dan, die kostelijke, bedwelmende geur, dien voornamelijk de bloeiende oranjeboomen en heesters verspreidden! Het was inderdaad verrukkelijk!

Daar wij zonder iets gebruikt te hebben de stad verlaten hadden, rustten wij een uur later in een schaduwrijk boschje van oranjeboomen en bananenpalmen, en verkwikten ons aan de versnaperingen, die de bedienden ons uit de tasschen toereikten.

Zooals de directeur nu onder ons ontbijt vertelde, had het huis Johan Cesar Godefroy en zoon in 1857 zijn eerste handelszaak op Upolu in Apia opgericht, en spoedig daarna in het bovendal van den Sigago, de plantage Vaitele aangelegd, die weldra gevolgd werd door de plantage Veilele, aan diezelfde rivier [15]gelegen. In 1865 ontstond in het district Mulifanua, 32 kilometer westelijk van Apia, de uitgebreide en belangrijkste plantage Mulifanua, en wat verder op Savau, het grootste eiland der geheele groep, de kleinere plantage Vaiputi. In het geheel verkreeg de Hamburgsche firma op de Samoa-eilanden meer dan 3500 hectaren grond in bezit, die ontgonnen werd. Toen nu omstreeks het jaar 1880, het huis Godefroy,—dat in dien tusschentijd genoodzaakt geweest was, zijn betalingen te staken,—aanbood zijn bezittingen op de eilanden onder Duitsche bescherming te stellen,—en dit door de regeering, van de hand werd gewezen, nam de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, die kort geleden opgericht was, al de factorijen en plantages der firma in de Zuidzee over.

Na ons ontbijt, stegen wij weer te paard en bereikten een uur later Vaitele, waar wij door den directeur, die van onze komst door een vooruit gezonden bediende verwittigd was, vóór diens woning ontvangen werden. Dit was eveneens een eenvoudig houten gebouwtje, maar te midden van oranje- en bananenboomen gelegen, en maakte daardoor een bijzonder vriendelijken indruk.

Nadat de directeur ons aan den heer Tiedemann had geïntroduceerd, stelde deze voor, de naastbij gelegen [16]aanplantingen eens in oogenschouw te nemen, voor het te heet werd. Terwijl in het vochtige, lagere gedeelte, in de onmiddellijke nabijheid van den rivieroever, voornamelijk suikerriet, yams, de zoete knolvrucht, die in de tropen onzen aardappel vervangt—en ook de tarowortels geplant waren, stonden op de eenigszins hoogere hellingen, honderden kokospalmen, broodvruchtboomen, mango’s, bananen, papaya’s en oranjeboomen. De gewichtigste boom voor den handel was, zeide de directeur, intusschen de kokospalm; deze bereikt dikwijls een hoogte van honderd twintig voet, zonder dat er de kleinste tak of twijg aan zijn slanken stam te zien is. Boven aan de bladerkroon groeien de noten in menigte tegen den stam aan.

Mijnheer Tiedemann was zoo vriendelijk, mij en vooral mijn collega Gaedecke, als natuurkenner, uit te leggen, hoe men de kopra,1 dit gewichtig handelsartikel, het best aankweekt. Eerst na zeven of acht jaar geeft een kokospalm den eersten oogst; de noten worden niet geplukt, maar men wacht, tot zij rijp naar beneden vallen; dan worden zij opgeraapt en in manden op ezels naar rijwegen gebracht, vanwaar zij in karren, met ossen bespannen, naar de factorijen vervoerd [17]worden. Na opengemaakt te zijn, wordt de vleezige kern er uit gesneden, op eesten gedroogd en eindelijk luchtig verpakt, naar Europa verzonden. De harige bolsters, waarvan in andere landen, zooals op Ceylon, de Sunda-eilanden enz. de kokosvezels verkregen worden tot het vervaardigen van matten, touwen en dergelijke, gebruikt men op Samoa niet; men verbrandt ze eenvoudig.

Verder onderrichtte mijnheer Tiedemann ons nog, dat een volwassen kokospalm op zijn plantage, jaarlijks gemiddeld tachtig tot honderd noten oplevert, en uit vijf noten wordt somtijds een kilogram kopra verkregen, zoodat de netto opbrengst van een palmboom bij gewone olieprijzen, op ongeveer twee mark per jaar kan geschat worden. Uit de kokospalm-plantage geleidde de directeur der factorij ons een eind de helling op, waar wij op een plek, die bijna geheel van groote boomen ontbloot was, een vrij groot aantal sierlijke, kleine boomen op regelmatige afstanden, opmerkten. Ik hield deze mooie boompjes, waarvan verscheidene met witte en roode bloesems bedekt waren, voor kerseboomen, tot ik door een uitroep van den directeur Beckmann, beter werd ingelicht.

“Zoo, zoo! U bent dus met den aanleg van een koffieplantage geslaagd, beste Tiedemann!” riep de [18]directeur uit. “Dat doet mij werkelijk pleizier! Die kan ons van heel veel nut zijn.”

“Ja, het is mij gelukt, mijnheer,” antwoordde de opzichter der plantage. “Verleden jaar heb ik twee honderd stuks stekken van koffieboomen uit Menado besteld, en, daar ik bij ondervinding weet, dat de koffie in dit klimaat, het best op een hoogte van vier tot zes honderd meter gedijt, liet ik hier op de helling een vrij groot aantal boomen vellen en de stammen, takken en twijgen verbranden, om de asch als mest te kunnen gebruiken. Op gelijke afstanden werden tien kuilen gegraven en de stekken daarin gezet; ten einde de jonge planten tegen de verzengende zonnestralen te beschutten, liet ik een aantal dik gebladerde tamarindeboomen staan, die voldoende schaduw gaven. De boompjes schoten spoedig wortel en groeiden prachtig op; verscheidene staan reeds in bloei en zullen toekomende jaar, hoop ik, een flinken oogst opleveren.”

“Ik zie, dat u den grond tusschen de koffieboomen geheel grasvrij laat,” zeide Gaedecke. “Waarom doet u dat?”

“Omdat het gras van Samoa als woekerplant voortteelt, op een tot beplanten geschikt gemaakten grond, en alleen door onophoudelijk uitroeien verdelgd kan worden,” luidde het antwoord van mijnheer Tiedemann. [19]“Ik heb ook getracht hier cacaoboomen te planten, maar in Vaitele dragen zij niet zooveel vrucht als in Mulifanua; mijn collega Krüger schijnt daar een gunstiger bodem te hebben.”

Op den terugweg naar de woning van mijnheer Tiedemann, zagen wij een troepje werklieden, die van de verschillende plantages naar hun hutten gingen, om te eten en gedurende het heetste gedeelte van den dag te rusten. Het trok mijn aandacht, onder deze mannen geen enkelen inboorling van Samoa, maar lieden van veel donkerder huidkleur te zien.

Toen ik aan tafel mijn verwondering hierover te kennen gaf, verklaarde directeur Beckmann mij de reden hiervan.

“Alle pogingen, om de inboorlingen van Samoa aan geregeld werk te gewennen, hebben schipbreuk geleden op hun aangeboren traagheid,” zeide hij. “Zij eischten ongehoord hoog loon voor buitengewoon geringe diensten en bleken in geen enkel opzicht te vertrouwen te zijn. Daarom waren wij genoodzaakt, vreemd werkvolk in dienst te nemen, en wij vonden dit in voldoend aantal op de Salomons- en Gilberts-eilanden, de Nieuwe-Hebriden en den Bismarck-Archipel. Het aanwerven van manschappen geschiedde door de kapiteins van onze eigen schepen, die met de hoofden dier [20]eilanden in onderhandeling traden. De werklieden worden voor drie jaar aangenomen, na welk tijdsverloop, zij vrij naar hun vaderland teruggezonden worden, wanneer zij er niet de voorkeur aan geven de overeenkomst te vernieuwen. Ieder werkman verdient, behalve kost en inwoning, drie dollars per maand, en komt ons dus jaarlijks op ongeveer drie honderd mark te staan, de kosten van import en export daaronder begrepen. Ook verloopt er geruime tijd, voor de lieden zich aan hun dagtaak, en aan discipline gewend hebben; bovendien moeten de inlanders der verschillende eilandgroepen afzonderlijk gehuisvest worden, anders vallen zij elkander aan, slaan elkaar dood, of eten elkander ten slotte op, om de overwinning feestelijk te vieren. U ziet, mijne Heeren,” zoo eindigde de directeur zijn verklaring, “dat wij met veelvuldige moeilijkheden in onze koloniën te kampen hebben, waartoe ook onze verhouding jegens de Engelsche en Amerikaansche autoriteiten op Samoa heel veel bijdraagt.”

Na een korte rust bezichtigden wij nog de overige aanplantingen op de factorij Vaitele, gebruikten eenige ververschingen en sloegen daarna den weg naar Apia in. Vóór wij van den heer Tiedemann afscheid namen, verzocht mijn collega Gaedecke dezen verlof, op een [21]der eerstvolgende dagen naar Vaitele te vertrekken, om zich onder leiding van den kundigen planter, op de hoogte te stellen van het aanleggen en de werkzaamheden op een grootere plantage. Mijnheer Tiedemann verklaarde zich vriendelijk bereid, den jeugdigen botanicus bij zich in huis te nemen, op voorwaarde, dat directeur Beckmann, hieraan zijn goedkeuring hechtte; deze had hiertegen geen enkel bezwaar.


1 kopra = het gedroogde, vleezige gedeelte van de kokosnoot. 

[Inhoud]

Tweede Hoofdstuk.

Op de plantage Mulifanua.

Den dag na onze terugkomst verliet mijn vriend Gustaaf Gaedecke Apia, om zich naar de plantage Vaitele te begeven.

De directeur had hem een paard geschonken, benevens een ezel voor zijn bagage; ook werd hem een knecht medegegeven om hem bij het vervoer en op reis behulpzaam te zijn.

Terzelfder tijd deelde mijnheer Beckmann mij mede, dat hij mij over een paar dagen persoonlijk naar de plantage Mulifanua zou brengen, om die te bezichtigen [22]en mij voor te stellen aan den directeur, den heer Krüger; bovendien ried hij mij aan in dien tusschentijd naar Matafele, het westelijk deel van Apia te gaan, om in de groote magazijnen en kantoren van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij kennis te maken met de ambtenaren, daar ik dikwijls met deze heeren zaken zou moeten doen. Hij zou mij een zijner kantoorbedienden meegeven, om mij aan te dienen.

Zeer vriendelijk werd ik door mijn toekomstigen collega ontvangen, en rondgeleid in de voornaamste pakhuizen, waar een kolossale voorraad van kopra, katoen en andere tropische gewassen opgestapeld lag, die naar Europa moest ingescheept worden.

Twee dagen na dit bezoek in Matafele begaf ik mij, volgens order van den directeur, dadelijk na zonsopgang met mijn bagage naar het strand, waar op de mij aangeduide plaats, de boot van mijnheer Beckmann gereed lag. Zij had, evenals de kano’s der inlanders, den vorm van een walvischboot, maar was iets breeder, van een zonnetent aan den achtersteven voorzien, en met twaalf roeiers bemand.

Een paar minuten na mijn aankomst, verscheen de directeur, van twee bedienden vergezeld, die manden met allerlei eetwaren droegen. Wij gingen onder de zonnetent zitten en op bevel van mijn chef brachten [23]de roeiers hun korte riemen in beweging, waarmee zij de boot bijzonder gauw deden voortgaan. Toen wij de “Falke” langs kwamen, begroette de wacht op het dek ons met een luid: “Goedenmorgen! Gelukkige reis!” hetgeen wij met hoedengewuif beantwoordden. De boot van den directeur, die aan den spiegel de Duitsche vlag voerde, was den matrozen van het oorlogsschip goed bekend.

Nadat wij den breeden ingang der haven, die door een wijde opening in de koraalriffen, welke zich langs de geheele noordkust uitstrekken, voorbijgegaan waren, zetten wij eerst regelrecht koers naar het Noorden, om op grooten afstand van de riffen te komen, waar de golfslag zoo onstuimig was, dat wij gevaar zouden geloopen hebben, door de branding tegen de rotsen geworpen te worden. Voornamelijk was deze zeer sterk en gevaarlijk vóór het schiereiland Mulinu, en, zooals mijnheer Beckmann vertelde, moesten er op die plek reeds veel schepen vergaan zijn.

Een goede zeemijl van de kust verwijderd, keerden wij ons naar het Westen en kwamen nu snel vooruit. Thans kon ik dit geheele gedeelte van het eiland overzien, en met innige verrukking het landschap bewonderen, dat zich voor mij uitstrekte. Het gedeelte van het land, tusschen de bergketen en de kust, [24]geleek een heerlijke tuin, vol palmen, hooge, breedgetakte tamarinden, schoone boschjes van broodvrucht- en oranjeboomen en een groot gedeelte van een dicht oerwoud op die plaatsen, waar de boomen niet ter wille van de plantages geveld waren. De talrijke bergstroomen met hun groen, helder water, slingerden zich door het voorland in menigvuldige bochten tot aan het strand; het bekoorlijkst echter waren verscheiden watervallen in de verte, die dikwijls vele meters hoog van den rand van den bergkam naar beneden stortten, en op dien afstand op breede, zilveren linten geleken. Mijnheer Beckmann maakte mij in het bijzonder opmerkzaam op een prachtigen waterval, den Letogo, die ten Westen van Apia, midden in het dichte struikgewas van de rotsen naar beneden stort, en daar een bassin vormt, wel zoo groot als een meer; ik kon dit echter natuurlijk van uit de boot niet zien.

Tegen elf uur bereikten wij het doel onzer reis, gedurende welke de roeiers, inboorlingen van Upolu, hun arbeid zonder ophouden met welluidend gezang begeleid hadden. In het koralenrif, dat, zooals wij reeds vermeld hebben, het geheele eiland omringt, bevond zich een opening, waardoor kleinere schepen in een bocht naar de kust kunnen varen; deze bocht vormt [25]de haven van Mulifanua, doch is maar van kleine afmeting.

Aan de landingsplaats werden wij opgewacht door mijnheer Krüger, die den vorigen dag van den directeur door een bijzonderen bode bericht had gekregen van onze komst; hij begroette ons vriendelijk en leidde ons in het door hem bewoonde stationsgebouw der Handel-Maatschappij. Dit gebouw was ook van hout, maar had twee verdiepingen; het was zeer lief gelegen, te midden van schaduwrijke mangoboomen en zorgvuldig onderhouden tuinen. Op een ruime veranda vonden wij een welvoorziene tafel, waarop ik tot mijn verrassing ook eenige flesschen bier zag staan. Een paar roeiers brachten mijn bagage en de manden met proviand in huis en gingen daarop naar hun makkers, die achter het woonhuis een onderkomen gevonden hadden in een hut, bestemd voor de bedienden.

Mijnheer Krüger, onder wiens bijzondere leiding ik stond, bracht mij na het ontbijt in een nette kamer, die, naar hij zeide, voor mij bestemd was; hij deelde mij mede, dat wij na een korte rust te paard zouden stijgen, om de plantages in de buurt van Mulifanua te bezichtigen.

Het rustuurtje gebruikte ik, om mijn twee koffers uit te pakken en mijn ondergoed en kleeren in de [26]daartoe bestemde kasten te bergen. Toen ik hiermede gereed was, en mij juist wilde verkleeden, verscheen een jonge Samoaner, een “Boy”, zooals men de bedienden daar noemt, en vertelde mij in een wonderlijk mengelmoes van Duitsche en Engelsche woorden, dat hij door zijn “meester” voor mijn persoonlijke bediening was aangewezen en nu bevel had gekregen mij naar het badhuis te brengen.

Dit badhuis lag maar weinig schreden van het stationsgebouw in een bananenboschje. Het was zeer practisch ingericht. In een ommuurd bassin, van een meter breedte, aan den ingang van de ruime, luchtige badkamer, stroomde frisch, kristalhelder water, dat zooals de “Boy” verklaarde, uit de dichtst bij zijnde rivier hierheen geleid was, en tevens tot besproeiing van den tuin diende. Bovendien bevonden zich langs de muren verscheiden douches = stortbaden. Na een heerlijk verfrisschend bad, kleedde ik mij spoedig aan en ging naar de veranda, waar ik reeds de heeren Beckmann, Krüger en nog een jong mensch aantrof, die mij als mijnheer Petersen werd voorgesteld. Deze was een knap persoon, van zes voet lengte, en met een zeer vroolijk opgewekt gezicht. Zooals ik later hoorde, was Hendrik Petersen een verre bloedverwant van mijnheer Krüger; hij had als vaandrig in een [27]Pruisisch infanterie-regiment gediend, maar was daaruit wegens een paar ondeugende streken ontslagen geworden. Op Krüger’s voorspraak had de Handel- en Plantage-Maatschappij hem in dienst genomen en naar Samoa gestuurd, waar hij vervolgens op de plantage Mulifanua gedeeltelijk op het kantoor, gedeeltelijk op de plantage zelf, als opzichter werkzaam was. Hij kon ongeveer zou oud zijn als ik, en maakte op mij, door zijn open, vriendelijk gelaat, een zeer aangenamen indruk. Wij dronken haastig een kop thee en stegen toen te paard, om naar de, op ongeveer een kilometer afstands gelegen plantage te rijden.

Deze was reeds in 1865 door de firma Godefroy aangelegd, en de eerste op het eiland Upolu; eenige jaren later volgden de plantages Vaitele en Veilele in het district Tuamusanga. Het geheele eiland is in drie districten verdeeld, waarvan Atua het oostelijkst is; in het midden ligt het district Tuamusanga met de hoofdstad Apia, terwijl Mulifana de voor naamste plaats van Aana, in het Westen, is.

In de onmiddellijke nabijheid van Mulifanua zag ik ook voor het eerst, een dorp van inlanders, dat een bijzonder liefelijken indruk op mij maakte. Elke hut, of liever gezegd, elk huis, want de meeste hebben een omvang van meer dan honderd voet, staat in de [28]schaduw van palmen en bananen en is gewoonlijk door een kleine suikerrietplantage omgeven; de geheele ruimte om zulk een huis wordt steeds zeer zindelijk gehouden. Het dak bestaat uit de bladeren van het suikerriet of van de bananen en heeft een lankwerpig ronden vorm; het rust op rond gesneden houten palen, die op een afstand van vier of vijf voet van elkander in den grond geheid worden. Ieder huis bestaat alleen uit een enkele groote ruimte, die gedurende den nacht gesloten wordt door zonneblinden, gemaakt van de nerven der palmbladeren; over dag is zij aan alle zijden open, zoodat in de woonkamers steeds frissche lucht is. De vloer van deze laatste bestaat uit een laag losse kiezelsteenen van verscheiden centimeters dikte, waarop dan kralen of kleine ronde steentjes gelegd worden; hierover legt men dichte matten. Naar Petersen, die mij in zulk een huis bracht, verzekerde, vormen deze matten op de geverfde onderlaag een uitstekende rustplaats, die daarenboven het grootste voordeel bezitten zou, nooit door ongedierte verontreinigd te worden. In het midden van deze ruimte staat een sterke gaffelvormige boomstam, die tot hoofdpilaar dient; deze, benevens de zijposten, zijn gemaakt uit het hout van den broodvruchtboom, dat duurzamer moet zijn dan andere houtsoorten. Naast de middelste [29]pilaar is een kleine, uit klei gemaakte haard aangebracht, die echter niet gebruikt wordt om er op te koken, maar alleen tot verlichting dient; in een kleinere hut, die zich op eenigen afstand van het woonhuis bevindt, wordt het eten bereid.

Als huisraad merkte ik slechts eenige gedroogde kokosnoten op, die als waterkannen gebruikt werden, terwijl een grooter aantal dwars doorgesneden noten tot bekers dienden. Verder zag ik verscheiden vliegenklappen van boomschors en waaiers, gevlochten van de bladnerven van den pandanus. Van tafels, stoelen en kasten zag ik niets.

Nadat wij dit huis, dat mij zeer interesseerde, bezichtigd hadden, stegen wij weer te paard en reden in gestrekten draf de twee heeren na, die reeds in de plantage aangekomen waren.

De plantage Mulifanua is aanmerkelijk grooter dan Vaitele of Veilele; de cultuur is er dezelfde als op de twee laatste; alleen wees mijnheer Krüger ons een theeplantage, op de noordelijke hellingen van den berg Tofu, als eerste proef, om de cultuur der theeplant op Samoa in te voeren. Zij groeide uitstekend evenals een uitgestrekte aanplanting cacaoboomen, die reeds rijke inkomsten opleverde.

Mijnheer Krüger had meer dan twee honderd werklieden [30]in de plantage, waarover hij het bestuur had; de meesten waren inboorlingen van de Salomons- en Tonga-eilanden, allen flink gebouwde, groote mannen van een donkere huidkleur, daar deze eilandbewoners tot het Melanezische ras behooren.

De eerste Salomons-eilander, dien ik zag, maakte een zeer eigenaardigen indruk op mij. Zijn gekroesd haar, dat wel zes decimeter lang kon zijn, was met kalk wit gemaakt, zoodat ik eerst meende, dat de man een pruik van vuil schapenvel op het hoofd gezet had. Toen ik hoorde, dat zoowel directeur Krüger, als een der opzichters, den werklieden orders gaven in een taal, die ik volstrekt niet verstaan kon, legde mijn vriend Petersen mij uit, dat, daar de bewoners van de afzonderlijke eilandengroepen allen verschillende talen spraken, men genoodzaakt geweest was, wilde men met hen onderhandelen kunnen, zich van verschillende idiomen te bedienen, die veel overeenkomst hebben met het Chineesche Pidjin-Engelsch. Wij hadden nog enkele uren vóór zonsondergang den tijd; directeur Beckmann gaf daarom op de theeplantage, waarop wij ons juist bevonden, den wensch te kennen, den top van den Tofuberg te bestijgen, vanwaar men een schoon uitzicht moest hebben, zooals hij zich nog van een vroegere reis herinnerde. [31]

Het was een tamelijk vermoeiend en inspannend werk, om zich door het dicht struikgewas, dat de helling van den berg tot den top bedekte, heen te worstelen, want deze bevond zich wel ongeveer duizend voet boven de theeplantage; maar onze moeite werd ruimschoots beloond, door het verrukkelijk vergezicht dat zich daar aan ons oog vertoonde.

Noordelijk, bijna voor onze voeten, zagen wij Mulifanua en de geheele oostkust tot de haven van Apia, met de landschappen Salapuala, Sasasa en minstens nog tien andere Samoaansche dorpen, terwijl wij aan onze linkerhand, in westelijke richting, eerst het eilandje Manono opmerkten, dat door een koraalrif met de westkunst van Upolu verbonden scheen te zijn; dan volgde het kleinste eilandje der geheele groep, Apolima, dat nog niet volkomen twee Engelsche vierkante mijlen groot is, en verder op verhief zich uit de zee, het groote Savaii, welks gebergte een hoogte van meer dan vijfduizend voet bereikt. Tusschen den berg Tofu en de noordkust strekte zich een groote vlakte uit, beplant met palmen, broodvruchtboomen enz, waartusschen men uitgestrekte velden kon opmerken, waarop de inlanders suikerriet, taro en yamwortels kweekten. Zuidwaarts zag men niets dan de groote, oneindige zee. [32]

Toen wij een paar uren later het stationsgebouw in Mulifanua weer bereikt hadden, was ik weliswaar erg moede, maar toch bijzonder in mijn schik over al het belangrijke en nieuwe, dat ik in den loop van den dag gezien had. Den volgenden morgen keerde directeur Beckmann in zijn boot naar Apia terug, terwijl ik onder leiding van den heer Krüger mijn werkzaamheden begon. Deze bestonden voornamelijk in boekhouden en het beheer voeren der kas. Het laatste was een zeer eenvoudig werk, daar het slechts de uitbetaling betrof van het loon der arbeiders op de plantage, en het salaris der opzichters; tot op heden had mijn voorganger Petersen op zeer primitieve wijze boek gehouden, volstrekt niet, zooals het op een handelskantoor behoort. Daar uit de boeken de jaarlijksche afrekening met ons hoofdkantoor te Apia, zoo nauwkeurig mogelijk moest opgemaakt worden, met bijvermelding welke hoeveelheden der verschillende produkten uit de geheele plantage, in den loop des jaars aan onze magazijnen en pakhuizen, door bemiddeling van Mulina geleverd waren, moesten deze leveranties nauwkeurig en stipt in de daarvoor bestemde boeken worden opgeteekend. Toen ik de jonge Petersen op de talrijke vergissingen bij het noteeren opmerkzaam maakte, antwoordde hij [33]lachend: “Beste vriend, ik had geen flauw begrip van boekhouderij, toen mijn ondeugende neef mij naar Samoa liet komen; ik ben soldaat geweest en versta van dien rommel verduiveld weinig. U zult die vervelende boeken wel weer gauw in orde maken, en u moest eigenlijk blij zijn, dat ik zoo weinig aanleg voor dezen handelstak heb, want anders had men u hier in het geheel niet heengestuurd.”

“Mijn luchthartige neef heeft hierin werkelijk gelijk, beste Arendt,” zeide mijnheer Krüger, die juist bij de laatste woorden van Petersen het kantoor binnen was gekomen. “Ik geloof, dat het het beste zou wezen, als u onder de vroegere noteering van uw voorganger maar een streep zettet, en van heden af maar op uw manier begont boek te houden. Ik heb te weinig tijd gehad, om het werk van mijn neef op het kantoor voldoende na te gaan, en eerst later heb ik de wanhopige verwarring opgemerkt, die hij teweeggebracht heeft. Daar buiten in de plantage is de jonge heer vrij wat beter op zijn plaats; hij heeft grooten tact om met de werklieden om te gaan, die hij flink onder tucht heeft, en toch is hij zeer bij hen bemind. De opzichters mogen hem ook om zijn vroolijk, welwillend karakter gaarne lijden.”

“Wel bedankt, waarde neef, voor die loftuiting,” [34]zeide Petersen lachend, “maar nog meer voor de bevrijding van die afschuwelijke boeken. Wanneer u en mijnheer Arendt mij dus niet meer noodig hebt, zal ik, met uw verlof, naar de plantage rijden, waar ik mij honderdmaal meer op mijn gemak gevoel, dan hier op dit muffe kantoor. Tot ziens dus, vanavond, vriend Arendt!”

Men kon den aardigen, beminlijken jongen man waarlijk niets kwalijk nemen, en evenmin lang boos op hem zijn; ik bracht dus mijn geschokt koopmansgevoel tot rust, en toog aan het werk, dat mij wachtte, nadat mijnheer Krüger mij nog eenige noodzakelijke aanwijzingen dienaangaande gegeven had. De eerste weken gingen zonder eenige stoornis voorbij; met het aanbreken van den dag stond ik op, en in de koele morgenuren werkte ik vlijtig op het kantoor tot elf uur; dan ging ik naar de veranda, achter het huis, vanwaar men een heerlijk uitzicht had op den prachtigen tuin, en gebruikte een uitstekend ontbijt, waaraan mijnheer Krüger en zijn neef Heinrich geregeld deelnamen. Beide heeren waren den geheelen voormiddag op de verschillende plantages bezig, en na het rustuur ging ik dagelijks mee, om zoo goed mogelijk op de hoogte te komen van den aard en de wijze van cultuur der verschillende voortbrengselen. Ik had mij [35]vlijtig op de studie van het Pidjin-Engelsch, zoowel als op die der Samoaansche taal toegelegd, ten einde mij bij ons werkvolk en ook bij de inlanders ten minste eenigszins verstaanbaar te maken.

Mijnheer Krüger en zijn neef waren beide talen volkomen machtig. Op een Zondag vertelde onze chef, dat hij een uitnoodiging voor ons ontvangen had, om bij een voornaam, zeer rijke Samoaner te komen dineeren. Deze was opperhoofd van een groot dorp, dat dicht bij de kust lag, tusschen Mulifanua en het landschap Sasana. Wij stegen derhalve om vier uur te paard en ongeveer een uur later bereikten wij het dorp, dat in een goed bebouwde lage vlakte lag, te midden van een schaduwrijk boschje van palmen, bananen en oranjeboomen, dat omringd was van uitgestrekte suikerriet- en katoenvelden. Het opperhoofd ontving ons voor zijn ruime woning met den welluidenden, Samoaanschen groet: “Talofa!” en ging ons toen voor naar de huiskamer, die aan alle zijden open was en waar wij wel een dozijn inboorlingen, mannen en vrouwen, aantroffen, die ons met vriendelijke gebaren de hand gaven.

De vrouwen en meisjes waren zonder uitzondering werkelijk mooie, lieve verschijningen; zij waren schoon gebouwd en hadden allen prachtige, donkerbruine [36]oogen met lange, zwarte wimpers; haar kleeding bestond uit den lendendoek van gekleurd katoen; een soort van lijfje en de lava-lava, die tot aan de knieën reikte; de volle, fraai gevormde armen, evenals de beenen onder de knie, waren bloot; op het donkere, meestal onbedekte haar droegen zij een klein soort van kapsel van dunne witte stof, versierd met bloemen en gekleurde steenen. Bijna alle vrouwen hadden kleine varkentjes op haar schoot, die bij de Samoaanschen de schoothondjes schenen te vervangen. Nadat wij ons op matten, in den familiekring van het opperhoofd en zijn gasten neergezet hadden, begon de maaltijd. Verscheiden jonge meisjes droegen de verschillende spijzen op, en wel in bananenblâren, waarin zij ook gebakken waren, want de Samoaner kent geen potten en pannen. De gerechten bestonden uit: gebakken speenvarkens, kippen, visch, brood- en yamvruchten, bananen en tarowortels, alles zeer zindelijk en smakelijk; bananenblâren dienden ook tot borden. Als dessert verscheen een soort van deeg “Tai-ai” genaamd, dat uit het fijn gewreven vleesch van de kokosnoot bereid, in kleine zakjes, van bladeren gemaakt, op de heete steenen van den haard wordt gebakken en heel lekker is. Het eten smaakte mij bijzonder goed, want het was zeer zindelijk [37]klaargemaakt en werd ook zoo toegediend.

Na afloop van den maaltijd werd een vrij groote schotel, zeer kunstig uit hout gesneden, midden op de mat gezet, die als tafel gebruikt werd. Ik wist niet, waartoe deze moest dienen, doch Petersen verklaarde mij dit: het was een kawa-bowl, die gebruikt werd om daarin dezen lievelingsdrank der meeste Zuidzee-eilanders klaar te maken.

Kort daarna verschenen vier mooie, jonge meisjes, die zeer schoone, witte tanden hadden; zij legden zich bij den bowl neder en gingen de kawa bereiden. Hiertoe werd de knol der kawa-plant (Piper methysticum) in dobbelsteentjes gesneden en door de meisjes fijn gekauwd; de gekauwde massa werd eenvoudig in den bowl uitgespuwd, met water verdund, en vervolgens met de handen omgeroerd. Toen werden met een stukje boomschors de houtvezels uit het mengsel opgevischt, waarop de meisjes in de handen klapten, tot teeken, dat de drank gereed was om gebruikt te worden.

Ik moet bekennen, dat mijn maag er tegen op begon te komen, dien kost, die er als aardappelmoes uitzag, te proeven; hij werd in kokosschalen rondgediend. Mijnheer Krüger, die zeker mijn afkeer op mijn gelaat gelezen had, gaf mij echter een teeken, dat ik [38]bepaald een ferme teug uit de mij aangeboden schaal moest nemen, indien ik onzen gastheer en zijn gasten niet diep wilde beleedigen. Toen de schaal dus bij mij kwam, nam ik met echte doodsverachting een slok van dezen, in dat land geliefkoosden drank, die naar zeepsop smaakt; ik vreesde het volgend half uur onpasselijk te worden, en kwam eerst weer op mijn verhaal, toen mijnheer Krüger mij en den overigen manlijken gasten een sigaar aanbood. Zooals ik later heb waargenomen, wonen er op Samoa Europeanen, die van lieverlede zelfs hartstochtelijke kawadrinkers zijn geworden, iets, wat mij totaal raadselachtig voorkomt; want voor mij bleef hij steeds een afschuwelijke drank. Na het gebruik van den kawabowl, werd de “Siva”, een Samoaansche dans, uitgevoerd. Deze “Siva,” die door een driestemmig lied begeleid wordt, begint met het heen en weer bewegen van het hoofd en bovenlichaam, het slaan met de vlakke hand, zooals bij het schoenmaken, op bovenarmen en dijbeenen, en het maken van allerlei arm- en beenbewegingen, terwijl met een stokje op een mat de maat wordt geslagen. Muziekinstrumenten zijn den Samoaners ten eenenmale onbekend, behalve de houten kerktrommels, door de zendelingen ingevoerd, die als klokken dienst doen. In den laatsten tijd gebruiken de inlanders ook [39]Europeesche trommels en signaalhorens in den oorlog.

Al de bewegingen der eerste danseres, een heel knap meisje, wier hoofd met edelgesteenten en paarlen versierd was, werden door de andere dansers en danseressen nauwkeurig nagebootst. In het begin werd de “Siva” tamelijk kalm uitgevoerd, doch spoedig kwam er meer leven onder de dansers; zij werden vuriger en voerden verscheidene grappige voorstellingen uit, waarin b.v. het gevecht met een slang, een onthoofding, de duivel, of de een of andere denkbeeldige persoonlijkheid de hoofdrol speelden. Het geheel bood een zeer eigenaardigen en verrassenden aanblik.

Onmiddellijk na het ophouden van den dans namen wij afscheid van het vriendelijke opperhoofd en diens gasten, en reden onder een heerlijken maneschijn naar Mulifanua terug. Ik was zeer tevreden over dit bezoek, dat mij voor het eerst in de gelegenheid stelde een blik te slaan op het huiselijk leven en de zeden en gewoonten der inboorlingen.

“Waart u niet verbaasd over den grappigen smaak der Samoaansche dames, om een varkentje als schoothondje te gebruiken?” vroeg Petersen mij, toen wij het dorp verlaten hadden.

“Nu, ik vond, dat die beestjes er heel zindelijk uitzagen; zij hadden ten minste geen vlooien, zooals [40]zoo menig lievelingshondje der Europeesche dames,” antwoordde ik. “En buitendien: ‘Chacun son gout’.”

[Inhoud]

Derde Hoofdstuk.

Koning Tamasese.

Weinig dagen na ons bezoek bij het opperhoofd kwam een kotter van onze maatschappij binnen, om een gedeelte van den oogst van onze plantage naar de groote magazijnen in Matafele, het westelijk deel van Apia, te brengen. Nu had ik het erg druk met het opmaken der cognossementen voor den kotter, waarin de verschillende producten, nauwkeurig naar gewicht of aantal, moesten worden opgegeven. Het nam verscheiden dagen in beslag, tot de oogst op karren, door buffels getrokken, van de plantages naar de haven vervoerd was, vanwaar hij, door groote platte booten aan boord van den kotter moest gebracht worden, daar deze, wegens de talrijke koraalriffen en ondiepten, slechts op eenigen afstand van het strand het anker kon uitwerpen.

Toen de kotter geladen was, ging ik zelf aan boord, [41]om, volgens opdracht van mijnheer Krüger naar Apia te varen en den directeur Beckmann een uitvoerig verslag van mijn chef over de werkzaamheden op de plantage in de afgeloopen maand te brengen, alsmede de noodige gelden ter uitbetaling der loonen en salarissen in ontvangst te nemen. De kotter, een aardig vaartuig van nog geen twee honderd ton (een ton is 2000 kg.), had op dek een kleine kampanje, (een soort van hut) waarin zich twee kajuiten (kleine slaapkamers) benevens de roef, of eetzaal bevonden, terwijl de kajuit van den kapitein benedendeks in den spiegel lag. Daar ik ’s avonds aan boord was gegaan, omdat het schip bij den eersten vloed den volgenden morgen zee zou kiezen, werd mij een der kajuiten aangewezen, terwijl de andere voor den stuurman bestemd was; de stuurman en de kapitein waren landgenooten van mij. De bemanning van den kotter, acht matrozen sterk, bestond uit Tonga-eilanders, die uitmuntende zeelui moesten zijn, volgens zeggen van den stuurman. Toen ik den volgenden morgen uit de kampanje trad, waren wij reeds een goede zeemijl van de kust verwijderd, en zetten, onder een zwakke bries, koers naar het Oosten.

Na een kleine drie uur, kregen wij de punt van de landengte Mulina in het gezicht, maar wij moesten door de [42]buitengewoon sterke branding, niet te dicht bij de kust komen, zoodat wij eerst tegen tien uur voormiddags in de haven van Apia konden binnenloopen en vlak tegenover Matafele het anker lieten vallen. In gezelschap van den kapitein, reed ik toen in diens sjees naar land en begaf ik mij naar het hoofdkantoor der firma, om mijn papieren af te geven. De heeren begroetten mij zeer hartelijk en noodigden mij uit aan hun lunch (tweede onbijt) deel te nemen, waarvoor het juist tijd was. Hierop liet de patroon mij door zijn boot naar Apia roeien, om mij den vrij langen weg langs de haven te besparen.

Directeur Beckmann ontving mij zeer vriendelijk en voegde mij eenige complimentjes toe over mijn werkzaamheden, nadat hij den brief van mijnheer Krüger had gelezen, die zich zeer gunstig over mij scheen te hebben uitgelaten.

“Kom vanavond bij ons soupeeren, beste Arendt,” zeide hij ten slotte; “ik zal tegen dien tijd voor uw chef mijn papieren gereed maken, die gij morgen naar Mulifanua kunt meenemen. Als gij vertrekt, kunt gij mijn boot gebruiken, die gemakkelijk morgenavond hier weer terug kan zijn.”

In het Hotel International nam ik mijn vroegere kamer en rustte eenige uren gedurende het heetste [43]gedeelte van den dag, waarna ik mij weer naar Matafele begaf, om de noodige gelden van den heer Krüger te ontvangen. Bij mijn terugkomst in het hotel gaf ik het geld aan den eigenaar in bewaring, en toen was het tijd aan de uitnoodiging van den directeur gevolg te geven.

Den volgenden morgen voer ik bij tijds in de boot, die de directeur ter mijner beschikking gesteld had, maar Mulifanua terug.

Ongeveer een week later, verscheen op het onverwachtst voor ons woonhuis een afdeeling van ongeveer veertig inlanders, aan wier hoofd een flink gebouwd man liep. Wij zaten juist op de veranda aan den voorkant thee te drinken, om daarna naar de plantage te gaan.

“Daar komt waarachtig Tamasese, de hoofdman der oproerlingen!” riep mijnheer Krüger uit, terwijl hij opsprong. “Wat zou die nu van mij willen hebben? Ga mee en laten wij hem en zijn lieden begroeten; hij is met de Duitschers bevriend.”

Wij volgden onzen chef naar het voorplein, waar Tamasese juist van het paard gestegen was en op het punt stond, de treden van het bordes op te gaan.

De tegenkoning van koning Malietoa, Laupopa, die op het schiereiland Mulina zijn verblijf houdt, was een [44]knappe man, van zeker zes voet lengte. Hij kon dertig jaar zijn en droeg een soort van kiel van een lichte, witte stof en den lava-lava van gekleurde zijde; in de linkerhand hield hij een zeer mooi geweer en om het hoofd had hij een witten doek gewonden, het teeken van de partij, waartoe hij behoorde. Hij gaf den heer Krüger, met wien hij persoonlijk bekend was, de hand en begroette hem met het gebruikelijke: “Talofa!” Evenzoo deed hij jegens Petersen en mij, waarna mijnheer Krüger hem naar de veranda leidde en hem een plaats aan onze tafel aanbood.

De soldaten, die zijn geleide uitmaakten, waren grootendeels flinke, knappe mannen, allen met buksen van een nieuwe constructie gewapend; om de heupen hadden zij een gordel gegespt, gevuld met patronen. Het bovenlichaam was omwonden met kransen van bladeren, om het hoofd droegen zij een witten doek, en om de lendenen den lava-lava van gekleurd katoen. Op een wenk van Tamasese begaven zich nog drie der inlanders op de veranda en kwamen bij ons zitten; zooals mijnheer Krüger mij toefluisterde, waren dit aanzienlijke hoofden der opstandelingen.

Petersen was intusschen in het huis verdwenen; na een poos kwam hij weer terug, gevolgd door twee bedienden, die een groote partij [45]flesschen bier van de Pschorr-brouwerij op de tafel plaatsten, terwijl hijzelf het opperhoofd en den anderen hoofden een kistje sigaren aanbood. Voor de soldaten, die op het voorplein in de schaduw der bananen een plaatsje gevonden hadden, waren verscheiden flesschen whiskey bestemd, die hun door Petersen zelf gebracht werden. Toen mijn chef uit zijn, met schuimend bier gevulden beker, Tamasese een dronk wijdde, hief ook deze vriendelijk lachend den zijnen op, zeggende: “manga!” wat zeker zooveel als ons “prosit” moest beteekenen, en ledigde hem toen in één teug. Den koning scheen onze vaderlandsche drank goed te smaken, want met korte tusschenpoozen herhaalde hij dezelfde plechtigheid met Petersen en mij.

Het lekkere bier maakte Tamasese langzamerhand wat spraakzamer, en spoedig verklaarde hij ons vrij openhartig, dat hij en zijn partij van jongsaf oprechte vriendschap voor de Duitschers gekoesterd hadden, en noch met Engeland, noch met de Vereenigde-Staten van Amerika iets te doen wilden hebben.

Duitschland was steeds bevriend geweest met zijn familie, en op den Duitschen keizer had hij nu al zijn hoop gevestigd om de zaken op Samoa weer geheel in orde te brengen. Daarom verzocht hij den heer Krüger, dien hij reeds sedert een paar jaar kende, [46]en die volkomen op de hoogte was van den toestand op Upolu, het daarheen te leiden, dat door bemiddeling der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, het eindelijk eens rustig en ordelijk mocht worden, op Samoa en dit in het vervolg alleen aan Duitschland zou toebehooren.

Mijnheer Krüger beantwoordde dit verzoek van den chef der opstandelingen zeer voorzichtig en diplomatisch, ten einde zich, zoo mogelijk, niet door een vaste belofte te verbinden, doch beloofde bij de eerste gelegenheid met den directeur Beckmann op deze zaak terug te komen.

Op dit oogenblik sprongen de soldaten van hun zitplaats op, en onder luid geschreeuw wezen zij op de naaste kust, die men van uit onze woning een geheel eind ver kon overzien. Wij zagen verscheiden booten van Apia vlug naderbij komen, die voor zoover wij zien konden, goed bemand waren. Mochten het oorlogsbooten der Malietoa-partij zijn, dan kon de zaak tamelijk onaangenaam worden; want zeer waarschijnlijk zouden de soldaten van Tamasese, reeds door het ongewone gebruik van de whiskey in een opgewonden stemming, er toe komen, om van ons grondgebied uit op de fel gehate vijanden te schieten, hetgeen dan door dezen met gelijke munt betaald zou [47]worden; zij zouden daartoe aan land moeten komen en de eerste strijd op onzen grond zou ontbrand zijn, ondanks de striktste onzijdigheid, die aan alle bezittingen der Handel- en Plantage-Maatschappij, verzekerd was.

Het bleek echter spoedig, dat de booten slechts vriendschappelijke bedoelingen hadden, want zij voeren verder in de richting naar Savii zonder in Mulifanua te landen. Toen de avond viel, nam de jonge, slimme koning der opstandelingen afscheid en keerde met zijn gevolg naar zijn vaste legerplaats terug, die, naar mijnheer Krüger mij zeide, op een afstand van ongeveer vier uur, tusschen de bergen was opgeslagen.

Na zijn vertrek, zeide ik tot de beide heeren: “Die soldaten-inlanders maken inderdaad een zeer aangenamen indruk en zijn zeker geen tegenstanders, die men niet behoeft te ontzien, daar zij met de nieuwste geweren gewapend zijn.”

“Zij zijn in werkelijkheid minder gevaarlijk dan men denken zou, beste Arendt,” antwoordde mijnheer Krüger. “De twee partijen, de aanhangers van Malietoa, die door de drie regeeringen als rechtmatig koning erkend is, zoowel als de opstandelingen, doen elkander inderdaad niet veel kwaad; hun oorlogvoeren bepaalt zich meestal tot het omhakken van de kokospalmen en [48]broodvruchtboomen der vijanden en de vernieling van hun suikerriet en andere vruchtdragende velden; en maar heel zelden komt het tot een ernstigen, bloedigen strijd, ondanks den bitteren haat, dien zij elkander toedragen. Door dergelijke verwoestingen verkeeren de twee partijen, t.w. de opstandelingen, dikwijls in grooten nood en lijden zij zelfs gebrek aan levensmiddelen.

Dan komen zij op de plantages van onze Maatschappij en nemen weg, wat hun aanstaat, hetgeen reeds tot tamelijk ernstige oneenigheden aanleiding heeft gegeven. Daar de bij Samoa liggende oorlogsschepen den last hebben, niet veel meer te doen dan een oog in het zeil te houden, en slechts nu en dan een teeken van leven te geven, om zoo mogelijk dergelijke rooverijen te beletten, dus alleen tusschenbeide te komen, wanneer het leven en het eigendom der Europeanen gevaar loopen, hebben de opstandelingen begrepen, dat zij van de oorlogsschepen niets te vreezen zouden hebben, zoolang zij den Europeanen geen lichamelijk leed toebrachten. Nog maar kort geleden hebben zij hun dwaling ingezien.

Zooals gij misschien reeds vernomen zult hebben, is Upolu in drie districten verdeeld: Tuamasanga, het middelste, waarin ook Apia ligt en de kazerne van Malietoa staat,—Aana, dat bewoond wordt door de [49]aanhangers van Tamasese, en Atua, het oostelijkst district, dat ook aan de opstandelingen behoort. In deze districten was het nu tot zulke ergerlijke plunderingen en verwoestingen van eenige Amerikaansche en Engelsche koloniën gekomen, dat de Engelsche kruiser “Curagao” en het Duitsche oorlogsschip “Buffard” zich genoodzaakt hadden gezien, tusschenbeide te komen; het kamp der Atua-opstandelingen werd beschoten en vernield, en toen de rebellen een goed heenkomen gezocht hadden in Salua-fata, moesten zij hun wapenen afgeven en zich aan koning Malietoa onderwerpen. Men is nu algemeen van oordeel, dat de oorlogsschepen, eveneens zullen handelen tegenover de opstandelingen in ons district, en hetzelfde van Tamasese verlangen zullen. Het is mijn innige overtuiging, dat dit sluwe opperhoofd der rebellen reeds op de hoogte was van het voorgevallene in het district Atua, en mij alleen een bezoek heeft gebracht, om zijn bijzondere vriendschap voor Duitschland en onze Maatschappij te kennen te geven; want hij stelt zich veel voor van onze hulp, bij een eventuëele keus tusschen hem en Malietoa.”

“Bent u al eens in het vaste kamp van Tamasese geweest, mijnheer Krüger?” vroeg ik.

“Neen, maar Hendrik heeft eenige maanden geleden [50]een uitnoodiging van het hoofd der opstandelingen aangenomen, en kan u er alles van vertellen.”

“Dit zoogenaamd vaste kamp ligt hier ongeveer vier uren vandaan bij het dorp Falelatei,” zeide Petersen, en het geleek wel kinderspeelgoed. Het is omringd door muren en heggen en beslaat ongeveer een oppervlakte van drie kilometer in het vierkant; ook is het voorzien van eenige wachttorens, ruw opgetrokken uit boomstammen, maar op die torens kon ik geen enkelen wachter ontdekken; het uitkijken was den braven soldaten zeker gaan vervelen. Het binnenste gedeelte van het kamp was met tallooze hutten bedekt, die van palmbladeren gemaakt waren en er echt armoedig uitzagen. Hier en daar zag ik eenige, ongeveer twee meter hooge verschansingen, die niet met elkander in gemeenschap stonden, zonder eenig bepaald plan aangebracht waren en als verdedigingswerk niet de minste waarde hadden. Tegenover dit kamp der rebellen, lag op zulk een geringen afstand, dat men het met het bloote oog duidelijk kon overzien, het kamp der regeeringstroepen, dat op dezelfde wijze scheen te zijn ingericht. Zooals ik zeg, het geheel maakte een kinderachtigen indruk op mij,” besloot Petersen.

“Nu, somtijds kan zulk kinderachtig soldaatje spelen [51]wel eens vrij ernstig worden,” zei mijnheer Krüger. “Ik herinner mij nog zeer goed het gevecht bij Fangalü, in het district Atua, waarin den 18en December 1888, alleen van de manschappen van onzen ‘Adler’ vijftien mariniers sneuvelden en acht en dertig man gewond werden. Maar nu zullen wij ter ruste gaan, mijneheeren, het is reeds laat geworden.”

Ongeveer een week na het bezoek van Tamasese, zaten wij op de veranda ’s avonds aan het souper, toen de oudste opzichter onzer plantage, plotseling in vollen draf op het voorplein kwam aanrijden, van het paard sprong en den heer Krüger haastig toeriep, dat de plantage Faletata, die aan de Duitsche firma Frings behoorde, door een troep oproerlingen geplunderd werd. De daar wonende bestuurder, een geboren Mecklenburger, dien wij persoonlijk kenden, had hem een zijner zoons gezonden en om hulp gevraagd, maar onze opzichter wilde niet zonder toestemming van den heer Krüger handelen.

“Het spreekt van zelf, dat wij onzen buurman helpen.” riep mijnheer Krüger uit. “Jij, Hendrik,” vervolgde hij zich tot zijn neef wendend, “en gij, beste Arendt, moeten dadelijk met Mertens (zoo heette de opzichter) naar de plantage gaan, waar gij dan zooveel werklieden meeneemt, als gij noodig oordeelt, om onzen vriend [52]Hüsmann, wiens plantage maar een klein uur van de onze ligt, te hulp te komen. Ik zelf kan u niet vergezellen, daar ik, zooals gij weet, sedert eenige dagen aan hevigen buikloop lijd. Laat vlug de paarden zadelen, neemt geweren en revolvers, en dan er van door, zoo snel de paarden maar loopen kunnen!”

Na een kleine tien minuten zaten wij in den zadel en galoppeerden over den goed onderhouden weg, naar onze plantage, die wij na een groot kwartier bereikten. Op het plein voor het woonhuis van den opzichter, vonden wij dezen, alsook het grootste gedeelte der werklieden bijeen; zij luisterden opgewonden naar het verhaal van een jongen Blanke, die misschien vijftien jaar oud kon zijn en, zooals Mertens mij zeide, de zoon van den directeur Hüsmann was.

Petersen, die het bevel voeren zou over de kleine expeditie, koos vlug een dozijn van de mannen uit Tonga uit, die zich dadelijk wapenen moesten met hun speren en de lange messen, die zij bij den oogst van het suikerriet gewoonlijk gebruikten; Mertens en nog twee van de blanke opzichters namen hun buksen en pistolen ter hand, voorzagen zich van kogels en kruit, en toen zette de kleine stoet zich onder aanvoering van den jongen Hüsmann in beweging. Wij lieten onze paarden in de factorij achter, daar de [53]jongen verklaard had, dat hij ons door het oerwoud over een bergrug leiden en ons zoo binnen het kwartier naar de plantage van zijn vader brengen zou.

De maan was intusschen ondergegaan, maar de heerlijke sterren aan den tropischen hemel verspreidden voldoend licht, om op het smalle pad, over den heuvel, onzen weg te kunnen vinden. Toen wij aan den voet van de berghelling gekomen waren, bracht de jonge Hüsmann ons langs den rand van een dichte katoenplantage, naar het voorplein van zijn vaders woning, die wij dadelijk binnentraden, nadat de knaap eerst het afgesproken teeken gegeven had.

De Mecklenburger, een flink gebouwd man, ontving ons in het ruime portaal met een vroolijken welkomstgroet. “God zij gedankt, mijn beste Petersen,” zeide hij tot dezen, met wien hij persoonlijk bekend was, terwijl hij hem hartelijk de hand schudde, “gij komt juist van pas met uw mannen; de vervloekte rekels zijn nu wel vertrokken, nadat ik ze uit de ramen aan den achterkant flink beschoten heb, maar ze hebben zich zeker allen tusschen het suikerriet en de katoenstruiken verstopt, en willen ons doen gelooven, dat zij weg zijn. Maar ga, als je belieft, eens mee naar de kamers, die op den tuin uitzien; daar staan mijn vrouw met de twee oudste jongens en een paar opzichters op den uitkijk.” [54]

Nadat Petersen mij met een paar woorden aan den directeur der factorij had geïntroduceerd, gaf deze mij de hand en bracht ons daarop in een vrij groote kamer met twee ramen, waarvoor wij Mevrouw Hüsmann met haar tweeden zoon Karel en twee blanke opzichters zagen staan, allen met geweren gewapend en door de open vensters oplettend uitkijkend in den tuin en de daarachter gelegen suikerriet- en katoenstruiken. De oudste zoon, Nicolaas, was, zooals Hüsmann ons zeide, met de twee andere opzichters in de kamer, die aan den anderen kant van het portaal lag.

Nadat ik de deftige dame, die mij den indruk gaf, zeer energiek te zijn, begroet had, begaf ik mij met Petersen naar het raam, om het voorplein te verkennen. Ik zag, dat er aan beide zijden van het woonhuis een lage, lange houten loods stond; dat waren de voorraadschuren, zooals Hüsmann mij nader uitlegde.

“Hebt u deze geheel zonder verdedigers gelaten, waarde Heer?” vroeg ik verwonderd.

“O, neen,” luidde het antwoord. “In iedere loods zijn tien mijner werklieden.”

“Maar dezen hebben alleen hun speren en messen, om zich tegen de met geweren gewapende Samoaners te kunnen verweren,” antwoordde ik, “daarmee zullen zij niet veel uitvoeren.” [55]

“Collega Arendt heeft groot gelijk,” zei Petersen. “De kerels, ik bedoel de rebellen, zullen bepaald trachten u de kokosnoten en andere eetwaren, die in de voorraadschuren liggen, afhandig te maken; want zij hebben stellig weer groot gebrek aan levensmiddelen, zooals zoo dikwijls bij hen het geval is. Het verbaast mij nog, dat zij uw kokospalmen niet omgehakt hebben.”

“Daar passen zij wel op,” gaf de directeur ten antwoord, “want dat doen zij alleen in den uitersten nood, omdat zij streng gestraft worden, wanneer men hen op diefstal van Duitsch eigendom op heeterdaad betrapt. Het plunderen van magazijnen schijnen zij niet zoo strafbaar te vinden.”

“Toch stel ik u voor,” zeide ik, “dat mijn collega Petersen en ik de loodsen met onze lieden bezetten, om uw oogst te redden, mijnheer Hüsmann. Wij zullen de inlanders met onze geweren wel op een afstand houden.”

“Gij hebt waarlijk gelijk, vriend Arendt,” riep Petersen uit. “Ik zie, dat gij bij de zes en zeventigen in Hamburg uw dienstjaar goed gebruikt hebt. Ik moest mij eigenlijk schamen, dat ik, als oudvaandrig, zelf niet op dit denkbeeld gekomen ben.”

“Troost u maar, beste Hendrik,” gaf ik lachend ten [56]antwoord. “Ik heb niet alleen mijn jaar uitgediend, maar ook mijn examen gedaan als reserve-officier en ben zelfs bijna twee jaar reserve-luitenant geweest, voor ik hier kwam.”

“A la bonne heure!” zeide Petersen, mij op militaire wijze groetend. “Geef, als het u belieft, uw verdere orders, luitenant!”

“Kom, kom, geen gekheid, Hendrik,” antwoordde ik. “Je bent al verscheiden jaren hier en kent het land en de menschen beter dan ik. Je moet de aanvoerder van onze kleine expeditie blijven. Ik had toch al gedacht, dat het beter was, de noodige maatregelen ter verdediging te nemen, dan hier onzen tijd te verspillen. De Samoaners kunnen zoo dadelijk hier zijn!”

“Mijnheer Arendt heeft het bij het rechte eind;” zeide de directeur. “Zoodra de sterren verbleeken of de hemel met wolken bedekt wordt, zijn de schelmen ons op de hielen.”

Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Hüsmann met een groot presenteerblad, waarop een flesch cognac en verscheiden likeurglaasjes stonden, en zij verzocht ons vriendelijk een hartsterking te nemen, vóór wij tot het bezetten der voorraadschuren overgingen. Ik zou de verdediging op mij nemen van de linkerloods terwijl Petersen de andere voor zijn rekening nam; [57]de directeur bleef als een soort reserve in het huis, dat door zijn eigen volk, opzichters en werklieden, verdedigd werd. Petersen had twee van onze opzichters, den oudsten zoon, benevens zes mannen uit Tonga ter zijner beschikking, terwijl ik met Kertens onzen eersten opzichter, de overige zes mannen uit Tonga en den jeugdigen Frans, de mij toegewezen voorraadschuur bezette. Deze had slechts enkele kleine openingen in de muren, die uit dunne aan elkander gevoegde planken bestonden; deze openingen konden uitstekend als schietgaten dienen, en, daar zij aan den voorkant ontbraken, liet ik de mannen uit Tonga met hun groote messen, binnen enkele minuten, nog drie zulke gaten aan die zijde maken. Intusschen waren er wolken komen opzetten, zoodat ik op eenigen afstand van de loods bijna niets meer kon onderscheiden, en, om nu niet door de inboorlingen, die zeker van deze duisternis voor een overrompeling gebruik zouden maken, verrast te worden, was het meer dan noodig, bij tijds van hun komst onderricht te zijn. Ik riep derhalve den jongen Frans, die een flinke, opgewekte knaap scheen te zijn, bij mij, en vroeg hem, of hij vlug door den tuin tot het eerste suikerrietveld durfde sluipen, waar hij zeker duidelijk zou kunnen hooren, wanneer de Samoaners de helling afdaalden om het gehucht te overvallen. [58]

“Ja, zeker, Mijnheer!” riep de jongen vroolijk uit. “Dat is maar een kleinigheid, waar niet veel moed toe noodig is. Maar ik zal mijn geweer hier laten, want het kon eens onverwachts afgaan, terwijl ik op handen en voeten naar het suikerriet kruip.”

“Nu, ik wist wel, dat je het aardig zoudt vinden, mijn jongen,” zeide ik goedkeurend tot Frans; ik deed de groote deur aan de lengtezijde van de loods voor hem open, en beloofde, dat ik hem daar weer terug zou wachten.

In gespannen verwachting had ik zeker wel een goed uur daar gestaan, zonder dat Mertens, die bij mij was, en ik nog het minste geruisch vernomen hadden, dat het naderen van menschen deed vermoeden. Juist had de opzichter tot mij gezegd: “Ik geloof niet, dat de kerels vannacht komen zullen; zij hebben zeker op de een of andere manier lont geroken,” toen plotseling, vlak voor ons een donkere gedaante van den grond opdook, die ons zacht toefluisterde: Zij komen, mijnheer Arendt! Een heele hoop, hoor!”

Vlug trokken wij den dapperen jongen, want het was inderdaad Frans, de deur in, sloten en grendelden deze, en gingen op onzen post bij de schietgaten, waarna Frans ons vertelde, dat hij geruimen tijd aan den kant van het suikerrietveld op den grond had gelegen [59]en oplettend geluisterd had, zonder eenig verdacht geruisch te vernemen. Eindelijk had hij duidelijk gehoord, dat iemand op de helling, op een dorren tak trapte; toen was hij overeind gekomen en had uit het aanhoudend geruisch opgemaakt, dat er een groot aantal menschen naar beneden kwamen; ook had hij enkele uitroepen gehoord, waarna hij zeker van zijn zaak geworden was en zich snel uit de voeten had gemaakt.

Het duurde nauwelijks een kwartier, toen wij reeds in de flauwe schemering, die slechts hier en daar door het licht eener ster tusschen de wolken verhelderd werd, een groot aantal donkere gedaanten konden onderscheiden, die voorzichtig, zonder het minste geruisch, door den tuin de groote deur van onze loods naderden. Zij konden nog nauwelijks tien stappen verwijderd zijn, toen Mertens en ik op de voorsten een schot losten. Bijna gelijktijdig vielen ook uit de loodsen, door Petersen bezet, schoten, waarop onmiddellijk een luid gehuil volgde; dit hield slechts kort aan; toen werd alles stil.

Klaarblijkelijk hadden de inlanders, in den eersten schrik over deze zeker niet verwachte ontvangst, zich zoo snel mogelijk door den tuin tot aan den rand van het suikerrietveld teruggetrokken. [60]

“Wij zullen de kerels wel weer gauw weerom hebben, Mijnheer Arendt, zeide Mertens,” die sedert verscheiden jaren in Samoa woonde en den aard der inlanders goed kende. “Zij zijn woedend, dat wij op hun komst voorbereid waren, maar nog meer verbitterd over het verlies der hunnen, wier dood of zware verwonding zij ongetwijfeld zullen wreken.” Het bleek, dat Mertens goed had gezien. Kort daarop riep Frans Hüsmann, die bij een der schietgaten aan den voorgevel post had gevat, ons toe: “Zij komen dezen kant uit, een heele menigte!”

Vlug sprong ik er heen, en zag inderdaad een troep donkere gedaanten ijlings naderkomen. Zonder aarzelen schoot ik mijn geweer met dubbelen loop af, en bemerkte bij het flikkeren der schoten, dat de voorsten groote takkenbossen droegen, dus waarschijnlijk van plan waren de loodsen in brand te steken.

Ik was niet weinig verschrikt bij de gedachte, hoe de muren, die uit dunne, door de zon uitgedroogde planken bestonden, als tondel moesten branden, doch spoedig wist ik, wat mij te doen stond; ik riep mijn Tonga-mannen, rukte de deur open en vloog naar den voorgevel, aan Mertens en den jeugdigen Frans, de bewaking voor de deur overlatend.

Wij kwamen geen oogenblik te vroeg op de bedreigde [61]plaats. Wel een dozijn inlanders hadden reeds een heelen hoop takken beneden aan den gevel neergeworpen en stonden op het punt dien in brand te steken, toen ik aan den hoek der loods verscheen, en onmiddellijk de zes kogels van mijn revolver op den verrasten vijand afschoot, terwijl mijn Tonga’s met vreeselijk krijgsgeschreeuw op de gehate Samoaners toesprongen en hen met hun lange messen te lijf vielen.

In den eersten schrik weken de aanvallers terug, maar spoedig drongen zij, met wel dertig landgenooten versterkt, woedend op ons in, zoodat wij na weinig minuten tot aan den muur moesten terugwijken. Daar ik geen tijd had, mijn revolver opnieuw te laden, moest ik met mijn hartsvanger de messtooten afweren, die op mij gemunt waren, en reeds had ik verscheiden steken in den rechterbovenarm ontvangen, toen de zaak een andere wending nam.

Van de rechterschuur, die in het geheel niet was aangevallen, kwam Petersen met de twee opzichters, Nicolaas Hüsmann en zijn zes Tonga’s haastig aanloopen, en overviel de Samoaners met revolverschoten en kolfslagen, terwijl bijna gelijktijdig Hüsmann met zijn zoon Karel en twee zijner bedienden uit het woonhuis kwam, om mij en den mijnen te hulp te komen. Wij tastten de inlanders nu van twee zijden [62]aan en joegen ze, na een korten tegenstand, door den tuin tot aan den zoom van het bosch, aan den voet der berghelling, terug. Petersen zette de vluchtelingen nog een eind weegs met de Tonga’s na, die zich als razenden midden onder de Samoaners wierpen en hen met hun messen aanvielen. Ik voelde hevige pijn in den rechterbovenarm en volgde den directeur Hüsmann daarom gaarne naar het woonhuis, terwijl zijn zoons met Mertens en de overige opzichters de ronde deden om de gebouwen en den tuin, ten einde zich te vergewissen, of geen inlanders zich daar verborgen hadden.

Mevrouw Hüsmann onderzocht mijn gewonden arm en bevond, dat ik een vrij diepen en breeden steek, benevens twee kleine verwondingen had bekomen; nadat zij de wonden had uitgewasschen,—waaruit duidelijk bleek, dat zij van dat soort van dingen veel verstand had,—bestreek zij ze met een koele, heilzame zalf en deed een linnen zwachtel om den bovenarm.

Toen Petersen en de overige Europeanen terugkwamen, vertelden zij wel een dozijn dooden, maar geen enkelen zwaar gewonde gevonden te hebben; ook hadden zij opgemerkt, dat niemand der inlanders, den witten doek, het herkenningsteeken der partij van de opstandelingen, om het hoofd gewonden had. [63]

“O, dat is nog volstrekt geen bewijs, dat de kerels niet tot de aanhangers van Tamasese behoord hebben!” riep Hüsmann uit. “Een doek kan gemakkelijk afgedaan en na den gepleegden roof weer omgebonden worden. Ik ben er vast van overtuigd, dat het opstandelingen geweest zijn, die weer eens groot gebrek aan de noodigste levensmiddelen hebben, en zich bij mij van nieuwen voorraad hebben willen voorzien. Zonder uw flinke hulp, zouden de schelmen hierin zeker geslaagd zijn. Ik en de mijnen danken u hartelijk,” zeide de wakkere Mecklenburger, terwijl hij ons zóó krachtig de hand drukte, dat ik een kreet van pijn niet weerhouden kon, hetgeen hem een verwijt van zijn vrouw berokkende.

“Pardon, Mijnheer Arendt, ik was een oogenblik vergeten, dat u tot de gewonden behoort,” zeide hij zich verontschuldigend. “Hoe staat het overigens met onze lieden?” vroeg hij zijn oudsten zoon.

“Er is niemand dood,” antwoordde Nicolaas, “maar wij hebben allen schrammen en weinig beteekenende messteken opgeloopen, voornamelijk met de schermutseling bij den voorgevel.”

“Twee van onze Tonga’s zijn nog al erg toegetakeld geworden,” zeide Petersen, “de anderen zijn vrijgekomen met enkele steken in gelaat en armen. Ik heb [64]ze in de loods gebracht, en mijnheer Mertens verzocht, hen morgen op een buffelkar naar de factorij te laten brengen.”

“Ik ga direct eens naar die stakkers kijken, anders bloeden zij misschien nog dood!” zeide Mevrouw Hüsmann. Nadat zij eerst van een laken een draagband gemaakt had, waarin ik mijn rechterarm moest leggen, ging de goede vrouw naar de loods, om de diepe wonden der beide Tonga’s te onderzoeken en te verbinden.

Bij haar terugkomst deelde zij ons mede, dat de gekwetsten weliswaar eenige diepe messteken in de borst gekregen hadden, maar dat zij toch na eenige uren rust vervoerd zouden kunnen worden.

Na ons met een kop sterke koffie verkwikt te hebben, begaven wij ons, onder geleide van Frans, weer op weg naar onze plantage, over de heuvelen en door het woud, daar de zon intusschen opgegaan was.

In de factorij bestegen Petersen en ik onze paarden, die wij daar gelaten hadden en kwamen een uur later weer in onze woning, waar mijnheer Krüger ons met ongeduld wachtte. Ik gevoelde mij zoo verzwakt door het bloedverlies, dat ik mij zeer spoedig naar mijn kamer begaf en naar bed ging, en het aan Petersen overliet, zijn neef een uitvoerig verslag te geven van alles, wat er dien dag was voorgevallen. [65]

[Inhoud]

Vierde Hoofdstuk.

Op Savaii. De Taifun.

Twee weken na dezen nachtelijken strijd met de opstandelingen vroeg mijnheer Krüger mij, hem op een tocht naar Matautu, een haven aan de noordkust van Savaii, te vergezellen. In de nabijheid van Matautu lag een kleinere plantage Vaipuli, die ook het eigendom was der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij en door een mijnheer Koning bestuurd werd. Mijn chef was echter met het oppertoezicht over deze ver verwijderde plantage belast, en moest meer dan eens in den loop van het jaar daarheen varen, om zich persoonlijk te overtuigen van den toenemenden bloei van elke cultuur. Op deze reis zou ik hem nu vergezellen en de boeken van den directeur nazien.

Daar de haven van Matautu meer dan dertig zeemijlen van Mulifanua verwijderd is, en de tocht in een open boot, dus vrij ongemakkelijk en ook niet zonder gevaar zou geweest zijn, te meer, omdat met den juist ingetreden West-moesson (Passaatwind) gewoonlijk zeer hevige winden waaien,—had mijnheer [66]Krüger den directeur Beckmann een van onze kotters gevraagd, waarmee wij de terugreis zouden aanvaarden.

De wonden in mijn rechterbovenarm waren nu volkomen genezen, en ik kon hem weer goed gebruiken. Op den morgen na het binnenloopen van den kotter, ging mijnheer Krüger met mij en onze twee bedienden aan boord, waarop het kleine, aardige schip dadelijk het anker lichtte en ons uit den bocht van Mulifanua bracht.

Nadat wij het eilandje Manono gepasseerd waren, moest de kotter verder van de kust afhouden, daar er uit het Noordwesten een vrij stevige bries opstak; de hemel was overigens helder, zoodat ik de geheele noordkust van Savaii duidelijk voor mij zag. Kapitein Johannsen en mijnheer Krüger waren zoo vriendelijk mij op enkele zeer vooruitstekende punten en de belangrijkste dorpen opmerkzaam te maken; ook maakten zij mij eenigermate bekend met de plaatselijke gesteldheid van dit grootste eiland der geheele Samoagroep.

Savaii wordt van het Oosten naar het Westen door twee bergketenen doorsneden, die bij enkele toppen een hoogte van meer dan vijfduizend voet bereiken en zeer vulkanisch zijn; uitgestrekte lavavelden bedekken den grond en bemoeilijken den landbouw zeer; door het gemis van groote rivieren is de bodem ook niet zeer vruchtbaar. In het binnenste gedeelte [67]van het eiland bevinden zich slechts hooge bergen en eenig hoogland met ondoordringbaar oerwoud bedekt; daarom is het bijna geheel onbewoond; alleen aan de kusten liggen vrij talrijke dorpen, voornamelijk aan de noordoost- en de zuidwest-kust. Langs de eerste strekt zich, ongeveer een zeemijl lang, een koraalrif uit, waarin zich slechts enkele openingen bevinden, die echter zoo weinig breedte hebben, dat alleen booten er door heen kunnen varen; de eenige haven aan de noordkust, die voor groote vaartuigen geschikt is, is de baai van Matautu, het doel van onzen tocht. Een indrukwekkenden aanblik geeft het scherp getande voorgebergte Tuasivi, de oostelijke punt van het eiland, dat meer dan duizend voet hoog is; aan zijn voet ligt het dorp Tofua, een station van het Engelsche zendelinggenootschap; het kerkje kan men op zee reeds van verre zien. Onder de talrijke, daaropvolgende dorpen langs de oostkust is Safotulafai wel het belangrijkste, omdat daar de residentie der opperhoofden gevestigd is, aan wie de bewoners van de geheele landstreek gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Tegen den middag kregen wij de landtong bij Matauta in het gezicht, waarop een hooge vlaggestok stond met de Duitsche vlag. Mijnheer Krüger vertelde mij, dat deze vlaggestok toebehoorde aan de woning [68]van den directeur Koning, die zich dit bekoorlijk plekje tot woonplaats had gekozen.

De ingang tot de haven van Matauta was breed genoeg voor grootere schepen, maar, naar ons de kapitein meedeelde, was deze bij hevige stormen uit het Noordwesten, volstrekt niet veilig, daar de inham aan de westzijde geheel open lag, terwijl deze aan den oost kant, beschut werd door de landtong, die ver in zee uitstak.

Daar kapitein Johannsen de aankomst van den kotter reeds van uit de zee, door drie schoten uit de twee kleine kanonnen had aangekondigd, die aan weerszijden van de kampanje op het achterdek geplaatst waren, werden wij dadelijk na de landing, door den heer Koning op het bolwerk ontvangen, en door een heerlijk schoon bosch van oranje-broodvruchtboomen, bananen en waaierpalmen naar het hooge gedeelte der landtong geleid. In een dergelijk boschje zagen wij een huis, dat op een villa geleek; de houten muren waren gewit, een zeldzaamheid op de eilanden, die mij nog niet opgevallen was. Op de veranda van dit fraaie gebouwtje, werden wij door een mooie, jonge vrouw, een inboorling van Samoa, met den gebruikelijken landsgroet, “Tafola” begroet, terwijl twee naast haar staande kinderen, een meisje van ongeveer acht [69]en een jongen van zes jaar, ons de hand gaven met de Duitsche woorden “Grüsz Gott!” Het waren de vrouw van mijnheer Koning, mevrouw Selina en hun kinderen Maria en Jan, allen bepaald allerliefste verschijningen, vooral het kleine meisje, dat er als een fee uitzag. Haar gelaatskleur was iets lichter dan die der inlanders en had veel overeenkomst met die der Spaansche vrouwen; van haar moeder had zij de prachtige, donkerbruine oogen met de lange, zwarte wimpers en het blauwzwarte haar geërfd, en zij had snoezig kleine handjes en voetjes. Het knaapje was ook een bekoorlijk ventje, dat heel vertrouwelijk met mij babbelde en mij, in vloeiend Duitsch, allerlei dingen vroeg. Moeder en kinderen waren op Europeesche wijze gekleed; natuurlijk bestond de stof uit dunne gekleurde zijde.

Kort daarna begaven wij ons achter het huis, naar de veranda, waar wij een heerlijk gezicht op de zee hadden en een rijk voorziene tafel ons met het lunch wachtte. Terwijl ik met de kinderen praatte, onderhield mijnheer Krüger zich met mevrouw Koning in het Samoaansch, daar laatstgenoemde zich maar zeer gebrekkig in onze moedertaal verstaanbaar kon maken. Ons lief Duitsch is, zooals men weet, voor vreemdelingen een zeer moeilijk te leeren taal.

Na het lunch deden wij een middagslaapje, en bestegen [70]daarop de gereedstaande paarden om naar de plantage te rijden, die ongeveer drie kilometer ver lag.

De plantenwereld langs den geheelen weg tusschen de kust en den voet van het gebergte, vond ik nog oneindig weelderiger dan in Upolu; toen ik hierover mijn verwondering uitdrukte, antwoordde mijnheer Koning:

“De smalle, lage landstreek, langs de geheele noordkust bestaat tot op het kleinste deeltje uit vloedgrond; het overige, veel grooter gedeelte wordt door uitgestrekte lavavelden bedekt. Deze lava maakte juist het aanleggen van plantages zoo buitengewoon moeilijk, doch, waar zij verminderd, of van zelf verweerd is, geeft zij een bodem, zóó vruchtbaar, als men zich maar denken kan, waarop iedere cultuur verwonderlijk goed gedijt. U kunt u echter gemakkelijk voorstellen, mijnheer Arendt, hoeveel werkkrachten er vereischt worden om zulk een lavaveld geschikt te maken om bebouwd te worden.”

In de plantage Matuata gekomen, vond ik alles zoo, als de directeur mij gezegd had. Het grootste gedeelte van de vlakteuitgebreidheid was beplant met kokospalmen, die gemiddeld wel honderd twintig voet hoog waren en onder hun prachtige bladerkroon zeer veel noten droegen; de cacaoboom groeide hier eveneens uitstekend en bracht, zooals mijnheer Koning ons verzekerde, [71]reeds een rijken oogst op, hoewel deze plantage slechts enkele jaren geleden, als proef ontgonnen was.

“Het doet mij genoegen zulks te hooren, waarde Koning,” zeide mijn chef; “bij ons, op Upolu hebben wij van onze cultuur met de cacaoboomen weinig pleizier gehad. Het schijnt, dat de grond hier op Savii gunstiger daarvoor is.”

“Ik zal u nu eens naar een kleine tabaksplantage brengen, mijnheer Krüger,” zeide Koning, toen wij het grootste gedeelte der plantage doorgewandeld hadden. “Verleden jaar lag er een schip uit Manilla in onze haven, voor anker; de kapitein wilde kopra en broodvruchten innemen en eenige averij herstellen; toen ik hem in onze plantage rondleidde, was hij van meening, dat op den ontgonnen lavabodem, de tabak ook wel goed gedijen zou. Hij gaf mij wat tabakszaad, dat hij aan boord had, met bestemming naar Nieuw-Zeeland, waar hij op de terugreis moest aanleggen. Ik heb er ongeveer een hectare mee bezaaid en dit jaar reeds een aardigen oogst aan tabaksbladeren gehad. Een mijner opzichters, een Maleier, heeft wel wat verstand van sigarenmaken, en heeft een honderd stuks voor mij gemaakt, die ik heel lekker vind. Als wij thuis zijn, kunt u ons fabrikaat wel eens probeeren, Heeren.” [72]

Tegen zes uur verlieten wij de plantage en kwamen een half uur later in de villa, op de landtong van Matauta aan.

Na het middagmaal brachten wij nog eenige uren op de veranda door, vanwaar wij een heerlijk uitzicht hadden op het voor ons liggend landschap en op de zee, die nu door de maan verlicht werden.

Het hooge, met dicht oerwoud bedekte, gebergte vormde een heerlijk schoonen achtergrond. Later op den avond dansten de twee bekoorlijke kinderen ter onzer eer een “Siva,” die aan gratie en bevalligheid alles overtrof, wat ik nog ooit gezien had.

Nog twee dagen brachten wij bij de beminlijke familie Koning door. Terwijl ik de boeken inzag, die door mijnheer Koning zelf bijgehouden waren, maakte mijn chef in diens gezelschap, uitstapjes òf naar de plantage, of verder westelijk langs de kust, om plekken uit te zoeken, die geschikt gemaakt konden worden tot het aanleggen van nieuwe plantages.

Na een hartelijk afscheid van mijnheer Koning en de zijnen, gingen wij vroeg aan boord van onzen kotter, om de terugreis naar Mulifanua te aanvaarden.

Wij konden ons ongeveer vijf zeemijlen van Matauta verwijderd hebben en zaten juist in de roef ons tweede ontbijt te gebruiken, toen de stuurman, die de wacht [73]op het dek had, binnenkwam en tot den kapitein zeide:

“Er komt een onweer opzetten, kapitein. De wind begint plotseling te schralen (tegen den boeg te waaien) en in het Zuidwesten is een donkere bank, die snel opkomt.”

Onmiddellijk sprongen wij op en begaven ons naar het dek. Inderdaad, de zeilen begonnen tegen de twee masten van den kotter te klapperen, een onmiskenbaar bewijs, dat de wind gedraaid was, terwijl de lucht in het Zuidwesten met zwarte wolken was bedekt, waarvan de randen een lichtgele tint hadden. Het was zoo donker geworden, dat wij zelfs de hooge bergen op Savaii niet meer konden zien.

“Een Taifun, een cykloon, o, hemel!” riep de kapitein eenigszins verschrikt uit. “Alle man op dek, stuurman!” commandeerde hij vervolgens. “Laat alle zeilen reven en vastbinden, maar vlug! De orkaan nadert met rassche schreden! Binnen weinig minuten zal hij hier zijn!”

Werkelijk zagen wij zeer spoedig, dat de zee zoo glad werd als een spiegel, alsof zij met groote kracht neergedrukt werd; de duisternis nam toe; het werd nacht om ons heen. Plotseling werden in Zuidwestelijke richting, hooge, schuimende golven zichtbaar, die snel naderden, en met zulk een geraas, alsof vele honderden [74]paarden over de straatsteenen galoppeerden, en daar trof opeens de orkaan onzen kleinen kotter zoo geweldig, dat hij letterlijk heen en weer schudde en op bakboordzijde kwam te liggen, zoodat ik elk oogenblik geloofde, dat wij zouden kenteren, d.i. omslaan.

Gelukkig hadden onze wakkere Tonga-matrozen in dien korten tijd alle zeilen aan den hoofdmast en het groote zeil aan den bezaansmast vastgemaakt, terwijl de kapitein zelf het roer gegrepen had, waarmee hij het schip zoo ver omdraaide, dat het de breedtezijde niet meer aan den storm blootstelde, en weer overeind kwam. De kotter slingerde intusschen geweldig, zoodat mijnheer Krüger en ik genoodzaakt waren, ons uit alle macht aan den wand der kleine kampanje vast te klemmen, wilden wij niet over boord geworpen worden.

Toen de eerste stoot voorbij was, begon de zee zoo hoog te staan, dat de golven voortdurend over het hek (achterschip) zulk een massa water wierpen, dat het ons tot de borst reikte en wij ieder oogenblik vreesden, meegespoeld te zullen worden. Onze kleine kotter vloog als een meeuw, door den storm voortgedreven, over het water en was soms bijna geheel bedolven onder de geweldige watermassa’s, die over het achterschip heensloegen. Het vaartuig was niet hoog, [75]maar bood dapper weerstand aan de woedende golven, omdat het ondanks zijn geringen omvang bijzonder stevig gebouwd was, en de boeg zich telkens veerkrachtig uit de golven ophief, wanneer ik reeds dacht, dat wij in de diepte zouden verdwijnen. Op eens hoorden wij een vreeselijk gekraak; wij dachten niet anders, of het was met ons gedaan. De kapitein, die dicht bij ons, met den stuurman samen, het roer vastgegrepen had, wees met den arm naar voren en riep ons toe, zoo hard hij kon: “De mast is gebroken!”

Toen wij in die richting keken, zagen wij inderdaad, dat de hoofdmast eenige meters boven het dek afgebroken was en met de raas overboord hing. De storm had waarschijnlijk een zeil losgerukt en door den geweldigen druk den mast doorgebroken.

Ondanks het groote gevaar, door de golven van het schip geslagen te worden, liet de wakkere kapitein het roer aan den stuurman alleen over, greep een bijl, die aan den zijwand der kampanje hing, en haastte zich, terwijl hij zich met een hand langs de verschansing voortwerkte, naar voren, waar hij door verscheiden Tonga’s geholpen, met inspanning van al zijn krachten de touwen, tusschen den hoofdmast en de verschansing begon stuk te hakken. Hoe gevaarlijk dit werk ook was, moest het toch noodzakelijk [76]ten uitvoer gebracht worden, daar het gedeelte van den mast, dat over boord hing, licht een gat in den zijwand van het schip had kunnen stooten, en dan zouden wij reddeloos verloren geweest zijn. Na een goed kwartier, dat mij wel een eeuwigheid toescheen, kwam de kapitein op het achterdek en nam zijn plaats bij het roer weer in. De kotter slingerde nu zoo ontzettend, dat Krüger en ik ons nauwelijks meer konden vasthouden; maar, als de krachten ons begaven, zouden wij ongetwijfeld over boord geslagen worden; hiervan waren wij ons volkomen bewust, en daarom deden wij, wat wij konden, en klemden ons aan de deurstijlen vast, zonder die ook maar een seconde los te laten.

Wij konden in dien gevaarvollen toestand wel twee uren, die zeker nooit uit onze gedachte zullen gaan, doorgebracht hebben, toen de orkaan even snel bedaarde, als hij was opgekomen; alleen stond de zee geweldig hoog en voortdurend wierp zij geheele waterstroomen op het dek; het vreeselijke loeien van den storm had ten minste opgehouden.

De kapitein zond nu den stuurman naar voren met het bevel, al de matrozen op het achterdek te roepen, om te beproeven, aan den bezaansmast, die was blijven staan, een zoogenaamd stormzeil, een klein driehoekig zeil van zeer sterk linnen, op te hijschen. Na vele [77]vergeefsche pogingen gelukte dit eindelijk, en de gevolgen bleven niet uit. De kotter slingerde niet meer zoo vreeselijk, en begon weer naar het roer te luisteren, zoodat hij rustiger in het water lag en zich ook vrij snel voortbewoog, daar de wind nog altijd krachtig genoeg was, hoewel niet zoo sterk meer als gedurende den orkaan.

De hemel was nog altijd met wolken bedekt en weldra viel een echt tropische regen in stroomen op ons neder. Nu de kotter minder hevig slingerde, waren wij niet meer genoodzaakt ons zoo krampachtig vast te klemmen, en dat was gelukkig, want onze krachten waren werkelijk uitgeput. Wij begaven ons naar onze kajuiten om, voor wij iets anders deden, droog ondergoed en droge kleeren aan te trekken, want wij waren tot op het hemd nat. Daarna kwamen wij in de roef bij elkander en versterkten ons met een paar glazen cognac, om onze levensgeesten, die door den doorgestanen angst en de groote vermoeienis zeer verzwakt waren, wat op te wekken. Juist hadden wij een sigaar opgestoken, toen de stuurman, doornat van den regen, bij ons binnentrad en den kapitein met een ernstig gelaat meedeelde, dat een der matrozen hem was komen zeggen, dat er in het voorste gedeelte van het schip, onder het benedendek, [78]zeker een lek moest zijn, daar hij duidelijk het ruischen van water in het ruim had vernomen,

Onmiddellijk haastte kapitein Johannsen zich daarheen, om zich van den toestand te vergewissen. Na een half uur keerde hij terug met de tijding, dat de kotter inderdaad een lek bekomen had, en dat het geheele ruim reeds vol water stond. Waarschijnlijk was de legger of steekbalk van den hoofdmast beneden in den kolsem (dwarse, dikke kielbalk) door het breken van den mast, los gaan staan, waardoor eenige planken aan bakboordzijde van elkander geweken waren.

“Ik zal trachten,” zeide de kapitein, “het schip door uitpompen zoolang vlot te houden, tot wij op een der eilandjes kunnen landen, die hier in de buurt moeten liggen. Tot mijn spijt kan ik volstrekt niet bepalen, waar wij ons op het oogenblik bevinden, want met deze duisternis ben ik niet in staat de vereischte berekeningen dienaangaande te maken. Voor zoover ik echter kan nagaan, moeten wij honderd zeemijlen noordelijk van Savaii zijn. De vreeselijke orkaan heeft den kotter zelfs met razende snelheid juist naar het Noorden over het water gejaagd. God geve, dat wij spoedig land mogen zien, anders zijn wij verloren, want het uitpompen zal wel niet veel helpen.”

“Het spreekt van zelf, kapitein,” zeide mijnheer Krüger, [79]“dat wij, zooveel als in ons vermogen is, onze hulp bij het pompen verleenen; uw Tonga’s zullen wel spoedig geheel uitgeput zijn.”

“Ik neem uw aanbod in dank aan, mijnheer Krüger,” antwoordde kapitein Johannsen. “De stuurman zal zich ook naar de scheepspomp begeven, terwijl ik het roer overneem.”

Gelukkig had de regen opgehouden, toen wij naar den romp van den gebroken mast gingen, waar de scheepspompen waren; wij bleven dus ten minste van boven droog, want tot aan de knieën stonden wij in het water, daar de onstuimige zee nog van tijd tot tijd hooge golven over het dek wierp.

Langer dan een uur hadden wij onafgebroken den pompslinger op en neer bewogen; het zweet brak ons van alle kanten uit. Een massa vuil water hadden wij uit het ruim op het dek gepompt; het vloeide nu door de spuigaten (opening in het dek) in de zee, maar toch bleef de waterstand in het ruim even hoog, zooals de stuurman door dikwijls herhaalde peilingen gewaar werd; maar stijgen deed hij ook niet. Het kwam er dus op aan, het werk met alle kracht voort te zetten. Eindelijk, het liep tegen vijf uur, riep een der matrozen, die vooraan op den boeg stond: “De branding vlak voor ons!” [80]

Werkelijk zagen wij recht voor ons uit, een geweldige branding, maar wij waren er nog wel een zeemijl van verwijderd. Het was duidelijk, dat zich daar een uitgestrekt koraalrif bevond, waartegen de golven met groot geweld braken, zoodat wij het schuim hoog zagen opspatten. Noch de kapitein aan het roer, noch de stuurman konden met hun verrekijkers een opening ontdekken in het rif, waar de wind ons in rechte lijn heen dreef; een schipbreuk kwam ons dus onvermijdelijk voor. Op dit oogenblik riep de kapitein verscheiden matrozen op het achterdek, liet het zeil aan den bezaansmast inbinden en wierp het roer naar stuurboord om, hetgeen tengevolge had, dat de kotter niet veel vooruitkwam en spoedig eenigszins afdreef. Toen daarop de grootere bezaan, evenals het kleinere stormzeil vastgemaakt waren, veranderde het schip na enkele minuten van koers en voer langzaam in oostelijke richting langs het rif, nauwelijks een kwartmijl van de gevaarlijke branding verwijderd.

Ondertusschen gingen wij onafgebroken met pompen voort, tot de kotter de oostpunt van het rif omzeilde, waarin wij zeer spoedig een opening ontdekten. De zee was daar aanmerkelijk kalmer dan aan de zuidzijde; de branding was er ook niet zoo sterk en vlak voor de opening was de zee zelfs zoo effen als een spiegel. [81]Het gelukte den kapitein, den kotter veilig door den tamelijk nauwen ingang, in een breede lagune (strandmeer) te brengen, waarvan het water zoo kalm en helder was, dat wij tot op den bodem konden zien. Juist hadden eenige matrozen mijnheer Krüger en mij afgelost en stonden wij vooraan op den boeg, toen ons in het midden der lagune een eiland in het oog viel, dat, voorzoover wij zien konden, niet heel groot was. Het geheele strand van het eiland was met hooge kokospalmen bedekt, waar tusschen wij verscheiden hutten zagen; in de nabijheid lagen ook eenige kano’s aan den oever. Toen ik mijn bevreemding uitdrukte, dat men in het ongewoon heldere water den bodem kon zien, legde mijnheer Krüger mij uit, dat de kleine koraaldiertjes alleen in zulk helder, schoon water hun riffen kunnen vormen; dit kan men bij alle eilanden in de Zuidzee waarnemen.

Niet ver van het strand liet kapitein Johannsen het anker vallen, en dadelijk hierop zagen wij, dat een kano, met een twaalftal inlanders bemand, van den oever stak en snel den kotter naderde. Na een paar minuten legde de boot bij onzen kotter aan en de eilanders klommen langs de valreep op het dek. Te oordeelen naar hun lichtbruine huidkleur, behoorden zij tot het Polynesische ras; tot kleeding hadden zij [82]niets dan een lendendoek, gemaakt van palmvezels; de armen en het bovenlichaam waren overal getatoeëerd en ieder had in de linkerhand een korte speer.

Het opperhoofd van de kleine schaar, die zich alleen van zijn metgezellen onderscheidde door een snoer van kralen, gekleurde steenen of schelpen, dat door het dikke haar geslingerd was, sprak den kapitein, die hem tegemoet trad aan, in een taal, waarvan wij geen enkel woord verstonden. De kapitein riep toen een van zijn Tonga’s en nu bleek het, dat deze zich, al was het dan ook gebrekkig, bij de eilanders verstaanbaar kon maken.

“Vraag het opperhoofd eens, hoe dit eiland heet,” gebood de kapitein.

“Olosenga, kapitein,” luidde het antwoord.

“O, nu kom ik op de hoogte,” zeide Johannsen, terwijl hij zich tot ons wendde, want wij waren natuurlijk dadelijk op het achterdek gekomen, toen de inboorlingen aan boord kwamen. “Zooals de kaart aanwijst, is het een klein eiland, aan alle zijden door een koraalrif omringd, en ongeveer honderd zeemijlen noordwaarts van Savaii gelegen. Het heet Olosenga of Swain, als ik mij niet vergis. Wij zullen hier, vrees ik, niet in de gelegenheid zijn, den kotter weer zeevaardig te maken, mijneheeren, maar, komaan, een echt zeeman verliest niet gauw den moed.” [83]

Op een wenk van den kapitein volgde het opperhoofd ons nu in de roef, waar wij hem een groot glas cognac gaven, dat hij met zichtbaar welgevallen ledigde. De eilanders, die op het dek gebleven waren, ontvingen van den stuurman eveneens een glas van het geliefkoosde vuurwater.

Nu liet de kapitein het opperhoofd door den matroos, die als tolk diende, vragen, of er aan het strand van het eiland ook een open vlakte was, waar de kotter onmiddellijk aan den oever, in het ondiepe water vastgelegd kon worden.

“Het is totaal onmogelijk,” zeide kapitein Johannsen, “het schip nog langer vlot te houden. Wij moeten het zonder mankeeren op het strand laten loopen, om de verschillende lekken te kunnen stoppen. Daar de orkaan onze eenige boot uit de davids (draaibare kranen) losgerukt en in zee geworpen heeft, kunnen wij het eiland niet verlaten, voor de kotter weer zeevaardig is. In de kleine kano’s der inlanders mogen wij het niet wagen, de reis naar het meer dan honderd zeemijlen verwijderde Savaii te ondernemen; het zou zelfs in onze boot, die maar een jol was, gevaarlijk geweest zijn, daar wij, bij den thans heerschenden west-moesson, ieder oogenblik door storm konden worden overvallen.”

Op dit oogenblik kwam de Tonga-matroos ons mededeelen, dat volgens zeggen van het opperhoofd, het [84]strand aan de noordkust van het kleine eiland veel vlakker was, dan de kust, die voor ons lag. Dadelijk liet de kapitein het anker weer lichten en zette den kotter langzaam in beweging, terwijl het opperhoofd met zijn metgezellen in de kano steeg en vooruit roeide om ons tegelijkertijd tot loods te dienen. Daar enkele matrozen voortdurend waren blijven pompen, was het water in het ruim ten minste niet gestegen en behoefden wij niet te vreezen plotseling in de diepte te verzinken.

Door den zwakken wind verliep er wel een half uur, vóór wij de noordkust van het eiland bereikten, waar wij, ongeveer tien minuten later, een kleinen bocht in het lage, zandige strand ontdekten. Het opperhoofd wenkte met de hand en wees op de uitmonding van een klein riviertje in het verst gelegen gedeelte van den bocht. De kapitein liet de zeilen reven, en de kotter gleed langzaam in die uitmonding en zat weldra in het ondiepe water aan den grond, zonder een hevigen stoot gekregen te hebben.

De matrozen moesten met pompen ophouden en eenige planken aan den oever leggen, die ons tot loopplank dienen konden. Wij haalden onze kleine bagage uit de kajuiten en gingen aan land, waar wij ons voorloopig in de schaduw van eenige bananen en oranjeboomen nedervlijden. [85]

Intusschen waren er nog verscheiden eilanders bij gekomen, die onder aanvoering van hun opperhoofd, den kapitein en den matrozen de behulpzame hand boden om den kotter, op de lekke bakboordzijde, zoo dicht mogelijk aan den oever van de beek op te trekken, waar hij vervolgens vast gelegd werd en dus geen water meer kon innemen. De matroos, die als kok fungeerde, had zijn ketels en eenige eetwaren aan land gebracht, en was, op een haard van eigen vinding, begonnen een krachtigen maaltijd klaar te maken, waaraan wij allen dringend behoefte hadden, want sinds vele uren hadden wij niets gegeten.

Het opperhoofd en de overige eilanders kregen tot belooning voor hun hulp eenige flesschen brandewijn en verwijderden zich toen weer in hun kano’s.

[Inhoud]

Vijfde Hoofdstuk.

Midden in den Grooten Oceaan.

Terwijl de kapitein en de stuurman het opzicht hielden over de matrozen bij het lossen van den ballast, uit het scheepsruim, nadat het binnengestroomde [86]water na weinig tijds uitgepompt was, hingen mijnheer Krüger en ik onze buksen over den schouder en gebruikten wij de weinige uren voor het invallen van de duisternis, om ten minste eenigszins op de hoogte te komen van den naasten omtrek onzer landingsplaats.

Wij gingen in westelijke richting langs het strand, dat overal met kokospalmen, bananen en broodvruchtboomen beplant was, doch konden noch beek, noch bron ontdekken, zoodat het kleine, nietige stroompje, waarin de kotter vastgelegd was, het eenige water op het eiland scheen te zijn. Ook zagen wij enkele hutten, maar deze waren geheel anders dan die op Upolu en Savaii; zij waren veel eenvoudiger, uit boomstammen opgetrokken en de daken bestonden uit breede bananenblâren. De bewoners dezer hutten schenen goedaardige menschen te zijn, want de mannen lachten ons vriendelijk toe; enkele gaven ons zelfs de hand en spraken eenige woorden, die wij natuurlijk niet verstonden, maar die in ieder geval een groet moesten beteekenen.

Het binnenste gedeelte van het eiland scheen geheel vlak; wij konden ten minste geen enkele verheffing van den grond bespeuren; een dicht bosch bedekte de geheele oppervlakte.

Na een goed uur kwamen wij weer op de landingsplaats [87]en deden den kapitein verslag, van hetgeen wij op onze wandeling gezien hadden. “Ja, het is een zoogenaamde Atol (koraalrif) met een eilandje in het midden, waarop de storm ons heengedreven heeft,” antwoordde de kapitein. “Ik heb vroeger de zeekaart van dit gedeelte van den Grooten Oceaan, benevens de daarop betrekking hebbende verklaringen, bestudeerd en herinner mij nu, dat Olosenga tot de groep der Tokelau-eilanden behoort en het zuidelijkste eiland dezer groep is. Het is nog niet eens zoo groot als Apolina, dat, zooals gij ziet, het kleinste der Samoa-eilanden is en heeft een oppervlakte van ongeveer anderhalve Engelsche vierkante mijl; ook is het slechts schraal bevolkt. Toch moeten wij den goeden God van ganscher harte danken, dat wij dat eiland bereikt hebben, vóór de kotter lek werd; het zou onmogelijk geweest zijn, hem, bij die hooge zee ook maar enkele uren vlot te houden.”

“Gij hebt gelijk, kapitein, wij hebben groote reden tot dankbaarheid,” antwoordde mijnheer Krüger. “Hoe lang, dunkt u, zullen wij op dit kleine lapje gronds midden in den Grooten Oceaan moeten blijven?”

“Dat kan wel verscheiden weken duren, beste mijnheer Krüger,” was het antwoord. “Mijn Tonga’s zijn niet zeer geoefend in het kalefateren (dichtstoppen) en het [88]uitwerpen van den ballast neemt minstens vier of vijf dagen in beslag, en, voor het scheepsruim geheel leeg is, kan er met het dichtmaken der planken volstrekt niet begonnen worden.”

“Dat is een heel treurig vooruitzicht, kapitein,” zeide mijn chef. “Mijn neef in Mulifanua zal zeer ongerust worden over ons lang uitblijven en zeker gelooven, dat wij op de een of andere manier verongelukt zijn. Mijnheer Beckmann zal dit ook denken, als er in zulk een langen tijd geen bericht van den kotter in Apia komt.”

“Zou het niet mogelijk zijn, kapitein, dat ik in een kano van de inlanders, met het opperhoofd en een paar zijner lieden naar Savaii overvoer, om ten minste mijnheer Koning bericht te geven van ons tegenwoordig verblijf,” vroeg ik. “Daar hij van het losbreken van den vreeselijken Taifun, kort na ons vertrek van Matautu, gehoord moet hebben, zal hij zeker overtuigd zijn, dat de kotter in den storm is vergaan.”

“Aan een tocht naar het eiland Savaii, honderd mijlen hier van daan, in een kano, valt niet te denken, mijn waarde heer,” antwoordde kapitein Johannsen. “Deze kleine bootjes kunnen alleen op de lagune, voor de vischvangst gebruikt worden; zij kunnen zich niet eens op de zee, buiten het rif wagen, daar zij bij [89]de geringste hooge zee dadelijk zouden omslaan. Als de inlanders hier zulke groote oorlogsvaartuigen als de Samoaners hadden, zou het eerder te beproeven zijn. Wij moeten dus geduld hebben, heeren, tot de kotter weer zee kan bouwen. Bovendien is geduld een noodzakelijke deugd voor iederen zeeman, en voorloopig moet gij u maar als zeelui beschouwen, wien een ongeluk overkomen is.”

“Tot mijn spijt moet ik u volkomen gelijk geven, kapitein Johannsen,” antwoordde mijnheer Krüger. “Met deze ontzettende hitte is het verblijf in de kleine roef en in de kajuiten bijna ondragelijk; dus daarom stel ik voor, om onder de bananen een tent op te slaan, waarin wij ten minste de nachten wat aangenamer kunnen doorbrengen.”

“Uitstekend, mijnheer Krüger. Ik zal den stuurman dadelijk last geven, om uit een paar reservezeilen en stokken zulk een tent in orde te doen maken, die voor ons vieren ruimte genoeg tot slapen heeft; ik zal het linnen ook met teer laten bestrijken, dan hebben wij ten minste bij de nu dikwijls neerstroomende regens een droog verblijf.”

In den loop van den volgenden voormiddag was de tent geheel gereed; de grond werd met matten belegd, die ons tot legerstede zouden dienen. [90]

De scheepskok had zijn tijd besteed, om in een kano, die het opperhoofd ter onzer beschikking gesteld had, naar het koraalrif te varen, en daarvan verscheiden stukken af te breken, die hij gebruikte om een tamelijken haard in elkaar te zetten, want noch op het strand, noch in het binnen-gedeelte was een enkele steen te vinden. Naar de kapitein ons meedeelde, bevatten de meeste der kleinere eilanden in den Grooten Oceaan geen steenen.

Nadat wij onze bagage in de tent gebracht hadden, gingen mijn chef en ik naar de oostkust van het eiland, om het opperhoofd uit naam van den kapitein een flesch brandewijn te brengen. Het was in ons belang de vriendschappelijke betrekkingen met dezen man te onderhouden, want hij kon het ons, indien hij wilde, onaangenaam genoeg maken.

Daar wij geen gesprek met hem konden voeren, stelden wij er ons mee tevreden, hem met een vriendelijk lachje de flesch te overhandigen; ze werd aangenomen met een handdruk, een grijnslach en enkele uitroepen, waarvan wij natuurlijk geen woord verstonden. Toen wij na eenigen tijd, van onze wandeling door het binnenste van het eiland weer op onze landingsplaats kwamen, liet de kok ons een vrij groote mand, uit boomschors vervaardigd vol versch gevangen visch [91]zien, die het opperhoofd juist in persoon was komen brengen, waarschijnlijk als een bewijs van zijn dankbaarheid voor den brandewijn.

Mijnheer Krüger en ik hadden op onzen weg door het binnen-gedeelte van het eiland, dat geheel met boomen beplant was, geen andere dieren kunnen ontdekken dan een menigte allerliefste kleine vogeltjes, en bij de hutten, die hier en daar aan het strand lagen, eenige varkens. Mijn chef dacht, dat deze jaren geleden van Savaii, of van een der kleine eilanden der Tokelau groep, ingevoerd waren.

Er was bijna een week verloopen, voor men den ballast zoover verwijderd had, dat men er aan denken kon aan het kalefateren der los geraakte planken te beginnen. Hiertoe moest de kotter zoo ver naar stuurboordzij omgehaald worden, dat de bakboordzij geheel boven water lag, aan dit werk moesten wij allen meehelpen, want de negen matrozen waren niet bij machte het zware schip door middel van hefboomen op een kant te leggen. Tegen den avond waren wij hierin geslaagd, maar wij, Europeanen, waren doodaf, want het was inderdaad geen kleinigheid, onder de gloeiende zonnestralen alle krachten zoo in te spannen.

Daar de kotter slechts een zeer kleine hoeveelheid werk aan boord had, moesten alle touwen uitgerafeld [92]worden, om het noodige stopmateriaal te verkrijgen, dat dan onder toezicht van den stuurman, door de matrozen in de reten der planken gestopt en met vloeibaar teer bestreken werd. Den Tonga’s, die weinig verstand van zulk werk hadden, ging het kalefateren langzaam van de hand, zoodat er bijna een week verliep, voor het lek zoo goed als gestopt was.

Mijnheer Krüger en ik hielden ons in dien tusschentijd bezig met visschen in de lagune, waarbij wij van een kleine kano gebruik maakten, die kapitein Johannsen van het opperhoofd voor een scheepsbijl ingeruild had. Wij deden dit niet alleen voor ons genoegen, maar ook ter wille van onze gemeenschappelijke keuken. De kapitein had ons namelijk op een morgen verteld, dat hij behalve wat pekelvleesch, nog maar enkele scheepsbeschuiten bezat, want de kotter had met de proviand niet op zulk een lange afwezigheid van Apia gerekend. Hij had gemeend, niet langer dan acht dagen op reis te zullen zijn.

Van de eilandbewoners was volstrekt niets te krijgen, wat wij voor ons levensonderhoud hadden kunnen gebruiken, daar zij zich uitsluitend met visch, kokosnoten en bananen voedden. Slechts zeer zelden gingen zij er toe over, een der weinige varkens te slachten, die zij bezaten. Toch was ik zoo gelukkig een varken [93]in te ruilen voor een bijl, die de kapitein mij tot dit doel gaf. Het dagelijksch gebruik van visch met beschuit, zonder een enkelen aardappel, stond ons spoedig tegen, zoodat wij, Europeanen, hartelijk naar een flink stuk vleesch verlangden.

Op een avond zaten wij voor onze tent en gebruikten ons bescheiden avondeten, waarbij kapitein Johannsen een van de weinige flesschen brandewijn schonk, die hij nog bezat, om een glas grog te kunnen drinken, en wij waren zeer in onzen schik, toen de kapitein ons mededeelde, dat de kotter binnen twee dagen dicht zou zijn, en weer te water zou kunnen gaan.

“Goddank!” riep mijnheer Krüger uit. “Het wordt waarlijk meer dan tijd, dat wij dit ellendig eiland verlaten! Het eeuwig visch eten met beschuit, gaat mij al geducht tegenstaan; ik geloof, dat ik in geen maanden visch zal kunnen zien.”

“Dat zal met ons ook wel het geval zijn, beste Heer,” antwoordde de kapitein. “Binnen enkele dagen zal de scheepsbeschuit ook op zijn. Het is nog een geluk, dat het beekje hier ten minste goed drinkwater heeft, anders hadden wij onzen dorst met het brakke regenwater, dat op enkele plaatsen in den grond zakt, moeten lesschen; de eilanders, die verder van de kust wonen, hebben niet anders dan dezen walgelijken drank. [94]

“Wanneer wij overmorgen den kotter te water gelaten hebben,” vervolgde de kapitein, “hebben wij nog een dag noodig, om op de plaats van den afgebroken hoofdmast een noodmast te maken, waarvoor wij een der voorhanden zijnde reservespaken gebruiken kunnen. Met de kleine zeilen aan den bezaansmast, zouden er verscheiden dagen mede heengaan, voor wij Mulifanua bereiken.”

“Kunt u dan niet naar Savaii overvaren, kapitein?” vroeg mijnheer Krüger. “Dat zal toch veel dichter bij zijn dan Mulifanua.”

“Het verschil is niet zoo heel groot, mijnheer Krüger,” antwoordde kapitein Johannsen; “als de kotter, naar ik hoop, zee kan bouwen, zal ik, in plaats van dadelijk naar het Zuiden te gaan, naar het Zuidoosten koers zetten, dan kunnen wij, als de wind eenigszins gunstig is, in vier en twintig uren te Mulifanua zijn.”

Juist wilden wij onze leden in de tent, op de neergelegde matten uitstrekken, toen wij door een luid geschreeuw, dat nader kwam, verhinderd werden; kort daarop verscheen het opperhoofd met een geheele schaar van zijn stamgenooten, en riep ons verscheiden woorden toe, die wij natuurlijk niet verstonden. Met een door angst verwrongen gelaat, [95]wees hij naar de richting waarin zijn hutten lagen.

Spoedig kwam de Tonga-neger, die zich bij de eilanders eenigszins verstaanbaar kon maken, aanloopen en vertelde ons, dat het kleine dorp van het opperhoofd overvallen was geworden door een groote menigte zijner vijandelijke stamgenooten, die in hun oorlogskano’s overgekomen waren van het eiland Fanualoa, dat ongeveer vijftig mijlen verder lag. Het opperhoofd en de zijnen, wier aantal veel te gering was, om zich tegen de vijanden te kunnen verdedigen, waren dadelijk naar ons gevlucht om onze hulp in te roepen.

“Zeker, wij willen de arme stakkers helpen, niet waar heeren?” riep de kapitein.

Vlug namen wij onze geweren en revolvers, terwijl de Tonga’s zich met bijlen en messen wapenden.

Nauwelijks waren de vrouwen en kinderen voor de tent neergehurkt, toen ongeveer zestig eilanders zich door de struiken een weg baanden en onder vreeselijk getier op ons afstormden, terwijl zij hun lange speren boven hun hoofden zwaaiden en korte, dikke stokken naar ons toe slingerden.

Zonder een oogenblik te aarzelen, schoten wij onze buksen op den razenden troep af, die bij het ongewone geluid van het knallen der geweren en het [96]flikkeren van het kruit, eerst doodelijk ontsteld bleven staan, om daarop met groote sprongen in de struiken te verdwijnen.

Na enkele oogenblikken schenen zij zich echter hersteld te hebben, want zij kwamen weer te voorschijn, wierpen enkele speren naar ons toe en drongen op ons in; maar, toen wij een onafgebroken vuur openden, dat op dezen kleinen afstand zijn uitwerking niet miste, keerden zij om en namen onder afgrijselijk geschreeuw de vlucht. Onze Tonga’s, wier krijgshaftige aard opgewekt was, volgden de vluchtenden op de hielen en hieuwen er met bijlen en messen dapper op los; onze eilanders deden eveneens en wierpen hun speren tusschen de vijanden. Toen wij, Europeanen, die de vervolgers wat langzamer achterna zetten, het strand en de hutten der inboorlingen bereikt hadden, zagen wij bij den helderen maneschijn drie groote kano’s, die zoo snel mogelijk over de lagune naar den ingang geroeid werden.

Op den terugtocht naar onze landingsplaats vertelde de Tonga-matroos, die tot tolk diende, dat, naar het opperhoofd hem had medegedeeld, de bewoners der andere eilanden reeds verscheiden keeren bij hen gekomen waren, om eenige mannen van Olosenga gevangen te nemen, die zij dan naar hun land meenamen [97]en daar opaten. “Nu, ditmaal zullen onze eilanders een overvloedig maal hebben aan hun vijanden, die door ons gedood zijn; want,” zoo eindigde hij zijn mededeeling, “dezen zijn precies zulke kannibalen als zij.”

Twee dagen na deze gebeurtenis lag onze kotter kant en klaar voor anker midden in de lagune. Nog laat in den avond brachten wij onze kleine bagage aan boord en staken den volgenden morgen vroegtijdig in zee. Noch het opperhoofd, noch een der eilanders hadden zich intusschen vertoond; waarschijnlijk waren zij te druk aan hun afschuwelijken maaltijd bezig.

Door den zwakken Zuidwestenwind ging de kotter maar langzaam vooruit, daar wij behalve het bezaanzeil een klein zeil aan den noodmast bevestigen konden. Die noodmast was een spaak, vastgemaakt aan het afgebroken gedeelte van den mast. Zoo kwam het, dat wij eerst tegen den middag van den volgenden dag, den berg Tofu in het gezicht kregen en eenige uren later liepen wij de haven van Mulifanua binnen. De kleine kano werd te water gelaten, wij namen hartelijk afscheid van den flinken kapitein Johannsen en den stuurman, en lieten ons naar land roeien door drie matrozen, die wij met een ruime fooi, welke zij met hun andere makkers moesten deelen, voor hun [98]moed en volharding in de gelukkig doorstane gevaren der laatste weken, beloonden.

Met welke gevoelens van dankbaarheid jegens de Voorzienigheid, mijnheer Krüger en ik aan land gingen, zal ik wel niet behoeven te zeggen. Bij het opgaan van de stoep van het woonhuis, werden wij door Hendrik Petersen, die op de veranda thee dronk, bijna omvergeloopen, zoo woest sprong hij ons tegemoet en omhelsde hij ons.

“Goddank!” riep hij uit, “God zij geloofd, mijn beste, brave, waarde neef, en jij, mijn beste Herman, dat ik jullie weer levend voor mij zie!” En bij deze woorden liepen den jongen man de tranen over de wangen. “Wat zal directeur Beckmann gelukkig zijn, als kapitein Johannsen hem vanavond nog de tijding van je gelukkige redding brengt! Hij heeft al tweemaal door een renbode laten vragen, of ik geen bericht van jullie had gekregen! Wij moesten wel denken, dat jullie verongelukt waart, na ontvangst van den brief van mijnheer Koning, dien deze mij twee dagen na dien vreeselijken storm zond en waarin hij vroeg, of de kotter hier veilig binnengeloopen was.”

“Ja, beste jongen,” antwoordde mijnheer Krüger getroffen over de zichtbare aandoening van den anders zoo [99]vroolijken, zorgeloozen jongen man. “Het heeft werkelijk niet veel gescheeld, of de kotter was met man en muis naar ‘kapitein Jack’ gegaan, zooals de Engelschman zegt. Zoo oud als ik ben, heb ik nog nimmer zulk een storm, zulke golven gezien. Maar, beste vriend, bezorg ons nu zoo gauw mogelijk wat goeds te eten en te drinken; wij verlangen daar sterk naar, want in de laatste weken was ‘schraalhans keukenmeester’ bij ons. Onder tafel zullen wij alles vertellen, wat wij ondervonden hebben.”

Zoodra wij een verfrisschend bad genomen, en andere kleeren aangetrokken hadden, hetgeen ons een groot gevoel van welbehagelijkheid gaf,—want met de ontzettende hitte had het er met ons ondergoed slecht uitgezien —begaven wij ons weer naar de veranda, waar wij een welvoorzienen disch gereed vonden. Toen wij het overvloedige maal alle eer bewezen en ook eenige glazen champagne gedronken hadden, waarbij Hendrik de opmerking ten beste gaf, dat hij ter eere van de twee verloren en teruggevonden zonen toch iets extra’s moest doen, staken wij een sigaar op, een genot, dat wij lang ontbeerd hadden, en toen vertelden wij alles van de uitgestane gevaren gedurende den Taifun en ons verblijf op het eilandje Olosenga. Vroegtijdig begaven wij ons echter naar onze vertrekken, want, zoowel [100]mijnheer Krüger als ik, gevoelden ons toch vrij aangepakt door de geleden vermoeienissen.

[Inhoud]

Zesde Hoofdstuk.

Kerstmis op Upolu

Den volgenden morgen voer mijnheer Krüger in onze groote boot naar Apia, om directeur Beckmann persoonlijk bericht te geven van de gebeurtenissen der laatste vier weken en in Matafele aan het hoofdkantoor van onze maatschappij, het noodige geld in ontvangst te nemen, om het achterstallig loon uit te betalen.

Na zijn vertrek reed ik met Petersen naar de plantage. Onder het ontbijt had mijn vriend Hendrik mij namelijk medegedeeld, dat hij het aan den directeur overgelaten had, den verkoop der verschillende voortbrengselen in een kladboek te noteeren, daar hij vreesde in mijn nette boeken verwarring te brengen. Ik was zeer in mijn schik over deze handelwijze en vroeg hem, wat hij toch wel gedaan zou hebben, als onze kotter vergaan was. [101]

“Wel, dan zou de hoogedele directie wel een nieuwen boekhouder hierheen gestuurd hebben, beste vriend,” zeide hij heel kalmpjes. “Maar,” voegde hij er bij, terwijl hij mij hartelijk de hand drukte, “ik ben innig dankbaar, dat het niet noodig geweest is!”

De goede heer Mertens was ook heel blij mij weder te zien, en hij noodigde ons dadelijk uit tot een flink ontbijt, waarbij het niet aan bier ontbrak; hij luisterde met belangstelling naar het verhaal van onze avonturen.

Terwijl Petersen in de plantage naar het kweekgras ging kijken, liet ik mij door den directeur hetgeen hij geboekt had, toonen en nader verklaren en keerde daarna met mijn vriend naar het woonhuis terug, om te dineeren.

De eerste dagen gingen met het gewone werk rustig en kalm voorbij. Intusschen hadden wij kennis gemaakt met den directeur van het protestantsche zendelinggenootschap in Mulifanua, een mijnheer Forstner, die op kleinen afstand van het stadje in het Zendelingen-gebouw woonde. Mijnheer Forstner, of liever dominee Forstner, zooals hij doorgaans genoemd werd, was een zeer beminnelijk, hoogst beschaafd man, van ongeveer veertig jaar, die de algemeene liefde en achting zijner gemeente genoot, evenals zijn vrouw, met wie hij verscheiden jaren geleden in Duitschland [102]gehuwd was. De dominee had bijna een jaar wegens zaken, de zending betreffende, op de Maarschalks-eilanden, vertoefd, waardoor ik nog geen gelegenheid gehad had, kennis met hem te maken. Ik was wel eens in gezelschap geweest met zijn plaatsvervanger, een jonger man, toen deze bij mijnheer Krüger een bezoek bracht; maar ik gevoelde mij niet bijzonder tot dezen heer Sievers aangetrokken, daar hij zich zeer trotsch en allesbehalve vriendelijk voordeed. Den eersten Zondag, nadat Dominee Forstner ons kort na zijn terugkomst een bezoek had gebracht, begaven wij ons alle drie naar de zendelingen-kerk om de godsdienstoefening bij te wonen.

Het kerkje met zijn gewitte muren en slanken toren lag op een heuvel, bijna een halven kilometer van het strand en zag er bijzonder vriendelijk uit. Door het vellen der boomen op den heuveltop, was een open ruimte ontstaan, waarop het kerkje stond, terwijl voor de beide geestelijken, aan den rand dezer ruimte, in de schaduw der bananen en broodvruchtboomen, twee kleine huizen gebouwd waren, welker muren ook gewit waren. Aan de overzijde, in de schaduw, bevond zich een ander, grooter gebouw, dat op een lange, open loods geleek; dat was de school, waarin de kinderen der inlanders door den dominee, den heer [103]Sievers, en mevrouw Forstner, in de geheimen van het lezen, schrijven en rekenen, en eenvoudige handwerken ingewijd werden.

In het schip der kerk, waarvan deuren en vensters wijd open stonden, vonden wij een vrij talrijk gehoor van mannen en vrouwen, die onder begeleiding van een harmonium, door mijnheer Sievers bespeeld, een lied zongen uit een gezangboek in de Samoaansche taal, en veel welluidender en beter, dan men in de kerken van ons vaderland te hooren krijgt.

Op het gezang volgde een preek, die dominee Forstner natuurlijk ook in de taal der inboorlingen hield, waarop ten slotte nog eenige coupletten gezongen werden. Op het kerkplein stonden de meeste gemeenteleden te wachten, om hun geachten predikant, dien zij in zulk een langen tijd niet gezien hadden, hartelijk te begroeten. Zoowel vrouwen als mannen gaven hem vriendelijk de hand en riepen hem hun welluidend: “Talofa!” toe.

Daar wij zagen, hoe de dominee van alle kanten omringd werd, namen wij afscheid, nadat mijnheer Krüger hem met zijn vrouw en mijnheer Sievers ten eten had genoodigd, en de belofte had verkregen, dat de twee dochtertjes ook zouden meekomen.

Op den terugweg naar het woonhuis, dat wij in [104]een klein half uur bereikten, gaf ik mijn verwondering te kennen, dat zulk een, naar het scheen, hoog begaafd man, als dominee Forstner, tevreden kon zijn met zijn tegenwoordigen, eigenlijk bijzonder bescheiden werkkring, daar hij toch zeker op een meer omvangrijken aanspraak kon maken.

“Dat moet u niet zeggen, beste Arendt,” gaf mijnheer Krüger mij ten antwoord, “juist personen, als onze dominee, die aan hooge geestelijke beschaving een zeer beminnelijk, vriendelijk karakter en oprechte goedhartigheid paren, zijn bovenal voor zendeling geschikt, vooral bij zulk een zachtzinnigen en goedaardigen volksstam als onze Samoaners. U hebt zooeven zelf gezien, hoe hartelijk de predikant begroet is geworden.”

Om vijf uur kwam de dominee met zijn vrouw en dochtertjes, twee allerliefste, blonde krulkopjes, Marie en Betsy; de eerste telde acht, de tweede zeven jaar. Een kwartier later kwam ook mijnheer Sievers, die door het leiden van de namiddag-godsdienstoefening, niet eerder had kunnen komen. Onder het eten vroeg mijn chef aan den dominee, of hij al een plan gemaakt had tot de plechtige viering van het Kerstfeest.

“Eerlijk gezegd, heb ik er volstrekt nog niet aan gedacht, waarde mijnheer Krüger,” antwoordde de [105]predikant. “Zooals u weet, was ik verleden jaar niet hier, daarom zou het mij dubbel aangenaam zijn, ons volkje nu eens goed te kunnen bedenken.”

“Nu, dominee, ik wil gaarne, zooveel ik kan, tot dit feest meewerken,” zeide mijnheer Krüger. “Weliswaar ben ik een stijve, oude vrijer, zooals ik tot mijn leedwezen bekennen moet, maar toch zie ik heel gaarne mijn evenmensch, en vooral kinderen, vroolijk en blij. Ik stel dus voor, dat wij een comité vormen; tot presidente benoemen wij eenstemmig, uw vrouw en als leden melden zich nu dadelijk aan, mijn twee jonge kantoorbedienden en ik. Mijnheer Sievers en u hebben het door uw herderlijk ambt te druk, om veel tijd beschikbaar te stellen, terwijl wij, wereldsch volkje, om dezen tijd van het jaar, minder te doen hebben.”

Het voorstel van mijn chef werd aangenomen en wij spraken af, ons den volgenden Dinsdag naar mevrouw Forstner te begeven, om alles verder te bespreken. Toen wij op den bepaalden dag bij elkander waren, gaf mevrouw ons een lijst met de namen der kinderen, jongens en meisjes, die op den heiligen avond bedacht zonden worden. Er waren er ongeveer vijftig.

Hendrik en ik zagen elkander eenigszins bedenkelijk aan, bij de gedachte, hoe wij aan de vrij aanzienlijke som zouden komen, om voor zooveel personen gepaste [106]geschenken te kunnen aanschaffen, en de schrik sloeg ons om het hart, toen mijnheer Krüger er kalmpjes bijvoegde:

“Ik stel voor, waarde mevrouw, ook aan de moeders van de kinderen iets te schenken.”

“Dat zou inderdaad heel aardig zijn,” antwoordde mevrouw Forstner. “maar ik vrees, dat onze middelen daarvoor te kort zullen schieten; u weet toch, dat noch mijn echtgenoot, noch mijnheer Sievers zoo goed bij kas zijn, om groote bijdragen te kunnen leveren.”

“Ja zeker, dat weet ik, maar waarom zijn wij dan in het comité? Ik teeken voor honderd dollars, en mijn jonge vrienden teekenen samen voor dezelfde som, zoodat wij tweehonderd dollars, of achthonderd mark, volgens ons geld, voor den aankoop der geschenken kunnen uitgeven. Ik geloof wel, dat men daarvoor heel wat fraaie zaken zal kunnen aanschaffen.”

“O, zeker, mijnheer Krüger!” riep mevrouw Forstner verheugd uit. “Dat is heel veel en meer dan ik verwacht had. Willen wij dan voor de kinderen mooi speelgoed, dat in zoo groote menigte uit Duitschland wordt ingevoerd en in de vele Duitsche winkels in Apia te krijgen is, koopen? Voor de meisjes nemen wij: poppen en keukentjes, voor de jongens: trompetten en geweren. Voor de moeders zou ik gaarne mooie, [107]gekleurde stoffen van dunne zijde of katoen, voor doeken of lava-lavas nemen, en kettingen van gekleurde kralen, waarmee zij hals en haar versieren.”

“Ik laat alles geheel aan u over, lieve mevrouw,” zeide mijnheer Krüger beleefd. “Ik heb slechts één verzoek, of u mij een nauwkeurige opgaaf geven wilt, van alles, wat tot den volgenden Zondag gekocht moet worden; Maandag zullen de twee jonge heeren daarmee naar Apia varen en de noodige inkoopen doen. Tot Kerstavond hebben wij dan nog acht dagen tijd, ingeval er nog meer aan te schaffen mocht zijn.”

Op de terugreis zeide Hendrik lachend tot zijn neef:

“Je bent zoo vriendelijk geweest, beste neef, mijn Kerstgeschenk voor de lieve kleinen op vijftig dollars te bepalen, maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik op het oogenblik maar twintig dollars in kas heb.”

“Maar hoe is dat nu mogelijk, Hendrik?” riep mijnheer Krüger vrij boos. “Je schijnt nog altijd dezelfde lichtzinnige knaap te zijn, als vroeger. In Mulifanua had je waarachtig geen gelegenheid om geld uit te geven. Wat heb je met je salaris uitgevoerd, voor den drommel?”

“Dat zal ik u eens zeggen, waarde neef,” antwoordde Petersen bedaard. “Toen u weken lang wegbleeft, was ik [108]naar Apia gevaren, gedeeltelijk om een onderhoud te hebben met directeur Beckmann en hem om raad te vragen, wat ik in mijn toestand als verlaten weesjongen doen moest, gedeeltelijk om wat nieuwe kleeren aan te schaffen, daar het met mijn garderobe vrij kaaltjes gesteld was. Deze uitgaven en de vier dagen, die ik in het hotel International doorgebracht heb, hebben een aanzienlijke bres in mijn lang niet volle beurs geschoten. U ziet dus, dat ik aan mijn tegenwoordige armoede zoo onschuldig ben, als een pasgeboren kind; mag ik u bovendien aan het verstandig gezegde van Oom Bräsig herinneren: ‘Die Armut kommt von die grosze pauvreté!’ ”

Wij moesten beiden hartelijk lachen om de grappige manier, waarop Hendrik de reden van zijn gebrek aan geld opgaf.

“Welaan, vriendje,” zeide mijnheer Krüger eindelijk, “dan weet ik niet beter te doen, dan je die vijftig dollars voor te schieten, en die later van je salaris te korten.”

“O, dan liever veertig dollars, want ik zal u zoo gauw mogelijk tien dollars van mijn twintig geven. Ik laat mij bij zulke gelegenheden niet graag manen,” zeide de altijd goed gehumeurde, beminnelijke Hendrik met het ernstigste gezicht van de wereld. [109]

Den volgenden Maandag voeren wij samen, zooals afgesproken was, in de groote boot van de factorij naar Apia. Behalve de tweehonderd dollars, die mijnheer Krüger aan mij, dien hij waarschijnlijk het meest vertrouwde, had meegegeven, had ik nog vijftig dollars bij mij gestoken, om voor mijn chef Hendrik en den directeur Mertens, alsook voor mijn trouwen knecht Sufa, eenige aardigheidjes te koopen. In den loop van het jaar had ik maar weinig van mijn salaris uitgegeven, daar ik nog ruimschoots van ondergoed en bovenkleeren voorzien was; ik had dus nog een aanzienlijke som liggen in de kas van mijnheer Krüger.

Bij onze aankomst in Apia, begaven wij ons natuurlijk naar den directeur Beckmann en in Matafele naar de heeren der Maatschappij, die zich daar bevonden, bij wie ik mij eenige winkels liet opgeven, waar ik het best mijn inkoopen doen kon.

Mevrouw Forstner had wel al de opgenoemde zaken op haar lijst gezet, maar van peperkoeken en andere zoetigheden stond er niets bij.

“Maar dat is onzin!” riep Hendrik uit, toen wij op den morgen na onze aankomst, onder het ontbijt de lijst eens nakeken.

“Kinderen moeten met Kerstmis vooral peperkoek en marsepein hebben! Waarmee zouden zij zich anders [110]de maag bederven, zooals dat bij ons thuis de gewoonte is?”

Tot onze vreugd ondervonden wij, dat verscheidenen der voornaamste winkeliers in Apia, zich ruim voorzien hadden van alles, wat tot de plechtige viering van het Kerstfeest noodig was; want in Apia alleen woonden tweehonderd Duitschers, de equipage op de Duitsche schepen en de vele beambten op de factorijen aan de kust en in het binnengedeelte van Upolu, niet meegerekend. Behalve het speelgoed, en de kleedingstukken, die Mevrouw Forstner op de lijst had aangegeven, kochten wij nog heel wat koek en ander lekkers; dit alles kostte echter tweemaal zooveel als in ons vaderland, zoodat de tweehonderd daalders, waarover wij te beschikken hadden, heel gauw besteed waren.

Van mijn eigen geld kocht ik een mooi barnsteenen sigarenpijpje, dat ik mijnheer Krüger vereeren wilde, die een hartstochtelijk rooker was, en voor mijn vriend Petersen zocht ik een kleine tabakspijp van meerschuim uit. Toen kochten Hendrik en ik, ieder een groote, sierlijk gekleede pop, die “Papa” en “Mama” kon zeggen, voor de twee dochtertjes van den dominee. Voor de presidente van ons comité hadden wij een keurig werkmandje, van het noodige voorzien, uitgekozen. [111]

Op den avond van den tweeden dag hadden wij onze gezamenlijke inkoopen in ons hotel netjes ingepakt en gingen toen naar directeur Beckmann om afscheid te nemen. Tot onze verwondering deelde hij ons mede, dat hij er over dacht, den Kerstavond met ons in Mulifanua door te brengen.

Daar wij den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, de haven van Apia zouden verlaten, kwamen wij nog voor twaalf uren ’s middags in Mulifanua aan, en, hoewel onze beurzen leeg waren, troostten wij ons met de gedachte, dat wij een menigte kinderen en volwassenen een echt Duitsch, vroolijk Kerstfeest zouden kunnen bereiden.

Mijnheer Krüger was zeer in zijn schik; dat directeur Beckmann de feestdagen bij ons wilde doorbrengen; beide heeren stonden sedert vele jaren in vriendschappelijke betrekking en achtten elkander hoog.

Den vier en twintigsten December, brachten wij ’s morgens, geholpen door onze bedienden, de talrijke pakjes naar het schoolgebouw van het zendelinggenootschap. De ruime zaal was onder toezicht van mijnheer Sievers, in dien tusschentijd heel netjes versierd; aan alle deuren en vensters waren kransen van bladeren en bloemen opgehangen en de steenen vloer was met matten belegd. De schooltafels waren in het midden [112]naast elkander gezet, en ook met veelkleurige matten bedekt; twee groote pijnboomen, die de dennen moesten vervangen, omdat deze niet in Upolu gevonden worden, stonden op de tafels en waren reeds door mevrouw Forstner met kransen van gekleurd papier versierd geworden; wij voegden hierbij de poppetjes van marsepein, het mooie, zoogenaamde vrouwenhaar1 en heel veel kaarsjes, zoodat de pijnboomen er werkelijk als twee fraaie, echte Kerstboomen uitzagen.

Volgens de lijst van mevrouw Forstner, had ik de namen van de vrouwen en kinderen op stukjes papier geschreven, die nu op de lange tafels verdeeld werden, om ieders geschenk duidelijk aan te wijzen.

Tegen vier uur waren wij gereed met het verdeelen der cadeautjes. Mijnheer Sievers deed de beide schooldeuren op slot, en begaf zich met mevrouw Forstner naar de pastorie, nadat wij afgesproken hadden, even over zessen weer bij elkaar te komen, daar de dominee besloten had, om zeven uur, als het donker werd, met het uitdeelen der geschenken te beginnen.

“Zonder brandende kaarsen aan den kerstboom, zou het ook geen echte, heilige avond zijn,” zeide mevrouw Forstner, en wij waren dit volkomen met haar eens. Toen Hendrik en ik thuis kwamen, [113]troffen wij daar directeur Beckmann reeds aan; hij was, zooals wij vernamen, reeds om elf uur met zijn boot in de haven van Mulifanua aangekomen. Op verzoek van mijnheer Krüger was de rentmeester Mertens ook verschenen. Na het middagmaal gebruikten wij onze koffie op de veranda aan de voorzijde en waren juist voornemens ons naar het zendelingenhuis te begeven, toen mijnheer Beckmann ons met de woorden: “Heeren, één oogenblikje, als het u belieft!” terughield. Tegelijk nam hij drie brieven uit zijn borstzak en overhandigde daarvan een aan Petersen, een aan den rentmeester Mertens en een aan mij.

Toen ik den brief opende, las ik tot mijn blijde verrassing, dat het hoofdbestuur der Duitsche-Handel- en Plantage-Maatschappij in Hamburg, mij een gratificatie had toegekend ten bedrage van honderd dollars, betaalbaar bij de hoofdkas in Matafele, benevens een maandelijksche verhooging van traktement van vijftig dollars.

Een en ander geschiedde wegens de vlijt en nauwgezetheid, die ik in den loop van het jaar, voor de maatschappij had getoond. In het eerst kon ik geen woorden vinden, maar toen sprong ik plotseling naar Krüger en Beckmann af, aan wier warme aanbeveling ik deze onderscheiding te danken had, en [114]betuigde hun onder vreugdetranen, mijn innigen dank.

Mijn vriend Hendrik en de rentmeester Mertens hadden een dergelijk schrijven ontvangen en wilden nu insgelijks hun dank uitstorten, toen de directeur hun in de rede viel met de woorden:

“Het doet mij genoegen, Heeren, dat ik in staat ben u een kleine Kerstvreugde te bereiden, maar het is nu meer dan tijd, dat wij voor het uitdeelen der geschenken naar het schoolgebouw gaan. Ik moet eerlijk bekennen, dat het mij waarlijk pleizier doet, weer eens zulk een Kerstavond bij te wonen en zooveel gelukkige kindergezichtjes te zien; dit is sedert heel veel jaren niet gebeurd.”

Bij het schoolgebouw gekomen, zagen wij daar wel vijftig jongens en meisjes en een dertigtal vrouwen vereenigd; slechts een paar mannen waren er onder. Naar mevrouw Forstner ons later vertelde, waren de meeste vaders der kinderen, die een geschenkje zouden krijgen, kieschheidshalve weggebleven, om het schoollokaal niet al te vol te doen zijn.

Terwijl de heer Beckmann en Krüger de domineesfamilie in de pastorie begroetten, ging ik met Hendrik en Mertens in het schoolgebouw om mijnheer Sievers te helpen bij het aansteken der lichtjes aan de kerstboomen. Hendrik en ik legden de poppen voor Marie [115]en Betsy met enkele pakjes suikergoed aan den voet van den eenen boom en zetten het naaimandje van de moeder daar tusschen; natuurlijk vergaten wij de naambriefjes niet. Toen alles gereed was, gaf mijnheer Sievers met de schoolbel het teeken, dat het feest een aanvang zou nemen; ik deed daarop de groote deur open, nadat ik mij eerst met een blik overtuigd had, dat de dominees-familie met de heeren Beckmann en Krüger door de andere deur binnengekomen was.

De kinderen bleven aan den ingang angstig tegen elkander staan en waagden het volstrekt niet een stap verder te komen; met groote oogen en open mond staarden zij naar de brandende lichtjes en de mooie dingen, die op de tafels uitgespreid lagen. Eerst toen Sievers, Hendrik en ik de voorsten bij de hand namen en hen met vriendelijke woordjes naar de tafels brachten, kwam er wat leven in het troepje. Mijnheer Sievers, die al de kinderen bij den naam kende, riep hen en ook de moeders, hardop tot zich, en gaf ze dan aan ons over, om hen naar hun plaatsen te brengen. Toch durfden de kleintjes, die van alles wat er voorviel, zoo goed als niets begrepen, de aangeboden geschenken niet aan te nemen; mijnheer Sievers had zich voor het harmonium geplaatst, dat tusschen de twee tafels stond, en na een kort [116]voorspel, zongen de kinderen in koor het altijd schoone: “Heilige nacht! Stille nacht!” Dit lied, dat ik als knaap zoo dikwijls gezongen had, maakte door de zachte, welluidende stemmen der kleinen, natuurlijk in de Samoaansche taal, op mij een onvergetelijken, diepen indruk. Toen het lied uit was, riep de dominee tot de kinderen, dat zij nu al het moois, dat bij de briefjes met hun naam lag, moesten opnemen. Binnen enkele minuten klonk in het groot lokaal een gelach en gejuich, waaraan zich spoedig de klank van trompetten en tromgeroffel paarde, want de jongens probeerden hun instrumenten. De meisjes lieten elkaar haar poppen zien, beten kleine stukjes van de heerlijke peperkoeken, die zij nog nimmer gezien hadden en lieten onophoudelijk de mondjes gaan als een troep jonge ganzen.

De vrouwen, die in hooge mate verrukt waren over de verrassende geschenken van mooie stoffen en sieraden, gingen naar mevrouw Forstner en bedankten haar met van vreugde stralende gezichten voor haar goedheid. Toen deze haar uitlegde, dat zij de kerstgaven voornamelijk aan mijnheer Krüger en de beide jonge Duitsche heeren te danken hadden, kwamen de vrouwen, meest allen jong en schoon, naar ons toe, gaven ons de hand en waren onuitputtelijk in dankbetuigingen. [117]

Op dit oogenblik drongen de twee dochtertjes van den dominee door de kinderen en vrouwen naar hun moeder heen en riepen met glinsterende oogen:

“O, moesje, kijk eens, wat het Kerstkindje ons gegeven heeft!” En tegelijkertijd hielden zij de pop, die zij van Hendrik en mij gekregen hadden, in de hoogte.

“Mijn pop kan ‘Mama’ zeggen,” riep Marietje uit.

“En de mijne roept heel duidelijk ‘Papa,’ als ik op haar borst druk,” voegde de kleine Betsy er bij.

De domineesvrouw wisselde een vriendelijken blik van verstandhouding met ons en gaf ons de hand.

“Bij de poppen ligt nog een papiertje met uw naam er op, in een mandje, moesje.” kwam het oudste zusje vertellen.

De moeder begaf zich dadelijk naar de aangewezen tafel, en nam het mooie werkmandje op, dat zij vol bewondering bekeek.

“Wien van de twee heeren mag ik voor die lieve attentie bedanken?” vroeg zij, terwijl zij Hendrik en mij beurtelings aanzag.

Toen mijn vriend op mij wees, stak de beminnelijke vrouw mij, vriendelijk lachend, beide handen toe en bedankte mij met een paar hartelijke woorden.

Een uurtje later, toen de eerste vreugde wat bedaard was, nam de dominee de kinderen bij zich en [118]hield hij een kleine toespraak, waarin hij hun de beteekenis van het Kerstfeest voor het geheele Christendom uitlegde.

Nadat de Samoaners, ouden en jongen, belast en beladen, vertrokken waren, namen wij, Europeanen, de uitnoodiging van den predikant aan, om ten zijnen huize een eenvoudig avondeten, door zijn gemalin gereed gemaakt, te gebruiken. Daarna brachten wij nog een gezellig uurtje door, onder een glas bier en een fijne sigaar en van deze gelegenheid maakte ik gebruik, mijnheer Krüger het barnsteenen sigarenpijpje, en mijn vriend Petersen de pijp van meerschuim te overhandigen. Beide cadeautjes werden met hartelijken dank ontvangen en dadelijk in gebruik genomen.

Tegen tien uur keerden wij naar ons woonhuis terug en nog dien zelfden nacht reed Mertens ons naar de plantage. Den volgenden morgen, eersten Kerstdag, woonden wij allen, ook directeur Beckmann, de godsdienstoefening in de kerk bij, en na afloop daarvan nam de directeur afscheid van den dominee en diens echtgenoot, alsook van mijnheer Sievers, daar hij dadelijk, na het tweede ontbijt naar Apia wilde terugkeeren.

“Ik heb mij wezenlijk goed geamuseerd op uw feestje, er eere van den heiligen avond, heeren,” zeide mijnheer [119]Beckmann, toen wij hem naar de boot brachten. “Het was mij, alsof ik weer thuis was bij de mijnen en dit is het eerste Kerstfeest, dat ik in ruim tien jaar gevierd heb.”


1 Een soort van bladmos. 

[Inhoud]

Zevende Hoofdstuk.

Op de nieuwe plantage Laulii.

De eerste maanden van het jaar 1898 gingen kalm onder beurtelings werken en rusten voorbij en de eenige afwisseling bestond in het regelmatig heen en weer reizen naar Apia, om de gelden tot uitbetaling van salarissen en arbeidsloon, in ontvangst te nemen. Deze tochtjes waren mij zeer welkom, daar zij wat vroolijkheid brachten in mijn anders zeer eentonig bestaan.

In het begin van de maand April, wanneer op de Samoa-eilanden de winter begint, die tot November duurt, toen er een Oostenwind woei en het minder heet was, kregen wij een bezoek van directeur Beckmann, die zich, na ons even gegroet te hebben, naar het bureau begaf van mijnheer Krüger. [120]

“Dat beduidt wat,” zeide Petersen, die bij mij op de veranda thee dronk. “Nu, mij laat het koud,” ging hij voort, “ik ben mij ten minste van geen kwaad bewust.”

“Het zou je waarachtig ook moeilijk vallen, hier grappen uit te halen, vriendje,” gaf ik ten antwoord, terwijl ik lachen moest om het ernstige gezicht van mijn vroolijken makker.

Kort hierop kwamen de twee heeren ook op de veranda, namen een kop thee en staken een sigaar op.

“Beste Petersen,” zeide de directeur na een poos, “uw neef heeft mij zooeven verzekerd, dat gij volkomen in staat zoudt zijn, alleen het bestuur eener drukke factorij op u te nemen; wat dunkt u, zoudt gij het aandurven, jongeheer?”

“Directeur,” antwoordde Hendrik tamelijk verbluft, “niemand, die mij eenigszins kent, zal beweren, dat al te groote bescheidenheid van jongs af een mijner deugden was; daarom ben ik zoo vrij, uw vraag met een oprecht gemeend ‘ja’ te beantwoorden. Ik moet u echter eerlijk bekennen, dat dit vleiend oordeel van mijn neef, mij ten hoogste verrast.”

“Je bent een eerste deugniet geweest, Hendrik,” zeide mijnheer Krüger ernstig, “maar in de laatste jaren ben je zeer in je voordeel veranderd en een [121]flink, bruikbaar mensch geworden. Met een gerust geweten kan ik van je getuigen, dat je je volkomen op de hoogte gesteld hebt, van het aanleggen en kweeken van al de cultures op onze plantage, en er ook uitstekend slag van hebt, met de Tonga’s en andere eilanders om te gaan en ze naar behooren te behandelen, zoodat de arbeiders je meer gehoorzamen dan den rentmeester of mij, Daarom heb ik den directeur aangeraden, het bestuur onzer factorij in de eerstvolgende maanden aan jou toe te vertrouwen.”

“Maar, waarde neef, gaat u Mulifanua dan verlaten?” riep de jonge man verwonderd uit.

“Slechts voor enkele maanden, beste Petersen,” antwoordde de directeur, vóór mijnheer Krüger kon antwoorden. De zaak is deze, Mijneheeren. Een paar weken geleden, vernam ik, dat een kleine plantage dicht bij het dorp Laulii, oostelijk van Apia, maar nog in het district Tuamasanga gelegen, door den eigenaar, een Noord-Amerikaan, te koop werd aangeboden. Ik begaf mij in persoon naar Laulii om de plantage te bezichtigen en vond deze vrij verwaarloosd, hoewel de aard van den bodem even gunstig is als op het geheele eiland. De man had er zeker geen verstand van gehad, de verschillende cultures ieder naar haar aard aan te kweeken. Naar hij mij vertelde, [122]wilde hij naar Amerika terugkeeren, waar hem, in den staat Ohio, een groote boerderij door erfenis ten deel was gevallen; ook kon hij niet best tegen het tropische klimaat.”

“Daar hij een matigen prijs voor de plantage vroeg,” vervolgde mijnheer Beckmann, “werden wij het spoedig over den koop eens, waarop de Amerikaan mij nog meedeelde, dat de gronden, die er aan grensden, voor het grootste gedeelte nog met oerwoud bedekt, van de eigenaars, (inlanders) voor weinig geld te krijgen zouden zijn. Tot 1 Mei, wil de tegenwoordige bezitter nog in de factorij blijven; dan wordt zij het eigendom van onze maatschappij. Ik heb nu mijnheer Krüger verzocht, mij tegen dien tijd naar Laulii te vergezellen, om ons op de hoogte te stellen van den toestand, en de landerijen te schatten, die gekocht moeten worden, want over die soort van dingen kan hij veel beter en practischer oordeelen dan ik; daarna zal ik het bestuur en de verdere uitbreiding der plantage aan mijnheer Gaedecke overdragen. Gij moet weten, dat mijnheer Tiedemann, bij wien Gaedecke tot nu toe in de factorij Vaitele geweest is, mij dien jongen man heeft afgeschilderd als bijzonder begaafd in alle zaken, die betrekking hebben op den aanleg van plantages en tropische cultures. Mijnheer Krüger zal, [123]op mijn verzoek, Gaedecke den eersten tijd met raad en daad bijstaan, tot deze wat op de hoogte van een en ander gekomen is. Ook gij, beste Arendt, vervolgde de directeur, zich tot mij wendend, zult uw chef naar de nieuwe plantage vergezellen, om de noodige boeken in orde te brengen en de boekhouding over te nemen, waarvan de geleerde heer Gaedecke misschien geen begrip zal hebben.”

“Moet ik dan die afschuwelijke boeken weer gaan houden, directeur?” vroeg Hendrik met een verschrikt gezicht.

“Neen, vriendje,” antwoordde mijnheer Beckmann glimlachend, “uw neef heeft mij vroeger reeds in vertrouwen gezegd, dat, hoe knap en bruikbaar gij buiten op de plantages ook zijt, het boekhouden nu juist niet tot uw talenten behoort. Aanstaande week zal ik een bediende van Matafele hierheen zenden, om de boeken van mijnheer Arendt over te nemen.”

Toen ik den directeur en mijnheer Krüger mijn dank betuigd had voor het in mij gestelde vertrouwen, reden wij naar de plantage, waar mijnheer Beckmann den bloei der cultures in oogenschouw nam en ook den rentmeester Mertens kennis gaf van de aanstaande veranderingen.

In de laatste dagen van April reed mijnheer Krüger [124]met mij en onze twee knechts naar Apia waar wij in het Hotel International onzen intrek namen. Wij troffen daar mijn vroegeren reisgenoot, Gustaaf Gaedecke, reeds aan, die mij hartelijk welkom heette; wij hadden elkander sinds anderhalf jaar niet gezien. Het verblijf in het boschrijke binnen-gedeelte van het eiland, scheen mijn landgenoot veel goed gedaan te hebben; zijn vroeger, door het studeeren, bleek en smal gelaat was door de tropische zon gebruind en zijn geheele verschijning maakte een flinken, aangenamen indruk.

Onder het eten vertelde Gaedecke ons van zijn werkzaamheden in de factorij, waar hij onder leiding van den bekwamen heer Tiedemann geleerd had, zijn theoretische kennis in practijk te brengen. Toen ik hem daarop onze lotgevallen gedurende onze reis op den kotter van Matautu naar het eiland Olosenga beschreef, riep hij in verrukking uit:

“Wat moet dat interressant geweest zijn! Ik benijd je om dat merkwaardig avontuur, beste vriend!”

“Nu, wij zouden gaarne het interessante en merkwaardige van dien tocht hebben willen missen, waarde heer,” antwoordde mijnheer Krüger droogjes. “Wat zegt gij, Arendt?”

“Ik weet het nog zoo net niet,” zeide ik. “Onze toestand op het kleine schip, gedurende den vreeselijken [125]orkaan, was weliswaar bijzonder onaangenaam, maar het verblijf op het lapje gronds in den onmetelijken oceaan, toch hoogst belangwekkend.”

Op den morgen van den eersten Mei, voer directeur Beckmann met ons in zijn groote boot langs de noordkust naar het dorpje Laulii, dat ongeveer vijf zeemijlen oostelijk van Apia ligt; Laulii is even ver van het grootere dorp Saluafata, het Duitsche kolenstation, verwijderd. Van een eigenlijke haven is bij het kleine Laulii geen sprake; door een nauwe opening in het koraalrif kunnen de booten naar het strand komen; voor grootere vaartuigen zou dit onmogelijk zijn.

Aan het strand kwam ons de Amerikaan, dien de directeur ons als Mr. Mason voorstelde, reeds tegemoet; hij ging ons voor naar zijn woning, die een kilometer verder landwaarts in lag, terwijl onze bedienden, met een paar onzer roeiers, de bagage nadroegen. Het huis was niet groot en uit gegolfd blik opgetrokken, dat in zulk een heet land als een zeer onpractisch bouwmateriaal beschouwd mag worden; niettegenstaande de woning in een boschje van oranje- en bananenboomen lag, heerschte er in de kamertjes een snikheete temperatuur.

“Ja, gentlemen,” zeide Mr. Mason, toen hij ons het zweet van het voorhoofd zag wisschen, “het is wel [126]wat warm in huis; daarom blijf ik meest achter op de veranda, die ik daar heb aangebracht. Mijn vrouw en kinderen hebben het hier ook niet lang kunnen uithouden, en wonen nu reeds sedert eenige maanden in Apia. Als het uw goedkeuring wegdraagt, gentlemen, zullen wij ook maar naar de veranda gaan, waar ik een klein lunch heb doen klaar zetten; onder het gebruik kunnen wij dan de zaken afdoen.”

Onder het zeer primitieve op palen rustend bladerdak, gebruikten wij een glas brandewijn-grog, met koud vleesch en scheepsbeschuit, en volgden daarna den Amerikaan naar de plantage, die een paar honderd meter verder gelegen was. Deze bestond voornamelijk uit eenige honderden kokospalmen, broodvruchtboomen, en een uitgestrekt suikerrietveld, waarop ongeveer twaalf arbeiders bezig waren, die mijnheer Krüger als inboorlingen van de Gilbert-eilanden herkende.

Naar het woonhuis teruggekeerd, gebruikten wij het middagmaal, dat onze bedienden intusschen uit den meegebrachten voorraad toebereid hadden, waarop Mr. Mason, nadat hij van den directeur Beckmann een wissel op ons eerste kassiershuis in Matafeli als koopsom ontvangen had, afscheid nam, om zich in zijn eigen boot door eenigen zijner arbeiders naar Apia te laten roeien. [127]

“In de allereerste plaats moeten wij een geschikter verblijf zien te krijgen dan deze broeikas,” zeide mijnheer Beckmann, toen Mr. Mason ons verlaten had. “Mij dunkt, wij moesten voorloopig een paar eenvoudige hutten opslaan, zooals de arme Samoaners hebben. Als onze drie knechts en de werkman van de plantage ons helpen, kunnen wij in een paar uur wel twee zulke hutten gereed hebben. Vannacht moeten wij ons met de matten, die de Amerikaan achtergelaten heeft, als legerstede behelpen; morgen zal ik de knechts met de boot naar Apia zenden om nieuwe matten, dekens en kussens uit mijn huis te halen; zij moeten ook levensmiddelen meebrengen, want ik ben voornemens hier nog minstens vier à vijf dagen te blijven, om met de heeren Krüger en Gaedecke, den gekochten grond in den naasten omtrek eens te onderzoeken. Natuurlijk gaat gij met ons mee, Arendt,” voegde hij er glimlachend bij, toen hij mijn verwondering op mijn gelaat las. “Gij zoudt u hier alleen doodelijk vervelen, daar er vooreerst niets voor u te doen valt.”

Toen de zon onderging, waren de twee hutten inderdaad kant en klaar. Zij bestonden ieder uit een dozijn jonge boomstammen, die in den grond geheid waren; het dak was gemaakt van groote, aan elkander gebonden [128]bananenbladeren, en rustte op een eenigszins sterkeren paal, die in het midden van de hut was aangebracht. Eenige naast elkaar geplaatste matten vormden de muren, en deze konden over dag weggenomen worden. Zoo hadden wij een onderkomen voor den nacht, dat wel heel eenvoudig, maar daarom ook zindelijker en veel koeler was, dan het verblijf in het snikheete blikken huis.

Na een rustigen nacht, ontbeten wij den volgenden morgen vroeg en gingen toen op weg om den naasten omtrek in oogenschouw te nemen.

“Ik wil wel gelooven, dat Mr. Mason niet veel vrucht van zijn plantage getrokken heeft,” zeide mijnheer Krüger, toen wij door dat gedeelte der kleine plantage wandelden, waar de cultuur begonnen was. “Het kopra van deze twee à driehonderd kokospalmen kan hoogstens zooveel opgebracht hebben om de helft van het arbeidersloon te dekken, iets gunstiger schijnt het met het suikerriet te staan; de planten zien er goed en sterk uit, en zullen een bevredigende winst afwerpen. Gelooft gij dit ook niet? mijnheer Gaedecke?”

“Ik ben het volkomen met u eens, mijnheer Krüger,” antwoordde Gaedecke. “De eenigszins moerassige bodem in deze vlakte schijnt bijzonder geschikt voor de cultuur van het suikerriet.” [129]

Wij hadden de plantage verlaten en begonnen nu de helling te bestijgen, die tot het noordelijk voorgebergte van den beroemden berg Lanuto behoort. Deze helling is beplant met de prachtigste boomen van allerlei soort, en de top Lanuto, meer dan tweeduizend voet hoog, is een uitgebrande vulkaan, met het kratermeer van denzelfden naam, een der grootste bezienswaardigheden van Samoa. Toen wij nog hooger gestegen waren, konden wij den noordelijken rand van dit kratermeer duidelijk zien en bij den helderen hemel de heerlijke bergpalmen en varenboomen onderscheiden, waarmede de rand omzet is. In westelijke richting konden wij over het laag gelegen voorland de geheele kuststreek tot Saluafata en de Fangaloabaai overzien. Toen wij bij onzen terugtocht—de zon had intusschen het zenith bereikt en het was ontzettend heet geworden—in een vrij eng dal daalden, vonden wij een dal-rivier, een nauwelijks vijftien meter breed stroompje, dat de voortzetting van een waterval scheen te zijn, die ongeveer honderd meter verder, zuidelijk van den bergrand, naar beneden bruiste. Het was inderdaad een verrukkelijk gezicht. De kleine stroom, die niet breeder was dan vier meter, stortte zich tusschen boomen en bloeiende heesters van de hoogte, twintig meter diep naar omlaag, in een soort bassin, [130]dat in den loop der tijden door het water gevormd was, en stroomde dan klaterend en schuimend verder naar het Noorden der kust.

“Vlug! de kleeren uit, Heeren!” riep de directeur verrukt uit. “Een heerlijker, frisscher bad dan moeder natuur ons hier biedt, kan men zich niet denken!”

In minder dan geen tijd, zaten wij alle vier in het kristalheldere water van het bassin en spartelden als ondeugende kinderen daarin rond.

Na deze onverwachte verfrissching, wandelden wij langs een zijweg verder en kwamen binnen het uur op de factorij Laulii, die slechts, zooals wij nu eerst opmerkten, door een kleine verheffing van den grond, van het dal gescheiden werd.

De volgende dagen besteedden wij aan verdere uitstapjes in de buurt van Laulii, waarna directeur Beckmann in overleg met de heeren Krüger en Gaedecke, besloot, ongeveer driehonderd hectaren gronds van het opperhoofd, den eigenaar van die landstreek, te koopen.

Toen de koop gesloten was, gingen de directeur en mijnheer Krüger den volgenden dag naar Apia, om zoo spoedig mogelijk het noodige aantal arbeiders te huren, die de boomen in die boschrijke streek, moesten vellen. Mijn vroegere reisgenoot Gaedecke en ik [131]bleven op de factorij achter, gedeeltelijk om toezicht te houden op het daar aanwezige werkvolk, gedeeltelijk om plannen te maken tot het bouwen van een nieuw woonhuis.

De directeur had ons beloofd, zoo spoedig mogelijk eenige werklieden met het vereischte materiaal aan planken, matten enz. te zenden. Hij had ook in het voorstel van Gaedecke toegestemd, het nieuwe woonhuis in het dal van het kleine riviertje te laten oprichten, daar het dan meer in het midden van de vergroote plantage zou liggen, wanneer de nieuw aangekochte grond eenmaal in cultuur genomen was.

Ik kon mij bij de Gilbert-inboorlingen, die de Amerikaan ons had nagelaten, vrij goed verstaanbaar maken, als ik de taal der Tonga’s sprak, die ik in Mulifanua, door den omgang met dezen, vloeiender had leeren spreken, dan het Samoaansche idioom, dat Gaedecke nu op zijn beurt weer machtig was.

Een paar dagen later liepen twee groote booten uit Apia de baai van Laulii binnen; de eene bracht drie timmerlieden met een heelen voorraad planken, latten en ander materiaal, de andere een twintigtal plantagewerkers, die mijnheer Beckmann van de plantages Veilele en Vaitele had laten komen, om een begin te maken met het uitroeien der boomen op het aangekocht [132]terrein. Uit een brief van den directeur aan Gaedecke vernamen wij, dat er binnen eenige weken een grooter aantal Tonga’s en inboorlingen van de Salomons-eilanden komen zouden, die in dien tusschentijd door de kapiteins van den naar hier gezonden kotter aangeworven waren.

De timmerlieden werden voorloopig in het blikken huis onder dak gebracht, terwijl het werkvolk hutten voor zich moest bouwen in het dal.

Nadat Gaedecke de plaats voor ons toekomstig woonhuis had aangewezen, werd er dadelijk met het bouwen een aanvang gemaakt. Binnen veertien dagen was het huis geheel gereed. Het had natuurlijk maar één verdieping, die aan al de vier zijden door een breede veranda, op palen rustend, omringd was, zoodat de openingen voor de vensters niet van glasruiten behoefden voorzien te worden. De regen kon door het ver vooruitstekend dak, niet in de vertrekken dringen, terwijl de versche lucht dag en nacht vrij toegang had. Deze practische manier van bouwen in de heete luchtstreek, was gevolgd op raad van mijnheer Krüger, die weer teruggekomen was. Het nieuwe huis bevatte vier afdeelingen: een gemeenschappelijke werkkamer voor Gaedecke en mij: voor ieder van ons een slaapkamertje en een grootere huiskamer. [133]De keuken en een vertrek voor onze twee knechts en den inlander, die als kok fungeerde, bevonden zich in een soort van loods, achter het huis; het geheel was door oranje- en bananenboomen omringd, wier bladerkronen het voor de brandende zonnestralen beschutten.

Mijnheer Krüger van Gaedecke vergezeld, nam dadelijk, toen men met bouwen begonnen was, de leiding op zich over het uitroeien der boomen en het in orde maken van den bodem, op de hellingen van het rivier-dal en ook hooger op, terwijl ik belast werd met het toezicht over de timmerlieden en het andere werkvolk. De kok en de knechts moesten voor het middag- en avondeten zorgen, niet alleen voor ons, heeren, maar voor alle manschappen, daar deze den geheelen dag in de plantage bezig waren.

Toen het huis gereed was, voer mijnheer Krüger met mij naar Apia om de noodige meubelen voor de vertrekken aan te schaffen; ik moest in Matafele geld halen ter uitbetaling van het werkloon. Mr. Mason had in het blikken huis, behalve een paar versleten matten, geen enkel meubel achtergelaten.

In Apia gekomen, vonden wij daar de geheele bevolking, inlanders zoowel als Blanken, in opgewonden toestand. Volgens zeggen van den directeur Beckmann, [134]was eenige dagen geleden, de oude koning Malietoa Laupopa, in Mulinu gestorven. Ik vernam nu ook enkele nadere bijzonderheden over de merkwaardige lotgevallen van dezen Samoaanschen vorst. Malietoa had jarenlang oorlog gevoerd met zijn twee doodvijanden, de zoogenaamde koningen Mataafa en Tamasese; in 1887 werd hij door de drie beschermende mogendheden, Duitschland, Engeland en de Vereenigde-Staten van Noord-Amerika, afgezet, en naar Kamerun getransporteerd, waar hij door het Duitsche gouvernement niet bijzonder vriendelijk behandeld werd. Van Kamerun bracht men hem naar Hamburg en eindelijk naar de Maarschalks-eilanden die onder Duitsche bescherming stonden, vanwaar hij in 1889 weer naar Samoa terugkeerde, en opnieuw als koning bezit nam van den troon, nadat zijn tegenkoning, Mataafa, naar het eiland Jaluit, dat tot de Maarschalks-eilanden behoort, verbannen was geworden. Malietoa kreeg van de Duitsche regeering een klein jaargeld en leefde stil op het schiereiland Mulinu, terwijl hij het aan zijn aanhangers overliet, hun meestal onschuldige veeten met de partij van koning Tamasese, in het westelijk gedeelte van Upolu, zoowel als met die van den afgezetten Mataafa in de oostelijke districten, uit te vechten. [135]

“Ik vrees echter zeer.” vervolgde de directeur, “dat de dood van den ouden, onschadelijken Malietoa, groote onrust en verwarring in geheel Samoa veroorzaken zal. Gij, waarde Krüger, zijt met de tegenwoordige omstandigheden nauwkeurig bekend, maar voor Arendt is het zeer goed, wanneer hij hiervan wat op de hoogte komt, opdat hij niet te eeniger tijd een onvoorzichtigheid bega. Sedert in 1889 de u bekende mogendheden een zoogenaamd beschermend-tractaat over Samoa hebben gesloten, is het volk dikwijls onrustig geweest, hetgeen grootendeels toe te schrijven is aan den naijver van Engeland en de Vereenigde-Staten tegen Duitschland. Onze handel in Samoa, bedraagt ruim het dubbele van dien der beide mogendheden te zamen, hetgeen een doorn in hun oog is. Onze grootste vijanden zijn de rechter Chambers, een geboren Noord-Amerikaan en de Engelsche consul Maxse, die er in de laatste jaren ijverig op uit zijn, onzen dokter Raffel, den voorzitter van den gemeenteraad in Apia, voortdurend moeilijkheden in den weg te leggen. Dit ondervindt ook consul Biermann, die bij de hier wonende Duitschers, evenals bij de inboorlingen zeer bemind is.”

“Het zal mij benieuwen, of onze vriend Tamasese van den dood van zijn ouden vijand partij zal trekken, [136]om zich tot koning te doen kiezen,” zeide mijnheer Krüger.

“Ik acht dit zeer waarschijnlijk,” antwoordde de directeur, “doch de aanhangers van den verbannen Mataafa, zullen dit niet kalm aanzien, maar hun best doen, hun vroegeren koning weer op den troon te krijgen.”

“U hebt zooeven gezegd, directeur, dat deze Mataafa, naar de Maarschalks-eilanden verbannen is,” zeide ik. “Maar deze groep ligt op zulk een afstand, dat hij onmogelijk tijding van Malietoa’s dood ontvangen kan.”

“O, dat is geen bezwaar, beste Arendt,” antwoordde de directeur. “De Samoaners zijn uitstekende zeelieden en kunnen in hun groote oorlogsbooten, die van outsiders1 voorzien zijn, zeer groote reizen ondernemen. Evengoed als zij in vroeger tijd naar de Tonga- en Vitschi-eilanden konden varen, en krijgsgevangenen te maken, die zij hier tot viering van de overwinning opaten, kunnen zij ook naar de Maarschalks-eilanden zeilen.”

De eerstvolgende dagen besteedden mijnheer Krüger en ik tot het doen van inkoopen wat huisraad en keukengereedschappen betrof, voor het nieuwe woonhuis in de factorij Laulii, en voeren toen daarheen terug. [137]

Verscheiden weken gingen onder flink werken voorbij. Kapitein Johannsen bracht ons in zijn kotter ongeveer dertig Tonga’s, die spoedig door een twintigtal inboorlingen gevolgd werden, zoodat mijnheer Krüger de geleende werklieden van de factorijen Veilele en Vaitele weer naar hun plantages kon terugzenden. Op de plaatsen, waar de boomstammen geveld waren, werden deze, die niet voor timmerhout konden gebruikt worden, met takken en bladeren in brand gestoken, om door de achterblijvende asch den bodem tegelijk te bemesten. Toen alles op deze manier behoorlijk voorbereid was, begon de eigenlijke arbeid voor den aanleg der verschillende cultures. Verscheiden hectaren in de laagst gelegen gedeelten werden met kokosnoten bezaaid, die zooals ik wist, pas na zeven of acht jaar winst afwierpen. Ten einde de grond, tusschen de gezaaide noten niet geheel braak te laten liggen, werden in de open plekken katoenheesters geplant. Gaedecke wilde ook in de hooger gelegen gedeelten, de proef nemen met koffie, thee en cacao, hetgeen de goedkeuring van mijnheer Krüger ten volle wegdroeg; bovendien beloofde deze zijn jeugdigen collega nog, hem, zoodra hij in de gelegenheid was, een hoeveelheid tabakszaad te zenden, dat hij mijnheer Koning, uit Matautu, zou bestellen. [138]

Na verloop van een maand waren alle toebereidselen afgeloopen, en mijnheer Krüger verliet ons, om naar Mulifanua terug te keeren, daar hij overtuigd was, dat Gaedecke volkomen in staat zou zijn, het bestuur over de jonge plantage op zich te nemen en deze tot bloei te brengen.

Intusschen was de oogst der weinige cultures van de oorspronkelijke plantages Laulii binnengebracht; een kotter werd uit Apia ontboden om dezen af te komen halen en ik had de handen vol met het in orde maken der boeken en die bij te houden. Mijn vroegere makker en ik zagen elkander alleen bij de maaltijden, als ik hem niet in mijn vrije uurtjes een bezoek bracht op de verschillende plantages, die onder zijne leiding aangelegd moesten worden en waarover hij het toezicht hield. Hij had hiervoor al zijn tijd noodig. Alleen des Zondags bleef Gaedecke in onze gemeenschappelijke woning, die wij zoo gezellig mogelijk ingericht hadden. Alles was er zindelijk en frisch; enkele schreden van onze deur, stroomde het heldere, koele water van het riviertje, terwijl de bloeiende boomen en heesters de lucht met hun welriekende geuren vervulden. Het had veel van een liefelijke idylle! [139]


1 Platformen van dun hout, aan één zijde van de kano’s bevestigd om het omslaan te beletten. 

[Inhoud]

Achtste Hoofdstuk.

Koning Mataafa.

Ongeveer tegen het midden van de maand Augustus keerden Gaedecke en ik op een morgen van de hooger gelegen koffie- cacao- en theeplantages, die een rijken oogst beloofden, naar ons huis terug, toen wij heel onverwachts in het rivier-dal een talrijke menigte inlanders tegenkwamen, die allen met buksen gewapend waren en een gordel met patronen aangegespt hadden. Aan het hoofd der Samoaners marcheerden twee mannen, waarvan een ons bekend voorkwam.

“Is dat niet het opperhoofd, van wien directeur Beckmann de nieuwe landerijen gekocht heeft?” vroeg mijn vriend, die wat bijziende was.

“Ja, hij is het,” antwoordde ik, want ik herkende hem, “wat zou hij in het schild voeren, om met zooveel volk hierheen te komen?”

Op dit oogenblik herkende het opperhoofd ons eveneens; hij zeide een paar woorden tot den man, die naast hem liep, bleef toen staan en riep ons heel vriendelijk zijn: “Talofa!” toe. Wij beantwoordden zijn groet op dezelfde wijze en gaven hem de hand, toen wij bij hem gekomen waren. Zijn metgezel, een [140]groot, reeds bejaard Samoaner, wiens bovenkleed en lava-lava van een fijne zijden stof vervaardigd waren, nam zijn buks van den schouder en gaf ons toen ook vriendelijk lachend de hand.

“Onze aanstaande koning, Mataafa!” zeide het opperhoofd, op plechtig ernstigen toon, terwij hij op dezen wees.

Gaedecke en ik bogen zeer beleefd en eerstgenoemde begroette met een paar woorden, den koning, die uit de verbanning teruggekeerd was.

“Zoudt gij de twee mannen niet vragen, of zij bij ons willen rusten?” vroeg ik mijn landgenoot in het Duitsch. “Wie weet, of deze dienst ons later niet nuttig kan zijn.”

“Gij hebt zoo waar gelijk, mijn beste,” antwoordde Gaedecke. Hij noodigde daarop Mataafa benevens het opperhoofd uit, een weinig te rusten in onze woning vlak in de buurt, en een klein lunch te gebruiken. De uitnoodiging in uitstekend Samoaansch gedaan, scheen den ex-koning te verrassen en te verheugen tevens, want hij gaf ons nogmaals de hand, er bijvoegende, dat het hem bijzonder aangenaam was, al dadelijk in de eerste dagen van zijn terugkomst uit de verbanning, gastvrijheid te mogen ondervinden bij Duitsche heeren, daar hij steeds, voor alles, wat Duitsch was, de grootste achting en sympathie gekoesterd had. [141]

Na een klein halfuur waren wij bij ons huis; Gaedecke bracht Mataafa en het opperhoofd naar de veranda aan de voorzijde, en ik wees het gevolg, dat uit ongeveer veertig inlanders bestond, een plaats aan, in het schaduwrijk boschje, aan den oever van het riviertje. Toen haastte ik mij naar de loods en beval Sufa dadelijk eenige flesschen bier, met wat koud vleesch en versch brood, dat onze kok om den anderen dag zelf bakte, naar de veranda te brengen; Gaedeckes knecht en de kok moesten vier flesschen whiskey, benevens een mand scheepsbeschuit naar het gevolg aan den oever dragen en daar uitdeelen.

Bij mijn terugkomst op de veranda, had mijn vlugge knecht de tafel reeds gedekt en de spijzen er op gezet.

“Op het welslagen uwer onderneming!” zeide Gaedecke, zijn glas tegen dat van den ex-koning aanstootend, en ik volgde zijn voorbeeld.

“Dank u, Heeren, voor uw vriendelijke wenschen, die zeker vervuld zullen worden. Daarvan ben ik vast overtuigd!” antwoordde Mataafa.

Gedurende het kleine maal, dat wij vrij haastig gebruikten, deelde Mataafa uit zijn bijna negenjarig verblijf op het eilandje Jaluit, eenige voorvallen mee, die ons oprecht medelijden deden krijgen met den man, zoo wreed door het lot behandeld. Hij verzekerde [142]ons, dat de inboorlingen der Maarschalks-eilanden ver bij de Samoaners achterstonden, wat beschaving, karakter en levenswijze aangaat; misschien zou hierin echter spoedig verbetering komen, omdat er onlangs op Jaluit een kolenstation voor de Duitsche marine was opgericht; dat was gebeurd in de eerste jaren zijner verbanning.

Na een rust van een klein uur, vertrokken de hoofden weer met hun gevolg. Wij hadden Mataafa het gebruik van onze booten aangeboden, indien hij zijn reis naar Apia wellicht over zee zou willen voortzetten; maar hij had bedankt, daar het hem beter voorkwam, in de haven van Apia niet met zulk een sterk gewapend gevolg binnen te loopen. Het zou de aandacht van het bestuur trekken en hem misschien onaangenaamheden berokkenen. Hij gaf er de voorkeur aan langs de kust verder te gaan, om zich in de enkele dorpen daar, aan zijn aanhangers te vertoonen, die reeds vernomen hadden, dat hij uit de ballingschap teruggekeerd was. Hij bedankte ons vriendelijk voor ons aanbod en zette toen in snellen pas, de reis langs de kust naar Laulii voort.

Toen ik eenige dagen later naar Apia voer, om de noodige gelden in ontvangst te nemen, vernam ik, tot mijn groote verbazing, dat Mataafa, in de laatste dagen van November, inderdaad met groote meerderheid [143]van stemmen, door de Samoaners tot koning gekozen was. Zooals directeur Beckmann mij later vertelde, had deze meerderheid het zesdubbele van de stemmen bedragen, die voor den tegen-candidaat Tamasese, onzen ouden vriend in Mulifanua, waren opgenomen. Tot de keus van Mataafa, hadden de consuls, als vertegenwoordigers der drie mogendheden, reeds hun toestemming gegeven. De directeur geloofde echter, dat deze koningskeuze bezwaarlijk zonder verdere gevolgen zou blijven, daar voornamelijk de Engelschen, met hun consul Maxse aan het hoofd, alle zeilen zouden bijzetten, de keuze van Mataafa te doen mislukken; zij waren er daarom niet mee ingenomen, omdat de nieuwe koning als een verklaarde vriend van Duitschland bekend stond.

De naaste toekomst zou leeren, dat mijnheer Beckmann goed had gezien.

Den 31n December waren Gaedecke en ik naar Apia gevaren, om aan een uitnoodiging van onzen directeur te voldoen en den Oudejaarsavond ten zijnen huize, in den kring der gezamenlijke beambten der Duitsche Handelmaatschappij, in Matafele, te vieren. Wij konden onze factorij gerust voor eenige dagen aan de hoede toevertrouwen van een onlangs aangesteld opzichter, dien mijnheer Krüger ons uit Mulifanua gezonden had, [144]om Gaedecke bij het toezicht over het werkvolk behulpzaam te zijn. Hendriksen, zoo heette de opzichter, was reeds sedert verscheiden jaren werkzaam geweest op de plantage Mulifanua, en had zich onder de leiding van Mertens tot een flink, bruikbaar ambtenaar gevormd, die het ook verstond, het werkvolk op de plantages, dat tot verschillende volksstammen behoorde, met tact en beleid te behandelen.

Na een heerlijk souper, dat directeur Beckmann zijn gasten had aangeboden, begaven wij ons in den fraaien, goed onderhouden tuin achter het huis, en wachtten daar, onder levendige gesprekken, een glas punch en een sigaar, het begin van het nieuwe jaar af. Juist hadden wij plaats genomen aan de verschillende tafeltjes, toen onze consul, mijnheer Rose, de opvolger van mijnheer Biermann, zich met twee heeren, beambten van den Duitschen consul, bij ons voegde, en zich wegens zijn late komst bij onzen directeur verontschuldigde met de woorden: “Beste vriend, het was mij onmogelijk vroeger te komen. Toen ik op het punt stond mij met deze heeren tot u te begeven, kreeg ik een boodschap van dokter Raffel, om mij zoo spoedig mogelijk bij hem te vervoegen.”

“Is er dan iets bijzonders gebeurd, waarde Heer, dat de voorzitter van den gemeenteraad u nog op [145]zulk een vergevorderd uur wilde spreken?” vroeg de directeur verwonderd.

“Zeker, zeker!” antwoordde de consul. “Ik zal het u en dezen anderen heeren dadelijk vertellen; op hun stilzwijgendheid kan ik toch zeker rekenen, maar geef mij eerst een sigaar en een glas punch, beste Beckmann, ik heb behoefte aan een kleine hartsterking.”

“Zooals gij weet,” begon consul Rose, na zich met een glas punch verkwikt en een sigaar opgestoken te hebben, terwijl hij zich naar de heeren aan zijn tafel wendde, “zooals gij weet, stierf de oude Malietoa den 22sten Augustus in Mulinu en in het begin van November keerde de verbannen Mataafa reeds uit Jaluit terug. Eenige weken geleden is deze met groote meerderheid van stemmen tot koning gekozen en door ons, consuls, ook als zoodanig erkend. Zooals ik gedacht had, viel deze keuze niet in den smaak van de heeren Engelschen en mijn beide collega’s; de Engelsche, zoowel als de Amerikaansche consul, begonnen dadelijk allerlei kuiperijen tegen Mataafa, hoewel zij diens keuze goedgevonden hadden. Zonder moeite gelukte het hun dan ook, den rechter Chambers, die zich jegens al, wat Duitsch is, alles behalve vriendelijk getoond heeft, voor hun plannen te winnen. Naar dokter Raffel een uur geleden medegedeeld heeft, zal morgen, 1 Januari, [146]de keuze van Mataafa een onderzoek moeten ondergaan, hetgeen niets anders dan een ellendige comedie is, en de zoon van Malietoa, de jeugdige Fanu Mafili, tot koning worden uitgeroepen. Deze Tanu is nog heel jong; hij gaat op de Engelsche Zendelingenschool en is een volkomen willoos werktuig in de handen der Engelschen en Amerikanen. U kunt nu gemakkelijk begrijpen, Heeren, welke gevolgen de benoeming van Tanu voor de belangen van Duitschland hebben zal.”

“Ik ben vast overtuigd, dat Mataafa zich niet zonder krachtig verzet schikken zal in zijn vernedering,” zeide directeur Beckmann, toen de consul zijn verhaal geeindigd had, dat vooral Gaedecke en mij vreemd voorkwam, daar de heeren, die in Apia woonden, natuurlijk beter met alles, wat er gebeurde, bekend waren.

Om twaalf uur begroetten wij het Nieuwe Jaar met onze hartelijke wenschen voor het verdere welzijn der Duitsche Handel- en Plantage- Maatschappij, waarna consul Rose een dronk instelde op het verre vaderland en den Duitschen keizer, waarmee wij juichend instemden; daarop namen wij afscheid van onzen vriendelijken gastheer.

Den volgenden dag legden wij eerst een bezoek af bij directeur Beckmann en feliciteerden hem met het Nieuwe Jaar; wij gaven daarna onze kaartjes af bij [147]den, in de buurt wonenden Duitschen consul, mijnheer Rose, die, zooals de knecht ons zeide, niet thuis was, maar zich naar den voorzitter Raffel begeven had. In Matefele vonden wij de meeste beambten in het huis van den directeur van het Hoofdbestuur, aan een feestelijk ontbijt vereenigd, waaraan wij dadelijk moesten deelnemen. Toen wij tegen den avond naar ons hotel terugkeerden, zagen wij in alle straten en pleinen langs de haven een groote menigte inlanders, die allerlei gebaren maakten, schreeuwden en druk heen en weerliepen, zoodat wij dadelijk begrepen, dat de heeren Chambers en Maxse hun doel bereikt hadden. In het Hotel International gekomen, bevestigde onze landgenoot ons vermoeden; de rechter Chambers had de keuze van Mataafa voor nietig verklaard, en, in overleg met den Engelschen consul Maxse, den jeugdigen Tanu Mafili tot Koning van Samoa uitgeroepen.

Vervolgens begaven wij ons na het late diner naar directeur Beckmann om afscheid te nemen en zijn orders te ontvangen.

“Begeeft u morgen vroeg weer naar Laulii, Mijneheeren,” zeide hij op zijn vriendelijke manier, “en laat de factorij zoo weinig mogelijk alleen. Ernstige gebeurtenissen wachten ons, die al uw waakzaamheid en voorzichtigheid zullen vereischen. Zoodra ik u iets [148]gewichtigs heb mee te deelen, zal ik u een afzonderlijken bode zenden.”

Een paar dagen na onze terugkomst, kwam een boot uit Apia met verscheiden timmerlieden, een paar balken en een hoogen paal, bij de factorij aan, en overhandigden een brief van den directeur, die aan Gaedecke geadresseerd was.

De directeur schreef. “Ik zend u eenige handwerkslieden met het noodige materiaal om een vlaggestok op uw woonhuis te bevestigen. Het is bij de aanstaande vijandelijkheden, die niet zullen uitblijven, meer dan noodzakelijk, onze plantages door het uit steken van den Duitschen rijksstandaard, als eigendom van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, kenbaar te maken, vooral tegenover de aanhangers van koning Tanu Mafili, die door de Engelschen en Amerikanen op den troon verheven is. Wees zoo goed, den vlaggestok zoo spoedig mogelijk te laten plaatsen, en dan onmiddellijk de hiernevens gaande vlag in top te hijschen.”

Binnen drie dagen was de stelling voor den vlaggestok gereed, en de kleuren van ons vaderland wapperden hoog aan den top van den paal.

Nauwelijks een week later kwam mijn knecht Sufa mijn kamer binnenstormen en riep mij toe, [149]dat het ons bekende hoofd met een groote menigte gewapende Samoaners daar juist in het dal, op weg naar de kust, voorbij gekomen was. Van een der soldaten had hij vernomen, dat hun koning Mataafa, al zijn aanhangers te wapen had geroepen om tegen de partij van Tanu te velde te trekken. Dadelijk liet ik mijn werk, dat ik onder handen had, in den steek, en haastte ik mij naar buiten, om mij van de juistheid van dit bericht te overtuigen, en zag werkelijk nog de laatsten der inlanders, allen met buksen gewapend, op ongeveer vijfhonderd meter van het station, met versnelden pas naar de kust oprukken. Gaedecke was in de hooger gelegen plantages bezig; ik gaf Sufa order hem op te zoeken, hem het voorgevallene te vertellen en hem te vragen zoo spoedig mogelijk bij mij te komen.

Wij zaten aan tafel, toen wij plotseling kanonschoten hoorden, waarop na weinig minuten ook het zwakke geluid van het knallen van geweren volgde. Het was duidelijk, dat in de bergen, westelijk van het rivierdal, een gevecht plaats vond, dat zeer waarschijnlijk tot onze factorij voortgezet zou worden. In overleg met Gaedecke, die mij, als ex-soldaat, de verdediging onzer factorij, als het noodig was, had toevertrouwd, liet ik dadelijk onzen opzichter Hendriksen komen, wien ik opdroeg al de werklieden uit de plantages [150]hier te roepen en voor ons woonhuis bijeen te brengen.

Een uur later stonden ongeveer vijftig man, grootendeels sterke Tonga’s, bij den vlaggestok en keken met vurigen blik in de richting, vanwaar de schoten gehoord werden. Allen waren met groote messen gewapend, en bovendien hielden de meesten nog speren in de rechterhand. Gaedecke, Hendriksen en ik hadden onze buksen en revolvers gegrepen, terwijl onze knecht en de kok eveneens van geweren en messen voorzien waren. Nadat ik de lieden duidelijk gemaakt had, dat het ons te doen was, de vechtenden te verhinderen, het terrein, dat tot onze factorij behoorde, te betreden, en onze gebouwen als een vesting te gebruiken, rukte ik met alle manschappen voort, tot aan den buitensten rand van een groot suikerrietveld, en stelde daar ons legertje op.

Het duurde niet lang, of, tusschen de boomen aan den westelijken rand van het dal, zagen wij de gedaanten van enkele Samoaners, die zich langzaam terugtrokken, terwijl zij onophoudelijk op de snel voortrukkende vijanden schoten, die wij tot nu toe nog niet hadden kunnen zien. Maar heel spoedig bemerkten wij de tegenstanders van Mataafa en ontdekten, tot onze groote verbazing, onder hen een afdeeling [151]Engelsche oorlogsmatrozen en hun bevelhebber, in de uniform van Britsch zeeofficier. Zooals ik later vernam, was werkelijk een luitenant met vijftig matrozen en mariniers van het Engelsche oorlogsschip “Porpoise” naar de aanhangers van Tanu Mafili heengegaan, om dezen in den strijd tegen Mataafa te helpen.

Van Mataafa zelf konden wij intusschen niets ontdekken, maar wel herkenden wij heel spoedig de gestalte van ons opperhoofd, die zijn soldaten tot volharden scheen aan te vuren, want hij liep gestadig van het eene eind der schietlinie naar het andere. Toch duurde het niet lang, of zijn krijgslieden hadden den voet van de helling bereikt en zich gedekt, achter de hooge stammen der palmen, ongeveer vijfhonderd meter van onze stelling; hier openden zij nu een moorddadig vuur op den woest naderenden vijand, aan wiens hoofd de Engelsche officier met zijn manschappen stond. Ten einde het opperhoofd en zijn troep, al was het dan ook geen krachtdadige hulp, tenminste een kleinen stilstand van wapenen te bezorgen, waarvan hij misschien partij kon trekken, om zich op de oostelijke helling in veiligheid te brengen, haastte ik mij naar de kampplaats, terwijl ik mijn witten zakdoek, bij wijze van parlementairsvlag aan den loop van mijn geweer vastgebonden, heen en weer zwaaide. Werkelijk [152]hield het schieten van beide zijden op, toen men mij gewaar werd.

“Wat wilt gij, Mijnheer?” riep de Engelsche officier mij in zijn moedertaal barsch toe, terwijl hij mij een paar schreden tegemoet kwam.

“Ik wil er u even attent op maken, dat u hier op den grond eener Duitsche factorij zijt!”

“Dat is mij om het even,” gaf hij minachtend ten antwoord. “Het is mij te doen deze honden van opstandelingen uit te roeien, en ik zal mij hierin in geen geval door u laten verhinderen. Verstaan, Mijnheer?”

“Welaan, dan geef ik u de verzekering, Mijnheer, dat ik, met alle middelen, waarover ik te beschikken heb, iedere schending van ons onzijdig, Duitsch grondgebied tegen zal gaan,” riep ik den Engelschman toe, woedend over diens onbeschaamd optreden.

All right!” antwoordde deze. “Ik raad u echter aan, te maken, dat u wegkomt, anders kondt gij wel eens een paar kogels oploopen!”

Vóór ik nog kon antwoorden, vielen er achter de matrozen en de soldaten van Fanu verscheiden schoten, en dadelijk daarop, zag ik koning Mataafa aan het hoofd van minstens tweehonderd inlanders, die zich onder een hevig vuur en al schreeuwende, op den [153]vijand wierpen. Tegelijkertijd liet ook het opperhoofd een gillenden krijgskreet hooren; hij stortte zich op zijn tegenstanders, die onmiddellijk de helling afstormden en het aan de matrozen overlieten, de soldaten van Mataafa tegen te houden.

In een oogwenk begreep ik, dat de sluwe, ervaren Mataafa, deze list met het opperhoofd had afgesproken, om den vijand tusschen twee vuren te brengen; daarom moest het hoofd het gevecht zoolang aanhouden en zich van lieverlede tot in het rivierdal terugtrekken, om den koning den tijd te laten, den omweg over Laulii tot aan de kampplaats te kunnen afleggen.

Ik liep, zoo hard ik kon, tot den rand van het suikerrietveld terug, om niet onder de vechtenden te geraken en daarbij, mogelijk, een kogel op te doen; mijn doel, om het met mij bevriende opperhoofd een korte staking van het gevecht te bezorgen en tegelijk, hoewel heel toevallig, koning Mataafa tijd te geven, zijn tegenpartij in den rug aan te vallen, was bereikt.

Van onze standplaats af, konden wij waarnemen, hoe Mataafa, wiens strijdkrachten die der Tanu-partij in aantal ver overtroffen, deze steeds meer en meer de helling opdrong, ondanks den hardnekkigen tegenstand der Engelsche matrozen, die zich dapper verweerden, [154]maar ten slotte toch moesten terugtrekken, wegens de zware verliezen, die zij leden.

Noch Mataafa, noch het opperhoofd keerden dien avond in ons dal terug, waaruit wij konden opmaken, dat zij de volkomen verslagen Tanu-soldaten tot in Apia vervolgd hadden.

“Het is toch een groot geluk voor ons, dat wij niet genoodzaakt zijn geweest, ons land tegen de vijanden van koning Mataafa te verdedigen,” zeide Gaedecke op onzen weg naar huis. “Wij zouden met onze lieden, die alleen met speren en messen gewapend waren, tegenover de Engelsche matrozen een vrij armzalige rol gespeeld hebben, niet waar Arendt?”

“Natuurlijk” was mijn antwoord. “Maar wie had nu ook kunnen denken, dat een Britsch officier en een geheele afdeeling matrozen van een Engelsch oorlogsschip, gemeene zaak zouden maken met het krijgsvolk van den jongen koning Tanu! Het is een maar al te zeker teeken van den fellen haat, dien de Engelschen en Amerikanen tegen ons, Duitschers, koesteren. Mataafa en zijn aanhangers moeten hem wel tamelijk onverschillig zijn. Daarom doet het mij dubbel genoegen, dat die brutale luitenant en zijn soldaten zoo flink klop gekregen hebben van Mataafa en de zijnen. Ik [155]kan mij zoo goed voorstellen, hoe woedend de commandant van de ‘Porpoise’ over deze ongelukkige nederlaag van zijn soldaten zijn zal.”

“Ja, dat denk ik ook,” zeide Gaedecke. “Het zal mij benieuwen, welke gevolgen deze zegepraal voor Mataafa hebben zal. Hij, zoowel als onze vriend het opperhoofd, moeten toch dappere, voorzichtige mannen zijn; gedurende het geheele gevecht, kon men ze steeds in de voorste rijen hunner krijgers zien. Maar jou heb ik toch ook bewonderd, hoor! Je hebt je geheel alleen tot bij de vechtenden gewaagd; hoe licht had je door een kogel getroffen kunnen worden!”

“Och kom! Zoo erg was het niet,” antwoordde ik. “De Engelschen hielden op met schieten, toen zij mijn wel wat vreemde parlemetairsvlag zagen, en, daar de inlanders over het algemeen vrij slechte schutters zijn, staakten zij ook gauw het gevecht. Het was mijn hoofddoel gedeeltelijk de strijdende partijen van ons terrein af te houden, gedeeltelijk het in het nauw gebrachte opperhoofd eenige hulp aan te brengen; en ik ben er in geslaagd.”

Toen wij bij onze woning kwamen, ontsloegen wij de werklieden, die naar hun hutten konden gaan, daar het intusschen te laat geworden was hen weer aan het werk te zetten. Den opzichter Hendriksen noodigden [156]wij uit, den avond bij ons door te brengen en in ons gezelschap een glas bier te drinken.

Eenige dagen na dit gevecht, bracht een bode van directeur Beckmann mij een brief van dezen laatste, met het verzoek, dat ik mij nog dien zelfden dag in de kano van dien bode naar Apia zou begeven, om mij bij den directeur te vervoegen.

“Dat staat zeker in verband met de geschiedenis van laatst, Arendt,” zeide Gaedecke, toen ik hem bij het lunch den brief gaf. “Je zult zien, dat ik gelijk heb; de Engelsche officier zal je bij zijn commandant aangeklaagd hebben.”

Toen ik nog voor het vallen van den avond bij den directeur kwam, vroeg deze mij dadelijk: “Hebt gij onlangs bij het gevecht tusschen Mataafa en de Tonga’s, aan den eerste bijstand verleend?”

“Volstrekt niet, directeur,” antwoordde ik en vertelde daarop uitvoerig, welke maatregelen Gaedecke en ik genomen hadden om het grondgebied der factorij tegen iedere schending onzer neutraliteit te beschermen, en op welke wijze ik tegen den Britschen officier opgetreden was.

“O, dan heeft de ellendeling u maar belasterd om de schande zijner ongelukkige nederlaag te verkleinen. Gij moet dadelijk mee naar kolonel Rose, die van [157]zijn Engelschen collega, den intrigant Maxse, een aanklacht tegen u heeft ingediend, wegens het verleenen van hulp aan den vijand. Vanmorgen vroeg heeft de consul mij laten weten, dat hij ons vanavond na het sluiten der kantoren bij zich wacht.”

Na een korte begroeting ging de consul ons voor naar zijn studeervertrek, dat door verscheiden lampen verlicht werd, en stelde mij, nadat wij plaats genomen hadden, een breedvoerig schrijven in de Engelsche taal ter hand.

Zooals de directeur reeds gezegd had, bevatte dit een aanklacht van den Engelschen consul tegen mij, wegens het verleenen van hulp aan den afgezetten koning Mataafa, tegen de soldaten van den rechtmatigen koning Tanu en diens landgenoot, een officier van het schip van Hare Majesteit “Porpoise” en zijn equipage; hierdoor had ik mij schuldig gemaakt aan het schenden der neutraliteit.

“Welnu, beste Arendt,” met deze woorden op zeer vriendelijken toon gesproken, wendde consul Rose zich tot mij, “wat is uw antwoord op deze vrij zonderlinge aanklacht?”

“Dat er geen enkel woord van waar is, consul!” riep ik hartstochtelijk uit, daar ik mij ontzaglijk over deze gemeene leugen, dezen schandelijken laster ergerde. [158]“Als u het goed vindt, zal ik u het voorgevallene naar waarheid mededeelen.”

“Dat is goed, vriend, ga uw gang,” antwoordde de consul.

Toen ik mijn verhaal eindigde en er de opmerking bijvoegde, dat mijnheer Gaedecke, zoowel als mijnheer Hendriksen, de waarheid mijner woorden konden bevestigen, daar zij getuigen van mijn onderhoud met den Britschen officier geweest waren, zeide de consul, terwijl hij opstond:

“Ik heb het wel gedacht, dat de heele zaak gaan zou, zooals u ze mij hebt afgeschilderd. Luitenant Robert, of hoe die waarde heer heeten mag, heeft er behoefte aan gevoeld, zijn niet zeer roemrijken aftocht voor de soldaten van Mataafa, door dit voorwendsel eenigszins te vergoelijken. U zoudt den koning met een talrijke schaar van zijn aanhangers, in den rug van het Tanu-leger hebben doen vallen, waardoor Robert tot den terugtocht genoodzaakt was geworden.”

“Wilt u nu zoo goed zijn, mijnheer Arendt,” vervolgde mijnheer Rose, “morgen hier te komen, dan zal ik aan een mijner bedienden uw bescheiden dicteeren en deze als officiëel verslag meenemen, dat u dan onderteekenen moet. Thans verzoek ik den beiden heeren, mij naar de veranda achter het huis te willen [159]volgen, waar wij onder een glas Pschorrbräu en een sigaar, nog wat gezellig kunnen praten.”

Den volgenden morgen begaf ik mij op het vastgestelde uur, naar het kantoor van onzen consul; ik moest mijn verklaring aangaande mijn beschuldiging, herhalen, die door den secretaris woordelijk opgeschreven en door mij onderteekend werd.

“Ik zou het zeer wenschelijk achten, mijnheer Arendt,” zeide de consul ten slotte, “dat gij nog twee dagen hier kondt blijven. Ik ben namelijk voornemens, mijn secretaris nog heden of morgen op zijn laatst, vroeg naar Laulii te laten gaan, om ook van uw collega Gaedecke en den opzichter Hendriksen, als getuigen, een officieel verslag op te maken. Om nu zelfs den schijn te vermijden, dat u op beide heeren invloed hadt kunnen uitoefenen, is het beter, dat u wacht, tot dat mijn secretaris teruggekeerd is. U wilt den directeur hiervan wel in kennis stellen, niet waar, en trachten, zoolang u in Apia zijt, elke ontmoeting met de Engelschen te vermijden?”

Toen ik afscheid wilde nemen, hield de consul mij tegen, zeggende:

“Ik vind het toch noodig, dat dokter Raffel, als eerste ambtenaar van het Duitsche rijk, onderricht wordt van de beschuldiging van den Engelschen zee-officier, [160]alsmede van de aanklacht van den consul Maxse tegen u; daarom zou het het beste zijn, waarde mijnheer Arendt, dat u met mij meegingt naar den voorzitter van den gemeenteraad.”

Binnen weinig minuten waren wij in het huis van dokter Raffel, dat eveneens van hout gebouwd, en gelijkvloers door een breede veranda omringd was; het lag op geringen afstand van het consulaat. Toen wij bij den voorzitter kwamen, zat deze juist aan het lunch en, nadat de consul mij had voorgesteld, werden wij uitgenoodigd daaraan deel te nemen.

Onder dit tweede ontbijt, vertelde mijnheer Rose de toedracht der zaak en legde toen de aanklacht van den Engelschen consul en het door mij onderteekende verslag, voor den dokter neder.

“De geheele historie is eigenlijk zoo dom en plomp verzonnen, dat men ze bijna niet ernstig kan opnemen,” zeide de dokter, toen hij de twee geschriften doorgelezen had. “Mijnheer Maxse is anders zoo’n sluw, geslepen man, dat ik werkelijk verbaasd ben over dit kinderachtig knoeiwerk; hoogstwaarschijnlijk heeft hij op bevel van den commandant der ‘Porpoise’ zoo gehandeld, die zeker woedend is over de schade, welke zijn matrozen door de inlanders geleden hebben, en nu alles beproeft om anderen de schuld van dezen [161]smaad te geven.”

Na een korte pauze vervolgde hij: “Ik kan het niet anders dan goed vinden, waarde consul, dat u de twee Duitsche heeren op de factorij Laulii, eveneens als getuigen, een officieel verslag laat opmaken, en dat u mijnheer Arendt zoolang hier houdt. De aanklacht van den Engelschen consul, die ik u verzoek zorgvuldig te bewaren, is mij eigenlijk zeer welkom, daar zij mij het onomstootelijk bewijs is, dat de commandant van de ‘Porpoise’ werkelijk een afdeeling van zijn compagnie onder bevel van een officier afgezonden heeft, om de Tanu’s tegen de aanhangers van Mataafa bij te staan; hiertoe had hij volstrekt geen recht, want zoo schond hij de neutraliteit. Ik zal van deze omstandigheid ter rechter tijd gebruik weten te maken.”

Hierop nam de president met een paar vriendelijke woorden afscheid van mij en verzocht den consul hem in zijn studeervertrek te volgen, daar hij nog iets gewichtigs met hem te bespreken had.

Ik begaf mij onmiddellijk naar mijnheer Beckmann om hem, zoo het behoorde, alles mede te deelen omtrent het officiëele verslag op het consulaat en ons bezoek bij dokter Raffel.

“Hm! hm!” kwam de directeur peinzend, toen ik vertelde, welk gewicht de voorzitter hechtte aan de [162]aanklacht van den Engelschen consul. “Gij zult zien, dat er al heel spoedig iets gewichtigs gebeuren zal; ik heb dokter Raffel als een bijzonder verstandig en energiek man leeren kennen, die den Engelschen, deze belachelijke aanklacht zeker wel betaald zal zetten.”

In mijn hotel teruggekeerd, vond ik tot mijn groote verrassing op het terras, de heeren Krüger en Hendrik Petersen, die wel wat laat hun lunch gebruikten.

“Hallo! Daar is zoo waar onze Arendt!” riep Petersen uit, van zijn stoel opspringend en mij haastig tegemoetkomend. “Welk gelukkig toeval voert je juist vandaag naar Apia, kerel?” vervolgde hij, terwijl hij mij hartelijk omhelsde. “Kom je ons misschien een laten nieuwjaarswensch brengen?”

Nadat mijnheer Krüger mij ook zeer vriendelijk begroet had, nam ik plaats, bediende mij zelf van een glas bier en een sigaar, en vertelde toen mijn beiden vrienden uitvoerig, wat mij naar Apia gevoerd had.

“Maar dat is alleraardigst, Arendt!” riep Hendrik uit, terwijl hij zijn glas tegen mij ophief, “dat je die verwaande Engelschen zoo getracteerd hebt! Nu zal jij de belhamel geweest zijn, die den twist heeft doen ontbranden! Het is al te dol!”

“Onze consul zal zijn Engelschen collega wel eens [163]ongezouten de waarheid zeggen,” zeide mijnheer Krüger. “Hij is er juist de man voor. Maar nu zullen wij naar den directeur gaan, Hendrik,” vervolgde hij, terwijl hij opstond, “en dan naar Matafele wandelen, om den collega’s een bezoek te brengen.”

“Als u het goedkeurt, mijnheer Krüger, ga ik met u en Hendrik mee naar Matafele,” zeide ik. “Bij den directeur ben ik al geweest, en ik zal op u wachten, daar u weer hier langs komt.”

Na het diner bij directeur Beckmann, bij wien wij alle drie genoodigd waren, vroeg Petersen, of ik met hem de haven eens langs wilde gaan om wat pleizier te maken. Mijnheer Krüger bleef thuis om met den chef, onder een glas bier nog wat te praten.

“Een collega uit Matafele heeft mij vanmiddag verteld,” zeide mijn vriend Hendrik, toen wij de havenkade bereikten, dat er kort geleden een nieuwe uitspanning, geheel in Duitschen stijl, geopend is geworden; zij ligt vlak bij het strand, niet ver van de plek, waar Matautu, het oostelijk gedeelte van Apia, begint. Ik heb heel veel zin dit hoog geroemd café eens te bezoeken en er een lekker glas Münchener te drinken. Als wij het strand maar volgen, moeten wij er binnen een paar minuten zijn.”

Werkelijk zagen wij al heel gauw een tuin, die met [164]talrijke Chineesche lampions verlicht was. Hij strekte zich uit tot aan dan rand van de haven en scheen geheel op zijn Duitsch ingericht, behalve dat in plaats van beuken en lindeboomen of oranjeboompjes in potten, de prachtigste waaierpalmen, bananen en oranjeboomen op al de tafeltjes een heerlijke schaduw gaven. Nadat wij den tuin eens hadden rondgeloopen, en al de tafeltjes bezet hadden gevonden, bemerkten wij nog een vrij plekje, vanwaar wij een ruim uitzicht hadden over het geheele oostelijk gedeelte van de haven. Een Samoaansch kellner bracht ons, zonder een bestelling afgewacht te hebben, twee echt Beiersche bierpotten vol schuimend bier, dat wij dadelijk met attentie proefden, en toen eerst begonnen wij meer te letten op de drie andere bezoekers, die reeds aan hetzelfde tafeltje zaten. Wij hadden hen, toen wij plaats namen, alleen door het afnemen van den hoed gegroet, en dit was door hen ook zoo beantwoord.

Mijn vriend Hendrik, die steeds naar de ingeving van het oogenblik handelde, zeide opeens tot den oudste der drie heeren: “Ik geloof, dat wij landgenooten zijn, Heeren! Laat ons eens samen klinken en een flinke teug nemen op ons wederzijdsch welzijn! Ik heet: Hendrik Petersen, en mijn vriend hier, Herman Arendt, beiden in betrekking op de kantoren der [165]Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij op de Samoa-eilanden. Gezondheid!”

Na over deze grappige manier van voorstellen gelachen te hebben, klonken wij samen, waarna de oudste heer zich bekend maakte als de bezitter van een grooten Duitschen winkel in Apia. Zijn naam was Eduard Helberg en hij voegde er bij, dat hij zich onzer nog heel goed herinnerde, want wij hadden verleden jaar Kerstmis, groote inkoopen aan speelgoed en peperkoek bij hem gedaan.

“Laat mij u,” ging hij voort, “mijnheer Baumann, dekofficier aan boord van onzen kruiser ‘Falke’ en mijnheer Melberg, mijn collega en vriend, voorstellen.”

Wij konden ongeveer een uurtje prettig hebben zitten praten, toen een clubje van acht of tien man, naar het uiterlijk zeelieden, aan een leeg geworden tafeltje, dicht bij ons, plaats nam en den kellner in het Engelsch, bier bestelde.

“Engelsche matrozen, die zeker de brandewijnflesch dapper hebben aangesproken,” zeide mijnheer Helberg zachtjes tot ons.

“Dat zijn geen gewone matrozen,” zeide de Duitsche dekofficier. “Ofschoon zij in politiek zijn, herken ik er toch een paar van als mijn collega’s op de ‘Porpoise’ en zelfs twee die officier zijn.” [166]

“Misschien is de een wel je beroemde kennis van het gevecht bij Laulii, Arendt.” riep Petersen hardop.

“Schreeuw toch zoo niet, Hendrik,” zeide ik verschrikt. “Als die luitenant werkelijk bij die lui is, kon het wel eens een schandaaltje worden, wanneer hij mij herkende, want dat gezelschap komt mij voor vrij sterk boven zijn bier te zijn.”

Inderdaad scheen de officier, die bevel had gevoerd over de equipage van de “Porpoise” in dat bewuste gevecht, Hendriks woorden gehoord te hebben; al had hij ze ook niet verstaan, de namen “Laulii” en “Arendt” moesten hem opmerkzaam gemaakt hebben, want ik kon duidelijk bespeuren, hoe een der twee officieren zich eenigszins van zijn stoel ophief, en een vorschenden blik naar ons tafeltje wierp. Daar hij door een lamp, die juist boven zijn plaats hing, helder verlicht werd, herkende ik dadelijk den officier.

“Heeren,” zeide ik, “ik stel voor, ons bier uit te drinken en den tuin kalm te verlaten, voor het tot twisten komt, hetgeen mij, als man van zaken zeer onaangenaam zou zijn.”

“O, waarde Heer,” antwoordde Petersen, die waarschijnlijk door het wel wat al te ruim gebruik van bier, tot twisten geneigd scheen, “ga gerust uw gang; wij, mijn vriend en ik, zullen toch voor die Engelsche [167]heeren het veld niet moeten ruimen. Niet waar, Arendt?”

Voor ik nog een woord kon antwoorden, kwam de Engelsche officier bij ons tafeltje, nam mij minachtend lachend van het hoofd tot de voeten op en zeide toen, natuurlijk in het Engelsch: “Het verheugt mij, u ook eens in wat fatsoenlijker gezelschap te zien dan zooals onlangs, toen ik kennis met u maakte, omringd van de rebelsche honden van den ellendigen Mataafa.”

“Ik beschouw de soldaten van koning Mataafa voor vrij wat fatsoenlijker dan een laffen, leugenachtigen lasteraar, mijnheer, wiens vernieuwde kennismaking mij volstrekt niet tot eer kan zijn, verstaan?” riep ik eveneens in het Engelsch, terwijl ik van mijn stoel opsprong.

Insolent fellow!1 schreeuwde de Engelschman woedend; hij wendde zich daarop naar het tafeltje, waaraan zijn landgenooten zaten en riep ze bij zich. “Neemt dezen knaap gevangen en brengt hem aan boord. Hij is mijn arrestant!”

“Hoho! Daarin hebben wij ook nog een woordje mee te spreken, Sir,” riep Hendrik uit, zich strijdlustig naast mij plaatsend. “Wie zijt gij? En wie geeft u het recht een Duitscher, een ambtenaar van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij te arresteeren?” [168]

“Ik ben officier van het schip van H.M. ‘Porpoise’ en neem dien man in hechtenis, omdat hij mij beleedigd heeft,” antwoordde de luitenant.

“Waaraan kan men herkennen, dat gij een Britsch marineofficier zijt, mijnheer? Misschien aan uw onbeschaamdheid en omdat gij dronken zijt?” schreeuwde Hendrik hem toe.

“Brutale hond!” riep de Engelschman woedend uit, en hij gaf Petersen een stomp tegen de borst, doch mijn vriend met zijn Hercules-gestalte beantwoordde den slag onmiddellijk door een krachtigen slag in het aangezicht, zoodat de geslagene achteruit waggelde; toen vatte hij hem bij den kraag en den gordel, beurde hem op, en wierp vervolgens den hevig spartelenden en luid brullenden snoever over den lagen afsluitmuur van den tuin in het water. “Ziezoo, laffe schurk, riep Petersen diep ademhalend uit, “dat frissche bad zal je, naar ik hoop, goeddoen!” Met een grooten sprong kwam hij weer bij ons tafeltje en wilde nu zonder complimenten den overigen zeelieden te lijf, toen ik hem, geholpen door mijnheer Melberg, bij de armen vasthield.

Op het oogenblik dat mijn tegenpartij in het water viel, stonden de Engelschen op, om ons aan te vallen, doch zij bleven plotseling staan, toen mijnheer Baumann hen tegemoettrad. Hij maakte zich bij den tweeden [169]Engelschen officier bekend, als dekofficier van den Duitschen kruiser “Falke”. Enkele Engelschen herkenden hem nu ook, en hij gaf toen met een paar woorden nadere verklaring van het beleedigende en sarrende gedrag van den luitenant.

De officier was verstandig genoeg, den Duitschen zeeman te gelooven en verliet dadelijk met zijn gezelschap den tuin, om iederen verderen twist te vermijden en allereerst naar zijn kameraad te gaan zien, die in het water geworpen was. Door het onvrijwillige bad was deze geheel nuchter geworden en naar den oever gezwommen, zooals mijnheer Helberg ons vertelde, die het van den tuinmuur gezien had. Ik bedankte den Duitschen dekofficier hartelijk voor zijn tusschenkomst, die ons een bijzonder vervelende botsing met de Engelschen bespaard had; daarop lieten wij ons nog een potje bier brengen, dat wij voornamelijk op de gezondheid van onzen wakkeren kampioen ledigden, die op zulk een krasse en energieke wijze den onbeschaamden rustverstoorder uit den weg geruimd had.

Het was bij middernacht, toen Hendrik en ik het Hotel International bereikten. [170]


1 Onbeschaamde kerel! 

[Inhoud]

Negende Hoofdstuk.

Het bombardement van Apia.

Den volgenden morgen deelde de hotelhouder ons verheugd mede, dat er ten gevolge van de bemiddeling van dokter Raffel, door de drie consuls tot herstel van de orde en rust, tusschen de verschillende partijen, een voorloopig bestuur benoemd was, en dat dokter Raffel, als voorzitter van den gemeenteraad, tot president was gekozen.

Hendrik en ik haastten ons met het ontbijt en begaven ons daarna naar onzen Directeur Beckmann, waar wij mijnheer Krüger reeds aantroffen. Deze had met het ontbijt niet op ons gewacht, daar wij den vorigen avond wel wat te veel bier hadden gedronken en dus langer geslapen hadden dan gewoonlijk.

Toen de twee heeren de mededeeling van den hotelhouder bevestigd hadden, vertelde ik, zoo getrouw mogelijk, wat er in den Duitschen biertuin voorgevallen was, en liet daarbij voornamelijk uitkomen, hoe Petersen den ruziezoeker buiten gevecht had gesteld.

“Je bent toch een kraan van een vent, Petersen!” riep de directeur lachend uit, toen ik mijn verhaal gedaan had. “Als je dien driftkop niet zoo gauw op [171]zijn plaats hadt gezet, was het den rekel misschien toch nog gelukt, onzen vriend Arendt, met de hulp van de andere Engelschen, naar de ‘Porpoise’ te sleepen, dat zeker tot zeer onaangename verwikkelingen aanleiding zou gegeven hebben. Ik acht het niet kwaad, onzen consul van dit geval in kennis te stellen, vóór zijn Engelsche collega het hem op zijn manier komt vertellen.”

“Draagt het uw goedkeuring weg, directeur, dat ik met u mee ga naar den consul?” vroeg mijnheer Krüger. “Ik wil afscheid van hem nemen, want direct na het lunch, zou ik gaarne naar Mulifanua terug willen keeren.”

Consul Rose was nog onkundig van het voorgevallene; hij feliciteerde Petersen met diens kloek optreden, en maakte zijn excuus, dat hij ons moest verlaten, daar hij een conferentie bij president Raffel moest bijwonen.

Wij zaten nog aan het ontbijt, waaraan directeur Beckmann ook deelnam, toen onze consul op het terras van het hotel verscheen, zich een couvert liet brengen, en ons toen met opgewekten toon, den afloop der conferentie mededeelde.

“Onze dokter Raffel is toch een slim, scherpzinnig man, dat moet hem nagegeven worden,” zeide mijnheer [172]Rose, nadat hij zich een glas wijn had ingeschonken. “Reeds bij het begin der zitting zette hij ons,—d.w.z. den Engelschen en Amerikaanschen consul en mijn persoon—uiteen, dat, door het oprichten van een provisioneel bestuur, mijnheer Chambers voortaan geen recht meer had als president van de rechtbank op te treden; daarom zou hij,—n.l. dokter Raffel,—als voorzitter van den gemeenteraad, het gerechtshof doen sluiten. Ondanks het hevig verzet van de twee andere consuls, zetten dokter Raffel en ik de sluiting van het gerechtshof door, voorloopig ten minste, want ik vrees wel, dat voornamelijk mijn collega Maxse het niet daarbij zal laten, maar al het mogelijke beproeven om zijn vriend Chambers zijn invloedrijken post weer terug te bezorgen.”

Dat onze consul zich hierin niet vergist had, bleek reeds den volgenden dag, 7 Januari. Door toedoen van den Engelschen consul, bracht de commandant der “Porpoise” een afdeeling mariniers en matrozen aan land, onder wier bescherming Mr. Chambers zich naar de zitting van het gerechtshof begaf, en verklaarde, dat hij zijn ambt als president zooals vroeger wilde waarnemen. Een wacht mariniers bleef voor zijn persoonlijke veiligheid voor het huis gestationneerd.

Zoowel president Raffel, als onze consul, moesten, [173]hoewel zij schriftelijk protesteerden, deze daad van geweld lijdelijk toelaten, wilden zij het niet tot een hevige en gevaarlijke botsing met de Engelschen en Amerikanen laten komen. Zooals de naaste toekomst intusschen leeren zou, deden de beide heeren de noodige stappen bij het Duitsche rijk, tot krachtige ondersteuning der Duitsche belangen op de Samoa-eilanden.

Nog op den middag van den 7n Januari liet de consul mij roepen en deelde mij mede, dat er nu geen beletselen meer voor mij waren om naar de factorij terug te keeren, daar zijn secretaris met het officieel verslag van de heeren Gaedecke en Hendriksen, weer thuis was gekomen.

“Ik ben overigens vast overtuigd,” besloot de consul, “dat mijn Engelsche collega kalmpjes deze geheele zaak den kop zal indrukken, al was het alleen om den smadelijken en belachelijken afloop van het optreden van een zijner officieren in den Duitschen biertuin. Mocht echter, onverhoopt, de commandant van de ‘Porpoise’ of mijnheer Maxse, met u willen afrekenen, beste Arendt, dan zal ik u onmiddellijk daarvan op de hoogte stellen. Vaarwel!”

Nadat ik daarop van directeur Beckmann afscheid genomen had, voer ik in een kano, die men [174]mij hiervoor leende, naar Laulii, waar ik nog vóór het vallen van de duisternis aankwam.

“Goddank, beste vriend, dat gij heelhuids en gelukkig aan de handen der Amelekieten ontkomen zijt!” riep Gaedecke uit, en hij begroette mij hartelijk, toen ik op de veranda kwam.

Onder het souper moest ik al mijn wederwaardigheden in Apia uitvoerig vertellen.

“Die Petersen moet toch een prachtstuk van een kerel wezen; ik zou hem gaarne persoonlijk willen leeren kennen,” zeide mijn collega, toen ik hem de scène in den biertuin afschilderde. “Hij schijnt in alle geval de eenige manier te bezitten om met deze pleizierige heeren ‘Beefs’ om te gaan. Wat nu de jongste politieke gebeurtenissen in Apia betreft, die verontrusten mij niet bijzonder; dokter Raffel zal wel de noodige maatregelen weten te treffen, om aan den huidigen overmoed der Engelschen paal en perk te stellen.”

De eerstvolgende weken gingen met rustig werken op onze afgelegen plantage voorbij. Directeur Beckmann was zoo attent, ons iederen Zaterdag de Duitsche courant te zenden, die in Apia in druk verschijnt; ook bracht de bode de brieven mee, die uit het vaderland voor ons waren aangekomen; zoo bleven wij van alles goed op de hoogte. [175]

Op een Zaterdagavond zeide collega Gaedecke, dat hij mij voor een paar dagen alleen zou laten, daar hij den volgenden morgen vroeg naar Apia zou vertrekken en van daar te paard naar de plantage Vaitele gaan; hij had een schrijven ontvangen van mijnheer Tiedemann, die hem dit had opgedragen.

“Ik kom niet later dan Dinsdag terug, beste vriend,” voegde Gaedecke er bij. “Hendriksen kan heel goed alleen het opzicht houden over de nieuwe cultures, zoodat jij zelf volstrekt niet gestoord zult worden.”

Toen ik den volgenden Dinsdag tegen den avond van mijn ronde op de plantages, aan den oostelijken rand van het rivierdal naar huis keerde, bemerkte ik beneden in het dal twee ruiters; in den voorsten herkende ik tot mijn groote verbazing Gaedecke, terwijl de andere een Samoaner was. Ik haastte mij zoo gauw ik kon, de helling af te loopen en kwam bijna tegelijk met de ruiters aan het woonhuis.

“Maar om ’s Hemels wil, vriend, hoe kom jij nu van de bergen hier en dan nog wel te paard?” riep ik uit. “Ben je misschien uit Apia over het gebergte komen rijden?”

“Zoo dadelijk zal je alles vernemen,” antwoordde Gaedecke. “Laat mij eerst voor mijn metgezel en de paarden zorgen.” [176]

Onze bedienden, die intusschen waren komen aanloopen, ontvingen nu bevel, de paarden in de nabij zijnde loodsen onder dak te brengen, en den Samoaner mee te nemen naar hun woning, waar de kok hem te eten moest geven.

Toen mijn vriend een verfrisschend bad had genomen en wij op de veranda ons avondeten gebruikten, bevredigde hij eindelijk mijn nieuwsgierigheid.

“Voor wij iets anders doen,” ving hij glimlachend aan, “zou ik vanavond niet gaarne bier, maar een glas wijn met je drinken, vriend Arendt, en wel op iemand, die mij onuitsprekelijk dierbaar is!”

“Drommels! Je bent toch niet hals over kop verliefd geworden en je hebt je toch maar niet dadelijk verloofd?” riep ik verrast uit, terwijl ik Sufa order gaf een flesch wijn uit den kelder te halen.

“Verliefd ben ik reeds lang, verloofd pas sedert gisteren. Luister maar eens, oudje!” zeide Gaedecke met een van vreugde stralend gelaat. “Je herinnert je nog wel mijnheer Tiedemann, in de factorij Vaitele, dien wij kort na onze landing in Apia met directeur Beckmann bezocht hebben? Tiedemann is gehuwd met een Samoaansche, een zeer mooie, jonge vrouw, die wij toen niet gezien hebben, omdat zij haar man juist een baby geschonken had. [177]

Ongeveer een half jaar na mijn komst in Vaitele, nam mevrouw Tiedemann haar jongere zuster bij zich in huis, die tot dien tijd in een naburig dorp, met haar moeder samengewoond had. Je hebt mij zeker als een tamelijk nuchter, in het minst niet romantisch persoon leeren kennen, niet waar, beste Arendt? Welnu, ik kan je verzekeren, dat deze kleine Filina, zoo heet de jonge Samoaansche, het bekoorlijkste schepseltje is, dat mijn oogen ooit aanschouwd hebben; de belichaamde bevalligheid, een fee, in den waren zin des woords. Lang heb ik tegen mijn hartstocht voor die kleine gestreden, die mij zoo hoogst onverwachts, als een felle koorts, te pakken had; maar, toen ik verleden jaar Vaitele moest verlaten, om het bestuur over deze plantage op mij te nemen, kon ik het niet over mijn hart verkrijgen, van Filina te scheiden zonder haar te bekennen, hoe het met mij stond. In kinderlijken eenvoud beleed mij dit zonnekind, dat ik ook haar niet onverschillig gebleven was. Ik kon toen onmogelijk bij Tiedemann mijn hart uitstorten, omdat ik nog geen vaste aanstelling had; maar nu de factorij, die aan mij is toevertrouwd, bloeit en mij een ruim bestaan belooft, zijn de omstandigheden veranderd. Nu heb ik dadelijk na Nieuwjaar aan Tiedemann geschreven, en hem de hand van zijn schoonzuster [178]gevraagd; verleden Zaterdag ontving ik zijn toestemming en de uitnoodiging om zoo spoedig mogelijk naar Vaitele over te komen. Dat was nu de reden van mijn reis.”

“Hartelijk, hartelijk gefeliciteerd met je engagement, vriend Gaedecke, en dit glas op de gezondheid der bekoorlijke Filina!” riep ik uit, terwijl ik de glazen vulde uit de flesch, die Sufa intusschen op tafel gezet had.

“Je bent eigenlijk toch een leelijke stille-in-den-lande!” zeide ik, toen wij het glas geleegd hadden. “Wij wonen nu bijna een half jaar samen, en met geen enkele syllabe, geen enkel gebaar, heb je je hartsgeheim verraden.”

“Ik houd er niet van over dingen te spreken, die onzeker zijn, of nog niet tot een eindbesluit zijn gekomen,” antwoordde Gaedecke.

“En leg mij nu eens uit, wat je genoopt heeft, van Vaitele over het gebergte hierheen te komen rijden, in plaats van naar Apia en van daar uit, per boot naar Laulii te varen?” vroeg ik.

“Een knecht van mijnheer Tiedemann, die geboren is in een dorp in het dal van den Vaivasa-stroom, vertelde mij, dat het volstrekt niet noodig was, den grooten omweg over Apia te maken, om naar Laulii [179]terug te keeren. Hij wist een weg, die hoewel smal van de factorij Vaitele over het gebergte naar het dal van het riviertje leidde, dat bij Laulii in de zee uitloopt. De weg was wat moeilijk, maar te paard zeer goed binnen vier uur af te leggen. Ik vertelde Tiedemann het voorstel van zijn knecht, en mijn aanstaande zwager was het met hem eens; hij schonk mij twee paarden, om voortaan de bezoeken bij mijn meisje ook langs dien weg te komen brengen en gaf mij den Samoaner mee, om mij naar onze factorij terug te brengen en mij tevens den weg te wijzen. Morgen zal deze te voet naar Vaitele teruggaan, terwijl ik aanstaanden Zondag met mijn vriend Arendt over de bergen daarheen zal rijden, om hem mijn kleine lieveling voor te stellen. Is dat goed?”

“Aangenomen, beste vriend, dat doe ik!” riep ik uit, terwijl ik mijn rechterhand in de zijne sloeg.

Zooals afgesproken was, stegen wij den volgenden Zondag dadelijk na zonsopgang te paard en reden wij eerst ongeveer twee kilometer bergopwaarts, vervolgens sloegen wij rechts, een bijna onzichtbaar, smal pad in, dat ons boven op den westelijken rand van het dal voerde, waar wij een hoogvlakte met zwaar geboomte begroeid, aantroffen. Het was een heerlijke rit tusschen de prachtige boomen, door wier dichte [180]bladerkronen geen zonnestraal kon dringen, zoodat een koele, verkwikkende schemering ons omringde. Na een klein half uur bereikten wij het westelijk gedeelte der hoogvlakte, waar wij van de paarden moesten stijgen en hen bij den teugel leiden, daar de helling tamelijk steil was; in het dal gekomen, waardoor een vrij breede bergstroom vloot, de Letoga, zooals Gaedecke hem noemde, reden wij een eind stroomopwaarts tot aan een punt, waar weer een pad langs de oostelijke helling opliep, dat ons naar een smallen bergkam leidde, van welks top wij op kleinen afstand verscheiden watervallen zagen. De Letoga-val leverde werkelijk een prachtig schouwspel op, want zijn zilverhelder water stortte over den bergrand, die met bloeiende gewassen begroeid was, van een hoogte van dertig meter, in een door de natuur gevormd bekken. Ook den noordelijken rand van het 2570 voet hoog, liggende kratermeer Lanuto, zagen wij duidelijk voor ons. Nadat wij door den tamelijk ondiepen stroom Vailele, die aan den westelijken voet van den bergkam in noordelijke richting loopt, zooals de meeste bergstroomen van het eiland Upolu, gereden waren, kwamen wij door een ravijn, dat zich dwars door de bergen van het Oosten naar het Westen uitstrekte, in een derde rivierdal, Vaisasa genoemd, waarin ongeveer [181]twee kilometer meer zuidwaarts, de factorij Vaitele ligt, waar wij tegen negen uur aankwamen. Mijnheer Tiedemann ontving ons zeer hartelijk en wist zich mijner nog heel goed te herinneren, ofschoon er bijna twee jaar verloopen waren, sedert mijn bezoek in de plantage.

Toen wij ons door een bad verfrischt hadden—want de rit van drie uur had ons zeer warm gemaakt—begaven wij ons naar het schaduwrijk terras in den tuin, waar wij door den rentmeester en de twee dames verwacht werden. Mevrouw Tiedemann was een zeer knappe vrouw, wier lichtbruine gelaatskleur haar op een Spaansche deed gelijken, en haar jongere zuster, de verloofde van mijn collega Gaedecke, was inderdaad een allerliefst, mooi meisje; klein, gracieus en slank van gestalte, zonder direct mager te zijn, met de bekoorlijkste handjes en voetjes, die ik ooit gezien had, zou men ze voor een kind hebben kunnen houden, als de uitdrukking der groote, donkere oogen, met de buitengewoon lange wimpers, niet de jonge, liefhebbende vrouw verraden hadden. Filina had eveneens de lichtbruine tint der Samoaanschen, die haar nog een eigenaardige bekoorlijkheid verleende. Mijn geleerde en overigens zoo ernstige vriend was waarlijk te benijden. [182]

Beide dames waren op zijn Europeesch gekleed, maar het toilet was natuurlijk gewijzigd naar het tropisch klimaat; een lichte blouse van dunne zijde en een rok van dezelfde stof; sierlijke, witte schoentjes, maar geen kousen; zooals mijnheer Tiedemann verzekerde, konden zij het zelfs in fijne zijden kousen niet uithouden; zij beweerden ook, dat ze deze zeer hinderlijk vonden, omdat zij van jongs af blootsvoets geloopen hadden.

Na het ontbijt ging ik met den rentmeester de cultures in de buurt eens rond; de cacaoboom groeide er buitengewoon goed. Bij deze gelegenheid vertelde mijnheer Tiedemann mij, dat er onder de dicht bij wonende inlanders, allen trouwe aanhangers van den in November gekozen koning Mataafa, sinds eenige dagen een ongewone drukte en levendigheid heerschten, zoodat hij wel vreesde, dat er weldra een nieuwe strijd zou ontbranden. Ik deelde hem daarop mijn avonturen mee met den Engelschen officier in Apia, en de aanklacht van den Britschen consul tegen mij, hetgeen hem zeer scheen te interesseeren; van de politieke gebeurtenissen was hij, deels door de courant, deels door directeur Beckmann, die nog kort geleden de factorij bezocht had, op de hoogte.

Toen wij tegen zeven uur van tafel opstonden, [183]namen wij afscheid van de vriendelijke familie en gingen naar huis; mijnheer Tiedemann wilde ons een knecht meegeven, die goed met den weg bekend was, opdat wij in de duisternis niet verdwalen zouden, daar de maan pas na achten opkwam; doch Gaedecke bedankte voor het vriendelijk aanbod, met de opmerking, dat hij den weg, dien hij tweemaal gegaan was, heel goed kende.

Uit het dal van den Vaisasa kwamen wij in het ravijn, dat dezen stroom met de Vailele-rivier verbindt; de maan was nog niet boven den oostelijken bergkam opgekomen; slechts enkele sterren verlichtten het landschap, dat met een dicht oerwoud bedekt was; doch haar zwakke stralen konden den grond van het ravijn niet bereiken, zoodat wij in het stikdonker voortgingen.

“Zouden wij niet wachten, tot de maan opgekomen is?” vroeg ik mijn vriend, “het zal nog maar een half uur duren; men kan geen hand voor oogen zien.”

“Beste Arendt, wij kunnen onmogelijk verdwalen,” antwoordde Gaedecke. “De paarden zullen ons veilig tot aan het andere einde van het ravijn brengen.”

Meer dan een half uur konden wij in de duisternis verder zijn gekomen, en nog kwamen wij niet aan den oostelijken uitgang van onzen weg; wel was het mogelijk op enkele plaatsen, waar de boomen wat [184]minder dicht stonden, te bespeuren, dat de maan eindelijk boven den bergkam opgekomen was, maar toen bemerkten wij tevens, dat wij ons niet meer in het ravijn bevonden. Van een voetpad was geen spoor te ontdekken, en bovendien gevoelden wij duidelijk aan den gang onzer paarden en hun sterk snuiven, dat wij een steile helling opgingen.

“Ik begrijp volstrekt niet, hoe de paarden er toe gekomen zijn, uit het ravijn dezen heuvel op te gaan,” zeide Gaedecke, die vlak voor mij reed. “Wilde dieren zijn er op het geheele eiland niet, anders zou men kunnen denken, dat zij er een geroken hadden.”

“Waarschijnlijk zal je je paard door een trek aan den teugel of een lichten druk met het dijbeen, uit de rechte richting gebracht hebben,” gaf ik ten antwoord, “en mijn Rossinant is jou ros gevolgd. Laten wij ons hoofd daarover maar niet breken; wij moeten alleen een kleinen omweg maken, want het dal van den Vailele kunnen wij niet misloopen; het wordt voor ons uit al wat lichter, zoodat wij wel gauw weer op den rechten weg zullen zijn.”

Werkelijk kwamen wij na een kleine poos, op een, naar wij meenden, vrij groote open plek, die door de maan helder verlicht werd, en afgaande op haar stand [185]aan den hemel, reden wij dwars over deze vlakte heen tot aan haar oostelijken rand, om van daar in het dal van den Vailele af te dalen. Daar deze helling vrij steil en ook met boomen en struiken bedekt was, moesten wij afstijgen en de paarden bij den teugel leiden; het ging alles behalve gemakkelijk, om door deze verwarring van struiken en boomen heen te komen, maar eindelijk bereikten wij dan toch den voet van den rand om het dal. Ongeveer tweehonderd meter zuidelijk van de plaats, waar wij in de open ruimte gekomen waren, zagen wij enkele hutten, die, zooals wij heel spoedig gewaar werden, tot een grooter Samoaansch dorp behoorden, dat vlak aan den linkeroever van de rivier lag.

“Zou het niet goed zijn, eens naar die hutten te gaan, en een gids te vragen, die ons naar ons dal brengt?” vroeg mijn metgezel, die zichzelf zeker niet te best vertrouwde, wat de juiste kennis van den weg betrof.

“Dat is heusch niet noodig,” antwoordde ik; “wij slaan hier links zoo ver af, tot wij het eind van het ravijn bereiken; daar gaan wij den Vailele-stroom langs, en vervolgen onzen weg op het pad over den bergkam, die zich tusschen deze rivier en de Letoga uitstrekt. Met dezen helderen maneschijn [186]kunnen wij den weg niet missen; in het pikdonkere ravijn was dit eerder mogelijk.”

Toen wij op het punt stonden weer in den zadel te stijgen, zagen wij tot onze groote verbazing een menigte inlanders, die uit het dorp kwamen en vrij snel langs den linkeroever naar ons toe kwamen.

Voor zoo ver ik zien kon, waren al de mannen met buksen gewapend en hadden zij patroongordels omgegespt.

Verschrikt riep Gaedecke uit: “Gauw! Te paard! Laten wij maken, dat wij wegkomen!”

“Dat zou al heel dwaas wezen, vriendje!” gaf ik ten antwoord. “Die menschen zouden ons dan voor vijanden aanzien en op ons schieten. Ik ben overtuigd, dat het aanhangers van Mataafa zijn, zooals de meesten der Samoaners, die in dit gedeelte van het eiland wonen. Dezen zijn ons, Duitschers, genegen en zullen ons zeker geen kwaad doen, als zij zien, wie wij zijn. Laten wij opstijgen, en hun stapvoets tegemoetrijden; dat zal hen het spoedigste overtuigen, dat wij geen kwaad in den zin hebben.”

Toen wij de vlug naar ons toe marcheerenden tot op een paar meters genaderd waren, lieten wij onze paarden stilstaan en riepen hun ons: “Talofa!” toe, dat door de voorsten vriendelijk beantwoord werd. [187]Een hunner trad daarop naar mij toe, gaf mij een hand en riep hartelijk uit:

“O, nu herken ik u, Mijnheer! U bent de heer, die ons opperhoofd heeft geholpen, toen wij bij uw factorij met de Engelschen en de soldaten van Tanu vochten. Hoe komt ge zoo laat hier, zoo ver van uw huis? Zijt gij verdwaald?”

“Ja, dat zijn wij, beste vriend,” antwoordde ik, zoo goed als ik dit in het Samoaansch kon. “Mijn metgezel hier zal het u wel beter kunnen uitleggen dan ik, want hij verstaat uw taal goed.”

Toen Gaedecke de gewenschte opheldering gegeven had, bood de Samoaansche soldaat dadelijk aan, ons een zijner mannen mee te geven, die ons naar de plantage zou brengen, wat eerstgenoemde op mijn aanraden ook aannam; wij konden best nog eens verdwalen, vooral wanneer de maan achter de hoogere bergen in het Oosten zou zijn ondergegaan.

Terwijl wij nu het dal in reden, zeide de inlander, dat zij op weg waren naar hun koning Mataafa, die zijn aanhangers in den omtrek van Apia bijeengeroepen had, om den strijd tegen Tanu en diens beschermers opnieuw te beginnen.

Bij het eind van het ravijn gekomen, namen wij afscheid van de Samoaners. Wij wenschten hun voorspoed [188]in den aanstaanden krijg, gingen, vergezeld van den gids, dien men ons had meegegeven, door het wad van den Vailele en bereikten na een rit van bijna drie uur onze factorij. Daar het reeds ver over middernacht was, hielden wij onzen gids bij ons, gaven hem den volgenden morgen een paar sigaren en twee dollars en lieten hem toen vertrekken.

Zooals wij uit de couranten en bij enkele bezoeken in Apia vernamen, duurde de strijd tusschen Mataafa en zijn tegenpartij de geheele maand Februari. Wij werden er ditmaal niet in betrokken, zooals in November van het vorige jaar, daar de gevechten meer in het westelijk en zuidelijk gedeelte van het district Tuamusanga plaats hadden. In de eerste dagen van de maand Maart, kwam de Noord-Amerikaansche admiraal Kautz, op het Amerikaansche oorlogsschip “Philadelphia” in Apia en nu zouden er zeer spoedig groote dingen gebeuren. Reeds den elfden Maart liet de admiraal bekend maken, dat Mataafa als koning was afgezet, waartegen de Duitsche consul Rose op energieke wijze protesteerde. Natuurlijk stoorden Mataafa noch zijn aanhangers zich aan die afgekondigde afzetting, maar maakten zich in Apia en omstreken tot krachtigen weerstand gereed. Mataafa sloeg zijn hoofdkwartier op, op het schiereiland Mulinu, [189]in de vroegere, zoogenaamde residentie van den overleden koning Malietoa Laupopa, wiens zoon Tanu Mafili, den beschermeling der Engelschen en Amerikanen, hij volkomen verslagen had.

Op den namiddag van den 11n Maart, kwam mij een bode van directeur Beckmann, het schriftelijk bevel brengen, om nog dien zelfden avond in de kano van den bode naar Apia te varen. Ik was niet weinig verrast over deze onverwachte, plotselinge oproeping, pakte, wat ik van ondergoed en kleeren noodig achtte, in een handkoffertje, schreef gauw een paar regeltjes aan Gaedecke, waarbij ik den brief van den directeur voegde, en begaf mij toen, door mijn trouwen Sufa vergezeld, op weg naar Laulii; de bode was reeds vooruitgegaan. Ik kon niet, zooals het eigenlijk behoord zou hebben, de terugkomst van Gaedecke afwachten, om persoonlijk afscheid van hem te nemen, daar hij, zooals hij mij ’s middags gezegd had, in de verst gelegen cultures bezig was.

De roeiers gebruikten hun korte riemen zoo vlug, dat ik nog voor het vallen van den avond in de haven van Apia binnenkwam, waarop ik mij dadelijk na de landing, tot directeur Beckmann begaf, terwijl ik mijn knecht naar het Hotel International zond.

“Wel bedankt, beste Arendt, datje zoo gauw aan mijn [190]verzoek hebt voldaan,” zeide de directeur na de eerste begroeting; “wij gaan een naren tijd tegemoet, want na de komst van admiraal Kauz en zijn vroeger optreden, moet men op alles voorbereid wezen. Zooals je misschien gehoord zult hebben, had Mataafa in zijn verschillende gevechten met de aanhangers van Tanu, meer dan tweeduizend krijgslieden van dezen laatste gevangen genomen. Dezen heeft hij daarna op het vereenigd verzoek der consuls, de vrijheid geschonken, maar slechts onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij naar eenige verder gelegen eilanden, hun eigenlijk vaderland, zooals b.v. Tutuila en Manua, gebracht zouden worden en niet meer tegen hem, Mataafa, zouden vechten. Eenige dagen geleden nu, heeft de admiraal het doorgezet, dat de Britsche kruiser ‘Royalist’ naar die eilanden afgezonden is, om deze tweeduizend vrijgelaten gevangenen hierheen te brengen, en hen natuurlijk ter beschikking te stellen van den jongen Tanu. De geheele maatregel is, hoewel direct tegen Mataafa, echter indirect tegen de Duitschers genomen. Heden morgen heeft mijnheer Kautz, koning Mataafa, die met groote meerderheid van stemmen gekozen is, eenvoudig afgezet; hiertoe had hij niet het minste recht, daar hij zonder toestemming van den Duitschen vertegenwoordiger volstrekt niet bevoegd [191]was, eenig verzoek aan de inboorlingen te doen. Zoodra de ‘Royalist’ nu met de mannen van Tanu hier binnenkomt, wat vanavond nog gebeuren kan, zal het, hoe het ook ga, tot een gevecht midden in de stad komen, want Mataafa zal zich zeker niet zonder hardnekkigen tegenstand overgeven. Al heb ik ook geen aanzienlijke sommen in huis, daar de geldswaarde, zooals gij weet, voor het grootste gedeelte in onze kantoren te Matafele is geborgen, heb ik toch heel veel documenten, contracten en andere belangrijke stukken onder mijn bijzondere berusting, die ik hoogst ongaarne naar Matafele zou zien brengen. Voor het oogenblik ben ik met mijn zwarte bedienden alleen in huis, daar mijn secretaris in Matautu bij mijnheer Koning is, om over den aankoop van landerijen voor een nieuwe factorij te spreken. Daarom, beste Arendt, heb ik je laten verzoeken, naar Apia te komen en een paar dagen bij mij te blijven, opdat ik ten minste niet geheel alleen sta, als er wat gebeuren mocht. Ik heb ook aan mijnheer Krüger een bode gezonden, met het verzoek mij uw vriend Petersen voor een poos af te staan; met twee zulke flinke Hamburgers bij mij, zal het mij en mijn huis niet aan de noodige bescherming ontbreken!” besloot de directeur lachend. [192]

Een knecht werd nu naar het Hotel International gezonden, met de opdracht, mijn knecht Sufa en mijn bagage te halen, daar mijnheer Beckmann de kamer van zijn secretaris voor mij bestemd had. Den volgenden morgen begaf ik mij naar den consul Rose, om hem te begroeten en hem mede te deelen, dat ik door den directeur voor de eerstvolgende dagen naar Apia ontboden was.

“Nu, dan komt gij juist van pas, beste Arendt,” zeide de consul, nadat ik op zijn verzoek plaats had genomen. “Wij zullen dezer dagen zeer vreemde dingen zien gebeuren! Een half uur geleden heb ik uit Mulinu tijding ontvangen, dat admiraal Kautz aan Mataafa ten strengste bevolen heeft, met zijn aanhangers binnen drie uur de stad Apia en omstreken te verlaten. Ik kan moeilijk gelooven, dat Mataafa aan dit onredelijk bevel voldoen zal, en vrees, dat het tot een strijd zal komen, zelfs hier in de stad.”

Dat onze consul het bij het rechte eind had, zou spoedig blijken. Nog in den loop van denzelfden dag, ontbood de Amerikaansche admiraal de drie consuls, benevens de oudste vlootofficieren tot een onderhoud aan boord der “Philadelphia.” Het gevolg van deze bijeenkomst was een besluit, om het provisioneel bestuur en de genomen maatregelen op te heffen, zoowel [193]als de vrijstelling van een afkondiging, luidende, dat Mataafa en zijn opperhoofden met hun soldaten, onmiddellijk naar hun woonplaatsen moesten terugkeeren. De Duitsche consul en graaf Moltke, de commandant van den Duitschen kruiser “Falke” waren in verzet gekomen tegen dit besluit, doch tevergeefs; onze consul liet mij dien zelfden dag een tweede proclamatie afkondigen, waarin hij protest aanteekende. Tegen den avond verzamelden Mataafa zijn volgelingen allen in volle wapenrusting en trok met hen van Mulinu naar de dorpen, ten zuiden van Apia, nog in dat gebied der stad gelegen, die hij deed bezetten en insluiten.

Intusschen was het Britsche oorlogsschip “Royalist,” vergezeld van verscheiden groote kano’s, met de tweeduizend vrij gelaten Tanu-mannen in de haven binnengeloopen. Zoodra deze aanhangers van den jongen Tanu geland waren, namen zij plechtig bezit van de stad en riepen Tanu als hun koning uit. Daar zij door de Engelsche, zoowel als door de Amerikaansche oorlogsschepen, ruimschoots van wapenen en ammunitie voorzien waren, begonnen zij de straten, op het Zuiden, te versperren en te bezetten.

Te midden van deze ongeregeldheden was mijn vriend Hendrik van Mulifanua aangekomen; bij mijn [194]terugkomst uit de stad, trof ik hem ten huize van den directeur aan. Aan tafel vertelde ik mijn chef, wat ik van den consul en later van den eigenaar van het Hotel International, die altijd goed op de hoogte was, over de bijeenkomst aan boord der “Philadelphia” en den uitslag daarvan, vernomen had.

De directeur was reeds onderricht van de opheffing van het voorloopig bestuur en van de proclamatie. “Ik begrijp niet,” zeide Petersen, “waarom de commandant van de ‘Falke’ niet strenger opkomt tegen deze ingrijpende handelingen der Engelschen en Amerikanen.”

“Dit zal ik je verklaren, mijn vriend,” antwoordde mijnheer Beckmann. “Ik weet het van onzen consul, dat de commandant uit Berlijn strikt bevel heeft ontvangen, elk krachtdadig optreden tegen de hedendaagsche oneenigheden en verwarringen zooveel mogelijk te vermijden; de handen zijn hem dus als het ware gebonden, en hij heeft hier genoeg verdriet van. Wanneer jullie nu nog een loopje doen wilt in de stad, Heeren,” ging de directeur voort, “dan heb ik daar niets tegen, maar komt niet te laat thuis. Ik ga nog even naar den consul.”

Wij deden een kleine wandeling langs de haven, doch zagen daar niets ongewoons; alleen trok het [195]onze aandacht, dat wij noch een matroos, noch iemand anders van de equipage der vier oorlogsschepen zagen, die op kleinen afstand van den oever voor anker lagen. In den Duitschen biertuin, troffen wij daarentegen veel gasten aan, en naar hun levendige conversatie te oordeelen, waren het onze landgenooten; zij hadden verscheiden tafels tegen elkaar geschoven en bespraken met groote belangstelling de gebeurtenissen van den dag. Wij vroegen verlof bij hen te komen zitten, en maakten ons bekend.

“Mijnheer Petersen, op uw welzijn in het bijzonder!” riep een der aanwezigen mijn vriend toe, terwijl hij zijn glas ophief en op diens gezondheid dronk.

Verwonderd keken wij op, en herkenden den heer, die in Januari aan ons tafeltje had gezeten, toen Hendrik den Engelschen officier zoo kranig den tuin uitgegooid had. Natuurlijk knikten wij den koopman vriendelijk toe en hieven insgelijks onze glazen op. Toch was mij deze ontmoeting volstrekt niet aangenaam, want misschien kon het nu, daar iedereen in een opgewonden, ontevreden stemming verkeerde, tot onvriendelijke toespelingen op onzen consul of president Raffel komen, die ons maar in moeilijkheden zouden brengen. Daarom verzocht ik mijn vriend zachtjes, zijn bier op te drinken en maar gauw te [196]vertrekken; hij keek mij wat verwonderd aan, maar ging toch mee, toen ik opstond en mij bij de heeren verontschuldigde, daar de directeur ons wachtte.

Den volgenden dag vonden wij de straten, die naar het binnenste gedeelte van het eiland voerden, bijna alle gebarrikadeerd en door de soldaten van Tanu bezet; voor het huis van den Britschen consul, het Gerechts-hof en de woningen der aanzienlijkste Engelsche kooplieden, stonden Engelsche mariniers en matrozen op de wacht; op dezelfde wijze werd het Amerikaansche consulaat bewaakt. Dien dag kwam het niet tot een gevecht. Den morgen daarop zond Admiraal Kautz een laatste opdracht aan Mataafa, inhoudende, dat deze met zijn soldaten op den middag van 15 Maart de gemeente Apia moest ontruimd hebben en dat, als hij hieraan niet voldeed, met het beschieten van het door hem bezette gedeelte der stad een aanvang zou worden gemaakt.

Mataafa stoorde zich in het geheel niet aan dit bericht, maar begon van zijn stelling de stad aan te vallen en de hem tegenoverstaande soldaten van Tanu terug te dringen; niet voordat de duisternis inviel, kwam er een eind aan dezen strijd. Toen de soldaten van Tanu den volgenden morgen op nieuw werden aangevallen, haalden de Amerikaansche en Engelsche consuls admiraal [197]Kautz over om reeds een halfuur voor den vastgestelden tijd van de “Philadelphia” en de “Royalist” met het schieten op de dorpen te beginnen, die door Mataafa en zijn aanhangers bezet waren. Terzelfder tijd ontving de commandant van de “Porpoise” bevel de dorpen ten Oosten en Westen van Apia te bombardeeren, waarvan eenige, die aan den oever lagen, zeer spoedig in brand stonden.

Daar de door Mataafa bezette plaatsen door een dicht woud omringd waren, was het voor de kanonniers der “Philadelphia” en van de “Royalist” zeer moeilijk de juiste standplaats der vijandelijke partij te bepalen; het gevolg van deze onzekerheid was, dat verscheidene schoten aan beide zijden der verdedigingslinie hun doel misten. Zoo barstte onder anderen een bom van de “Philadelphia” in de onmiddellijke nabijheid van het Amerikaansche consulaat uiteen en doodde een groot aantal van de aldaar op post staande mariniers. Ook in de woning van den Duitschen consul zeer dicht bij ons, kwam een groote bom door het lichte dak in de keuken terecht, waar zij al het keukengereedschap vernielde.

Op verlangen van den directeur liep ik er vlug heen om te informeeren, of de granaatkogel soms ernstig kwaad aangericht en een der bewoners van het [198]consulaat gekwetst had, maar tot mijn blijdschap vernam ik dat, zooals reeds gezegd, alleen de breekbare waar in de keuken kort en klein geslagen was.

Een groot aantal Duitsche inwoners van Apia begaf zich nog denzelfden avond aan boord van den kruiser “Falke” om zich in veiligheid te brengen, niet alleen voor de granaatkogels der Engelschen en Amerikanen maar ook voor mogelijke aanvallen van de aanhangers van Tanu, hun beschermelingen.

Zoowel consul Rose als directeur Beckmann bleven in hun huizen, te meer omdat de eerste van den commandant der “Falke” een veiligheidswacht had gekregen, die zoo noodig ook ons hulp zou kunnen verleenen, daar de woning van den directeur slechts enkele schreden van het consulaat verwijderd was. Bij het vallen van den avond hield het bombardement op, maar lang zouden wij ons niet in onze rust verheugen. Midden in den nacht deed Mataafa met zijn soldaten een hevigen aanval op de stad en sloeg het leger van koning Tanu een heel eind terug, totdat deze van een afdeeling Britsche matrozen ondersteuning kreeg. Toen er verscheidenen van dezen, door de kogels hunner aanvallers gevallen waren, trokken zich de krijgslieden van Mataafa weder in hun verschansingen terug. [199]

Mijnheer Beckmann, Petersen en ik hadden het geheele gevecht van het terras voor ons huis gadegeslagen; dit terras lag vrij hoog en was door een sterke borstwering omgeven, zoodat wij voor eventueel verdwaalde kogels beschut waren.

“Een flinke, dappere kerel, die Mataafa!” riep Hendrik uit, toen wij den koning met zijn troepen zoo moedig voorwaarts zagen rukken. “In weerwil van de vijandelijke granaatkogels, die hem sedert vanmiddag om de ooren vlogen, grijpt hij den vijand nog in den nacht aan en drijft hem terug om te toonen, dat hij den moed nog lang niet verloren heeft.”

“Ronduit gesproken, vind ik het al heel schandelijk van de Engelschen en Amerikanen om een bombardement te beginnen op niet ommuurde dorpen en menschen, die zich niet verdedigen kunnen!” riep ik onwillekeurig uit.

“Het is niet voor het eerst, dat de heeren Engelschen zulk een heldendaad verrichten, beste vriend,” zeide de directeur op zijn bedaarde manier van spreken. “Denk maar eens aan het bombardement van Alexanderië in het jaar 1882, en den opstand van Arabi Pacha; dat was ook een open stad.”

Het overige van den nacht ging ongestoord voorbij. Den volgenden dag begon het beschieten opnieuw [200]en een volle acht daag hield het thans aan. Bijna de geheele blanke bevolking nam de vlucht op de oorlogsschepen; velen verlieten Samoa voor altijd.

In weerwil van de talrijke verliezen aan menschenlevens hield Mataafa zich gedurende het geheele bombardement dapper staande en gaf geen enkele der door hem ingenomen stellingen op. Toen het schieten gestaakt werd, dat geen ander gevolg had gehad dan een groote slachting onder de inboorlingen van Samoa, waarvoor bovendien geen bepaalde aanleiding was geweest, werd het langzamerhand weer rustig. De vluchtelingen verlieten de oorlogsschepen, waarop zij bescherming gezocht en gevonden hadden en keerden naar hun woningen terug, waarvan er zeker niet weinige door de granaatkogels of de plunderende krijgslieden van Tanu in deerniswaardigen toestand gebracht waren.

Ook mijn vriend Hendrik en ik zeiden het huis van onzen directeur, dien wij in dezen veelbewogen tijd als een dierbaar familielid hadden leeren kennen, vaarwel en keerden naar onze woonplaatsen terug—hij naar Mulifanua, ik naar Laulii. [201]

[Inhoud]

Tiende Hoofdstuk.

Samoa wordt een Duitsche kolonie.

Weinig dagen na mijn terugkomst lazen wij in de courant, dat den 23en Maart in tegenwoordigheid van de Engelsche en Amerikaansche consuls de feestelijke kroning van Tanu had plaats gehad, dus onmiddellijk na het bombardement van Apia. Deze handelwijze van den kant der beide consuls was hoofdzakelijk slechts een openbaring hunner vijandelijke, verbitterde stemming tegenover Duitschland en in den grond zonder eenige practische uitwerking, daar Mataafa, zooals reeds is vermeld, in weerwil van het langdurig beleg, al zijn stellingen dapper had weten te handhaven.

Zoowel onze consul Rose als president Raffel hadden dadelijk bij het Duitsch bewind een flink gesteld protest ingediend tegen deze slachtingen door de Engelsche en Amerikaansche scheepscommandanten op de bewoners van Samoa gehouden, waarvoor, zooals hier boven reeds is gezegd, geen enkel geldig motief bestond.

De gevolgen van dit protest waren, dat het bestuur der veiligheidswachten de zaak in handen nam en [202]vooral Engeland zijn instemming betuigde met de voorslagen van het Duitsch gouvernement, om voorgoed een eind te maken aan de vijandelijkheden en daarom een commissie naar Apia te zenden, die bestaan zou uit drie vertegenwoordigers der veiligheidswacht.

Voor deze commissie de plaats harer bestemming bereikte, kwam het in April nog tot twee gevechten. Mataafa was er in geslaagd onzen ouden vriend Tamasese voor zijn partij te winnen, die zich met het grootste gedeelte zijner aanhangers met Mataafa’s strijdkrachten vereenigde. Tamasese was tot dit verbond overgegaan, minder uit bijzondere sympathie voor zijn vroegeren mededinger, dan wel uit haat tegenover zijn oude vijanden, Malietoa en diens zoon Tanu; ook had hij meer vertrouwen op de macht van Duitschland dan op den invloed van de door hem van ouds zoo bitter gehate Engelschen.

Zooals ik bij mijn eerste bezoek aan Apia vernam, waarheen ik mij begeven had om de noodige gelden in ontvangst te nemen tot uitbetaling der salarissen, waren door het bombardement niet alleen een groot aantal inboorlingen gedood, maar ook verscheidene dorpen geheel verwoest, vooral die, welke dicht bij den oever gelegen waren. Eveneens hadden vele Europeanen en Amerikanen aanzienlijke schade geleden; [203]hun woonhuizen waren door de granaten gedeeltelijk verbrand en alleenstaande aanplantingen geheel verwoest. Zij wendden zich met hun bezwaren tot den consul, wien het aanging, en ontvingen van hem het voorloopig antwoord, dat zij geduld moesten hebben tot de bijeenkomst der internationale commissie.

Den 15en April zat ik ’s morgens met Gaedecke aan het ontbijt, toen wij duidelijk kanongebulder hoorden, gevolgd door het zwakker geluid van geweervuur.

“Het zou mij niet verwonderen, als er in de bergen westwaarts een gevecht plaats had tusschen Mataafa en de mannen van Tanu,” riep ik, terwijl ik opsprong en naar buiten ging.

“Dat geloof ik ook,” antwoordde mijn collega, die mij gevolgd was. “Maar hoe is het kanonvuur te verklaren, daar de twee partijen toch moeilijk over kanonnen zullen kunnen beschikken?”

“Ja wel, ik herinner mij heel goed, dat de Amerikaansche admiraal zijn beschermeling Tanu twee lichte kanonnen heeft geschonken, toen diens aanhangers met de Engelsche kruiser ‘Royalist’, vervoerd werden; als ik mij niet vergis, over de tweeduizend man. Ik heb de twee stukken geschut zelf gezien, toen deze voorbij het huis van onzen directeur getrokken werden, om tegen een verschansing van Mataafa te worden [204]aangewend. Ga mee, vriend, ging ik voort, “wij zullen onze paarden laten zadelen en naar den top van den berg rijden; daar zullen wij zeker iets van het gevecht kunnen zien.”

Gaedecke nam met mijn voorstel genoegen; tien minuten later bestegen wij de door de knechten vlug gezadelde paarden, nadat wij uit voorzorg onze revolvers in den zak hadden gestoken; men kon nooit weten, of men niet genoodzaakt zou zijn er gebruik van te maken.

Wij draafden langs den linkeroever der rivier voort tot beneden aan de plaats, waar Mataafa in November van het vorige jaar de mannen van Tanu met hun Engelsche bondgenooten in den rug aangevallen en over de bergen teruggedreven had. Zoo vlug het met onze kleine paarden gaan kon, reden wij vervolgens in schuinsche richting de helling op en, toen wij den top bereikt hadden, konden wij het vrij breede dal van de Letoga-rivier overzien en ons spoedig overtuigen, dat ik mij in mijn vermoeden niet bedrogen had. Ongeveer een kilometer het dal in, werd inderdaad een levendige strijd gevoerd op den nog slechts met enkele boomen en struiken begroeiden linkeroever, juist tegenover een plaats aan den rechteroever, het Samoaansche dorp Muliangi, zooals ik later vernam. [205]

Nadat wij nog een eind de westelijke helling van den bergrug afgereden waren, kwamen wij aan een plaats, waar de boomen minder dicht bij elkander stonden, zoodat wij het dal goed konden overzien en zelfs de gestalten der strijdvoerenden vrij duidelijk onderscheiden.

“Kijk, daar ginds, aan den voet van de helling zijn de twee stukken geschut opgesteld,” zeide ik tot mijn metgezel; “zooals ik zie, worden zij echter niet door inboorlingen bediend, maar door Amerikaansche matrozen. Ook is daar ginds tusschen de boomen een heele afdeeling Engelsche mariniers en matrozen vol ijver aan het schieten op de mannen van Mataafa. Dezen schijnen door het vijandelijk vuur niet veel verliezen te lijden, want zij houden hun stelling aan de rivier tusschen de boomen staande. Zie je daar, een beetje hooger en meer naar ons toe, dien flinken Samoaner, die met een heele schaar inboorlingen uit het boschje aanrukt om de twee kanonnen in de rechterflank aan te vallen? Dat is nog een oude kennis van mij uit Mulifanua, de vroegere tegenkoning van Malutoa, Tamasese; een kranige kerel, hè? Kijk eens aan! Door het onvermoeid vuren zijner soldaten dwingt hij de kanonnen hun stelling op te geven en zich langs de rivier terug te trekken. Ook schijnt [206]Mataafa’s volkje door het zwijgen van het geschut nieuwen moed gevat te hebben; ten minste hun koning leidt hen van twee kanten naar de Engelschen en hun vrienden, die zich ook niet lang meer zullen staande houden.”

Met behulp van mijn vrij sterken tooneelkijker, dien ik aan een riempje over mijn schouder droeg, kon ik de afzonderlijke gestalten der strijdenden aan weerszijden nauwkeurig onderscheiden, daar wij nauwelijks een kilometer van hen verwijderd waren. Op dit oogenblik, terwijl ik nog bezig was de bewegingen der strijdenden in het dal gade te slaan, riep Gaedecke, die eenige meters lager dan ik stond, mij toe:

“Richt je kijker eens op gindsche helling aan den overkant, Arendt; als mijn oog zich niet bedriegt, daalt daar een groote troep inboorlingen den berg af en het dal in.”

“Ja, waarlijk! Je hebt je niet vergist, beste vriend,” antwoordde ik, na eenige oogenblikken de tusschen de boomen zichtbaar wordende gestalten te hebben gadegeslagen. “Het zijn gewapende inboorlingen, waaronder ik zelfs eenige ‘Blauwjakken’ heb opgemerkt; het kunnen dus alleen mannen van Tanu zijn met eenige Britsche en Amerikaansche matrozen. Nu wordt mij ook duidelijk, wat die luitjes in het schild voeren; [207]zij willen op dezelfde wijze de helling afgaan, totdat zij zich een vier en twintig meter boven de strijdenden in het rivierdal bevinden en dan Mataafa’s soldaten in den rug aanvallen, hetgeen voor onzen vriend licht hachelijk zou kunnen worden. Als het mij echter eenigszins mogelijk is, zal ik er een schotje voor steken. Blijf jij hier rustig wachten, Gaedecke, dan rijd ik onmiddellijk de helling af en het dal in, zoo hard als mijn paard loopen kan, om Tamasese of een ander opperhoofd van Mataafa van het dreigend gevaar in kennis te stellen.”

“O neen, Arendt, hier blijven doe ik niet!” riep Gaedecke uit. “Ik zou je alleen aan het gevaar blootstellen om midden in het gevecht te geraken! Dat nooit! Ik ga met je mede. Vooruit dus! Geen tijd verloren laten gaan!”

Bij deze woorden steeg hij van het paard en leidde het de steile helling af; natuurlijk volgde ik zijn voorbeeld, ofschoon de gedachte mijn bedaarden, vredelievenden vriend aan het gevaar te zien blootgesteld van door een kogel getroffen te worden mij zeer bezorgd maakte; ik begreep echter Gaedeckes bedoeling zeer goed: hij wilde mij laten zien, dat het hem, den geleerde, als het er op aankwam, evenmin aan moed ontbrak als mij den vroegeren soldaat. [208]

Zoodra wij aan den rechteroever der Letoga-rivier gekomen waren, draafden wij met den stroom mee, tot wij ongeveer op dezelfde hoogte genaderd waren van het leger van Tamasese aan den overkant. Wij reden toen door de vrij ondiepe rivier en stuitten na weinig tijds op de manschappen van mijn ouden bekende, die gedeeltelijk op de, zeker honderd meter breede, ruimte tusschen de Letoga en den voet van den Westelijken bergrand, gedeeltelijk op een uitgestrektheid van de helling een verdedigings-linie vormden, waarop zij en de vijanden elkander beschoten. De hoofdmacht van Mataafa bevond zich iets lager en scheen, zoover ik zien kon, in een hardnekkig gevecht gewikkeld met het leger van Tanu en diens bondgenooten, die blijkbaar het voornemen hadden Mataafa met zijn soldaten over de rivier terug te dringen.

Ik steeg dadelijk van mijn paard, waarvan ik de teugels aan Gaedecke overgaf, met verzoek achter de eerste boomen aan den rand der helling, waar hij en de dieren ten minste eenigszins voor de vijandelijke kogels beschut zouden zijn, mijn terugkomst af te wachten. Nadat ik mij, zoo goed en zoo kwaad het ging, achter struikgewas en boomstammen een poos had schuilgehouden, sprong ik, zoodra ik begreep, dat ik gehoord zou worden, vlug naar voren en riep den [209]Samoaners mijn “Talofa” toe, verwonderd keken de eersten om en beantwoordden mijn groet zeer vriendelijk en, toen ik daarop vroeg, waar hun aanvoerder Tamasese zich op dit oogenblik ophield, wezen zij naar de hoogte op de helling, waarna zij weder met groote bedaardheid hun buksen afvuurden in de richting, waar hun vijanden moesten staan, maar van wie mij geen enkele in het oog viel. Zij hielden zich zeker evengoed achter boomstammen verborgen als het leger van Tamasese; de twee partijen deden elkander waarschijnlijk niet veel nadeel, ofschoon er met veel geestdrift werd geschoten; mij ten minste vlogen verscheiden malen eenige kogels om het hoofd.

Nadat wij een oogenblikje gestegen hadden, zag ik Tamasese bijna op den rand der hoogvlakte staan, die zich tusschen de Letoga- en de Vailele-rivier uitstrekt, waar hij ongeveer dertig soldaten om zich heen had geschaard, waarschijnlijk met het voornemen den vijand van bovenaf onverwachts aan te vallen. Zoodra ik de kleine open plek betrad, kwam mij de voormalige tegenkoning van Malietoa eenige stappen tegemoet, nam mij een oogenblik scherp met zijn groote donkere oogen op en riep toen met een vriendelijk lachje zijn “Talofa” uit, terwijl hij mij tevens de hand toestak; hij had mij dus dadelijk herkend. Nadat ook ik hem vriendschappelijk [210]had begroet, deelde ik hem, zoo vlug mij dit in de Samoaansche taal mogelijk was, mede, welk gevaar hem en de zijnen bedreigde.

Onmiddellijk riep hij zijn krijgslieden bij elkaar en daalde met hen de helling af, in de verdedigingslinie slechts zooveel man achterlatend, als strikt noodzakelijk was, om het vuur te onderhouden en de bewegingen van Tamasese onduidelijk te maken. In het dal aangekomen, nam ik afscheid van Tamasese, die mij op de hartelijkste wijze bedankte, en spoedde mij naar Gaedecke, die rustig achter de boomen mijn terugkeer had afgewacht.

In weinig woorden vertelde ik hem mijn ontmoeting met den kapitein, steeg vervolgens in den zadel en stelde voor, op de eerste ondiepe plaats de rivier te doorwaden en naar ons eerste standpunt op den oostelijken rand van het dal terug te keeren, daar wij op den linkeroever gevaar liepen midden tusschen de vijandelijke kogels te geraken. Nauwelijks hadden wij dan ook de Letoga overgestoken en een eind den berg opgereden, of wij hoorden al een hevig schieten van geweren en luide oorlogskreten. Iets hooger aangeland, konden wij zien, dat het Tamasese gelukt was nog voor de aankomst van Tanu’s leger een stelling in te nemen, waar de ruimte tusschen rivier en helling [211]nauwelijks veertig meter breed en bovendien met kreupelhout bedekt was; toen zijn vijanden nu laag genoeg gedaald waren, werden zij uit deze verborgen hinderlaag met zooveel geweerschoten ontvangen, dat het gevecht spoedig tot staan kwam. Intusschen drong ook het geluid van levendig geweervuur van den anderen kant van het dal, vermengd met kanongebulder tot ons door, waaruit wij een vrij hevigen strijd opmaakten; van ons standpunt echter konden wij het slagveld niet meer zoo goed overzien als vroeger, daar Mataafa er in geslaagd scheen te zijn, den hem tegenoverstaanden vijand een heel eind terug te dringen.

Plotseling zagen wij een groote schaar inboorlingen op den linkeroever naar boven ijlen, aan wier hoofd een man stond, in wien Gaedecke den ouden kapitein herkende, die het vorig jaar in gezelschap van Mataafa eenigen tijd bij ons gerust had en dien ik door mijn onderhandelen met den Britschen officier uit groote verlegenheid had gered. Voor zoover wij konden nagaan, zond Mataafa den kapitein met een sterke afdeeling soldaten zijn bondgenoot Tamasese te hulp, nadat hij door het aanhoudend schieten in het Noordelijk gedeelte van het dal, op het aldaar plaats hebbend gevecht opmerkzaam was geworden.

Deze versterking van zijn troepen scheen zeer van [212]pas te komen, want Tamasese had het met zijn kleine veertig man hard te verantwoorden tegenover de veel talrijker soldaten van Tanu en de matrozen. Toch hadden zij zich zoo dapper gehouden, dat het den laatsten nog niet gelukt was hen uit het bezette kreupelhout te verdrijven. Thans werd ik tot mijn vreugd en geruststelling gewaar, dat Tamasese den kapitein met het grootste gedeelte zijner manschappen de helling opstuurde, klaarblijkelijk met het doel den vijand van boven af in de flank aan te tasten. Deze omsingeling gelukte ook volkomen, want nauwelijks een half uur later zagen wij, dat de mannen van Tanu dadelijk na de eerste schoten, die hen tegemoet kwamen, weer naar boven trokken en spoedig in het dichte woud uit ons oog verdwenen.

Mataafa scheen er eveneens in geslaagd te zijn, zijn tegenpartij de Letoga verder af te dringen, want wij vernamen van dien kant nog slechts enkele schoten. Het geheele gevecht, dat men wel een slachting had kunnen noemen, had bijna drie uren geduurd, zoodat wij in een verzengenden zonnegloed den terugtocht naar de factorij moesten aanvaarden; wij verheugden er ons echter oprecht over, dat het den dapperen Mataafa wederom gelukt was, zijn erfvijanden en de helpers van hun bondgenooten, de Britsche en Amerikaansche [213]zeelieden te verslaan, hetgeen voor de beide laatsten toch ongetwijfeld een groote schande was.

In den namiddag waren Gaedecke en ik voornemens ons naar de op de oostelijke helling gelegen cultures te begeven, toen wij een troepje inboorlingen ontdekten, die den kant van Laulii uitkwamen en onze woning naderden. Het duurde niet lang, of ik herkende aan het hoofd daarvan mijn kennis Tamasese benevens onzen vriend, den ouden kapitein. Beiden riepen ons een zeer vriendelijk “Talofa” toe, toen zij bij de veranda aan den voorkant van het huis gekomen waren, hetgeen wij op dezelfde wijze beantwoordden met de uitnoodiging bij ons van de vermoeienissen wat te komen uitrusten.

“Ik kom u bezoeken, mijnheer,” begon Tamasese, nadat hij had plaats genomen “om u te bedanken voor uw tijdige waarschuwing van heden morgen, en ook Mataafa laat u dank zeggen; hij kan zelf niet komen, omdat hij onze soldaten niet zonder toezicht wil laten, daar hij ieder oogenblik op een nieuwen aanval van Tanu voorbereid moet zijn. Als u mij niet opmerkzaam hadt gemaakt op het gevaar, waarmede ik bedreigd werd, zouden wij licht in groote moeilijkheden geraakt zijn.”

“Het was niet meer dan een staaltje van mijn plicht, [214]een vriend van mijn landgenooten en zulk een geacht opperhoofd te helpen,” gaf ik ten antwoord, terwijl ik de mij toegestoken hand hartelijk schudde.

Inmiddels had Gaedecke op een wenk van mij den bedienden bevolen eenige flesschen bier naar de veranda te brengen, daar ik de voorliefde van Tamasese voor dezen drank kende; ook de zes krijgslieden, die zich in de schaduw der bananen hadden nedergelegd, kregen een flesch whiskey en eenige sigaren. Met zichtbaar welgevallen dronk Tamasese zijn glas uit en at een weinig koud vleesch en brood, dat Sufa eveneens had klaargezet.

“De soldaten van Tanu en de matrozen hebben zich bijna geheel tot aan de kust teruggetrokken,” begon hij vervolgens, nadat hij een sigaar had aangestoken “en ginds, in de buurt van Vailina een kamp opgeslagen. Zooals Mataafa mij heeft meegedeeld, wil hij hen zoo mogelijk reeds morgen aanvallen en tot Apia terugdringen om weder in het bezit te geraken der dorpen, die hij na het bombardement heeft moeten ontruimen. Wij zullen den strijd niet eerder opgeven, voordat het ons gelukt is Tanu en zijn partij geheel te vernietigen, in weerwil van de hulp, die hij van de Engelschen ontvangt. Nooit zullen wij ons onderwerpen aan de heerschappij van dezen knaap.” [215]

Wij wenschten hem en Mataafa oprecht een schitterend succes en begeleidden Tamasese en zijn gevolg een eind weegs het dal in, toen zij twee uren later vertrokken.

Den volgenden dag scheen er geen gevecht te hebben plaats gehad; ten minste wij vernamen noch het knallen der geweren, noch het bulderen van het geschut op de kust, die toch slechts een kilometer van ons woonhuis verwijderd was. Den 17en April, echter, hoorden wij in de eerste middaguren het gebulder van zware kanonnen, hetgeen wij ons zelf in het geheel niet konden verklaren, tot ik op de gedachte kwam, dat waarschijnlijk de “Philadelphia” of de twee Engelsche oorlogsschepen van Apia gekomen en de golf ten Westen van Laulii binnengeloopen waren om Tanu en zijn soldaten te ondersteunen.

Ik deelde mijn vermoeden aan Gaedecke mede, die dadelijk voorstelde naar Laulii, aan de overzijde, te rijden om het gevecht, van den berg af gade te slaan. Enkele minuten later zaten wij in den zadel en draafden door het dal. Hoe dichter wij bij de kust kwamen, hoe duidelijker wij het dreunen der groote scheepskanonnen hoorden. In Laulii zelf konden wij intusschen niets van de oorlogsschepen te zien krijgen; daarom reden wij naar den uitlooper van den bergrug, [216]die zeer steil naar de zee afhelde en zich ten Westen van den ingang van ons dal bevond. Daar genoten wij een verrassend schoon uitzicht.

De “Philadelphia” zoowel als de Engelsche kruiser “Porpoise” waren, zoover het met het koraalrif mogelijk was, in de golf voor anker gegaan en beschoten de geheele vlakte aan beide zijden van den mond der Letoga, met groote granaten, voornamelijk het dorp Vailina, dat spoedig op verscheidene punten in brand stond. Van Mataafa’s troepen konden wij aanvankelijk niets ontdekken, totdat ik eindelijk door mijn tooneelkijker bespeurde, dat zij zich in de dichte Mongrove-bosschen ten Westen van het dorp teruggetrokken hadden, nadat dit door het kanonvuur in brand gestoken was. In alle geval had Mataafa den vijand uit dit door hem bezette dorp verdreven, dat daarop dadelijk door de oorlogsschepen beschoten werd, waardoor Mataafa genoodzaakt was het te verlaten. Wij konden het einde van het gevecht niet afwachten, daar er reeds verscheiden granaten in onze nabijheid gesprongen waren, waarvan de ver uiteenspattende stukken ons licht hadden kunnen treffen. Ik kwam namelijk nu eerst tot het besef, dat onmiddellijk onder ons niet bijzonder hoog standpunt, zich slechts enkele minuten [217]geleden een zeer hevig geweervuur geopend had, ongetwijfeld tusschen een grootere legerafdeeling van Mataafa en de krijgslieden van Tanu; door het dichte struikgewas konden wij echter niets van het gevecht zien. Thans waren de scheepskanonnen begonnen hun vuur op de krijgslieden van Mataafa te richten, die zich tusschen de boomen en het kreupelhout bevonden.

Om niet voor onze nieuwsgierigheid door de in het rond vliegende granaatsplinters gestraft te worden, daalden wij in de richting van Laulii de helling zoo vlug mogelijk af en keerden naar huis terug.

Naar wij later vernamen, had Mataafa zich ten gevolge van de inmenging der oorlogsschepen in het gevecht, gedrongen gezien dit te staken en zich in de bergen terug te trekken, om zich buiten bereik te stellen van het vernielend granaatvuur; toen daarop de Tanu-krijgers, aangemoedigd door dit terugwijken, hem vol vuur achtervolgden, viel hij met zooveel moed en dapperheid op zijn vervolgers aan, dat zij zeer spoedig alle mogelijke pogingen om zich van hem meester te maken moesten opgeven.

Deze veldslag bij Vailine was het eerste groote gevecht tusschen de vijandelijke partijen. Den 13n Mei kwam eindelijk de internationale commissie te Apia [218]bijeen, om de verwikkelingen en oneenigheden op Samoa bij te leggen. Nadat de vertegenwoordigers der drie beschermende mogendheden, zich nauwkeurig op de hoogte gesteld hadden van de gebeurtenissen op de eilanden der Samoagroep, waarbij de voorzitter van den gemeenteraad, dokter Raffel, hen door zijn mededeelingen flink ter zijde stond, besloot de commissie, den 10n Juni, Tanu als koning te erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat hij dadelijk alle aanspraken op die waardigheid zou laten varen; daarna werd het koningschap onvoorwaardelijk afgeschaft en de regeering aan de drie consuls overgedragen. Voorts werd er een bevel gegeven, dat allen inboorlingen gebood hun wapens in Apia te komen brengen. Om den Duitschers eenige voldoening te geven, werden admiraal Kautz en de president van de rechtbank Chambers, teruggeroepen; dezen hadden door hun intriges en dwingelandij veel bijgedragen tot de oneenigheden en het bloedvergieten.

De ontwapening der inlanders ging zonder moeilijkheden gepaard en spoedig heerschte er volkomen rust op dit door de natuur zoo rijk bedeelde, verrukkelijk schoone eiland.

Ook op onze plantages bloeiden al de cultures zoo heerlijk, dat wij na eenige weken een overvloedigen oogst, [219]aan kopra, katoen, suikerriet en cacao naar Laulii op buffelkarren konden laten vervoeren, waar hij op een kotter, die uit Apia overgestuurd was, overgeladen werd. Zelfs was onze proef met het telen van de tabaksplant zeer gunstig uitgevallen; wij hadden zooveel tabaksblaren geoogst, dat wij niet alleen genoeg voor ons zelf hadden, maar ook een vrij aanzienlijke hoeveelheid naar Matafele konden zenden. Onder onze Samoaansche werklieden waren er verscheidenen, die van de ruwe bladeren heel goed sigaren konden maken, die Gaedecke en mij ten minste bijzonder lekker smaakten.

Toen ik in het begin van Juni naar Apia voer, om de noodige gelden voor ons en het werkvolk in ontvangst te nemen, vond ik het grootste gedeelte der huizen, die door het bombardement vernield waren, reeds hernieuwd of in aanbouw. In de bijna geheel verbrande en verwoeste dorpen in den omtrek der stad, hadden de inlanders hun eenvoudige, maar toch zeer aardige en geriefelijke hutten weer opgebouwd; alleen zag het er in de plantages, die erg door de granaatkogels geleden hadden, zeer treurig uit. Wel hadden de eigenaars schadevergoeding verlangd, maar er konden maanden verloopen voor de regeeringen van Engeland en Noord-Amerika, het [220]over het uitbetalen dier sommen eens waren geworden. Directeur Beckmann gaf zijn tevredenheid over den bloei den factorij te kennen en prees Gaedecke, die haar zoo voorzichtig en uitstekend bestuurd had; hij gaf mij een brief voor mijn collega mee, waarin hij dezen zijn hartelijken dank betuigde.

Van deze gunstige stemming maakte ik gebruik, om mijn chef verlof te vragen een paar dagen naar Mulifanua te mogen gaan, waar ik zoo heel gaarne, mijnheer Krüger en vooral mijn vriend Petersen, een bezoek zou willen brengen. Nu de oogst binnen was en ik betrekkelijk weinig te doen had, kon ik gemakkelijk een poosje gemist worden.

“Met alle genoegen, beste Arendt!” gaf de directeur minzaam ten antwoord. “Breng morgen het geld naar de factorij en leg het zoo aan, dat gij aanstaanden Maandag weer terug zijt; ik ben namelijk van plan op dien dag zelf naar Mulifanua te gaan en wil u dan meenemen.”

Toen ik op onze plantage terug was, deelde ik Gaedecke mede, dat ik verlof had gekregen en voegde er bij, dat ik hem aanstaanden Maandag voor een paar dagen verlaten zou, om mijn vrienden in Mulifanua te bezoeken.

“Je hebt gelijk, vriend, dat je dien vrijen tijd zoo [221]gebruikt,” antwoordde mijn collega, “maar ik zou heel gaarne zien, dat je het zoo kondt schikken, aanstaanden Zaterdag weer hier te zijn. Ik ben voornemens, den Zondag daarop naar Vaitele te rijden, om bruiloft te houden, en ik noodig je bij dezen hartelijk op mijn feest. Nu de vrede op het eiland, Goddank, en wij willen hopen voorgoed, hersteld is, zie ik niet in, waarom ik mijn hartewensch nog langer zou moeten uitstellen.”

“Ik denk er eveneens over en neem je uitnoodiging heel gaarne aan,” antwoordde ik. “Je kunt er vast op rekenen, dat ik prompt op tijd weer terug zal zijn.”

Dadelijk na zonsopgang voer ik ’s Maandags in onze kano van Laulii naar Apia en ging onmiddellijk naar directeur Beckmann, met wien ik ontbeet en mij daarna aan boord van de groote boot begaf, waarin de directeur gewoonlijk kleine tochtjes naar de factorijen aan de kust, ondernam.

In de eerste uren van den middag liepen wij de haven van Mulifanua binnen, en begaven wij ons onverwijld, naar het woonhuis, waar wij zonder ons te laten aandienen mijnheer Krüger en Petersen op het terras in den tuin aantroffen, onder het gebruik van een kop thee.

Met een luiden vreugdekreet sprong Hendrik op, [222]toen hij ons zag, begroette eerst den directeur en omhelsde mij toen, met de woorden: “Mijn jongen! Mijn beste Herman! Blijf je nu weer bij ons?”

Ik beantwoordde deze begroeting even hartelijk, en drukte daarna de hand van mijnheer Krüger, die hij mij vriendelijk lachend toestak, terwijl de directeur zeide:

“Neen, waarde Petersen, uw vriend Arendt kon zijn verlangen naar u en zijn vroegeren chef niet langer bedwingen en wilde u beiden heel gaarne weer eens zien. Ik moest het gevraagde verlof wel toestaan en heb hem nu maar meegebracht, omdat ik ook verlangde eenige bijzonderheden met u, mijnheer Krüger, te bespreken.”

“U weet wel, waarde directeur, dat uw bezoek, mij altijd welkom is; jammer, dat het zoo zelden plaats heeft,” antwoordde mijnheer Krüger. “Verkwikt u nu met een kop thee, Heeren, en geniet van de heerlijke koelte in deze kamer, na den langen tocht in den brandenden zonnegloed.”

Terwijl wij nog aan de theetafel zaten, kwamen twee onzer roeiers mijn handkoffer en dien van den directeur brengen. Behalve eenig onontbeerlijk ondergoed en wat dunne bovenkleeren, die in dit tropisch klimaat zoo noodig zijn, had ik tweehonderd stuks van onze eigengemaakte sigaren uit de zelf gekweekte [223]tabak, ingepakt; deze overhandigde ik nu aan mijnheer Krüger en Petersen. Beiden waren, zooals ik wist, hartstochtelijke rookers; zij staken direct eens op en prezen zeer den smaak en geur der heerlijke tabak.

Spoedig daarop begaven de directeur en ik ons naar onze vertrekken om wat te rusten. Na een verkwikkend bad, vonden wij onze vriendelijke gastheeren weer op het terras, waar zij ons met een heerlijk diner wachtten. Onder het eten vroeg Petersen mij nadere bijzonderheden van de twee laatste groote gevechten bij Muliangi en Vailina, waarvan Tamasese hem verteld had.

“Onze oude vriend bezocht ons dadelijk na zijn terugkomst in zijn vroeger hoofdkwartier ‘Falelatar,’ ” zeide Hendrik, “en hij heeft ons wonderen verteld van je heldenfeiten in het eerste gevecht; hij sprak met groote dankbaarheid over je tijdige waarschuwing aangaande de dreigende, vijandelijke overrompeling; hoewel de kogels om je heen floten, was je toch bij hem gekomen. Waarachtig! je hebt bewezen, dat een vroeger Duitsch soldaat, niet gemakkelijk den juisten blik op de verrichtingen in een legerkamp verliest. Op je welzijn in het bijzonder, oude vriend en kameraad!”

Toen moest ik uitvoerig het voorgevallene bij dat [224]gevecht, en hoe ik tusschenbeide was gekomen, vertellen, want de directeur wist hiervan nog niets.

Na het diner reden wij naar de plantage, waar de opzichter Mertens ons heel vriendelijk ontving. Al de cultures stonden in vollen bloei en beloofden een rijken oogst, dank zij de voorzichtige leiding van mijnheer Krüger, die hierin flink door Petersen en Mertens geholpen werd. Naar deze mij mededeelde, hadden al de werklieden hun contracten voor drie jaar verlengd, daar zij zich op de plantage zeer op hun gemak gevoelden en vooral veel van Petersen hielden, die er uitstekend den slag van had met het volk om te gaan en hun het leven aangenaam te maken.

Den volgenden dag vertrok directeur Beckmann dadelijk na het ontbijt naar Apia, en verzocht mij nog eens dringend hem op mijn terugreis te komen bezoeken.

Zooals mijnheer Krüger mij vertelde, was hij zeer tevreden over mijn opvolger in het boekhouden; het was een bescheiden jongmensch, die spoedig op de hoogte van het werk was gekomen. Ik kon niet persoonlijk kennis met hem maken, daar hij voor een paar dagen met verlof naar Matafele was.

Na het diner ging ik met Hendrik naar de plantage en reed van daar alleen naar de niet ver gelegen factorij Falelata, om mijnheer Hüsmann en zijn familie [225]een bezoek te brengen. Ik werd er zeer hartelijk ontvangen; zij waren dien nacht nog niet vergeten, waarin Petersen en ik hun te hulp waren gekomen om de overrompeling der inlanders te doen mislukken.

Ik had te kennen gegeven, om, nu ik in Mulifanua was, ook den vorigen koning Tamasese in zijn dorp te bezoeken, wat mijnheer Krüger goedkeurde; vrijwillig stond hij ook Petersen toe met mij mee te gaan. Geheel onverwacht verscheen op den middag, die voor ons uitstapje bestemd was, Tamasese bij mijnheer Krüger, vergezeld van twee zijner voornaamste opperhoofden; nu waren zij ongewapend. Hij had evenals al de overige inlanders zijn wapenen moeten afleggen. Toen wij elkander hartelijk begroet, en op het terras plaats genomen hadden, vertelde hij ons, dat hij van een zijner lieden vernomen had, dat ik mij in Mulifanua bevond, en nu was hij gekomen, om mij nog eens te zien. Nooit zou hij den dienst vergeten, dien ik hem bij Muliangi bewezen had, verzekerde hij mij, terwijl hij mij met groote hartelijkheid de hand drukte.

Evenals vroeger smaakten verscheiden glazen Pschorrbräu Tamasese uitstekend, maar toch schenen de jongste gebeurtenissen hem veel van zijn zelfstandigheid als ex-pretendent naar de kroon, te hebben doen [226]verliezen, hij zag er ten minste tamelijk neerslachtig en ontevreden uit.

Vrijdagmorgen nam ik afscheid van mijnheer Krüger en mijn vriend Hendrik, die mij naar het strand bracht, waar de groote boot der factorij op mij wachtte. Dadelijk na mijn aankomst te Apia, begaf ik mij naar directeur Beckmann, bij wien ik bleef eten. Onder het diner vroeg ik hem verlof, om in de nabijheid van ons woonhuis een klein huisje te laten bouwen, daar ik na Gaedeckes huwelijk toch niet bij hem kon blijven wonen; aanstaanden Zondag zou mijn vriend, zooals de directeur wist, trouwen.

Glimlachend antwoordde mijnheer Beckmann: “Beste Arendt, dit verzoek kan ik u niet toestaan.”

Toen ik hem eenigszins verbluft aankeek, vervolgde hij:

“Mijn secretaris is met de laatste stoomboot naar Auckland vertrokken om van daar naar Duitschland terug te keeren; sedert eenige maanden was hij aan het sukkelen, daar hij niet tegen dit klimaat kon. Daarom heb ik besloten, de niet onbelangrijke betrekking van secretaris aan u op te dragen, en een der jongere bedienden van de Maatschappij in Matafele, in uw plaats naar de factorij bij Laulii te zenden. Vindt ge dit goed, vriend?” [227]

“O, Directeur, hoe zal ik u voor zooveel goedheid, voor dit bewijs van vertrouwen danken!” riep ik vroolijk verrast uit. “Het zal mijn vurigst streven zijn, mij deze goedheid waardig te maken en uw vertrouwen te behouden.”

Mijn chef gaf mij over de tafel heen, vriendelijk lachend de hand, die ik innig dankbaar drukte.

“Mijnheer Hellmann,” zeide mijn chef nu verder, “zoo heet uw opvolger, dien gij bij gelegenheid van uw bezoeken in Matafele, hebt leeren kennen, zal u morgen vroeg naar Laulii vergezellen en voorloopig bij den opzichter Hendriksen wonen, tot er een huisje voor hem in orde gemaakt is. Ik heb een paar dagen geleden reeds aan Gaedecke geschreven en hem van deze schikking op de hoogte gebracht. Wat er mogelijk nog meer te doen valt, kunnen wij overmorgen in Vaitele bij Tiedemann bespreken, daar ik ook op de bruiloft van uw vriend genoodigd ben en met onzen tegenwoordigen predikant daarheen wil rijden. Vannacht kunt ge al in de kamer, die voor u bestemd is, slapen; ik zal uw koffer door een knecht van het hotel doen halen.”

Na den maaltijd bracht de directeur mij zelf naar mijn kamer, een vrij groot vertrek, met ramen, die op den tuin uitzagen, en liet mij toen alleen, nadat hij mij nog gezegd had, dat ik den geheelen avond [228]vrij over mijn tijd kon beschikken, omdat hij een conferentie bij dokter Raffel moest bijwonen.

Ik was zoo opgewonden over de onverwachte onderscheiding, die mij te beurt was gevallen, dat het mij onmogelijk was thuis te blijven. Ik stak een sigaar op, slenterde wel een uur lang de haven op en neer, en belandde eindelijk in den Duitschen biertuin op het strand, waar ik in gezelschap van de vroegere, bekende Duitsche kooplui een glas bier dronk en eindelijk innig vergenoegd naar huis ging.

Den volgenden morgen gebruikte ik met den directeur vlug een kop thee en voer toen in een boot, die men mij welwillend voor dit doel had afgestaan, naar Laulii. Mijnheer Hellmann, die afscheid was komen nemen van onzen chef, ging met mij mede.

Gaedecke ontving mij zeer hartelijk, feliciteerde mij met mijn bevordering, doch gaf tevens zijn leedwezen te kennen, dat wij moesten scheiden, daar wij tijdens ons samenwonen, met elkander op zulk een goeden voet verkeerd hadden. Nadat mijn opvolger voor dien eersten nacht mijn vroegere kamer betrokken had, gebruikten wij een stevig lunch, waarna Gaedecke en ik te paard stegen om naar Vaitele te gaan. Onze feestkleeren waren in een handkoffer gepakt, die achter het zadel van mijn paard vastgegespt werd. [229]

Nog voor het invallen van de duisternis kwamen wij op de plaats onzer bestemming, waar wij met gejuich ontvangen werden, daar de familie Tiedemann ons eerst den volgenden morgen verwacht had. De avond ging onder gezelligen kout voorbij; alleen speet het ons, dat wij op Duitsche manier geen “Polter-abend”1 konden houden!

Tegen tien uur ’s morgens verschenen directeur Beckmann en de dominee van Apia, beiden te paard, op de factorij en, nadat de heeren een kleine hartsterking genomen hadden, voltrok de geestelijke, achter in den tuin, op het terras, dat bijzonder mooi met bloemen en kransen versierd was, het huwelijk. Veel meisjes, vrouwen en mannen woonden, gedeeltelijk op de treden van het terras, gedeeltelijk op het plein daarvoor, de plechtigheid bij.

Terwijl wij daarna aan den keurig met bloemen getooiden bruiloftsdisch aanzaten, en ons het heerlijk toebereide maal uitstekend lieten smaken, kwamen twaalf bekoorlijke meisjes, met bloemkransen op het hoofd en slingers van bloemen om het bovenlijf, binnen, en voerden ter eere van de jonge vrouw, de vriendin harer meisjesjaren, een “Siva” uit, den bevalligsten en liefsten dans, dien men bedenken kan. Dadelijk [230]na het diner keerden de directeur en de dominee naar Apia terug, waarna de jonggehuwden en mijn persoon zich gereedmaakten den tocht naar onze factorij te aanvaarden. De bekoorlijke Filina had bruidsgewaad en sluier voor een eenvoudiger kleed verwisseld en besteeg het voor haar bestemde paard, dat een dameszadel had, om naar haar nieuwe woning te rijden, daar het onmogelijk was, er op een andere manier te komen. Haar uitzet, in groote manden gepakt, was reeds ’s morgens door verscheiden knechts op de factorij bezorgd. Ik reed als wegwijzer vooruit, en het druk redeneerend paar kwam achter mij aan. Zij zouden zeker niet op den weg gelet hebben, en wij hadden dus gemakkelijk kunnen verdwalen.

Toen wij zonder ongelukken tegen den avond de plantage bereikt hadden, sloeg ik mijn nachtkwartier op bij den opzichter Hendriksen, waar ik mijn opvolger reeds aantrof. Ik legde mij neer onder het voorste afdak van het huisje op een mat, dekte mij toe met een plaid en sliep dadelijk in, daar de rit, bij de groote hitte, mij zeer vermoeid had.

Den volgenden morgen ontbeet ik in gezelschap van het jonge echtpaar op de tuin-veranda, pakte mijn boeltje in mijn koffer en reed, na hartelijk afscheid genomen te hebben van Gaedecke—dien ik oprecht [231]lief gekregen had—en zijn alleraardigst vrouwtje, naar het dal. Vóór dien tijd had ik den opzichter Hendriksen en mijn opvolger reeds vaarwel gezegd. Mijn trouwe Sufa had kort te voren al mijn bagage mijn geweren en revolvers op een handwagen geladen, die door twee werklieden naar Laulii gereden werd, waar de boot van de factorij reeds op mij wachtte, om mij naar Apia over te zetten.

Zeer spoedig was ik op de hoogte mijner werkzaamheden, als secretaris van den eersten ambtenaar der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij. Deze bestonden voornamelijk in het voeren der correspondentie met de verschillende factorijen, die onze Maatschappij op de eilanden Upolu en Savaii bezat, en het nazien en vergelijken der berichten omtrent de opgave van den oogst, en tevens den directeur daarvan op de hoogte te houden. Op deze wijze vernam ik toen eerst, dat de Maatschappij ongeveer vierduizend hectaren gronds op Samoa in eigendom had, benevens zestienhonderd stuks rundvee en verscheiden honderd paarden. Op haar plantages werkten meer dan duizend arbeiders, waarvan de meesten van de Tonga- de Salomons- en de Gilbert-eilanden naar Samoa gezonden waren, daar de Samoaners zelf tot geen enkel werk, dat inspanning vordert, te bewegen zijn. De buitengewone [232]vruchtbaarheid van hun schoon vaderland, vergunt hun een ongestoord Dolce far niente; men mocht er hun dus geen verwijt van maken, dat zij dit zoete nietsdoen niet vrijwillig wilden opgeven.

Elke maand bezocht mijn chef geregeld de factorijen op Upolu en Savaii, om ze te inspecteeren en een noodzakelijk onderhoud te hebben met de respectieve directeuren. Ik vergezelde hem bijna altijd op die tochten, en dit was voor mij van veel belang, daar ik zoodoende land en volk beter leerde kennen.

De eerste maanden gingen kalm en rustig voorbij en het jaar 1899 zou niet eindigen, zonder ons de definitieve regeling der staatkundige moeilijkheden op de Samoa-eilanden te brengen.

De overeenkomst, tusschen de Duitsche Regeering en Groot-Brittannië, op den 14en November 1899 te Londen gesloten, bepaalde, dat Engeland in het belang van Duitschland, van al zijn aanspraken op de eilanden Upolu en Savaii, afstand deed; deze kwamen nu uitsluitend in het bezit van Duitschland, dat wederkeerig, ten gunste van Engeland, afzag van zijn recht op de Tonga-archipel.

Eenige weken later, werd den 2en September, te Washington, een gelijkluidende overeenkomst gesloten, tusschen Duitschland en de Vereenigde Staten van [233]Noord-Amerika; dezen lieten ook hun aanspraken varen op Upolu en Savaii, waarvoor hun het bezit van het eiland Tutuila beloofd werd. Tutuila is het derde groote eiland van de groep en ligt zuidoostelijk van Upolu; in de haven van Pago-Pago, aan de zuidkust, heeft het de beste aanlegplaats van alle Samoa-eilanden, en het is overigens ook een belangrijke bezitting.

Door deze twee overeenkomsten waren de prachtige eilanden Upolu en Savaii een kolonie van het Duitsche rijk geworden en zullen zij, naar wij hopen, door geen twisten, of staatkundige verwikkelingen meer verontrust worden. Zoo mogen zij, boven aller verwachting, tot den grootsten bloei komen!

Ik ben vast besloten dit aardsch paradijs niet te verlaten, zoolang de goede God mij gezondheid schenkt, en mijn werkkring zoo aangenaam blijft, als deze op het oogenblik is.

Einde.


1 Feestelijke avond voor de bruiloft. 

[Inhoud]

Bij den uitgever dezes verscheen mede:

Suze Andriessen. Slot Hemsrode, met 20 keurige illustratiën van Henriette de Vries. Prijs f 1.90, ing. in prachtband f 2.50.

Agnes Hoffmann. Op den Lindenhof, met oorspronkelijke platen van Jan de Waardt. f 1.90, in prachtband f 2.50.

Bertha Clement. De Roos van Jericho, door Mevrouw J. v. d. Hoeven. Geïllustreerde uitgave. Keurig gebonden f 1.90.

E. von Barfus. De Goudzoekers aan de Klondyke-Rivier, met keurige platen, f 1.90 fraai gebonden.

Emile Salgari. De Italiaansche Robinsons, uitgaaf met 12 platen. Keurig gebonden f 1.90.

Deze boeken worden algemeen met warmte aanbevolen.

Inhoudsopgave

1. In Apia. 1
2. Op de plantage Mulifanua. 21
3. Koning Tamasese. 40
4. Op Savaii. De Taifun. 65
5. Midden in den Grooten Oceaan. 85
6. Kerstmis op Upolu 100
7. Op de nieuwe plantage Laulii. 119
8. Koning Mataafa. 139
9. Het bombardement van Apia. 170
10. Samoa wordt een Duitsche kolonie. 201

Colofon

Beschikbaarheid

Publiek Domein; het auteursrecht op de oorspronkelijke tekst is verlopen; dit bestand mag vrijelijk gekopieerd worden.

Oorspronkelijke Duitse titel: Auf Samoa, verschenen bij Gustav Weise in Stuttgart.

Metadata

Codering

Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld.

Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met “.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 14 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
4 vroe-heetten vroeger heetten 4
20 [Verwijderd] 1
30 Pidjing-Engelsch Pidjin-Engelsch 1
32 [Niet in bron] . 1
48, 168, 204 [Niet in bron] 1
50, 58, 163, 177 [Niet in bron] 1
57 manne nuit mannen uit 2
98 thee-dronk thee dronk 1
132 , . 1